DE SCHOOLJONGEN VAN SCOREL

de schooljongen

Weet je wat iedereen dadelijk onthoudt?
De schilder Jan van Scorel (1495-1562) was volgens zijn biograaf Carel van Mander de onwettige zoon van een dorpspastoor.

Het is niet mijn bedoeling zijn leven te beschrijven, noch minder het te hebben of dorpspastoors al dan niet kinderen moeten of mogen hebben, maar ik wilde met mijn beginzin duiden op onze honger naar ‘smakelijke’ details die er verder niet toe doen, maar die blijkbaar in goede aarde vallen terwijl namen van zijn leermeesters zoals Cornelis Willemsz, Jacob Corneliszoon van Oostsanen en Jan Gossaert meestal bij namen geklasseerd blijven.

Ik hou van oude museumgidsen omdat ze nog niet de mogelijkheid hadden schitterende reproducties af te drukken en ze zich dus vooral op de beschrijving van het onderwerp moesten toeleggen.

En nu zie ik in jouw winkel de serie ‘Die berühmten Gemäldegalerien der Welt’ staan, een vertaalde serie uit de jaren zestig-zeventig die he’t vooral van de teksten moest hebben want de reproductietechnieken zijn intussen, zachtjes gezegd, achterhaald, al is de schooljongen hierbij nu ook niet dadelijk een voorbeeld van internet-beeldtechniek.

De schilder hield van geschreven boodschappen op zijn werk.
Hier het jaartal 1531 (Van Scorel is dan zelf 36) en de leeftijd van het joch, 12 jaar.

Een mooie tijd, dat wel.
Het humanisme heeft zich doorgezet, je merkt dat de schilder Dürer heeft ontmoet op een van zijn reizen door Europa, en het feit dat kinderen naar school kunnen wijst op welvaart.

We weten niet wie het kind is.
Voor zijn eigen zoon is het nog vroeg, want de schilder zou later als kannunink met zijn vrouw of minnares Agatha van Schoonhoven vier zonen en twee dochters krijgen, en vermits hij pas in 1528 kannunink werd benoemd, is dit jongetje uit 1531 wellicht niet zijn eigen kind.

Een tijd van rijkdom was het, en voorlopige vrede want de godsdienstoorlogen liggen nog in hun ei op allerlei uitbroeders te wachten. (Keizer Karel was toen 31)
Een tijd ook van kennis, wetenschap en schone kunsten want de artiest heeft onder zijn doek een tekst neergezet die helaas op de reproductie hier is weggeknipt.

QUIS DIVES? QUI NIL CUPIT- QUIS PAUPER? AVAR.

Wie is er rijk? Hij die niets begeert. Wie is er arm? De hovaardige.

Daarmee duidt hij zijn eigen latijnse opleiding aan, een deel van het visitekaartje waarmee je belangrijke (kerkelijke) klanten kon winnen, en geeft hij blijkbaar de jongen een wijze levensles mee.

Op het papier dat de jongen in zijn hand houdt staat in spiegelschrift ‘Omnia dat dominus, non habet ergo minus’ Vrij vertaald: De Heer geeft alles maar heeft daarom niet minder.

Een mooie spreuk voorwaar, want als kannunink had hij vast een vrij goed kerkelijk inkomen, moest hij voor de wijn van het kapitel zorgen, en beheerde hij landgoederen in de grote omgeving van Utrecht.

Hij moest dus niet veel meer begeren, inderdaad, en het is dan makkelijk wijze lessen mee te geven aan de onbekende 12-jarige.

dyn004_original_480_279_jpeg_20344_728fc583d84651d29e7d7eba120ba5fe

De schilder was immers bevriend geweest met de toenmalige paus Adrianus VI, ook een Utrechtenaar, en van 1522 tot 1523 (dood van de paus) was van Scorel opzichter van de pauselijke kunstcollecties.

Het mooie portret van een humanist aan de ene kant en de stervende Cleopatra aan de andere lijken op het eerste gezicht portret en genretafereel, maar ook hier is de zedenles niet ver weg.

De humanist wijst naar de achterliggende toren van Babel, een duidelijk teken van hoogmoed en zijn kwalijke gevolgen terwijl Cleopatra in haar mooi blootje toch maar door het serpent wordt gebeten (de naakte Eva is niet ver weg) zodat je weet dat wellust en zinnelijkheid ook niet alles is in dit tranendal.

dyn004_original_336_432_jpeg_20344_9916970b78a2b03557fc1015570e17ac

Ik besef dat een (heilige) kerk zowel kool en geit wil sparen, en ik denk ook dat deze menselijke kant ze vaak aantrekkelijk heeft gemaakt.
Maar ook nu, bij het pauselijk bezoek aan Amerika, worden de ‘slachtoffers van misbruik’ gehoord, wordt er luid geroepen om verandering maar vraagt zich niemand (ook de seculiere pers niet) af wat in vele gevallen vermeend misbruik opbrengt.
Te horen aan de sommen in elk geval een bedrag waar een kannunink uit Scorels tijd ook van zou gnuiven.
En welke kant moet je nog op met je leven eens je op zo’n lijst van ‘misdadigers’ staat?
Een kerk met moed zou het ook voor die slachtoffers moeten opnemen, en luidop die vragen moeten stellen.

Maar net als wij allemaal kennen we het antwoord en zou er een woest gehuil in het bos opgaan, en juist door dat gehuil en de vrees dat het bos helemaal zou leeglopen, schaart zo’n kerk zich bij wat de mensenmassa’s graag horen en schrijft ze onderaan haar eigen schilderij: Quis Pauper? Wie is er arm?
Hij die niets begeert.

Dus niet hij, zij die het homohuwelijk onder de grond stampen, het onderzoek naar stamcellen kelderen, de mensen absolute gehoorzaamheid als kern van het geloof opleggen, de handjes schudden van een man en omgeving die duizenden jongenslevens op zijn geweten heeft.
Zij begeren de enige waarheid, de hunne.

En dat hun heer ook hen maar eens een beetje moed geeft, hij zal er daarom niet minder overhouden voor degenen die aan de andere kant in dodencellen zitten, die moeten opboksen tegen de mensonterende domheid van het creationisme, die als priester met een man of vrouw willen samenleven, die naamloos in ziekenhuizen werken, stervenden bijstaan, hun weinig bezit wegschenken zonder dat er iemand weet van heeft, of vriendschap schenken zonder wat dan ook op te eisen.

Een psychiater zou beter moeten weten, beste antikwaar.
Want…weet je nog, die ‘smakelijke’ details?
Vader Cats zou het hebben over ‘het smeer’ en de ‘kandeleer’.