d2e1e-dove

Deze fictieve gedocumenteerde familie-kroniek ontstond in 2013. Ze verbindt Brussel, Lille, Parijs, Brugge midden en einde 19de eeuw. Het is nog maar een ontwerp, een verkenning.  Ze is ook met plaatjes terug te vinden in het blog 2013-2014.

 

1.

Bij leven en beperkt welzijn ontwierp juffrouw F. de Lunden volgens kenners, ingewijden en geëxalteerden de mooiste wolken waaruit in de gedaante van een duif de heilige Geest weldra zou ‘vallen’, zoals haar nicht Susanne dat in vaktaal uitdrukte, gezien haar reeds enige jaren overleden vader de duivensport genegen was en zij het ‘vallen’ van de duiven met eigen kinderogen mocht meemaken.

Om tot de kern van de duivensymboliek te kunnen doordringen had juffrouw Francine de Lunden de duif in al haar verschijningsvormen bestudeerd. Volgens een Groningse specialiste had deze gevleugelde geen gal, orgaan dat voor bitterheid stond, waardoor haar ‘vallen’ ontdaan zou zijn van alle verdrietige gevolgen van een verzuurd hart. Maar voorganger W.van der Toorn die zich op het net ook media-innovator noemt- wist dat de duif in iedere vleugel negen grote veren heeft en vijf van deze soort in de staart. Had de bijbel het toch wel over negen gaven, negen vruchten en vijf bedieningen.

Ook kwam zij te weten dat in India en in de oude Germaanse culturen de zwarte duif wel de vogel van de ziel was, maar vaker nog het symbool voor dood en ongeluk, een bewijs dat veel-goden-aanbidders dringend behoefte hadden aan het ware licht waardoor zij verlost zouden worden van deze angsten voor vergankelijkheid, en verlicht door de ware geest, het heidendom achter zich zouden laten.

Was het ook niet nuttig dat de Columbidae in tegenstelling tot andere vogels water met de snavel konden opzuigen, symbool voor de ‘fons vivus’, ‘de bron waaruit het leven springt’ zoals dat in de Veni Creator Spiritus hymne zo treffend werd bezongen?
Ook las zij vol belangstelling over ‘het Duivenrecht’, een feodale wet die duivenhouden aan adelijken en geestelijkheid voorbehield.

Natuurlijk waren er betere tijden geweest. De vraag naar afbeeldingen van de Creator Spiritus, de scheppende Geest, had niet alleen door de ontkerkelijking een knauw gekregen maar was zeker ook aangetast door de aanhoudende jacht op zwerfduiven die oorzaak van ziekten en besmeurders van het patrimonium zouden zijn.
De gemeentevaderen hadden weinig oor naar het verhaal dat Francine de ziel van haar grootvader in de gedaante van een duif zag opstijgen zoals de kluizenares Scholastica de ziel van haar broer Benedictus en Sint Aldegondis, abdis te Maubeuge, de ziel van bisschop Amandus als duiven in het zwerk zagen opgaan.

Het gebeurde zelfs dat haar vroegere creaties door de langdurige leegstand van menig kerkgebouw overschilderd werden door veelkleurige graffiti en kreten als ‘verboten zu leren’, ‘please let me finish my sentence for…’, ‘What’s your name & what are you doing later today?’ en andere meer obscure kreten die onder het begrip ‘latrinalia’ thuishoren.

Wie echter wil doordringen tot de ontstaanskern van haar intense liefde voor deze intussen verworpene der luchten moet beseffen dat de Olympische zomerspelen van 1900 in Parijs de wortel van ons verhaal vormen. Kreeg Hubert Van Innis, akomstig uit Elewijt, alle eer en glorie met het behalen van drie gouden medailles in het boogschieten (au cordon doré, 33m, au chapelet 33m en au cordon doré 50m) grootvader Leon de Lunden zou ook goud verdienen maar dan in de toenmalige discipline ‘schieten op levende duiven’. Hij verwierf het edele metaal met het ‘naar beneden halen’ van 21 duiven, een prestatie die echter bij het publiek matig werd geapprecieerd gezien de overvloed aan bloed en pluimen. Dit onderdeel werd dan ook geschrapt en door kleiduif-schieten vervangen, terwijl golf, pelota en touwtrekken hun debuut maakten.

Het verhaal van dit besmeurde goud kwam Francine als twaalfjarige, net na de tweede wereldoorlog, in 1947 ter ore als een goed bewaard maar telkens weer verraden familiegeheim. Bij de koffie, en vooral bij de ruim uitgeschonken jenevertjes Hertekamp, was nonkel Cyriel zich niet (meer) bewust van Francine’s aanwezigheid.

‘Vijfduizend harde Franse franken had opa Leon voor zijn prestatie gekregen, meer dan 200 frank per duif, ge kunt denken! Eén duif meer dan Maurice Faure, een Fransman en drie duiven meer dan de Australiër met een schotse naam, Donald MacIntosh. Een bloedbad was het. Driehonderd duiven hebben ze afgeknald. Ziede ze liggen? Sommigen nog spartelend, andere in stukken vaneen. Bloed, bloed en pluimen! In feite had hij 20.000 Franse frank moeten krijgen, maar de eerste vier hebben dat in vier gedaan en zijn ieder met vijfduizend francs français naar huis gegaan.’

Niet alleen bezorgde het verhaal de kleine Francine nachtmerries, ze wilde onmiddellijk van familienaam veranderen. Toen dat wegens allerlei redenen vrij omslachtig leek, noemde ze zich tot ver in haar tienerjaren Francine Eertman, naar haar moeders familienaam. Op de wereldtentoonstelling van 1958 vond ze bij haar eerste huwelijk met François Deckers vrede omdat ze voortaan dit bloeddorstig verleden met François’ familienaam kon verbergen. Maar ook deze toestand kende een al te spoedig einde toen de bruidegom bij de voorbereidingen van de 24 uur van Le Mans onverhoeds het parcours overstak en door de Ferrari 250TR van Olivier Gendebien en Phil Hill werd gegrepen, niet eens door de voormalige oorlogsheld of zijn Amerikaanse teamgenoot zelf bestuurd maar door een anonieme technicus die een proefrit uitvoerde.

De scheppende Geest, de Creator Spiritus, ook wel de Parakleet genoemd, de trooster in de tijd (Qui diceris Paraclitus) kwam in het vizier.

2.

Natuurlijk had Cyriel als jongste uit een rij van zeven overlevende broers en zussen een goed ontwikkelde zin voor drama, zeker als hij de nodige drank binnen had en dergelijke onthullingen zijn eigen zwakheid camoufleerden, hij de rattendoder, de verdelger van elk spinnetje dat in het gladde bad geen kant meer uitkon, de pedagogische geweldenaar die met nu en dan een mep zijn kinderen weer op het rechte pad moest brengen terwijl het zijne krom stond van de doorzichtige leugens. Hij genoot van Francine’ s ontzetting, camoufleerde dat genot onder goed gespeeld medelijden, probeerde met hoofdschudden en afhoudende handen zijn uitspraken te milderen, en wist dat net daardoor het Olympisch bloedbad, de gekwetste opspringende hoopjes pluimen, de kreten van het publiek, de schoten op nauwelijks 27 meter, moeiteloos vijftig jaar overbrugden, in de schroeiwarmte van de onverwerkte gruwel van de voorbije oorlog en zijn gevolgen.
Het was zijn zielig verweer omdat iedereen wist dat hij had gezwegen toen mannen met een armband en een geweer zijn oudste broer de nieren instampten omdat zijn bekende sympathie voor de Vlaamse zaak, ook al stond ze wars op die van de Duitsers, een gemakkelijke aanleiding was zijn minzaamheid te kleineren, opgekropte jaloezie en aangeboren wreedheid te luchten.

‘Le tir aux pigeons qui est un sport très aristocratique et très brillant dont le grand succès intéressait l’ Exposition’, zo besloten de inrichters de voorstelling van deze discipline die in de Cercle du Bois de Boulogne zou doorgaan op 19, 25, 26 en 27 juni (et jours suivants, s’il y a lieu.) van het merkwaardige jaar 1900 waarin baron Coubertin een slimme combinatie dacht te maken door wereldtentoonstelling en zomerspelen onder dezelfde financiële en organisatorische hoed te laten schuilen.

Er was de Grand Prix du Centenaire op dinsdag 19 juni waarbij van vijfduizend voor de eerste tot duizend frank voor de vierde winnaar was te verdienen als épreuve populaire à 20 francs d’ entrée, met als doel minstens één duif op 25 meter afstand neer te schieten, ‘et chaque tireur non classé (twee keer missen en de schutter was uitgeschakeld!) ayant tué son premier pigeon recevait à titre commémoratif la plaquette bronze argenté des sports.’
Maar het ware festijn, de Grand Prix de l’ Exposition Universelle de 1900, op maandag 25, dinsdag 26 en woensdag 27 juni à midi et jours suivant s’ il y a lieu, stelde twintigduizend frank als prijs voor de winnaar ter beschikking, ajoutés à une poule de 200 frans par tireur, six pigeons à 27 mètres, elke dag van de competitie 2 pigeons waarbij hier ook gold dat deux pigeons manques entraîneront la mise hors concours.

Hier moesten de deelnemers minstens drie dode duiven op hun palmeres hebben om la plaquette argent te krijgen terwijl één dode duif nog een bronzen plaquette opleverde.

Le deuxième, le troisième et le quatrième partageront, dans la proportion suivante, les entrées du prix: 50p. 100 au deuxième, 30p. 100 et 20p. 100 au quatrième, sans l’ allocation du deuxième puisse dépasser 15.000 francs, du troisième 8,000 francs et du quatrième 6.000 francs.

Tot de grootste verbazing van de inrichters daagden voor de grand prix du Centenaire 163 toegelaten inschrijvingen op, ce qui ne s’ était jamais vu dans aucun concours de tir aux pigeons, en parmi les tireurs se trouvaient un grand nombre d’ étrangers terwijl de grand prix de l’ Exposition universelle het met 54 toegelaten schutters moest doen.
Het was ook deze prijs waarvan de winnaar, opa De Lunden, met 21 dode duiven,als houder van een gouden medaille zou geboekstaafd worden, terwijl de Fransman Maurice Faure (vreemd genoeg ook membre van het inrichtend comité) nauwelijks één duif minder neerknalde en de Australiër Mackintosh de grand prix du Centenaire won met 22 dode dieren en derde werd in de grand prix de l’ Exposition universelle met 18 slachtoffers. De vierde plaats was voor de Amerikaan Robinson, ook met achttien geschotenen, zonder enige vermelding waarom deze plaats dan geen ex-aequo betekende.

Het oord waar de ‘wedstrijd’ doorging, le Cercle du Bois de Boulogne, was (en is) niet zonder geschiedenis. Om de wat meer begoede Parijzenaar de kans te bieden zich te ontspannen had Napoleon III grote stukken van het bos van Vincennes en Boulogne ter beschikking gesteld van het (betere) publiek. Le cercle du bois de Boulogne kreeg als centrum, naar Engels voorbeeld, een mooi restaurant-club-gebouw en midden jaren zestig van de negentiende eeuw werden er twee vijvers met geringe diepte aangelegd, le cercle des Patineurs. (Les lacs de patinage, de très faible profondeur, sont creusés selon les plans de l’ ingénieur des Ponts et Chaussées Jean-Charles-Adolphe Alphand. Le succès est immédiat, l’ empereur et l’ imperatrice Eugenie viennent y patiner et de grandes fêtes sur glace y sont données.)

Om ook zomers bepaalde lagen van het Parijse (betere) publiek te ontspannen werd er vanaf 1886 een schietstand ingericht, stand(en) die vijf jaar voor de spelen door een sociëteit met de zachte naam ‘Les Acacias’ werd uitgebaat, in 1899 door ‘le cercle du bois de Boulogne’, en blijkbaar een internationaal publiek aantrok. Vooral ‘le tir aux pigeons’ bleek een voltreffer te zijn met leden als…baron de Coubertin. (inderdaad, sport très aristocratique!)

Maar in 1947 lag dit onderdeel van het verhaal nog ver en veilig in de archieven opgeborgen. Het vlammetje verlicht nog weinig werkelijkheid en zoals meestal de schaduwen van dit lichttekort voor ware spoken worden aangezien, zal het leven zelf zijn eigen gangen gaan, te fantastisch om te geloven en zelfs hier en daar te mooi om waar te zijn. Het is dus waarschijnlijk pure zinsbegoocheling de witte duif op het kerkhof als een opstijgende ziel te beschrijven, maar de nuchterheid waarin we denken de reductie van het fantastische tot een aantal synapsenstoringen terug te brengen zal door de banale werkelijkheid achterhaald en zonder veel gedruis voorbijgestoken worden.

3.

De jurieleden van beide wedstrijden waren niet alleen een collectie merkwaardige levens, maar enkelen speelden al een even merkwaardige rol in het leven van opa de Lunden of zouden die rol gaan vervullen in de toekomstige gebeurtenissen. Voor Engeland werd in het verslag van de schietpartijen ene lord Savile genoemd. Het gaat hier om John Savile-Lumly, de tweede baron Savile of Rufford die in september 1853 het levenslicht zag dat in april 1931 werd gedoofd. In die tijdspanne licht volgde hij, vier jaar voor de spelen, zijn oom met dezelfde voornaam op.
Oom John was attaché bij de Britse ambassade in Berlijn, in Sint-Petersburg en als secretaris van de delegatie verbleef hij in Washington, Madrid en Constantinopel. Ambassadeur werd hij daarna in Saxen, Zwitserland en van 1868 tot 1883 in België. Hij besloot zijn diplomatieke missies in Italië en leidde waardevolle opgravingen in Civita Lavinia (Lanuvium). Verschillende ‘vondsten’ in marmer, terracotta, brons en glas kwamen of in the British Museum terecht of in zijn eigen Savile Gallery in het Nottingham Castle museum.
Hij volgde zijn broer August op als hoofd van de Rufford Abbey en bracht er zijn kostbare collectie schilderijen onder. Hij was een ware kunstkenner, erelid overigens van de Koninklijke Academie van Antwerpen, en ‘a trustee’ van de national Gallery die hij verrijkte met ‘Christ at the Column’ van Velasquez.

Opa de Lunden zag datzelfde levenslicht in het jaar 1873. Verbaas je dus niet oom John terug te vinden bij het doopfeest van deze latere gouden medaille-drager. De verbindingen tussen de verarmde de Lundens en de schatrijke diplomaat Saville die in 1888 baron zou worden bleken vooral via de Antwerpse koninklijke Academie te lopen want beide families hadden naast hun belangstelling voor wapens, ganzen en de jacht ook meer dan gewone rijkeluis’ aandacht voor de kunst. Of neefje John, jaargang 1853, toekomstig jurielid, twintig jaar ouder dan de toekomstige Olympiër, ook wel eens in Belgïe en op het landgoed van de de Lunds verbleef, is meer dan waarschijnlijk.

Voor Rusland trad Alexander Andréiévitch (Sacha voor de vrienden) Catoire de Bioncourt aan, afgekort tot De Bioncourt. De Catoires kwamen oorspronkelijk uit Noord Frankrijk, bekend met de namen van Boulonnais en de Ponthieu, de streek rond de abdij van Dommartin, Abbéville, St-Riquier en St-Valery. In de 18de eeuw vestigen ze zich vanuit Lotharingen in Moscou. Ze maken fortuin met de handel in buitenlandse wijnen, indigo, thee, olie, drogerijprodukten en zijde. In ’t groot en in ’t klein, maar liefst in ’t zeer groot.
(Société Commerciale Veuve A.I. Catoire et Fils, 8, boulevard Pétrovsky Moscou)
Jurielid Alexander Sacha Catoire de Bioncourt, had van zijn vader Henry Auguste een fortuin van zo’n 1,2 miljoen roebels geërfd waarmee hij zich uit het commercieel gedoe kon terugtrekken. Een gepassioneerd jager was hij. Zijn collectie van 300 geweren en 200 pistolen is nog steeds in het Nationaal Historisch Museum in Moskou (Rode Plein) te bewonderen.

Hij is het die opa de Lunden in kontakt zal brengen met bankier Georges Nagelmackers die met de ‘wagons-lits’ en super de luxe hotels grootse plannen heeft. Op de wereldtentoonstelling heeft Nagelmackers een spektakel van 45 minuten opgebouwd waar met vier verschillende snelheden in zijn ‘panorama Transsibérien’ de toeschouwer de meest verbazende étappes te zien krijgt vanuit een denkbeeldige coupé in de genoemde trein op weg van Moskou naar Peking.

Mannen met geld en geweren, op de rand van de twintigste eeuw. Driehonderd dode duiven. Zelfs een doorwinterde profeet zou koude rillingen krijgen, maar voor de miljoenen bezoekers is Parijs 1900 één groot feest.
‘Grote fortuinen hebben een groot land nodig,’ zegt Sacha.

Georges Nagelmackers heeft dat goed begrepen. ‘

Léon kocht alvast een ‘Manuel de Conservation’, uitgegeven door Albin Michel, indispensables aux Touristes volgens de samensteller N. Slotnikoff. Française & Russe.
‘Mais pour ceci il faut payer!’
‘No za éto noujno platite scolco” verbaast hij Sacha die niet beseft dat er een uitspraak-model is opgenomen naast elke Cyrillisch geschreven uitdrukking.
‘Saison v ossobennostie nebla-gopriatnie.’
‘La saison est particulièrement défavorable.’

4.

Was het familiekapitaal niet gegrond op de eclatante verkoop van pas verworven titels toen de Belgische Staat de ‘Société des chemin de fer belgo-luxembpurgeois’ terugkocht en de beloften van bankier Simon Philippart in klinkende munt veranderden?
Het gezegende jaar 1873: rijkdom en de geboorte van Léon. Troonopvolger en het verguldsel voor troon, troonzaal en het nog in te richten paleisje in de landelijke gemeente C. waar de de Lunds de vroegere gezangen van de moniken in een neoklassiek optrekje met neogothische kapel verwereldsen.
Het jaar ook dat de Brusselse Beurs de plaats van het oude franciscanerklooster innam en een jonge familie de priorij der reguliere kannuniken als Kempische pied à terre verwierf.
Zelfs de filosofie had een onderkomen in een kasteel gevonden, le chateau d’ Acoz, waar Octave Pirmez zijn ‘Jours de solitude’ neerschreef en net zijn ‘Heures de philosophie’ had gepubliceerd.

Vader Emile de Lund, van opleiding burgerlijk ingenieur, pleitte na de hoogmis bij een volkse pint de gevolgen van de ijzeren weg niet te onderschatten.
‘Welvaart, dat is zeker. Maar ’t zal ook hier – waarbij hij op ’t eigen gekrulde grijze hoofd sloeg- iets veranderen. De wereld krimpt. We komen dichter bij elkaar. In minder dan vijftig jaar zijn we geburen geworden. Amsterdam of Parijs, dat zal zoals van hier naar Mol of Turnhout zijn.’
De mede-drinkers knikten zwijgend. Om discussies met Edmond-de-socialist te vermijden werd er gedronken op de pas geboren Léon.
Maar het schot dat de negenentwintigjarige Verlaine diezelfde zomer op Rimbaud loste, bleek zijn oorzaak bij die bejubelde ijzeren weg te vinden. Emile de Lunden kocht zijn patronen bij Montigny in de Sint Hubertusgalerijen die ook Verlaine van pistool en munitie had voorzien, hij wist dus waarover hij sprak. De dichter Rimbaud had zijn terugkeer naar Parijs aangekondigd en eiste geld voor een spoorwegticket van mevrouw Verlaine. Zo was het begonnen die tiende juli in het Hotel de Courtrai in de Brusselse Brouwersstraat. Een geluk dat de schutter stomdronken bleek, want nu bleef de schade beperkt tot een polskwetsuur.
Montigny had hem gezegd dat hij vijftig patronen aan Verlaine leverde, samen met een zeven millimeter-revolver. Vijftig. In de stilte die op dit getal volgde, zagen de toehoorders het bloedbad voor zich want zo’n bezopen gek zou op alles wat bewoog geschoten hebben.

De vraag van de Brusselse universiteit een polytechnische school op te richten en in vijf afdelingen te voorzien, namelijk mijnuitbating, metaalkunde, industriële chemie, mechanische constructie en bouwkunde en Emile als docent voor mechanische constructie te vragen, was de derde pijler waarop het wonderjaar rustte. Hij had zoals het hoorde niet dadelijk ingestemd maar bedenktijd gevraagd goed wetende dat hij liefst diezelfde dag een contract had getekend.
Waren de vorige rectoren zolas Ginderachter, d’ Udekem en Crocq het project genegen, de faculteit voor wetenschappen reageerde telkens negatief. De universiteit mocht immers niet worden meegesleept in ‘une entreprise difficile, dispendieuse et pour laquelle le succes demeurait incertain.’
Er waren ook de buitenlandse voorbeelden met Freiburg op kop waar al in 1765 een Technische Universität ontstond, in 1799 die van Berlijn en daarna volgden München, Darmstadt, Hannover en vele andere Duitse steden, tot in 1870 zelfs Aachen een Polytechnische School begon, en Leuven in 1864 al een ingenieursopleiding had. Onder het beleid van rector Schmit (met wie Emile in Hannover had gestudeerd) ontstond ‘l’ Ecole Polytechnique’ van de Université libre de Bruxelles.

Zoveel gouden toekomst zou zelfs de goden verontrusten.

5.

Oud Turnhout, 17 september 1873

aan Mons. Joseph Merklin, 11, rue Vendôme Lyon, France.

Chèr Maitre,

Emile en ikzelf hopen dat je orgel-atelier intussen weer helemaal geïnstalleerd is nu je je ballingschap in het Zwitserse Martigny-la-Ville voor altijd achter de rug hebt.
We willen je ook van harte danken voor het mooie geboortegeschenk. Woelwater Léon luistert graag naar de mooie uurmelodie van het klokje. Is het een Zwitsers wijsje of horen we een herinnering die bij de Erlichsee in Oberhausen thuishoort?
Intussen heeft het ukje dat bijna acht jaar was, toen je ’t in de église Saint-Eugène-Sainte Cecile in de lucht stak, zelf een ukje.
Had ik graag een dochter gehad? Natuurlijk had ik dat, maar de blijdschap van Emil en de blakende gezondheid van het kereltje laten mij toe die vreugde en surplus naar een volgende uitgave door te sturen.

Je zult al wel gehoord hebben dat César Franck begin februari tot orgelleraar is benoemd aan het conservatorium van Parijs. François Benoist was 78 en 53 jaar in het ambt, tijd dus voor verandering. De arme César schreef mij dat hij zijn kans om als organist van de Madeleine te worden bevorderd, in opvolging van Saint-Saëns, aan Théodore Dubois moest overlaten.

Je hoort het niet graag maar Franck’s bekendheid heeft hij niet aan zijn eigen composities te danken maar aan het spel op het Cavaille-Coll-orgel van Sint-Clotildis. Tijd dus om J. Merklin & Cie op de wereld los te laten, zeker nu je de ateliers in de rue Delambre in Parijs aanhoudt.

Wil je nu als geboren Duitser, werkzaam in België, verdreven uit Frankrijk toch nog de Franse nationaliteit? Ik herinner mij dat je enkele jaren geleden in Thulin zei nog eerder in een orgelkast te willen wonen dan je als een burger te vestigen of moet ik je keuze als een commercieel argument interpreteren? Wat drijft mannen om dat zichtbare spoor te willen nalaten voor de nakomenden? Angst? Macht? Het gevoel zelfs de tijd te kunnen beheersen?
Emil vergadert dagenlang om zijn afdeling ‘mechanische constructie’ in de nieuwe polytechnische school te organiseren. Ik ben met het kind en Jeanne op het buitengoed gebleven terwijl hij de toekomst ontwerpt.

Ik heb een werkje gelezen van een zekere Octave Pirmez, een auteur die op zijn landgoed in Acoz werkt. Zijn boek ‘Les Feuillées, pensées et maximes’ doet me aan Pascal denken. In een bijna vrouwelijke taal heeft hij het over de essenties, ideeën die uit meditaties in de natuur zijn ontstaan.

‘Séduits par le fol espoir de goûter un bonheur parfait, nous croyons embrasser d’une seule envergure le ciel et la terre, nous demandons la hautaine abstraction et les timides amours, nous voulons la double caresse des deux mondes, mais dans cette lutte orgueilleuse, dépavée, nos forces se brisent sur elles mêmes, et notre âme n’ est plus qu’ un champ de bataille jonché d’ espoirs morts et où s’ agitent des idées hostiles, pour la plupart vulnérées.’

La double caresse des deux mondes, ik denk dat ze jou en maman ten zeerste bekend moet geweest zijn. Ikzelf ben het idee genegen, besef dat ik op hetzelfde slagveld nederlagen zal oplopen ‘d’ espoirs morts’ waarvan het volume stijgt met het voorbijgaan van de tijd.
Jij temt de wind, leidt hem naar de orgelpijpen die zijn adem in klank zullen omzetten terwijl ik de indruk heb dat mijn stem en geschriften de omgekeerde weg bewandelen. Woorden in de wind.
Maar om de schrift te citeren, de Geest waait waar hij wil, en met die kreet hoor ik de kleine Léon die met de muziek hem eigen om moederlijke nabijheid vraagt.

Mochten je drukke werkzaamheden het toelaten dan nodigen wij je graag uit om met ons de kerstdagen door te brengen al besef ik dat Lyon een eind van dit kleine gehuchtje in de Kempen is verwijderd. Misschien moet je hier maar een huisorgeltje komen bouwen.
Groet iedereen van je familie en medewerkers die je nabij zijn.

Je Emilie

6.

Uit het dagboek van Marie-Emilie de Lund-Sannier, dezelfde dag als de brief hierboven.

Vermoedelijk is het insnoeren van emoties ons beetje bij beetje aangeleerd zoals we ons insnoeren in Cooley’s celebrated corset, met in grote letters op de bevallige doos: ‘Cork in lieu of Boone’, of hoe al het benige dat het vlees in toom zou houden door zachte kurk is vervangen, patented january, 21 1871.

Zo was mijn brief een vriendelijke insnoering waarvan de laagjes kurk handig tussen het katoen zijn ingeweven zodat ze noch het geweten van de lezer en ook niet dat van de ingesnoerde al te veel zouden verontrusten.

Parijs ontvlucht, het bloed en de stank, -ook honger went- de massale terechtstellingen, en de arme César die met een kolenbus in elke hand samen met zoon Georges ook met kolenemmers sleurend, dagelijks van de rue St. Honoré, dichtbij de Madeleine naar de boulevard St. Michel trekt, omgeving Luxemburgse tuinen, zoals Duparc ons schreef. Kolen dus om elke dag een soepterrine chocolade te kunnen smelten uit de grote voorraad verpakt in lange blikken dozen die mevrouw Franck had gebunkerd.

Intussen stikt het in Brussel van uitgeweken communards. Emile wil ze aan Frankrijk uitleveren. Ze besmetten de Belgische industriële idealen. Ik denk dat de tijd zijn angst zal inhalen. Als klein meisje wilde ik graag spoken zien. En juist daarom zag ik ze nooit. Het is onze angst die spoken creëert.
Zweeg ik met opzet over het verlangen naar de hoge geïsoleerde plek achter het orgel van de St. Catherinakerk? Jules Grison zei in Maubeuge dat het geen plaats voor vrouwen was. Een orgel is een infernale machine, beweerde hij. Hij legde ongewild een verbinding van ‘infernale’ met ‘masculin’. Vrouwen schuwen het onweer dat zelfs Saint-Saens uit de toetsen tovert.

‘Speel een Meditation van Lefébure-Wély’ en een ‘Offertoire’ van Eduard Battiste,’ stelde mijn vader voor bij de inauguratie in Maubeuge. Een goede dochter doet wat haar vader vraagt. Een ‘Grand choeur varié’ van Lemmens kon hij niet weigeren, maar van zijn Grande Fantaisie “L’orage” in mi mineur moest ik afblijven.

In mijn brief heb ik ook mijn wrevel tegen al die instrumentale-imitaties verzwegen. Uit een orgel moet geen trompet komen noch een cello. Dat heeft Joseph beter begrepen dan Aristide. Al is het publiek gek op dergelijke imitaties en zouden ze liefst een heus strijkorkest horen bij de voix celeste in samenspraak met een viola di Gamba in een zwelkast, je moet ze geen suikerstroop aansmeren maar de deur van de hemel op een kier zetten. Hemelse tocht verwekken die de verhitte ziel koelt en niet het bevroren hart opwarmt. Dat is de bries die hier na de warme septemberdagen de avond aankondigt. Een golfje dat zich verspreidt en de eerste blaadjes mee naar de aarde neemt. Verkoelen. De god die mijn ziel verfrist, haar ontdoet van de onnodige opwellingen en de overbodige harts-tochten.

Ik hou dus van de oude Voce Umana, (niet te verwarren met de Vox Humana, de voix humaine) een labiaalregister dat je in samenspraak met de principale handmatig verstemt en een licht zwevend geluid produceert. Je vindt het register op oude Italiaanse barokorgels, en je zou de toon zangerig en klagend kunnen noemen zonder dat nasale en warme van de voix humain. Italianen weten wat klagen is, het is hun manier van afkoelen.

‘Het is een vreemde combinatie,’ zei Emile toen hij mij in Maubeuge bij het nieuwe orgel aantrof. ‘Dat breekbare en dan het georganiseerde van al die toetsen en klavieren.’
Hij bedoelde ‘iets erotiserend’ maar dat durfde hij niet te zeggen met de beaumonde in de naaste omgeving. ‘L’ orage en la voix celeste.’ Een gesmaakte mannencombinatie.

Tijd om naar de Berden-piano te gaan, het raam ver open, de pauwenkreten op het dak en weldra het kakkind-stemmetje van Léon. Voce Umana. Toch maar proberen om beide werelden te kussen zonder de lippen te verbranden.

7.

Orchideeën en ananas!’

In de stilte die op deze kreet volgde wisten de gesprekspartners niet of ze zouden glimlachen of goedkeurend knikken. Het was een oude gewoonte van vader Jean Philippe de Lund verwarring als vruchtbare ondergrond voor zijn volgende stelling te gebruiken. Het gaf de spreker de kans om bliksemsnel de teneur van de luisteraars te peilen. ‘Orchideeën en ananas,’ herhaalde hij terwijl hij de aanwezigen één voor één aankeek. Emilie schonk een kopje thee uit, Emiel haalde zijn schouders op en het kind in de wieg maakte enkele onduidelijke geluidjes waarop Jean zei dat er tenminste iemand instemde met het idee om in Laken een glazen stad te bouwen.

‘Een glazen stad voor orchideeën en ananas?’ probeerde Emile voorzichtig.

‘Balat probeerde zaak uit te stellen,’ replikeerde Jean. Het klonk als een terechtwijzing. ‘Omdat hij tot over zijn oren met ander belangrijk werk bezig was. Hij heeft geprobeerd de opdracht door te schuiven naar de Antwerpse architecten Braeckelmans, de gebroeders Blomme, Taeymans, of zelfs Van Driel en Winters mochten eraan beginnen volgens meneer Alphonse.’

‘De koning is een keikop, papa.’

‘Koningen van dit land moeten keikoppen zijn. Zeker als ze van een Gentse bloemist die zich “tuinbouwkundige” noemt te horen krijgen dat voor zo’n grote collectie serres een constructeur en een goede verwarming volstaan. De rest is versiering. Ik heb het van Balat, na zijn gesprek met de koning, een paar jaar geleden. Versiering die daarbij nog veel geld zou kosten, sire.’

‘Als ik het goed begrijp wordt het een soort Crystal Palace in plaats van de uitbouw van een oranjerie?’

‘Een wintertuin, of beter gezegd de kroonserre zoals ze nu in het Leopoldspark staat maar dan in ’t groot tot zeer groot. En nu kom ik tot de zaak. Alphonse Balat zoekt een adviseur voor de hoofdzakelijk metalen constructie, een mooie combinatie met je werk aan de polytechnische school. Ik heb je aanbevolen.’

‘Ik weet nu nog niet waar eerst aan te beginnen.’

‘Werk voor je studenten. Praktijk, beste jongen. Als ik het goed begrijp wordt het een soort ontvangstsalon. De spiegelzaal van Versailles maar dan met glas en staal! Moet ik meer zeggen? A l’ oeuvre on connaît l’ artisan!’
Hij vulde zijn glas met cognac, cadeau van vader Louis ter gelegenheid van Léons doopfeest.

‘Balat is een architect, een verfijnde décorateur en surplus, maar jij reist met mij volgende maand naar Londen. Om het Crystal Palace te bestuderen. Balat weet niet goed wat gebogen lijnen zijn. tenzij het een triomfboog is. Hij waardeert het werk van Cluysenaer, denk aan het Zuidstation of aan de Hubertusgalerij, maar met de nieuwe materialen blijft hij aarzelen. Hij is een homme de pierre, en jij bent een enfant d’ acier rapide!’

‘Zullen we nog even gaan wandelen? Het is een prachtige avond.’

‘Er is hier plaats om te oefenen. Een moderne oranjerie op de zuid-west kant zou prachtig zijn. Mijn investering. De echtlieden ontwerpen, en papa betaalt. Op voorwaarde dat je met Balat gaat praten als hij je uitnodigt.’

‘Deze man zou de maan kopen mocht ze in de etalage staan.’

‘Emil, Emilie, ik ben jaloers op jullie jeugd. Om nog te zwijgen van de kleine Léon die als jongeman in de twintigste eeuw mag stappen. Al die nieuwe materialen, de mogelijkheden om met glas en staal een doorzichtige wereld te scheppen. Een wereld waarin het nooit nog donker zal worden. Kinderen van het icht.’

‘Papa, kijk hoe zacht de avond over de dag kruipt. Laat het nog maar eens ouderwets donker worden.’

8.

Het was die laatste zin van zijn schoondochter Emilie, de avond die over de dag kruipt, die Jean Philippe verhinderde te slapen. Niet zozeer de inhoud, maar vooral de toonaard, die duidelijke bekentenis van een emotionele ziel die natuurverschijnselen personifieert. Het kruipen had bij hem eerder een schampere klank waarin mannen het bij te veel drank over vrouwen hadden, of je kon het begrijpen als een fase op weg naar het rechtop lopen. Het stuntelig, bijna dierlijk voortbewegen van een klein kind, of de onderdanige houding van een minus habens tegenover zijn meerdere, daar was het werkwoord kruipen op zijn plaats, terwijl het in het langzaam vorderen van de duisternis, het zich afwenden van de zon door de draaiende aarde, best schilderachtig was maar een inkijk in een wereld bood die hem vreemd was en onrustig maakte.

Hij herinnerde zich dat Victor Hugo tijdens zijn bezoek aan België het Leuvense bier ‘zoeterig’ noemde, ‘het smaakte naar dode muis.’ Maar de wervelwind van woorden waarmee hij daarna zijn eerste treinreis tussen Brussel en Antwerpen beschreef, ‘het koren is één grote gele haardos, steden en kerktorens dansen en vermengen zich’, was hem als jongeman bijgebleven als een vrij kinderlijke kijk op een wereld die hij alleen met technische tekeningen en cijfers kon benaderen. Meer nog dan Emilie’s uitdrukking wantrouwde hij bij mannen de aanwezigheid van vrouwelijkheid, de terugkeer naar het levensstadium waarin de dingen leven, de emoties nodig maar niet altijd nuttig zijn als eerste stap naar een zakelijke benadering van het bestaan. Zonder rups geen vlinder, het sprookje als voorafbeelding van het einddoel, de metafoor, het kledingstuk waarin de werkelijkheid zich verschuilt.

Hij begreep de keuze van Emile. Voorbestemdheid in de naam, het frele dat elk mannenpanster overbodig maakt, haar welbespraakte maar bescheiden aanwezigheid. Ook haar…-hij glimlachte bij zijn vondst- haar ‘marktwaarde’. Een man kiest graag wat hem kan ontnomen worden. Een blonde meertalige schoonheid, thuis in de hedendaagse kunst, bewonderd en niet te veel bekeken, de onzichtbare op het doksaal.

Vader Louis was een stille man maar vertrouwd met de geluiden van de wereld, een veel gekoesterde ziel, de lange haren artistiek los en lang, een voortreffelijke luisteraar die peilt zonder ophef en net daardoor gegeerd door wie zichzelf meer dan gemiddelde diepten aanmeet.

Een mooie combinatie, Emile’s vlotte omgang met personeel en boeren uit de streek, zijn ongewongen stijl te eisen wat een hautain bevel nooit zou verkijgen, bijna op gelijke voet met lieden van labeur, een oud kunstje dat hij hem moeiteloos had meegegeven. En Emilie’ s nabijheid. Haar daadkracht zonder commentaren, haar werkzaamheid en dromerige bespieglingen die perspectief bieden bij elke belangrijke beslissing, gedekt door de zekerheid dat allure ook intellect en begrip kan herbergen.

Waarom dan haar beschrijving van de naderende avond hem zo onrustig had gemaakt, kon hij alleen thuisbrengen in de angst dat zij de wereld die hij en Emile kende en beheerste zou aansteken. Anders dan de vage begrippen van literatuur en beeldende kunsten als sociale decoratie paste zij niet in de biografie die hij voor zijn enige zoon en troonopvolger had gepland. Ze zou zijn camouflage doorgronden hoe liefelijk ze ook ‘papa’ zei toen ze naar een ouderwetse donkerte zei te verlangen. Juist door haar bijzondere aantrekkingskracht was ze als een vertraagd projectiel dat met veel geduld en durf door hun verdediging zou breken om binnen de vertrouwde vesting onherstelbare verwoestingen aan te richten, in de naam van de vader, de zoon en de al dan niet heilige geest.

‘Amen,’ zei hij in de vroege uren van de septembernacht.

9.

Een man van drieëndertig met ervaring, van oogopslag tot orgasme, -het ritme kon naargelang de omstandigheden worden aangepast,- dacht in haar glimlachende onbeholpenheid een signaal te zien de rol van een vlotte minnnaar te mogen spelen, de initiator in wiens armen het frele wezentje bewonderende dankwoordjes kon hijgen, waardoor haar afhankelijkheid een vaste plaats kreeg in het liefdesritueel en hij met een zekere goed gespeelde bescheidenheid zijn wil kon opleggen zonder zich al te veel om haar noden te moeten bekommeren.

Een jonge vrouw van drieëntwintig maakte hem vlug duidelijk dat haar aarzelingen of wat hij onbeholpenheid kon noemen, niet dadelijk een tekort aan ervaring, maar eerder aan een te veel van zijn zekerheid kon te wijten zijn, zekerheid van de gids die het bergpad kent maar vergeet dat zijn gezel van het uitzicht wil genieten.

Die verfrissende onwetendheid gebruikte zij om hem te leren kijken. Zij vertraagde zijn wens om haar te bezitten door zichtbaarder te zijn dan het wezen dat hij tot op dit ogenblik had waargenomen. Bijna spottend, de draai van haar linkerschouder, het zachtjes drukken waardoor ze haar hele lichaam voelbaar maakte en haar lippen lange strepen op het zijne liet schrijven, nieuwsgierig naar de smaak.

Ze trok zich terug als hij haar ongeduldig wilde veroveren, glimlachend de wijsvinger in de hoogte zoals je een kind vermaant, het laken tot aan de rand van haar borsten. Ze leerde hem niet alleen kijken -de meeste mannen denken vlug dat ze deze kunst bezitten,- maar liet hem aanvoelen dat het om ‘zien’ ging, zoals zij nieuwsgierig was naar zijn wezen, de manier waarop hij zich kleiner maakte of het wegdraaien van zijn hoofd waarin ze de gekwetste jongen zo liefelijk terugvond.

Het verwarde hem maar intrigeerde hem ook. Er ontstond een wonderlijke balans waarin ze waarnemer en waargenome waren. Hij leerde zichzelf bekijken via haar ogen, en de manier waarop ze hem aanraakte liet hem de eerste maal de dodelijke kring van zijn verdoken verlegenheid verlaten zonder zich in de rol van vriendelijke heerser te moeten afschermen van het daarachter liggende niets.

Ze beseften dat dit spel volgens andere regels werd gespeeld dan de gewoonten waarin hun ouders met elkaar het bed of sporadisch zichzelf hadden gedeeld. Ze spraken er niet over, keken uit naar het volgende moment waarin ze elkaar terugvonden en verloren, vluchtten van de wereld weg zoals alle nieuwe minnaars in de eindeloosheid geloofden en wrongen zich weer in de nauwe huid van de tijd.

Was aanvankelijk het meisje achter het orgel in Maubeuge vooral een aantrekkelijke jonge vrouw geweest die in de wereld waarin hij zich bewoog zich best kon handhaven, met de komst van het kind verscheen er een troonopvolger maar ook een stevige mededinger die haar helemaal opeiste. In zijn wereld was er het steeds maar aangroeiende werk, de polytechnische school, de mogelijke contacten met Balat en de Société Anonyme des ateliers de Dyle te Leuven die de koninklijke opdracht zouden uitvoeren.

Nu de winter naderde en het landgoed maanden zou gesloten zijn voor verfraaingswerken en de constructie van de oranjerie, reisde Emilie met het kind en Jeanne naar Lille waar haar vader dichtbij de Catherinakerk een appartement had ingericht zodat de bel étage in de rue Royale helemaal vrijkwam voor een man met plannen.

Op de Berlijnse beurs begonnen de aandelenkoersen dramatisch te dalen.

10.

Jeanne zei dat het thuiskomen was. Emilie dacht aan een cocon, slechts éénmaal bruikbaar. De vlinder kan zich niet voorstellen dat het zijn geboorteplaats zou zijn. De kamers leken kleiner, zeker haar vroegere meisjeskamer die herinneringen opriep waarin een ondoordringbare wand het voorbije onbereikbaar maakte. Alsof het in een etalage stond. Zien, maar niet aanraken. Ze was blij naar het nieuwe appartement te kunnen. Ze wilde er graag alleen zijn en liet Léon en Jeanne bij haar moeder achter.

In de schaduw van de Saint Cathérine kon ze rustig uitpakken, haar boeken en brieven in handbereik. Ze hoorde de klokken, kon vanuit haar slaapkamer de spitsloze toren zien waarop de stadswachter uitkeek naar mogelijke brandhaarden. Het was niet het ouderlijk huis, noch haar nieuwe verblijfplaats die haar het gevoel van een kinderlijke opwinding hadden gegeven, maar de donkerte van de winterkerk waarin ze nauwelijks op de komst van Jules kon wachten, calcant in parochiedienst, geprezen door haar vader voor zijn regelmatige traptechniek waarmee hij het orgel van winddruk voorzag.

Ze improviseerde op het Schumaneske pianowijsje voor beginners van Franck: ‘Plaintes d’ une poupée’ dat hij haar bij de geboorte van het kind had opgestuurd. Niet dat het voor de boreling was gecomponeerd moest hij toegeven, het was in 1865 geschreven voor leerlinge Mlle. Gabrielle Oeschger die vergezeld van moeder en jongere zus op les kwam. Moeder Oeschger bekloeg zich over het tekort aan aandacht voor het pianowerk van de jongste. ‘Ik zal voor haar de klachten van haar pop componeren. En nog dezelfde avond schreef ik dit stukje voor haar.’

Ze hield van de eenvoud, Het heldere licht uit de dagen van weleer. Ze had hem in haar dankbriefje gesuggereerd dat poppen meestal aan de kant van kinderen staan en zelfs bij grove verwaarlozing liefdevol op betere tijden wachten. Het mooie van muziek is inderdaad de mogelijkheid om haar naar inzicht en vermogen te interpreteren. In tegenstelling met geschreven en gesproken taal heeft haar spraakkunst een oplossend vermogen. Smeltwater in de lente. Wat je denkt te kunnen definiëren maakt zij los uit de beklemming van een bepaling of een begrip. Muziek leer je te ‘ont-denken’. Zij bezweert.

Ze speelde meermaals het stukje voor het kind. Zowel de toonaard als de eenvoudige 2/4 maat herinnerde haar aan haar eerste pianostukjes terwijl haar vader zachtjes de melodietjes uit het oefenboek meezong. Maar hier had de componist deze atmosfeer gebruikt om achter de eenvoud van de melodielijn kleine verschuivingen in te bouwen die het andantino zijn weemoed schonk zonder het te versuikeren. (vandaar zijn notitie ‘piu forte’ onder het tweede thema?) Daarin was de pop aan het woord. Beetje kijvend, al kon het best glimlachend bedoeld zijn. Voor de hardhorigen stond er dan ‘dolcissimo’ onder het thema waarin elke zonde vergeven was, elke verlatenheid vergeten. Sprong daarom de melodie naar de linkerhand en kreeg nu de rechter de benadrukkende of vinger-opstekende-taak? Het pianissimo voor de laatste uitdeinende si ontsloot en besloot de magie. Een verblijf in dit wonderland is van korte duur.

Ze kon zijn andantino voor orgel in la bemol majeur dat hij aan haar vader had bezorgd als uitgangspunt nemen voor de keuze van de registers. Door de vertraging opende zich een onondekt landschap. Beter nog de einder-loosheid, de mist tussen de bomen die ook de geluiden dempt. Voetstappen moesten hier door vleugels worden vervangen. Legato. Nu is ze nauwelijks tien jaar. Een tijdperk waarin vliegen niet is uitgesloten. Het trillen van duivenvleugels. Het thema loslaten. Andere zijwegen wenken. Verloren lopen zonder bang te zijn. Tot de klapperende vleugels de weg versperren. Als ze haar ogen opent, wiekt de duif over haar hoofd naar de zoldering.

‘Ze zit hier al weken,’ hoort ze Jules zeggen. ‘Ze leeft van de lucht.’

11.

Zou je op het doopfeest de twee grootmoeders van neonatus Léon de Lunden vergelijken dan leek er inderdaad een wereld van verschil tussen de flamboyante vrouw met een robe à corsage cintré baleiné, helemaal in vergroend geel satijn met opgestikte witte tule en lichtgele bloemen op de schouder, en de eerder ingetogen dame in een robe ajustée sans découpe à la taille, met officierskraagje, voorzien van gedrapeerde tournure, het geheel in zwarte wol. Dezelfde zin voor goede smaak en dure haute coutûre verenigde hen, al bleek die bundeling eerder aan het vermogen van hun echtgenoten dan bij hun persoonlijkheid zijn oorsprong te vinden.

Mevrouw Marie Louise Sannier, geboren Liebaert kwam uit een rijke Brugse koopmansfamilie gespecialiseerd in fijne stoffen, kerkgewaden en aanverwanten. Ze was in tegenstelling met het model en de kleur van haar opmerkelijke verschijning een stille vrouw die schroomvol bekende dat de zaak haar verplichtte de mooiste stoffen uit hun collectie te dragen, een familiegewoonte waarvoor zij enkele bekwame couturiers in dienst hadden genomen die uitzonderlijk ook op bestelling werkten voor extra familiale opdrachten. Ook bij eremissen van de clericale leden leverde de zaak de laatste nieuwe modellen uit de religieuze sector, zeker als een aantal kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders de feestelijkheden met hun aanwezigheid vereeerden.

De eerder strenge maar wel doordachte aanpak van mevrouw de Lunden, geboren Pauline Derijckere vond zijn inspiratie in de aanwezigheid van talrijke militaire verwanten, oorspronkelijk uit den Haag afkomstig, maar na de Belgische Omwenteling in Gent, Antwerpen en Brussel met de diverse partners achtergebleven en volop bezig zich te vermengen met voorname leden uit de Belgische krijgsmacht. De vader van Jean Philippe was al werkzaam bij het Hollandse vestingswezen in het kader van Wellingston’s barrière en had met baron Krayenhoff samengewerkt. De recente dood van moeder Derijckere verplichtte Pauline tot het dragen van dit sobere zwart.

Toen de gasten vertrokken waren verwisselden beide dames hun jurk en kwamen zonder enige waarschuwing bij de heren in het rooksalon zitten. Ze waren beiden net achtenvijftig geworden, geboren dus in het jaar 1815 waarin het Koninkrijk der Nederlanden ontstond. Louis merkte op dat vrouwelijke bedienaars, gekleed in dit model, de aandacht van het goddelijke zouden afleiden ook al waren de talrijke knoopjes vooraan tout au long een duidelijke waarschuwing je begeerten in toom te houden. Jean Philippe prees de wellust terwijl Pauline een reverence maakte. Hij dacht aan Henriette, niet eens zo oud als zijn schoondochter, assistente bij de afdeling rollend materieel, en hoe hij met een zekere genietende traagheid haar van deze jurk zou bevrijden.

De jonge ouders kwamen binnen. Het kind sliep al een tijdje.

‘Verwacht niet dat wij ook nog eens van kleren gaan wisselen,’ lachte Jean Philippe terwijl hij een sigaar opstak.

12.

De sneeuw verhevigde het gevoel in een bijna tijdloze maar vooral plaatsloze wereld te leven. De morgenschemering leek zonder wezenlijke daggrens in die van de avond over te gaan. Met de sneeuw weerkaatsten kleine en grote geluiden zonder de harde weerklank van heldere lente- of zomerdagen.

Ook de manier waarop haar ouders met Léon omgingen, vervaagde het tegenwoordige, duwde Emilie zachtjes uit de loop van het jaar 1873 alsof ze naar haar eigen kleine kindertijd kon kijken waarin alleen de hoofdrollen onverklaarbaar ouder waren geworden. Vergeten brabbelzinnetjes, opgeborgen speeltjes en herontdekte liedjes versterkten het archeologisch gevoel puzzelstukjes tot een schaduwknipsel samen te leggen waarin je eigen plaats nu door een ander wezen was overgenomen.

De vrolijkheid en trots van de nieuwe grootouders erkende haar eindelijk als een volwassen buitenstaander die op haar beurt de voorgeleefde rituelen moest herhalen waardoor ze nooit meer stiekem de warmte, eigen aan afhankelijkheid, mocht uitbuiten en de rol van haar kindzijn beetje bij beetje leerde vervangen door het moederlijke, een eigenschap die haar eigen moeder nu met tevredenheid en zelfs een beetje opluchting aan haar kon overlaten om zelf het nieuwe grootmoederlijk bestaan te verkennen.

De verwarring bij zo’n rollenoverdracht was de oorzaak van kleine konflikten en plezierige misverstanden. Grootouders overschatten hun voorraad ervaring, de nieuwelingen klampen zich vast aan een andere koers, het kind groeit op en gaat koppig zijn eigen weg.

Bij niet te bar weer kwam Emile voor enkele dagen naar Lille. Voor het zo ver was, hadden ze elkaar geschreven in het vacuum waarin het verlangen naar elkaars aanwezigheid vervalst wordt door de afstand en de eigen eenzaamheid. Ze stelden het komende samenzijn als een intense gelukservaring voor zoals kinderen naar een feest verlangen en op de dag zelf teleurgesteld zijn over het alledaagse waarin het lang verwachte is gehuld.

Na de woordenloze lijfelijke overgave viel de wereld in zijn meer dan gewone plooi en ging de tijd op aan het bespreken van planningen en het hervertellen van de net verzonden brieven. De drukte in het ouderlijk huis, de zorg voor het bestaan, de vreemde stilte in het appartement bij de kerk, onderdelen van een nieuw leven waarin ze vertrouwde gebeurtenissen werden, hun eigen verveling en herkenning meebrachten, en ze op hun manier de tijd gestalte en herinnering gaven, en zijzelf naast de gewoonten van de minnaar ook de voordelen van de vriendschap begonnen te waarderen.

Ze wandelden naar het gemeentehuis waar ze de grote collecties bezochten, vaak uit kerkelijk bezit ontvreemd en hier samengebracht in afwachting van een nieuw musueum. Emilie hield van de middeleeuwse meesters en rennaissance-kunstenaars, Emile kon urenlang de maquettes van Vauban bestuderen, grote relëfplannen van versterkte steden uit de vorige eeuw. Ze spraken af elkaar te ontmoeten bij het prachtige beeldje van de Maagd die haar kindje aan haar borst te drinken geeft. (Vierge au lait) Maria houdt de baby vast, steunt hem bij zijn voetje en zijn dij en kijkt liefdevol naar het kind dat met zijn kleine handjes borst en tepel naar zijn mond brengt.

Op de terugweg zwegen ze. Bij het avondmaal kwam de wereld terug. Emilie zou een kerstconcert geven in de Saint Cathérine, Vader Jean Philippe had een ernstig verlies geleden bij de Berlijnse beurscrash, Léon kreeg zijn eerste tandjes en moeder Marie-Louise wilde graag het jaarlijks nieuwjaarsfeest organiseren. Jeanne zei dat de aardappelen niet meer te betalen waren.

 

13.

Nog voor het nieuwe jaar begon, kwam er in Lille, begin december, onverwacht bezoek. Vader Jean Philippe vergezeld van echtgenote Paula en de reeds eerder genoemde zakenman Simon Philippart nodigden ouders en jonge ouders uit tot het genieten van een diner in de Lion d’ Or op de Grote Markt. Vrouwelijke paniek omtrent het ontbreken van het juiste avondtoilet of een tekort aan tijd om zich uit de kledij van alledag in robe de soirée te wurmen, mochten niet baten. Geen garnitures ‘style tapissier’, geen opgeblazen tournure, deze ‘faux-cul’, -uitdrukking die Jean graag en luid in de mond nam-, geen bottines à talon, maar een eenvoudige ‘dinner dress’ waarin eten en praten opgewekt en vrijelijk mogelijk is, aldus Jean Philippe.

Monsieur Philippart herinnerde het gezelschap aan de geslaagde verkoop van de ‘société des chemins de fer belgo-luxembourgeois, troostte publiekelijk de minder fortuinelijke beleggingen van zijn goede vriend Jean Philippe, een gevolg -of was het een list- van de in één keer betaalde oorlogsherstelbetalingen, vier miljard marken plus interest, zodat baron Bethel Strousberg in Berlijn luidop kon dromen van spoorlijnen in Duitsland en Oost-Europa en met hem vijfhonderd bedrijven met een kapitaal van duizendvijfhonderd miljoen mark waarvan nog niet de helft betaald bleek te zijn. Het gevolg liet zich raden. Natuurlijk waren er lieden die graag Joodse bankiers en scrupuleuze liberale kapitalisten als aanstichters van deze handel brandmerkten terwijl de hebzucht en de drang om zonder inspanning schatrijk te worden in ieders ziel was ingebakken, in schril contrast overigens met de bezadigde belegger die zijn vermogen spreidt en weet dat gokken in het casino thuishoort en niet bij de belegger.

Jean Philippe knikte, dankbaar voor de doorzichtige tegemoetkoming, op zoek naar een bon mot dat en zijn regelmatig bezoek aan voornoemde instellingen en zijn vrij zware verliezen verder kon omzwachtelen. Hij hief het glaasje champagne richting spreker, wachtte tot iedereen de coupe in de hand had, wenste monsieur Philippart proficiat met zijn heldere analyse, en wilde met zijn wijsheid ook het werk van weduwe Clicquot waarderen.

Intussen hadden de gasten zich afgevraagd wat de ware reden van deze samenkomst was. De aanwezigheid van zakenman Philippart die bij de burgerlijke stand als beroep het woord ‘eigenaar’ had opgegeven, gecombineerd met een niet zo feestelijk verlies van vader de Lunden, liet hen vermoeden dat er zich waarschijnlijk zakelijke belangen achter dit onverwachte dîner verscholen.

‘Was dit niet alleen het jaar van nieuw leven, nieuwe kansen voor de jeugd, nieuwe moed voor de ‘iets-ouderen’, het was ook een jaar waarin de nieuwe tijd op durvers wachtte,’ vervolgde Simon Philippart. ‘Een eer is het om hier kunst en kapitaal te mogen verenigen met de zekerheid dat de toekomst in persoon van de kleine Léon al aanwezig was. Slapend wellicht, maar opgroeiend in een gezin dat diezelfde combinatie in hem zal wakker maken. Was het ook niet het lot dat steden als Brussel en Lille samenbracht nu afstanden verkleinen en wij beseffen dat we buren zijn?’
De aanwezigen knikten instemmend. Jean Philippe en Louis hieven het glas in elkaars richting.

Het was hem dan ook een eer in de intimiteit van deze bijeenkomst te mogen meedelen dat hij enkele weken geleden de concessie had verkregen om twaalf paardentramlijnen in deze stad te mogen uitbaten, initiatief dat hij niet tot Rijsel wilde beperken zoals de naam ‘Compagnie des Tramways du Nord’ die in de eerste maand van het nieuwe jaar het daglicht zou zien, liet vermoeden. En of het hierbij zou blijven, of hij ook in Brussel plannen in die richting had, dat kon hij alvast bevestigen al was dit initiatief nog beperkt tot besprekingen die later mogelijke fusies konden bewerkstelligen. Hier wilde hij hulde brengen aan Jean Philippe die ondanks de pas geleden verliezen klaarstond om niet alleen met zijn collega’s Dansaert en Moselli intens samen te werken, maar verdere invloed aan te wenden om ten gepaste tijd de nodige toestemmingen te verkrijgen en zelfs persoonlijk kapitaal in te brengen bij de Banque belge du Commerçe et de l’ Industrie.

‘Nu de stad Lille de zetel zal zijn van de Tramways du Nord, en deze families intens met deze en de Belgische hoofdstad verbonden zijn, zie ik hen als het symbool van de toekomstige samenwerking waarmee we de afstand tot elkaar verkleinen in een gedurfde onderneming met hen en hun nakomelingen aan de historische basis. Laten we daarop drinken.’

14.

Onder de geformuleerde plattitudes, de geruststellende nietszeggendheid, de volgens voorschrift uitgestuurde boodschappen, leefde in elk van de zeven aanwezigen een moeilijk te definiëren mengeling van emoties, wederwoorden, woedes, instemmingen of protesten, een heftig bewegende maar nog niet gestructureerde opstuw van magma die gedurende de volgende uren of dagen kon uitbarsten en meedogenloos zou verwoesten wat vredig en onaantastbaar had geleken.

Nu trilde alleen de aarde, kleurden vragen en gelukwensen de stemming met een nauwelijks waarneembare dreiging, zochten de luisteraars naar valkuilen en goed gecamoufleerde strikken terwijl de spreker en gastheer hun oren spitsten om in de tonaliteit van de reacties de ware toonaard te ontdekken, de wanklanken voor te zijn of de lange stiltes met kalmerende cliché’ s te bezweren.

Had de uitstekende veuve Clicquot het pad geëffend, de consomme printanier à la royale, les filets de sole à la venitienne en selle de mouton purée bretonne, begeleid door een Latour Blanche 1861 en een zeldzame Xères Mouton Rotschild 1846, boden naast het bekende gemurmel en prijzende hoofdknikjes, allerlei vluchtweggetjes om de kern van het betoog naar de Bombe glacée te verschuiven waarbij een Madère retour des Indes 1848 voldoende geraffineerde zoetheid bood als veilige drempel tegen de onverhoedse inval van scherpe vragen of vernietigende opwerpingen.

Achter de gezellig keuvelende gasten zou de aandachtige toeschouwer de geïsoleerde schimmen kunnen zien wiens taak het was de goed getrainde ledepoppen rond de tafel te besturen zonder hun ware emoties en ideeën al te zeer prijs te geven tenzij spijs en drank de remmingen hadden verminderd en zij, aangemoedigd door hun disgenoten, de leegte toegankelijk maakten die in gezelschap nog enigszins door opvoeding of gewoonte met het bekende oppervlakkig rollenspel kon worden opgevuld.

‘Uiteindelijk laten wij ze begaan in de wetenschap dat wij de dagorde bepalen,’ zei Pauline terwijl ze Jean Philippe vertrouwelijk bij de arm nam. Dat ‘laten begaan’ was in dit geval het aanspreken van haar familiekapitaal en de verkoop van diamanten en kostbare antieke zilveren zeventiende eeuwse voorwerpen uit het Amsterdamse atelier van Arnoldus van Geffen. Ze glimlachte naar haar zoon Emile die hoofdschuddend instemde met haar bewering en wiens gespannen houding niet alleen Emilie opviel maar ook zijn vader verontrustte. De erfgenaam van een voorlopig lege schatkamer zou het hem best moeilijk kunnen maken. Of er al contacten waren met de ateliers de la Dyle, vroeg hij, want Balat had hem verzekerd zo snel mogelijk met de bouw van de koninklijke serre van start te willen gaan.

Simon Philippart probeerde het echtpaar Sannier duidelijk te maken dat een vlot en democratisch openbaar vervoer ook een culturele missie had: denk aan concerten en tentoonstellingen die voor een breder en groter publiek bereikbaar worden. Waar nu nog paardenkracht nodig is, zal in de nabije toekomst stoom of electriciteit het voertuig aandrijven. Louis knikte. ‘In de rue Jeanne d’ Arc is de bouw van het nieuwe ‘l’ Institut industriel du Nord’ begonnen, leslokalen en laboratoria voor de ingenieursopleiding ter vervanging van het uitgeleefde gebouw in de Rue Lombard.’

Of dit een tijd voor zieners was, wilde Marie Louise weten. ‘Mensen die door de beslommeringen van de hedendaagse moderniteit zien wat wezenlijk en wat onwezenlijk is.’ Simon haastte zich om haar een concreet voorbeeld van een jonge ziener te geven. ‘Ik heb een vriend, een jonge ingenieur die het in enkele jaren van tekenaar tot administrateur heeft gebracht, monsieur Edouard Louis Joseph Empain. Wij zijn broederzielen en weldra zullen we in uw vaderland een compagnie française des chemins de fer et tramways op poten zetten. Ik ben slechts de man van de financieringen, maar hij, waarde mevrouw Sannier, hij is een man voor wie de wereld te klein zal zijn.

15.

Lille, 2 december 1873

aan Maître César Franck, 95, Boulevard Saint Michel Paris.

Chèr Maître,

Vaak denk ik terug aan onze ontmoeting in Rennes, maart 1867, waar u het gerestaureerde orgel van de Saint Germain inspeelde. Meegereisd met de restaurateur, goede vriend en orgelbouwer Joseph Merklin was ik nieuwsgierig naar de componist van de ‘terughoudendheid’, van de ‘traag vloeiende brede rivier die zich in talrijke meanders vertakt maar in het uiteindelijke van de zee lucht en water verenigt’. Dat is de lyrische samenvatting van Joseph’s commentaar wanneer hij vol bewondering over uw muziek spreekt.

Ikzelf dacht aan het zuiveren van de samengebalde wind. Geen combinatie van registers die de harmonisatie in de weg staan, ingeruild voor geweld of overduidelijke kontrast, maar het ‘kanaliseren’ met behoud van de vitaliteit. (de bron?)

Met mijn negentien herkende ik de vrouwelijkheid van de klank waarin de adem, de spiritus, nog hoorbaar was: het hout of de tinnen legering van de pijpen. De muzikaliteit van het materiaal. Toch werd uw ‘Grande Pièce Symfonique’ een complete verrassing. Alsof ik in een vreemd walsje werd meegelokt naar een nog nooit gezien landschap waarin het beginthema zichzelf vertraagt, zich herhaalt om uiteindelijk open te breken in een bijna Duits ‘Muss es so sein?’ Verschrikt kruipt het motief weg, wil volume en verschuilt zich achter een staccato-ritme op weg naar de oppervlakte waar de onrust is verdwenen. Cirkels. Vragen en antwoord. U herformuleert ze zonder echter een andere vraag te stellen. Zodoende zijn uw antwoorden net zo kinderlijk moedig.

Dat waren flarden uit mijn notities de avond na de inauguratie. Het viel me op dat de klankruimte van deze gotische kerk heel verwant was aan onze kleinere Sainte Cathérine. Ik ben u nog steeds dankbaar dat u me de ‘prélude, fugue et variation’ hebt opgestuurd, werk dat ik na de inauguratie in Maubeuge minstens één keer per week speelde en in mijn hoofd meereisde naar Brussel en de stilte van het landhuis in de Kempen.

Intussen is mijn leven veranderd. Niet alleen met de komst ven de kleine Léon maar ook door het ontbreken van een vaste thuis. Ik leef bij mensen die met geld en aandelen vertrouwd zijn. Ik merk dezelfde kunstgrepen: het kanaliseren van geldstromen naar boeiende investeringen voor een nieuwe tijd. Ik vermoed dat ook hier de zuiverheid van hart het zal moeten ontgelden, dat bevlogen geesten geprezen worden in zoverre zij de held van de dag zijn maar net zo goed de volgende dag geofferd worden als onmiddellijk succes uitblijft.

De feestdrukte ontlopen keerde ik terug naar de plaats waar u mij voor altijd met de ‘Grande Pièce Symfonique’ op weg hebt gezet naar een andere zoektocht. Op de pupiter vond ik uw ‘Fantasie in C Major’. Kent u hongerige ogen? Gelooft u in wezens van de overkant? De ingedommelde calcant – de prefect zou zijn laattijdigheid willen goedmaken door aandachtig naar enkele voor hem persoonlijk gespeelde fragmenten te luisteren- trapte met nieuwe moed en de hoop op een fooi zonder dat ik hem iets had gevraagd. De registers instellen was even zoeken, maar toen kwam de eerste zin van uw ‘Fantasie’ tot leven. Er zijn kostbare momenten waarin de noten zichzelf lezen. Had ik het stuk in een ander leven zelf geschreven? Ik moest niet onder vreemde vleugels kruipen zoals dat met elk orgelwerk van Bach het geval was. Hij mocht je overvleugelen wilde je in zijn nabijheid komen. Maar deze muziek geeft je vleugels. Haar schijnbare eenvoud. Je vingers echter weten beter. Nu zou ik het thema herhalen, denk je. De componist bleek het met me eens te zijn. Hij is een meester in weglaten. Met wat ik overhou mag ik drijven. Op de stilte die zijn muziek omgeeft.

‘Alle engelen staan nog op hun plaats,’ zei u . ‘Blijkbaar is u dus van vlees en bloed, juffrouw.’ De calcant was zo vriendelijk ons alleen te laten. ‘U is nog erg jong voor de muziek van een oude man.’

‘U is een jaar jonger dan mijn vader, meester. Een man in de vroege zomer van het leven.’

Het was geen kwestie van jaren, zei u. U was oud geboren. Waarop ik, nog steeds in de sfeer van uw muziek zei dat deze mannen het voorrecht hebben om bij het vorderen van de jaren jonger te worden. De blik van een kind als geschenk krijgen.

Ik wil die wondere avond weer oproepen nu het jaar 73 zijn beslag krijgt. Ik betreurde dat Lille zo ver van Parijs was. Ik had graag een van uw leerlingen willen zijn. In uw orgelklas is er nog steeds geen vrouw. Anderzijds wil ik niet concerteren tenzij voor vrienden en stadsgenoten. Voor mensen uit de kleine kring. Ik ben moeder van een kind. Of inspireert het moederschap ons tot de verbondenheid die mannen vreemd is?

We hopen u volgend jaar te kunnen bezoeken. Papa laat u groeten. Maman is erg druk met de voorbereiding van de feesten. Emiel weet niet wat hij eerst moet doen. Zijn vader wil in tramways investeren die blijkbaar ook in Parijs mensen sneller bij elkaar brengen. Stel je voor dat we over enkele jaren tijd op overschot hebben! De prelude, fuga et variation staat bovenaan op mijn programma.

16.

Emilie’ s kinderjaren in Elsene. Het grote huis van tante Josephine, Marie-Louise’s jongste zus, Chauseé de Wavre, dichtbij de nieuwe ateliers van orgelbouwers Merklin-Schütz die zich uitstrekten van huisnummer negenveertig tot drieënvijftig, op de hoek met de Francquartstraat. Tante Josephine woonde dichtbij het landgoed van de de Vermerens-Coché, de eigenaars van de porseleinfabriek op nummer 141-143 van dezelfde steenweg. Chantal Coché was de dochter van Jean-Jacques en nichtje van het echtpaar Caillet-Pouchelin , broer en schoonzus van Jean Jacques, voormalige uitbaters van diezelfde fabriek dat in 1852, kinderloos, de zaak aan Chantal overliet. Voor Emilie was zij net zo goed een tante als Josephine, zoals haar man Emile Théodore Vermeren door haar Emi-Théo werd genoemd. Naar Elsene gaan was bij de drie-eenheid Josephine, Chantal en Emi-Théo verblijven.

Tante Josephine werkte voor de familiezaak -mooie stoffen en kerkgewaden- op haar toonzaal-kantoor in Brussel. Ze ontving er inkopers uit Londen en Berlijn, verkopers uit Parijs, organiseerde er exclusieve modeshows en leidde kerkelijke gezagsdragers rond in haar zelf ingerichte kapel waar de duurste kazuifels, alben, superplies, stola’ s en schoudermantels waren tentoongesteld. Exclusieve stukken, puur handwerk.

Ze was nooit gehuwd geweest maar onderhield vriendschappen met diverse vertegenwoordigers die voor de zaak Europa afreisden en tijdens de wintermaanden onderdak en genegenheid van Josephine kregen eens ze haar plechtig hadden beloofd met de lente weer te vertrekken en zich niets voor te stellen van wat er op intieme momenten gefluisterd werd, noch de indruk te geven de man te zijn die haar kon aanvullen of met wie de levensavond op een ordentelijke manier kon worden doorgebracht.

Ze verwees naar haar geboortejaar 1830 en hield al te gulzige huisgenoten voor net zo onafhankelijk te willen blijven als de jonge staat waarin zij werelds en religieus textiel met elkaar verzoende onder de noemer van schoonheid, exclusiviteit en weelderigheid, drie deugden die ze ook lichamelijk graag vertegenwoordigde.

De Brugse zetel liet duidelijk zijn afkeuring merken, maar Josephine’s gezegde ‘chassez le naturel, il revient au galop’, en het feit dat zij ook in moeilijke tijden de zaak boven het spreekwoordelijke minnewater wist te houden, beperkte de commentaar tot licht hoofdschudden en zachtjes zusterlijk sissen. Marie Louise had in haar eigen huwelijk geleerd dat leven en laten leven een hoge vorm van beschaving kan verraden en uitstekend de liberale handel dient. Ook als kind kon ze met Josephine goed opschieten, verzonnen ze samen listen om aan de strenge vaderlijke controle te ontsnappen terwijl de drie oudere zussen slechts door uiterste gedienstigheid en verregaande zelfopoffering een beetje vrijheid konden afkopen.

Het was Josephine die haar in contact bracht met de innemende orgelbouwer Joseph Merklin, met de jaren een uitstekend ambachtsman en toegewijde vader, maar aan de gouden rand van diezelfde jaren een kostbare vriend en minnaar, een tedere zwijger en een aangename causeur op wandel door het Parc Léopold na een namiddag ik zie-ik zie-wat jij niet ziet, boven de kapel van Joséphine, in wat zij een ‘pied au ciel ‘noemde, dat ruime Louis Quinze-bed waarover het gefilterde zachte buitenlicht van de Avenue Louise het einde van de zomer aankondigde.

17.

Je zou de dwingende lijnen kunnen plannen, ze nauwkeurig uittekenen en hun ontstaan beschrijven om ze naarmate de geschiedenis vordert in elkaar te laten overlopen. Deze planning van het lot, eigen aan verhalenvertellers, wordt vaak door de realiteit zelf ingehaald en voorbijgestoken. Of is het toevallig dat het landgoed van de porseleinfabriek oorspronkelijk eigendom was van graaf Carton de Winnezele, edelman die in Zillebeke het kasteel t’ Hooghe zal laten bouwen dat daarna in handen kwam van de familie de Vinck en dat tijdens de eerste wereldoorlog… Laten we niet te snel deze negentiende eeuw verlaten maar toch nog erop wijzen dat de achternaam van de graaf de naam verraadt van een landelijk dorpje niet zo ver van Lille.

Maar ook Elsene zal een kruispunt van ontmoetingen worden zonder dat de families van dit verhaal daar nog iets aan kunnen veranderen tenzij ik de geschiedenis zou verwringen, een werkje dat ik graag aan anderen overlaat nu de liefde voor het lot mijn wijze stuurman blijft en ik de koers van het voorbije in het logboek van het verleden mag optekenen.

Het landgoed langs de Waverse steenweg kwam in handen van de familie van Jean Jacques Coché-Mommens, onder het Hollands bewind uitgever van de Courier des Pays-Bas, titel en inhoud die door zijn deelname aan wat de Belgische Omwenteling heet een patriotische inhoud kregen.

Voor het zover was had langs diezelfde steenweg Charles-Christophe Windisch, Fransman van geboorte, een porseleinfabriek met zijn vennoot Fréderic Théodore Faber, protestant en naar eigen zeggen afstammend van Willem van Oranje. De Fransman had voor Parijse en Limoogse ateliers gewerkt, de protestant, peintre du roi et marchand à la cour, was een ‘décorateur de la porcelaine en chambre’, een nijverheid die ook in Schaarbeek werd beoefend door de manufacture Montplaisir en de ter Loozen in Etterbeek, om de Cretté en de Mortelèque in Brussel stad niet te vergeten, deze vertegenwoordigers van het éclatante Brussels porselein uit de negentiende eeuw. Het gemeenschappelijk werk van Windisch en Faber kreeg de naam Ixelles I, wat inderdaad doet vermoeden dat er ook een Ixelles II heeft bestaan.

Het ontstaan daarvan ging samen met het ontstaan van België. Faber wilde trouw blijven aan zijn Hollandse meesters en verbrak de samenwerking, terwijl Windisch, vriend van de familie Coché-Mommens, recht tegenover zijn voormalige fabriek, in de ruime lokalen van de afspanning ‘Au mayeur Cabaret’ (afspanning waarin de rijtuigen werden gestald om de Brusselse entreetaks te ontlopen bij het binnenrijden van de stad.) zijn Ixelles II oprichtte, gefinancierd door zijn vriend en Belgisch partisaan Coché.

Fabers atelier werd na zijn dood in 1844 verder uitgebaat door zijn zonen Henri-Emmanuel en Louis. Daarna was het de familie Cappelmans, porceleinmakers uit Halle, die tot 1869 mooie dingen maakten, waarna de ovens definitief doofden. Windisch stierf in 1842. Vriend Jean Jacques handelde verder de administratie af en stelde het echtpaar Caillet aan tot bewindvoerders. Echtgenote Caroline was veuve en première noces van Nicolas Jean Eugène Coché, broer van Jean Jacques. Zo kwam het porcelein bij de Coché’s terecht, want in 1852 ging de zaak van het kinderloze echtpaar over naar nichtje Chantal , dochter van Jean Jacques,die met Emile Théodore Vermeren, leraar aan het koninklijk Atheneum van Elsene, was getrouwd. En dan zijn we terug in het verhaal dat nu perspectief heeft gekregen waarvan de verankering in porselein, hemelse stoffen en orgelbouw een spirituele combinatie oplevert. Wind, vuur en stoffen die toegang tot mysteries verschaffen, de mysteries van de geest en die van het mooie lichaam.

Tante Josephine, tante Chantal, oom Emi-Theo en oom Joseph zijn de personages uit de kinderwinkel van Emilie. Verbonden met de soms lange verblijven in Elsene worden ze breekbaar als porselein, zacht in het register van de voce umana, en door vrij aardse heiligheid omgeven. Het Belgische luik van haar jonge jaren aangevuld met de ronde stilte in de Saint Cathérine, de bruisende geluiden van een Noordfranse stad die uit haar voegen barst.

Het landschap zal letterlijk met ijzeren lijnen doortrokken worden. Simon Philippart had nog voor hij in Lille de tramways wilde uitbaten, licenties en spoorwegen in België, Frankrijk en het Groothertogdom in een aantal grote financiële vennootschappen samengebracht, en probeerde industrieel en financier te zijn, een tweesnijdend zwaard in een Europa waarin voor lange tijd de Frans-Duitse tegenstellingen het gedachtengoed en de beurs zouden beheersen.

De kleine Léon sliep van oud naar nieuw. Het zou hem voorlopig niet deren maar in dat nieuwe jaar publiceerde de negenenzestigjarige Hans Christian Andersen zijn ‘Sprookjes en Vertellingen’. Evetyr og historier.

18.

In het gewoel van 1830 werd op vele huizen en publieke gebouwen de Franse vlag gehesen – in Brussel krioelde het van Franse handelaars, kunstenaars en politieke vluchtelingen- toch wilde kroonprins Willem van Oranje nog een persoonlijke unie creëren met daarin een eigen Belgische krijgsmacht.

Het Voorlopig Bewind riep het Frans tot enige bevelvoeringstaal uit in het nieuwe Belgische leger. De toen negentienjarige Jean Philippe de Lunden wiens vader intens betrokken was bij de vestingswerken in Ieper en Oostende onder leiding van de veelzijdige Hollandse arts en natuurkundige baron Cornelis Krayenhoff, wilde in Delft zijn ingenieursstudies verderzetten maar besloot oorlogsveteraan Mathieu Brialmont te volgen toen die vanuit het Nederlandse naar het nieuwe Belgische leger was overgestapt, en als militair bevelhebber de versterkte stad Venlo ontzette, en in 1831 helemaal geïsoleerd, ze toch tien dagen kon vrijwaren, wat hem naast eeuwige roem ook de benoeming tot luitenant-kolonel opleverde.

Venlo was na Turnhout en Maastricht zijn voormalige garnizoenstad waar hij in 1820 Anna-Maria Verwins, de oudste dochter van een welstellend koopman huwde, die niet alleen voor liefde, twee zonen en twee dochters zorgde, maar ook het goed Maagdenberg inbracht waar hij als rustend militair met nog 2/3 soldij zich met wijnbouw en het kweken van zijderupsen onledig dacht te houden, een onmogelijke missie gezien het klimaat niet bijster voor deze praktijken geschikt bleek.

Het was geen geheim dat de inname van deze stad werd bespoedigd door de hulp van enkele bekenden uit zijn garnizoenstijd, inzonderheid de goede raad en daad van de familie de Lunden die er een bankfiliaal had onder een andere naam, en er goede connecties onderhield met de drukkerijfamilie Bontamps die er tot 1837 de burgemeester leverde, burgervader die op de genoemde Wijnberg een aantal terassen aanlegde om er ook druiven te telen voor de azijnproductie.

De relaties uit de Limburgse tijd zouden later bijdragen tot de organisatie van de fortjes en forten rond Antwerpen en -nog verder vooruit gekeken- tot de forten rond Namen en Luik. Zoals Philippart begreep dat de spoorwegen en tramways een nieuwe vlucht voor het kapitaal konden betekenen, wist Jean Philippe de Lunden niet alleen zijn vrouw Paula Derijckere maar ook zijn kapitaal uit ’s lands eer, ’s lands verdediging te verzilveren, een activiteit die niet alleen zijn burgerzin maar ook zijn aandelenportefeuille aardig aandikte.

Van huize uit hadden zij een bijna vurig anticlericalisme met de moedermelk ingezogen terwijl ze hun heimwee naar liturgie en mannelijke riten in een burgerlijke of militaire loge konden luchten. Zoon Brialmont werd als jonge onderluitenant in 1846 drie maand op non-activciteit gesteld omdat hij had geweigerd het Te Deum bij te wonen, terwijl het staatshoofd en omgeving lutheraan was en dezelfde opstandige Brialmont volgens de protestantse ritus huwde met Justa de Potter, dochter van Louis De Potter. Ook H. Jungbluth, de latere begeleider van kroonprins Albert was protestant met sterk atheïstische neigingen. Professor Lagrange van de Militaire School oefende met zijn bezielende theorie diepe invloed uit op zijn leerlingen zodat zelfs de latere stafchef E. Galet onder zijn invloed protestant werd.

Jean Philippe wist dat de loge, net zoals de Kerk, de nodige steun en contacten in belangrijke financiële opdrachten kon waarborgen. Hij bezocht beide instellingen met een vriendelijk open gemoed, en liet met dezelfde geduldige verdraagzaamheid zijn vrouw Paula de dominee om raad vragen. Hun enige zoon Emile bezwaarden zij noch met de vreze gods, noch met het lekengeloof in een maakbare wereld. Zijn wetenschappelijke belangstelling en het familievermogen leken hen betere waarborgen dan het latere paradijs of de broeders met het truweel zonder hem echter van beiden te vervreemden. Hij bezocht ten gepaste tijd het huis van God en zijn bedienaars en was een trouwe broeder van les Amis Sincères du Roi et de la Patrie.

19.

‘Negen concessies voor Engelse kapitalisten, niet dadelijk een zaak van goed beleid.’ Hij doorbladerde het dossier op zijn bureel, ging met zijn vinger langs de ellenlange kolommen en, rechter wijsvinger in de lucht, zei hij zuchtend: ‘Achthonderd vijfenvijftig kilometer spoorwegen. Met alleen de lijn Doornik naar Jurbise kant en klaar, uitbating terug aan de Staat gegeven. Opbrengsten? Negatief. Wat ze dan wel bereikten? Uitstellen van termijnen, ontheffing verkrijgen van hun verplichtingen, geen garantie voor een minimum aan voordelen voor enkele secundaire lijnen of nieuwe lijnen zonder toekomst, en dat alles om sneller leningen los te krijgen en daarmee de constructie te financieren waarvan de opbrengsten uitbleven. Geen wonder dat ze zo snel mogelijk van deze lijnen verlost wilden worden.’

‘De Staat is te jong, Simon. Dwaas en goedgelovig, kortzichtig en egoïstisch, de verschrikkelijke eigenschappen van elk jong mens.’ Jean Philippe de Lunden tikte de as van zijn sigaar, schonk zijn glas cognac bij en hield de fles uitnodigend in de hoogte, richting Simon Philippart.

‘Ik heb hier een rapport van Jules Malou, directeur bij de Société Générale, 1860. Ecoute.
‘Aucun pays n’ offre l’ exemple d’un pareil fractionnement avec l’ existence de 14 services distincts d’ exploitation dont le plus grand compte 198 km et le plus petit 12 km. En s’abstenant d’ établir des zones déterminées pour chaque compagnie et de prendre des mesures protectrices des interêts engagés, l’ Etat a contribué à créer un système peu stable, auquel seule une concentration des exploitations pourrait remédier. Encore faut-il demander quelles seraient les modalités les plus acceptables d’une pareille transformation.’

Hij smeet het papier op zijn bureel, liep knikkend met zijn leeg glas naar Jean Philippe en liet zich zuchtend bedienen waarna hij het in teug leegdronk en het met een stevige zwaai op het tafeltje neerzette.

‘Het Belgische hoofdstuk kennen we intussen. De Staat moet duidelijk zijn. Neem de Compagnie du Nord van het huis Rothschild in Parijs. Uiteraard wil hij de controle over de invoer van de Belgische steenkool in Frankrijk. Het kostte hem weinig geld om de vrijgekomen lijnen van de Engelsen te huren. In enkele jaren tijd breidde Le Nord zijn netwerk uit rond de drie vitale industriële centra: Mons, Charleroi en Luik. Het kon ze zonder moeite verbinden met het Franse noord-westen, het noord-oosten, en zelfs met Parijs.’

‘Maar laten we eerlijk zijn, de lijn Mons naar Manage was er te veel aan. De regering heeft ingegrepen met een duidelijke weigering en de lijn teruggekocht. Een concurrerende lijn Brussel-Mons langs Nijvel, en daarbij een drukke verbinding uit het eigen netwerk prijsgeven, dat kan zelfs de familie Rothschild zich niet veroorloven.’

‘Inderdaad, en dan komt de Société Générale op het toneel met de stichting van de Société Anonyme de L’ Est die de snelle verbindingen fusionneert tussen het bekken van Charleroi en de Lotheringse metaalverwerkende centra, een politiek van Malou die we nu kennen als grand Central belge waarmee hij aansluit op het Hollandse net en de havens van Rotterdam en Antwerpen met het Franse net van de Compagnie de l’ Est verbindt via Leuven, Charleroi, Givet en Vireux.’

‘Maar vergeet ook de pogingen van de Banque de l’ Union niet, cher ami Jean. Een initiatief dat uit het eerste Congres van Mechelen voortkwam en als doel had de kapitalen te ‘christianiseren’. Ik noem hier Prosper de Haulleville medewerker van Langrand-Dumonceau en die de halve Belgische adel meetrok in het Brusselse bankhuis van F. en J. Jacobs. Exclusief voor katholieke kapitalisten! Oud minister van openbare werken Auguste Dumon aan kop, samen met baron Charles Snoy. Wacht, hier is het lijstje van stichtende leden in beide betekenissen van het woord: le duc D’ Arenberg, Langrand-Dumonceau et son entourage zoals Edouard Mercier en graaf Charles de Villermont, schoonbroer overigens van Auguste Dumon. Voilà, la Société Anonyme d’ Exploitation de Chemins de Fer, met een kapitaal van vijfentwintig miljoen frank, in samenwerking met de ateliers van Tubize en vijf andere concessionarissen.’

‘En hoe lang duurde het vooraleer deze dapperen de constructies van de meeste verbindingen overlieten aan de Société des chemins de fer du Nord de la Belgique gecontroleerd door de familie Bischoffsheim en de Société Générale? Een mooie verbinding waaruit in 1866 de Société Belge de Chemins de fer ontstond.’

‘Wil je een overzicht vooraleer deze heer, Simon Philippart, met zijn werk begon? Van de 47 concessies werden er 32 geëxploiteerd, geheel of gedeeltelijk door 17 exploitanten terwijl een groot aantal concessionaires niet eens één kilometer spoor had afgeleverd. Van het nationale netwerk van 3794 km was 1589 km onder constructie of nog te construeren en 2385 km in exploitatie. ‘

‘En toen verscheen een wolfabrikant uit Doornik en…de Banque de Belgique. Niet dadelijk het begin van een vertelsel, chèr ami.’

‘Comme on fait son lit, on se couche.’

20.

In zijn jonge jaren had hij op de platte toren van de Saint Cathérine nog de hoekige armen van de Chappe-telegraaf zien zwaaien. Deze communicator van de revolutie bracht in slechts tweeëndertig minuten een bericht van Parijs naar Lille, verbond Venetië met Lyon, Brussel met Lille, Antwerpen met Amsterdam. ‘Mettre le gouvernement à même de transmettre ses ordres à une grande distance dans le moins temps possible.’ Een beschrijving uit de tijd toen de kerk nog een graanzolder was geweest voor ze in 1797 weer als cultusplaats mocht dienstdoen, met behoud van de zeven meter hoge mast, hemelsblauw geschilderd, inclusief laddertje om de mankementen aan de zwarte régulateurs te verhelpen. Meer dan achtduizend codewoorden kon hij overbrengen met zijn achtennegentig posities. In 1846 werd het mechanisme gedemonteerd. Stroom en geen stroom in morsetekens vertaald via stroomkabels die vaak langs spoorwegen liepen en stations met elkaar verbonden. Nog bijna tien jaar bleven de werkeloze armen naast het huisje van de torenwachter op de platte toren waaronder hij, Louis Sannier drieënveertig jaar het orgel bespeelde.

‘Je moeder is de bron van alle muziek. Muziek drink je met de moedermelk,’ zei zijn leraar François Benoist in de orgelklas van het Parijse Conservatorium waar César Franck zijn medeleerling was geweest. Met de moedermelk. Het heimwee van een oudere man naar de eerste pianolessen van maman, de enige vrouwelijke professeur de musique in Nantes die zich met haar meisjesnaam Madame Finetty aandiende en zich om geen waarom Madame Benoist liet noemen. Dat was een nachtelijke bekentenis, de zeldzame keer dat hij onder invloed van een uitstekende rode wijn zijn zuinige mond voorbijpraatte en zich de volgende les beschaamd afvroeg of hij geen ontoelaatbare intimiteiten had verteld, ‘ah oui, les ravages du temps.’

Er was ‘Le diable amoureux’ van zijn hand, een ballet-pantomime en 3 actes et 8 tableaux waarin de minnares de duivel zelf bleek te zijn, maar vooral zijn ‘Messe de requiem pour trois voix d’ homme et une enfant, avec accompagnement d’ orgue ad libitum.’ die hij in de uitgave van 1842 leerde kennen. Hoe kon je in deze combinatie de zwijgzame meester vinden, de beweegredenen van deze stille man, wiens ‘…école était une pépinière d’ habiles organistes,’ zoals Miel schreef. Niet achter maar in de muziek verdwijnen, oplossen, zonder de wereld lastig te vallen met persoonlijke botsingen noch kortstondige verukkingen in de kleine binnenzee van de ziel.

Zeven jaar ouder was zij, Marie Louise Liebaert, Parijs in de lente van 1845. Beetje moedergehalte, jongensachtig in de manier waarop zij de wereld dacht te veroveren. Brugse pracht en Duinkerkse zeeroverij, zo vatte zij hun levens samen. Zij had een afspraak met het secretariaat van de aartsbischop, haalde een belangrijke bestelling binnen en regelde zijn aanstelling tot vaste organist van de Saint Catherine. Een jaar later waren ze gehuwd, woonachtig in zijn ouderlijk huis te Lillle en kwam in 1848 Marie-Emilie ter wereld.

Het schilderij van Pierre-Joseph Witdoeck, het laatste avondmaal, was net als deel van het Heilig Hart-altaar opgehangen, een mysterieuze combinatie van het drietal Jezus, Petrus en Johannes. Boven spreidt God de Vader zijn armen, omgeven door wriemelende engeltjes. Tussen hem en Jezus hangt de witte duif van de Heilige Geest. Het hevige licht maakt Petrus, met gevouwen handen, bijna onzichtbaar terwijl de lang gelokte Johannes zijn hoofd op de schouder van de Heiland legt, de fijne handen gelaten zichtbaar door de over elkaar gelegde armen. Op de tafel een reusachtige tinnen schotel met het gebroken brood in Jezus’ linkerhand terwijl hij zijn rechter arm lichtjes spreidt in congruentie met de vaderlijke arm boven zijn hoofd.

Het centrum van het werk is het licht waarin de duif de verbinding maakt tussen zoon en vader. Het Heilige Hart van Jezus nog eens beklemtoond als een soort borduursel op zijn borst. Kwam het werk er als ‘bijdrage’ van de firma Liebaert of was deze coïncidentie net zo toevallig als zijn onverklaarbare ontroering bij het zien van zoveel mannelijke tederheid in het licht van de Geest? Was hij meer door het onderwerp dan door de academische iconografie getroffen? Zou de man met het brood weldra zijn ogen naar het jongenshoofd op zijn schouder richten, het strelen met de hand die nu nog Petrus leek weg te duwen?

21.

Het lot is niet van voorbedachtheid te beschuldigen. Ook niet als je weet dat Jean Philip de Lunden in de Heilige Geest-straat in Venlo voor het magazijn van de drukkerij Bontamps de toen bijna zestienjarige Marie-Paule Derijckere ontmoette,, en zij in het mooiste Duits hem met ‘welch ein netter Knabe’ begroette waarop ze wuivend, zonder om te kijken, de poort van het magazijn openduwde en ze met een flinke zwaai weer dichtzwierde. De manier waarop mensen indruk maakten op Jean Philippe had meestal met een zekere doortastendheid te maken. ‘Doen’ overtuigde hem vlugger dan het beredeneren van wat er gedaan kon worden. In het vestingswezen beweerde zijn vader dat je je nooit op de plongee mocht wagen, het schuine vlak op een borstwering. Natuurlijk kon je met een omtrekkende beweging een kwetsbare flank zoeken en daarop je geschut richten, maar met één of twee barbettes, (geschutsbanken) was het mogelijk over de borstwering heen te schieten. Het was een tactiek die je ook in het dagelijks leven kon toepassen: nog voor je gesprekspartner zich achter een gladde redenering kon verschansen ging je op je spreekwoordelijke tenen staan zodat je tegenstrever het idee had dat je in zijn plannen kon binnenkijken en hij je nog voor je het vroeg vertelde wat hij wilde camoufleren.

Hij besefte te laat dat vrouwen ‘hoogstandjes’ dadelijk in de gaten hebben. In het beste geval klopten ze hem vertederend op zijn stoere schouders, of trokken ze met één slim vraagje de stelten onder zijn platvoeten vandaan. Toen Marie-Paule even later buitenkwam, twee bundels wit schrijfpapier onder de arm, vroeg ze hem of hij op iemand wachtte, en of zij iemand kon roepen die hem kon helpen? Hij wilde over zijn vriend, de burgemeester, beginnen, maar zij keek hem zo direkt in de ogen dat hij alleen maar ‘neen, neen,’ kon zeggen, en het tenslotte probeerde met de voor de hand liggende opmerking dat een meisje van haar leeftijd -schoonheid bedoelde hij- best door een man begeleid kon worden gezien de voortdurende onrust en plotse opflakkeringen van geweld in de stad. ‘Ver moest ze niet lopen,’ zei ze. Tot aan de Oude Markt waar zich de drukkerij bevond. Maar wilde hij even meelopen, dan kon dat.

‘Ik dacht dat ik u Duits hoorde praten,’ zei hij bij wijze van introductie. Ze knikte. Ze logeerde in Geldern, net over de grens. Daar had de drukkerij een bijhuis. Haar vader, een goede vriend van de familie Bontamps, wilde de vestiging in Luik financieren. ‘Hij denkt dat boeken en drukwerk de toekomst zijn. Hij is directeur bij de Banque Internationale du Luxembourg en omdat hij weinig thuis is, vergezel ik hem wel eens en organiseer ik zijn agenda en dergelijke dingen. Hoort u bij de Belgische troepen?’

Hij vertelde haar dat hij als ingenieur belangstelling had voor het vestingswezen en geen onbekende was van de vroegere garnizoenscommandant Brialmont, maar dat hij, net als haar vader als financier wilde optreden eens hij zijn studies had afgerond. Hij wilde nog iets over de jonge staat vertellen, maar zij vroeg hem of hij haar wilde vergezellen naar Geldern. Hij kon er met haar vader kennis maken, en over zaken praten, tenzij hij andere verplichtingen had.

Het lot is niet van voorbedachtheid te beschuldigen want in de schaduw van de Heilige Geistkirche in Geldern werden nieuwe plannen gemaakt waarin het familiekapitaal en de Banque Internationale du Luxembourg de weg openden naar een verbinding tussen een eigenzinnig meisje uit Den Haag en een jongeman uit de hoofdstad van een net ontworpen land. Zouden beide landen in 1839 definitief elkaar loslaten, de band tussen de geliefden versterkte met de jaren tot de families in 1836 een groots huwelijksfeest organiseerden dat gezien de belangen van de deelnemers in de stad Luxemburg doorging, waar de omringende nationaliteiten dezelfde taal van het kapitaal hanteerden. Twee jaar later kwam de kleine Emile in Brussel het uitzicht op de goed geplande toekomst versterken.

22.

Ook in bange tijden kan het lot zijn glimlach tonen waar de onzekeren een grijns verwachten. De heer Philippart betaalde snel openstaande korte termijn-leningen terug, de société anonyme des Ateliers de la Dyle en de firma Durieux en Cie berekenden de constructie van de koninklijke serre op 321.363 goudfrank voor een totaal gewicht van 343.000 kilogram ijzer en waren zo vriendelijk de toeziende professor-ingenieur ruime voorschotten op de reeds geleverde berekeningen en schetsen uit te betalen terwijl architect Balat zijn plannen bleef wijzigen, en dus de tekeningen voortdurend werden aangepast terwijl de metselwerken al konden beginnen.

Omdat de constructie van de oranjerie op het landgoed en de herstellingswerken nu ook van start konden gaan en Emile dag en nacht tekende, tussen aannemers, constructeurs en importeurs pendelde, cursussen voorbereidde en scripties begeleidde, was er weinig plaats en tijd voor een ordentelijk gezinsleven. Emilie reisde met Marie en kleine Léon naar Parijs waar ze door toedoen van l’ abbé Pierre-Ambroise Hamelin, deken van de Saint Clotilde, in de rue de Bourgogne een belle étage huurden.

Ze mengde zich anoniem onder het publiek om de opvoering van Franck’ s ‘Rédemption’ bij te wonen, rue de la Victoire, salle Herz, een koude februari-avond, enkele dagen na haar aankomst in Parijs. Het oratorium verraste haar, De kreten van de spreker, Ah! Malheur aux vaincus, de stevige vragen van het koor, ‘Où mènent tes chemins, de symfonische brug tussen de twee delen, de dramatiek, de aandrang tot de Heer om naar beneden te kijken, bien bas, het slotkoor als synthese, seigneur, seigneur! De gevel waarin de deur verborgen blijft, het innerlijke al is prijsgegeven in de ornamenten, maar het geheim, bien loin du port béni, in de teatraliteit onbereikbaar schijnt.

Ze beseft dat ze de taal van het vertoon niet kent, dat haar spraakkunst van de gezongen collectiviteit beperkt blijft tot de kerkmuziek. Ze schrijft in haar dagboek: ‘Ik ken een beetje zijn orgel- en pianowerk, maar geconfronteerd met deze symfonische poëzie, ontgaat mij de innerlijkheid, al zal ze best door haar architectuur de nodige indruk maken voor wie het wijdse liefheeft. Het zal moeilijk zijn om hem mijn ervaring duidelijk te maken mocht hij daar belang in stellen. Voor een meisje uit het Noorden is het kontrastrijke palet vreemd. Ik kom uit de streek waar aardekleuren overheersen onder wolkenkoepels. Dit is een wereldstad. Hier spreken de mensen luider, laten ze vlugger hun afkeuring blijken, zijn ze andere ritmes gewend. Hier is de hemel volgebouwd, de avenues net zo breedsprakerig als de koetsiers die een buitenmeisje bij de eerste oogopslag herkennen.’

De volgende dagen wandelt ze met kind langs de Seine. ‘Ik weet niet of deze stad voor jou iets zal betekenen,’ zegt ze hem. ‘Maar wil je je wel gedragen bij monsieur Franck?’ Het jongetje kijkt haar glimlachend aan, wijst met zijn handjes naar een voorbijvarende aak, en legt zijn hoofdje op haar schouder. Een rustig kind, zeggen de mensen. Maar ogen heeft het, ogen die alles willen zien. Soms denkt zijn moeder dat hij dingen herkent, dat hij in een vorig leven al eens in Parijs heeft rondgelopen. Of gevlogen, dat kan ook. Als musje of merel.

‘Je kijkt als een vogeltje,’ zegt ze. ‘Een vogeltje dat weet dat het kan opvliegen als het beneden te druk wordt. Dat boven op de rand van een dakgoot de ware proporties van onze drukte begrijpt. Kleine mensjes, kleiner nog dan het vogeltje. Maar pas op, kleintje. Ze kunnen niet vliegen, dus gaan ze op hun tenen lopen en met hun armen wieken. Ik denk dat de dakgoot soms vol lachende vogeltjes ligt. Omgevallen van zoveel gekheid daar beneden!’

23.

‘Het was de tijd van de ingesnoerde tailles, de opggeblazen mouwen en de gladde haarlinten, de hoge dotjes, de kleine voetjes, en herinner je Athanasie, Pépina, Elodie, Victorine en het meisje Félicité dat in 1846 ook jouw een lesje mocht leren, cher César.’ Hij knikte, maakte met zijn uitgestoken vinger duidelijk dat zij het toenmalige meisje was waarop de vrouw des huizes terug naar de keuken trok terwijl ze ‘mais oui, mais oui,’ bleef herhalen op een toon waarin ironie en berusting harmonisch samenklonken.

Het zijn de ogen, dacht Emilie, de naïeve ogen in het heldere gezicht dat door de bakkebaarden nog groter leek. Bijbels en tegelijkertijd jongensachtig. Zonder voorbedachte rade keken ze van het blad naar je vingers en vandaar raakten ze even de ogen van de lieftallige leerling. ‘Nauwelijks zes juffrouwen kwamen toen aan huis,’ zei hij. Natuurlijk waren er ook de lessen rue des Martyrs, in het college Rollin waar hij in 1840 Jacques Offenbach als collega had, en de Augustins de l’ Assomption, Faubourg Saint Honoré en later de Jezuieten in Vaugirard. Mademoiselle Félicité Desmousseaux kon hij niet alleen opleiden tot een uitstekende pianiste, ze werd zijn echtgenote. Plus que la musique, l’ amour.

‘Maman en César, chère mademoiselle Emilie, dat was van in het begin innige vriendschap. Joséphine Desmousseaux, ze is nu bijna zeventien jaar dood, een bekende naam van een pure comédienne met een stem als een klok en een hart van goud.’ Ze bleef intens knikken terwijl ze het gebak in plakjes sneed. ‘En nichtje Claire Féréol, een nachtegaal, daar heeft César een bekwame pianiste van gemaakt. Enfin, drie muzikale vrouwen voor de prijs van één.’

Hij gaf toe dat zij zijn tweede familie waren geworden. Papa Féréol, schilder en een van de beste zangers van de Opera Comique animeerde het Institut musical d’ Orléans. Hij wilde dat zijn dochter Claire een goede pianiste zou worden zodat ze zijn zanglessen kon begeleiden. Ze logeerde een jaar lang bij haar nichtjes Desmousseaux, boulevard Montmartre. ‘Ze kreeg zelfs een nieuwe piano van haar vader omdat ik de mijne van ’s morgens tot ’s avonds zelf nodig had, maar voor de rest deelden we onze kamer en zelfs het kleine bed,’ zei Félicité. ‘En in dat maison du Bon Dieu was César-Auguste l’ oracle des dames!’

‘Een vrij streng orakel,’ verbeterde hij. ‘En ongeduldig, chère Emilie! Hij stampte de maat met zijn voet, en liet ons eindeloos opnieuw beginnen. Traantjes! Geen les of een van ons beiden barstte wel eens in snikken uit. ‘Ma fille, “la naïade lacrymale” kreeg ik van maman als bijnaam.’

‘De werkelijkheid gebied mij te zeggen dat ik toen om haar te troosten. “Deux Mélodies pour piano’ heb geschreven, A Félicité, eentje in re bémol majeur en de andere in mi majeur. Maar al die verhalen vervelen wellicht onze gast. Mensen met een verleden staan de jeugd met toekomst wel eens meer in de weg. Geeft je vader nog wel eens een concert, en heb je zelf plannen in die richting?’

Ze haastte zich te zeggen dat hun verhalen voor haar eten en drinken waren, een oprecht bewijs van hun genegenheid. Ze keken naar de slapende baby in het reiswiegje. ‘Hij moet zijn verleden nog verdienen,’ zei ze. ‘Papa is met de Saint Cathérine vergroeid. Hij bezoekt musea zoals wij familie opzoeken. Alsof hij in een andere tijd leeft. Ik herken dat ook bij mezelf. Ik heb niet zo’n hang naar publiek. Misschien is het angst, of schaamte. Maman verovert graag de wereld. Voor papa en mezelf is die wereld vaak te groot, te verwarrend.’

‘Zal ik je dan donderdagavond mogen meenemen naar de salons van de familie Viardot ? Vorig jaar was Pauline Viardot nog de soliste in de Marie Magdalène van Massenet .Ik ben een beetje haar pianist préferré, vooral voor haar Schubert-vertolkingen. Een merkwaardige dame, chère Emilie. Omringd door merkwaardig gezelschap, al heb ik daarover zelf ook niet te klagen.’

24.

‘Zij was veertien, misschien vijftien en ikzelf nauwelijks dertien toen we elkaar ontmoetten bij een optreden in het concert de la Grande Harmonie in Brussel, enkele weken nadat Georges en ik voor koning Leopold hadden gemusiceerd. Charles Beriot viool, de contralto Maria Garcia-Malibran, zijn echtgenote, en haar zusje Pauline Garcia die Liszt tot een degelijke pianiste had opgeleid, begeleidde haar. Twee jaar later, na de vroegtijdige dood van Malibran, werd Pauline als vocale soliste bekend onder de familienaam van haar echtgenoot Louis Viardot, een wonderlijke stem en wat velen vergeten, een hoogst originele componiste.’

De fiacre kwam nauwelijks vooruit in de rue de Rivoli. De metselwerken voor Frémiet’s Jeanne d’ Arc versmalden de doorgang op de Place des Pyramides. Voorbij het Louvre werd er aan de sporen voor de nieuwe lijnen van de Tramways Nord gewerkt zodat het ook daar weer aanschuiven werd. Ze verwachtte elk ogenblik Simon Philippart te zien opduiken, de armen in de lucht, faut du patience chère demoiselle, une mission démocratique et culturelle, Paris ne s’ est pas fait en un jour!

‘Monsieur Viardot was veertig, zij achttien. De manager van haar carrièrre. Toen de Russische schrijver Ivan Turgenev haar in ‘de Barbier van Sevilla’ hoorde, is hij door Eros’ bliksem getroffen. Hij is haar gevolgd, installeerde zich in het huishouden van de Viardot’s en zorgde voor hun kinderen alsof het de zijne waren. Zij werd de beste critica van zijn werk, introduceerde hem bij belangrijke mensen, bekommerde zich niet om wat over hun zogezegde ménage à trois werd geschreven of gezegd, en inspireerde componisten als Chopin, Berlioz, Saint-Saëns en creëerde Fidès in Meyerbeers ‘Le Prophète’. Ze spreekt vloeiend Spaans, Frans, Italiaans, Engels, Duits en Russisch en was een voorname gast in de Sint Peterburgse opera midden jaren veertig. In Baden-Baden bouwde ze hun eigen theatertje voor voorname gasten, hadden ze hun eigen kunstgallerij, en na de val van Napoleon III is ze in 1870 mijn collega aan het Parijse Conservatorium geworden. We delen de liefde voor Schuberts’ liederen , de eerbied voor de melodie, chère Emilie, les phrases lyriques. Franz Liszt heeft al vroeg de transcriptie van twaalf liederen uit ‘Chants du cygne’ en ‘Voyage d’hiver’ aangevuld met nog eens acht liederen. Voor Pauline Viardot heb ik zelf le Roi des Aulnes bewerkt, een gesmaakte poging mag ik wel zeggen, al noemde een criticus mij le ‘César des pianistes’. Het begeleiden is een bijzondere vorm van onderlinge verstandhouding. In dezelfde zaal van de Rédemption vroeg Pauline mij haar te begeleiden bij de aria’s uit ‘L’ Italienne à Alger’ van Rossini. Als volleerde pianiste kon ze onmiddellijk zeggen wat ze wenste, begrepen we elkaar zonder al te veel woorden.

Buiten drensde de regen op de straatstenen van de Rue de Clichy. Emilie zei dat deze nieuwe wereld haar bevreemde. Hij stelde haar gerust. Hotel Viardot was bekend om zijn gemoedelijkheid. De gastvrouw zou zich achter haar Cavaillé-Coll orgel begeven, zelf iets zingen of een van haar leerlingen begeleiden. Daarna was er thee en brioches. Geen champagne, geen koude buffets die je in elke Parijse soirée kreeg aangeboden. Het was een treffen van kunstenaars, vrije geesten, geen geroddel van namen uit de Gothaer Almanak. Talent was het visitekaartje, en naar Franck’s bescheiden mening was de dochter van zijn vroegere studiegenoot daarvan rijkelijk voorzien.

De zestienjarige Paul Viardot wachtte hen persoonlijk op. Achter hem het portret van zijn moeder, geschilderd door Ary Scheffer. De gelijkenis viel haar onmiddellijk op. ‘Les mains d ‘ une artiste,’ zei hij voor hij haar handpalm kuste. Ze wilde iets over zijn prachtige jongensogen zeggen, maar zweeg en bleef hem aankijken totdat hij haar reisgezel begroette.

25.

‘Allons, musiquotons un peu! Marianne, La regata veneziana!’ Applaus van de aanwezigen. Saint-Saëns achter de piano voor het succesduo van Rossini gezongen door moeder en dochter:

‘Voga, o Tonio benedeto,
Voga, voga, arranca, arranca:
Beppe el suda el batte l’anca,
Poverazzo el nol pò più.’

Langs de portrettengallerie verliet het gezelschap de ‘zaal voor de wereldse muziek’ om enkele trappen lager bij het Cavaillé-Col orgel te komen, Pauline’s ‘geestelijke’ muziekruimte. Het afwerend gebaartje van César Franck -hij wilde zelden onvoorbereid concerteren- bracht de gastvrouw zelf achter de klavieren.

Innig en in een golvend tempo speelde ze zijn Prélude, fugue et variation. Met de naklank van het zeemanslied vloeide hier de traagheid van het ware, het sijpelen uit de rotswanden, naar de heldere wateren waarboven de geest zijn vleugels spreidde. Emilie sloot haar ogen bij het openbreken van de stuw in de fuga, -was hij geschrokken van de kracht- dadelijk terughoudend naar het vlechtwerk van de verschillende stemmen, tot in haar vingers voelbaar waren ze en nagalmend waarover het thema in de variaties zijn troostende en versnelde melodie hernam en de stilte waarin het verdween al duidelijk maakte nog voor het uitstervende slotakkoord.

Er was thee en brioches. Liederen van enkele leerlingen onderbraken de gesprekken. Paul, de jongste Viardot, speelde een eigen compositie op de viool, een eigenzinnige bewerking van een lied dat zijn moeder op de tekst van Sully-Prudhomme had gecomponeerd: ‘Ici bas tous les lilas meurent. Hij droeg het op aan een zekere Berthe Morisot, vrouwelijke schilder wiens vader einde januari overleden was. Enkele leerlingen onder leiding van Pauline brachten het daarna als lied:

Ici-bas tous les lilas meurent,
Tous les chants des oiseaux sont courts,
Je rêve aux étés qui demeurent
Toujours…

De gesprekken gingen over het avontuur van een groep schilders, waaronder één vrouw, de reeds genoemde Berthe Morisot, omringd door nieuwsgierigen, die een eigen salon wilden organiseren in de loodsen van Monsieur Félix Tournachon, beter gekend als Nadar, Boulevard des Capucines, 35. ‘Les Indépendants’, of: la Société anonyme cooperative des Artistes Peintres, Sculpteurs, Graveurs. Felix, vriend van Manet, Baudelaire en Offenbach was bekend door zijn karikaturen en experimenteerde met het nieuwe medium fotografie, ja was zelfs met een ballon de lucht ingegaan om de wereld van boven te bekijken en op de fotoplaat vast te leggen. Monet zei dat Nadar bon comme le bon pain was, een warme man die nu eens rijk dan weer arm was maar altijd bereid bleek vrienden en vriendinnen bij te staan zeker nu hij zijn studio, twee verdiepingen hoog, ter beschikking stelde van de avontuurlijke groep schilders. Enkele voorname deelnemers waren Claude Monet, Edgar Degas, Camille Pissaro, Alfred Sisley, Pierre-Auguste-Renoir, Henri Rouart en Berthe Morisot als enige vrouw. Op 15 april, twee weken voor het officiële Salon zijn deuren zou openen, wilden ze hun eerste bezoekers verwelkomen. Dertig onafhankelijken met een tweehonderdtal werken.

Puvis de Chavannes vond het maar niets. ‘Le public se fera une joie de ne pas venir!’ Ook Manet wilde niet bij de groep ‘anonymes’ horen, net nu het publiek zonder haat of lachlust zijn werk begon te smaken. Hij had het Berthe ten stelligste afgeraden.

César luisterde vooral. Of Emilie niet te moe was van deze drukte? Dit smaakte naar leven, chèr maitre. Ze wilde zeker met Pauline Viardot kennismaken, misschien met Saint-Saëns praten, de jonge Paul aanmoedigen, de orgelklas in het conservatorium volgen, de tentoonstelling van de ‘onafhankelijken’ bezoeken mocht ze tot dan in Parijs kunnen blijven. Maar ze wilde hem niet nodeloos laten wachten, ze wist dat hij worstelde met de derde ‘Béatitude’, Ze had de tekst gelezen. ‘Nous sommes les fléaux de Dieu, comme un ouragan qui gronde. Nous envahissons le monde. Le fer et le feu..’ Hij glimlachte. ‘Je vergeet: nous ouvrons la route, chère amie. Ouvrons la route. Is er iets mooiers voor een man op jaren?’

26.

De uitvergroting van haar Sainte Cathérine in Lille waarin ze was opgegroeid bevreemdde haar. Het heimwee naar de gothiek zonder dat je zou rekening houden met de schemermomenten, met de zachte overgangen tussen licht en donker, vertelde meer over de aardse macht dan dat ze zou borg staan voor hemelse verrukking. In de Saint Clotilde overgoot het licht het hoge interieur. Ook buiten hadden de bouwmeesters dat opstuwende vertaald in de bijna doorzichtige dubbele torens die gaten in de wolken konden prikken, terwijl de platte versie in haar geboortestad haar vertrouwd had gemaakt met de onmacht, het bekennen dat hemel en aarde wel duidelijk zeldzaam verbonden territoria bleken. De Parijse miste het contact met haar omgeving. Er was nadrukkelijk een grote ruimte vrijgemaakt waarin er na twaalf jaar een reus verrees die elk ogenblik kon opstijgen zonder zich te bekommeren om het lot van het menselijk gewriemel onder haar. Ook haar lengte beklemtoonde die overmacht. Je moest bijna honderd meter lopen om ingang en altaar met elkaar te verbinden.

‘Cavaillé-Col werkte bijna zes jaar om er dit orgel te installeren. Van het allermooiste wat hij gemaakt heeft, geloof me.’

Hij wees haar op de geraffineerde harmonisatie, op de unieke details zoals de clarinet van het positief en de trompet van het récit. Hij toonde haar aan hoe de orgelbouwers door een bijzondere opstelling de monumentale druk van het gebouw hadden overstegen die de sonoriteit van het positief bijna zo intens liet klinken als die van het grote orgel.

Hij vertelde haar over de inauguratie in december 1857 waar hij en collega Lefébure-Wely geconcerteerd hadden. De Final en si bémol majeur van zijn Six Pièces d’ orgue had hij gekozen en twee Préludes et fugues en mi mineur van Bach. Lefébure-Wely improviseerde op een Adeste Fidelis gezien de tijd van het jaar en daarbij aansluitend een grand choeur op het lied ‘Il est né le divin enfant’.

Hier speelde hij dus elke zondag de hoogmis om negen uur, na de preek, en de vespers om drie uur. Hier kon hij werkelijk zijn improvisaties verfijnen, hoorde hij niet eens het belletje waarmee de pastoor het einde van zijn spel vroeg, tot een elektrisch exemplaar luid genoeg klonk om de wil van de geestelijke duidelijk te maken, maar hij op zoek naar de juiste modulatie voor een geschikt slotakkoord toch nog de nodige tijd nam tot beide misdienaars naar boven werden gestuurd om de herderlijke wil kracht bij te zetten.

Of hem de overvloed aan ruimte niet stoorde? ‘De muziek maakt haar eigen ruimte. Vaak vraag ik aan mijn leerlingen: heb je ze gehoord voor je ze opschreef? Heb je goed geluisterd? Als je ze daarna speelt, of bij een improvisatie, moet je doen wat de muziek vraagt. Als je deze nieuwe kerk groot vindt dan is dat nog niets bij de innerlijke ruimte waaruit de muziek ontstaat. Luister.’

Hij zette zachtjes een zin aan, maakte het thema duidelijk door een herhaling en bouwde op die ontwikkeling een tweede motief.

‘Het eerste thema komt uit mijn klein schriftje waarin ik ze verzamel als uitgangspunt voor mijn leerlingen en mijn eigen composities. Maar elk thema is een twijgje waaraan diverse andere takjes en bloemen ontspringen. Luister, Clarinette van II, of de harmonische trompet van III, daaruit kun je contrapuntisch werken op het andere klavier. Niet te vlug naar de Voix humaine, maar luister naar de Voix Célestes en Gamba op III, op II, de Bourdon van 16 op II en III. Het zijn geen effecten meer, maar ze scheppen een diepte die je kunt opvullen. Dat is de ruimte. Nu moet je zelf dit wonderlijke instrument aandurven. Ik weet dat je een voorkeur voor Merklin hebt, maar zijn concurrent en collega moet je uitproberen. Er is meer gemeenschappelijks aan hun wonderlijk bouwersbrein dan je zou vermoeden. Zoek je een thema? Over enkele weken is het Pasen. Isti sunt agni novelli, een prachtige zang voor de nieuwe lammetjes.’

27.

Een gast-seminarie deze week en de uitnodiging de heer Philippart te vergezellen waren dankbare aanleidingen om Brussel enkele dagen voor Parijs in te ruilen. Wat betekende ‘ver’ nu beide hoofdsteden minder dan één dag treinreis van elkaar waren verwijderd? Met boeiende gesprekken was overigens de tijd op het spoor aangenaam en snel voorbij gegaan. En of beide heren haar in het restaurant van het Grand Hotel mochten uitnodigen voor een intiem diner in een van de beste gelegenheden van de Franse hoofdstad? Boulevard des Capucines? Inderdaad recht tegenover het atelier van Nadar. Op de hoek van het Grand Hotel met de rue Auber en de rue Scribe moest het jonge paar zeker de boutique Pannier-Laboche bezoeken. ‘Gekend als ‘les magasins de l’ Escalier de Cristal ‘ zou de vrouw des huizes er de mooiste porseleinen serviezen kunnen bekijken, degelijke imitaties van het onbetaalbare Sèvres, om de prachtige vazen in alle formaten, de unieke huisdecoratie en stijlvolle lustrerie niet te vergeten, nu…’ Beide heren hadden elkaar betekenisvol aangekeken. Als schooljongens met een geheimpje legden ze hun wijsvinger op de lippen en daagden plagerig Emilie uit. ‘Laten we deze avond de geheimen bij een lekkere champagne van het huis verklappen,’ zei de heer Philippart en of het liefdevolle gezelschap hem wou excuseren, hij had in de burelen van de Compagnie d’ Orléans-Rouen op de chaussée d’ Antin nog een dringende zaak te regelen.

Of zij gelukkig was, of ze haar dagen kon vullen met Parijs? Ze dacht aan de innigheid die er tussen haar en het kind was gegroeid, de vanzelfsprekendheid van de kleine dingen, het creëren van eigen rituelen, de nieuwsgierigheid naar de andere levens, maar ze knikte alleen maar en verbaasde zich over het gevoel van zelfverdediging dat haar overviel toen ze hem onaangekondigd terugzag. Hij doorbrak de kring van de voorjaarsdagen, herinnerde haar aan het aarzelende bestaan dat ze samen in zijn drukte hadden geleefd, en hoe ze zich alleen in de stilte van het landhuis of op haar appartement bij de Saint Cathérine en nu in Parijs had hersteld van de bevreemding die ook in hun intiemste momenten aanwezig bleef.

Hij vertelde haar over zijn werk aan de universiteit, hoe hij het voorrecht had de ideeën van Balat in uitvoerbare constructies bij Durieux te mogen plannen, hoe hij hem had voorgesteld de ronde wintertuin met slechts vierentwintig zuilen te steunen waar het er waarschijnlijk zesendertig zouden zijn, en hoe hij in zijn gesprekken met de archtitect de twijfel voelde -of was het angst- om de uitvoering in glas en metaal bouwkunst te noemen. Zij had het over haar ontmoetingen met César Franck, de avond bij de Viardots, het orgel in de Saint Clotilde, de vorderingen van Léon die wandelingen met ‘ijs’ van Pa-rijs aanduidde.

Omdat ze wisten dat Jeanne elk moment met het kind kon thuiskomen, hielden ze slechts elkaars handen vast, was een kus de uiterste poging om elkaar van hun wederzijds verlangen naar meer te verzekeren, en begroetten ze opgelucht de teruggekeerde wandelaars. Léon vluchtte in mama’s armen, wilde het eerste kwartier niet door Emile worden aangeraakt en ging tenslotte waggelend richting uitgestrekte vader-armen die hij onder luide aanmoediging van de aanwezigen bereikte.

Hij loopt al van me weg, dacht zij. Niet droevig, noch berustend, eerder zoals je ’s morgens beseft dat het straks weer donker wordt.

28.

In de gesloten intimiteit van een salon séparé ontwikkelden zich de gesprekken omtrent de levenskansen van de republiek, de politieke gebeurtenissen in het Duitse rijk en de tweede regering Disraeli in Engeland, tot de dalende prijs van het zilver, de opening van de Brusselse beurs en de verwoestende brand van de Salle Pelletier, een onderwerp dat de gasverlichting en de eindeloos opgebroken straten met de aanleg van de sporen voor de Parijse tramway verbond.

Of Simon Philippart heel Europa van deze nieuwe Amerikaanse vinding wilde voorzien? Ja, er zouden weldra ook in Brussel onderhandelingen van start gaan waarin hij, -en als hij over zichzelf sprak dan had hij het over de maatschappij die hij vertegenwoordigde-, waarin zijn toekomstige maatschappij dus, de ‘Voies ferrées belges’ van Morris, ‘The Belgian Street Railways and Omnibus Company Limited’ van Vaucamps, de maatschappij van de gebroeders Becquet en de ‘Compagnie brésilienne de Tramways’ probeerde te fusioneren. Het was toch te gek dat op het Brussels grondgebied vier verschillende bedrijven het vervoer organiseren, elkaar voortdurend kruisen of overlappen, het in één woord onmogelijk maken een ordentelijke openbare dienstverlening te verzorgen. Brussel, Rijsel, Parijs, drie grote steden waarin hij, naast zijn fusies bij de spoorwegen in dezelfde landen, het moderne vervoer wilde bevorderen met de financiële mogelijkheden die een kapitalistisch systeem hem bood.

Of het dan niet om enorme bedragen ging? Inderdaad. Eerst probeerde hij bij het publiek aandelen en obligaties van zijn maatschapijen uit te geven. Maar om die titels te plaatsen en opbrengsten voor het opvolgen van de werken te kunnen ophalen was de hulp van financiële instellingen noodzakelijk. ‘De l’ argent frais’. Zijn ‘Bassins houillers’ hadden zich voor duizenden emissies geëngageerd en de Franse overheids-belangstelling ging eerder naar de grote publieke lijnen dan naar zijn secondaire verbindingen. Daar kwam nog eens bij dat hij, ter ere van hun financiële vrijheid, vorig jaar het gebruik van zijn kapitaal-obligaties niet eerder kon vrijmaken dan na het verbruik van vier-vijfde van de kapitaal-aandelen. In veel gevallen konden dus projectontwikkelaars waaronder hijzelf de kapitaal-aandelen niet volledig vrijmaken en moesten zij op de uitgiften van obligatie-emissies vertrouwen om studies en werken te betalen. Vanuit de Franse banken die met de grote maatschappijen verbonden waren, moest hij op niet veel steun rekenen, dus kon hij alleen maar zelf een voetje en daarna zijn hele hoofd binnensteken bij de kredietinstellingen die hem toegang tot de kapitaalmarkten konden verlenen. Hij was dus nu druk bezig met het verwerven van vier kredietverleners waaronder het gevierde Crédit Mobilier. Hij wilde ook nog graag de Franco-Autrichienne-Hongroise bank en de Franco-Hollandaise bank vernoemen. Hij kocht zoveel mogelijk van hun aandelen op, kon daardoor een bijeenroeping van de algemene vergadering uitlokken en daarin het ontslag van het dagelijks bestuur mogelijk maken en hen door zijn mannetjes vervangen. Dat was hem al aardig gelukt met de eerste en zou weldra ook met de Franco-Hollandaise gaan gebeuren, bank waarin hij zijn twee schoonzoons aan de leiding wilde hebben.

Hij excuseerde zich bij de lieftallige dame in dit gezelschap waarvoor zijn uitleg wel eens vervelend en prozaïsch kon overkomen. De dame vond het best boeiend, begreep dat hij enorme risico’ s wilde nemen en vroeg zich af of hij nog tijd vond om van het toch vrij kortstondig leven te genieten. ‘L’ argent est un bon serviteur, mais c ‘est un mauvais maître, chère Emilie. Zo lang ikzelf de baas kan blijven en niet het geld, geniet ik van elk moment. Mag ik jullie de champagne van het huis aanraden, champagne Grand Hôtel, très recherchée des amateurs.’

29.

Of beide heren haar nieuwsgierigheid hadden gewekt toen ze het daarstraks over een ‘verrassing’ hadden? ‘Deze wonderlijke vrouw heeft haar nieuwsgierigheid bijzonder goed onder controle,’ zei Emile terwijl hij haar vragend aankeek. ‘Wat wij de vrouwelijke natuur verwijten siert haar ook, chèr ami. Of beter gezegd, wij buiten graag hun zogezegde tekorten uit. Wij wekken hun nieuwsgierigheid op, genieten van hun ontdekkingsdrang en triomferen tenslotte als wij zoals de goochelaar met een brede zwaai onze verrassing uit het niets te voorschijn toveren. Voor god spelen ligt ons bijzonder goed, dat dient gezegd.’ ‘De heren denken vaak dat enkele kunstgrepen hun tekort aan verbeelding kunnen camoufleren, monsieur. Vrouwen spelen graag het spelletje mee. Pas dus op voor hun zogezegde onschuld.’

Het zou hem ten zeerste plezieren mocht zij hem met ‘Simon’ willen aanspreken, en die ‘onschuld’ wilde hij graag aan de kleine Léon voorbehouden, alhoewel hij bij zijn eigen kinderen al op jonge leeftijd die zogenaamde onschuld in twijfel moest trekken, listig als ze waren om hem naar hun kleine hand te zetten. Ervaring met kinderen had hij in elk geval. Vier uit zijn eerste huwelijk met Stéphanie, en het vijfde kind uit het tweede huwelijk met Marie-Adrienne zou in Augustus van dit jaar geboren worden. Jean, Eugène, Marie en Odile bij wiens geboorte de moeder het kraambed niet overleefde. Daarna een Simon, Charles, Louis en Jeanne en…de komende zoon of dochter wiens naam nog in de toekomst verborgen ligt.

En of hij de tijd had om voor die acht, en weldra negen te zorgen? Zijn oudste Jean Baptiste was al zo oud als Emilie. Zijn broer en twee zussen, allen de twintig voorbij, hadden alleen nog zijn geld nodig en zo weinig mogelijk vaderlijke bemoeienissen. Zoon Simon, achttien, Charles zestien, en Louis vijftien zetten hun eerste stappen in de zo geheten grote-mensenwereld. Nakomertje Jeanne, acht jaar, was zijn lieveling die naar Adrienne’ s zeggen hem ten zeerste miste. Wat de toekomstige baby betrof, hij dacht dat dit eerder een goed geslaagde poging was om hem nog wel eens thuis te zien en zijn verworven kapitaal niet helemaal aan zijn nieuwe Stéphanie te verspillen.

‘Wie in zijn jonge jaren een Stéphanie heeft gekend en op de grens van vijftig in Spa een jonge vrouw met dezelfde naam ontmoet, mag in het lot geloven. Nu woont ze nog in Brussel maar in oktober zal ze als veuve Caron in de rue Auber haar intrek nemen, dichtbij de burelen van de Bassins houillers. Maman met de baby in Brussel, ma petite veuve à Paris. Ik hoop dat ik mijn gezelschap niet al te zeer heb gechockeerd met de bekentenissen van een man die te veel heeft gedronken en zelden of nooit over zijn gespleten hart kan spreken. Maar genoeg over mezelf. Tijd voor de surprise!’

Hij haalde uit zijn aktentas een gevouwen document, liet de tafel ontruimen, bestelde een nieuwe fles champagne, en plooide het lichtbruine papier open.

‘Chère Emilie, dit is bijzonder mooi werk van een vriend. En flamand: Hendrik Beyaert, enfant de Dieu en architect. Bouwt weldra in mijn geliefde vaderstad een nieuw station, en heeft in opdracht van de stad en met de centen van mijn Banque de Belgique dit optrekje ontworpen en…gebouwd op de nieuwe Boulevard du Nord in ons aller hoofdstad hier naast de deur ook wel eens Brussel genoemd. Nu de open riool van de Zenne overkapt is en het Noordelijk gedeelte bewoonbaar werd voor de bourgois-gentilhommes biedt zij haar gegoede burgers een aantal geprepareerde huizen aan waarvan dit exemplaar, nummer één is in alle betekenissen van het woord. Mijn goede vriend Jean Philippe, jullie vader en schoonvader zag deze woonst als een degelijke verblijfplaats voor het jonge gezin, zienswijze die ik steunde door de bovenste verdieping als kantoor in te calculeren en voor de aftrek van die investering jullie de rest van het huis kan aanbieden zodat jullie eindelijk de benen kunnen strekken al was het maar om mij en mijn medewerkers één keer per jaar van een flinke maaltijd te voorzien. Voilà. Het huis van de katten. Voor de kat, de kater en talrijke miauwers die er naar hartelust kunnen stoeien. Emile maak plaats voor de nectar en vertel verder. Emilie, bezoek morgen L’ Escalier de Cristal. Deze man trakteert.’

30.

Kaarslicht kostte je één frank terwijl het zachte olielicht van de Carcel lampen het dubbele waard is en dus eerder voor gefortuneerde cliënten was gereserveerd. Vestibules, gangen en salons van het Grand Hotel werden door gaslicht bediend. ‘Tweeduizend zeshonderd gasbranders waarvan duizend honderd veertig alleen al in de eetzaal,’ wist de heer Philippart te vertellen. Natuurlijk was de de ‘escalier méchanique’, de ‘monte-voyageurs’ beschreven als ‘cabinet charmant avec canapé de velours, tapis et tentures, een indrukwekkende nieuwigheid in het hotelwezen. Als energie gebruikte hij waterdruk, ‘et chère Emilie, in geval van een lek of ander plots drukverlies, is de veiligheid van de stijgende of dalende hotelgast verzekerd door een uitgekiend mechanisme.’ Hij zwaaide met een publiciteitsfoldertje waarin deze ‘monte-voyageurs’ werden beschreven als ‘…appréciés par les voyageurs qui habitent les régions les plus élevées de l’ hôtel.’

Al woonde kunstenaar fotograaf Nadar recht tegenover het hotel, Boulevard des Capucines 35, het hotel zelf rekende op monsieur Chambay die in appartement 498 van het Grand Hotel voor een prix modéré foto’ s maakte met ‘een nouveau procédé spécialement pour les enfants et les personnes qui ne peuvent pas supporter une longue pose.’ Een mooie gelegenheid om het jonge paar met kind te vereeuwigen, met een extra plaatje waarop Jeanne en Léon niet mochten ontbreken, waarna de dames het net geopende ‘salon des dames’ konden bezoeken op het gelijkvloers.

Een fraai salon dat door speciale spiegels werd opgelicht, spiegels waardoor de bezoekers wel het drukke stadsverkeer op de place du Nouvel-Opera konden bekijken zonder echter zelf gezien te worden. Er stond zelfs een degelijke piano met daarbij de partituren van al de bekende opera’s waar ook ter wereld opgevoerd.

‘Ah oui, hier wordt de nieuwe bourgois als een aristocraat van vroegere dagen bediend terwijl de adelijke collega toch nog volgens zijn zogenaamde stand wordt behandeld en alles wat de moderne zakenman nodig heeft ter zijner beschikking staat. De gebroeders Pereire die met deze zaak begonnen richtten zich met gemak naar de diepte van ieders beurs, met dezelfde égards, maar met de extra service voor de diepste geldbuidel. Maar zakenman en aristocraat schuilen graag onder het luxueuze dak van dit oord. De uitspraak: ‘Ik heb in het Grand Hotel geslapen,’ maakt duidelijk dat de spreker bij de net zo grote wereld hoort. Elasticiteit van het kapitaal, chèr Emile!. Kijk in het livre d’ or, le roi et la reine des Belges, la grande duchesse Hélène de Russie, de twee zonen en vader nabab Mumtazamal uit Bengalen met une suite nombreuse, Isabelle II, koningin van Spanje en haar gevolg, en wij, een jonge beloftevolle universiteitsprofessor en zijn kunstzinnige schoonheid, en een zekere man wiens eigenschap als ‘eigenaar’ de mensen dichter bij elkaar zal brengen, wij allemaal broederlijk en zusterlijk onder het dak van deze tempel. Nu nog de keukenluchtjes en de walm van de urinoirs verdragen die ons langs de schachten van de monte-bagages bereiken, en het begrip zevende hemel is werkelijkheid geworden.’

De volgende morgen zouden de heren de jonge dame nog bij het ontbijt vergezelllen om dan via het veel besproken spoor het kleine vaderland op te zoeken. ‘Geniet van de Parijse nacht, geliefden. Ik heb nog een afspraak met een drankorgel van het Crédit Mobilier. Wat ik niet bij daglicht te weten kom, vloeit vanzelf naar buiten nadat Cliquot de remmen heeft losgemaakt. Ah, les veuves d’ antan.’

31.

Met de zomer zou het Brusselse huis klaar zijn voor bewoning. Beneden kantoor en ateliers, het gezin kon op de eerste en tweede verdieping huizen. Gastenkamers op de derde verdieping, personeel, keuken en waskamers in het sous-sol.

Of hij het niet vreemd vond dat ze zonder hun medeweten een woonst kregen aangemeten? Emiel benadrukte de praktische kant, de kans om in een hedendaagse woning werk en privé te kunnen combineren.
‘Tekentafel en vrouw in handbereik,’ antwoordde zij. Hij merkte de ironische ondertoon niet op, wees haar op een aantal boeiende mensen die met haar wilden kennismaken en die ze geheel in stijl in haar eigen woning kon ontvangen. Wetenschappers, maar ook kunstenaars en toonaangevende ontwerpers. Natuurlijk was er ook het buitenhuis, intussen aangevuld met een romantische maar erg praktische oranjerie, het landelijk bestaan om te bekomen van de werelddrukte.

Een hotel van deze klasse mocht de mogelijkheden van de nieuwe burger duidelijk maken: comfort en efficiëntie, een ontmoetingsplaats en eiland in een zee van snelle verandering die inderdaad ook de nodige verwarring meebracht. Maar succes lag in ieders bereik. Hij kende een molenaar die het tot mijningenieur had gebracht, toen bankier werd en spoorweg-eigenaar en geld uitleende aan prinsen en koningen.

Het voorbeeld van Simon Philippart was een ander teken aan de wand. Hoe de zoon van een bescheiden wolfabrikant banken opkocht en het landschap van het hedendaagse vervoer kon bepalen. Nu ze toch nog enkele weken in Parijs verbleef, moest ze zeker de Sint Augustin van Victor Baltard gaan bekijken: hoe deze kunstenaar rondom een metalen geraamte een kerk had opgetrokken zonder steunbogen, en zeker mocht ze Les Halles van dezelfde bevlogen architect niet vergeten , een verzameling paviljoenen uit glas en metaal waarin licht en ruimte de moderne tijd zichtbaar maakten.

Voor deze intense monoloog was er de stilte van de zoekende lichamen geweest. Wat ze later als wederzijdsheid kon beschrijven ervaarde ze op het ogenblik zelf als een wondere wisseling waarmee ze zonder enige afspraak elkaars speelsheid hadden overgenomen. Hij probeerde haar observerende traagheid, zij zijn temperamentsvolle veroveringswijze. Bewust van de kortstondige nacht en de komende eenzaamheid herinnerden hun lichamen de voorbije aanrakingen, moedigden ze elkaar aan de rolverwisseling door te zetten en in de imitatie van elkaars liefdesspel de ernst van het beminnen en bemind worden te ontlopen.

Er was natuurlijk de onvermijdelijke lichtheid van de nachtelijke tijd, bewegelijk en snel haastte hij zich naar het morgenlicht waarin de minnaars en minaressen zich weer in de alledaagse noodzakelijkheid zouden verkleden. Het vleugje wanhoop dat de meest intieme momenten kruidt met een bittere nasmaak waarin het grote woord ‘toekomst’ is fijngestampt en losmaken en afscheid nemen de zoetste kussen met een lichte neiging tot je vastklemmen verhevigen, alsof daarmee het eeuwige verlies onbestaande lijkt.

Eens de blinde ruimte waarin dit spelen uitdoofde veranderde in de omtrekken van kamer honderd en twaalf van het Grand Hotel werden zij weer man en vrouw die door een speling van het lot het leven met elkander dachten te kunnen delen en waarin de bekommernissen van het dagelijks bestaan het haalden op de ogenblikken van vervoering.

32.

Tenslotte had Cavaillé-Coll, orgelbouwer, het hem nog voor de inauguratie van het nieuwe orgel in de Saint Clotilde geschreven: ‘Vous manquez de bonnes voix graves et comme votre choeur n’ est soutenu par rien ni orgue ni contrabasse il faudrait y ajouter quelques bonnes pédales.’

Hij had een uitstekend organist accompagnateur gekozen en zelfs zijn plaats vrij gehouden toen Théodore Dubois in 1869 voor een jaartje naar de Villa Médicis’ vertrok. Nu vervulde Samuel Rousseau zijn taak en werd Théodore zijn kapelmeester. De ‘maîtrise’ bestond uit twaalf kinderstemmen, opgeleid door l’ abbé Leclère. Ze zongen vanuit een verhoog, kant voorportaal dat tegen de tribune van het grote orgel was gemonteerd. Een contrabas en enkele klavieren van het kleine begeleidingsorgel ondersteunde de koristen.

Met de dwingende wens van l’ abbé Hamelin, liefhebber van kerkelijke gezangen en plechtige diensten, was het om ‘la splendeur du culte’ te doen, om de gewijde woorden van deze soms wat stuurse voorganger in de mond te nemen.

Het transcendente van het sublieme drama, menselijk op de eerste plaats, zoals het op het fronton van de voorgevel was gebeeldhouwd: een Christus die zijn wonden toont en beroep doet op de nu heersende traditie van het medelijden. Het hart en het bloed van de Redder inspireerden de gelovigen tot een eigenzinnige devotie.

Er was een ‘Vie de Jésus’ van Strauss in een vertaling van Littré uit 1856 en vooral ‘La vie de Jésus’ van Renan (1863) dat een enorm succes kende. Het was het boek dat hij op zijn nachtkastje had liggen toen hij het haar uitleende voor ze op Paasdag zijn offertorium ‘Dextra Domini’ mocht begeleiden terwijl hij zelf het gelegenheidskoor en solisten zou dirigeren en Théodore de koorrepetities zou leiden. Ze ontdekte dat het werk aan Hamelin was opgedragen, een poging om hem te tonen waartoe hij in staat was. In feite bleek het een offertoriumtekst uit de cultus van Witte Donderdag maar zijn compositie was duidelijk voor de heilige Paasdag bedoeld.

De compositie leek op een sonate met twee thema’ s. Een complete expositie in het eerste thema met een fijnzinnige modulatie van si bémol, toonaard waarin het werk was geschreven, naar ré-bemol op de woorden: ‘Non moriar sed vivam.’ Zij zag de zachte expositie als de binnenkant van het gebeuren, de schroom bij zoveel lijden terwijl daarna de voorgevel van het gebouw zichtbaar werd.

Emilie hield van de vrouwelijke ruimte waarin tekst en melodie samensmolten. Er was natuurlijk het gevaar dat de mannenstemmen die het eerste gedeelte openden zich door de eenvoudige melodie tot een zieloze dreun lieten verleiden, maar hij maakte hen duidelijk dat er een ‘ingehouden’ vreugde aanwezig moest zijn, een vervulling waarin jezelf nog niet geloofde maar die zich weldra zou ontplooien. De variaties op de aa’s van het Alleluia waren een beekje, op weg naar een brede trage rivier.

Dextra Domini, een a-capella van kinderstemmen, liet haar de nabijheid van de Vader niet als een triomf aanvoelen, maar als een waas waarin het mysterie zich hult. Er was geen sprake van een overwinning, de alleluia’ s betekenden vooral licht en mededogen. Licht dat ze herkende uit de vroegte in de hotelkamer, net op de rand van de versmelting en de hardheid van de nieuwe dag, onwetend dat ditzelfde licht haar weldra in de expositie bij Nadar zou tegemoetkomen.

33.

Een zachte voorjaarsavond na Pasen, donderdag bij Mmme. Pauline Viardot. Twee rozen openen de avond:

Polno spat’: tebe dve rozy
Ja prines s rassvetom dnja.
Skvoz’ serebrjanye slezy
Jarche nega ikh ognja.

‘Word maar wakker, daar is de dageraad, kijk naar de rozen in mijn hand. Beiden ontluiken ze in de tranen van de morgen.’

In tegenstelling met de inhoud was de muzikale zetting duidelijk steviger, vervuld van Slavisch heimwee, eindigend op een hoge noot waarin het onbereikbare hoorbaar was en het gespleten hart zich met het vergankelijke van de rozen moest troosten.

‘Nauwelijks vier was ik toen ik met de familie naar New York trok waar we de première opvoerden van Mozarts Don Giovanni. Papa, maman, broer en zus speelden al de rollen in aanwezigheid van de librettist Lorenzo Da Ponte. Van New York trokken we door Mexico waar we op een dag door boeven werden geplunderd.

Berooid keerden we terug naar Parijs. Zus Maria huwde datzelfde jaar, het jaar overigens van Beethovens sterven, 1827, met zakenman François Malibran en zou als Maria Malibran een niet te beschrijven solo-carrièrre beginnen. Ikzelf kreeg pianoles van de jonge Franz Liszt, harmonie van Anton Reicha, de leraar van Liszt en Berlioz en vriend van Beethoven. Chère Emilie, er zijn nog steeds dagen dat ik treur omdat ik de piano moest inwisselen voor het zingen. Moeders wil. Ze liet me enkele toonladders zingen, knikte en zei: heel goed, Pauline, jij zult je leven met zingen vullen. Klap die piano dicht en begin te oefenen. Maria, wereldberoemd als Maria Malibran, was intussen hertrouwd met de Belgische violist Charles de Bériot en stierf niet eens achtentwintig geworden na een ongelukkige val van haar paard. Ik was nauwelijks zeventien toen ik debuteerde in Brussel, met de net zo piepjonge en aimabele César, ons aller engelachtige vriend. Emilie, misschien is het te laat voor ongehoorzaamheid, maar luister nooit naar je vader en moeder. Volg je hart, wat de omgeving daar ook van mag denken. Mais oui, Veshnikh dnej minutny grozy zoals ik daarnet heb gezongen. Le printemsps partout s’ éveille. Zou je nu iets voor ons willen spelen?’

Omdat weigeren uitgesloten was, speelde ze de Prélude uit het derde werk van de six Pièces. Natuurlijk moest ze ook de Fuga en Variaties spelen. Toch nog de hemel openscheuren, dacht ze. Maar met zachtheid. Met de weemoed van si bémol mineur. Terug naar het vloeiende motief uit de prélude in de fuga. Stilte. De verbinding met de schemerige kerk van papa in Lille. De tijd van het kleine meisje en de stille man. ‘Voor zo’n kleine vingertjes speel jij dat groot, Emilie.’

Natuurlijk wilde Pauline dat ze haar talent niet zou begraven in de barbaarse streken van het Noorden, zonder haar vader of familie met de vinger te wijzen. Had César ook niet de stap gezet, het gezellige kleinsteedse industriële vaderland te verlaten om de open Parijse luchten te kunnen inademen? Nu en dan moet je een wijze vrouw gehoorzamen, dat was zo in elk sprookje. Op haar zeventiende gek van de grote dichter Alfred de Musset had haar hartsvriendin Georges Sand haar naar haar huidige vriend en echtgenoot Louis Viardot geleid. Ecoutez. Om het met de woorden van Alfred zelf te zeggen:

Ô Muse ! spectre insatiable,
Ne m’en demande pas si long.
L’homme n’écrit rien sur le sable
À l’heure où passe l’aquilon.
J’ai vu le temps où ma jeunesse
Sur mes lèvres était sans cesse
Prête à chanter comme un oiseau ;
Mais j’ai souffert un dur martyre,
Et le moins que j’en pourrais dire,
Si je l’essayais sur ma lyre,
La briserait comme un roseau.

34.

Hoe sympathiek de excentrieke Félix Tourmachon, alias fotograaf Nadar, ook mocht overkomen, als hij in geldnood zat -en die toestand behoorde eerder tot de gewoonten dan tot de zeldzame gebeurtenissen- schaamde hij zich niet om zelfs van de pas opgerichte ‘Société anonyme (coopérative) des artistes peintres, sculpteurs (graveurs)’ de ruimte van zijn net verworven atelier op de Boulevard des Capucines, 35, tegen de som van 2020 francs ter beschikking te stellen.

Schilder Manet en criticus Théodore Duret die zich voor de nieuwe kunst inzetten, hielden het bij de strijd voor een plaats in de jaarlijkse Salon maar de links georiënteerde criticus Castagnary pleitte voor een zelfstandige tentoonstelling zonder jurie. Voor de organisatie en de financiering diende de ervaring van Renoir als werknemer in het kunstvak (hij was porselein-schilder geweest) terwijl Pissarro bij het bakkerijgenootschap van Pontoise te rade ging bij het opstellen van hun statuten. Voor een bijdrage van 60 francs zou ieder lid twee doeken mogen exposeren. Voor de plaats van ophanging werd geloot.

Degas stelde de naam ‘La Capucine’ voor als gemeenschappelijke noemer, maar net zo min als een gezamenlijk programma kreeg dit voorstel enige bijval. Twee weken voor de opening van het officiële salon opende de tentoonstelling op 15 april 1874. De toegangsprijs was dezelfde als die voor het salon, namelijk één franc. De vrij onnauwkeurige catalogus kostte Emilie vijftig centiemen.

De schilderijen hingen in twee rijen op ooghoogte, met ruimte tussen elk doek. Een opstelling die Renoir had voorgesteld in tegenstelling met wat de bezoeker te zien kreeg in het officiële Salon: schilderijen, kader aan kader van de vloer tot aan de zoldering. Bij Nadar waren ze over acht zalen verspreid, een honderdzestigtal werken van eenendertig kunstenaars. Geen grote doeken, alleen schilderijen van klein en middelgroot formaat. Geen fresco’s noch monumenten. Tot verbazing van de bezoekers bleken er geen choquerende taferelen te ontdekken. (met uitzondering van Cezanne’s’ Une moderne Olympia’ waarvan de haastige schilderstijl meer brutaliseerde dan de naakte dame met opgetrokken benen) Zij zag landschappen, intieme scènes, pretentieloze portretten, meer suggesties dan afgewerkte stukken, aanzetten en atmosferen waarin het licht in al zijn verschijningsvormen haar tegemoetkwam. Geen grote thema’s of mythologische taferelen, wel de Boulevard des Capucines vanuit een hoog bijzonder standpunt, dan weer dichtbij, een open rijtuig met daarin een vrouw en een kindje, een balletklas waarin jonge ballerina’s oefenden of hun beurt afwachtten, de wijdsheid van een klaprozenveld of de bloedrode zon van de zonsopgang boven het water van Le Havre. ‘Impression, soleil levant’, een jonge vrouw bij een wiegje, strijkvrouwen, een voornaam koppel in een theaterloge.

Namen als Degas, Renoir, Monet Cézanne, Pissarro, Sisley, Bracquemond, Rouart, Berthe Morisot (de enige vrouw!) en vele anderen vervloeiden in het licht van hun werken, kregen gestalte door de ogen van hun personages en verdwenen weer in het voortdurende spel van licht zonder na te denken over contrasten, schaduwen en contre-jours.

Ze wist niet in welke taal ze kon uitdrukken wat ze voelde, het besef nooit meer helemaal alleen te zijn. De intensiteit waarmee je de onderstroom van het voorthollende leven een halt kunt toeroepen omdat je ervaart dat ook anderen zagen en hoorden wat jij van in je vroege kinderjaren hebt geweten wat de Schepper wilde toen hij aan zijn werk begon: er weze licht. Het heiligste licht van de dagelijkse intimiteit, de miljoenen variëteiten die geen ogenblik verstijven maar ogenblikkelijk veranderen, toetsen en schakeringen aanbrengen en ze weer oplossen. Het meisje in de witte jurk, de vrouw in het zwart die haar voorleest, een jonge vrouw bij de wieg waarin een kindje slaapt terwijl het licht achter hen het mysterie van hun samenzijn verzacht en menselijk benaderbaar maakt.

‘Lumen,’ zegt ze onhoorbaar. Van het gegiechel en gegniffel rondom haar merkt ze niets. Zelfs de opmerking dat deze artiesten niet eens kunnen tekenen ontgaat haar.

35.

Natuurlijk ging ze terug naar de Boulevard du Capucines, 35. Uit wantrouwen. Emoties kunnen niet zonder, dacht ze. Ze wilde weten of ze zichzelf niet had bedrogen, of ze gefixeerd door een overvloed aan geschilderd licht zich een andere werkelijkheid herinnerde dan wat er op het doek stond. Ze dacht aan een tekening van Daumier waarin een deftig geklede man een volksvrouw zijn geneeskrachtige handen voor haar gezicht hield. En haar vader: ‘De Geest verschuilt zich nooit in zweverigheid, chère Emilie. Les voix célestes moeten het afleggen tegen de uren verveling en het eindeloze herbeginnen. De Creator Spiritus moet het niet van tranen hebben maar van de druppels zweet, chère enfant.’

Met dat wantrouwen gewapend beklom ze de trappen naar de tweede verdieping en besloot ze zich afstandelijker op te stellen, Ze liep langs de stillevens van Antoine Attendu, de landschappen van Louis Latouche en Auguste de Molins, maar voor ze zichzelf kon geruststellen met het idee van een onverklaarbare lang voorbije extase stond ze oog in oog met ‘Les coquelicots à Argenteuil’ en ‘Impression, soleil levant’ van Claude Monet. Een veld klaprozen met vooraan rechts een dame met parasol en een kind, voor de helft onzichtbaar door de hoge bloemen en grassen waarin het zich met zijn moeder naar de de hoek van het beeld haastte. Aan de andere kant een doek waarin een oranjerode zon met wilde rode streepjes in het water weerkaatste, links de silhouetten van schepen, centraal het zwarte van een roeibootje.

Het allereerste ogenblik, de geboorte van de extase, is inderdaad nooit te herhalen, maar de intensiteit van de vervoering keerde onmiddellijk terug. Probeerde ze het later als een ‘verbinding’ te beschrijven, een connectie tussen de wereld waarin levende mensen zich bewegen en de wereld van het geschilderde licht, dan was het vooral de ervaring van verandering die haar trof. Meestal waren schilderijen statige afbeeldingen waarin roerloosheid het haalde op het ongrijpbare van het moment. Buiten het leven geplaatst was een portret of een stilleven een condensatie die niet meer aan verandering onderhevig was. In de klaprozen van Argentueil besefte je het onberekenbare van wolken boven het bloemenveld, de lichtinval van dat bepaalde moment van de dag, net zoals de opkomende zon boven het water zich maar één ogenblik op deze manier kon spiegelen. Toch bleven de kleuren zinderen, waren ze geen bevroren seconde, maar hadden ze door dit momentele een verleden en een toekomst. De magie verkoolt de tijd. Meestal moest je om dit doel te bereiken de tijd doden, het voorbije op sterk water zetten, maar de meeste van deze schilders wisten dat het ogen-blik kostbaarder was dan de samenvatting waarin het idee werd ingekapseld.

Zij namen het op tegen de tijdelijkheid van het bestaan. Hun wapen? De kleinste tijdseenheid zelf, een moment dat uit een voorbij moment een toekomend ogenblik inhoudt en in deze korstondigheid zichtbaar is gemaakt. Het onbelangrijke in beeld gebracht. Verstoppertje spelen. Cache-cache. Het doek van Berthe Morisot waar de jonge moeder het kind vindt dat zich achter een pril boompje heeft verborgen. Of van dezelfde ‘Sur l’herbe’. In de wei. Een kindje ligt tegen de zittende moeder aan. Wit tegen zwart. Het vlindernetje op de grond. Een hondje zit op zijn hurken en kijkt naar hen beiden. Op de achtergrond een ouder meisje, hoed in de hand tegen het groen van jong loofwoud. De tijd is doorzichtig geworden. In het niets van het gebeuren is alles aanwezig.

Ze beseft dat deze durf haar ook bang maakt: er komt een einde aan het grote verzwijgen, er is geen stilistiek meer voorhanden om je onbeschrijfbare gedachten te verbergen. Wie verf leven geeft, zal de sterfelijkheid zichtbaar maken, haar uit de kartonnen helden weghalen, de heiligen met de voeten op de grond zetten en hen in het voorbijgaan oplossen. De heiliging van het ogenblik verbrandt de goden. Papa, zegt ze zonder woorden, dit is het vuur van de Creator Spiritus.

36.

‘Edma,’ zei er iemand die op haar schouder tikte. Toen ze zich omdraaide, keek ze in de ogen van een lachende vrouw die zich onmiddellijk verontschuldigde.

‘Excuseer, mademoiselle. Ik hield u voor mijn zus. Mensen zien er op de rug een tikkeltje ouder uit dan in hun gezicht. Maar heb ik u niet eerder ontmoet?’

Emilie knikte. ‘Een donderdagavond bij madame Viardot meen ik mij te herinneren. Als ik me niet vergis is u mademoiselle Morisot. Mag ik me voorstellen? Emilie Sannier. Ik was toen in gezelschap van monsieur César Franck die mij vertelde over deze expositie.’

Of ze als leerlinge de orgelklas volgde in het Conservatorium?

Dat zou ze wel willen, maar als moeder van een éénjarig zoontje bracht zoiets de nodige problemen mee, zeker nu haar man tijdens haar verblijf in Parijs in Brussel een huis had gekocht dat weldra moest ingericht worden.

Na de nodige randinformatie besloten ze elkaar te tutoyeren en met de voornaam aan te spreken.

‘Ik had mij een vrouw bij deze groep mannelijke artiesten heel anders voorgesteld.’
‘Mannelijker? Of kordater?’
‘Inderdaad, maar als ik naar je werken kijk, had ik het moeten weten. Ze zijn innig, niet alleen door het motief moeder-kind, maar ook in hun compositie en het gebruik van kleuren kunnen ze niet vrouwelijker zijn.’

Berthe knikte, een beetje verlegen, maar oprecht blij met Emilie’ s waardering. ‘Maman zei me gisteren nog dat ik niet het minste commercieel talent heb en dat ik nooit iets zou verkopen, want om iets ernstigs te schilderen had ik volgens haar niet de noodzakelijke capaciteiten.’

‘Verlos de wereld van bezorgde moeders, Berthe. Ze zijn gewoon bang. Ik kan het weten.’

‘Ze heeft mijn oud leraar, monsieur Joseph Guichard, naar de vernissage gestuurd en die zei dat er mooie werken hingen maar tussen het gedoe van die gekken kon je niet ongestraft exposeren! Hij twijfelde aan mijn mentale mogelijkheden, dacht dat ik eerst mijn talent en daarna mijn reputatie zou kwijtspelen. Als schilder, arts en vriend van de familie waarschuwde hij maman dat ik geheel ten onrechte met olie deed wat in feite met water in een aquarelle moest gebeuren. Mijn veel te persoonlijke schildersstijl zou mijn toekomst als artiest compromitteren. Dus, zei hij, terug naar het Louvre. Twee maal per week, drie uur stationeren voor het werk van Correggio om hem pardon te vragen om wat ik met olie had uitgespookt op een gebied dat aan het water toebehoort. Madame Morisot, zei hij. Je dochter moet met deze nieuwe school breken als ze denkt te blijven schilderen. Het gaat om haar toekomst!’

Ze stonden bij het doek waar een jonge vrouw in het gras zit te lezen. La lecture ou L’ Ombrelle verte’. Het model bleek ook Berthe’ s zus Edma te zijn.

‘Ik wilde me toeleggen op het schilderen van mensen in open lucht zoals Frédéric Bazille het voor mij had gedaan. Ik had tien jaar met mijn zusje geschilderd en toen ze in 1869 huwde en mevrouw Pontillon werd, voelde ik mij verlaten en werd zij de hoofdpersoon in mijn werk.’- Dit is het doek waarover criticus Jean Prouvaire heeft geschreven: ‘Loin des coulisses, Mlle Berthe Morisot nous conduit dans les près mouillés par la rosée marine. Heb jij een zusje, chère Emilie? Laat me raden. Neen, jij hebt geen zusje gehad. Juist? Ik heb ook een broertje, maar hij is me altijd vreemd en ver gebleven. Weet je, als ik Edma schilderde, hoorde ik haar zuchten. Of het nog lang zou duren? Ook al was ze ver van mij, ik hoorde haar zuchten en daarna het uitproesten. Zie je de wagen rechtsboven, de boerenkar. Hij snelt het beeld uit zodat alles helemaal stil wordt.’

Ze keken samen naar het doek. ‘Je hebt je zus heel mooi geschilderd, Berthe. Wat ze leest, heb je zichtbaar gemaakt rondom haar. Jullie landschap waar je haar het blad van het boek hoort omslagen. Ze kan niet wachten om het vervolg te lezen terwijl ze zelf bij de inhoud hoort.’

37.

‘Les arts d’ agrément.’ Of Emilie de term kende? ‘Muziek, zang, la broderie, les bonnes manières, de kunst van het bloemschikken, en wellicht ook tekenen om de verveling van jonge juffrouwen te verdrijven tijdens de lange momenten van nietsdoen en gewoon mooi zijn in afwachting van de heer des huizes.’
‘Om het pianospelen niet te vergeten, het ideaal voor de jonge bourgeoise.’
‘Maman droomde zelf van een muziekcarrière al kon ze niet eens haar toonladders spelen. Maar de drie meisjes moesten eraan geloven.’
‘ Drie meisjes? Ik dacht dat je maar één zusje had, chère Berthe?’
‘In de echte betekenis van het woord heb ik je daarstraks het bestaan van het oudste Morisot-kind verzwegen. Een meisje met een jongensnaam. Yves. Een kalm jong meisje, nooit problemen, elegant, traag, gehoorzaam. Et sa bouche en accent circonflexe. Maar echt zusje was ik alleen met Edma.’

Emilie wilde graag enkele gebakjes bij de thee in het café de la Paix van het Grand Hotel, maar Berthe weigerde kordaat. Nu ze de kans had om met een heuse vriendin te praten, zou ze niet kunnen eten. Ja, ze was van de Morisot’s de meest moeilijke om mee te leven. De meest nerveuze wellicht. Schilderen bracht haar rust. Niet dadelijk. In het begin moest ze zich concentreren, de wereld buitensluiten. Maar de druk van het penseel op het doek of het papier, opende de deur naar een andere wereld. Of orgelspelen diezelfde uitwerking had wilde ze weten.

‘Het werk begint in de stilte voor het stuk. De tijd nemen om de melodie te spelen in mijn hoofd nog voor ik mijn vingers op de toetsen heb gezet. In de galm van het laatste akkoord wordt het ook stil in mijn hoofd.’
‘En er blijft alleen de herinnering over, dat vond ik zo mooi als ik met Edma een stuk voor vier handen speelde en we daarna elkaar konden aankijken en wisten dat we in die andere wereld samenwaren zoals je in de echte nooit samen kunt zijn. Weet je, Emilie, dat de piano oorzaak is geweest van mijn liefde voor het tekenen en schilderen?’
Ze nipte even aan haar intussen koude thee.

‘Maman wilde dat Edma en ik ons pianospel zouden perfectioneren bij een bekende leraar. Stamaty fils. De man zelf beperkte zich tot zwijgen, knikken of hoofdschudden, had het over stilzitten als een beeld waarvan alleen de spieren van de armen en vingers mochten bewegen. Maar aan één van de muren hing een prachtige tekening van Ingres waarop de familie Stamaty was afgebeeld. De oudste dochter zittend bij de piano, linkerhand op het klavier terwijl ze zelf naar ons kijkt, vader Stamaty in redingote naast het instrument, rechterhand in het colbert. Voor hem zit zijn vrouw waartegen de toen zevenjarige pianoleraar zich aandrukt, achter haar, zacht leunend met zijn rechterarm op de leuning van haar stoel een grotere zoon, zo’n twaalf dertien jaar oud. In de linker benedenhoek een speelgoedkarretje en tegen het voetenbankje van de glimlachende moeder een harlekijntje, speelgoed van de zevenjarige die ons nu als volwassen man de muziek van Chopin probeerde bij te brengen. Die tekening, door Ingres in 1818 in Rome getekend, het jaar van vader Stamaty’s dood overigens, bleef mij boeien, kon ik na twee lessen oproepen tot in het kleinste detail. De innigheid, de compositie -de mooie dochter aan de ene kant, vader moeder en de twee jongens aan de andere kant, de lijnvoering. En vooral, de atmosfeer, de liefdevolle personages die je troostten. Het fijne gezichtje van de zevenjarige Camille, dichtbij zijn moeder en vanuit die veiligheid ons teder aankijkend. De prachtige grote jongen, beetje dromend tussen jongeman en kind. De moeder met bloemenhoed, de rustige goedmoedige vader en het prachtige jonge meisje aan de piano, ze leken zo echt, zo gelukkig dat je bijna het akkoord hoorde onder de vingers van de dochter. Meermaals moest mijn leraar me terug naar het blad brengen, omdat ik steeds weer naar de tekening wilde kijken. De les kon niet lang genoeg duren en maman prees mijn ijver en zei dat ik moest volhouden want later zou ik tevreden zijn met mijn muziek andere mensen gelukkig te kunnen maken. Maar haar Berthe werd niets anders dan een ‘artiste peintre’. Dat was haar droom die bij de tekening van Ingres begon. Hoor mij, chère Berthe, het is maanden geleden dat ik zo innig en open met iemand kon spreken. Alsof jij het meisje aan de piano bent. Wat ik ’s nachts haar vertelde zal nooit iemand weten. Nous mourons tous avec notre secret.’

38.

‘Groot was hij, en zeker van zijn stuk. Frédéric Bazille. Vanuit Montpellier kwam hij in Parijs medicijnen studeren, maar hij verkoos te schilderen, en met welstellende ouders achter zich kon hij die droom verwezenlijken. Hij passeerde langs het atelier van Charles Gleyre en had oog voor de jonge mensen en hun eigen manier van schilderen. Steun voor Monet was hij die zich bij Frédéric had aangediend, steen om de hals, klaar om zich te gaan verdrinken. Bazille hielp hem waar hij maar kon, leende zijn atelier uit , nam deel aan de disputen in het café Guerbois waar de schilders samenkwamen. Manet, ik zeg vol respect ‘meester’ Manet was er, Renoir en Zola, om muzikant Edmond Maître niet te vergeten. Hij heeft ze samen geschilderd, personages in zijn atelier, rue de la Condamine. Zola leunt er over de trap naar de zittende Renoir. Edmond speelt aan de andere kant op de piano en bij het raam discuteren Manet, Monet en Bazille zelf bij een schilderij op een ezel. Sommige mensen zijn magneten. Frédéric had die uitstraling. Ik heb in zijn atelier een wonderlijk doek gezien. Ik denk dat hij het ‘Scène d’ été’ genoemd heeft. Jonge mannen in de natuur met een vijver op de voorgrond.

Achteraan twee worstelaars, aan de rand een jongen die als een heilige Sebastiaan tegen een boom leunt en wegdroomt, of naar de jonge jongen in het water kijkt. Tegenover hem helpt een bebaarde man een zwemmer uit het water, en een andere jongen ligt in het gras terwijl hij naar de verte kijkt waar nog iemand zich uitkleedt. Het is er zomer. Berkenbomen boven jonge tinten groen, en hoog in de lucht enkele wolkenvlekjes. Ik moet mijn ogen maar sluiten om het doek te zien. Je zou je bij de Griekse goden kunnen wanen. Het water, de houdingen, ze lijken een beetje onbeholpen, maar het is het licht, het zomerlicht dat hun bewegingen vertraagt. Jongens in het licht, zou ook een mooie titel geweest zijn. Toen ik dat had gezien wilde ik zoveel mogelijk mensen buiten schilderen.’
‘Een wonderlijk man als ik je goed begrijp. Zeg je nu dat hij het was die jullie aanzette om deze tentoonstelling te organiseren?’
‘Hij bracht graag mensen samen, wilde dat we de nieuwe schilderkunst zouden tonen, en het waren vooral Degas, Manet, Pissarro en Cézanne die hem wilden gedenken met een gezamenlijk initiatief. We kunnen hem niet terugbrengen, maar we proberen te bewijzen dat we hem begrepen hebben.’

‘De dwaasheid van de oorlog, de holle woorden dat ‘L’Empire’ de vrede zou zijn. Zijn regiment dat in Algerië een versnelde opleiding krijgt. Hij had zich kunnen vrijkopen, maar hij wilde zijn plicht niet ontlopen. Tegen generaal d’ Armagnac had hij nog gezegd dat hij wist niet te zullen sterven want hij had nog te veel dingen te doen in het leven. Als fourier kreeg hij meer met de pen dan met het geweer te maken. Maar het ‘En avant! En avant! brengt hen naar de Duitse stellingen. De generaals willen hun eigen stad niet bombarderen maar dat tekort aan vuurkracht jaagt de tegenstander niet op de vlucht. In die vreselijke chaos ziet hij bij een holle weg kinderen lopen. Hij wil hen beschermen. Hij loopt naar hen toe. Twee kogels raken hem. Het zal tien dagen duren eer vader Gaston Bazille, ondanks de Duitse bezetting, de gracht vindt waarin het lichaam van zijn kind ligt. De sneeuw en de kou hebben het beschermd. Hij zal het op een karretje tot in Montpellier brengen. Wij kregen het nieuws pas weken later te horen.’

Buiten was het donker geworden. Ook de tweede bezoekerssessie die van acht tot tien uur liep zou weldra afgelopen zijn.
Zwijgend keken ze naar de avonddrukte op de Boulevard.
De jongens in de zomer. De jongen onder de sneeuw.
Na de oorlog waren de Morisots naar de rue Guichard verhuisd waar Berthe een voorlopig atelier in haar eigen kamer had ingericht. Einde janauri was vader Morisot gestorven. De bruiloft van Berthe en Eugène Manet werd tot na het einde van de rouwperiode uitgesteld. Tot net voor kerstmis van dit bijzondere jaar.

39.

De bijzondere drukte op de tentoonstelling was die dag, 25 april 1874, niet alleen te wijten aan het mooie voorjaarsweer maar werd vooral veroozaakt door het artikel in het satirische blad ‘le Charivari’, een ‘journal politque,litéraire et quotidien waarvan de kantoren in de rue Rossini waren gevestigd. Louis Leroy, een volkse toneelauteur waarvan het stuk ‘le Haschisch’ vorige herfst was opgevoerd, une comédie hilarante, was al net zo hilarante in zijn commentaar op het werk van de verenigde kunstenaars die hier tentoonstelden.
Het doek ‘Impression, soleil levant’ van Manet stond model voor de algemene sfeer van de expositie. Krantenkop: ‘L’ exposition des Impressionnistes.’

‘Le papier peint à l’ état embryonnaire serait plus fait que cette marine-là.’ En: ‘Puisque je suis impressionné, il doit y avoir de l’ impression là-dedans.’

Erger nog klonk het toen de auteur ‘Le boulevard des Capucines’ en Cezanne’s werk te zien kreeg.
‘Met de kreet ‘Ugh, ik ben de wandelende impressie, het wrekende paletmes had, volgens de auteur de academische landschapsschilder Joseph Vincent, leerling van Bertin, een (barbaarse) indianendans uitgevoerd bij het aanschouwen van ‘les empâtements prodigeux’ van Cézanne.
Het was niet deze platte pen die de naam van de groep vereeuwigde. Enkele dagen later schreef Jules Castagnary in ‘Le Siècle’:

‘Als we ze moeten karakteriseren met één verklarend woord, dan moeten we een nieuwe term gebruiken: ‘impressionisten. Ze zijn impressionisten omdat ze niet het landschap maar de emoties die dit landschap oproept in beeld brengen.’
Degas vond het een beste naam terwijl Renoir zich bekloeg dat er zo weinig over zijn schilderij ‘Le loge’ werd geschreven. Onrustwekkend vond hij die vergetelheid. ‘Cela ne vas pas durer.’ Monet kon er om glimlachen. Dit was wat ze nodig hadden, zei hij. ‘ Pauvres aveugles qui veulent tout préciser à travers la brume!’
Hij wilde dadelijk plannen maken voor meer van dit. Zagen ze niets, neen? ‘Dat ze zich maar voorbereiden want ze hadden inderdaad nog niets gezien!’

‘Ik heb weldra een orgelvrije week, chère petite Parisienne,’ schreef vader Louis. ‘Je hebt me meer dan nieuwsgierig gemaakt naar die nieuwe artiesten. Het zou een mooie combinatie zijn, een bezoek aan mijn geëerde medestudent César en het bekijken van de werken die blijkbaar zoveel ophef hebben gemaakt. Maar het intussen volwassen meisje met haar kind zet de kunst in de schaduw en hoe verukkelijk de muziek ook mag klinken, hoe lichtend ook de kleuren van de jonge bende, ik verlang het meest naar het moment jullie te kunnen omarmen.’

Ze zou hem daarna weer naar Lille vergezellen en in afwachting van het nieuwe huis de maand mei en juni in de bekende omgeving van de Saint Cathérine doorbrengen. Ze besefte dat de Parijse maanden meer nog dan het huwelijk haar verder van huis hadden gebracht en zij met het kind als vreemdeling in haar geboortestad zou terugkomen. Er was het verlangen naar een zelfstandig leven waarin Emile en Léon de kern van een nieuw bestaan zouden zijn, maar tegelijkertijd zinderden de kleuren van diepe landschappen in datzelfde verlangen en hoorde ze het ‘Non moriar sed vivam’ in de verborgen wens het vertrouwde de rug toe te keren en met Berthe Morisot zich zwijgend in het licht van de opkomende zon te koesteren, wachtend tot het schip naar onbekende verten zou vertrekken. Een meisjesroom op latere leeftijd.

40.

Lille, 19 mei 1874

Chère Berthe,

We hebben geaarzeld om het mooie werk te kopen met het wiegje waarin de kleine Blanche zo hemels ligt te slapen in gezelschap van je wakende zusje die zichtbaar van deze innigheid geniet. Maar we dachten dat het waarschijnlijk een familiestuk zou worden en papa meende dat het beter was je een opdracht te geven om een portret van onszelf te maken als we je na je vakantie in Normandië weer eens in Parijs mogen ontmoeten. Ik dacht vooral aan je prachtige portret van ‘Mme Boursier et de sa fille’ dat we bij je Belgische vriend de schilder Alfred Stevens hebben gezien. Ik weet dat Emile niet van stilzitten houdt, maar dat is dan een goede reden om het project tot moeder en zoon te beperken, nietwaar?

Intussentijd las ik Zola’s ‘De buit’ waarin hij de niets ontziende speculatiedriften beschrijft waardoor Parijs, onder leiding van Haussmann, zijn nieuwe Boulevards verdiende om het juiste woord te gebruiken. Hij spreekt van het ‘omploegen’ van het oude Parijs maar had het ook over dat andere gevoel voor de nieuwe stad: ‘De twee geliefden voelden een ware passie voor het nieuwe Parijs.’ Dat begreep ik dadelijk want ik vermoed dat ik die passie deel. Op de laatste pagina’s heeft de auteur het over de Seine, la géante, qu’elle regardait venir du bout de l’horizon. Het hoofdpersonage Renée herinnert zich:

‘Elle se souvenait de leurs tendresses pour la rivière, de leur amour de sa coulée colossale, de ce frisson de l’eau grondante, s’étalant en nappe à leurs pieds, s’ouvrant autour d’elles, derrière elles, en deux bras qu’elles ne voyaient plus, et dont elles sentaient encore la grande et pure caresse. Elles étaient coquettes déjà, et elles disaient, les jours de ciel clair, que la Seine avait passé sa belle robe de soie verte, mouchetée de flammes blanches ; et les courants où l’eau frisait mettaient à la robe des ruches de satin, pendant qu’au loin, au-delà de la ceinture des ponts, des plaques de lumière étalaient des pans d’étoffe couleur de soleil.’

Ik heb het fragment meermaals luidop gelezen. Ook met woorden kun je dus schilderen, kun je ‘les plaques de lumière’ zichtbaar maken. Meer dan het overgevoelige verhaal hebben deze beschrijvingen een diepe indruk op mij gemaakt.
Ik wandelde met de kleine Léon langs de kades, leerde door jouw ogen naar het licht kijken en vergeleek de bewegingen en schakeringen met de muziek die ik als kind van mijn vader meekreeg. Ik glimlachte bij Zola’s woorden over ‘le paisible horizon de son enfance’, een horzion die jij vooral bij Edma zult terugvinden.

Het spijt me echt dat jij die band met je vader moest missen. Ik begrijp dat hij weinig voor de Manet’s voelde. Hij als ‘Orléaniste’, zij als ‘trop républicains’. Zou het kunnen dat jullie werelden te veel op elkaar leken? Dat hij ondanks zijn hoge functie toch ook een dromer bleef die nergens met die dromen terecht kon? Je schreef me immers over zijn kunstboeken, de gesprekken met zijn vroegere vrienden, zijn rusteloos verhangen van schilderijen en meubels verschuiven, zijn geslotenheid. Zeker toen je me de brief van je moeder aanhaalde waarin zij diezelfde vader citeerde toen hij van jou een brief had gekregen. Dat hij ‘fort touché’ was, ‘il parait avoir découvert chez toi des trésors de coeur qu’il ne connaissait pas et à son particulier un sentiment de tendresse inaccoutumée.’
Ik begrijp best dat jullie zwegen. Dat je je atelier opzocht om tot rust te komen.

Je situatie is heel moeilijk met de mijne te vergelijken. Maak je geen illusies. Ik wist dat mijn vader zich zou ergeren aan ‘les impressionistes’ waarbij hij, dat dient gezegd, zonder mijn relatie met jou te kennen, hij voor jou een uitzondering maakte. Voor hem moet kunst ook kunde zijn, toont de inspiratie zich langs het ambachtelijke zoals hij dat zelf zo mooi uitdrukt. Hij zou echter de werken op jullie tentoonstelling nooit bespotten. Hij was zich bewust dat er een andere tijd aankomt, dat in het licht van de snelle evolutie mensen hun emoties durven tonen waar hij en de zijnen (alsof hij bijna honderd is) met een zekere afstandelijkheid waren opgevoed, met de stilte ‘waarin het essentiële zijn weg zou vinden’.

Ik ben blij met de grote verschillen tussen ons die het mogelijk maken bij elkaar te schuilen. Hij heeft me altijd aangemoedigd om dapper te denken, een anders-denkende dan hijzelf te worden.
Natuurlijk is de herkenning van een zusterziel geen blokkade. Integendeel. Ik denk dat het bij mensen die niet door familiebanden zijn gebonden een heilzame herkenning is van je eigen eenzaamheid.

Ik herinner me de tik op mijn schouder toen je dacht dat ik je zusje was. Misschien ben ik dat ook wel een beetje geworden.

41.

De gebogen houten zoldering van de Sainte Cathérine maakte het beeld van een boot aannemelijk. Een gekapseisd schip waaronder een poging werd ondernomen om contact te krijgen met de stuurlui van het heelal, inzonderheid met het transcendente waarvan de vermoedelijke aanwezigheid in de menselijke hersenen was gekerfd, althans het heimwee naar deze geestelijke hoogten, de drang om het miezerige van het dagelijks bestaan te overstijgen of het in zijn belachelijke tijdelijkheid te ondergaan als aanloop naar een eeuwig samenvloeien met het goddelijk licht.

Het houten fruit onder de steun van de grootste orgelpijpen, de ruw uitgestoken bundel muziekinstrumenten op de deuren van de orgelkast, de lekkende half verheven gebeeldhouwde vlammen, bevroren in hun uitwaaierende kronkel bij het opstijgen uit de net zo houten heilige vaten, bewezen met de afgebroken wijzers van de grote klok bovenaan dat het onbegonnen werk zou blijken de adem van de Geest, de Creator Spiritus, in deze kilte zichtbaar te maken tenzij er met geduldige vingers en welgeplaatste voeten muziek uit dit bouwsel zou komen waarvan de bijna onzichtbare Sinte Cathérine en aan de andere kant koning David met lier, gingen gloeien en met deze hemelse warmte de koude kerk zouden vullen.

Terug uit Parijs viel haar de armzaligheid op waarmee de orgeldecoratie was omgeven. Keek je vanuit de orgelconsole naar de achterkant van het middenpaneel in de ballustrade die het doksaal omgaf, dan was elke luister verdwenen. Hier zag je de kale planken, de platte vlakken van de slecht uitgesneden vaten met hun deels afgebroken vlammen, de steunbalken die het decor verstevigden, ja zelfs metalen kapstokken waar de organist en de zijnen hun overjassen hingen. De gevleugelde engelenkop boven het medaillon met het jaartal 1644 leek zich bij dit mensenwerk te hebben neergelegd, de ogen geloken, de lippen net niet geopend.
Onzichtbaar boven het grote stilgevallen uurwerk, net onder het houten gewelf, prijkte de gouden duif met geopende vleugels. Geen straaltje licht kon op geen enkel moment van de dag haar bereiken.
Kwam het roodpaars gevlekte licht van de glasramen bij helder weer nog op de wand achter het orgel, de gouden Geest bleef in het duister.

‘Je hebt hem eindelijk gezien,’ zei haar vader toen hij haar zoekende ogen zag. ‘Ik heb er ook lang over gedaan voor ik hem vond.’
Natuurlijk verkleinen de ruimtes waarin wij als kind verbleven eens we ze als uitgegroeid mens weer bezoeken, maar waarschijnlijk was het de helderheid van de Saint Clotilde die de donkerte in deze kerk benadrukte. Ook bij het orgelspel werden de mankementen van het instrument hoorbaar, hoorde je dat de restaurateur Garbs, orgelbouwer uit de stad zelf, zijn werk in 1859-60 voortreffelijk had gedaan maar door de schommelingen van de temperatuur en het onzichtbare stof weer was ingehaald.
‘We sparen voor een nieuw orgel, Emilie. Ik weet niet of we Merklin nog kunnen betalen eens hij tot Fransman is genaturaliseerd, maar zijn vroegere compagnon Pierre Schyven uit Brussel is alvast komen kijken. Hij is nu in Laeken aan het werk en heeft ons bij de inauguratie uitgenodigd.’

Ze wilde graag het orgel trappen terwijl hij een Pastorale van Widor speelde en daarna een feestelijk Magnificat octavi toni van Pachelbel. ‘Burdon 8, Prestant 4 en Doublette2’, zei ze terwijl ze de lucht naar hem stuurde en hij daarna als toemaatje de Air van Bach vertolkte met trompet, cornet, recorder en flagolet en de eeuwige voix celeste op het kleurpalet.
‘Als jij speelt hoor ik de gouden vleugels, papa.’ terwijl ze naar boven keek.
‘Dat lukt me alleen maar als jij soufleur bent, lieve Emilie. Zoals jij de lucht trapt, dat doet niemand je na. Als klein meisje al begreep je wat gelijkmatigheid was. Weet je nog hoe ik je noemde?’
‘Het wolkentrappertje. Ik stuurde je de mooiste wolkjes en jij maakte er muziek van.’
Ze zag de luchten van Berthe. Ze hoorde kinderstemmetjes. Op weg naar huis nu de school gedaan was. Honderd jaar geleden.

42.

Mocht ze kleuren kiezen om haar kindertijd op te roepen dan twijfelde ze tussen de heldere tonen waarmee ze die dag over de gouden vleugels en de wolken sprak en de afgebleekte, verweerde vlakken op de muren van puinen die ooit een huis waren maar door weer en wind eenvoud en alledag tot een te ontcijferen kaart van een nog niet ontdekt land hadden vervormd.

Vreemd genoeg waren het de heldere tonen die volwassenen van hun eigen kindertijd vervreemdden. De aanwezigheid waarin we het ogenblik vervulden, het alles-en-niets onder dezelfde noemer van het vervulde, bleek later een afgesloten land omdat de voorbedachtheid en de nagalm de plaats van deze heldere aanwezigheid hadden ingenomen. Daardoor dichtten wij het kinderlijke eigenschappen toe die meer uit heimwee en gemis dan uit een werkelijk beschrijving en objectief onderzoek waren ontstaan.

Natuurlijk kwam je voor schijnbare onineembare en afgesloten gebieden en kreeg de voorbije tijd juist daardoor een valse aantrekkelijkheid waarin woorden als onschuld en fantasie meer tot troost van de uitgegroeiden dienden dan wel als een heuse weg naar de kern van de kindertijd leidden. Met de vermenging van de natuurlijke onwetendheid en de ogenblikkelijke interpretatie van de gebeurtenissen ontstond de mythe van een gouden geïsoleerde tijd terwijl de honger naar deelname aan het gemeenschappelijk bestaan nooit zo groot en intens was.

Hadden de voorbije jaren de handelsmuren gesloopt, de grenzen geopend, het uiterlijk van het nieuwe huis inspireerde zich op de Vlaamse rennaissance waarin gilden en corporaties de levensstijl bepaalden, net nu kapitaal en goederen zich op nieuwe ritmes gingen bewegen waarin de goedkoopste aankoopmarkt zou samengaan met de duurste verkoopmogelijkheid, een droom die vorig jaar ruw werd verstoord door de ongemene daling van de aandelenkoersen, begonnen op de Weense beurs maar weldra in gans Europa voelbaar.

De geur van kalk en verf, de open ruimtes waarin het kind kraaiend rondliep, de oneigenheid waarmee het lentelicht zich verspreidde, de basstemmen van de mannen die zich met cijfers, maten en vergelijkingen een weg door kamers en trappenzaal baanden, waren voor Emilie nog onsamenhangende strofes van een melodie zonder bekende toonaard. Ze luisterde, keek en knikte. Ze keerde op haar stappen terug, hief de kleine Léon in de lucht en verbaasde zich over de talrijke in- en uitgangen, sommigen nog zonder deur, bleef alleen achter omdat ze de tekeningen op de brandglazen ramen wilde bestuderen, zocht daarna de gonzende groep weer op en kwam terug in de tussenruimte waar ze vertrokken was.

‘De architect wilde geen kopij van al die neoklassieke gevels uit jouw Haussmann-Parijs,’ zei Emiel. ‘Je moet straks op enige afstand de buitengevel gaan bekijken. Heel gedurfd hoor, die assymetrie, het gebruik van kleur en diepte. Heel gedurfd.’
Haar Haussmann-Parijs. Ze glimlachte met zijn plezierig verwijt, zijn poging om verloren terrein in te palmen, om eindelijk heer des huizes te kunnen zijn.
‘We moeten het over personeel hebben, Emilie. Ik weet niet of we Jeanne kunnen houden. Al die trappen en..’
‘Jeanne is nog goed te been. We kunnen niet zonder haar, Emiel.’
Het klonk harder dan bedoeld, maar ze nam dadelijk zijn hand vast.
‘En ik niet zonder jou, al was het maar om hier mijn weg te vinden.’

43.

‘Stel je voor, chers amis, omdat de Morris-maatschappij het gemeenschappelijk gebruik van hun spoor op het Paleizenplein verwierp moesten de gebroeders Becquet dus op dezelfde plaats hun eigen spoor aanleggen. Beide sporen kruisen elkaar ter hoogte van het gebouw van de Civiele Lijst. De Morrislijn loopt langs het park. Die van de gebroeders Becquet ligt op het midden van het plein, op gelijke afstand van het park en van het koninklijk paleis. En dan nog eens de hoog oplopende kosten van de paardentractie op de lijn van de boulevards, daar hadden de Becquet’s ook gen rekening mee gehouden. Eén paard volstaat meestal om een rijtuig te trekken op de lanen van het lagere stadsdeel, maar je hebt er twee nodig op de hoger gelegen lanen. Bovendien moeten er twee paarden bijgespannen worden om de helling van de Kruidtuinlaan te nemen, en bij de terugrit is er een bijkomend paard nodig voor de minder steile doch veel langere hellingen van de Zuidlaan en de Waterloolaan!’

De heer Simon Philippart, zittend op een verhuiskrat in de grote benedenruimte waar de tekenaars en de administratie hun werk zouden doen, wiste met een bescheiden zakdoekje het zweet van zijn voorhoofd.
‘Ik wil duidelijk maken dat meneer William Morris alleen met de nodige ponden sterling was te overtuigen om zijn concessie aan ons te verkopen. Vierentachtigduizend van die harde ponden, dat is omgerekend ongeveer twee miljoen tweehonderdduizend Belgische frank, bleken hem uiteindelijk te overhalen. Voor de volgende stap heb ik Dansaert en Moselli ingeschakeld want Albert Vaucamps heeft voor zijn concessie de belachelijke som van tien miljoen frank vooropgesteld. Ik begrijp dat hij geld nodig heeft, maar dat moet voor ons de gelegenheid zijn om de buit voor heel wat minder binnen te halen. Hij heeft prima materieel ter beschikking: negentien grote voertuigen voor 28 personen, vijf kleine gesloten wagens om in drukke tijden bij te springen en dan nog een open rijtuig voor het traject Noord-Zuid bij zomers weer. Enkel eerste klasse, en met ophanging voorzien van rubbertonnetjes zodat de passagiers niet door elkaar geschud arriveren. Er is een remise voor elf trams en 12 straatomnibussen in de Gierstraat, hoefsmederij en zadelmakerij inbegrepen en uitgestrekte stallingen voor tweehonderd en acht paarden. Het mag dus best een centje kosten.Om de belangrijkste vraag van de dag niet te vergeten, hoe voelen kattin en kater zich in hun nieuwe nest?’
Emile zei dat hij tijd te kort kwam om zich hier te installeren.
‘Balat heeft zijn handen vol met het Paleis voor Schone Kunsten aan de Regentschapstraat, een prachtig gebouw, maar we kregen pas midden april de eerste schetsen voor de wintertuin bij Durieux en sindsdien blijft de architect zijn plannen maar wijzigen. Dan weer wil hij dat de rotonde 22 zuilen zou tellen, dan weer 24, 32, 36 of zelfs 48. En ook de vorm van de koepel veranderde net zoals die van de bekroning die nu eens een lantaarn en dan weer een koningskroon zou zijn. Er zijn ook nog eens portieken, een balkon en metalen ladders aan het oorspronkelijke plan toegevoegd terwijl de metselwerken over enkele maanden al voltooid zijn. We hebben nu bijna 15 plans en meer dan 175 detailtekeningen uitgewerkt, en we zijn nog nog niet aan het einde terwijl het contract niet eens getekend is. Ik voorzie dat we ergens in januari 1875 met de montage kunnen beginnen, en zonder tegenslag wordt het dan augustus of september en zal de constructie heel wat duurder uitvallen dan gepland, met al de nodige ruzies tussen Balat en de mensen van Durieux.’
‘Goed zo, en met goed zo bedoel ik dat werk aan de winkel de winkel doet draaien, laat de stilte aan de monniken en laten we vooral de schoonheid van de ons omringende vrouwen de nodige eer bewijzen. Chère Emilie, monsieur Henri Plas, de man die in zijn werkplaatsen in de Liverpoolstraat in Anderlecht de mooiste tramways voor Vaucamps construeeerde heeft ons uitgenodigd voor een zakendiner. Kwestie van op tijd de toekomstige eigenaars te verwennen. Een man van de wereld, dus zijn wij zo vrij -als monsieur de Lunden het toestaat- u als lieftallig wapen in de strijd te gooien. Allons-y.’

44.

‘Halve maan-profielen, zonder groef noch tegenrail, langsliggers en dwarsliggers, draaibare houten latten voor de ventilatie, Laken-Anderlecht rijdt ’s avonds met rode lichten, en de rijtuigen die Laken met het Zuidstation verbinden rijden met een groen licht, en wie er dan nog met een zwart bord en een oranje licht rijdt mag God weten al was het paus of zijn het de boswachters van het Zoniënwoud. Nooit meer, Emile! En als ik zeg nooit meer -de spreekster zwaaide hier met een kristallen vaas om haar woorden kracht bij te zetten- dan is het nooit meer!’ De vaas belandde met een plof op het buffet in de eetkamer.
‘Beschouw het als een tegenprestatie. Voorzichtig met die lamp, let op de…’
De glazen koker kon nog net door haar snelle reactie worden gered.
‘Dit “lieftallige wapen’, om de woorden van de heer Simon Philippart te gebruiken, weigert om zich gewillig voor zijn zakenkar te laten spannen, Emile. Niet alleen wil ik op voorhand weten wat er gaat gebeuren en wil ik daarover mijn eigen mening kunnen formuleren, maar zelfs al zou hij jou nog een straat huizen cadeau doen, dan nog wens ik mijn eigen leven te kunnen leiden en verlang ik dat jij me naar mijn mening vraagt zoals ik dat doe als het over belangrijke zaken gaat. Duidelijk?’ De lampenkoker benadrukte haar stelling als een lange gesticulerende glazen vinger.
‘Maak je toch niet zo druk, we…’
‘Ik ga mij nog veel drukker maken, meneertje. Jij begrijpt het niet, hé? Jij denkt nog altijd “c ‘ est blanc bonnet et bonnet blanc,” zoals je dat zo mooi formuleerde als je mij hoorde zuchten, maar mijn wit hoedje is een ander dan jouw wit gekalkt petje. Ik ga niet met Philippart meekakelen omdat hij voor dit nest heeft gezorgd, zij het dan in innige financiële samenwerking met je vader. En wij, beste Emile, zijn niet in alles twee koppen onder dezelfde “bonnet”, ik verkoop deze Rijselse kop niet voor een smak zilverlingen en een huis dat als een veel te grote mantel over mijn smalle schouders hangt! Ik ben geen lieftallig wapen, d’ abord l’ étable, ensuite la vache! ‘
‘Pas op, ma chère, dat is zilver, en…’
‘Is dit zilver? O, zilveren bestekken voor het veel belovende koppel uit het kat- en katerhuis.’
Ze strooide lepels, vorken en messen over de parketvloer, gooide het etui op tafel, keek de verbouwereerde Emile enkele seconden aan, draaide zich fiks om en liep bijna tegen een van de verhuizers. De man wilde opzij springen maar zou dan op het kostbare bestek trappen, dus maakte hij enkele dwaze sprongetjes om het zilver te ontwijken, en botste tegen de heer des huizes waarna beiden tussen het tafelgerei belandden.
In het trappenhuis hoorden ze iemand ‘opzij, opzij!’ roepen, en een deur dichtsmakken.
‘Ach, meneer, dat is de drukte,’ zei de verhuizer terwijl hij Emile rechtop hielp.
‘De drukte? Ja natuurlijk, de drukte.’
‘Eens dit mooie huis helemaal is ingericht valt alles in zijn plooi. En temperament heeft zijn goede en zijn slechte kanten zullen we maar denken. Mijn vader was een smid en ik hoor hem nog altijd zeggen: “Les enfants du forgeron n’ ont pas peur des étincelles. Enfin, u begrijpt wat ik bedoel.’
Ze raapten samen het tafelzilver op.

45.

Net als ze buitenkomt, leest ze de gele, met rood onderstreepte letters: ‘Belgian Railways and Omnibus Company Limited.’ Daarboven op een geel bord aan de dakbeglazing van het rijtuig vastgemaakt ‘Laken – Zuidstation’. De koetsier stopt enkele meter verder. De begeleider roept ‘Boulevard du Nord’. Ze stapt in. Ze zet zich middenin. Voor haar zegt een jongetje: ‘We zitten in de mooie tram, mama. Zoals op de kermis!’
De conducteur vraagt waar ze naar toe wil. Als ze haar schouders ophaalt, vraagt hij haar 20 centiem, dat is tot aan de terminus. De Onze-Lievevrouwekerk in Laken. Ze betaalt. Ze krijgt een klein vierkant ticketje. Ze ziet een dame wuiven op het Natiënplein. Bij het Noordstation loopt de het rijtuig bijna leeg en weer half vol.
‘Mooi is dat,’ denkt ze, ‘op de vlucht met de vijand.’

Ze glimlacht als ze het tafereel met lamp en zilver terugspeelt. Ze ziet zijn verbaasd gezicht, de twee mannen tussen het tafelgerei op de grond. Tegelijkertijd neemt ze zichzelf in beeld. Haar ontploffende woede. Natuurlijk heeft ze te lang gezwegen, beseft ze dat hun levens zich maar enkele maanden onder één dak hebben afgespeeld. ‘We wonen nog in Nergenshuizen,’ zal ze straks zeggen als ze het incident hebben uitgepraat.
‘Dat ik dan buitenkom, en zo’n vervloekte tram zie stoppen, enkele meters van onze woning. En erger nog, ik ben opgestapt. Als dat geen straf uit de hemel zal zijn, weet ik het niet meer.’
Ze herinnert zich dat ze ook als kind de zinnen repeteerde die ze ging gebruiken om een probleem of een misverstand op te lossen. Ze voorzag zelfs meerdere mogelijkheden zodat ze met een gerust hart de gevreesde confrontatie kon klasseren tot ze zou plaatsvinden.

Langs de Vooruitgangsstraat kwamen ze op het Masuiplein. Ze wilde best de rit ook in de omgekeerde richting doen, kon ze de houding van een ervaren passagier aannemen als ze weer thuiskwam. Voor iemand die een fiacre gewoon was, mocht een tochtje met de ‘Amerikaanse spoorweg’ best meevallen, al zou ze die positieve kijk met een vrolijk gemoed afzwakken en het hebben over de verschrikkelijke traagheid waarmee de lange Paleizenstraat aan de reizigers voorbijtrok. Ze kon haar fantasie best voor andere taferelen gebruiken want het werd inderdaad eindeloos wachten voor de neergelaten slagbomen die de overweg van de lijn naar Oostende beveiligden. Daarna nog de hindernis van de kanaalbrug voor ze langs de Koninginnelaan reden, en toen ze zag dat de sporen van de terminus tot op korte afstand van de trap naar het portaal van de O.-L.-Vrouwkerk kwamen, wilde ze even pauseren en dit nieuwe nog niet geheel voltooide kunstwerk van de Brusselse architect Poelaert bezoeken.

Natuurlijk viel haar de gelijkenis met de Saint Clotilde op. Vreemd genoeg ontbrak hier nog de toren en bleek het portaal een houten constructie die duidelijk op een waardige neogothische vervanging wachtte. Toch was de kerk al in dienst want hoe dichter ze de voorlopige ingang naderde hoe duidelijker een lang aangehouden orgeltoon hoorbaar was. Met dat aanzwellende geluid herinnerde ze zich plots het gesprek met haar vader bij het orgel van de Saint Cathérine. Pierre Schyven was in Laken aan het werk, had hij gezegd.

Ze hoorde een melodie-fragmentje dat met verschillende registers werd herhaald. Eens in de kerk, zag ze een jongen van een jaar of vijftien, zestien die aandachtig naar de muziek luisterde.
‘Montre en Bourdon zestien, maitre. Iets te laag gestemd. Trompette en Cor anglais klinken nu perfect.’
‘Ik ben bang dat we enkele pijpen van de Clairon moeten vervangen, Jean-Emile,’ klonk het antwoord op het doksaal.
Emilie kwam voorzichtig richting jongen gewandeld.
‘Mon Dieu, zie ik de engel uit Lille of …’
Ze draaide zich naar de verbaasde man waarvan alleen het hoofd boven de console zichtbaar was.
‘Als dit geen toeval was, monsieur Pierre.’
‘Jean-Emile vraag de engel om met jou naar deze eenzame wanhopige ziel op te stijgen.’
De jongen glimlachte, gaf haar verlegen een hand, en vroeg of zij hem wilde volgen.
Hij liep met nog een kinderlijke huppelpas voor haar uit, en keek even om.
‘Monsieur Pierre is een tovenaar, mademoiselle. Deze kant op, asjeblief.’

46.

‘Zag ik je enkele weken geleden nog als bruid en jonge moeder op de mooie cartes de cabinet in Lille, nu kom je in levende lijve deze kerk binnengewandeld net op het moment dat ik wanhopig op zoek ben naar een bekwame organiste om deze bijna voltooide mechaniek uit te testen. Welke goede geest heeft jou gezonden?’
‘De geest van het pure toeval, monsieur Pierre. Ik ben in een eerder vreemde bui zo maar op de tram gestapt die me tot hier gebracht, onwetend dat ik u hier zou aantreffen.’
‘Als dat geen hemels teken is. Ik dacht je een van deze dagen te komen opzoeken in jullie nieuwe woonst, maar…’
‘Ik zei toch dat monsieur Pierre een tovenaar was,’ zei de jongen.
‘Omdat mijn oudste zoon, jou nog bekend als “kleine” François, intussen bijna achttien, met het atelier in de Francquartstraat zijn handen vol heeft, helpt deze vootreffelijke jongeman mij en zorg ik voor zijn verdere opleiding. Mag ik je voorstellen: Jean-Emile, sinds een jaartje mijn uitstekende leerjongen. Zijn vader Rogier-Joseph Kerkhoff stierf vorig jaar vrij onverwacht. Hij liet naast zijn intussen bekende orgelwerkplaats ook acht weeskinderen na waarvan ik de oudste heb geadopteerd tot hij op eigen benen kan staan om het werk van zijn vader voort te zetten.’

‘Monsieur Pierre is pas een echte vader voor mij, mademoiselle. Ik bedoel…’
‘Hij heeft niet dadelijk een gemakkelijke jeugd gehad, dat bedoelt hij.’
‘Ik heb je altijd als een goede vader gekend, als ik ‘jou-en-jij’ mag zeggen.’
‘Dat mag je niet, dat moet je, lieve Emilie. Waar zijn de dagen in het grote atelier van Joseph Merklin en Friedrich Schütze? Je was nauwelijks acht toen François werd geboren. Jij, tante Josephine en je mooie maman. Weet dat Marie-Anne, mijn vrouw, je altijd graag heeft gekoesterd. Je was haar net zo lief als onze eigen dochter Isabelle.’
‘Ik heb in Parijs veel tijd gehad om die mooie herinneringen weer op te halen. Blijkbaar doe je goede zaken?’
‘Armand Verreyt en ikzelf zijn in 1870 geassocieerd en sinds Joseph Lyon en Parijs boven Brussel verkiest werken we nu helemaal apart als ‘Pierre Schyven en Companie’. Goed gevulde orderboeken, inderdaad.’
‘Wat is er met deze kerk aan de hand? Ze is blijkbaar al in gebruik, maar ze mist een toren en één van de portalen staat nog in de steigers.’
‘Deze kerk is een aandenken aan de eerste koningin van België, Louis-Marie, die in vijftig overleed. De eerste steen werd in 1852 gelegd door Leopold I en de kerk werd slechts twintig jaar later ingewijd in de staat waarin ze zich nu bevindt. Sinds 1872 dus liggen de werken stil, en probeert architect Poelaert hemel en aarde en vooral Leopold II te bewegen zijn plannen te voltooien, al heeft hij nu zijn handen meer dan vol met de bouw van het gigantische justitiepaleis op de Galgenberg in de Marollenwijk. Gelukkig kreeg ik de koninklijke verzekering dat mijn laatste facturen dadelijk na de inauguratie van dit orgel op 30 november zullen voldaan worden. En let op, Alexander Guilmant en Alphonse Mailly, organist van de koning, zullen het orgel inspelen in aanwezigheid van de koning. De fraaie orgelkast in massieve eik is een ontwerp van Poelaert, net uitgevoerd door de gerenommeerde firma Goyers. Het merkplaatje, een beetje mijn handtekening, ligt klaar. Voilà: ‘Pierre Schyven et Cie sucesseur des anciens établissements Merklin-Schütze Bruxelles.’
‘Het ziet er pachtig uit.’
‘Het klinkt ook prachtig,’ zei Jean-Emile.
‘De soufleurs zijn nog in huis, Zou het onbeleefd zijn je te overvallen met een vraag om enkele fragmenten uit de literatuur te spelen? Monsieur Mailly heeft ons al enkele partituren bezorgd, denkend dat elke orgelbouwer ook een vertolker zou zijn?’
‘Een hoogst vriendelijke overval, dat wel. Geef me de tijd om thuis enkele stukken in te kijken en voor te bereiden.’
‘Zou morgen of overmorgen je schikken, chère Emilie?’

47.

Fragment uit een brief van Berthe Morisot vanuit Maurecourt, zomer 1874

Spreek je over die zelf-herkenning, chère Emilie, dan deel ik met jou het inzicht dat niet de spiegel het juiste medium is, maar eerder de ervaringen die anderen met je hebben en die ze soms via een gesprek, of in mijn geval langs een tekening of schilderij, meedelen. Enkele maanden geleden schilderde mijn goede vriendin Marcello mijn portret. ( Ze houdt van deze mooie jongensnaam, zeker als het over haar beeldhouwwerken gaat waarvoor ze ‘Adèle’ te wekerig vindt) Ze heeft haar atelier dicht bij dat van Manet geïnstalleerd, rue de Saint-Petersbourg, 47. Daar ontstond mijn portret, zittend op een stoel die met de leuning naar de kijker is gekeerd, naakte armen, frivole lange jurk vooral onderaan, voor de rest het lichaam à demi dénudé, haren slordig door elkaar, en je zou de pose best provocerend mogen noemen. Na enkele sessies kreeg ik het doek te zien en ik moet toegeven dat de zogenaamde wellust van ‘zelfherkenning’ uitbleef. Was ik dat? Marcello zag mijn afwijzende reactie. Natuurlijk ben jij dat, zei ze. Berthe, jij bent een vrouw geworden. Jij bent niet meer dat angstige en sprietige meisje van voor de oorlog. Jij straalt. Ze gaf me datzelfde gevoel dat ik in jouw aanwezigheid mocht meemaken.

Eugènes broer, Eduard, werkt nu aan een portret waarop ik met mijn linkerhand mijn bebloemde waaier verder openduw. Ik kijk vanuit mijn standpunt ver naar links zoals mensen die iemand verwachten. Ik ben helemaal in het zwart, ja zelfs de waaier is zwart zodat mijn vingers en de onderarm duidelijk zijn afgetekend. Ik hoop dat hij het portret niet meer te veel verandert want ik ben inderdaad de jonge vrouw die uitkijkt naar mijn eigen zelfstandig leven vanuit de donkerte van het verleden.
Omdat we vaak voor elkaar poseren krijg ik telkens weer een andere kijk op mezelf, een beeld dat vooral anderen van mij hebben en waardoor ik afstand kan doen van mijn eigen zelfbeeld dat vaak door eenzaamheid en angsten is vervormd, of zeg ik beter ‘beperkt’.

Eugène houdt van aquarellen, het vluchtige van het licht. Edgar Degas heeft hier intussentijd ook Eugènes portret geschilderd. Het portret van een man die nonchalant op het gras ligt, voorzien van een zwarte hoed. Hij wil er in Parijs verder aan werken om het dan bij ons huwelijk cadeau te kunnen doen. De herinnering aan een zomer waarin ik definitief heb gekozen voor een ander leven. Een leven dat mijn liefde voor het kleine niet zal veranderen, chère amie.

Daarom heb ik zusje Edma en haar twee kleine meisjes onder de seringen-boom geschilderd, met dank aan Monet die enkele jaren geleden een doek met ditzelfde thema uitwerkte. Ik kan het moeilijk beschrijven, maar ik hoop het je later te laten zien: Edma, zittend onder de seringen-boom. Ze vouwt een wit doek open terwijl de twee kleine meisjes wachten op een stuk brood. Zij is in het zwart gekleed, witte hoed, links de toegevouwen witte parasol, haar zomerhoed en rechts de lichtende picknickmand, boven hen allen geuren de seringen, waaieren ze als een dak uit de gekromde stengels van de stam achter hen.
Ik hou het bij Eugène’s woorden toen ik hem vroeg of hij een wens wilde doen.
‘Je serais bien embarassé de faire un voeu. Oh, si, à vous pourtant, oui, celui de vous rendre la femme la plus adulée, la plus choyée de la terre.’

Herken je die woorden? Je beschreef ze mij in je brief waarin je je thuiskomst vertelde. En je weet terecht niet wat je ermee moet doen. Faire son devoir zou maman zeggen. Misschien dat ik daarom straks weer naar de haven ga. Kijken naar de boten in opbouw. Of hoe je van de boomstronken waaronder wij als kind rondliepen vaartuigen kunt maken. Hun lange masten, nog zonder zeilen steken als dunne vingers in de lucht.
Of moet ik naast Eugène in het gras gaan liggen en zwijgen tot de avond over Maurecourt trekt? De kunst van het kijken, zoals jij de kunst van het luisteren naar de wind kent. Schrikt de leegte jou af? Blanche en Jeanne willen met mij nog eens naar de seringenboom. Hij is al lang uitgebloeid, maar dat weet de verf op het doek nog niet.

Ik kom terug op de spiegel waarmee ik begonnen ben. Wat betekenen wij in hun ogen zou je kunnen vragen. In de ogen van onze welgezinde en hard werkende mannen waarmee wij ons voor het leven hebben verbonden? Getuigt het verdragen van een soort gemeenschappelijke eenzaamheid van dapperheid of wordt van ons verondersteld dat wij naast het feit van voortplanting en nestzorg ook nog een eigen leven kunnen leiden waarin we die dapperheid bewijzen door hoe dan ook onze eigen weg te gaan?

Groet degenen die je lief zijn.

48.

Een woning met liefst twee ‘cabinets à l’ anglaise’, eentje voor het personeel beneden en op de entresol zitplaats voor de bewoners. Op het plan aangeduid als ‘lieu anglais alimenté par l’ eau de la ville’, en op de entresol ‘W.C.Doulton’. Als surplus een ‘cabinet de toilette’ op de tweede verdieping met meuble-lavabo waarop kom, kruik, spons, borstels, handdoeken en zeep en niet te vergeten achter de keuken en de laverie een chambre de bain met ligbad in fonte émaillée.
De drukte op het gelijkvloers: tekenkamer, bureel en service-kamer (waar ook ontbeten werd) keuken, waskamer, lieu anglais, badkamer en kolenruimte. Eerste verdieping, de familieruimte: salon, eetkamer en half open veranda. Slapen op de tweede verdieping, kind en Jeanne inbegrepen. Gastenverblijf op de derde verdieping en enkele bediendekamertjes onder het dak op de mansarde. Voorlopig onbewoond.

Haar vraag of ze op de derde verdieping haar werkkamer kon inrichten. Zoals hij haar aankeek, een man die een woord in een vreemde taal niet begrijpt al heeft hij het net in een woordenboek opgezocht: werk-kamer, neen, niet ‘boudoir’, maar wel eigen ruimte. Of ze ging schilderen en tekenen of wou ze haar notities tot een boek omwerken, of misschien iets met bloemschikken of..?
Ze wilde gewoon een eigen ruimte, plaats voor haar boeken, plaats om alleen te zijn, om wie weet te schrijven of te componeren, om partituren te lezen, net zoals ze in Lille in haar appartement thuis was. Dat gefronste voorhoofd was nergens voor nodig. Neen, ze voelde zich opperbest in zijn gezelschap, ze waardeerde zijn werk, zijn verhalen, en ze hoopte op een lang en gelukkig leven met hem en de kinderen. Ja, ze zei kinderen. Juist, meervoud.
‘Ce que femme veut, Dieu le veut.’ ‘Un fou enseigne bien un sage,’ kreeg hij als antwoord.
De kussenden werden door het zacht gekuch van Jeanne gescheiden.
‘Un petit monsieur pour vous, chère Emilie.’
Zoals hij daar in het tegenlicht van het halfronde raam stond, Jean-Emile, de rijzweep nog in de hand, Hermes Psychopompos, de begeleider van de zielen naar de onderwereld.
Hij, althans monsieur Pierre wilde haar niet meer aan de drukte van de paardentram overleveren, en stuurde dus een rijtuig waardoor het comfort zou stijgen en de reistijd werd ingekort, of iets in die aard wist de jonge bode het verhaal van zijn meester te samen te vatten.
‘Of zo’n jonge snaak een coupé of een victoria mocht mennen, wilde Emile weten.
‘Een victoria, monsieur. Bij dit prachtige weer is een open rijtuig zalig, of wilde madame liever een coupé dan zou reed hij dadelijk langs de standplaats op het Natiënplein en zou hij een koetsier sturen.’

‘Lieverd, ik was in Lille bekend om mijn elegante rijstijl. Ik breng deze gekrulde boodschapper zelf naar zijn standplaats. Wil je mijn partituren stevig vasthouden, jongeman. Monsieur Mailly zou het niet apreciëren zijn werk boven Brussel te zien fladderen. Allons-y.’

De kleine boodschapper kon alleen maar diep zuchten toen zij bij de kerk het span stopte.
‘Dat was vliegen, als ik zo vrij mag zijn, madame. Denkt u niet dat we bijna de lucht ingingen? U rijdt fantastisch. Vraag asjeblief monsieur Pierre of ik straks mee terug mag? Asjeblief?’
‘Geef dat moedige dier te drinken, kleine Hermes. Ze heeft het verdiend. Straks mag jij mij je rijkunsten tonen, afgesproken? Maar wees een beetje slim en zwijg in alle talen over mijn rijstijl. Jij hebt mij gebracht. Afgesproken?’
‘We begrijpen elkaar helemaal, al weet ik niet waarom u mij …’
‘…Hermes noemt? Dat vertel ik je wel op de terugweg. Breng je mij ook een glas water?’
‘Ik had echt het gevoel dat de wielen de lucht ingingen,’ hoorde ze hem nog zeggen terwijl de koelte van de kerk haar weldadig tegemoet kwam.

49.

In het licht van de lengende dagen nam hij haar vaak mee naar de Sainte Cathérine. Had ze haar piano-oefeningen met succes gespeeld dan mocht ze verder studeren op het orgelklavier van de schemerende kerk.
‘Alles is afstand, liefje, al is ter plaatse blijven één van de moeilijkste dingen, maar uiteindelijk moet je met alles verder, de afstand overbruggen. Stel dat je aan de zee staat -ze dacht aan de geliefde uitstapjes naar Duinkerken of Malo-le-Bains- en je wilt vanop hetzelfde punt rondkijken. Hij speelde zachtjes een la en leerde haar dezelfde noot met verschillende vingers aanhouden. Heeft ze toen werkelijk de branding gehoord, of was het de opbouw van een akkoord, het overschakelen naar een register waarin de lucht weer water was geworden?
Of ze een duif wilde zijn? Opstijgen met klapperende vleugels en zachtjes neerkomen op de rand van het dak. Mensen noemen het ‘de verte’, maar duiven kennen elk geheimpje van de afstand. Laat ze maar heel hoog klimmen en dan traag naar beneden komen, tot ze hier op het klavier in je vingers terugkomt. En hoe anders de afstand tussen la en si, tussen la en de re van het volgende octaaf. Met al die kleine en grote afstanden kon je een melodie opbouwen. Een melodie was een reis. Een verzameling afstanden. Je zou ze kunnen tekenen op de muur, of ze dansen, dat kon ook.
Het stugge woord ‘afstand’ werd een nieuw ijkpunt om de wereld rondom haar als een combinatie van ritmes waar te nemen. De opwaartse lijn van de toren, plotseling onderbroken door het huisje van de torenwachter, daarboven alleen nog de lucht. Rijen huizen in de straat. Sommigen inspringend, anderen verborgen zich achter de statige gevels van scholen of kantoren. Landschappen waarin de horizon eindeloos ver weg was, of de innigheid van de tuin met de kastanjelaar en de drie berken. Hoe kon ze de verte met die innigheid verzoenen? Dat is het heimwee, of met een moeilijk woord ‘mélancholie’. Ze besefte vlug dat muziek een bijzondere manier van kijken was geworden. In-zien. Naar binnen kijken en begrijpen, of gewoon de raadsels aanvoelen.
Die stille man aan tafel, dat was dezelfde man die een uur geleden haar had meegenomen naar vergezichten en ronde kamers waarin geesten fluisterden of fabeldieren hun nesten bouwden.

Natuurlijk waren er ook momenten waarin de blindheid zegevierde, het ontbreken van perspectief omdat ze haar opdrachten niet had herhaald of met te weinig ijver tot de hare had gemaakt. Hoe moet je een veertienjarige ‘Aus tiefer Not schrei ich zu dir’ uitleggen, dat heidens kind dat intussen bij haar tante Josephine de combinatie van heilige gewaden en erotische stoffen kon rijmen met een ‘largo e spiccato’, door de grote Sebastiaan zelf ontleend aan een concerto van de vurige roodharige uit de dogestad.

Toen ze ‘Ich hab’ mein Sach’ Gott heimgestellt’ speelde, zag ze haar kleine Hermes naar haar kijken. Zoals zachte avondwind gebladerte naar de nacht laat bewegen, wiegde hij met zijn hoofd de opbouw van de cantus firmus mee. Hij herkende de fuga in het voorlaatste gedeelte die bijna als een canon om het thema draaide.Een kind dat net voor kerstmorgen beseft dat het wonder heeft plaats gevonden en in die seconde bovenaardse glorie zich levenslang zal wentelen. Gebrande beelden. Een slapende geliefde in de vroegte van de nieuwe dag, licht tussen bloesems, maar ook de leegte van verlatenheid of de blik van een jongen die nu doodstil in de weergalm van het slotakkoord heel diep zucht.
‘Zou je mij les willen geven,’ zal hij haar later vragen, de ogen neergeslagen.
Ze kijkt naar zijn lange vingers, zwart van het voorbije opruimwerk.
‘Gewoon om de klanten te laten horen hoe hun nieuwe orgel zal klinken, niet om te concerteren. Ik kan wel een beetje piano spelen, en natuurlijk speel ik enkele zinnen om de verschillende registers uit te testen, maar zoals jij speelt, dat is zo anders, mevrouw Emilie. Vergeef me dat ik steeds maar jij zeg, ik ben dat beleefde gedoe niet zo gewoon.’
‘Speciaal voor jou,’ zegt ze. ‘Luister goed, het is je eerste les.’

Uit de triosonate nummer 2 in C klein speelt ze het largo, haar stuk voor de dagen zonder woorden. Haar vader had haar verteld dat het oefenstukken voor Wilhelm Friedmann waren geweest, Bach’s oudste zoon. De trage melodie wordt door zacht gesuis omgeven, alsof een luisteraar op de achtergrond zachtjes ingehouden een tegenmelodie meefluit zodat het sacrale werelds gekaderd is. De doordringende ogen en de zwarte vingers. Een kus en de onbereikbaarheid. Stel dat het tegelijkertijd eergisteren en overmorgen zou zijn: mensen lopen voorbij.

Hij probeert te glimlachen, maar er loopt een traan op zijn geveegde wang. Hij knikt.

50.

Was het toeval de zachte meester of eerder de handig vermomde beul, de geschiedenis zou het zijn echte tronie schenken, een rol toebedelen die naarmate de tijd vorderde wel eens van wezen kon veranderen. Tenslotte ontdekte zij zijn functie in zijn naam: dat wat je toeviel. Of die lotsbestemming in de zogenaamde sterren was geschreven of door eigen wil werd beïnvloed zou lang na haar bestaan onderwerp van discussie kunnen zijn, kon door haar eventuele nazaten in hun levens worden ingepast of weggedrukt, zij werd op haar beurt bewogen door wat haar voorgangers in beweging hadden gezet.
Dat daarbij de intenties wel eens anders uitpakten dan de planning van het lot bleek een wezenlijk onderdeel van het onbegrijpelijke dat haar eerder had aangetrokken dan afgeschrokken.

Haar moeder had het bestaan als een te mennen wild paard beleefd, de teugels strak aangespannen, waarbij noch de nukkigheid van het dier, noch de kuilen in de weg haar van haar reisdoel zouden afbrengen. In de besluiteloosheid -of beter bij het dapper volgen van het toeval- voelde zij zich eerder verwant met haar vader. Gegrepen door een zin uit een boek of een toevallige ontmoeting verliet hij de gebaande paden zonder brokken te maken maar met de ijver van een kind dat door een wonderlijke gebeurtenis is overweldigd zonder het leven van alledag op te geven. Was hij door een verhandeling of een verhaal op het spoor gekomen van het bijenleven dan rustte hij niet voor hij een imker had gevonden die hem de praktijk van het goed georganiseerde insectenleven uit de praktijk kon bijbrengen waarna hij de daaraan verbonden theoretische of poëtische tractaten doornam en ze bijvoorbeeld in zijn muzikaal spel of zijn levensfilosofie probeerde in te passen of zich minstens wekenlang te blijven verbazen over de mysteries van de taal of de bedoelingen van de natuur en haar grote omgeving te citeren wanneer hij met zijn eigen kleinmenselijheid verveeld zat.

Bij het bezoek aan Pierre’s atelier verbaasde het haar niet dat de jonge Jean-Emile een ware meester bleek te zijn in het oplossen van allerlei technische problemen bij de orgelbouw.
‘Dat heeft hij alvast van zijn vader geërfd. Rogier-Joseph begon in Nederland als een armoedige meubelmaker, werd door de ouderen gepest omdat hij tenslotte deskundiger bleek dan zij. Op zijn twintigste vluchtte hij naar Belgïe waar hij in het atelier van Hippoliet Loret in Laken terecht kwam en er enkele jaren later meestergast werd om in vijfenzestig in Laken zijn eigen atelier te beginnen. Acht kinderen. Zijn vrouw blijft in het kinderbed van de laatste. Hijzelf stierf vorig jaar. De enige die de stiel van Rogier wilde verder zetten is die jongeman daar. Eigenzinnig, maar geen tijd gehad om kind te kunnen zijn, Hij heeft het talent van zijn vader, maar ook les défauts de ses qualités. Temperament. Houdt zijn mond niet als hij terecht of niet op zijn vingers wordt getikt. Wil opvallen, maar hunkert naar een beetje nestwarmte. Bewondert iemand met dezelfde ijver als hij iemand veracht. Met overtuiging. Het feit dat jij het largo uit de tweede triosonate voor hem speelde heeft een diepe indruk op hem gemaakt.’
‘Onze familie heeft een zwak voor wilde engelen, cher Pierre.’
‘Kom.’
Ze liepen door het atelier naar een annex van de toonzaal. Daar stond een klein huisorgel opgesteld.
”Een eenvoudig maar degelijk huisorgel, eigendom geweest van een monseigneur die nu geen instrument meer nodig heeft om hemelse sferen op te roepen. Jouw Emile wil het voor jou kopen, en de kleine Emile zou het in de kapel van jullie landhuis monteren tenzij je verkiest het thuis, Boulevard du Nord, te installeren. Jullie vertrekken volgende week voor een tijdje platteland heb ik gehoord. Over twee weken komen wij het materiaal leveren en blijft de wilde engel achter voor de opbouw. Emile, kom je even trappen?

51.

Of ze in de eenzaamheid van de Kempische heide een klooster wou stichten, dan was zijn bijdrage, een heus orgel in de kapel, alvast een aanmoediging.
Voor hem zat een jonge naakte non, een linnen laken over het hoofd getrokken.
Dat wilde ze wel maar alleen als père Emile de Lunden abt zou zijn en zijzelf maman du convent waarin ook de kleine Léon, le petit Jésus, een vrij vroege roeping kon volgen. Samengevat: een heilige familie met heidense mogelijkheden die tevens de uitbreiding van de gemeenschap waarborgden, in alle eeuwigheid, amen.
Amen, antwoordde hij vlug en kuste haar.

Op de stille oevers van het nachtelijk opgaan in elkaar heerst de intense stilte van het grenzeloze waarin beetje bij beetje de omtrekken van de andere weer voelbaar worden, zich nog niet helemaal losmaken maar waar zachte lippen of strelende handen een zwijgende grens willen doorbreken die slechts bij genade van onzichtbare ogenblikken heeft bestaan en net zoals het goddelijke zich niet laat dwingen noch verleiden.
Ook de kamer is terug, de geluiden buiten en trage slagen van de klok op de overloop vertellen het onafwendbare van de tijd. De slaap zuigt zachtjes het besef weg van het voorbijgaan, schuift hen op het eiland waar woorden gewichtloos voor dromen zijn ingeruild.

Hij heeft haar gewaarschuwd.
‘De economische crisis slaat wild om zich heen. Vader Jean Philippe wantrouwt Simon Philippart die twee miljoen tweehonderdduizend frank op tafel wil leggen voor de concessie van William Morris’ Voies ferrées’ om nog te zwijgen van de voorstellen die Albert Vaucamps hem heeft gedaan. Tien miljoen vraagt hij om zijn ‘Belgian Street Railways and Omnibus Company Ltd’ van eigenaar te laten veranderen.
Natuurlijk is er de Banque belge du Commerce et de l’ Industrie die de nieuwe aandelen zal uitgeven, maar wie zal ze kopen in deze moeilijke tijden?
Er zijn dus belangrijke mensen op het landgoed uitgenodigd. Er is extra keuken- en dienstpersoneel ingehuurd, de kamers zijn opgeknapt, de gangen geschilderd, ja zelfs de leeuwen voor de trappen naar het bordess hebben een beurt gekregen. Ambassadeur Lord John Savile -herinner je hem bij het doopfeest?- is blijkbaar een belangrijke schakel op zoek naar Engels kapitaal en zal eveneens de stulp in de Kempen bezoeken. Dit maar om je te vertellen dat eerste twee weken drukker zullen zijn dan de zomer in Brussel. De Bruggelingen brengen extra stoffen en toiletten mee hebben ze beloofd, de wijnkelder is aangevuld en keuken zelf gemoderniseerd. Papa doet de regie, wij volgen zijn aanwijzigingen en spelen alsof we in alle gesprekken zijn geïntresseerd. Niet boos worden, chérie, daarna mag je tot diep in september het nieuwe orgel uitproberen terwijl wij alweer naar de zogenaamde echte wereld zijn teruggekeerd. Bijna was ik vergeten je te vertellen dat er ook een vleugel in het grote salon staat, attentie van onze buren uit Vorselaer. Neem dus muziek mee die best ernstig lijkt zonder het te zijn althans wat de duur betreft. Korte stukjes voor het slapengaan of als entr’acte bij het diner. Er komen blijkbaar ook gasten uit het verre Berlijn die ten zeerste je muziek zullen appreciëren, en zet die vaas terug, ze kost een fortuin.’
Waarom ze met al die drukte naar de verre Kempen moesten? Alleen maar decor?
‘De combinatie van kapitaal en natuur schijnt een heilzame werking hebben op het gemoed van financiers en andere belangrijke zielen. Onder de kruinen van de grote platanen en eeuwenoude lindenbomen is het blijkbaar genoegzaam praten over de verwoesting van datzelfde landschap. Spoorwegen, gietstaal en schoorstenen lijken minder ordinair bij vogelgekweel en avondschemering. Welvaart verkoopt het best bij verre horizonten. Leven op het land als luxe. Terug naar de natuur vraagt planning en kapitaal. Nog even geduld en we bouwen stalen villa’s op het land.’

52.

‘L’ amitié des banquiers’, waarbij namen als Brugman, Mendel en zelfs Bleichschröder, vriend en persoonlijke bankier van Bismarck, mensen van vlees en bloed werden, net als zijzelf, vrolijk en charmant la princesse de Lunden genoemd, in de tijd en dus in de geschiedenis verankerd was.
Alsof ze bij de plannen betrokken was geweest participeerde zij aan het genoegen dat de heren aan het verdrag van Berlijn (11 juni 1872) hadden beleefd waarbij de Duitsers (La Commission Impériale) weer toegang tot Elzas Lotheringen kregen onder de voorwaarden van de Compagnie de l’ Est zodat de neutraliteit van het Groothertogdom gewaarborgd scheen en de Belgen de verbinding tussen Spa en de Luxemburgse grens terugkochten en de spoorverbindingen van de diverse betrokken naties het Groothertogdom als knooppunt gebruikten, niet tot algemene vreugde van zijn bewindvoerders.
Het was Simon Philippart geweest die alle partijen in Brussel bij elkaar bracht om de voorziene kopen en terugkopen in goede banen te leiden en daarna in Frankrijk aan het werk te gaan om de verbinding Orléans-Rouen te realiseren waarbij het verlies dit jaar tot 700.000 franken was opgelopen, een resultaat dat de goede verstandhouding tussen de grote Compagnies en hemzelf niet had bevorderd. Op zoek naar vers geld was hij nog steeds in Parijs waar hij la Banque Franco-Autrichienne-Hongroise gesticht door Emile Erlanger en de Banque Franco-Hollandaise van Wertheim en Gompertz in zijn bezit kreeg en het Crédit Mobilier onder zijn hoede nam.

Natuurlijk bewonder ik zijn durf, had papa Jean Philippe meermaals geponeerd, maar wie veel wil dragen heeft sterke armen nodig. Het verzamelen was één, mais il faut déposer la richesse, het in goede handen geven. Niets mis met familie, maar – en hier werd hij door de Duitse Carl Meyer bijgestaan, familie en nauwe vrienden moeten op de eerste plaats investeren. Wo der Fuchs sein Lager hat, da raubt er nicht.’
Met herr Meyer kwam de naam Krupp meermaals ter sprake. De Pruisische staatsbank had aan deze staalhandelaar uit Essen tien miljoen thalers uitgeleend en nam een vertrouweling uit de leiding van het bedrijf -zij noemden het de Prokura- als controleur op de besteding van deze som. Een bijzonder aardige constructie om bankbetutteling te voorkomen.
Net zoals Jean Philippe zag Alfred Krupp financiers te veel als rivalen. Industriële expansie werd best door familie en vrienden gefinancierd. Meyer noemde een zekere Sölling en de Waldthausens, Jean Philippe wilde zijn ‘bekenden’ nog niet prijs geven.
De dames kwamen binnen met een aperitiefje. Muzikanten speelden buiten onder de lampions.
‘Waar de muziek klinkt zijn de tafels gedekt. De zomeravond mag even de crisiswolken uit ons hoofd verdrijven.
‘We hopen u vlug in Essen te mogen ontmoeten, lieber Jean Philippe,’ zei meneer Meyer.
‘Graag. Die uitspraak over vossen vond ik erg treffend. Wij zeggen: ‘Avec le renard, on renarde.’ Vossen moet men met vossen vangen.’
‘Mag ik beide heren vergezellen. In vossengezelschap voel ik me thuis.’
Emilie bood beide heren een arm.
‘En sluwe vrouwen wakkeren de eetlust aan,’ een net gevonden gezegde dat we zo dadelijk met een uitstekende champagne kunnen besprenkelen,’ antwoordde Jean Philippe.

Het orkestje speelde met zwier La Varsoviana.

53.

Ze zou zich later verbazen over de vanzelfsprekendheid waarmee ze zich die dagen tussen de belangrijke gasten had bewogen, hen aandachtig beluisterde en ze in hun eigen taal te woord stond. (met uitzondering van de Berlijnse delegatie die zich echter ook in een soort ‘gehakt’ Engels kon verstaanbaar maken.)
Ze zag de blije verbazing in de goedkeurende blikken van Emile en vader Jean Philippe, ze voelde hun opluchting nu de artistieke aanwinst uit het stugge noorden een jonge vrouw van de wereld bleek te zijn, een verlengde van hun eigen gecompliceerde voorname opgewektheid, waar een tikkeltje zelfspot en een luchtige kennis van elkaars familie-initimiteit een zekere band van vertrouwen schonk en een ideale voedingsbodem voor degelijke, zij het gedurfde investeringen mocht blijken.

Na een Bach concertje kwam de Engelse ambassadeur naar haar toe, drukte haar langdurig de hand en prees openlijk haar interpretatie.
Uiteraard was het moeilijk kunstenaars met elkaar te vergelijken. Maar hij herinnerde zich graag een volledige uitvoering van Handels Messias in negenzestig toen het Brusselse Zuidstaton werd ingehuldigd en duizendvijfhonderd uitvoerders een massa van bijna achtduizend aanwezigen in vervoering brachten.
Nu had iedereen de mond vol van het Duitse wonder Wagner, een man die zelfs in de ‘Concerts Populaires’ van de hoofdstad opgang maakte. Tanhäuser was in de Munt ‘the biggest box-office’ geweest van het seizoen 72-73 naar hij uit goede bron had vernomen, om maar te zwijgen over Hans Richters versie van Lohengrin in 1870.
In Parijs hadden ze het over ‘la maladie Wagenérienne’ (the Wagnerian disease!), een kwaal die in alle Europese landen woedde, Frankrijk begrijperlijkerwijze uitgezonderd, en overal tot het symbool van de moderniteit werd uitgeroepen.
‘U echter,’ -hij liet nu eindelijk haar hand los- ‘u plaatst uzelf met de composities van de grote meester duidelijk boven de mode. En of hij nu een Duitser zou zijn of een Slavische ziel, zijn muziek oversteeg de naties zoals de aangename ontmoetingen in dit oord geschiedenis zouden schrijven eens de landen van Europa hun nationale belangen in een nieuw gevoel van samenhorigheid konden muteren.’
‘Dat heeft u mooi gezegd,’ wilde ze hem tegemoetkomen, maar ze glimlachte alleen maar en knikte hem vriendelijk en vrouwelijk verlegen toe.

Sprak Emile zijn verbazing uit over het feit dat Meyer in Engeland naar paralelle financiers zocht voor Krupp’ s staalbedrijf, meneer Jules Dodemont van Cockerill legde graag contacten met de concurrentie, enigzins gedekt door het fortuin van de Graaf van Vlaanderen die meer dan vierduizend hectaren, dépendances van de abdij van Postel, had verworven, land dat zich uitstrekte over de gemeenten Rethy, Geel, Mol en Dessel.
‘Een Coburger als gebuur,’ spotte Jean Philippe graag, ‘Duitse prinses inbegrepen, liefhebber van dure boeken en nog duurdere paarden. Faut aimer ses voisins.’
Met Simon Philippart en de Duitse staalgigant deelde hij een voorzichtige afkeer van adel en koninklijke huizen al nam hij hen graag in zijn klantenbestand op.
‘Het kapitaal moet het van kennen en kunnen hebben, van afzien, en niet van geërfd aanzien om een woordspeling uit de streek te gebruiken.’

Op 25 augustus werd Simon voor de tiende keer vader. Adrienne Pecher beviel van een flinke jongen die ze zonder zijn goedkeuring Georges noemde.

54.

Eens de tantes naar de verschillende abdijen in de nabije omtrek waren uitgezwermd, de toekomstkwesties van de Brugse firma niet dadelijk bij haar gehoor hadden gevonden, lagen de dagen open waarin de uren zelf hun eigen verloop konden bepalen.
De Engelse ambassadeur wilde nog een bezoek brengen aan baron Stanislas de Broqueville die hem graag in zijn optrekje dichtbij de Postelse abdij zou ontvangen. Politiek zei hem niet veel al was hij al eens in de jaren vijftig-zestig voor de katholieken in de Oost-Vlaamse provincieraad verkozen. Hij liep graag langs zijn uitgestrekte bezittingen, geweer in de hand. Een buitenmens met een minzame vrouw die hem een kroost kinderen had geschonken. Dit alles volgens de bondige beschrijving uit de mond van Jean Philippe, kennis en jachtgezel van de net beschreven baron.

De avond voor het vertrek van vader en zoon barstte er een onweer los. In minder dan een kwartier trokken zwarte en zilver gerande wolken samen boven het landhuis, schudde de wind hevig met de overhangende kruinen en boorden zich de eerste bliksemschichten in de westelijke weidegronden terwijl de ruiten trilden bij de bijna gelijktijdige donderslagen.
Verhalen over dood gebliksemde runderen, vuurbollen die door schoorstenen het huis binnendrongen en roetvlekken op de muren hadden achtergelaten, de bange boeren die met palmtakjes en gewijd water hun schamele goed dachten te beschermen, de grote heidebranden uit de jaren zestig: verhalen bij het dansende olielicht in de donkere eetkamer wilden het lot bezweren alsof het vertellen ervan een werkelijke ramp kon afwenden.
‘Het kind?’
Ze wist dat Jeanne vroeg te bed was gegaan en zelfs niet door nabije kanonschoten zou gewekt worden, een eigenaardigheid die ze zelf aan haar toenemende ouderdomsdoofheid toeschreef.
Toen ze voorzichtig de deur van de kinderkamer opende, zag ze Léon rechtop in zijn spijlenbedje staan, zijn gezichtje naar het raam. In het overdadige licht van de volgende bliksemschichten en bij het lawaai van de krakende donderslagen ging er een nauwelijks merkbare rilling langs zijn ruggetje.
‘Léon!’
Hij draaide zich niet om maar wees met zijn vingertje naar buiten.
‘Mooi, mama. Mooi.’
Ze tilde hem uit het bedje, wilde hem mee naar beneden nemen, maar hij bleef naar het raam wijzen.
‘Onweer,’ zei ze. ‘Het ergste is voorbij.’
Hij hoorde haar niet. Zijn mondje viel open bij de volgende bliksem die achter de beek insloeg terwijl het huis bewoog bij het donderend geluid.
Ze wilde hem beschermend tegen zich aandrukken maar hij maakte zich onmiddellijk los uit haar armen en herhaalde het woord ‘mooi’ en beschreef met zijn armpje de koers van de vurige lichtstreep naar de aarde. Bij het narommelen van de donder begon hij te lachen. ‘Oh, oh,’ riep hij luid.
De eerste regendruppels trommelden tegen het glas terwijl de horizon oplichtte.
‘Zie je, Léon, nu wordt alles buiten weer heel fris. Kun je morgenvroeg door de plassen lopen.’
De fascinatie van het kind voor het onweer maakte haar rustig. Ze ging met hem voor het grote raam van hun slaapkamer staan. Bij de volgende bliksems riepen ze samen bewonderende kreetjes alsof ze naar een feestelijk vuurwerk keken.
‘Hij leert me opnieuw kijken,’ dacht ze. ‘Hij heeft al mijn angsten weggenomen.’
Op dat ogenblik werd de oude beukenboom bij de stallingen getroffen. In vurige pracht viel zijn kruin op grond terwijl de onthoofde stam als een fakkel oplichtte.
Het kind kraaide het uit.
‘Nog, nog!’ riep het luid terwijl de donder het huis schudde.
Voor de eerste keer zag ze de vreemde gloed in zijn oogjes. Verrukking en boosaardigheid, dacht ze later, maar dat zou wel haar interpretatie geweest zijn van zijn bizarre reactie.

55.

Omdat vader en zoon in een ernstige discussie waren gewikkeld, kreeg ze die nacht niet de kans om over haar vreemde ervaring te spreken. Léon was op haar arm in slaap gevallen. Ze had hem slapend weer in zijn bedje gelegd terwijl de zomerregen over het huis viel. Ze opende voorzichtig het raam. Groene geuren, dacht ze, en daarachter nog de lang voorbije bloesems, en het rijpende fruit uit de boomgaard. Toetsen van geschroeid hout en rook; maar vooral helderheid die je bijna kon smaken: zoals room waarin je zowel melk als gras kunt proeven, een combinatie van scherpte en zachtheid: concentratie en een weide waar je kunt liggen. Diezelfde tegenspraak van Léons reactie op het onweer. Een fascinatie voor het gevaarlijke met als troost het idee dat alleen de onschuld, in dit geval de onwetendheid, zijn uiterste grens bereikte en de nare ervaring je te branden aan het vuur de schrik en het ontzag voor deze oerkracht ontwikkelde.

De regen had het vuur van de brandende boom snel gedoofd. Enkele bedienden en boerenknechten trokken de resten van de kruin weg van de stallingen. ‘Op de Molenhoeve was een schuur in vlammen opgegaan, vertelden ze.
‘Beetje nablussen met een frisse pale ale van brouwerij De Ster,’ stelde Emile voor. Als dank voor het werk van de voorbije weken. ‘Eduard, geef je volk te drinken en zorg dat wij ook niet omkomen van dorst!’

Of de professor had gehoord wat zijn vader gehoord had, wilde Jean Philippe weten. Hij schonk de glazen nog eens vol.
‘Ik heb veel gehoord,’ antwoordde een duidelijk vermoeide Emile. ‘Iedereen heeft zoveel mogelijk contant geld nodig in deze crisistijd, dat heb ik gehoord.’
‘Ik had het over de winkelwaar, Emile.’
‘Lend your money and loose your friend!’
‘Als je een vriend zoekt dan stel ik je lord ‘steel’ voor. Staalharde liefde, jongen. En niet alleen om er wintertuintjes, stationsgebouwen of expositie-paleizen mee te bouwen.’
‘Cockerill en Krupp, hoera!’
‘Neem nu nog zo’n flinke zoon van zijn bekende vader Mathieu, Henri Alexis Brialmont die zich sinds vorige maand generaal-majoor mag noemen en genomineerd is als directeur voor de forificaties in Antwerpen.’
‘Bedoel je de speelgoedfortjes uit de jaren vijftig?’
‘Dat Frans-Duitse oorlogje heeft inderdaad bewezen dat met de huidige artillerie deze versterkingen veel te dichtbij de stad liggen. Maar er zijn al andere plannen. Een Rupel-Netelijn met de daarrond liggende polders die je onder water kan laten lopen. En met een beetje geduld kunnen er moderne versterkingen rond Luik en Namen worden gepland. Ik heb mijn contacten. Wie de vrede wil bewaren zal de oorlog voorbereiden. Voor de handel in bescherming en verdediging bestaat er geen crisis.’
‘Ik heb mijn handen vol met de universiteit en de koninklijke wintertuin.’
‘Een universiteit hoeft niet wereldvreemd te zijn. Blader maar eens in deze studie van zoon Henri Alexis. ‘Etude sur la fortification des capitales et l’investissement des camps retranchés.’ Verplichte leerstof op de militaire academie. Gewoon stof tot nadenken, cher ami. Papa Brialmont is nog altijd aide de camp van de koning. En wie een stalen stad voor exotische planten kan bouwen is zeker in staat om een veilige pantsterkoepel voor geavanceerde artillerie te ontwerpen. Schenk nog eens in. Van dat praten en onderhandelen krijgt zelfs een verstandig mens een droge keel. En geef je allerliefste ook een glas, ze heeft het verdiend. Ze heeft naast haar schoonheid een talent dat zeldzaam is in deze kringen. Ze kan luisteren. Let op, ik bedoel niet alleen doen alsof, maar echt luisteren. Er is haar meer toevertrouwd dan wij vermoeden.’

56.

Al besefte ze dat de tijd deze dagen met een zekere nonchalante wreedheid zou uitstrooien tussen het alledaagse en gaten van vergetelheid, de geuren van verbrand aardappelloof zouden Jean-Emile’ s aanwezigheid blijven oproepen. Vuurtjes op de velden waarvan de rook zich mengde met eerste avondmist.
Misschien was de goede geur al met haar eigen kindertijd verbonden, een verzonken herinnering aan de lange wandelingen met haar vader waar hij haar de eerste begrippen van de griekse en latijnse cultuur had bijgebracht.

Natuurlijk was het een schitterende zomerdag toen hij met het dubbelspan aankwam. Groter geworden, de jongen in Brussel achtergelaten, had hij al dezelfde lengte als Antoine, de meesterknecht, die de volgende morgen met de lege wagen zou terugreizen.

In het vroegere vrouwenhuis van de priorij had ze zijn kamer laten klaarmaken, verblijf dat in de drukke dagen, nog de persoonlijke bediende van de Engelse ambassadeur had gehuisvest.
Hij schrok toen ze de deur openduwde en hij de bloemen op het tafeltje bij het geopende raam zag, het fris gesteven linnen op het bed, de mooie combinatie van waterkruik en bijhorende toiletspullen uit fijn gedecoreerd aardewerk.
‘Na zo’n lange reis zul je je misschien graag een beetje verfrissen. Neem je tijd, daarna kun je Antoine helpen, lossen en zullen we dan samen buiten onder de bomen avondmalen.’
De kleine Léon liep naar Jean-Eimle. Hij stak zijn armpjes uit om opgetild te worden.
‘Als dat geen welkom is,’ zei Emilie.
Hij nam het kind in zijn armen en tilde het hoog in de lucht.
‘Jij woont in een paleis!’ riep hij. ‘En ik kom met je spelen.’
Het kind kraaide van de pret.
‘Dit is Jean,’ zei Emilie. ‘Hij komt voor mama een prachtig orgel maken.’
Ze wilde hemvan de jongen overnemen maar hij sloeg zijn armpjes rond zijn nek.
‘Zean,’ zei hij. ‘Zean.’

Onder de bomen van het zuiderterras bleven ze lang napraten. Antoine, geboren verteller, had het in zijn streekdialect over de avonturen van een voerman. Hij was zelfs een keer overvallen, net buiten Dendermonde. Hij had een lading oude orgelpijpen bij van een klooster in de buurt. ‘Buizen met springstof,’ had hij gezegd. ‘Wie ze laat vallen, heeft het zitten. Pak maar mee maar laat me eerst in de paarden uitspannen want het zou spijtig zijn dat de arme dieren mee in stukken werden gereten. Maar de boeven waren nergens nog te bekennen.’
Hij dronk zijn glas leeg, wenste het gezelschap goede nacht en verdween naar zijn knechtenkamertje boven de stallingen.
Het bleef lang stil.
Of hij niet moe was?
‘Straks word ik wakker,’ antwoordde hij, ‘en dan was het maar een droom. Het is hier zo mooi. Zo anders dan in de stad.’
In het licht van de olielampen waren zijn ogen nog donkerder.
‘Het zal hard werken zijn, dromer.’
‘Ik ben eens met mama op reis geweest. Ik denk dat ik zeven, acht jaar was. Ik herinner me haar stem nog toen ze zei: jongen, dat is nu de zee. Gek, maar ik weet niets meer van de zee. Ik hoor alleen nog haar stem. Dankjewel mevrouw voor de ontvangst, de mooie kamer, het lekkere eten. Goede nacht.’
Hij stond op, maakte een onhandige buiging en verdween in het achterliggende donker.
57.

Terwijl Emilie vrij vroeg het ontbijt klaarmaakte, zag zij de jongen al met lange planken van de orgelkast voorbijkomen. Voor de kleine kapel had hij de onderdelen gesorteerd.
Of hij al lang aan het werk was?
Hij wees naar het bijna lege afdak waar zij vorige avond de wagen hadden gelost.
‘Nog voor de eerste hanen kraaiden, mevrouw. Hopelijk heb ik u niet wakker gemaakt.’
‘Daar heeft een ander jongetje voor gezorgd. Kijk.’
Het kind kwam de binnenkoer opgerend.
‘Zean,’ riep hij. ‘Zean!’.
Hij liet zich graag optillen en sloeg zijn armpjes rond Jean-Emile’s nek.
‘Komen de heren ontbijten?’
‘Ik heb straks nog een hulpje nodig voor het raamwerk.’
‘Die hulp staat hier voor jou. Maar eerst een stevige hap voor de arbeiders aller landen.’

‘Wat sta je daar te glimlachen, en haast je een beetje want ik kan die lat niet langer tillen.’
‘Ik dacht eerst dat u ging paardrijden. In het werkhuis van meneer Pierre zou iedereen ook wel een beetje glimlachen als ze een vrouw met een pantalon planken zagen zeulen. Maar u doet het voortreffelijk hoor. Momentje. Zie je wel, net wat ik dacht. Als we het orgel in deze richting verder monteren dan moeten de grote pijpen door het dak! Het zou het eerste huisorgel zijn met de holpijp en de prestant in open lucht. Excuseer, ik neem wel over.’
‘Maar enfin. Ik word hier bespot en becommentarieerd en als toppunt verklaart dat orgelventje dat hij niet eens dit instrument kan plaatsen zonder het dak open te breken.’
‘Ik heb een loodzware plank vast, neen niet doen!’
Ze probeerde hem ondanks zijn afwerende houding tussen zijn ribben te porren en net voor hij de onhandige last niet meer kon houden verlichtte zij het gewicht en legden ze samen de plank op de grond.
‘Pas op je vingers!’
Nog nalachend keek hij haar aan, kleurde rood en probeerde hij zich een houding te geven door met grote stappen de lengte van het instrument op de vloer af te meten.
‘De vorige eigenaar woonde blijkbaar erg ruim.’
‘Ik hoorde meneer Pierre zeggen dat het bij een voorname geestelijke uit Zaandam heeft gestaan. En ofwel heeft meneer Emile de verkeerde maten doorgegeven ofwel een zekere mevrouw hier aanwezig of…’
‘Of was er een orgelbouwer die zijn vervelende leerjongen het huis uitwilde, nieuwsgierig hoe hij dit probleem zou oplossen.’
‘Eén probleem? Minstens vijf problemen. Kijk eens naar de zijmuren. Vochtvlekken. En beste klante, wat denkt u van deze rare akoestiek, als u al van akoestiek kunt spreken want als ik luidop “mevrouw Emilie” zeg dan is de galm verdwenen nog voor ik ben uitgesproken.’
‘En als ik “meneer Jean-Emile” roep dan vallen de spinnen uit hun webben, verdwijnen de muizen naar de diepste kelders en rollen de orgelpijpen zo snel ze kunnen de deur uit.’
‘Neem uw wapen mevrouw. Ik laat me niet beledigen!’
Hij gooide haar een lange pijp toe, nam zelf een gelijkaardige in de hand en zette zich klaar om met zijn tegenstander te duelleren.
‘O kijk daar!’ riep Emilie. Terwijl hij geschrokken omkeek, stak ze hem in de hartstreek.
‘Laf, heel laf!’ riep het slachtoffer voor het met veel drama stervend neerviel.
‘Ik bewijs je alle eer, jongeman. Maar wie het tegen een vrouw opneemt moet van goede huize zijn.’
Ze wilde hem een hand toesteken om hem rechtop te trekken, maar de gevelde gaf geen krimp.
‘Ik zal je in deze kapel begraven. Wil je het huisspook worden, lieve dode man?’
Ze knielde bij hem neer.
‘Er is in verhalen ook nog een andere manier om iemand weer tot leven te wekken.’
Ze boog zich en kuste hem zachtjes op zijn wang.
Hij opende zijn ogen.
‘Uw huisspook is tot uw dienst, mevrouw,’ zei hij, de ogen vol verlangen naar ongekende velden van onnoembare vervulling.
‘Laten we dan nu op zoek gaan naar een betere plaats voor deze tweedehandse speeldoos.’
Ze gaf hem een hand, trok hem rechtop. Hij legde even zijn hoofd tegen haar schouder, zuchtte diep en klopte het stof van zijn werkkleren.