UITZICHT MET INZICHT: het oog van de meester (slot)

Die Pomagagnonwände mit Cortina d'Ampezzo

In 1881 maakt Rudolf Alt een ontwerp van de Pomagagnon-top in de Dolomieten met onderaan Cortina d’ Ampezzo. Het is een schets, je kijkt nog door de twee bewoners met karretje. We zijn ver weg van het gladde werk waarmee vader Jakob beroemd is geworden.
Luchten en bergen bewegen in het steeds veranderende licht, het dal wordt in onscherpe vlakjes weergegeven want het is het schouwspel van de natuur dat telt. Het blauw-paars van de wolken vind je terug in de onderste uitlopers van de bergen. Het is september, de gloed van de zomer zal plaats maken voor de schakeringen van de herfst.

Ein Ausflug der Familie Dumba in der Sommerfrische in Liezen

In een andere schets (aquarel) echter is het nog volop zomer: Ein Ausflug der Familie Dumba in der Sommerfrische Liezen. (1879)
De omgeving moet je er nog bij denken, maar het ritme waarin de familie even uitrust is mooi om te zien: in een opstijgende diagonaal rusten vijf leden van de Dumba’s uit van een tocht door dat sommerfrische Liezen terwijl de achtergrond voorlopig uit twee boom-strepen en een vlek bestaat. Mooi detail: onderaan wordt door dochter Louise von Alt bevestigd dat het Rudolfs werk is. Ook de verkoop heeft zijn rechten.
In een brief schrijft hij over die tijd bij de Dumba’s (Grieks-Oostenrijkse industriëlen) die een villa in Liezen hadden:
“Ja, selbst mit meinen Arbeiten geht es sehr langsam, weil zu viel spazierengegangen wird, von dem ich mich leider nicht so leicht zurückziehen kann … Seelos hat ein Bild für Dumba hier gemacht, Pischinger gibt den Damen Unterricht, und ich male an meinen Studien – und so leben wir in Freundschaft und Eintracht, nähren uns gut, und nachdem Abends Dumba eine Reihe Schubertscher Lieder sehr schön vorgetragen, wird zu den Taroktischen gegangen.”
(de aquarel die dit tafereeltje uitbeeldt werd op een veiling aangeboden met een waardeschatting tussen de 12.000-20.000 euro) De mooie schets bevindt zich in de Albertina.

praterallee

Waarschijnlijk uit diezelfde periode, een schets uit Wenen ‘Praterallee”, in feite de kleine weg naast de Hauptallee die overgaat in het park en in het landschap.
Het is een aanzet, vertrekkend rechts vanuit de grote boomstam en uitwaaierend over de weg die door dunnere boomstammen worden begrensd. Het ritme van de stammen en de frisse chaos van het gebladerte nodigen je uit om er langs te lopen. Of je nu in Wenen bent of in het laantje achter het plaatselijke kerkhof, je komt in een ritme dat je meeneemt naar rust, stilte.

papierfabriek

Maar net zo goed ging zijn belangstelling uit naar een papierfabriek: ‘Die Papierfabrik in Kneusiedl bei Fischamend gemaakt in 1873. Een grote papierfabriek in een piepklein dorpje (werkte tot in de dertiger jaren van de 20ste eeuw) waarin naast het handgeschepte papier ook mechanische mogelijkheden om papier te vervaardigen bestonden.
Of kijk je naar de metaalsmelterij in de straat waar hij verbleef, werkte en stierf, de Skodagasse. Je kijkt op de binnenplaats waar het oud ijzer rommelig door elkaar ligt.
Je zou het inderdaad ‘nach der Natur’ kunnen noemen zoals de Albertina das Wiener Aquarell inzonderheid het werk van Rudolf bespreekt.

Rudolf-von-Alt-Die-Eisengießerei-Kitschelt-in-der-Skodagasse-B

Wellicht moet je zijn visie op het menselijk gedoe ook langs de interieurs van grote gebouwen bekijken, inzonderheid van kerken. Daar loopt de mens verloren, kijkt hij vreemd om zich heen, knielt hij eerbiedig of zoekt hij naar woorden. De speling van het licht in deze gebouwen geeft de kunstenaar de mogelijkheid om het beste van zijn kunnen te tonen. Ik neem je mee naar Salzburg, de binnenkant van de franciskaner-kerk. Een jonge man die de kerkbank verlaat kijkt even nog onze kant uit, maar voor de rest verguldt het licht ons klein bestaan.

interior-of-the-franciscan-church-salzburg-rudolf-von-alt

Hij is oud geworden, 93. Hij werd geridderd, geëerd en geprezen, vergeleken, en zelfs door de nazi’s gegeerd in hun jacht naar kunstschatten. Werd hij bij leven uit geldnood gedwongen zijn werk te goedkoop aan kunsthandelaars te verkopen, later zouden dan weer andere handelaars, vooral Joodse, gedwongen worden zijn werk voor een prikje uit handen te geven. Momenteel loopt er nog een teruggave-project in Wenen. Maar hijzelf kijkt ons via zijn zelfportret vriendelijk en gelaten aan. Hij is door Europa gereisd, en door een eeuw waarin het geliefde landschap onder stoom en andere wolken is verdonkerd.
Maar zijn mooie blik blijf je in zijn talrijke werken terugvinden.

Selbstbildnis des Künstlers; Brustbild im Profil nach rechts

Een tenslotte zijn werkkamer.
Hij schilderde ze nog het jaar van zijn dood, 1905.
Daar waar hij aan het werk moest zijn, is er een witte vlek.
De meester immers is niet meer in zijn werkkamer maar in al zijn werken overduidelijk aanwezig.

rudolf-von-alt-das-arbeitszimmer-des-kuenstlers

UITZICHT MET INZICHT: een zoon zoekt zijn weg. (3)

skodagasse wien rudolf

Ook in Wenen ging het jaar 1848 niet onopgemerkt voorbij. Net zoals in 1830 waren er in verschillende staten en steden opstanden die een meer liberaal systeem, een liberale grondwet moesten mogelijk maken na de duidelijk conservatieve en autoritaire opvattingen die na het Kongres van Wenen in 1815 door de toenmalige heersers in Europa werden doorgevoerd. (hierboven de Skodagasse in Wenen waar de kunstenaar woonde en werkte)

rudolf_von_alt_blick_in_die_alservorstadt-_1872_albertina-_wien.990x0

In 1846 was Rudolf (von) Alt na de vroege dood van zijn eerste vrouw en zijn twee kinderen in 1843 opnieuw in het huwelijk getreden en wilde hij duidelijk zijn eigen accenten aanbrengen in het vaak nog gemeenschappelijke werk van vader en zoon.
Hij had zich in dat befaamde jaar 1848 als ‘Bürgergardist’ laten inschrijven maar stuurde voor alle zekerheid zijn familie naar zijn schoonouders in Tropau.
Toen midden oktober 1848 de gebeurtenissen in de hoofdstad een erg radikaal karakter kregen verliet hij samen met de toen zestienjarige Ludwig Passini (1832-1903) Wenen en vluchtte hij naar het nederoostenrijkse Traismauer om er in het Gasthof Hofkirchner (nu Gasthof zum Schwan) onderdak te krijgen. (Zijn jonge gezel zou later naar Venetië trekken er zijn leven lang blijven wonen en werken als schilder zoals hieronder blijkt)

Passini_Ludwig_-_Eine_Brücke_in_Venedig
Hijzelf schrijft over de gebeurtenissen:
‘Ich war im Jahr 1848 National-Gardist, aber ich ging sehr bald nach Traismauer, wo meine Leute wohnten“.

72f1b3e87c485d0d94b2a2971a5e5767

Hij maakte er dat jaar deze prent, een atmosfeer die enigzins verschilde met de Weense wereld.
Wel werd hij na zijn terugkeer datzelfde jaar lid van de Weense Akademie maar het zou toch tot 1866 duren eer deze benoeming ‘keizerlijk’ bevestig werd. (Frans-Jozef I)

blik op salzburg

In de kunstwereld wordt het tijd voor de proto-impressionistische invloeden, gevoeligheid voor lichtinval, het moment, het direkte. Ook bij Rudolf merk je die invloeden. Hij wil zijn eigen vormentaal gestalte geven. Al blijft hij immens populair met zijn ‘Veduten-werk’ uit de de diverse streken van de monarchie, zijn pogingen om aan te sluiten bij die nieuwe beeldentaal krijgen weinig weerklank. Hierboven ‘een blik op Salzburg’ (1869) Hieronder een plekje waar ook ter wereld.

rudolf boom

Was de vroege dood van zijn eerste vrouw en kinderen al niet licht om te verwerken, de financiële problemen ‘en surplus’ zorgden voor een heuse depressie.
In 1863 reist hij in opdracht van de tsarenfamilie naar de Krim maar de beloning en behandeling zijn eerder magertjes. Gebeurtenissen die niet dadelijk het vriendschappelijk klimaat tussen ouders en broer Franz (ook schilder) bevorderen.
Hij krijgt ook last van een soort beven, ‘ein Tremor’. Het schilderen wordt er nauwelijks door gehinderd. Slechts op latere leeftijd zou het hem schilderen onmogelijk maken. Het geeft hem wel de gelegenheid om zijn schilderstechniek opener te maken, direkter.

Rudolf_von_Alt_010

Toch zullen de zestiger jaren hem erkenning bijbrengen, zeker als lid en lesgever aan de Weense akademie. Ook ambtelijk krijgt hij weer opdrachten ‘van hogerhand’. (Presentatieblad van het Kaisersforum, Makart-Atelier)
Als zijn gezondheid na de dood van zijn ouders (1872) en zijn zijn tweede vrouw in 1881 niet te best meer is, wordt hij door dochter Louise verzorgd en blijft hij toch op zoek gaan naar nieuwe beeldentaal.
De natuur, vooral de bomen en ‘de vruchten van het veld’ zullen nieuwe onderwerpen zijn samen met de interieurs van zijn gegoede klanten.

groenten rudolf

Terwijl de negentiende eeuw een ongekende wetenschappelijke ontwikkeling in gang heeft gezet zal het geliefde landschap tot op deze dagen daaronder lijden.
In een laatste aflevering zullen we enkele tegenstellingen zichtbaar maken, het landschap proberen te verzoenen met wat ‘vooruitgang’ heet. Het heimwee voorbij.

1280px-Rudolf_von_Alt_-_Motiv_aus_Goisern_-_1903

UITZICHT MET INZICHT, een geschiedenis van vader en zoon Alt (2)

jakob-alt-regensburg-katedrali-1 kopie

Natuurlijk, de beide spitsen op de kathedraal van Regensburg zijn pas tussen 1859 en 1872 voltooid, en het mooie werk van vader Jakob Alt is 1837 gedateerd, dus had hij op dat moment een probleem minder om het gotische gebouw via een aquarel op papier te brengen. Hij kon vanuit een zeker evenwicht tussen opstaande en strekkende massa vertrekken en een afstand suggereren die nu door gebouwen is ingenomen.
Het snijvlak van voorgevel en zijgevel is het centrum van de compositie. De huizen links en rechts versterken de blikrichting en de diepte wordt nog eens extra door het achterliggende gebouw (rechts achteraan in rechthoekje) benadrukt.
Het dramatiseren van deze ruimte toont al dadelijk de meesterhand.

rudolf-stephansplatz-in-vienna-with-the-cathedral-rudolf-von-alt

Zoon Rudolf (von) Alt zal zijn werk een jaartje later (1838) met zijn aquarel van de Stephansplatz-met-kathedraal (Wenen) nog een extra atmosfeer meegeven.
Meteen wordt ook het aanvoelen duidelijk. Waren de mensenstipjes op vaders Regensburger aquarel eerder nog maatstaven om het majestatische van het gebouw te beklemtonen, hier zijn mensen duidelijk een centraal gebeuren, het leven in  een hoofdstad.
Het vreemde ‘sfumato’ waarin de tekening is gehuld is ook al een voorloper van Rudolfs’ werkwijze: het gebruik van het natuurlijke licht beklemtonen, wolkenpartijen of lichtinval bepalen meer dan de realiteit nodig heeft, een atmosfeer. De veduten-schilder op weg om de algemeenheid van zijn beeld, de tijdloosheid,  aan te vullen met het ogenblik of het moment van de dag.

1280px-Rudolf_von_Alt_-_Das_Rathaus_in_Mödling,_1842

In de prachtige nog niet afgewerkte aquarel ‘Das Rathaus in Mödling’ uit 1842 (dankjewel digitale Albertina in Wenen) zie je duidelijk dat naast en rond het gebouw de ‘bezigheid des mensen’ al net zo belangrijk is geworden. Deze studieschets geeft je een goed idee van zijn opbouw-methode en de meerlagigheid van het aquareleren.

1280px-Rudolf_von_Alt_-_Das_Rathaus_in_Mödling,_1842
Kijk ook naar een jeugdwerk uit 1835 ‘Blick vom Kloster Onofrio auf Rom’ uit 1835, op reis met zijn vader gemaakt.

1280px-Rudolf_von_Alt_-_Blick_vom_Kloster_Sant'_Onofrio_auf_Rom_-_1835

Standpunt, licht en schaduw, de zomerse Italiaanse lucht waaronder Rome zich uitstrekt, de koelte onder het ritme van de bogen, enkele spaarzame aanwezigen en het grazende ezeltje. Het inlevingsvermogen van deze nog jonge meester ( hij is dan 23 jaar) reikt verder dan het plaatje voor de thuisblijvers. Door zijn vader opgeleid zal hij in kunde en emotie hem overvleugelen, met alle problemen vandien.
Kijk hieronder naar zijn prachtige aquarel ‘Der Graben in Wien’ van drie jaar later. Arm en rijk, jong en oud ontmoeten er elkaar. Het licht wordt door mooie wolkenmassa’s getemperd. Naast de aandacht voor de architectuur is er de menselijke beweging en dat alles onder het milde licht van een lentedag.
Rustig? Tien jaar later wordt het 1848, een jaar van Europese opstanden. Ook de kunstenaar zal het niet ontgaan. Dat is voor een volgende aflevering.

233 - Olga

 

UITZICHT MET INZICHT, een geschiedenis van vader en zoon Alt

115bc8d125973175b5359cbcc312911c--artist-studios-architecture-art

In 1789 geboren in Frankfurt am Main als zoon van een schrijnwerker wilde Jakob Alt in die stad zich bekwamen als ’Veduten-maler’, een plan dat hij in 1811 aan de Weense academie zou verder zetten.
Het Italiaanse woord ‘Veduta’ betekent uitzicht.
‘Eine Vedute ist in der bildenden Kunst die wirklichkeitsgetreue Darstellung einer Landschaft oder eines Stadtbildes. Gemäß der Kunsttheorie der Zeit ist das Ziel die Wiedererkennbarkeit, alle anderen Aspekte der Bildgestaltung sind weniger wichtig.’
Begrijpelijk dat het woord ‘postkaarten-kunst’ of ‘souvenirprentjes’ de minderwaardige toon beklemtonen.
Maar het gaat om dat ‘wirklichkeitsgetreue’ en de opmerking dat ‘alle anderen Aspekte der Bildgestaltung’ weniger wichtig sind. Het zou om het ‘herkennen’ gaan, je, dat is inderdaad Wenen, en hier zijn we inderdaad in Venetië. En in Venetië spreken we dadelijk over Canaletto, en daar gaat het ook om heel wat meer dan ‘herkenning’. Het gaat over ‘Uitzicht met inzicht’. (hieronder: bij het strand van Amalfi)

A View from Amalfi, c.1837, Watercolor on Parchment-Jakob -Rolled Canvas
Daar was het bij Jakob Alt ook om te doen: ja, een herkenning oproepen, maar vanuit zijn persoonlijk standpunt. En waarom niet vanuit de lucht zoals de drie prachtige prenten van waaruit hij Wenen vanuit drie verschillende richtingen uit een luchtballon weergeeft.

jakob_alt_ballonfahrt_ueber_wien_aquarell_1847_original
Zijn geplande studie aan de Weense akademie moest hij te vlug vergeten wegens familie-uitbreiding en familie kost geld. Zelfstudie dus. Vooral door onmiddellijk materiaal te leveren aan Kunstverlag Artaria: ‘Mahlerische und merkwürdige Ansichten d. verschiedenen Provinzen der österreichischen Monarchie und der benachbarten Länder’ (1813-1820)

Jakob_Alt_-_Panoramaansicht_von_Venedig_-_ca_1835.jpeg
Rondreizen in de Oostenrijkse Donau-en Alpenomgevingen en daarna in 1828 en 1833 tweemaal de bovengebieden van Italië en een dubbel verblijf in Venetië en Rome.
Hij werkte eerst als aquarelist (Ansichten von Rom voor keizer Ferdinand en met een groot deel steendrukken (lithografieën) voor het vezamelwerk door Adolf Friedrich Kunike uitgegeven: ‘264 Donau-Ansichten nach dem Laufe des Donaustromes vom Ursprung bis zur Mündung ins Schwarze Meer’)

066s034a

Van de acht kinderen die hij met zijn vrouw op de wereld zette was zoon Rudolf (1812) al vlug vaders medereiziger en medewerker onderandere als twaalfjarige inkleurder van de talrijke lithografieën. (Hieronder: Duomo di Verona)

Albertina-Duomo-di-Verona-Jacob-von-Alt-18451

‘Im Zentrum der Zusammenstellung stehen neben dem musischen und vielseitig begabten Kaiser Ferdinand I. vor allem zwei Künstlerpersönlichkeiten: Jakob und Rudolf von Alt. Die Ausstellung erzählt somit nebenbei auch die Geschichte von der erfolgreichen Teamarbeit eines kongenialen Vater/Sohn-Duos. Gemeinsam reisten die beiden Maler im Auftrag des Kaisers über zehn Jahre lang durch Italien, Ungarn und Dalmatien und skizzierten direkt vor dem Motiv ihre „Veduten“. Zu Beginn der Zusammenarbeit übte der Vater, dem mit dem Blatt „Blick auf Wien von der Spinnerin am Kreuz“ 1839 (zie hieronder) erstmals eine detailgetreue und dennoch stimmungsvolle Darstellung der Stadt Wien gelungen war, enormen Einfluss auf den Sohn aus. Später kam es zu einer Umkehrung. Da fand Jakob von Alt, beeinflusst vom herausragenden Talent des Sohnes, zu neuen Darstellungsweisen. Mitunter ist heute nicht mehr festzustellen, welcher der beiden Alts ein Blatt gemalt hat.’ (Johanna Schwanberg)

jakob_alt_blick_auf_wien_von_der_spinnerin_am_kreuz-_1817_albertina-_wien.990x0
Een mooie combinatie: zoon leert van de vader, vader bekwaamt zich door de zoon.
In een volgende bijdrage meer over het standpunt van de kunstenaar (blikpunten) en zoon Rudolf die einde negentiende eeuw een ‘von’ voor zijn naam krijgt: Rudolf von Alt. (Hieronder: Regensburg Kathedral)

jakob-alt-regensburg-katedrali-1

DE HOROSCOOP, een kortverhaal

CNM-aquarius

‘Met jouw fantasie, zei de hoofdredacteur, zou je voor mijn krant best een horoscoop kunnen schrijven, niet?’
‘Tja’, had hij geantwoord. ‘Tja. Wat weet ik van horoscopen?’
‘Juist daarom. We zijn een krant, geen wetenschappelijk tijdschrift. Een horoscoop is als een stripverhaal. Niemand gelooft erin maar iedereen leest hem. Kwestie van klantenbinding zoals ze dat noemen.’
‘Elke dag?’ had hij nog geprobeerd terug te krabbelen. ‘Elke dag!’
‘Och, je schrijft ze natuurlijk voor een week! Met een beetje fantasie, zalvende woorden en opgestoken vingertje kom je een heel eind.’
‘Vooruit dan maar.’
‘En zorg een beetje voor jezelf, zei de hoofdredacteur, net voor hij buiten een sigaret ging roken.’
‘Voor mezelf?’
‘Weinig mensen hebben hun eigen toekomst zo in de hand als de auteur van een horoscoop! Je bent toch een waterman, niet? Kun je elke dag voorspellen wat je te wachten staat. Zo simpel is dat.’

1.28

Naar de geldelijke opbrengst had hij niet geïnformeerd, de idee dat er eindelijk iets van zijn hand in een krant zou verschijnen, dat idee volstond. Zo kreeg hij een week later zijn eerste publicatie onder ogen.
‘Waterman: je krijgt een brief die je zeker zal verrassen,’ las hij luidop.
‘Natuurlijk is het toeval, maar als toeval heel toevallig…,’ dacht hij terwijl hij nieuwsgierig zijn post doornam. Reclame, weekblad voor de groene vingers, herinnering van de bibliotheek, uitnodiging voor een gehoortest, en…Ja, een brief. Een bekende omslag. Vierduizend en zoveel achterstallige belastingen te betalen voor…
‘Je krijgt een brief die je zeker zal verrassen!’
Gelukkig had hij zijn horoscopen voor de volgende dagen nog niet geschreven. Dus tartte hij het lot met:
‘Waterman. Een ontmoeting met iemand die al een tijdje uit je leven is verdwenen. Een bijzonder prettige ontmoeting, best mogelijk met een Kreeft.’
Hij herlas zijn toekomst en begon dadelijk met nare dingen voor de Steenbok en een beetje mystiek voor de Tweelingen. Bij de Kreeft echter:
‘Kreeft. Voor sommigen, de geluksvogels, een bijzondere ontmoeting met een Waterman.’
Zo las hij het ook de volgende dag: zwart op wit. Zijzelf bracht de krant mee binnen.
‘Dat had je niet verwacht, hé?’
Ze had nog altijd van die ogen met puntjes rond de iris en ze sprak nog altijd met dat frele stemmetje also ze elk ogenblik zou gaan zingen.
Neen, dat had hij niet verwacht.
Ze kusten elkaar, lieten de dag de dag en zagen dat het donker begon te worden toen ze honger kregen.
‘Gotjes, zei hij. Ik moet mijn horoscopen nog doortelefoneren.’
Ze trok het laken hoog boven haar hoofd en vroeg hem iets leuk voor de kreeft te verzinnen. ‘Een prachtige toekomst!’ klonk het vanonder de witte tent.
Twee keer kon nog toeval zijn, dacht hij. Maar laten we de proef op de som nemen. Waterman: let op in het verkeer. Een onvoorzichtigheid in het verkeer van een bekend iemand kan je heel wat geld kosten!
Zou hij het wagen? Ach, hij ging het toch niet zelf geloven! Morgen hoefde hij niet eens zijn auto te gebruiken. Hij zou de hele dag binnenblijven nu zijn Kreeftje terug was. Een vliegtuig kon op zijn dak een noodlanding maken, of een ufo! Doen dus!

ICON-Online-Sternzeichen-Woman-in-French-11

Maar het lot liet zich niet verschalken. Nog voor hij die morgen goed wakker was, reed zijn lief Kreeftje zijn niet eens afbetaalde wagen aan diggelen.
‘Ik wilde naar de bakker om je met appeltaart te verrassen,’ klonk het iets minder minder zangerig toen ze terug uit het ziekenhuis was.
Na een dag snikjes en klaagzangen vertrok ze voor lange tijd.

‘Waterman: u wint vandaag een groot bedrag dat je uitstekend van pas komt!’
Hij schreef iets heel naars voor de Kreeft en nadat hij zijn teksten had binnen geleverd kocht hij een biljet van de Staatsloterij.
‘Vijftien miljoen, meneer!’ zei de winkelier lachend.
De volgende dag legde hij het biljet voor de verbaasde ogen van de man en zei ‘Vijftien miljoen, inderdaad, zoals je gezegd hebt!’
Ze keken elk nummer drie keer na.
‘Vijftien miljoen,’ zuchtte de verkoper.
De horoscoop-schrijver schoof enkele biljetten van honderd over de toonbank.
‘Kun je een paar lekkere flesjes voor kopen! Enne…je bent toch niet toevallig een Waterman?’
Hij was een Waterman.
‘Een bedrag dat je uitstekend van pas komt,’ citeerde hij zijn eigen tekst uit de krant.

‘Ik ben breed van begrip,’ zei de hoofdredacteur, ‘maar het is toch niet omdat je plotseling vijftien miljoen wint dat je geen horoscopen meer wilt schrijven?’
‘Ze maken me bang! Al wat ik voor mezelf voorspel komt letterlijk uit.’
Het bleef even stil aan de andere kant van de lijn.
‘Heb je champagne gedronken?’ vroeg de hoofdredacteur.
‘Koffie. Wil je het merk weten?’
‘Hou nog een weekje vol dan heb ik de tijd om een vervanger te vinden.’
‘Maar niet langer dan die ene week. Afgesproken?’

shutterstock_371021159-1-1

Zo begon hij heel voorzichtig zijn week te voorspellen.
Eerst dag. Waterman: u heeft een bijzonder rustige dag. Tijd om na te denken en een verstandige investering te doen.
Tweede dag. Waterman: geniet met volle teugen van het leven.
Derde dag. Waterman: een goede daad zal je innerlijke rust brengen.
Vierde en vijfde dag. Alles rustig.
En voor de zesde en laatste dag: Waterman, wees maar niet bang. U zult lang en gelukkig leven.
Hij stuurde zijn kopij door, kocht daarna een lot vrij dure maar lekkere wijn en genoot zoals hij voorspeld had met volle teugen van het leven nadat hij zijn centen had toevertrouwd aan bankinstellingen met filialen in Koeweit en de Arabische emiraten.
De derde dag schonk hij één miljoen aan een werk voor verlaten vrouwen, en voelde zich tevreden zoals mensen na een heerlijke maaltijd of een leuke vrijpartij.
De vierde en vijfde dag bleef alles rustig en de lichte angsten die de vijfde dag ’s avonds de kop hadden opgestoken zouden vanzelf verdwijnen als zijn voorspellingen zouden kloppen.
Toen hij de zesde dag zijn horoscoop wilde nalezen overviel hem een duizelig gevoel.
In ééntiende seconde besefte hij dat dit het einde van alles was. En de volgende negentiende van diezelfde seconde lag hij dood op de vloer.
‘De emoties van de laatste dagen,’ zou de dokter zeggen.
Toen rinkelde de telefoon.
‘Hallo,’ zei de dokter. ‘Neen, die is er niet meer. Ik bedoel, hij is er inderdaad echt niet meer. Wat zegt u? Een drukfout? En wat moet ik daarmee? Ik ben een dokter en zou u dringend rust aanraden. Horoscoop, horoscoop, wie verzint die onzin!’
Toch las hij de krant waarop het lichaam van zijn patient was gevonden.
‘Waterman: u zult niet lang leven, gelukkig. Wees maar bang.’

De volgende dag ging de bank failliet waar de horoscoop-schrijver zijn miljoenen had geïnvesteerd. En nog later ontdekte men dat hij al jaren de btw voor het lapje had gehouden. Nog een dag later kwam zijn geliefd Kreeftje jammerlijk om het leven bij een vliegtuigongeval.
Om volledig te zijn: de dag daarna brak de derde wereldoorlog uit.

horoscope_by_inkie_art-d2c5e9o

‘FALLEN MONUMENTS’ Phyllida Barlow (°1944)

5434

Toeval.
Een vreemd woord, en als je’t vaak herleest, niet te vertrouwen: toe-val. Een onvoorziene gebeurtenis die dichtklapt, niet meer terug te draaien (val!) ontsnappen uitgesloten.
Ik zwerf vaak langs de gallery’s in NY, zei het dan via de computer.
Ik klik op ‘Artists’ en begin dan prentjes te bekijken, bio’s te lezen en notities te maken.
Toeval.
Mocht je verhalen verzamelen waarin ‘toeval’ een hoofdrol heeft gespeeld, dan zou je verbaasd zijn hoe ‘gevierd’ en ‘vergeten’ elkanders neef en nicht zijn.
Ik wil niet zo ver gaan als geschiedkundige Frank Ankersmit in zijn intervieuw-boek (‘De erfenis is op) dat zonder de nierstenen van Napoleon III er geen eerste werldoorlog zou geweest zijn, geen Hitler, geen tweede wereldoorlog en ook geen genocide. Geveld door die kwaal liet de toenmalige Franse keizer het bestuur aan zijn vrouw Eugenie over die, gebeten als ze was op de Duitsers in de val van Bismarck trapte en… Terwijl, zegt men, de keizer zelf nooit zo’n oorlog zou begonnen zijn.)
Maar.
Geboren in 1944. Dat herken ik.
Achter-achterkleinkind van Darwin, dat is vast boeiend. Haar grootvader psychiater bij Queen Victoria en zij was verwant met Josiah Wedgwood.
Phyllida Barlow

4000
‘The little girl grew up in London, but one very different from the shining, skyscraper-studded capital that we know today – a city in ruins, where children played in bombed-out buildings, and where the sides of houses had been blown off to reveal staircases leading to nowhere, and incongruous patches of wallpaper were still attached to walls that were now open to the sky.’ (The Guardian, Charlotte Higgins)

Ze studeert kunst, ze huwt met een kunstenaar, krijgen samen vijf kinderen.
zal kunst als bekwame lerares tot haar 65ste onderwijzen aan jonge kunstenaars en begint na haar pensionering op haar 65ste aan een carrierre.

SIEGE 2012
All at once, the very clever curators and the very shrewd and canny people who ran galleries saw that Barlow was, after all, a very good artist. The proof that it was magic was that some of the people who now thought her work was very good had known her for many years.
At once, many invitations arrived: would Barlow make an exhibition here, and here? People came from far and wide to knock on the door of her house in that shabby London street. Her visitors included the owners of one of the grandest and richest galleries in the country. She was nominated for awards and travelled to many places around the world for exhibitions. Now, for the first time in her life, she could make sculptures that were bigger, and more stupendous and formidable than she had ever dreamed.’ (ibidem)
Bekijk de mooie documentaire van de BBC en geniet.

‘All our lives are about constantly losing. The moment is always disappearing, like sand between our fingers. So what is it, we are actually left with?,’ asks British sculptor Phyllida Barlow.

The language of sculpture is not about perfection or exactness, according to Phyllida Barlow (b. 1944). It’s about approximation, about recovering moments. ‘I like the language of sculpture which is about space and time, smell and temperature. Opposite photography, sculpture constantly rejects the single image because of the way you walk around it. Oddly enough sculpture, despite it’s physicality, constantly disappears. You walk past it and it’s gone. You come back to it and you discover it in a new way. The powerful emotional impact is all in the moment.’ (Marc-Christoph Wagner)

THE ENCYCLOPEDIC PALACE 2013

‘My grandmother’s under-stairs cupboard was filled with beautifully folded brown paper, navy blue sugar paper that grocers used, and neatly assembled piles of reusable stuff like black rubber bands and old matchboxes. I’ve a vivid memory of these accumulations, so it’s possible they left a subconscious impact. My father kept yogurt pots and anything made of glass. My mother cut up old clothes to make new clothes and taught us, as children, to make things from remnants. We continued to use Christmas decorations made during the wartime years well into the 1950s—strange, rather abject pieces of cardboard with paint on them. But it all seemed wonderful to us. Then there was an explosion of materialism in the 1960s, and that making-do and getting-by approach was swept away. We entered the world of disposable objects, which has now created appalling long-term natural disasters.’ (ibidem)

One day, talking in her studio, Barlow compared the art world to an iceberg. Below the waterline are those who work unseen. They have a certain kind of freedom. Above the waterline are the recognised, the successful, who have another kind of freedom, the kind conferred by support and money and encouragement and invitations from museums. Good, indifferent and bad art is made either side of the waterline; and, just as an iceberg conceals most of its mass beneath the surface, most art-making happens unremarked upon and out of sight. (The Guardian, Charlotte Higgins)

2012 KIEV

‘YOUNG AND INNOCENT’ AMY HILL

TwoGirlsflat

In updating these paintings, Hill has depicted urban children decorated by logos, tattoos, piercings, drugs and digital media. This allows for an examination of the phenomenon of innocence, its value, and the possibility of its survival in a fast moving world. With technical proficiency, Hill explores the charm and directness of Folk Art by employing the era’s distortions of perspective and anatomy, as well as a highly personal perspective.

Hill-Scooter

This new series of paintings continues Hill’s examination of earlier eras in art history. The eras are chosen for her stylistic kinship with their respective artists, allowing her to carry on a dialogue with them. Hill revives the styles and makes them her own by exploring themes that can be traced to the present day. Through portraiture, a genre that runs throughout art history, Hill utilizes a variety of poses, gestures, fashion and accouterments to make social, psychological and anthropological statements. Humor emerges through the juxtaposition of modern day fashion and historical figures.

hill-pill

Amy Hill received her BFA from Carnegie Mellon University and studied at New York University. She has received grants from the Peter S. Reed Foundation and Art Matters and a studio grant from the Elizabeth Foundation. Hill received nominations for the Catherine Doctorow Prize for Contemporary Painting and membership in the American Academy of Arts and Letters. She received a Purchase Award from West Publishing Company, the Juror Award for the 2006 NYU Small Works Show and an Honorable Mention from the National Arts Club. She has attended residencies at Byrdcliffe in Woodstock, NY, The Virginia Center For the Creative Arts in Sweet Briar, Virginia, and Cummington Community of Artists in Massachusetts. She has exhibited extensively nationally and internationally. Her work has been reviewed in The New York Times, Harper’s Magazine, Artnet Magazine, Artinfo.com, and Cover Magazine, as well as other national and international publications. She currently lives and works in New York.

https://www.frontroomles.com/hill-young

hill-doll

Hill is known for her witty reworkings of Flemish and Netherlandish portrait paintings, which are carried by her impeccable technique, mordant humor and deadpan delivery. Interestingly, many of the same compositional and narrative devices are often in play. Whether the early Americans were quoting Northern Renaissance painters is a question for a specialist, but it seems entirely possible in light of the period’s Renaissance Revival. (Or maybe the two contexts are merely homologous, and the common proclivity, for example, for three-quarter views of the head has no greater significance than the fact that it is a timeless challenge to paint an ear.)

hill-lego

“Quoting is an inevitable component in all acts of communication; it is what makes communication possible.” The precision of that message depends in part on mutual understanding of the material quoted, and Hill’s subjects are fluent in the nuanced language of the corporate identity, the public image, the mission statement, the celebrity endorsement. They know what’s cool, what used to be cool, what might next become cool. They define themselves by association therewith, through a hybridity of self-branding, as did their counterparts of an earlier era by means of a different but equally transparent vocabulary of symbols. By quoting the quoters, Hill views with a gimlet eye McEvilley’s “vast image bank of world culture” even as she signs on to it.
(Artcritical May 6th 2016)

hill-boydog

MOEDER EN KIND IN DE WIND (1907)

CameraWork_33_03

Op platinumplaat gedrukt
moeder en dochter in de wind van 1907.
De nieuwe eeuw stuurde zijn stormen
in deze wilde vlagen vooruit.

Even de hoedrand loslaten
en blootshoofds
wuiven ze hun man en vader uit.
Grootschalig sterven op het menu.
Wie de treinen in beweging zet,
trapt het draai-orgel van de dood op gang.
Adieu, mein kleine garde officier.

NYR_12868_0033

In de zachte wind der jaren
is zij vanzelf met hem opgelost
en werd het kind de vrouw, en vrouwen
wuiven steeds opnieuw hun mannen uit.
Leb’ wohl, mein Schatz, leb’ wohl mein Schatz,
Leb’ wohl, lebe wohl
Denn wir fahren, denn wir fahren,
Denn wir fahren gegen Engeland, Engeland.

Weer staan moeder met kind
in oude winden die het gehuil van naakte mensen
over een oceaan van tijd verspreiden.
O, dat briesje van de nieuwe tijd,
o dat gecamoufleerd gehakkel
van een land dat weer zijn goden kiest
uit het bekende loeiend stamboekvee.

The Waking Dream: Photography's First Century

Das gesundes Volksempfinden:
frituren en fraterniteiten,
netjes verpakt in manhaftig verzet
tegen wat ons vreemd en te vrijmoedig is.
Tot er niemand meer
op de heuvel staat
en de wind gevangen
in het trotse orgel van het nieuwe heldendom.

‘Daar is maar één land, dat mijn land kan zijn.
Daar is maar één vreugd, daar is maar één pijn,
Daar is maar één liefde, daar is maar één haat…’

Wie niet dezelfde haat en pijn kan voelen,
en wie nog andere liefdes koestert,
is gewaarschuwd.

1f7292c3dc0e817d8134cb910e8c2fc2

(De foto’s zijn van Heinrich Kühn (Oostenrijker, in Duitsland geboren, 1866-1944)
(Alfred Stieglitz Collection, 1933)

Heinrich Kühn was the grandson of German sculptor Christian Gottlob Kühn and was related to the German romantic painter, Caspar David Friedrich. Kühn studied music and painting for several months before he served in the military. From 1885 to 1888 he studied natural science and medicine, and experimented with microscopic photography. In 1889 or 1890 he settled in Innsbruck and devoted himself to photography.

Kühn joined the Vienna Kamera-Club in 1894, the same year his works were noticed by Alfred Stieglitz. He won a medal for artistic photography from the club in 1896, and that year his prints were accepted for exhibition at the London salon of The Linked Ring. He began to correspond with Stieglitz, whom he met in Austria in 1904, and who included his work in an exhibition of Viennese and German photography at his Little Galleries of the Photo-Secession in 1906. The following year Kühn met Frank Eugene, Edward Steichen, and Stieglitz in Munich, where they experimented with the new Lumière Autochrome plates. During the same year Kühn began to experiment with the photogravure process, and by 1911 he was proficient enough with the process to present three methods in a Camera Work issue devoted to his work.

Over the next 30 years Kühn continued to experiment with processes and write technical articles for journals. His work was occasionally published in Das Deutsche Lichtbild and was included in historical sections of German and Austrian exhibitions.

(National Gallery of Art)

https://vimeo.com/116274536

cri_000000236378

‘Model as Painting’ Pieter Schoolwerth

04_PSchoolwerth_StudentCenter2_2017_70x58in_PS1306-856x1024

Tot einde juni kon je in de Miguel Abreu Gallery NY gaan kijken naar merkwaardig werk van kunstenaar, schilder, vormgever ‘Pieter Schoolwerth (°1970).
Tik je zijn familienaam in bij onze zoekfunctie dan kom je bij een artikel van 22 juli 2011 waar we ‘Abstractie en representatie’ bespreken bij toenmalig werk van hem in dezelfde gallery.
Zijn nieuwste werk ‘Model as Painting’ stelt al dadelijk de vraag.
Het ‘schilderen’ komt hierbij pas op het einde van het werkproces aan de orde.

In Model as Painting, Pieter Schoolwerth attempts to reverse the above described techno-cultural trend by producing a series of ‘in the last instance’ paintings, in which the stuff of paint itself reappears at the very end only of a complex, multi-media effort to produce a figurative picture. As such, paint here is not immediately used to build up an image from the ground up, if you will, one brush stroke at a time, but rather it arrives only to mark the painting after it has been fully formed and output onto canvas. In other words, one can safely claim that painting without painting has transformed into painting with painting in the last instance – with paint having been liberated from its traditional depictive and expressive functions for the first time, and therefore having become truly equal to itself, that is existing as pure excess, or ornament.
Here again Schoolwerth asserts that photography, drawing, the construction of sculptural reliefs, digital image processing, printing, and, finally, painting, all contribute to propose a contemporary definition of painting.

f2d561b9223e32ab8938b477ae408938De nood aan een nieuwe definitie van ‘painting’ klinkt in mijn oren een beetje als probleem dat geen probleem is maar door de kunstenaar zelf alsdusdanig wordt ervaren of aangehaald.
Bekijk eerst het filmpje om een inzicht te krijgen in zijn werkwijze die ook zonder deze probleemstelling erg boeiend is.

Initially he produces a drawing from photographs he took of a human model casting shadows. After being blown up, the drawing serves as a template for building a multi-layered sculptural relief of the composition with foamcore. In a next step the artist takes a picture of this three dimensional ‘model’ and reworks the photograph with an image processing software that warps the images of the human body back into parts of the shapes of their cast shadows. After printing the resulting image file on canvas, Schoolwerth applies a final layer of gestural marks in oil paint. In the last stage of the process he goes back and formats the composition of the model as a multilayered series of digital files. With a computer-controlled router machine he then cuts these out in wood and reassembles them as a relief sculpture.

11_PSchoolwerth_Mailbox2_2017_72x91in_PS1300-1024x823

Ultimately, this sculpture exists both as a model to produce the paintings and as a sculptural memorial to the completed painterly process. As such, it imitates the technological production of the dematerialized digital space and emphasizes its roots in materialist, analogue referents like products of human labor. As one model often lends itself to producing a series of different paintings, it is comparable to a template or a device into which information is distributed and narrative is developed. Hence, the three-dimensional relief work furthers the idea of a model for a virtual space in painting.

21_PSchoolwerth_WaitingRoom4_2017_83x72in_PS1321-922x1024

Pieter Schoolwerth’s concerns lie in depicting the figure grounded in the ubiquitous glowing screens of digital technology. In his work, the photographed shadows represent the digital performance of the body. By compressing together the images of the body and those of its shadows he exposes the perception of an overall model of “you”. In this manner the artist examines how the mediated reality influences our sense of time, space, and our capacities for attention and the production of memory.
http://miguelabreugallery.com/exhibitions/model-as-painting/

Ik ben bang dat de theorie hierbij ietsje te veel het ‘knutsel-element’ probeert te verdoezelen, een element dat best bij heel wat hedendaagse artiesten ook dient om het armzalige (of het tekort) aan diepte en kunde te verdoezelen.
Dat hij zelf met zijn werk daaraan ontsnapt ligt eerder aan de zelfstandigheid waarmee het werk zowel als ‘model’ dan als ‘afdruk’ kan genoten worden.

30_PSchoolwerth_Underground1_2017_72x87in_PS1303-1024x870

For over 20 years, painter and filmmaker Pieter Schoolwerth’s work has addressed the ways in which the ever-changing and often invisible forces of abstraction in the world, which can be associated with the digitization of more and more aspects of experience, affect the task of representing the human body. Schoolwerth has developed an expanded painting practice incorporating photography, image processing, inkjet printing and relief sculpture that can be said to echo the compression of space and time paradigmatic of communication today, in an effort to depict the human figure in virtual space – a world “once removed” from itself, in which the body is present through being absent. The talk will be followed by a conversation with artist and SVA Art History faculty member Lorne Blythe (MFA 2010 Photography, Video and Related Media). Presented by BFA Visual & Critical Studies.

model as p

EVELYN HOFER: a timeless message

EH_col_scan_dub-girl 001

Evelyn Hofer. Ze werd 86. Dan heb je veel gezien.
Een bijna klassiek kunstenaarsleven, met vlucht uit nazi-Duitsland inbegrepen.
Van Marburg (1922) naar Mexico City (2009)

When Hofer was eleven her family fled Nazi Germany for Switzerland. She decided she wanted to be a photographer and set about it methodically. She began with an apprenticeship at the Studio Bettina, a portrait studio, and took private lessons with Hans Finsler, one of the pioneers of the “New Objectivity” movement.’

Niet alleen compositie als leerstof, maar haar opleiding omvatte alle fotografische technieken tot en met ‘art theory’ en ‘chemistry’ nodig om mooie afdrukken te kunnen maken.

004-evelyn-hofer-theredlist

‘Her career began in earnest after she arrived in New York in 1946 and began working with Alexey Brodovitch, the great art director of Harper’s Bazaar. In New York she became friends with the artist Richard Lindner, a fellow German émigré, who took her artistic education in hand and, she later said, “showed me how to look.” Another close friend was the artist and cartoonist Saul Steinberg.’

Par_Roofs_7117

Hofer’s work has influenced such photographers as Thomas Struth, Joel Sternfeld, Adam Bartos, Rineke Dijkstra, Judith Joy Ross, and Alex Soth. There have been retrospectives of her work at the Musée de l’Elysée in Lausanne (1994); the Aarggauer Kunsthaus in Switzerland (2004); and the Fotomuseum The Hague (2006). Last year (2008) her work was shown in Munich’s Villa Stuck as part of the Goetz Collection in the exhibition “Street Life and Home Stories” alongside the work of the photographers William Eggleston, August Sander, Diane Arbus, Thomas Struth, and Nan Goldin.

dublin

‘Working with a cumbersome 4 x 5 inch viewfinder camera, Hofer always photographed her subjects where she found them, but favored carefully composed scenes with a still, timeless aura. Almost in opposition to the on-the-fly work of her contemporaries Eggleston and William Klein, Hofer used extraordinary patience to slow the world down, examine its conditions, and capture the exact image that she envisioned, searching for an “inside value, some interior respect” in the people she photographed.’

NY_HarlemChurch_7109-815x1024

Late in her life, when asked for her thoughts on being called “the most famous unknown photographer in America.” she said she liked it. She understood that what mattered was the work, not personal fame.

De mengeling van ‘the spirit of time’ met ‘a timeless message’ is een mooie samenvatting van haar omvangrijk werk.
‘Her trades-people and toffs, her families and social groups are more than just intimate portraits – they epitomize the possibilities and restrictions of the human condition.’

(citaten uit bio te vinden in Danziger Gallery NY’)
http://www.danzigergallery.com/artists/evelyn-hofer

7_PewterGrapes_5171

DE ZWAAN, een kortverhaal

crane 2
Eén zwaan was mooier dan alle andere, dacht ze.
Hij was iets statiger, zwom ook trager, voornamer zou je kunnen denken.
Die ene zwaan keek haar voortdurend aan, dacht ze. Alsof hij haar iets wilde duidelijk maken. Een soort smekende tinteling in zijn ogen. Een vraag om hulp.
‘Kon ik je maar begrijpen, kon ik maar raden wat je verlangt.’
Alsof de zwaan haar gedachten las, maakte hij zich los van de brood zoekende collega’s en schoof plechtig naar de oever, tot bij Adèle’s voeten. Hij keek niet eens naar het brood. Hij richtte zijn lange hals op en keek haar met zijn linkeroog zo doordringend aan dat ze een koude rilling over haar rug voelde.
‘Dit is geen zwaan,’ dacht Adèle. Dit is een mens.’

Het theater zei haar niets, televisie was al welletjes. Maar nu reisde ze naar de hoofdstad om er een opvoering van ‘het Zwanenmeer’ bij te wonen. Volgens de critici een middelmatige vertoning, Adèle’s verdere leven zou voortaan in het teken staan van deze gebeurtenis.
‘Hij is een prins,’ dacht ze toen ze de volgende dag tijdens de middagpauze weer naar de zwanen wandelde. ‘Hij is een prins en hij heeft mij herkend.’
Ook nu kwam de grote statige zwaan dadelijk haar kant op gezwommen.
‘Geduld, liefste, ik zal je redden.,’ zei ze bijna luidop.
‘Spreekt u met de zwanen?’ vroeg een oud mevrouwtje naast haar.
‘Ik dacht aan iemand die..Enfin, de lente, begrijpt u?’
Zij begreep het volkomen.
‘Het duurt geen maand meer of er zwemmen kleine zwaantjes in de vijver, ook dat is de lente,’ probeerde het mevrouwtje een gesprek te beginnen.
De grote zwaan had zijn lange hals heel hoog gestrekt om hem dan met een zachte buiging tot bij zijn borst te plooien.’
‘Dat doen ze als ze verliefd zijn,’ zei het mevrouwtje.
‘Jaja, antwoordde Adèle, zo gaat dat.’

bodo meier

Haar vriendin kende een kaartlegster die zelfs door een bekende voetballer werd bezocht met het oog op de komende wereldkampioenschappen waarvan zij nauwkeurig de afloop had voorspeld.
‘Er wacht iemand op jou, juffrouwtje.’ zei de kaartlegster, en als ik mag verder zoeken -dat betekende een opleg van 75 euro- dan zal  ik je zelfs zijn profiel duidelijk maken.’
Dat profiel bleek op rijkdom en zelfs een vermogend mens te duiden, en jawel hoor, het kon best iemand van adel zijn.’
‘Ik denk dat het een zwaan is,’ zei Adèle door de voorspellingen aangemoedigd.
‘Ik ken iemand die op een vlinder verliefd was, juffrouw. Dat komt voor.’
‘Ja, maar…ik denk dat die zwaan onder invloed van een of andere boze macht een zwaan geworden is en voordien wellicht een…mens was.’
‘Bedoelt u..?’
‘Ja, dat bedoel ik: die zwaan is geen zwaan.’
De kaartlegster zuchtte.
‘Ik ken een wijze man die zich verdiept heeft in de leer der veranderingen, de metamorfosen. Men zegt zelfs dat hij zijn vrouw in een eekhoorntje heeft veranderd, maar dat zijn waarschijnlijk prietpraatjes. Zal ik hem voor u opbellen, we werken wel eens meer samen in dergelijke gevallen?’

‘Een zwaan is van nature uit een dier voorbestemd om een menselijke ziel te herbergen,’ zei de man toen ze hem haar voorgevoel had verteld.
Hij keek haar daarbij met uitpuilende ogen aan alsof hij elk ogenblik in een kikker kon transformeren.
Hij nam een stoffig boek uit een net zo stoffig rek.
‘’Wie ontdekt plotseling het contact dat het dierlijke overstijgt? Hij of zij die voorbestemd is om de betovering te verbreken.’ Wat zegt u daarvan?’
‘Dat is heel mooi,’ zei Adèle, ‘maar hoe moet ik het doen?’
‘Het is een kwestie van verlangen. De natuur leeft van verlangens. Verlang zo hevig dat uiteindelijk de vorm die wij waarnemen verandert in de vorm die wij verlangen. Verschijningsvormen doen zich voor zoals wij ze verlangen waar te nemen, dat is quantum-fysica, mevrouw. Kijk naar mij. U ziet een man. Maar kijk eens goed.’
Adèle dacht aan het eekhoorntje waarover de kaartlegster had gesproken. Plotseling zag ze een reusachtige eekhoorn voor haar opdoemen. Ze gilde. Toen ze weer bijkwam, zag ze opnieuw de man met de kikker-ogen.
‘Was u echt een…?’
‘Wat is ‘echt’, mevrouw. Wat is ‘echt’?’

Felix-Hilaire_Buhot

Na zestien dagen intens concentreren voelde ze dat het die avond zou gebeuren. Ze liet de laatste bus vertrekken, en eens het helemaal donker was, haastte ze zich naar de vijver. De volle maan zorgde voor een aangepaste sfeer.
Inderdaad. De grote zwaan wachtte haar op. Ze dreef naar de oever en kwam op het droge.
‘Ik verlang naar jou,’ dacht Adèle. Al wat ze ooit aan haar verlangens had gekoesterd, concentreerde zij in de witte gestalte die haar kant opwaggelde.
En zie, de pluimen vielen van hem af. Uit het zwanenlijf verscheen een jonge man, nog enkele donzige pluimpjes achter zijn oren maar voor de rest helemaal een man.
Op het moment dat Adèle haar mond wilde openen om ‘oooo!’ te stamelen, om ‘kom’ te roepen, voelde ze dat ze niet meer kon spreken. Haar lippen bleven op elkaar geperst. Hard waren ze en vooruitgeschoven. Haar armen die ze wilde openen om hem rond de prachtige hals te vliegen kon ze niet eens meer optillen. Ze waren zwaar en… Ze voelde dat de wereld wegzonk. Haar benen krompen onder haar lijf, en twee harde poten met zwemvliezen kwamen in de plaats.
Haar hals rekte zich tot ver boven haar lijf, en terwijl de jonge man wenend toekeek en teleurgesteld zijn armen liet zakken, verdween zij in het water.
‘Wacht!’ riep de man. ‘Wacht!’
Maar de zwaan hoorde hem niet.

jan-asselijn

maar wat was het mooi, dat duivels spel!

images1.persgroep.net

Een ferm uitgegroeide jongensgroep
met talent en techniek gezegend,
uit alle hoeken van de wereld
onder vaderlijke vleugels
moed en inzicht bijgebracht,
speelt weer sport, toont voetbal
met de joligheid van jeugd,
verzoent het noeste met het nederige,
verzet de bakens van vedettenspel
naar vertoon van vrienden
en moet dan op de kermis in Sint Petersburg
de flosj uit handen geven.

Maar wat was het mooi!

Recht de ruggen!
Jaren spelplezier groeien
boven het getoeter en het bot gesjot,
-er was weer voetbal, en dat waren zij!-

En wie de beker heft
zal -als hij eerlijk is-
alleen op jullie kunnen toasten!

Want wat is het mooi
dat duivels-spel!
Pure poëzie spat van het scherm.

Europa wacht.

(Amelie LM)

Roberto-Martinez-bondscoach-Rode-Duivels

 

Een jager zonder wild: Iwan Sergejewitsj Toergenjev

800px-Chalet_d'Ivan_Tourgueniev

Zelfs het kleinste familietje had (heeft) in Rusland een datcha, een buitenverblijf. Weg uit de stad, weg uit de drukte en het dagelijks gedoe. Een buiten-verblijf.
De buiten-verblijver ‘ontvlucht’ de stad. Zelfs als hij lange tijd in het buitenland verblijft, is de drang naar een datcha groot. Einde jaren 1870, terug in Frankrijk, bouwt schrijver Ivan Tourgenjev deze datcha in Bougival in de Yvelines, nu museum. Hij zal er eerst ’s winters dan daarna het hele jaar tot aan zijn dood in 1883 verblijven. Emile Zola, Alphone Daudet, Goncourt, Henry James zullen hem zoals andere Russische auteurs daar bezoeken. Ook de componisten Camille Saint-Saëns en Gabriel Fauré waren er te gast.
Hij was in mijn Parijse hoofdstukken van ‘Spiritus’ op de achtergrond aanwezig als mijn geliefd hoofdpersonage Emilie Pauline Viardot bezoekt in Parijs. (1874)

‘Le blog du Musée Tourgueniev’ heeft als onderschrift: ‘Association des amis d’ Ivan Tourgueniev, Pauline Viardot et Maria Malibran’. Geheel toevallig kwam ik ze vandaag weer op het spoor.
http://www.tourgueniev.fr/
Net zo toevallig ondekte ik via de blogweg we dit jaar de 200ste verjaardag van de Russische auteur (1818-1883) gedenken. Een taart met een menigte kaarsjes is hem gegund.
Ik wil je alvast een mooi portretje van de man, geschreven door Edmond de Goncourt in zijn ‘Journal’ niet onthouden:

turgenev_repin

‘Tourguéniev, le doux géant, l’aimable barbare avec ses blancs cheveux lui tombant sur les yeux, le pli profond qui creuse son front d’une tempe à l’autre, pareil à un sillon de charrue, avec son parler enfantin nous charme, nous enguirlande, suivant l’expression russe, par ce mélange de naïveté et de finesse – la séduction de la race slave, relevée chez lui par l’originalité d’un esprit supérieur, par un savoir immense et cosmopolite.’

Ik heb zijn ‘Jagersverhalen’ (1852) in de oude editie van ‘de Boekenschat’, vertaald door Wils Huisman, in licentie van Geert van Oorschot’s Russische bibliotheek’ bovengehaald en schrijf nu eerbiedig zijn naam in Nederlandse uitspraak: I.S. TOERGENJEV. In feite was ‘Aantekeningen van een jager’ de oorspronkelijke benaming en verschenen ze in 1948 bij Contact voor het eerst in Nederlandse vertaling.
Deze Jagersverhalen moet men zich niet voorstellen als een serie jachtavonturen, waar de liefhebbers van de jacht hun hart aan zouden kunnen ophalen. Eigenlijk is de titel niet duidelijk vertaald; hij luidt in het Russisch: Aantekeningen – of: Memoires – van een jager

‘In het jaar 1846 zond Toergenjew op verzoek van één der redacteuren van het tijdschrift De Tijdgenoot een korte schets in, die hij genoemd had: Chor en Kalinytsj. Toen dit opstel werd afgedrukt, was Toergenjew afwezig en de redacteur schreef er ter verduidelijking bij: Uit de aantekeningen van een jager. Het opstel viel bij het publiek in de smaak en had een groot succes. De criticus Bjelinski uitte zich zeer geestdriftig. Toergenjew, hierdoor aangemoedigd, ging voort een hele reeks van dergelijke korte verhalen of schetsen in De Tijdgenoot te publiceren, die in 1852 in boekvorm verschenen onder de dus eigenlijk toevallig ontstane titel Aantekeningen van een jager. De meeste dezer verhalen heeft hij in Parijs geschreven. In de memoires van Toergenjew uit het jaar 1868 lezen wij: ‘Ik zou de Jagersverhalen niet geschreven hebben, als ik in Rusland was gebleven.’ Zeker zou hij ze dan niet de warme, nostalgische toon hebben kunnen geven, die nu zo sterk in deze verhalen treft. Het verblijf in het buitenland heeft de klank van het Toergenjew zo eigen elegische verlangen versterkt, maar zijn Russische scherpe observatievermogen en realisme hebben hem gelukkig behoed voor een vlucht in de romantiek.’
(Charles B. Timmer in het tijdschrift ‘Libertinage’ jaargang 2 (1949)

Om de warmte van deze dagen met zijn werk te verbinden, schrijf ik je graag het begin van zijn verhaal ‘De Bezjin-weide’ over. (met lichte wijzingen in de intussen wat verstarde vertaling) Om te proeven:

orlovskaya-oblast-nature

‘Het was een prachtige julidag, een van die dagen, die je alleen dan hebt, wanneer het weer lang vast is. Al van vroeg in de morgen is de hemel helder; de opkomende zon is niet vlammend rood, alleen verspreidt er zich een zachtrose gloed over de hemel. De zon is niet vurig, niet gloeiensrood, zoals op hete, droge dagen, niet dof donkerrood, als voor storm, maar zij straalt licht en helder; vredig klimt zij onder een smalle, langgerekte wolk, schijnt een ogenblik helder en verdwijnt dan in de paarse schaduw. De ijle bovenrand van de smalle wolkenbank wordt een blinkend slangetje met de glans van gedreven zilver…’

En dat gaat zo nog zo’n veertig, vijftig zinnen verder voor hij aan zijn verhaal begint. (Het zal ook met een uitgebreide natuurevokatie eindigen!) Je voelt je inderdaad in de omgeving van de impressionisten en hun nazaten.

Om op deze manier over de natuur te schrijven moet je niet in de stad zijn, maar zoals de auteur door bossen en weides trekken, ja zelfs verdwalen en de nacht doorbrengen bij het vuur in gezelschap van vijf boerenjongens die er op de paarden letten (overdag hadden de dieren te veel last van vliegen) en elkaar spookachtige verhalen vertellen. Hij schetst in ditzelfde verhaal vijf mooie portretjes van de heel verschillende jongenskarakters vanuit zijn zwijgende observatie bij het vuur. In het vroege morgenlicht verlaat hij de intussen slapende kinderen.

‘Alles bewoog, ontwaakte, begon te zingen, te lawaaien, te praten. Overal kleurden grote dauwdruppels als stralende diamanten; helder en klaar als gewassen door de ochtendkoelte, kwam klokkengelui mij tegmoet, en plotseling liepen de opgejaagde uitgeruste paarden mij voorbij, voortgejaagd door mijn kameraadjes.
Tot mijn spijt moet ik hier bijvoegen dat Pavel (een van de kinderen) nog datzelfde jaar stierf. Hij verdronk niet: (zoals in een van de spookverhalen) hij viel van zijn paard. Jammer, het was zo’n aardige jongen.’

‘Een der kenmerken van Toergenjew’s kunst is zijn uiterste soberheid en gereserveerdheid. De schrijver ziet zijn taak in het aanduiden, in het uitbeelden van ervaringen, maar waakt er schroomvallig voor zich in commentaar daarop te verliezen. Maar, in het bezit van alle gegevens, wordt de lezer, onder de suggestie van Toergenjew’s proza, tot dit commentaar gedwongen, dwz. hij wordt met een aantal feiten alleen gelaten: trek nu zelf maar je conclusies! – zegt de schrijver.’
(Charles B. Timmer ibidem)

spassky-lutovinovo-turgenev-estate-near-oryol-russia-october-museum-manor-i-s-fall-78892884

(het landgoed van de familie in Orol)

Het ‘buitenleven’ van deze auteur is net zo merkwaardig als zijn literatuur. Aan de goede lezer zijn bio te ontdekken. Want zijn wonderlijke ménage à trois met de Viardots ontplooit zich met dezelfde natuurlijkheid als zijn jagersverhalen op papier.
Hij dacht, geboren in 1818, in 1881 te zullen sterven, volgens een voorspelling van zijn vrij barse moeder. Maar het werd 1883, door kanker geveld. Moeders hebben niet altijd gelijk. (althans wat voorspellingen betreft.)

Over Toergenjevs Jagersverhalen schreef Karel van het Reve: ‘Het zijn zeer eenvoudige verhalen: de verteller ontmoet op zijn tochten – meestal op jacht, een eigen huis heeft hij niet – mensen en praat met ze, en gaat dan weer verder. (…) De ellende der lijfeigenschap, de gruwelijke afhankelijkheid der lijfeigen boeren – en vooral het huispersoneel – van de grillen van hun eigenaren wordt ad oculos gedemonstreerd, terwijl tegelijk bijna ieder verhaal een juweel is van harmonie en stilte. Berusting en protest zijn niet van elkaar te onderscheiden.’

https://www.dbnl.org/tekst/_lib001194901_01/_lib001194901_01_0034.php (Charles B. Timmer: Een jager zonder wild)

orlovskaya-oblast-winter-scenery

WIJ MET DE WOLKEN

red-balloon-paul-klee

Toen wij nog
met de wolken
zusjes en broertjes waren,
het open raam
een deur op de hemel,

helden
in het niemandsland,
geen mene tekel
op wit gepleisterde muren,
zelfs god
stond aan onze kant.

B-NimbusSanktPeter

Schemerlicht
onder oude platanen
waar slaapwandelaars
verdwaalden.

Toen wij
hun trukendozen
in geschenkverpakking kregen,
hun verdroogde dromen
in kinderchappelure
ontvingen,
sloten wij
de ramen
en lieten wij
het touwtje los.

Balonnen
boven de stad,
een kartonnetje
met de schatkaart
van een verloren kindertijd
hoog boven de donkere wolken.

ParkeHarrison-1

Kunstwerken:

-Ballon Rouge Paul Klee

Le Ballon rouge est l’une des œuvres de Klee relevant du cubisme, marquée par la déconstruction des formes et des points de vue, jouant entre l’abstrait et le figuratif. Les lignes tranchantes, les couleurs éclatantes et les formes géométriques donnes au Ballon rouge un souffle de vie original et novateur. Musée Solomon R. Guggenheim, New York, Etats-Unis.

— BERNDNAUT Smilde (né en 1978), Nimbus Sankt Peter, 2014,
tirage digital C-Print, 75×109 cm et 125×181 cm, Cologne, Sankt Peter Kunst-Station.

– PARKEHARRISON Robert (né en 1968) et Shana (née en 1964), Suspension, 1999,
Earth Elegies series, tirage noir et blanc, 104,5×123,8 cm.

Les deux artistes collaborent pour créer cet univers photographique poétique et brumeux à partir de dessins préparatoires,
d’objets et de décors peints qu’ils réalisent intégralement.
Robert ParkeHarrison se met en scène en tant que personnage solitaire occupant la fonction immense et impossible de réorganiser,
réparer et nettoyer un monde abîmé et sali.

Ronan_Bouroullec_1_RGB

Erwan & Ronan Bouroullec, « Clouds »

MOMENT EN TIJDLOOSHEID: In de boomgaard van Theo van Rysselberghe.

helene en michette guinotte

Tik je de naam ‘Rysselberghe’ in bij de zoekfunctie van dit blog dan ben je alvast een tijdje zoet met een aantal bijdrages uit 2008 maar dan vooral in verband met ‘la petite dame’, de vrouw van Theo Van Rysselberghe die een omvangrijk dagboek bijhield van haar leven met de figuren die zich om en rond de auteur André Gide bewogen.
Vandaag heb ik het vooral over Theo. Schilder. (1862-1926) en medestichter van de beweging les XX (les Vingt) (1883) en later de Libre Esthétique (1887) waarmee zijn banden met Parijs en de ‘Neo-Impressionisten’ duidelijk werden.
De naam Neo-Impressionisten was in feite een vervangnaam voor de ‘pointilisten’ een strekking die rond schilders als Georges Seurat (1859-1891) en Paul Signac (1863-1935) opgeld maakte in de late jaren 80 van de 19de eeuw.

lapsseggiata

De Franse wetenschapper Michel-Eugène Chevreul schreef in 1839 een verhandeling ‘De la loi de contraste simultané des couleurs (Over de wet van het gelijktijdig contrast der kleuren)
Hij stelt dat er een harmonie mogelijk is door contrasterende en gelijkwaardige kleuren naast elkaar te zetten, en dat koppels van kleuren die in de kleurencirkel tegenover elkaar liggen (complementaire kleuren) elkaar versterken en intenser lijken: rood-groen, oranje-blauw, geel-paars.
Een Amerikaanse natuurkundige Ogden Rood schreef een in het Frans vertaalde verhandeling ‘Théorie scientifique des couleurs’. Hij stelt vast dat verf als materie zich anders gedraagt dan gekleurde lichtstralen. De mengeling van pigmenten geel en blauw geeft de kleur groen maar er ontstaat na een menging van geel en blauw licht grijswit licht.

Theo-Van-Rysselberghe-Three-Children-in-Blue

De schilders van het pointillisme mengen dus geen verf op het palet maar brengen pure verf in stippen (pointilles) naast elkaar aan op het doek. Het zijn de ogen van de toeschouwers die de kleuren vermengen, onze hersenen interpreteren de stippen als kleurvlakken en ze wekken bovendien de indruk licht uit te stralen.

Bij Theo Van Rysselberghe zal het tot 1889 duren eer zijn eerste pointillistische werken verschijnen, lees ik in een uitgave van 1962 ‘Le groupe des XX et son temps’ naar aanleiding van een tentoonstelling in Brussel die daarna naar Kröller-Müller verhuist in Otterlo NL.
De schilder komt dan terug van zijn derde Marokaanse reis die hem niet veel nieuws had gebracht ‘Je sens de moins en moins ce pays,’ schrijft hij.
Net na 1900, ‘…Met en effet, jusqu’après 1900, Van Rysselberghe continuera à travailler dans cette technique, qui était pour lui un langage précis, une méthode dont la rigeur bridait sa sensualité et sa facilité naturelle: le réaliste flamand avait trouvé son style. Dès lors, chaque année, il expose aux XX des portraits et des paysages. Si, dans ces derniers, il est souvent proche de Seurat, il est par contre très personel dans ses portraits.’
(ibidem)

summer afternoon

Maar bij deze warme dagen ben ik natuurlijk graag bij de familie in de boomgaard, ‘Famille dans le verger’ te zien in het Kröller-Müller-museum.
In een grote tentoonstelling ‘Post-Impressionism’ Cross-Currents in European Painting’ in de Royal Academy of Arts in Londen, 1979-80 lees ik daarover in de fraaie catalogus:

family i the orchard

‘This picture is set in the manor house on the estate of the ancient Abbaye d’ Aulnes, which was rented by Van Rysselberghe’s mother-in-law, seen on the left with her back tot the spectator; the woman with her face half turned on the right is Marie-Sèthe, the future Madame Henri Van de Velde.
In a sense this painting belongs to Van Rysselberghe’ s series of Neo-Impressionist portraits, a genre to which he devoted more energy than any other Divisionist artist.(Divisionism: Divisionism, in painting, the practice of separating colour into individual dots or strokes of pigment.)
However, this painting is more notable for its green-violet colour mix, as opposed to the red-green or blue-orange colours of the French Neo-Impressionism.
Van Rysselberghe has here adopted the spectral theory in preference to the pigmental division of coleur, which Van de Velde had already used in Bathing Huts on the Beach at Blankenberghe. (1888)

bathing huts blankenb

Vreemd dus dat hij een techniek gebruikt die niet alleen ‘rejected by Seurat and Signac in favour of the more conventional system of pigment complementaries maar ook door hemzelf in 1889 in La Pointe de Per Kirdec.

le-per-kiridy-mar-e-haute-th-o-van-rysselberghe-51099-copyright-kroller-muller-museum
Je zou kunnen zeggen dat het licht het haalt op de techniek: de ervaring van het moment laat zich niet in jasje wringen, hoe pointilistisch ook.
Want het ging om het licht, het licht dat de impressionisten uit de academische verledens naar boven haalden. En met het licht kwam ook de atmosfeer naar boven. Niet de anekdote, maar het besef dat wij ons het licht van een gebeuren, een tijd, herinneren waarin wij tegenover het bestaan geen verweer vonden tenzij de gloed, zachtheid, overvloed of spaarzaamheid van dat fenomeen licht ervaarden.
Zo zijn we in de boomgaard van deze rijkelijke zonnedagen die zich moeiteloos naar het verleden en de toekomst uitstrekken. We herinneren ons als kind in allerlei soorten licht, en ik zie mijn lang overleden ouders heel dichtbij in atmosferen van licht en donker waarin de lang vervlogen dagen zich hulden zoals onze kinderen en kleinkinderen ons in diverse lichtsferen memoriseren.

We zien vrijwel geen gezichten in de boomgaard. De vrouwen handwerken, zijn met bloemstukjes bezig, terwijl er eentje achter de boomstam onzichtbaar is en de vrouw achteraan naar de verte kijkt. Tegelijkertijd is het een moment en een eeuwigheid en in zo’n combinatie is beweging overbodig. Laten we van het licht uit die en deze dagen genieten.

Bathers-1920-Theo-Van-Rysselberghe-oil-painting-1

In het warm aanbevolen boek van Eric Min ‘Biografie van een wereldstad, 1850-1914 De eeuw van Brussel’, De Bezige Bij, Antwerpen 2013 vertelt de auteur over de persreacties op deze nieuwe ‘stippelkunst’. In een verwijzing:

‘Op 22 februari 1891 meldt het blad Clair de Lune dat drie bezoekers bezweken zijn aan de pokken, die ze hebben opgedaan in de buurt van een pointillistisch doek. Een jongedame uit de betere kringen is gek geworden. Na de expo beviel de vrouw van een burgemeester uit de provincie van een getatoeeëerde baby.’ (p371)

Een mooi voorbeeld om de tijdssfeer aan te duiden:
‘Bij een gistende wereld horen beelden die de klassieke codes geweld aan doen en de blik van het publiek op de proef stellen: de overbelichte olieverf van de impressionisten, stippels, onvermengde kleur, het zichtbare spoor van de kwast op het canvas, gebroken of dartele lijnen, wankelend perspectief, droomgestalten, snapshots en fotografische beeldkaders, die passanten net op tijd betrappen voor zij uit het zicht verdwijnen, sculpturen met een hoek af, elegant vormgegeven gebruiksvoorwerpen – en dit alles is precies wat in de Brusselse salons wordt geserveerd. Waar anders kun je Ensors maskers zien, en het zotte geweld van Rops en Rodin? Het beste van onze bodem tussen het sterkste werk dat in de Europese ateliers wordt opgezet?’
(ibidem p. 132)

Theo-Van-Rysselberghe-Moonlight-Night-in-Boulogne