De vriend van Federico

De bijna lijfelijk-voelbare veranderingen wanneer je vanuit het heideweggetje het dennenbos inloopt.
Niet te vlug stilstaan, -je moet diep genoeg tussen de lage zwiepende takken- (bukken en rugwaarts eventjes achteruit en dan frontaal verder.) liefst met het hoofd naar beneden zodat je de dikke laag gebruinde naalden onder je voeten ziet, hoort kraken en voelt veren en je -ver genoeg- even je ogen sluit en de vochtigheid van de voorbije morgen, met ondertonen van hars en nat hout kunt rieken en dan -in het schemerdonker- op je rug gaat liggen, en in die houding traagjes je ogen opent.

Dat was de grote bomenwieg.
Gebogen om naar jou te kijken, dacht je als jongetje (handig de rollen van observator doorgeschoven naar de wiegende dennenkruinen, ja.)
‘Wat ligt daar?’
‘Een van het paard getuimelde ridder, heren en dames Dennenboom, maar hij zal zich wreken!’

Denk nu niet dat hij als een vroegrijp overgevoelig zwalpend jongetje het spreekwoordelijke bos invluchtte.
De bende volgde.
‘Wie vond de beste geheime plaats waar de schat kon verborgen worden?’

Maar de jonge ridder keerde later terug naar de plaats waar hij in de bomenwieg had gelegen.
De ontroering die hij voor de collegae-ridders en jonkvrouwen had verborgen kon nu vleugels uit de hoge luchten laten vallen en wie steeg zo dadelijk tot hoog boven het Kempisch bos en verwonderde zich over de kromming van de aarde onder hem?
Wie zou er naar Herentals kunnen vliegen, eventjes bij Nonkel Jos aan het raam tikken en nog voor het donker weer landen in de boomgaard achter de villa?

De schat, twee grote chromo’s uit de serie wielerhelden van Dr. Mann waarop Fred de Buyne en Stan Ockers en een gekreukte kleinere met Federico Bahamontes, de adelaar van Toledo, als toegift.

Bobet won de tour van 1954, Fred De Bruyne de 8ste, 13de en 22ste etappe, Stan Ockers de elfde. Federico Bahamontes won het bergklassement. Hij was een bangerik in het dalen, vertelde nonkel Lowie. Hij liet zich na een solo op de top inlopen om met het peloton aan een stijle afdaling te beginnen, net zoals de jonge ridder telkens hij van de Galgenberg kwam gereden en tot aan de Holleweg duizend angsten uitstond.
‘Bahamontes,’ zei hij als hij zijn fiets in de schuur zette, Federico, we zullen samen nooit meer bang zijn. ‘
Met wie hij aan het praten was wilde zijn moeder weten.
‘Met mezelf, ma.’
En of hij het eens was met zichzelf?
Hij knikte, glimlachte en wuifde naar Bahamontes die graag ’s nachts een ritje maakte, goed tegen de schrik had hij gezegd net voor ze afscheid namen.

In zijn bed keek hij naar de zoldering: doorzichtig werd ze in het donker. Hij zag de bomen die hoog boven hem wiegden. Hij hoorde ze zingen en sliep dadelijk en diep. De vleugels aan een haakje boven zijn bed.
De maand augustus 1954.

Fragment uit 'De Vleugeljaren', geschriften en beelden waarin de vleugels uitslaan belangrijker is dan het bereiken van een doel. (Nog volop in voorbereiding.)
Federico Martin Bahamontes

Licht-gewicht: uit herinneringen gewogen.

Etcher: Orazio Borgianni, Italian, ca. 1578–1616
After: Raphael, Italian, 1483–1520
God Separating Light and Dark, from the Loggia Paintings
1615

Hij heeft er moeite mee. Licht en donker van elkaar te scheiden. Uit zijn kleine-kindertijd herinnert hij zich de zwaarte van de nachtelijke duisternis. Nog niet weg van de wereld, maar de wereld was ver weg van hem.

Was het camouflage zijnentwege? Of bedoeld als geschenk voor de verbeelders? De mengeling waarin de zwaarte van het donker het heimwee naar licht duidelijk maakte. Laat je dus niet misleiden door Eros’ vredige rust want ietsje verder kruipen twee slangen langs zijn goddelijk lijfje.

Sleeping Cupid with two snakes
1500 Gianna Pinotti?

Of het de boze dromen zijn, de vreselijke angsten voor dat alles overweldigende duister? Neurologen zullen het over de langzame vorming van het brein hebben, maar de verhalen over zijn nachtelijke huilpartijen heeft hij uit de ouderlijke verhalen meermaals mogen horen. Angsten die verdwenen toen de bezorgde omgeving een korf met eieren naar de nabije zusters Clarissen had gebracht, met de bede voor het slecht dromend dutske een gebed te plengen. En naar diezelfde verhalen bleek het een effectief middel. Het kind sliep voortaan als een klassieke roos.

Sleeping Cupid by Caravaggio

Het is niet zo moeilijk de diepe kinderangsten te begrijpen vanuit het jaartal 1943-1945 waarin vrucht en de baby constant waren blootgesteld aan de angst voor bombardementen. De kist voor school-prijsboeken werd zijn wieg die bij de eerste huiltonen van de sirenes kon opgetild worden en mee naar kelder of schuilplaats verhuisde. Ontstaan in 1943 en begin 1944 het spreekwoordelijke licht zien, was niet dadelijk een waarborg voor een zorgenvrije kleine-kindertijd. De voortdurende stress voor zijn moeder -al was het maar bij de voedselbedeling waar zij met doktersattest vooraan mocht staan, en allerlei beledigingen naar haar hoofd kreeg geslingerd-, de vrees voor bombardementen en betrokken te worden bij het dagelijks oorlogsgebeuren, creëerden een atmosfeer waardoor zijn latere kinderangsten in ruime mate konden verklaard worden.

Pencil Drawing of Sleeping Child, Vanderpoel (1857-1911) Appeared in Vanderpoel’s 1907 book The Human Figure

Nu slaapt een kind omgeven door rustgevende lichtjes, speeltjes, camera’s en microfoons, maar voor de op-de-rand-van-de-oorlog geboren jochie’s was het donker, en niets anders dan het donker de enige atmosfeer. De vraag of het licht mocht blijven branden kwam over niemands lippen. Licht was gevaarlijk gebleken. Overvliegende bommenwerpers wisten dan dadelijk waar ze hun vrachtje moesten droppen. En al kon hij wel eens de ‘knijpkat’ van zijn grootvader meesmokkelen, het ding maakte zo’n vreselijk lawaai bij het knijpende aandrijven van het lampje dat het hele gezin klaarwakker was en wegmoffelen onder de dekens onmogelijk werd gemaakt.

O, het zalige licht van de morgend. Niemand heeft ooit zo vreugdevol de overgordijnen open gezwaaid als dat bange kind.

Early morning goodbyes Curtis Wiklund ‘Us’

Zijn belangstelling voor ‘het licht’ is dus niet heel ver te zoeken. Zijn herinneringen aan gebeurtenissen, landschappen en seizoenen zijn door die liefde voor het licht gekleurd. Hij was een kind dat op zoek ging naar de natuur van het licht, al was zijn zoektocht eerder door verbeelding dan door wetenschappelijke nieuwsgierigheid gestuwd. En de vraag of licht een ‘gewicht’ had, wilde hij proefondervindelijk met weegschaal en zaklamp vaststellen. (verfijnd met de brievenweger waarbij het vermoeden dat de snelheid van dat licht niet erg veel gewicht kon verdragen. Om rond de driehonderduizend (299.337km) kilometer per seconde te halen was enige slankheid geboden.)

J.M.W. Turner (1775-1851) The Blue Rigi, Sunrise 1842 watercolor on paper

Maar…het onzegbare. De samenhang van water, een heuvel in de verte, mist en vooraan weerkaatsing. Het samenbrengen van een ervaring die je niet met woorden kunt benaderen. Net zoals je eigen ervaringen nauw samenhangen met die verhoudingen tussen de onderdelen. Het wegen van het licht en donker, niet meer het absoluut willen scheiden van de gevaarlijke duisternis en het hemelse licht, maar ze vermengen zoals wij deze mix smaken waardoor ze deel van onze herinneringen gaat uitmaken.

Joseph Mallord William Turner – Norham Castle, Sunrise

Om zijn herinneringen aan al dat licht-gewicht te kunnen duiden heeft hij een soort winkeltje ingericht waar licht-producten de oneindige variatie ervan beklemtonen. Het gaat dus niet om de kleurtonaliteiten maar de intensiteit en de bewegingen van het licht in een brede waaier rond zijn herinneringen gerangschikt. Ook wilde hij na elke serie geen illustratie maar slechts enkele sfeerbeelden om daarmee je eigen herinneringen niet in de weg te staan. Ook woorden hebben hun kleuren en muzikaliteit. Niet dat je bijvoorbeeld 12 gram zacht-lampjeslicht of een kilo goed-gelig-kermislicht zou kunnen aanschaffen, maar dat het woord ‘lampjeslicht’ of ‘kermislicht’ ook bij de lezer een bepaald soort licht uit zijn eigen ervaring ophaalt. Het licht uit onze herinneringen gewogen. Elk zinnetje hieronder staat voor een herinnering die best mogelijk later met woorden kan benaderd worden.

Rembrandt van Rijn, mediterende filosoof 1632
-Kwakkellicht, beetje aan, beetje uit.
-Bliksem in diverse sterktes: van weerlicht tot dolksteek.
-Hemelpuntjes: suikeren sterrenglinstering.
-Romig licht in vroege lentedagen.
-Dansend kaarslicht, denk aan het uitvallen van de electriciteit.
-Heel vroeg klaslicht rond de kersttijd: meester, mag het licht aan?
-Tussen-de-bomen-licht.
-Lief licht op het lichaam geschreven.
Modigliani, Nu Couché au coussin Bleu
-bij het traag aangeraakt worden in de vooravond, late herfst.
-wollig licht in een wolkenvolle hemel.
-het eerste strijklicht na de winter.
-triestig lampjeslicht in eerder kale kamer.
-hard neonlicht uit vroege dagen.
-bleekblauw, soms met regen.
-volle-maan-licht, in open hemel, daarna schuiven wolken voorbij.
Edvard Münch Maanlicht 1895
-eerste morgenlicht-sprietjes, over horizon gegoten.
-dreigend onweer-licht (in feite donker...)
-licht in het hoofd bij intens contact, zacht.
-eerst bedlicht, waarna je de lamp uitknipt en je tussen de lakens, onder het dekbed kruipt en nog even in het plotse donker rondkijkt.
-blote-billenlicht via gordijnloze ramen, bijna lege kamer.
-licht in geliefde ogen.
-over het water schaatsend licht, diverse bewegingen.
David Hockney 1972 Pool with Two Figures
-onder-het-laken-licht.
-vlekken door brandglas geprojecteerd op vloer of muren.
-licht op het eind van de tunnel
-achter de ramen-met-gesloten-gordijnen-licht.
-verlichte ramen vanuit de trein in het voorbijrijden.
-het donker in de auto die door de nacht langs onverlichte straten rijdt.
-licht dat je ziet achter je gesloten ogen eens je het kamerlicht hebt uitgeknipt. (nabeelden)
-beregende grote oppervlakten van bv. huisgevels, net na de bui.
Rainy day, Boston Childe hassam

Het kan een mooie tocht worden, je herinneringen aan het wegen van het licht te koppelen. Je kunt die herinneringen aanvullen met beelden of woorden, de nabijheid telt. Het gewicht van het licht kan je weer heel dichtbij het verleden brengen of je verlangens naar wat nog moet komen omringen.

We leven niet zo ver van elkaar, ook niet in de voorbije tijd. Bij elke tocht merk je dat onze eigen herinneringen en verwachtingen vaak heel nauw bij bij bestaande beelden, woorden of klanken aansluiten. Een mooie manier om uit de isolatie van deze moeilijke dagen te komen want het virus tast nooit onze innerlijke ruimtes aan. Onze tochten naar gisteren en morgen kunnen zelfs best zonder maskers bewandeld worden. We horen bij elkaar. Zoals wij zijn, of terwijl wij worden.

Denis Sarazin

The memory monster (2)

Weekend à Oswiecim Imbert Patrick 14_4

Het boek “The Memory Monster, A Novel, Yishai Sarid vertaling uit het Hebreeuws door Yardenne Greenspan, Restless Books Brooklyn, New York, 2020.
De foto’ s bij deze aflevering zijn van de Franse fotograaf Patrick Imbert, niet te verwarren met gelijknamige filmregisseur. Hij vatte ze samen in een boek: Weekend à Oswiecim, de Poolse naam van een stadje dat wij als ‘Auschwitz’ kennen. ‘Il ne s’ agit pas de porter un jugement moral sur la touristique d’un lieu de mémoire, mais de montrer qie les grands événements historiques tendent à se fondre dans la quotidienneté.’ schrijft hij als slotwoord.
Ze vallen in dit geval samen met de inhoud van de novelle zonder dat ze elkaar dadelijk willen becommentariëren, een mooie taak voor de lezer-kijker.

Enkele wereldwijde persstemmen vertellen over de inhoud van het boek:

‘Translated from the Hebrew with a steady hand by Yardenne Greenspan, the entire book takes the form of a letter written to the chairman of the board of Yad Vashem, Israel’s national Holocaust museum. It is an apology, one that demands the writer unspool his entire life story to account for an act of violence that occurs in the final pages. We become acquainted with an impressionable man, yanked through his own life, who finds himself an expert on Nazi killing techniques almost by chance, Holocaust studies being the best way to make a decent living in Israeli academia. Once professorship passes him by, he finds work as a tour guide to the concentration and death camps in what is today Poland, leading high school students and soldiers, occasionally dignitaries and finally anyone who will pay through Sobibor, Majdanek, Treblinka, Auschwitz, in what becomes an increasingly claustrophobic loop.

Patrick Imbert 14_7

The pages of his letter, “overflowing with perversion and self-hatred and emotional vomit,” as he puts it, describe a breakdown. His immersion in the thinking and logic of the Nazis is so obsessive that he loses his bearings and begins to see the world in their zero-sum terms. And, worse, soon he hears these thoughts echo from the young Israelis visiting the camps — an “exposed reflection” — they who walk around wrapped in the flag, singing the national anthem, crying, but also whispering, “That’s what we should do to the Arabs.” It makes sense to the guide: “When they see this simple killing mechanism, which can be easily recreated in any place and at any time, it inspires practical thinking. And they’re still children, it’s natural, they find it hard to stop. Adults think the same things, but they keep it to themselves.” (Gal Beckerman NY Times 08/09/2020)

As the narrator chronicles his path, there is a constant tension between the historical facts that he recounts for others — the almost dry textbook recitation of events and dates, which most history is eventually reduced to — and the visceral, personal, deeply emotional reaction to the horrors, which were, after all, staggering in both scale and atrocity. The narrator is a true scholar of the Holocaust, an expert with all the facts at his fingertips — which also makes him a good guide — but the disconnect between all those ‘facts’ he has learned and deals with daily and the lived horror they represent, between the rational-analytic and the personal-emotional, is, unsurprisingly, something he has difficulty dealing with.

The narrator also explains:
At first, I tried to separate myself from the report and convey it in a clean, academic fashion, without bringing in my own personality or my private life, which, in and of themselves, are nothing worthy of discussion. But after writing only a few lines, I realized that was impossible. I was the vessel inside which the story lived. If I widened the cracks until I broke, the story would be lost, too.

The narrator is disappointed by the lack of engagement of his audience, and their unwillingness or inability to truly peer into the depths of this abyss. He also becomes increasingly troubled by some of the questions that inevitably arise, including what he would have done in the situation the Jews deportees found themselves in. So also the situation of the kapos and Sonderkommandos — prisoners who were part of the machinery — is a problematic one he struggles with.
When his own young son is bullied at kindergarten, he is aggressive in his reaction: “Force is the only way to resist force, and one must be prepared to kill”, he insists (not that the situation escalates to anywhere near that); tellingly, his approach doesn’t prove particularly successful in resolving the issue. (M.A.Orthofer, 6 September 2020 The complete review, Literary Saloon)

Patrick Imbert 14_1

Le narrateur s’interroge sur l’usage de la force et de la violence d’une manière radicale qui remue nos angoisses au-delà même de la tragédie de la Shoah. «Qu’auriez-vous accepté de faire pour survivre?» Ses questions incluent le rôle longtemps tabou des kapos juifs des camps, non pour les accabler, mais pour interroger l’instinct de survie et se persuader qu’il se serait comporté comme eux, aurait transporté les cadavres des chambres à gaz aux crématoires, aurait arraché les dents en or de leur bouche. Et de rappeler ces chiffres sur le «bon fonctionnement de l’extermination à Treblinka»: 30 Allemands, 150 Ukrainiens et 600 juifs y travaillaient. (Le Temps)

Patrick Imbert 14_26

Je häufiger der Erzähler in Sarids neuem Buch die Schüler durch Belzec, Treblinka, Sobibor, Auschwitz und Birkenau führt, desto klarer formuliert er seine Fragen. Wer wird zum Mörder? Wer nicht? Wer sind ihre Opfer? „Seltsamerweise hörte ich sie gerade in Majdanek, auf dem wenige Hundert Meter langen Weg von den Gaskammern zu Mausoleum und Krematorium, über Araber reden. In Flaggen gehüllt flüsterten sie: Araber, so müsste man es mit den Arabern machen. Nicht immer, nicht bei allen Gruppen, aber häufig genug, um mir im Gedächtnis zu bleiben.“ Und wenig später gibt der Erzähler die Antwort auf seine Frage selbst, warum sich der Hass ausgerechnet gegen die Araber richtet und nicht etwa gegen die Deutschen: „Aber Menschen wie die Deutschen können wir schwerlich hassen. Schaut euch die Fotos aus dem Krieg an, man muss der Wahrheit die Ehre geben, sie sahen total cool aus in diesen Uniformen, auf ihren Motorrädern, entspannt, wie Models auf Straßenreklamen. Den Arabern werden wir nie verzeihen, wie sie aussehen, mit diesen Bartstoppeln und den braunen Schlaghosen, mit ihren unverputzten Häusern, dem Abwasser in offenen Gossen und den Kindern mit Gerstenkorn im Auge, aber dieses helle, saubere europäische Äußere möchte man gern imitieren.“ (Franfürter Alg. Zeitung)

Patrick Imbert 14_22

De auteur zelf:

Né en 1965, fils d’un ancien ministre de Yitzhak Rabin et d’Ehud Barak, époux de la petite-fille de Moshe Dayan, lui-même ex-officier de l’armée israélienne, Yishaï Sarid porte avec force le questionnement de la mémoire de l’Holocauste pour des générations aux liens toujours plus ténus avec l’époque nazie. D’une précision ethnologique, son roman fouille dans les moindres détails l’efficacité mortifère des camps d’Auschwitz-Birkenau, de Treblinka, de Sobibor et de Belzec. Ecrasé par le poids de la mémoire qu’il a défrichée, le narrateur en arrive à douter des effets de sa parole sur les visiteurs qu’il guide.(Le temps)

DW: Your book is entitled The Memory Monster. Why is the memory of the Holocaust a monster?

Yishai Sarid: The history of the Holocaust is something that still has an intense impact on Israeli and Jewish life – both on a personal level, as a family trauma, and on an institutional level. The emotions that stem from it, like hatred and animosities, go in many different directions — and like a monster, you cannot control them.

DW: The main character in your book is a historian at Yad Vashem who guides Israeli tour groups through the death camps in Poland. His thoughts revolve around the Nazis’ cold-blooded mass murder. At times he even imagines he is one of them, while at the same time, he feels the eyes of the victims watching him. What is happening to him?

Yishai Sarid: The Holocaust becomes his personal monster. He relives the extermination process again and again and becomes obsessed by its dark fascination. It is a kind of pornography; evil has a certain attraction. It’s no wonder biographies of Nazis are published around the world. We are fascinated by their actions. We remember the German criminals because they lived on and they were active. That’s not fair. The protagonists should be the victims, not the criminals.

DW: Every year on Yom HaShoah, a siren sounds out across Israel, and life comes to a standstill for a minute as people commemorate the victims. What does Holocaust remembrance mean in Israel?

Yishai Sarid: This is the subject of my book. The lessons we learn from the Holocaust and how we handle this issue are quite problematic. The main lesson is still that the Jewish people need to be very strong and able to defend themselves. But take Yad Vashem. The Holocaust is first of all a Jewish tragedy, but it’s also a tragedy for humanity. They don’t teach young people the universal lesson of the Holocaust: What would you do if you were in the position of a German? How can we make sure that such things will never happen again anywhere? (interview en redactie: Sarah Judith Hofmann)

Een besluit?

Sarid is clearly very scared for Israel. The allegorical rhythms beat too loudly here to ignore. Other writers have described well the reverberations of trauma (like David Grossman in “See Under: Love”) but few have taken this further step, to wonder out loud about the ways the Holocaust may have warped the collective conscience of a nation, making every moment existential, a constant panic not to become victims again. Even considering his young son, bullied in kindergarten by another boy, the tour guide loses all proportion: “Force is the only way to resist force, and one must be prepared to kill.”

At one point, he has the task of helping the Israeli Army plan the logistics of what will be a symbolic invasion of one of the death camps, complete with helicopter landing and soldiers storming the grounds with automatic weapons. This sounds like satire, but in 2003, three Israeli F-15 fighter jets, piloted by the descendants of Holocaust survivors, carried out a flyover over Auschwitz — the once powerless desperate to show off their power, even to ghosts.

Memory is a monster, a “virus injected into these children’s bodies,” the tour guide writes, and he himself cannot escape the camps. He is condemned to visit them again and again; he comes to feel almost “at home” there behind the barbed wire, an offhand but terrifying admission. No longer just chased by the monster, he has been bitten and Sarid demands that we ask: What will he now become? (Gal Beckerman NY Times 08/09/ 2020)

Patrick Imbert 14_29

Tot slot twee bedenkingen van bijzondere denkers:

« La compassion est une émotion instable. Il faut la traduire en action pour ne pas qu’elle s’étiole. La question concerne ce qu’il faut faire des émotions qui ont surgi, du savoir qui a été transmis. Si l’on sent qu’il n’y a rien qu’ « on » puisse faire – mais qui est « on »? – et rien qu’ « ils » puissent faire non plus – et qui sont « ils »? – on commence à souffrir d’ennui, de cynisme et d’apathie. »  Susan Sontag
Patrick Imbert 14_24
"Développé par Foucault, le concept d’hétérotopie parle de « sortes de contre-emplacements, sortes d’utopies effectivement réalisées dans lesquelles les emplacements réels, tous les autres emplacements réels que l’on peut trouver à l’intérieur de la culture sont à la fois représentés, contestés et inversés, des sortes de lieux qui sont hors de tous les lieux, bien que pourtant ils soient effectivement localisables ». Un exemple parlant est le cimetière comme hétérotopie de la mort.
 Et il suffit de se tourner vers Wikipedia pour apprendre que « Un témoin est une personne (ou un objet) neutre, qui a vu ou entendu un fait ou un évènement et qui pourrait donc attester de sa réalité. »
Patick Imbert 14_30

In betere tijden zullen we nog andere aspecten van ‘herinneren’ bespreken. Laat ons deze dagen vooral zacht zijn voor elkaar. Elkaar bijstaan.

Patrick Imbert 14_20
De cette douleur si forte que sa seule expression est le blanc, le silence. Aucun mot, aucun son n’étant en mesure de dire ce qu’il y a à dire sans simultanément en détruire l’intensité. Le photographe n’est pourtant pas un épieur ici, pas plus qu’un voyeur – il est un témoin. Il est celui qui vient partager l’impartageable, lui donner une forme qui la rende saisissable sans l’amoindrir. Et c’est peut-être en ce sens que l’on peut évoquer le terme de démarche artistique. Parce que le témoin n’est pas un scientifique au regard analytique, il est une sensibilité, certes neutre, à la merci des énergies parcourant un lieu. Là pour opposer sa subjectivité au néant qui autrement engloutirait la mémoire. Le terme de documentaire serait donc à entendre dans le sens d’un Primo Levi dont la démarche et l’approche d’une humilité forcément sincère résonnent absolument avec l’oeil de Patrick Imbert: « L’auteur qui écrit sous la dictée intérieure de quelque chose ou de quelqu’un n’œuvre pas en vue d’une fin, son travail pourra lui valoir renommée et gloire, ce sera un surplus. » Et on lui souhaite, enfin, ce surplus.
Patrick Imbert 14_8

The memory monster (1)

Kazerne Dossin Binnenplaats 1943-1944

Niet alleen het dagelijks gebruik ervan, maar ook de historische noodzakelijkheden blijken voor het geheugen een bijna onmogelijke opdracht, zelfs in zo ver dat de novelle van Yishai Sarid in de Engelse vertaling vanuit het Hebreeuws ‘The memory monster’ als titel kreeg.
Over dat ‘herinneren’ gaan de volgende bijdrages. Dat ze in nauw verband staan met de Shoah heeft zijn redenen. Maar eerst dit:

Collectieve herinneringen, de wijze waarop een gemeenschap zich voorbije gebeurtenissen herinnert – en andere vergeet – worden net als persoonlijke herinneringen gevormd en vervormd door actuele noden, verwachtingen en doelstellingen van de zich herinnerende gemeenschap. Verleden en toekomst worden in niet onbelangrijke mate meebepaald door het heden. (Gie van den Berghe, 'Nazikamp universum, artikel 2015)

Laten we beginnen met een kortfilm.
‘I have a message for you’

Met die film, gemaakt door Matan Rochlitz voor de New York-Times zijn we waar ikzelf ook aanwezig was en ben.
Zie je even een glimp van de Dossin-kazerne in Mechelen, plaats van waaruit de transporten naar Auschwitz vertrokken, dan was ik op diezelfde binnenplaats lang nadien als soldaat-milicien aanwezig om van daaruit als administratief bediende de volgende negen maanden in Duitsland mijn legerdienst in een tankgarage-werkplaats te gaan vervullen. Van de historische achtergrond werd in het toch bijzondere jaar 1968 met geen woord gerept. We leerden er briefhoofden en dagrapporten typen, liepen met een totaal overbodig en onbruikbaar wapen rond en hadden er geen benul van dat op diezelfde plaats 25.836 Joodse medemensen gedwongen vertrokken waren waarvan er slechts 1221 terugkeerden.

Enkele van die mensen zijn de hoofdpersonen van de kortfilm: ‘I have a message for you.’

In een volgende bijdrage breng ik de novelle van Yishai Sarid (Israel) ter sprake: ‘The memory monster’. Literair werk rond dit thema is eerder zeldzaam. Ik bespreek er de Engelse vertaling gemaakt door Yardenne Greenspan. (2019-2020) en breng dit werk in verband met de foto’s van de Franse fotograaf Patrick Imbert. Hij brengt ons dezelfde plaats, Auschwitz, vanuit het ‘bezoekers-standpunt’, net zoals de novelle dat doet. Het boek ‘Bij ons in Auschwitz, getuigenissen samengesteld door Arnon Grunberg, zal onze vragen en bevindingen aanvullen vanuit degenen die het meemaakten en in leven bleven., maar dat is voor andere tijden. Nu zullen we ons vvoral bekommeren om de dagelijkse zorg voor elkaar.

“What’s your job, Dad?” he asked.
“He tells them about what happened,” Ruth offered.
“What happened?” Ido widened his eyes with worry.
“There was a monster that killed people,” I said.
“And you fight the monster?” he asked, excited.
“It’s already dead,” I tried to explain. “It’s a memory monster.”
(THE MEMORY MONSTER)
"The memory monster":  The unnamed narrator leaves his family behind for months at a time to lead tours for Israeli high school students, soldiers, and dignitaries at concentration camps in Poland. Poland is shabby and depressing, but Auschwitz, he says, always impresses: “The branding does its job.” The narrator’s story is framed as a letter to his boss about an incident he was involved in during a tour, when he punched a guest, and the letter becomes a record of a breakdown, an impassioned consideration of memory and its risks, and a critique of Israel’s use of the Holocaust to shape national identity.

Richard, de winter van ons ongenoegen…

Mr. Kean as Richard the Third [in Shakespeare’s King Richard III] (Published by M. & M. Skelt, London [between ca. 1837 and 1840] Used by permission of the Folger Shakespeare Library.
In het kleine-kinderdonker schuilt de primitieve angst voor het grote donker.
Waaruit wij kwamen.
Naar waar wij gaan.

Het donker is de plaats voor de oudste rituelen.
Verbindingen maken met degenen die in het grote donker zijn opgenomen.
De geboorteplaats van het theater.

Het onvermijdelijke van het grote donker
blijft de dynamiek waarin wij proberen door te vertellen
wat wij ons van degenen die zijn opgenomen herinneren,
wat wij hen toedichten,
hoe wij denken van hun bijzondere plaats gebruik te kunnen maken.
Geven en nemen is ook in dit ritueel bijzonder.
(left) Edwin Booth as Richard III. Henry Linton after John Hennessy, 1872; (center) George Vertue. Richard 3d. Drawing, early 18th century; (right) Edmund Kean as Richard III. London: Published by M. & M. Skelt, between ca. 1837 and 1840.
(Richard, hertog van Gloster op.)

Nu wordt de winter van ons ongenoegen
Glansrijke zomer door de zon van York;
En alle wolken die ons huis bedreigden
Verzonken in de diepe schoot der zee.

En zo begint Richard III een van de vroege toneelstukken van William Shakespeare.
De winter van ons ongenoegen verandert in een glansrijke zomer, en het is de toeschouwer duidelijk dat het niet alleen de zon aan de hemel is maar allicht ook de zon op Edwards’ wapenschild, zoals het huis niet voor het gebouw staat, maar een famlie vertegenwoordigt waarin verleden en toekomst ter sprake zullen komen.

Wanneer in het laatste tafereel van het vijfde bedrijf de conclusie van al het vorige wordt samengevat in onderstaande samenvatting blijkt al vlug dat de waargenomen zomer van het eerste toneel, eerste bedrijf toch niet zo glansrijk was:

In waanzin heeft ons land zichzelf doorkorven;
Blind heeft de broer zijn broeders bloed vergoten,
De vader dol zijn eigen zoon geslacht,
De zoon zijn vader omgebracht uit noodweer.
Bogumil Dawison as Richard III Friedrich von Amerling (1803-1887)

En dan mag in de voorlaatste zin ‘de twist is dood’ worden genoemd, de vrede bindt ons samen, en hij bloeie steeds, maar de allerlaatste woorden ‘o, God spreekt gij uw amen.’ laten vermoeden dat zo’n goddelijk woord nog even zou kunnen uitblijven. De weg voor Hendrik VII en het Tudor-despotisme was immers geëffend.
Een echte burgeroorlog kon je de Twee-rozenoorlog niet noemen, zoals de deskundige vertaler Willy Courteaux in zijn inleiding schrijft. Het was een familieruzie tussen het huis Lancaster en het huis York.

‘De burgerij keek onverschillig toe, terwijl de kleine legerbenden tegen elkaar te velde trokken. In alle opzichten was het een oorlog van beperkt formaat. Nergens ontdekken we een onbaatzuchtige impuls of een nobele beweegreden; hebzucht, ambitie, gekrenkte trots en — in het beste geval — de drang naar zelfbehoud waren de enige drijfveren. Maar wat de oorlog aan omvang miste, vergoedde hij ruimschoots door de wreedheid van zijn methodes en de trouweloosheid van zijn leiders.Richard III was het laatste slachtoffer van dat adderkluwen van verraad en kleinheid. Hij was een slachtoffer in meer dan één opzicht. Als zondebok, beladen met alle gruwel van de ‘Twee-rozen Oorlog’, werd hij de geschiedenis in gezonden; niet omdat hij slechter was dan de andere koningen uit die grimmige periode, maar omdat zijn opvolger, Hendrik VII, de roof van de kroon maar kon verrechtvaardigen, door er de wereld van te overtuigen, dat Richard een tiran was en een moordenaar.

Anonymus portrait Richard III

De moderne geschiedenis heeft de waarheid achterhaald en een rechtvaardig vonnis over Richard III geveld. We hebben geen enkele reden om aan te nemen, dat hij een heilige en eenmartelaar was. Hij groeide op in een wereld van verraad en bloed.. Zijn vader werd vermoord toen hij nog een kind was; hij leerde vroeg dat hij in het leven voor de keuze staan zou : het eerst toeslaan of ten onder gaan. En hij leerde toeslaan, snel en hard.Van alle misdaden waar de traditie hem van beschuldigt, kan men hem echter geen enkele met zekerheid ten laste leggen.Hendrik VI, Prins Edward en Clarence stierven niet door zijn hand. Anna, zijn vrouw, stierf een natuurlijke dood. Het mysterie van de twee jonge prinsen is nooit opgehelderd. De enige smet waarvan wij zeker weten dat ze op hem kleeft, is de overhaaste terechtstelling van de verwanten van de koningin en van Hastings. Maar met de criteria van die tijd was ze eerder een daad van zelfverdediging dan een moord.’ (W. Courteaux)

Artwork by John Aggs, commissioned by Leicestershire County Council for the exhibition Richard III: The making of a myth.

Toegegeven, heel oorspronkelijk was Shakespeare niet.
Hij putte zijn materiaal uit drie bronnen: eerst het werk van Sir Thomas More over de regering van Richard III, waar Moore werd bijgestaan door kardinaal Morton -de bisschop van Ely in Shakespeare’s stuk- die Hendrik Tudor in de opstand had gesteund en later zijn minister was geworden. De heer More kleurde de tendentieuze herinneringen van de oude kardinaal met zijn eigen levendige verbeelding zoals Courteaux schrijft.
In 1543 werd dit briljant maar onbetrouwbaar boek uit het latijn naar het Engels vertaald en door Hayding in zijn ‘Chronicle’ gepubliceerd.
In de kroniek van Hall (1548) vinden we More’s visie terug, en in Hollinsheds “Chronicle of the Kings” van 1577 krijgen we nog eens hetzelfde verhaal voorgeschoteld.

Ik kan je de uitstekende inleiding van Willy Courteaux aanraden die ik in de uitgave van de beroemde ‘Klassieke Galerij’ heb gelezen, nummer 122, uitgegeven in 1956 maar zeker in ander werk van deze meester-vertaler terug te vinden.
Als lot kan dit citaat tellen:

Wat het einde zijn zal weet hij (Richard). In de woorden “Een paard, een paard, mijn koninkrijk voor ’n paard!’ klinkt de overtuiging dat zowel het koninkrijk als het paard verloren is. Als hij voor Hendrik Tudor staat, wordt er noch voor, noch tijdens het gevecht een woord gewisseld. Welk woord zou nog passen? Richard is hier niets anders meer dan een stuk wilde, tomeloze, blinde energie.‘Shakespeare heeft de acteur met de zware taak belast, alleen door zijn spel te laten zien hoe dat heerlijk stuk natuurkracht sterft.,,He fights at last,” schreef Hazzlitt van Edmund Keans vertolking, ,,like one drunk with wounds; and the attitude in which he stands with his hands stretched out, after his sword is wrested from him, has a preternatural and terrific grandeur, as if his will could not be disarmed, and the very fantoms of his despair had power to kill.”

This is an oil painting done in the early 19th Century by George Clint. It depicts Edmund Kean as King Richard III ordering the Duke of Buckingham as a part of a production of Shakespeare’s Richard III. This portrait displays important characteristics that set Kean Apart in this time, like his greasy black hair, sharp features, and grumpy disposition, making him the perfect shakespearian villain. Before Kean, even the villains in stage productions of Shakespeare’s works tended to be tall and gorgeous, but Kean revolutionized the way that villains were protrayed on stage. The dark, rich colors of this painting, along with the ornate and fabulous costumes, shows just how lavish and integral to society theater, and Shakespeare, were at this time.

Richard III is dadelijk toepasbaar op de kleine en grote gebeurtenissen van deze dagen. Op kleine schaal de lange regeringsvorming met allerlei kleinmenselijke (en daardoor boeiende) vormen van list en verraad naast eerlijke of schaamteloze pogingen het klassieke laken naar zich toe te trekken, als op de grote politieke gebeurtenissen met de Amerikaanse verkiezingen als illuster voorbeeld om nog te zwijgen van de Turkse, Hongaarse en Russische bijdrages of het droevige lot van de Armeniërs, en de lezer vindt dadelijk talrijke aanvullngen.
De vraag of het theater moet ‘heruitgevonden’ worden is ook al een goed onderwerp voor een stuk want telkens weer vertellen we bij het vuur de verhalen die we hoorden, meemaakten of willen vermijden. De manier waarop we ons verhaal bij de toeschouwer brengen mag eerder door bekommernis omtrent de inhoud dan wel door het ego van de regisseur bepaald worden hoop ik.

Een stukje bijna innerlijke monoloog als slot: ( noteer: het licht brandt blauw: dan is er een geest in de omgeving) Een innerlijk gesprek met het bange en toch weer moedige zelf. Herkenbaar?

(Koning Richard schrikt wakker uit een boze droom)

'Geef mij een ander paard, verbind mijn wonden!
O, laf geweten, wat komt gij mij kwellen?
Het licht brandt blauw. 't Is 't holste van de nacht.
Koud angstzweet staat mij op het rillend lichaam.
Wat vrees ’k? Mezelf? Hier is toch niemand anders.
Richard is Richards vriend ; ja, ik ben ik.
Is hier een moordenaar? Nee. Toch, ik ben ’t.
Vlucht dan ! Hoe ! Voor mezelf? _]a, juist ! Waarom?
Ik ben mijn vriend. Waarvoor? Iets goeds,
Dat ik, ikzelf mijzelf heb aangedaan?
O neen. Helaas ! ik haat veeleer mezelf
Voor gruweldaden die ik zelf bedreef. .
Ik ben een schurk. Nee, ’k lieg, ik ben er geen.
Dwaas, maak uzelf niet zwart ! —— Dwaas, vlei zo niet
O, mijn geweten heeft veel duizend tongen,
En elke tong verhaalt een and’re maar
En ied’re maar veroordeelt mij als booswicht.
Meineed, meineed in de allerhoogste graad,
Moord, grimme moord in de allerergste graad,
En elke zonde in elke graad bedreven
Dringt naar de balie, roepend : schuldig ! schuldig !
O troost’loos lot, geen schepsel houdt van mij,
En zo ik sterf zal mij geen mens beklagen.
En waarom zouden ze ook, daar ik toch zelf
Geen deernis in mezelf vind voor mezelf?

(vertaling Willy Courteaux)
Hier door William Hogarth geschilderd, de toen beroemde acteur David Garrick, vriend van de schilder, die bovenstaande monoloog interpreteert 1745
It falls between the commonly accepted genres of portraiture and historical painting. The pose used by Hogarth was similar to other that used for other portraits of actors, especially those by Zoffany. Having compared Hogarth's painting with those of Garrick by Reynolds, Gill Parry concludes that Hogarth had helped to establish a new subgenre within portraiture, that of the theatrical portrait.[2] The pose adopted by the actor was described by Hogarth as "the serpentine line"; he saw it as "being composed of two curves contrasted". In his 1753 treatise The Analysis of Beauty he suggests that this is a particularly beautiful shape which "gives play to the imagination and delights the eye"(Walker Art Gallery Livepool)

‘Taller than the trees’, een kortfilm van Megan Mylan

Masami Hayata, Japan is niet dadelijk het beeld van een zorgverstrekker in de Japanse samenleving. Hij heeft een full-time baan, een zesjarige zoon Shion en een dementerende moeder in de laatste fase van haar leven. (en een vrouw die door haar job bijna steeds afwezig is.)

In deze korte documentaire van de New York Times uit 2016, “Taller than the trees”, gemaakt door Megan Mylan, zie je een beeld van hun dagelijks leven.

Japan’s elderly population is surging, and its birthrate is one of the lowest in the world. Concurrently, more women than ever are entering the workforce, making households with two working parents the norm rather than the exception. This confluence of demographic and societal changes has created a crisis of caregiving – a challenge that’s even more pronounced in a culture that practices ‘oya-koko’, or filial piety, and where office culture can be extremely competitive. The Academy Award-winning US director Megan Mylan’s Taller Than the Trees follows the daily life of Masami Hayata, a Tokyo ad executive, who embodies the changes that Japan is undergoing. With his wife frequently out of town for her job as a flight attendant, Hayata takes on the role of domestic caregiver, attending to their six-year-old son, as well as his mother, who is in the late stages of dementia, in addition to his considerable corporate responsibilities. Mylan traces Hayata’s delicate work-life balance with a light and intimate touch, crafting a film that deftly renders the personal as a reflection of broader shifts in society.

Of wij met dezelfde mooie oosterse gelatenheid het leven in balans kunnen brengen laat ik in het midden. Maar de vanzelfsprekendheid waarmee de zorg voor elkaar in de flow van het leven zijn plaats heeft gevonden blijft mijn eerbied en bewondering afdwingen. De problemen van de Japanse samenleving zijn dezelfde problemen waarvoor wij met zijn allen ook dagelijks een oplossing moeten vinden. En hoe schitterend stralend de jonge garde geschiedenis wil schrijven, de ‘gang van het leven’ zal er zijn plaats in moeten krijgen met hetzelfde respect en dezelfde waardigheid die efficiëntie niet uitsluiten maar ook niet als eerste vereiste wil nastreven.

Zo lang de bomen als maateenheid mogen dienen blijft het begrip toekomst een menselijke ondertoon behouden, met de warmte van de eeuwige tango op de achtergrond.

Orpheus, omkijken: noodzaak en verlies

Orpheus en Euredice JacquesLouis David foto Hugo Maertens MSK Gent

Terwijl jouw appartement verbouwd wordt, ben je nu waarschijnlijk voor een tijdje een kust-bewoonster. Van het Antwerpse uitzicht op de rode achter-de huizen-boom naar een breed beeld van strand en een zekere hoeveelheid water die in een bepaald ritme dichterbij komt en weer terugtrekt, en daarbij de getijden van licht en donker, herinneringen en verwachtingen en talrijke andere bewegingen die ook onze emoties en gedachten in beweging zetten. Vaak voel ik me gewiegd in de ritmes waarin wij de tijd vermalen en die ik in allerlei mooie muziek terugvind, waarin het ritme en de melodie-ontwikkeling mij doen denken aan het ‘wiegen’, het net zo heen en weer bewegen van de getijden en het licht. Je kunt die dagelijkse wisselingen vergroten naar jaargetijden zodat je merkt dat het ‘panta rei’, alles beweegt, een geldende uitdrukking blijft in schijnbaar bewegingloze werkelijkheden.

Ik draai er een cello-sonate bij van Beethoven die diepte geeft aan de cirkel waarin we de tijd waarnemen. Alsof de muziek de cirkel kan stopzetten en je even in de waan laat dat je aan het nooit stoppende voortbewegen (het malen van de tijd) een andere draai kunt geven.
Zweven in de innerlijke ruimte. Maar vergis je niet want er staat duidelijk een tijdsduur bij, 13’57 voor het adagio sostenuto-allegro en 7’09” voor het allegro vivace.
Toch gooi je ankers uit die sterk met het verleden (ver of nabij) gelieerde ervaringen weer nabij brengen of het onzekere van wat nog te gebeuren staat verzoenen met de mist die er meestal boven hangt. Wonderlijk is dat je met het jaar 1796 verbonden bent, de datum van de schriftuur. Beethoven was toen in Berlijn, onze geliefde pleisterplaats. Hij ontmoette er de pruisische koning Friedrich Willem II, een muziekfan en ‘keen cellist’ zoals Wikipedia beweert al zouden deze sonates eerder door de de eerste en tweede cellisten van de vorst hun première beleven.

Romeins mosaik Dallas museum of art

Het feit dat je bijna 225 jaar overbrugt geeft je de mogelijkheid de oorspronkelijke ideeën te ervaren zonder de tijdselementen van letters die anders dan muziek hun ouderdom zichtbaar maken, meer lijden aan ouderdomskwaaltjes want taal haakt zich op een andere manier aan de tijd dan muziek. Het vrij zijn van ingewikkelde etnisch gebonden symbolische tekens, geeft de muzikale taal een zuiverheid die elke geschreven bron mist. Haar taal is onmiddellijk door alle wereldbewoners (met enige muzikale opleiding) leesbaar en (met enige muzikale opleiding) uitvoerbaar.

'Worte gehen noch zart am Unsäglichen aus…
Und die Musik, immer neu, aus den bebensten Steinen,
baut im unbrauchbaren Raum ihr vergöttlichtes Haus.
Orpheus temt de dieren
Jan van Ossenbeeck in or after 1660 Rijksmuseum A’dam.

Daarmee ben ik bij Orpheus. Alvast bij ‘de sonetten aan Orpheus’ van Rainer Maria Rilke bij wie de taal nog steeds weinig van haar oorspronkelijkheid heeft moeten afgeven aan de tijd.
De oerbron van het oude verhaal is onvindbaar. In onze literatuur verwijzen we naar Vergilius en Ovidius. De latere bewerkingen voor toneel, opera, poëzie, roman en film zijn niet te tellen.
Stephen Fry maakt er in zijn ‘Helden’ (het tweede boek met Griekse mythen en sagen) een fraai verhaal van.

Marc Chagall The myth of Orfeus
Het vermogen om het wilde beest te kalmeren

Orfeus was de Mozart van de oudheid. Meer dan dat. Orfeus was de Cole Porter, de Shakespeare, de Lennon en McCartney, de Adele, Prince, Luciano Pavarotti, Lady Gaga en Kendrick Lamar van de oudheid, de alom erkende zoetgevooisde meester van woorden
en muziek. Tijdens zijn leven verspreidde zijn faam zich over het Middellandse Zeegebied en daarbuiten. Er werd gezegd dat zijn zuivere stem en ongeëvenaarde spel de viervoeters in het veld, de vissen in de zee, de vogels in de lucht en zelfs de gevoelloze rotsen en wateren konden betoveren. Rivieren verlegden hun loop om hem te horen. Hermes bedacht de lier, Apollo verbeterde die, maar Orfeus vervolmaakte hem.
Er is overeenstemming over de vraag wie zijn moeder was, maar over zijn vader bestaat onzekerheid. Hier stuiten we op een thema dat in dit Tijdperk van de Helden vele malen terugkeert: dat van dubbel ouderschap. KALLIOPE, Mooie Stem, de Muze van de epische dichtvorm, schonk Orfeus het leven nadat ze was bezwangerd door een sterveling, de Thracische koning OIAGROS. Maar naar verluidt was ook Apollo Orfeus’ vader, en Orfeus was zeker een van de lievelingen van de god. In elk geval dartelde de jonge Orfeus met zijn moeder en acht Muze—tantes rond op de berg Parnassos, en daar schonk de verknochte vader Apollo zijn zoon een gouden lier, die hij hem persoonlijk leerde bespelen.
Binnen de kortste keren kon het wonderkind al beter met het instrument overweg dan zijn vader, nota bene de god van de muziek.
In tegenstelling tot Marsyas, die mogelijk zijn stiefbroer was, schepte Orfeus niet op over zijn vaardige spel en hij maakte ook niet de fout om zijn goddelijke vader uit te dagen tot een wedstrijd. Hij probeerde zijn spel te verbeteren en betoverde de vogels in de lucht en viervoeters in het veld. Zelfs de takken van de bomen bogen zich omlaag om naar zijn lier te luisteren, en de vissen sprongen en glommen van vreugde vanwege zijn zachte, verlei-
delijke melodieén.
Zijn karakter was net zo lieflijk als zijn spel en zang. Hij speelde omdat hij van muziek hield, en zijn liederen waren een eerbetoon aan de schoonheid van de wereld en de glorie van de liefde.
(Stephen Fry, Helden, de grote avonturen uit de Griekse mythologie, vertaling Ineke van Elskamp, Thomas Rap A'dam 2019)
Orpheus and the animals Roelant Savery (1576-1639) ca 1630

Het vehaal van Eurydice is vrij bekend. Een grote liefde. Een groot feest. Een zalig leven samen tot…Een boze god van minder allooi het mooie meisje achterna zit, (hij was een imker, vertelt Vergilius) zij in het water springt om aan hem te ontkomen maar daar zwom net een adder die een giftige knauw in haar hiel achterlaat, met de dood tot gevolg. Algemeen verdriet. Meer dan een jaar. Tot Apollo hem opdraagt Eurydice uit de onderwereld terug te halen. Met zijn muziek kan hij de vreselijke hellehond met drie koppen en een slangenstaart, Cerberus, in slaap wiegen, kan hij Charon, de veerman, overtuigen hem over de Styx te zetten en nadien, bij de ingang, de vreselijke drie rechters vermurwen hem door te laten. Bij Hades, de god van de onderwereld lukt het tenslotte ook nog een keer en daar staat dan Eurydice die hij mee terug naar de levenden mag voeren. Echter, hij mag niet omkijken voor ze helemaal boven zijn want anders wordt ze voor altijd naar de onderwereld verbannen. En jawel, net voor ze boven zijn…Hij kan niet langer wachten, draait zich om…De rest is droevige geschiedenis.

John Roddam Spencer Stanhope Orpheus and Eurydice on the Banks of the Styx, 1878

In de literatuurgeschiedenis kun je je afvragen of dat omkijken van Orfeus een rebellie is. Ik laat Dennis Koopman aan het woord in zijn masterscriptie: Orpheus: Geen omkijken naar?

Orpheus negeert net als de vrouw van Lot een goddelijk gebod. Maar is dit rebellie? Orpheus is eerder helbezoeker dan hemelbestormer. De blik achterom mag dan geen bewuste en doordachte actie zijn, het blijft een verzet, een overtreding, hoe onbedoeld misschien ook. De goden denken er hetzelfde over en zijn onverbiddelijk. Maar of Orpheus nu in opstand komt of dat het een fatale vergissing is, het blijft menselijk. We kijken voortdurend achterom, uit veiligheid, instinctief. Maar ook symbolisch: de mens kijkt maar al te vaak terug, naar het leven dat al geleefd is. Misschien moet Orpheus eigenlijk enkel en alleen in die context worden opgevat: het is een les om in het heden te leven, in plaats van in het verleden te blijven hangen.

Orpheus and Eurydice is a painting by Gaetano Gandolfi

‘Een andere benadering is die van een ongewoon soort creatieve therapie: rouwverwerking door die vrouw een tweede maal te scheppen, in wat voor vorm dan ook. We zagen al dat het levend houden van de herinnering, van de verbeelding van de geliefde soms de voorkeur verdient, vooral als ze (voorgoed) onbereikbaar is. Het verlies moet worden getransformeerd, het verdwenen vlees en bloed vervangen. Of het niets vluchtigs is als een lied, of iets tastbaars als een boek of een schilderij: iets moet de plaats innemen van de geliefde. De balans moet worden hersteld; waar iets vernietigd is, moet iets worden geschapen. Een ode voor de dode. Alles wat Orpheus na de dood van Eurydice gedicht en gecomponeerd heeft zijn requiems, lamento’s en elegieën, te vergelijken met rouwliteratuur, boeken waarin het verlies beschreven wordt om het te verwerken, zoals Schaduwkind(2003), Komt een vrouw bij de dokter (2003), Contrapunt (2008) en Tonio (2011).
Mislukking en verlies liggen misschien wel ten grondslag aan de westerse literatuur.
(Dennis Koopman)

Orpheus and Eurydice Edward Poynter(1836-1919)

In de Groene Amstrdammer, 13 juni 2005 schrijft Sandra Kooke een boeiende bijdrage over ‘de talloze gestalten van Orpheus’:
‘In Orpheus komen talloze symbolen samen. Zijn zangkunst hoort bij de rationele god Apollo, wiens zoon hij volgens sommige schrijvers is, zijn dood hoort bij de god van de oergevoelens, Dionysos. Voor latere interpreten krijgt hij een zekere gelijkenis met Jezus. Orpheus is immers een soort leraar, zowel in de muziek als in de jongensliefde. Bovendien gaat hij uit liefde de strijd aan met de dood en wil hij een gestorvene tot leven wekken. Voor anderen is hij de ultieme kunstenaar, al dan niet met ijdele trekjes.

Orpheus’ tocht naar de Onderwereld is te beschouwen als een opdracht, die tot een innerlijke rijping zal leiden. Het is ook een onderzoek naar de betekenis van leven en dood en tot slot een verhaal over de (on)macht van de liefde of van de kunst. Juist de veelheid aan symbolen en interpretaties maakt hem geschikt voor sublimering in de kunst.

Talloze verklaringen bestaan er voor dat omkijken van Orpheus. Een vergissing (Monteverdi), hij kon haar smeken om haar aan te kijken niet weerstaan (Gluck, Couperus), hij was al terug in het zonlicht, zij nog niet (Nicolaas Matsier), de ijdele kunstenaar keek om te zien of ze zijn lierspel wel mooi vond (Simon Vestdijk), hij ontdekte dat hij haar niet meer terugwilde (Helène Nolthenius), het heeft geen zin een dode terug te halen (Cesare Pavese).

De mooiste komt van Jacques Offenbach. In ‘Orphée aux Enfers’ willen Orpheus en Eurydice scheiden, maar het personage Publieke Opinie maakt dat onmogelijk. Als zij sterft, is Orpheus opgelucht. Maar Publieke Opinie eist dat hij haar terug gaat halen uit de onderwereld. (Orpheus zingt daar zelfs een schijnheilige snotteraria op de muziek van Glucks beroemde aria ‘Che faro senza Eurydice’).

Daar is verder niemand blij mee: Orpheus niet, Eurydice niet en Zeus en Pluto niet, omdat ze allebei hun oog op Eurydice hebben laten vallen. Uiteindelijk dwingt Publieke Opinie Orpheus om zonder omkijken terug te lopen. Maar Zeus laat hem zo schrikken met een donderklap, dat hij toch omkijkt. Eind goed, al goed.

Dürer De dood van Orpheus 1494

Er zou nog een hoofdstukje over het smartelijk einde van Orpheus kunnen volgen, maar ik heb me in deze bijlage vooral gecentreerd op de poging van de zanger-dichter-kunstenaar om zijn geliefde uit de dood terug naar de levenden te voeren, een poging die iedereen in dit bestaan die geliefden heeft aan ‘de overkant’ best zal begrijpen. De dichter-muzikant zal duidelijk de grenzen voelen van het ‘weer tot leven brengen’ en zich daarbij in laatste instantie van de kunst moeten bedienen, zonder ooit de poging op te geven die droom te benaderen met inbegrip van het omkijken als menselijke bekommernis als hij voor de zoveelste maal opnieuw begint met het bekende ‘witte blad’ in zijn hoofd. De goden trotseren heeft zijn prijs.

Lieve vriendin aan de woelige herfstzee, graag copieer ik je tot slot het tweeëntwintigste sonnet uit het eerste deel van ‘de sonnetten aan Orpheus’.

Wir sind die Treibenden. 
Aber den Schritt der Zeit, 
nehmt ihn als Kleinigkeit 
im immer Bleibenden. 

Alles das Eilende 
wird schon vorüber sein; 
denn das verweilende 
erst weiht uns ein. 

Knaben, o werft den Mut 
nicht in die Schnelligkeit, 
nicht in den Flugversuch. 

Alles ist ausgeruht: 
Dunkel und Helligkeit, 
Blume und Buch. 

Rainer Maria Rilkee

lees: https://ziladoc.com/download/orpheus-geen-omkijken-naar-masterscriptie_pdf#

Poetry is not a project: Noah Falck

Gordian Knot Henrique Oliveira (Brazil)

Poetry is not a project, dat was de kreet die het pamflet van dichteres Dorothea Lasky samenvatte en in wie de dichter die wij hier voorstellen, Noah Falck, zich terugvindt. Een citaat van Lasky: “Nowadays, poetry critics and scholars often refer to an entire body of work by one poet as a “project,” but I don’t think poems work that way. I think poems come from the earth and work through the mind from the ground up. I think poems are living things that grow from the earth into the brain.”
Lees je de gedichten van Noah Falck dan voel je inderdaad dezelfde richting. Zijn laatst bundel ‘Exclusions’ draagt dan ook een duidelijke titel. Het gaat dus niet over ‘uitsluitingen’, naar de heersende morele opvattingen, maar je sluit zelf een aantal voor de hand liggende mogelijkheden uit om een nieuwe kern te ontdekken en die in je brein mogelijkheden tot ‘uitwas’ te geven.

'Poem Excluding Air Quotes

Start with how your father died.
In the hospital, his legs
couldn’t even whisper beneath
the thin sheets. You sat in a plastic
chair and took in a view of the parking
garage. The hallway was busy
with the occasional sound of toddlers
chasing balloons, of nurses, fake smiles.
You decorated his bedside with a get-
well card from an ex-wife, a tall glass
of ice water. When he passed, you
wondered how many people
had died in this room,
on this bed,
at this time of night
when the darkness was making
a meal of the world.

Excerpted from Exclusions by Noah Falck, Tupelo Press
Foto door Pixabay op Pexels.com
Gedicht "tussen-haakjes" uitgesloten

Begin met hoe je vader stierf.
In het hospitaal, zijn benen
konden niet eens fluisteren onder
de dunne lakens. Je zat op een plastieken
stoel met zicht op de parkeer-
garage. De gang erg druk
met af en toe de klank van kleuters
ballonnen jagend, van verpleegsters, neppe glimlachjes.
Je decoreerde zijn nachtkastje met een beterschaps-
kaart van een ex-vrouw, een lang glas
met ijswater.Toen hij stierf, vroeg je
je af hoeveel mensen
in deze kamer gestorven waren,
op dit bed,
deze tijd van de nacht
wanneer. de donkerte een maal maakte
van de wereld.

vertaling Gmt
Noah Falck (1977) is a poet and educator. He was born and raised in Dayton, Ohio, and attended the University of Dayton. He is the author of the poetry collections Exclusions and Snowmen Losing Weight as well as several chapbooks including You Are In Nearly Every Future and Celebrity Dream Poems.
He co-edited the anthology My Next Heart: New Buffalo Poetry, and has received fellowships from the Kenyon Review Writers Workshop, The Ohio State University, and Antioch Writers’ Workshop. His poetry has appeared in Boston Review, Conduit, Kenyon Review, Literary Hub, Ploughshares, Poets.org, and has been anthologized in Poem-A-Day 365 Poems for Every Occasion.
For ten years, he taught elementary school, and currently spends his summers mentoring young writers as a faculty member in the Kenyon Review Young Writers Workshop. Now living in Buffalo, New York, he works as Education Director at Just Buffalo Literary Center and curates the Silo City Reading Series, a multimedia poetry series inside a 130-foot high abandoned grain elevator.
Poem excluding modern technology

You fill the pool with cough syrup,
and the hot tub with a thousand
hollowed-out cicada shells.
A man becomes the state bird
in the riflescope of a child,
and the trees remember
themselves as seedlings.
A teenager mistakes his shadow
for an old friend. Together they
think the unthinkable.
You climb a tree
and grow your hair shoulder length.
We are almost too young.
Gedicht moderne technologie uitgesloten.

Je vult het zwembad met hoestsiroop,
en het bubbelbad met een duizendtal
uitgeholde cicade-schelpen.
Een man wordt de mascotte
in het geweer-vizier van een kind,
en de bomen herinneren
zichzelf als zaailingen.
Een teenager houdt zijn schaduw
voor een oude vriend. Samen
denken ze het ondenkbare.
Jij klimt in een boom
en laat je haar schouderlang groeien.
We zijn vrijwel te jong.
Anushree Rani Persistence of Memory
I think poems are one of the few places in this life where you can be yourself. Whatever “being yourself means.” I think it means trusting who you are, but also giving yourself the permission to explore and learn more about yourself. Explore the private curiosities, concerns, and excitemen of your time. Explore the long list of things that quicken your heart. I like to think I approach poems in this fashion. But maybe I just want to bear hug the world with language.

I’ve been working out of my dining room for nearly 5 years, really since our daughter came into the world. However, I’m currently transitioning into a makeshift space up into the attic. It needs a bit of work or more realistically a lot of work, but it has a window and my old desk and I think that’s enough. I only recently began to drink coffee within the past year or so, before that I was a strict tea guy. I definitely need a warm beverage beside me during my morning writing time, that caffeine trigger, along with my notebooks and the books I’m currently reading. Sometimes I listen to music, sometimes I need total silence.

Foto door Martin Damboldt op Pexels.com

Histogram of the Moments You Were Alive

Take a deep breath. Find beauty in the bar graph. In the nerves of a river bending. The rodents now silenced in the walls of the house where you grew up. Remember the chapter trying to cancel the world. The one trying to save it. Scroll through the times in which we live. The intervals of hysteria when all the art is quiet. You know the story: Vandalism in the venn diagram; Wind in a valley filled with the same feeling of what dynamite does to buildings; And how ghosts interpret our lives the same as machines. So it goes. Time’s an ocean’s worth of downed power lines over a field of sleeping deer. A bonfire left alone for an entire season, blurring a ratio of color into the aftermath. Into the day. Ambushed myths smothered like clouds in a retelling of the sky. There’s something missing. Let’s say it’s the night with an endless vocabulary of darkness.

Foto door Alex Conchillos op Pexels.com

Lees: https://www.raintaxi.com/im-still-trying-to-figure-it-out-an-interview-with-noah-falck/

The Year Everything Looked Like Sky

Tonight I can’t remember
the specifics of our honeymoon.

You say typical, and turn
your eyes to our child

who clacks dolls together
on the living room floor.

I think of the photograph
of you on a balcony

in a black bikini
swallowed by all the light,

scattered storms widening
on the horizon, on your face.

Maybe the specifics
are more in how I don’t

remember the newlywed
conversations or the island air

rushing in and out of our lungs.
Rather, the room we are in now

and the meaning it seems to hold.
The patterns of the days we

spend together, apart, together,
apart. A sort of blueprint for
the weather we’ve become.
Foto door Trace Hudson op Pexels.com
Poem Excluding Fiction

We live in the most fortunate of times. And
who’s to blame? Our moods like the four
seasons in a tinted window overlooking a
bank robbery. Everyone is raising children
on cable television, on leashes, on the slot
machines that have become our elegies. We
live other lives in high school, college, on the
porch reading the obituaries. Say I miss you
into the mirror while shaving, brushing teeth,
plucking something meant to grow forever.

bezoek: https://www.noahfalck.org/

De autobus, een kleine parabel

'We hebben een bus!'
Dat werd tijd na de weken, maanden, helemaal alleen
de fiets, de brommer, jolige vespa en stoere harley davidson.
Nu was het met zijn allen samen op weg.
Dus holden ze de bus binnen, zetten ze zich comfortabel,
telden af -boef-kapotte sloef- wie de chauffeur mocht zijn, 
-althans voor de eerste rit-,
want het laatste woord daarover hing nog in de lucht.
De deuren klapten dicht.
Hehe. Dat werd tijd!
'Nu nog de wielen en we zijn weg,' zuchtte de voorlopige chauffeur.

'Nog een geluk dat we het wrak van de vorige bus hebben gevonden!'
Ze knikten.
Wielen herinneren zich weinig.
Als ze maar kunnen draaien.
De chauffeur-ad-interim wreef zich in de handen.
'Riemen vast, we gaan snelheid maken!'
'Ik wil best van het landschap genieten, collega.'
'Ik wil gewoon vooruit,' zuchtte zijn gebuur.
'Enfin, on a le vent en poupe.'
De motor kreunde even en viel stil.
'C' est dans le besoin qu'on reconnait ses vrais amis.'
'Rondjes rijden?' vroeg de nog niet aangestelde chauffeur.
'Dat zijn die tweedehands wielen van onze vorige bus gewoon!'
'Rondjes rijden tot we een restaurant zien waar we rustig…
-maar geheel naar corona-normen- 'onderbrak een collega-
'Maar geheel naar de normen elkaar bij een hapje met vijg en geitenkaas op een prikker kunnen vinden!'
'Un entrecote bordelaise!'
'Frietjes met stoofvlees, goede vrienden.'
'Boeuf bourguignon!'
(Maar dat kon ook een scheldwoord zijn geweest.)
En weg waren ze. De rondjes tegemoet.
Carousel
Melanie Martinez

Round and round like a horse on a carousel, we go
Will I catch up to love? I could never tell, I know
Chasing after you is like a fairytale, but I
Feel like I'm glued on tight to this carousel
Come, come one, come all
You must be this tall
To ride this ride at the carnival
Oh, come, take my hand
And run though playland
So high, too high at the carnival
And it's all fun and games
'Til somebody falls in love
But you've already bought a ticket
And there's no turning back now
Round and round like a horse on a carousel, we go
Will I catch up to love? I could never tell, I know
Chasing after you is like a fairytale, but I
Feel like I'm glued on tight to this carousel
This horse is too slow
We're always this close
Almost, almost, we're a freakshow
Right, right when…

De gang als verbeeldende verbinding

Vaak begin ik met een eigen herinnering.
Een herinnering is een mooie toegangsdeur tot de opslag in de breedte en de diepte die wij als ‘kunst’ bestempelen. Ik keer zo ver mogelijk terug in mijn eigen herinneringen. Misschien zijn het slechts vage plaatsen, onduidelijke atmosferen, aangevuld met wat ik op vroege foto’s zag. Ik zal ze dus aanvullen met interpretaties. Ons autobiografisch geheugen start rond op 3,5 – 4,5 jaar.
Zoals filosoof Gaston Bachelard in zijn boek: ‘La poétique de l’ espace’ ons de droom van het eigen huis voorstelt:

"En nous référant à l'œuvre du philosophe brésilien, Lucio Alberto Pinheiro dos Santos Ainsi, la maison rêvée doit tout avoir. Elle doit être, si large qu'en soit l'espace, une chaumière, un corps de colombe, un nid, une chrysalide. L'intimité a besoin du cœur d'un nid. Érasme, nous dit son biographe, fut longtemps « à trouver, dans sa belle maison, un nid où il pût mettre en sûreté son petit corps. Il finit par se confiner dans une chambre au point qu'il pût respirer cet air cuit qui lui était nécessaire »

Zo keer ik terug naar mijn eigen eerste kinderhuis, mijn eerste nest.
Het adres ken ik nog. Het kleine huurhuis van het jonge onderwijzerspaar.
Er zijn vooral foto’s van het binnenkoertje met kippenhok.
Een kind in een derdehands trapautootje waarop mijn vader een grote witte Amerikaanse ster heeft geschilderd. De oorlog is nog niet lang voorbij.
Van het huis binnen zijn er nog onduidelijke beelden van een kamertje waar ik sliep. De geur van appelen die daar te drogen lagen, wintervoorraad. Een misdaad ook: appelen die de grond oprollen en een vader die boos de trap opkomt. En er is de gang. Een lange gang van de voordeur naar de keukendeur met midden rechts als je binnenkomt, de trap naar een overloopje met buitenraam.
Ik herinner mij geen details, eerder atmosferen.
Het beeld van de gang, een treffend symbool voor mijn kleine kindertijd. De lange smalle gang met de trap. De verbinding van buiten met het innerlijke.

Het waren jaren waarin alles tot bedaren kwam.
Voor de jaren van verstand en versterving.
Jaren waarin het begin en de overloop naar de volgende jaren nog naamloos bleken.

Er was een gang naar de deur met daarboven een breed glazen oog. Daarachter lag de straat waar mensen liepen. Je kon ze soms horen stappen of praten.
Opkijken naar was nog opkijken tegen.
De hoogte zag ik nog niet loodrecht dichtbij.
Als je in je bedje lag kon je rechtdoor naar boven kijken. Dat vlak werd later 'zoldering' genoemd: plaats van glijdende lichtvlekken en dansende schaduwen.
Lange mensen waren onderaan, bij de benen, dichtbij maar om er boven bij te kunnen moest je ja armpjes uitsteken tot je werd opgetild.

Het licht van het oog boven de deur vertelde je of het buiten donker of dag was.
Van bij de deur kon je naar de trappen kijken. Tot aan een raam. Soms bewoog er iets achter dat raam. Dat bleken later de takken van een boom te zijn.

In de gang was het altijd koel of koud.
Je moest eerst door de deur achteraan om warmte te voelen. Daar stond er een tafel en daarrond stoelen.
Ik speelde graag in de gang. Zingen klonk er luider dan buiten of in een kamer.
Je kon er lopen of op de trappen gaan zitten.
Hoog de trappen op klimmen was zonder lange mens achter jou verboden.

Als je er zong, klonk het mooier dan buiten.
Foto door Octoptimist op Pexels.com

Bruce Nauman’s corridors sluiten bijna onmiddellijk aan bij de emoties die de vroege huisgang in mijn herinneringen losmaakte. De isolerende werking ervan confronteert de bezoeker met een sterker bewustzijn van zijn aanwezigheid.

Nauman began making his corridors in 1969; the first was built as a prop for a video, yet he soon introduced them into gallery settings, allowing the audience to walk down them, and, in so doing, put in their own performance. These pieces are simple, gypsum-walled walkways, into which the artist sometimes introduces lights, video cameras and monitors, or speakers; some were too narrow walk down; others were wedge shaped.

“Put in extreme terms,” writes Plagens, “he’s the lab scientist and we’re the rats. Nauman’s nicer than that, though. We volunteer to go into the gallery or museum, we volunteer to enter those corridors with ample width and tempting monitors, and we are free to leave any time we want to. Nauman seldom, if ever, makes us close a literal door behind us. He forgoes explicit instructions to the viewer in favour of the de facto action-limiting proportions of the corridors.”

Nevertheless, the corridors do retain a certain Kafkaesque quality, with something as simple as a pair of walls; proof, perhaps, of the American artist’s skill and originality.
Bruce Nauman Corridor Installation (Nick Wilder Installation), 1970.
Wooden wallboards, water-based paint, three video cameras, scanner, frame, five monitors, video recorder, video player, videotape, black and white, silent, Dimensions variable (11 × 40 × 30 ft. as installed at Nicholas Wilder Gallery, Los Angeles, in 1970).

Nauman’s original Live-Taped Video Corridor consisted of two closed-circuit video monitors positioned at the end of a narrow 30’ corridor. The lower monitor featured a pre-recorded videotape of the empty corridor, while the upper monitor showed a live video feed from a camera positioned above the corridor entrance. As viewers walked toward the monitors, they saw themselves from behind on the top monitor and a persistently empty corridor on the bottom monitor. The closer a viewer got to the monitor, the smaller their image became, frustrating their desire to see themselves, while the empty corridor on the bottom suggested that they had become invisible or dislocated in time.

Vincent van Gogh Corridor in the Asylum 1889

The long, narrow hall conveys a sense of futility as it seems to never end. Yet, there is an experience of confinement that portrays the artist’s loneliness and isolation in being trapped within the halls of the asylum. The dull and somber colors of the interior of the asylum convey Van Gogh’s sadness during his stay and through his illness journey. The symmetry and repetition in shape and color of the painting generates a feeling of boring routine and monotony. The never-ending corridor is elongated by this repetition and creates a space that seems enclosed and unceasing, reflective of Van Gogh’s feelings of his time spent there, isolated and directionless. (Julianne Kim in Medium 2019)

De Vasari-corridor

Een heel ander soort gang, de Vasari corridor, werd ontworpen en uitgevoerd in 1564 door Giorgio Vasari en dat deed hij in zes maanden! We zijn in Florence. Hierlangs konden Cosimo de’ Medici en andere Florentijnse edelen veilig de stad doorkruisen. Van het machtscentrum in het Palazzo Vechio naar hun private residentie, het Palazzo Pitti. De slagerij-winkels daarboven werden vriendelijk verzocht op te krassen en in hun plaats kwamen er juweliers. Geld stinkt namelijk niet. Dacht men. Nu kun je in de passage meer dan duizend schilderijen bekijken uit de 17de-18de eeuw met daarbij een belangrijke collectie zelfportretten door de meest beroemde meesters tussen de 16de en de 20ste eeuw. Werden de eerste portretten nog door de Medici aangekocht daarna kwamen er vooral ‘giften’ van de schilders zelf, een handig gebaar ter introductie.

Straatzicht vanuit de corridor

The Corridor 1950 is a rectangular, horizontally orientated painting by the Portuguese artist Maria Helena Vieira da Silva that appears to represent an internal architectural structure. The work depicts a claustrophobic grey interior of a room or corridor with a low ceiling, close walls and a sharp vanishing point, to which the eye is led by multiple conflicting perspectival lines. The surfaces of the space are rendered as if entirely covered in a dizzying mosaic of small geometric tiles, except for four narrow unadorned structural bars that run along the top of the interior walls and toward the vanishing point, and one vertical column which is positioned in the left of the composition. The tiles are square, rectangular and triangular and appear predominantly white, grey and black in colour, with a small number of pale yellowish-grey ones dotted throughout. The painting is inscribed ‘Vieira da Silva | 1950’ at the bottom left. (Judith Wilkinson Tate Museum)

The Corridor 1950 Maria Helena Vieira da Silva 1908-1992 Purchased 1953 http://www.tate.org.uk/art/work/N06189

The work forms part of a series of paintings made by Vieira da Silva (1908-1992) after she moved to Paris in 1948. Despite appearing largely monochromatic, The Corridor contains violet, blue, green, yellow, red, black, grey and white – a palette similar to that used by post-impressionist painter Paul Cézanne (1839–1906). Unlike Cézanne, however, Vieira da Silva mixed her colours with large quantities of white paint, so that from a distance it is difficult to distinguish between the hues. Vieira da Silva’s obsession with perspective was also in part motivated by her interest in Cézanne. Discussing Vieira da Silva’s influences in her early career during the late 1920s and the 1930s, art historian Gisela Rosenthal has observed: ‘It was Cézanne who attracted the young artist most strongly. In his paintings he had attempted to make the structures underlying the visible reality, and found new ways of representing space’ (Rosenthal 1998, p.15).

Maria Helena Vieira da Silva (Portuguese-French, 1908-1992) 
The Corridor or Interior, N/D

Begin je dus de gang los te maken uit zijn rechtlijnigheid of los je zijn versmalling op dan sta je inderdaad voor het raadsel of je ook het doel, de verbinding tussen vertrek en aankomst, niet kunt manipuleren. Een gang wordt dan een dwaalgang, een doolhof. In verschillende culturen was zo’n doolhof niet alleen vermaak maar ook een duidelijke terechtwijzing om op het juiste (of in die tijd juist geachte) pad te blijven. Het begint al in het labyrinth waar Theseus met de hulp van Ariadne ten strijde trekt tegen de Minotaurus.

Deze middeleeuwse voorstelling van het verhaal toont de dappere Theseus in het centrum terwijl hij het toch wat zielige monster een letterlijk kopje kleiner maakt terwijl Ariadne de draad bewaakt. (zonder vrouwelijke hulp was de held nooit bij het monster geraakt, laat staan weer veilig buiten het labyrint gekomen.)

In het fraaie werk van studio Gijs Van Vaerenberg – een samenwerking tussen Pieterjan Gijs en Arnout Van Vaerenberg -denk ook aan hun doorzichtige kerk- was er een eigen interpretatie van het labyrint in het C-mine kunstcentrum in Genk op de vroegere Winterslag koolmijnen-sité ter gelegenheid van het tienjarig bestaan.

Labyrinth” by Gijs Van Vaerenbergh © Philip Dujardin
“Labyrinth” by Gijs Van Vaerenbergh © Philip Dujardin
“Labyrinth” by Gijs Van Vaerenbergh © Philip Dujardin
Gijs Van Vaerenbergh is an artistic collaboration, established by Pieterjan Gijs and Arnout Van Vaerenbergh (both 1983) after they graduated as architects. Central to their practice is a research into the fundaments of constructing and their impact upon the viewer. The duo misappropriates the language of architecture to use it as a medium for relatively autonomous and self-reflexive projects.

Their interventions transform space and lay bare underlying, almost evident qualities. Among their earlier works are: ‘The Upside Dome’ (Leuven, 2010), ‘Reading between the Lines’ (Borgloon, 2011), ‘Framework’ (Leuven, 2012) and ‘Bridge’ (Brussels, 2014).
“Labyrinth” by Gijs Van Vaerenbergh © Philip Dujardin

Zo was het beeld van de gang in het kleine-kinderhuis een begin van een uitwaaierende exploratie. Maar je mag ook het woord niet vergeten, zeker als het in de architectuur van een gedicht is verpakt. ‘Meester’, van een meester: Joost Zwagerman. Hij beschrijft een erg bekende schoolfunctie van de ‘gang’.

Meester

Meester stelt in de klas een vraag.
Jij bent niet in die klas,
Jij moet wachten op de gang.

‘Wanneer is iets kunst?’
De kinderen schrijven een antwoord op.
Tom/Kick: Als het mooi is.
Max: Als het zomer is.
Bodhi: Als het een beetje cool is.
Ebba: Als je in een museum bent.
Jules: Als het licht geeft.
Selma: Als je je best hebt gedaan.
Quirijn/Kesso: Als iets glimt.

Jouw antwoord doet niet mee.
‘Als God Zijn zegen geeft.’

Altijd sta je te wachten,
en altijd is het wachten
op een langer wachten.

Meester laat je achter in de gang.
Je staat er nog, nu al zo lang.

Joost Zwagerman (1963-2015)
uit: Wakend over God (2016)

Zwischen Schock und Schönheit: Hans Scheib (1949)

Hans Scheib, Die Welle (The Wave)

Op mijn tochten langs de Berlijnse gallerijen ontdekte ik zijn werk, voornamelijk in hout, maar ook in brons. Liefde op het eerste gezicht. De direktheid, de humor maar ook het kwetsbare en de verwantschap met de grote klassieke verhalen. In de schijnbare onvolkomenheid raakt hij mijn eigen onaf-zijn, maar troost hij ons ook: het is de ziel die telt, het wezenlijke, niet altijd vleiend voor de ogen, maar zoals Paul Klee schreef: ‘Kunst reproduceert niet het zichtbare, maar maakt zichtbaar.’

Hans Scheib, Guter Morgen (A Good Morning), 2012

“Art does not reproduce the visible, but makes visible.” These words by Paul Klee seem to be written especially for the sculptor Hans Scheib, who was born in Potsdam in 1949. “As long as I can think back, I have dreamed of becoming an artist,” says this great, much honored wood sculptor of himself, who has always consistently refused to accept any fashionable or political trend in his free thinking.

Zeus und Europa . 2005 . 165 x 165 x 66 cm

With a chainsaw and chisel – sometimes in bronze – he creates figures of striking immediacy, interpreting the world in an honest, humorous and even unmistakably personal language. His timeless figures, often borrowed from mythology, tell of longing, loneliness, fragility, sexual hunger, humour and tragedy. Far from the aesthetics of beautiful appearance, he bases his work on the tradition of expressive formal language, which is rooted in the deliberate reflection of the coloured wooden sculpture of the Brücke Expressionists. Scheib’s creatures reflect the general human. They address us in a lively and profound way, touching us with their often wide open eyes, twisted thin legs and angular upper bodies, robust and fragile at the same time. In addition to his sculptures, he also created a large graphic oeuvre.

Donald und Franciscus . Kaltnadel . 2017 . 30 x 21 cm

“He is interested in his very personal message. His figures live from the dramaturgical gesture, from the emotional condensation in the interplay of form and colour. The sculptural is a sensual, meaningful pleasure between shock and beauty,” as Ingeborg Ruthe once described it in the Berliner Zeitung.

Ephebe . 2013 . 32,5 x 12 x 7 cm Bronze

“I never knew what I was going to do tomorrow. When I came to West Berlin, nobody did work like me. I have always taken the step into the unknown, to the blue horizon of unexpected possibilities. (Gallerie Brockstedt Berlin)

Kleiner Engel mit schwarzen Flügeln . 2017 . 97 x 19 x 19 cm

‘Zur damaligen Zeit arbeitete kein anderer Berufsbildhauer in Ost- oder Westdeutschland mit diesem Material. So holte sich Scheib seine künstlerischen Bezugspunkte aus der tiefsten Vergangenheit, aus der ägyptischen und römischen Plastik und der gothischen Skulptur des 16. Jahrhunderts. Die figürlichen Holzschnitzereien von Die Brücke entdeckte er erst Jahre später, da die ostdeutschen Sammlungen keine dieser Arbeiten enthielten.’

Mephisto . 2018 . 168 x 44 x 40 cm

‘Solange ich zurückdenken kann, habe ich davon geträumt, Künstler zu werden. Ich besuchte die Schule, dann die Oberschule und schließlich die Dresdner Hochschule für Bildende Künste, damit ich ein Stück Papier vorzeigen konnte, auf dem stand, dass ich Künstler war. Das brauchte ich, damit mich die Polizei nicht als ‚asozial’ einstufen konnte. Meine Großmutter ist schuld, denn sie hat mir meinen ersten Zeichenblock geschenkt“.

Stanze . 2005 . 49 x 39 x 20 cm

In meinen Arbeiten habe ich versucht, die Geschehnisse um mich herum zu interpretieren. Können Sie sich also vorstellen, wie es für mich war, als man mir im Alter von 30 Jahren sagte, ich könne nie die Welt sehen“? fragt er mich. „Ich wurde verückt. Ich war immer weniger einverstanden mit dem Regime und erkannte die Diskrepanz zwischen Traum und Wirklichkeit. Im Jahr 1985 stellte ich einen Antrag auf ständige Ausreise nach Westberlin – mitsamt meiner Frau, meinen Kindern, meiner Katze und meiner Arbeit. Ich glaube, die Behörden waren froh, mich loszuwerden“, lacht er. „Um meine Reise in die weite Welt anzutreten, musste ich nur über die Straße gehen“. (Meet the Germans)

Elefantenmädchen . 2014 . 19 x 33 x 9,5 cm
Hurra ich bin ein Schulkind. 2015 . 127 x 40 x 30 cm
Phaethon I . 1999 . 260 x 400 x 800 cm
Phaethon . 1996 . 275 x 800 x 400 cm
Hans Scheib studied sculpture in the Academy of Fine Arts, Dresden. His works are included in prestigious public and private collections internationally including the Museum of Modern Art, Berlin; the Albertinum, Dresden; the Grassi Museum, Leipzig; the National Gallery, Berlin; the Kunsthalle Mannheim, Mannheim; and the National Art Museum of China, Beijing. He is the recipient of the 1995 Supporting Award for the Arts from the Academy of Arts, Berlin); the 2015 Bautzen Award for Fine Arts, and 2014 Egmont Schaefer Award for drawing.
Houyhnhnm . 1987 . 250 x 230 x 40 cm

bezoek: https://hansscheib.de/

Mensen en modellen: een verbeelde gemeenschap?

Jacques Blézot The busy man, 2016

Er was eens een zakenman die niet kon stilzitten, maar ook stilstaan of zelfs stilliggen was voor hem een moreel probleem. Toch was deze actieve eigenschap niet dadelijk waar te nemen als je bijvoorbeeld met de man van gedachten wisselde omtrent de lopende coronacrisis of het nijpend drinkwatertekort in de toekomstige samenleving. Hij luisterde aandachtig, formuleerde enkele goed onderbouwde stellingen, besloot rustig met een hoopvolle oplossing en hoopte dat het niet zo’n vaart zou lopen en dat hij had genoten van deze korte maar intensieve ontmoeting waarbij hij niet vergat de groeten voor mevrouw en kinderen in zijn slotzin onder te brengen.

Niemand echter besefte dat hij ondertussen de huidige beursstand van zijn net verworven aandelen had vergeleken met de goede raad van een deskundige collega en dat daardoor de aankoop van een nieuwe koelkast tot de mogelijkheden begon te horen waarvoor het bedrag nog in de vroege uren bij het risicokapitaal was geklasseerd. Om maar te zwijgen dat de drinkwaterdiscussie hem aan een afspraak bij de uroloog herinnerde die hij vorige week door een dringende niet vooruit geplande vergadering had moeten cancellen. Om volledig te zijn was er ook de goudprijs en de aanvraag van een studiebeurs voor zijn oudste dochter met de organisatie van het vervoer naar de voetbaltraining van zijn jongste zoon door zijn hoofd gegaan en zonder al te veel omhaal in het juiste gedachtenvakje geklaseerd nog voor hij op zijn kantoor arriveerde.

‘Training en een goed gecontroleerde ademhaling,’ antwoordde hij toen ik hem bij een etentje ontmoette waar we over opvattingen omtrent sociale huisvesting zouden praten met het oog op een gemeenteraadszitting diezelfde avond.
‘Onze tijd op aarde is beperkt, dat hoeft geen betoog als we er aan denken dat het over enkele maanden al weer eens kerst en nieuwjaar zal zijn terwijl de vorige vieringen daaromtrent niet eens zo lang geleden hebben plaats gevonden. Een goede denkhygiëne is dan ook het enige middel om hoofd- en bijzaken van elkaar te onderscheiden.’
Of hij misschien wel eens wakker lag van al die drukte in zijn hoofd, het voortdurend multitasken?
‘Ik beschouw het als een sport. Dat betekent dat concentratie erg belangrijk is. Op dit ogenblik heb ik geen enkel ander idee dan de inhoud van dit gesprek. Wel voel ik een zijlijn naar een symposion over collegialiteit en vriendschap, besef ik dat er nog een meeting op me wacht over het absorberende van de kapitaal-onrust, maar ik blokkeer die zijpaden omdat ze mijn energie die ik hier nodig heb onnodig zouden verbruiken. Dat is enerzijds training maar anderzijds openstaan voor het genot van de flexibiliteit. U draagt overigens een mooie das.’

Businessman high jump pop art retro style.

Zijn wederhelft was duidelijk met de bovenstaande wijsheid in het drukke hoofd gekozen. Ze vormden samen een team in dezelfde business. Hun electronische agenda’s waren piekfijn op elkaar afgesteld en er was voldoende ruimte om samen met de kinderen leuke dingen te doen en het geruzie te laten.
‘Ruzie immers tast de energie aan, verlaagt de streefdoelen aanzienlijk.’
‘Maar slapen, tot rust komen, dat moet niet gemakkelijk zijn!’
Hij schudde zachtjes zijn goed verzorgd hoofd en keek me in de ogen.
‘De kortstondigheid van ons bestaan vraagt dat we zuinig zijn met zorgen, beste. De meeste zorgen ontstaan uit mentale slordigheid. Niet goed of genoeg gepland, niet naar juiste waarde ingeschat, of te lange rouwprocessen bij mislukkingen, ik noem maar wat.’
‘Wij zijn tenslotte maar mensen, en…’
‘Nagel op de kop. Wij zijn tenslotte maar mensen, dat is een basisbegrip in onze planning.’

Nieuwsgierig geworden naar de diepere beweegredenen van dit drukke bestaan nodigde ik hem graag uit om samen een goed glas wijn te drinken. Met de wijn kwam het gesprek op onze oenologische voorkeuren en bijgevolg ook op de plaats van al dat lekkers, de wijnkelder die in zijn woning ook nog een andere functie had vervuld.

‘Onze oude wijnkelder heeft een heerlijk lange galm. We besloten dat het leuk zou zijn opgekropte weerstanden -om frustraties een andere naam te geven- in deze ruimte geheel privé uit te schreeuwen, maar dat kwam toch eerder als teken van innerlijke zwakte over, en toen een van de kinderen geheel toevallig ongewild getuige werd van een reeks nogal brutale verwensingen aan elkaars adres hebben we ons herpakt. Het was de laatste stuiptrekking van het oude denken. Alsof de gemoedsrust een waarborg zou zijn voor betere prestaties. We hebben onszelf statistisch onderzocht: een klare definitie, een gemiddelde, de totale som gedeeld door het aantal, een kind kan de was doen, en met de mediaan te onderzoeken kom je verder dan met wat een zielefluisteraar je kan bijbrengen.
Ordenen, analyseren en interpreteren. Je zou ze boven elk kinderbed moeten hangen deze kostbare woorden. Ik heb meer van de variatiecoëfficiënt geleerd -de resultaten van verschillende onderzoeken met elkaar te vergelijken- dan wat er ons aan groepsvorming in de psychologie wordt voorgehouden. En niet bang zijn om jezelf te corrigeren, laten we dat niet vergeten. Met de standaardafwijking en de variatiecoëfficiënt kun je jezelf vrijwel niets meer wijs maken. Ik gebruik nu de eenvoudigste begrippen omdat wij een andere taal spreken: wij modelleren de werkelijkheid, dat hebben we gemeenschappelijk met onderandere de psychologie, het gaat tenslotte om het verwerken van informatie door bijvoorbeeld computersimulaties te gebruiken. Dat is niet moeilijk om te begrijpen. De werkelijkheid is beter met cijfers te vangen dan met romans of emotionele reacties.’
Tijd om het glas te heffen.

‘Maar vergis je niet, wellicht hebben we het over hetzelfde: het beheersen van diezelfde veel besproken werkelijkheid. De interactie tussen boze echtgenoten heb ik via enkele eenvoudige wiskundige modellen beter leren begrijpen dan met een goed bedoeld dieptegesprek bij de therapeut. En tussen dezelfde haakjes: in 1907 bedacht Einstein een modelsysteem waarin hij het basisidee van zijn algemene relativiteitstheorie kon uitdrukken: personen in een lift zonder ramen. Die personen kunnen geen onderscheid maken tussen een verblijf op aarde en een toestand waarin de lift in een raket gemonteerd is en waarvan de motor een versnelling genereert die gelijk is aan de zwaartekrachtsversnelling op aarde. In beide gevallen voelt de persoon een kracht in de richting van zijn voeten. Ook kan de persoon geen onderscheid maken tussen een lift in vrije val en een in een baan om de aarde. Dat model werkte hij in 1915 uit tot zijn algemene relativiteitstheorie.’
Stilte genoeg om even het glas te hervullen en te nippen.

Hij zat op een bank in zo’n ondergeschoven parkje tussen de stadskern, villawijken en de buitenwijken. Hij zag me schrijven, notities voor mijn stuk over modellen en de werkelijkheid. Sjofel zou je als bijvoegelijk naamwoord kunnen gebruiken om zijn kleding te beschrijven.
Of ik ook ‘sprookjes’ schreef voor een of andere krant?
‘Sprookjes? Neen. Integendeel. Ik probeer de werkelijkheid te begrijpen.’
Hij stak zijn wijsvinger op alsof hij in de klas zat.
‘U zit hier op een goede plaats. Op de grens.’
Hij ging rechtop staan, spreidde zijn armen, keek naar links en dan naar rechts.
‘Bedoelt meneer de werkelijkheid van die kant -de villawijken- of van die kant -de buitenwijken-?
Mijn verbazing gaf hem moed.
‘Langs die kant hebben de kinderen een grote tuin met wel eens een zwembad inbegrepen, ieder kind een computer voor het zogenaamde afstandsleren en misschien ook een tweede verblijf aan zee of in de ardennen. Aan de andere kant…’
Hij wees naar een van de grote woonblokken en zweeg zodat ik ruim de tijd tot invullen kreeg.
‘Over die kant -de welstellenden- krijgen we geregeld nieuws te horen en weten we via allerlei programma’s zoals ‘huizenjacht ‘of’ blind gekocht’ hoe het eraan toe gaat, wat ze hebben en nog niet hebben, maar van die kant…? ’t Is maar dat u het weet, nietwaar?’
Hij salueerde en liep richting woonblok.

Een sprookje?
Zouden de computersimulaties van mijn drukke zakenman het al eens een keertje over ‘dat’ deel van de stad hebben gehad? Of was de stad van de modellen inderdaad een ‘imagined community’ zoals Benedict Anderson het samenleven benoemde. Een verbeelde gemeenschap die we met zijn allen kennen en herkennen?
Of is dat ene deel van de stad niet zo geschikt voor computermodellen?
We zijn tenslotte maar mensen.

Met dank voor het artikel van Eric Corijn, 18 mei 2020 ‘Het scheefgetrokken beeld van de samenleving’ in Apache/inhoud heerst en helemaal te lezen op:

The Urgency of Now by Karla Rosas and Fernando Lopez, created for ROOTS Week 2020, featuring C. Gypsi Lewis. Click here to read the artists’ statement.

Het gouden september-licht

Helen McNicoll, The Apple Gatherer, c. 1911
Oil on canvas, 106.8 x 92.2 cm
Art Gallery of Hamilton

Nog maar net is de deur naar september geopend als het licht merkbaar van intonatie is veranderd. Was de vroege zon in het oosten de bode voor de lange zomerdag, nu kunnen de ‘vroege vogels’ op dat tijdstip alleen nog genieten van een schitterende ster als Venus, na de zon en de maan het helderste object aan de hemel, eens zij vier uur voor de zon opkomt in het oosten.
En om verder Frank Deboosere te citeren: in de ochtend van 14 september 2020 staat de maan in de buurt van Venus. Een mooie samenstand.

septemberlicht op de varens eigen opname

Het daglicht verschijnt steeds later en door de invalshoek keren we terug naar het mooie strijklicht dat de weemoed van het voorbije verzacht. Het gouden septemberlicht.
September kan nog zomers zijn.
Als kind strekte de grote vakantie zich uit van 15 juli tot 15 september. De herinnering aan het bloeien van de verschillende soorten heide waaruit de meisjes mooie korfjes vlochten om ze dan met pralines te vullen als geschenk voor de gastfamilie is een echte september-herinnering. (dat jaar, 1949, tekende Ukkel 35 zomerdagen op!)
Een weemoedige blik op een vroege-september picknick van dat jaar, met broertje, grootmoeder, tante en vriendinnen.

Corsendonck 1949

Het gouden licht heeft dus ook een herinnerend karakter. Try to remember this kind of september. Ook al ben je dan ‘deep in december’.

Try to remember the kind of September
When life was slow, and oh so mellow
Try to remember the kind of September
When grass was green and grain was yellow
Try to remember the kind of September
When you were a tender and callow fellow
Try to remember and if you remember
Then follow
Try to remember when life was so tender
That no one wept except the willow
Try to remember when life was so tender
And dreams were kept beside your pillow
Try to remember when life was so tender
And love was an ember about to billow
Try to remember and if you remember
Then follow

En dan keren we terug naar de Canadese laat-impressioniste Helen McNicoll van wie het licht van de prachtige appelpluk onze bijdrage opende. In haar ‘Sunny September’ voelen we de warmte van die septemberzon, ruiken we de nabije oceaan, en hoor je de wind in de hoge grassen. Veel septembers heeft ze niet mogen meemaken, en wat dat horen betreft, als kind was ze door een ziekte haar gehoor verloren, maar blijkbaar niet haar liefde voor het licht ook al mocht die grote liefde nog geen 36 jaar duren. (1879-1915)

Sunny September 1913 Helen McNicoll

In het landschap leven, dat is een mooie bepaling voor de kindertijd van toen. De bossen, vennen, de slotgrachten rond de vroegere priorij: er was geen verloop van tijd, je ontwaakte, buiten was de tafel gedekt, je voederde de eenden en de geiten, en was je moe dan lagen er wel ergens dekens of kussens waar je een slaapje kon doen. Alle leeftijden leefden door elkaar heen, vertelden hun verhalen, gingen op ontdekkingstocht en haastten zich naar huis bij naderend onweer om dan aan de grote ramen naar het prachtigste vuurwerk te kijken, dicht en veilig bij elkaar. Try to remember.

Easter Lilies Helen McNicoll 1907

Het licht van alle seizoenen bundelt zich in de nadagen van de zomer. Het zich herinnerend licht. Met de voornaam van mijn stille grootmoeder, Theresia, verbind ik ‘Trezekes-zomer’, de kleine zomertjes in het najaar, vooral rond het feest van de heilige Theresia al is dat eerder een zonnige periode in de tweede helft van oktober. En volgens de weerspreuken kon hij wel vijf dagen duren.

15 oktober (Sint Teresia) :
Sint-Trezeke plukt het laaste bezeke
Een schoon nakomerken, is Trezia’s zomerken
5 dagen zonneschijn om elkeen te verblij’n

Ik verbind het zomertje dan maar met de appelsoort, Trezeke Meyers die eind september kan geplukt worden en tot februari te bewaren is.

Zacht licht in een september-namiddag

Aarzelend kwamen ze onder de atlasceder voorbij drijven, september-wolkjes. De zachte zon zou niet lang blijven. Twijfelweer. Maar met het zachtste licht dat er voorradig was, en met de waarschijnlijke zekerheid dat het zou terugkeren de volgende septemberdagen. En of zoals dichteres Hanny Michaelis schrijft het licht ‘ziek’ zou zijn: ‘De bomen roesten in het zieke licht…’ kan ik betwijfelen, al weet je dat zoals in ‘Laat septemberlicht‘ van Paul Rodenko het onontkoombare van het sterven niet kan gecamoufleerd worden. Toch is september een halflichte zolder voor onze zomerherinneringen. Zelfs Frank Sinatra zingt een fraaie ballade daaromtrent: ‘The september of my years’, en hij doet dat voortreffelijk.

The September Of My Years

One day you turn around and it's summer
Next day you turn around and it's fall
And the springs and the winters of a lifetime
Whatever happened to them all?

As a man who has always had the wand'ring ways
Now I'm reaching back for yesterdays
'Til a long-forgotten love appears
And I find that I'm sighing softly as I near
September, the warm September of my years

As I man who has never paused at wishing wells
Now I'm watching children's carousels
And their laughter's music to my ears
And I find that I'm smiling gently as I near
September, the warm September of my years

The golden warm September of my years
Helen-McNicoll-Watching-the-Boat-1912

Hand geborduurde pixels: Diane Meyer fotografe

BRANDENBURG GATE, HAND SEWN ARCHIVAL LINK JET PRINT, 2015

In de geborduurde kruisjessteek kreeg de wereld een vrij huiselijk karakter. Was dit vroeger nog een proeve van kunnen bij het vak ‘handwerk’ dan kan de begenadigde borduurster (of-der) met allerlei pakketten alle kanten uit. Van ‘meesjes in een bloemenkrans’, geduldig gecrocheteerde letters op huishoudlinnen tot kussen-decoraties en geduldig opgezette wandtapijten. En al roept de reclame in deze corona-tijd: ‘de kruisjessteek van bomma is weer helemaal in’ (bomma was een jonge vrouw tijdens de zestiger jaren, niet dagelijks met dat soort handwerk bezig), het blijft -op afstand bekeken- niet dadelijk een vernieuwend medium. Voor kunstenares fotografe Diane Meyer (USA) echter wordt die kruisjessteek een heus medium door ze op twee series foto’ s met verschillende doeleinden te gebruiken.

Yellowstone I, 4.5 x 4.5 inches, 2016
Recently I have been working on two different series of hand embroidered photographs exploring issues of memory and history. One series consists of 43 hand-sewn photographs taken along the entire roughly 100 mile path of the former Berlin Wall. Sections of the photographs have been obscured by cross-stitch embroidery sewn directly into the photograph. The embroidery is made to resemble pixels and represents the exact scale and location of the former Wall offering a pixelated view of what lies behind. In this way, the embroidery appears as a translucent trace in the landscape of something that no longer exists but is a weight on history and memory.
CHECKPOINT CHARLIE, HAND SEWN ARCHIVAL LINK JET PRINT, 2015
In the second series, Time Spent That Might Otherwise Be Forgotten, cross stitch embroidery has been sewn directly into family and travel photographs from periods throughout my life. The images are broken down and reformed through the embroidery into a hand-sewn pixel structure. As areas of the image are concealed by the embroidery, small, seemingly trivial details emerge while the larger picture and context are erased. I am interested in the disjunct between actual experience and photographic representation and photography’s ability to supplant memory as well as the ways in which photographs transform personal history into nostalgic objects that obscure objective understandings of the past. By embroidering a pixel structure into the images, a connection is made between forgetting and digital file corruption. The tactility of the pieces also reference the growing trend of photos remaining primarily digital- stored on cell phones and hard drives, but rarely printed out into a tangible object.
Group I, 7×9 inches, 2016

Het is een dubbele beweging: in de Berlijnse serie maakt zij de nu zichtbare wereld -bij ons bewust door op dezelfde maat van de vroegere Berlijnse Muur te werken- opnieuw onzichtbaar, terwijl wat zichtbaar is geweest in onze snapshots nu achter de ‘kruisjessteek’ wordt verborgen met de intentie te waarschuwen dat onze dagelijkse beelden inderdaad onzichtbaar zullen worden als we ze niet afdrukken : ‘in which photographs transform personal history into nostalgic objects that obscure objective of the past.’

New Jersey III, 6.25 x 7.5 inches, 2012
POTSDAMER PLATZ, HAND SEWN ARCHIVAL INK JET PRINT, 2017
 

Zijn we gewoon geworden de wereld via ‘afbeeldingen’ te consumeren, bewegende of stilstaande, de inhoud is als ‘opslag voor het geheugen’ bedoeld alsof we de voorbij tijd in een verzameling ‘pixels’ kunnen opslagen en weer oproepen. Diane Meyers werkwijze maakt ons attent op de onmogelijkheid daarvan. Die onmogelijkheid heeft met ons tekort aan verbeelding te maken, of met ons onvermogen werkelijk te kijken, de inhoud van een beeld te leren lezen niet alleen als prentje maar als condensatie van gebeurtenissen, verhoudingen, ons dus te verbazen of beter nog: te verwonderen.

New Jersey VIII, 5.5 x 6.5 inches, 2012
Berlin KIELER STRASSE, HAND SEWN ARCHIVAL INK JET PRINT, 2012
Diane Meyer (b. 1976) received a BFA in Photography from New York University and an MFA in Visual Arts from the University of California, San Diego. She has been living in Los Angeles since 2005 where she is a professor at Loyola Marymount University. Her work has been widely exhibited nationally and internationally and is in the permanent collections of the George Eastman Museum, the Museum of Contemporary Photography Chicago, the Clarinda Carnegie Museum and the Hood Museum of Art.
EAST SIDE GALLERY, HAND SEWN ARCHIVAL INK JET PRINT, 2014

Door haar werkwijze zijn haar werken ook een uitnodiging tot ‘aanraken’, je wilt de stof voelen zoals je in feite ook de voorbije werkelijkheid zou kunnen aanvoelen en niet alleen oppervlakkig visueel waarnemen.

I am referring to the divide between the photographic image and lived experience. Photographs frequently become stripped of their original context or meaning. Memory can be very porous causing the meaning behind photographs to change over time. Also, images are edited in a way that can change the reality of a situation- such as what is seen in family photo albums. The same is true today by the stories that people create about their lives when selecting which images to put on social media.

Vanuit de trein, aankomst Venetië

Bekijk haar werk: http://www.dianemeyer.net/

Bruges II, 8×8 inches, 2016
House Former Wall Area Near Lichterfelde Sud © Diane Meyer

‘I think in some ways, photography plays an even more important role today in preserving history. As photography becomes an even more democratic medium: camera phones putting the ability to document the world in the hands of so many people, digital imaging allowing for an unlimited amount of images to be taken, and social media giving everyone a platform to place their images in the public realm, every event has a multitude of image makers. Both professional and amateur people are documenting the history and allowing it to be simultaneously seen from multiple vantage points.’

The West I, 5×7 inches, 2011

Luister-landschappen

Foto door Jonathan Petersson op Pexels.com

Je oor te luisteren leggen.
Als kind dacht ik dat er een mensensoort bestond die de oorschelp van het hoofd kon verwijderen en die dan ergens ‘te luisteren legde’.
Hoe de verbinding van het losse oor met het nog immer vaste hoofd moest gelegd worden deed niets ter zake. Digitaal zou dat vandaag overigens geen enkel probleem zijn.

Ietsje wijzer, toen ik vernam dat het horen in dat hoofd plaatsvond en de schelp blijkbaar zich tot het afschermen en opvangen van de ruimte beperkte, droomde ik ervan die schelpen te kunnen richten en ontdekte ik de verbreding ervan door mijn hand achter die schelp te houden en daardoor een ruimer of gerichter klankveld te ontdekken.
Meestal dienen de handen, of de wijsvingers, om je oren toe te stoppen en je af te schermen van ongewenste geluiden ook wel eens ‘lawaai’ genoemd.

Met het ruiken is luisteren naar de omgeving een van onze minst ontwikkelde eigenschappen.
Er is een voorgrond, een middenveld en een achtergrond. Er is dus diepte, maar ook afstand van links naar rechts en omgekeerd. En de mix. Ruimte dus.

Laten wij je meenemen naar een ongemonteerd geluidslandschap uit toch al vervlogen tijden. Op de achtergrond hoor je de golvende ondertoon van van een briesje en dichtbij heerst nog wat dit blog zachtjes propageert: stilte.
Stilte is dus niet het ontbreken van geluid, maar een omgeving waarin de natuurlijke geluiden van het landschap je omgeven. Met koptelefoon of goede boxen te genieten. Sluit je ogen en je bent in een lang voorbije zomer in een hoeve-tuin met huiszwaluwen, zwaluwen, duiven, roeken, bijen en sprinkhanen. Een klanklandschap van vierhonderd en tien seconden, 6 minuten 48″.

Foto door Jonathan Petersson op Pexels.com

Nog een beetje vroeger, bij het zomerse ochtengloren is het nog stiller. Bijna geen wind meer. Alleen een ver beekje denk ik. Einde van de nacht.
Dit landschap kon je vroeger ook nog horen bij zonsopgang aan de rand van de stad en is nu helaas vrijwel geheel verdwenen. De vogels zwijgen. Ze zijn er niet meer.
Hier hoor je een grote diversiteit omdat dichtbij en de verte maar ook de breedte het waarnemen vervolledigen.
Een verloren landschap?
De kinderen en kleinkinderen van onze kinderen hebben misschien alleen nog deze opname als herinnering. Ongemonteerd. Zoals het toen was.

Foto door Johannes Plenio op Pexels.com

Kijken met de oren moet beloond worden. Daarom deze wondermooie opname van twee nachtegalen. Allerlei informatie over deze wondere vogel vind je zeker bij Natuurpunt.
Wie hem hoorde zingen, vergeet het nooit. Luscinia megarhyncos heet hij in het latijn. Deze twee zangers zijn bijzonder dichtbij opgenomen, een prachtig document uit het BBC-geluids-archief.

Beatrice Harrison was een bekende Britse cellist. In haar tuin in Oxted zat een nachtegaal die bleef zingen terwijl Beatrice zat te repeteren. Dat bracht haar op de idee om een duet live uit te zenden op de BBC. Meer dan 1.000.000 luisteraars konden op de radio luisteren naar een cello-uitvoering van Songs my mother taught me (Dvořák), Chant Hindu (Rimsky-Korsakov) and the Londonderry Air (the tune of Danny Boy) met nachtegalengezang ertussendoor. De respons was overweldigend. In de weken die volgden op de uitzending ontving Beatrice Harrison meer dan 50.000 brieven van verrukte luisteraars. Zondermeer het meest succesvolle nachtegalenconcert ooit.(bron:  Natuurpunt)
Vroeger hadden volgens de volksmythologie zowel de nachtegaal als de hazelworm elk één oog. Beide konden goed met elkaar opschieten. Toen de nachtegaal op een bruiloft was uitgenodigd, stal hij het oog van de hazelworm zodat hij met twee ogen op het feest kon verschijnen. De hazelworm was woest en vastbesloten om zijn oog terug te pakken wanneer de nachtegaal sliep. De nachtegaal wou het oog echter kost wat kost houden en besloot daarom nooit meer te slapen. En sedertdien zingt hij dag en nacht, om niet in slaap te vallen.(bron: Natuurpunt)
Een Europese studie uit 2008 onderzocht de voorbije 26 jaar de status van 124 algemene vogelsoorten. De conclusie was alarmerend: 56 soorten (45%) gaan er in 20 Europese landen op achteruit. Wie kreeg op Europese schaal de zwaarste klappen? Kuifleeuwerik (- 95%), kleine bonte specht (- 81%), patrijs (- 79%), draaihals (- 74%), tapuit (- 70%), nachtegaal (- 63%), zomertortel (- 62%), matkop,(- 58%), kievit (- 51%) en Europese kanarie (- 41%).(bron: Natuurpunt)

Richt je tuin in als lustoord voor het gevogelte. Nu de winter voor de deur staat kunnen ze menselijke hulp goed gebruiken. Hou je geliefde katten ’s nachts binnen. Laat de luister-landschappen weer live leven in je nabijheid.

Vogels

De taal behoort aan de vogels
ik ben te mens om te vliegen
ik sta als een huis op de wereld
gebouwd en dik uit aarde

ik ben ongeveer degene
die schuilgaat binnen de muren
en uitvloeit achter de ramen
van de blauwe achterkamer

het geurt er naar mest en naar liefde
er staat een plant in een kooi
de taal behoort aan de vogels
de mens schuilt weg in het woord –

Gerrit Kouwenaar (1923-2014)
uit: Hand o.a. (1956)
Foto door Irina Iriser op Pexels.com

De luisterlandschappen zijn eigendom van de BBC-soundeffects en mogen alleen voor persoonlijk gebruik of onderzoek gecopieerd worden. Voor commerciële doeleinden neemt u best contact op met de BBC.

https://blog.prosoundeffects.com/how-to-license-bbc-sound-effects-to-use-in-your-commercial-productions

Muziek met vogels in het hoofd geschreven.