
Ver moet je haar niet zoeken, de zon. Zij is deze dagen duidelijk aanwezig. (geweest)
In het Nederlands is zij vrouwelijk: De zomerzon is in het Nederlands een vrouwelijk zelfstandig naamwoord. Het is een de-woord, en hoewel het in het dagelijks spraakgebruik vaak wordt verward of onzijdig lijkt, wordt het traditioneel en in woordenboeken aangeduid als vrouwelijk. ANW (Algemeen Nederlands Woordenboek)
In Ovidius’ verhaal is de zon mannelijk. Hij is een God. Helios. En zijn zoon Phaëton wil hoe dan ook met de zonnewagen rijden die dagelijks gemend zijn pa Helios van de morgen naar de avond brengt. De gevleugelde paarden wachten ongeduldig onwetend dat Phaëton de zonnewagen zal besturen.
Intussen blazen Pyroïs en Eoüs en Aethon,
de vleugelpaarden van de Zon met Phlegon, nummer vier,
vlammend gehinnik uit, hun hoeven beuken aan het hek.
Als Thetys dat geopend heeft -niets wetend van het lot
van Phaëthon, haar kleinzoon -, als het wijde luchtruim lokt
kiezen zij snel hun pad; hun benen trappend door de lucht
en dwars door ’t hangend wolkendek, omhoog gevoerd op vleugels
jagen ze langs de wind die uit hetzelfde oosten blaast.
Maar het gewicht was licht. Het Zonnespan kon niet herkennen
wat het gewoonlijk voelde en het juk kreeg minder druk.
Zoals gewelfde schepen zonder juist gestuwde ballast
onzeker over zee gaan bij gebrek aan stevigheid,
zo mist de wagen zijn gewoon gewicht en gaat met sprongen
de lucht door, schokte omhoog, omlaag en lijkt wel onbemand.
Het vierspan voelt het, maar stuift voort, het laat de karrensporen
voor wat zij zijn, en loopt niet met de oude regelmaat.
De jongen schrikt, niet wetend wat hij met de teugels aan moet
noch waar de weg loopt, en dan nog…hoe stuwt hij hen daarheen?
Dit was nog nooit gebeurd.

Agostino Veneziano (Agostino dei Musi) Italian
Designed(?) by Raphael (Raffaello Sanzio or Santi) Italian
ca. 1514–36
Ovidius heeft niet dadelijk een extra breed filmscherm nodig om ongeziene rampen in beeld te brengen. Het is ons allen bekend: ach was ik maar…En had ik maar nooit…Ook tweeduizend jaar geleden beseften stervelingen dat tussen willen en kunnen vaak onoverbrugbare afstanden liggen. Dat wat ons moet gidsen spookgestalten blijken en wat wij vreesden gebeurt: ‘Ook de aarde brandt, grasvlakten worden as, geboomte vlamt met loof en al, het droge veldgewas zorgt brandend voor zijn eigen brandstof.’
Ja toen…had hij maar nooit de Zonnepaarden aangeraakt,
nooit naar zijn afkomst willen vragen, nooit zijn zin gekregen!
Hij wil weer Menops zoon zijn, maar nu wordt hij meegesleurd
gelijk bij snelle noorderstorm een schip waarvan de stuurman
het roer laat gaan; goden en bidden zijn zijn laatste hoop…
Wat moet hij doen? Een groot stuk lucht ligt achter hem, maar voor hem ligt nog veel meer.
Hij schat de afstand van elk werelddeel,
kijkt naar het westen voor zich uit- hij zal het door het noodlot
niet meer bereiken-, kijkt ook naar het oosten achter zich.
Verlamd , niet wetend wat te doen, kan hij geen teugels vieren
noch strakker houden en de paardennamen kent hij niet.
Ook ziet hij rondom in de sterrennacht vreemde gestalten,
angstig ontwaart hij diergedaanten van enorm formaat.
Hij komt vlak langs de Schorpioen die daar zijn beide scharen
in holle bochten uitzet om met kromme armen én
zijn staart een breedte van twee sterrenbeelden in te nemen.
De jongen ziet hoe hij een sap met donker gif uitzweet
en zich gereedmaakt met zijn kromme angel toe te steken,
en laat, verstijfd van angst, geheel van streek, de teugels gaan.
Als die de paardenruggen raken en daar blijven liggen,
schieten de dieren opzij; nu zonder mensenhand,
gaan ze door onbekende luchtstreek, stuiven zonder richtlijn
waarlangs hun vaart hen meeneemt, botsend tegen de sterren aan,
hoog aan het hemeldak, sleuren de wagen waar geen weg is,
rennen nu eens omhoog, storten zich dan weer steil omlaag,
afgronden in die steeds meer dichter bij de aarde liggen,
zodat de Maan verbaasd is dat de paarden van haar broer
onder de hare langsgaan, en de wolken zwart geschroeid
gaan roken. Ook de aarde brandt, althans haar hoogste toppen,
de grond splijt scheurend open, door dat het vocht verdampt,
grasvlakten worden as, geboomte vlamt met loof en al,
het droge veldgewas zorgt brandend voor zijn eigen brandstof.

En, schrijft Ovidius, dit zijn dan nog de kleine klachten.
‘Grote steden gaan met muur en al teloor.
Het vuur doet landen met hun volken geheel tot as vergaan.
Bergen met bossen branden kaal.’
Hij noemt ze dan met naam, zelfs de berg der Muzen, de wieg van Orpheus.
Zo ziet Phaëton een aarde die langs alle kanten in brand staat. Tegen zoveel hitte is hij niet bestand. En zelfs de rivieren waren niet veilig, want de rook steeg uit de Don omhoog, en ook zij worden met naam en/of toenaam genoemd.
‘De Nijl was in paniek en is naar ’t eind der wereld weggevlucht, waar hij zijn hoofd tot heden toe verborgen houdt;’ (de bronnen van de Nijl bleven tot in de 19de eeuw onvindbaar)
Ook de zeeën trekken zich terug, een vlakte van droog zand vervangt wat water was.
‘Het hele aardvlak splijt uiteen, het licht dringt door de spleten
de Hades binnen en verschrikt het koningspaar der doden.’
Tijd voor moeder Aarde! Lees haar tussenkomst in een volgende aflevering om deze metamorfose af te ronden.


































































































