Hannah Arendt over Wystan Hugh Auden

Hannah en Wystan Hugh, of gewoon Arendt en Auden. Ze zijn beiden in dit blog aanwezig. Tik hun namen bij de zoekfunctie en lees.

In ‘Thinking without a Banister’, -essays in understanding 1953-1975- beschrijft Hannah Arendt haar ontmoetingen met Auden. Een filosofe, politiek denker weegt en wikt liefdevol haar woorden die een dichter pure sang benaderen. In tijden waarin wij nu leven was dit opstel helder licht in een vrij schemerige omgeving. Ik besloot het te vertalen en het in zijn geheel in dit blog op te nemen, met bewondering en gehechtheid aan beiden die in de meest rumoerige tijden van de twintigste eeuw hun weg hebben uitgetekend. Tot bij ons.

Remembering Wystan H. Auden, Who Died in the Night of the Twenty-eighth of
September, 1973

Original English text :

Ik ontmoette Auden laat in zijn leven en in het mijne – op een leeftijd waarop de gemakkelijke, op de hoogte zijnde intimiteit van vriendschappen die in iemands jeugd zijn ontstaan, niet langer kan worden bereikt, omdat er niet genoeg leven over is, of verwacht wordt over te zullen blijven, om met een ander te delen. Wij waren dus zeer goede vrienden, maar geen intieme vrienden. Bovendien had hij een terughoudendheid die vertrouwdheid ontmoedigde – niet dat ik die ooit op de proef stelde. Ik respecteerde het liever als de noodzakelijke geheimzinnigheid van een groot dichter, iemand die zichzelf al vroeg geleerd moet hebben om niet in proza te praten, losjes en willekeurig, over dingen die hij veel bevredigender wist te zeggen in de gecondenseerde concentratie van de poëzie. Terughoudendheid kan de déformation professionnelle van de dichter zijn. In het geval van Auden leek dit des te waarschijnlijker omdat veel van zijn werk, in volstrekte eenvoud, voortkwam uit het gesproken woord, uit idiomen van de omgangstaal, zoals “Lay your sleeping head, my love, Human on my faithless arm.” Dit soort perfectie is zeer zeldzaam; we vinden ze in enkele van de grootste gedichten van Goethe, en ze moet bestaan in de meeste werken van Poesjkin, want hun kenmerk is dat ze onvertaalbaar zijn. Op het moment dat dit soort gedichten uit hun oorspronkelijke verblijfplaats worden gerukt, verdwijnen ze in een wolk van banaliteit. Hier hangt alles af van de “fluent gestures” in “elevating facts from the prosaic to the poetic” – een punt dat de criticus Clive James benadrukte in zijn essay over Auden in Commentary van december 1973. Waar een dergelijke vloeiendheid wordt bereikt, zijn we er op magische wijze van overtuigd dat alledaagse spraak latent poëtisch is, en, onderwezen door de dichters, openen onze oren zich voor de ware mysteries van taal. De onvertaalbaarheid van een gedicht van Auden heeft mij vele jaren geleden overtuigd van zijn grootheid. Drie Duitse vertalers hadden hun geluk beproefd en een van mijn favoriete gedichten genadeloos om zeep geholpen: “If I Could Tell You” (Collected Shorter Poems 1927-1957), gedicht dat op natuurlijke wijze voortkomt uit twee spreektaalwoorden (two colloquial idioms) – “Time will tell” and “I told you so”:

Time will say nothing but I told you so,
Time only knows the price we have to pay;
If I could tell you I would let you know.

If we should weep when clowns put on their show,
If we should stumble when musicians play,
Time will say nothing but I told you so. . . .

The winds must come from somewhere when they blow,
There must be reasons why the leaves decay;
Time will say nothing but I told you so. . . .

Suppose the lions all get up and go,
And all the brooks and soldiers run away;
Will Time say nothing but I told you so?
If I could tell you I would let you know.
In het filmpje hierbij het gehele gedicht, niet alleen de citaten die Arendt gebruikte om een werkwijze duidelijk te maken.

Ik ontmoette Auden in de herfst van 1958, maar ik had hem al eerder gezien, eind jaren veertig, op een feestje van een uitgever. Hoewel we toen geen woord met elkaar wisselden, herinnerde ik me hem heel goed: een goed uitziende, goed geklede, zeer Engelse heer, vriendelijk en ontspannen. Tien jaar later herkende ik hem niet meer, want zijn gezicht was nu getekend door die beroemde diepe rimpels, alsof het leven zelf een soort gezichtsbedekking had gemaakt om “de onzichtbare woede van het hart” (‘the heart’s invisible furies) zichtbaar te maken. Als je naar hem luisterde, leek niets bedrieglijker dan deze verschijning. Keer op keer, wanneer hij het, naar het leek, niet meer aankon, wanneer zijn krotwoning zo koud was dat het sanitair niet meer functioneerde en hij gebruik moest maken van het toilet in de slijterij op de hoek, wanneer zijn pak – niemand kon hem ervan overtuigen dat een man minstens twee pakken nodig had, zodat er één naar de stomerij kon, of twee paar schoenen, zodat één paar gerepareerd kon worden: een onderwerp van een eindeloze discussie tussen ons door de jaren heen – bedekt was met vlekken of zo dun was versleten dat zijn broek plotseling van boven naar beneden scheurde – kortom, wanneer het noodlot voor je ogen toesloeg, begon hij min of meer een volkomen idiosyncratische versie van “Tel uw zegeningen. ” Omdat hij nooit onzin uitkraamde of iets overduidelijk onnozels zei – en omdat ik me er altijd van bewust bleef dat dit de stem van een zeer groot dichter was – had ik jaren nodig om te beseffen dat het in zijn geval niet het uiterlijk was dat bedrieglijk was, en dat het een fatale vergissing was om wat ik van zijn levenswijze zag toe te schrijven aan de onschuldige excentriciteit van een typische Engelse gentleman.

Eindelijk zag ik de ellende, en op de een of andere manier begreep ik vaag zijn dwingende behoefte om die te verbergen achter de litanie “Tel uw zegeningen”, maar toch vond ik het moeilijk om volledig te begrijpen waarom hij zo ellendig was en niet in staat was om iets te doen aan de absurde omstandigheden die het dagelijks leven zo ondraaglijk voor hem maakten. Het kon zeker geen gebrek aan erkenning zijn. Hij was redelijk beroemd, en een dergelijke ambitie kon bij hem hoe dan ook nooit veel hebben betekend, want hij was de minst ijdele van alle auteurs die ik ooit heb ontmoet – volkomen immuun voor de ontelbare kwetsbaarheden van gewone ijdelheid. Niet dat hij nederig was; in zijn geval was het zelfvertrouwen dat hem tegen vleierij beschermde, en dit zelfvertrouwen bestond vóór erkenning en roem, ook vóór prestatie. Geoffrey Grigson, in de Times Literary Supplement, meldt de volgende dialoog tussen de zeer jonge Auden en zijn tutor in Oxford.

“Tutor: ‘And what are you going to do, Mr. Auden, when you leave the university?’ 
Auden: ‘I am going to be a poet.’ 
Tutor: ‘Well—in that case you should find it very useful to have read English.’ 
Auden: ‘You don’t understand. I am going to be a great poet.’”

Zijn zelfvertrouwen heeft hem nooit verlaten, omdat het niet werd verworven door vergelijkingen met anderen, of door het winnen van een wedstrijd; het was natuurlijk – verbonden, maar niet identiek, met zijn enorme vermogen om met taal te doen, en snel te doen, wat hij maar wilde. Wanneer vrienden hem vroegen een verjaardagsgedicht te produceren voor de volgende avond om zes uur, konden ze er zeker van zijn dat ze het kregen; dit is duidelijk alleen mogelijk in de afwezigheid van zelftwijfel. Maar zelfs dit steeg hem niet naar het hoofd, want hij maakte geen aanspraak op, of streefde misschien zelfs naar, uiteindelijke perfectie. Hij herzag zijn eigen gedichten voortdurend en was het met Valéry eens dat een gedicht nooit af is, maar alleen wordt losgelaten. Met andere woorden, hij was gezegend met dat zeldzame zelfvertrouwen dat geen bewondering en de goede mening van anderen nodig heeft, en dat zelfs zelfkritiek en zelfonderzoek kan doorstaan zonder in de val van zelftwijfel te lopen.

Dit heeft niets te maken met arrogantie, maar wordt er gemakkelijk voor aangezien. Auden was nooit arrogant, behalve wanneer hij werd geprovoceerd door een of andere vulgariteit; dan beschermde hij zichzelf met de nogal abrupte grofheid die kenmerkend is voor het Engelse intellectuele leven.

Stephen Spender, de vriend die hem zo goed kende, heeft benadrukt dat “gedurende de hele ontwikkeling van [Auden’s] poëzie . . . zijn thema de liefde was geweest” – was het niet bij Auden opgekomen om Descartes’ “Cogito ergo sum” te veranderen door de mens te definiëren als het “bubbelachtige schepsel” dat zei: “Ik ben geliefd, dus ik ben”? -en aan het eind van de toespraak die Spender hield ter nagedachtenis van zijn overleden vriend in Christ Church in Oxford vertelde hij over het vragen aan Auden over een lezing die hij had gegeven in Amerika: “Zijn gezicht lichtte op met een glimlach die de lijnen veranderde, en hij zei: ‘Ze hielden van me!'” Ze bewonderden hem niet, ze hielden van hem: hier ligt, denk ik, de sleutel tot zowel zijn buitengewoon ongelukkig voelen als tot de buitengewone grootsheid-intensiteit van zijn poëzie. Nu, met de droevige wijsheid van de herinnering, zie ik hem als een expert in de oneindige variëteiten van onbeantwoorde liefde, waaronder de woedende verwisseling van bewondering voor liefde zeker moet hebben opgedoemd. En onder deze emoties moet er vanaf het begin een zekere dierlijke tristesse zijn geweest die geen rede en geen geloof kon overwinnen:

The desires of the heart are as crooked as corkscrews,
Not to be born is the best for man;
The second-best is a formal order,
The dance’s pattern; dance while you can.

Zo schreef hij in “Death’s Echo,” in Collected Shorter Poems. Toen ik hem kende, zou hij het niet meer over het beste hebben gehad, zo vastberaden had hij gekozen voor het op één na beste, de “formele orde”, en het resultaat was wat Chester Kallman zo treffend “het meest verfomfaaide kind van alle disciplinairen” (“the most dishevelled child of all disciplinarians.”) heeft genoemd. Ik denk dat het deze tristesse en zijn “dans zolang je kunt” waren waardoor Auden zich zo aangetrokken voelde tot en zich bijna thuis voelde in het Berlijn van de twintiger jaren waar carpe diem voortdurend in vele variaties werd beoefend. Hij noemde eens als een “ziekte” zijn vroege “verslaving aan Duitse gebruiken,” maar veel prominenter dan deze, en minder gemakkelijk om er vanaf te komen, was de duidelijke invloed van Bertolt Brecht, met wie hij denk ik meer gemeen had dan hij ooit wilde toegeven. Aan het eind van de jaren vijftig vertaalde hij samen met Chester Kallman Brechts Rise and Fall of the City of Mahagonny – een vertaling die nooit werd gepubliceerd, vermoedelijk vanwege problemen met auteursrechten. Tot op de dag van vandaag ken ik geen andere adequate vertaling van Brecht in het Engels.

Auden and Isherwood in 1938 (Berlin)

In zuiver literaire termen kan de invloed van Brecht gemakkelijk worden getraceerd in de ballades van Auden – bijvoorbeeld in de late, wonderbaarlijke “Ballad of Barnaby,” het verhaal van de tuimelaar die, oud en vroom geworden, “de Moeder Gods eerde” door voor haar te tuimelen; of in het vroege “kleine verhaaltje / Over Miss Edith Gee; / Zij woonde in Clevedon Terrace / Op nummer 83.” Wat deze invloed mogelijk maakte, was dat zij beiden behoorden tot de generatie van na de Eerste Wereldoorlog, met haar merkwaardige mengeling van wanhoop en levensvreugde, haar minachting voor conventionele gedragscodes en haar voorliefde voor “playing it cool,” die zich in Engeland, vermoed ik, uitte in het dragen van het masker van de snob, terwijl zij zich in Duitsland uitte in een wijdverbreide pretentie van goddeloosheid, enigszins in de trant van Brechts The Threepenny Opera. In Berlijn maakte men grapjes over deze modieuze omgekeerde hypocrisie, zoals men over alles grapjes maakte: “Er geht böse über den Kurfürstendamm” – wat betekent: “Dat is waarschijnlijk alle slechtheid waartoe hij in staat is.” Na 1933, denk ik, maakte niemand meer grapjes over slechtheid.

In het geval van Auden, net als in het geval van Brecht, diende omgekeerde hypocrisie om een onweerstaanbare neiging tot goed zijn en goed doen te verbergen – iets waarvoor beiden zich schaamden om het toe te geven, laat staan te verkondigen. Dit lijkt plausibel voor Auden, omdat hij uiteindelijk christen werd, maar het kan in eerste instantie een schok zijn om het over Brecht te horen. Toch lijkt een nauwkeurige lezing van zijn gedichten en toneelstukken het bijna te bewijzen. Niet alleen zijn er de stukken Der Gute Mensch von Sezuan en Die Heilige Johanna der Schlachthöfe, maar, misschien nog overtuigender, zijn er deze regels midden in het cynisme van The Threepenny Opera:

Ein guter Mensch sein! Ja, wer wär’s nicht gern?
Sein Gut den Armen geben, warum nicht?
Wenn alle gut sind, ist Sein Reich nicht fern.
Wer sässe nicht sehr gern in Seinem Licht?

Om goed te zijn! Ja, wie zou dat niet willen?
Alles wat je hebt aan de armen geven, waarom niet?
Als iedereen goed is, is Zijn koninkrijk niet ver weg.
Wie zou niet graag in Zijn licht zitten?

[[Cf. H. Arendt, Men in Dark Times
(New York, 1968), 235-36 N47. [-Ed.]
L. N. E. R tourism poster for Berlin, 1920s

Wat deze diep apolitieke dichters in de chaotische politieke scène van onze eeuw dreef was Robespierre’s “zèle compatissant”, de krachtige drang naar “les malheureux”, te onderscheiden van enige behoefte aan actie naar publiek geluk, of enig verlangen om de wereld te veranderen.

Auden, zoveel wijzer – maar zeker niet slimmer – dan Brecht, wist al vroeg dat “poëzie niets doet gebeuren”. Voor hem was het klinkklare onzin dat de dichter aanspraak maakte op speciale privileges of vroeg om de toegeeflijkheid die wij zo graag verlenen uit pure dankbaarheid. Er was niets meer bewonderenswaardig in Auden dan zijn volledige geestelijke gezondheid en zijn rotsvaste geloof in geestelijke gezondheid; in zijn ogen waren alle vormen van waanzin gebrek aan discipline – “Naughty, naughty”, zoals hij placht te zeggen. Het belangrijkste was om geen illusies te hebben en geen gedachten te accepteren – geen theoretische systemen – die je zouden verblinden voor de werkelijkheid. Hij keerde zich tegen zijn vroege linkse overtuigingen omdat gebeurtenissen (de processen in Moskou, het pact tussen Hitler en Stalin, en ervaringen tijdens de Spaanse burgeroorlog) hadden bewezen dat ze “oneerlijk” waren – “schandelijk”, zoals hij zei in zijn voorwoord bij de Verzamelde Kortere Gedichten, waarin hij vertelde hoe hij weggooide wat hij ooit had geschreven:

History to the defeated
may say alas but cannot help nor pardon.

Geschiedenis tegen de verslagenen
kan helaas zeggen, maar kan niet helpen, noch vergeven.

Dit te zeggen, merkte hij op, was “goedheid gelijk te stellen aan succes.” Hij protesteerde dat hij nooit geloofd had in “deze verdorven leer” – een uitspraak die ik betwijfel, niet alleen omdat de regels te goed en te precies zijn om geproduceerd te zijn om “retorisch effectief” te zijn, maar ook omdat dit de doctrine was waarin iedereen geloofde in de jaren twintig en dertig. Toen kwam de tijd dat…

In the nightmare of the dark
All the dogs of Europe bark . . .

Intellectual disgrace
Stares from every human face—

…de tijd waarin het er een hele tijd naar uitzag dat het ergste kon gebeuren en het pure kwaad een succes kon worden. Het pact tussen Hitler en Stalin was het keerpunt voor links, nu moest men alle geloof in de geschiedenis als ultieme rechter over menselijke aangelegenheden opgeven.

In de jaren 1940 waren er velen die zich tegen hun oude overtuigingen keerden, maar er waren er maar weinigen die begrepen wat er mis was met die overtuigingen. Verre van hun geloof in de geschiedenis en succes op te geven, veranderden zij als het ware gewoon van trein; de trein van het socialisme en communisme was verkeerd geweest, en zij stapten over op de trein van het kapitalisme of het freudianisme of een of ander verfijnd marxisme, of een geraffineerd mengsel van alle drie. Auden, in plaats daarvan, werd een christen; dat wil zeggen, hij verliet de trein van de Geschiedenis helemaal. Ik weet niet of Stephen Spender gelijk heeft met zijn bewering dat “het gebed beantwoordde aan zijn diepste behoefte” – ik vermoed dat zijn diepste behoefte gewoon het schrijven van verzen was – maar ik ben er redelijk zeker van dat zijn geestelijke gezondheid, het grote gezonde verstand dat al zijn prozageschriften (zijn essays en boekbesprekingen) verlichtte, in niet geringe mate te danken was aan het beschermende schild van de orthodoxie. De aloude coherente betekenis ervan, die door de rede bewezen noch weerlegd kon worden, bood hem, net als Chesterton, een intellectueel bevredigend en emotioneel nogal comfortabel toevluchtsoord tegen de aanval van wat hij “rommel” noemde; dat wil zeggen, de ontelbare dwaasheden van de tijd.

Nu ik de gedichten van Auden in chronologische volgorde herlees en aan hem terugdenk in de laatste jaren van zijn leven, toen de ellende en het ongeluk steeds ondraaglijker waren geworden, zonder echter ook maar in het minst te raken aan de goddelijke gave of de gezegende faciliteit van het talent, ben ik er zekerder dan ooit van geworden dat hij nog meer dan Yeats “in de poëzie gekwetst” was: “Gek Ierland doet je pijn in de poëzie. (“Mad Ireland hurt you into poetry.”) Ondanks Auden’s gevoeligheid voor medelijden, waren publieke politieke omstandigheden niet nodig om hem tot poëzie te kwetsen. Wat hem tot een dichter maakte was zijn buitengewone vaardigheid met en liefde voor woorden, maar wat hem tot een groot dichter maakte was de niet te testen bereidheid waarmee hij toegaf aan de “vloek” van kwetsbaarheid voor “menselijk falen” (“human unsucces”) op alle niveaus van het menselijk bestaan – kwetsbaarheid voor de kromheid van de verlangens, voor de ontrouw van het hart, voor de onrechtvaardigheden van de wereld.

Follow, poet, follow right
To the bottom of the night,
With your unconstraining voice
Still persuade us to rejoice;

With the farming of a verse
Make a vineyard of the curse,
Sing of human unsuccess
In a rapture of distress;

In the deserts of the heart
Let the healing fountain start,
In the prison of his days
Teach the free man how to praise.

Lof is het sleutelwoord van deze regels, geen lofzang op “de beste van alle mogelijke werelden” – alsof het aan de dichter (of de filosoof) is om Gods schepping te rechtvaardigen – maar lofzang die zich afzet tegen alles wat het meest onbevredigend is in de toestand van de mens op deze aarde en zijn eigen kracht uit de wond zuigt: op de een of andere manier ervan overtuigd, zoals de barden in het oude Griekenland waren, dat de goden ongeluk en kwade dingen naar de stervelingen spinnen, zodat zij de verhalen kunnen vertellen en de liederen kunnen zingen.

I could (which you cannot)
Find reasons fast enough
To face the sky and roarIn anger and despair
At what is going on,
Demanding that it name
Whoever is to blame:
The sky would only wait
Till all my breath was gone
And then reiterate
As if I wasn’t there
That singular commandI do not understand,
Bless what there is for being,
Which has to be obeyed, for
What else am I made for,
Agreeing or disagreeing?

En de triomf van de privé-persoon was dat de stem van de grote dichter nooit de kleine maar doordringende stem van het zuiver gezonde gezond verstand tot zwijgen heeft gebracht, waarvan het verlies zo vaak de prijs is geweest die voor goddelijke gaven is betaald. Auden stond zichzelf nooit toe zijn verstand te verliezen – dat wil zeggen, de “nood” te verliezen in de “verrukking” die er uit opsteeg:

No metaphor, remember, can express
A real historical unhappiness;
Your tears have value if they make us gay;
O Happy Grief! is all sad verse can say.

–This is Wystan and older brother John, probably about 1912-13. Notice the square cut shirts and the matching outfits.

Het lijkt natuurlijk zeer onwaarschijnlijk dat de jonge Auden, toen hij besloot dat hij een groot dichter zou worden, wist welke prijs hij zou moeten betalen, en ik denk dat het heel goed mogelijk is dat hij op het einde – toen niet de intensiteit van zijn gevoelens en niet de gave om ze in lof om te zetten, maar de pure fysieke kracht van het hart om ze te dragen en ermee te leven geleidelijk vervaagden – de prijs te hoog vond. Wij, in ieder geval, zijn publiek, lezers en luisteraars, kunnen alleen maar dankbaar zijn dat hij zijn prijs tot de laatste cent heeft betaald voor de eeuwige glorie van de Engelse taal. En zijn vrienden kunnen enige troost vinden in zijn mooie grap aan gene zijde van het graf – dat, om meer dan één reden, zoals Spender zei, “zijn wijze onbewuste zelf een goede dag koos om te sterven”. De wijsheid om te weten “wanneer te leven en wanneer te sterven” is niet aan stervelingen gegeven, maar Wystan, zou men graag denken, heeft het misschien ontvangen als de hoogste beloning die de wrede goden van de poëzie schonken aan de meest gehoorzame van hun dienaren.

From Thinking Without a Banister: Essays in Understanding, 1953 – 1975 by Hannah Arendt, Edited by Jerome Kohn.
Auden and Kallman, photo via Stamford University archive

Years and days in service of painting: Konstantin Istomin (1885-1942) (2)

In het atelier

In Koersk geboren , het jaar 1886, in een familie van een infanterie-officier, neef van de beroemde admiraal Isomin, held van de verdediging van Sebastopol in 1854-55, later in het belangrijke jaar 1989, zelfs met een heuse postzegel herdacht!

In 1901 verhuist de familie Istomin naar Vladivostok en Istomin volgt avondlessen aan de plaatselijke kunstschool. In 1903 verhuisde het gezin naar Charkov / Oekraïne. Istomin bezocht het privé-atelier van de Parijse kunstenaar E. Schreider, een bewonderaar en volgeling van de School van Barbizon, die Istomin sterk beïnvloedde in zijn esthetische voorkeuren.

In 1905 was de kunstenaar betrokken bij de revolutionaire beweging: als lid van het gewapende arbeidersdetachement, wordt hij gearresteerd en komt hij in de gevangenis terecht. In de zomer van 1906 wordt het tijd om andere oorden op te zoeken: in München gaat hij studeren bij beroemde schilder en pedagoog Simon (of Shimon) Hollosy.

‘De Rakoczi Marsj, Simon Hollosy
Simon Hollosy  Founder of the Nagybánya Art School, which had a great influence on the formation of the Transcarpathian School of Painting. He was born in 1857 in the city of Siget (now Sighetu Marmației, Romania). From 1875 to 1876 he studied at the School of Decorative Arts in Budapest, and from 1878 to 1882-at the Munich Academy of Arts. 

The period of creative formation of the artist fell on the turn of the 19th and 20th centuries-it was the period of creation of national art schools in many European countries as opposed to the official academism. For Hungarian (at that time Transcarpathian) and Eastern European art such a creative factor was the famous Nagybánya School (named after the city of Nagybánya, now Baia Mare in Romania), which was established by Hollosy in 1886. 

At the Nagybánya School young artists from different countries were preparing to enter the Munich Academy. The institution became a centre for young talents who sought to realistically depict the surrounding world with the help of new, non-academic means. For seventeen Munich years Hollosy became famous in Europe as an artist and pedagogue.
Simon Hollosy ‘Vuurwerk’
He founded a private school where he gave free classes, attracting young talents who were interested in realistic portrayal. He opened the way to new styles by relying on his personality and by pointing out the merits of French painters, such as Gustave Courbet, who exhibited in the city. He abandoned the academic style in order to follow new trends in French painting, including Impressionism. He also "admired" Jules Breton, Jules Bastien-Lepage and read Zola, Murger, Tolstoy and Dostoevsky."

He was more important as a teacher than a painter. His large-scale plan of Rákóczi March, never progressed much beyond sketches, as he kept changing his mind. His landscapes painted in Técső include Landscape in Técső, Landscape with Stacks and Sunset with Stacks, in which he applied elements of en plein air and Impressionism. His self-portrait (1916), held by the Hungarian National Gallery, is considered one of his most harrowing pictures.
Simon Hollosy Zelfportret

Na zijn terugkeer uit München in 1909 ging hij met V.A. Favorsky naar de faculteit voor Kunstgeschiedenis van de Moskouse Staatsuniversiteit. In de 20ste eeuw moet iedere kunstenaar ook kunsthistoricus zijn. Tijdens zijn studies reisde hij door Griekenland en Italië.

During the First World War, Istomin commanded an artillery battery and was shell-shocked. In the spring of 1918 Konstantin returned to Moscow and worked in the section of the fine arts of the Moscow City Council. Since March 1919, he was in the ranks of the Red Army, however, being wounded and having survived typhus, he was demobilized. While serving, he was engaged in drawing, but the drawings of this period were not preserved.

In 1921 dat tot 1930 is hij prorector en prof. schilderkunst van het hoger instituut voor kunst en techniek VHUTEMAS-VKHUTEIN en lid van de kunstbeweging 'Makovetz'.
Meisje en de Spiegel Konstantin Istomin
The ultimate mission of Vkhutemas was to develop a system of industrial education capable of training thousands of students at a time. In just the first year of 1920-21, over 2,000 students enrolled in the school. In 1922 there were 2,222 students matriculating, while in contrast the Bauhaus trained 119 students during the same period. Yet the main pedagogical objective was not only to teach a certain artistic skillset but to formulate a new aesthetic language, accessible to students of varied backgrounds and prior experience, that could be applied to design solutions for industrial production.

At both Vkhutemas and the Bauhaus the educational program progressed from the foundational training mandatory for all students to specialized disciplines elected by each student and approved by the faculty. The foundational courses at Vkhutemas, known as “propaedeutics” (propedevtika)—an introduction to any science or art—similar to the Vorkurs (literally, pre-course) at the Bauhaus, were structured as a sequence of preliminary or core exercises. Importantly, propaedeutics did not simply offer an introductory system of courses that preceded a deeper study of a subject but sought to provide an abbreviated exposition of a field of knowledge in a systematic, elementary way—in its entirety. (Anna Bokov)
Meisje leest voor een doek

De belangrijkste pedagogische agenda van beide stichtingscurricula – aan de Vkhutemas en aan het Bauhaus – ging verder dan esthetiek en omvatte praktische, ervaring door het werken met materialen en het maken van fysieke objecten. Volgens Gropius’ beroemde leerplan-diagram van 1922 duurden de Vorkurs aan de Duitse school een semester en omvatten ze de “elementaire studie van vorm, studie van materialen in de pre-Workshop (Elementare Formlehre, Materiestudien in der Vorwerkstatt). De Vorkurs doorliepen, net als de propedeutiek van Vkhutemas, verschillende fasen: van Johannes Itten die lesgaf in 1919-22, via László Moholy-Nagy met Josef Albers die Itten verving in 1923, tot Albers alleen, die de cursus begon te geven na het vertrek van Moholy-Nagy in 1928 en ermee doorging tot de sluiting van de school in 1933. (ibidem)

Konstantin Istomin Winterlandschap

Na de oprichting van de interdepartementale Kernafdeling splitste het zoeken naar een fundamentele kleurdiscipline zich in twee hoofdsporen: in het eerste werd kleur bestudeerd als een schilderkunst-verschijnsel en in het tweede als een optisch verschijnsel. Tegen 1924 ontwikkelde het hoofd van de Kernafdeling, Konstantin Istomin, het programma van het “Color kontsentr”, goedgekeurd door decaan Favorsky, dat uit twee reeksen disciplines bestond: een meer traditionele op de schilderkunst gebaseerde en een wetenschappelijk gebaseerde cursus over kleur. Terwijl de theorie van de kleur werd onderwezen door natuurkundigen en psychologen, werden de praktische “kleurenlaboratorium” studies geleid door Gustav Klutsis (1895-1938). Klutsis, die een leerling was van Kazimir Malevich in Svomas en een afgestudeerde van Vkhutemas, gaf les aan de school tussen 1924-30. Zijn propedeusecursus over kleur was speciaal ontwikkeld om studenten op te leiden buiten de afdeling Schilderkunst, waaronder toekomstige architecten en industriële en grafische ontwerpers.

Konstantin Istomin Moskou-landschap

Het traditionele systeem voor de opleiding van kunstenaars en architecten werd grondig herzien en de academische cursus schone kunsten werd vervangen door een algemene artistieke propedeuse.
In plaats van de gebruikelijke disciplines “tekenen”, “schilderen” en “beeldhouwen”, werden de volgende disciplines ingevoerd: “kleur”, “volume” en “grafiek”. Tegelijkertijd werd een hele constellatie van kunstenaars, vertegenwoordigers van de avant-garde, in zijn studio’s ondergebracht. Een constellatie van kunstenaars die avant-garde bewegingen vertegenwoordigen – Rodchenko, Vesnin, Popova, Ekster, Sterenberg, Klutsis en anderen. Ze waren allemaal geïnspireerd door de mogelijkheid om hun eigen ontwikkelingen in het onderwijsproces en het creëren van auteurscursussen, die niet altijd in detail zijn uitgewerkt en aangepast aan het begripsvermogen van de studenten, maar zeker vernieuwend in geest.
In de meeste gevallen waren deze opdrachten formeel en analytisch werk in verband met de studie van de primaire categorieën van compositie, zoals ritme, beweging, contrast, en de “primaire” elementen van artistieke vorm – kleur, toon, en schaduw.

Blauw meisje met boek Konstantin Istomin

Lectuur :

In de boot Konstantin Istomin
Konstantin Istomin

We hebben het belang van ‘de opleiding’ proberen te illustreren , de rol van de pedagogiek, van de begeleiding. Het is een achtergrond die zelden ter sprake komt als we een bepaald tijdperk van de kunstgeschiedenis belichten. Dat de school in 1930 door Stalin werd gesloten zal niemand verbazen, net zoals het voorbeeld in Duitsland in 1933 door de nazi’s werd ontmanteld. Vermelden we nog dat Istomin ook decors en kostumes voor verschillende theaterproducties heeft ontworpen naast het schrijven van theoretisch werk en het opstellen van trainingprogramma’s. Dat zijn eigen werk daardoor minder in evidentie is gekomen mag duidelijk zijn geworden door zijn belangrijke rol in de opleiding van jonge kunstenaars die juist daardoor in de belangstelling kwamen terwijl de inspirator naar de achtergrond verdween.

Kelk Konstantin Istomin
Liggend model Konstantin Istomin
Neem rustig uit de holte van mijn handen
Een beetje zonlicht en een beetje honing,
De bijen van Persephone ter wille.

Een varend scheepje is niet af te meren,
Een schim in bont geschoeid is niet te horen,
Doodstille levensangst niet te bedwingen.

Het enige wat overblijft zijn kussen,
Als kleine bijen met behaarde lijfjes,
De korf verlatend, uitzwermend en stervend.

Zij ritselen in blanke, diepe nachten,
Zij komen uit de Taigetos, het oerwoud,
Zij voeden zich met tijd, munt, honingklaver.

Ontvang dan, als je wilt, mijn wilde gave,
Een droog, onooglijk kralensnoer van bijen
Die bij hun dood uit zonlicht honing maken.

Osip Mandelstam  1920 (vertaling:  Hans Boland)

Years and days in service of painting: Konstantin Istomin (1886-1942) (1)

Статья 52 (2.4) Константин Истомин. «Букет на красном», 1910-е(1) Boeket voor rood Konstantin Istomin 1910

Blader je door het mooie kunstboek met werk uit ‘The Tretyakov Gallerie’, in Moskou te bezoeken, dan is schilder Konstantin Istomin er slechts met één werk vertegenwoordigd, schilderij dat we straks uitvoeriger zullen bespreken. De samenstellers geven een verklaring:

'Our knowledge of the art of Konstantin Istomin is not rather scant.  His works are to be found mostly in private collections, with only a few kept in museums. Until recently the name of this interesting Soviet painter and outstanding teacher had been undeservedly forgotten by the public.'

Dat was al een citaat uit 1979, uitgavejaar van het kunstboek, maar de bewering heeft helaas nog niets aan actualiteit ingeboet. Voor mij begon de ontdekking met het prachtige doek uit 1933 ‘Studentinnen’. De enige schilderij van Istomin uit het voornoemde boek.

Studentinnen, Konstantin Istomin olie op canvas, 125,5 x 141,5 cm. 1933
A cozy room with a large square window in a dark green wall behind him - pink-pearl (in contrast to the deep, strong color inside) winter city. Against the light - graceful silhouettes of two girls in black, engaged in reading. This is the "Vuzovki" (1933), (letterlijke vertaling titel: De universitairen) the best and most famous painting KN Istomin.
At first glance - the genre, the picture on the "home" theme. But the meaning is quite large, broadly and boldly written canvas is clearly not in the details of the story, not in the character of girls (of which we know nothing concrete), not in their class. He's something else, less certain, but a more general ... In fact, why is this story on everyday picture seems suddenly open window to another bygone era, as if immerses the viewer in the spiritual atmosphere of the 1930s.

Zoem je in op het centrum dan voel je het winterlicht van de korte dagen binnenvallen, begrijp je de sjaal op de schouders van het rechtstaand meisje. Of in de woorden van de tekst bij het schilderij in mijn boek:

'It shows two college girls studying in a quiet room at dusk, as the short winterday draws to a close.  Their delicate figures, invested with girlish grace and gentle lyrcism, are sharply silhouetted against the big lit-up window. The girls' hair and dresses, the modest furniture of the room faithfully convey the ascetic atmosphere of the first post-revolutionary years in Soviet Russia.'

Vergelijk je het doek met de onderstaande compositie ‘aan het raam’ dan voel je dezelfde winter en is het vooral de kleur van de kledij die de zittende oplicht. Het gaat duidelijk niet om portretten maar om een stemming, een aanvoelen van een atmosfeer waarin het koude buitenlicht allerlei betekenissen kan krijgen met het begrip ‘isolatie’ als ondertoon.

Beperk je het invallend licht door de hoogste reep van het raam weg te snijden dan komt de nadruk helemaal op de meisjes te liggen en begrijp je de noodzaak om het raam in zijn geheel weer te geven om de hoofdrol van het licht, de winter, de isolatie duidelijk te maken. Kijk naar de afmetingen van het doek: 125 cm x 141 cm.

'The well-balanced composition and colour scheme contribute to the picture's marked expressiveness.  The broad expanse of the winter landscape outside and the pinkish shade of the wide sky, contrast with the small, confined space of the girl's room. 
The clear, strict delineation of objects, the glow of the white curtains and the tablecloth, the crystal-clear water in the jug - everything accors with the girls' simplicity and purity.  The correlation of dark and light tones is controlled and balanced, corresponing to the students' strict dedication.
In 'Students' Istomin skilfully creates a moving, poetical image of the nascent Soviet intelligentia.'
‘Aan het raam’

In een volgende bijdrage: een korte levensschets, vragen bij kunst en intellect in een maatschappij waarin het ‘socialistisch realisme’ alle vormen van modernisme wil verdringen. Het is geen pretje om in een utopisch wereldbeeld de alledaagse wereld te blijven belichten. Zeker niet als leraar aan een kunstschool.

Utopisch denken is daarom een vorm van wanhoopsdenken waar een vruchtbare bodem voor ontstaat op het moment dat mensen de hoop op verbetering verliezen. Waar het modernisme blijk gaf van (ongegronde) hoop op een utopie, plaatst het socialistisch realisme deze niet langer in de toekomst maar beweert dat de volmaakte wereld werkelijkheid is geworden. (Slavische Studies Marazone 14 2014)

En…kunstenaar worden of leraar blijven en andere kunstenaars vormen en uitsturen? Met voorbeelden.

Voor de spiegel

De jaren 22, een dwarsdoorsnede

• James ENSOR – La mangeuse d’huîtres (1882). Paris, Musée d’Orsay.

Met dit smakelijke schilderij van James Ensor uit 1882 waarmee de kunstenaar zijn zus aan de feestdis borstelt willen we graag de toon zetten voor het komende of intussen al aanwezige jaar 2022. Schuif aan, er is nog plaats. De schilder weet intussen wat wachten is, hij heeft alle tijd. Wil je een indruk opdoen van wat het jaar 2022, het jaar met de drie twee-getallen en één bijna honderd jaar te worden nulletje, dan bied ik je enkele tranches uit de jaren 22 aan, te beginnen met de zestiende eeuw, het jaar 1522 en daarna verder tot we bij de honderdjarige 1922 belanden. Beetje kriskras, ook wij drinken nu graag een glas, maar toch even kijken hoe ’t in al die jaren 22 was.

De heilige Katharina Lorenzo Lotto 1522

1522

En met deze mooie heilige zijn we in dat merkwaardige jaar 1522 waar op 9 januari de genaamde Adriaan Florenszoon Boeyens, Dedens, (H)adrianus (VI) in het latijn, paus Leo X opvolgde als 218de paus. De enige Hollandse paus (Utrechtenaar) en de laatste niet Italiaanse voor meer dan 450 jaar. Het bleek maar voor korte tijd, hij stierf op 14 september 1523. Komt er in 2022 een Belgische (Vlaamse) kandidaat of heeft hij het voor goed verkorven na een terechte en gesmaakte en gedurfde opmerking omtrent de kerkelijke houding tegenover homoseksualiteit?

In september van datzelfde jaar 1522 publiceerde Luther een vertaling uit het Grieks naar het vroege nieuw Duits van de Bijbel:  Das newe Testament Deutzsch, met een verkoop van duizenden exemplaren de eerste weken, terwijl de 6de september in Basel de derde editie van Erasmus' vertaling uit het Grieks 'Textus Receptus' van het Nieuwe Testament was verschenen, parallel met de Latijnse tekst. 

In Brugge en tot tweemaal toe in Antwerpen vinden er openbare boekverbrandingen van zgn. Lutherse geschriften plaats. 
De hinderlaag Joost de Momper 1622

1622

Merkwaardig jaar waarin de 1ste januari van de Gregoriaanse kalender als eerste dag van het jaar wordt verklaard, in plaats van de 25ste maart. Of die hinderlaag van de Antwerpse schilder Joost de Momper (zie hierboven) al iets te maken had met de Spanjaarden die een schip met buskruit in de Amsterdamse binnenstad tot ontploffing wilden brengen, weet ik niet. Hun doel was de Amsterdamse beurs, toen ook al het financiële centrum van Nederland. De aanslag kon net op tijd voorkomen worden door de oplettendheid van een op straat spelend weesjongetje. Als dank mocht hij een wens doen; waarop het jongetje wenste dat de kinderen ieder jaar een dag mochten trommelen op de beurs: de beurs-trommeldag. Jongetjes van het jaar 2022 zouden misschien liever in cryptomunten willen beleggen. In alle stilte.

Juni 1622
Met een enorme invasiemacht van 13 oorlogsschepen met zo'n 1300 man proberen de Hollanders Macau te veroveren. De Portugezen zijn niet tegen zo'n invasiemacht opgewassen, maar een toevalstreffer met een kanon afgeschoten door een Jezuïtische priester raakt de buskruitvoorraad van de Hollanders die daarop definitief afdruipen. Gelukkig wordt ook dat jaar op 15 januari in Frankrijk een zekere Jean-Baptiste Poquelin geboren, later gekend als beroemd en berucht toneelschrijver Molière die ons tot op de dag van vandaag met zijn satirische komedies een aardige spiegel kan voorhouden.
Wikimedia Commons

1722

Op paaszondag, 5 april 1722, ontdekt een Hollandse expeditie onder leiding van commandeur Jacob Roggeveen Paaseiland terwijl in Frankrijk François Couperin ‘Concerts Royaux’ componeert. Door corruptie en de grote verliezen die na 1780 zijn geleden kwam aan de VOC (Vereenigde Oostindische Compagnie) een roemloos einde. De aandelen werden opgekocht door de staat en nam daarmee ook de schulden over van ruim 120 miljoen gulden. De letters VOC stonden voor Vereenigde Oostindische Compagnie. Echter tegen het einde van de VOC tijd werd door de bevolking gekscherend de afkorting uitgesproken als Vergaan Onder Corruptie.

De slavenhandel was in deze periode big business. Tegelijkertijd kwamen Newcomen en Watt met de introductie van de stoommachine. De industriële revolutie was een feit. Maar troost je nog even met een fragment uit de koninklijke concerten van Couperin.

1822

Terwijl we met de oren nog in de 18de eeuw verblijven mogen de ogen de negentiende binnengaan en kijk naar de kalender voor het jaar 1822 die de Amsterdamse ‘vuilnis-karmans’ verspreidden, een poëtische aanmaning om hen te gedenken.

Het is het jaar dat de emoe van het Koningseiland in Australië is uitgestorven en ook de auteur E.T.A. Hoffman (herinner je zijn amoureuze vertellingen door Offenbach tot opera bewerkt) het voor gezien houdt terwijl de Belg César Franck, toekomstig componist en organist) op 27 december geboren wordt. Vergeet het octrooi niet dat op 9 juni van dat jaar wordt toegekend waarmee het kunstgebit een feit is. En:

Charles Babbage publishes a proposal for a difference engine, a forerunner of the modern computer, for calculating logarithms and trigonometric functions. Construction of an operational version will proceed under British Government sponsorship (1823–32), but it will never be completed.

En om het helemaal hedendaags te maken op 27 december van dat jaar 1822 wordt Louis Pasteur geboren.

Pasteur ontwikkelde een virus-vaccin tegen de ziekte hondsdolheid. Hij slaagde erin een hond immuun te maken, en hij behandelde paarden. Op 6 juli 1885 bracht men de negenjarige Joseph Meister uit de Elzas, die door een dolle hond was gebeten, bij Pasteur. Pasteur begon de behandeling met behulp van door hem ontwikkelde inentingen, iets wat voor hem persoonlijk riskant was, omdat hij geen erkend geneesheer was. Na wekenlange behandeling van de jonge patiënt, die hoogrood was aangelopen door de koorts, genas de jongen en kon Pasteur met recht zeggen de hondsdolheid te hebben overwonnen.

1922

Laten we maar beginnen met een voetbalmatch, gespeeld op 7 mei 1922 in Amsterdam waar België het Nederlands elftal verslaat met 1-2. Op 21 maart had het persbureau Vaz Dias de eerste nieuwsuitzending op de radio uitgezonden via de zender van de Amsterdamse effectenbeurs. Op 4 augustus bij de begrafenis van Alexander Graham Bell wordt het telefoonverkeer in de USA een minuut lang stilgelegd. Enkele maanden eerder was op 3 april ene Jozef Stalin Secretaris-Generaal van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie geworden en later, op 28 oktober, trokken onder leiding van Benito Mussolini een menigte fascisten naar Rome. Als troost: T.S. Eliot, Amerikaans-Brits dichter publiceert dat jaar het gedicht: The Waste land. Het begint met ‘The Burial of the Dead’, enkele lijnen om je nieuwsgierig te maken:

April is the cruellest month, breeding
Lilacs out of the dead land, mixing
Memory and desire, stirring
Dull roots with spring rain.
Winter kept us warm, covering
Earth in forgetful snow, feeding
A little life with dried tubers.
Summer surprised us, coming over the Starnbergersee
With a shower of rain; we stopped in the colonnade,
And went on in sunlight, into the Hofgarten,
And drank coffee, and talked for an hour.

Er is dat jaar ook nog Virginia Woolf die ‘Jacob’s Room’ publiceert terwijl Stefan Zweig de vertelling ‘Die Augen des ewigen Bruders’ uitbrengt. Met daarna de brug tussen 1922 en 2022. Een wereldoorlog, een vrede die 1945 met 2022 verbindt. Het jaar met de drie tweetjes en een nulletje waarvan je een ballonnetje kunt maken, dus loslaten of beter nog: een wieltje dat ons aanzet de telkens opnieuw gedroomde wereld van die andere jaren 22 in beweging te houden en naar 2023 te brengen. Met heel ons hebben en houden. Met iedereen. Op aarde. In de hemel. En op alle plaatsen.

The Landscape of Love and Solace: John Nash (1893-1977)

Nash, John Northcote; The Lake, Little Horkesley Hall; Royal Academy of Arts; http://www.artuk.org/artworks/the-lake-little-horkesley-hall-149049

De titel van deze bijdrage was ook de titel van een grote retrospectieve tentoonstelling tijdens het voorbije najaar in Tower Eastbourne UK waarin de drievoudige bedoeling duidelijk wordt. Eerst John Nash’ liefde voor zijn in en bewegen door het landschap. Als jongen kreeg hij een laat-Victoriaans spionageboek en daarna was een wandeling met John Nash een openbaring: wat hij voordien niet had gezien werd opgemerkt en geziene dingen werden opnieuw gezien, zijn visuele notities bijgewerkt. Een mooie quote aan het eind van zijn leven:

'The artist's main business is to train the eye to see, then to probe and then to train his hand to work in sympathy his eye. I have made a habit of looking, of really seeing'.
The Rainstorm John Northcote Nash

Nash voelde zich aangetrokken tot de hoekjes en gaatjes van het landschap. Zoals hij tegen John Rothenstein zei, interesseerde een halve hooiberg hem evenveel als een bergketen, en de helft van zijn beste werken is terug te voeren op locaties op loopafstand van zijn vaste huizen in de Chilterns en de Stour Valley. (Andy Friend Artuk.org)

Secondly, the landscape of love refers to the complex, shifting web of affairs and relationships that accompanied his endeavours. The remarkable Christine Kuhlenthal, a Slade student and intimate friend of Dora Carrington, became his lover just before he departed to the trenches in late 1916.(ibidem)
John Nash and Christine Kühlenthal

Ze zouden trouwen als hij levend terugkeerde, maar hun diepe toewijding aan elkaar zou niet uitsluiten dat beiden ‘liefdes van buiten’ zouden kennen.

They pledged to marry if he returned alive, but their deep commitment to each other would not exclude either having 'outside loves'. Their own love endured for sixty years, surviving numerous crises and periods of distance, and an ongoing dichotomy between Christine's pursuit of intimacy and John's more libertine habits. It was an extraordinary partnership, during which Christine's harvesting of scant resources and organisation of John's artistic calendar (of expeditionary activity, work at home, and exhibiting) rendered possible her husband's long career.(ibidem)
Oppy Wood 1917 Evening John Northcote Nash

En ten derde heeft de notie van een landschap van troost – of een zoektocht naar troost in het externe landschap – betrekking op de emotionele bron van Nash’s artistieke streven als schilder die niet alleen werd geplaagd door periodieke psychische problemen (een familietrekje dat hij deelde met zijn broer Paul en jongere zus Barbara), maar die in de loop van zijn lange leven ook meer dan zijn deel aan trauma’s en verlies heeft moeten doorstaan. (ibidem)

John's childhood was overshadowed by his mother's mental decline and early death in a private sanatorium and his earliest artwork survives in the form of marginal cartoons leavening letters to his frequently absent parents. Absorbing the influence of Edward Lear, his cartooning flowered – and lead to many of his early book commissions – but as Christine quickly discerned, humorous endeavour for the young John was 'a useful cloak'.(Andy Friend ibidem)
The Cornfield (1918) John Nash Tate London 2019

Is er een mooier voorbeeld dan dit korenveld, eens terug uit wat wij nu ‘de Grote Oorlog’ noemen? Vijftien maanden als een laaggeplaatste ‘ranker’ in het ‘Artists Rifles’ waar hij naar huis werd gestuurd na een rampzalige tegenaanval bij het Franse Marcoing waarbij al zijn naaste kameraden in de ochtend van 30 december 1917 in een tijdsbestek van twintig minuten omkwamen. Terug in Engeland werd hij benoemd tot ‘Official War Artist’ maar omdat het hem verboden was in de loopgraven te tekenen moest hij nu oorlogskunst maken met zijn bijzonder vermogen om herinneringen op te roepen.

Nash, John Northcote; ‘Over The Top’: First Artists’ Rifles at Marcoing, 30 December 1917; IWM (Imperial War Museums); http://www.artuk.org/artworks/over-the-top-first-artists-rifles-at-marcoing-30-december-1917-6283
For Nash its creation was purgative, although his distress at 'the sheer bloody murder' he had witnessed never totally left him. What is remarkable is that while he was working on it by day, he was also leaving the studio in the evening, reacquainting himself with surrounding Buckinghamshire as he painted The Cornfield – a work created 'in sheer relief at being still alive and back in the English countryside'.(Andy Friend)

Een notitie uit zijn dagboek '13 November 1935' ''Anniversary of the worst day of my life – glad to be working hard to forget' En dat verwijst naar de dood van William, zijn en Christine's enige kind, dat nadat het uit de nursery was opgehaald uit de auto was gevallen die zij bestuurde.
John Nash Frozen Ponds
“The Flooded Meadow” by John Nash | © The artist’s estate/Government Art Collection

Kunstenaar, illustrator, gepassioneerd tuinier van kindsbeen af en musicus (duetten met Christine toen ze nog samen waren) Grotendeels autodidact maar altijd bereid om wat anderen hem konden bijbrengen te assimileren. Vaak in de schaduw van zijn oudere en meer bekende broer Paul.

The artist-musician Rupert Lee inspired him to read music, the nurseryman Clarence Elliot was both a close friend and plant-world royalty who gained him entrée to judging at Chelsea. But in terms of his art what is most noticeable – as in his progress as a wood engraver from novice to leading exponent in a matter of four months after August 1919 – is the degree to which, once seized, he could immerse himself in new media to such telling effect.
John Nash, ‘A Gloucestershire Landscape’. Image © Ashmolean Museum, University of Oxford
John Nash, Sea Holly and Sea Bindweed (Seaside Flowers), 1938, from the Buckinghamshire County Museum collections

Uiteraard hebben kunsthistorici Nash wel eens afgeschilderd als een figuur die niet in het verschijnsel kunst geïnteresseerd was en dan ook nog onwetend zou zijn over wat er in die kunstwereld voorhanden was. Zijn lange carrière zou verscheidenheid ontberen. Inderdaad had hij weinig belangstelling voor ‘de grootstedelijke pretentie’ of de nogal obscure exploten van de toenmalige kunstscene. Maar de grote retrospectieve tentoonstelling maakte duidelijk hoe Walter Sickert een vroege invloed uitoefende, hoe Spencer Gore, Harold Gilman en Robert Bevan (‘The Cumbers Men’) een centrale rol speelden in zijn vooruitgang met olieverf nadat hij in 1913 met een geïmproviseerde tentoonstelling op de Londense kunstscène was doorgebroken. Je kon ook zien hoe navolgers van Cézanne en zeker van Jean Marchand Nash’s ontwikkeling als schilder hebben beïnvloed in de jaren twintig.

His friendship and collaboration with Edward Bawden in the 1950s, and Peter Coker in the 1970s also triggered new departures; and figures as diverse as the 1920s etcher Francis Unwin, Eric Ravilious before 1942, Carel Weight in the 1950s, and Cedric Morris in the 1960s were comrades in art as well as friends who to him were 'dear ones'.(ibidem)
The Villa Next Door
1975, watercolour & pencil by John Northcote Nash (1893–1977)

Anders dan ‘modes’ of ‘stromingen’ volgde hij vooral wat hij voortdurend observeerde en toonde hij in zijn werk de verrassingen die hij ontdekte.

Nash admitted he was frequently taken by surprise by the reality he observed, and it is this sense of innocent wonder suffused with melancholy that distinguishes his art at its best, resonating with the solace that many of us might seek out of doors in a season of stress. 

Artikel geïnspireerd en gebruik makend van de bijdrage van Andy Friend, curator of John Nash.

John Nash – The Landscape of Love and Solace' was at Towner Eastbourne until 26th September 2021. An accompanying biography John Nash - The Landscape of Love and Solace by Andy Friend, with an introduction by David Dimbleby, is published by Thames & Hudson

https://artuk.org/discover/stories/john-nashs-alluring-landscapes-of-love-and-solace

John Nash Dunwich Watercolour 1919

In the bleak mid-winter

Foto door Eva Elijas op Pexels.com
In the bleak mid-winter
Frosty wind made moan,
Earth stood hard as iron,
Water like a stone;
Snow had fallen, snow on snow,
Snow on snow,
In the bleak mid-winter
Long ago.

What can I give Him,
Poor as I am?
If I were a shepherd
I would bring a lamb,
If I were a wise man
I would do my part,
Yet what I can I give Him,
Give my heart.

De eerste en de laatste strofe van dit mooie lied, geschreven door Christina Rosetti in 1872. En of de ‘Him’ in de laatste strofe nu goddelijk of een geliefd mens voorstelt, dat ‘hart’ is wel een gewaardeerd geschenk. In het tumult van de laatste maanden, het pro of contra van wie of wat dan ook waarin ‘the wise man would do their part’ blijft mij , poor as I am, ook niets anders over dan het met veel liefde aan te bieden aan zij die van goede wille zijn, om andere gevleugelden-met -dienst te citeren.

The first and last strophe of this beautiful song, written by Christina Rosetti in 1872.  And whether the 'Him' in the last strophe represents the divine or a beloved human being, that 'heart' is a valued gift.  In the tumult of the last few months, the pro or con of whoever or whatever in which 'the wise man would do their part', all that remains for me, poor as I am, is to offer it with much love to those who are of good will, to quote other winged men of service.   

Translated with www.DeepL.com/Translator (free version)

Musée des Beaux Arts, een gedicht van W.H. Auden

Lorenzo di Credi De aanbidding
Musée des Beaux Arts
By W. H. Auden


About suffering they were never wrong,
The Old Masters: how well they understood
Its human position: how it takes place
While someone else is eating or opening a window or just walking dully along;
How, when the aged are reverently, passionately waiting
For the miraculous birth, there always must be
Children who did not specially want it to happen, skating
On a pond at the edge of the wood:
They never forgot
That even the dreadful martyrdom must run its course
Anyhow in a corner, some untidy spot
Where the dogs go on with their doggy life and the torturer’s horse
Scratches its innocent behind on a tree.
In Breughel’s Icarus, for instance: how everything turns away
Quite leisurely from the disaster; the ploughman may
Have heard the splash, the forsaken cry,
But for him it was not an important failure; the sun shone
As it had to on the white legs disappearing into the green
Water; and the expensive delicate ship that must have seen
Something amazing, a boy falling out of the sky,
Had somewhere to get to and sailed calmly on.
Lorenzo di Credi De onthoofding van Johannes de Doper
Musée des Beaux Arts
door W.H. Auden

Over het lijden hadden ze het nooit mis,
De oude meesters: hoe goed zij
De menselijke positie ervan begrepen: hoe het gebeurt
Terwijl iemand anders eet of een raam opent of gewoon duf langsloopt;
Hoe, wanneer de ouderen eerbiedig, hartstochtelijk wachten
Op de wonderbaarlijke geboorte, er altijd
Kinderen die niet speciaal wilden dat het gebeurde, schaatsen
op een vijver aan de rand van het bos:
Ze vergaten nooit
dat zelfs het vreselijkste martelaarschap zijn beloop moet hebben
Hoe dan ook in een hoek, een rommelige plek
Waar de honden verder gaan met hun hondenleven en het paard van de beul
zijn onschuldige achterste aan een boom schuurt.

In Breughels Icarus, bijvoorbeeld: hoe alles wegdraait
Rustig weg van de ramp; de ploeger kan
De plons gehoord hebben, de verlaten schreeuw,
Maar voor hem was het geen belangrijk falen; de zon scheen
Zoals het moest op de witte benen die verdwenen in het groene
Water; en het dure tere schip dat iets verbazingwekkends
Gezien moet hebben, een jongen die uit de lucht viel,
Had ergens naar toe te gaan en voer rustig verder.

Dit mooie gedicht van W.H. Auden verscheen gisteren in ‘The New York Times Magazine’. In de bijlage van Reginald Dwayne Betts lezen we dat Auden zelf het schilderij van Breughel ‘Icarus’val’ als zijn lievelingsschilderij beschouwde, en hij was blijkbaar niet alleen zoals hijzelf aanhaalt:

'A friend tells me he spent three weeks in college cleaning dorms to earn enough money to travel to Europe. Once he got there, he traveled to Belgium by train to see the painting that inspired this, Auden’s masterpiece. Wild — Nicky says he sat before that piece with wrinkled pages that he’d probably been carrying around from country to country. He had read and read and read, not stopping until he knew it all by heart. Carrying away the memory of more than suffering.' (W.H. Auden)
Oorlogsschip met val van Icarus, ca. 1561-1562 (gravure naar een tekening van Bruegel)

Een kerk, 3 schilderijen en een gedicht

Neen, het is niet de bedoeling de lezer(es) een zijkapel van de San Luigi del Francesi-kerk in Rome voor te stellen om je dan mee te nemen naar de zogenaamde Contarelli-kapel en je te verbazen met drie reusachtige schilderijen van de overbekende Caravaggio, allen met de evangelist Matteüs als hoofdpersoon, daar gebruiken we liever de Poolse dichter Adam Zagajewski voor. (1945-2021) We hebben zijn persoon en werk het voorbije jaar voorgesteld in een bijdrage: ‘Maar de woorden zwijgen niet’. (zie onderaan) In een mooie net verschenen antologie vonden we de Engelse vertaling van zijn gedicht: ‘The calling of St. Matthew’, een ervaring bij zo’n bezoek aan het meesterwerk met die naam.

De roeping van de heilige Mattheüs Caraveggio
De roeping van Matteüs (Vocazione di san Matteo), circa 1599-1600, is een olieverfschilderij van Caravaggio. Samen met Matteüs en de Engel en Het martelaarschap van Matteüs vormt het één geheel in de Contarellikapel in de San Luigi dei Francesi in Rome.

Het werk is een voorbeeld van clair-obscur. De scène, ontleend aan Matteüs 9:9, speelt zich af in een donkere kelder. Links zit de groep rond Matteüs, gekleed in barokke kledij. En rechts staan Jezus en Petrus. (Wikipedia)
fragment

Het is een prachtig doek. Sta je in de zijkapel dan hangt het links van het altaar, recht tegenover ‘het martelaarschap van de heilige Matteüs’ en centraal ‘Matteüs en de engel.’ De foto hieronder geeft een idee van plaatsing en omvang.

Het lijkt dat je bij daglicht de kunstwerken kunt bewonderen, maar dat is een illusie . Het is er donker. Je moet een 1 euro-stuk in een gleuf steken en…even flitst het licht aan zodat de drie schilderijen in hun volle pracht te bekijken zijn. Tijd voor de poezië van Adam Zagajewski vertaald door Clare Cavanagh.

"The Calling of St. Matthew"

that priest looks just like Belmondo–Wislawa  Szymborska, Funeral (II)

—Look at his hand, his palm. Like a pianist’s 
—But that old guy can’t see a thing
—What next, paying in a church
—Mom, my head aches
—Sharply individuated human figures
—Keep it down please, we can’t focus
—The coins on the table, how much are they worth
—His operation’s just three weeks away
—I’d say silver, definitely silver, but not pure
—Lord, how lovely—To adorn the Contarelli Chapel
—Which one is Matthew, the young guy or the old?
—We almost got robbed on the subway today
—Two generations of European artists took it as their model
—Look, there’s a cross in the window
—The light went out again
—The wall on the left is so black, like the world’s end 
—Have you got another euro or fifty cents?
—Can’t be the young guy
—They’re closing soon, hurry up
—He saw a man collecting taxes
—How much are these paintings insured for
—Jesus is in shadow but his face is light
—I’m leaving now, I’ll wait outside
—Why don’t they have a guard?
—They live in semi-darkness and suddenly there’s light 
—It’s going out
Excerpted from The FSG Poetry Anthology, Edited by Jonathan Galassi and Robyn Creswell. Published by Farrar, Straus and Giroux. Copyright © 2021 by Farrar, Straus and Giroux. All rights reserved.

Adam Zagajewski was born in Lvov in 1945. His previous books include Tremor; Canvas; Mysticism for Beginners; Without End; Solidarity, Solitude; Two Cities; Another Beauty; A Defense of Ardor; Eternal Enemies; and Unseen Hand—all published by FSG. Zagajewski died on 21 March 2021 at the age of 75 in Krakow, Poland.
De roeping van Sint-Matteüs

die priester lijkt precies op Belmondo -Wislawa Szymborska, Funeral (II)

-Kijk naar zijn hand, zijn handpalm.Net als die van een pianist. 
-Maar die oude man kan niets zien.
-Wat nu, betalen in een kerk?
-Mam, mijn hoofd doet pijn.
-Scherpe menselijke figuren.
-Doe rustig alsjeblieft, we kunnen ons niet concentreren.
-De munten op de tafel, hoeveel zijn ze waard?
-Zijn operatie is over drie weken.
-Ik zou zeggen zilver, zeker zilver, maar niet zuiver.
-Heer, wat mooi.
-Om de Contarelli kapel te versieren.
-Wie is Matteüs, de jonge of de oude?
-We werden vandaag bijna beroofd in de metro.
-Twee generaties Europese kunstenaars namen dit als model. 
-Kijk, er staat een kruis in het raam.
-Het licht ging weer uit.
-De muur aan de linkerkant is zo zwart, alsof de wereld vergaat. 
-Heb je nog een euro of vijftig cent?
-Dat kan de jongeman niet zijn. Ze gaan zo sluiten, schiet op.
-Hij zag een man belasting innen.
-Voor hoeveel zijn deze schilderijen verzekerd?
-Jezus is in de schaduw maar zijn gezicht is licht.
-Ik ga nu weg, ik wacht buiten.
-Waarom hebben ze geen bewaker?
-Ze leven in halfduister en plotseling is er licht. 
-Het gaat uit.

Bezoek onze bijdrage over leven en werk van Adam Zagajewski: ‘De woorden zwijgen niet.’

Het kind in een kribbe, een visioen van Hugo van der Goes (ca 1480)

Zoek je naar een naam om Hugo van der Goes onder te brengen dan kan hij schuilen onder de luifel van de Vlaamse Primitieven of net zo goed bij de eerste pogingen van de noordelijke renaissance een plaats vinden. Een kwestie van naam, geschiedenis en pogingen om het ongrijpbare in de kunstgeschiedenis te ankeren. Er is dan ook nog de labiliteit van zijn innerlijk om zijn vermeende depressieve aard te belichten en daarrond allerlei verhalen te fingeren iets waar bijvoorbeeld de negentiende eeuw graag aan meedeed, maar kijken we ook naar de verwondering die hij al bijna vijf eeuwen zichtbaar maakt? De engel hierboven, uit ‘de aanbidding van de herders‘ die je nu in de Gemäldegalerie in Berlijn kunt bekijken, oppervlakte bijna twee meter en half op één meter breedte, zweeft teder boven de ezel en vier van zijn halsreikende knielende engel-soortgenoten. Kijk:

centrumfragment

Mooi en grappig die hoofdjes bij elkaar, os en ezel inbegrepen. De gouden engel is de enige hoog zwevende, hij houdt zijn handjes niet vroom samen maar maakt een gebaartje van: moet je dit nu zien! De knielende soortgenoten bekijken met een beetje ongeloof het wurmpje op het linnen boven op de voederbak. Links, bij het gekroonde even-boven-de grond-zwevende paar, zie je twee blikrichtingen: eentje naar beneden, de achterste naar boven. Achter Jozef’s rug knielt er nog een groen geklede engel, de handen uit elkaar. Boven de knielende engelen kijken os en ezel net zo aandachtig naar het kind, al zou je kunnen opmerken dat de os stiekem naar de kijker loert. Maria en Jozef zijn jonge mensen, de combinatie van blauwe en rode tinten van hun kledij mag rijkelijk ogen, de eenvoud van de drapage blijft de aandacht voor het naakte kindje in het centrum van het gebeuren beklemtonen. Alle prachtige kleuren benadrukken de tegenstelling: het Jezuskind is naakt en hulpeloos.

Maar er is ook aards bezoek! Twee herders komen bijna letterlijk binnen gevallen. De staande schuift nog vlug de kap van zijn hoofd terwijl de al bijna knielende een en al oog is voor het kindje. Op de achtergrond speelt een herder op de fluit terwijl zijn maatje een liedje zingt en met zijn handen het ritme klapt.. Kijk naar hun gezichtsuitdrukkingen. Mensen zijn het, geen figuranten. Niet dadelijk moeders mooisten brengen ze op hun manier het alledaagse in dit heilige tafereel. Vroeg expressionisme? Was Hugo Van der Goes een tijdreiziger?

Dit innig levende tafereel wordt aan de linker- en de rechter zijkant gepresenteerd door twee personages, links een edelman, rechts een bebaarde wijze ouderling. Zij schuiven aan iedere kant van het gebeuren een groen fluwelen doek opzij alsof het gebeuren een theatervoorstelling is. Ook dat is heel nieuw: de epifanie vanuit het menselijke.

En tenslotte: ‘De aanbidding van de herders’, minder bekend dan het Portinari-drieluik, met hetzelfde onderwerp, te bewonderen in Florence (Uffizi) maar kom je in Berlijn dan is er in de Gemäldegalerie naast de diptiek van de kleine kruisafneming, en het Monforteretabel, ook deze aanbidding van de herders te zien en te bewonderen. Het werk van een kunstenaar die gepijnigd door het bestaan visioenen voor ons aller genezing creëerde. Klik op de tekst onderaan om te vergroten.

Kijk naar grotere afbeelding door op deze tekst te klikken
Meer achtergrond?  Een diepgaand artikel:Hugo van der Goes's Adoration of the shepperds:  Between Ascetic Idealism and Urban Networks in Late Medieval Flanders, Jessica Buskirk.

Toch nog iets vergeten? Kijk maar eens helemaal rechtsboven. De zwartblauwe vleugels van de engel aldaar wijzen naar een buitenruimte waar je een gebeurtenis ziet die de oorzaak was van dit bezoek: het bezoek van de engelen aan de herders. Zij riepen de herders op om het kind te gaan bezoeken.

In Lucas 2:8-15 wordt verteld dat in de omgeving van Bethlehem een groep herders hun kudde schapen aan het hoeden was, toen plots een engel verscheen, met het goede nieuws voor "het hele volk": "Vandaag in de stad van David, is jullie redder geboren, hij is de Messias, de Heer."

"En plotseling voegde zich bij de engel een groot hemels leger dat God prees met de woorden: 'Eer aan God in de hoogste hemel en vrede op aarde voor alle mensen die hij liefheeft'." De herders gingen hierna op weg en vonden Maria, Jozef en het kind aan zoals het was voorspeld. Wat volgde wordt de aanbidding der herders genoemd. 
Detail, Aanbidding van de herders

Mooie grote en kwaliteitsafbeeldingen van zijn werk vind je in ‘Museumportal Berlin’ waar ze van 31.03.23 tot 19.07.23 te zien zullen zijn. Aanklikken op website hieronder aangegeven en daar op beeld om te vergroten. Een feest voor het oog en het hart.

https://www.museumsportal-berlin.de/en/exhibitions/hugo-van-der-goes/

De avonden (van Sinterklaas)

De ketel van het rode treintje bestond uit een blikken talkpoeder-bus. Daaraan was een houten stuurhutje gebouwd met daarachter plaats voor denkbeeldige kolen -de eerste maal een chocolade figuurtje in gekleurd zilverpapier-, het geheel op zes ronde wieltjes. Sinterklaas 1947.
Het beeld van het rode treintje hoort nog niet bij een kamer. Het treintje heeft zich losgemaakt uit de vergeten gebeurtenissen. Het is bijna vijfenzeventig jaar lang in een lege ruimte blijven rijden. Ik kan het van boven- en onderaan bekijken, maar het helaas niet in mijn handen houden.
Nu koop je voor geen geld houten treintjes, pedagogisch verantwoord met toebehoren in alle maten en gewichten, maar mijn eerste trein met de gelakte blikken ketel is met de maker voor altijd in het onbereikbare van de kindertijd verdwenen.

Paul Delvaux (1897-1994), Le vicinal, 1959

De glazen trein, in toenmalige kleutertaal ‘glassen-trein’, is nog steeds in talrijke maten en vormen op het net te bekijken en eventueel aan te schaffen. In de najaren van de tweede wereldoorlog echter bleek dat niet zo eenvoudig, maar als ik nu de foto’s uit eBay en aanverwanten bekijk dan voel ik een duidelijke verwantschap met mijn glazen machine waarin inderdaad ook snoepjes (even) werden bewaard.

De volgende trein, een blikken model met metalen rails, kon je met een sleuteltje opwinden en een tijdje in een cirkel laten rondrijden. De spoorweg uitbreiden (rechte rails onder de kerstboom) en aanvullen met allerlei soorten wagonnetjes was duidelijk op de doos uitgebeeld.
Bij deze trein hoort al het nieuwe huis en een broertje. Net te jong om zo’n locomotief netjes op de sporen te zetten en te oud om hem met een houten speelgoedje af te wimpelen. Het was hoe dan ook samen het treinnet uitbouwen en je leerde snel hoe je hem als kaartjesknipper het vertreksein kon laten geven terwijl jij het spoorwegnet beheerde.

A.L. Reid https://www.1stdibs.com/art/paintings/portrait-paintings/agnes-l-reid-train-set-british-20s-art-interior-oil-portrait-boy-playing-female-artist/id-a_8989892/

Bij deze treinen hoort de maand december. Met lange aanloop. Met het broertje speelde je elke avond in bed heuse dialogen waarin het verlangde speelgoed de hoofdrol kreeg. Ouder geworden, bracht de heilige man voor het broertje een prachtige paardenmolen die net als in de rups op de kermis op en neer gaand ronddraaide en waarop allerlei autootjes en paardjes met kermisklanten bemand konden worden. Uren handwerk om via een onderliggende fietsketting met een metalen zwengel de molen te laten draaien. Omdat ik het geheim al kende was er, na raadpleging, een mooi aquarium met verwarmingselement voor mij, net zoals er eentje in de klas ons liet dromen om nu en dan een visje te zijn terwijl wij met vraagstukken het debiet van pompen en kranen moesten berekenen.
De elektrische trein bleef een droom wegens te duur. Dus heb ik veel tijd doorgebracht voor de ramen van de sjieke confiserie achter de Sint Pieterskerk waar tussen al het lekkers een heus elektrisch treinnet was opgebouwd. Kijk, de koplampjes van de locomotiefjes, de op en neergaande ‘barelen’ als de trein voorbijkwam, kijk, kijk, kijk. En droom. En dat deden we.

David Lindsley

Na de stilte van Allerheiligen kwam het boekje van de Fort-bonnetjes.

Fort Producten werd opgestart door Karel Govaerts in 1928. Hij was oorspronkelijk handelaar in zuivelproducten maar breidde zijn assortiment uit, om nadien met het eigen merk Fort op de markt te komen. Hij richtte zich – met zijn voedingsproducten – vooral op kruidenierswinkels in heel België. Op die manier bouwde hij een eigen Fort-keten uit dat werd gevormd door zelfstandige winkeliers.
Tijdens de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog konden trouwe consumenten via spaarpunten en Fort-zegeltjes allerlei geschenken verzamelen. 

Dat speelgoedboekje werd grondig uitgekamd en van notities voorzien. Voor vele (vooral grote) gezinnen waren fortzegels een spaarpot voor sinterklaas-aankopen, naast de uren eigen werk eens het grut in bed lag. Tijdens de maanden oktober en november bloeide de geheime huisindustrie.
De etalages van de ‘Grand Bazar Nationale’, de speelgoedwinkels in de Gasthuisstraat waar ook de grote magazijnen hun best deden om met bewegende lichtende creaties volk te lokken, het kon niet vlug genoeg donker zijn. Nu en dan mocht je al een ‘sloef’ zetten met daarin een briefje beloften en een wortel voor het paard. Zie de maan schijnt door de bomen. En vooral: makkers staakt uw wild geraas want het heerlijk avondje is gekomen..

In de vroege uren, bij het gelig lamplicht van december kwam al de geur van mandarijntjes en chocolade in de kamers hangen. Een buurman werd ingehuurd om niknakjes over de verbaasde kinderkoppen te gooien en zich dan vlug uit de voeten te maken. Ja, hij was dichtbij de heilige man. Zijn personeel lustte wel een borreltje dat bij de briefjes werd gezet.
En of je je bedrogen voelde? Waarom? Nu hoorde je bij de kant van Klaas. Je wist ‘het’. Ook dat was een levensfase waar duidelijk je leeftijd en ‘wijsheid’ werd erkend. Al zou het nooit meer zo betoverend zijn als tijdens de avonden van toen. Gelukkig wonen we dichtbij het station. Kun je langslopen als het heimwee te groot wordt.

“POEM” Louise Glück (2021)

“Poem”

Day and night come
hand in hand like a boy and a girl
pausing only to eat wild berries out of a dish
painted with pictures of birds.

They climb the high ice-covered mountain,
then they fly away. But you and I
don’t do such things—

We climb the same mountain;
I say a prayer for the wind to lift us
but it does no good;
you hide your head so as not
to see the end—
Downward and downward and downward and downward
is where the wind is taking us;

I try to comfort you
but words are not the answer;
I sing to you as mother sang to me—

Your eyes are closed. We pass
the boy and girl we saw at the beginning;
now they are standing on a wooden bridge;
I can see their house behind them;

How fast you go they call to us,
but no, the wind is in our ears,
that is what we hear—

And then we are simply falling—

And the world goes by,
all the worlds, each more beautiful than the last;

I touch your cheek to protect you—
Excerpted from 'Winter Recipes from the Collective': 
Poems by Louise Glück. Published by Farrar, Straus and Giroux. Copyright © 2021 by Louise Glück. All rights reserved.
“GEDICHT”

Dag en nacht gaan
hand in hand als een jongen en een meisje
alleen pauzerend om wilde bessen te eten uit een schaal
beschilderd met prenten van vogels.

Ze beklimmen de hoge, ijs-bedekte berg,
dan vliegen ze weg. Maar jij en ik
doen zulke dingen niet—

Wij beklimmen dezelfde berg;
Ik zeg een gebed voor de wind om ons op te tillen
maar het heeft geen zin;
jij verbergt je hoofd om niet
het einde te zien—

Neerwaarts en neerwaarts en neerwaarts en neerwaarts
is waar de wind ons brengt;

Ik probeer je te troosten
maar woorden zijn het antwoord niet;
Ik zing voor jou zoals moeder voor mij zong—

Je ogen zijn gesloten. We passeren
de jongen en het meisje die we in het begin zagen;
nu staan ze op een houten brug;
Ik kan hun huis zien achter hen;

Hoe snel je gaat roepen ze naar ons,
maar nee, de wind zit in onze oren,
dat is wat we horen—

En dan vallen we gewoon—

En de wereld gaat voorbij,
alle werelden, de een mooier dan de ander;

Ik raak je wang aan om je te beschermen—
Uit Louise Glück's nieuwe collectie, 'Winter Recepten van het Collectief'
Louise Glück is the author of two collections of essays and more than a dozen books of poems. Her many awards include the 2020 Nobel Prize in Literature, the 2015 National Humanities Medal, the 1993 Pulitzer Prize for The Wild Iris, the 2014 National Book Award for Faithful and Virtuous Night, the 1985 National Book Critics Circle Award for The Triumph of Achilles, the 2001 Bollingen Prize, the 2012 Los Angeles Times Book Prize for Poems 1962–2012, and the 2008 Wallace Stevens Award from the Academy of American Poets. She teaches at Yale University and Stanford University and lives in Cambridge, Massachusetts.
Winterrecepten uit het collectief is kamermuziek, een uitnodiging in dat bevoorrechte rijk dat klein genoeg is voor het individuele instrument om zich te laten horen, dolente, zijn lijn volgehouden, gedragen, en dan overgenomen door het volgende instrument, bezield, animoso, terwijl het tegelijkertijd groot genoeg is om een heel leven te bevatten, de onvoorstelbare giften en verliezen van de ouderdom, de kleine prinsesjes die achterin een auto rommelen, een achtergelaten paspoort, de ingrediënten van een verkwikkend winters broodje, de dood van een zus, de vreugdevolle aanwezigheid van de zon, haar helderheid afgemeten aan de duisternis die zij afwerpt.(Carcanet))
Illustration from William Blake’s Songs of Innocence and of Experience, circa 1825

“Modern Art & the Remaking of Human Disposition”

Deze gloednieuwe studie van Emmelyn Butterfield-Rosen, uitgegeven door de University of Chicago Press aldaar en in Londen, vertrekt vanuit een eenvoudige observatie: “In de Europese kunst van de decennia vóór 1900 veranderde de lichaamstaal in afbeeldingen van de menselijke figuur.”

Ik gebruik grote fragmenten uit de bespreking uit Art in America, geschreven door Alex Weintraub. (Body Language: “Modern Art and the Remaking of Human Disposition)

Met "eenvoudig" bedoelt Butterfield-Rosen dat deze veranderingen waarneembaar zouden zijn voor iedereen die door een chronologisch opeenvolgende galerij van negentiende-eeuwse kunst wandelt. Schilders die in de eerste decennia van de 19e eeuw werkten, hielden vast aan de 'na-renaissancetechnieken' bij het afbeelden van levensechte lichamen, zoals verkortingen, sculpturale modellering en ponderatie (het vermogen van het lichaam om zijn gewicht in evenwicht te houden door middel van breuken of draaiingen langs de verticale as). 
Deze naturalistische conventies hielpen bij het creëren van meer overtuigende picturale drama's, omdat ze de illusie schiepen alsof geschilderde figuren onderhevig waren aan dezelfde fysieke en psychologische krachten als de toeschouwers van een kunstwerk. Na verloop van tijd veranderden de artistieke stijlen, maar de veronderstellingen over hoe het menselijk lichaam het best kon worden afgebeeld, bleven grotendeels dezelfde. Tegen het einde van de negentiende eeuw begonnen kunstenaars deze klassieke technieken los te laten. (Art in America Alex Weintraub)

Je zou kunnen zeggen dat menselijke vormen werden afgeplat, gestileerd, vaak ontdaan van zichtbare bezieling of individualiteit. Die waarnemingen zullen kunstliefhebbers al hebben opgemerkt maar Butterfield-Rosen’s studie is de eerste poging om te zoeken naar het waarom van zo’n verandering in de figuratieve kunst en zoals Weintraub zegt: ‘…om uit te leggen waarom zo’n verandering in de figuratieve kunst plaatsvond, en om de esthetische en filosofische betekenis van deze nieuwe lichamelijke grammatica te interpreteren.’

Dimanche d’ été à la Grande Jatte (klik hier om te vergroten)
The book’s thesis is that the late nineteenth-century abandonment of bodily forms disposed within perspectival space “enabled the materialization of novel ideas about the human psyche,” which in turn called into question the prestige of the humanistic subject, and maybe even the concept of consciousness itself. To make her case, Butterfield-Rosen provides readers with a general introduction to the history of human disposition (both mental and physical) within the visual arts, followed by three studies of paradigmatic works by the Neo-Impressionist Georges Seurat, the Vienna Secessionist Gustav Klimt, and the dancer-choreographer Vaslav Nijinsky, respectively. Each chapter functions as a self-sufficient unit, but they are connected through a “structure of analogies,” which includes shared motifs and gestures or relevant contemporaneous developments in the fields of art history, archaeology, psychology, and evolutionary biology.(ibidem Art in A.)

De stelling van het boek is dat de late negentiende-eeuwse afschaffing van lichaamsvormen in de perspectivische ruimte "de materialisatie van nieuwe ideeën over de menselijke psyche mogelijk maakte," die op hun beurt het prestige van het humanistische subject, en misschien zelfs het concept van bewustzijn zelf, in vraag stelden. 
Butterfield-Rosen geeft de lezer een algemene inleiding in de geschiedenis van de menselijke dispositie (zowel mentaal als fysiek) binnen de beeldende kunst, gevolgd door drie studies van paradigmatische werken van respectievelijk de neo-impressionist Georges Seurat, de Wiener Secessionist Gustav Klimt, en de danser-choreograaf Vaslav Nijinsky. Elk hoofdstuk functioneert als een op zichzelf staande eenheid, maar ze zijn met elkaar verbonden door een "structuur van analogieën", die gedeelde motieven en gebaren of relevante contemporaine ontwikkelingen op het gebied van de kunstgeschiedenis, archeologie, psychologie en evolutionaire biologie omvat. (ibidem)
Baigneurs a Asnieres (klik op onderschrift om te vergroten)

Het was de negentiende-eeuwse Deense kunsthistoricus Julius Lange die de belangrijkste inspiratiebron van het boek vormt. Hij was het die in de vroege jaren 1890 het begrip ‘frontaliteit’ bedacht dat in de twintigste-eeuwse kritiek ingeburgerd geraakt op de modernistische abstractie.

Volgens Lange was frontaliteit - of de trouw van een kunstenaar aan de verticale as van het afgebeelde lichaam en het vermijden van scheefstand of torsie - de "standaardtoestand" van de beeldende kunst, omdat, zo betoogde hij, archaïsche of zogenaamde primitieve kunst, ongeacht plaats of cultuur, dit kenmerk deelt. Met de opkomst van het naturalisme in de klassieke Griekse beeldhouwkunst (denk aan de verschuiving van de Archaïsche Kouros naar de geklassificeerde Kritios Jongen), beleefde de kunstgeschiedenis een historische breuk. De lichamen in de kunst verschenen nu zoals echte menselijke lichamen zouden kunnen verschijnen, gerangschikt in houdingen die de reactie van een subject weerspiegelen op zowel externe krachten, zoals de zwaartekracht, als op interne krachten, zoals intentionaliteit.
'Lange named this Post-Classical figure le moi—the subject of reflective consciousness. During the Renaissance, this new sculpted figure found its footing within the illusionistic space of painting. In Butterfield-Rosen’s view, the primitivist return to frontality in later nineteenth- and early twentieth-century art registers the increasing awareness of alternative, more ancient figural forms to the classical ideal, which modernist painters encountered in museum displays or art history textbooks, and then redeployed in order to represent new models of subjectivity.' (ibidem)
Les Poseuses (klik om te vergroten op onderschrift)

Butterfield-Rosen’s Seurat-hoofdstuk zou verplichte lectuur moeten zijn voor studenten die de negentiende-eeuwse kunst bestuderen. Ze verschaft originele inzichten in Seurat’ s manifest-schilderij Un dimanche après-midi à l’île de la Grande Jatte (1884), een pointillistische voorstelling van Parijzenaars die in het weekend van de zon genieten aan de oevers van de Seine, en ze ontwikkelt ook het meest uitgebreide onderzoek tot nu toe van het vervolgschilderij van de schilder: Les Poseuses (1886-88), dat drie naakte artiestenmodellen in drie verschillende poses afbeeldt – één rugligging, één frontaal en één in profiel – in het atelier van de kunstenaar. Met betrekking tot dit laatste schilderij merkt Butterfield-Rosen een ambiguïteit op in de betekenis van de kunstige houdingen van de figuren.

Enerzijds roept het centrale, naar voren gerichte model een oude denkfiguur op – of liever, een klassiek beeldhouwwerk in de collectie van het Louvre van een oude denker, Demosthenes – zodat deze afgebeelde figuur de atelierruimte van de kunstenaar lijkt te bewaken als plaatsvervanger van de denkende kunstenaar, “half uitdagend, en half treurend, misschien”. Aan de andere kant wordt Seurat’ s aanwezigheid overal in zijn werk waargenomen. We zien gedeeltelijke weergaven van zijn eerdere schilderij, La Grande Jatte. We kunnen alle individuele poses van de modellen identificeren als discrete kunsthistorische citaten van antieke sculpturale prototypes, en vervolgens ook een klassieke bron herkennen voor hun triadische opstelling: de Drie Gratiën. Ten slotte weten we van tijdgenoten van Seurat dat hij een beetje een controlefreak was, die naar verluidt niets in zijn werk aan het toeval overliet. Het resultaat is dat de centrale figuur schommelt tussen een actieve pose die ze zelf heeft gekozen en een meer passieve die de kunstenaar voor haar heeft uitgekozen. In beide gevallen staat de toeschouwer tegenover dit model vanuit dezelfde positie die ooit door de schilder werd ingenomen, waardoor hij ook als surrogaat Seurat fungeert. (ibidem)

G. Klimt Beethovenfries (fragm)

Als Klimt wil dat zijn toeschouwers begrijpen wie hij is en waarover ‘hij het heeft in zijn werk’, dan is dat voor de toeschouwers van ‘De Beethoven-fries’ (1901) een hele opgave. In feite is het de picturale voorstelling van ‘de Negende Symfonie’ die hij voor het Weense Secession-gebouw ontwierp. Ik citreer Alex Weintraub in Art in America:

'Klimt’s work is jam-packed with iconographic oddities. Butterfield-Rosen pays particular attention to its creaturely forms, its series of wiggly, hovering female figures, and, finally, the pair of simian-ish faces (aptly described as “golden emojis”) that levitate above Klimt’s now iconic kissing couple. By comparing the buoyant eroticism of Klimt’s Beethovenfries with the freighted contemplativeness of Max Klinger’s Beethoven (1902)—a massive sculptural tribute to the same composer, also exhibited at the Secession—Butterfield-Rosen teases out a series of critical inversions underlying Klimt’s vision. She views his Beethovenfries as a celebration of ornamental painting over the fine art tableau; free-floating unconscious states over brooding forms of thought; and Darwinian aesthetics over Kantian ideals.'
Max Klinger Beethoven

Klimt’s monumentale decoratieve fries is een quasi-illustratie van Ludwig van Beethovens Negende Symfonie, die hij ontwierp voor het Weense Secession-gebouw. Het werk van Klimt zit vol met iconografische eigenaardigheden. Butterfield-Rosen besteedt bijzondere aandacht aan de schepselachtige vormen, de reeks wiebelige, zwevende vrouwenfiguren en, tenslotte, het paar aapachtige gezichten (treffend omschreven als “gouden emoji’s”) die zweven boven Klimt’s nu iconisch kussende paar. Door de uitbundige erotiek van Klimt’s Beethovenfries te vergelijken met de beladen beschouwelijkheid van Max Klingers Beethoven (1902) – een massief sculpturaal eerbetoon aan dezelfde componist, ook tentoongesteld in de Secession-Butterfield – ontrafelt Rosen een reeks kritische omkeringen die aan Klimt’s visie ten grondslag liggen. Zij ziet zijn Beethovenfries als een viering van de ornamentele schilderkunst boven het tafereel van de schone kunsten: vrij zwevende onbewuste toestanden boven broedende vormen van denken (mooie uitdrukking); en Darwinistische esthetiek boven Kantiaanse idealen. (fraaie combinatie)

Kostuum-ontwerp voor L’ après-midi d’un faun

En dan naar Nijinsky, dansend kunstenaar, die ook zijn eisen stelt aan de interpretatie van zijn toeschouwers. In ‘L’ Après-midi d’ un faune’, ballet uit 1912 wil hij de verleiding van een nimf door een faun in de stijl van een bas-reliëf: geen gezwaai, geen geloop van een druk corps de ballet, maar een beperking van bewegingen om tot een gestileerde, schematische actie te komen waarin de uitbeelding van een bijna onmogelijke relatie eerder telde dan het spektakel.

Like Klimt, Nijinsky also made interpretative demands upon his viewers: “I know what an eye is. An eye is the theater. The brain is the audience. I am the eye in the brain.” In the case of L’Après-midi d’un faune (1912), the dance at the center of Butterfield-Rosen’s Nijinsky chapter, the choreographer composed a ballet of a faun’s frustrated seduction of a nymph in the style of an “archaic bas-relief.” In practice, this meant that his performers had to learn to restrict their movements so as to affirm their relationship to the dance’s relief-plane: the backdrop. 

For Nijinsky, the theatrical stage no longer functioned as a deep space in which dancers formed compelling relationships or broke out into exhibitionist turns. Rather, it served as a shallow band of ground sufficient only for stylized, schematic action. This too was an exhibitionist form of dance, but with a few differences. By preventing his dancers from arranging themselves in depth, Nijinsky diminished the presence of internal spectatorship within his dance, such as in banquet scenes of classical storybook ballets, in which corps members encircle soloists and principals as they pair up and show off. In so doing, Nijinsky, like Seurat, foregrounded “the primary relationship between the faun and the audience,” as opposed to that of the faun and the nymphs. Additionally, Butterfield-Rosen interprets the erotic content of L’Après-midi and its choreographic sublimation into artful poses of bodily stiffness through the lens of Sigmund Freud’s psychoanalytic account of exhibitionism and dream interpretation.(ibidem)

Kortom, alle drie de protagonisten in Modern Art and the Remaking of Human Disposition waren bezig de aandacht van de toeschouwers te beheren, wat ze deden door archaïserende figuratietechnieken toe te passen. (The Mise-en-Scène of Dreams, als titel van het hoofdstuk)

Hun frontaal geposeerde lichamen hielden de klassieke fictie van psychische diepte niet in stand, omdat ze te gestileerd waren en hun poses te veel naar andere kunstwerken refereerden. Het gevolg was dat het denken werd verplaatst van de handelingen van de afgebeelde figuren binnen een schilderij naar de picturale voorstelling als geheel.

De kijkers moesten de gedachten en beweegredenen van Seurat, Klimt en Nijinsky interpreteren, niet die van modellen, minnaars en nimfen. Gezien de schijnbare leegte van al deze afgeplatte figuren, stelt Butterfield-Rosen dat modernistische vormen van frontaliteit parallel liepen met gelijktijdige verschuivingen in de status van het menselijk subject in de filosofie en wetenschap van het fin-de-siècle. Met haar woorden: “Het antinaturalisme van de lichaamshouding kan worden gezien als de instelling van een ander soort naturalisme… een visueel teken voor de erkenning van de ‘naturalisatie van de geest’. Niet langer een ideaal medium van bewust denken, werd de geest een puur fysiek ding: een brein. (ibidem)

” No longer an ideal medium of conscious thought, the mind became a purely physical thing: a brain.

Er volgt nog een genadevolle blik op de pogingen van de auteur om bepaalde analogieën, zoals Maurice Denis’ polemisch essay ‘Definition du neo-traditionisme’ uit 1890 als canon voor eigen huis te gebruiken terwijl er inderdaad ook redenen zijn om met de interpretatie ervan andere wegen in te slaan zodat zijn project onverenigbaar blijft met de these van de auteur die op haar beurt -en dat pleit voor haar- nooit alternatieve verklaringen uitsluit. Zo is er ook geen afsluitend hoofdstuk. En zegt Alex Weintraub: ‘Men bespeurt in dit gebaar een erkenning dat het complexe werk om haar ‘eenvoudige formele observatie’ te begrijpen nog gaande is. Dat is het effect van een doorbraak.”

Een boeiend fraai uitgegeven boek dat je meeneemt naar een confrontatie tussen innerlijkheid en wat wij daar dan uiterlijk in de kunst van denken waar – of mee te nemen. Het gehele artikel is hieronder te raadplegen: Art of America.

Detail of Gustave Klimt’s Mäda Primavest 1912
Emmelyn Butterfield-Rosen is associate director of the Williams Graduate Program in the History of Art at the Clark Art Institute. She specializes in modern art and cultural history, primarily in Europe. Relations between modern art and modern sciences of the human subject are a guiding preoccupation of her teaching and research. Broad areas of interest include the history of art history and archaeology, the history of art criticism, philosophical and scientific theories of the aesthetic, archaism and primitivisms, interactions between the visual and performing arts, the history of dance and early film, theories of gesture and corporeal expression, and the history of biology, psychology and psychoanalysis, especially with reference to the history of sexuality. 

https://williams.academia.edu/EmmelynButterfieldRosen

The light and life of John Henry Lorimer (1856-1936) (2)

‘Christmas Roses’ 1874
The earliest portraits are contained in a conversation entitled "Christmas Roses" showing his sisters Hannah and Alice, arranging some flowers.  The girls, whose figures fill te frame, are dressed in heavy Victorian Gowns, velvet with white trimmings, one of them (Alice) swathed in a cloak, the aperture of which nicely frames her hands holding dish and flowers.  Their eyes are cast downwards intent on what they are doing.  Hannah (on the left) is ready with water, and the fact that she is holding her palette indicates it is an action portrait setting up a still-life arrangement to paint.  The rather romantic dress style perhaps brings the composition within the influence of the Pre-Raphaelites, but the application of paint is squarly in the older Scottish tradition. The tones are dark, with the paint heavily worked in even, indisinguishable strokes, probably bitumen based because in the darker areas some blistering has occurred. The language is of Wilkie and Allan, based on Dutch clarity of representation, and also incorperates the technique of chiaroscuro in which Lorimer was deeply interested.(_) 

In the painting the light streams in from the long window on the left, illuminating the scene and highlighting the girls' faces and the flowers- a light source used frequently by Vermeer in hun famous genre scenes.  (May  C. Fenoulhet  JHL, Scottish artist, a critical biography  1990)

De universitaire thesis uit 1990 waaruit boven beschreven bespreking van het mooie zusjes’ dubbelportret is voorlopig één van de weinige pogingen tot het maken van een degelijke monografie over leven en werk van John Henry Lorimer. Ook de collectie bruikbare afbeeldingen van zijn werk lijdt aan datzelfde euvel: schaars, erg verschillend in kwaliteit, beperkt tot de bekende titels. Als portretschilder -hij was leerling bij de gekende en zeer gewaardeerde Franse schilder Carolus Duran (1837-1917) werkte hij vooral in opdracht van families of instellingen zodat portretten in familiebezit bleven en dus later zeldzaam in openbare collecties aanwezig waren. Er is dus werk aan de winkel om zijn boeiende persoon weer in zijn en ons geliefd licht te brengen. Laten we dat alvast doen met een teder portret van zijn vader in prof-toga, in gezelschap van een allerliefst hondje. (En er is gelukkig al de tentoonstelling in Edinburgh! )

James Lorimer
'Toch blijven de schilderijen de sterren van de show, en geen enkel meer dan 'The Ordination of the Elders in a Scottish Kirk' (1891). Zes ouderlingen verzamelen zich rond de predikant en de Bijbel. Door hen in het zwart gekleed en met gebogen hoofd af te beelden, benadrukt Lorimer hun eerbied voor God en de kerk. Het tafereel wordt van bovenaf verlicht en weerkaatst op hun hoofden en schouders, als om het gewicht en de ernst te benadrukken van de verplichting die zij op zich nemen. Voor mij is dit symbolisch voor Lorimers omgang met licht, een middel om allerlei boodschappen over te brengen, van de etherische aanwezigheid van familieleden die op het punt staan te vertrekken, tot de onschuld van een kind, van de grillen van het weer tot de zwaarte van spirituele zaken. Licht was een essentieel materiaal voor Lorimer, een materiaal dat in deze tentoonstelling rijkelijk wordt gedeeld. De warme gloed van het zonlicht waarmee hij zijn interieurs vult lijkt misschien onmogelijk, maar het is precies datgene wat de bezoeker bij het verlaten van deze tentoonstelling mee naar huis zal nemen.' (bij de retrospectieve tentoonstelling in Edinburgh, nog tot 22 maart 2022 te bezoeken)
The Ordination of the Elders 1891

Geboren in Edinburgh kreeg hij een opleiding aan de Edinburghse academie en aan de universiteit van dezelfde stad, opleiding die in 1875 werd verder gezet aan de Royal Scottish Academy. Ik las dat zijn vader zelf eerst door Europa reisde om uit te kijken naar een geschikte verdere opleiding en zo in 1875 ook de Antwerpse Academie bezocht, maar toch Parijs verkoos vooral voor de pedagogisch sterke opleiding van Carolus Duran. Bij zo’n kunstenaarsbestaan hoorde ook de nodige reizen, hier door Spanje, Italië en Algiers. (1871-1891) En intussen begon de familie aan het verbouwen en/of restaureren van Kellie-Castle. Het huis van waaruit de familieleden de wereld verkenden en beladen met ervaringen ook weer van de stilte van het landgoed genoten. Kijk naar ‘Lullaby’ uit 1889 waarin Joanna Herbert figureert.

Kellie Castle in Fife was the home of the prolific Lorimer family, whose members included a university professor, an architect, a painter and a sculptor. They’ve been likened to a Renaissance dynasty because of the breadth of their talents. Hannah Lorimer (1854–1947) was their daughter, sister and aunt, and an accomplished artist in her own right. But, as is the case with many women in history, her story is often only told in the context of the men around her. She’s more commonly known as Lady Hannah Cassels im Thurn, the wife of Sir Everard im Thurn, governor of Fiji.
A Lullaby’ 1889
Joanna Herbert, born in Guyana and employed by the artist’s sister Alice to care for her six children, visited Scotland from Guyana on numerous occasions and remained part of the family for 40 years. Herbert appears in Lorimer’s Lullaby (1889) and Grandmother’s Birthday (1893). The latter was the first painting by a Scottish artist to be bought by the French government and is usually stored at the Musée D’Orsay in Paris. It hasn’t been displayed since 1989, so it surely deserves to be seen again now.
Grandmother’s birthday 1893
As the youngest of six children, Robert Lorimer was taught not only by his parents but by his brothers and sisters. The eldest daughter Hannah, known as Lorrie, is likely to have encouraged Robert in his drawing and woodwork, pursuits she herself excelled in. Yet she was closest to John Henry, known as JH. Together, they made watercolours and oil paintings, delighting in each other's creations to the end. Robert and Louise were also very close, working together on the furnishings and garden of Kellie Castle. The family’s art forms a series of duets: Lorrie's embroidery design mirrored Robert’s stained glass window, while Robert's chairs were painted by JH in Grandmother’s Birthday. The tapestry of the family motto ‘Upward Onward,’ which furnished the Vine Room at Kellie, was also the result of a partnership between a brother and sister: Robert drew, Louise stitched

Aanvullend vond ik bij de thesis van May C. Fenoulhet nog een mooi portretje  van broertje Robert, "as a boy of 12". 

Het familieleven in een volop veranderende wereld blijft naast zijn portretten, een hoofdthema. Weinig aandacht immers gaat er naar het feit dat te midden van zo’n familieleven de schilder tenslotte alleen blijft. Hij is de observator. Maar kunnen we ook niet zijn heimwee bij al die familiale drukte aanvoelen?

Maternal Instinct
Zusjes aan het werk ‘A peaceful Art’
Lorimer, John Henry; Hush; 1905 Rochdale Arts & Heritage Service; http://www.artuk.org/artworks/hush-90198
In Hush, John Henry's sister-in-law Violet Lorimer (née Wyld) soothes her sleeping son Christopher before a beaming window of sunlight. While in The Flight of the Swallows fading summer light falls on Alice as she watches the birds soar above the turrets of Kellie with her children.

Je zou nog makkelijk enkele hoofdstukken over ‘de portretten’ kunnen schrijven, of nagaan waarom de schilder die zo gehecht was aan het familieleven zelf verkoos alleen te leven; het werk van deze kunstenaar die zich naar geen modes of richtingen schikte, is bezield met het licht dat in buiten- en binnenruimtes essenties doet vermoeden die moeilijk met woorden te beschrijven zijn.

    Het licht is rond

    Het licht is rond en rolt naar alle kanten
    de bergen op en af, de dalen door,
    de wezens in en uit en langs de planten
    stijgt het de bomen in en gaat het alles voor.
    Waarheen? Ik vraag dat niet, ik kom, ik ga,
    omdat mijn handen en mijn voeten,
    mijn ogen en mijn hart zo moeten
    en ik het licht nu eenmaal zo versta.

Pierre Kemp(1886-1967)
Spring Moonlight
Sudden Light

I have been here before,
But when or how I cannot tell:
I know the grass beyond the door,
The sweet keen smell,
The sighing sound, the lights around the shore …

Dante Gabriel Rosetti
A room at twilight Kellie Castle John Henry Lorimer

The light and life of John Henry Lorimer (1856-1936) (1)

Lorimer, John Henry; Le peintre des fleurs; The National Trust for Scotland, Kellie Castle & Garden; http://www.artuk.org/artworks/le-peintre-des-fleurs-196974

‘Het licht en leven van de Schotse schilder John Henry Lorimer’, is ook de titel van de eerste retrospectieve tentoonstelling in het City Art centre in Edinburgh, Schotland, nog te bezoeken tot zondag 22 maart 2022.

'This, the first retrospective of his work, will explore Lorimer’s art through five key themes: light, identity, family, femininity and home. Interior scenes of elegant Edwardian family life together with light-filled landscapes are the hallmark of this technically gifted, but somewhat forgotten, artist. In 1878 the Lorimer family acquired the lease of Kellie Castle in Fife, and the castle and its grounds became the subject of many of Lorimer’s paintings. The exhibition includes works from public and private collections, the majority of which have not been on public display before.'  
At twenty-two, John Henry painted his father’s portrait. When it was exhibited at the Royal Academy, it received high praise from Sir Frederick Leighton, the president of the Academy, and John Everett Millais, the leading portrait painter of the day. The Times compared it to “the simplicity and understanding of a Moroni,” a review quoted with pride and delight in a letter from Mrs Lorimer's to her daughter Alice.(The art of family-website later vermeld)

Zijn eerste portret was een ‘full-scale’ portret van zijn moeder Hannah. John Henry was toen net negentien. Was vader professor of Public Law aan de universiteit van Edinburgh , -pionier op het gebied van internationaal recht, mensenrechten en vrouwenrechten, ook zijn moeder Hannah, net zoals zijn zus met dezelfde voornaam, was een ontwikkelde vrouw met intense belangstelling voor kunst en cultuur. Op zoek naar gezonde buitenlicht -James had last van astma- kwamen ze bij ‘Kellie Castle’ uit, een bouwval in Fife die in de loop der jaren door de familie werd gerenoveerd (broer Robert was befaamd architect) en in 1948 familie-eigendom werd. Het zou het decor zijn voor de belangrijkste werken van John Henry, de plaats van een intens familieleven. Hieronder de eerder stoere buitenkant, een werk van John Henry. Als je het schilderij vergelijkt met een een actuele foto worden de echte proporties zichtbaar.

Lorimer’s family and friends were important to him and often appeared in his paintings. His older sister Hannah, known as Lorrie, sat for several of his paintings, including a double portrait. The artist’s parents and his youngest brother, Robert, were the focus of Lorimer’s early portraits. Mother’s, sisters and nieces were not the only important female figures in the artist’s life. The family nanny and housemaids were important, too. This importance can be seen in paintings such as Housework’s Aureole (1916). In this painting, a housemaid quietly sweeps an upper landing area with an unseen window casting light on the wall beside her. The radiant glow cast by the window lends a sacred feel to an otherwise secular scene, and housework takes on new importance.
Housework’s Aureole 1916

En in diezelfde betovering van licht en schaduw zijn meest befaamde werk, het lievelingsschilderij van vele Schotten: ‘The flight of the swallows’ (C. 1906) Je zou die flight ook als ‘vertrek’ kunnen interpreteren, einde van de zomer. De weemoed van het voorbije. De kamer waarin dit beroemde schilderij naar verwijst was deze:

En eens gevuld met zus en kinderen werd het dit mooie werk:

Lorimer, John Henry; The Flight of the Swallows; City of Edinburgh Council; http://www.artuk.org/artworks/the-flight-of-the-swallows-93502
The group of four figures in the room is observing the birds gathering together and one little girl takes their inminent departure so much to heart that she weeps. This may seem sentimentally excessive to us today, but life in the countryside has special values and interests which should not be underrated. In fact the swallows were always a matter  at Kellie. The nests can be seen in the corners above the window in  "Flight of the Swallows". Admittedly, however, the sentiment of the  girl weeping is something which the 'Glasgow Boys', for example, would have avoided in their work.  of concern to the  family. At one point Mrs. Lorimer writes that external painting of the windows had been rushed on in order to be finished before the swallows arrived, and Lorimer frequently featured the birds' nests in his many watercolour pictures depicting windows  painting is one of Lorimer's most beautiful in terms of glows with the golden light of the afternoon sunshine coming into the  The light and shade and colour. The left side of the small turret room  spectator's back, from where it is  room from the window at thereflected on to the high polish of the floor and creamy white decor of the centrally placed window which we do see allows in the charming walls; to the right the roan is in shade. The large turquoise colour of the roof tiles which reflects on the window seat and floor and acts as a foil to the pale decor and white of the apparel. The various elements of light reflections, delicate colourings, the old Castle setting, and the white clad feminine female figures, are all quintessentially Lorimer. 
detail
This painting, embodying all five of the curatorial themes, acts as an anchor of sorts for the exhibition and is thought to have been inspired by the departure of Lorimer’s sister Alice from Kellie Castle one autumn. After a summer at Kellie Castle, Alice and her children, like swallows, would have made a September voyage south from Scotland, returning to Guyana where her husband lived and worked. It might be brimming with sentimentality, but it is also overflowing with the artist’s love for his sister and her children. His heartache at their imminent departure from Kellie is palpable in the light and shadow that enfolds their figures in this painting. All dressed in white, the figures almost seem to float, their ethereal presence illuminated by the window, and its reflection.

In een volgende aflevering de tover van het maanlicht in de lente, de familieband, de eenzaamheid van de kunstenaar , de nieuwe tijden. Maar het prachtige licht in de zuidelijke kamer mag best al in deze donkere dagen schijnen.

Sunlight in the southroom, Kellie Castle

https://www.upward-onward.com/the-art-of-family

Patrick Rosal (usa): een gedicht

About this poem
"My humble relationship to the earth's history and power has evolved dramatically after several visits to the Philippines and having witnessed Typhoon Ondoy in 2009. Noel Celis' photograph shortly before Typhoon Lupit hit (also in 2009) made me think of the climate, of brown children and their parents, of the Philippines, of America, of ruin, tenderness and grace and making it through-generations and generations and generations of making it through." (Patrick Rosal)
"Mijn nederige relatie tot de geschiedenis en de kracht van de aarde is drastisch geëvolueerd na verschillende bezoeken aan de Filipijnen en na getuige te zijn geweest van de tyfoon Ondoy in 2009. De foto van Noel Celis kort voor de tyfoon Lupit (ook in 2009) deed me denken aan het klimaat, aan bruine kinderen en hun ouders, aan de Filipijnen, aan Amerika, aan verwoesting, tederheid en gratie en aan het doorstaan van generaties en generaties en generaties die het doorstaan."(Patrick Rosal)
Photo: Noel Celis: Filipino elementary school students use chairs to cross a flooded yard inside their school grounds on October 20, 2009 in Taytay, Philippines (Rizal province east of Manila).
Children Walk on Chairs to Cross a Flooded Schoolyard

Hardly anything holds the children up, each poised
mid-air, barely the ball of one small foot
kissing the chair’s wood, so
they don’t just step across, but pause
above the water. I look at that cotton mangle
of a sky, post-typhoon, and presume
it’s holding something back. In this country,
it’s the season of greedy gods
and the several hundred cathedrals
worth of water they spill onto little tropic villages
like this one, where a girl is likely to know
the name of the man who built
every chair in her school by hand,
six of which are now arranged
into a makeshift bridge so that she and her mates
can cross their flooded schoolyard.
Boys in royal blue shorts and red rain boots,
the girls brown and bare-toed
in starch white shirts and pleated skirts.
They hover like bells that can choose
to withhold their one clear, true
bronze note, until all this nonsense
of wind and drizzle dies down.
One boy even reaches forward
into the dark sudden pool below
toward someone we can’t see, and
at the same time, without looking, seems
to offer the tips of his fingers back to the smaller girl 
behind him. I want the children
ferried quickly across so they can get back
to slapping one another on the neck
and cheating each other at checkers.
I’ve said time and time again I don’t believe
in mystery, and then I’m reminded what it’s like
to be in America, to kneel beside
a six-year-old, to slide my left hand
beneath his back and my right under his knees, 
and then carry him up a long flight of stairs
to his bed. I can feel the fine bones,
the little ridges of the spine
with my palm, the tiny smooth stone
of the elbow. I remember I’ve lifted
a sleeping body so slight I thought
the whole catastrophic world could fall away.
I forget how disaster works, how it can turn
a child back into glistening butterfish
or finches. And then they’ll just do
what they do, which is teach the rest of us
how to move with such natural gravity.
Look at these two girls, center frame,
who hold out their arms
as if they’re finally remembering
they were made for other altitudes.
I love them for the peculiar joy
of returning to earth. Not an ounce
of impatience. This simple thrill
of touching ground. 
Photo: Noel Celis: Filipino elementary school students use chairs to cross a flooded yard inside their school grounds on October 20, 2009 in Taytay, Philippines (Rizal province east of Manila).
Kinderen lopen op stoelen om een overstroomd schoolplein over te steken 

Bijna niets houdt de kinderen boven, elk kind
half in de lucht nauwelijks de bal van een kleine voet
die het hout van de stoel kust, dus
ze stappen er niet gewoon over, maar pauzeren
boven het water. Ik kijk naar die katoenen blubber
van een lucht, post-typhoon, en veronderstel
dat ze iets achterhoudt. In dit land,
is dit het seizoen van de hebzuchtige goden
en de honderden kathedralen
het water waard dat ze op kleine tropische dorpen morsen
zoals hier, waar een meisje waarschijnlijk
de naam zal kennen van de man die
elke stoel in haar school met de hand maakte,
waarvan er nu zes staan opgesteld
als een geïmproviseerde brug, zodat zij en haar vriendinnen
hun overstroomde schoolplein kunnen oversteken.
Jongens in koningsblauwe korte broeken en rode regenlaarzen,
de meisjes bruin en blootsvoets
in gesteven witte hemden en plooirokken.
Ze zweven als klokken die hun ene duidelijke, heldere
bronzen noot kunnen kiezen, totdat al deze onzin
van wind en motregen is verdwenen..
Eén jongen reikt zelfs naar voren
naar de donkere plotselinge poel beneden
naar iemand die we niet kunnen zien, 
en op hetzelfde moment, zonder te kijken, lijkt hij
de toppen van zijn vingers terug te geven aan het kleinere meisje 
achter hem. Ik wil dat de kinderen
snel naar de overkant worden gebracht zodat ze weer
elkaar op de nek kunnen klappen
en elkaar bedriegen met dammen.
Ik heb keer op keer gezegd dat ik niet geloof
in mysterie, en dan word ik eraan herinnerd hoe het is
om in Amerika te zijn, om te knielen naast
een zesjarige, om mijn linkerhand te laten glijden
onder zijn rug en mijn rechter onder zijn knieën, 
en hem dan een lange trap op te dragen
naar zijn bed. Ik kan de fijne botten voelen,
de kleine ribbels van de ruggengraat
met mijn handpalm, de kleine gladde steen
van de elleboog. Ik herinner me dat ik 
een slapend lichaam zo licht heb opgetild zodat ik dacht
dat de hele catastrofale wereld weg kon vallen.
Ik vergeet hoe rampspoed werkt, hoe deze een kind kan veranderen
een kind terug kan veranderen in glinsterende botervissen
of vinken. En dan zullen ze gewoon doen
wat ze doen, en dat is de rest van ons leren
hoe te bewegen met zo'n natuurlijke zwaartekracht.
Kijk naar deze twee meisjes, midden het beeld,
die hun armen uitsteken
alsof ze eindelijk beseffen dat ze voor andere hoogtes gemaakt zijn.
Ik hou van hen voor de bijzondere vreugde
terug te keren naar de aarde. Geen greintje
ongeduld. Deze eenvoudige opwinding
Op de grond te staan. 
PR: I grew up with such amazing storytellers. My brother Anthony is a great storyteller, all my cousins who grew up in Balacad and Hawaii, the many family friends and relatives who visited our house were various storytellers, musicians, liars, etc. Story is a way to relate. What we understand as narrative conventions, to me, are tools to orient the poem (or essay or story). We think of lyric as wildness, as a disorienting feature of speech, something approaching pure feeling, almost languageless itself (though—paradoxically—language carries the lyric impulse). I love both those modes. I love good storytelling and I still aspire to be a good storyteller and I love beautiful singing. Rarely in art do they happen fully and equally at the same time. More often than not, we move between story and song. And rarely is one absent from the other. There’s always a little bit of story embedded in song and some singing in the best stories. So all the play and howling and aria-esque growling and smashing and breaking and intricate fractures of lyric bear both the failure of narrative and its potential. The lyric can reveal an informal order and the narrative can reveal a formal lostness.
But you have to remember the name / they gave you first. The one you came with. / My cousin, a younger man than me, / told me: if you manage to escape / any darkness (say a haunted grove / or thick wooded stretch patrolled by enemy / soldiers), right away, you have to turn / toward the dark. You have to shout / your own name back to make sure / your soul follows you into daylight / or at least into some dim street.” -Patrick Rosal .
@bullyandblaze
I’m often going back to John Coltrane just as a fan. I’m sure I learned so much about statement and variation and departure and return from his music. It’s just a lot of fun to take all these pieces of memory and history and research and dream, and, yes, let them orchestrate themselves, some of which make story sense, some of which make lyric sense. Coltrane, among other improvisational artists, has the gift and skill to be so open at any given moment that any idea or motif might enter during the process. You have to relinquish control and that’s terrifying. You might say or play something ugly or violent or painful. But the other part of this skill is the ability, I think, to very swiftly step back from this intrusion, this ghost, outcast fragment and begin to explore how it actually fits into this composition. It’s opening all the doors and windows of this house and letting it all fly in—the birds, the trash, the bugs, the vagrants, the beauty queens, the saints, the yo-yos, the murderers and the murdered. And having enough wits to find a place for them. It’s a dynamic, associative process. You have to train yourself toward it. I’m still working at it.
Patrick Rosal is a multi-disciplinary artist and author of four books, most recently Brooklyn Antediluvian, winner of the Lenore Marshall Prize. He has taught at Princeton University, the University of Texas, Austin, Sarah Lawrence College and has earned fellowships from the John Simon Guggenheim Foundation, the National Endowment for the Arts, and the Fulbright Senior Research Program. A professor at Rutgers-Camden, he has led workshops for youth, incarcerated populations, and many other communities across the U.S.