De muze, een kortverhaal

Emma banner - Jean Kislack Collection

Er was eens -en dat is nog niet zo lang geleden- een sprookjesschrijver. Nog voor de televisie goed en wel doorgebroken was, kende hij een leefbaar bestaan. De mensen bestelden soms een variatie op Hansje en Grietje, of ze wilden een actuele versie van Sneeuwwitje. De kinderen liepen na schooltijd gewoon even langs en vroegen dan om een griezel-sprookje. Dan verzamelde de sprookjesschrijver zijn draken, heksen en kobolden, en zonder enige medische of sociale begeleiding stormden ze op de kinderzielen af. Héhé, zegden ze na afloop, dat klonk lekker.
Maar toen kwam de televisie en de spoken, draken en dwergen kregen heel menselijke gezichten. De bestellingen liepen terug, en de kinderen bleven weg.

8eb0beb9c8503e7997ad88004a6d2919

Ze kocht net een kilo sinaasappelen op de markt toen hij haar voor de eerste keer zag. Hij herkende haar meteen.
Daag, zei de sprookjesschrijver. Jij bent het, hé?
Het meisje bekeek hem, trok haar lippen samen en haalde haar schouders op.
Ik mis je al een tijdje, zei de sprookjesschrijver. Vroeger kwam je nog wel eens langs, bij schemer-avond. Ik liet altijd het raam openstaan, speciaal voor jou. Weet je nog? En bij de eerste donkerte was je er. Mijn muze.
Wilt u ook een kilootje, vroeg de verkoper.
Neen, antwoordde de schrijver. Ik eet er wel eentje mee, met haar.
Daar moet je dan niet te lang mee wachten, zei de muze.
En dat deed hij ook niet. Ze dronken een afschuwelijke filterkoffie in het café op de hoek, -mensen van een zekere leeftijd weten nog wat dat voorstelde, de filterkoffie bedoel ik.- hielden elkaars hand vast, kusten elkaar, en keken dan een kwartiertje in elkaars ogen.
Toen ze dat zo’n drie maanden volhielden dachten ze dat ze best konden samenleven.
Dan kan ik mijn raam tenminste dichtlaten, zei de sprookjesschrijver.

C-a9BHQXoAQlsXg

Televisie of geen televisie, de verhalen kwamen weer opzetten.
Met zo’n muze in je nabijheid kan dat ook niet anders, zei de man.
De muze reageerde niet, keek eens in het stapeltje beschreven velletjes en ging dan neuriënd koffiezetten.
Ze klinken allemaal wel een beetje griezelig, hé? vroeg ze toen ze de cake sneed.
Griezelig? Hij wees naar de eerste pagina van het ochtendblad. Wat noem je griezelig?
Ik dacht maar, zei zijn muze, ik dacht maar dat je ze best iets ‘zachter’ kon serveren. Daar houden de mensen van. Een groot kasteel, een sjieke koets, hij-houdt-van-haar-maar-zij-niet-van-een ander, de andere sterft daarna vroegtijdig en dan…
En dan, zei de sprookjesschrijver, dan is er koffie.

Girl in Bed, 1952 (oil on canvas)

Op een dag lag er een briefje op tafel: Ben weg, voor een tijdje of misschien ietsje langer, las hij.
De sprookjesschrijver die net aan een verhaal van zestien afleveringen werkte, barstte in snikken uit.
Had ze een andere schrijver gevonden? Of was het een dichter? Met die kerels wist je immers nooit.
Hij liet het raam weer openstaan, maar buiten een flinke verkoudheid en aardig wat lawaai leverde dat verder niets op.
Zijn verhalen bleven in zijn pen. De uitgevers belden boos en zijn lezers zetten uit noodzaak weer de televisie aan.
Kom terug, zei de sprookjesschrijver, kom toch terug. Ik zal voortaan heel lieve en zachte sprookjes schrijven, met afspraakjes bij de ruïnes van een middeleeuws kasteel, blaffende honden in de ijle nacht, arme bloemenmeisjes die begrijpende heren als vader en geliefde vinden, kinderen met ogen zo helder als water vroeger helder kon zijn, kortom verhalen voor iedereen die houdt van een lach en een traan, maar kom toch terug asjeblief.

telling

En toen ze niet terugkwam, zijn muze, begon de schrijver een eigen zaak. Eerst verkocht hij makrobiotische groenten en fruit, en toen hij daar een aardige cent mee verdiende, opende hij een restaurant. Tenslotte kon hij in tien verschillende steden eethuizen beheren, en na enige tijd kreeg hij ook nog vaste voet in een internationale zaak voor diepgevroren natuurlijke landbouwproducten.
Zijn ramen liet hij nooit meer openstaan. Een perfecte alarminstallatie zorgde voor identificatie van ieder vreemd wezen in en om zijn bureel en woning.
Muze, muze, muze…Iedereen is wel eens jong geweest, zei hij dan.

Storyteller-full

Rikkie, zei de chef-kellner van zijn grootste restaurant, Rikkie dat is best een aardige jongen. Maar dromen dat hij kan, dromen! U heeft er geen idee van hoe dat ventje kan dromen, meneer.
Zo, zei de sprookjesschrijver die net bezig was met bezuinigingsplannen, dromers kunnen we in een restaurant van deze klasse niet gebruiken.
Hij is nog erg jong, zei de chef-kellner. nauwelijks zestien als ik het goed heb.
Dat is sentiment, zei de oud-sprookjesschrijver, ik wil rendement.
En vertellen dat hij kan, meneer, vertellen! Je kunt het zo gek niet verzinnen of hij vertelt het alsof hij het zelf heeft meegemaakt. Verleden week nog waren er enkele kinderen van zo’n deftige lui die absoluut gezond maar toch duur wilden eten – u vergeeft mij de uitdrukking- , en ik moet u niet vertellen hoe lastig kinderen kunnen zijn op plaatsen waar rust en stilte gewaardeerd wordt. Net toen was Rikkie van dienst, en hij begon die krengetjes iets te vertellen waar ze na enkele ogenblikken met open monden naar zaten te luisteren. Draken, spoken en wolven, in feite niets voor kinderen maar slim als hij was hield hij net voor het einde van zijn verhaal op en beloofde het slot te vertellen als ze rustig met de volwassenen zouden maaltijden. Voorbeelden werden het. Hun ouders wisten niet wat ze zagen. En zoals beloofd vertelde hij hen bij het dessert het slot en zag ik de meest verbaasde gezichten die ik in mijn leven heb gezien. Had je dat gedacht! riep de oudste ex-rumoermaker. Ze wilden absoluut terug komen dineren als Rikkie dan weer een verhaal zou vertellen met uitgesteld slot.
Draken, spoken en wolven,’ zei de oud-sprookjesschrijver. Ik denk dat ik eens even met hem ga praten.

50086367_10155866472501440_4835459260567519232_o

En ’s avonds klopte hij aan bij zijn jongste bediende. Waarschijnlijk was hij net even weg. Op zijn schrijftafeltje lag er een berg papieren en sinaasappelen, en door het open raam kon je de stad horen, en nu en dan een mus.

Storytelling-

Tik bij het zoek-vergrootglas de term kortverhaal in en je vindt de verzameling van het voorbije jaar tot nu om na elkaar te lezen of te herlezen.

s-l640

Walter Benjamin: vertelling en genezing

Munch_Det_Syke_Barn_1896

Vanuit de Pinksterbijdrage waar het onderandere over ‘vertellen’ ging, of zeggen we ‘het woord bezielen’, las ik in ‘Denkbeelden’ van Walter Benjamin, meesterlijk vertaald door Michel van Nieuwstadt, een beschouwing waarin Benjamin bij de genezende kracht van het verhalen vertellen vertrekt vanuit de genezende kracht in de handen van een vrouw, het dan heeft over diezelfde genezende kracht van de vertelling bij het ziekbed van het kind, om te eindigen bij de streling als bedding voor de stroom naar de monding in de zee van gelukkige vergetelheid. Woorden en aanraking in het genezingsproces.

ob_518477_le-jour-de-la-visite-a-l-hopital-jpg

Vertelling en genezing

Het kind is ziek. Moeder brengt het naar bed en gaat aan het bed zitten. En dan begint zij het kind verhalen te vertellen. Hoe moet je dat begrijpen? Ik kreeg een vermoeden, toen N. het tegen mij over de vreemde genezende kracht had die in de handen van zijn vrouw gelegen zou zijn. Over deze handen zei hij evenwel: ‘Hun bewegingen waren hoogst expressief. Toch zou men de expressie ervan niet hebben kunnen beschrijven… Het was alsof zij een verhaal vertelden.’
De genezing door vertellen kennen wij al via de Merseburger toverspreuken*. Niet alleen herhalen zij de formule van Odin; eerder is het zo dat zij de toedracht vertellen op grond waarvan hij ze voor het eerst gebruikte. We weten immers ook, hoe het verhaal dat de zieke aan het begin van zijn behandeling tegen de arts doet, de aanvang kan worden van een genezingsproces. En zo ontstaat de vraag of misschien het verhaal niet het juiste klimaat en de gunstigste voorwaarde vormt voor menige genezing. Of niet zelfs elke ziekte te genezen zou zijn, als zij zich maar ver genoeg — tot aan de monding — op de stroom van het vertellen liet meedrijven? Als je bedenkt dat de pijn een stuwdam is, die zich tegen de stroming van het verhaal verzet, dan zie je ook helder voor je dat die doorbroken wordt waar het verval van die stroming sterk genoeg wordt om alles wat zij op deze weg tegenkomt, onder te spoelen in de zee der gelukkige vergetelheid. Het gebaar van het strelen tekent voor deze stroom een bedding.

Walter Benjamin: Denkbeelden, p. 151 – vertaling Michel van Nieuwstadt, uitgeverij Vantilt, Nijmegen 2017

*Merseburger toverspreuken:
De Merseburger toverspreuken zijn twee middeleeuwse toverspreuken. Het zijn de enige bewaard gebleven voorbeelden van Continentaal-Germaanse polytheïstische geloofsbeleving in het Oudhoogduits.

4fe99b1083ba880c3c000185

De spreuken zijn genoemd naar de plaats waar ze bewaard zijn gebleven, de Duitse stad Merseburg. Daar werden ze in 1841 door Georg Waitz in de bibliotheek van het Domkapittel ontdekt. Ze staan in een uit Fulda stammend theologisch manuscript uit de 9e/10e eeuw. Ze werden in 1842 voor het eerst gepubliceerd door Jacob Grimm.
Spreuk 1: Bevrijding van gevangen.
Spreuk 2: Genezing van een paard.
(Wikipedia)

Walter Benjamin (Berlijn, 15 juli 1892 – Portbou, 27 september 1940) was een Duits-joodse marxistische cultuurfilosoof. Zijn werk heeft betrekking op onder andere filosofie, theologie, literatuurkritiek en kunstgeschiedenis.

ange-collage

Angelus Novus is een door Walter Benjamin beroemd geworden aquarel van Paul Klee.
“Er bestaat een schilderij van Paul Klee, dat Angelus Novus heet. Er staat een engel op afgebeeld die zo te zien op het punt staat zich te verwijderen van iets waar het zijn blik strak op gericht houdt. Zijn ogen en zijn mond zijn opengesperd, hij heeft zijn vleugels gespreid. Zo moet de engel van de geschiedenis eruitzien. Zijn gelaat is naar het verleden gewend. Waar wij een reeks gebeurtenissen waarnemen, ziet hij één enkele catastrofe en daarin wordt zonder enig respijt puinhoop op puinhoop gestapeld, die hem voor de voeten geworpen wordt. De engel zou wel willen blijven, de doden tot leven wekken en de brokstukken weer tot een geheel maken. Maar zijn vleugels vangen de wind die uit het paradijs waait, een storm die zo hard is dat hij ze niet kan stuiten. Deze storm stuwt hem onweerstaanbaar voort, de toekomst in die hij de rug heeft toegekeerd, terwijl de stapel puin vóór hem tot aan de hemel groeit. Deze storm is wat wij vooruitgang noemen.”
— Walter Benjamin: Over het concept van de geschiedenis (1940), These IX[1]

main-image

Het beeld van de Angelus Novus, de nieuwe engel zou je als uitvergroting van de eerder beschreven intimiteit kunnen zien met de hoop dat de miljoenen verhalen van ons wedervaren de stapel puin mogen doordringen en in mindere of meerdere mate oplossen. Maar dan moet je de moed hebben om je ver genoeg te laten meedrijven op stroom van het vertellen.
Daar waar de ‘heling’ thuishoort.  Elke verteller heeft ook een luisteraar(ster) nodig. Zonder dat gewillig oor verliezen verhalen de helft van hun genezend vermogen. Het hoeft ook niet dadelijk over je eigen lot-gevallen te gaan.  Vertel je dromen, herhaal de oude nooit uitvertelde verhalen, verzin zonder vrees de nieuwste beelden en bewegingen van je scheppend vermogen. Wie kinderen heeft, weet wat ik bedoel. En zijn de woorden op en indien gewenst, heb je nog altijd je handen.

Chris-Oatley-Visual-Development-Portfolio-Tips-P1-Alice-Rackham-Cropped

Je kunt ook de luisteraar(ster) zijn. Luisteren en lezen opent vergezichten op je eigen landschappen zoals verteld in de landschapsfotograaf.  Vanuit dat luisteren doe je zeker inspiratie op voor je eigen verhalen.

narrative-794978_1920

 

Hemelse hulp

Врубель_-_зішестя_святого_духа

Als kind al was ik gefascineerd door de vurige tongen boven het hoofd van de apostelen.
Niet door het verschijnsel zoals de heer Lucas het zou uitbeelden in een star-wars-film, maar door de mogelijkheden, de transformatie van bange wezens in ontstekers van allerlei andere heilige vuren, niet in het minst door het spreken van allerlei talen zonder avondschool te hebben gevolgd.

Er waren vooreerst de bange wezens die zich hadden opgesloten in het wonderlijke cenakel, een woord dat bij mij telkens ronde vormen opriep, waar je dus in geen hoekje kon wegkruipen, en ondanks dat hij aan hun vrienden in Emmaüs had duidelijk gemaakt dat hij bij hen was, ondanks Thomas en zijn anatomisch vingergepeuter in het lichaam van de Heer, zaten ze daar te rillen, want als er in mijn kinderlijke verbeelding angst optrad dan ging die gepaard met klappertanden en takketak van knikkende knieën en sidderende ledematen.

die_ausgiessung_des_heiligen_g

Daarbij kende ik mezelf als bang wezentje.
Wellicht is volwassenheid gewoon het genezen van de angsten die wij als klein wezen hebben gekend.
Als je geen voetballer bent, geen vechtjas (tenzij als kruisvaarder tegen de bende van de aangrenzende straat) geen brave hendrik of primus, maar een fantast die bij elke draai van de straat een draak verwacht, bij de schaduwen van de kastanjelaar de knoestige vingers om zijn kinderkeel voelt, een verhalenverteller kortom, dan ben je in het cenakel van de Boudewijn de Grote’s ‘o mijn kindertijd’ gevangen.

Ik kon mijzelf dus de luxe van een vurige tong boven mijn kinderhoofd best veroorloven, en toen de firma For You koude ijstongen op de markt bracht, frisco genoemd, werden in mijn verbeelding de vurige tongen werkelijk brandende frisco’ s waarvan het stokje zich in het hoofd van de apostel vast had gezet.
Ik vraag de heilige geest vergiffenis, maar ik was nog ver van de Pardes Rimonim* van de Kabalist Moses Cordovero waaruit mijn grootvader vaak vertelde, maar misschien ben ik nooit zo dichtbij heiligheid geweest als toen, want de zuiverheid van beelden laat zich niet door de esthetica of theologie bepalen, maar ontspruit uit de mooie zin dat de geest waait waar hij wil, een geliefde uitspraak van mijn grootmoeder als mijn grootvader dronken was thuis gekomen.

pardes rimomim

*(Pardes Rimomim: Rabbi Simon ben Jochai verbindt Malchut, het mannelijk element in de kosmos met Tifireth, het vrouwelijk element in de echt in de ‘Pardes Rimmmonim, in de granaatappelboomgaard, een verhaal van de Joodse mysticus Ben Jacob Cordovero een oertekst uit de Kabbalah 1548)

Hortus_Deliciarum_Pfingsten_und_die_Aussendung_des_Heiligen_Geistes_auf_die_Apostel
Als ik uit mijn slaapkamer klom, stond ik ook op een plat dak, net zoals de bangeriken met hun brandende tongen op het dak waren geklommen, maar hoe ik ook mijn best deed om in het Frans of Hebreeuws, het Engels of Jidisch te zeggen dat er mij iets goddelijks was overkomen, de woorden bleven in mijn mond steken toen ik mijn grootvader in zijn blootje in de grote witbuik-kerselaar zag zitten, waaronder mijn grootmoeder stond te roepen dat hij dringend naar beneden moest komen want dat de witbuiken van de kersen al genoeg aan de verbeelding overlieten zonder dat hij dat door zijn naakte transformatie moest benadrukken.

En hij sprak wel alle talen ter wereld (volgens mijn weten toen) al bleef het in werkelijkheid beperkt tot een scheldtirade in slecht Duits, dat ze niet moesten denken dat nu de forten rond Namen gevallen waren ze het zouden opgeven, en dat hij de architect van die forten (terecht) een proces zou aandoen, hoe konden ze jongens van zijn leeftijd zoiets aandoen, enz.

El Greco, Ausgiessung des Hl.Geistes

Later las ik in de schrift dat de mensen zich beneden op de straat hadden afgevraagd of die vurige polyglotten misschien dronken waren, en jawel, ik begreep het dadelijk, de vurige tongen kregen een lucht van Kempisch gebrouwen (De Keersmaeker) bier en Gentse jenever (Hertekamp), inderdaad ontvlambare materies, zeker toen ik aan een broeder van Liefde die mij onderwijs verstrekte, zei dat ze inderdaad dronken waren geweest, die schijtlijsters, want ik hoorde ook mijn opa alle talen spreken toen hij in een gelijkaardige toestand verkeerde.
De brave broeder, die zelf graag een glaasje lustte, antwoordde dat Gods wegen wonderlijk waren maar dat voor ons, zondige mensen, een assimil-boekje een betere methode waarborgde om een vreemde taal te bemeesteren.

Botticelli, Sandro, 1444/1445-1510; The Descent of the Holy Ghost

Toch bleef Pinksteren zijn aantrekkingskracht behouden en de heilige Geest heb ik levenslang geëerd door alle duiven tegen gemeentebelangen in van graan en brokjes brood te voorzien.
Want de geest waait waar hij wil, en zijn bange kinderen kunnen er van meespreken al zijn ze intussen de zeventig voorbij.
Carl Jung noemde het ‘de geur van de Heilige Geest’, en met mijn dikke neus kan ik dat beamen.
De Heilige Geest mag dan al naar geestrijke drank hebben geroken, naar de witte drank uit de mooie Hertekamp-fles, hij troostte mij ook door me beetje bij beetje met woorden  te wapenen om het woordeloze voortdurend te belagen en te belegeren.
Hij verlokte mij tot het “hierosgamos”, letterlijk ‘het heilige spel’, mooier dan het mystieke huwelijk, met andere lagen van het denken en gewaarworden, en al vluchtte ik voortdurend, laf als we zijn, de walvis in, telkens weer was hij daar met zijn vurige For You en dreef hij mij, als verteller,  het schamele dak op om te stamelen in de talen die hij nodig achtte, liet hij me als heel klein zangertje meezingen in het verhalen-koor waarin tremendum et fasciosum, een element van het dagelijks bestaan ging uitmaken. (tremendum et faciosum:  bibberen en bewonderen!)

Hochfest-Pfingsten-Gottesdienste-und-besondere-Wallfahrten

Is het daarom dat er zich houtduiven in de atlasceder hebben genesteld?
Of weten ze gewoon dat de liefste hen van fruit en granen voorziet en op tijd de kat wegjaagt als ze het op de Pinkstervleugels heeft gemunt.

Laat het aardse zich voortdurend met het hemelse vermengen en vice versa, al dan niet in homeopatische verhoudingen.

2-3_Pfingsten_1906__780x500_

(De bovenste wandschildering van Mikhail Vrubel komt uit de St. Cyril-kerk (aan de buitenkant in mooie pistachekleuren geschilderd) uit Kiev, Oekraine. Niet alleen de fraaie compositie trof mij maar ook het menselijke: kijk hoe elke heilige figuur zijn voeten op een tapijtje mag warm houden!)

169a3027e254dd6676988c57af13efd2v1_max_755x425_b3535db83dc50e27c1bb1392364c95a2

DE LANDSCHAPSFOTOGRAAF, radiodrama

monetpoplarsbankepte1892

In de late jaren zeventig van de vorige eeuw maakte ik kennis met het werk van de Canadese componist Murray Schafer, auteur van het boek ‘The tuning of the world’ en oprichter en bezieler van het World Scape Project dat tot doel had op te sporen waar en hoe klanklandschappen uit het verleden nog kunnen worden achterhaald en opnieuw vastgelegd.
‘De geschiedenis wordt aardrijkskunde wanneer je op zoek gaat naar de oorsprong van het geluidslandschap.’ was zijn gezegde.
In twee radiodocumentaires ontwikkelde ik de theorie van Schafer, het ontstaan, de ontwikkeling en de fysionomie van ‘soundscapes’.
In de derde productie, ‘de landschapsfotograaf’ maakte ik een montage bestaande uit een verhaaltekst, geïllustreerd met auditieve foto’ s: de landschapsfotograaf op zijn zoektocht naar echte, gedroomde, gewenste en verwenste geluidslandschappen.
Het werd een aparte productie die de toenmalige BRT (nu VRT) instuurde voor de Futura-prijs 1979 in Berlijn.
Het was een bijzonder spannend concours. Tot op het laatste ogenblik bleef ‘de landschapsfotograaf’ in de running voor een bekroning, maar omdat er slechts één prijs kon toegekend worden en de juries twee producties evenwaardig vonden werd er met een sixpence beslist wie de winnaar was.
Al was het lot voor een collega gunstiger, onze eervolle vermelding zorgde ervoor dat ik de volgende jaren verschillende producties mocht regisseren in Keulen, Frankfurt en Berlijn.
De landschapsfotograaf werd in verschillende talen vertaald en in Denemarken, Engeland, Australië enz. uitgezonden.

De produktie is nu veertig jaar oud.
Het thema leid je naar de landschappen die je niet met de ogen kunt waarnemen maar die daarom niet minder kostbaar zijn als weg naar de essentie.  L’ essentiel est invisible pour les yeux, zoals het in de Kleine Prins beschreven is , maar wat je ziet, waarneemt kan inderdaad een weg zijn.  Het geluid als medium om verder te kunnen kijken.

dream-landscape

De mooie stem die het verhaal vertelt is van Marc Van Poucke, de geluidsregie was in handen van Eric Strømberg en de produktie voerde Andries Poppe.
Ik heb de klankaanduidingen beperkt omdat je als luisteraar beter zonder voorgeschreven aanduidingen kunt luisteren. (Beter is het eerst zonder tekst te luisteren.) Een goede hoofdtelefoon of een stereo-opstelling van je klankinstallatie zorgen voor perfecte landschappen.
Hier gewoon starten:

42′

tavik_frantisek_simon_ca_1926-1936_fireworks_in_paris

DE LANDSCHAPSFOTOGRAAF, een radio-drama

Stem:

Dit is het verhaal van Jonathan, verteld in een aantal auditieve foto’s, zodat iedereen die naar dit verhaal luistert, zich Jonathan kan voorstellen zoals hij of zij dat zelf graag wil.

Het is laf weer, zei zijn moeder. Als het zo blijft, zal het straks gaan onweren.
Dan wordt hij geboren zoals prinsen en koningen, antwoordde zijn vader, de landschaps-fotograaf.
Het kan ook een prinses zijn zegde jonge vrouw op het bed.
Luister, zet het raam maar open.

Eindelijk regent het, zei de vader. Hopelijk is de droogte voorbij.
De landschapsfotograaf hield van de regen. Regen voorspelt een jongen, zei hij.
Heb je pijn ? Zal ik de dokter roepen ? Wat zeg je ?
Of zo’n kind nu al de donder kan horen ? Ik weet het niet. Ze beweren wel eens dat ongeboren kinderen heel goed kunnen horen.

Je moet niet bang zijn, kleintje. Het onweer doet je niks. Kom maar naar buiten.
Luisteren naar de regen.
Alles drinkt zich zat aan het water. Kom maar naar buiten kleintje. Jij mag ook drinken. Kom gulzig kleintje. Doe je moeder niet langer pijn.
Zo’n honderd jaar geleden, tijdens de zomer van 1878 schreef Brahms deze vioolsonate, de regensonate. Wat zeg je ? Huilt het kind ?
Ja, het kind huilt.

(muziek en spelende kinderen die verstoppertje spelen)

IMG_1219-2

De landschappen van de kinderjaren, dacht de landschapsfotograaf, ze worden mooier naarmate ze verder van me wegglijden. Ze verliezen de pijn. Alle kreten klinken er als hoera-geroep, alle bossen waren dieper dan de wouden uit de sprookjesboeken. Maar het is een leugen, Jonathan. Het is een goed bedoelde leugen, niks anders dan een leugen.

(Auto’ s en kindje zingt improviserend, daarover muziek, tenslotte een naderende remmende auto en een fietsbel die over de weg rolt. Stilte. Muziek)

Of het erg is alleen een herinnering van kleuren over te houden ?
Ja, Jonathan, het is erg.
Of het erg is alle mensen die je kende voor altijd te fixeren op de leeftijd dat je ze voor ’t laatst zag?
Ja, Jonathan, het is erg.
Of het erg is nooit meer de morgenmist te zien boven de velden ?
Nooit meer de dag geboren zien worden, en nooit weer waarnemen hoe de zon in het water verdrinkt ?
Ja, Jonathan, het is erg.
Jij, de zoon van de landschapsschilder, zonder ogen wandelend in de velden van mijn toekomst.
Jij, de minnaar van de hevige kleuren, de beschrijver van het ogenblikkelijke.
Kijk eens papa, een paard, en daarachter de bossen.
Net of het paard in het bos is gegroeid.
Kijk, kijk, kijk.

Er blijven herinneringen, Jonathan. Het voelen, en in bijzondere mate: het luisteren.
Je kijkt nu met de ogen van de binnenkant. Al voelend en luisterend beeldt en verbeeld je.
‘Les sons et les parfums tournent dans l’ air du soir’. (x2)
Al was Debussy niet blind, hij zag met jouw ogen, Jonathan.

DSC100173791

Toen Jonathan aan de piano zat -misschien heette hij toen wel Ludwig-
Toen Jonathan-Ludwig aan de piano zat, heeft hij de maan hoorbaar gemaakt.
Zoals ze glijdt door de wolkflarden, of ze zoals dode ster onder de miljoenen sterren toch het hevigst haar glans verspreidt.
Uitgestorven is ze voor de zon een geliefde, zei Jonathan-Ludwig.
Het vuur van de zon maakt de maan hoorbaar.

En achter de maan, de landschappen van de droom.

Niet zoet zijn ze, niet zuur.

De bomen wuiven er met meisjesarmen naar uitgerukte ogen. Het gras kijkt.

De landschapsfotograaf staat als een brandend braambos tegen een okeren hemel.
Jonathan roept hij, Jonathan.

Uit zijn handen ontsnappen de klanken als ongekamde kinderen. Ze zweven op de avondwind, scheuren hun vleugels aan de mensen die ze grijpen willen, en dan drijven ze naar het water.

Met al de dode kinderen drijven ze op roerloze meren.
Dromen verrotten hier, en het moerasgas steekt de lucht in een rode gloed.

photo-1534447677768-be436bb09401

(een roeiboot)

Jonathan. Het landschap aan het meer. Het meer Saiwa, zoals jij het noemde. Een blinde
jongen roeit het meer op. De zoon van de landschapsfotograaf.
Ik heb de foto’s van dit vreselijk landschap in mijn geheugen, Jonathan.
Telkens weer duiken ze op.

Zingen de vogels onder water, had je eens’ gevraagd. Zingen ze zoals nergens ter wereld?
Waarom verlaat de jongen de boot, denkt de man.
Hij zal verdrinken.

Ik wilde in de buik van het water zijn, zegde je later.
Ik wilde horen hoe het water klinkt.

Ik wilde m’n oren vol water laten lopen, want ze deden zo’n vreselijke pijn van alle donkere landschappen.
Onder het water wordt het stiller en stiller.
Net alsof je in een kerk binnenkomt.
Hier ben ik, water, zei ik.
Zuig me op. Zuig me op met je grote lippen.

Een man springt in het water. Jonathan denkt hij.
Een man duwt het water van het meer achteruit.
Ga weg, water, zegt de man.
Ga weg, man, zegt het water.
Een man grijpt naar zijn zoon.
Man en jongen keren terug met de boot.
De man slaat de jongen in het gezicht.
De jongen knikt.

Ik zal je de foto’s vertellen die mij pijn doen, zegt de landschapsfotograaf tegen
zijn zoon.
Het hangt er een beetje van af naar waar je kijkt : of je de bomen op de voorgrond wilt
zien, of de betonnen huizen waar de stad begint. Begrijp je dat ?
De jongen zweeg. Hij stak zijn armen voor zich uit, snoof diep de geuren in en zei
dan plots :
Het wordt morgen, papa.

(overgang naar klanklandschap)

fine-art-photography-ireland_0519-1080x702

Laten we wegrijden, zegde de zoon van de landschapsfotograaf. In deze drukte kan je mij niks vertellen.
De drukte zit daar niet, zei de vader, de drukte begint in je hoofd.
Laat ons toch maar weggaan. Ik ben benieuwd naar de landschappen waarover je gezwegen hebt.
Ze doen pijn, ik waarschuw je, ik wil ze best verzwijgen.
Ik wil alles horen, zei Jonathan.
Anders ben ik bang in he donker.

(klanklandschap)

photo-1549777929-761a7893998a

Het is stil hier, Jonathan. Majdanek.
Hier werden mensen uit vijftig verschillende landen opgehangen, doodgetrapt, doodgeschoten of vergast. Een kwart miljoen joden kwam hier om het leven, vooral kinderen.
Hoor je, Jonathan?
Hoor je ze roepen ?
Ik moet je over dit landschap vertellen.

Getuigeverslag: Een SS—er trok een klein kind bij de moeder weg en smeet het voor
haar ogen tegen de muur. Het kind bleef dood liggen.

Hoor de vrolijke muziek.
Ze verbergt een ander geluid. Het is 3 november l943.
Machinegeweren vermoorden 18.000 joden die dag.

Is het een landschap uit een verre tijd ? vroeg Jonathan.

Luister maar, antwoordde de landschapsfotograaf, en oordeel zelf.

(klanklandschap)

tour_img-1587489-148

Het is maar een foto, zei de landschapsfotograaf. Er zijn er duizenden van die soort.
Net eendere landschappen.
Mensen fluisteren of gillen er, andere sterven voor een zaak of een idee. Er komt geen einde aan.
Muziek bezingt de overwinning. De doden zwijgen.
Tachtig miljoen mensen liggen onder de aarde van de twintigste eeuw.

Kom Jonathan, als vluchten niet meer kan, kom schuilen in mijn armen.

Hoor, het onweer is voorbij. Toen jij geboren werd, donderde en bliksemde het hevig.
Een prins, zei je moeder.
Voel je de zon op je huid?
Hoor je de vogels? Riek je het groen?
Misschien is het een droomlandschap, Ludwig-Jonathan, misschien zijn er nog
plekken waar je kan kijken.
He, Ludwig-Jonathan. Je weent.

(muziekblending)

Assistants_and_George_Frederic_Watts_-_Hope_-_Google_Art_Project

Het diepste landschap, is het landschap van het verhaal, zei Jonathan.
Het verhaal van Tamajowa.

Er was eens een prins die Tamajowa heette en die helemaal niet gesteld was op cijfers
of vijfjarenplannen. Hij had een kast met niks in zodat je er al je gedachten en je
wensen kon in verbergen. Hij luisterde graag naar de regen, en hij hield van de kleuren.
Hij is een dromer, zei zijn vader. En dromers kunnen geen land besturen.
Wat er ook geprobeerd werd, het mocht niet baten.
Tamajowa bleef altijd verhaaltjes verzinnen in plaats van zich toe te leggen op
de studie van buggetten, de volgorde van het ceremonieel en de geschiedenis van het
land.
Ten einde raad riep zijn vader Gailu bij zich.
Gailu was een bevriend staatshoofd, erg gekend om zijn tiraniek optreden.
Gailu, zegde de koning. Wat moet ik met Tamajowa beginnen ?
Gailu nam het kind mee, brandde hem de ogen uit en wierp hem in het woud.
Hier moet jij de bomen tellen, zei hij. Netjes op rijen van negentien, en dat zeshonderd hectare zonder ophouden. Nu je niet meer kunt kijken, zal je je teminste met essentiële zaken bezighouden.
En Tamajowa was droeviger dan degenen die sterven moeten. Hij begreep niks van de
zwartheid, hij miste de kleuren van de morgen, zag de kinderen niet meer die naar
hem zochten.
En de wereld hoorde geen verhaaltjes meer.
Ze verdronk in de cijfers.
Vanaf je geboorte tot aan je dood was je een cijfer.

Hoor je mij, landschapsfotograaf, zei Jonathan.
De betovering kon alleen verbroken worden als iemand in Tamajowa’s plaats zich
de ogen liet uitbranden. En dat is er met mij gebeurd. Ik ben gegaan. De lange weg naar
het donker. Maar Tamajowa is vrij. Hij komt naar je toe. Hij wil je landschappen laten
zien die je je niet eens kunt inbeelden.
En jij ? vroeg de landschapsfotograaf.
Ik leer kijken, zei de jongen. Ik leer kijken met de ogen van de binnenkant.
Je bent een moedige zoon van een eenvoudig landschapsfotograaf, zei de man.
Je bent de diepste kijker die ik ken.
Zelfs Tamajowa heb je gevonden.
Misschien is dit alles een sprookje, zei Jonathan. Misschien worden we morgen wakker in het donker. Ken je het landschap waarin alles donker is?
Ja, zei de landschapsfotograaf. Ik heb het gekend.
Ginder op het kruispunt, ik denk dat ik Tamajowa zie. ‘

Lacht hij ? Ben beetje.
Fluit hij misschien?
Een beetje, denk ik.
Loopt hij?
Hij danst een beetje.
Steekt hij zijn hand op?
Ja, hij steekt zijn hand op.
Loop naar hem toe.
Ik wil je niet alleen laten.
Loop naar hem toe, vlug, of hij verdwijnt.

Ik moet je helpen.
Beledig me niet langer.
Hij roept iets, maar ik kan het niet horen.
Loop naar hem. Vlug.
Kom, roept hij. Kom.
Vlug. Wat je moet doen, moet je doen.
Jonathan, ik kom dadelijk.
Vlug.

famous-landscape-paintings-1

En toen zei Jonathan, toen was de zoon van de landschapsfotograaf volwassen.
Hij was de ziener van de landschappen die zich niet door het oog laten kennen.
Hij draaide zich om, luisterde naar de stemmen van de stad en begon aan zijn reis als landschapsfotograaf.

02_Rainbow_Nature_photography_class-ArtClarity_Napa_

JULIE CURTISS, surrealisme vanuit het vrouwelijk bestaan

julie-curtiss-at-tail-end-art-itsnicethat-01

Juni opent duidelijk zomers.
En tik ik ‘summertime’ in om in talrijke collecties naar nagelaten impressies van dergelijke dagen te speuren dan bots ik zonder voorbedachte rade op het werk van de jonge Julie Curtiss (°1982) en merk ik al dadelijk dat de warme kleuren concorderen met een beetje breinhitte waardoor het koele, toegeschreven aan mannen, zich eerder uit in de zuinigheid van de uitwerking maar motiefkeuze en kleur het vrouwelijke en de wereld waarin het zich beweegt als onderwerp hebben.

lateafternoon-web_orig

Was het surrealisme in de kunstgeschiedenis een mannelijke zaak, sinds enige tijd hebben vrouwelijke kunstenaars -misschien door hun situatie- duidelijk daarin het voortouw genomen. Dit blog heeft daarvan reeds menig voorbeeld als onderwerp gehad, het vrouwelijke ter ere.
Het surreële hoef je echter hier niet te zoeken in vergrotingen of conglomeraten uit de ‘grote’ buitenwereld maar in het archetypisch vrouwelijke van het dagelijkse leven. Zij brengen het surrealisme thuis. Voedsel, mode, haartooi zijn hier de decorstukken of het artistieke speelgoed.
Er zijn nog werken waarin ze met deze achtergrond bekende werken uit de 19de en 20ste eeuw als inspiratiebron gebruikt, maar door ze anachronistisch in te voeren en ze naar het vrouwelijke leven van alledag te transponeren krijgen ze een heel originele en specifieke invulling.
Om met Goethe’s Faust te eindigen: ‘Das Ewig Weibliche zieht uns hinan’.
Geniet ervan.

witch

“If the Chicago Women were drawn to Surrealist values, to supposedly overthrow conventions, and the movement attracted many adventurous souls.” and the surrealists had a baby, I think it would look a little like my work,” says Brookyln-based painter Julie Curtiss of her style. Working with a vivid colour palette between oils, acrylics, vinyl and gouache on paper, she explores themes of culture, nature and female-focused art narratives.

CURTISS_visor+2

Growing up in Paris to a Vietnamese father and French mother, Julie filled her days with drawing. This pastime soon became a cathartic process she used to deal with the anxiety and fears of adolescence. “It may sound cliché but I really had a rough time during those years,” she tells ‘It’s Nice That’. However, her interest in the arts later became more than just a creative outlet for her emotions, as she decided to pursue a career in it. “I thought what I really wanted to do was illustration, but after a year of prep school I quickly understood that painting was for the best way for me to freely express my thoughts.” (It’s Nice That Daniel Milroy Mahler 2019)

julie-curtiss-beach-trip-art-itsnicethat-01

“I think my work has become more defined over the years; it use to be sprawled aesthetically, but I have refined my artistic vocabulary in the past few years to make it more specific and unique.”

1498397238259

“I understand there is a common effort to democratise the art world and shed light upon under-represented artists at the moment. However, for me, artists being labelled according to social groups could be more damaging than helpful.”

“I am fascinated by female archetypes and their representations throughout art history.”

JC064_The-Funeral_2018_40x30_LR

I enjoy associating humor with darkness, the uncanny and the mundane, grotesque shapes to vivid colors. I work from mental notes or imagination. With ideas of narration, I will utilize recurring elements from one painting to another, or leave some of the action outside the frame, thus creating a form of suspense.

apetizer-1024x738

My artworks are psychological. By omitting parts of an image or suggesting abnormal situations, I would like to contrast a feeling of familiarity with surrealism.

159262-1525462104-Curtiss_Julie

I am interested in the various aspects that female identity can take, especially through the opposite notions of Nature and Culture. I like to represent smoking teacups and cigarettes, objects that call to mind a domestic, tamed image of women. On the other side, organic, ambiguous body parts allude to the archetype of a woman fused with nature and her animalistic drive.

CURTISS_the_test

With faceless portraits of women, gnarled fingers and toes, and voluptuous bodies composed of hair, I would like to present the viewer with an enigmatic puzzle, an invitation to reflect on the idea of an unfixed, ever-changing self.

in_link-1400-104x215x2498x1664_q85

“Surrealism had a very high proportion of women members who were at the heart of the movement, but who often get cast as ‘muse of’ or ‘wife of… Women were drawn to Surrealist values, to supposedly overthrow conventions, and the movement attracted many adventurous souls. These artists engage with Surrealism not just aesthetically, but as a philosophy. Surrealism is about seeking the unconscious and jolting ourselves into new ways of seeing.” (Greeves -Izabella Scott)

3widows

After school, I worked as a security person at the Centre George Pompidou in Paris. There I was very impressed by a series of black and white drawings by Mike Kelley. A few months later in Japan, I started a series of works on paper with cartoon-like imagery, with big droopy eyed, depressed characters. This was the beginning of a more graphic style in my art. When I came back to France, I found out that my mother had cancer and the 3 years that followed were dark years. My art changed a lot and became a way for me to funnel my anxiety. I turned inward with my art, trying to make sense out of life.

julie-curtiss-piece-of-cake-art-itsnicethat-01

Finally, my art went through a new phase a few years after I settled in New York. I slowly healed from my mother’s death and my art became lighter and more in phase with new life challenges: affirming myself as a woman, embracing the multiple facets within myself, engaging more with the outer world.

1498397606913

I find a lot of my inspiration in French and European painters/sculptors from the 19th and 20th centuries… because a lot of these artworks are popular, I enjoy how they worked their way into people’s subconscious. They are iconic and therefore they work on several levels, subliminally but also overtly. People love drawing connections, and understanding an image within a frame of references. I like to use old masters and divert the meaning of their works, adding anachronistic elements or simply borrow parts that are timeless. My attachment to some images is also sentimental (Degas, Manet, Vuillard, Ingres…), they were the first to draw me in and work on my imagination as a child.

5-2

Hair evokes the primordial in my work. With nails, it’s a part of our bodies that grows of its own and that we can sever off without pain. It refers to the wild, the untamed, the beast in us. In the myth, the hair on Medusa’s head is made out of snakes. In our societies, hair is combed and braided and the nails manicured. Women transcend these physical attributes for social ends… As a woman, I am interested in the way we fashion our bodies, to be reflected through the other’s eyes.

1bb-1

Julie Curtiss creates illustrative and surreal paintings that address themes of femininity, identity, and the grotesque through investigations of the female body and abstracted forms. Looking at one of her paintings is like looking into the land of Oz — reality is present to a degree, but the surreal, fantastical, and absurd merge with our perception of narrative truth, causing a disruption In our perception of the very reality that we cling to. Working with both acrylic and oil on canvas and gouache on paper, Curtiss’ works blend graphic illustration with figurative abstraction, combining recognizable imagery with imagined spaces and figures.

hotel-web_orig

The resulting compositions are detailed paintings of surreal scenes; mysteriously enticing, haunting, and playful. Utilizing recurring motifs throughout her work — hair, nails, cigarettes — Curtiss draws attention to the power and implications of objects as symbols and their resulting visual effects. Her work most often explores notions of femininity and its relationship to both nature and social culture through archetypal images that signify context beyond their primary visual state. By obscuring her figures or altering the image perspective, the viewer becomes implicated as a voyeur in a narrative that extends beyond the confines of the canvas, leaving the content, narrative, and meaning open to a nonlinear interpretations and implied meanings.

ak15815_CUR_Dog_Days-1400-0x299x3000x1998_q85

https://www.antonkerngallery.com/artists/julie_curtiss

https://www.juliecurtiss.com/

https://www.artsy.net/article/artsy-editorial-women-surrealism-muses-masters

JULIE+CURTISS__78

CURTISS_hollowman

 

Bij een foto van August Sander

570435

Het is een mooie uitdrukking: getroffen zijn. Heel lichamelijk.
De vraag waarom is een vraag die je in menig opstel omtrent kunst en cultuur veelvuldig zult terugvinden. Het is een typische vraag die jonge kinderen op een bepaalde leeftijd beginnen te stellen, tot vervelens toe. Oudere mensenkinderen vergeten die vraag wel eens.
Het begon met deze treffende foto gemaakt in 1914 door de Duitse fotograaf August Sander (1876-1964) Titel: de weduwnaar.

Hij stelde zich met dit project geen geringer doel dan het in kaart brengen van de volledige maatschappelijke orde van zijn tijd. Het resultaat is zowel een sociologisch project, een historisch document als een fotografisch meesterwerk. Voor dit ambitieuze project hanteerde Sander zeven hoofdcategorieën: De Boer, de Handwerker, De Vrouw, de Standen, De Kunstenaars, De Grote Stad en De Laatste Mens. De portretfotografie van August Sander heeft grote invloed gehad op het werk van latere generaties fotografen.’
Aldus de introductie bij een tentoonstelling van zijn werk.

beitragsfoto-august-sander-preis-2018

„Das Wesen der gesamten Photographie ist dokumentarischer Art,“ so schrieb August Sander in einem seiner Vorträge, die er 1931 im Westdeutschen Rundfunk hielt und formulierte damit einen Kernsatz, der während seiner gesamten Laufbahn für die Arbeitsauffassung des Photographen maßgeblich war.

Het vreemde is dat ik nu net niet het documentaire terugvond in deze prachtige foto ‘de weduwnaar. Hij hoort althans voor mij niet thuis in de grote collectie ‘specimen’ die Sander heeft aangelegd. Foto’s die je als voorbeeld van een bepaalde soort kunt klasseren.

‘Facial features, body language and spatial relationships have changed over time. We are now accustomed to technology and carry evolved cameras in our pockets. Photographic documentation and portraiture now often defined as a ‘selfie’ was once a moment that appeared quite somber. In fact, none of the figures in August Sander’s photographs smile with parted lips. In a few, a slight grin can be detected but for the most part, the participant stares into the lens determined to be remembered. Well, August Sander has succeeded. His ‘Portfolio of Archetypes’ lives on in 2019, a glance into a moment that lasted as long as it took the shutter to snap closed. The life journey is real and while the mechanics of the archive may change over time, the assuredness of yesterday still has the power to reveal an estimation of truth today.’

SANDE13981

Natuurlijk ben ik geboeid door deze aanduiding van ‘soorten’ zoals ze in diverse tijdperken voorkomen, maar net die finaliteit haalt het ‘verhaal’ weg uit hun leven. Ze horen bij een onderdeel van de toenmalige samenleving alsof hun ‘persoonlijk’ bestaan er verder niet meer toe doet met inbegrip van hun emoties of het gebrek daaraan. Beetje oneerbiedig zou ik kunnen zeggen dat het in de eerste vijfenveertig jaar van de 20ste eeuw een Duitse ‘kwaliteit’ was waardoor een verschijnsel als eerste en tweede wereldoorlog meer een kwestie van aantallen en specimen werd dan het persoonlijke leed van enkelingen.

Bekijk het volgende filmpje dat gemaakt is naar aanleiding van de intussen beroemde prent ‘3 boeren op weg naar een dansavond’. Door degelijk speurwerk ontdekte de maker wel het ‘persoonlijk’ verhaal van de drie, en dat boeide mij meer dan de wetenschap dat rond 1914 deze drie een specimen waren van de afdeling ‘boeren’.

Het verhaal is al enkele keren tegengesproken, maar al vind ik de dressingcode ook wel boeiend, het levenslot ontdoet ons van uiterlijke kenmerken en dressingcodes zeker in tijden van oorlog. Toch blijft die code ook heden ten dage belangrijk!
Nadine Van der Linden schreef daarover in de Morgen van vandaag, 28/5, om de specimen dichter bij huis te ontdekken als ze het heeft over de kledingcode van de succesrijke jonge politici ter uiterste rechterzijde:

“Het is bijna een kledingcode”, legt cultuursocioloog Walter Weyns (UAntwerpen) uit. “Ze straalt solide waarden uit. Kwaliteit. Nostalgie. Daarmee zetten deze politici zich af tegen de bontheid die een kenmerk is van diversiteit. Metroseksuele mannen die make-up gebruiken of fuchsia dragen? Niet bij hen. Genderfluïditeit waarbij de grens tussen man en vrouw vervaagt? Neen, bedankt. Softe types op sandalen? Neen, net zoals de regenboogkleuren van de lgbt-gemeenschap. Niet te exuberant, dat is het motto. Het is de kledij die vroeger door autoverkopers werd gedragen, om vertrouwen uit te stralen.
(”de Morgen, Nadine Van Der Linden”)

Collage_Fotor4-manschap

Tenslotte terug naar de weduwnaar van August Sander.
Mocht je nu de titel niet kennen dan zou het net zo goed over een vader en zijn twee jonge zonen kunnen gaan. Hij helemaal in het pak, uitvoerige horlogeketting, zij, zoals ze ’s zondags thuis rondlopen maar ook met horloge in het bovenzakje van het zondagse hemd, een statussymbool, een letterlijk bij de tijd zijn.
Hij, de vader, kijkt niet naar de camera noch naar zijn kinderen die ons beiden in de ogen kijken. Zijn blik is nergens naar gericht. Hij is in een andere wereld dan degene die wij zien. Wij weten door de titel waarom maar zelfs zonder die wetenschap is de zachtheid van zijn kijken wellicht a-specifiek voor de welstellende burger van toen en daarom juist zo boeiend. Zo treffend.

618e248f-d7a8-4766-ac37-b29385c86a45

Von der großen Resonanz die Antlitz der Zeit erhielt, zeugen viele Besprechungen, so beispielsweise von Kurt Tucholsky oder Walter Benjamin, der besonders auch auf die aufklärerische Wirkung des Portraitwerks vor dem Hintergrund der drohenden nationalsozialistischen Herrschaft hinwies, was sich heute wie eine Vorahnung auf das Kommende liest. Fünf Jahre später wurden die Druckstöcke zu Sanders Antlitz der Zeit von den Nationalsozialisten zerstört und der weitere Vertrieb des Buches eingestellt; ein Berufsverbot – wie häufig zuvor vermutet – wurde jedoch nicht verhängt.

https://vimeo.com/72119568

Of om te eindigen: de tegenstelling. Vervolgde en vervolger. ‘Il n’y avait qu’ August Sander pour proposer dans son oeuvre une juxtaposition de la société allemande; persucutés d’ un côté, et nazis de l’autre. (Sophie Nagiscarde, commissaire de l’ exposition August Sander, persécuteurs des Hommes du XXe siècle, au memorial de la Soah à Paris 2018.)

Het kan ons allen overkomen en wie bepaalt bij welke kant we horen? Wijzelf?

838_bourreaux

 

The Unknown Citizen, W.H. Auden

8291573_f520

The Unknown Citizen

W.H. Auden 1907-1973

(To JS/07 M 378
This Marble Monument
Is Erected by the State)

He was found by the Bureau of Statistics to be
One against whom there was no official complaint,
And all the reports on his conduct agree
That, in the modern sense of an old-fashioned word, he was a
saint,
For in everything he did he served the Greater Community.
Except for the War till the day he retired
He worked in a factory and never got fired,
But satisfied his employers, Fudge Motors Inc.
Yet he wasn’t a scab or odd in his views,
For his Union reports that he paid his dues,
(Our report on his Union shows it was sound)
And our Social Psychology workers found
That he was popular with his mates and liked a drink.
The Press are convinced that he bought a paper every day
And that his reactions to advertisements were normal in every way.
Policies taken out in his name prove that he was fully insured,
And his Health-card shows he was once in hospital but left it cured.
Both Producers Research and High-Grade Living declare
He was fully sensible to the advantages of the Instalment Plan
And had everything necessary to the Modern Man,
A phonograph, a radio, a car and a frigidaire.
Our researchers into Public Opinion are content
That he held the proper opinions for the time of year;
When there was peace, he was for peace: when there was war, he went.
He was married and added five children to the population,
Which our Eugenist says was the right number for a parent of his
generation.
And our teachers report that he never interfered with their
education.
Was he free? Was he happy? The question is absurd:
Had anything been wrong, we should certainly have heard.
(From Another Time by W. H. Auden, published by Random House. Copyright © 1940 W. H. Auden, renewed by the Estate of W. H. Auden. Used by permission of Curtis Brown, Ltd.)

The Unknown Citizen, with its long rambling lines and full rhyming end words, has a bureaucrat as speaker paying tribute to a model individual, a person identified by numbers and letters only. It is delivered in, some might say, a boring monotonous tone, a reflection of the bureaucracy under which the citizen served. The poem is a powerful reminder to us all that the state, the government, the bureaucracy we all help create, can become a faceless, indifferent and often cruel machine. It raises the two important questions – Who is free? Who is happy?

3380746211_11b7d49c2c_b

Dat waren vragen van Andrew Spacey die het gedicht besprak in Owlocation
Auden schreef het gedicht in 1939, op een keerpunt in zijn leven toen hij Engeland verliet en uitweek naar de USA. Hij was gehuwd met Erika Mann, dochter van Thomas om haar uit de brutaliteit van de nazis te redden.

nussbaum-refugee

(Felix Nussbaum (Osnabrück 1904- Auschwitz-Birkenau 1944), The refugee, Brussels 1939)

Auden was a gifted craftsman as a poet, writing long, technically astute poems but he also embraced the move towards free verse, combining both modern and traditional elements. The human condition was his main focus, but he did say that:

“poetry is not concerned with telling people what to do, but with extending our knowledge of good and evil…”

Teacher, essayist and social commentator, but above all a poet, he continued to live in the USA, after becoming a citizen in 1946. New York city was his home for many years.

(https://owlcation.com/humanities/Analysis-of-Poem-The-Unknown-Citizen-by-WHAuden)

quote-in-the-nightmare-of-the-dark-all-the-dogs-of-europe-bark-and-the-living-nations-wait-each-w-h-auden-303066

tom lovellchrismas morning

(Tom Lovell Christmas Morning 1939)

felix-nussbaum

Felix Nussbaum studied art in Hamburg in 1922 and a year later continued his studies at the Lewin-Funcke Schule in Berlin. Between 1924 and 1929 he studied at the Vereinigten Staatsschulen für Freie und Angewandte Kunst. In 1932 he was awarded the Rome Prize and with it a scholarship to study at the Villa Massimo in Rome. Following the Nazi rise to power, he wandered through Europe and in 1935 sought refuge in Belgium for himself and his partner, the artist Felka Platek. Initially, the couple lived in Ostend; two years later, they moved to Brussels. Following the German occupation of Belgium in May 1940, Nussbaum was arrested and interned in the Saint Cyprien camp in southern France. Several months later, he escaped and returned to Brussels, where he went into hiding with his wife. He created dozens of artworks reflecting the anguish of the persecuted Jews. Only with the help of friends, who secretly safeguarded the works, did these survive the war. In June 1944 the couple was denounced, arrested, and transferred to the Mechelen camp. In July they were deported on the last transport from Belgium to Auschwitz-Birkenau, where they were murdered. (hieronder: Masquerade, 1939)

Nussbaum - Masquerade

 

Deze geuren zijn zo week…

 

P3010391

Kort was de tijd voor de seringen.
Ze brandden diep purper, andere zacht rose. Maar vlug regende het honderde kleine bloempjes op de grote tuintafel. Alsof je pas bij hun sterven ontdekt dat de trossen uit ontelbare kleine fijne enkelvoudige bloemetjes bestonden.

P3010456
Het beeld is heel menselijk. Teruggetreden uit het leven word je zichtbaar.
Vanop de rotsachtige heuvelhellingen van de Balkan, daar kwamen ze vandaan.

P3020006

Op de teruggesnoeide hedera verzamelden zich een streepje bladeren.
Als vogeltjes dicht bij elkaar op een tak, zei Marie. Hedera hibernica, grootbladige klimop.
Hij komt uit Ierland. Maar hij was thuis langs de Atlantische kusten van Portugal tot Ierland.
Hij is een bodembedekker maar hier hangt hij in de lucht fraai te wezen. Klimmen kan hij als geen ander.

marie cassat
Nu nog enkele droge dagen om buiten het steeds latere licht te vieren.
Ik lees dat je van seringenbloemetjes siroop kunt maken.
‘Heerlijk met water, witte wijn of cava.’ volgens de moestuin-weetjes.

In het dialect hebben ze wel 50 verschillende namen:
Belzemienen (Neerpelts), Jozzemeene (Mechels), Krûûnnoahels (West-Vlaams), Baalzemienen (Lokers), Stansemeien (Menens), Nejgelkes (Hasselts), Jeseminnen (Antwerps), Zeezemienen (Brugs). Zjasmien (Veurns) enz. Zjuzzemiene (Onze-Lieve-Vrouw-Wavers) enz.

Bij luidop zeggen muziek verzekerd.
En van dichter Willem de Merode (1887-1939) dit mooie gedicht:

De seringen

Deze geuren zijn zo week als ’t strelen
Van een hand door zijïg zachte haren.
O hun vleiïng die het bloed met zware
Slagen door de vingeren doet spelen

En dan zachtjes tempert tot bedaren.
En een vreemde droefheid glijdt met hele
Lichte aarzelingen in vervelen
Over, en een lusteloos strak staren.

O dit wreed genadeloze dringen
Van uw schone rouw, paarse seringen,
Tot ons denken, tot ons vlotte bloed,
Is gelijk een overmacht van minnen,
Die ’t weerstreven der nerveuze zinnen
Sidderend zich onderwerpen doet.

Het Kostbaar Bloed (1918-1921)

Collage_Fotortuin

tumblr_phmghkf2811rx0l7qo1_1280

schilderijen van Marie Cassat (1844-1926) en Jean Brusselmans (1884-1953)

‘Catch of the day’, Finuala Dowling

pryanishnikov 1882

Vangst van de dag

Mijn therapeute schudt haar hoofd.
‘Het is complexer dan dat, zegt ze.

Zelfs als ik aarzelend begin:
Voor mij schijnt het, zeg ik –
haar hypothese-stijl imiterend,
haar kikkervisjes van mijn eigen analyse voorspiegelend –
Hierin ben ik opnieuw fout.

Leven kun je niet als een vis binnehalen.

Daarna laat ze me buiten.
Mijn auto staat beneden onder een gomboom
en ik wil zeggen:

Voor mij schijnt het dat wat we hier bekijken
een witte Toyotta Carolla is, geparkeerd onder een gomboom.

Juist voor één moment zonder dubbelzinnigheid !
Om aan te voelen -zelfs maar even-dat ik gelijk heb,
dat ik vasthou -zelfs maar kort- het ding dat me ontglipt.

Onder de eucalyptus
slaapt mijn Toyata vredevol

maar hij is geen vis.

Neen, Het is complexer dan dat.

Resized_20171021_123654-01_9022

Catch of the Day

My therapist shakes her head.
It’s much more complex than that, she says.

Even if I begin hesitantly:
It seems to me, I say –
mimicking her style of hypothesis,
dangling before her some tadpole of my own analysis –
I’m wrong again in this.

Life cannot be scooped up like a fish.

Afterwards she sees me out.
My car is parked beneath a gumtree
and I want to say:

It seems to me what we are looking at here
is a white Toyota Corolla parked beneath a gumtree.

Just to have one moment with no ambiguity!
To feel – even once – that I’m right,
that I’m holding – however briefly – the thing that slips away.

Beneath the eucalyptus
my Toyota sleeps in peace

but it is not a fish.

No. It’s much more complex than that.

georges-one-17-michael-ward-canvas-print

Finuala Dowling was born in Cape Town in 1962, the seventh child of radio personality Eve van der Byl and broadcaster/copywriter Paddy Dowling. Her previous novels are What Poets Need, Flyleaf and Homemaking for the Down-at-Heart, which won the 2012 MNet prize for fiction. The Fetch is her fourth novel.

Dowling established her literary career as a poet. Her first collection, I flying, won the Ingrid Jonker Prize; her second, Doo-Wop Girls of the Universe, was a co-winner of the Sanlam prize, and her third, Notes from the Dementia Ward, won the Olive Schreiner Prize. She has been invited to read her poetry internationally.

In addition to novels and poetry, Dowling has published short stories in national and international anthologies, and has had plays and skits performed on stage and radio. She has published widely in the field of education.

Dowling is currently senior lecturer in the Centre for Extra-Mural Studies at UCT. She has a D.Litt from Unisa, where she taught English for several years. She has also taught English and creative writing at the University of Stellenbosch. She was married to the late writer, actor and raconteur, Guy Willoughby, and has a daughter, Beatrice.

·Finuala is an Irish name which means “white shoulder” and relates to a myth about a swan.
·She has given readings of her work at the Aldeburgh Festival in the United Kingdom, as well as at various literary festivals in South Africa.
·Along with her sisters, Cara and Tessa Dowling, she has formed a theatre company called Dowling Sister Productions. They have regular music and reading events, as well as cabaret performances.

1550241 Jones 20180427

Prises de la Journée

Mon thérapeute secoue la tête.
C’est beaucoup plus complexe que cela, dit-elle.

Même si je commence à en hésitant:
Il me semble, dis –je –
imitant son style de l’hypothèse,
pendantes devant elle quelques têtard de ma propre analyse –
Je suis de nouveau mal dans ce.

La vie ne peut pas être ramassé comme un poisson.

Par la suite elle me voit.
Ma voiture est garée sous un kijiji
et je tiens à dire:

Il me semble que ce que nous recherchons ici, c’
blanche est une Toyota Corolla garé sous un kijiji.

Juste pour avoir un instant sans ambiguïté!
De sentir – encore une fois – que je suis de droite,
que je suis holding – même brièvement – la chose qui se dérobe.

Sous les eucalyptus
ma Toyota dort en paix

mais il n’est pas un poisson.

Pas de. C’est beaucoup plus complexe que cela.

buckinghamscopperjohn

https://www.theguardian.com/books/booksblog/2019/may/13/poem-of-the-week-catch-of-the-day-by-finuala-dowling

Poème de la semaine: les prises de la Journée par Finuala Dowling

2020-toyota-corolla-sedan

 

Woelen en staren, een kortverhaal

341806_1_m

Ben je nog geen veertig dan is ‘slapeloosheid’ niet dadelijk verontrustend. Ze wijst waarschijnlijk op een te kort of een te veel aan dagelijkse activiteiten. Ze wordt opgelost met een kop warme melk, een fikse avondwandeling, een tranquilizer of een yoga-oefening, al naargelang de levensovertuiging van de slapeloze.
Blijft ze echter aanhouden en heeft de slapeloze de hierboven geciteerde hulpmiddelen in voldoende mate aangewend dan blijven er slechts weinig andere wegen dan tenslotte het dichterschap of de carrière van nachtelijk denker, ook wel eens filosoof-bij-nacht genoemd.
Noch met poëzie, noch met filosofie was Hendrik Diependaele meer dan de gewone sterveling bekend. Hij hoorde wel eens een gedicht op de radio of bij een begrafenis, waarbij hij zich telkens afvroeg of de maker ervan niet beter ‘ik zie het niet meer zitten’ of ‘ ik ben gek op jou’ kon zeggen. Hij filosofeerde ook wel eens over het bestaan maar die activiteit was dan gericht op een naderende loonsverhoging en zijn vage plannen wat hij daar in de toekomst mee ging doen, als hij al iets deed.

tumblr_n300iimmhk1r5iroio1_1280

Samengevat: poëzie en filosofie waren Hendrik Diependaele slechts bekend wanneer ze ofwel onafwendbaar ofwel in nuttig opzicht in zijn leven verschenen.
Toch leed Hendrik aan een niet te verklaren slapeloosheid.
Keek hij slaperig en geeuwend naar de uitzendingen van de nationale of een commerciële zender, hij was klaar wakker en kiplekker eens de klok middernacht naderde en de mensheid rond dit tijdstip het staande leven met het liggende verwisselde.
Hij dronk eerst een kop gesuikerde melk, een recept van zijn grootmoeder die na inname het bewijs leverde met een serie geeuwen waarbij de andere huisbewoners onmiddellijk uit hun sluimer wakker schrokken, terwijl Hendrik alleen last van een dunne stoelgang kreeg.

1334_50968646f03d358c0c3475194eaf2bdd_1000
Wierp hij zich daarna op de yoga-oefeningen dan bracht dat al vlug een platonische verhouding met de iets oudere yoga-lerares met zich mee die hem bij ‘-in-ademen-en-weer-traagjes uitademen zo hulpeloos en liefelijk leek dat hij bij herhaling van de oefeningen alle vormen van uitgestelde opwinding over zich heen voelde komen in plaats van de rust die hem in Morfeus’ armen moest drijven.
De derde remedie, de fikse avondwandeling, bezorgde hem een flinke bronchitis zodat hij tot vroeg in de morgen kuchend en hoestend zichzelf en de geburen wakker hield.
Tenslotte probeerde hij heel voorzichtig de ‘milde’ tranquilizers zoals ze door de farmaceutische religie werden aangeprezen. Hun mildheid strekte zich niet verder uit dan een vermeende ontspanning, en die ontspanning gaf hem dan zo’n zin tot arbeiden dat hij tot in de vroege uurtjes zijn klantenlijsten en boekhouding aanvulde en moe in slaap viel, net voor de wekker met fel geluid het uur van opstaan aankondigde.
Uitgeput, bleek en suf offerde hij tenslotte een kaars bij het beeld van de heilige Rita, patrones van de hopeloze gevallen. Maar ofwel was de heilige niet te paaien met een dun gedraaide kaars van twee euro vijftig, ofwel catalogeerde zij slapeloosheid bij ‘beproevingen’ die ieder mens overkomen, een peulschil overigens bij het verdienen van de eeuwige rust in het hiernamaals.

insomnia

Hendrik Diependaele bleef inslapen voor het televisietoestel en werd klaarwakker eens de nacht de mensenkudde naar hun ‘sponde’ dreef.
’Dvd’ s over de schaapherders van Anatolië, de vreedzame winterslaap van egels, of de panfluit-door-de-eeuwen heen, het luisteren naar de nachtradio die uitgerekend op rustige uren de meest wilde fantasieën van componisten wist te verklanken, het mocht niet baten. Hij bleef klaarwakker.
Wiskundige problemen, een uitgestorven taal, het van buiten leren van de beurskoersen of het pie-getal met zevenenzeventig getallen na de komma, zijn geest bleef naar meer verlangen tot het morgen werd.

d3ow23-29519feb-d687-496f-94a2-52d356d7aec5
Hij wilde best het leven met een vrouw proberen, maar waar zij na gedane liefelijke eenwording diep in slaap viel, bleef hij alleen op een eiland van onrust en zin tot herhaling achter, wat hem na enkele maanden een onfrisse bijnaam bezorgde.
‘Nachtarbeid!’ dat zou de oplossing zijn.
Hij liet zich als ongeschoolde arbeider aanwerven, maar de krachtinspanningen die hij toen moest leveren waren echter zo miniem dat hij ook overdag nog klaar wakker was. Er waren immer ‘gastarbeiders’ in overvloed om het werkelijk zware werk te presteren zodat de inlandse bevolking ‘op de spade geleund’ zich kon overgeven aan grappen en grollen over homo’ s, joden gekken en vreemdelingen.

Ten einde raad dacht Hendrik Diependaele eraan zijn wakkere uren op te vullen met het schrijven van een steungevend boek voor andere slapelozen.
‘Woelen en staren’ zou de titel zijn. ‘Een ervaring van een slapeloze’ als ondertitel.
Een uitgeverij, gespecialiseerd in het op de markt brengen van levensboeken, vond het een uitstekend idee en Hendrik Diependaele kreeg een contract.
Hij kocht tweehonderd velletjes extra-strong voor de printer, evenveel gelijnde pagina’s en een nieuwe vulpen waarmee hij de eerste proef zou uitschrijven.

insomnia2

‘Ook ik woel, ook ik staar…’ schreef hij, maar dan liet de inspiratie hem in de steek. Het schemerde voor zijn ogen en plotseling overviel hem een sinds lang onbekende vermoeidheid.
Het hoofd op het nauwelijks beschreven blad viel Hendrik Diependaele in een diepe slaap nog voor de klok twaalf nachtelijke slagen sloeg.
En elke nacht als de slaap niet kwam, ging hij bij zijn lege schrijfblok zitten, herlas hij de eerste zin, ook ik woel, ook ik staar, en probeerde hij een vervolg te bedenken.
Maar dat was niet meer nodig want één blik op zijn bundel papier volstond om een weldoende moeheid te voelen opkomen.

Hendrik Diependaele is een uitstekende slaper geworden.
Het boek ‘Woelen en staren’ wacht echter op een andere schrijver.

Night_and_Sleep_-_Evelyn_de_Morgan_(1878)

JEANNE MAMMEN, nur 2 Augen sein…

kaft bio

Gertrude Johanna Luise Mammen wordt op 21 november 1890 in Berlijn geboren. Een lang leven voor zich dat zich tot het jaar 1976 zal uitstrekken. Het jongste kind van wat men in mooi Duits…’Kind einer gutbürlichen, weltoffenen und ausgesprochen liberalen Familie’ noemt.
Mama is Ernestine Delhaes, in 1859 in Aachen geboren, en werkte voor haar huwelijk als taallerares. Vader, Gustav Oskar Mammen in hetzelfde 1859 in Plauen geboren, telg van een oude oostfriese, ver vertakte en uiterst succesrijke koopmansfamilie.
Een beroemde grootoom van Jeanne Mammen was Franz August Mammen (1813-1888) ‘ein Industrieller und liberaler Politiker’, die met een compagnon een lingerie- en een broderiefirma had overgenomen.
Met Oskars Mammen’s vader zorgden ze voor een heuse industriële innovatie in Plauen (nog steeds aanwezig!) door een machine gestikte ‘Tüllspitze’ (raschel-kant) te produceren die naar Frankrijk, Noord-en Zuid Amerika, en vooral naar Frankrijk werd uitgevoerd als ‘dentelles de Saxe’ en ‘Saxon laces’.
Ik heb nog een mooie ‘postkaart’ van iets latere datum gevonden met publiciteit voor dit product.
(Ze kregen in Parijs een aantal prijzen en eervolle vermeldingen voor deze uitvinding op de wereldtentoonstelling van 1900.)

ishot-6
Het netwerk van deze nijvere koopmannen strekte zich via Plauen uit naar Berlijn, Parijs, Londen en New York.
Oskar werd dus ook koopman en leerde in Parijs Ernestine Delhaes kennen. Daar werd ook de eerste dochter Louise geboren, Loulou in de omgang. (1882)
Het blijft niet bij Saksiche kant want in 1885 neemt papa samen met de broers Emil en Robert Mosig de gerenommeerde lettergieterij Theinhardt in Berlijn over. (Ze waren o.a. beroemd wegens hun ‘hiërogliefen-schrift!) En het is die lettergieterij die het middelpunt van het familieleven wordt. In 1886 volgt broertje Oskar, in 1888 Adelina en tenslotte in 1890 Gertrude Johanna Luise.
Het ouderlijk huis is duidelijk frankofoon ingesteld dus worden de meisjes als Loulou, Mimi en Jeanne aangesproken.
Onrustige tijden zijn het, want onder de naam ‘Mammen’ vinden we wisselende woon- en werk-adressen in de Berlijnse adresboeken uit die periode.
Rond de eeuwisseling verhuizen ze terug naar Parijs.

de voorspelster
In 1901 verkoopt Oskar Mammen zijn aandelen van de lettergieterij en dat blijkt een goede beslissing want ook in deze tak zijn het alleen de grootsten die zullen overleven. Hij investeert in Parijs in een Franse glasblazerij en tegelijkertijd vermoeden we dat hij ook de familie-producten uit Plauen verhandelt.
Zijn handelsadressen: 32, Boulevard de Strasbourg (articles de bazar) en 80, Boulevard Magenta.
De familie betrekt een villa in 37, Rue de Boulainvilliers in Passy in het 16de arrondissement van Parijs.
Het is een exclusief stadsdeel aan de rechter Seine-oever, ‘in dem vornehmlich das gehobene Grossbürgertum angesiedelt ist.’
Daar groeien de kinderen op, ieder naar hun begaafdheid en interesses. Meisjes of jongen, de best mogelijke schoolopleiding zullen ze krijgen.
De oudste, Loulou had, voor ze in een defitg meisjespensionaat in de omgeving van Brussel verbleef, in Berlijn de Charlotteschule bezocht, een school die een leidende rol in de Pruisische meisjesopvoeding speelde. En met een moeder als ex taallerares werd ook thuis de opleiding verder gezet.
In Parijs bezochten de zusjes het Molière lyceum, dat bij de groeiende vrouwenbeweging een voorname rol heeft gespeeld. De leraressen moedigen de meisjes aan na hun schoolopleding een studie te beginnen en zich geen enkele beperking te laten opleggen.
Ze zullen de wereld slechts vanuit wetenschappelijke kanten leren bekijken, echter zonder haar schoonheid uit het oog te verliezen. Muzische vorming is dan ook zeer belangrijk.

638738

‘Viele der Absolventinnen erobern die Hochschulen, erwerben Abschlüsse in Medizin, Philosophie, in den Rechts- oder Naturwissenschaften, einige kehren als Professorinnen an ihre ehemalige Schule zurück. Hervorragende Lehrerinnen unterrichten hier, zu Jeannes Schulzeit unter anderem Blanche Adèle Moria (1859–?), die ihre künstlerische Ausbildung an der Académie Julian erhalten hatte.’

Dat er de nodige discipline heerste, hoeft niet gezegd. Als je naar een school gaat die in het park van kasteel Boulainvilliers ligt dan is een voorbeeldige ‘levenswandel’ ten zeerste aangeraden.
Al op dertien jaar is Jeanne een grote liefhebster van Franse literatuur: Alphonse Daudet, Gustave Flaubert, Emile Zola en Victor Hugo. Ze spreekt Duits en Frans en zal later door haar vele reizen ook vlot Spaans en Engels leren.
Als ze 85 is terugkijkend op haar kindertijd :
‘… so gradlinig wie eine Rakete. Es war ein großes Glück, trotz aller Pein das Beste, was mir passieren konnte.’

02_Boring-Dolls-1920s

Na hun schoolopleiding aan het lycée Molière schrijven zusjes Jeanne en Mimi zich in bij een van de meest gerenommeerde kunstacademies van die tijd: de Julian-academie. Van 1907-1908 volgen ze de lessen in het ‘damesatelier’ 55, Rue du Cherche-Midi.
In het kasboek van de academie betalen ze voor 35 weken en kunnen ze er ook kunst-materialen kopen, een welgekome inkomstenbron voor de school.

‘Zahlreiche private Kunstakademien boten eine Konkurrenz zu den offiziellen staatlichen Kunstschulen, an denen bis 1897 auch in Frankreich Frauen nicht zugelassen waren. Zudem wurde Ausländern durch äußerst schwierige Französischprüfungen eine Aufnahme erschwert; das auf 30 Jahre festgelegte Höchstalter war ein weiteres Hindernis für die Aufnahme in die staatliche Kunsthochschule École des Beaux-Arts.’

07_Mammen_CarnivalinBerlin

De vrij onconventionele ouders bieden de nog niet volwassen kinderen hun vrijheden: daarbij horen het door Parijs slenteren om het dagelijkse leven van de bewoners te observeren, en het mee te beleven, ‘auch zu spätere Stunde’.
In november 1908 beëindigen ze hun Parijse studie en gaan ze naar Brussel en laten zich aan de Académie des beaux-Arts inschrijven. (op dat moment verbleef hun oudste zus Loulou ook al in onze hoofdstad.)

01_balcony

‘Brüssel gilt zum Ende des 19. Jahrhunderts als Zentrum des Jugendstils, besonders für die Architektur, und ist längst aus dem Schatten von Paris hervorgetreten. Die 1711 gegründete, traditionsreiche Académie Royale hat den Rang einer bedeutenden Lehrstätte und nimmt zunehmend Einfluss auf die Entwicklung des Realismus, des Symbolismus, des Impressionismusund des neu entstehenden Expressionismus. Seit 1889 ist es hier auch Frauen gestattet, an einer Klasse für Fortgeschrittene teilzunehmen und sich gleichberechtigt an den Kunstwettbewerben zu beteiligen. Gründe genug für die Geschwister, nach Brüssel zu wechseln. An der Académie Royale sind Jeanne und Mimi ab November 1908 eingeschrieben. Sie belegen die Kurse in »Malerei nach der Natur« und »Figurenzeichnen«. Sie wohnen in der Rue d’Edinbourg 34 bei Mademoiselle Michelot zur Untermiete.’

Ze studeerden er anatomie, mythologie en architectuur, esthetiek en literatuur.

‘Wir mussten furchtbar arbeiten: von acht Uhr früh bis zehn Uhr abends. […]. Man war den ganzenTag auf den Beinen: morgens malen, abends zeichnen, nachmittags malen, dazu die ganzen Kurse.«

En natuurlijk bezoeken ze ook de opera en andere ‘gezellige’ plaatsen..

Jeanne-Mammen-27

Sie sind in ihrem Paradies. Beide Schwesternerhalten Preise und Auszeichnungen, als 18-Jähriger wird Jeanne 1909 die Medaille für Komposition verliehen: »ich habe einen Kuß und 150 Francs bekommen.«

Ook de bibliotheek vindt bij Jeanne veel aantrek. Literatuur zal haar blijven begeesteren.
Voor een korte cursus zijn ze weer in Parijs bij Julian, daarna terug naar Brussel en in 1911 een studiereis naar Rome aan de Scuola Libera del Nudo dell’ Academia di Belle Arti di Roma.

Ein Studienkollege aus Brüssel, Louis Buisseret (1888–1956), der 1911 von der Stadt Antwerpen den Prix de Rome für Radierung erhalten hatte, ist ebenfalls in Rom. Er hat Jeanne Mammen eine aquarellierte symbolistische Bleistiftzeichnung einer jungen Frau mit einem Absinthglas vor sich auf dem Tisch und mit dem Tod im Hintergrund gewidmet:
»A Mademoiselle Jeanne Mammen avec toute mon admiration«, die sie in ihrem Atelier aufbewahrt hat.

15_two

In 1912 keren Jeanne en Mimi terug naar Parijd en richten er elk hun eigen atelier in waar ze ook hun werk voor vrienden tentoonstellen. Maar weldra zijn weer terug in Brussel waar ze ook een atelier inrichten.
In hun schetsboeken vinden we resultaten van hun dagelijkse observaties:

‘Sie zeigen ihre außerordentliche Beobachtungsgabe und Fähigkeit, Gestalt, Gestik und Bewegungen der Menschen lebendig einzufangen und die charakteristischen Wesenszüge treffsicher darzustellen. Hier wird deutlich, dass Jeanne Mammen ihre Studien nicht nur am statischen Modell im Atelier betreibt. Für sie ist es eine äußerst fruchtbare Zeit, in der sie weitere Motive und Inspiration vor allem auch aus der Literatur schöpft. Um 1910 bis1914 entsteht ihr erster geschlossener Werkkomplex, das symbolistische Frühwerk, mit etwa 50 aquarellierten Bleistift- und Tuschzeichnungen, darunter ihre Illustrationen zu einem ihrer Lieblingsbücher, Gustave Flauberts La Tentation de Saint Antoine.’

605424

Bij het begin van de eerste wereldoorlog verandert het leven voor de familie Mammen. Ze worden als Duitsers tot vijandige buitenlanders verklaard. Begin augustus 1914 verlaten Jeannes ouders Parijs en vluchten ze via Brussel naar Nederland. Begin 1915 wordt het familie-vermogen onder curatele geplaatst (in beslag genomen). Het echtpaar Mammen is dan al in Berlijn aangekomen. Daar wonen ze in de Motzstrasse 33. Er wordt niet getreuzeld, vader gooit zich in levensmiddelen en conserven. Jeanne’s broer Oskar wordt opgeroepen als soldaat. Loulou leeft bij familie in Plauen en begin een secretaresse-opleiding en komt daarna naar Berlijn.
Jeanne en Mimi verlaten in 1915 Brussel en we vinden ze een tijdje daarna terug in Berlijn.
De drie meisjes proberen op eigen benen te staan en in 1916 bespreekt das Kunstgewerbeblatt werk van Jeanne en Mimi.

Jeanne-Mammen-The-Observer-main3

‘Auch die übrigen, hier abgebildeten Zeichnungen geben Zeugnis von dem zeichnerischen Können der beiden Künstlerinnen und ihrer Befähigung, entweder ein eigenes, inneres Erlebnis auszusprechen, oder mit Phantasie den Werken der Dichter nachzubilden.«
Het satirische tijdschrift ‘Lustige Blätter’ geeft tijdens de oorlogsjaren een aantal boeken uit waarvan de zussen er een enkele illustreren.
Na de oorlog zorgt vader voor een extra ruimte: het vroegere foto-atelier van Karl Schenker waar ze hun atelier inrichten
En dan de twintiger jaren! In Berlijn. Werk in kunst- en modetijdschriften, en de vriendschap met Steffie Nathan (1895-1972) die na een jaar kunstopleiding in Berlijn schilderwerk en grafiek verzorgt voor verschillende tijdschrijften. Er ontstaat een intense briefwisseling die ook nog na Steffie’s vlucht naar Engeland zal blijven voortduren.

jeanne-mammen-gold-fischfang

Grace and guts: that was how Kurt Tucholsky described Jeanne Mammen’s figures in 1929. Her urban milieus teeming with divas, vamps and cheeky hussies were all the rage in the illustrated and satirical magazines of the 1920s. The readers were above all trendy young women who worked in the big city offices. The cosmetics and fashion industries were booming, while advertising and mass media promoted the image of the New Woman. The press had a special penchant for athletic and ladylike types. Jeanne Mammen created one for the cover page of “Schöne Frau” in 1926: the face, cropped by side strips, appears very narrow, an impression reinforced by the long neck. A black forehead curl sets up a contrast to the pale face with its blue eyes darkly lined, slightly curving brows, beauty spot, discreet rouge to match the pink of the stripes and perfect lipstick. The lady wears drop earrings to match her eyes. This is the cool elegance of art déco. (Berlinische Gallerie)

Jeanne-Mammen-40

Jeanne heeft talrijke reizen ondernomen om andere landen en culturen te leren kennen. Naast haar schilderwerk en literatuur is reizen haar derde ‘Leidenschaft’. Haar grote liefde is de zee, het strand, de verwilderde duinenlandschappen. In 1929 aquareleert ze in Nida/Nidden in Litauen, maar ook daarvoor en daarna vaak in De Panne en Oostende.

oostende am strand

In diesen Jahren wird Jeanne Mammen zu einer Chronistin der »wilden Zwanziger«. Sie zeichnet und aquarelliert die neue, selbstbewusste Frau in ihren Rollen im Großstadtdschungel, den Vamp, die junge Naive, die Spießerin, die Intellektuelle. Sie schildert Szenen auf den Straßen, in den Cafés und Clubs, den Kneipen und Kaschemmen, im Milieu des Proletariats. Sie porträtiert die Gewinner und Verlierer im Trubel der Großstadt – die dem Betrachter Geschichten ihres Lebens erzählen. Das trifft den Nerv der Zeit und kommt an. Mit ihrer Art der Darstellung lassen sich die Wünsche der florierenden Printmedien und ihrer Zeitgenossen erfüllen; in ihren Werken paart sich Pariser Esprit mit Berliner Schnoddrigkeit. Und das Fantastische ist – sie kann davon leben. Damit gehört sie zu den wenigen Künstlerinnen, denen das in jener Zeit gelingt. Für sie ist dieser Erfolg besonders wichtig, da sie im Gegensatz zu ihren Kolleginnen Käthe Kollwitz (1867–1945) und Renée Sintenis (1888–1965) darauf angewiesen ist, mit ihrer Kunst auch ihren Lebensunterhalt zu verdienen. In allen namhaften Zeitschriften sind Arbeiten von ihr zu sehen.

13_two_ladiesx550d

Aus dem haarscharf Charakteristischen ihrer Porträtierkunst ergibtsich, wie von selbst, das Karikaturistische. Ob sie porträtiert oder karikiert, es fließt aus der gleichen Intuition und Absicht des Erkennen und Durchschauens. […] Die Menschen, die sie zeichnet oder malt, sind alle Brüder und Schwestern, eine große Familie mit der unverwechselbaren Ähnlichkeit ihrer Herkunft aus der einen Hand und Werkstatt. Diese Menschen sind zugleich komisch und tragisch […]. Das Tragische und Komische fließt in einer Zwischenwelt zusammen, auf einer ge-fühlsproblematischen Ebene […]. Ihre Karikatur mündet darum nie im Witz, nie im Literarischen, sondern in einer tiefen und zwangvollen Anschauung von Welt und Mensch. Jeanne Mammen ist eine Menschen-Darstellerin mit den einfachsten, geradesten und entschlossensten Mitteln der Kunst.«

10_the-redhead

The 1920s were boom years in Berlin. After the First World War, young people flocked to the capital of the new republic in search of work, prosperity and a life of their own choosing, and possibly to escape traditional gender roles. Jeanne Mammen, who had benefited from a progressive upbringing and education in Paris, arrived in the German capital in 1916 impoverished and unemployed. She survived by selling fashion drawings, poster designs and illustrations. In 1920, she moved into a studio in a fashionable neighbourhood downtown west, in a rear tenement right on Kurfürstendamm at no. 29. This was her base for excursions with her pencil and sketch pad into the chic urban bustle of this major boulevard, but also to the gay and lesbian subculture around Nollendorfplatz and the proletarian pubs of Wedding. Back in her studio, she painted watercolours published by satirical magazines and still celebrated today, like “Two Women Dancing” (zie hierboven) (c. 1928).(ibidem) –En als het dansen niet lukt, dan zie je dit:

638794

Een uitgebreide biografie vind je in:

http://www.jeanne-mammen.de/
en daarin een PDF Jeanne-Mammen Biografie

Vooral haar familie, haar jeugdjaren heb ik hier beschreven omdat daar de kern is gelegd voor een rijk en doorleefd bestaan. Met dank aan Cornelia Pastelak-Price en Ines Quitsch. Een Engels overzicht vind je: https://wrldrels.org/2018/11/13/15206/

in de zetel

‘Ik wou gewoon een paar ogen zijn die ongezien door de wereld konden wandelen, alleen in staat om anderen te zien.’

Jeanne-Mammen-The-Observer-main2

VOOR DE VOORSTELLING

WOA_IMAGE_1

Niemand is nog wie hij was.
Loodgieter werd Pierrot,
hoedenverkoopster nu een vrouw van stand
en de pastoor drukt doodsbrieven
terwijl de geliefde bier tapt,
de landeigenaar kinderen onderwijst
en de edelknaap glazen wast.

Onder hun pruiken, in brokaat gekleed
wachten zij, bevolken zij de kleedkamer,
zweven zij tussen wie ze waren en wat ze moeten zijn,
bladeren zenuwachtig door de tekst
en voelen tussen hun schouderbladen
de vleugels groeien waarmee ze uit dat dagelijks lijf gekropen
over de dorpse dagen heersen.

De hoedenmaakster glimlacht vanuit haar pas verworven hoogte,
de drukker zegent herderlijk Pierrot,
de landeigenaar lonkt naar de edelknaap.

De nar zegt dat hij dringend moet.
De lichten doven.
De geliefde zucht.

markt

Er duikt wel eens een werk op van schilder Constant Wauters (door sommigen ook vermeld als ‘Wouters’) (1826-1853) maar je moet al in de diepe documententrommel duiken om een biografisch spoor van enige betekenis te vinden.
Zelf was het thema ‘Voor de voorstelling’ (nu in Hermitage, Sint Petersburg) eerder een aanleiding dan wel de uitvoerder van het genrestuk te belichten, bijgevoegd een markttafereel van dezelfde kunstenaar.
In het tijdschrift ‘De Vlaamse School’ Jaargang 3 1857 deze aandoenlijke tekst:

In 1853, overleed te Napels, in den bloeijenden ouderdom van 27 jaren, de veelbelovende genreschilder Constantinus Wauters van Antwerpen.

Zoon van Jan-Frans Wauters en Joanna – Elisabeth Verel, was deze kunstenaer op 5 juny 1826 geboren. Leerling der koninklyke akademie van Antwerpen, trad hy, by het bereiken der jongelingsjaren, in het werkhuis van den gunstiggekenden schilder Ferdinand de Braeckeleer, alwaer hy zich door gewetensvolle studiën onderscheidde, In 1846, by het openen der Antwerpsche tentoonstelling van schoone kunsten, ontwaerde men in deze verzameling een tafereel des jeugdigen meesters welk in den cataloog onder den titel van den Kranken Schilder stond aengeteekend. Dryjaren daerna, vonden wy van hem dry andere tafereelen: De geredde onschuld, een Toonkunstenaer, en de droomery; in 1852 zag men er een trio en de herinnering, twee doeken die veel van de toekomst des schilders deden verhopen.

De drift om zich in zyn vak te oefenen, deed onzen jeugdigen meester tot de gedachte komen, Italië, het zoo vaek beroemde land te bezoeken; helaes! om er zyne laetste rustplaets te vinden. Te Napels aengekomen, werd Wauters door eene ziekte aengerand, die hem in weinige dagen ten grave voerde. ‘Wat my aengaet, schryft de heer E. Pittore, ik denk nooit aen Constant Wauters zonder een diep gevoel van droefheid en smert; hy stierf zoo jong, verre van de zynen; alléen om zoo te zeggen, hebbende niets om de zorgen zyner moeder te vervangen, dan de opofferingen van Laureys, wiens naem van den zynen niet meer zal gescheiden worden. – Hy had eene schoone toekomst, eene lange baen te doorloopen, en buiten twyfel ware hy gelukkig geweest, want hy bezat al de hoedanigheden des herten die den mensch doen beminnen.’

De tyding der dood van Wauters kwam zyne vrienden te Antwerpen pynelyk treffen. Door één gevoel beheerscht, namen zy het lofweerdig besluit den overledenen een eeuwig gedenkteeken hunner aengekleefdheid op te richten. De bouwmeester P. Dens werd gelast met de plannen des monuments te verveerdigen, terwyl de schilder Jos. Lies het portret zyns te vroeg ontstolen kunstmakkers zou uitvoeren.

_vla010185701ill0089

(Een onzer antwerpsche kunstschilders de heer J.B. Huysmans, die over eenige maenden eene reis in den Oosten deed, heeft te Napels het grafteeken van Wauters op doek gebracht. Dit tafereel werd dezer dagen door den heer Ghémar op steen geteekend.)

Monument en portret werden op 4 juny 1856, in de St-Andrieskerk te Antwerpen ingehuldigd, in tegenwoordigheid van een aenzienlyk getal kunstenaren en vrienden des overledenen; de geleerde heer P. Visschers, Pastor van St-Andrieskerk, hield te dier gelegenheid een redevoering, welke wy gelukkig genoeg zyn hier te kunnen mededeelen.

Of het daar nog steeds aanwezig is valt te betwijfelen want ik vond op de website van de kerk geen enkele vermelding bij het intikken van de diverse betrokkenen.

Om maar te zeggen dat elke ‘voorstelling’ ook weer vlug vergeten wordt.

Hieronder, zelfde thema, een werk van de Duitse Jeanne Mammen (1890-1976), daarover later meer.

638733

DEBORAH TURBEVILLE (1932-2013): an idea of disintegration

20131026TURBEVILLE-slide-U9NP-superJumbo

Wat ze in de modewereld wilde zeggen kon ze best zelf zeggen. Met haar eigen beelden. In haar eigen settings.
‘Ik verwoest het beeld als ik het gemaakt heb,’ zegt ze.
Dat doet ze soms letterlijk. Ze gaat haar foto’s letterlijk te lijf, scheurt ze, gebruikt onderdelen als collages, werkt met een stevige korrel, let niet op de esthetica maar zoekt een atmosfeer.
‘The idea of disintegration is really the heart of my work.’
Maar het staat niet los van de tijd. Niet onmiddellijk de zeventiger jaren maar met verwijzingen naar de pioniersjaren van de fotografie, met de liefde voor het onaffe waarin de verbeelding en niet de afbeelding het haalt.
Hier kom je alleen mee weg als je oorspronkelijkheid telkens weer de bovenhand haalt op de makkelijke manipulatie van het medium. En die oorspronkelijkheid is rijkelijk aanwezig.
Op weg naar ‘a woman’s private world where you never go’ om haar te citeren.
Kom voorzichtig dichterbij, geheimschrift laat zich traag ontcijferen. Daar waar je herkenningen vindt staat de deur op een kier.

original_deborahturbeville_p102-103-jpg

Overall, Turbeville’s work was characterized by a seemingly paradoxical sense of both decay and sensuality. She often set her scenes in decrepit, once-grand interior spaces and framed her shots in such a way that emphasized their cavernous emptiness and amplified the smallness and fragility of her models. She also shot out-of-doors, including in such historically resonant places as the woods of Normandy, France. There, she captured models in attire that appears utilitarian or vaguely militaristic, in poses that seem to suggest soldiers standing in formation or immediately after capture.
Turbeville’s compositions recall those made in the late 19th- to early 20th-century pictorialist style, characterized by a soft-focus, painterly technique, and stylized or romanticized imagery. To further heighten the feeling of removal from the everyday in her photographs, she would manipulate her negatives by, for example, scratching or sprinkling dust on them, or she would intentionally overexpose her prints.

in bos

…or Turbeville, conveying the psyche of the model wearing the clothes was almost more important than showing the clothes themselves. “A woman in my pictures doesn’t just sit there,” she once said. “In what kind of mood would a woman be, wearing whatever? I go into a woman’s private world, where you never go.” (Karen Kedmey, Artsy 2015)

deborah7

“Through a series of vignettes in stills, I wish to use the medium of photography to explain a group of rather eccentric people – sometimes one or two, sometimes many – placed in settings that help describe them. These people perform like a repertory company, often reappearing in different roles. My pictures walk a tightrope. They never know… I am one of the very few ‘enfants terribles’ still claiming to take fashion photography. I am not a fashion photographer, I am not a photojournalist, I am not a portraitist. The photographs are a little like the women that you see in them. A little out of balance with their surroundings, waiting anxiously for the right person to find them, and thinking that perhaps they are out of their time. They move forward clutching their past about them, as if the ground of the present may fall away. Their exteriors seem walled-up and introverted; the interiors endless… airless. The very print quality reflects something in the women that is hesitant, a little faded and scratched; or that, having emerged into a light too harsh, stand frozen in space, overexposed.” (Wallflower 1978)

DTF026+DTF027_Composite_72

Deborah Turbeville was born in 1932, in Boston. Summers were spent in Ogunquit, Maine. ‘Beautiful Place by the Sea’ is the oceanside township’s motto. ‘Very bleak, very stark, very beautiful,’ was Turbeville’s description of it. Life was comfortable – she went to private school. Yet her mother described her as a ‘shy and scary child’. Which is as it should be. The uneasy shuffle of ambiguity is the essence of Turbeville and her work – which itself shuffles between fashion magazine and art gallery, never fully at peace in either place.

deborah2

‘The idea of disintegration is really the core of my work.’

DTF025_Two+Figures+Normandy+Crop_72

‘One of the problems I have with photography in general and my work is that I have an extremely enlarged frame of references, and it’s frustrating sometimes that people don’t understand a photograph. So I wanted to show, if I could, some things that I thought maybe people didn’t understand. I like people to get involved and see that there’s so many influences, between filmmakers, painters, writers, poets, and all the things I’ve absorbed. It’s a big part of what’s important for me.’

slide-847802dc-211f-49d8-b7c7-6ef75fe0b5a5

Deborah was quite independent and liked to be a little mysterious. She loved Russia, the old Russia, and spent a lot of time in St Petersburg. I think, though I may be wrong, that she was a former model, but she was not of the trendy world of fashion. In fact, she was the opposite. She did not follow; she did her own thing. She never called herself an artist and when others did, she would say: “I’m a photographer.”

deborah-turbeville-header-untitled-collage-1280x736

For me, though, she was an artist. She led a kind of revolution in fashion photography with her early work, with the atmosphere and locations, but she was not a fashion photographer. The term is too confining for what she did. She made these beautiful books about places and buildings, like her Versailles book (Unseen Versailles), but I do think her fashion photographs worked against her in the art world. She was always somehow in the middle – between the worlds of art and fashion. She never really fitted into either. (Franca Sozanni, Vogue Italia The Guardian 2013)

zetels

Turbeville’s photographs are recognizable by their grain, by their colors of pastel, sepia, or black and white, and by the image blurring. She sometimes reworks her shots by scraping or taping them with the help of her assistant and collaborator, Sharon Schuster. According to Pete Silverton, these photographs are “consciously damaged goods.” Furthermore, according to Turbeville, “I destroy the image after having created it (…) Erasing a bit in such a manner that it is never completely there…” Or: “The idea of disintegration is really at the heart of my work.” This work of alteration is one of the elements that make Turbeville an artist, as she provokes a reflection on the medium, and the medium is in itself significant. Her images, “scraped, twisted, erased, damaged artificially to give the impression of old clichés, contradict the technical perfection that even an amateur photographer can get these days. Turbeville exposes the lie that with technique and determination an artist who seeks to create imaginative content resonates ambiguities.” “Yes, the images’ apparent stillness hides an undercurrent of violence (…) This violence is reinforced by the artist in her work: she violates her own images.” (Wikipedia)

Deborah-Turbeville-05.nocrop.w1800.h1330.2x

Turbeville picked up a camera in the first place because, as a fashion editor, she was having trouble finding someone to execute the visions she hoped for. Mentored by fashion photography luminaries like Richard Avedon and Bob Richardson, Turbeville soon began shooting her own work full time, leaving the editorial world behind. Rejecting the glossy, sexualized, and female-commodifying style of popular ’70s photographers like Guy Bourdin and Helmut Newton, Turbeville’s work instead turned inward. “It is the psychological tone and mood that I work for.”

Turbeville_Nude_front_mirror_HiRes-691x1024

It is an unorthodox vision, at once haunting and memorable. The characters (mostly women) interact with their strange, elusive environments as anachronisms; misplaced, out of sync with their time and context. A group of Turbeville’s favorite actresses and models (mostly unknown) act as a repertoire cast who interpret these endangered species. Mutations in a mannequin workshop, statues in a Paris art school, automatons in a derelict factory. They reveal inner thoughts, emotions, and a sense of unease. There is a sense of fragmented dreams, dislocation, hallucination, a time without boundaries — ongoing — the past imperfect. (Marisa Bartolucci)

American-Vogue-1975-The-B-006

She photographed her models intimately, yet the emotional gulf between them and the viewer at times seems insurmountable, as though seen through a scrim. What these women might be thinking as they drape themselves over dusty velvet couches, or huddle together in furs over an unlit fireplace can only be known to them, and one senses that was what Turbeville was getting at. “Glamour and beauty don’t always go hand in hand with emotional security and happiness,” she once said. “Sometimes the two go the very opposite ways. Some simple, plain woman out in Wyoming probably has a more pleasant life.” (Max Lakin )

DT-19-CLEAN-16X20-1-1024x682

“I’m not a romantic photographer,” she told one interviewer. “I want to get on people’s nerves. Eerie. Not definitively eerie like Joel-Peter Witkin … mine is a more subtle way.” If her work was to be construed as “romantic,” she said it was in the 19th-century sense of the word. She wanted to be likened to Charles Baudelaire and Edgar Allen Poe.

deborah11

“People started talking about Auschwitz and lesbians and drugs,” Ms. Turbeville recalled in an interview quoted in the 1991 book “Appearances: Fashion Photography Since 1945,” by Martin Harrison. “And all I was doing was trying to design five figures in space.” (Margalit Fox NY Times 25/10/2013)

Screen-shot-2014-01-06-at-5.59.31-PM

https://www.theguardian.com/fashion/fashion-blog/2013/oct/31/photography-deborah-turbeville-fashion

Turbeville was not only prolific and internationally published as an image-maker, but was also a maverick printmaker. She used unusual papers, experimented with toning and alternative processes, and intentionally scratched her negatives, striving to imbueherprints and collageswith a sense of decayand timelessness.

deborah18

http://www.deborahbellphotographs.com/deborah-turbeville

quote-in-my-pictures-you-never-know-that-s-the-mystery-it-s-just-a-suggestion-and-you-leave-deborah-turbeville-88-16-43

traviata-by-deborah-turbeville-06

NEGENTIEN, een verjaardagstekst

78912007-arabisch-cijfer-19-negentien-van-blauwe-vergeet-mij-niet-bloemen-geïsoleerd-op-een-witte-achtergrond

een verjaardags-tekst

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Net voor 2 x 10
En na 2 x 9.
Geklemd, gepriemd:
Negentien (19).

Tweemaal na elkaar:
1919
een jaar waarin miljoenen doden
nog nieuwe namen waren
onder de opgewoelde aarde,
en jij – honderd jaar later-
in 2019
vandaag: 28 april,
negentien werd.

Vanuit de schrijver beschreven
was zijn opa negentien
zes jaar voor de eerste wereldbrand,
en zijn vader negentien
zes jaar voor de tweede wereldbrand,

Wij, de ouders en het kind
werden negentien
in een wereld van alles en iedereen.

1440_1989_13-December_Friends-of-the-Arts-Xmas-drinks-invite-1-1024x768

Jij, het kleinkind
op de rand van gisteren en morgen
-geboren in een sprookjesjaar-
duwt vragend de deur open.

En met jou
al die anderen uit het scharnier
tussen 2 millennia,
besproken maar
ook spraakzaam.

Niets was
wat niet geworden is.

Net voor 2 x 10
En na 2 x 9.
Geklemd, gepriemd:
negentien. (19)

Neen, niet bang
maar lang
zullen ze
leven.

(al dan niet in de gloria)

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Adrian Rice, ‘Breath’

fine-art-photography-inspiration

Het kan ook heel anders, dichten omtrent de dood.
Dat bewijst de uit Noord Ierland afkomstige dichter, nu in North Carolina USA levend, Adrian Rice (1958) besproken als gedicht van de week in The Guardian van 22 april.
Met als ondertitel: A poem about final acts of love that spans playfulness, anger and delicate eroticism.
https://www.theguardian.com/books/booksblog/2019/apr/22/poem-of-the-week-breath-by-adrian-rice

En hier graag in de collectie van onze binnentuin opgenomen.

iStock157397667-880x250

Breath

What is death,
but a letting go
of breath?

One of the last
things he did
was to blow up

the children’s balloons
for the birthday party,
joking and mock-cursing

as he struggled
to tie all
those futtery teats.

Then he flicked them
into the air
for the children

to fight over.
Some of them
survived the party,

and were still there,
after the funeral,
in every room of the house,

bobbing around
mockingly
in the least draft.

Banksy%u2019s-Girl-with-Balloon-on-a-South-Bank-wall-near-the-National-Theatre-in-2004.-Photograph-Alamy

She thought about
murdering them
with her sharpest knife,

each loud pop
an angry bullet
from her heart.

Instead, in the quietness
that followed her
children’s sleep,

she patiently gathered
them all up,
slowly undoing

each raggedy nipple,
and, one by one, she took his
last breaths into her mouth.

What is life
but a drawing in
of breath?

Above-First-Love

http://www.adrianrice.com/home/biographical-note

iStock157397667-880x250