Letterlichtjes voor de kerstboom in het hoofd (8)

Winter-light-photography-sopo-titvinidze-2-800x534

Het wondere begon al midden november. Tot dan was het kleine grensstadje een stadje als een ander geweest, maar eens de elfde maand flink in de kalender vooruit was geschoten kwam er een wonderlijke sfeer over de straten die tot in de huiskamers, ja tot in de slaapkamers doordrong.
Waarschijnlijk moest je tussen de zeven en twaalf jaar oud zijn, dat was de eerste voorwaarde. Je mocht ook niet te veel familie hebben in wat toen nog ‘de Koekenstad’ (Antwerpen) werd genoemd -niet alleen vanwege de hen toegeschreven pretentie die zich via de beeldspraak ‘dikke nekken’ vertoonde, maar vooral wegens diezelfde sfeer in dit seizoen die echter daar (volgens onze ouders) ‘commercieel’ werd opgepompt en niet spontaan vanuit de mensen zou plaats vinden. Het woord ‘commercieel’ begrepen we niet maar was best plezierig om te onthouden.

DSC_0093

Het begon in de klas met een heel gewone vraag rond half drie-drie uur in de namiddag. Vijftien uur was niet aan ons besteed.
‘Meester, mag het licht aan?’
‘Ja, doe maar, dat is gezelliger!’
De vragensteller liep bijna plechtig naar de schakelaar en daar verdween de vale aankomende donkerte in een boterachtig geel licht dat ons aan de latere avonduren thuis herinnerde.
Dit was niet meer het oord waar vijftig knaapjes en meer (babyboomers!) schoonschrift, rekenen en vaderlandse geschiedenis werd onderwezen, dit was Nemo’s duikboot die ons naar de diepten van het wonder bracht waarin veiligheid en gezelligheid broer en zus bleken te zijn.
Een fikse regenbui kon alleen maar dat gevoel versterken en als er een joch riep dat het begon te sneeuwen hoorde je (tot op de dag vandaag) ‘oooh’s’ van vewondering die net zo goed bij een prachtig kunstwerk hadden gepast als bij de verschijning van een kerstengel of een sprookjesfee.
Het harde witte buislampenlicht was toen gelukkig nog iets voor werkplaatsen en garages. Het zachte gelige bleef het gezegende.
Later in het internaat brandde op de grote speelplaatsen diezelfde gelige lampen zodat je niet meer moest voetballen maar ‘ketting’ mocht spelen, een heerlijke opwinding die je van je meester maakte als je de lange jongensketting van gevangenen kon bevrijden.

boy_silhouette_family_fun_child_night_fireworks_bonfire_family_outdoors-1223854.jpg!d

In het stadje echter had je nog een thuis die datzelfde licht beloofde als je door de schaars verlichte straten eindelijk de dag mocht achterlaten.
Natuurlijk waren er de etalages waarin geschenken, chocolade en sinaasappelen de ‘heilige dakenbeklimmers’ voorspelden. Achter de kerk in de sjieke snoepwinkel van de Victor Van Halstraat reed er zelfs een elektrische trein door een landschap van geschenken. In de dubbele etalages van de Grand Bazar National was er plaats tekort voor de dromen van deze eerste naoorlogse kinderbende. En na de komst van de Sint bleef het even stil om dan, met de toenmalige soberheid, de kerstlichtjes boven de straten te zien verschijnen en marsepein en speculaas vervangen werden door pralines en koekjes in blikken dozen. Wij zongen Susa Nina en Stille Nacht of met het knapenkoor ‘Amor, amor quam dulcis est amor’ in donkere kerken waarin het licht in de donkerste nacht werd gevierd.

Gamekeeper-Sinterklaas-etalage-2016-

Thuis begon mijn vader zijn jaarlijkse grot te bouwen met bruin inpakpapier dat wild mocht beschilderd worden en dan op een eenvoudige stellage van twee steunen en ijzerdraad werd geboetseerd. Er kwam een boom waarin ‘engelenhaar’ je fameus kon prikken of je laten jeuken en de lichtjes die hij zelf in alle kleuren had geschilderd werden door ons ma in dit heidense symbool gedecoreerd. De boom werd geduld omdat naast hem de grote kerststal oprees waarin we elke dag voor onszelf met de beelden (niet zo kristelijke) voorstellingen gaven tot de drie koningen tussen 3 en 6 januari het einde van het wondere aankondigden maar we toch nog eerst langs de straten zwierven in gekleurde koning gedecoreerd met eigen gemaakte sterren om wat bij te verdienen voor de ‘harde’ komende wintermaanden waarin de vasten als meesterproef diende.

Kerstmis-2016.1

Nu, na bijna zeventig jaar later begin ik te begrijpen dat die veiligheid en innige atmosfeer ook door onze volwassenen werd aangemoedigd met de net voorbije oorlog nog diep in het geheugen. Zij voerden wat graag de eerste naoorlogse kinderen mee in die nodige dromen na de nog nabije nachtmerrie waarover in alle talen werd gezwegen.
Maar januari-februari bleken vries- en sneeuwmaanden, dus buiten avonturen tot in het donker.

En dan was er begin maart die omgekeerde beweging. Iemand stak rond drie vier uur zijn vinger op.
‘Meester, mag het licht uit?’
‘Zou dat al waar kunnen zijn?’ vroeg de meester geheimzinnig.
We wachtten tot plotseling het gelige licht verdween en er jawel nieuw fris licht uit de eerste lentedagen de klas binnenkwam.
‘Waaaw,’ klonk het nog een beetje ingetogen.
Maar na de bel stormden we de speelplaats op en springen we als jonge kalveren de lucht in niet wetend waar en wat te beginnen met de lengende dagen van een eeuwige zomer.

DSC_5150Lam

foto Marius Visser

Letterlichtjes voor de kerstboom in het hoofd (7)

1d1aa3d5-5b05-11e9-abcc-02b7b76bf47f

De boodschap van een verdwaalde ster, short story

Natuurlijk zou ik je een brief schrijven. Er zijn er die ver vooruitlopen -je ziet dat ook bij kinderen op tocht door bossen en landerijen-, die nog voor de anderen een vermoeden zullen krijgen van het landschap, al opgewonden terugkomen en hun vrienden enthousiast over hun ontdekkingen vertellen met een ijver die je laat geloven dat zij daardoor het alleenrecht opeisen van hun waarnemingen door ze uit werkelijke vreugde of uit een beetje boosaardigheid, nog voor de anderen het nieuwe met eigen ogen kunnen waarnemen,  haar uitvoerig  onder woorden brengen met de oude overtuiging dat het nieuwe daardoor hun eigendom wordt.
Het is die oude drift die ik bewonder bij mijn collega’s maar tegelijkertijd wantrouw omdat in onze wetenschap elke ontdekking een eigenaar krijgt toegewezen die in overleg met de tragere geesten voor een uitgewerkte waarneming zal zorgen en daardoor een hemellichaam op zijn, haar naam mag schrijven.

M64_Blackeye_Galaxy_from_the_Mount_Lemmon_SkyCenter_Schulman_Telescope_courtesy_Adam_Block

Zo spreek je in de wiskunde over het magisch vierkant van Franklin ook al was de man zich niet helemaal bewust van de prachtige symmetrie die hij met zijn 8 x 8 veroorzaakte. Georges-Louis Leclerc gaf de naam van zijn graafschap Buffon aan de Monte Carlossimulatie door een naald op een vel papier met lijnen te laten vallen en door het aantal keren dat ze een lijn raakte een schatting verkreeg voor de waarde van de wiskundige constante pi (3,1415).
Wist hij veel dat zijn simulatie door Ferni zou gebruikt worden om eigenschappen van het neutron te bestuderen en bij de ontwikkeling van een atoombom tijdens de tweede Wereldoorlog er het Manhattan Project mee zou ontwikkelen. Maar het waren duidelijk vindingen die onder de naam van de ontdekker bekend zijn geworden.

Afbeelding bewaard met toegepaste instellingen.

Black eye-galaxie (M 64): Dit is een van de meest ongewone galaxieen aan de hemel. Ze lijkt op een gewoon spiraalstelsel met dichtgewonden armen, maar door een 100 tot 150mm telescoop zie je dat een kolossale stofwolk het centrum ervan domineert, waardoor ze er eruitziet als een zwart oog.

Het vreemde sterrenstelsel Zwarteoog werd door Pigott en Johan Elert Bode ontdekt, onafhankelijk van elkaar, maar dat zich daaruit een ster zou losmaken die een onduidelijke koers beschrijft is mijn ontdekking temeer daar ik die koers als een soort geschreven codes ben gaan lezen.
Te gek, of te hoge ouderdom? Ik weet wanneer ik een intellectuele structuur zie, en de boodschap van die verdwaalde ster is zo’n structuur!
Misschien is het de voorbode van een supernova maar het feit dat het stelsel ook wel eens ‘The Sleeping Beauty galaxy’ is gaan heten duidt eens te meer op een wonderlijke eigenschap van dit stelsel dat zich uitstrekt met een diameter van meer dan 50.000 lichtjaren op zo’n 14 tot 20 miljoen lichtjaren van ons.

Of het nu werkelijk een hemellichaam is dat zich uit dit stelsel losmaakt of we wellicht een door intellect gecodeerd signaal waarnemen in de bewegingen laat ik nog in het midden.
Waar de beweging lange tijd ophield begon ik een nieuwe codering. Zo verkreeg ik een aantal tekens die ook door hun herhaling op een code kunnen duiden.
De langste pauze was voor mij een aanwijzing om te denken aan een nieuwe boodschap.
De twee reeksen hebben zich gedurende enkele maanden in dezelfde zin herhaald.

Voor ik het dus aan de wereld bekend maak stuur ik jou wat ik denk voor ‘codes’ of ‘woordfragmenten’ te kunnen houden: de tekens, vectoren,  die ik kon afleiden uit de koersveranderingen van die losgekomen ster. Misschien een formule, een mededeling van een ver geëvolueerde beschaving? Voorlopig dus ten zeerste geheim! Zou jij me kunnen zeggen of hier iets uit af te leiden is?

Het zijn, denk ik twee losstaande constructies, zinnetjes, mededelingen of uitroepen. Hier en daar zijn dezelfde tekens een bewijs van gecodeerd taalgebruik.
Ik wil je best bij mijn ontdekking betrekken, dan kunnen we na de Kerst onze eerste bevindingen publiceren. Best mogelijk dat het nonsens zijn, dat ik me wat voorstel, maar je weet nooit waar het intellect zich verbergt! Hierbij een copie van de constructies die ik uit de baan van de verdwaalde ster heb afgleid. Mijn bijdragen over asymetrische cryptografie hebben dus toch een weg geopend, veronderstellen we.
Hopelijk was het geen dwaaltocht in de hyperruimte.

Ziehier:

jiddisch079

2048x1152

Waarde collega,

De twee zinnetjes zijn twee mededelingen in het Jiddisch met het Hebreeuwse alfabet:

איך האָב דיך אױך ליב!

איך װעל אײַך שרײַבן אַ בריװ

-Ikh hob dikh oykh lib.
-Ikh vel aykh shraybn a briv.

-Ik heb je ook lief.
-Ik wil je een briefje schrijven.

Dr. Barn Alexander
Felix Hausdorf-studies.
Geniet van rustige feestdagen.

Een gezegde van mijn Poolse grootmoeder: Zelfs achter de oneindigheid van de sterrenhemel ben je nog zichtbaar. Niet bang zijn, kind.  Ik blijf je koesteren.

b0504751-5969-11e9-abcc-02b7b76bf47f

Letterlichtjes voor de kerstboom in het hoofd (6)

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Kerstnacht – het woord is als een lafenis,
een koele sneeuw, glanzend onder het zachte
stralen der sterren – op de landen is
het weerloos stil, een ongerept verwachten.

Kerstnacht – het eenzaam zwerven der gedachten
rondom het oud verhaal, het nimmer uit te spreken
verlangen naar het helder zingen in de nacht en
het opgaan van de ster, een lichtend teken.

Kerstnacht – het sneeuwt op uw geschonden aarde,
dun en verstuivend dekt een huivering
van ijle val, een lichte zuivering
het vragen, dat wij stil bewaarden.

uit: ‘Verzamelde gedichten’, 2005. Ida Gerhardt

angel-wings-angels-art-carving-wings-Favim.com-348635

Letterlichtjes voor de kerstboom in het hoofd (5)

marina sersale looking back

Kijk dat doen wij, zei mijn tweedehandse engel terwijl ik maar bleef kijken naar de prachtige foto van Marina Sersale (1962), woont in Rome en naast fotografe met haar man ‘parfumeur’ is. Kijken en ruiken.
Hoe ook een geur een herinnering wakker maakt.
‘Looking back’.
Dat doen we voortdurend ‘Looking back’.
Of er iemand volgt, meeloopt, opduikt, achterblijft, wegloopt, opstijgt, neerstort.
Of kijken naar wat of wie voorbij is. En of voorbij voorbij is. En of voorbij helaas niet voorbij kan gaan.

alone

Troostlied voor wie met Kerst alleen zijn

Wees niet zo bang voor Kerst. Het zijn twee dagen,
dat is niet meer dan achtenveertig uur,
En uren, het ene vlug, het andere trager,
uren vervliegen op den duur.

Raak niet verloren in herinneringen,
wees toch een beetje wijzer deze keer.
Zing maar van “Stille Nacht” als je kunt zingen,
want stil zal het zijn, die nachten. Zeer.

Zing in jezelf: ‘De witte vlokken zweven’
terwijl de regen langs de pannen ruist.
Het kind is niet in Bethlehem gebleven:
het is naar Golgotha verhuisd.

Gedenk de dieren op de schalen en de borden,
die zitten meer dan jij in de puree.
Eten is beter dan gegeten worden,
ook in de glans van Lucas 2..

Zeg ‘nee’ als mensen je te eten vragen,
want in een anders gelukkige gezin
daar is de kerstboom enkel te verdragen
met een uitslaande brand erin.

Wees niet zo bang voor Kerst. Het zijn twee dagen.

Willem Wilmink
uit: ‘Verzamelde liedjes en gedichten’, 2004.

Cherubs_Cupids-56a0004f3df78cafda9f8cae

En wie diverse soorten engelen wil bekijken met de mooie ogen van mijn eerstehands-engel, klikt hier maar even:
GROETEN UIT DE ENGELENBAK

ja matejko-Aniol_z_dudami

 

Letterlichtjes voor de kerstboom in het hoofd (4)

vlucht egypte

Hij hoort hem de oude woorden zeggen.
Hij, het kind.
Hem: de vader.
‘En het geschiede in die dagen’: de oude woorden.

Uit je huis moeten.
Dagreizen ver.

Waarom?
Wat niet te vertellen is.
Onzichtbare woorden zijn de meest gevaarlijke.
Vanwege.

Sprookjes blijven veilig ver weg.
Maar dit verhaal
kon ook hier en nu gebeuren.
Feesttafel die alleen achterblijft.
Vanwege.

De vader kon al in de geschiedenis kijken.
Hij herinnerde zich wel enkele ‘vanwege’s’.

Begrijp je waarom de ster onzichtbaar was?

490102@2xVanwege

‘En het geschiedde in die dagen
dat er een bevel uitging vanwege keizer Augustus…’
Je las het ons strak en plechtig voor.

Weg moesten ze uit hun huizen
dagreizen ver om ergens geteld.
Waarom? Vanwege. Dat woord kende ik niet.

Maar wel dat het bevel ook hier
kon gelden, aan deze feestelijke dis
en wij vertrekken moesten, plotseling

Om geteld of erger. Het kind, de kribbe
de wijzen uit het Oosten vielen in het niet.

Ik keek naar buiten. Nergens scheen de ster.
Je stem leek ver, je las de oude woorden.

En ik vreesde met grote vreze. Vanwege.

J. Bernlef (uit: ‘Aambeeld’, 1998.)

CQ32-uJXAAEvxIC

Jaren lang waren er, goed verborgen, maar daarom door het kind ontdekt -achteloos lopen ze de zichtbare dingen voorbij, maar het verborgene vinden is hun tweede natuur.- twee valiesjes en een reiszak. Met de noodzakelijke dingen.
Vanwege.
Mijn tweedehandse engel, behoeder van mijn verbeelding, zucht begrijpend.
Harde stemmen
onder ogen die je nooit durven aankijken, roepende monden dat het moet vooruitgaan.

Geteld worden en herteld.
tot er alleen het vertellen overbleef.
Of het zwijgen.
Vanwege.

images_10.10

(schilderijen van Pieter Bruegel, Tamara De Lempicka en Felix Nussbaum

Letterlichtjes voor de kerstboom in het hoofd (3)

peur-du-noir23

Het diepe kleine-kinderdonker.
Herinner je.
Nergens is er een deur en ramen zijn onbestaande.
Boven en onder zijn nog niet uitgevonden.

Uit dat donker
een stem die een liedje zingt.
De poes stoot de deur open,
vriendelijk licht dooft de zwarte hel,
vlekt wolken op de zoldering, lamplicht
van voorbijrijdende auto’ s.
De wereld bestaat echt.
Alles blijft.
Of…

uVVsW3JaM8TqBg9NCOAaG8MJE4U

Laurent Millet 2007

Wolken

Er is wellicht geen ding dat niet
een wolk is. Wolken zijn kathedralen
van lijvig steen en Bijbelse ramen
die de tijden slechten zal. Wolk is de Odyssee,
die telkens als we haar openslaan verandert
als de zee. De weerglans van je gezicht
is al anders in de spiegel en de dag
is een twijfelachtig labyrint.
Wij zijn die gaan. De welgevormde
wolk die oplost in het avondrood
is ons beeld. Onophoudelijk gaat
de roos over in een andere roos.
Je bent wolk, zee, vergetelheid.
Je bent ook wat je hebt verloren.

Jorge Luis Borges (1899-1986)
Alle gedichten. Vert. Barber van de Pol en Maarten Steenmeijer. Tweetalige uitgave. De Bezige Bij

Turrell-skyspace-738906-Yokshire Sculpture Park

Mijn tweedehandse beseft dat het verlies van vleugels verkeerdelijk als het ontkennen van een engel wordt beschouwd.
Hij dringt erop aan dat het geleidelijk aan leren zweven, dichterlijk aan wolken toegekend, vooral in het loslaten van ideeën die de zwaartekracht bevorderen, moet gebeuren.
Oplossen in het avondrood lijkt heel poëtisch maar wil gewoon zeggen: doodgaan.
Hier liggen oudere tot vrij oude kinderen ook wel eens wakker van.
Maar de heer Borges besluit erg fraai:
Je bent ook wat je hebt verloren.

48ca093d83106b71249a4f6da5ac22c6

Je verlies zijn.
Daarom dat wolken soms de oorzaak van een verkoelende bui zijn.
De wolk is niet verloren.
Tarwe, appelaars en aardappelen om er maar enkele te noemen zouden van vreugde zingend kunnen afgebeeld worden bij het resultaat van zo’n regenbui.
En een wolk van een kind roept:
de regen schrijft op het raam, papa.

islay_rain_water_texture_2_by_kvaale_d8qbwxs-fullview

Letterlichtjes voor de kerstboom in het hoofd (2)

candle-flames 2

Deze tijd van het jaar werkt als een vergrootglas.
‘Nabijheid,’ zegt de tweedehandse.
En hij steekt zijn getrainde wijsvinger in de lucht:
‘Het vraagt enige afstand.’
Net dan ben ik met mijn lucifer bij de wiek van de kaars.
‘Beste gevleugelde, het kan niet dicht genoeg wil je dadelijk onze bevende schaduwen op de boekenruggen zien dansen.’
De wijsvinger gaat mijn richting uit, hoogte groot hoofd met blijkbaar nooit voldoende inhoud.
‘Intussen hebben die dingen onder dat schedeldak zo’n duizendtal berekeningen gemaakt om het vlammetje naar de kaars over te brengen, niet? Dat is ‘afstand’.
Ik ontdek ook de droefheid van de uitgeblazen lucifer:
weggegooid hout om een vlammetje over te brengen.
De kaars brandt.

230808-1600x1067-lit_candles

De boekenruggen staan jaren tegen elkaar aan:
Anna Karenina naast deel 1 van David Copperfield die naast de gebroeders Karamazow staat.
Broederlijk of zusterlijk.
Maar ze lezen elkaar niet.
Ze wachten op de hand die hen uit het rijtje haalt.
De Decamerone deel 1 naast de Brieven van Oscar Wilde: Samengeklonken en toch alleen. Onbereikbaar voor elkaar.

Mijn bijdehandse heeft een mooie tekst om bij kaarslicht te lezen.

Met droge voeten

Ik rende water door, gleed uit en viel.
Hou je benen bij je, zei iemand, diep
in slaap naast mij, je schopt me, slaap toch. Sliep
en rende. Nergens water te bekennen.
Gleed uit, viel. Hij naast mij
werd wakker, hielp mij overeind,
klopte mijn kleren af. Je moet, zei hij,
liever gewoon weglopen. Niet zo rennen.

Eva Gerlach, uit de bundel: In een bocht van de zee.

Ik besefte dat er mooie afstanden bestonden
om zo dichtbij te zijn.

In the bleak midwinter, frosty wind made moan,
earth stood hard as iron, water like a stone;
snow had fallen, snow on snow, snow on snow,
in the bleak midwinter, long ago.

Our God, heaven cannot hold him, nor earth sustain;
heaven and earth shall flee away when he comes to reign.
In the bleak midwinter a stable place sufficed
the Lord God Almighty, Jesus Christ.

Enough for Him, whom cherubim, worship night and day,
Breastful of milk, and a mangerful of hay;
Enough for Him, whom angels fall before,
The ox and ass and camel which adore.

Angels and archangels may have gathered there,
cherubim and seraphim thronged the air;
but his mother only, in her maiden bliss,
worshiped the beloved with a kiss.

What can I give him, poor as I am?
If I were a shepherd, I would bring a lamb;
if I were a Wise Man, I would do my part;
yet what I can I give him: give my heart.

3eef496142e5be9295cb66f1a0f5adb1

Christina Georgina Rossetti (Londen, 5 december 1830 – aldaar 27 december 1894) was een Engels dichteres en prozaschrijfster. Veel van haar werk is religieus van aard en gaat over het afstand doen van aardse liefde. Ook blijkt uit veel van haar gedichten een preoccupatie met de dood. Zij poseerde als model voor een aantal schilderijen van haar broer Dante Gabriel Rossetti en andere prerafaëlieten, al was ze geen lid van deze beweging. Christina Rossetti was een zuster van de dichter en kunstschilder Dante Gabriel Rossetti, de kunstcriticus William Michael Rossetti en de schrijfster Maria Francesca Rossetti. Hun vader, Gabriele Rossetti, was een Italiaans asielzoeker uit Napels en hun moeder was Frances Polidori, de zuster van Lord Byrons vriend en arts John William Polidori. (Wikipedia)

Letterlichtjes voor de kerstboom in het hoofd (1)

hb_1971.115.1ab2

Beetje minderen misschien, zei er een stemmetje.
Niet dwingend maar wel met enig ongeduld.
Tijd om iets in de kerstboom te hangen.
Kun je zoiets schrijven?
Zo kort als een briefje met ‘waw’ op.
Of ‘glukupikron’, een oud Grieks woord van Sappho:
‘bitterzoet’. (goed vertaald zou het zoetbitter zijn!)
-γλυκύπικρον-
Ook mooi in het engels: ‘bittersweet’.

Wat voorbij vliegt, meneer.

Een beetje tijd -vooral kersttijd- die je wilde vasthouden.
Of:
Een moment stilte tussen twee muzieknoten.
-Schubert is daar goed in.-
Dat dus.
Wat je niet kunt vastpakken, in het beste geval herinneren of hopen.
Zacht beddengoed is het voor een tweedehands-engel.

Bijna besef je niet dat je uitademt,
maar hoe plezierig is het, na een moment van spanning of verdriet.
Uitademen.
Doe je dat traag en diep dan zou het kunnen dat je -deze tijd van het jaar-
nog de geur van dennen zou rieken: hars, groene naalden en sneeuwlucht.

γλυκύπικρον

Oudere mensen die in verbeelding doen,
hebben wel eens een tweedehands-engel in dienst.
Niet dadelijk het soort voor Gods loftrompet
maar degenen die je aan ‘déjà-vu’ herinneren,
Gezien maar nog niet goedgekeurd.
Lieder ohne Worte.
Soms ook ‘kwijt-gelegd’.

Dus elke dag, iets om in de symbolische kerstboom te hangen
Zoals je gedachten in kleuren terugvindt.
Of een karakter in krullen.
Met vulpen geschreven.

Mijn tweedehandse knikt.

9

INTRO BIJ PETER HANDKE’ S ‘DE KUNST VAN HET VRAGEN'(verlengde versie)

411ac8_5b965768594c479bb445ed65c41bd180mv2-600x588

Ze stonden voor de deur.
(Er was geen plaats voor hen in de herberg.)

Het is een bekend opstapje in deze donkere dagen voor kerstmis.
Je kunt het dadelijk op de vluchtelingen-problematiek projecteren, de warmste week erbij halen, het beleid daaromtrent onder de kritische loupe leggen, en met een gerust gevoel de afgepeigerde voeten onder de feestdis steken.

Maar…
Het is mijn deur.
Vreemd genoeg heb ik het gevoel dat ik voor mijn eigen deur sta.
Voor mijn gesloten deur.
Ik heb verschillende sleutels geprobeerd maar door een of ander vreemd toeval past er geen enkele.
Tot daar toe.
Het is geen bijzonder gevoel.
Ik ben er zeker van dat velen zich hierin herkennen.

Er is in dit geval geen gsm, geen laat ontwaakte geliefde die je eindelijk hoort bellen, geen geheime plaats voor een reservesleutel, geen krachtige schouder noch een uit zijn bed gehaalde slotenmaker.
Of het een droom is of een werkelijke situatie doet niets ter zake.
Het publiek wacht. Gek als het is op een dergelijke situatie waar het woord ‘onmogelijk’ is aan vastgeklonken.
Er is de weg van het alternatief: de stal, het hotel, de toevallige voorbijganger, slaapplaats voor daklozen, het meisje met de zwavelstokjes.
Je ontloopt de situatie. Uitgesloten dus.

800px-Pentures_Boulanger_portes_fermées_hôtel_cluny

Nu komen de verbeelders.
Het zouden schilders, beeldhouwers, fotografen, zangers of componisten kunnen zijn die met het thema van de gesloten deur aan het werk gaan.
Bij Peter Handke, auteur en Nobelprijswinnaar, zijn het in zijn toneelstuk ‘De kunst van het vragen, of de reis naar het welluidende land’ onderandere twee acteurs: toneelspeelster en toneelspeler.
Hij laat ze aan het woord.

yellow_russians

TONEELSPEELSTER:
Ik heb nooit iets anders willen zijn dan toneelspeelster.
Mijn blik omhoog naar een boomkruin moet door de ogen van anderen worden gezien. Als ik, alleen in mijn kamer, mij omdraaide, stelde ik mij voor hoe er door de massa’s toeschouwers een rilling ging.
Wanneer ik mijn arm zo uitstrek, dat hij zich werkelijk toont als een uitgestrekte arm, wanneer ik naar iemand zo mijn oren neig, dat ze werkelijk geneigde oren worden, wanneer ik naar je kan kijken met deze ogen, met mijn eigen ogen, hier, dan stel ik mij niet alleen voor, nee, dan voel ik dat wat ik juist dan belichaam — ja, tenslotte doe ik dan niets,’ ik belichaam slechts’ — zich aan jou voorbij terzelfder tijd richt tot een publiek dat tot aan de horizon om me heen is, zich over mijn ware moment verheugt of samen met mij treurt en dat, zo het al niet zegt: ]a, zo is het, tenminste in een gemeenschappelijke ademtocht denkt: ]a, zo is het ooit geweest!
Een toneelspeler, denk ik, moet een waarspeler zijn, iets heel schaars.

TONEELSPELER
]a, zo is het ook bij mij ooit geweest, herinner ik me.
Lukte me eenmaal een waar gevoel, dan wilde ik daarmee, met zijn glans in mijn ogen, met zijn rust op mijn lippen, met zijn trilling in mijn stem, ter plekke worden gefilmd, in close-up, die terzelfder tijd geprojecteerd werd op reusachtige schermen in alle stadions ter wereld.
Niet omdat ik tegen iets wilde ageren en helden uitbeelden moest ik zonodig gaan toneelspelen, maar omdat ik eindelijk langer dan een paar seconden ernstig wilde zijn en dat de wereld ook wilde laten meevoelen. Maar inmiddels heb ik die impuls bijna verloren.

TONEELSPEELSTER
En ik ook. Sedert ik metterdaad optreed gebeurt het nog maar zelden dat ik zoals vroeger, toen het nog niet mijn beroep was, met een juist gebaar op de juiste plaats een wereld omvat.
Hebben je leraren ook aan jou uitgelegd dat hij, van wie elke enkeling in het publiek kan zeggen: “Mijn toneelspeler”, pas zo iemand wordt als hij datgene wat hij sedert zijn vroegste kinderjaren in een onzichtbaar licht voelde gebeuren, in het zichtbare licht op een verfijnde manier herhaalt — als de doorlatendheid in persoon — zodat uiteindelijk niet hij, maar het publiek als toneelspelers naar huis gaat, en wel als mensen die van hun toneelspelersaard overtuigd zijn omdat zij pas door hem, de openingen scheppende, begrepen hebben dat ook zij deze doorlatendheid steeds belichamen en pas op zulke toneelspelersmomenten zowel zichzelf als hun medemensen als de helden en de eenzamen ervaren die wij en onze moeders, onze vaders, onze broers, onze buren in werkelijkheid ook zijn?
En hebben je leraren ook jou erop gewezen dat wij, de toneelspelers van vandaag, tot die doorlatendheid niet meer in staat zijn? Dat onze gebaren alleen nog naar onszelf wijzen in plaats van naar een ruimte ginder?

pink flooooyd

-Het belichamen als probleem. Niet alleen voor een toneelspeler, maar voor elke kunstenaar. Gebaren die niet alleen naar jezelf wijzen in plaats van naar een ruimte ginder: een ruimte waarin je de wereld kunt laten meevoelen.
-Je hebt daarvoor, volgens Handke, een juist gebaar nodig op de juiste plaats de wereld omvattend vanuit onzichtbaar licht dat daarna: ‘doorlatendheid’ wordt genoemd. Even later verklaard: ‘dat deze doorlatendheid’ niet meer lukt omdat wij niet helemaal van vooraf aan weer met het vragen beginnen.’

Das-verborgene-Hauptwerk_big_teaser_article

TONEELSPELER
(Wijst)
Kijk, die haas daar, ons evenbeeld! Kijk naar zijn licht doorlatende lepels!

TONEELSPEELSTER ‘
Dat al die woorden, waarmee de grote oude verhalen verteld werden, -en waarzonder er geen verhalen bestaan, “zegen”, “vloek”, “liefde”, “toorn”, “zee”, “droom”, “waanzin”, “woestijn”, “gejammer”, “zout”, “ellende”, “vrede”, “oorlog”-, voor ons, Tegenwoordigen, vreemde woorden zijn geworden, waarvan wij het laatste restje betekenis nog verder vernietigen doordat wij ze ofwel pijnlijk verkeerd uitspreken ofwel zo maar laten vallen als in het geklets van wandelstraten? Dat wij niet in staat zijn de lange verstrengelde zinnen te vormen waarin uitgerekend die woorden weer monter hun plaats innemen?

TONEELSPELER
(Probeert)
Zoals het geluk bestaat —- want ik heb het ervaren — bestaat ook de ellende — want ik heb haar ervaren —, en ook ik ben ooit van een oorlog huiswaarts gekeerd, waarna de zee mij als haar kind heeft omspeeld, zodat ik de dankbaarheid zelf werd…

TONEELSPEELSTER
Dat onze lichamen vandaag de dag niet langer die stilte om zich heen weten te maken, waarin de toeschouwers elkaar kunnen ontmoeten, maar ofwel onneembare bolwerken zijn ofwel in de kooi lokkende apen?

TONEELSPELER
Ik wilde steeds het derde lichaam zijn!

TONEELSPEELSTER
Dat ons de nederlagen ontbreken, die ons het twijfelen bijbrengen en ons spelen eerst vruchtbaar maken?

TQNEELSPELER
Ik leef van de vrucht van de wonden uit mijn kinderjaren.

TONEELSPEELSTER
Dat wij optreden als de spookbleke reïncarnaties van onze voorgangers?

TONEELSPELER
Zo er al in mij vandaag een kracht is, dan is het wel die van iemand die volledig opnieuw begint.

TONEELSPEELSTER
Dat wij aanspraak maken op het aan ons overgeleverde als op onze kolonie, met een schaamteloze vanzelfsprekendheid?

TONEELSPELER
Zo ik al van’ kindsbeen af, en zonder welke leraar dan ook, iets weet, dan is het dit: dat er niets op deze wereld te bezitten valt, jij niet en niemand. Ik ben een enthousiaste bezitloze. En ook ik ben iemand uit de streek van de verbaasden, voor wie nooit iets vanzelfsprekend zal zijn en die, wanneer hij niets verbazends meer op zijn weg vindt, door heimwee overvallen wordt. En naar nog iets hevigers dan alleen maar verbazing gaat mijn heimwee uit: naar het steeds opnieuw verbijsterd worden. (Beiden staan op)

TONEELSPEELSTER
En ten slotte, en vooral, hebben ook jou de leraren gezegd dat ons, Tegenwoordigen, deze doorlatendheid niet meer lukt omdat wij niet helemaal van vooraf aan weer met het vragen beginnen? Waarbij zij ons echter ten goede houden dat het grondritme van ons ademen, zien en horen, zoals ook bij hen en bij diegenen voor hen, duidelijk nog steeds dat is van een aanhoudend stom-vragen, met de hunkering van een kind onderweg naar de verlossende expressie? Dat zo’n stom-blijven en niet-vragen echter niet weer een van onze onbekwaamheden is, maar veeleer, precies in onze als schaamteloos bekend staande moderne tijd, als het levensteken van een oorspronkelijke schroom? Dat echter deze schroom, waarmee wij Tegenwoordigen op beslissende momenten ofwel de juiste vraag verzwijgen ofwel in de plaats daarvan een schertsvraag stellen, ons vruchtbaarste talent is — onze bijzonderste gave? Dat het echter nu de hoogste tijd is, ons met de schroom als kompas op weg te begeven en met geconcentreerde ernst en de grootst mogelijke lichtvoetigheid tussen de tragedies en komedies eenmaal het ontbrekende drama van het vragen te spelen dat —hebben je leraren dat ook opgemerkt? – geenszins de reeds bestaande leer van een moraliteit of het beetnemende gevraag van een socratische dialoog mag hebben — geen denkvragen, niet het vragen als vallen zetten! —, maar wel, op enkele rustplaatsen tenminste, iets troostends van sprookjes of kluchten? Dat echter de grondtrek in ons drama van het vragen die van een ontdekkingsreis zou moeten zijn, en zijn grondtoon, door alle zoekende en tastende parafrasen heen, de toon van psalmen? Dat wij dit spel van het vragen in elke situatie zouden moeten beschouwen als een aan het licht brengen van onze meest verborgen en veraf gelegen wereld? Dat het daarbij steeds nog beter is, verkeerd te vragen dan helemaal niet meer te vragen: het eerste zou slechts een fout zijn, het laatste echter inmiddels een schuld?

TONEELSPELER
Begin dan maar. Vraag. Speel maar eerst de vragenstelster. Ik ben nog niet zover. Vraag maar in mijn plaats.
Help me voort met je vragen. Maar begin bescheiden, liefst met ons beiden hier. En laat je eerst een keer rustig gaan. Je wordt niet getest. ]e rnedespelers zijn niet je leraren, maar zoeken raad net als wij. Er bestaat geen voorgetekende weg. Het kan zijn dat wij met onze expeditie de zoektocht naar de Noord Westdoorvaart overdoen, die Captain Cook maar niet kon vinden — gewoon, omdat zij niet bestaat. Onze voorgangers zullen wel geweten hebben waarom het vragen voor hen geen stof was voor een drama, want zo het al stof is, dan in zoveel in talloze richtingen uit elkaar lopende vormen dat die ene grondslaggevende of doelgerichte vorm misschien helemaal niet te vinden is. Zo volkomen onmogelijk en zonder zin kan ons vertrek echter niet zijn, want anders zou ik er toch niet zo vol verlangen naar zijn. Tot het vragen behoort het gaan: gaan vragen, buiten, in de open lucht. Mijn voorstelling van onze vraagreis is die van een voetreis der generaties in de lichte lucht van een hoogplateau; zo worden wij weer de oude rondtrekkende toneelspelers en is ons vragen een gelijkmatig voorbijstromende waterloop zonder ondiepe plekken. Licht en lucht, staat ons dus bij. Rol in het vraagdrama, die ik me toch heb gewenst, laat je belichamen. Goede geest van het vragen, sta ons, Tegenwoordigen, een zoekspel met je toe, want wij hebben het nodig. En anders dan vroeger bij monde van je orakeldienaren moet ons op onze vragen dus geen antwoorden geven op je traditionele plek, maar ons slechts dan uit de nood helpen als ieder van ons zich afvraagt welke vragen hij nog heeft. Kom met je vragen, vrouw. En word langzamer, vanaf hier gaat het bergopwaarts. En stel je vragen korter dan tot nog toe, ook dat gaat samen met klimmen. En begin schaamteloos, zoals de kleine kinderen, de bedronkenen en de gekken. En als je niet weet hoe het verder moet, spring dan, of doe het zoals onze haas daar aan de horizon.

12786a

-Het gaat om de mogelijkheid ‘openingen’ te scheppen, en geen gebaren die naar onszelf wijzen in plaats van naar een ruimte ginder.
-Dat al de bekende opgesomde woorden zonder dewelke geen grote verhalen bestaan zelfs nog verkeerd worden uitgesproken.
‘-Dat wij niet in staat zijn de lange verstrengelde zinnen te vormen waarin uitgerekend die woorden weer monter hun plaats innemen?’
-Woorden waarmee de grote oude verhalen verteld werden en zonder dewelke er geen grote verhalen bestaan.
-Als we dan zwijgen, kunnen we dan die lange stilte rond ons maken waarin toeschouwers elkaar kunnen ontmoeten?
-Of blijven we doorgaan als de spookbleke reïncarnaties van onze voorgangers?
-En wat te denken dat niet alleen verbazing telt, maar een heimwee om steeds verbijsterd te worden?
-Je moet dus helemaal vooraan weer met vragen beginnen.
Met de grondtoon van psalmen.
-En wees niet bang: beter verkeerd te vragen dan helemaal niet tevragen. De vragen dus, meneer Handke. Laten we proberen met een dialoog.

closed+door

(een man voor de eigen gesloten deur)

TONEELSPELER:
Nog voor je de straat inkwam wist je dat dit de dag was.
Waarom ik dat wist?
Het is een goedkope verklaring voor ongeluk: ja hoor, altijd geweten!

Of ik wel ooit echt binnen ben geweest?

Was dat huis waar ik gewoon was binnen te komen misschien niet eens mijn eigen huis?
Een spookhuis met gedweeë geesten of het geduldig ratelen van een televisiekok die je vriendelijk leert je eigen potje te koken?
De kinderen op tijd in bed.
De vrouw naar de Spaanse les.
En de mannelijke volwassen bewoner die na een dutje op de zetel wakker schrikt en denkt dat hij een nare droom had terwijl hij iemand op de deur hoort kloppen die binnen wil.
Wat dacht je?

TONEELSPEELSTER:
En hij beseft dat dit niet zijn huis is waarin hij is wakker geworden. Dat hij vreemde kinderen in bed heeft gestopt en dat zijn vrouw nooit Spaanse of Italiaanse les heeft gevolgd. Erger nog dat hij niet eens weet of hij wel een vrouw heeft gehad en als dat zo was, waar ze dan wel gebleven was!

TONEELSPELER:
En of dat geklop inderdaad niet zijn eigen geklop voor de gesloten deur was? En hij dus weigerde om de deur te openen, goed wetend dat de aanblik van de radeloze niet te verdragen zou zijn, zoals zijn gezicht ’s morgens in de spiegel nog de verschikkingen van de nacht droeg en hij haar hoorde vragen of hij geweend had terwijl hij al tien keer ‘vermoeide ogen’ had gezegd, te weinig slaap, te veel achter het scherm en waarschijnlijk een slecht werkende suikerhuishouding. Enfin, de leeftijd.

TONEELSPEELSTER:
Het is dus een rol, denkt hij. Zoals hij vaak zegt als hij van zijn werk komt: zeg mij wie ik ben en hij zal er zijn. Tarzan, Sinterklaas, een Italiaanse bedelmonnik, Tom Doley of Samantha Jones. En hij verwacht dat ik zeemzoet het bij ‘de allerliefste’ hou of hem de kans geef als een huilende jungle-bewoner zijn wilde kreten uit te stoten, bengelend aan een denkbeeldige liaan en hij me zal optillen, pollepel nog in de hand, You Jane en me Tarzan, waarop een kus en een landing in de zetel aldan niet met menselijk al te menselijk mannelijk vervolg en dankuwel mijn honger is al over als ik eindelijk bevrijd en weer naar de keuken moet.

TONEELSPELER:
‘Met zinnen uit de werkelijkheid’ terwijl het verhaal er al lang niet meer toe doet. Best mogelijk dat hij het later verzint eens ze de deur achter zich heeft dicht geslagen en hij zijn intussen volwassen kinderen zijn kleurrijke thuiskomsten opdist terwijl hij zijn broodje botert.

TONEELSPEELSTER:
Blijft de vraag waarom hij zijn biografie van dergelijke vermakelijke anekdoten voorziet terwijl zij zelden thuis was toen, al naar de nachtdienst was of met vriendinnen winkelen.
Kinderen hadden ze niet -in spookbleke reïncarnaties zou hij zo’n teder vroeg gestorven jochie verzinnen waarop zij het ongenadig kon afpakken, hem met één zin ook deze droom als een versleten fietsband kon aflaten met veel gesis en o, de tranen van de toeschouwers en hoe het zo ver was kunnen komen, en…

TONEELSPELER:
Kom met je vragen, vrouw. Hou op met kloppen, man.
We zullen dadelijk de woorden zingen om het geslotene los te wrikken. Een zoekspel zoals we eens de meubels kozen, en de kleur van elke kamer bespraken. Lopen we de vragers achterna of wordt het nestelen?

(de cursieve gedeelten komen uit het ‘De kunst van het vragen’, vertaling van Leonard Nolens, een uitgave van de Koninklijke Vlaamse Schouwburg.)

B9721639251Z.1_20191119132038_000+GVIETIIBC.1-0

PETER HANDKE ZELF:

Ik had bijvoorbeeld nooit gedacht dat ik ooit stukken zou schrijven. Het theater zoals het toen was, was voor mij een relict uit een vervlogen tijd. Ook aan Beckett en Brecht had ik geen boodschap. De verhalen op het toneel gingen mij niet aan, in plaats van eenvoudig te zijn, waren het steeds alleen maar vereenvoudigingen. De mogelijkheden van de werkelijkheid waren door de onmogelijkheden van het theater beperkt. (…) In plaats van een nieuwe methode zag ik dramaturgie. De fatale betekenisruimte (het toneel betekent de wereld) bleef buiten beschouwing en leidde tot voor mij lachwekkend eenduidige symbolismen zoals die van Becketts pantomime, die op het toneel geworpen wordt, dat was voor mij geen nieuwigheid, maar een terugval naar de oude betekenis van het toneel.

De methode van mijn eerste stukken is daarom een beperking van de theatrale handeling tot woorden, waarvan de tegenstrijdige betekenis een handeling en een individueel verhaal onmogelijk maakten. De methode bestond erin dat niet langer een beeld van de werkelijkheid werd gegeven, dat de werkelijkheid niet langer gespeeld en voorgespiegeld werd, maar dat met woorden en zinnen uit de werkelijkheid gespeeld werd. De methode van mijn eerste stuk bestond erin dat alle methodes totnogtoe ontkend werden.

Street-Art-Saint-Brieuc-8-854x502

En in een bespreking:

De methode bestond erin dat niet langer een beeld van de werkelijkheid werd gegeven, dat de werkelijkheid niet langer gespeeld en voorgespiegeld werd, maar dat met woorden en zinnen uit de werkelijkheid gespeeld werd. De methode van mijn eerste stuk bestond erin dat alle methodes totnogtoe ontkend werden.”

We moeten met een schone lei beginnen, zegt de Toneelspeelster, alle oude vragen vergeten, net als alle ingesleten wetten van het theater. Het theater als metafoor voor de wereld, voor de natuur, voor de kunst. En inderdaad, Handke gooit alle bestaande theatertradities overboord en zoekt naar iets nieuws. Geen plot, geen dramatische lijn, alleen een reeks incidenten..(Volkskrant Marian Buys)

De schrijver zet zeven mensen op het toneel die op weg gaan naar het Achterland, waarin alleen de dichter de weg weet. En daar is hij, de Ingezetene, in kuitbroek met een klein hoedje op, gids van dit wonderlijke gezelschap: een oud echtpaar, twee jonge, verliefde toneelspelers en een komisch, filosofisch koppel dat als twee tegenpolen bij elkaar hoort, de één geniet van al het schone terwijl de ander een notoire zwartkijker is.

Dan is er nog een verstekeling, Parcival, die de taal niet machtig is. Hij is de personificatie van de onschuld, de onbedorven ziel die zich nog kan verwonderen. En bij monde van al deze personages horen we de dichter zelf hardop denken in zijn behoefte aan nieuwe vragen, want ‘verdwijnt het vragen, dan verdwijnt ook de scheppingsdrift’. (De Volkskrant Marian Buys)

ob_87e32f_chirico-conversation-1927
Nadat Handke in 1974 met Die Unvernünftigen sterben aus een theateradempauze heeft ingelast, verschijnt in 1982 een zogenaamd dramatisch gedicht: Über die Dörfer. De boodschap van het stuk is: ‘geht über die Dörfer’, ga de langzame weg, onttrek je aan de taal van het systeem, de ‘moderne leugen’, en probeer de vrijheid te vinden in de stilte. Leg de wereld niet vast in eenduidige woorden, maar gebruik de taal onbevangen en creatief. Gebruik het woord in zijn magische, bezwerende en mythische kracht. In 1996 regisseert Lucas Vandervorst dit toneelstuk bij De Tijd, een jaar na zijn regie van De kunst van het vragen (Das Spiel vom Fragen oder Die Reise zum sonoren Land, geschreven in 1989) in samenwerking met de KVS.

9-Copier-1

‘De gesloten deur’ willen we zeker verder uitwerken, als praktijk van een theoretische veronderstelling.  We zijn ons ook bewust van de controverse rondom Peter Handke. Om die te leren begrijpen willen we hier graag enkele fragmenten plaatsen uit zijn toespraak ‘De geborgenheid onder het schedeldak‘ bij de aanvaarding van de Büchnerprijs van de Akademie voor Taal en Letterkunde te Darmstadt in 1974.  De vertaling is van Tom Graftdijk.

depositphotos_14005083-stock-photo-spirit-level-and-architectural-drawings

‘Hoe wordt men een politiek geëngageerd mens! Het donker is op dit moment weer donkerder dan twee maanden geleden, de vloer van de ruimte waarin men zich bevindt loopt schuin af. Nee, geen ‘O, ja…’ – het gaat niet alleen om een ziekelijke uitwas van het bewustzijn: toen ik een waterpas op de vloer legde gleed de luchtbel daarin uit het midden weg, de vloer was inderdaad scheef. Ook de kookplaat in de keuken helt zozeer af dat de olie in de pan meteen in één richting samenvloeit. Oplichters, bedriegers! dacht ik en bedoelde de bouwfirma. De reclamatiebrief, waarop ik nooit antwoord krijg, begin ik altijd met ‘Zeer geachte heren…’ en breng hun met voorkomende tact mijn bezwaren onder het oog, in de mening dat dat bij een vreedzame schikking pas geeft. Eén keer schreef ik over ‘mijn advocaat’ en gooide de brief weg toen ik me voorstelde hoe de heren daarom zouden grijnzen. Ik heb geen advocaat. Het donker van nu is opnieuw de duisternis uit de kinderjaren. Men zit alleen in een ruimte, zelf is men in veiligheid, maar degene waarvan men het meeste houdt ontbreekt nog. Jullie worden moe van angst, en deze moeheid is een diepe, sprakeloze smart. Niet langer het met een opgeluchte schok ontwaken uit een gedachtenvlucht; zware en overal verstijfde gedachteloosheid.

LK6MEOFDTUTYRVJ2IKP3XKOYG4

Kant en klare beelden voor mijn ogen

Deze moeheid is niet de gewone moeheid, hij is een vorm van pijn, het zijn de pijnen van de angst. Iemand vertelde dat hij als hij van de zaak thuiskomt direkt de t.v. moet aanzetten om niet onmiddellijk in slaap te vallen. Twee maanden geleden geloofde ik nog dat ik de t.v. niet meer nodig had, maar nu schakel ik hem vaak weer in zogauw het donker wordt. Met de kant en klare beelden voor mijn ogen, de kunstmatige stemmen in mijn oren, denk ik net als Anzengruber’s steenklopper Hans als hij in het weiland ligt: ‘Mij kan niets meer overkomen!’ Het journaal begint sinds een paar weken een halfuur eerder; dat is er de oorzaak van dat de kinderen vroeger moeten gaan slapen. ‘Ik krijg ze nu een halfuur vroeger naar bed’, vertelde iemand. In de straten hoort men de kinderen van Duitsland lachen als Ernie uit de Sesamstraat. Waarom is het zo zonderling om een in alle bijzonderheden politiek bestaan te leiden? ‘Ga eens naar Darmstadt en zie hoe de heren zich daar op jullie kosten amuseren en vertel daarna jullie hongerende vrouwen en kinderen dat hun brood in vreemde magen heerlijk is gevallen…’ Dat kan men als een citaat uit het verleden opduiken, maar als men het nu zelf zou zeggen zou dat de heren alleen maar eens te meer doen grijnslachen.

0abxjpdz6nl11

Wat is politiek denken.?

Ik zat voor de t.v. en probeerde iets te denken, maar het waren alleen onuitsprekelijke woorden zonder samenhang die met mijn schedeldak in botsing kwamen. Toen ik Nixon zag dacht ik: ‘Gangster!’; toen ik de Chileense generaals zag dacht ik: ‘Bandieten!’ Tegelijk klonk het mij als iemand dat uitsprak lachwekkend in de oren. Aan de andere kant waren de kommentaren die ik las alleen maar andere versies van de ‘Zeer geachte heren’-frase. onder gevaar voor overdrijving had ik het volgende kunnen zeggen: ‘Oplichters! Bandieten! Moordenaars!’ Dat zou ik ook gemeend hebben. Al het andere behoorde toen al tot de fiktie van het kompromis. Ik zei niets. Maar plotseling vond ik hen die het toch wél uitspraken niet meer lachwekkend: zij spraken hun sprakeloosheid uit, ik verzweeg haar. En toen sprak het vanzelf: ja, Nixon is een gangster, de Chileense generaals zijn bandieten, de Portugese soldaten van Wiriyamoe in Mozambique zijn moordenaars. Jij, aannemer, bent een oplichter. Dat is niet subtiel? Subtiel formuleert de Frankfurter Allgemeine: ‘Bij urenlang observeren van Allende’s gelaatsuitdrukkingen liet zijn karakter zich daaruit als onhelder en dus dubieus aflezen.’

allende

Wat is politiek denken? Politieke aktiviteiten heb ik altijd alleen maar gevolgd zoals ik sportreportages volgde; ontsteld voelde ik me telkens pas op het moment dat de politiek bloedig werd. En vanouds voelde ik mij solidair met de slachtoffers: bij aanblik van de slachtoffers zag ik mijn vroegere partijkiezen voor een ideologie alleen nog als een sportief duimopsteken. Ook dat kan ideologisch zijn, zegt men. Om onderscheid te kunnen maken tussen slachtoffers en slachtoffers zou ik een dialektische sprong moeten kunnen maken. Ik begrijp hoe vernuftig die sprong wel niet is en in iedere diskussie voer ik hem ook uit, maar zodra de slachtoffers een fysieke gedaante annemen maak ik hem ongedaan. Dat is de reden waarom ik tot nu toe niet in staat ben een in alle details politiek bestaan te leiden. Er is een dialektiek die niets anders is dan immorele routine.

Zolang ik me kan herinneren heb ik een afkeer van macht gehad, en deze afkeer is niet iets moreels, hij is ingeschapen, een eigenschap van iedere lichaamscel afzonderlijk. Vele jaren geleden werd ik door een leraar met de strijkstok geslagen, en nu zou ik willen opspringen om zijn stok doormidden te breken. Eens, in het internaat, toen ik aan de beurt was om vóór te bidden en ik, hoewel ik een heet hoofd kreeg van inspanning, te zacht bad voor de grote zaal en de geestelijke opziener daarop brulde dat ik harder moest bidden, onderbrak ik echter het gebed, liep naar de opziener toe en deelde hem mijn nadrukkelijke wens mede van zijn ruwheid verschoond te blijven. Maar waarom zweeg ik dan, toen ik jaren later goedgekeurd werd voor dienst bij de gewapende troepen en de officier ons bij de inspektie met veel suggestieve opeenhopingen van klinkers en medeklinkers de wind beschreef die door de trotse rijen der soldatengraven giert? Dat wekte toen moordlust in mij op, en die heb ik nu nog, zeer geachte heer…

American_military_cemetery_2003

Begrippen zijn het eerste het slechtste

Er is dus een onderscheid mogelijk: wat mij onbekwaam maakt voor een politieke existentie en wat mijn onwil daartoe bepaalt, is niet de afkeer van geweld maar de afkeer van macht; pas de macht verleent het geweld het aanzien van het rationele doordat zij over de middelen beschikt om het te ritualiseren. Mijn weerzin tegen het uitgekookt redenerende geweld van de macht is onoverwinnelijk; tot op heden ervaar ik bijna allen die machtig zijn als vormloos en doods. En van dit gevoel kan men door geen enkele dialektiek bevrijd worden. Vele jaren geleden bekeek ik een van de inmiddels gemeengoed geworden concentratiekampfoto’s: iemand met kaalgeschoren hoofd, grote ogen en holle wangen zat daar op een hoop aarde op de voorgrond; ik bekeek de foto nog eens, nieuwgierig maar zonder herinnering; deze gefotografeerde mens was tot een verwisselbaar symbool vervluchtigd. Plotseling merkte ik zijn voeten op: zij waren met de tenen tegenover elkaar geplaatst, zoals soms bij kinderen, en nu kreeg het beeld diepte en voelde ik bij het zien van deze voeten de zware moeheid die een verschijningsvorm is van de angst. Is dat een politieke ervaring? Stellig vormt de aanblik van deze op elkaar wijzende voeten door de jaren heen de bezieling van mijn afschuw en woede, tot in mijn dromen, en door mijn dromen heen weer naar buiten, en stelt hij mij bovendien tot waarnemingen in staat waarvoor ik via de normale begrippen, die de wereld van de fenomenen altijd op een eindpunt willen vastleggen, blind zou zijn gebleven. Ik ben overtuigd van de begripsontbindende en daardoor voor de toekomst wezenlijk belangrijke kracht van het poëtische denken. Thomas Bernard zei dat hij zodra er bij hem tijdens het schrijven ook maar de eerste aanzet van een verhaal aan de horizon opdook, die neer zou schieten. Ik antwoord daarop: zodra bij het schrijven ook maar de eerste aanzet van een begrip opduikt, wijk ik – als ik dat nog kan – uit naar een andere richting, naar een ander landschap, waar nog geen vergemakkelijkingen en totaliteitspretenties via begrippen bestaan. Want die bieden zich immers, bij iedere schrijvende beweging, aan als het eerste het slechtste; als men moe is laat men hen staan; zij zijn het ogenschijnlijk moeilijke, dat gemakkelijk te fabriceren is.

35550048194_f9c600f011_c

Bijna met een gevoel van welbehagen

Een paar dagen geleden liep ik door Frankfurt. Een trieste zaterdagmiddag in die straten waardoor men vanuit het centrum naar de voorsteden rijdt, geen centrum meer maar ook nog geen eigen stadsdeel, woonwijk noch handelswijk, een paar verlaten schijnenende kantoren, een lege lunchroom met een pompeuze naam, het niemandsland in de grote steden. Met ingespannen blik keek ik rond en voelde mij uitgedaagd om in alle fenomenen tekens te zoeken. In het raam van een parterrewoning stonden twee grote, gevlekte honden. Uit een huis wierp een oudere vrouw een regenjas van waterdichte zijde naar een oude man die beneden op straat stond. Toen kwam ik langs een deurplaat met veel namen en dacht plotseling: ‘Grappig, die hebben allemaal namen, die heten inderdaad allemaal zus of zo!’ Op een dergelijke middag zat ik in een Hessisch dorp als enige in het dorpscafé, dat de achterkamer van een kruidenierswinkel was, mijn handen plakten aan het plastic tafelkleed en ik las in een Hör zu van een paar maanden oud. Net als in de achterkamer van de kruidenierszaak in het Hessische dorp werd ik ook in die Frankfurtse straat de existentie van anderen gewaar aan mijzelf, maar vooral als toneelspeler die hen verpersoonlijkte, huiverend en toch bijna met een gevoel van welbehagen.

deurbellen-met-namen-studen

De ellende onder het schedelgewelf

Opeens viel mij tijdens mijn begerige waarnemingen iets op: de innerlijke lichaamservaring dat mijn schedeldak zich over mij heen welfde en mij voor alle blikken afschermde. En onder het massieve schedelgewelf liet ik in een bijna intieme afwezigheid de algemene ellende op mij inwerken. Toen ik dat opmerkte bedacht ik dat men om dit tafereel te verstoren onmiddellijk geweld zou moeten toepassen; maar dat was maar één van de vele ireëele gedachten waar ik mee speelde. ‘De sterrenhemel in oktober’, stond onlangs in de krant. En toen ik in de supermarkt de met poedersuiker overdekte en met dunne goudpapieren koordjes omwikkelde kerststollen zag, gruwde ik van de voorstelling hoe straks boven de straten onvermijdelijk weer de kerststerren zouden hangen. Langs de Autobahn van Duisburg naar Dusseldorf zag ik jaren geleden ’s nachts altijd een blauw bord oplichten: Dr. Johnson’s handcreme. ’s Morgens poets ik mijn tanden met Dr. Best’s tandenborstel, mijn haar was ik met Dr. Dralles’ shampoo, met Dr. Scholl’s likdoornpleisters probeerde ik eens een wrat weg te krijgen. Verenigt geest en politiek, aldus een banderolle om het verzameld werk van Carlo Schmidt. Een op de drie Duitsers heeft een rekening bij de postspaarbank, een op de tien een levensverzekering bij de Hamburg-Mannheimer, een op de duizend pleegt zelfmoord. Het Melitta-vuilniszakkenpakket levert twintig vuilniszakken, het Melitta vrieskussenpakket bevat vijfendertig vrieskussens, het Melitta verfrissingspakket bevat veertig verfrissingsbuiltjes. Welk een veelvuldigheid der fenomenen!

0ea4afa9-83e4-4fd0-9314-aa1cbf541159._CR0,0,970,300_PT0_SX970__

Hoe wordt men een poëtisch mens?

Nog steeds te weinig contradicties… In zijn Werkjournaal schreef Brecht op 31 augustus 1944: ‘Op momenten van verwarring valt het gevoel in haar komponenten uiteen zoals een dodelijk getroffen rijk in staten uit elkaar valt. Hun onderlinge relaties worden vernietigd (opeens wordt duidelijk hoezeer het geheel uit verschillende gedeelten bestaat), alleen de betekenis die zij voor zichzelf hebben blijft hun over, dat is een nietige betekenis, het komt voor dat ik zeer plotseling in zaken als muziek of ook politiek geen betekenis meer kan zien, de intiemste vrienden of verwanten als vreemden zie, enz. Gezondheid bestaat uit evenwicht.’ Wat Brecht hier, uit een bekrompen angst voor de zinloosheid, gispt als ziekte en verwarring is niets anders dan het in de hoop gefundeerde poëtische denken, dat de wereld altijd weer opnieuw laat beginnen wanneer ik er in mijn verstoktheid al van uitging dat zij definitief was, en het is ook de basis van het zelfbewustzijn waarmee ik schrijf. Hoe wordt men een poëtisch mens? Op alle vragen, ook op deze, laat zich het fraaie, rake antwoord geven: dat is een lang verhaal. Als ik iemand gevoelsmatige solidariteit, sociale bewustheid, vriendschap en geduld wil bijbrengen stoot ik hem niet af met laat-westerse logica, maar probeer hem te vertellen hoe het ooit met mijzelf zo ging, dat wil zeggen, ik probeer mij te herinneren.

ELawz3IWkAA_VmW.jpg large

Wat ik voor ogen heb is een literatuur, die helemaal vrij is. Vrij van al die meningen. Het basisprobleem van de huidige literatuur is dat hij te journalistiek is, dat al die discussies die op het moment plaats vinden te veel in de literatuur terecht komen. De emancipatie van de vrouw, discriminatie, derde wereld, dat komt allemaal in de literatuur terecht, in plaats dat de literatuur wordt gebruikt voor nieuwe ervaringen. Daarom zijn bijna alle boeken die ik las verziekt. Ik kan dat niet lezen, tenminste niet als literatuur. Het hoort ergens anders thuis. Ik wil me best informeren, ik doe dat ook. Ik lees kranten, kijk televisie. Maar als ik een boek lees, wil ik een heel andere energie voelen. Literatuur is niet de wereld, niet de werkelijkheid van de straat.

Mijn werkelijke opvoeding heb ik gekregen tijdens het lezen, niet van de opvoeders. De literatuur pakte me waar mijn opvoeders mij niet kenden, dus niet aanpakten. Ik heb me door de literatuur laten veranderen. Later heb ik, door te schrijven, geleerd mijzelf te veranderen. Niet letterlijk, maar toch. Ik begreep zoveel niet van mijzelf. Kijk, ik geloof ook aan het toeval. De mooiste herinneringen zijn toevallige, je weet niet waar ze vandaan komen, je speelt er geen rol in, ze hebben ook geen sociale betekenis. Herinneringen waar ik zelf helemaal niet in voor kom, zijn voor mij de belangrijkste. Omdat het herinneringen zijn maar tegelijkertijd ook toekomstbeelden. Die beelden zijn voor de fantasie ongelooflijk stimulerend. Daarmee kun je verder denken.

Soms heb ik dan het gevoel: ik ben ook eigenlijk helemaal geen schrijver, ik moet dat laten. Dat verdien ik niet met de oplichterij die ik bedrijf. Meestal wil ik mijzelf helemaal niet als schrijver zien. Wat is dat nou? Als je toch kijkt naar al die mensen die dagelijks naar kantoor gaan, die gaan werken, die iets doen. Maar is een paradox, dat er op de een of andere manier toch iets gemaakts van mij is. In plaats van werk toch iets dat door mij is gemaakt. Als andere mensen dat kunnen meebeleven, dan ben ik daar toch wel tevreden mee. Dan denk ik dat het toch het allermooiste is om kunstenaar te zijn. Schilder, componist te zijn, is het ideale leven. Dat mensen door de huiver van het poëtische worden gegrepen – dan ben ik al heel tevreden. Tegelijkertijd is het een belachelijk idee dat ik dat zou doen.

(Peter Handke een ontmoeting met Andre Matthijsse Bzzlletin jaargang 6 1977-1978)
narrative-794978_1920

https://dbnl.org/auteurs/auteur.php?id=hand001#lit_pri

THE TURN OF THE SCREW (1)

DS543338_942long

Einde juli en verder in augustus 2007 publiceerden we een 23-delige serie ‘The turn of the screw’.  Het verhaal van Henry James, geschreven in 1897,  bleef auteurs , cineasten en componisten boeien tot op de dag van vandaag. (een nieuwe filmversie ‘The Turning’ met Floria Sigismondi als regisseuse komt in 2020 in de filmzalen.) In deze donkere dagen willen we even terugkeren naar het onderwerp. Een goede gelegenheid om de serie te lezen of te herlezen in de wintersfeer waarin het oorspronkelijke verhaal ooit ontstaan is..


 


We komen nu echt op het terrein van de 19de eeuwse geesten en spoken, al wil ik niet dadelijk Edgar Allen Poe citeren maar wel het wonderlijke verhaal ‘THE TURN OF THE SCREW’ van Williams James’ broer Henry.

Ernst Braches schreef er een boeiende studie over: ‘Engel en afgrond’, Over the turn of the screw van Henry James, Meulenhoff, A’dam 1983

In 1961 was er een verfilming gebaseerd op dit verhaal met in de hoofdrol Deborah Kerr.
Het kreeg de partijdige naam ‘The Innocents’ mee, en ik ben er zeker van dat Henry James deze titel ten zeerste had afgekeurd. Daarna kwamen er talrijke verfilmingen en bewerkingen, ook voor theater en opera.

turn01

Maar al is het scherm klein, de mooie zwart-wit fotografie van Freddy Francis blijft bekoren.
Deborah speelt een gouvernante die op het afgelegen landgoed Bly de hoede over een meisje (Flora) en een jongen (Miles) krijgt.

Maar zijn ‘the innocents’ wel zo onschuldig als ze zich voordoen, en wat gebeurde er met de vorige gouvernante en de verdwenen meid en knecht?

turn02

Het lijkt een typisch 19de eeuws spookverhaal, maar het feit dat er een bibliotheek boeken met commentaar over is verschenen, laat toch iets anders vermoeden.

Nu is het gewoon even kijken naar het korte filmfragment, want de tocht naar de ware betekenis ligt zoals altijd verborgen.

En lectuur van het verhaal dat in 1898 verscheen kan zeker helpen.
Het is een dunne novelle, in de unieke stijl van Henri James.

Benjamin Britten maakte er een opera van, en zowel de opera als de film The Innocents zijn op DVD terug te vinden of via you tube te bekijken. En weldra een nieuwe film: ‘The Turning’ (2020)

Je kunt verder met deze link ‘The Turn of the Screw (2) Het Begin, en daarna onderaan volgende aflevering kiezen of naar onze WEGWIJZER gaan vanaf 27 juli 2007 elke aflevering apart aanklikken.


Waar de hemel de aarde zou raken: een mystiek kerstverhaal uit 1500

De afmetingen van een raam, 108,5cm x 74,9cm, en wellicht zou je het in dit geval als een binnen-kijken in een mystieke wereld kunnen beschouwen. Mystiek: raakpunten van het hemelse met het ons vertrouwde aardse. Het hangt in de National Gallery in London en een aandachtige waarnemer zou menig keer een ingehouden kreetje kunnen horen: mooi, (al zal dat meestal van buitenlanders zijn, een venijnig grapje in tijden van brexit-mood, sorry).
Mooi?
Kijk maar:

ishot-18

Wacht nog even met wat je op school of daarbuiten hebt geleerd, gewoon bekijken. Je ogen ‘laten gaan’. Van boven naar onder en omgekeerd, van links naar rechts en omgekeerd.
Bovenaan , onder een geopende gouden hemel dansen twaalf engelen, olijftakken in de hand, omgeven met banderollen waaraan kronen hangen.
Daaronder op het dak van de luifel voor een grot, omgeven door bomen, een drietal engelen twee met olijftakken, de middenste leest voor uit een boek. Centraal, en uitvergroot, Maria, Jozef en kind. Links de koningen (zonder geschenken), rechts de herders, beiden door engelen gescorteerd. Op de achtergrond os en ezel.
Helemaal onderaan drie engelen die telkens een mens omhelzen met op de achtergrond kleine en middelgrote duiveltjes doorboord of gewoon zieltogend.

Dit werk is het enige dat hij zelf bovenaan in het Grieks heeft getekend en van commentaar heeft voorzien.
‘Deze schilderij, gemaakt in het najaar van 1500, tijdens troebele tijden in Italië. Ik, Alessandro…’
Hij heeft het daarna over het elfde en twaalfde hoofdstuk uit de Openbaring van Johannes en de apocalyps waarin de duivel voor drie en een half jaar wordt losgelaten en verslagen, zoals je kunt zien in dit schilderij.
Een feest van beweging en kleuren maar een eerder ongewone afbeelding van een voor de schilderkunst overbekend tafereel, de geboorte van Jezus en de aanbidding van herders en wijzen (koningen).

Sandro_Botticelli_083

De schilder, ‘Alessandro’, afgekort Sandro met roepnaam Botticelli ( =’het tonnetje’, omdat zijn broer duidelijk deze lichaamsvorm vertoonde, benaming die blijkbaar op de familie in zijn geheel afstraalde) zal je eerder bekend zijn door een andere ‘geboorte’, namelijk die van Venus. Te vinden tot op koffiebekers, t-shirts, boodschappentassen en dies meer. (1445-1510)

9200000096841160_1
Zijn de personages in zijn zwierige stijl en markante gezichten dadelijk te herkennen, het thema, de mystieke geboorte is een zeldzaam onderwerp niet vreemd aan ‘de rumoerige tijd in Italië dichtbij het grote millenium waarmee de zestiende eeuw zou aanvangen.

De tekst bovenaan, enkele beelden uit het elfde en twaalfde hoofdstuk van de Openbaring doen niet veel goeds vermoeden. Dat kun je al zien door verwijzingen naar het latere leven van dit pas geboren kind. Het doek waarop het ligt is een voorafbeelding van de latere lijkwade waarin het lichaam van de gekruisigde zal gewikkeld worden, en zo is ook de grot een voorafbeelding van de plaats waar hij zal begraven worden.
Ik citeer uit een samenvatting van wikipedia afschuwelijk vertaald naar het Nederlands door een vertaalmachine, vandaar de oorspronkelijke tekst:

ishot-11-2
The painting emerged from the city of Florence in a time when the fanatical preacher Girolamo Savonarola held the city in its grip. He had arrived in Florence in 1490 but had been repelled by the artistic glory and enormous wealth that so impressed the world. He preached that this was a corrupt and vice-ridden place. A great scourge was approaching – and then his words had assumed a terrifying reality: the Italian War of 1494–1498. In 1494 a huge French army invaded Italy and 10,000 troops entered Florence so that the Florentines feared the King of France meant to sack the city. Savonarola stepped into the political vacuum, he met with the French king and persuaded him to leave Florence peacefully. In their gratitude and relief the Florentines increasingly saw the friar as a prophet and his preaching attracted huge crowds to Florence Cathedral. Savonarola claimed that Florence could become the new Jerusalem if the citizens would repent and abandon their sinful luxuries – and that included much of their art. His beliefs were made real as groups of evangelical youths went on to the streets to encourage people to parwith their luxuries, their lewd pictures, and books, their vanities, combs, mirrors. Botticelli may well have seen his own paintings fed to the flames. Yet the artist might not have objected because, like much of the city, he too had come under the sway of Savonarola. It seems that a sermon preached by Savonarola bears directly upon the Mystical Nativity.

ishot-3det

In one sermon Savonarola preached he set forth a vision that had come to him in which he saw an extraordinary heavenly crown. At its base were twelve hearts with twelve ribbons wrapped around them and written on these in Latin were the unique mystical qualities or privileges of the Virgin Mary – she is ‘mother of her father’, ‘daughter of her son’, ‘bride of God’ etc. Though much of the writing on the ribbons held by the dancing angels is now invisible to the naked eye, infra-red reflectography has shown that the original words on the angels ribbons correspond exactly to Savonarola’s 12 privileges of the Virgin. In his sermon, preached on Assumption Day, Savonarola went on to explore the 11th and 12th chapters of the Book of Revelation – the precise chapters mentioned in the painting’s inscription. He connected the glory of Mary with the imminent coming of the power of Christ on earth

Savonarola

Vier jaar zal Savonarola over Florence heersen, een moreel maar ook charismatisch (schrik)bewind dat best vergelijkbaar is met wat sommige extremisten nu van een religie willen maken. Tot Paus en tegenstanders ter plekke er genoeg van krijgen en de monnik met twee kompanen wegens ketterij worden opgehangen en hun lichamen verbrand  en hun asse in de Arno-rivier verdwijnt.

Hanging_and_burning_of_Girolamo_Savonarola_in_Florence

‘Some see the figures of the three men at the bottom of the painting as representatives of the three executed holy men, raised up and restored to grace – but persecution not peace awaited Savonarola’s followers and it was in an atmosphere of oppression that Botticelli set out to create the Mystical Nativity.

ishot-13

The painting is on canvas – normally he would have used wood panel – perhaps for a painting with a dangerous message, canvas had the advantage that it could be rolled up and hidden. With his canvas prepared he would sketch a detailed design on paper, then he transferred this to canvas. He drew on many sources – the dancing angels echo his own three graces of Primavera, the scurrying devil was inspired by a German woodcut. X-rays show that very little of the original design changed – only an angel’s wing was adjusted and trees added over the roof of the stable. Botticelli was now ready to build up the image using tempera paint – the canvas was an experimental medium. To create the heavenly dome Botticelli called on the goldsmith’s craft he had learned as a boy. “The symbolism of the gold is to do with the unchanging, untarnished nature of heaven – gold doesn’t decay, it doesn’t darken like silver. Botticelli would have used an adhesive layer made of oil mixed with resin – not burnished, the gold just patted down on to the surface, following the surface irregularities of the canvas – a glitter, intricate, it would have helped the jewel like quality of the painting – it would have drawn the eye upwards from the Nativity into Heaven. Faith, hope and charity, [the angels clothed in] white, green and red – but the copper based green pigment has discoloured with time, to bronze. Originally it would have been vibrant.”

ishot-18det

Dat de figuur van Savonarola mensen inspireerde kan ik me voorstellen, zeker in de atmosfeer van oorlog, pest en een millennium-mystiek.
Hij was alvast een voorloper van meerdere nieuwe religieuze hervormers in de zestiende eeuw. Zijn leven was het onderwerp van boeken, filmen en zelfs een voorstel tot (afgewezen) heiligverklaring.
De schoonheid van dit werk blijft mij echter ook nu ontroeren, los van een mogelijke ontstaansgeschiedenis.

ishot-12det2
Kijk naar de gehurkte Jozef, -meestal afgebeeld als een oudere man- die door zijn houding duidelijk maakt dat hij er maar weinig van begrijpt. De ezel in zijn nabijheid kijkt al etend naar het kind maar de os bekijkt de koningen en de engel met olijftak.
Die blikwisseling vind ik bij Botticelli vaak terug: zijn personages hebben aandacht voor elkaar of zoeken de kijker op, alsof ze vanuit de breuklijn van de vijftiende-zestiende eeuw ons bevragen, nieuwsgierig zijn hoe wij het hier stellen met de grote klimaatconferentie die ook in deze tijd voor verschillende politieke en andere reacties zal zorgen op zoek naar ons nieuwe Jerusalem al heeft die uitspraak in Israel dan weer heel andere politeke betekenissen.

ishot-14det

Ik denk dat de personages, hoe hemels ook de aarde van toen en nu blijven raken. We hebben onze eigen duiveltjes, of we creëren ze wat graag. We zijn nog steeds op zoek naar de plaatsen of tijden waar het hemelse en het aardse elkaar kunnen raken.
Dat we in de donkerste dagen van het jaar graag diezelfde engelen boven onze hoofden zien bewegen, het oude kerstverhaal in zijn diverse vormen willen herscheppen, brengt ons eerder samen al mag de warmste week zich ook over het ganse prachtige jaar 2020 uitstrekken.

ishot-17det

ishot-15det

Voor wie even bij het prachtige werk van deze kunstenaar wil verblijven deze fraaie collectie in 4K, zonder muziek. Gewoon het beeld het scherm laten vullen, en thuiskomen in zijn wondere wereld.

Mystic_Nativity,_Sandro_Botticelli-2

 

Respectvol verzoek tot Heer Dood

P3020303

Heer Dood,

Op uw tafel ligt de oogst van dode bladeren
na een regenbui. Eind november, niets aan de hand.
Het sterven is een extra van het seizoen,
weldra gewijd aan een boreling in een stal.

Wat bij zomertijd voor ons koelte was,
laat hier, ongewild zijn volle schoonheid
los: vorm van ’t blad, getand of afgerond
en nervenlijnen, riviertjes vanuit de steel
op tedere kleurentinten van ’t vergaan.

P3020309

Onder het bladerdak zaten wij in zomertijd
tot het zachte donker van uitgerokken dagen,
vertelden over toen wij kinderen waren en
wat wij in wintertijden zouden doen of zwegen
eens een nachtelijke bries hen hoorbaar maakte.

Laat ons eerder dan op uw tafel, heer, het speelse
van de lente in elkanders ogen vinden: het zijn
zoals wij zijn niet verdorren in een dwaze dromendwang
en elkander naar het korte leven staan. Het wintert
vlug en verhalen wachten om verteld te worden.

P3020310

Weet dat weldra de dagen weer gaan lengen:
elke dag een hanenschreeuw langer licht, of lang als

het roepen van een kind dat thuiskomt na een schooldag,
het verlossend uitademen na een verwerkt verdrietje,
het schrijven van je naam op een bedampt raam na een vriesnacht,
het loswikkelen van een praline uit zijn zilveren verpakking,
het inschenken van een glas champagne,
het verzinnen van een uitvlucht,
het uitschoppen van je schoenen,
het lanceren van een papieren vliegertje,
het zwijgen net voor je (een al lang besloten) ‘ja’ zult zeggen,
het aflopen van de trappen om voor de geliefde de deur te openen,
het…

Gelieve dus, donkere heer,
met deze herfst genoegen te nemen.
Het liefste licht is in aantocht.

P1050147

(tekst en foto’ s Gmt.)

Anne Carson: Sappho Drives Upstate

sappho

Sappho Drives Upstate

I saw two old white horses in a field,
in the corner of a field,
in the shade,
who had sought the shade,
thoughtfully.
glancing not quite at each other but past,
holding their heads close, their heads aligned,
standing
as they had stood many times,
a thousand times,
standing so,
weak moments, strong moments,
shivering slightly,
a cool breeze sliding down the apple branches or
All this—
you tore a hole, pushed your arm through, hit the switch.

animals-farm-grass-grazing

‘Sappho rijdt de stad uit

Ik zag twee oude witte paarden op een veld,
in de hoek van een veld,
in de schaduw,
die de schaduw hadden opgezocht,
bedachtzaam.
niet dadelijk naar maar langs elkaar kijkend,
hun hoofden dichtbij elkaar, hun hoofden in dezelfde lijn,
staande
zoals ze vaak stonden,
een duizend keer,
zo staande,
zwakke momenten, sterke momenten,
lichtelijk rillend,
een koel briesje daalt langs de de appel -takken of
Dit alles –
je maakte een holte, stak er je arm door, drukte op de schakelaar.

2 paarden

Anne Carson (1950-) is a Canadian poet, essayist, translator and professor of Classics. She is the recipient of a Guggenheim Fellowship, a MacArthur Fellowship, and the PEN Award for Poetry in Translation. Her most recent book is Iphigenia among the Taurians.
A professor of the classics, with background in classical languages, comparative literature, anthropology, history, and commercial art, Carson blends ideas and themes from many fields in her writing. She is influenced by Ancient Greek literature, Sappho, Simone Weil, Homer, Virginia Woolf, Emily Brontë, and Thucydides. She frequently references, modernizes, and translates Ancient Greek literature. She has published twenty books as of 2016, most of which blend the forms of poetry, essay, prose, criticism, translation, dramatic dialogue, fiction, and non-fiction.

17carson1-superJumbo-v3

In 1986, Carson published her first book, Eros the Bittersweet. Named one of the 100 best nonfiction books of all time by the Modern Library, the book traces the concept of “eros” in ancient Greece through its representations in poetry of the time. Carson considers seriously how triangular and mimetic desires have been represented in the poetry of Sappho, as well as the relationship of eros to solitude. Famously, Carson analyzes Sappho’s Fragment 31 as representing “eros as deferred, defied, obstructed, hungry, organized around a radiant absence – to represent eros as lack.”

roger-de-la-fresnaye-the-magician-207469_thumb

‘Autobiography of red‘, verschenen in 1998, is een uit zevenenveertig episodes bestaande roman in verzen. Voor haar hoofdpersoon liet Carson zich inspireren door een Griekse mythe: Geryon was een gevleugeld rood monster, hij hoedde een kudde rood vee en werd door Herakles gedood. In de roman is Geryon een jongen met een rode huid, een rode schaduw en vleugels op zijn rug, en is Herakles zijn minnaar. Vertaald ook naar het Nederlands. Een fragment als kennismaking: de woordzetting is van de auteur.

Virgil and Dante Riding Geryon, Divine Comedy

‘Geryon vond het als kind fijn om te slapen maar wakker worden vond hij nog fijner.
Dan rende hij in pyjama
naar buiten. De ochtendwind bestormde de lucht met levensflitsen zo blauw dat
elk een eigen wereld beginnen kon.
Het woord elk waaide zijn kant op en viel op de wind uiteen. Geryon had daar altijd
moeite mee – een woord als elk
viel, als hij ernaar staarde, in aparte letters uiteen en was dan weg. De ruimte voor
betekenis bleef maar was leeg.
Je kon de losse letters zien hangen aan takken of meubels in de buurt.
Wat betekent elk?
had Geryon aan zijn moeder gevraagd. Ze loog nooit tegen hem. Als zij de betekenis zei
ging die niet weg.
Ze antwoordde: Het betekent dat jij en je broer elk een eigen kamer hebben bijvoorbeeld.
Hij hulde zich in dit sterke woord elk.
Hij schreef het op school met rood zijdezacht krijt (foutloos) op het bord.
Hij dacht zachtjes aan andere
woorden die hij nu bij zich kon houden zoals kelk en welk. Toen moest Geryon
verhuizen naar de kamer van zijn broer.
Een ongelukkige samenloop. Geryons oma kwam op bezoek en viel van de treeplank
van de bus. De dokters maakten haar weer
met een grote zilveren pen aan elkaar. Erna moesten zij en haar pen vele maanden stil
in Geryons kamer liggen. Zo begon zijn nachtbestaan.
Voordien had Geryon ’s nachts niet geleefd alleen overdag en in de rode tijden ertussen.
Wat stinkt er hier in je kamer zo? vroeg Geryon.
Geryon en zijn broer lagen in het donker in hun stapelbed Geryon boven.
Als Geryon zijn armen of benen bewoog
klonk uit de veren een prettig ge-PING TJONK-TJONK PING dat hem van beneden omsloot als een dik schoon verband.
Het stinkt hier niet, zei Geryons broer. Misschien zijn het je sokken,
of de kikker heb je
de kikker mee naar binnen genomen? vroeg Geryon. Jij stinkt hier zo Geryon.
Geryon zweeg.
Hij eerbiedigde feiten misschien was dit er één. Hij hoorde nu van beneden
een ander geluid.

TJONK-TJONK PING PING PING PING PING PING PING PING PING PING PING PING
PING PING PING PING PING PING PING PING PING.’

(vertaling Marijke Emeis, het boek verscheen in 2000 Autobiografie van rood, Meulenhoff Boekerij)

9905920_20170331-102254-2

Apostle Town – Poem by Anne Carson

After your death.
It was windy every day.
Every day.
Opposed us like a wall.
We went.
Shouting sideways at one another.
Along the road.
It was useless.
The spaces between us.
Got hard.
They are empty spaces.
And yet they are solid.
And black and grievous.
As gaps between the teeth.
Of an old woman.
You knew years ago.
When she was.
Beautiful the nerves pouring around in her like palace fire.

0846e-the-woman-and-the-child-1922

Short Talk on Major and Minor

Major things are wind, evil, a good fighting horse,
prepositions, inexhaustible love, the way people
choose their king. Minor things include dirt,
the names of schools of philosophy, mood and
not having a mood, the correct time. There
are more major things than minor things
overall, yet there are more minor things
than I have written here, but it is
disheartening to list them. When I
think of you reading this I do not
want you to be taken captive,
separated by a wire mesh lined with glass
from your life itself, like some Elektra.

japanese-beauty-soaking-in-the-onsen-all-things-japan-gallery

“We know from childhood that play can be serious. And it requires the freedom to play. Writing, like play, is an exercise of the imagination, and as such an exercise of desire that, Carson writes, teaches us “something about edges.” As does her work, which peers over precipices into error with error’s breath also on the back of its neck. Her brinkmanship addresses the point at which language’s tools are no longer adequate to the job—to death, heartbreak, betrayal, physical and mental trauma, absence, untranslatability—yet remain “an unfortunate necessity.” In the work’s desire to analyze what it knows defies analysis, to use its logic on the illogical, is felt the life force of curiosity. Curiosity and its procedures do not allow contingency to harden into a last word, and so are not much appreciated by systems that prefer power remain stable. As Ilhan Inan has noted, curiosity “can only take place in the absence of certainty.”(Karen Solie)

EKEZPRoWoAALq3E.jpg large

Self-Portrait of Other: Tetsuya Ishida

Ishida_RETURN_JOURNEY_96dpi-720x861

“Kiro” (“Return Journey,” 2003), acrylic and oil on canvas, 17.9 x 15 inches

Zoals Franz Schubert, is de kunstenaar die ik je vandaag graag voorstel, ook slechts eenendertig geworden: Tetsuya Ishida, Japan 1973-2005.
Een merkwaardige tentoonstelling reisde van Madrid, Spanje naar Chicago USA onder de titel: ‘Self-Portrait of Other’ om het werk van deze bijzondere kunstenaar voor te stellen.
Dat hij in Madrid door 350.000 bezoekers werd bezocht, maakt zijn aantrekkingskracht duidelijk.
Het is via het museo Reina Sofia, Madrid dat de tentoonstelling van zijn werk nog tot 14 december in Wrightwood 659 Chicago USA te bekijken is.

tetsuya-ishida-self-portrait-of-another-designboom-5

“Conveyor belt for people”, 1996. Acrylic on board. Private collection,

Toen in 1992 mijn hoorspel ‘Heen en terug’ een prijs van de ‘Television and radio writers association of Japan’, The Morishige Award, kreeg, mocht ik na het feestelijk gedoe nog zo’n tiental dagen in Tokio en grote omstreken verblijven, begeleid door collegae auteurs. Was de belangstelling voor dat land en zijn cultuur al in vroegere dagen aanwezig het verblijf aldaar en de contacten met de Japanse auteurs wakkerden het vlammetje terdege aan dat tot op de dag van vandaag, is blijven branden zoals in dit blog meermaals is gebleken.

H0027-L08907944

Hoe kort ook, door de lange gesprekken in alle mogelijke talen (Nl naar Frans, Frans naar Japans en vice versa) leerde ik de eerste stappen zetten in die sterk gelaagde wereld waarin uitersten en nabijheden sterk van de onze verschilden maar ook elkaar raakten. De zin voor detail, het sterk betrokken zijn bij de natuur, de bezielde kern der dingen, aandacht voor elkaar, het zijn maar enkele gebieden die na mijn thuiskomst verder onderzoek aanmoedigden. Onderaan wil ik dit idee nog even verder uitwerken. De vraag:  hoe moet je als westerling leren kijken naar wat een Japans kunstenaar wilde uitdrukken in zijn beelden-alfabet? Je kijkt immers met de ogen van je eigen cultuurgeschiedenis en die wil in dit geval niet alleen van geschreven alfabet verschillen, maar ook grondig van beeldentaal. Beginnen we met zijn bio?

Tetsuya-Ishida-Untitled-1997

(zonder titel 2003 73 x 91)

Few biographical details about Ishida have been published. He was born and brought up in a coastal town in Shizuoka Prefecture, in south-central Japan. His father was a politician, and his mother was a homemaker; they were not pleased with their son’s decision to go to art school and declined to help him financially during his university years.
With his friend Hirabayashi, Ishida founded a company to produce art- and film-related projects, but with the economic downturn of the 1990s in the aftermath of the big bust that abruptly ended Japan’s long-running, postwar boom, the young partners’ enterprise became more of a conventional graphic-design studio, which Ishida eventually left in order to concentrate on his painting.

Ishida_ON_HOLIDAY_96dpi-720x638

(“Kyūka-chū” (“On Holiday,” 1999), acrylic on board, 18 x 21 inches)

The collapse of Japan’s “bubble economy,” which was largely fueled by wildly speculative real-estate deals, led to a “lost decade” of stagnation and uncertainty. With it came “Where-did-we-go-wrong?” soul-searching throughout Japan, whose industries’ legendary promise of lifetime employment faded; layoffs and bleak prospects for university graduates like Ishida prevailed.

Ishida_REFUEL_MEAL_96dpi-720x509

(Tetsuya Ishida, “Nenryō Hokyū no yō-na Shokuji” (“Refuel Meal,” 1996), acrylic on board, 57.3 x 81.1 inches)

In chilling paintings like “Nenryō Hokyū no yō-na Shokuji” (“Refuel Meal,” 1996, acrylic on board), Ishida nailed the anonymity and anomie of the life of the typical Japanese sarariman (salaryman), or corporate office worker, whose mission in life is to meet sales quotas, pledge fidelity to his employer, and, if necessary, labor to the point of karōshi (death from overwork). Much of Japan’s postwar “economic miracle” was delivered on the backs of such nameless organization men. Ishida’s picture shows a row of men in suits seated at a lunch counter, where servers use gasoline-pump nozzles to inject food-fuel directly into their mouths. (Edward M. Gomez 2019)

tetsuya-ishida-self-portrait-of-another-designboom-4

Toch even remmen:
Als ik de verschillende commentaren in mijn collectie samenleg dan zal het je niet verbazen dat onze reactie op zijn werk eerder vanuit onze westerse bedenkingen dan uit de Japanse ervaring zijn ontstaan.
De ‘crisis’ van de jaren negentig was inderdaad niet alleen een economische maar stelde aan de samenleving aldaar indringende vragen. Toch moet je onze opvattingen over die zgn. karoshi ((過労死) -dood door overwerken- eerder vanuit onze cliché’ s omtrent arbeid bekijken. Als individu kijk je anders naar het dagelijkse werk dan als de man of vrouw die vanuit een gemeenschap denkt en oordeelt. Het arbeid-ethos wordt in Japan net zo goed beïnvloed door de angst om ontslagen te worden of niet te voldoen aan een ideaalbeeld als aan een soort ‘opoffering’ voor het gemeenschapsideaal! Een slechte bedrijfsorganisatie verschuilt zich vlug achter de zgn. ethos als ze overwerk wil camoufleren in ‘gemeenschapszin’. Dat daar paal en perk aan gesteld wordt is logisch. Tetsuya Ishida raakt de kern aan: je vergroeit letterlijk met het materiële, in zoverre waar je vroeger van enige sublimering kon spreken door je ten dienste te stellen, nu de concentratie op consumeren ligt -het enige middel om uit de stagnatie te geraken werd gezegd- en je zelf ontmenselijkt wordt, -het menselijke als hindernis-, als zwakste schakel, bij economische planning en realisatie.

untitle4s01

Van de weinig auto-biografische documenten zegt deze zin waar het hem om ging:

‘At first, it was a self-portrait. I tried to make myself–my weak self, my pitiful self, my anxious self–into a joke or something funny that could be laughed at…It was sometimes seen as a parody or satire referring to contemporary people. As I continued to think about this, I expanded it to include consumers, city-dwellers, workers, and the Japanese people.’
–Tetsuya Ishida-

Tetsuya-Ishida-Awakening-1998

( Awakening145.6 x 206.0 1998)

Een andere te westerse invalshoek bij de bespreking van zijn werk is een dubieuze term als ‘surrealisme’:

There is nothing polemical about Ishida’s art. Its poetry is unhesitatingly candid, its emotion raw, like that of Osamu Dazai’s prose. His images, in their oddness, exude the radical air that wafts through such iconic Japanese modernist works of the immediate postwar period as those of Tetsumi Kudō (mixed-media creations evoking wartime destruction in the nuclear age), On Kawara (whose “Bathroom” drawings (1953-54) featured peg-like, naked humans in disorienting, tiled rooms), and Shūsaku Arakawa (whose early sculptures featured corpse-like cement blobs placed in elegant, fabric-lined, coffin-like boxes).

Hijzelf:

“What I am seeking (now) is an expression of anguish, but not something depressing that ends in self-pity…not to show off my anguished feelings but a form of humor that laughs off such emotions. It is close to nonsense.”

Ishida_SEARCH_96dpi-720x495

Tetsuya Ishida, “Sōsaku” (“Search,” 2001), acrylic on canvas, 44.1 x 63.8 inches

Unlike some such works, though, Ishida’s images never flirt with the grotesque; they have often been referred to as “surreal,” but they could easily be described as a kind of bizarre, reportorial history painting, too, for they are certainly vivid documents of the spirit of their time. (ibidem)

tetsuya-ishida-self-portrait-of-another-designboom-7

“When I think about what to paint, I close my eyes and imagine myself from birth to death. But what then appears is human beings, the pain and anguish of society, its anxiety and loneliness, things that go far beyond me.”

Tetsuya-Ishida-Collater.al-2-1024x817

Ishida left some clues to the thoughts and feelings that informed his peculiar images. In a 1996 notebook entry, he wrote, “I’m strongly drawn to saintly artists. I mean people who believe that each brushstroke will save the world or will represent the suffering of humanity in the face of a sheep. They make me aware that I’m just a philistine.” He also became interested in outsider art, whose creators, he felt, embodied a kind of authenticity to which he could not measure up. (ibidem)

Ishida_PRISONER_96dpi-720x512

(“Prisoner,” 1999), acrylic on board, 40.5 x 57.3 inches (private collection;)

Ishida was born in Yaizu, a port city known for its fishing industry and as the home port of the Lucky Dragon 5. In March 1954 a fishing boat by that name was caught in the fallout of a U.S. thermonuclear test at Bikini Atoll. Those on board suffered acute radiation syndrome and one crew member died. U.S. artist Ben Shahn drew attention to the disaster in a series of works that were shown decades later in Yaizu when Ishida was eight years old. After seeing Shahn’s pieces, Ishida wrote in his diary that he would become a painter. Thus, the experience that brought him to figure painting was also a lesson in technology weaponizing and torturing the human body. In a school essay the young Ishida wrote that victims “were in pain and could not get up to go to work.” (Lauren Moya Ford Mousse Magazine)

Tetsuya-Ishida-Cargo-1997

Across a short ten-year career, Ishida produced a formidable body of work centred on isolation and alienation in a world dominated by uncontrollable forces, where recurring images of school children and office workers would become a platform for asserting a forthright critique of education and labour systems driven by the imperatives of productivity and competitiveness. The metamorphosis of the human body merges with different insects, technological devices and means of transportation; claustrophobic situations see the body become physically trapped in holes and constructions or become part of an assembly line, like cogs in a machine; the search for identity, bound to the elementary need to return to childhood and a repressed eschatological component; the lost glow of amusement parks and the sadness that pervades wastelands, working to form a backdrop to the apathy of a society which has yielded to the machinery of production and infinite consumption.

ichibas01

“When I think about what to paint, I close my eyes and imagine my- self from birth to death. But what then appears is human beings, the pain and anguish of society, its anxiety and loneliness, things that go far beyond me.”

Ishida_PUBLIC_PROPERTY_96dpi-720x621

Tetsuya Ishida, “Kōkyōbutsu” (“Public Property,” 1999), acrylic on canvas, 17.9 x 20.9 inches

“There’s no creating anything original anymore,” Ishida once told his close friend, the filmmaker Isamu Hirabayashi, who was a fellow student at Musashino Art University in Tokyo in the 1990s. Apparently, Ishida felt fatigued by the too-easy postmodernist appropriationist gestures and style-quoting pastiches he saw over and over again in the art of his time.

tetsuya_ishida_22

(Tetsuya Ishida, Recalled, 1998, Acrylic on wood , 145,6 x 206 cm, Nick Taylor Collection,)

Nor was he fond of the creations of such international Japanese superstars as Takashi Murakami, which he dismissed as “all just a marketing ploy,” or the older Yayoi Kusama, about whom he remarked, “That stuff about some psychological disability behind her offbeat behavior; it’s all just an act.” (Hirabayashi quotes his late friend in a reminiscence published in the exhibition’s catalogue.)
In retrospect, such comments might have sounded churlish if they had been provoked by envy or insecurity. On the strength of the evidence of Ishida’s talent and artistic intellect, however, he was in a secure position from which to have criticized what he did not like or, on the other hand, to have embraced, to his friend’s bemusement, the colorful, charming pictures of the painter-illustrator Rokurō Taniuchi (1955-1981), who was known for his covers for Japanese culture magazines.(ibidem)

c253c64aba1855955c73776afaec930c

Tetsuya Ishida, Waiting for a Chance, 1999 Acrylic on board, 57 5/16 × 81 ⅛ inches (145.6 × 206 cm)

 

Ishida also admired the work of Vincent Van Gogh and, in his choice of books, he favored Dostoyevsky’s The Idiot and the novels of such Japanese modernists as Kōbō Abe and Osamu Dazai, the latter of whom was known for his numerous suicide attempts (he finally did kill himself, in 1948) and his brutally candid tales of debauchery and renegade antics.

tetsuya_ishida_04

Ishida died in 2005 when he was struck by a passing train at a railroad crossing; some have said his death was a suicide. It cut short the evolution of some of the most distinctive recent art to have been created anywhere in the industrialized world.

steam_locomotives01

Who became a SL
A man transformed into a steam locomotive
85.8 x 60.7 1995

Brutale tederheid. Misschien is deze combinatie een mogelijke ingang.
De personages zijn ontdaan van hun strict persoonlijke kenmerken. Daardoor passen ze in elk van ons.
De wanhoop die je bevangt als je denkt ‘uitverteld’ te zijn dreef hem wellicht naar een zelf gekozen einde, maar zijn verhalen beginnen nu hun weg te vinden.
Of hij geloofde dat we ze kunnen vermijden, weet ik niet.

tetsuya_ishida_16

‘Als je besluit je eigen pad te volgen, zal je eerst duizend kilometers alleen zijn.’
Een Japans spreekwoord.

2015_HGK_03410_0049_000tetsuya_ishida_untitled

untitled 103 x 1456 cm 1998

Life-and-Death Paintings, From a Career Cut Short

https://tetsuyaishida.jp/71843/gallery/

In het Japans wordt het woord kagami ((かがみ) gebruikt: spiegel, maar het heeft ook andere betekenissen: かがみ = 神が身: vergoddelijk jezelf. Zo zie je in alle schrijnen spiegels, duidelijk om te laten zien dat jij je eigen god bent. Denken wij aan narcisme, voor een Japanner is het een begrip dat je vooral in jezelf moet geloven. Tegelijkertijd zijn objecten bezield door ‘kami’, een goddelijke kracht die je in alle voorwerpen kunt aantreffen. Het werk van Tetsuya Ishida laat duidelijk zien dat de levenswijze van het toenmalige Japan (de negentiger jaren) het vrijwel onmogelijk maakte om welke positieve kracht dan ook te ervaren. Hij gebruikt  de transformatie van mensen in levenloze voorwerpen of machines als een symbool. Door het diep gewortelde groepsbesef wordt juist die mooie kracht voortdurend in dienst van de commerciële prestatie gesteld, een creatie van een kapitalistish systeem zonder innerlijke waarden, enkel op winst gericht van een naamloze maatschappij, letterlijk en figuurlijk. Het bijzondere van elke persoon, het vergoddelijkte, wordt er net door vernietigd. Het animisme dat ons vreemd is (maar bv. wel in weer andere maar zeer aanwezige vormen ook in de Afrikaanse culturen aanwezig is, blijft ten zeerste in de diepere lagen van Shinto aanwezig. De hedendaagse Japanse samenleving ervaart sterker dan wij het ‘geestdodende’ want niet alleen staat onze eigen persoonlijke geest centraal maar nog steeds de geest van een groep, familie, bedrijf, vereniging.

3fb902eb7daf9516d119ba5876df14c9
Dat geestdodende is het onderwerp van deze kunstenaar dat hij echter vaak door beelden of hun inhoud eindeloos uit te vergroten verbeeldt zodat de consequenties van de moderniteit gewoon als pure nonsens verschijnen. Bij ons gaat al vlug het ethische vingertje in de lucht. In Japan vergroot je de uitbeelding tot vaak haar wanstaltigheid (of omgekeerd haar vertederend karakter) zodat ze niet ethisch maar eerder uitvergrotend (animistisch) verschijnt, waardoor de onzin haar werkelijk karakter verliest maar in het denken daardoor juist een meer geloofwaardige (symbolische) plaats krijg, waar ze ons in het westen zal verlammen of in een depressie duwen.
De liefelijkheid en de horror tonen zich in Japan in deze vorm die ons vreemd is. Wij klasseren ze bij de kindertijd (liefelijkheid) of bij de misdaad (power, kracht) waar ze al dadelijk een onschuldig of schuldig uitzicht verdienen.
Ik moet toegeven dat het slechts het begin van een idee is, een richting die ik wil aangeven. Zeker zal ik het nog met mijn goede Japanse vriendin, eens ze terug uit Tokio is, daarover hebben. En aandachtig luisteren.

hikidashis01 a market place

Drawer

48456434387_aa5c40f4a2_b

lost child 2004

In de stilte van de zondag: 8 Impromptus van Franz Schubert

space-calendar-leonids-superJumbo

A meteor from the Leonids streaking through the sky, seen between the arms of a cactus in Tucson, Ariz., in 2001.Credit…James S. Wood/Arizona Daily Star, via Associated Press

Je kunt terwijl je leest hieronder het notenbeeld volgen en/of de 4 eerste impromptus (opus 90) beluisteren.

 

 Met het begrip ‘schoonheid’ kun je inderdaad alle kanten op, ook nu, op ditzelfde moment –ik wil eerst het allegro molto moderato van een impromptu in C minor Opus 90 nr 1 van Franz Schubert opleggen-en luisteren:

Na een indringende noot lopen de klanken zachtjes op blote voeten, daarna met antwoorden die er niet om liegen, jammerend maar weer opgevangen ook al is het molto moderato.
En meteen zit ik in de sterrenregen van de Leoniden die vooral deze nacht (17-18/11) zichtbaar overtrekken naar jaarlijkse gewoonte terwijl de oplichtende snippers van hun ijsklonters al jaren of misschien een eeuw geleden los gelaten hebben en nu eindelijk (en voor de laatste keer) zichtbaar worden in hun lichtend verdwijnen in onze dampkring.
In die kringloop van het kleine korte kunstenaarsleven en de loop van de planeten rond de ster die we zon noemen is elke verhouding zo overbodig dat ze in aanmerking komt om in haar gedachten-omvang een plaats te krijgen bij het begrip ‘schoonheid’. Het moelijk noembare, aanleunend bij wetenschap en mystiek, het numineuze.

abstract-nature-peggy-bowie-davis

Na negen minuten en zevenentwintig seconden een vloeiend Allegro.
Je moet nog niet zoveel associërend vermogen hebben om waterstromen in allerlei vormen doorheen je verbeelding te voelen lopen. Wie water zegt, herkent ook dadelijk het licht dat erin weerkaatst, net zoals in de muziek van Schubert de weerkaatsing telt.
En het mag een herkenning zijn, o ja, dat fragment, als je daarna het prachtige andante en allegretto in dezelfde onderstroom door je heen laat gaan. Met berusting zou ik erbij schrijven, maar ik ben al oud en wellicht zou mijn kleindochter van negentien het hebben over ‘afwachtend’ wat meteen duidelijk maakt dat schoonheid niet te vangen is met woorden of zelfs niet met interpretaties of verwachtingen.
Wellicht moeten we in dat onderwijs veel meer plaats maken voor het associërend denken, want daarmee open je niet alleen de verwondering die het smaken ervan vergemakkelijkt maar zonder die associërende sterkte hadden grote wetenschappers nooit hun ontdekkingen waar gemaakt.
Tijd om verder te luisteren. Aan jou de innerlijke beelden.

maan schilderen

Nu de vier impromptus opus 142. Impromptu in F minor opus 142, het allegro moderato.

Hier is het vloeiende, het impregnerende, weer aan de beurt. De behoorlijke vlotheid van de rechterhand-vingers moet naast het aanvoelen gewoon technisch langdurig ontwikkeld worden. Ook de verbeelding kan enige opleiding of aanmoediging gebruiken.
En net als je denkt dat het thema een andere deur gaat openduwen herneemt de heer Schubert zijn druppelende klanken en mag je er hoogtes of laagtes zelf bijdenken want het water is weer licht geworden, tussen de herfstbladeren, om het melancholische sterven nog onbegrijpelijker te maken.
In het tweede gedeelte is de dynamiek ondergrondser maar je moet niet te lang op vleugels wachten om over het kalende landschap van het voorbije te trekken en je herinneringen bij de wintervoorraad te proeven zoals ze bedoeld waren: een palet van tegengestelde smaken, bitterzoet maar ook nog steeds romig-verwonderd of met een kruidige afdronk.
Ook het momentele, het ogen-blik, heeft zijn innerlijke warmte in de herinnering: net zoals je ooit heel vroeg buitenkeek en het eerste licht uit de donkerte zag kruipen, zo is de herinnering aan de kleinste schoonheid (de welving van je arm, een elkaar aankijken, een tot ziens wuiven) voorzien van een grote innerlijke uitstraling die nooit uitdooft maar in haar ver-innerlijking de essentie laat gloeien.
Ik verzamel graag deze ogen-blikken. Al luisterend zul je er zeker ook herinneren.

03.RedCurtains

foto Cig Harvey

In het Allegretto vind je dadelijk een eenvoudige optelsom, een fraai A dat met een logisch B beantwoord wordt, maar heb geduld voor de brug tussen beide werelden: wat je dacht en hoe het echt verliep. De uitkomst verschuift wel eens, dus niet te voorzien en daar zit de toonaard A flat major voor iets tussen: de verraderlijke vraag met het onverwachte antwoord.
Zet de deuren maar open of de vervreemding komt door de kieren van je goed gebouwde verdediging: ook Franz moest meermaals aan den lijve de smaak van teleurstelling en radeloosheid wegspoelen met deze ogenschijnlijke vanzelfsprekendheid.
(Dat is de zin van de herhalingen, je leert het verloop beter begrijpen!)

P3020265

En dan is het natuurlijk tijd voor Rosamunde (Andante mit Variationen) de toneelmuziek die het gebeuren van het verhaal overleefde.
Ze is ook heel mooi georkestreerd maar in de piano-versie eerlijker, ontdaan van het toneelmatige. Het was één van de eerste stukken van mijn muzikale collectie. (met Bruno Walter als dirigent)
Er gaat een geruststellende atmosfeer van uit: het variëren op het thema. Dat herkennen we. Dacht je vaak aan een geheel nieuwe ervaring dan bleek ze bij enige introspectie een variatie op het (al te bekende) thema. Elke variatie maakt andere werkelijkheden zichtbaar. Heb je nu tijd om buiten te kijken, al mag je ook je ogen sluiten en binnen-kijken uiteraard.
Het wordt ook wel feestelijk, zeker nu het uitgeleefde jaar zijn lichtende dagen als uitgang in petto heeft. Ook dit is een functie van schoonheid: je hebt te veel op dezelfde manier gekeken, gevoeld, geluisterd, gesmaakt, dus leer je vanuit het thema de eerst onzichtbare binnenkanten van het thema ontdekken, en die zijn er zowel in de diepte, in de accentuering als in de ogenschijnlijk speelse variaties waarin bijna kinderlijke uitroepjes verborgen zijn.
Maar al vlug druppelt het regenboogjes, of bedoel je bellen blazen? Uiteenspatten inbegrepen.
En dan die seconde stilte om weer bij het begin van Rosamunde uit te komen.
Ook dat onverwachte dat je langs de cliché’s toch bij een essentie kunt uitkomen hoort bij de mysterieuze schoonheid.

920x920

In het allegro vivace van opus 142 mag je met de slede door het wijdse sneeuwlanschap. Bellen rinkelen. Durf je nog sneller. jawel. En net voor je denkt thuis aan te komen blijkt elke weerkaatsing net zo lang als de aanslag van een toets te duren.
Het worden cirkels die naar de hoogste tonen uitrollen en weer terug. Alleen nog de linkerhand en stiltes worden ingebouwd als leesteken. Vragen en antwoorden in overvloed.
Tot het ritme je eerst aarzelend maar dan zelfzeker meeneemt naar het gooien van feestelijke pijlen in de roos van elke verwachting. (een soort aanloop voor de sprongen in de verte)
En zo donder je de stilte in.

Laat best even naklinken zei de klanken-apotheker. Een volle minuut of twee stilte voor de nasmaak mogen oren best hebben in deze tijd van het jaar.
(mijn pianist: Martijn van den Hoek, in de vroege zomer van het jaar 2000 opgenomen)

telling

https://en.wikipedia.org/wiki/Impromptus_(Schubert)

Wenn András Schiff seinen Studenten in einem Meisterkurs Schuberts Impromptus erklärt, dann spricht er von nahen und fernen Klängen, von wechselnden Perspektiven, von Wolken und Landschaften. Wer diese Musik technisch bewältigt hat, was auch schon keine kleine Sache ist, kann sie deshalb noch lange nicht spielen. Entscheidend ist die poetische Ebene, die Bilder und Assoziationen im Kopf des Hörers auslöst, so András Schiff: “Die Poesie, die Literatur, die Geschichte, die Philosophie, die Bildenden Künste – wer nicht neugierig ist auf diese Erkenntnisse, der kommt nicht weiter. Und das hat mit Üben nichts zu tun.”

Die Vier Impromptus Deutschverzeichnis 899 (opus 90) schrieb Schubert im Sommer 1827, ein Jahr vor seinem Tod. In ihrer Abfolge erinnern die Stücke durchaus an eine Sonate: Zu Beginn ein balladenhaftes Allegro, dann ein tänzerisches Scherzo, das Chopins “Minutenwalzer” vorwegzunehmen scheint. Als dritter Satz folgt ein Andante, das wie Schubert’sches Lied klingt – ein Lied ohne Worte. Und als Finale ein bewegliches Allegretto, dessen Sechzehntel-Kaskaden an einen Wasserfall erinnern, bei dem die Tropfen in der Sonne funkeln. “Da sieht man wirklich die Natur”, erklärt András Schiff. “Es ist sehr bildhaft komponiert. Man weiß, dass Schubert ein sehr naturliebender Mensch war, der sehr gern wanderte. Diese Musik findet draußen statt, nicht im Zimmer.” (Bernard Neuhoff)

http://art-klimt.com