‘Hoe de vogels het zien’, gedichten van Serhiy Zhadan, Oekraine.(2)

I imagine how birds see it:
the black branch of a river,
rooftops in winter,
perplexed pedestrians on the sidewalk.

I imagine it’s scary for birds to fly over the river.

Still, they look at the city from above.
At the depot beyond the station,
the backyards,
the library on the other side of the river,
the full pages of the streets.

They repeat this February poem,
knowing it from gates to attics,
knowing where it’s going to stop finally,
and they know, by the way, how it’s going to end.

The soil emerges
the way facial features become clear,
fish will arrive in the floodplains of the Dinets river,
a bit of blackness will appear on the horizon,
there will be happiness,
there will be cattails.

The point is to warm up among people,
to love this artel work of winter,
this inaudible breath of soil,
its seal.

You have to scream about it.
And so they scream. 
Ik stel me voor hoe vogels het zien:
de zwarte tak van een rivier,
daken in de winter,
verbijsterde voetgangers op de stoep.

Ik stel me voor dat het eng is voor vogels om over de rivier te vliegen.

Toch kijken ze van bovenaf naar de stad.
Bij het depot achter het station,
de achtertuinen,
de bibliotheek aan de andere kant van de rivier,
de volle pagina's van de straten.

Ze herhalen dit februari gedicht,
ze kennen het van de poorten tot de zolders,
wetend waar het uiteindelijk zal stoppen,
en ze weten, tussen haakjes, hoe het gaat eindigen.

De grond komt tevoorschijn
zoals gelaatstrekken duidelijk worden,
vissen zullen arriveren in de overloopbekkens van de Dinets rivier,
een beetje zwartheid zal aan de horizon verschijnen,
er zal geluk zijn,
er zullen kattenstaarten zijn.

Het punt is om op te warmen onder de mensen,
om van dit kunstwerk van de winter te houden,
deze onhoorbare adem van de bodem,
zijn zegel.

Je moet er om schreeuwen.
En dus schreeuwen ze
As if this winter never happened,
as if we had no expectations, no worries,
hadn’t listened carefully
to the loudspeakers of December,
hadn’t halted motionless
before the orchestral truth of blizzards.

As if it wasn’t us who prepared
for the power of ice
born out of lovelessness.

As soon as the damp cursive of thaw
appears in the air,
the world explodes
like a crowd shown
the severed head of a tyrant.

Eternal the fire above the meadows.
Eternal our devotion to
the open heart of the river.

And the first to wake up are always
the booksellers at street markets,
and they lay out their treasures along
the city’s bridge.

And poets are already looking around
in the wind from their old wet anthologies
swollen like pillows,

chucked out of the school program,
but not banished from life,

they react to the laughter,
to the farewell rustle
of snow under boots,

they adjust their ties,
warm up between
covers.

Poets whom no one trusts,
poets from the history of literature.

Betrayed by lawyers,
left by wives,
those who drowned, hanged themselves, suicides:

they tell their biographies,
cultivate in us the love
of life.

(translated from the Ukrainian by John Hennessy and Ostap Kin)
Alsof deze winter nooit gebeurd is,
alsof we geen verwachtingen hadden, geen zorgen,
niet goed hadden geluisterd
naar de luidsprekers van december,
niet roerloos hadden stilgestaan
voor de orkestrale waarheid van de sneeuwstormen.

Alsof wij het niet waren die ons voorbereidden
op de kracht van ijs
geboren uit liefdeloosheid.

Zodra het vochtige cursief van dooi
in de lucht verschijnt,
explodeert de wereld
als een menigte die
het afgehakte hoofd van een tiran toont.

Eeuwig het vuur boven de weiden.
Eeuwig onze toewijding aan
het open hart van de rivier.

En de eersten die wakker worden zijn altijd
de boekverkopers op de straatmarkten,
en zij leggen hun schatten uit langs
de brug van de stad.

En dichters kijken al rond
in de wind van hun oude natte bloemlezingen
opgezwollen als kussens,

uit het schoolprogramma gegooid,
maar niet verbannen uit het leven,

ze reageren op het gelach,
op het afscheids-geritsel
van sneeuw onder laarzen,

ze passen hun dassen aan,
warmen zich op tussen
dekens.

Dichters die niemand vertrouwt,
dichters uit de geschiedenis van de literatuur.

Verraden door advocaten,
verlaten door vrouwen,
zij die verdronken, zichzelf ophingen, zelfmoordenaars:

zij vertellen hun biografieën,
cultiveren in ons de liefde
van het leven.
Headphones
By Serhiy Zhadan
Translated by Virlana Tkacz and Wanda Phipps from the Ukrainian

Sasha, a quiet drunk, an esoteric, a poet,
spent the entire summer in the city.
When the shooting began, he was surprised —
started watching the news, then stopped.
He walks around the city with headphones on,
listening to golden oldies,
as he stumbles into burned-out cars,
blown-up bodies.

What will survive from the history 
of the world in which we lived
will be the words and music of a few geniuses
who desperately tried to warn us,
tried to explain, but failed to explain anything
or save anyone; 
these geniuses lie in cemeteries
and out of their ribcages
grow flowers and grass.
Nothing else will remain —
only their music and songs, a voice
that forces you to love.

You can choose to never turn off this music.
Listen to the cosmos, shut your eyes.
Think about whales in the ocean at night.
Hear nothing else.
See nothing else.
Feel nothing else.
Except, of course, for the smell, 
the smell of corpses.

https://www.nytimes.com/2021/08/26/magazine/poem-headphones.html
Koptelefoon

Sasha, een stille dronkaard, een esotericus, een dichter,
bracht de hele zomer door in de stad.
Toen de schietpartij begon, was hij verrast -
begon naar het nieuws te kijken, en stopte toen.
Hij loopt door de stad met een koptelefoon op,
luisterend naar golden oldies,
terwijl hij struikelt over uitgebrande auto's,
opgeblazen lichamen.

Wat zal er overblijven van de geschiedenis 
van de wereld waarin we leefden
zullen de woorden en muziek zijn van een paar genieën
die wanhopig probeerden ons te waarschuwen,
probeerden uit te leggen, maar er niet in slaagden iets uit te leggen
of iemand te redden; 
deze genieën liggen op begraafplaatsen
en uit hun ribbenkast
groeien bloemen en gras.
Niets anders zal overblijven -
alleen hun muziek en liedjes, een stem
die je dwingt lief te hebben.

Je kunt ervoor kiezen om deze muziek nooit uit te zetten.
Luister naar de kosmos, sluit je ogen.
Denk aan walvissen in de oceaan 's nachts.
Hoor niets anders.
Zie niets anders.
Voel niets anders.
Behalve, natuurlijk, de geur, 
de geur van lijken.

Street art in KYIV Ivana Frankastraat, 5 Alex Maksikov, Oekraine

‘So I’ll talk about it’: poëzie uit Oekraïne

Lviv

‘A Rock-Star’-Poet wordt hij genoemd, Serhiy Zhadan, (geboren 23 augustus 1974) is een Oekraïense schrijver, vertaler en musicus. Asymptote, het tijdschrift voor literatuur in vertaling, noemde hem de ‘Rock-Star Poet’, als erkenning voor zijn productie – meer dan twee dozijn romans en dichtbundels – en zijn weigering om te knielen en de Russische vlag te kussen tijdens een pro-Kyiv demonstratie op het Vrijheidsplein in de stad Kharkiv. Vanuit de Engelse vertaling van John Hennessy en Ostap Kin, een voorlopige vertaling in het Nederlands.

Alexandra Ekster Drie Vrouwen
So I'll Talk About it- Serhiy Zhadan
    So I’ll talk about it:
    about the green eye of a demon in the colorful sky.
    An eye that watches from the sidelines of a child’s sleep.
    The eye of a misfit whose excitement replaces fear.

    Everything started with music,
    with scars left by songs
    heard at fall weddings with other kids my age.

    The adults who made music.
    Adulthood defined by this—the ability to play music.
    As if some new note, responsible for happiness,
    appears in the voice,
    as if this knack is innate in men:
    to be both hunter and singer.

    Music is the caramel breath of women,
    tobacco-scented hair of men who gloomily
    prepare for a knife-fight with the demon
    who has just crashed the wedding.

    Music beyond the cemetery wall.
    Flowers that grow from women’s pockets,
    schoolchildren who peek into the chambers of death.

    The most beaten paths lead to the cemetery and water.
    You hide only the most precious things in the soil—
    the weapon that ripens with wrath,
    porcelain hearts of parents that will chime
    like the songs of a school choir.

    I’ll talk about it—
    about the wind instruments of anxiety,
    about the wedding ceremony as memorable
    as entering Jerusalem.

    Set the broken psalmic rhythm of rain
    beneath your heart.
    Men that dance the way they quench
    steppe-fire with their boots.
    Women that hold onto their men in dance
    like they don’t want to let them go to war.

    Eastern Ukraine, the end of the second millennium.
    The world is brimming with music and fire.
    In the darkness flying fish and singing animals give voice.

    In the meantime, almost everyone who got married then has died.
    In the meantime, the parents of people my age have died.
    In the meantime, most heroes have died.
    The sky unfolds, as bitter as it is in Gogol’s novellas.
    Echoing, the singing of people who gather the harvest.
    Echoing, the music of those who cart stones from the field.
    Echoing, it doesn’t stop.
Alexander Bozomazov Begrafenis
Dus zal ik erover praten  Serhiy Zhadan

Dus ik zal er over praten:
    over het groene oog van een demon in de kleurrijke lucht.
    Een oog dat toekijkt vanaf de zijlijn van een kinderslaap.
    Het oog van een buitenbeentje wiens opwinding de angst vervangt.

    Alles begon met muziek,
    met littekens achtergelaten door liedjes
    gehoord op herfst bruiloften met andere kinderen van mijn leeftijd.

    De volwassenen die muziek maakten.
    Volwassenheid gedefinieerd door dit - het vermogen muziek te spelen.
    Alsof een nieuwe noot, verantwoordelijk voor geluk,
    verschijnt in de stem,
    alsof deze vaardigheid aangeboren is bij mannen:
    om zowel jager als zanger te zijn.

    Muziek is de karamel-adem van vrouwen,
    naar tabak ruikend haar van mannen die zich somber
    voorbereiden op een messengevecht met de demon
    die net de bruiloft heeft verpest.

    Muziek voorbij de kerkhofmuur.
    Bloemen die groeien uit de zakken van vrouwen,
    schoolkinderen die gluren in de kamers van de dood.

    De meest platgetreden paden leiden naar het kerkhof en water.
    Je verbergt alleen de meest kostbare dingen in de grond-
    het wapen dat rijpt met toorn,
    porseleinen harten van ouders die zullen klinken
    als de liederen van een schoolkoor.

    Ik zal er over praten-
    over de blaasinstrumenten van angst,
    over de huwelijksceremonie zo gedenkwaardig
    als het binnengaan in Jeruzalem.

    Zet het gebroken psalmische ritme van regen
    onder je hart.
    Mannen die dansen zoals ze blussen
    steppevuur doven met hun laarzen.
    Vrouwen die hun mannen vasthouden in de dans
    alsof ze hen niet ten oorlog willen laten gaan.

    Oost Oekraïne, het einde van het tweede millennium.
    De wereld bruist van muziek en vuur.
    In de duisternis geven vliegende vissen en zingende dieren een stem.

    Intussen is bijna iedereen die toen trouwde gestorven.
    Intussen zijn de ouders van mensen van mijn leeftijd gestorven.
    Intussen zijn de meeste helden gestorven.
    De hemel ontvouwt zich, net zo bitter als in Gogol's novellen.
    Echoënd, het gezang van mensen die de oogst binnenhalen.
    Echoënd, de muziek van hen die stenen van het veld karren.
    Echoënd, het houdt niet op.
Aleksandra Ekster ‘Ville’
In Kiev was het atelier van Aleksandra Ekster een verzamelplaats voor schilders, dichters en intellectuelen. Ekster was in Parijs geweest waar ze Picasso en Braque ontmoette. Ze volgde de laatste trends in kubisme en futurisme. Haar schilderijen kenmerken zich door felle kleuren en versimpelde vormen.(Kunstvensters)
"They buried their son last winter"  Serhiy Zhadan
They buried their son last winter.
Strange weather for winter—rain, thunder.
They buried him quietly—everybody’s busy.
Who did he fight for? I asked. We don’t know, they say.
He fought for someone, they say, but who—who knows?
Will it change anything, they say, what’s the point now?
I would have asked him myself, but now—there’s no need.
And he wouldn’t reply—he was buried without his head.

It’s the third year of war; they’re repairing the bridges.
I know so many things about you, but who’d listen?
I know, for example, the song you used to sing.
I know your sister. I always had a thing for her.
I know what you were afraid of, and why, even.
Who you met that winter, what you told him.
The sky gleams, full of ashes, every night now.
You always played for a neighboring school.
But who did you fight for?

To come here every year, to weed dry grass.
To dig the earth every year—heavy, lifeless.
To see the calm after tragedy every year.
To insist you didn’t shoot at us, at your people.
The birds disappear behind waves of rain.
To ask forgiveness for your sins.
But what do I know about your sins?
To beg the rain to finally stop.
It’s easier for birds, who know nothing of salvation, the soul. 
Alexander Bozomazov De wagen
"Afgelopen winter hebben ze hun zoon begraven"  Serhiy Zhadan

Ze hebben afgelopen winter hun zoon begraven.
Raar weer voor een winter, regen, donder.
Ze begroeven hem stilletjes - iedereen heeft het druk.
Voor wie heeft hij gevochten? vroeg ik. Dat weten we niet, zeggen ze.
Hij vocht voor iemand, zeggen ze, maar wie - wie weet?
Zal het iets veranderen, zeggen ze, wat is het punt nu?
Ik zou het hem zelf gevraagd hebben, maar nu - is dat niet nodig.
En hij zou niet antwoorden, hij was zonder hoofd begraven.

Het is het derde oorlogsjaar, ze repareren de bruggen.
Ik weet zoveel over je, maar wie luistert er?
Ik ken, bijvoorbeeld, het liedje dat je altijd zong.
Ik ken je zus. Ik heb altijd iets voor haar gehad.
Ik weet waar je bang voor was, en zelfs waarom.
Wie je die winter ontmoette, wat je hem vertelde.
De hemel schittert, vol as, elke nacht nu.
Je speelde altijd voor een naburige school.
Maar voor wie heb je gevochten?

Om hier elk jaar te komen, om droog gras te wieden.
Om elk jaar de aarde om te spitten - zwaar, levenloos.
Om de rust te zien na een tragedie, elk jaar.
Om vol te houden dat je niet op ons schoot, op je volk.
De vogels verdwijnen achter golven van regen.
Om vergeving te vragen voor je zonden.
Maar wat weet ik van je zonden?
Om te smeken dat de regen eindelijk ophoudt.
Het is makkelijker voor vogels, die niets weten van verlossing, de ziel. 
Kiriak Konstantinovich Kostandi – Heilige Donderdag in het noordelijke dorp

Meer over de dichter:

https://www.newyorker.com/books/page-turner/the-bard-of-eastern-ukraine-where-things-are-falling-apart

De pijnlijke melancholie van het leven in onze tijd: Felice Casorati (1886-1963)

De Vreemdeling 1930 170 x 120cm Felice Casorati
Illuminated by an unreal light and framed by an alienating perspective, the scene appears as if suspended in a dimension beyond time: an impenetrable silence seems to have fallen, similar to the feeling of alienation of the only man present among the chatting ladies. The work can be dated back to the end of the 1920s, when Casorati’s compositions began to present a palette of soft, ultra-low-key colours, playing with pastel shades. The background with its flat colours and the perspective that tends to tip over onto the spectator, are combined using plastically defined shapes, accentuating the alienating effect as enigmatically referred to in the title. (Uffizi Palazzo Pitti)
A Student Felice Casorati c. 1910 Oil on plywood panel Museum of Fine Arts Boston
Jong meisje op rood tapijt 101cm x 109,5cm 1912 MSK Gent
Felice Casorati schilderde voor de Eerste Wereldoorlog nog in de stijl van het symbolisme. Tijdens de oorlog onderging hij de invloed van nieuwe stromingen als de metafysische schilderkunst, het futurisme en het kubisme. Vanaf het begin van de jaren 1920 schilderde hij nog bij voorkeur eenvoudige onderwerpen en stillevens in een strenge, geabstraheerde stijl. Jong meisje op een rood tapijt uit 1912 is een goed voorbeeld uit de symbolistische periode van de kunstenaar. Voor het schilderij stond Ada Trentini model, de oudste dochter van de schilder Attilio Trentini. Er bestaat een foto van Ada in een gelijkaardige houding waardoor Casorati zich ongetwijfeld liet inspireren. Het vogelperspectief benadrukt de afstand tussen de toeschouwer en het meisje, dat zich in haar eigen wereld heeft teruggetrokken. De voorwerpen rondom haar verwijzen zowel naar de voorbije kindertijd, als naar de nog onbestemde toekomst van de volwassenheid. Op subtiele wijze wordt de buitenwereld door het binnenvallend zonlicht op het tapijt gesuggereerd. Ook de bevreemdende combinatie van rood en blauw-violet draagt bij tot het symbolistisch karakter van het schilderij. (tekst bij MSK Gent collectie)
Dromend van granaatappelen (1913)

Felice Casorati [1883-1963], geboren in Novara (Italië), bracht zijn vormende jaren door in Padua, waar hij zijn belangstelling voor muziek en literatuur ontwikkelde. Hij begon te schilderen in 1902 en studeerde rechten aan de Universiteit van Padua, waar hij in 1906 afstudeerde, terwijl hij regelmatig het atelier bezocht van Giovanni Viannello (1873-1926). Casorati’s vroege schilderijen waren in de symbolistische stijl van de Wiener Secession. Zijn gehechtheid aan deze stijl werd versterkt door het zien van Klimt’s installatie op de Biënnale van Venetië in 1910, waar hij de Oostenrijkse schilder ontmoette. Casorati had de jaren 1908-1911 in Napels doorgebracht, waar hij vooral het werk van Pieter Bruegel de Oude bewonderde, dat hij in het Museo di Capodimonte had gezien.

Kijk je naar de datum onder het door Klimt’s geïnspireerde werk dan zie je 1913, een jaar dus voor de ‘grote oorlog’. De ‘granaatappelen’ werden snel door heuse granaten vervangen. Voor hij in 1915 voor het Italiaanse leger wordt opgeroepen maakt Casorati zijn eerste beelden in geverniste terracotta.

Casorati Maschera rossa 1913

Casorati vestigde zich in 1918 in Turijn, waar hij al snel een centrale figuur werd in artistieke en intellectuele kringen. Hij sloot vriendschap met de pianist en componist Alfredo Casella en de antifascistische agitator Piero Gobetti, bij wie hij zich in 1922 aansloot bij de Amici di Rivoluzione Liberale. Gobetti propageerde het werk van Casorati in de krant “Ordine Nuovo” van Antonio Gramsci.
Casorati’s radicale associaties leidden tot zijn arrestatie en opsluiting voor een korte periode in 1923. Casorati’s schilderijen uit de jaren twintig verschilden radicaal van zijn vooroorlogse werk, dat hij als onvolwassen afwees.
Stevig geconstrueerde figuren werden veilig opgesteld in ruimten georganiseerd naar het model van Quattrocento-perspectivische systemen, vooral dat van Piero della Francesca. Ook belangrijk voor Casorati waren de dramatisch verkorte figuren van Mantegna.
De verstilling, zuiverheid en rigiditeit van zijn composities lijken op die van de toen heersende Neue Sachlichkeit-beweging in Duitsland.

Silvana Cenni Felice Casorati 1922 205 x 105cm
Felice Casorati B’eethoven’ 1928 120 x 139cm

Het was die droomachtige abstractie die het schilderij ‘ De vreemdelingen’ (helemaal bovenaan) in 1930 voor de 17de Biënnale van Venetië gekozen, beschreef als ‘transfusie van de werkelijkheid in het fantastische’ typerend voor het ‘Magisch Realisme’, de stroming in de schilderkunst waar hij zich in de jaren 20 bij aansloot en de grootste stroming in Milaan van de 20ste eeuw werd, gevormd rond de charismatische figuur van Margherita Sarfatti, journaliste en kunstcriticus van Joodse afkomst.

Gli scolari Felice Casorati 1927/28
‘Daphne at Paravola’ Felice Casorati 1934

De intimiteit die zijn werk uitstraalt werd heel mooi verwoord door auteur Carlo Levi (1902-1975) nadat hij Casorati’s studio had bezocht:

“I barely had a moment to look at them, like a thief, and they seemed wonderful. It’s hard to say what I was feeling […] in that stolen moment. But I am sure that it was through those paintings that I came to the sudden realization that painting is like enchanting free spaces, like a manifestation of a time that is inside things and at the bottom of the heart, which is not in the still and dead object, but in its real form and number. A number that is closed, as implicit as existence in reality, inside a Greek temple: relationship, silence – the classic, aching melancholy of living in our time.”

"Ik had nauwelijks een moment om ze te bekijken, als een dief, en ze leken prachtig. Het is moeilijk te zeggen wat ik voelde [...] in dat gestolen moment. Maar ik weet zeker dat ik door die schilderijen tot het plotselinge besef kwam dat schilderen als het betoveren van vrije ruimtes is, als een manifestatie van een tijd die in de dingen zit en op de bodem van het hart, die niet in het verstilde en dode object zit, maar in de werkelijke vorm en het getal ervan. Een getal dat gesloten is, even impliciet als het bestaan in de werkelijkheid, binnenin een Griekse tempel: relatie, stilte - de klassieke, pijnlijke melancholie van het leven in onze tijd."
Fanciulla addormentata nello studio (1959) Meisje slaapt in de studio

Je wordt niet dadelijk vrolijk van zijn werk, daarvoor is de melancholie te diep in elk onderwerp verzonken: de pogingen om elkaar werkelijk te bereiken zijn meestal tevergeefs. Casorati heeft twee wereldoorlogen meegemaakt die zijn vaderland telkens grondig hebben aangetast tot jaren nadien. Net zoals je op een dag als gisteren, 24 februari 2022 (Poetin ‘bevrijdt’ Oekraïne!) je ogen niet gelooft, zijn deze werken vaak in dezelfde sfeer gemaakt: elkaar bereiken is vrijwel onmogelijk. Niemand kijkt iemand aan, tenzij een hulpeloze blik naar de schilder die ons, kijkers, vertegenwoordigt. Maar meestal zijn de modellen in zichzelf verzonken.

Felice Casorati, Raja, 1925
Felice Casorati: Ragazza col Vestito a righe

Eénmaal dacht ik bij een verzameling kinderen toch meer glimlachjes te vinden. Maar kijk zelf aandachtig naar deze verzameling. Le bambine o Bambine sul prato. De meisjes of de meisjes op het gazon.

Eén van de meisjes lacht naar de kijker, een meisje in profiel beantwoordt die lach, de anderen zijn eerder gereserveerd, moe of verveeld.

Een mooie collectie van 133 werken kun je hier bekijken: (let niet op het gebroken tekentje, gewoon erop klikken)

Felice Casorati

We wensen ons allen deze verse appelen op een krant uit februari 2022. De melancholie, weet je wel. Melas wil in het oude Grieks ‘zwart’ zeggen, en ‘cholè’ is ‘de gal’, dus zwartgalligheid als een lichtelijk overdreven vertaling. Er zitten scheuren in het dak waaronder wij het leven meemaken, maar langs die scheuren, naar een lied van Leonard Cohen, dringt het zonlicht telkens weer binnen. Ring the bells that still can ring. Hoe de kunstenaars van alle tijden dat licht hebben vertaald in hun werken willen we in dit blog aantonen: je zin geven in wat ze ons hebben nagelaten of waarmee ze nog druk bezig zijn. Vooral in donkere tijden waarin bekende scenario’s uit de geschiedenis weer eens herhaald worden.

The Embrace (1946)

Letterbreed en letterlievend: Charles Boyle (1951)

Foto door Ravi Kant
Charles Boyle was born in Leeds, and worked in for a long time in publishing, including fourteen years at Faber and Faber. He is the author of six collections of poetry: Affinities (1977), House of Cards (1983), Sleeping Rough (1987), The Very Man (1993; all Carcanet), Paleface (1996), and The Age of Cardboard and String (2001; both Faber), the last of which he is probably best known for. Reviewing in the Guardian, Nicholas Lezard called the book “quite beguiling: completely unpretentious yet still resonant and lyrical; linguistically precise and emotionally evasive, often at the same time.” 

Boyle has also published a novella, 24 for 3 (Bloomsbury, 2008) under the pseudonym Jennie Walker, and a book of photographs and brief texts, Days and Nights in W12, under the pseudonym Jack Robinson. The Manet Girl, a collection of stories, was published under his own name in 2013 by Salt Publishing. In 2007, as a result of his difficulty in getting 24 for 3 published, Boyle established CB Editions, a small press dedicated to novellas, translations, and writing in other genres often neglected by mainstream publishers. (The poetry archive, John Green)

Merkwaardig in deze staat van dienst is wel dat hij na zes dichtbundels (1977-2001) ophield met poëzie schrijven. Sinds het eerste jaar van dit nieuwe millenium heeft hij dus geen versregel meer geschreven. (Poems can be written in the little gaps of time that 9-to-5 jobs allow. Especially after I had children, I considered earning a living more important than writing poems.) Met daarbij de vrees hetzelfde gedicht te schrijven dat eerder al door hem geschreven is. Hij noemt het: “een vriendschappelijke scheiding” van de Muze. Als founder-editor van zijn kleine CB-editions had hij ook wel de handen vol om van het hoofd nog te zwijgen.

'I wasn’t good enough. I wanted to get a new tone and a new range of material into the work, and I didn’t have the technique, the ability. Writing more of what I’d already written, variations on poems already in print, was pointless – firstly because there was no thrill in this, secondly because it wasn’t as if this was an income-generating activity that I needed to sustain to keep myself in cigarettes.'
Foto door Negative Space

Vorig jaar, 2021, verscheen ‘The Disguise’ Poems 1977-2001, een selectie uit de zes bundels door Christopher Reid , Carcanet. Manchester. In enkele dagen van Amazon NL naar je thuisadres voor iets meer dan 20 euro. Enkele gedichten hier met poging tot vertaling als kennismaking. Ook uit mijn persoonlijke collectie.

Charles Boyle established a reputation as a sharp, wry, disabused observer of social mores. Paleface, published by Faber, was shortlisted for the Forward Prize, and The Age of Cardboard and String, also from Faber, was shortlisted for the T.S. Eliot Prize and the Whitbread Award. But in 2001 the well ran dry. Since the first year of the twenty-first century he has not put poetic pen to paper even once. 

The poems remain vital and fascinating, but they have about them also a kind of archaic cast: here we find the quintessential white male Englishness from the late twentieth century on display as if in a museum. Here too is the excitement of abroad (North Africa especially), and there are ghosts, absences, exile and evasions: in hindsight, these poems offer clues to their own disappearance after thirty notable years spent partly in the sun. (aldus de uitgever)
Foto door Charlotte May
Moving in

The shape of the key is still strange in my hand.

Inside, all’s silent in shadow: a sense
of violating stillness as in a tomb.

We wander through, touching dust, pausing
to look, to listen, to watch each other’s faces.

On the south side we find, as promised, the balcony,
you open the shutters, letting daylight in

on faded chairs, the worn carpet, a magazine.
There are pictures of flowers and eastern girls.

All this will have to go, you say.  Less sure
than you, I fear displacing the old echoes.
eigen foto Gmt
Naar binnen

De vorm van de sleutel is nog steeds vreemd in mijn hand.

Binnen is alles stil in schaduw: een gevoel
van gewelddadige stilte als in een tombe.

We dwalen rond, raken stof aan, pauzeren
om te kijken, om te luisteren, om elkaars gezichten te bekijken.

Aan de zuidkant vinden we, zoals beloofd, het balkon,
je opent de luiken, laat het daglicht binnen

op verschoten stoelen, het versleten tapijt, een tijdschrift.
Er zijn foto's van bloemen en oosterse meisjes.

Dit moet allemaal weg, zeg je.  Minder zeker
dan jij, vrees ik de oude echo's te verplaatsen.
Arlington Mansions

Towards midnight on my 30th birthday
I was teasing a 5-amp fuse wire
between a pair of recalcitrant screws,
remembering in the dark
April 1961: Yuri Gagarin, first man alive
to see the whole blue ball in space,
and myself aged 10 in the back of a car
being driven east.

A dog came scratching for food.
A bowl of cold chicken curry later,
I half-led, half-pushed it back home
to the gaga lady upstairs –
the Flower Girl, the Millionairess,
former star of the silent screen- 
who lived on chocolate and cigarettes.

Sshhh, she whispered, one finger on her lips,
the same sound of the sea
I could hear beyond Flamborough Head.
Foto door Julia Volk
Arlington Mansions

Tegen middernacht op mijn 30ste verjaardag
was ik een 5-amp zekering aan ’t trekken
tussen een paar recalcitrante schroeven,
en herinnerde ik mij in het donker
april 1961: Yuri Gagarin, de eerste levende man
die de hele blauwe bol in de ruimte zag,
en ikzelf 10 jaar oud, achterin een auto
die naar het oosten reed.

Een hond kwam scharrelen naar eten.
Een kom koude kip curry later,
ik half geleid, half geduwd
naar de gaga-dame boven-
de Flower Girl, the Millionairess,
voormalige ster van het stille scherm-
die van chocolade en van sigaretten leefde.

Sshhh, fluisterde ze, een vinger op haar lippen,
hetzelfde geluid van de zee
dat ik voorbij Flamborough Head kon horen.
Foto door cottonbro
Fault Line

There was so much right on both sides,
Ken said, we could each found a church,
and the people who stuck by whichever holy writ
would be people he wouldn’t mind meeting.

At the time, I was kneeling on the floor
with a self-assembly bookshelves kit,
wondering why they’d given me only nine nuts
for ten bolts, and just when he’d said that,

about the two churches, I realised
that the alarm bell on the used-car garage
which had been ringing since Friday night
had stopped. For the first time for years

I felt a shiver run through me
and into the ground. Then Ken was saying,
in his seen-it-all, done-it-all voice,
Have you ever watched a priest, a priest

in full regalia, in tears? Weeping’s
the word, not crying, and the snotty grey handkerchief
he keeps up the sleeve of his vestment
can’t stem the waters of Babylon.
Waters of Babylon Ninth Taboo
Breuklijn

Er was zoveel goeds aan beide kanten,
zei Ken, dat we elk een kerk konden stichten,
en de mensen die zich aan de heilige schriften hielden
zouden mensen zijn die hij  best wilde ontmoeten.

Op dat moment zat ik geknield op de vloer
met een doe-het-zelf bouwpakket boekenplanken,
verwonderd waarom zij mij maar negen moeren
voor tien bouten hadden gegeven, en net toen hij dat had gezegd,

over de twee kerken, realiseerde ik mij
dat de alarmbel van de tweedehands autogarage
die al rinkelde sinds vrijdagnacht
gestopt was. Voor de eerste keer sinds jaren

voelde ik een rilling door me heen gaan
tot in de grond. Toen zei Ken
met zijn alles-gezien, alles-gedaan stem:
Heb je ooit een priester, een priester

in vol ornaat in tranen gezien? Huilen is
het woord, niet wenen, en de snotterige grijze zakdoek
die hij in de mouw van zijn gewaad bewaart
kan het water van Babylon niet tegenhouden.
Blossom

I’m in Waterstones, where they know about these things,
I’m trying to buy a book with the word Tree
in its title, I forget the author, it’s something
I’ve been told I must read by someone I trust,
over a week ago now, and the girl at the desk,
the cashier, pretty, brunette, is on the phone
to a friend, who is making some difficulty about tonight’s
arrangements, nine o’clock in the Yorkshire Grey,
and while nestling the phone to her cheek, between her ear
and left shoulder, a trick I could never manage,
is taking money from the person, woman, in front of me,
giving one pound and five pee change, then dropping the book,
six hundred pages at least, with a palm tree, black
palm tree, not the same tree at all, and embossed
gold letters on its cover, into a purple plastic bag,
adding bookmark, receipt, a smile, a frank
and beautiful smile, still insisting that Stephen and Julia
are leaving tomorrow, it could be their last chance ever.
Bloesem

Ik ben in Waterstones, waar ze van die dingen afweten,
ik probeer een boek te kopen met het woord Tree
in zijn titel,  ik vergat de auteur, het is iets werd er gezegd
door iemand die ik vertrouw dat ik moet lezen, 
nu een week geleden, en het meisje aan de balie,
de kassière, mooi, brunette, is aan de telefoon
met een vriend, die wat moeilijk doet over  over de afspraken
van vanavond , negen uur in de Yorkshire Grey,
en terwijl ze de telefoon tegen haar wang nestelt, tussen haar oor
en linkerschouder, een truk die ik nooit zou kunnen flikken,
is geld aannemen van die persoon, vrouw voor mij,
een pond en vijf pence wisselgeld geven, dan het boek
minstens zeshonderd pagina’s, met een palmboom , zwarte
palmboom, helemaal niet dezelfde boom, goudkleurige
letters in reliëf op de kaft, in een paarse plastic zak laten vallen,
bladwijzer erbij, ontvangstbewijs, een glimlach, een open
en mooie glimlach, nog steeds volhoudend dat Stephen en Julia
morgen vertrekken, het zou hun laatste kans kunnen zijn.

The Age of Cardboard and String, gepubliceerd in 2001, is het titelgedicht voor Charles Boyle’s laatste bundel tot nu toe. Na wat hij “een minnelijke scheiding” van de Muse noemt, werd hij de oprichter en uitgever van CB Editions en blijft hij in andere genres schrijven.

In feite zijn het drie kleine gedichten onder dezelfde noemer. Het wordt uitvoerig besproken in The Guardian door Carol Ruimen’s ‘Poem of the week’ van 27/12/2021 Te raadplegen:

https://www.theguardian.com/books/booksblog/2021/dec/27/poem-of-the-week-the-age-of-cardboard-and-string-by-charles-boyle

The Age of Cardboard and String

It is a machine for eating oranges.
It is a machine for humming new tunes.
It is a rocket bound for the moon.
It is, whatever string you pull, the same machine.

When it breaks we apply more sellotape,
and when it breaks again we sulk, mixing our tears
Into the glue. When it works

we set off for the moon,
scattering orange peel on the floor
and singing songs not yet written down –
hot, fierce songs

that almost burn our mouths with their newness.

*

Faster! Faster! We want to overtake
Anna, who is seven. We want

gears, automatic transmission, wings, clouds
to fly through, flags, fuel injection,
solar panels, stabilisers, sometimes just
to be left alone.

And no,
it wasn’t us (with crumbs on our lips)
who stole the cookies from the cookie jar.

Maybe God
Maybe God was hungry.

*

The moon was OK.
There were holes in it,
We saw biscuits and things at the bottom.

It was raining, the cardboard melted.
Tomorrow can we build a boat?

Wait! We brought you back a secret,
but we’re going to tell it to the zebras first –
the black one with stripes painted white,
the white one with stripes painted black,

who sleep on the landing,
leaving just enough room to squeeze by.
on the wings of a dream by Vince Pezzaniti
Het tijdperk van karton en touw

Het is een machine om sinaasappels te eten.
Het is een machine om nieuwe deuntjes te neuriën.
Het is een raket op weg naar de maan.
Het is, aan welk touw je ook trekt, dezelfde machine.

Als ze breekt, gebruiken we meer sellotape,
en als ze weer breekt mokken we, terwijl we onze tranen mengen
met de lijm.  Lukte het

dan gingen we op weg we naar de maan,
appelsienschillen strooiend over de vloer
En songs zingend die nog niet niet geschreven zijn-
Hete felle songs

die bijna onze monden verbranden met hun nieuwigheid.

*

Sneller! Sneller! We willen Anna
inhalen, die zeven is.   We willen

Versnellingen, automatische transmissie, vleugels, wolken
om er door te vliegen, vlaggen, brandstofinjectie,
zonnepanelen, stabilisatoren, soms gewoon
om met rust te worden gelaten.

En neen, 
wij waren het niet (met kruimels op onze lippen)
die de koekjes stalen uit de koekjestrommel.

Mischien God
Misschien had God honger.

*

De maan was OK.
Er zaten gaten in,
We zagen koekjes en dingen op de bodem.

Het regende, ’t karton gesmolten.
Morgen kunnen we dan een boot bouwen?

Wacht! We brachten je een geheim terug,
Maar we gaan het eerst aan de zebra’s vertellen-
de zwarte met wit geschilderde strepen,
de witte met strepen zwart geschilderd,

die op de overloop slapen,
net genoeg plaats overlatend om er langs te kunnen.

Charles Boyle is een scherpe observator. Niet het verhaal, maar degene die het vertelt of er zijdelings bij betrokken is wordt belangrijk. De fragmentarische observaties doen mij aan filmbeelden denken; ze hebben door hun koele beeldrijkdom een zekere afstandelijkheid waardoor ze aan geloofwaardigheid winnen. Een verre herinnering, een ogenschijnlijk onbelangrijke gebeurtenis, de ‘vrees om oude echo’s te verplaatsen’, de mogelijkheid om langs kinderlijke dromen essenties terug te vinden, de aandachtige observatie in een winkelruimte, ze getuigen van een koele intensiteit waarmee de warme belangstelling voor ons ingewikkeld bestaan met een zekere afstand wordt opgediend met genoeg leegte die de lezer(es) zelf zal mogen aanvullen. Er is plaats voor de lezer, een eigenschap die een uitgever naar waarde weet te schatten. Zoals in dit gedicht ter afsluiting het observeren zijn eigenzinnige draai krijgt.

FIGURINE

I like too 
the shape you make
when you're trying on a new little something,
when facing away
from the full-length mirror
you hollow your back,
make a half-turn
so that the heel of one foot's lifted up,
and look appraisingly down
to observe the effect
from behind-
as if you're following yourself
home
incognito.

(Uit de bundel Paleface 1996)
Vrouw voor de spiegel Erwin Mackowiak S.M.A.K.

A train-riding ‘story-stealer’ Wang-Fuchun (1943-2021)

Guangzhou to Chengdu, 1996. Wang Fuchun
Wang Fuchun, the award-winning photographer best known for his candid shots of Chinese people riding the train, has died at the age of 79, according to a statement released by the China Photographers Association March 13 2021.

Born in the city of Suihua in China’s northeastern Heilongjiang province in 1943, Wang rose from a blue-collar background to become one of the leading figures in Chinese photography, winning the prestigious Golden Statue Award for China Photography in 1996.' (Sixth Tone Shi Yangkun)
Wang-Fuchung Passagiers in een trein van Guangzhou naar Chengdu, Zuid China 1996

Ben je met de trein in enkele uren door dit kleine landje, door China reizen per trein is een ander verhaal. De fotograaf Wang-Fuchung kon er van meespreken. Hij noemde zijn foto’s ‘story-stealers’, verhalen die in een foto het dagelijks leven van de alledaagse mens samenvatten en in de verbeelding van de kijker weer tot leven komen, aansluitend bij de grote Amerikaans-Europese traditie waarin het dagelijks leven de kern van hun werk vormt.

Shi Yangkun Reiziger op de trein van Shenyang naar Dalian, Noord-China 1994
Wang-Fuchun: Man bekijkt vrouwelijke passagier op de Kunming-Liuzhou lijn in 2009
"I became an orphan at an early age. So my elder brother and his wife took me under their wings. Around that time, my brother worked for the railway administration. So our house was near the rail line. Every day, I watched trains go by and listened to their shrieking. We were pretty poor back then. So in order to support the family, I collected cinders along the tracks. During the harvest season, to collect grains that have not been harvested, I would hop onto trains to nearby farmlands. It's kinda like the old movie 'Railroad Guerrilla'. My love for trains has grown in me since my early childhood."
Wang Fuchun: Op zoek naar een comfortabele plaats om te rusten, Wuhang-Changsha -lijn 1995
Passengers lining up to board the train at Sankeshu Station, 1978, in China. Photo: Wang Fuchun
In the year 1963, persuaded by his brother, Wang decided to transform his love for trains into a career. The then twenty-year-old got admitted into a vocational railroad training school where he trained as an engineman.

"I applied for that school because I wanted to drive the train. But after graduation, I was assigned the role of car inspector. As you can imagine, I was slightly disappointed. But this episode didn't affect my feelings towards trains. In the 70s, I became a graphic designer for the labour union of the Sankeshu Railway Administration. Then in 1977, each work unit was asked to elect exemplary employees. For the sake of publicity, the head of the labour union asked me to take some pictures. That's how I started my photography career." 
Wang-Fuchun: Passagiers in een trein van Shangai naar het zuidwestelijke Chongqing 1991
Wang-Fuchun: Passagiers in een trein van Beijing naar Shenyang Noord China 1994

Hij ontdekt zijn roeping in de fotografie: “I remember it was 1980, when Japanese photographer Hiroji Kubota exhibited his photos on China in the city of Harbin. His photos were so big that each one of them occupied nearly an entire wall. It was mind-boggling! Kubota specializes in documentary photography. His works changed my mind and how I took pictures.”

Hij begon te werken met een ‘seagull’-camera met twee lenzen met negatieven van 6 x 6cm. Hij maakte willekeurige foto’s zonder dat iemand hem een onderwerp oplegde. Zijn bijzonder discrete manier van werken zorgde vaak voor intieme momenten: ouders kijken liefdevol naar een pasgeboren baby, de twee verliefden samen onder een deken, een monnik die terwijl hij zijn gebedskralen door zijn vingers laat gaan, indommelt. Alles in zwart-wit.

Geliefden in een trein van Guangzhou naar Chengdu in Zuid-China 1996
Op de trein naar Nanjing, een klein meisje valt in slaap tegen de deur.
Indommelende monnik
"How Chinese trains have evolved! First, it was steam train, and then it was replaced by diesel locomotive. Coming up, we got electric trains. Now, bullet train has become the norm. As the transportation has improved, people inside the carriages have changed as well. These transformations mirror the tremendous changes of China after opening up to the outside world (since the late 1970s). The transformation was silent and subtle. I am glad that as a photographer, I document these changes and people like my pictures."

Nowadays, the high-speed railway network in the Middle Kingdom measures a staggering 22 thousand kilometres, more than the rest of the world's combined. As China's railway revolution continues to pick up steam, it is expected that by 2020, this sprawling network will cover 80% of the big cities. 

Of dit een vrome wens was heb ik nog niet kunnen nagaan, maar de stelling is wel geloofwaardig.
"Now, walking inside the high-speed rail, no matter how hard I try, I cannot find a good subject to capture. There is no story any more. People either lie down, or stare at their mobile phones. They stop chatting to people sitting next to them. There is no conversation throughout the entire journey. The indifference has become the most significant trait of this day and age."

De ‘onverschilligheid’. Een resultaat van de functionele samenleving? Een nieuw onderwerp voor hedendaagse fotografen? De documentatie van de evoluerende tijd mag in zijn werk al een merkwaardige bijdrage vormen, zijn liefde voor de reizende mens, voor korte of langere tijd op elkaar aangewezen, straalt uit zijn foto’s. Ze zijn een dankbare schat om de weg tussen gisteren en morgen zonder woorden duidelijk te maken. Meer dan vierduizend treinritten en ongeveer 200.000 foto’s heeft hij gemaakt; zijn razendsnel – evoluerend land is nog altijd een thuis voor de mensen wiens verhalen hij graag stal, om zijn eigen uitdrukking te gebruiken. Hopen we maar dat politici en al dan niet zelf verkozen leiders deze foto’s voor ogen houden als ze het hebben over het begrip dat ‘toekomst’ heet.

Wang Fuchung: een kind kijkt naar buiten

Nadia Sablin en Lida Suchy, een Russische en een Oekraïense fotografe

Nadia Sablin Years like Water Rusland
Portrait of a Village Lida Suchy Oekraine

Er zijn de grote woorden, de grote verwijten, de politieke dromen, de wederzijdse vermeende of echte bedreigingen, maar in beide landsgedeelten, Rusland en Oekraïne leven net zo’n gewone mensen als wij hier ter plekke. Ik zocht dus twee vrouwelijke fotografen die hun moeder-vaderland van hun kindertijd in beeld brachten en laat je graag meekijken naar hun observaties van het dagelijkse leven in hun thuisland.

Nadia Sablin: I left Russia on the cusp of my adolescence—a move which divided my life into two very distinct parts. When I left Russia, everything changed overnight. I swapped the palaces of Saint Petersburg for the perfect lawns of Middle America, and obsessive reading of the Russian classics for episodes of Full House. I went from being an over-pampered child to suddenly understanding more than my parents. Everything I knew was left behind and I became a new person, even changing my name to a more Westernized version.
Nadia Sablin ‘From the Mountains’

When I go back to the former Soviet Union, much of my childhood comes to life again: the smells, the sounds, the angle of light, the way a train car rocks you to sleep on a long trip north. It’s as if I’m traveling not just to a different location but to a different time, and to a version of myself I only vaguely remember. The vastness of the region is a draw as well. Threads of family connections, fairy tales and rumors pull me further and further in. I think I could spend my life focused just on this region and never get tired.
NS: I became addicted to reading when I used to visit my grandfather’s house at the age of seven. At the time, spending summers away from the city felt like being forced into exile. I missed my mom’s bedtime stories, all my friends, and the constant attention of my grandmothers.

Nadia Sablin ‘Years like Water’

‘Years like Water is a decade-long look at a small Russian village, its habitants, ramschackle institutions, nature and mythologie. The series loosely follows the lives of four interconnected families, showing children grow up unsupervised in a magical wilderness and adults strugle for survival in the same. For over ten years of visits, I attented birthdays and funerals, drank tea with the grandmothers, and listened to stories of the villagers’ loniless and love for one another. ‘

Vysotskiye Family: Liza, Andrey, Katya, Sonya, Olya, Petya, 2013

‘My photographs from Alekhovshchina explore and describe a world that doen’t fit into the neat narrative of “Putin’ s Russia” put forth by both Eastern and Western media. It is more beautiful and complicated than either side would have us believe, more tragic and hopeful.’ (Nadia Sablin)

Polina Lesnykh with friends, 2014

Lida Suchy uit Oekraïne brengt haar foto’s samen en maakt er samen met Miso een wonderlijk mooie film van gesteund door authentieke klankopnames. ‘Pictograph.’ Het dagelijks leven in Krvorivnya, Oekraïne. Maak er even tijd voor want het is een bijzondere belevenis een twintigtal minuten deelgenoot te mogen worden van hun dagelijks bestaan. Het kan niet rechtstreeks maar klik op ‘Watch on Vimeo’ en je bent er. Geniet.

Vignettes of life in the village Kryvorivnya in the Carpathian Mountains of Ukraine, where once the novel "Shadows of Forgotten Ancestors" was written and later filmed and where, to this day, the passage of time has its own pace.
Lida Suchy Het leven in een Oekrains dorp Kryvorivnya
Growing up, Lida Suchy listened to her parents’ tales of the Ukrainian homeland, which they fled because of Soviet persecution during World War II. At night, her father, Zenon, told her bedtime stories about Baba Yaga, the Ukrainian witch, but also tales from his summers spent among the Hutsul culture, deep in the Carpathian Mountains of western Ukraine. There was even a touch of romance to her parents’ first moments in exile: Zenon met his wife-to-be, Irene, when he pulled her through the window of the last train leaving the station. Together, they watched the sunset.(The NY Times Jonathan Blaustein 2016)
Lida Suchy Het leven in een Oekrains dorp Kryvorivnya
Lida Suchy Het leven in een Oekrains dorp Kryvorivnya
“Most of the news coming from Ukraine focuses on the war, the violence, the destruction and extreme problems that are stereotyped. I wanted to show the everyday life of ordinary people,” she said. “I really feel a kinship with them. I would like to transfer, if possible, that sense of touch, that sense of closeness, that I feel with the people.” (ibidem)
The Swimminghole Lida Suchy Het leven in een Oekrains dorp Kryvorivnya
Het leven in een Oekrains dorp Kryvorivnya Lyda Suchy

I think it’s important to tell personal narratives so that the individual doesn’t become lost in a sea of generalities and stereotypes. Seeing life from the point of view of someone else creates a more empathetic, richer understanding of the world. What we are shown in the news tends to reduce global movements to digestible size. I’m interested in doing the opposite: reaching for the universal through the personal; telling the truth through fiction. (Nadia Sablin as told to Abigail Smithson)

Nadia Sablin Years like Water

https://www.lidasuchy.com/about

https://www.nadiasablin.com/

Mother and Daughter, 2018 Nadia Sablin
Heren aan 't bewind:

Zoals in 1934 verschenen nu
in 't vrijwel lege stadion van een stad
de heersers van 't moment
net voor de spelen
hun spelletjes zouden camoufleren
en sterven
voor de aankomst
vaderlandsliefde werd genoemd.

Tijd om scheve schaatsen
in te ruilen voor een tochtje
in de bergen.
Vergezichten gratis.
Tot aan de horizon
die voorlopig nog van niemand is.
Even slapen kan tussen de bloemen
Wakker worden met de morgen in de lucht.
Nadia Sablin Lodenoye Pole

Verzamelaar van zielen, Alice Neel (1900-1984)

Alice Neel- Robert, Helen and Ed (circa 1952)

Ze hield niet van de term ‘paintings’ voor haar werk, maar had het liever over ‘pictures of people’ en dan kun je dat alvast invullen met ‘Black and Puerto Rican children, pregnant mothers and gay couples — not the people, in other words, adorning gallery walls at the time. (NY Times Style magazine) met daarbij de belangstelling voor hun ‘psychological depht’. Ik verzamel ‘zielen’, zei ze.

“Time doesn’t mark it. You react immediately as though they are alive — as though it were now.” This desire to capture a person precisely as she saw them is what stimulated Neel. As she said of her subjects, “I go so out of myself and into them that, after they leave, I sometimes feel horrible. I feel like an untenanted house.” (Philip Bonosky writer)
Alice Neel, The Spanish Family, 1943, oil on canvas, 34 × 28″. © The Estate of Alice Neel.

Haar ‘painted-flecked smock hangt nog aan de ezel en de ‘olijfgroene sofa in haar Upper West Side-appartement zie je terug op het schilderij ‘ Linda Nochlin and Daisy’ (1973)

Linda Nochlin and Daisy (1973)
Neel grew up in Colwyn, Pa., just outside of Philadelphia. She showed an affinity for painting at an early age, drawing the flowers around her family home. In the early 1920s, as a student at the Philadelphia School of Design for Women, she took a life drawing class; she was among the first generation of American women permitted to study nude models in art school. The artist Robert Henri, who taught there before Neel arrived, was an enduring influence; Henri was a proponent of the Ashcan School, an early 20th-century movement that rejected the gauzy gesturalism of Impressionism in favor of a more straightforward realism. Through Neel’s eyes, that realism would become one in which New Yorkers saw themselves and their city reflected.
(NY Times Style magazine Alice Neel's appartement is still a portrait of the artist at work  Rennie McDougall)
A self-portrait by Alice Neel, aged 80

Haar boeiend leven, ze werd 84, vind je in een website aan haar gewijd en wordt daar van allerlei documentatie voorzien. Boeiend!

https://www.aliceneel.com/#about

Untitled (Baby in highchair) 1930s oil on canvas 58 x 49 cm

Haar doel ‘capture the zeitgeist’ klinkt wel mooi en je vindt in haar werk de oprechte belangstelling voor de medemens van allerlei leeftijd, strekking en afkomst, maar ik denk dat het vooral haar compromisloosheid is die ons blijft boeien, waarmee ze haar ‘onderwerpen’ in hun waarde laat, los van modes en stijlen waarmee haar eeuw overladen was.

Alice Neel (Estate of Alice Neel)
Two Puerto Rican Boys Jeff and Mei Ze 1956
Because Neel worked in a figurative style during the heyday of Abstract Expressionism, her early work received limited attention until the 1970s. During the last decades of her life, however, Neel achieved great success, including a National Women’s Caucus for Art award presented by President Jimmy Carter in 1979.
Neel’s greatness lies in the different levels of realism she combines in her art. They include social and economic inequities; the body’s deterioration through time; and the complex interior lives of her subjects. There’s the reality of Neel’s own personality, ever-present in her work; her insatiable curiosity about people; and her instinct for pushing the envelope, especially by cajoling her sitters to pose nude. The realities of her tumultuous life are a constant, too. We see her family, lovers, children (from three different fathers), friends, neighbors (and their children) in Spanish Harlem and denizens of the New York art world. Life’s tragedies included the death of her first child, a daughter, from diphtheria, and the destruction of much of her early work at the hands of a jealous lover.
(New York Times, Roberta Smith April 1 2020, updated July 12, 2021)
Alice Neel Nancy and Olivia (1967)
And let’s not forget the dazzling reality of Neel’s paintings as objects, the insistence of her color, light and flattened compositions, the undisguised preliminaries, drawn in blue, and her surface textures. Thick strokes of paint alternate with loosely brushed backgrounds, outlines and patches of empty canvas — all possibly absorbed from Abstract Expressionism. Somewhat like their loquacious maker, Neel’s paintings refuse to shut up and part of their power is their ability to remain abstract. “I don’t think there is any great painting that doesn’t have good abstract qualities” she announced late in life. And yet in their depictions of individual beings, Neel’s images go beyond painting in her figures’ psychic honesty, they press out at us, like an unusually tactile version of photography. They have, as one writer put it, “an overkill of likeness,” reminiscent of visceral avidity of the photographs of Richard Avedon and Diane Arbus.(ibidem)
‘Cindy Nemser and Chuck’ 1975 Estate of Alice Neel

En laten we vooral niet de verblindende realiteit van Neel’s schilderijen als objecten vergeten, de vasthoudendheid van haar kleur, licht en afgeplatte composities, de onverhulde, in blauw getekende voorrondes en haar oppervlakte-texturen. Dikke verfstreken wisselen af met losjes geborstelde achtergronden, contouren en vlekken van leeg canvas – alles mogelijk geabsorbeerd uit het Abstract Expressionisme. Net als hun spraakzame maker weigeren Neel’s schilderijen te zwijgen en een deel van hun kracht is hun vermogen om abstract te blijven. “Ik denk niet dat er een groot schilderij is dat geen goede abstracte kwaliteiten heeft” kondigde ze laat in haar leven aan. En toch gaan Neel’s beelden in hun weergave van individuele wezens verder dan schilderkunst in de psychische eerlijkheid van haar figuren, ze drukken zich aan ons uit, als een ongewoon tactiele versie van fotografie. Ze hebben, zoals een schrijver het uitdrukte, “een overkill aan gelijkenis”, die doet denken aan de viscerale gretigheid van de foto’s van Richard Avedon en Diane Arbus. (ibidem)

Neel’s drawing of Georgie Arce, from 1955.Credit…Estate of Alice Neel, David Zwirner, New York/London; Private Collection
“Sue Seely and her Husband,” 1948 by Alice Neel. (Estate of Alice Neel)

Ga zelf zwerven tussen haar verzamelde ‘zielen’, voel de aandacht, de gedrevenheid die fouten en onnauwkeurigheden onmiddellijk laten vergeten. Kijk hoe ze evolueert. Volg haar op die lange reis tussen 1900 en 1984 en draag enkele van haar werken mee in je herinneringen aan het mooie dat mensen verbindt, ouderdomn, afkomst, geslacht, kleur, totaal onbelangrijk.

Stilte in stad en landschap: Algernon Cecil Newton (1880-1968)

The Surrey Canal, Camberwell 1935 Algernon Newton 1880-1968 Presented by the Trustees of the Chantrey Bequest 1940 http://www.tate.org.uk/art/work/N05343

Het is er stil. Zeldzaam zijn er mensen. Wel eens een poes of hondje. Wolken. Met het licht verzachten zij de grote afwezigheid. Ook wel weerspiegelingen die wat je gezien hebt omkeren of vertroebelen. Zijn er toch bewoners? Dan krijgen ze veel plaats, of zou het nog vroeg zijn? Kijk naar dit ‘townscape’ uit 1934. En ‘The Regent’s Park Canal, Paddington 1930. (druk op onderschriften en daarna op de afbeelding in Wiki. org. om te vergroten)

The Regent’s Park Canal, Paddington 1930

Op de vergrote afbeeldingen kun je allerlei plezierige details ontdekken, worden de kunstwerken ook een zoekplaatje. Zin voor detail, ja dat had hij zeker deze Algernon Cecil Newton. Kleinzoon van van Henry Newton, een van de stichters van de ‘Winsor & Newton, art materials company’, nog altijd op de markt overigens. Kenners weten waarom.

Algernon Cecil Newton (23 February 1880, London - 21 May 1968, London), British landscape artist, whose penchant for scenes involving urban waterways earned him the nickname the "Canaletto of the canals". He was a grandson of Henry Newton, one of the founders of the Winsor & Newton art materials company. He left Clare College, Cambridge, after two years without taking a degree and then studied at various art colleges in London. He married writer Marjorie Emilia Balfour Rider in 1903 and they had four children together, including the actor Robert Newton. 
The Back of houses, Harley Street, London. 1925
The ‘Lord Nelson’ Winter Morning, Beck Hole 1943

De achterkant van de huizen in Harly Street en een bekende plek in Beck Hole op een wintermorgen.De bewoonde achterkant met zijn talrijke details van allerlei aanpassingen, schoorstenen, ramen en dakkapellen, en daaronder, een in het landschap vergroeide herberg waar je ‘Nelson’s blood’ rechtstreeks from the barrel kon drinken.

During World War I, he served with the Royal Naval Volunteer Reserve and, later, with the Army. Invalided out in 1916 after catching pneumonia, he recuperated over the next few years among the artist community at Lamorna, Cornwall. In 1919 he returned to London and the following year exhibited forty landscapes at the Eldar Gallery. He also began to exhibit at the Royal Academy, where he was elected an Associate in 1936, a Member in 1943, and a Senior in 1956. Divorced from his first wife, he married again in 1921. In the 1920s he regularly exhibited at the New English Art Club, and from 1923 much of his work was made up of urban views of London. He also painted landscapes in Cornwall and Yorkshire and was in demand for portraits of country houses. Generally he worked from sketches done on the spot and, occasionally, from photographs. He died in London at the age of eighty-eight.
Sunset Hove 1928 detail uit schilderij hieronder
Sunset Hove 1928
Detail uit schilderij hierboven
His obituary in The Times described him as "a painter of quiet distinction ... He could take the most forbidding canal or group of factory buildings and, without romanticizing or shrinking any detail, create a poetic and restful composition out of it." He himself once wrote: "There is beauty to be found in everything, you only have to search for it; a gasometer can make as beautiful a picture as a palace on the Grand Canal, Venice. It simply depends on the artist's vision.”

De sfeer van Hopper is niet ver weg, maar hij laat de omgeving gewoon de omgeving zijn. Nauwkeurig geobserveerd, dat wel. De kijker zelf, de onzichtbare, speelt mee. Hij kan in deze town- en landscapes binnenkomen en er stilte en rust vinden. De stilte in zijn werk is geen vorm van vereenzaming of angst, het is een open plaats waar de kijker naar believen kan langs lopen, ze even bewonen, ze bewaren of weer vergeten.

Therefore, this is a rather “mental” landscape, defined by moments of silence, which recalls the aesthetics and styles of one of his immediate predecessors: the Danish painter Vilhelm Hammershøi. If Newton is the painter of the canals, Hammershøi, became known as that of “solitary rooms”. Most of his works follow a very precise approach to the canvas: a room, a bourgeois interior that might recall the settings of the dramas of another great Scandinavian: Henrik Ibsen. (Mereasy 2018)
Summer Afternoon in Bayswater

Het mooie van de leegte is haar grote ruimte die naar eigen aanvoelen kan bevolkt worden, van verhalen voorzien, al dan niet verwant met herinneringen en/of onvervuld gezelschap. Je kunt er ongezien binnengaan en zelfs wonen, of er een plaats voor herinneringen en dromen van maken.

A Gleam of Sunlight 1966 Algernon Newton 1880-1968 Presented by the Trustees of the Chantrey Bequest 1966 http://www.tate.org.uk/art/work/T00858
Algernon Newton pictured after his election as an associate of the Royal Academy. Photo by Toronto Star Archives via Getty
Chepstowe Place, Notting Hill, after a shower, 1954
Niets opeisen,
Geen zielen leeggeschud in eigenwaan
of niet te helen wanhoop.

Plaatsen liefhebben
waarin leven het trage ritme van licht
op muren schildert, of luchten
waar loskomen van de aarde
thuiskomen wordt.
Een avond als vader
van het voorbije.
Regent’s Canal Maida Vale, London 1942

Wie is van glas? Who is made of glass?

Geheel toevallig lagen de drie kruidenpotjes (spice jars) net boven het ABC van het geletterde tafelkleed. Krydderiglas in het Deens, maar geen nood, aan elk kruidenpotje hangt een miniboekje met de vertaling van het woord in twintig talen.  Deense firma, made in China.  Kostprijs per stuk:  1 euro. Mijn acteurs, de kruidenpotjes, draaiden zich dadelijk  duidelijk afgesloten naar de lens.
Coincidentally, the three spice jars were just above the ABC of the lettered tablecloth. Krydderiglas in Danish, but don't worry, on each spice jar hangs a mini booklet with the translation of the word in twenty languages.  Danish company, made in China.  Cost per item: 1 euro. My actors, the spice jars, immediately turned their backs to the lens.

Het feit dat ze met de kleuren rood, blauw en wit best een denkwereld wilden vertegenwoordigen mocht eerder hun waarde uitdrukken dan de botte verkoopprijs die -en daar waren ze het mee eens- ook een politiek statement was. Maar vermits er geen potje met een geel dekseltje deelnam aan dit verhaal, leek het verstandiger daarover te zwijgen. De strijd tussen Russisch Rood en Euro-Blauw mocht gezien de dreigende Oekraïense confrontatie best aangevuld worden met het Amerikaanse Sterrenwit (stripes included) waarbij de afwezigheid van Chinees Geel gewoon een toeval was wegens niet beschikbaar in de winkel. Glas, keramiek en metaal, ziedaar de samenstelling. Tenslotte was er zonder hun geboorteland geen sprake geweest van deze confrontatie. Een doordenkertje.

The fact that they wanted to represent a world of thought with the colours red, blue and white was more likely to express their value than the blunt selling price which - they agreed - was also a political statement.  But since there was no jar with a yellow lid participating in this story, it seemed wiser to keep quiet about it. The battle between Russian Red and Euro-Blue could, in view of the impending Ukrainian confrontation, best be supplemented by the American Star White (stripes included), the absence of Chinese Yellow being just a coincidence due to unavailability in the shop. Glass, ceramics and metal, that's the composition. After all, without their homeland, this confrontation would not have happened. A little food for thought.  

Stevig afgesloten, maar doorzichtig. Een glazen huis. Het heimwee naar de jaren voor 1989 mocht dan Russisch heimwee heten (Русский хеймви) de Euro-invloedssfeer heeft zijn grenzen. ‘Potjeslatijn’, beweerde Oud-Wit. (Vergat hij dat Europa nog steeds 40% van zijn natuurlijk gas en 25% van zijn olie bij Rood haalde?) ‘De prijzen blijven niet zo hoog, en laat het duidelijk zijn dat wij minder en minder fossiele brandstoffen willen gebruiken.’ Een stevige blauwe repliek. ‘Maar zonder Angela heeft de Duitse regering nog steeds geen eensgezind standpunt over Rood!’ Ze zwegen. Tijd om even uit te rusten.

Firmly closed, but transparent. A glass house. The nostalgia for the years before 1989 may be called Russian nostalgia (Русский хеймви), but the Euro sphere of influence has its limits. (Did he forget that Europe still gets 40% of its natural gas and 25% of its oil from Red?) 'The prices won't stay that high, and let it be clear that we want to use less and less fossil fuels.' A firm blue retort. 'But without Angela, the German government still has no unified position on Red!'  They were silent. Time to take a break.

Vanuit dat liggend standpunt valt dadelijk de uniformiteit op. Een nummertje op de bodem. Een miniem verschil. ‘Het is een beetje een naoorlogs beeld’ wist Blauw. ‘ In de grote slaap zijn wij verenigd.’ Dat mocht dan een sinister toekomstbeeld heten, maar eens de klem het keramieken dekseltje dichtdrukte was er geen in- of opvullen mogelijk. Zelfs niet voor Lavrov, de trouwe gezel van Rood als minister van Buitenlandse Zaken, tenslotte ver van de macht verwijderd volgens insiders. Een overtuiging van Wit die niet iedereen deelde.

From that lying position, the uniformity is immediately apparent. A number on the bottom.  A tiny difference. It's a bit of a post-war image', Blue knew. In the great sleep we are united'.  That might be called a sinister image of the future, but once the clamp closed the ceramic lid there was no filling in or filling out possible.  Not even for Lavrov, Red's faithful companion as Foreign Minister, after all far from power according to insiders.A conviction of White that not everyone shared.

Rood draaide zich duidelijk naar de anderen: ‘Stel je voor dat de Oekraïners Polen zouden worden! Begrijp onze angst voor wat jullie democratie noemen! Naar mijn mening een verdorven boeltje. Homohuwelijken en genderdinges. Daar hebben wij het niet zo op begrepen.’ Wilde Wit nog even knikken, Blauw zuchtte diep en besefte dat Rood het alleen met Wit wilde hebben over wat ‘nijpende problemen’ wordt genoemd. ‘Wil je echt terug naar de negentiende eeuw? Naar Jalta en de verdeling van Europa in invloedssferen?’ Dat was een duidelijk blauwe vraag. ‘Hij wil rommelen! Vraag maar eens aan de Finnen wat ze denken over de invloed van Rood! En vriendje zijn van Hongarije en in de Balkan handjes geven.’

Red clearly turned to the others: 'Imagine if the Ukrainians became Poles! Understand our fear of what you call democracy! In my opinion, a depraved mess. Gay marriages and gender things. We don't like that. Wanting White to nod, Blue sighed deeply and realised that Red only wanted to talk to White about what are called 'pressing problems'. 'Do you really want to go back to the nineteenth century? To Yalta and the division of Europe into spheres of influence?' That was a distinctly blue question.  'He wants to rumble! Just ask the Finns what they think of Red's influence! And be friends with Hungary and shake hands in the Balkans.'

Op één rij, ongeacht wie in het midden staat, of links of rechts, maar dat is dichterspraat en de stevigheid van de klemmen laat niet dadelijk een ander dan het geplande woord ontsnappen of biedt ruimte voor een nieuw idee. ‘Jullie zijn wel een flink stuk opgeschoven,’ zei Rood. ‘Jullie hebben in 1990 aan Michael Gorbatsjov beloofd dat de Navo geen meter naar het oosten zou opschuiven.’ Blauw draaide zich vriendelijk naar de spreker: ‘De landen in Centraal- en Oost-Europa waren zelf vragende partij om toe te treden tot het westerse bondgenootschap, en herinner je ons samenwerkingsakkoord tussen de Navo en jullie waarin die gesprekken zouden doorgaan. Waarmee Jeltsin het eens was, dus…’ ‘Het mag duidelijk zijn dat zoiets de voltooid verleden tijd mag genoemd worden en dat wij elke opstand in dergelijke landen van bondgenoten zullen helpen…uitdoven om een mooi woord te gebruiken.’

In a single row, no matter who is in the middle, or to the left or right, but that is poetry talking and the firmness of the clamps does not allow a word other than the one intended to escape or provide space for a new idea. You have moved on quite a bit,' said Rood.  You promised Michael Gorbachev in 1990 that NATO would not move one metre to the east. Blue turned politely to the speaker: 'The countries of Central and Eastern Europe were themselves asking to join the Western alliance, and remember our cooperation agreement between NATO and you in which those talks would continue.  With which Yeltsin agreed, so...' 'It may be clear that such a thing may be called the completed past and that we will help...extinguish, to use a nice word, any rebellion in such countries of allies.'  

Van bovenuit gezien zijn dit natuurlijk ook de kleuren van de Franse vlag. En als EU-voorzitter kan Macron Poetin tegemoet treden zonder de Navo (en Amerikanen), het Verenigd Koninkrijk, de Balkan én zonder Gazprom. ‘Hou hem bij de les!’ riepen de drie betrokkenen. Ze toonden fier hun stevige gesloten buitenkant. Mannen dus. Mochten we nu eens vrouwen aan de onderhandelingstafel… De drie zwegen als vermoord.

Seen from above, these are of course the colours of the French flag. And as EU President, Macron can face Putin without NATO (and Americans), the UK, the Balkans and without Gazprom. Keep him on his toes!" shouted the three people involved. They proudly showed their sturdy closed ranks.  Men, in other words. If only we had women at the negotiating table... The three kept silent as if murdered
Bezoek ons overzicht door te klikken op WEGWIJZER.Daar hebben we achteraan het voorbije jaar 2021 helemaal gelinkt zodat je met een eenvoudige klik naast de jaren 2004 tot en met 2009 bij elke bijdrage van 2018-2019-2020 en 2021 terecht kunt.

Visit our overview by clicking on WEGWIJZER.There we have completely linked the past year 2021 at the back so that with a simple click you can get to each contribution of 2018-2019-2020 and 2021 in addition to the years 2004 to 2009
Foto door luizclas op Pexels.com

Het voorbije verkwanselen, verzilveren, of… Een bespiegeling.

Schedelreliekhouder Johannes de Doper in Gent Sint-Baafskathedraal

Sommige heilige lieden waren zo heilig dat elk onderdeel van hun verder gewone lichamen na hun dood in kostbare schrijnen als relikwieën bewaard werd. Zelfs wat ze hadden aangeraakt of gedragen bleek, na aanraking of na vroom gebed, wonderbare genezingen te bevorderen.

Foot-Reliquary of St.-Anselm

Ook de meest nuchtere mens begrijpt dat een haarlok van een geliefde of welbeminde ook na haar/zijn dood tedere herinneringen en weemoedige gedachten kan opwekken; of de foto van een glimlachend oudje —en alleen de fotograaf weet dat deze glimlach verkregen werd na de belofte dadelijk na het poseren een ruime Elixir d’ Anvers te consumeren- een foto die vrede kan brengen eens de wat stugge groottante het tijdelijke met het eeuwige heeft verwisseld en een deel van haar opgespaarde bankproducten niet alleen voor de bouw van een hospitaal in Usumbura maar ook naar de achtergeblevenen hier ten lande zal overgedragen worden.

eigen collectie antieke foto’s


Wonderbare genezingen of boter bij de vis, een herinnering kan op allerlei manieren een stevige onderbouw verdragen.

Hangertje met haarlok

Dat ook vadertje-moedertje Staat na een burgerlijk verdwijnen nog een fameuze brok achtergelaten waarde tot tweemaal toe kan opeisen is noch met heiligheid noch met kosten op het sterfhuis te verklaren. In beschaafde landen zijn dergelijke belastingen afgeschaft en kunnen de overlevenden net door die post-mortale hulp beter op eigen benen staan en zelf hun schulden dankbaar vereffenen. Zo zou je dus beter van succesrechten dan van successierechten kunnen spreken en zal de overledene een heuse mooie herinnering blijven al dan niet met foto en ingekaderde lok op de schoorsteen.

Zo zou je ook niet dadelijk moeten vervallen in het kussen van nagelaten halsdoeken, haarlokken of dagboeken, maar kon je met een beetje inventiviteit belangrijke daden uit het leven van de afgestorvene aan de nog levende man/vrouw doorgeven.
Kan wielrenner Wout Van Aert een voorbije overwinning slijten aan iedereen die het digitale eigendomsrecht ervan aankoopt tegen een fikse som, zo zullen er weldra mogelijkheden zijn om de knappe overwinningen van prijsduif Armando nog eens over te doen met de digitale verkoop van zijn intussen lang vervlogen topprestaties.
Het wordt dus grondig het leven uitspitten van je heen gegane familieleden om bijzondere -pas op, ik zeg bijzondere, dus ik vel geen moreel oordeel- om dus bijzondere daden als NFT (non fungible token) op de markt te brengen. Zo’n token is dus een unieke digitale code waaraan een bijzondere daad is gekoppeld en kan op die manier verhandeld worden. Foto en beschrijving + code volstaan om de eeuwigheid in te gaan.

Eigen foto Antieke collectie

Kijk maar naar deze familiefoto die rond 1890 is gemaakt en waarop het kleinste jongetje Harold, (leunt tegen vaders schouder,) ondanks de familieziekte (lichte vorm van Ataxie van Friedreich waarbij de te zwakke nekspieren het hoofd voortdurend naar voren doen vallen) zou uitgroeien tot een uitstekend kaartlezer, eens de Amerikanen in 1917 aan de eerste wereldoorlog deelnamen en hij ondanks de slechte Franse kaarten zijn Amerikaanse makkers van de derde divisie feilloos naar de juiste stellingen kon leiden. Om maar te zwijgen van de jongen rechts achteraan, John, die met de ene verborgen hand de nek van zijn moeder ondersteunt en met de andere goed gecamoufleerde hand zijn zusjes hoofd rechtop houdt. John dus zou later ‘de winkelwagen’ uitvinden, en al zie ik de lezer glimlachen, stel je maar eens voor dat je je boodschappen in een handtas door de winkel zou moeten meesleuren bij de maandelijkse inkopen! Twee merkwaardige voorouders.
Met deze foto kunnen dus de nazaten van de familie Holden (schuilnaam) twee NFT’s verwerven en daar aardig wat geld voor vragen ook al zijn de betrokkenen al enige tijd overleden. Je kunt dus ook nu nog eigenaar worden van lang voorbije militaire triomfen en in elke supermarkt ‘it’s al mine’ mummelen eens je deze uitvinding als NFT hebt aangeschaft.

Eigen foto Antieke collectie

Kijk maar eens naar deze aandoenlijke familiefoto. Centrale figuur is het jolige kleine meisje dat niet toevallig door alle anderen -met uitzondering van de jongen- wordt vastgehouden. Marion was dan ook een echt haantje -of zeg ik hennetje- de (het) voorste. Het is niet alleen uit tederheid dat ze wordt aangeklampt maar inderdaad uit pure noodzaak. Zonder deze techniek zou deze foto nooit gelukt zijn. Vermoeiend dat wel. Maar ook in het hoofdje spookten heel wat ideeën. In 1946 vond Marion D. De waterdichte luier uit die ze in elkaar had geflanst met plastiek dat in gordijnen wordt gebruikt. Daarmee was de eerste wegwerpluier een feit. En zeg nu zelf. We zijn wel begonnen met bladeren en dierenhuiden, later gebruikten we doeken en katoenen luiers maar dank zij dit overactieve kind verloste zij talrijke ouderparen van dagelijkse handwasjes om van de volle drooglijnen nog te zwijgen. Nu nog een dapper jochie dat enkele ecologische alternatieven kan verzinnen en een vaak vervelende familiefoto wordt een bron van inkomsten . Jij bent dan de eigenaar van deze uitvinding, waarvan wij wel vermoeden dat je rijkelijk te laat bent gekomen.

Je kunt ook bijzondere eenmalige prestaties proberen te verzilveren mocht de maatschappij je links (of rechts) hebben laten liggen. Dat David Attenborough als ‘longest career as a TV presenter’ wordt opgenomen is geen geheim maar dat Marawa Ibrahim simultaan het hoogste aantal hula hoops ringen kon laten bewegen opent al een perspectief, net zoals de langste vingernagels ooit aan de vrouwelijke hand van ene Lee Redmond. Ook het meest noordelijk klimaat-protest van Mya-Rose Craig en de lengte van Robert Wadlow, (2, 72m ) blijven opzien baren en worden natuurlijk door het Guiness-boek geclaimd, maar een tocht door de eigen familiegeschiedenissen levert wellicht interessante ontdekkingen op die niet alleen door boze droevige auteurs worden geclaimd maar als FNT een nieuwe (financiële)betekenis kunnen krijgen.

Vaders avontuurtjes, moeders uitstapjes, de gulzigheid van oom X. En de wellust van groottante Agatha, het hoeft niet alleen maar kommer en kwel te zijn, maar kan mits foto en digitaal nummer een eigen koers gaan varen, mits de juiste zakelijke aanpak. Verzilver de familie-geheimen.

Er zijn er natuurlijk die het houden bij grootmoeders verhalen en opa’s fotoboek net zoals de relieken waarmee we dit verhaal begonnen volgens sommigen voor miraculeus spektakel zouden kunnen zorgen. Maar wie wil er niet een onvervangbare token bezitten waarmee de eigenaar(es) de gelukkige resultaten van anderen kan beheren. Zoals kinderen het voor Nijntje hebben, K3 en de Minions zalig vinden, zo kunnen wij onze voorouders opnieuw tot leven wekken, er televisieseries van maken, ze als merknaam voor gezonde voeding uitlenen, opa als een soort Bob de Bouwer, groottante Lea bezoekt met Thomas de trein My little pony, nonkel Jos heeft het voor super Mario, en even later worden ze zelf op alle mogelijke hapjes en lapjes afgedrukt en spreekt niemand nog van Kai Lan of Spiderman maar is uncle Harry -bij leven en werken een slome huisjesmelker- een springlevend Chugginton-treinkarakter, neen niet Old Puffer Pete maar Harrison die ‘I rule the rails’ toetert.

Eigen geschiedenis of amusement, de markt ligt open. Nu families zonder enige schroom de camera als broer of zus beschouwen, kunnen de verhalen van de voltooid verleden tijd uit de klagende romans geschud worden en als levende personages in allerlei programma’s aan bod komen. Verkoop dus op tijd de tijd van toen, blijf eigenaar van opa’s dromen en daden, grootmoeders ontsnappingsplannen en oom Bert’s Parijse jaren en koop -indien nog betaalbaar- op tijd een overwinning van bekende sportidolen als uniek verjaardagsgeschenk bij de 100.000ste aflevering van FC De Pioenen een feuilleton op de beurs genoteerd, intussen onbetaalbaar voor wie er eigenaar van wil worden. (Van het vorige feuilleton zijn er nog slechts relikwieën te koop.)

Een kast met kleine reliekhouders in het klooster Sint-Gabriël in Hekendorp (Wikipedia)

Hannah Arendt over Wystan Hugh Auden

Hannah en Wystan Hugh, of gewoon Arendt en Auden. Ze zijn beiden in dit blog aanwezig. Tik hun namen bij de zoekfunctie en lees.

In ‘Thinking without a Banister’, -essays in understanding 1953-1975- beschrijft Hannah Arendt haar ontmoetingen met Auden. Een filosofe, politiek denker weegt en wikt liefdevol haar woorden die een dichter pure sang benaderen. In tijden waarin wij nu leven was dit opstel helder licht in een vrij schemerige omgeving. Ik besloot het te vertalen en het in zijn geheel in dit blog op te nemen, met bewondering en gehechtheid aan beiden die in de meest rumoerige tijden van de twintigste eeuw hun weg hebben uitgetekend. Tot bij ons.

Remembering Wystan H. Auden, Who Died in the Night of the Twenty-eighth of
September, 1973

Original English text :

Ik ontmoette Auden laat in zijn leven en in het mijne – op een leeftijd waarop de gemakkelijke, op de hoogte zijnde intimiteit van vriendschappen die in iemands jeugd zijn ontstaan, niet langer kan worden bereikt, omdat er niet genoeg leven over is, of verwacht wordt over te zullen blijven, om met een ander te delen. Wij waren dus zeer goede vrienden, maar geen intieme vrienden. Bovendien had hij een terughoudendheid die vertrouwdheid ontmoedigde – niet dat ik die ooit op de proef stelde. Ik respecteerde het liever als de noodzakelijke geheimzinnigheid van een groot dichter, iemand die zichzelf al vroeg geleerd moet hebben om niet in proza te praten, losjes en willekeurig, over dingen die hij veel bevredigender wist te zeggen in de gecondenseerde concentratie van de poëzie. Terughoudendheid kan de déformation professionnelle van de dichter zijn. In het geval van Auden leek dit des te waarschijnlijker omdat veel van zijn werk, in volstrekte eenvoud, voortkwam uit het gesproken woord, uit idiomen van de omgangstaal, zoals “Lay your sleeping head, my love, Human on my faithless arm.” Dit soort perfectie is zeer zeldzaam; we vinden ze in enkele van de grootste gedichten van Goethe, en ze moet bestaan in de meeste werken van Poesjkin, want hun kenmerk is dat ze onvertaalbaar zijn. Op het moment dat dit soort gedichten uit hun oorspronkelijke verblijfplaats worden gerukt, verdwijnen ze in een wolk van banaliteit. Hier hangt alles af van de “fluent gestures” in “elevating facts from the prosaic to the poetic” – een punt dat de criticus Clive James benadrukte in zijn essay over Auden in Commentary van december 1973. Waar een dergelijke vloeiendheid wordt bereikt, zijn we er op magische wijze van overtuigd dat alledaagse spraak latent poëtisch is, en, onderwezen door de dichters, openen onze oren zich voor de ware mysteries van taal. De onvertaalbaarheid van een gedicht van Auden heeft mij vele jaren geleden overtuigd van zijn grootheid. Drie Duitse vertalers hadden hun geluk beproefd en een van mijn favoriete gedichten genadeloos om zeep geholpen: “If I Could Tell You” (Collected Shorter Poems 1927-1957), gedicht dat op natuurlijke wijze voortkomt uit twee spreektaalwoorden (two colloquial idioms) – “Time will tell” and “I told you so”:

Time will say nothing but I told you so,
Time only knows the price we have to pay;
If I could tell you I would let you know.

If we should weep when clowns put on their show,
If we should stumble when musicians play,
Time will say nothing but I told you so. . . .

The winds must come from somewhere when they blow,
There must be reasons why the leaves decay;
Time will say nothing but I told you so. . . .

Suppose the lions all get up and go,
And all the brooks and soldiers run away;
Will Time say nothing but I told you so?
If I could tell you I would let you know.
In het filmpje hierbij het gehele gedicht, niet alleen de citaten die Arendt gebruikte om een werkwijze duidelijk te maken.

Ik ontmoette Auden in de herfst van 1958, maar ik had hem al eerder gezien, eind jaren veertig, op een feestje van een uitgever. Hoewel we toen geen woord met elkaar wisselden, herinnerde ik me hem heel goed: een goed uitziende, goed geklede, zeer Engelse heer, vriendelijk en ontspannen. Tien jaar later herkende ik hem niet meer, want zijn gezicht was nu getekend door die beroemde diepe rimpels, alsof het leven zelf een soort gezichtsbedekking had gemaakt om “de onzichtbare woede van het hart” (‘the heart’s invisible furies) zichtbaar te maken. Als je naar hem luisterde, leek niets bedrieglijker dan deze verschijning. Keer op keer, wanneer hij het, naar het leek, niet meer aankon, wanneer zijn krotwoning zo koud was dat het sanitair niet meer functioneerde en hij gebruik moest maken van het toilet in de slijterij op de hoek, wanneer zijn pak – niemand kon hem ervan overtuigen dat een man minstens twee pakken nodig had, zodat er één naar de stomerij kon, of twee paar schoenen, zodat één paar gerepareerd kon worden: een onderwerp van een eindeloze discussie tussen ons door de jaren heen – bedekt was met vlekken of zo dun was versleten dat zijn broek plotseling van boven naar beneden scheurde – kortom, wanneer het noodlot voor je ogen toesloeg, begon hij min of meer een volkomen idiosyncratische versie van “Tel uw zegeningen. ” Omdat hij nooit onzin uitkraamde of iets overduidelijk onnozels zei – en omdat ik me er altijd van bewust bleef dat dit de stem van een zeer groot dichter was – had ik jaren nodig om te beseffen dat het in zijn geval niet het uiterlijk was dat bedrieglijk was, en dat het een fatale vergissing was om wat ik van zijn levenswijze zag toe te schrijven aan de onschuldige excentriciteit van een typische Engelse gentleman.

Eindelijk zag ik de ellende, en op de een of andere manier begreep ik vaag zijn dwingende behoefte om die te verbergen achter de litanie “Tel uw zegeningen”, maar toch vond ik het moeilijk om volledig te begrijpen waarom hij zo ellendig was en niet in staat was om iets te doen aan de absurde omstandigheden die het dagelijks leven zo ondraaglijk voor hem maakten. Het kon zeker geen gebrek aan erkenning zijn. Hij was redelijk beroemd, en een dergelijke ambitie kon bij hem hoe dan ook nooit veel hebben betekend, want hij was de minst ijdele van alle auteurs die ik ooit heb ontmoet – volkomen immuun voor de ontelbare kwetsbaarheden van gewone ijdelheid. Niet dat hij nederig was; in zijn geval was het zelfvertrouwen dat hem tegen vleierij beschermde, en dit zelfvertrouwen bestond vóór erkenning en roem, ook vóór prestatie. Geoffrey Grigson, in de Times Literary Supplement, meldt de volgende dialoog tussen de zeer jonge Auden en zijn tutor in Oxford.

“Tutor: ‘And what are you going to do, Mr. Auden, when you leave the university?’ 
Auden: ‘I am going to be a poet.’ 
Tutor: ‘Well—in that case you should find it very useful to have read English.’ 
Auden: ‘You don’t understand. I am going to be a great poet.’”

Zijn zelfvertrouwen heeft hem nooit verlaten, omdat het niet werd verworven door vergelijkingen met anderen, of door het winnen van een wedstrijd; het was natuurlijk – verbonden, maar niet identiek, met zijn enorme vermogen om met taal te doen, en snel te doen, wat hij maar wilde. Wanneer vrienden hem vroegen een verjaardagsgedicht te produceren voor de volgende avond om zes uur, konden ze er zeker van zijn dat ze het kregen; dit is duidelijk alleen mogelijk in de afwezigheid van zelftwijfel. Maar zelfs dit steeg hem niet naar het hoofd, want hij maakte geen aanspraak op, of streefde misschien zelfs naar, uiteindelijke perfectie. Hij herzag zijn eigen gedichten voortdurend en was het met Valéry eens dat een gedicht nooit af is, maar alleen wordt losgelaten. Met andere woorden, hij was gezegend met dat zeldzame zelfvertrouwen dat geen bewondering en de goede mening van anderen nodig heeft, en dat zelfs zelfkritiek en zelfonderzoek kan doorstaan zonder in de val van zelftwijfel te lopen.

Dit heeft niets te maken met arrogantie, maar wordt er gemakkelijk voor aangezien. Auden was nooit arrogant, behalve wanneer hij werd geprovoceerd door een of andere vulgariteit; dan beschermde hij zichzelf met de nogal abrupte grofheid die kenmerkend is voor het Engelse intellectuele leven.

Stephen Spender, de vriend die hem zo goed kende, heeft benadrukt dat “gedurende de hele ontwikkeling van [Auden’s] poëzie . . . zijn thema de liefde was geweest” – was het niet bij Auden opgekomen om Descartes’ “Cogito ergo sum” te veranderen door de mens te definiëren als het “bubbelachtige schepsel” dat zei: “Ik ben geliefd, dus ik ben”? -en aan het eind van de toespraak die Spender hield ter nagedachtenis van zijn overleden vriend in Christ Church in Oxford vertelde hij over het vragen aan Auden over een lezing die hij had gegeven in Amerika: “Zijn gezicht lichtte op met een glimlach die de lijnen veranderde, en hij zei: ‘Ze hielden van me!'” Ze bewonderden hem niet, ze hielden van hem: hier ligt, denk ik, de sleutel tot zowel zijn buitengewoon ongelukkig voelen als tot de buitengewone grootsheid-intensiteit van zijn poëzie. Nu, met de droevige wijsheid van de herinnering, zie ik hem als een expert in de oneindige variëteiten van onbeantwoorde liefde, waaronder de woedende verwisseling van bewondering voor liefde zeker moet hebben opgedoemd. En onder deze emoties moet er vanaf het begin een zekere dierlijke tristesse zijn geweest die geen rede en geen geloof kon overwinnen:

The desires of the heart are as crooked as corkscrews,
Not to be born is the best for man;
The second-best is a formal order,
The dance’s pattern; dance while you can.

Zo schreef hij in “Death’s Echo,” in Collected Shorter Poems. Toen ik hem kende, zou hij het niet meer over het beste hebben gehad, zo vastberaden had hij gekozen voor het op één na beste, de “formele orde”, en het resultaat was wat Chester Kallman zo treffend “het meest verfomfaaide kind van alle disciplinairen” (“the most dishevelled child of all disciplinarians.”) heeft genoemd. Ik denk dat het deze tristesse en zijn “dans zolang je kunt” waren waardoor Auden zich zo aangetrokken voelde tot en zich bijna thuis voelde in het Berlijn van de twintiger jaren waar carpe diem voortdurend in vele variaties werd beoefend. Hij noemde eens als een “ziekte” zijn vroege “verslaving aan Duitse gebruiken,” maar veel prominenter dan deze, en minder gemakkelijk om er vanaf te komen, was de duidelijke invloed van Bertolt Brecht, met wie hij denk ik meer gemeen had dan hij ooit wilde toegeven. Aan het eind van de jaren vijftig vertaalde hij samen met Chester Kallman Brechts Rise and Fall of the City of Mahagonny – een vertaling die nooit werd gepubliceerd, vermoedelijk vanwege problemen met auteursrechten. Tot op de dag van vandaag ken ik geen andere adequate vertaling van Brecht in het Engels.

Auden and Isherwood in 1938 (Berlin)

In zuiver literaire termen kan de invloed van Brecht gemakkelijk worden getraceerd in de ballades van Auden – bijvoorbeeld in de late, wonderbaarlijke “Ballad of Barnaby,” het verhaal van de tuimelaar die, oud en vroom geworden, “de Moeder Gods eerde” door voor haar te tuimelen; of in het vroege “kleine verhaaltje / Over Miss Edith Gee; / Zij woonde in Clevedon Terrace / Op nummer 83.” Wat deze invloed mogelijk maakte, was dat zij beiden behoorden tot de generatie van na de Eerste Wereldoorlog, met haar merkwaardige mengeling van wanhoop en levensvreugde, haar minachting voor conventionele gedragscodes en haar voorliefde voor “playing it cool,” die zich in Engeland, vermoed ik, uitte in het dragen van het masker van de snob, terwijl zij zich in Duitsland uitte in een wijdverbreide pretentie van goddeloosheid, enigszins in de trant van Brechts The Threepenny Opera. In Berlijn maakte men grapjes over deze modieuze omgekeerde hypocrisie, zoals men over alles grapjes maakte: “Er geht böse über den Kurfürstendamm” – wat betekent: “Dat is waarschijnlijk alle slechtheid waartoe hij in staat is.” Na 1933, denk ik, maakte niemand meer grapjes over slechtheid.

In het geval van Auden, net als in het geval van Brecht, diende omgekeerde hypocrisie om een onweerstaanbare neiging tot goed zijn en goed doen te verbergen – iets waarvoor beiden zich schaamden om het toe te geven, laat staan te verkondigen. Dit lijkt plausibel voor Auden, omdat hij uiteindelijk christen werd, maar het kan in eerste instantie een schok zijn om het over Brecht te horen. Toch lijkt een nauwkeurige lezing van zijn gedichten en toneelstukken het bijna te bewijzen. Niet alleen zijn er de stukken Der Gute Mensch von Sezuan en Die Heilige Johanna der Schlachthöfe, maar, misschien nog overtuigender, zijn er deze regels midden in het cynisme van The Threepenny Opera:

Ein guter Mensch sein! Ja, wer wär’s nicht gern?
Sein Gut den Armen geben, warum nicht?
Wenn alle gut sind, ist Sein Reich nicht fern.
Wer sässe nicht sehr gern in Seinem Licht?

Om goed te zijn! Ja, wie zou dat niet willen?
Alles wat je hebt aan de armen geven, waarom niet?
Als iedereen goed is, is Zijn koninkrijk niet ver weg.
Wie zou niet graag in Zijn licht zitten?

[[Cf. H. Arendt, Men in Dark Times
(New York, 1968), 235-36 N47. [-Ed.]
L. N. E. R tourism poster for Berlin, 1920s

Wat deze diep apolitieke dichters in de chaotische politieke scène van onze eeuw dreef was Robespierre’s “zèle compatissant”, de krachtige drang naar “les malheureux”, te onderscheiden van enige behoefte aan actie naar publiek geluk, of enig verlangen om de wereld te veranderen.

Auden, zoveel wijzer – maar zeker niet slimmer – dan Brecht, wist al vroeg dat “poëzie niets doet gebeuren”. Voor hem was het klinkklare onzin dat de dichter aanspraak maakte op speciale privileges of vroeg om de toegeeflijkheid die wij zo graag verlenen uit pure dankbaarheid. Er was niets meer bewonderenswaardig in Auden dan zijn volledige geestelijke gezondheid en zijn rotsvaste geloof in geestelijke gezondheid; in zijn ogen waren alle vormen van waanzin gebrek aan discipline – “Naughty, naughty”, zoals hij placht te zeggen. Het belangrijkste was om geen illusies te hebben en geen gedachten te accepteren – geen theoretische systemen – die je zouden verblinden voor de werkelijkheid. Hij keerde zich tegen zijn vroege linkse overtuigingen omdat gebeurtenissen (de processen in Moskou, het pact tussen Hitler en Stalin, en ervaringen tijdens de Spaanse burgeroorlog) hadden bewezen dat ze “oneerlijk” waren – “schandelijk”, zoals hij zei in zijn voorwoord bij de Verzamelde Kortere Gedichten, waarin hij vertelde hoe hij weggooide wat hij ooit had geschreven:

History to the defeated
may say alas but cannot help nor pardon.

Geschiedenis tegen de verslagenen
kan helaas zeggen, maar kan niet helpen, noch vergeven.

Dit te zeggen, merkte hij op, was “goedheid gelijk te stellen aan succes.” Hij protesteerde dat hij nooit geloofd had in “deze verdorven leer” – een uitspraak die ik betwijfel, niet alleen omdat de regels te goed en te precies zijn om geproduceerd te zijn om “retorisch effectief” te zijn, maar ook omdat dit de doctrine was waarin iedereen geloofde in de jaren twintig en dertig. Toen kwam de tijd dat…

In the nightmare of the dark
All the dogs of Europe bark . . .

Intellectual disgrace
Stares from every human face—

…de tijd waarin het er een hele tijd naar uitzag dat het ergste kon gebeuren en het pure kwaad een succes kon worden. Het pact tussen Hitler en Stalin was het keerpunt voor links, nu moest men alle geloof in de geschiedenis als ultieme rechter over menselijke aangelegenheden opgeven.

In de jaren 1940 waren er velen die zich tegen hun oude overtuigingen keerden, maar er waren er maar weinigen die begrepen wat er mis was met die overtuigingen. Verre van hun geloof in de geschiedenis en succes op te geven, veranderden zij als het ware gewoon van trein; de trein van het socialisme en communisme was verkeerd geweest, en zij stapten over op de trein van het kapitalisme of het freudianisme of een of ander verfijnd marxisme, of een geraffineerd mengsel van alle drie. Auden, in plaats daarvan, werd een christen; dat wil zeggen, hij verliet de trein van de Geschiedenis helemaal. Ik weet niet of Stephen Spender gelijk heeft met zijn bewering dat “het gebed beantwoordde aan zijn diepste behoefte” – ik vermoed dat zijn diepste behoefte gewoon het schrijven van verzen was – maar ik ben er redelijk zeker van dat zijn geestelijke gezondheid, het grote gezonde verstand dat al zijn prozageschriften (zijn essays en boekbesprekingen) verlichtte, in niet geringe mate te danken was aan het beschermende schild van de orthodoxie. De aloude coherente betekenis ervan, die door de rede bewezen noch weerlegd kon worden, bood hem, net als Chesterton, een intellectueel bevredigend en emotioneel nogal comfortabel toevluchtsoord tegen de aanval van wat hij “rommel” noemde; dat wil zeggen, de ontelbare dwaasheden van de tijd.

Nu ik de gedichten van Auden in chronologische volgorde herlees en aan hem terugdenk in de laatste jaren van zijn leven, toen de ellende en het ongeluk steeds ondraaglijker waren geworden, zonder echter ook maar in het minst te raken aan de goddelijke gave of de gezegende faciliteit van het talent, ben ik er zekerder dan ooit van geworden dat hij nog meer dan Yeats “in de poëzie gekwetst” was: “Gek Ierland doet je pijn in de poëzie. (“Mad Ireland hurt you into poetry.”) Ondanks Auden’s gevoeligheid voor medelijden, waren publieke politieke omstandigheden niet nodig om hem tot poëzie te kwetsen. Wat hem tot een dichter maakte was zijn buitengewone vaardigheid met en liefde voor woorden, maar wat hem tot een groot dichter maakte was de niet te testen bereidheid waarmee hij toegaf aan de “vloek” van kwetsbaarheid voor “menselijk falen” (“human unsucces”) op alle niveaus van het menselijk bestaan – kwetsbaarheid voor de kromheid van de verlangens, voor de ontrouw van het hart, voor de onrechtvaardigheden van de wereld.

Follow, poet, follow right
To the bottom of the night,
With your unconstraining voice
Still persuade us to rejoice;

With the farming of a verse
Make a vineyard of the curse,
Sing of human unsuccess
In a rapture of distress;

In the deserts of the heart
Let the healing fountain start,
In the prison of his days
Teach the free man how to praise.

Lof is het sleutelwoord van deze regels, geen lofzang op “de beste van alle mogelijke werelden” – alsof het aan de dichter (of de filosoof) is om Gods schepping te rechtvaardigen – maar lofzang die zich afzet tegen alles wat het meest onbevredigend is in de toestand van de mens op deze aarde en zijn eigen kracht uit de wond zuigt: op de een of andere manier ervan overtuigd, zoals de barden in het oude Griekenland waren, dat de goden ongeluk en kwade dingen naar de stervelingen spinnen, zodat zij de verhalen kunnen vertellen en de liederen kunnen zingen.

I could (which you cannot)
Find reasons fast enough
To face the sky and roarIn anger and despair
At what is going on,
Demanding that it name
Whoever is to blame:
The sky would only wait
Till all my breath was gone
And then reiterate
As if I wasn’t there
That singular commandI do not understand,
Bless what there is for being,
Which has to be obeyed, for
What else am I made for,
Agreeing or disagreeing?

En de triomf van de privé-persoon was dat de stem van de grote dichter nooit de kleine maar doordringende stem van het zuiver gezonde gezond verstand tot zwijgen heeft gebracht, waarvan het verlies zo vaak de prijs is geweest die voor goddelijke gaven is betaald. Auden stond zichzelf nooit toe zijn verstand te verliezen – dat wil zeggen, de “nood” te verliezen in de “verrukking” die er uit opsteeg:

No metaphor, remember, can express
A real historical unhappiness;
Your tears have value if they make us gay;
O Happy Grief! is all sad verse can say.

–This is Wystan and older brother John, probably about 1912-13. Notice the square cut shirts and the matching outfits.

Het lijkt natuurlijk zeer onwaarschijnlijk dat de jonge Auden, toen hij besloot dat hij een groot dichter zou worden, wist welke prijs hij zou moeten betalen, en ik denk dat het heel goed mogelijk is dat hij op het einde – toen niet de intensiteit van zijn gevoelens en niet de gave om ze in lof om te zetten, maar de pure fysieke kracht van het hart om ze te dragen en ermee te leven geleidelijk vervaagden – de prijs te hoog vond. Wij, in ieder geval, zijn publiek, lezers en luisteraars, kunnen alleen maar dankbaar zijn dat hij zijn prijs tot de laatste cent heeft betaald voor de eeuwige glorie van de Engelse taal. En zijn vrienden kunnen enige troost vinden in zijn mooie grap aan gene zijde van het graf – dat, om meer dan één reden, zoals Spender zei, “zijn wijze onbewuste zelf een goede dag koos om te sterven”. De wijsheid om te weten “wanneer te leven en wanneer te sterven” is niet aan stervelingen gegeven, maar Wystan, zou men graag denken, heeft het misschien ontvangen als de hoogste beloning die de wrede goden van de poëzie schonken aan de meest gehoorzame van hun dienaren.

From Thinking Without a Banister: Essays in Understanding, 1953 – 1975 by Hannah Arendt, Edited by Jerome Kohn.
Auden and Kallman, photo via Stamford University archive

Years and days in service of painting: Konstantin Istomin (1885-1942) (2)

In het atelier

In Koersk geboren , het jaar 1886, in een familie van een infanterie-officier, neef van de beroemde admiraal Isomin, held van de verdediging van Sebastopol in 1854-55, later in het belangrijke jaar 1989, zelfs met een heuse postzegel herdacht!

In 1901 verhuist de familie Istomin naar Vladivostok en Istomin volgt avondlessen aan de plaatselijke kunstschool. In 1903 verhuisde het gezin naar Charkov / Oekraïne. Istomin bezocht het privé-atelier van de Parijse kunstenaar E. Schreider, een bewonderaar en volgeling van de School van Barbizon, die Istomin sterk beïnvloedde in zijn esthetische voorkeuren.

In 1905 was de kunstenaar betrokken bij de revolutionaire beweging: als lid van het gewapende arbeidersdetachement, wordt hij gearresteerd en komt hij in de gevangenis terecht. In de zomer van 1906 wordt het tijd om andere oorden op te zoeken: in München gaat hij studeren bij beroemde schilder en pedagoog Simon (of Shimon) Hollosy.

‘De Rakoczi Marsj, Simon Hollosy
Simon Hollosy  Founder of the Nagybánya Art School, which had a great influence on the formation of the Transcarpathian School of Painting. He was born in 1857 in the city of Siget (now Sighetu Marmației, Romania). From 1875 to 1876 he studied at the School of Decorative Arts in Budapest, and from 1878 to 1882-at the Munich Academy of Arts. 

The period of creative formation of the artist fell on the turn of the 19th and 20th centuries-it was the period of creation of national art schools in many European countries as opposed to the official academism. For Hungarian (at that time Transcarpathian) and Eastern European art such a creative factor was the famous Nagybánya School (named after the city of Nagybánya, now Baia Mare in Romania), which was established by Hollosy in 1886. 

At the Nagybánya School young artists from different countries were preparing to enter the Munich Academy. The institution became a centre for young talents who sought to realistically depict the surrounding world with the help of new, non-academic means. For seventeen Munich years Hollosy became famous in Europe as an artist and pedagogue.
Simon Hollosy ‘Vuurwerk’
He founded a private school where he gave free classes, attracting young talents who were interested in realistic portrayal. He opened the way to new styles by relying on his personality and by pointing out the merits of French painters, such as Gustave Courbet, who exhibited in the city. He abandoned the academic style in order to follow new trends in French painting, including Impressionism. He also "admired" Jules Breton, Jules Bastien-Lepage and read Zola, Murger, Tolstoy and Dostoevsky."

He was more important as a teacher than a painter. His large-scale plan of Rákóczi March, never progressed much beyond sketches, as he kept changing his mind. His landscapes painted in Técső include Landscape in Técső, Landscape with Stacks and Sunset with Stacks, in which he applied elements of en plein air and Impressionism. His self-portrait (1916), held by the Hungarian National Gallery, is considered one of his most harrowing pictures.
Simon Hollosy Zelfportret

Na zijn terugkeer uit München in 1909 ging hij met V.A. Favorsky naar de faculteit voor Kunstgeschiedenis van de Moskouse Staatsuniversiteit. In de 20ste eeuw moet iedere kunstenaar ook kunsthistoricus zijn. Tijdens zijn studies reisde hij door Griekenland en Italië.

During the First World War, Istomin commanded an artillery battery and was shell-shocked. In the spring of 1918 Konstantin returned to Moscow and worked in the section of the fine arts of the Moscow City Council. Since March 1919, he was in the ranks of the Red Army, however, being wounded and having survived typhus, he was demobilized. While serving, he was engaged in drawing, but the drawings of this period were not preserved.

In 1921 dat tot 1930 is hij prorector en prof. schilderkunst van het hoger instituut voor kunst en techniek VHUTEMAS-VKHUTEIN en lid van de kunstbeweging 'Makovetz'.
Meisje en de Spiegel Konstantin Istomin
The ultimate mission of Vkhutemas was to develop a system of industrial education capable of training thousands of students at a time. In just the first year of 1920-21, over 2,000 students enrolled in the school. In 1922 there were 2,222 students matriculating, while in contrast the Bauhaus trained 119 students during the same period. Yet the main pedagogical objective was not only to teach a certain artistic skillset but to formulate a new aesthetic language, accessible to students of varied backgrounds and prior experience, that could be applied to design solutions for industrial production.

At both Vkhutemas and the Bauhaus the educational program progressed from the foundational training mandatory for all students to specialized disciplines elected by each student and approved by the faculty. The foundational courses at Vkhutemas, known as “propaedeutics” (propedevtika)—an introduction to any science or art—similar to the Vorkurs (literally, pre-course) at the Bauhaus, were structured as a sequence of preliminary or core exercises. Importantly, propaedeutics did not simply offer an introductory system of courses that preceded a deeper study of a subject but sought to provide an abbreviated exposition of a field of knowledge in a systematic, elementary way—in its entirety. (Anna Bokov)
Meisje leest voor een doek

De belangrijkste pedagogische agenda van beide stichtingscurricula – aan de Vkhutemas en aan het Bauhaus – ging verder dan esthetiek en omvatte praktische, ervaring door het werken met materialen en het maken van fysieke objecten. Volgens Gropius’ beroemde leerplan-diagram van 1922 duurden de Vorkurs aan de Duitse school een semester en omvatten ze de “elementaire studie van vorm, studie van materialen in de pre-Workshop (Elementare Formlehre, Materiestudien in der Vorwerkstatt). De Vorkurs doorliepen, net als de propedeutiek van Vkhutemas, verschillende fasen: van Johannes Itten die lesgaf in 1919-22, via László Moholy-Nagy met Josef Albers die Itten verving in 1923, tot Albers alleen, die de cursus begon te geven na het vertrek van Moholy-Nagy in 1928 en ermee doorging tot de sluiting van de school in 1933. (ibidem)

Konstantin Istomin Winterlandschap

Na de oprichting van de interdepartementale Kernafdeling splitste het zoeken naar een fundamentele kleurdiscipline zich in twee hoofdsporen: in het eerste werd kleur bestudeerd als een schilderkunst-verschijnsel en in het tweede als een optisch verschijnsel. Tegen 1924 ontwikkelde het hoofd van de Kernafdeling, Konstantin Istomin, het programma van het “Color kontsentr”, goedgekeurd door decaan Favorsky, dat uit twee reeksen disciplines bestond: een meer traditionele op de schilderkunst gebaseerde en een wetenschappelijk gebaseerde cursus over kleur. Terwijl de theorie van de kleur werd onderwezen door natuurkundigen en psychologen, werden de praktische “kleurenlaboratorium” studies geleid door Gustav Klutsis (1895-1938). Klutsis, die een leerling was van Kazimir Malevich in Svomas en een afgestudeerde van Vkhutemas, gaf les aan de school tussen 1924-30. Zijn propedeusecursus over kleur was speciaal ontwikkeld om studenten op te leiden buiten de afdeling Schilderkunst, waaronder toekomstige architecten en industriële en grafische ontwerpers.

Konstantin Istomin Moskou-landschap

Het traditionele systeem voor de opleiding van kunstenaars en architecten werd grondig herzien en de academische cursus schone kunsten werd vervangen door een algemene artistieke propedeuse.
In plaats van de gebruikelijke disciplines “tekenen”, “schilderen” en “beeldhouwen”, werden de volgende disciplines ingevoerd: “kleur”, “volume” en “grafiek”. Tegelijkertijd werd een hele constellatie van kunstenaars, vertegenwoordigers van de avant-garde, in zijn studio’s ondergebracht. Een constellatie van kunstenaars die avant-garde bewegingen vertegenwoordigen – Rodchenko, Vesnin, Popova, Ekster, Sterenberg, Klutsis en anderen. Ze waren allemaal geïnspireerd door de mogelijkheid om hun eigen ontwikkelingen in het onderwijsproces en het creëren van auteurscursussen, die niet altijd in detail zijn uitgewerkt en aangepast aan het begripsvermogen van de studenten, maar zeker vernieuwend in geest.
In de meeste gevallen waren deze opdrachten formeel en analytisch werk in verband met de studie van de primaire categorieën van compositie, zoals ritme, beweging, contrast, en de “primaire” elementen van artistieke vorm – kleur, toon, en schaduw.

Blauw meisje met boek Konstantin Istomin

Lectuur :

In de boot Konstantin Istomin
Konstantin Istomin

We hebben het belang van ‘de opleiding’ proberen te illustreren , de rol van de pedagogiek, van de begeleiding. Het is een achtergrond die zelden ter sprake komt als we een bepaald tijdperk van de kunstgeschiedenis belichten. Dat de school in 1930 door Stalin werd gesloten zal niemand verbazen, net zoals het voorbeeld in Duitsland in 1933 door de nazi’s werd ontmanteld. Vermelden we nog dat Istomin ook decors en kostumes voor verschillende theaterproducties heeft ontworpen naast het schrijven van theoretisch werk en het opstellen van trainingprogramma’s. Dat zijn eigen werk daardoor minder in evidentie is gekomen mag duidelijk zijn geworden door zijn belangrijke rol in de opleiding van jonge kunstenaars die juist daardoor in de belangstelling kwamen terwijl de inspirator naar de achtergrond verdween.

Kelk Konstantin Istomin
Liggend model Konstantin Istomin
Neem rustig uit de holte van mijn handen
Een beetje zonlicht en een beetje honing,
De bijen van Persephone ter wille.

Een varend scheepje is niet af te meren,
Een schim in bont geschoeid is niet te horen,
Doodstille levensangst niet te bedwingen.

Het enige wat overblijft zijn kussen,
Als kleine bijen met behaarde lijfjes,
De korf verlatend, uitzwermend en stervend.

Zij ritselen in blanke, diepe nachten,
Zij komen uit de Taigetos, het oerwoud,
Zij voeden zich met tijd, munt, honingklaver.

Ontvang dan, als je wilt, mijn wilde gave,
Een droog, onooglijk kralensnoer van bijen
Die bij hun dood uit zonlicht honing maken.

Osip Mandelstam  1920 (vertaling:  Hans Boland)

Years and days in service of painting: Konstantin Istomin (1886-1942) (1)

Статья 52 (2.4) Константин Истомин. «Букет на красном», 1910-е(1) Boeket voor rood Konstantin Istomin 1910

Blader je door het mooie kunstboek met werk uit ‘The Tretyakov Gallerie’, in Moskou te bezoeken, dan is schilder Konstantin Istomin er slechts met één werk vertegenwoordigd, schilderij dat we straks uitvoeriger zullen bespreken. De samenstellers geven een verklaring:

'Our knowledge of the art of Konstantin Istomin is not rather scant.  His works are to be found mostly in private collections, with only a few kept in museums. Until recently the name of this interesting Soviet painter and outstanding teacher had been undeservedly forgotten by the public.'

Dat was al een citaat uit 1979, uitgavejaar van het kunstboek, maar de bewering heeft helaas nog niets aan actualiteit ingeboet. Voor mij begon de ontdekking met het prachtige doek uit 1933 ‘Studentinnen’. De enige schilderij van Istomin uit het voornoemde boek.

Studentinnen, Konstantin Istomin olie op canvas, 125,5 x 141,5 cm. 1933
A cozy room with a large square window in a dark green wall behind him - pink-pearl (in contrast to the deep, strong color inside) winter city. Against the light - graceful silhouettes of two girls in black, engaged in reading. This is the "Vuzovki" (1933), (letterlijke vertaling titel: De universitairen) the best and most famous painting KN Istomin.
At first glance - the genre, the picture on the "home" theme. But the meaning is quite large, broadly and boldly written canvas is clearly not in the details of the story, not in the character of girls (of which we know nothing concrete), not in their class. He's something else, less certain, but a more general ... In fact, why is this story on everyday picture seems suddenly open window to another bygone era, as if immerses the viewer in the spiritual atmosphere of the 1930s.

Zoem je in op het centrum dan voel je het winterlicht van de korte dagen binnenvallen, begrijp je de sjaal op de schouders van het rechtstaand meisje. Of in de woorden van de tekst bij het schilderij in mijn boek:

'It shows two college girls studying in a quiet room at dusk, as the short winterday draws to a close.  Their delicate figures, invested with girlish grace and gentle lyrcism, are sharply silhouetted against the big lit-up window. The girls' hair and dresses, the modest furniture of the room faithfully convey the ascetic atmosphere of the first post-revolutionary years in Soviet Russia.'

Vergelijk je het doek met de onderstaande compositie ‘aan het raam’ dan voel je dezelfde winter en is het vooral de kleur van de kledij die de zittende oplicht. Het gaat duidelijk niet om portretten maar om een stemming, een aanvoelen van een atmosfeer waarin het koude buitenlicht allerlei betekenissen kan krijgen met het begrip ‘isolatie’ als ondertoon.

Beperk je het invallend licht door de hoogste reep van het raam weg te snijden dan komt de nadruk helemaal op de meisjes te liggen en begrijp je de noodzaak om het raam in zijn geheel weer te geven om de hoofdrol van het licht, de winter, de isolatie duidelijk te maken. Kijk naar de afmetingen van het doek: 125 cm x 141 cm.

'The well-balanced composition and colour scheme contribute to the picture's marked expressiveness.  The broad expanse of the winter landscape outside and the pinkish shade of the wide sky, contrast with the small, confined space of the girl's room. 
The clear, strict delineation of objects, the glow of the white curtains and the tablecloth, the crystal-clear water in the jug - everything accors with the girls' simplicity and purity.  The correlation of dark and light tones is controlled and balanced, corresponing to the students' strict dedication.
In 'Students' Istomin skilfully creates a moving, poetical image of the nascent Soviet intelligentia.'
‘Aan het raam’

In een volgende bijdrage: een korte levensschets, vragen bij kunst en intellect in een maatschappij waarin het ‘socialistisch realisme’ alle vormen van modernisme wil verdringen. Het is geen pretje om in een utopisch wereldbeeld de alledaagse wereld te blijven belichten. Zeker niet als leraar aan een kunstschool.

Utopisch denken is daarom een vorm van wanhoopsdenken waar een vruchtbare bodem voor ontstaat op het moment dat mensen de hoop op verbetering verliezen. Waar het modernisme blijk gaf van (ongegronde) hoop op een utopie, plaatst het socialistisch realisme deze niet langer in de toekomst maar beweert dat de volmaakte wereld werkelijkheid is geworden. (Slavische Studies Marazone 14 2014)

En…kunstenaar worden of leraar blijven en andere kunstenaars vormen en uitsturen? Met voorbeelden.

Voor de spiegel

De jaren 22, een dwarsdoorsnede

• James ENSOR – La mangeuse d’huîtres (1882). Paris, Musée d’Orsay.

Met dit smakelijke schilderij van James Ensor uit 1882 waarmee de kunstenaar zijn zus aan de feestdis borstelt willen we graag de toon zetten voor het komende of intussen al aanwezige jaar 2022. Schuif aan, er is nog plaats. De schilder weet intussen wat wachten is, hij heeft alle tijd. Wil je een indruk opdoen van wat het jaar 2022, het jaar met de drie twee-getallen en één bijna honderd jaar te worden nulletje, dan bied ik je enkele tranches uit de jaren 22 aan, te beginnen met de zestiende eeuw, het jaar 1522 en daarna verder tot we bij de honderdjarige 1922 belanden. Beetje kriskras, ook wij drinken nu graag een glas, maar toch even kijken hoe ’t in al die jaren 22 was.

De heilige Katharina Lorenzo Lotto 1522

1522

En met deze mooie heilige zijn we in dat merkwaardige jaar 1522 waar op 9 januari de genaamde Adriaan Florenszoon Boeyens, Dedens, (H)adrianus (VI) in het latijn, paus Leo X opvolgde als 218de paus. De enige Hollandse paus (Utrechtenaar) en de laatste niet Italiaanse voor meer dan 450 jaar. Het bleek maar voor korte tijd, hij stierf op 14 september 1523. Komt er in 2022 een Belgische (Vlaamse) kandidaat of heeft hij het voor goed verkorven na een terechte en gesmaakte en gedurfde opmerking omtrent de kerkelijke houding tegenover homoseksualiteit?

In september van datzelfde jaar 1522 publiceerde Luther een vertaling uit het Grieks naar het vroege nieuw Duits van de Bijbel:  Das newe Testament Deutzsch, met een verkoop van duizenden exemplaren de eerste weken, terwijl de 6de september in Basel de derde editie van Erasmus' vertaling uit het Grieks 'Textus Receptus' van het Nieuwe Testament was verschenen, parallel met de Latijnse tekst. 

In Brugge en tot tweemaal toe in Antwerpen vinden er openbare boekverbrandingen van zgn. Lutherse geschriften plaats. 
De hinderlaag Joost de Momper 1622

1622

Merkwaardig jaar waarin de 1ste januari van de Gregoriaanse kalender als eerste dag van het jaar wordt verklaard, in plaats van de 25ste maart. Of die hinderlaag van de Antwerpse schilder Joost de Momper (zie hierboven) al iets te maken had met de Spanjaarden die een schip met buskruit in de Amsterdamse binnenstad tot ontploffing wilden brengen, weet ik niet. Hun doel was de Amsterdamse beurs, toen ook al het financiële centrum van Nederland. De aanslag kon net op tijd voorkomen worden door de oplettendheid van een op straat spelend weesjongetje. Als dank mocht hij een wens doen; waarop het jongetje wenste dat de kinderen ieder jaar een dag mochten trommelen op de beurs: de beurs-trommeldag. Jongetjes van het jaar 2022 zouden misschien liever in cryptomunten willen beleggen. In alle stilte.

Juni 1622
Met een enorme invasiemacht van 13 oorlogsschepen met zo'n 1300 man proberen de Hollanders Macau te veroveren. De Portugezen zijn niet tegen zo'n invasiemacht opgewassen, maar een toevalstreffer met een kanon afgeschoten door een Jezuïtische priester raakt de buskruitvoorraad van de Hollanders die daarop definitief afdruipen. Gelukkig wordt ook dat jaar op 15 januari in Frankrijk een zekere Jean-Baptiste Poquelin geboren, later gekend als beroemd en berucht toneelschrijver Molière die ons tot op de dag van vandaag met zijn satirische komedies een aardige spiegel kan voorhouden.
Wikimedia Commons

1722

Op paaszondag, 5 april 1722, ontdekt een Hollandse expeditie onder leiding van commandeur Jacob Roggeveen Paaseiland terwijl in Frankrijk François Couperin ‘Concerts Royaux’ componeert. Door corruptie en de grote verliezen die na 1780 zijn geleden kwam aan de VOC (Vereenigde Oostindische Compagnie) een roemloos einde. De aandelen werden opgekocht door de staat en nam daarmee ook de schulden over van ruim 120 miljoen gulden. De letters VOC stonden voor Vereenigde Oostindische Compagnie. Echter tegen het einde van de VOC tijd werd door de bevolking gekscherend de afkorting uitgesproken als Vergaan Onder Corruptie.

De slavenhandel was in deze periode big business. Tegelijkertijd kwamen Newcomen en Watt met de introductie van de stoommachine. De industriële revolutie was een feit. Maar troost je nog even met een fragment uit de koninklijke concerten van Couperin.

1822

Terwijl we met de oren nog in de 18de eeuw verblijven mogen de ogen de negentiende binnengaan en kijk naar de kalender voor het jaar 1822 die de Amsterdamse ‘vuilnis-karmans’ verspreidden, een poëtische aanmaning om hen te gedenken.

Het is het jaar dat de emoe van het Koningseiland in Australië is uitgestorven en ook de auteur E.T.A. Hoffman (herinner je zijn amoureuze vertellingen door Offenbach tot opera bewerkt) het voor gezien houdt terwijl de Belg César Franck, toekomstig componist en organist) op 27 december geboren wordt. Vergeet het octrooi niet dat op 9 juni van dat jaar wordt toegekend waarmee het kunstgebit een feit is. En:

Charles Babbage publishes a proposal for a difference engine, a forerunner of the modern computer, for calculating logarithms and trigonometric functions. Construction of an operational version will proceed under British Government sponsorship (1823–32), but it will never be completed.

En om het helemaal hedendaags te maken op 27 december van dat jaar 1822 wordt Louis Pasteur geboren.

Pasteur ontwikkelde een virus-vaccin tegen de ziekte hondsdolheid. Hij slaagde erin een hond immuun te maken, en hij behandelde paarden. Op 6 juli 1885 bracht men de negenjarige Joseph Meister uit de Elzas, die door een dolle hond was gebeten, bij Pasteur. Pasteur begon de behandeling met behulp van door hem ontwikkelde inentingen, iets wat voor hem persoonlijk riskant was, omdat hij geen erkend geneesheer was. Na wekenlange behandeling van de jonge patiënt, die hoogrood was aangelopen door de koorts, genas de jongen en kon Pasteur met recht zeggen de hondsdolheid te hebben overwonnen.

1922

Laten we maar beginnen met een voetbalmatch, gespeeld op 7 mei 1922 in Amsterdam waar België het Nederlands elftal verslaat met 1-2. Op 21 maart had het persbureau Vaz Dias de eerste nieuwsuitzending op de radio uitgezonden via de zender van de Amsterdamse effectenbeurs. Op 4 augustus bij de begrafenis van Alexander Graham Bell wordt het telefoonverkeer in de USA een minuut lang stilgelegd. Enkele maanden eerder was op 3 april ene Jozef Stalin Secretaris-Generaal van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie geworden en later, op 28 oktober, trokken onder leiding van Benito Mussolini een menigte fascisten naar Rome. Als troost: T.S. Eliot, Amerikaans-Brits dichter publiceert dat jaar het gedicht: The Waste land. Het begint met ‘The Burial of the Dead’, enkele lijnen om je nieuwsgierig te maken:

April is the cruellest month, breeding
Lilacs out of the dead land, mixing
Memory and desire, stirring
Dull roots with spring rain.
Winter kept us warm, covering
Earth in forgetful snow, feeding
A little life with dried tubers.
Summer surprised us, coming over the Starnbergersee
With a shower of rain; we stopped in the colonnade,
And went on in sunlight, into the Hofgarten,
And drank coffee, and talked for an hour.

Er is dat jaar ook nog Virginia Woolf die ‘Jacob’s Room’ publiceert terwijl Stefan Zweig de vertelling ‘Die Augen des ewigen Bruders’ uitbrengt. Met daarna de brug tussen 1922 en 2022. Een wereldoorlog, een vrede die 1945 met 2022 verbindt. Het jaar met de drie tweetjes en een nulletje waarvan je een ballonnetje kunt maken, dus loslaten of beter nog: een wieltje dat ons aanzet de telkens opnieuw gedroomde wereld van die andere jaren 22 in beweging te houden en naar 2023 te brengen. Met heel ons hebben en houden. Met iedereen. Op aarde. In de hemel. En op alle plaatsen.

The Landscape of Love and Solace: John Nash (1893-1977)

Nash, John Northcote; The Lake, Little Horkesley Hall; Royal Academy of Arts; http://www.artuk.org/artworks/the-lake-little-horkesley-hall-149049

De titel van deze bijdrage was ook de titel van een grote retrospectieve tentoonstelling tijdens het voorbije najaar in Tower Eastbourne UK waarin de drievoudige bedoeling duidelijk wordt. Eerst John Nash’ liefde voor zijn in en bewegen door het landschap. Als jongen kreeg hij een laat-Victoriaans spionageboek en daarna was een wandeling met John Nash een openbaring: wat hij voordien niet had gezien werd opgemerkt en geziene dingen werden opnieuw gezien, zijn visuele notities bijgewerkt. Een mooie quote aan het eind van zijn leven:

'The artist's main business is to train the eye to see, then to probe and then to train his hand to work in sympathy his eye. I have made a habit of looking, of really seeing'.
The Rainstorm John Northcote Nash

Nash voelde zich aangetrokken tot de hoekjes en gaatjes van het landschap. Zoals hij tegen John Rothenstein zei, interesseerde een halve hooiberg hem evenveel als een bergketen, en de helft van zijn beste werken is terug te voeren op locaties op loopafstand van zijn vaste huizen in de Chilterns en de Stour Valley. (Andy Friend Artuk.org)

Secondly, the landscape of love refers to the complex, shifting web of affairs and relationships that accompanied his endeavours. The remarkable Christine Kuhlenthal, a Slade student and intimate friend of Dora Carrington, became his lover just before he departed to the trenches in late 1916.(ibidem)
John Nash and Christine Kühlenthal

Ze zouden trouwen als hij levend terugkeerde, maar hun diepe toewijding aan elkaar zou niet uitsluiten dat beiden ‘liefdes van buiten’ zouden kennen.

They pledged to marry if he returned alive, but their deep commitment to each other would not exclude either having 'outside loves'. Their own love endured for sixty years, surviving numerous crises and periods of distance, and an ongoing dichotomy between Christine's pursuit of intimacy and John's more libertine habits. It was an extraordinary partnership, during which Christine's harvesting of scant resources and organisation of John's artistic calendar (of expeditionary activity, work at home, and exhibiting) rendered possible her husband's long career.(ibidem)
Oppy Wood 1917 Evening John Northcote Nash

En ten derde heeft de notie van een landschap van troost – of een zoektocht naar troost in het externe landschap – betrekking op de emotionele bron van Nash’s artistieke streven als schilder die niet alleen werd geplaagd door periodieke psychische problemen (een familietrekje dat hij deelde met zijn broer Paul en jongere zus Barbara), maar die in de loop van zijn lange leven ook meer dan zijn deel aan trauma’s en verlies heeft moeten doorstaan. (ibidem)

John's childhood was overshadowed by his mother's mental decline and early death in a private sanatorium and his earliest artwork survives in the form of marginal cartoons leavening letters to his frequently absent parents. Absorbing the influence of Edward Lear, his cartooning flowered – and lead to many of his early book commissions – but as Christine quickly discerned, humorous endeavour for the young John was 'a useful cloak'.(Andy Friend ibidem)
The Cornfield (1918) John Nash Tate London 2019

Is er een mooier voorbeeld dan dit korenveld, eens terug uit wat wij nu ‘de Grote Oorlog’ noemen? Vijftien maanden als een laaggeplaatste ‘ranker’ in het ‘Artists Rifles’ waar hij naar huis werd gestuurd na een rampzalige tegenaanval bij het Franse Marcoing waarbij al zijn naaste kameraden in de ochtend van 30 december 1917 in een tijdsbestek van twintig minuten omkwamen. Terug in Engeland werd hij benoemd tot ‘Official War Artist’ maar omdat het hem verboden was in de loopgraven te tekenen moest hij nu oorlogskunst maken met zijn bijzonder vermogen om herinneringen op te roepen.

Nash, John Northcote; ‘Over The Top’: First Artists’ Rifles at Marcoing, 30 December 1917; IWM (Imperial War Museums); http://www.artuk.org/artworks/over-the-top-first-artists-rifles-at-marcoing-30-december-1917-6283
For Nash its creation was purgative, although his distress at 'the sheer bloody murder' he had witnessed never totally left him. What is remarkable is that while he was working on it by day, he was also leaving the studio in the evening, reacquainting himself with surrounding Buckinghamshire as he painted The Cornfield – a work created 'in sheer relief at being still alive and back in the English countryside'.(Andy Friend)

Een notitie uit zijn dagboek '13 November 1935' ''Anniversary of the worst day of my life – glad to be working hard to forget' En dat verwijst naar de dood van William, zijn en Christine's enige kind, dat nadat het uit de nursery was opgehaald uit de auto was gevallen die zij bestuurde.
John Nash Frozen Ponds
“The Flooded Meadow” by John Nash | © The artist’s estate/Government Art Collection

Kunstenaar, illustrator, gepassioneerd tuinier van kindsbeen af en musicus (duetten met Christine toen ze nog samen waren) Grotendeels autodidact maar altijd bereid om wat anderen hem konden bijbrengen te assimileren. Vaak in de schaduw van zijn oudere en meer bekende broer Paul.

The artist-musician Rupert Lee inspired him to read music, the nurseryman Clarence Elliot was both a close friend and plant-world royalty who gained him entrée to judging at Chelsea. But in terms of his art what is most noticeable – as in his progress as a wood engraver from novice to leading exponent in a matter of four months after August 1919 – is the degree to which, once seized, he could immerse himself in new media to such telling effect.
John Nash, ‘A Gloucestershire Landscape’. Image © Ashmolean Museum, University of Oxford
John Nash, Sea Holly and Sea Bindweed (Seaside Flowers), 1938, from the Buckinghamshire County Museum collections

Uiteraard hebben kunsthistorici Nash wel eens afgeschilderd als een figuur die niet in het verschijnsel kunst geïnteresseerd was en dan ook nog onwetend zou zijn over wat er in die kunstwereld voorhanden was. Zijn lange carrière zou verscheidenheid ontberen. Inderdaad had hij weinig belangstelling voor ‘de grootstedelijke pretentie’ of de nogal obscure exploten van de toenmalige kunstscene. Maar de grote retrospectieve tentoonstelling maakte duidelijk hoe Walter Sickert een vroege invloed uitoefende, hoe Spencer Gore, Harold Gilman en Robert Bevan (‘The Cumbers Men’) een centrale rol speelden in zijn vooruitgang met olieverf nadat hij in 1913 met een geïmproviseerde tentoonstelling op de Londense kunstscène was doorgebroken. Je kon ook zien hoe navolgers van Cézanne en zeker van Jean Marchand Nash’s ontwikkeling als schilder hebben beïnvloed in de jaren twintig.

His friendship and collaboration with Edward Bawden in the 1950s, and Peter Coker in the 1970s also triggered new departures; and figures as diverse as the 1920s etcher Francis Unwin, Eric Ravilious before 1942, Carel Weight in the 1950s, and Cedric Morris in the 1960s were comrades in art as well as friends who to him were 'dear ones'.(ibidem)
The Villa Next Door
1975, watercolour & pencil by John Northcote Nash (1893–1977)

Anders dan ‘modes’ of ‘stromingen’ volgde hij vooral wat hij voortdurend observeerde en toonde hij in zijn werk de verrassingen die hij ontdekte.

Nash admitted he was frequently taken by surprise by the reality he observed, and it is this sense of innocent wonder suffused with melancholy that distinguishes his art at its best, resonating with the solace that many of us might seek out of doors in a season of stress. 

Artikel geïnspireerd en gebruik makend van de bijdrage van Andy Friend, curator of John Nash.

John Nash – The Landscape of Love and Solace' was at Towner Eastbourne until 26th September 2021. An accompanying biography John Nash - The Landscape of Love and Solace by Andy Friend, with an introduction by David Dimbleby, is published by Thames & Hudson

https://artuk.org/discover/stories/john-nashs-alluring-landscapes-of-love-and-solace

John Nash Dunwich Watercolour 1919