Je bent wie je bent, een sprookje

tekening: Josie Kodomo

Net voor je gaat slapen is een sprookje lezen bijzonder rustgevend. Voorlezen kan ook. Wil je in de herinneringen van je dierbaren hoge ogen gooien? Dan wordt het ‘acteren’! Hier kun je vijf personages spelen:

de Prins: Hij bedoelt het goed, dat is duidelijk. Hij is niet wat hij wil zijn, een kerel. Goedgelovig, dat wel.
de Prinses: Is nog duidelijk niet aan ‘me-too’ toegekomen. Genderproblematiek? Brutaal bekje.
een Tovenaar: Toveren op aanvraag is er niet bij. Voor wat, hoort wat.
een Buitenmeisje: Recht voor het raapje maar best aardig. Consequent.
een Verteller: Vertelt het verhaal waar de anderen zwijgen. Kan zelfs een droevig liedje zingen. Troost de luisteraars en bespreekt wat de Prins na het verhaaltje gaat doen, liefst in samenspraak met het publiek.

Waarschuwing: dit verhaaltje eindigt vrij droevig of kan alzo geïnterpreteerd worden. Het kan nodig zijn er een leuk vervolg aan te breien om de nachtrust van de luisteraar(s) niet te schaden. En ja, dansen is best ok. ook voor stoere kerels!

Er is ook een zedenles maar die is zeker in twijfel te trekken.
Benodigdheden: Met enkele leuke hoofddeksels kom je al heel ver.
Leeftijd: 0-111 jaar.

tekening Kristien Aertssen

de tekst:

‘Zo was er eens een prins en een prinses en die prins hield heel veel van de prinses. Hij wilde altijd heel dicht bij haar zijn.
’Lieve zoete prinses. Ik hou van jou.’
’Hmm. Dat zeggen ze allemaal.’
’Echt waar, hoor. Ik zou altijd bij jou willen zijn. Dag en nacht.’
‘En dan? Wat zou je dan willen?’
‘Hoe dan? Wat dan? Gewoon bij jou willen zijn, omdat ik van je hou.’
‘En dan?’
’Niets en dan! Als je van iemand houdt dan wil je d’r gewoon bij zijn. Kusjes geven, en strelen, en lief zijn, koffie zetten, brood smeren. . .’
‘Wat vervelend, zeg. Weet je niets beters te verzinnen?’
‘Is liefde dan niet goed genoeg?’
De prinses keek hem hooghartig aan.
’Liefde? Wat jij liefde noemt! Ben je sterk?’
’Sterk? Neen, dat ben ik niet. Maar ik kan heel goed zingen. Luister.’
En de prins zong een heel mooi droevig liedje.
‘Noem jij dat zingen! Verschrikkelijk. Kun je vechten? Ben je nooit bang? Kun je in de dakgoot van een hoog huis lopen? En zou je in één bed met een tijger durven slapen? ]a? Dàn ben je een kerel!’
De prins zuchtte diep.
‘Ik ben wel bang. Als ik op de derde trede van een laddertje sta, krijg ik al kippevel. En met een tijger in één bed slapen? Ik mag er niet aan denken. ]e moet wel gek zijn om zoiets te doen.’
‘Dat noem ik ‘stoer’, prins. Mannen die niet stoer zijn, noem ik geen mannen.’
’Maar ik kan met mijn oren bewegen, kijk.’
‘Daar kun je vliegen mee op de vlucht jagen, stommerd.’
‘Ik kan ook heel mooi dansen. Voilà!’
En de prins danste een menuet.
’Dansen! Dat is toch niets voor stoere bonken, echte kerels?’
’Ik vind dansen leuk, jij blijkbaar niet. Hou je niet van mij?’
’Als je sterk en stoer wordt, dan zullen we nog zien.’
De prins was heel droevig. ‘
‘Kan iemand mij leren vechten? Weet iemand wat je moet doen om nooit bang te zijn? En hoe moet ik in de dakgoot van een heel hoog huis leren lopen en in één bed slapen met een tijger?’
Er verscheen een tovenaar en die zei:
’Ik kan jou leren vechten. Ik kan ervoor zorgen dat je nooit meer bang bent, en dat je in de dakgoot van een heel hoog huis durft lopen en met een tijger in één bed durft slapen. Maar. Er is één maar. Dan moet jij mij ook iets geven.’
’Ik wil alles geven wat ik heb,’ riep de prins.
’Goed zo. Dan vraag ik je stem waarmee je liedjes kon zingen. Geef me ook maar je dansen. En je zult nooit meer met je oren kunnen bewegen.’
Dat vond de prins heel erg. Hij zong erg graag en danste als de beste. En als hij met zijn oren flapperde, moesten de kinderen lachen.
’Goed dan. Neem mijn stem waarmee ik liedjes zing maar mee. Pak mijn dansen maar, en maak m’n oren net zo onbeweeglijk als die van iedereen. Maar. .. maak me beresterk en nooit meer bang. Zorg ervoor dat ik in de dakgoot van een hoog huis durf lopen en dat ik zonder bibberen in één bed met een tijger durf slapen. Asjeblief.’

Dat gebeurde. De prins werd heel sterk, nooit meer bang en hij kon in de dakgoot van een hoog huis lopen, zonder gillen. En hij sliep in hetzelfde bed met een tijger alsof hij zijn hele leven al met tijgers had geslapen.
Maar zijn dansen en zingen was hij kwijt. Met zijn oren bewegen kon hij ook niet meer.
Maar hij dacht:
’Ach wat! Nu zal de prinses van me houden.’
Hij reisde naar haar kasteel en zag dat ze vertrokken was. Weg. Met een andere man. Die knul die nog sterker was dan hij, nog minder bang en niet alleen in dakgoten liep hij maar ook op de nok van de hoogste daken was hij thuis. En hij sliep niet alleen met tijgers, maar ook met beren en slangen.
De prins huilde.
’Waar ben je nu? Ik heb mijn zingen en dansen weggegeven, en kijk, m’n oren staan vast aan mijn hoofd.’
Maar ze bleef weg.
Toen kwam er een meisje langs dat op het platteland woonde. Ze was wel geen prinses maar ze zag er heel aardig uit. En de prins werd verliefd op haar.
‘O lieve meid. Ik hou zo van jou. Ik ben heel sterk en nooit bang. En ik durf in dakgoten van hoge huizen lopen en met een tijger slapen in één bed. Wel?’
Het meisje keek hem hoofdschuddend aan.
‘Och, weer zo’n blaaskaak die denkt dat hij superman is. lk voel niks voor stoere binken. Ik vind je wel knap. Maar kun je zingen, of dansen of met je oren flapperen? Dat zou ik prachtig vinden.’
’Neen, dat kan ik niet meer.’
’]ammer. Dan ben je niet de man die ik zoek. Dag.’
‘Dag,’ zei de prins.’

tekening: Carson Ellis

Hulpvragen als post-teaching:

-Zal hij zijn intussen getemde tijger op het buitenmeisje en de prinses afsturen?
-Wordt hij misschien niet gelukkig maar toch rijk als ceo van een firma dakwerken?
-Sluit de prinses vriendschap met het buitenmeisje en…
-Krijgt de tovenaar spijt en verlangt hij harde valuta om de prins zijn vroegere eigenschappen terug te geven?
-Komt er een protestactie van Gaia? Leg uit.
-Wat met de mensenlijke wezens die en van dansen en van hoge daken houden?
(Juist: The Flying….T…advertentie)

Bewegende beelden: het verleden dichterbij

Cinema Paradiso

Toen ik tien, elf jaar was, kreeg ik van de heilige man een heus film-projectie-apparaat cadeau waarmee ik 35mm-filmpellicule kon afdraaien -letterlijk te nemen- waardoor een fragment van een oude oorlogsfilm in technicolor met behulp van een grote 100 Watt-lamp op een witte muur of laken verscheen: in de cockpit van een Amerikaanse bommenwerper volgde ik even een kort (geluidloos) gesprekje dat plotseling afbrak en overging in een zwart-wit fragment van een cyclo-cross ergens te lande waar hijgende mannen, fiets op de schouder, een slijkerige heuvel oprenden en toeschouwers lachend in de lens keken.
Het beeld vastzetten om het dashboard van de bommenwerper te bekijken lukte niet want dan kon de pellicule in brand vliegen. Je kon wel even de wielrenner van dienst bevriezen net voor hij onderuit zou gaan maar dan mochten er geen ouders in de buurt zijn om ‘verder draaien of hij schiet in brand’ te roepen.

Via via kregen mijn ouders fragmenten van een weekjournaal en stukken uit de toenmalige trailers om mijn collectie aan te vullen zodat ik met eigen ogen het ontstaan van een beweging kon nagaan, een ervaring die we zelf wel eens toepasten door een ventje onderaan een schriftpagina te tekenen en op de volgende pagina-hoek een armpje steeds hoger de lucht instak. Tussen duim en wijsvinger-cinema.
Beweging in beeld brengen vroeg tijd, zeker voor een ongeduldig kind. Vierentwintig tot dertig prentjes om één seconde beweging te zien.

“We live in an environment where there are moving images constantly around us. But in 1897, this was startling and new and completely revolutionary. It was a different way of looking at the world.”
“The IMAX of the 1890s HOW TO SEE the first movies.”
In 1939, MoMA acquired a treasure of thirty-six reels of 68mm nitrate prints and negatives made in cinema’s first years. Everything that survived of the Biograph film company lives on those reels, including a rare bit of moving image footage of Queen Victoria.

MOMA, The museum of modern art in NY heeft altijd veel belangstelling in film als te bewaren kunstvorm gehad. Zij begonnen al in de jaren dertig met hun archivering en behandeling van oud materiaal.
Daarom enkele van de mooie filmen uit hun collectie waarin de beweging en het zelf film-maken centraal staan. Zalig om te zien! Je moet bij enkelen het nummer (index) van de playlist instellen. We geven het duidelijk weer onder de video. Hier kun je dadelijk mee beginnen: (je kunt ondertiteling instellen indien nodig)

Zoals je kon zien werd door kundige restauratie het verleden op een heel andere manier zichtbaar, dichter bij het heden gebracht. We hebben een verkeerd beeld van dat verleden gekregen. Het verleden is zwart-wit, de personen lopen houterig voorbij, hun gezichten zijn nauwelijks te herkennen. Ik begrijp de verbazing van ingekleurde pellicule waarmee getuigenissen uit bv. de tweede WO een heel actueel karakter krijgen. Dank zij allerlei technieken kan snelheid, beeld en montage voor een verloop zorgen dat gisteren en eergisteren wel heel erg met vandaag verwant maakt! Kijk naar dit prachtige portret van het New York van 1911. Honderd en negen jaar geleden en toch dichtbij. Stel in op index 15. (15/57)

Stel in op nr 15 van de afspeellijst

This documentary travelogue of New York City in 1911 was made by a team of cameramen with the Swedish company Svenska Biografteatern, who were sent around the world to make pictures of well-known places.

Opening and closing with shots of the Statue of Liberty, the film also includes New York Harbor; Battery Park and the John Ericsson statue; the elevated railways at Bowery and Worth Streets; Broadway sights like Grace Church and Mark Cross; the Flatiron Building on Fifth Avenue; and Madison Avenue. Produced only three years before the outbreak of World War I, the everyday life of the city recorded here—street traffic, people going about their business—has a casual, almost pastoral quality that differs from the modernist perspective of later city-symphony films like Paul Strand and Charles Sheeler’s “Manhatta” (1921). Take note of the surprising and remarkably timeless expression of boredom exhibited by a young girl filmed as she was chauffeured along Broadway in the front seat of a convertible limousine.

Het duurde niet lang of de bewegende beelden kwamen in het bereik van een breed publiek. Een mooie collectie van die zelf gemaakte beweging vind je in het leuke filmpje van de Moma Collectie hieronder: je kunt dadelijk starten.

Je kunt nu zelf filmpjes kijken van 1-57 te kiezen in de afspeellijst, een dag of nacht intense kennismaking met verschillende aspecten van het bewegende beeld op een aangename manier door het Moma geserveerd. Onze voorouders hadden van een dergelijke mogelijkheid alleen maar kunnen dromen. Om af te sluiten een filmpje over ‘selfies’, want onze nakomelingen zullen ons niet vergeten als ze ons op elke fotootje naar de camera zien kijken. De vraag blijft: waar zullen ze de beelden die wij dagelijks maken terugvinden? Schilder Tai Schierenberg:

To see the mythic amidst the chaos: Julie Blackmon

Ze was de oudste van negen kinderen en heeft er zelf drie (die intussentijd het nest al verlaten hebben). Toevallig, bij een bezoek aan een New Yorkse gallerie kwam ik in contact met haar werk dat op een niet beter tijdstip als tijdens deze ophokperiode dadelijk op begrip zal kunnen rekenen al blijven vragen niet uitgesloten.
Julie Blackmon (1966, USA Springfield Missouri) gebruikt haar eigen familieleden en geburen, soms letterlijk, altijd als inspiratie om een tijdloze familiedynamiek met haar fotowerk in beeld te brengen.
Geïnspireerd door o.a. werk van de Nederlandse schilder Jan Steen (1625-1679) (nog steeds aanwezig in de uitdrukking ‘Een familie van Jan Steen, een boeltje dus!) probeert ze ook de sfeer van deze kunstenaar en collega’s genreschilders uit die zeventiende eeuw te gebruiken bij de setting van haar familie-taferelen.
Of hoe je de termen van deze tijd, ‘child centered’ en ‘self-obsessed’ met elkaar kunt verzoenen.
Ik heb voor mijn redactie verschillende auteurs aan het woord gelaten maar vooral geluisterd naar wat Julie Blackmon zelf had te vertellen.
Ik vermoed dat menig lezer de atmosfeer zal herkennen in deze verplichte familiedagen die wellicht in de herinnering misschien enig heimwee kunnen oproepen, hoe ongeloofwaardig dat nu ook mag klinken, of toch niet? (click on the sub-title to enlarge the pictures)

Pool

The Dutch proverb “a Jan Steen household” originated in the 17th century and is used today to refer to a home in disarray, full of rowdy children and boisterous family gatherings. The paintings of Steen, along with those of other Dutch and Flemish genre painters, helped inspire this body of work. I am the oldest of nine children and now the mother of three. As Steen’s personal narratives of family life depicted nearly 400 yrs. ago, the conflation of art and life is an area I have explored in photographing the everyday life of my family and the lives of my sisters and their families at home. These images are both fictional and auto-biographical, and reflect not only our lives today and as children growing up in a large family, but also move beyond the documentary to explore the fantastic elements of our everyday lives, both imagined and real.

Jan Steen (1625-1679) Een vrolijk huishouden
Garage Sale

The stress, the chaos, and the need to simultaneously escape and connect are issue that I investigate in this body of work. We live in a culture where we are both “child centered” and “self-obsessed.” The struggle between living in the moment versus escaping to another reality is intense since these two opposites strive to dominate. Caught in the swirl of soccer practices, play dates, work, and trying to find our way in our “make-over” culture, we must still create the space to find ourselves. The expectations of family life have never been more at odds with each other. These issues, as well as the relationship between the domestic landscape of the past and present, are issues I have explored in these photographs. I believe there are moments that can be found throughout any given day that bring sanctuary. It is in finding these moments amidst the stress of the everyday that my life as a mother parallels my work as an artist, and where the dynamics of family life throughout time seem remarkably unchanged. As an artist and as a mother, I believe life’s most poignant moments come from the ability to fuse fantasy and reality: to see the mythic amidst the chaos.

The artist has also been inspired by the work of American photographer Sally Mann, whose landmark book “Immediate Family” from 1992 similarly toyed with truth and fantasy in evocative — and often controversial — scenes of her children.
Mann framed her work through Emily Dickinson’s poem “Tell all the truth but tell it slant,” noting in her foreword to “Immediate Family” that “When the good pictures come, we hope they tell truths, but truths ‘told slant’…We are spinning a story of what it is to grow up.” It’s an idea that stayed with Blackmon when she was first introduced to Mann as an art major in college — though Blackmon did not pursue photography in earnest until over a decade later, when she, her husband and three children moved into a home with a basement darkroom.

Powerade
Weeds

Blackmon’s works are a deft mash-up of pop phenomena, consumer culture, social satire, and sly references to iconic American works of art. They are often littered with the disposable artifacts that we often turn our eyes away from: potato chip bags and fast-food wrappers, discarded toys and magazines. Her unblinking eye often verges on the surreal, lending a bracing, irreverent snap to her unique world, where Blue Velvet meets Norman Rockwell.

Rooster

My extended family has a “house” we’ve visited every summer since childhood that used to be an old-one room country schoolhouse. It sits alone on a scenic hilltop in southwest Missouri. When we were kids, we spent much of our summer break here. We’d run around outside most of the time we were here, but in the afternoons, when it’d get too hot to play outside, we’d go inside the schoolhouse and lounge around on the old musty furniture, under the peeling lead paint windows, and do nothing, in a “summer vacation” kind of way. Years later, when I saw the Spanish painting. The Artist’s Children, by Mariano Fortuny, I immediately thought about my summers as a child and lying around in the old schoolhouse with the green walls, and decided to do a portrait of my nieces in that same green room. I wanted to document one of those “down time” moments between the chaos that makes summer feel like summer.

(klik op sommige onderschriften voor grotere afbeelding)

the artist’s children Mariano Fortuny
Chaise’: “One of those summer memories as a kid (before iPads), where it was too hot to go outside, and you were bored, trying to think of what to do next. The quiet moments in between the chaos.”

“My favorite moments are at openings when people respond to me after seeing the work for the first time in person,” she recalled. “I remember an older lady coming up to me and saying ‘you know how to look at hard things in life in such a happy way.’ It was that simple but it meant everything.”

The power of now

Blackmon’s work abounds with tender humor but also shrewdly subtle satire. It’s no coincidence, for instance, that adults are all but absent here, and many of the situations depicted are spiked with the potential for danger — an unattended fire, bubble wrap encasing a young boy’s head, popcorn strewn on a blanket in front of crawling babies. Perhaps every play ends up being a morality play. The freedom these children enjoy is a vanishing American resource, and Blackmon is nostalgic for it, for its loose and sloppy beauty. She edits out nearly all signs of contemporary technology or commercial branding, ever more gently pushing these scenes into a vaguely idealized past. (Leah Ollman)

Stock Tank

She unabashedly plunders the image pools of popular culture and art history. A photograph in her recently published book, “Homegrown,” restages the Beatles’ “Abbey Road” album cover with a line of kids pulling a wagon of Girl Scout cookies through the crosswalk. She conjures Balthus in the captivating “Chaise,” posing a young girl with a bared hip and disarming stare in a deliciously moody, light-drenched room. In other pictures, she quotes the painter directly, lifting characters from his street scenes and depositing them into her own compressed, constructed universe, a rich, gray area at the intersection of nature and artifice, the sensual and the sanitized, innocence and experience. (Leah Ollman)

Thin Mints

Critic Laura Malonee notes, “At first glance, the work seems to depict an idealized America of the past, but upon further inspection, an unexpected darkness becomes apparent. Unsupervised children, often in dangerous situations, frolic happily about in an imperfectly perfect, sunny-macabre world…are these images an attack on the neglectful parent or an attack on the helicopter parenting of today? Blackmon pays homage to a disappearing way of life even while she questions it.”

Night Movie: “The idea for Night Movie came to me when we were actually watching a movie outside with a projector set up. About every five seconds, one of the kids would get up to go get some more popcorn or a snack, and they’d block the screen with their silhouette.
I remember thinking the way their little frames looked on the screen was way more interesting than the actual movie. And the idea of the movie screen mimicking life itself was also something I was thinking about.”

Julie Blackmon doesn’t need to travel far to find inspiration for her staged depictions of the somewhat dark and humorous chaos of family life. The eldest of nine children, with three of her own, Blackmon has lived in the same Springfield, Mo., neighborhood all her life and often uses family and friends to capture what she calls a “fantastical look at everyday life.” At first glance, the images seem idyllic, like modern-day Norman Rockwell paintings. Yet underneath, there is something slightly askew — details just a little bit off that both highlight and satirize the conflicting expectations of parenting.

Midwest Materials
‘Homegrown food’

This little market, Homegrown Food, in my hometown of Springfield, Missouri, is one of the first “organic” groceries to appear in our Midwestern town and is evidence of the rebirth of the small neighborhood grocery store that has taken hold nationwide. It is one of the many signs of our changing landscape, and the new state of health consciousness that has emerged in our country. But conflicting messages still abound in regard to the health conscious and the hip, and so I decided to have fun with this idea when I saw one of the workers outside smoking one day. The setting … with it’s striped awning, and the various figures and angles, and the construction workers nearby, reminded me of Balthus’ famous painting “The Street,” and so I decided to reference it as a way of enhancing or exaggerating the scene.

Balthus, The street 1933
‘Hair’: “Brushing out your hair after sleeping in braids. Inspired by Lewis Carroll’s photograph from 1863 ‘It Won’t Come Smooth.’

It’s this imperfectly perfect, sunny-macabre world that the children in Blackmon’s photographs must navigate, largely on their own. They roam about unsupervised, exploring homes, yards, and neighborhoods. When adults appear, we see only glimpses — a leg slathered in tanning lotion, a hand wielding a mascara wand. Depending on the viewer’s perspective, the photographs can be interpreted as either an attack on the neglectful guardian or an exaggerated protest against helicopter parenting. Whatever her intention, Blackmon provokes through hyperbole, often placing her young characters in precarious, potentially dangerous situations — a theme she began exploring long before Moonrise Kingdom brought it to the silver screen.

New Baby

“It’s a very child-centric culture, and you’ve got to not let that guilt you into being the perfect mommy, teaching your kids French. They have their whole lives to do all that stuff,” she said, pointing to the trendy mommy blogs and hipster homeschooling described by New York Magazine’s “The Feminist Housewife” — a cover article for which she shot the image. For women who stay home, it’s all the more important to carve out space to pursue their work and to vigilantly defend their time to do so.” (Laura Mallonee Hyperallergic)

Waiting Room

Blackmon doesn’t denigrate those who put their work on hold, though, as she did so herself. “That’s such an important time, when you have those babies and you’re totally invested in them,” she remembered. “You just want to be able to sit in the rocker and nurse and have their little hand come up and touch you. Then comes a time when they’re two or two-and-a-half when they might need a little break from you. I’m a big believer in not having too much family time.” (ibidem)

Sick Boy

The ideal of “having it all” might be achieved, she suggested, by not always having it all. “I just hate to see women trying to do everything at the same time. If you’re trying to do it all, you’re gonna make yourself crazy. You’re going to fail in every which way,” she said. “There’s gotta be something in-between, where you can still have your own thing going and not sacrifice your kids.”(ibidem)

Goggles

I think visually I am attracted to that look. But also in terms of just meaning, there’s so much in my own childhood, too, growing up in the ’70s and contrasting that to now and how we raise children today — our lives today and the nostalgia we have for that time, but also the realization that we can’t ever go back to that. So I’m torn — like you’re in love with this era long ago, but for God’s sake, we didn’t even wear seat belts back then. So there’s this whole safety thing, but we also had that freedom. And so some of that chaos with the kids and no parent in sight, is a little bit more metaphorical to me, a mental state as a mother in chaos and being overwhelmed and trying to sort it all out.

New Neighbours

I saw these girls in red dresses on my cousin’s Instagram. She captioned it, “So proud of my little women,” and she was totally serious. And I was like, oh my god, they look just like the Shining twins! I realized I had to get the girls over to my other sister’s house where I had already been thinking about her driveway strip — a setting I already had in mind. The mattress is from the ‘60s and I always keep it under a double bed upstairs. I liked that blue plaid. Overall, this photograph was a challenge because it was winter and the grass was gold tinged with green, which is not attractive. So, I had to bring in the color another way.

Fake Weather

“The idea [for ‘Fake Weather’] came about when we were only four months out from the election of Trump. It was during a time where everything was about fake news, or fake something or another. I liked that phrasing and I wanted to do something with the word ‘fake.’ At the same time, I was around my nephews and nieces everyday and they were all looking forward to winter and snow days. Usually we’ll have a couple big snows a year in Missouri, but it was a winter where it was unseasonably warm and there was no indication of snow. Even in February things were blooming and green. It was obvious the snow day they all wanted was never going to happen. I was thinking about the darker side of that too which is global warming, but I was trying to take a lighthearted look at it.

https://www.julieblackmon.com/index.cfm

http://www.faheykleingallery.com/artists/julie-blackmon

Trapped
Olive & Market St.

Letterbloesems bij de paasboom (3) Cornelis Verhoeven: De omweg van het woord

Words are Sweet Sounds for Objects Unreal, Painting of Jac Kerouac

‘Als schrijvend wezen is het goed over je eigen ‘vak’ na te denken. Dat deed in 1982 ook Nederlands auteur Cornelis Verhoeven (1928-2001) met een aantal geschriften die hij met ‘beschouwingen over ‘de inval en het oeuvre’ onder de noemer ‘Weerloos denken’ verzamelde.
‘Alle stukken gaan over een manier van denken en schrijven die voor voor de auteur onvermijdelijk en onmisbaar is geworden, maar die de lezer tot niets verplicht en zelfs niet het zachte geweld van een didaktische benadering op hem wil uitoefenen. Niet allleen tegenover een overweldigende werkelijkheid, waarvan het ‘hoe’ even duister is als het ‘dat’ verpletterend, is dit denken weerloos, maar ook tegenover elke andere manier van denken en tegenover elke vorm van dogmatische vanzelfsprekendheid.
Alleen het, eindeloos uitgesteld, oeuvre zou, stel ik mij voor, dwingend en overtuigend kunnen zijn; de inval heeft alles aan zijn weerloosheid te danken.’
Aldus de inleiding.

Natuurlijk wil ik, jaren te laat, dit werk niet bespreken of tegen het historisch licht houden. Een pretentie die op deze paasdag niet alleen misplaatst maar ook ijdel zou zijn, maar, als schrijvend wezen, wilde ik vooral mezelf en wat ik nog met woorden doe, even in zijn licht laten schijnen en wijselijk over de gevolgen van deze confrontatie zwijgen maar de lezende mens verder nieuwsgierig maken naar leven en werk van deze intussen weer wat vergeten auteur en essayist-filosoof die met zijn rijke nalatenschap nog steeds -of weer opnieuw- een ‘woordje’ over deze vreemde tijd kan meespreken.
Daarom heb ik me beperkt met een fragment dat als titel draagt ‘De omweg van het woord’ en waarmee , na de inleiding, dit boek opent nog voor hij aan de eigenlijke hoofdstukken begint.

Family tree template for Word

‘Hij begint met een bekentenis: één keer per jaar zak ik door alles door, zegt hij. En met ‘alles’ bedoelt hij, ‘als vlijtig verbalist’, op de eerste plaats de wereld van woorden.
Ja inderdaad, het ene woord roept het andere op en wat zo ernstig en herhaaldelijk gezegd wordt krijgt volgens de auteur ‘de dichtheid van een ding’.
Hij geeft dan een sprekend voorbeeld waarin het woord welvaart in welzijn zou moeten veranderen, een quote die in de tachtiger jaren wel degelijk thuishoorde, alsof dat ‘welzijn’ iets is of dat kan geraliseerd worden. Meestal bleef het als onderwerp om te kunnen ‘vergaderen’ dienen.
En zo is dat met veel andere woorden, het meest met de duurste, de dikste, de nobelste.
En dan wil ik hem zelf helemaal aan het woord laten en ben ik de geduldige en bewonderende redacteur die zijn ‘omweg van het woord’ hier en daar met een ‘sprekende’ prent probeert te illustreren, in de hoop dat de lezer nadien wellicht iets meer van deze boeiende auteur wil weten. Tijd in overvloed om op zoek te gaan.

Bradley Cooper gets shady in Sundance mysterie ‘The Words’

‘Blijkbaar is er toch een grens waarboven woorden, hoe dik ook, zoveel aan soortelijk gewicht verliezen dat ze niet meer kunnen afdalen naar een realiteit waaraan hun betekenis nog gecontroleerd zou kunnen worden. Zij houden ergens hoog in de lucht elkaar in stand en vormen een verbaal heelal dat met de werkelijkheid concurreert, of zelfs: zij zuigen alle andere woorden naar hun eigen vacuüm totdat dit samenvalt met de wereld.
De periodieke instorting van die wereld is iets heel anders dan een plotselinge aanval van skepsis, vitaler en meer elementair. Zij heeft eerder te maken met het voorjaar dan met de herfst, meer met Pasen dan met Allerzielen. Onder een korst van nietszeggende woorden en vanzelfsprekend geworden dingen vandaan breekt een elementaire werkelijkheid door. Over die werkelijkheid spreken soms dichters en filosofen; maar zij hebben het in de loop van de eeuwen al zo dikwijls gedaan, dat herhaling van hun woorden een bijdrage lijkt aan het woekerend verbalisme. Er zijn steeds nieuwe woorden nodig om oude ervaringen uit te spreken. En juist bij het uitspreken van elementaire ervaringen dreigt de kitsch. Hierdoor worden zij onuitsprekelijk. De onuitsprekelijkheid van zaken die onze verwondering wekken, is niet een gevolg van een tekort aan woorden, maar van een teveel. Onuitsprekelijk is wat verstikt wordt onder een herhaling van woorden uit het verleden.

De taal zelf is een barriére, het cliché een obstakel. De meest elementaire dingen worden onuitspreekbaar, omdat zij ondergesneeuwd zijn, ingepakt in een laag van gemakkelijk te herhalen woorden die alleen nog verwijzen naar een vroeger gebruik van diezelfde woorden. Juist wat zo goed gezegd is, dat het definitief onder woorden gebracht lijkt te zijn, leent zich alleen nog voor rituele herhaling. Spreken wordt citeren, verwijzen naar nummers in een magazijn. ’Wij betreuren dit ten zeerste’, ’wij zijn diep geschokt’, ’dit is voor ons een bron van grote verheugenis’, zegt de woordvoerder, maar er is niemand meer die bij zulke verklaringen nog aan verdriet of vreugde kan denken.

Beethovens’ portret: Langsdon

Om de kitsch te vermijden worden we bijna gedwongen over elementaire ervaringen te zwijgen of erover te spreken in een taal waarin van elke verwijzing naar buiten en naar binnen wordt afgezien. Poëzie moet wel tot een autonome kunst worden. Als er nog een dichter is die over de lente schrijft, moet hij wel schrijven over de poézie over de lente, over dichters die over de lente dichten. Zijn creativiteit wordt een omweg opgestuurd, waarvan nooit iemand is teruggekeerd. Als een aap klimt hij in de papieren bomen van een overbodig oerwoud. Dat gebeurt uit naam van een raffinement dat gebouwd is uit de scherven van veel mislukkingen en verworpen sentiment. Elke argeloze directheid leidt tot kitsch.
Het taboe op de elementaire dingen is bijna tot een vanzelfsprekendheid geworden. Uit vrees voor het sentiment wordt hun bestaan genegeerd, zodat ze zich moeten verschuilen in de tamelijk obscure hoek van het amusement. Verpakt tussen grollen, pikanterie en stuntwerk mag daar ook nog de lente, de moederliefde en het verdriet ter sprake komen. Daarbuiten wordt eindeloos verder geknutseld aan een heelal van woorden over woorden, gestolde lava rond een vulkaan die toch ooit gewerkt moet hebben.

Word Abundance, Renée Snider

Zelfs het activisme (niet in de Belgische betekenis maar als buitenparlementaire activiteiten om politieke verandering teweeg te brengen, nvdr.), erfgenaam van een aloude grimmige daadkracht, heeft zijn eigen verbalisme ontwikkeld. Weinig uitdrukkingen zijn zo verbalistisch als de duizend maal herhaalde stelling, dat het niet om woorden, maar om daden gaat en dat er eindelijk eens iets moet gebeuren. Er zijn tientallen woorden in omloop gekomen die met een zekere wilskrachtigheid gehanteerd worden, maar die betrekking hebben op daden en gebeurtenissen die nooit hebben plaatsgevonden en ver boven ons vermogen liggen: de maatschappij veranderen, revolutie, progressief beleid, bewust maken en zelfs: opvoeden. (Is er ooit iemand opgevoed?) De zogenaamde mensen van de daad zijn de grootste verbalisten geworden. Voor hen zijn woorden het middel om de illusie in stand te houden dat de wereld volkomen hanteerbaar is, even hanteerbaar als de taal.
Het is een elementair genot en een klein wonder deze wereld te zien instorten, geruisloos als natgeworden karton, naar buiten te kunnen kijken zonder een mist van woorden voor de ogen, een merel te horen zingen zonder aan poëzie te denken, oude dingen nieuw te zien worden zonder een revolutionaire ingreep en zonder begeleidend commentaar. De taal is een omweg naar de sprakeloosheid; als er echt iets gebeurt, hebben we niets te zeggen.’

Uit de omweg van het woord, inleiding van: ‘Weerloos denken, beschouwingen over inval en het oeuvre, Cornelis Verhoeven, Amboboeken Baarn, 1982

Four Colors Four Words (Orange, Violet, Green, Blue), 1966.

Fragment uit de tekst op de achterkant:

’Akademische filosofie lijkt een discussie aan de periferie. Voor zover die de enige vorm van filosofie is die voor vol wordt aangezien, moet er iets mis zijn met de beoefening van de filosofie.’ Een uitspraak die er niet om liegt en die aangeeft waar Cornelis Verhoeven staat. Van ’akademisch gehakketak’ moet hij werkelijk niets hebben, zoals hij ook rigoureus een didactiek van de filosofie afwijst, waar deze pretendeert een systeem van onderwijs te bieden. Kortom, hiermee zij verwezen naar één karakteristiek van Verhoevens denken: zijn anarchisme. Maar dat is het niet alleen. In hoofdstuk 8 (‘Filosofie als vorm van leven’) geeft hij zich als denker werkelijk bloot, waar hij zegt: ‘Ik besef dat voor een tractaat mijn krachten te beperkt zijn en mijn temperatuur te hoog is’. Vervolgens bekent hij zich tot ’de kleine waarheid’ van het essay, dat zoekt en probeert. Vandaar ook dat dit boek iets meedeelt van Plato’s Eros, maar dan wel met inbegrip van de warmbloedigheid die de godheid met deze naam bezat. ‘

Cornelis Verhoeven (1928-2001) was hoogleraar in de antieke wijsbegeerte aan de Universiteit van Amsterdam. Hij werd in 1980 bekroond met de P.C. Hooftprijs voor het essay.

‘Melancholie is een kenmerk van menselijke authenticiteit.’

Letterbloesems bij de paasboom (2) M. Yourcenar, ‘Paassequentie’

Het menselijke van de ‘grote verhalen’ kun je met humor beklemtonen zoals het hierbovenstaande prentje van ‘het laatste avondmaal’ waar Jezus aan een lange lege tafel zit en de apostelen boven op schermen aanwezig zijn, een bekend beeld in Corona-tijden.
Met nog steeds stijgende bewondering kijk ik nederig op naar het werk van Marguerite Yourcenar (1903-1987) die in haar opstel ‘Feesten uit de jaarkring’, verzameld in de bundel ‘De tijd, de grote beeldhouwer’ een bijdrage schrijft met als titel ‘Paassequentie: een van de mooiste verhalen.’ (1977)
Ze laat de rituelen en de religieuze betekenis rusten en vertrekt vanuit de menselijke inhoud die we zouden opmerken mocht ze door grote auteurs als Dostojevski en Tolstoj geschreven zijn.
Het menselijk al te menselijk verhaal druk ik graag in mijn bijdrage af. Ik zocht diezelfde ‘menselijkheid’ in de illustraties uit de grote kunstcollecties. Ook hier is er slechts een minderheid die de menselijke invalshoek verkiest boven de religieuze, wat niet betekent dat beide betekenissen elkaar niet kunnen aanvullen.

(Sommige afbeeldingen kun je vergroten door op de onderschriften te klikken)

‘Althans voor een ogenblik laat ik de plechtigheden en het ritueel van de heiligste der christelijke weken rusten en probeer uit de gewijde teksten die in de kerk gelezen worden maar niet altijd begrepen, die elementen te halen die ons diep zouden treffen als we ze tegenkwamen bij Dostojevski, bij Tolstoj, of in ongeacht welke biografie of reportage gewijd aan het leven van een groot mens of een groot slachtoffer. Kortom, het verloop van een van de allermooiste verhalen.

Een haast ironisch voorspel: arme lieden arriveren in de hoofdstad met hun geliefde meester, die bejubeld wordt door hetzelfde gepeupel dat hem weldra zal bespuwen. Een sober feestmaal: een verrader naar wie onder de twaalf aan tafel wordt geraden; een naïeveling die luidkeels zijn aanhankelijkheid betuigt en als eerste zijn moment van zwakte zal kennen; de jongste en meest beminde, die bijna lui tegen de schouder van de meester leunt, omhuld als hij is, wellicht, door de gulden cocon die vaak de jeugd beschermt; de meester, eenzaam door zijn wijsheid en zijn voorkennis te midden van die onwetenden en zwakken, toch nog altijd het beste wat hij gevonden heeft om hem te volgen en zijn werk voort te zetten.


Jacopo Bassano Laatste avondmaal 1542

Als de nacht valt, is die meester nog meer alleen in dat hoekje van de boomgaard dat uitziet op de stad waar allen, behalve zijn vijanden, hem vergeten zijn: de eindeloze donkere uren waarin de voorkennis verandert in doodsangst; het slachtoffer dat bidt dat de beproeving die hem wacht hem bespaard mag blijven, maar ook weet dat dit onmogelijk is en dat hij, ’moest hij het overdoen’, dezelfde weg opnieuw zou gaan; ’de eeuwige ziel’ die haar gelofte houdt ’ondanks de eenzame nacht’. (Laat Aragon en Rimbaud ons helpen Marcus en Johannes te begrijpen.) Terwijl hij lijdt, slapen zijn vrienden, niet bij machte de ernst van het moment te beseffen. ’Kun je niet een ogenblik met mij waken?’ Nee, dat kunnen ze niet; ze hebben slaap; en degene die hen roept, weet trouwens heel goed dat er een tijd zal komen waarin die ongelukkigen ook moeten lijden en waken.

Rembrandt ‘Jezus en zijn leerlingen in Getsemane’

De komst van de bende, klaar om de beklaagde te arresteren.
Het heethoofd, dat hem verdedigt op gevaar af de zaken nog erger te maken en dat bijna onmiddellijk terugkrabbelt. De beide gevestigde ordes, de kerkelijke en de wereldlijke, die, toch in verlegenheid gebracht, de beklaagde naar elkaar doorsturen; de eeuwige dialoog tussen begeestering en scepticisme die elkaar aanvullen. ’Al wie de waarheid liefheeft luistert naar mij. — Wat is waarheid?’ De geërgerde hoge ambtenaar, die in deze zaak zijn handen graag in onschuld zou willen wassen en aan de menigte de keuze laat welke gevangene voor het aanstaande feest zal worden vrij gelaten, en de keuze valt natuurlijk op de held van de misdaad en niet op de onschuldige rechtvaardige. De veroordeelde, die bespot, geslagen en gefolterd wordt door een stel potige bruten waarvan er waarschijnlijk verschillende brave huisvaders zijn, goede buren, beste kerels, en die wordt gedwongen de balk van zijn kruishout te slepen, zoals soms in de kampen de gevangenen een schop meesleepten om hun graf te graven. Het groepje vrienden die bij de terechtgestelde zijn gebleven, de vernedering en het gevaar aanvaardend waaraan trouw zich blootstelt. Het geruzie van de bewakers die elkaar de afgedragen plunje betwisten, zoals in oorlogstijd de kameraden van een dode soms ruzie maken om zijn koppel en zijn laarzen.

Navolger van Jheronimus Bosch, Christus voor Pilatus ca 1520

De liefde die zich openbaart in de vorm van aanbevelingen aan de zijnen, van iemand die tot dan toe te zeer door zijn zending in beslag genomen werd om veel aan hen te denken: stervend geeft hij zijn moeder zijn beste vriend tot zoon. (Zo, in onze dagen, in alle landen, de laatste brieven van veroordeelden of van soldaten die vertrekken voor een opdracht waarvan zij niet zullen terugkeren, vol raadgevingen aangaande het huwelijk van de zus of het pensioen van de oude moeder.) Het gesprek met een gewone misdadiger in wie hij een edel mens heeft herkend; de langdurige doodsstrijd in de zon, in de gure wind, ten aanschouwen van de menigte die langzamerhand uiteengaat omdat er maar geen eind aan komt. De kreet die schijnt te beduiden dat hij, wil alles zijn volbracht, eerst door de staat
van wanhoop heen moet. ’Waarom hebt Gij mij verlaten?’ En over een paar uur zullen die arme lieden voor hun dode de aalmoes krijgen van een graf, en de schildwachten (men hoedt zich voor samenscholingen) zullen slapen bij de muur, zoals daarnet bij de levende in doodsnood de vermoeide schamele gezellen deden.

Wat verder nog? De uren, de dagen, de weken die dan verstrijken tussen rouw en vertrouwen, tussen spookbeeld en God, in de schemerige sfeer waarin niets echt bewezen, bevestigd, overtuigend is, maar vvaarin men de ademtocht van het onverklaarbare voorbij voelt gaan, zoals in van die armzalige rapporten, bestemd voor maatschappijen ter bevordering van de psychische wetenschappen, die des te verwarrender zijn omdat ze tot geen enkele conclusie leiden. Het vroegere meisje van plezier, dat naar het kerkhof is gekomen om te bidden en te wenen en wie zij verloren heeft meent te herkennen in de gedaante van de tuinman. (Kan men een mooiere naam bedenken voor degene die zoveel zaden laat ontkiemen in de menselijke ziel?) En later, wanneer, naar de politierapporten melden, de emoties wat bedaard zijn, de twee leerlingen die langs een weg lopen en worden ingehaald door een sympathieke reiziger: die laat zich overhalen samen te gaan eten in de herberg en verdwijnt wanneer zij bij zichzelf zeggen dat Hij het is. Een van de allermooiste verhalen eindigt met de weerschijn van een Tegenwoordigheid, die veel lijkt op wolken welke nog gekleurd worden door de onder de horizon verdwenen zon.

Noli me tangere Joos van Cleve 1485-1541

’Ik zou mij dichter bij jezus voelen als hij niet was gekruisigd maar gefusilleerd’, zei me eens een jonge officier die de Koreaanse oorlog had meegemaakt. Voor hem en voor al degenen die er niet in slagen het wezenlijke terug te vinden onder wat men de bijzaken van het verleden zou kunnen noemen, heb ik het gewaagd het voorgaande te schrijven.’

Uit ‘Feesten van de jaarkring
Marguerite Yourcenar, De tijd, de grote beeldhouwer
Ambo Athenaeum-Polak & Van Gennep, 1985
Vertaling F.C. van de Bilt

Duitse meester, ca 1450

https://www.2doc.nl/documentaires/series/2doc/2017/april/de-matthaus-missie.html

Panito Iconomou (Tölzer Knabenchor), Alto Christophe Coin, Viola da Gamba Concentus Musicus Wien

Letterbloesems bij de paasboom(1) ’20 in 2020′

bloesems – eigen foto

Slaapwel, jongens, zei ze dan.
Zij, de twee ‘jongens’, haar grootouders, ook gekend als omi en opi, wensten haar ook een zalige nacht.
Ze zou nog een film bekijken, een beetje in een van haar talrijke boeken lezen, nog even met het vriendje babbelen en met duizend plannen in haar bijna twintigjarig hoofd het licht uitknippen en inslapen.
Als kind had ze op opi’ s werkkamer vaak winkeltje gespeeld, was ze reisbureau geweest, mode-ontwerpster, restaurant-uitbaatster, patissièrre, schoenenverkoopster, om er maar enkele te noemen.
Hij deed zijn schrijfwerk, hoorde haar achter zijn rug twee dure trips naar Venetië verkopen en werd enkele minuten later aangespoord zich ook als klant aan te dienen om professioneel over een cruise op de Nijl ingelicht te worden, vliegtuigreis inclusief.
Soms, bijna tien jaar later, vindt hij nog een briefje uit die tijd: een afrekening met de stempel ‘betaald’ voor een onleesbaar product.

Pasen 2012, eigen foto

Ietsje ouder zei ze op een avond: ‘O ja, ik ben met een vriendin twee dagen in Venetië volgende week. Alles is geregeld.’
Reservatie, vliegtuigtickets, bus-en boot, er was hard voor gewerkt in een echte winkel en heus Italiaans restaurant, en even voor haar vertrek werden ‘de jongens’ en haar moeder op de hoogte gebracht.
Klopten de rekeningen niet altijd met de werkelijkheid, de ‘jongens’ en moeder staken een handje toe want het kind wilde de wereld zien, en de wereld zien -niet alleen op een scherm- hoorde bij de opvoeding van een vijftien-, zestienjarige.
Frankrijk, Hongarije, Denemarken, Zweden, Spanje, Verenigd Koninkrijk, en het geliefde Italië kwamen aan de beurt. Korte verblijven, uitgekiende goedkope maar deftige hotels, schetsboeken, verhalen, literatuur. ‘De prenten in haar boeken kregen een werkelijke gestalte. De nabije wereld als schoolgebouw.

eigen foto

Vorig jaar september werd een ‘kot’ gehuurd, eerstejaars onder dak. Voor de eerste keer je eigen ‘huisje’ losgekoppeld van het ouderlijk- of grootouderlijk huis. En hoe ze dat inrichtte, rituelen voor een vieruurtje of een laat gezamenlijk etentje, de vriendengroep als nieuwe familie.
Dat jochie dat op een hobbelige stoep in de buggie riep: ‘Omi, de grond wil ons niet!’ Dat mee musea ging bezoeken met opi als er een shop en/of cafetaria aan verbonden was, niet om dadelijk iets te krijgen maar voor het ritueel dat wij ouderwets ‘gezelligheid’ noemen.
Zij is de aanbidster van vieruurtjes, half zesjes, de laat-avond boterham, de vroege hap, als het maar samen kan gebeuren, babbelend, grappend of gewoon vertellend. Gezelschap-gehecht, deze bijna twintigjarige. In dezelfde huiselijkheid wil ze een boekenzaak openen, een gallerij beginnen, een webshop voor dagelijkse kunst-in-doosjes, een film maken, een boek schrijven, een huis kopen, een…Hongerig naar toekomst die inderdaad elke dag moet gemaakt worden.

In Parijs -eigen foto-

Vandaag zouden ze met haar en haar vriend naar Parijs zijn vertrokken voor enkele feestelijke dagen ter ere van dat twintigste jaar. Zij, de ‘jongens’ en zij, het nieuwe paar, jaartal 2000-2001. Enkele dagen naar de bekende plaatsen, herhalen wat ze op elfjarige leeftijd al eens mocht meemaken maar nu met dit intieme gezelschap. Oud en Nieuw.
Uitgesteld maar niet verloren, zegden ‘de jongens’. Zij is intussen bij het gezin van haar vriendje ingetrokken. De gulle ouders hebben nu een dochter bij, de twee andere broers een zus. Het gastvrije Hageland in een huis vol boeken. Zij, de moeder en de ‘jongens’, horen en zien haar gelukkig zijn in deze bange ophoktijd.

eigen foto

‘De jongens’, enigszins gewend aan een beetje teruggetrokken leven hebben een wit laken over het balkon van haar slaapkamer gehangen. Pure dankbaarheid voor al de zorgenden tot in het Hageland, voorbeeld dat dadelijk door andere bewoners van hun stille straat werd gevolgd.
Iemand missen is een heilzaam gevoel: de smaak van het voorbije wordt intens herproefd en nog meer naar waarde geschat. Ook haar moeder-huis zal zich completer voelen als ze weer aanwaait, met: mama, zullen we een vieruurtje houden? Het huis van ‘de jongens’ dat door zijn ligging bij het station een beetje haar dagelijks huis was geworden vult gewoon dat moeder-huis aan, zoals het Hageland-huis voor altijd bij ‘thuis’ zal blijven horen, een leuke soap van waaruit het wel en wee van de toekomst kan bemeesterd worden.

eigen foto

In de leegte is er verdriet voor het voorbije. Maar ook het besef van hoe goed ze het samen hadden, hoe intens verbonden ze waren. In de leegte is er plaats voor herinneringen maar ook voor plannen, een goede combinatie. Eer de smaken van het voorbije, ook die zuur of wrang smaakten want ze zullen zachtjes verdampen in de nog onbekende smaken van wat ons toekomt.
De stilte in de straten brengt tijd mee om verlies in een andere innerlijke aanwezigheid om te zetten.
Maar de lente is niet meer tegen te houden. Het paaslicht schemert aan de horizon. En natuurlijk, ik citeer een collega, ‘Pasen begint met Goede Vrijdag’, maar ze zal schitteren, Gezelle’s Paaszunne in het Oosten.
Tot op haar verjaardag: in dat vreemde 2020 20 worden, het is niet iedereen gegeven.

eigen foto

De groene Cactusvogel, een kortverhaal

De groene cactusvogel dankt zijn naam aan zijn uitzicht. Hij is namelijk groen en hij lijkt op een cactus. In plaats van veren heeft deze vogel stekels, en alleen al daarom is een innig contact verre van aangenaam.
Ook door andere vogels wordt hij geschuwd zodat zijn scherpe puntige roep de meest akelige gevoelens van eenzaamheid opwekt.
De groene cactusvogel is daarom dan ook bijna over de gehele wereld uitgestorven.
Men kan zich de verbazing voorstellen toen op een voorjaarsdag een mannelijke EN een vrouwelijke cactusvogel werden waargenomen in een onbeduidend stadje waarvan zelfs de naam niet op de landkaarten voorkomt.
Antoinette, de elfjarige burgemeestersdochter, was na het balspel verdiept in het verzorgen van haar omvangrijke cactusverzameling. Stel je maar eens voor wat jij zou voelen als plotseling één van je meest geliefde cactussen, de pricantia alienis utopiae, zich zou oprichten, een hoge kreet zou slaken en vervolgens langs het openstaande raam naar buiten vloog. Ze deed inderdaad hetzelfde als wat jij zou doen: ze slaakte een nog veel hogere kreet en snelde naar haar vader.
En wat zou jouw vader zeggen als je hem komt vertellen dat je net een nogal grote cactus, de pricantia alienis utopiae, had zien wegvliegen? Inderdaad.
De meeste vaders zouden zeggen dat je gek was, dat je dringend rust of meditatie kon gebruiken. En dat deed de burgemeester ook.

tekening Kristien Aertssen

Maar wat dan als de bezorgde vader even later zelf de groene cactusvogel voorbij ziet vliegen als hij even opkijkt van zijn sportpagina?
In dit verhaal belde de burgemeester onmiddellijk de hoofdonderwijzer op die na zeventien jaaa’s en twaalf neen’s, plotseling uitriep:
‘Maar neen, dat is onmogelijk!’
Vervolgens smeet hij de hoorn op het toestel, greep naar zijn vogelgids en belde dan naar doctor Vleugjes, zijn verre studievriend en tevens beroemd vogeldeskundige. Deze verliet onmiddellijk vrouw, vogels en kinderen om de groene cactusvogel met eigen ogen te aanschouwen.
Het duurde geen halve dag of dr. Vleugjes ontdekte dat er feitelijk TWEE groene cactusvogels in het stadje leefden. En toen hij ook nog kon uitmaken dat het hier EN een mannelijke EN een vrouwelijke cactusvogel betrof, kende zijn vreugde geen grenzen.
‘Wij kunnen kweken!’ riep hij tegen de burgemeester. ‘Wij kunnen kweken!’
‘Wij, wij, wij…’ kuchte de burgemeester. ‘U bedoelt de vogels, nietwaar?’
‘Uiteraard. Maar probeer u voor te stellen wat beide vogels voor de stad kunnen betekenen? Uw stad wordt beroemd. Drommen mensen zullen zich naar dit paradijs begeven om er de groene cactusvogels in levenden lijve te bekijken. En het blijft niet bij twee groene cactusvogels. In mei, in mei. Wat gebeurt er in mei?’
‘Tja,’ zuchtte de burgemeester die niet zo heel goed in biologie was. ‘In mei? Wat kan er in ’s hemelsnaam gebeuren… Maar natuurlijk! Dan leggen alle vogels een ei!’
‘Juist. Alle vogels. Dus ook de groene cactusvogel.’
‘Is hij eetbaar?’
Dr. Vleugjes keek de burgemeester droevig aan.
‘Waarschijnhjk smaakt hij naar cactus, maar al is hij dan niet beroemd om zijn smaak, zijn zeldzaamheid zal ons geen windeieren leggen!’
‘Ach zo. U bedoelt dat we binnen een jaar of tien misschien wel honderdduizend groene cactusvogels kunnen herbergen?’
‘Dat is een beetje veel, waarde burgemeester. We kweken met mate. Anders worden de vogels waardeloos. Maar u weet hoe mensen zijn! Voor een dier in nood slaan ze alles dood. Dus wil elke dierentuin overal ter wereld wel een koppeltje. Binnen vier of vijf jaar kunt u burgervader zijn van een der rijkste gemeenten van dit land!’
‘Als we er twee verkopen aan elke dierentuin kunnen ze zelf kweken!’ zei de burgemeester droogjes.
‘Ja, daar had ik niet aan gedacht. We verkopen alleen twee mannetjes of twee vrouwtjes wel te verstaan. Koppie koppie gebruiken!’

En zo lokte dr. Vleugjes de groene cactusvogel naar een heerlijk stekelig nest en wachtte hij tesamen met de hele bevolking vol spanning op de gebeurtenissen van de maand mei.
‘Hoe doen ze het?’ vroeg de burgemeester, denkend aan de stekels.
‘Op elk potje past een deksel,’ zei de onderwijzer.
Elke morgen klom dr. Vleugjes naar boven, keek voorzichtig in het nest en schudde dan zijn hoofd. Een licht teleurstellend gebrom ging door de verzamelde menigte. Dan trok iedereen
naar het café dat voor de gelegenheid herdoopt was tot ‘Scherp en groen’ en werd er tot in de vroege uurtjes gediscussieerd over het al dan niet slagen van de hele onderneming.
‘Zo’n groene cactusvogel heeft muziek nodig. Zuidamerikaanse muziek!’ zei de voorzitter van de fanfare. ‘Dan voelen ze zich pas goed thuis!’
De volgende morgen verscheen de voltallige fanfare en speelde een stuk dat iets met Rio de Janeiro moest te maken hebben, dat liet althans de titel vermoeden.
De vogels staken hun koppen buiten, lieten een hoge schreeuw, en verborgen zich in de klokketoren.
‘U bent er toch zeker van dat het een mannetje en een vrouwtje is?’ vroeg de hoofdonderwijzer. ‘
‘Absoluut zeker. De stekels maken het verschil wel moeilijk waar te nemen, maar de lichte tint van het vrouwtje laat geen enkele twijfel bestaan.’
‘Misschien willen ze wel aangemoedigd worden!’ zei de notaris. ‘We moeten hen de indruk geven dat we ze graag in onze stad hebben. We kunnen bijvoorbeeld de straten versieren, voor alle ramen een cactus zetten, op onze tenen voorbij het nest lopen. Alles doen om ze aan te moedigen. De ideale liefdessfeer.’

Zo verschenen voor alle ramen cactussen, kregen de straten slingers en lampions in cactusvorm en zong het plaatselijk knapenkoor kerst-en meimaandliederen. Maar een ei kwam er niet.
‘Misschien is het het eten!’ zei de hotelhouder. ‘Eten en liefde, dat luistert nauw.’
Men probeerde dus allerlei mengelingen van granen, wisselde nu en dan af met een slaatje of men zette sojabonen op het menu. Maar ook deze actie leverde geen ei op.
‘Ze leggen toch wel eieren?’ vroeg de koster.
‘Natuurlijk,’ antwoordde dr. Vleugjes. ‘Grote groene eieren met stekels.’
‘Misschien is het dat! Al die stekels, ik mag er niet aan denken dat ik zo’n ei moest leggen.’
‘U bent dan ook geen groene cactusvogel!’ zei dr. Vleugjes.
‘De natuur is een wijze moeder. Ze zorgt voor alles.’

Maar hoe wijs de natuur dan ook mocht zijn, de maand mei vorderde en er kwam geen ei.
‘Ze zijn te oud,’ zei de pastoor. ‘Veel te oud voor die dingen. Dat is het.’
‘Ik denk het niet,’ zei Vleugjes. ‘Groene cactusvogels kunnen tot op zeer hoge ouderdom vruchtbaar zijn.’
‘Dan moeten we maar eens de bovennatuurlijke krachten aanspreken. We houden een kerkdienst, en dan luiden we de klokken. Misschien gaan ze dan wel aan de slag. Alle middelen moeten worden uitgeprobeerd.’
Zo gebeurde. In de kerk werd gezongen en gebeden om een ei.
Toen daarna de klokken werden geluid, riepen de vogels hoog en luid.
‘Dat is hun kreet!’ riep dr. Vleugjes. ‘Dat is hun kreet als ze zover zijn. Luiden maar!’
Na nog een uur luiden verlieten de vogels hun nest en verdwenen ze aan de horizon.
‘Ze komen wel terug!’ suste dr. Vleugjes de teleurgestelde gemoederen. ‘Als ze gelegd hebben, maken ze een tochtje en dan komen ze broeden.’
Voorzichtig klom hij naar het nest, stak zijn hoofd tussen de stekels, en kwam onmiddellijk weer naar buiten. Bleek als een ei, dat wel.
‘Hebben ze gelegd?’ riepen de mensen.
Vleugjes knikte. Tranen kwamen in zijn ogen. Applaus brak los, zwol tot een oorverdovend geluid.
‘Stil mensen, stil…’ riep de deskundige vanuit zijn hoge standplaats. ‘Breng een mandje!’
Vlug bracht men een mandje en toen Vleugjes met zijn geraapte buit beneden was, werd het heel stil.
‘De groene cactusvogels zullen waarschijnlijk niet meer terugkeren,’ snikte Vleugjes. ‘Het is de schuld van de zure regen of van de kerncentrales. De hele natuur is ontwricht.’
Hij ging voorzichtig met zijn hand in het korfie en toonde de omstanders een groot, glanzend chocolade ei.
En elk jaar rond pasen keerden de vogels toch terug en legden ze onder feestelijk klokkengelui hun ei. Toen ze heel oud waren en het leggen hen niet meer afging, hebben de klokken en de paashaas hun taak overgenomen. Tot op de dag van vandaag.

Liefdesliedje van een bosbeer voor een poolvriend(in)

Liefje, je bent zo wit als sneeuw, mijn vacht is donkerbruin.
Jij bent als wolken, als lelies in de verre mensentuin.
Liefje, niets of niemand belemmert jou het vergezicht.
Jij bent van al het aardse wit, het soortelijk gewicht.

Hoe ver ben je van mij, en ik zo ver van jou.
Ik wou dat het hier de hele zomer vriezen zou.
Dan werd mijn huid een beetje witter door de kou.
En schreef ik je: het is hier wit, kom nu maar gauw!

Maar ik blijf donkerbruin, en jij blijft stralend wit.
Alleen een dierentuin waar ieder bij elkander zit
zou ons kunnen samenbrengen, levenslang.
Maar zonder vergezicht of zonder wit word je zeker bang.

Daarom, sneeuwwitte droom, blijf maar waar je bent.
De winter is er lang. Het noorderlicht verwent je 
als het donker is. En elke nacht, keer op keer,
kijken we naar de sterren: de grote en de kleine beer.

Mernet Larsen (1940): The Ordinary, Reoriented

Reading in Bed
2015
acrylic/mixed media on canvas

Blijkt toeval bij de meeste mensen niet geloofwaardig te zijn als het in onze eigen geschiedenis het pad kruist, bij de kunstenares Mernet Larsen (USA 1940) was het, wat mij betreft; een ontmoeting die aansloot bij haar ( en mijn) belangstelling voor de vijftiende eeuwse Italiaanse schilderkunst, met name voor Giovanni di Paolo, kunstenaar die atypisch werk afleverde waarin de inhoud een eigenzinnige opvatting omtrent de weg tussen droom en werkelijkheid weergaf, en het zo geroemde perspectief van de renaissance ondergeschikt bleef aan een heel persoonlijke ervaring die in de vormgeving al sterk aan het expressionisme en het surrealisme deed denken. Een inspiratiebron voor deze kunstenares, Mernet Larsen? Ik laat het haar zelf vertellen. Je kunt altijd ondertiteling NL inschakelen.

In “Situation Room (Scissors, Rocks, Paper)” (2018), Larsen extends the premise of reverse perspective into a territory that has not been explored by anyone else in contemporary art. The row of figures on one side of the table is uniformly upright and facing in one direction, while their forearms and hands rest on the table at an opposing angle. The row of figures on the other side of the long, narrow conference table is upside down, their faces and hands pointed straight ahead. No one is looking at anyone else. Independent of their heads, the two sets of hands on opposite sides of the table are engaged in playing the ancient child’s game in the painting’s title.

MERNET LARSEN
Situation Room with Angst
 2018
Acrylic and mixed media on canvas
152.4 x 170.2 cm
ERNET LARSEN
Seminar
2011
Acrylic on canvas
149.9 x 101.6 cm

There are a handful of constants in Larsen’s work. The first is the use of reverse perspective, in which things that are farther away appear larger than things that are closer. The second is that all the figures are transformed into geometric forms, so that every part of the body is treated as a distinct entity, each seemingly carved from wood. Heads are depicted as block-like forms with faces depicted on one side, while noses are rendered as sharp triangular planes jutting out from the face. The third is that Larsen pictorially manipulates the body as if it were a sectioned puppet, with every part capable of performing action that ostensibly conforms to its geometric structure. Within this schema, when a back is curved, the figure’s posture becomes extraordinary in its ordinariness. Working under these extreme self-imposed restraints, Larsen focuses attention on a wide range of banal human gestures.(Jasmin Weber Hyperallergic)

Walk on a Windy Day
2001
Acrylic, mixed media on canvas

When I was young, we thought art was progressing. Everyone was vying to be on the cutting edge, and to define the trajectory of art history. Now art is understood as a network, and people seem more interested in the synchronic fabric of art, how everyone is intersecting. What node you or others are on this web. There seems less at stake; people seem less a part of a greater cause, and more concerned with their own ability to find a niche. On the other hand, artists seem to have much more freedom to carve out their own eccentric territory. There is much greater interest in the world, socially and politically. Art used to be much more about the self: private or archetypal. We used to worry about posterity.

Now artists worry about relevance. Nonetheless, in talking with students over the years, in some basic ways nothing has changed: most artists want immortality, fame and glory, depth and significance, originality and self-realization. When I was young, it seemed a liability that my work did not conform to any school of thought; now that seems an asset

MERNET LARSEN
Perplexed
2017
Oil on canvas
122.6 x 126 cm

I try to evoke a sense of permanence, solidity, weight: time stopped, essences of ordinary events made tangible. As if I were leaving this life and had to take with me only a few very concrete images, filtered through wry detachment. Not ephemeral, but memory turned into object, monumentalized. However, I understand these paintings as makeshift contraptions, statements of recognition that essences-and memory-must be constructed, invented, not uncovered.

This painted world must be obviously artificial. It reaches toward, not from, life. The characters and objects are geometric solids, their structures and proportions reinvented in tension with the event depicted. Components are disassembled, reassembled so that the actions are non-organic collaborations of parts. (I often paint the elements separately on tracing paper, try out different noses, heads, hands—, then paste them on). I want the mechanisms of my paintings to be fully visible, each painting an index of my painting behavior: measuring, layering, carving, texturing, coloring, pasting.

Café 2012

I want nonspecific viewpoints, a sense of vertigo, so that you are holding each situation in your mind almost as if you are wearing it. Renaissance, isometric, and reverse perspectives interact, visible as systems, not illusions. Structures are often inspired by the paintings of El Lissitsky, Japanese 12th century narrative painting, Chinese landscape painting, and the palace paintings in Udaipur, India. My hope is that the paintings will turn each event depicted into a singular, object-like entity, rather than forms arranged in space. A committee meeting, for example, should demand an entirely different pictorial structure than shoppers in a mall.

MERNET LARSEN
Misstep
2015
Acrylic and mixed media on canvas
50 x 60 in.
127 x 152.4 cm

Larsen refers to her depictions as “analogs” rather than “representations,” seeing as they are constructed in the mind, not observed with the eye. “I think the idea sort of started with Roland Barthes and some things that he wrote about Japanese art,” said Larsen. “The idea is that in Japanese theater, the puppets weren’t little imitations of people, they were actually something that ran parallel to people. They weren’t little fetishes of people. There were other kinds of structures that were performed like people but in analogous ways, rather than imitative ways.”

Aw
2003
acrylic, tracing paper, oil on canvas

Because of the geometric semblance of Larsen’s pictorial world, it’s often associated with the alienation and digital dependence of contemporary life. While Larsen doesn’t object to this reading, it was never her intention. “People often look at the works and say, “Oh, these look like computer generated images.” But if you look at them, they have no system like that. There’s no adherence to anatomy. The structures give you enough clues to think they’re conventional figures, but when you look at them, they’re not. They’re just structures. They’re structures that work in an analogous way to people and situations you recognize, but they get at some more essential quality and they also defamiliarize with conventions. You are able to see them in a fresh way, hopefully.” (Priscilla Frank Huffpost 2017)

MERNET LARSEN
Punch
2016
Acrylic and mixed media on canvas
174 x 156.2 cm

A lot of people look at my paintings and see alienation because of the geometry, but I always see them as somewhat humorous and somewhat warm, in a very quietly warm way. I’m not about trying to convey alienation. I’m just trying to say here it is. This is the way it is. It’s sort of strange, let’s stop and think about it. It’s sort of funny but it’s not moving and emotional or alienatingly horrible or something. It just sort of is.” (Priscilla Frank Huffpost 2017)

MERNET LARSEN
Skydiver
2016
Acrylic and mixed media on canvas
165.1 x 134.6 cm

https://www.jamescohan.com/artists/mernet-larsen/featured-works#10

Mernet Larsen, “Explanation,” 2007.
Sound in the Night
2014
acrylic mix.med.

I’ve never even seen a computer game, much less worked with computer-generated imagery. I play perversely with reverse, Western, parallel perspective to disorient, not to set up another form of orientation. My characters are reconstructed into impossible constructions and expressive proportions. I see them as analogues to experienced reality, not as mechanical simplifications or dehumanization of the physical world. They have much more in common with early 15th Century Italian art, Byzantine Icons, Japanese narrative scrolls, or even some outsider art!

Cardplayers
2013
acrylic/mix/med on canvas

Mernet Larsen (b. 1940, Houghton, Michigan) has exhibited extensively since the late 1970s and has been the subject of over thirty solo exhibitions, including Mernet Larsen: The Ordinary, Reoriented, Akron Art Museum, 2019, and Getting Measured: Mernet Larsen, 1957-2017, Tampa Museum of Art, 2017. She has been featured in more than seventy group exhibitions, including presentations at the National Museum of Women in the Arts, Washington D.C., the American Academy of Arts and Letters, New York, NY and multiple other exhibitions in London and New York. Her work is in numerous collections, including the Whitney Museum of American Art, New York, NY; the Los Angeles County Museum of Art, CA; the Carnegie Museum of Art, Pittsburgh, PA; the Museum of Fine Arts, Boston MA; and the Walker Art Center, Minneapolis, MN among others. Larsen received her BFA from the University of Florida, and her MFA from Indiana University. She lives and works between Tampa, Florida and Jackson Heights, New York. (James Cohan gallery)

MERNET LARSEN
Bunt
2016
Acryiic and mixed media on canvas
162.6 x 127.6 cm

https://mernetlarsen.com/

Bezoek haar website hierboven aangeduid.

Michel de Montaigne: leven als ambacht en kunst

Over matigheid
Al onze kunstgrepen verergeren ons lot.
(Fortunae miseras auximus arte vias. (Propertius, Elegieën III, 7, 32)

‘De mensen beoefenen de wijsbegeerte op een wel heel dwaze manier als zij de genoegens die ons toekomen willen beknotten en reduceren. Maar zij wenden haar tot ons voordeel aan als zij door middel van de wijsbegeerte onze ellende in een wat fraaier daglicht plaatsen, zodat deze minder zwaar op ons drukt.
Als ik een filosofische school had gesticht, zou ik een andere, meer natuurlijke, dat wil zeggen een waarachtige, gerieflijke, heilzame weg hebben bewandeld; en misschien zou ik de kracht hebben gevonden niet te ver te gaan.

Vreemd toch dat onze heelmeesters, zowel die van de geest als die van het lichaam, als betrof het een samenzwering, geen andere geneeswijzen of geneesmiddelen voor de kwalen van het lichaam en de geest weten te bedenken dan kastijding, pijn en verdrietelijkheden. Met het oog daarop heeft men nachtwaken, vastenperiodes, boetekleden, eenzame afzondering, ballingschap, levenslange opsluiting, geselingen en andere pijnigingen ingevoerd; maar wel onder het voorbehoud dat de pijn die wij lijden echt is, bitter en fel. En dat het ons niet vergaat als Gallio, die naar het eiland Lesbos was verbannen. Toen ze in Rome hoorden dat de straf die ze hem hadden opgelegd voor hem zoveel inhield als het leiden van een lekker leventje en dat hij daar de bloemetjes buitenzette, besloten ze hem terug te halen, en hij kreeg het bevel thuis te blijven, bij moeder de vrouw, zodat hij hun straf werkelijk zou voelen.


Want iemand die gezonder en vrolijker wordt van het vasten, of vis lekkerder vindt dan vlees, heeft er geestelijk geen baat bij als hij zulke voorschriften naleeft, zomin als je bij de gewone geneeskunst beter wordt van medicijnen die je lekker vindt en graag slikt. Alleen als iets bitter is en je zwaar valt, helpt het je vooruit. Als je een gestel hebt dat geen problemen met rabarber heeft, kun je er nooit profijt van hebben; het is pas echt heilzaam als je er pijn in je maag van krijgt. En de algemene regel dat tegengestelde zaken elkaars schadelijke werking opheffen gaat in dezen niet op, want in dit geval is pijn een uitstekend middel tegen de pijn.’

Michel de Montaigne, Drijf nooit je vijand in het nauw. Essays.
Vertaald door Hans van Pinxteren, Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam 2003

Worden we weer eens flink heen en weer geschud door dat ‘lot’ dan is lectuur van de Montaigne (1533-1592) een aanrader.
“Leven is mijn ambacht en mijn kunst.”
“De mens is een malloot. Hij zou nog geen vlo in elkaar kunnen zetten maar hij verzint wel goden bij de vleet.”

In het tijdschrift voor filosofie lees ik:
‘Michel de Montaigne is een filosoof van de Franse Renaissance en geldt als de grondlegger van de essayistische literatuur. In zijn omvattende werk Essais (het Franse woord essayer betekent ‘proberen’) verbindt hij een filosofische scepsis met een kroniek van zijn individuele bestaan. Zijn argwanende positie inzake het menselijk kenvermogen vat hij samen in zijn beroemde vraag Que sais-je, ‘Wat weet ik eigenlijk?’.

Montaignes scepsis werd gevoed door zijn grote kennis van andere culturen en tradities. Volgens hem leeft de mens zijn leven in onzekerheid, ongewisheid en doodsangst. Het besef daarvan kan de mens echter van zijn vooroordelen bevrijden en ervoor zorgen dat hij op een onafhankelijke manier tot oordelen komt. Zo wordt de eigen ervaring tot de beste kennisbron en het eigen leven het essayistische thema bij uitstek.’

Ik herken alvast dat wij nog zijn opgevoed met het idee dat een deugdzaam leven beleven best pijn mag (moet) doen, ja bijna noodzakelijk is om het als deugdzaam te (h)erkennen. Dat deugdzame kon je in een breder perspectief plaatsen en benoemen als ‘het proberen een goed leven te leiden’, en daar schaar ik me achter Michel de Montaigne die zegt:
Als ik een filosofische school had gesticht, zou ik een andere, meer natuurlijke, dat wil zeggen een waarachtige, gerieflijke, heilzame weg hebben bewandeld; en misschien zou ik de kracht hebben gevonden niet te ver te gaan.’
Sla ik tijdschriften en kranten open al dan niet digitaal dan lees ik veelvuldig dat ‘deze generatie’ zwak is, ‘geen weerstand’ heeft opgebouwd’, en je mag zelf verder invullen.
Niet alleen is dat een stelling die elke oudere generatie zal hanteren daarbij vergetend dat het wel deze voorbije generatie is die al dat nieuwe onder haar vleugels heeft gehad en dus dit oordeel op de eerste plaats bij haar moet afgerekend worden. Gelukkig heb je nog de lieden van de jaren zestig en omstreken die in dit geval al veelvuldig als zondebok hebben gediend.
Ik denk dat we dichter bij de waarheid komen met te zeggen dat je telkens weer een ander antwoord moet zoeken op de tijden waarin je leeft waarbij je best gebruik mag maken van voorbije ervaringen maar ook moedig genoeg moet zijn om jouw inzichten daaraan toe te voegen en ernaar proberen te leven.
Er is immers niets tegen ‘een waarachtige, geriefelijke, heilzame weg bewandelen.’ als je inderdaad de kracht kunt opbrengen om ‘niet te ver te gaan’, zoals Montaigne nederig schrijft.

Zoldering van Montaigne’s werkkamer met Latijnse en Griekse quotes

Wat ons gemeenschappelijk overkomt verdient zeker onderzoek, maar ook de constatatie dat we met zijn allen wel een geriefelijke maar niet altijd heilzame weg hebben gekozen.
Ik zie dus meer heil in het verzamelen van wat deze ramp ons bijbrengt dan wel een speurtocht naar ‘schuldigen’ te organiseren, al stuit mij het politiek misbruik ervan in eigen land tegen de toch al oude en dus meer frele borst.
Geriefelijkheid mag best voor iedereen bedoeld zijn, niet voor degenen die dit het best uitkomt, eigen geriefelijkheid eerst, of is dat een nieuwe liberale gedachte?
Hang uit de lakens, want onze appreciatie voor de dagelijks zorgenden is groot, en zoals Sofie voor de zorgsector alleraardigste mondmaskertjes maakt, zo moeten beleidsmakers na de ramp voor een degelijke herwaardering van de gehele sector zorgen of vergeten we net zo vlug als we bij aanvang het ongeloof in praktijk brachten?

mondmaskertjes voor Thuiszorg

De samenhang van het waarachtige en het geriefelijke met en surplus het heilzame mag niet stranden in het oeverloze gepalaber van wat dan hopelijk weer een volwaardig democratische vertegenwoordiging van ons allen zal heten.
De heer Montaigne glimlacht en hoopt dat in de toekomst ook zonder maagpijn toch van de rabarber mag genoten worden.
Als slotwoord een goede raad uit Shakespeare’s tijd, uit ‘King Lear’: ‘We moeten het gewicht van deze verdrietige tijd gehoorzamen.’
Geriefelijk of niet, soms is dit de enige eervolle oplossing al kan elke bijdrage, hoe nederig ook, voor minder gewicht zorgen.

Toren bij het kasteel waar Michel de Montaigne woonde en werkte
werkkamer en bibliotheek

Kabouters, een kortverhaal

Zwergkönig und sein Gefolge, lithographie de Fritz Rehm, 1915

Papa, bestaan kabouters echt?’ vroeg Hazel.
Haar vader schrok wakker uit zijn middagdutje.
’Wie?’
’Kabouters, papa?’
‘Je bent er bijna twaalf, Hazel. Hoog tijd om te beseffen dat kabouters verzinsels zijn.’
’Ik heb een kabouter gezien, papa.’
‘In een boek, of in een film zal je bedoelen?’
‘In het echt, papa. Achter in de tuin.’
‘In onze tuin?’
‘Ja, in onze tuin.’
’Misschien was het de mist, of je hebt een poes of een hond gezien. . .’
’Dragen poezen en honden rode mutsen, papa?’
’Hazel, hou op met die onzin!’
’Toch heb ik echt een kabouter gezien, papa. Gisteren, net voor het donker werd.’
‘Haas, je hebt een levendige verbeelding, dat weten wij. Je hebt ooit Sinterklaas ook echt gezien, weet je nog?’
’Toen was ik zes jaar, papa. Nu word ik er bijna twaalf.’
Hazels vader nam haar op zijn schoot.
‘Word je op school geplaagd misschien?’ vroeg hij zachtjes.
‘Wat heeft dat met kabouters te maken, papa?’
’Kom je in je moeilijke jaren? Droom je over mooie jongens?’
‘Papa!’ riep Hazel. ’Waarom zou ik over mooie jongens dromen?’
’Als het lichaam van een meisje volwassen wordt,’ begon de vader.
Ik weet wat er gebeurt in de puberteit. Ik heb het over kabouters! Ik heb echt een kabouter gezien. Heel duidelijk, in de tuin.’
Hazels vader zuchtte.
’Ik heb mezelf ooit als een beroemd voetballer gezien, liefje,’ zei hij toen. ’Echt waar, ik dacht dat ik door Argentinië zou worden aangekocht.’
’Ik heb mezelf niet gezien, papa. Ik heb een kabouter gezien.’
’Misschien verlang je weer een baby te zijn, wil je terug naar je kleine-kindertijd. En dus zie je kabouters!’
’Ik verlang helemaal niet terug naar mijn kleine-kindertijd. Ik voel me best zoals ik nu ben. Maar ik heb een kabouter gezien. Heel duidelijk.’
Weer zuchtte Hazels vader.
’Kom, meid. We gaan naar de tuin. ]e zult zien dat het een fata morgana was.’
’Een wat?’
’Een fata morgana. Een luchtspiegeling. Reizigers die in de woestijn verdwalen, zien soms prachtige steden of oases.
‘We zijn in het hartje van de winter, papa. En we zijn niet verdwaald.’
Ze liepen de tuin in. Het was een mistige avond.
‘In de mist kan een boom op een spook lijken,’ probeerde Hazels vader.
‘Het was een heldere avond, papa. Het ventje liep naar de tuinmuur, draaide zich om, keek me glimlachend aan en verdween toen met een fikse reuzenzwaai over de muur.’
’]aja!’ zuchtte haar vader.
Nu kwamen ze bij de muur.
’Kaboutertjes!’ riep Hazels vader. ’Kom eens even wuiven!’
’Kijk hier!’ riep Hazel.
Ze zagen vage afdrukken van erg kleine voetzooltjes.
’Een kindervoetje !’
‘De buren hiernaast zijn negenenzeventig en ze haten kinderen. Aan de andere kant wonen An en Bram. Die zijn vorige maand getrouwd.’
’Een hond of een konijn,’ probeerde haar vader zich nog te verdedigen.
’… die schoenen dragen. Grappig hoor.’
‘Of een grapje van een zekere Hazelmans die haar arme vader wil verontrusten.’
’]e bent wiskundeleraar, papa. Als ik je zou willen verontrusten moet ik bewijzen dat de aarde de andere kant uitdraait.’
’]uist. Feiten zijn feiten. Kabouters bestaan niet. Kom nu, ik wil je huiswerk nog nakijken.’

Lennart Helje

De volgende morgen toen de Hazels vader de vuilnisbakken buitenzette, zag hij twee kabouters op het tuinmuurtje zitten. Ze bengelden met hun beentjes en
wuifden.
Toen hij zijn arm half had opgeheven om terug te zwaaien, waren ze verdwenen.
Hij bleef twee minuten sprakeloos staan, botste toen tegen de vuilnisbakken en rolde over het natte gras.
‘Papa!’ riep Hazel.
’Niets aan de hand. Ik gleed uit. Glad dat gras.’
’]e ziet zo bleekjes.’
’Ik? Och. Niet te best geslapen, denk ik.’
Diezelfde avond vond Hazel haar vader in zijn werkkamer.
Hij las een groot boek over kabouters.
‘Heb ik even in de bibliotheek gehaald. Als je dochter een probleem heeft, dan moet je proberen je in haar situatie in te leven.’
’]e hebt ze ook gezien!’ zei Hazel.
’Wie?’
‘De kabouters, of één kabouter.’
’Ik? Ach wat. Als je er nog veel over zeurt, beginnen we allemaal kabouters te zien. Dag en nacht. Dat heet: ‘collectieve waanzin.’
Ze hoorden een licht getik op het raam.
Toen ze de gordijnen wegschoven, dachten ze nog een zilveren belletje te horen, achter de tuinmuur.
’Dat dragen ze op hun puntmuts,’ zei Hazel, en ze wees naar een plaatje in het boek.
‘Begin maar aan je rekenwerk en laat daar je belletjes rinkelen!’

Tekening Kristien Aertssen

‘U ziet dus kabouters,’ zei de dokter.
Hazels vader knikte.
’Vanmorgen ook weer. Nu waren ze met zijn vieren. Ze sleurden met hout en restjes afval.’
De dokter glimlachte.
‘Als wiskundeleraar zou u moeten weten, dat dergelijke waarnemingen zinsbegoochelingen zijn. Rust u wel genoeg?’
’Ik ben leraar,’ zuchtte Hazels vader.
Hij kreeg een middeltje tegen stress en hartkloppingen, samen met de goede raad op tijd het toilet te bezoeken.
Toen de dokter de volgende patient wilde binnenlaten, verscheen er een klein ventje met een rode puntmuts op.
’Keelpijn,’ zei de kabouter.

Rien Poortvliet

De eerste krantenartikelen over kabouters hadden het nog over sprookjes, over crisistijden en de nood van de mens aan wonderen, maar daarna begonnen er getuigenissen te volgen van mensen die de bedoelde sprookjesfiguren echt hadden gezien.
Een uitgever gaf zijn baan op om zich volledig aan de studie van kabouterachtigen te wijden, en zelfs een minister vond op een morgen een nieuw vijfjarenplan op zijn tafel, terwijl hij nog net het ruggetje van een kleine gestalte zag verdwijnen.
De militairen begonnen ongerust te worden en ook de bisschoppen raadden hun gelovigen aan voorzichtig te zijn bij het ‘waarnemen’ van deze wondere wezentjes.
Parken en bossen werden op onverklaarbare wijze in één nacht netjes gemaakt. Voorbereidende werken voor nieuwe kerncentrales verdwenen van de aardbodem. Kanonnen vuurden confetti-granaten af tijdens grootscheepse oefeningen terwijl de geweren met zuurtjes waren geladen.
Eenzame kinderen kregen een vriendje dat hen bij het huiswerk hielp. Nurkse leerkrachten werden rose geschilderd en vastgebonden teruggevonden. Fabrieksschoorstenen bleven heuse zuivere,wierook de hemel insturen. Watervervuilers kregen dat giftige water in hun eigen thee.

Kabouter van Ottmar Hörl

’Dat kan zo niet langer!’ schreeuwden de generaals. ’Als wij met groene confetti en zuurtjes schieten, Wat zal dan het oostblok doen?’
’Het oostblok schiet met rode confetti en met nougat, dat hebben onze satellieten waargenomen,’ zei het hoofd van de spionage-afdeling.
’Wij zijn een leger, geen winkel van feestartikelen,’ brulden de generaals.
‘We kunnen misschien onze zuurtjes vergiftigen en onze confetti ombouwen tot kleine gevaarlijke mijntjes!’ stelde een raadgever voor.
’Het gezag! Waar is het gezag?’ riepen alle gezagsdragers die door kabouters bij de neus waren genomen.
‘Hier moet een einde aan komen.’
En omdat gezagsdragers elkaar altijd goed kunnen vinden in tijden van nood, kwam er een campagne om de kabouters te vernietigen.
Voor elke gedode kabouter mocht je één jaar belastingvrij leven.
Dat was natuurlijk een erg aanlokkelijk voorstel. Weldra werden er speciale kabouterjachten georganiseerd.
Wetenschapsmensen publiceerden lijvige rapporten over de schadelijkheid van dit vreemde wezen. Het duurde niet lang of kabouters waren bij wet verboden. Wie een kabouter hielp of verborg, kreeg een gevangenisstraf van minstens zeven jaar.
In minder dan drie maanden waren de kabouters van de aardbodem verdwenen.
De legers schoten weer met echte kogels en granaten, de schoorstenen braakten hun vieze rook de hemel in, en de gezagsdragers konden weer hun gezag uitoefenen zonder dat er iemand lastige vragen stelde.
Alleen Hazel had nog een kabouter thuis. Hij woonde in de speelgoedkast. Als hij ontdekt zou worden, kon hij zich dood houden, alsof hij een stuk speelgoed was. Die kabouter vertelde over de ware bedoelingen van zijn uitgeroeide collegaatjes, over hun plannen om de mensen weer naar het werkelijke leven te brengen. Ook kende hij prachtige verhalen over de oertijden, over heksen en kobolden.
Maar hij treurde. Hoe goed hij ook verzorgd werd, hij rniste zijn vriendjes. En op een morgen was hij verdwenen. Er lag nog een papiertje:
Misschien is er nog een vrouwtjes-kabouter overgebleven. Dan trekken we ons terug in het diepste woud, en over vierhonderd jaar proberen we het nog eens.’
’Vierhonderd jaar. . .’ zei Hazels vader.
Met de hele familie verhuisde hij naar een groot bos, ergens in Zweden. (Hun kabouter had duidelijk een Zweedse tongval gehad!) Ze leefden van de natuur, trokken in de zomer als zangers en toneelspelers langs steden en dorpen en waren helemaal niet verbaasd toen ze op een morgen het belletje hoorden dat eens achter de tuinmuur had geklonken.
Eén belletje? Drie belletjes!

Tekening van Kristien Aertssen

Nawoord:

De dames en heren die we hier onder de noemer ‘kabouters’ ten tonele hebben gevoerd verzochten mij vriendelijk hun huidige verblijfplaatsen niet bekend te maken. Dat ik in mijn verhaal ‘Zweden’ noem is net zo verzonnen als het woord ‘kabouter’ dat inderdaad vaak voor verkeerde wezens wordt gebruikt. In allerlei literaturen zijn de ware kleine wezens al lange tijd aanwezig. Hazel zag ze op haar ‘elf-de’ en dat is niet toevallig omdat elfen nauw verwant zijn met deze wonderlijke figuren. De illustraties geven hier dus eerder een richting dan een werkelijkheid aan, maar dat is zo met alle wonderlijke verschijningen.

L. Helje

Mijn vader vertelde mij als kind een sprookje waarin het de bedoeling was om een kaboutermuts in handen te krijgen omdat volgens de overlevering kabouters hun mutsjes vaak de lucht insmeten bij feestelijke gelegenheden. Wie zo’n mutsje kon pakken voor het op de grond kwam…
In het sprookje werd je dan met rijkdom en macht beloond maar in feite verdiende je een paspoort om in hun wonderlijke streken rond te reizen en verslag uit te brengen eens weer terug in het mensendal.
Maar dat is dan weer een ander sprookje.

L. Helje

Nog even verwijzen naar mijn vorige bijdrage. Ik heb ze intussen verder uitgewerkt en verschillende bronnen samengebracht zodat er een beter beeld van deze boeiende schilder beschikbaar is. Giovanni di Paolo werd eeuwenlang doodgezwegen en pas in de jaren 1920 herontdekt toen de tijden het expressionisme en het surrealisme en aanverwanten herkenden als signaal van een veranderende maatschappij. Een echte ‘voorloper’ dus.

Giovanni di paolo, paradiso 23 dante, beatrice e santi

Brieven aan Cecilia (2): Giovanni di Paolo

Divina Commedia – 131 Paradise, First Sphere, The Moon – Dante and Beatrice visiting the inhabitants of the heaven of the moon

Opgesloten kun je het niet noemen, eerder ‘belemmerd’ in ruimtelijke beweging’, maar met vanop jouw Spaanse balkon uitzicht op het strand en de zee tot aan de horizon, breedbeeld dus, mag je inderdaad niet wanhopen. ‘No hay mal que por bien no venga’, of ‘Er is geen kwaad dat ook iets goeds meebrengt’.
Aangevuld met boeken, levenswegen en bewegende beelden op de laptop en het geluid van de golven ben je meteen in de sfeer van het vijftiende eeuwse Siena in Italië , inzonderheid bij de schilder met de muzikale naam Giovanni di Paolo di Grazia.
We hebben geen zelfportret van de kunstenaar die leefde (bij benadering wat het geboortejaar betreft) van 1395/1399 tot1482 maar zijn vroeg werk was stevig in de traditie van de Siënese school geworteld met namen als Gentile da Fabriano (uit Fabriano-March afkomstig, maar in 1425-1426 in Siena werkzaam) , Sassette, Taddeo en Andrea di Bartolo en Gregorio di Cecco en vele anderen.
Niet alleen bekwaamde hij zich in het schilderen op panelen, fresco’ s, linnen, maar ook als illustrator, miniaturist, boekverluchter van getijden-boeken en zangpartituren voor de eredienst en persoonlijk gebed of meditatie, of met illustraties bij Dantes’ werk werd hij bekend . (klik op onderschrift om te vergroten)

Dante nel Cielo della Luna

Keikoppen waren het daar in Siena, een schildersgilde die niets of tamelijk weinig moest weten van de moderniteiten uit Firenze met artiesten als Giovanni di Simone Guidi Casai, in de wandeling aangesproken als Masaccio. Geen ‘schijnlichamen‘ meer waren het die hij schilderde om een term uit Dante’ s vagevuur te gebruiken, maar lichamen van vlees en bloed op de fresco’ s van de Brancacci-kapel, of op dit paneel uit een Pisa-altaargeheel. (klik op onderschrift voor vergroting)

Masaccio. Crucifixion of St. Peter and Beheading of St. John the Baptist.

Het realisme van de figuren, licht en donker, perspectief, vul maar aan. Zijn gekruisigde Petrus is geen heilige Petrus maar een mens zoals wij. Het Quatrocento is op weg naar een nieuw tijdperk.
Maar niet in Siena. Nieuwlichterij zou niet aan hen besteed zijn.
Of vergissen we ons en hebben we enkele eeuwen verkeerd gekeken?

Madonna en kind met heiligen 1454

This multi-panel altarpiece (polyptych) was painted to decorate a chapel in a church belonging to the Augustinian order, possibly in Cortona. Saint Nicholas of Tolentino was canonized in 1446 and wears the Augustinian habit. The altarpiece would have been completed with five pinnacles showing the evangelists and Christ, a base (predella) showing the history of Saint John the Baptist, and pilasters with small figures of saints. The archaizing style, with highly stylized figures on a gold background, is indicative of Giovanni di Paolo’s preference for the work of his great fourteenth-century forebears. (The Met museum NY)

Ik citeer een bepaling die een richting aanwijst:
Pendant presque tout le Quattrocento, la peinture siennoise tend à se replier sur elle-même, prolongeant sa glorieuse tradition, naccueillant les nouveautés florentines que dans la mesure où elles peuvent être compatibles avec la tradition, ce que Roberto Longhi nomme « gothique à l’ombre de la Renaissance ».(Les ‘primitifs’ italiens, histoire de l’ art)
De schaduw? Teruggeplooid op zichzelf?

Of is er een andere boodschap in verscholen? Een vormelijkheid die nauw aansluit bij de middeleeuwse ziel en hardnekkige byzantijnse invloeden maar de zgn. moderniteit afwijst uit redenen van spiritualiteit, van inzichten in andere diepten dan de figuratie die ‘echte’ mensen presenteert? Of is onze schilder zelf een uitzondering, zelfs in Siena?
Het moeilijke bijvoegelijke naamwoord ‘onirique’, une singulière atmosphère onirique: stamwoord in het oud-grieks: oneiros, droom. Dus droomachtig, maar in de zin van een visioen. Een dromer, een ziener?

En kijk maar naar dit prachtig paneel waarin Johannes de doper als kind het huis verlaat en de woestijn intrekt. De hoofdpersoon is er tweemaal aanwezig, uit het huis vertrekkend en bovenaan verdwijnend in de dorre onvruchtbare wildernis. Het roze van het kleed en het zacht gele sierlijke schoeisel duiden zijn ‘onschuld’ aan. Hij zal de beproevingen doorstaan terwijl beneden hem de geometrische wereld zich uitstrekt, met een paleis en een villa gedecoreerd. Die aantrekkelijke rijke wereld laat hij achter zich. Het licht aan het veilige vertrekpunt donkert naarmate het onheilspellende van de wildernis duidelijk wordt.

Engelse mooie beschrijvende tekst:
This scene shows the Baptist as a child, carrying his few needs on his shoulder, leaving the familiar city gate to make his way up into the wilderness. Just to his right we see him again, several miles away, but not reduced at all in scale: a giant walking up the steep mountain path. The head and torso of the two figures are almost identical, but as John climbs he slings his bundle over the other shoulder. Thus the spectator has moved with St John, and the foreground landscape becomes the vista opening up below as the child climbs. The picture is about renouncing the city, leaving behind the man-made grid of cultivated fields, its beautiful patchwork of contrasted greens, for a world of wilder forms. Higher up, we glimpse a yet further region – a blue-and-white ice realm, across a dark river, extending to the curved rim of the horizon – all laid in with a scintillating economy of mark.

In een andere versie van dit onderwerp, deze samenvatting:

Ik citeer een Franse kunsthistoricus:
Âme encore médiévale, Giovanni se refuse à adhérer aux principes expressifs de la Renaissance, poursuivant un idéal de haute spiritualité douloureuse, d’irréalité effrénée pénétrée d’un souffle religieux archaïque.’

Ik denk dat het eerder een bijna ‘surrealistisch’ aanvoelen is geweest, een weten dat alleen het visionaire, het surreële de mengeling van menselijkheid met het bovennatuurlijke kan verhelderen.
Zoals in het droomtafereel waarin de heilige Nikolaas van Tolentino het wrak van een door de storm geteisterd schip redt. Bovenaan de flarden van masten en zeilen en de bezorgde heilige en daaronder in een zacht licht het wrak met de biddende schipbreukelingen, onderaan de bulten van de opgezweepte golven en een gouden naakte zwemmende verschijning.

Saint Nicholas of Tolentino Saving a Shipwreck Giovanni di Paolo 1457

In een ander paneel doet de heilige Clara hetzelfde wonder nog eens over, maar duidelijk hangend aan de losgeslagen touwen houdt zij zelf het vaartuig op koers.


Beide ‘reddingen’ zijn visionaire droombeelden terwijl het vervolg van de Johannes de Doper panelen dan weer heel realistisch het verhaal doen van zijn gevangenschap en zijn onthoofding, op vraag van Herodes’ mooie vriendin Salomé, terwijl de disgenoten verschrikt hun ogen bedekken, zijn vrienden hem nog bezochten, waarna zonder enige scrupules het resultaat van de onthoofding wordt getoond. Een bloederig stripverhaal. Maar met stijl, tot in de achterliggende architectuur, perspectief inbegrepen.

Nota: we lazen echter nog een aantekening in een medisch vakblad waarin gemeld dat het paneel van de onthoofde duidelijk liet zien dat er een verschillende bloeddruk in een slagader dan in een ader aanwezig was, waar er toch in deze tijden de stellingen van Galenus bleven gelden die het tegenovergestelde beweerden, ondanks de nieuwe ontdekkingen van de renaissance. Of hoe kunst ook wel eens de wetenschap vooruitloopt.

En tenslotte de schepping van de wereld en de verdrijving uit het paradijs.
This extraordinary panel is widely admired for its brilliant colours, curious iconography, and mystical vitality At the left, God the Father, supported by 12 blue cherubim, flies downward, pointing with his right hand at a circular “mappamondo”, which fills the lower half of the scene. The representation of earth is surrounded by concentric circles, including a green ring (for water), a blue ring (for air), a red ring (for fire), the circles of the seven planets, and the circle of the Zodiac. On the right, in a separate scene set in a meadow filled with flowers, Adam and Eve walk to the right against a line of seven trees with golden fruit. Their heads turn back toward a naked angel, who expels them from Paradise. Below them spring the four rivers of Paradise, which extend to the base of the picture.

The Creation of the World and the Expulsion from Paradise

This panel is a fragment from the predella of an altarpiece painted for the church of San Domenico in Siena and now in the Uffizi in Florence. Another panel from the same predella is also in the Museum’s collection. The influence of the International Gothic style, especially French miniature painting, can be seen in the figures of the angel, Adam, and Eve, and in the details of flora and fauna.

Al was hij uit het paradijs gezet, overgeleverd aan plagen en ziekten, slachtoffer van oorlogen en willekeur, de droom naar een beter (eeuwig!) leven was een hulpmiddel om de erbarmelijke ervaringen te bemeesteren.
De ziel zelf kon contact maken met het goddelijke, in een innige mystiek raakpunten ervaren (zien als visioen) van die vereniging of gewoon het menselijke verdriet en de tekortkomingen compenseren.

De heilige Hieronymus verschijnt aan Augustinus (1465)

De voorstellingen van deze ontmoetingen concordeerden in de nieuwe wereld moeilijk met het menselijk al te menselijke van de renaissance. Dat zou zich in de schilderkunst zeker nog herhalen: het wereldse werd op zijn tijd geconfronteerd met het spirituele in al zijn betekenissen. Vormen waarin het symbool en het visioen, het dromerige een weg naar het essentiële kon wijzen doen zich ook vandaag nog voor al hebben wij niet meer de illusie van een gelukzalige eeuwigheid voor ons. Het kwetsbare dat we met zijn allen nu aan lijf en ziel ervaren is anderzijds een uitdaging om elkaar -zij het op afstand- tegemoet te komen, om het essentiële te herontdekken, de stilte van het gesloten bestaan ook als rijkdom te kunnen ervaren en de angsten en zorgen te delen zonder voorbehoud. Scio expertum: ik weet door ervaring.


Ook onze wereld is vaak de gouden achtergrond verloren geraakt, maar de schittering van een intense vriendschap, of het ervaren van mooie vergezichten, het afstand doen van onze eigen wanen, het zijn maar enkele voorbeelden die telkens weer het modisch modernisme overstijgen en ons met elkaar blijven verbinden, hoe verschillend we ook (mogen) zijn.

de aanbidding van de wijzen

Een van de mooise aanbiddingen der wijzen waar kleuren en compositie (kijk ook naar de achtergrond) een feest zijn voor het oog. Het handje van het kind op de kale knikker van de oude wijze (voorstelling ontleend aan Gentile di Fabriano), en niemand zegt dat hij dadelijk in die mollige teentjes gaat bijten en het joch kraait van plezier hoe sip de voedstervader ook mag kijken. Maria zal haar hand waarmee ze haar mantel dichthoudt moeten loslaten om het kind stevig vast te houden en de mooie dienaar tussen de paarden kan zijn ogen niet geloven. Het zal zijn tijd wel hebben hoor ik de ezel zeggen. De os zwijgt. Maar het geheel spreekt al ongeveer 560 jaar.

Hieronder zie je de rijkelijke versie van Gentile da Fabriano uit 1423 naar wie hij erg opkeek. (klik op ondertitel voor grote afbeelding)

Gentile da fabriano, adorazione dei magi (detail)

He was more deeply influenced by the Marchigian painter Gentile da Fabriano, who was in Siena in 1425 and 1426. Gentile’s love of pageantry, his preoccupation with costume, ornament and naturalistic detail would doubt- less have appealed to the Sienese artist. In Giovanni di Paolo’s pictures, as in those of Gentile, plants and animals are closely ob- served and carefully rendered, yet the world his creatures inhabit is a product of the ima- gination, ordered without reference to nature. (Katherine Baetjer)

Rond 1450 maakt Giovanni di Paolo de onderstaande ‘aanbidding van de wijzen’ waarin hij een heel eigen atmosfeer in de hoofdpersonages en het achterliggende landschap heeft gelegd. Er is een mengeling van oude en nieuwe stijl-elementen ontstaan. (Klik op het onderschrift voor grotere afbeelding).

The Adoration of the Magi (ca. 1450) tempera on panel (10.5 x 18.25 in.) National Gallery of Art, Washington
Christus op weg naar Kalvarie 1426

Tussen de aanbidding van de wijzen en de tocht naar de dood op het kruis spiegelen wij vaak ons eigen bestaan. De kunstenaar heeft op dit beeld de mensheid verzameld: van de bange kinderen linksonder naar de wanhopige moeder en de leerling die hij liefhad, maar ook de beulsknechten lopen mee. Boven de machthebbers, rechts de soldaten waarvan alleen de wapens zichtbaar zijn. Het vervolg vind je in het werk hieronder:

En gelukkig is er nog het beeld van dat ‘paradijs’ waarin mensen elkaar vreugdevol terugvinden. Het mag natuurlijk ook iets eerder, zeker nu we volop elkaar nodig hebben.

Lieve Cecilia, ik hoop dat vanuit je venster de grensloosheid van het oneindige zeewater het voorlopige ‘ophokken’ naar je hand en hart kunt zetten, zeker als je ook de vensters op het verleden kunt openen om daar de pogingen van zovele kunstenaars te smaken die op hun manier het uiteindelijke ‘bevrijd rondlopen’ zichtbaar maakten.

La Candida Rosa dei beati secondo

“While Giovanni di Paolo showed the characteristic preference for Trecento techniques, his interpretation of traditional themes was fresh and original, for he felt free to manipulate or embroider the subject matter in the interest of dramatic urgency. His early panels, particularly those on a small scale, seem to be his best, but his chronology remains problematical, for our concept of development has only limited application when truth to nature takes second place to the artist’s inner vision. However, scholarly problems aside, “few experiences in Italian painting are more exciting than to follow Giovanni di Paolo as he plunges, like Alice, through the looking-glass which separates reality from super-realism to explore the resources of a mystical, and therefore of a partially sub- conscious, world. “

The quotation is from John Pope- Hennessy’s Sienese Quattrocento Painting (Oxford, 1947, p. 13), and Pope-Hennessy is also the author of the standard monograph on the artist (Giovanni di Paolo, London, 1937). A book by Millard Meiss, Painting in Florence and Siena after the Black Death (Princeton, 1951), supplies background information on the period.

Giovanni di Paolo, The Descent from the Cross, 1426, tempera and gold leaf on panel, The Walters Art Museum, Baltimor

http://www.travelingintuscany.com/art/giovannidipaolo.htm

Madonna of Humility
Virgin and Child
about 1442
Giovanni di Paolo
Dimensions: 61.9 x 48.9 cm (24 3/8 x 19 1/4 in.)
Tempera on panel

Bij wijze van besluit:

Overgangstijden hebben hun eigen dynamiek. Er is de mode, ook in de kunstexpressie die op dat ogenblik geheel ten dienste stond van de religie waar de breuklijn tussen Rome en Constantinopel (langzaam) begint te vervagen.
Er zijn de gewoonten en technieken van het ambacht maar ook de eigenzinnigheid van de kunstenaar.
Problemen zijn de latere verspreiding in allerlei onderdelen van zijn werk over al de wereldmusea, en onze specifieke kijk op de geschiedenis die ook voortdurend wordt uitgediept en kan bijgesteld worden.
Het wonderlijke van zijn visionaire visie en vormgeving plaats Giovanni di Paolo als een markant kunstenaar tussen zijn talrijke collegae in het Toscane van die tijd.
Ook de diversiteit van zijn thema-behandeling blijft voor de nodige raadsels zorgen net als de variëteit van zijn kunnen waar naast boekillustratie en verluchting van muziekpartituren diverse stijlvormen aan bod komen met een zeker misprijzen voor de moderniteit van de renaissance.
De Encyclopedia Britannica schrijft over zijn werk:
‘Giovanni never left his native Siena, and his work reveals his persistent disdain of Tuscany’s progressive painters. He was long considered an inferior artist; his tormented spirituality and expressionist style were little appreciated before about 1920, but from that time his nervous draftsmanship and expressive distortions were considered to have heralded 16th-century Mannerist art and the painting of 20th-century Expressionism. Not only the colouristically and formally attractive figures and landscapes of the painter’s early and middle periods but also the unrefined forms of the 1460s and especially the 1470s are of interest, as they illustrate the artist’s changing vision of the world during the course of his development. (Kathleen Kuiper)
Hij wordt dus duidelijk ook in onze tijd herkend. Ook in de 15de eeuw kun je vrienden maken.

Het was voor mij, in deze eerder bange tijden, een ware troostvolle ontdekking die ik nog lang zal blijven koesteren en graag wilde meedelen.

The account books of the most important offices of Siena’s medieval municipality had covers made of decorated wooden panels. These were called ‘bicherne’, named after Bicherna, the financial office that started decorating its manuscripts before any other office did and continued to do so extensively. Production of these decorated book covers started in 1257 and continued until the middle of the fifteenth century. This strange alliance between art and bureaucracy is one of the most original manifestations of Sienese art and involved some of the finest artists

Brieven aan Cecilia (1): ‘Dunkelstunden’

Zou je nog van een wonderjaar durven spreken als je het evenwichtige getal 2020 schrijft, de werkelijkheid, nog geen drie volle maanden in dat jaar, heeft weinig met het wondere van doen. Ik probeer dus in mijn collecties aansluitingen te vinden die me uit deze donkerte brengen of minstens enkele lichtstraaltjes in de ‘maisons clos’ laten schijnen, maar stuit voortdurend op donkere massieve ondoorzichtige beelden.

Les Jeux Terribles (The Terrible Games) by Giorgio de Chirico, 1925. Oil on canvas.

Geboren in Griekenland en gestorven (na een lang leven) in Rome Italië, de verleiding was dus groot met een ‘metafysisch’ schilder te beginnen om me enigszins te kunnen thuisvoelen in deze ondoorzichtige donkere tijden.
Giorgio de Chirico.(1888-1978) en zijn Jeux Terribles uit 1925. Ik ben niet dadelijk fan van dit werk maar als kind droomde ik wel eens in zijn decors waarin de suizende stilte overheerste, vandaar.
Laat je niet door de filosofische houding verleiden want in zijn rechterhand houdt hij duidelijk triomfbogen, stadsgedeelten en een reusachtige gekantelde toren die net zo goed een stoere halter kon zijn. Kledij en omgeving doen de rest maar ik breng hem nu onmiddellijk thuis in Syrië waarin hij met de hulp van een koude tsaar die vreselijke spelen nog steeds verder ‘speelt’. Het troostbeeld, ‘The one Consolation’ (1958, jaar van de wereldtentoonstelling in Brussel) , is er een duidelijk vervolg van: de interpretatie laat zich in allerlei vormen raden maar ik hou het bij een onmogelijke troostpoging omdat het ‘emotionele apparaat’ een beperkte code heeft waarmee ‘de andere eenzaamheid’ (van de zittende figuur) nooit zal ontraadseld of zelfs maar benaderd kan worden.

Giorgio de Chirico The one consolation (1958)

Nochtans hoef ik niet alleen de bekende politieke namen te citeren maar onszelf in het verhaal te betrekken. Het laagje beschaving is al aardig gekrakkeleerd door een vermeend tekort aan goederen waar het alleen maar gaat om lege rekken die door het personeel niet in het tempo van de hamsteraars kunnen bijgevuld worden. Het laagje dat wij beschaving noemen dreigt vlug te verdwijnen in deze nog onduidelijke omstandigheden. Nog steeds met het verhaal van mijn moeder in de verre herinnering die omdat ze van mij in verwachting was (1943-44), vooraan in de aanschuivende rij mocht staan en voortdurend te horen kreeg dat het waarschijnlijk slechts een ‘vergiet’ (“temst” in het dialect van de streek) was, verstopt onder haar jas.
In hoever wij de overlevingsdrang kunnen combineren met het vermogen van medemenselijkheid mag een open vraag blijven die in tijden van rust en rijkdom makkelijk kan opgelost worden maar in deze tijden eerder een proeve van sociale bekwaamheid zal blijken.
Ik ga het zoeken bij een mooie ets van Edvard Munch uit 1894: het troosten. Trost. In dat jaar waarin ik mocht geboren worden, gestorven. (1863-1944)

Edvard Munch Trost 1894 droge naald-ets

Munch added additional drypoint in this state, primarily in the looming shadow and over the woman’s thighs, and a small number of hand-wiped impressions were printed in this state. In the deepening of the dark and oppressive shadow, Munch heightened the sense of melancholy. The swirling hair around the woman’s body adds to the sexual undertones. It was a subject that intrigued him over the years, and he used this same couple in several drawings and a similar painting of 1907. Munch goes far beyond a literal reproduction of the real world and Consolation is an iconic subject for the artist. (Catherine E. Burns Fine Prints)

Edvard Munch Toward the Forest (1897/1913–1915). Photo: courtesy © Munch Museum/Munch

Wellicht is ‘het troosten’ een kunst. Er bestaan immers vele vormen van vals-troosterij. Het in de armen vallen van een net uitgetelde concurrent is daar een bekend voorbeeld van. Troost kan alleen maar als ik mijn eigen eenzaamheid verlaat om in mindere of meerdere mate deelgenoot van de andere eenzaamheid te kunnen worden. De grote stilte waarin ze meestal aanvangt duidt op de moeilijkheidsgraad. Het is eerder je nabijheid voelbaar mogen maken dan verbale verklaringen. Ik herinner me een troostliedje dat mijn moeder zong bij kinderverdriet. Weten dat je in een innige nabijheid mag zijn wie je bent. Dat is een groot voorrecht. En de donkere uren kunnen je ook helpen een verloren droom te vervullen zoals Rainer Maria Rilke schreef in zijn Stundenbuch:

Ich liebe meines Wesens Dunkelstunden 

Ich liebe meines Wesens Dunkelstunden, 
in welchen meine Sinne sich vertiefen; 
in ihnen hab ich, wie in alten Briefen, 
mein täglich Leben schon gelebt gefunden 
und wie Legende weit und überwunden. 

Aus ihnen kommt mir Wissen, dass ich Raum 
zu einem zweiten zeitlos breiten Leben habe. 
Und manchmal bin ich wie der Baum, 
der, reif und rauschend, über einem Grabe 
den Traum erfüllt, den der vergangne Knabe 
(um den sich seine warmen Wurzeln drängen) 
verlor in Traurigkeiten und Gesängen.
De eik, 1906 Edvard Munch
Ik min de tijd waarin mijn wezen donkert

Ik min de tijd waarin mijn wezen donkert,
de uren dat mijn zinnen zich verdiepen
want daarin heb ik, als in oude brieven,
mijn daaglijks leven al geleefd gevonden,
en als legende klaar en overwonnen.

En daaruit komt de wijsheid, dat ik ruimte
heb voor een tweede eeuwig lang bestaan.
En vaak ben ik de boom weer die je ruisend
en vol van vrucht boven een graf ziet staan
als de vervulling van dromen die de knaap
(die nu in warme wortels is gevangen)
verloren heeft in droefheid en gezangen.

vertaling Arie van der Krogt
Working Title/Artist: The Creation of the World and the Expulsion from Paradise

In dat tweede leven neem ik je graag volgende keer mee naar ‘het Paradijs’ en wat daarmee gebeurde, zij het dan als schilderij van een schilder die graag bij de mystiek van de middeleeuwen bleef terwijl de anderen zich naar de renaissance haastten. De vervulling van een droom is niet aan mode en tijd gebonden.

Ook het oor wil soms troost

Nagekomen addendum uit ‘Daily Art Magazine, ‘Plague in Art: 10 Paintings You Should Know in the Times of Coronavirus by Zuzanna Stanska:

Among other famous artists who died of the Spanish flu were Gustav Klimt, Amadeo de Souza Cardoso, and Niko Pirosmani. Spoiler Alert: Edvard Munch caught it but he survived. Munch painted this work in 1919. He created a series of studies, sketches, and paintings, where in a very detailed way he depicted his closeness to death. As we see here, Munch’s hair is thin, his complexion is jaundiced, and he is wrapped in a dressing gown and blanket.

Edvard Munch, Self-Portrait After Spanish Influenza, 1919, Oslo, at the National Gallery.

ANJ SMITH: The everyday and the overlooked

The moon, like a flower
2012
Oil on linen
36.2 x 28.5 x 2.5 cm / 14 1/4 x 11 1/4 x 1 in

Enerzijds is de kunstenares, Anj Smith (Kent U.K.1978) bezorgd over de verwantschap van haar werk met bestaande stromingen uit de kunstgeschiedenis, anderzijds wil ze met haar beeldentaal een oorspronkelijke bijdrage leveren in haar onderzoek naar haar eigen vormen van representatie. Een bekende spagaat waarbij pijnlijke training en omvallen niet is uitgesloten.
Nu is ‘evenwicht’ zeldzaam een betrachting van artistieke expressie geweest, -tenzij in de klant is koning en hij/zij betaalt ervoor- al kun je ook in wat wij experimenteel werk noemen, je bevindingen in kleurenkeuze en compositie makkelijk aan bestaande wetten laten voldoen zonder in originaliteit tekort te schieten. Het doel: de kijkenden bereiken is immers ook aan dergelijke wetten onderhevig. Je bent tenslotte een kunstenaar(es) en niet dadelijk een patiënt in een psychiatrische inrichting, al is hier ook de afstand wel eens kleiner dan we willen toegeven en stroomt de eerder wilde energie van deze laatste bevruchtend over het te cleane plaatje van de eerste.

S.O.S, 2016–2017
Oil on linen
63.4 x 55.7 cm

‘My main medium is ideas,’ zegt Anj Smith, en dat maakt meteen het onderwerp duidelijk: de ideeën bepalen de vorm, en hier zijn de bronnen net zo talrijk als ze voorradig zijn, het leven in al zijn vormen en contradicties.
Een man zou eerder in hokjes gaan werken, onderverdelen om te heersen, het vrouwelijke echter heeft de beweging van het leven zelf tot in haar eigen lichamelijkheid en dat bepaalt natuurlijk ook een specifieke vormgeving waarin het vloeiende het haalt op het hoekige of robuste al mag je de kracht ervan niet onderschatten omdat ook ‘het verborgene’ bij die ‘ideas’ hoort, het mysterieuze als het brutale, het androgyne als het noodlottige.
‘De chtonische overvloed van emotie is een mannelijk probleem. Een man moet strijd leveren met die enorme kracht, die in de vrouw en in de natuur zetelt.’ schrijft Camille Paglia in ‘Het seksuele masker.’ (p30) De rust deze strijd niet te moeten leveren vind je, naar mijn aanvoelen, in het werk van Anj Smith terug in compositie en kleurgebruik, al is er dan zeker een andere onrust niet uitgesloten: hoe bereik je in die innerlijkheid de andere, en begrijp ik dat zij eerder de inspiratie bij Sapho zoekt: ‘And the fact that my muses were women was also deliberately misrepresented by male historians to fit a heteronormative agenda.’ Ook hier onrust en angsten voor het rapen. ‘I hadn’t realised how labyrinthine sexuality is.’

Origin of Geometry, 2008
Oil on linen
32 x 38 cm

‘I love the idea that painting, pointless technologically, can still hypnotise and seduce us. For me, this is where the uniquely profound nature of painting is located, as no other medium offers this specific legacy. Its multiple deaths, resuscitations and evolutions make it especially apt in negotiating the great global & personal uncertainties of now. This difficult, baggage-ridden, faltering yet essentially surviving medium enables me to excavate often-overlooked art histories. These then filter down, combining with my lived experiences to form the layers of the work. Painting can facilitate the complexity of all of this, allowing me to explore the very edges of representation.’

Letters of the Unconscious 2015 51 x 44,1 cm

Anj Smith’s intricately rendered paintings explore issues of identity, eroticism, mortality, and fragility. Within her remarkably detailed works, wildly feral landscapes, ambiguous figures, textiles, and rare and exotic flora and fauna are used, to investigate the possibility of a contemporary sublime. Drawing upon sources as disparate as the works of Lucas Cranach, and the couture of Madam Grès (as examples), Smith weaves archaic traditions and contemporary signs together into a personal cosmology. In Smith’s luscious visual language she embraces the instability of meaning, exploring shifting boundaries, disintegration and the liminal. Her paintings are rich in detail, color and texture, collapsing strict definitions of portraiture, landscape and still-life whilst allowing elements of each to coexist.

Opera Aperta, 2017 – 2018, by Anj Smith, oil on linen.

Enduring throughout Smith’s oeuvre is the breakdown of the distinct genres of portraiture, still life and landscape painting, allowing various elements to exist simultaneously, to varying degrees. In ‘Landscape With Lagerstätte’ (2017) a woman’s resting face is covered in Lagerstätte, a sedimentary stratum that often encloses preserved fossils. Smith’s deposit is ethereal; minute corals and wiry branches, threaded under and through rips in the stitched chiffon, gently hold the delicate fabric in place.

Landscape With Lagerstätte, 2017, by Anj Smith, oil on linen

Hauser & Wirth: https://www.hauserwirth.com/artists/2825-anj-smith

 Portrait of a Girl in Glass, 2012, Oil on linen, 18 1/2 x 15 3/4 x 1 in

Literature has been a constant source of reference for Smith—who grew up in Kent with four sisters and little entertainment aside from books. A key inspiration for this language was Sappho, an archaic Greek lyric poet from Lesbos. Most of her work has been lost, but her rumination on the complexity of female eroticism and desire contained in the fragments that have survived stand – ‘in striking contrast to the flat cliché of the female body as passive receptacle of male desire. Her descriptions reveal eroticism to be an architecture of the mind as well as “limb-loosening” physicality’, as Smith puts it.

Breach of the Palisade 2008 28 x 22 cm

I love Bosch. I do see elements of still life, portraiture and landscape in all of the works but I come from the approach that genre is very fluid and can be collapsed at will. Each painting escapes easy categorisation, so a portrait isn’t straightforward portraiture, there are elements of a state of mind I’ve experienced. I also consider the paintings where a figure isn’t present to be portraits, but portraits of a psychology, a neurosis, or our desires. One of the joys of painting is that you can reference all of these art historical riches but you can interpret them in a contemporary context. A great subject of the work is the celebration of painting now. I think there is something really profound about using a medium that has supposedly been dead for 150 years. It’s a metaphor for something that is eternal and remains despite everything.’

Reconstruction 2010 Oil on minen 25.4 x 31.8 cm

The traditional subgenres of painting – landscape, portrait and still life – overlap in Smith’s works. They are psychological landscapes and indirect, oblique portraits of people who are no longer present, but who have left their mark in a variety of fine details. The human figures serve as vehicles with which Smith registers, for example, experiences of anxiety or alienation. She accentuates the eyes so as to direct the viewer’s attention towards the interior world. In her latest paintings Smith has addressed issues related to the fragility of identity, the complexity of gender, and more.

Portrait of a Boy in Glass II (detail), 2016 – 2017, by Anj Smith, oil on linen.

My main medium is ideas,” Anj Smith says, and combines traditional oil painting with conceptual contemporary art. Her sources of inspiration are manifold and stratified: psychology, literature, the limitations of language, nature, fashion, punk culture, and the history of painting; the everyday and the overlooked.

Leaf Relic with Fruits 2015 oil on linen 56.1 x 90cm

Wellicht is het leren kijken ons aller opdracht.
We zijn nog te veel opgevoed met het vooroordeel ‘wat iets wil zeggen’ ook als het zwijgt.
Rachel Whiteread, kunstenares en vertegenwoordigster van de Young British Artists die in de jaren tachtig furore maakten, kreeg de vraag waarom ‘ze het nog altijd een interessant idee vindt om ruimte een vaste vorm te geven of lucht in iets tastbaars te veranderen’. Haar antwoord: ‘Als ik dat wist, zou ik het niet doen.’ (Julian Barnes ‘Hm, hé, ha: Kunst en woorden.)
Het leren kijken echter begint met tijd te nemen.
Full screen is geen luxe. Vroeger kostte het dagreizen om kunstwerken te gaan bekijken, nu zijn ze in heel goede kwaliteit, op je scherm aanwezig. De meeste titels kun je hier aanklikken en dan kom je in hun oorspronkelijke ruimte terecht.
Soms helpt muziek erbij als onzichtbare laag, het is alvast een goede oefening in het associërend kijken en denken waarover we het later gaan hebben als ik over Gaston Bachelard wil schrijven, voor mij een meester-denker die poëzie en filosofie kon verzoenen.
In zijn ‘L’intuition de l’ instant’ citeert hij een uitspraak van Baudelaire:
‘Tout enfant, j’ ai senti dans mon coeur deux sentiments contradictoires: l’horreur de la vie et l’ extase de la vie.’ (Baudelaire, Mon coeur mis a nu, p.88)
Een moeilijke maar goede mengeling om wat wij ‘kunst’ noemen tegemoet te treden.

Names of the Hare 2017-2018 oil on linen 65.5 x 50 cm
‘Rhinoceros’
Anj Smith, 2016, Oil on linen , 38.3 x 30.4 cm

‘Het Monster’, een kortverhaal

Thomas Cole 1827
In het Noorden leefde er eens een gewone, eenvoudige houthakker. Hij woonde in een hutje in het Stemmenwoud. Dat was een soort betoverd bos waarin allerlei stemmen klonken die je soms mijlenver kon horen. Tenminste, dat was vroeger zo. Want zo lang de houthakker zich kon herinneren had hij slechts éénmaal de wondere stemmen gehoord. En zelfs toen twijfelde hij of het niet een droom of de nawerking van een grote dosis bessenjenever was.
Zijn grootvader had als kind de stemmen ook gehoord, bijna elke dag. Stemmen die over de vreugden en miseries van het leven zongen.
Gabriel Fournier (1893-1963) | Village dans la montagne
Maar toen kwam het monster. Het monster. 
Hoe ouder de jongen werd, hoe meer hij over het monster hoorde vertellen. 
Het zou vervaarlijk groot zijn, alles verslinden, machtig en wreed, kortom een monster zoals ze thuishoren in verhalen die in de lange winteravonden bij het vuur worden verteld. 
Het had zijn schuilplaats op de top van de berg, boven het Stemmenwoud. Niemand was er ooit geweest, want de enkelingen die het hadden gewaagd, keerden nooit terug.
Albert Bierstadt – Storm in the Mountains
Op een dag besloot de houthakker het monster op te zoeken.
‘Neen!’ fluisterden de bomen. ‘Dat moet je niet doen. ]e komt nooit terug.’
‘Dat is zo!’ hijgden de paddestoelen. ‘Blijf weg van de heuveltop. Het monster kent geen genade.’
‘Inderdaad!’ koerden de houtduiven. ‘Het monster heeft zijn helpers die op de flank van de heuvel wonen. ]e bereikt het nooit.’
‘Ik wil het monster zien. We zullen eerlijk met elkaar vechten,’ zei de houthakker. ‘Als ik win, gooi ik het naar beneden zodat de grote angst eindelijk kan verdwijnen.’
‘En als het monster wint?’ vroegen de eekhoorns.
‘Dan zal mijn zoon mijn voorbeeld volgen als hij oud en wijs genoeg is. Ik wil dat iedereen weer vrij kan fluisteren, roepen en zingen in het Stemmenwoud.’
Hoe langer de houthakker praatte, hoe meer moed hij kreeg.
Tenslotte nam hij brood mee voor vijf dagen, een kruik water en een kruik bessenjenever, en hij vertrok.
Joseph Megard – Chemin dans la montagne
Het begon al te onweren nog voor hij de bergflank bereikte.
‘Dat is het monster!’ riepen de adelaars. ‘Ga terug.’
‘Dat is de bliksem en de donder,’ zei de houthakker.
Hij zocht beschutting, dronk een slok jenever om het weer warm te krijgen en trok rustig verder toen de zon door de wolken brak.
Het eerste ondier dat hem overviel had drie koppen.
‘Ik heet de twijfel,’ zei het met drie stemmen tegelijkertijd.
‘Waarom doe je dit? Waarom wil je naar boven?’
En voor de houthakker antwoord kon geven was het dier verdwenen.
‘Tja, waarom doe ik dit?’ vroeg de houthakker zich af. ‘Ik heb een vrouw, drie kinderen, een mooi leven in het woud, een gitaar en een sterrekijker.'
’De hele nacht spookte de twijfel in zijn hoofd, en pas in de klaarte van het morgenlicht besloot hij verder te klimmen.
Het tweede dier stak zijn vijf koppen boven de rots en sprak vijfstemmig:
‘Ik ben de angst. Ik ben overal om je heen. Voel je mij niet?’
En voor de houthakker antwoord kon geven, verdween het.
‘]a,’ dacht de houthakker terwijl hij in een diepe ravijn keek: ‘Ik heb altijd al hoogtevrees gehad.’
Het zweet parelde over zijn gezicht, en zelfs een vloek of een schietgebed bracht geen oplossing. 
Toen het avond werd overwon hij zijn schrik en sliep hij rustig onder een overhangende rots.
Tegen de middag van de volgende dag bereikte hij de top.
Thomas Coole Schroon Mountain, Adirondacks
‘Waar ben je?’ riep de houthakker. ‘Monster waar ben je? De bewoners van het Stemmenwoud beven voor je macht. Iedereen houdt zijn adem in als er over jou wordt gesproken. Waar ben je nu?’
Waar de houthakker ook keek, hij zag geen monster, geen gedrocht dat hem beloerde en hem weldra zou verslinden of in de ravijn kon duwen.
Beneden hem lag het woud in het schitterend licht van de middagzon. En toen de houthakker naar zijn voeten keek, zag hij het.
Een klein kaal diertje was het. Het had zelfs geen stem om te brullen. Het leek op een muis, maar ook op een slak. Het trilde over heel zijn lijf.
‘Dus jij bent het monster?’ zei de houthakker.
Het slijmerige bolletje kromp in elkaar. De houthakker trapte het plat. Het kraakte niet eens.
Hij zag het in de diepte verdwijnen tot het oploste in de trillende lucht boven het dal. Verwonderd at de houthakker zijn brood.
‘Zo’n onooglijk ding,’ dacht hij. ‘En toch zo machtig!’
Net voor hij weer naar beneden wilde, bedacht hij zich.
‘Ik heb eigenlijk een zwaar leven,’ zuchtte hij. ‘De kinderen, het dagelijks brood. Het beetje troost van mijn gitaar en mijn sterrekijker weegt niet op tegen het eeuwig gehak en gekap.’
Hij keek over het woud, de kleine dorpjes en het smalle lint van de rivier in het dal. Hij ademde diep in, en riep zo luid hij kon.
Eigenlijk was het geen roepen meer. Het klonk als de schreeuw van een monster. 
En toen de zoon van de houthakker dertien was geworden, klom hij naar boven en vond hij een gruwelijk behaard wezen dat hem iets duidelijk wilde maken.
Maar daarvoor kreeg het geen tijd, want met één zwaai had de zoon het hoofd van zijn vader afgehouwen.
Hij keerde terug naar het dal, verspreidde gruwelijke verhalen over het monster waaraan hij nog net was ontsnapt en trouwde later met een goede hardwerkende vrouw en genoot van zijn roem. Tot op een dag...
Nikki Frumkin