Een stervende dandy: Nils Dardel (2)

Dandy met een zwaard, ca. 1910

In het boeiende verzamelboek ‘Na de catastrofe’, de Eerste Wereldoorlog en de zoektocht naar een nieuw Europa’, schrijft Geertjan de Vugt een bijdrage: ‘Een dandy sterft, Nick Dardel en de Grote Afwezige’ waarin hij gecentreerd rond de figuur van de dandy het leven van de schilder belicht, een goed gedocumenteerd en onderbouwd document dat we hier graag willen voorstellen door talrijke citaten en verwijzigingen.

Min far (ca 1910) My Father (Fritz August von Dardel)

Nergens bommen. Ook geen rook of vuur. Geen verwoestingen of ruïnes. Geen dramatische weergave van de gruwelijke veldslagen. En zeker ook geen sporen van kanonnen, granaten en geweerschoten. Het werk van de Zweedse schilder Nils Dardel (1888-1943) is in eerste instantie zeker niet doortrokken van referenties aan de Grote Oorlog. Nee, veeleer gaat er een serene rust uit van de talloze portretten en droomachtige taferelen die hij tussen 1914 en 1918 schilderde. Nauwelijks lijken de giftige gassen, waarmee de oorlog een nieuw dramatisch hoogtepunt bereikte, tot de sfeer van Dardels werk te zijn doorgedrongen. Toch loopt er een diepe cesuur door zijn oeuvre; een cesuur die samenvalt met de tijd van de Grote Oorlog. Slechts eenmaal heeft de oorlog Dardels atelier bereikt. Slechts één soldaat en één loopgraaf. En zelfs die ene keer gaf Dardel dit in zijn eigen onmiskenbaar homo-erotische beeldtaal weer. Dardel wist wel degelijk wat er speelde in de wereld buiten zijn atelier, ook al kon hij dit slechts vatten in zijn eigen droomachtige beeldtaal.‘ (p. 297)

Alkibiades, 1915

Dat klinkt wel mooi, maar als je goed het werk bestudeert zie je toch allerlei sporen die in diverse werken van dat tijdperk 1914-1918 opduiken. Kijk hierboven, ik denk ook aan ‘De dode huzaren’ en in 1919 ‘Execution’ om ‘Een dans met de dood’ uit 1920 en diverse anderen te citeren., die inderdaad na ‘de grote slachtpartij’ het licht zien. De oorlog heeft de stemming van zijn werk veranderd. Kijken we naar het nadrukkelijke ene doek ‘I skyttegraven’, ‘De loopgraaf’ uit 1916.

De loopgraaf

‘De loopgraaf is een, op het eerste gezicht, nogal wild doek waarop Dardels vriend Ivan Lonnberg op de voorgrond zorgeloos ligt te rusten, terwijl op de achtergrond talloze soldaten ten strijde trekken. De lucht is gekleurd door vuur en rook en rechts zijn nog vage contouren te zien van een kerk waarvan de torenspits verwoest is. Toch beweert Dardels biograaf Karl Asplund dat het doek, mede door het lichte kleurgebruik, weinig aan de gruwelen van de oorlog doet denken. ‘Opvallend is de pose van zijn kunstenaarsvriend Lonnberg, die met een vrolijke, zorgeloze gezichtsuitdrukking wegkijkt van de toeschouwer. Zijn blik is in precies de tegenovergestelde richting van het front gericht. Lonnberg heeft Zijn benen wijd gespreid en het geweer fier overeind, waardoor de homo-erotische lading van dit doek niet te miskennen is. De wereld stond in brand, maar de dandy-schilder Dardel leek gepreoccupeerd met andere zaken. Of sterker, juist zijn enige directe weergave van de brandhaard Europa getuigt van een zeker onvermogen met die situatie om te gaan. Zelfs met zijn enige doek over de oorlog kwam Dardel niet los van zijn wat droomachtige en homo-erotische beeldtaal. Het is opmerkelijk dat er in zijn oeuvre slechts een enkele weergave te vinden is van de gebeurtenis die heel Europa op zijn grondvesten deed trillen. Tegelijkertijd moet opgemerkt worden dat het met name Duitse en Britse kunstenaars waren die de oorlog in hun werk thematiseerden. In Frankrijk was het eigenlijk alleen Léger die in zijn doeken zijn ervaringen van de oorlog verwerkte.(p300-301)

Dode Huzaren 1919
David en Goliath, aquarel 1916

Of je de houding van de gespreide benen van Lonnberg ‘met zijn geweer fier overeind’ moet duiden als ‘homo-erotische lading van het doek’ laat ik in het midden, maar er is wel degelijk een ‘niet zo dromerige’ aanwezigheid in zijn werk te vinden. Het ‘niet loskomen van de droomachtige en homo-erotische beeldentaal’ is dan ook een vlug getrokken conclusie. Anderzijds is het inderdaad zo dat zijn relaties met De Maré en Wilhelm Uhde duidelijk liefdesrelaties waren.

Rue de la Ville de Paris in Senlis 1912

‘Naast zijn vriendschap met De Maré onderhield Dardel nog een hechte vriendschap en liefdesrelatie met de Duitse verzamelaar en criticus Wilhelm Uhde. Via Uhde leerde hij de legendarische kunsthandelaar Alfred Flechtheim kennen, die hem in 1913 als enige Zweed een plaats gaf op de openingstentoonstelling van zijn galerie in Dusseldorf. Langzaamaan ontwikkelde Dardel zich tot een spilfiguur in de vooroorlogse Noord-Europese kunstwereld. En zijn vriendschap met zowel De Maré als Uhde was zo hecht dat hij samen met hen naar Senlis, een klein middeleeuws plaatsje even ten noorden van Parijs, verhuisde. De drie vrienden woonden daar samen en voor Dardel zou het een van de productiefste periodes uit zijn leven worden. In Parijs werd hij een van de actievere leden in de kring rond Matisse, evenals in die rond Picasso. De laatste was nooit echt een vriend van Dardel, Fernand Léger daarentegen zou tot het eind van Dardels leven bevriend met hem blijven. De groep waar Dardel zich in begaf bestond niet alleen uit schilders, maar ook de componist Erik Satie en schrijvers als Jean Cocteau, Tristan Tzara en Guillaume Apollinaire, die ooit schreef dat Dardel ‘pittoreske dingen maakt’, bevonden zich onder zijn intimi. Maar hij zou hen niet zien gedurende de Grote Oorlog.’ (p.300)

Parisergata (street in Paris), 1915 watercolour

Ver van de loopgraven bleef hij, inderdaad. De eerste jaren verbleef hij in Zweden, in 1917 vertrekt hij met De Maré op grote reis naar Amerika. Op de terugreis zijn ze verplicht via een westelijke route te reizen. ‘Na Mexico en Hawaii komen ze in Japan terecht. De Japanse kunst zal hem ten zeerste blijven beïnvloeden.

Eleganter i Japan (the elegants in Japan) 1918, watercolour

Dus bleef hij achter om de schilderkunst van dat land te bestuderen, wat een diepe invloed op zijn eigen schilderijen zou hebben. Zo zou deze invloed volgens een aantal critici ook te vinden zijn in Dardels belangrijkste doek, ‘Den diiende dandyn’. Na zijn terugkeer met de Transsiberië- express begon Dardel de indrukken van zijn reizen vast te leggen op een aantal doeken. 1918 zou een uitzonderlijk vruchtbaar jaar voor hem zijn. Terwijl de oorlog op z’n eind liep, bracht Dardel zijn tijd door bij zijn familie in een klein dorpje ten zuiden van Stockholm. Hier werkte hij aan wat zijn belangrijkste doek zou worden. In dit jaar kreeg hij ook zijn eerste solotentoonstelling in Stockholm. En het was eveneens in ditzelfde jaar dat met de hulp van zijn vriend Pär Lagerkvist, die eens beweerd heeft dat er geen grotere Zweedse modernist was dan Dardel, de kritieken steeds positiever werden. Het geluk leek Dardel toe te lachen. Maar de dandy stierf. En Europa zuchtte; het was oorlogsmoe.’ (p.301-302)

De stervende dandy, 1ste versie 1918
De stervende dandy, 2de versie 1918

‘Omdat Geertjan de Vugt niet spreekt over de eerste versie geef ik ze beiden onder elkaar zodat de kijker zelf de wording van het definitieve doek, 2de versie, kan volgen. Er zijn wel merkwaardige verschillen zichtbaar, maar dat laat ik aan de kijker ter interpretatie. Ikzelf vind ze beiden erg mooi. Geertjan bespreekt de tweede en dus de definitieve versie.

‘Het samenvallen van het sterven van de dandy als cultureel fenomeen en de periode 1914-1918 kan tamelijk toevallig lijken, maar schijn bedriegt. Een wat langere beschouwing van Dardels De stervende dandy kan dit goed duidelijk maken. Het doek toont een piéta, maar wel in een uiterst curieuze vorm. Een keurige jongeman, gekleed in groen, de kleur van het hiernamaals, is stervende. Zijn gezicht is lijkbleek. Terwijl zijn linkerhand grijpt naar zijn hart glijdt uit zijn rechterhand een spiegel. ‘Een dandy leeft en slaapt voor een spiegel,’ schreef Baudelaire eens. En hij, zo kan nu worden toegevoegd, sterft er ook voor. Het lijnenspel in dit tafereel laat zien dat van rechtsonder naar linksboven en van linksonder naar midden boven twee lijnen lopen, die samen een kruis vormen. Bovendien zijn de drie vrouwen niet moeilijk te identificeren: hun kleuren — zoals zo vaak in de iconografische traditie treft men ook hier rood, blauw en geel — verraden dat men hier te maken heeft met de drie Maria’s. De dandy die hier sterft is niet zomaar een dandy. De christelijke symboliek duidt aan dat we te maken hebben met een stervende Christus-dandy. Als met het uitbreken van de oorlog de goden de wereld nog niet hadden verlaten, dan hebben ze dat nu zeker wel. Hier wordt het einde van la religion du dandysme, tevens de titel van een door Ernest Raynaud geschreven biografie van Baudelaire die in datzelfde jaar uitkwam, op een schitterende manier verbeeld. Raynaud schreef dat de dandy voor Baudelaire de Christus is die moet lijden voor de zonden, begaan door de gewone mensen. En zo hoopte Raynaud dat we morgen, dat wil zeggen, na het einde van de oorlog, ‘de algehele omverwerping van gewoontes en ideeën’, de hele ontreddering, achter ons kunnen laten en terug kunnen keren naar een tijd waarin de ‘geestelijke gesteldheid’ nog zoiets als een baudelaireaanse dandy toestaat. Maar met de wereld aan flarden geschoten wist ook Raynaud wel beter. Uit de laatste regels van zijn boekje klinkt een wanhopige wens, een wens die Dardel al achter zich had gelaten. Voor hem had de oorlog definitief een einde gemaakt aan de religie die door Baudelaire gesticht was.’ (p.302)

Een mooie zondag in de zomer 1919, oil on canvas

Net als ‘de dood van de dandy’ zal ontstaan verschijnt Raynaud’s boek over Baudelaire. Beiden verkondigen het einde van het dandyisme, schrijft Geertjan de Vugt. Een boeiende uiteenzetting over de figuratie van de Dandy volgt dan:

‘Raynaud en Dardel waren echter niet de enige twee die de teloorgang van deze enigmatische negentiende-eeuwse figuur terugvoeren op de verschrikkelijke omwentelingen die Europa doormaakte in de periode 1914-1918. In de geschiedenis van het dandyisme wordt, met het einde van de long nineteenth century, vaker de nadruk gelegd op het verdwijnen van deze curieuze figuur gedurende de oorlog. Zo schrijft de Duitse literatuu1wetenschapper Karin Becker dat met de Grote Oorlog de dandy sterft: ‘Zijn tijdperk komt definitief tot een eind met de oorlog van 1914-1918, waarbij een hele beschaving ondergaat in een verschrikkelijk bloedbad. De dood van de bourgeois maatschappij betekent noodzakelijkerwijs ook het verdwijnen van de dandy. Met de oorlog is een hele bourgeois cultuur verdwenen, maar ook heeft hij een nieuwe geïndustrialiseerde samenleving met nieuwe productiemogelijkheden mogelijk gemaakt. Iedereen kan zich nu als dandy voordoen, dat wil zeggen, niemand is meer echt een dandy. Hetzelfde punt wordt gemaakt door de Canadese literatuurwetenschapper Michel Lemaire: ‘Het lijkt me dat de oorlog van 1914 (…) het einde van een wereld markeert.’ En de Amerikaanse cultuurcriticus Ronda Garelick merkt op dat de dandy kort na de oorlog verdwijnt door het ontstaan van een nieuwe cultuurindustrie die geleid wordt door de ‘grote kantoren van de massamedia’. De dandy verandert langzaam in de moderne celebrity, die afhankelijk wordt van de grillen van mediamagnaten en andere bonzen in een vercommercialiseerde cultuurproductie. Ook de klassieke studie van het dandyisme, die van Ellen Moers, eindigt op het moment waarop Dardel de laatste hand legt aan zijn doek; niet toevallig het einde van de Grote Oorlog.‘ (p.303)

Wandschildering in de stadsbibliotheek van Stockholm, versie van de kleine Deense man met de paraplu 1927

Kreeg met de stervende dandy ook Dardel’s liefdesleven een vrouwelijke draai? Thora en daarna Edith Morris worden zijn echtgenote. De Vugt beschrijft de nieuwe vriendenkringen.

‘Sommigen van Dardels vrienden beweren dat hij nooit helemaal afscheid heeft genomen van zijn liefdesleven van voor de oorlog. Dit zou zich hebben gewroken in zijn relatie met Thora. Hoe het ook zij, na zijn scheiding werd Dardel al snel verliefd op een andere vrouw: Edith Morris. Zij was een van de redenen voor Dardels terugkeer naar de Verenigde Staten. Maar eerst had hij nog een solotentoonstelling in Stockholm in 1939. Critici van het Svenska Dagbladet spraken van een ware uitbarsting van ‘dardellisme’. Nog nooit was hij zo’n gevierd persoon in zijn thuisland als nu. En toch zette hij opnieuw koers naar New York, waar hij zich snel bij Edith voegde. Voor de tweede keer in zijn leven ging hij op de vlucht voor een ophanden zijnde oorlog. En weer leidde de vlucht hem naar de Verenigde Staten. Deze keer zou hij niet meer terugkeren.’

Min dotter, 1923 Mijn dochter (Ingrid)

En was de dandy werkijk gestorven? Hij zou al snel aan een wederopstanding beginnen, schrijft Geertjan de Vugt. ‘En wel in de dada-beweging ditmaal. Volgt dan een boeiende uiteenzetting over die nieuwe verschijning via het boek van Hugo Ball, en Hannah Hochs Da-Dandy, en Walter Semers ‘Handbrevier für Hochstapler’, het manifest voor een da-dandyisme. Een boeiend relaas!

Lethen vindt hier het voorbeeld van wat hij de ‘koele persona’ noemt: ‘iemand die zowel innerlijk als uiterlijk onverstoord blijft, terwijl de wereld om hem heen tot chaos verwordt.’ De uiterlijke onverstoorbare facade, door de dandy altijd tot in het meest minuscule detail geperfectioneerd, wordt een schild en de dandy zelf wordt een dandy-soldaat. Juist ten tijde van de Grote Oorlog, het moment waarop volgens Walter Benjamin de moderne mens definitief een harmonieuze ervaring van de wereld verliest, wordt het ideaal van de ‘koele persona’ tot het uiterste doorgevoerd. Anders dan zijn voorganger uit de negentiende eeuw, bleek de da-dandy zich veel beter thuis te voelen in de chaos van de moderniteit. Wellicht had Dardel zoiets al gezien en blijkt bij nadere beschouwing dat I skyttegraven, Dardels enige referentie aan de oorlog, een weergave is van een koele, zelfverzekerde en gedistantieerde dandy op het slagveld van Europa. De wereld stond in brand, maar het kon hem allemaal niet deren. Hij was, om nog eens met de termen van Baudelaire te spreken, ‘blasé.’ Het dandyisme vormde een harnas voor de onstuimige buitenwereld, zoals het ook Dardel in zijn leven tot het jaar 1913 als bescherming gediend heeft. De religie van de dandy, waarvan de teloorgang op dat moment door meerdere stemmen betreurd werd, werd al die tijd gewoon gevierd. Sterker nog, ze leek de middelen te verschaffen die juist nodig waren op het moment dat oorlogszucht en hysterie om zich heen begonnen te grijpen. Dardel wist dit en legde dit vast. Echter na 1918 was het voor hem niet meer nodig zich achter die façade te verschuilen en liet hij de dandy sterven. (p. 305)

The abduction of the snake, 1931


Na de Catastrofe, De Eerste Wereldoorlog en de zoektocht naar een nieuw Europa, Nieuw Amsterdam Uitgevers, 2014. Nog tweedehands als nieuw te verkrijgen.

‘Een dandy sterft, Nils Dardel en de Grote Afwezige’, Geertjan de Vugt p. 297-307

Geertjan de Vugt (1985) studeerde algemene cultuurwetenschappen aan de Universiteit van Tilburg en comperative literature aan de Universiteit Utrecht en de university of Wisconsin-Madison. In 2013 was hij als research collaborator verbonden aan het departement Comperative Literature van Princeton University. Op dit moment (2014) schrijft hij aan de Universiteit van Tilburg een proefschrift over de genealogie van de dandy, als politiek-esthetische figuur. Met zijn pleidooi voor een herwaardering van de zintuigelijkheid won hij de Spui25-essayprijs. Eerder schreef hij over Walter Benjamin, Charles Baudelaire, Lodewijk van Deyssel, Walter Serner en over de politieke poëzie van Walt Whitman.

Geertjan de Vugt promoveerde aan de Universiteit Tilburg op het proefschrift The Polit-Dandy: On the Emergence of a Political Paradigm. Hij is momenteel verbonden aan het Internationales Forschungszentrum Kulturwissenschaften in Wenen en de KNAW inAmsterdam (2019)

Zelfportret 1935

Meesterlijk spelen met ‘-ismen’: Nils Dardel (1888-1943)

‘Ett hjärta i brand – Hart in brand – Heart on fire

Schilder Nils Elias Kristofer von Dardel (1888-1943) -laten we hem in de wandeling Nils Dardel noemen- kwam, nomen est omen, uit een Zweedse adelijke familie, oorspronkelijk van Zwitserse nationaliteit. Met een grootvader als diplomaat en artiest, (Fritz von Dardel) lid van de Koninklijke Zweedse Kunstacademie in Stockholm waaraan zijn kleinzoon later zal studeren, zijn er ook financieel weinig of geen problemen om de toenmalige wereld te bereizen.

Self-Portrait 1906 oil on canvas

Net zoals menig ander Zweeds kunstenaar uit die tijd trekt hij al vlug, in 1910 naar Parijs waar hij vooral bij ‘Les Fauves’ en de Post-Impressionisten, als bij Japanse houtsnedes, inspiratie vindt. Hij verkent het Pointillisme, en leunt even bij het Cubisme aan. Hij zal hoofdzakelijk tot in 1939 in Frankrijk verblijven.
In 1912 ontmoet hij er, vriend, en zeggen we meteen lover: de rijke Zweedse diplomaat Rolf de Maré die ook zijn mecenas wordt. Hij adviseerde hem bij de uitbouw van zijn indrukwekkende Modernistische Kunstcollectie. In 1920 zal de Maré met zijn hulp de kortstondige maar legendarische ‘Ballets Suédois’ in Parijs creëren.

Rolf de Maré 1916 oil on canvas

After a short sojourn at the Royal Academy of Fine Arts in Stockholm, Nils Dardel went to Paris in 1910, a city where he would spend a large part of his life. Here, he was hurled into an intense whirlwind of bars and cafes, where artists and collectors had lively discussions about astonishing new styles of art. Dardel became friends with the German Wilhelm Udhe (1874–1947), who was the cubist Pablo Picasso’s (1881–1973) art dealer and the one who discovered the naivist Henri Rousseau (1844–1910).

The red mill 1913

Udhe took Dardel to the mediaeval city of Senlis, where the artist tried his hand at cubism in Girl with Iron Ball and Rue Ville de Paris in Senlis, that is, he reduced his visual impressions to simple geometric shapes in a subtle grey scale. But this was just a short flirtation. In the idyllic community northeast of Paris, Dardel also painted Funeral in Senlis, hinting at the narrative, almost naivist style for which he soon became known. This painting captures the life of a small French town. The shimmering colours are applied in dabs, and the white choirboys contrast with the mourners dressed in black.

Begravning i Senlis (funeral in Senlis), 1913

Europe changed radically in the early 20th century. The region was being massively industrialised and urbanised, and technology introduced entirely new means of spreading ideas and communicating over national boundaries. The fleeting, ephemeral modern life gave rise to a heightened sensitivity and restless mobility, which was expressed in modernist art. The avant-garde was constantly looking for what had never been seen, and new “isms” were born head to tail: cubism, futurism, orphism, rayonism.

Far – The Father (Axel Klinckoström, father of Nils wife Thora 1920

A compulsive traveler all his life, von Dardel was in Tokyo in 1917 when he met and became secretly engaged to Nita Wallenberg, the daughter of yet another diplomat; the engagement was broken two years later by her family on account of his scandalous lifestyle. In 1921 he married writer Thora Klinckowström. They had a daughter, Ingrid, but divorced in 1934. In 1930 he met another writer, Edita Morris. She was also married – and remained so – but they had a relationship (of exactly what nature I’ve been unable to ascertain) for the remainder of von Dardel’s life. He died of a heart attack in New York at the age of fifty-four and was buried in Ekerö cemetery outside of Stockholm.

The dying dandy, 2de versie 1918

Nils Dardel is not, however, a pure modernist aesthetically. His works are in conflict with the times in which he lived, a modern age that was preoccupied with keeping up with the latest fashions and did not fully appreciate an artist who never quite embraced the avant-garde. Dardel had an old-fashioned way of using stories and myths to portray an ambivalence about being both seduced and outraged by the onslaught of modernism. His style is reminiscent of a mixture of naivism and late-19th century symbolism.

Interior, familjen idyll, 1925

His private life became public in a way that nearly took over entirely, as if the “role” or “mythical figure” of Dardel stood in the way of the artist. It has been too tempting to link his pictures to his biography, basing the interpretation of his works on his life. His works are ambiguous; a seemingly banal and innocuous trait can suddenly swing into its diametrical opposite. Seriousness and irony co-exist, and many of his works have several parallel storylines. This parallelism also entails that the narratives in his works have multiple entry and exit points. This ambiguity is present equally in his person and his works. His is a dual nature that attracts and is attracted by both men and women.

The return to the playgrounds of youth (1924)

The often wild combination of laughter and tears, seriousness and madness that characterises Dardel’s art has a kinship with the dadaist and surrealist art circles in which Dardel moved, especially in Paris. In his works, he presents his private life and modern, independent individuals in a role play about identity and how it can be created and recreated. Like he created a persona for himself – the democratic dandy, says John Peter Nilsson, curator of the collection.

The waterfall, 1921 canvas laid down on panel

Karl Asplund called him a “man of opposites”. Could this ambiguity stem from a mindset typical of the early 20th century? I would claim that Nils Dardel is a modern artist – albeit not unequivocally a modernist. He is torn not only between an inner and outer reality, but also between tradition and regeneration. He never grapples with modernist formal experiments, with the exception of the period immediately after his time at the Academy, when he belonged to the group De Åtta (The Eight). On the contrary, his style is more reminiscent of a mixture of naivism and late-19th century symbolism. His sensitivity can also be interpreted as a status marker, according to Karin Johannisson, of the kind used by the upper classes during La belle époque to indicate that their nerves were finer and more delicate than those of other classes. But he fills his works with modern contents, especially when he blends fiction and fact, thereby expanding his oeuvre into a private mythology.

Konversation, 1918 watercolour

I am not convinced that Dardel’s works contain a secret language. The dual coding is of a more associative nature. It is a role play that broadly concerns how identities are created and recreated. Role play has been the fundamental basis of social psychology since the 1920s. In his seminal work The Presentation of Self in Everyday Life from 1959, Erving Goffman developed this concept by transferring metaphors from theatre, such as acting, costume, prop, script, setting and stage to social behaviours. It was no longer a privileged few who could play around with their image. As social media offer new opportunities for self-representation, role play has become available to more and more people.

One of the clearest exponents of this development is probably David Bowie. His various enactments of himself form a rich patchwork of historical references that I, like the exhibition David Bowie is at the V&A in London (2013), dare say is a multi-performative work of art in its own right. In the exhibition catalogue, Camille Paglia provides a historical perspective on Bowie’s gender-transcending role play: “Bowie’s theatre of gender resembles the magic-lantern shows or phantasmagoria that preceded the development of motion-picture projection.” And she continues: “The multiplicity of his gender images was partly inspired by the rapid changes in modern art, which had begun with neoclassicism sweeping away rococo in the late eighteenth century and which reached a fever pitch before, during and after World War I.”

The grashopper, oil on canvas 1931

Paglia is referring to the milestones of dandyism, and Bowie himself claims to be deeply influenced by all art forms, but perhaps most of all by expressionism and dadaism. If we study Bowie and his array of personas, he was undeniably inspired by the radical and liberated art scene that prevailed around World War I. The same era shaped Nils Dardel’s boundary-crossing artistic oeuvre. Can’t you just see him standing in for the Thin White Duke!? (Text: John Peter Nilsson, curator)

Dreams and imiginations, 1922 watercolour

Een mooie vergelijking was dat, en ik heb geprobeerd ze aan te vullen met bovenstaande aquarel uit 1922. Anders dan de dandy die in de 19de eeuw op ‘eenzame hoogten’ de samenleving probeerde te bekritiseren door haar strevingen overduidelijk te benadrukken, is de ‘democratische dandy’ in ons allen aanwezig. Nils Dardel gebruikte een brede waaier van de voorhande liggende -ismen om het verhaal dat wij spelen tot ons verhaal te maken, de artistieke hoogten te laten voor wat ze zouden zijn, en de bevrijdende fantasie te verlossen uit haar vaak pretentieuze cenakels. Net zoals zijn fantasie kent ook zijn tederheid geen grenzen want ook spelend blijven we eenzame spelers die alleen op mededogen van de medespelers mogen rekenen.

Gosshuvud, 1908
Boy’s head

Bronnen: https://www.modernamuseet.se/stockholm/en/exhibitions/nils-dardel-and-the-modern-age/the-democratic-dandy/

http://dardel.info/famille/artistes/NilsDardel/NilsDardelE.php

NILS VON DARDEL, PEINTRE DE LA VIE ÉLÉGANTE

http://godsandfoolishgrandeur.blogspot.com/2019/07/the-brightly-lit-and-precious-dark.html

Self-portrait with hat in marvellous shades of gray

In afwachting van het onweer

Quelle: WetterOnline / Shutterstock
naderend onweer, regen
Terwijl je de tekst leest kun je het naderende onweer als klankdecor gebruiken, met dank aan het BBC-geluidsarchief.

In afwachting van het onweer

We luisterden.
Tussen bliksem en donderslag was er nog een trage rollende trein.
Boven de wolken?
Neen, dat van die trein dat was geen goed verhaal.
Voor de oorlog niks aan de hand
maar nadat de helft van de families met die treinen...
...
Drie gedachtenpuntjes dus.
Hoe klein ook, die puntjes zouden het droge veld van gekreukte herinneringen
in vuur en vlam zetten -niets brandt zo hevig als gedachten zonder omvang -
verschroeien heet dat, de tactiek van verschroeide aarde- .
Dat is geschiedenis:  een zwart geblakerd landschap als welkom voor de vijand.
Kom kinderen, tijd voor een sprookje.

Er was eens een magazijnier.
Iemand die werkt in een kerkgroot magazijn hoog in de wolken,
volgestapeld met metalen vaten.
Vaten verdriet, vaten verlangen, vaten verrassing.
Hoor je hem bezig?
Hij rolt vaten naar een gat in de wolken.
Hoor je ze rollen?
Dan snijdt de bliksem de vallende vaten open.
Valt de inhoud als koele regen op de uitgedroogde aarde.

Verdriet.
Verlangen.
Verrassing.

Loop naar buiten, kinderen.
De boomgaard geurt naar rijp fruit.
...
's Nachts kun je heel ver horen.
De treinen kwamen leeg terug.
...
Kom kijkers, tijd voor een sprookje.

(Uit ‘Dakloze teksten’, in voorbereiding)

Poems, vehicles for private arguments: Jill Bialosky

Door de tien plagen, stroomde de Nijl-rivier rood van bloed
een gedicht van Jill Bialosky

Door de tien plagen,stroomde de Nijl-rivier rood van bloed, vee
werd ziek, sprinkhanen, steenpuisten, hagelbuien, drie dagen duisternis,

iedere eerstgeborene belaagd door een wrekende engel - je moest de deur
met bloed van een offerlam markeren zodat God die voorbij zou gaan.

Om degenen te identificeren voor deportatie naar de kampen in Nazi-bezet-Oost-Europa, waren zij verplicht een gele Joodse Ster te naaien

op hun jas. Later in de kampen, een witte armband
met een blauwe Joodse Ster rond hun linkerarm gebonden. Ook baby's in koetsen

moesten ze dragen, zuigelingen in de lucht gegooid en als doelen gebruikt
voor machinegeweren. O, heilige oorlog. Omdat iemand een Swastika schilderde

op de deur van een slaapkamer waar drie Joodse studenten huisden,
Joden zullen onze plaats niet innemen, omdat in het complex, alleen de appartementen

van minderheden tekens hadden die hun deur markeerden. Omdat op een college-campus, een Swastika was gesneden in de zuiverheid van wit gevallen sneeuw.

(Excerpt from Asylum c. 2020 by Jill Bialosky, by permission of Alfred A Knopf, a division of Penguin Random House LLC New York.)
Because of the ten plagues, the Nile River ran red with blood.
A Poem by Jill Bialosky

Because of the ten plagues, the Nile River ran red with blood, livestock
diseased, locusts, boils, hailstorms, three days of darkness,

every firstborn threatened by an avenging angel—you had to mark
the door with blood of a sacrificed lamb so that God would pass over it.

Because to identify those when deported to the camps in Nazi-occupied
Eastern Europe they were required to sew a yellow Jewish Star

on their jacket. Later, in the camps, a white armband
with a blue Jewish Star bound on their left arm. Babies in prams, too

had to wear them, infants tossed in the air and used as targets
for machine guns. Oh, holy war. Because someone painted a Swastika

on the door of a dorm room where three Jewish students reside,
Jews will not replace us, because in the complex, only the apartments

of minorities had signs marking their doors. Because on a college
campus, a Swastika was carved into the purity of white fallen snow.

(Excerpt from Asylum c. 2020 by Jill Bialosky, by permission of Alfred A Knopf, a division of Penguin Random House LLC New York.)

Jill Bialosky is the author of four acclaimed collections of poetry, most recently The Players; three critically acclaimed novels, most recently, The Prize; a New York Times best-selling memoir, History of a Suicide: My Sister’s Unfinished Life; and Poetry Will Save Your Life: A Memoir.

Her poems and essays have appeared in Best American Poetry, The New Yorker, The Atlantic, Harper’s Magazine, O, The Oprah Magazine, The Kenyon Review, Harvard Review, and The Paris Review, among others. She coedited, with Helen Schulman, the anthology Wanting a Child. She is executive editor and vice president at W. W. Norton & Company. Her work has been a finalist for the James Laughlin Prize, the Patterson Prize, and Books for a Better Life. In 2014, she was honored by the Poetry Society of America for her distinguished contribution to poetry. She lives in New York City.

The Mothers

We loved them.
We got up early
to toast their bagels.
Wrapped them in foil.
We filled their water bottles
and canteens. We washed
and bleached their uniforms,
the mud and dirt
and blood washed clean
of brutality. We marveled
at their bodies,
thighs thick as the trunk
of a spindle pine,
shoulders broad and able,
the way their arms filled out.
The milk they drank.
At the plate we could make out
their particular stance, though each
wore the same uniform as if they were
cadets training for war.
If by chance one looked up at us
and gave us a rise with his chin,
or lifted a hand, we beamed.
We had grown used to their grunts,
mumbles, and refusal to form a full sentence.
We made their beds and rifled through their pockets
and smelled their shirts to see if they were clean.
How else would we know them?
We tried to not ask too many questions
and not to overpraise.
Sometimes they were ashamed of us;
if we laughed too loud,
if one of us talked too long to their friend,
of our faces that had grown coarser.
Can’t you put on lipstick?
We let them roll their eyes,
curse, and grumble at us
after a game if they’d missed a play
or lost. We knew to keep quiet;
the car silent the entire ride home.
What they were to us was inexplicable.
Late at night, after they were home in their beds,
we sat by the window and wondered
when they would leave us
and who they would become
when they left the cocoon of our instruction.
What kind of girl they liked.
We sat in a group and drank our coffee
and prayed that they’d get a hit.
If they fumbled a ball or struck out
we felt sour in the pit of our stomach.
We paced. We couldn’t sit still or talk.
Throughout summer we watched
the trees behind the field grow fuller
and more vibrant and each fall
slowly lose their foliage—
it was as if we wanted to hold on
to every and each leaf.

(Jill Bialosky, "The Mothers" from The Players. Compilation copyright © 2015 by Jill Bialosky. Reprinted by permission of Alfred A. Knopf, an imprint off Knopf Doubleday Publishing Group, a division of Penguin Random House LLC. All rights reserved.)
Source: The Players (Alfred A. Knopf, 2015)
Fathers in the Snow
2.

After father died
the love was all through the house
untamed and sometimes violent.
When the dates came we went up to our rooms
and mother entertained.
Frank Sinatra's "Strangers in the Night,"
the smell of Chanel No.5 in her hair and the laughter.
We sat crouched at the top of the stairs.
In the morning we found mother asleep on the couch
her hair messed, and the smell
of stale liquor in the room.
We knelt on the floor before her,
one by one touched our fingers
over the red flush in her face.
The chipped sunlight through the shutters.
It was a dark continent
we and mother shared;
it was sweet and lonesome,
the wake men left in our house.

(From The End of Desire: Poems, published by Alfred A. Knopf, 1997. Copyright © 1997 by Jill Bialosky.)

‘Poems for me are often vehicles for private arguments. Mostly these arguments have to do with the dichotomies within us as individuals: the pulls between desire and stability; safety and danger; emotion and reason. I’m very interested in these ideas and in my poems I find ways of addressing the questions in a way that interests me and I hope will interest my readers. I’m not aware that my poems seek resolutions per say, but perhaps suggest how we might live in confusion and how this state might be what keeps us most alive.’

Eric Fischl Inexplicable Joy in the Time of Corona, 2020, acrylic and oil on linen, 78″ x 105″

https://www.jillbialosky.com/

De ‘rozenvingerige’ toont zich in de vroegte.

Ferdinand Knab Das Schlossportal 1881
Het aantrekkelijke van romantische gesloten kasteelpoorten bij vroege morgen bestond in het beseffen dat je zeldzaam of nooit een dergelijke morgenschemering in werkelijkheid zou meemaken zoals het onzichtbare kasteel achter de poort slechts in de verbeelding te zoeken was, laat staan bewoonbaar zou zijn.


De schilder, Ferdinand Knab (1834-1902), afkomstig uit het bouwwezen en aangestoken door een verblijf in Italië kon als geen ander landschappen, ruïnes en schemeringen met elkaar verbinden, misschien beseffend dat tijdens zijn leven ‘de wereld van toen’ nooit meer zou terugkeren. Spoorwegen en fabrieksimplantaten, versteedsing en de opmarsj van een gemechaniseerde wapenindustrie, de wreedheid van de nog in de tijd verborgen wereldoorlogen, zouden het begrip ‘ruïne’ een heel andere inkleuring bezorgen zoals je dat deze dagen nog in Beiroet (eens het Parijs van het Midden-Oosten) kon vaststellen.

May Morning on Magdalen Tower 1890 William Holman Hunt (1827-1910)

De ‘vroege morgen’ is anderzijds ook niet dadeljk een tijdstip waarbij de hedendaagse beschouwer een rilling van herkenning door de ziel voelt gaan.
Dat was anders bij een Engelse tijdgenoot van Knab, William Holman Hunt (1827-1910) die levenslang trouw aan de principes van de Pre-Rafaëlieten een ‘mei-morgen on Magdalen Tower’ (Oxford) laat zien en naast een menigte jochies en uitgegroeide begeleiders het geheel in een mooi rozenvingerige morgenstond laat baden. Het lage zonlicht, de overvloed aan roze wolkjes, de zingende bewegingen, wandelend over een overvloed aan rozen, het hemelse is blijkbaar niet ver weg al kan de aandachtige toeschouwer best heel aardse reacties en houdingen ontdekken.

Hier enige achtergrond:
‘Every 1 May, at 6am, the choir of the college (including boy choristers from nearby Magdalen College School, and never women) sings two traditional hymns — the Hymnus Eucharisticus and “Now Is the Month of Maying” — to start the May Morning celebrations in Oxford. Large crowds gather in the High Street and on Magdalen Bridge below to listen, before dispersing for other activities such as Morris Dancing.’ (Wikipedia)
Voor wie het in het echt wil zien, een leuk video-dagboek uit 2016 waarin de betrokkenen echt wel mensen van nu blijken te zijn, zonlicht van de vroege meidag inbegrepen. Dit jaar was dat zonlicht er wel maar de zangers gingen nu virtueel

Wil je nu daar een synthese van dan kan ik je alleen maar Monet’s zonsopgang laten zien uit 1873.
Het diffuse is vrijwel het hoofdthema geworden met de rode bol van de opkomende zon als uitzondering. Waren alle andere afbeeldingen eens een soort bevroren fragmenten waarin de kunstenaar het landschap of portret van dat moment dienstig maakte om voor alle andere landschappen geldig te zijn, zonder dat vermoeden van verandering aan te raken. Monet en zijn impressionisten nemen de verandering zelf als onderwerp. Hier besef je dat de werkelijkheid er niet toe doet maar wel haar innerlijke beweging, haar voortdurende verandering ook in beeld kan gebracht worden door wat je toont niet te bevriezen in een eeuwige stilte maar als ‘impressie’ van je waarneming te verbeelden.

Monet 1873 Sunrise

Bij Caspar David Friedrich wordt het morgenlicht in zijn overvloed net in contrast met de donkere gestalte op de voorgrond duidelijk. Ze kan alleen haar armen lichtjes openen alsof ze daardoor net meer van dat prachtige licht kan ervaren.
Misschien ken je dat gevoel. Het licht dat de schilderijen heeft verlaten alsof het in werkelijkheid slechts een droom van de schilder zou blijven en nu totaal onverwacht voor jou zichtbaar wordt.

Caspar David Friedrich Frau in der Morgensonne

Een vroege morgen enkele dagen geleden. Slapen kan straks om de middaghitte te ontlopen. Je vraagt je af of je gedroomd hebt, je schuift het overgordijn weg, en achter de bloem-geweven tekeningen, door het fijnmazige muggenhor zie je met eigen ogen het oosten oplichten en kruipt de zon boven de huizen .

Dageraad begin augustus eigen opname

Dit is mijn beste opname want het blijft ook voor moderne camera’s niet helemaal vatbaar. Rozig, rood, geel, steeds veranderend.
Eos, de morgen mocht ik met haar rozenvingerige gloed aanraken (ροδοδακτυλος — rhododaktylos) haar epihteton waarmee Homeros haar steeds benadert.
Ze heeft een saffraankleurig kleed aan, ((κροκοπεπλος — krokopeplos: krokus = rood-saffraan = de stamper van de crocus sativus) en haar wagen wordt door een tweespan getrokken: Lampos (= fakkel) en Phaëthon (= de stralende). Ze heft de donkere sluier van de nacht op en strooit rozen op de baan waar weldra haar broer Helios, die in het oosten vanuit de oceaaan oprijst met zijn zonnewagen zal verschijnen.
Guido Reni heeft de stoet in 1614 geschilderd als fresco voor het tuinhuis van het Pallazzo Pallavicini-Rospigliosi in Rome. (klik om te vergroten op onderschrift )

Maar ik heb haar die morgen met eigen ogen gezien; de rhododaktylos.
Dus heb je slapeloze nachten, wacht op de morgen, open je raam en kijk naar het oosten. De poort naar het kasteel is even opengedraaid, de vroege muziekwolkjes boven Oxford komen jouw kant uit, en je zult Monet begrijpen als je al dat prachtige elk moment weer ziet veranderen terwijl je geen woorden vindt om het vast te houden. Dan open je maar de armen zoals de vrouw bij Friedrich en je drinkt het licht met je ogen. Of je kijkt naar Eos, de rozenvingerige en je hoopt haar nog vaak te mogen begroeten.

Eos by Evelyn De Morgan, 1895

WAYNE NGAN (1937-2020): The clay body, like a soul in a person.

White Vase
Stoneware
19x17x13 cm
Photo © Goya Ngan
'I am looking for life…Like ashes are very good materials for glazes. But the glaze on a pot is only a coat; the beauty that’s behind is the clay body, like a soul in a person. Sometimes the person who makes the pot is also a contributing factor. And the fire too. If you have an electric kiln it only radiates fire; it is not live fire. It doesn’t matter how hard you try, what comes out..is artificial. The kiln is like a womb, like a mother.' (Quoted in Judy Thompson Ross, Down to Earth. Canadian Potters at Work, 12-15).
Yellow Vase
Stoneware
13x16x9 cm (Photo © Goya Ngan)

In juni 2020 overleed de 83-jarige Chinees-Canadese kunstenaar Wayne Ngan. De schoonheid van zijn werk zal hem lang overleven. Woorden zijn vluchtiger dan klei, maar in de oven van de verbeelding raken ze elkaar.

When Wayne Ngan arrived in Vancouver from his native China at the age of thirteen, he was encouraged to go on to the Vancouver School of Art. Although Ngan was especially interested in painting, he enrolled in the least expensive studio course, pottery. Graduating with honours, Ngan set up his own pottery and sculpture studio, began to teach, and gave pottery workshops. Later, he settled on Hornby Island, off the west coast of British Columbia. This move signalled a turning point in Ngan’s development as a craftsman, since it established his dedicated commitment to ceramics and initiated the process of integrating his craft with his environment. Within this stimulating island environment, Ngan renewed his interest in his Oriental heritage, and began experimenting with raku pottery, salt glazes and Chinese brush techniques.

Sung dynasty inspired wood-fired kiln

Preferring the spontaneity and directness of ancient Oriental pottery, Ngan studied in China and Japan and was particularly impressed by the pure forms and etched decorative surfaces of China’s Song dynasty and Korea’s El dynasty. On his return to Hornby Island, he adapted these pottery styles and techniques to his own ceramic vessels.

Five Sculptures Painted Plate
Stoneware; slip painting
8x37x37 cm

Pottery is at once the simplest and the most difficult of all the arts. It is the simplest because it is the most abstract.

[T]he art is so fundamental, so bound up with the elementary needs of civilization, that a national ethos must find its expression in this medium.

Pottery is pure art; it is art freed from any imitative intention … pottery is plastic art in its most abstract essence.

-Herbert Read, The Meaning of Art (1931)

Sculptural Vase with Black Decoration and Orange Circle
Stoneware
34x36x14 cm
Photo © Goya Ngan

Many potters state that one of their first memories of working with clay was as a youngster. Wayne Ngan is no exception. The celebrated artist remembers that as a child he dug clay with his own hands creating objects to amuse him while his mother worked in the rice paddies. At the age of fourteen, he immigrated to Vancouver with his grandfather. Some years later he briefly studied at the Vancouver College of Art before leaving the city to build a home and studio on Hornby Island in 1967. Over the years he traveled to China and Japan studying ancient ceramics and the secrets of wood firing kilns. Back in his studio he repeatedly threw the shapes he admired until he had perfected them. His goal then, as now, is to create pure shapes with minimal decoration based on those from the Sung Dynasty and the Yi of Korea that are alive.

Sculptural Bottle
Stoneware; Yukon black glaze
33x27x9 cm
Photo © Goya Ngan

‘Working with clay is, I think, part of my nature. It is easy, the most flexible medium I can imagine. Through clay I can touch all four basic elements: earth, water, fire and all, and bring those four elements back to life.’

Hakeme Bottle
Stoneware; white glaze on dark slip
27x18x16 cm
Photo © Goya Ngan

Het staartje van de academie, o ja, pottenbakken, weggezet als naarstige bezigheid van de dames die ook iets artistiek willen. Inderdaad een vrouwelijke kentrek: aarde en vuur verenigen maar vaak tot het utilitaire herleid omdat het resultaat eerder de keuken en het huiselijke zou oproepen dan het artistieke. Te weinig vertrouwd met het direkte contact van handen en aarde spreekt voor het mannelijke element in de expressie deze kunstvorm een vrouwelijke taal en net daardoor ontstaat het onverdiende wantrouwen.

Bottle
Stoneware; wood-fired
13x9x9 cm
Photo © Goya Ngan
Ook de tijd
vang je
in de met vuur
gestolde klei.
Het ogenblik
duurt duizend jaar
en langer.
Clam
Stoneware; cast iron, metallic, orange and blue glaze
10x30x15 cm
Photo © Goya Ngan
Rond de leegte
de ronding
zonder begin of einde,
een vuren vorm
van tederheid.
Two-tone Grey Vase
Stoneware
16x13x13 cm
Photo © Goya Ngan
Jar with Bronze Glaze 2, 2017, Jar thrown and altered, bronze glaze, sculpted lid, 9.7″H x 18″W, 2017

Ga naar: https://www.waynengan.com/ en https://www.nathaliekarg.com/artists/wayne-ngan

Nooit opengebloeid: schilder Gabriël Deluc (1883-1916)

zelfportret, 17 jaar oud.

Geboren in 1883 in Saint-Jean-de Luz, Basse Pyrenées, bleek Jean Marie Gabriël Deluc een talentvol schilder te worden. Kijk naar zijn prachtig zelfportret, 17 jaar is hij dan, en hieronder enkele jaren later.

Schilder Léon Bonnat laat hem op 15-jarige leeftijd toe in Bayonne’s gemeentelijke tekenschool. Twee jaar later krijg hij een plaats in Bonnat’s studio in Parijs. (1903) Tot 1912 zal hij in Parijs leven en werken en belangrijke mensen leren kennen zoals Ossip Zadkine, Marc Chagall en vooral Alexandre Altmann die zijn vriend wordt en met hem enkele zomers in Baskenland doorbrengt.

L’ intimité

In 1906 neemt hij voor de eerste keer deel aan ‘le salon des artistes français’ en krijgt hij een eervolle vermelding voor zijn stemmingsvol schilderij ‘L ‘Intimité’. Hij blijft deelnemen, zowel aan dit salon als aan het ‘salon des Indépendants’.

Le Chévrier

In zijn geboorteplaats schildert hij het grote doek ‘Le Chévrier’. Een ander doek, helemaal in de tijdsgeest, ‘La Dame’ (of ‘De dans in het heilig woud) presenteert hij in 1910 op het salon des artistes français. Mecenas Edmond de Rothschild zal het aankopen en aan de stad Bayonne schenken.

La Danse

Op 3 september 1913 huwt hij Thérèse Mahé. Plaats van plechtigheid: het stadhuis van het XVIde arrondissement van Parijs.

Het stadhuis met aankondiging van tentoonstelling rechtsonder

Hij neemt in 1914 nog deel aan het salon des artistes français en engageert zich dan in het Franse leger, eerst als hospic maar in 1915 vervoegt hij de gevechten, wordt vlug sergeant en daarna onderluitenant. Ter plekke schetst hij het soldatenleven. Werk dat meestal verloren is gegaan. Op 15 september 1916 wordt hij bij een opdracht in niemandsland gedood. ‘Tué à l’ ennemi’ zoals op zijn overlijdensbericht is ingevuld. Bijna drieëndertig.

Maurice Ravel zal het derde fragment van zijn pianosuite ‘Le tombeau de Couperin’, getiteld ‘FORLANE’ aan hem opdragen. Kijk naar zijn schaars werk en luister naar de mooie muziek van Ravel.

Een jongeman kijkt over de rand van twee eeuwen naar de leegte die hij moest achterlaten.

Lari Pittman, ‘jouissance’ en ‘saudade’ in veelvoud

LARI PITTMAN
Found Buried #6, 2020
Cel-vinyl and lacquer spray over gessoed canvas on titanium and wood panel
79.8 x 96.5 x 2 inches
202.6 x 245.1 x 5.1 cm

Nog maar net in 2019 had hij een grote retrospesctieve tentoonstelling ‘Declaration of Independence’ of op dit ogenblik loopt alweer een art show in de Lehmann Maupin gallerie NY met de sprekende zinspeling: ‘Found Burried’ (nog tot 28 augustus 2020)
Zijn boeiend werk blijft intrigeren.

LARI PITTMAN
Found Buried #9, 2020
Cel-vinyl and lacquer spray over gessoed canvas on titanium and wood panel
56 x 74 x 2 inches
142.2 x 188 x 5.1 cm

“Lari Pittman is the most subversive and shocking artist working today. Instead of screaming headlines, he uses his exceptional skill as a painter of beauty. Decorative patterns and motifs camouflage his serious intent. He employs beauty to lure us into his complex stories about history, sexuality, the fragility of the human body and mysteries of the afterlife.” (Dorhojowska-Philp)

En mooier kan ik het niet samenvatten, dus probeer ik met deze bijdrage je nieuwsgierig te maken naar zijn werk. Wandel even mee rond in ‘Found Buried’ twee minuutjes om een idee te hebben van sfeer en afmetingen.

During the mid-1970s, Pittman (°1952) attended California Institute of the Arts in Valencia, California, completing a BFA and an MFA. The institute’s strong feminist arts program challenged the devaluation of art forms traditionally associated with craft, and it was his engagement with this program that inspired Pittman’s interest in undermining aesthetic hierarchies and embracing the decorative arts. Pittman’s strong affinity for the decorative can be seen throughout his many bodies of work and it has contributed to his singular visual style. While Pittman’s early works were informed by the socio-political struggle resulting from the AIDS epidemic, racial discord, and LGBTQ+ civil rights struggles that defined the last two decades of the 20th century, his later paintings evince more subtle political gestures through a focus on interior spaces, including domestic and psychological subjects.

Lari Pittman, Untitled #16 (A Decorated Chronology of Insistence and Resignation), 1993
Acrylic, enamel, and glitter on wood. 84 × 60 1/16 in. (213.4 × 152.6 cm)

Decades before a non-binary understanding of gender came into vogue, Pittman was painting trans-gendered owls and female surrogates that upturned gender binaries and advanced the fluidity of gender we understand today. Pittman drew from his bi-cultural background and bilingual understanding to explore further complexities in hybrid identity by creating multiple narratives that could be read in different directions, from the top to the bottom or from the left to the right, simultaneously. Pittman created further ambiguity by combining Latin American surrealism based on magical realism which is both magic and real. Pittman’s exploration of the aesthetics of ambiguous simultaneity foreshadows the millennial generation’s interest in visual ambiguity in the digital era, allowing younger painters like Christina Quarles to understand and embrace racial and sexual identity as not just one thing but multiple things all at once. (Lita Berrie 2019)

Lari Pittman, Transfigurative and Needy, 1991

In the homophobic early nineties, women’s rights and bodies were also under patriarchal attack, and Pittman series at that time, A Decorated Chronology of Insistence and Resignation, is a shout back with imperative phrases like “Cum n’Get it,” “Love-Sex,” “Life” and “Love!” These paintings explore ecstasy and pain during the AIDs epidemic with dark humor, juxtaposing cries like “SOS” and “RIP” with Visa and Mastercard logos and anal imagery. Untitled #9 is a phantasmagoria of transgendered bodies and dismembered body parts, which uses the letters “S.F.O.Y.S” from the phrases “Save our Souls” and “Fuck You.” (ibidem)

Untitled #9 (A Decorated Chronology of Insistence and Resignation)
1992-93
Acrylic and enamel on three mahogany panels
168 × 96 inches
Photo by Douglas M. Parker Studio
Collection Whitney Museum of American Art, New York
Lari Pittman, How Sweet the Day After This and That, Deep Sleep Is Truly Welcomed, 1988
Acrylic, enamel, and five framed works on paper on wood. Three panels, 96 × 192 in. (243.8 × 487.7 × 5.1 cm) overall. Collection of Matthew C. and Iris Lynn

Close looking is rewarded. Pittman’s technique is meticulous. There are elements reminiscent of spin-art, but with more sophistication and a sense of nostalgic joy and pleasure. His dry brushwork has a lightness and transparency, a smooth elasticity. Pittman employs a bold, almost florid colour palette that comfortably straddles his childhood steeped in the magical realism of Colombia and his later years in the neo-plastic jungle of Los Angeles. Vibrant magentas and lapis hues comingle with autumnal oranges and reds replete with a melding of delicate Rococo floral motifs, decorative scrolling, and Baroque detailing. Like ornate wallpaper, it injects a sense of decorum into near-chaos. Disparate images— eggs, disembodied human-like anatomical forms, silhouettes, cacti, credit card logos, urban structures, and language—waft through the visual field. Pittman elaborates, “I think that when you stand in front of the paintings, you’re aware of an artificially accelerated aesthetic experience; more than anything you know it has been constructed and assembled.” (Robyn Tisman, Arteviste)

Lari Pittman, An American Place, 1986
Oil and acrylic on mahogany. Two panels, 80 × 164 × 2 in. (203.2 × 416.6 × 5.1 cm) overall. Museum of Contemporary Art, Los Angeles. The El Paso Natural

We always talk about sociocultural context as creating the narrative around the work, but it’s also language. An old friend of mine, Paolo Colombo, a curator in Europe, pointed out that some of the misunderstanding of the work is because a lot of it comes out of Spanish and not exclusively out of English. I’m fluent in Spanish. That’s the language I spoke with my mother (and with my father, English). In Spanish, there’s a much broader range for articulating temporalities. You use the subjunctive more, the pluperfect, the past subjunctive, the future subjunctive, the future conditional. We don’t do that as much in English. Capitalism really enforces a structure of dividing time into discrete parts—eight hours, eight hours, eight hours. I’m interested in different temporalities in the work. Also, in Spanish and in a lot of Romance languages, you can use exaggeration and hyperbole in daily conversation and it’s not seen as suspect.’

ari Pittman, Untitled #8 (The Dining Room), 2005
Cel-Vinyl, acrylic, and alkyd on gessoed canvas over wood. 86 × 102 in. (218.4 × 259.1 cm). Collection of Christen Sveaas. © Lari Pittman, courtesy of Regen

‘I have to identify what I call the architecture of the event—some sort of overarching containment of the event, of the ephemera, of the volatility or the operatic nature of the painting—its stage. I’m in trouble with a painting if I don’t do that in the first ten percent, and I know it. But if I do that, it sets in motion a series of calls and responses. I’ve entered into a contractual agreement with the work, but I’m not illustrating the contract. The contract is a necessary distancing device to keep the work rigorous.’

Lari Pittman, Untitled #5, 2010
Acrylic, Cel-Vinyl, and spray paint on gessoed canvas over wood. 102 x 88 in. (259.1 x 223.5 cm). Hammer Museum, Los Angeles. Purchase. © Lari Pittman,

I think a large part of the way the work looks and behaves—its multiple temporalities, its polymorphousness—comes from applying a philosophical lens. There’s a certain point where the sociocultural gets bumped up into something a bit better, which is philosophy. But we’re so addicted to the sociocultural lens, and the forensics of the personal narrative. It’s an easy way out. That line of thought is always insisting on the verification of the work and its topical usefulness, its societal usefulness. To ask a human being “are you useful?” is really insulting.’

Lari Pittman, Untitled #4, 2003
Acrylic, oil, and spray paint on gessoed canvas over wood. 102 × 76 in. (259.1 × 193 × 5.1 cm). Private collection. © Lari Pittman, courtesy of Regen Projects, Los Angeles

‘If there’s one thing that troubled me when I was really young, it was that of all the practices, painting is the one where the viewer invests heavily in the essentialization of the relationship between the maker of the object and the object made. That really bugged me. I wanted a physical object to have its own consciousness, somehow, or for it to be a little more collaborative. I try to set up very quickly at the beginning of the making of a painting some sort of inner logic, so that it’s that inner logic that makes the painting and completes it, not necessarily me. It’s that disassociation which also allows me not to always like my work. Also, the work is not my personal aesthetic, and never has been, in the same way that a novelist can create the most heinous creature without being a heinous person. But there’s something about painting that really facilitates and exacerbates that real essentialization.’

Lari Pittman Untitled #3 2007 acrylic, cel vinyl, and spray lacquer over gessoed canvas over wood panel
102 x 88 x 1 7/8 in. (259.08 x 223.52 x 4.76 cm)

Actually, when I speak about my work I use the word jouissance a lot. Jouissance — it’s a joy, but a joy of life, of being full of life, full of joy. These complex emotions remind me of my favorite word of all: saudade. It’s Portuguese, and used a lot in Brazil. What’s amazing about the word saudade is that it encapsulates everything about melancholia, jouissance, the bittersweet, but it’s a weird one — saudade is about the future possibility of something happening, something that maybe will be good, and that will maybe make you happy, and you’re already getting sad about it, because you know it’s going to end. It’s about the simultaneous temporalities of emotions, and memories, and states of being.

Lari Pittman with the scale model replicating the layout of his 2019 Hammer Museum retrospective – © Robert Gauthier/Los Angeles Times.

I don’t have a problem with sentimentality. I love that word. I grew up with my maternal family, my Colombian aunts, a matriarch. They taught me about sentimentality and the melodramatic and its cultivation and its indulgence. Through them I saw that these things are not degraded states of experience. But there is something in language that is sexist. Sentimentality and melodrama are seen as negative, because we’re looking at language through the prism of sexism and those are historically ways by which women’s emotive worlds are described.’

Lari Pittman Untitled, 2003 matte oil, aerosol lacquer, cel-vinyl on gessoed canvas mounted to wood panel 2600 x 1930mm

‘One of the beautiful things about a painting is its incredibly absorbent surface—“absorbent” in the sense that it absorbs the world around it at any given moment. In a funny way, I guess I have always been somewhat of a history painter but without necessarily being didactic. I’m interested in showing the history of the moment and all of its pathology as well as its wellness, and showing that one doesn’t trump the other; there’s a simultaneity of events, or a bittersweet nature of life where things fit side by side in complete contradiction, but they’re still part of the fabric of daily existence.’

Lari Pittman, The Senseless Cycles, Tender and Benign, Bring Great Comfort, 1988

At that time, AIDS was a shadow over our culture as well as the world. I was very anxious about how one proceeds with establishing oneself as a person with complete cultural centrality, given that a lot of the prevailing discussion was about pathology as relating, incorrectly, to a specific part of the population. How do I put forth an idea of a happy, productive, fully integrated life as a gay person while at the same time, culture is overlaying blame onto my endeavors? I think those issues still occur. How do people of color in the United States feel about trying to put forth their best and be prosperous.

I was always interested in dismantling the gender binary as well as the binary of sexuality. Now, it’s interesting that young kids look at the work and immediately apply the kind of polemics of queer culture or transgenderism or non-conforming gender identity. I love that the work can absorb and continues to absorb these newer cultural nuances. So I’m really happy about that. It makes me very happy. It means that the paintings are still alive.’

Lari Pittman, Untitled 1989-90

Although I’m not a religious person, I love how Western European religious painting is constructed to advance a tight narrative. I like the function of the predella in altarpieces where you have the main event, which would be an image of Christ or the Virgin Mary, at least in Catholicism. And then at the lower level, you would have the smaller sequence of paintings, which shed light on the mystery of the main image. The attachment of these framed drawings on top of the painting comes out of this idea of the religious convention of the altarpiece where you have a predella either below or next to the larger visual event.’

‘Found Burried’, ga naar: https://www.lehmannmaupin.com/exhibitions/lari-pittman

his Wholesomeness, beloved and despised, continues regardless
1990
Acrylic and enamel on wood panel
128 × 96 inches
Photo by Douglas M. Parker Studio
Collection Los Angeles County Museum of Art
Lari Pittman, Once a Noun, Now a Verb #5, 1998
Matte oil on mahogany. 48 × 36 in. (121.9 × 91.4 cm). Museum of Contemporary Art, Los Angeles. Gift of Alan Hergott and Curt Shepard. © Lari Pittman, courtesy of Regen Projects, Los Angeles

Nawoord

Natuurlijk is een afbeelding van deze kunstenaar best in de ruimte van een tentoonstelling of museum te genieten. Afbeeldingen op het net doen onrecht aan het werk. De overvloed van details en het raffinement van hun onderlinge verhoudingen krijgen op een foto te weinig adem. Kunstwerken hebben de ruimte nodig waarin ze functioneren. Ze dienen hier als referentiepunt, als indicatie van een opvatting en atmosfeer. Tik gewoon zijn naam in en laat je langs alle mogelijke foto’s naar een beter inzicht leiden. Waar mogelijk is een confrontatie met een kunstwerk in zijn ware gestalte de enige weg.

Een stille feestdag in juli 2020

Een stille feestdag om door huis en tuin te dwalen, het oog in de hand.
Op de televisie geen vrolijk voorbijstappende ‘zorgende’ machten, maar nog een lesbord van de eerste Italiaanse les, en op het salontafeltje de schriften en het cursusboek van kleinkind en vriend die, uit puur heimwee naar Italië, vandaag met hun cursus zijn begonnen. ‘Primi contatti’. Het lijkt wel een betoog over het virus maar de ‘Colomba Classica’ van Pasticceria Flamigni staat er nog mooi ingepakt bij. In feite een paascake in duiven-vorm, Colomba di Pasqua, de tegenhanger van twee Italiaanse kerstdesserts, panettono en pandoro, hier gedecoreerd met geconfijte sinaas.
Of voor de liefhebbers in slecht Google-Nederlands vertaald:
‘Met gist, verse eieren, boter en gekonfijte sinaasappelschil onder een korst van hazelnoot-massa met amandelen en ruwe suiker. ‘
Een vredesduif naar Italiaanse smaak uit liefde ingevoerd vanuit een bijna verlaten Rome. Città aperta. Primi Contatti’!

Beetje verder in de nog stille keuken enkele lege bokaaltjes waar het licht in speelt. Orange marmalade met whisky en appelen-mousseline ter zaliger nagedachtenis. Hun leegte en doorzichtigheid met de bijna vrolijke doelloze etiketten veroordeelt ze tot de glasbak waarna vermalen en smelten hen zal omtoveren tot een of twee glanzende nieuwe nog te vullen wedergeboren bokaaltjes of als vorm in die richting ten dienste van hongerigen of dorstigen. Een vreemd gevoel van ‘eeuwig leven’ als je dat met het eigen bestaan en lijf begint te vergelijken. Of hoe de tijd of vuur het ons-restende tot grondstof zal versmelten en het ‘ik’ weer in de kolkende scheppingsdrang en anonieme groeikracht zal opgaan. Stilleven voor enkele bokaaltjes als aanleiding.

Loop je de tuin in dan zie je de net gearriveerde ‘Sinningia speciosa’ kelkjes blauw-paars te wezen, oorspronkelijk uit de tropische Braziliaanse wouden en in Europa als kamerplant gehouden. Je mag ze ook met de familienaam Gloxinia speciosa aanspreken. Anderen beweren dat het Kaapse primula zijn, maar ongeacht hun identiteit is hun blauw-violet van een bijzondere schoonheid, net zoals het smetteloze wit van de hortensia’s die daarna in crème-kleurig pistache uitdoven.

Op het rustbed kom je onder het gebladerte van een fluweelboompje terecht.
Zie je misschien voor de eerste keer de structuur van hun gekartelde bladeren, voel je de beving van het boompje bij een briesje. Komt de zon door een opening in een seconde-schittering je verblinden maar ben je ook dadelijk weer onder het groene scherm, beschut voor de buitenwereld.

Fluweelboompjes wandelen door de tuin, komen op de meest onverwachte plaatsen weer boven en vullen het hevig groen van de varens aan met hun zachte lange vingers.

Kijk je vanuit de pergola dan tekenen de tachtigjarige stammen van de blauwe regen fraaie lijnen en lussen voor het landschap. Ze schrijven mysterieuze letters die je slechts langzaam leert lezen.
Het kunnen best tekeningen zijn, of de wegen op een landkaart waarlangs je in Anderland terecht komt. Maar uitgekeken ben je nooit.

Net voor je weer het huis opzoekt, schuiven de wolken weg en veegt de zon over de metalen buitentafel. Met al die prenten in je hoofd en gelukkig ook enkele op het kaartje van je fototoestel blijf je je verwonderen hoe weinig wij werkelijk zien in het dagelijks verschuiven van de tijd.
Uitgekeken ben je nooit.

Voeg daarbij de prachtige geluiden van duiven die vanuit het niets een onbeschrijfbare muziek maken, eerst met die onnavolgbare vleugelslag dan met hun repetitieve kort-lang-kort keelgeluid en daarna met hoge snel repeterende vleugelbewegingen weer de lucht ingaan. Opstuivende vogels. Nooit kan een componist dit verlangen naar de hemel ook maar benaderen.
Om maar te zwijgen van het stillere maar teder snel aanvliegen van mezen, mussen en vinken, soms aangevuld met een zeldzame merel die in een scheervlucht uit het niets verschijnt. Van de Colomba Classica naar de ware luchtgedaanten waarin de Geest zich al eeuwen verschuilt.

Een gewone namiddag was het, zonder parades, maar met een overschot aan schoonheid.
Een mooie aanvulling met Resphigi’s ‘Gli Ucelli’, de vogels dus. Bijna twintig minuten in de tuin van het hoofd en de aandachtige ziel.

Van 2004 tot 2009 hebben we enkele onderwerpen samengezet die zich over meer dan één bijdrage uitstrekken.
Later zullen we deze lijst aanvullen.
Zo kun je makkelijker uitgewerkte thema’s lezen.
Je vindt deze collectie bovenaan bij ‘UITGEWERKTE ONDERWERPEN of via de link hieronder

https://indestilte.blog/uitgewerkte-onderwerpen/

‘De Flapzeil-kampioen’, een kortverhaal

Tegenwoordig is flapzeilen algemeen bekend. Tijdens de komende Olympische spelen wordt er geflapzeild naast het al overbekende bootjeszeilen. Maar dat is niet altijd zo geweest. Vroeger had er nog nooit iemand van flapzeilen gehoord. Joris Breuker bracht daar verandering in.
Joris was een heel gewone jongen van bijna twaalf jaar. Alleen zijn oren waren niet zo gewoon. Die stonden een aardig eindje van zijn hoofd af, zodat hij al vlug, bijna dagelijks, de scheldnaam ’flapoor’ te horen kreeg.
Andere kinderen zouden dan bij hun begrijpende ouders gaan uithuilen, of karateles volgen, maar Joris glimlachte alleen maar en zei dan het geheimzinnige zinnetje: ‘Was het niet de wind die Columbus naar Amerika bracht?’
De scheldende partij zweeg dan even om daarna in woedend gebrul los te barsten.
Joris wierp ze een kushandje toe en verdween vrolijk fluitend naar huis.
In zijn vrije tijd kon je Joris op het strand vinden. Hij had zijn skateboard bij zich, keek van welke kant de wind kwam, en ging van start. Hij moest immers niet trappen, of een helling opzoeken! ]oris’ oren vingen de wind en verder was het een kwestie van evenwicht.
’Zo gaat hij goed!’ riep Joris.
Hij kromde zich, drukte één oor plat tegen zijn hoofd, maakte daardoor een sierlijke maar kordate draai en probeerde tegen de wind in te laveren.
Na enkele maanden zoefde hij vriendelijk knikkend de strandzeilers voorbij. Die hadden alle moeite van de wereld om hun vervaarlijk groot surfzeil rechtop te houden, terwijl Joris, de handen op de rug, zonder één schijntje zeil hen voorbijreed.
Natuurlijk was Joris niet het enigste kind van Knokke-Heist met afstaande oren. Mientje van de slager en Toon Brouwers van de postmeester durfden voortaan zonder muts naar school gaan. Ze werden Joris’ beste leerlingen, en op hun beurt brachten ze hun vriendjes en vriendinnetjes mee, van De Panne tot Knokke-Zoute.

Joris leerde hen, door dagelijkse oefeningen, hun afstaande oren rekken zodat ze nog meer wind konden vangen. Daarvoor had de jongen een apparaatje ontwikkeld dat de eenvoud zelve was. ]e klemde je oren in gewatteerde wasknijpers waaraan een touwtje vastzat dat op zijn beurt langs een katrolletje liep, en waar je steeds zwaardere gewichten aan kon hangen.
Natuurlijk moest Raymond uit Westende weer overdrijven. Hij wilde dadelijk met twee kilo beginnen. Zijn linkeroor scheurde af. Maar gelukkig gaf Fannie, een dokterskind, hem de goede raad het losgerukte lichaamsdeel in zijn mond te houden tot ze in het ziekenhuis van Oostende waren. Raymond stelt het nu weer opperbest. Hij begint met enkele grammetjes en het ziet er naar uit dat hij nog voor het seizoen aanvangt, met halveponden kan trainen.

De zomer van dat jaar bracht toeristen en journalisten naar de flapzeilers. Het duurde dan ook geen twee weken of vaders en moeders die hun oren jarenlang achter sjaals, petten of hoeden hadden verborgen, stonden nu op de rolplank en pronkten met hun flappers tot het donker werd.

Het Belgisch Olympisch comité (waarvan de toenmalige voorzitter enorme afstaande oren had) begon zich met de zaak te bemoeien, en weldra werd het flapzeilen een officieel erkende sporttak.
Joris bleef eenvoudig. Hij wilde voor bakker studeren en beschouwde het flapzeilen als een hobby.
Maar de concurrentie dwong hem zijn studie voorlopig even te vergeten. Uit Duinkerken immers begon de faam van Jean Voilé tot in Knokke-Heist door te sijpelen. Deze Jean bleek met zijn nauwelijks dertien jaar over super-flappers te beschikken. Hij had een gepensioneerd onderwijzer als trainer. Die trok Jean elke avond bijna drie uur deskundig aan zijn al overdadig afstaande oren zodat én de stand én de oppervlakte van Jeans’ oren ongeziene mogelijkheden begonnen te bieden.
’Laat je niet doen!’ riepen Joris’ vriendjes.
Ze lachten hem niet meer uit! Integendeel, ze hadden een fanclub gesticht, ’de oer—flappers’, en ze trokken elkaar voortdurend bij de oren in de hoop dat ze op een dag ook konden meedoen met de Europese kampioenschappen flapzeilen.
Jean en Joris bereikten, zoals verwacht, de finale en zouden het tegen elkaar opnemen in drie kilometer flapzeilen—met—hindernissen.
Er ontstond een fikse rel waar die kampioenschappen zouden plaatsvinden.
De Fransen wilden per se Duinkerken, de Vlamingen hielden vast aan Knokke-Heist. De internationale scheidsrechter (een Nederlander) koos voor de Nederlandse badplaats Cadzand, zodat beide partijen elkaar op neutraal terrein konden ontmoeten.

Jean en Joris bereidden zich ernstig voor. Joris voerde het gewicht aan zijn rek- en strekmachine op tot twee kilo en zevenhonderdvijftig gram, en Jean werd nu ook ’s morgens twee uur door zijn trainer aan de oren getrokken.
Het waren dan ook pracht-oren waarmee ze aan de start verschenen. Zonder noemenswaardige moeilijkheden namen ze de kuilen en opgerichte latten. Twee kilometer bleven ze op gelijke hoogte. Tijdens de laatste vierhonderd meter draaide Jean zijn hoofd ietsje naar links zodat hij van de juiste tegenwind kon profiteren. Hij won twee, drie meter. Maar Joris’ antwoord bleef niet uit. De jongen richtte zijn kin op op en gaf toen zijn hoofd een rukje naar rechts. Dat bracht hem weer op dezelfde hoogte als zijn tegenstander. Gejoel en gejuich brak los.
De Nederlanders wisten niet goed voor wie ze partij moesten kiezen.
Toen probeerde Joris zijn oren nog ietsje uit te rekken.
Hij trok met beide handen aan de uiteinden van zijn flappers. Het onmogelijke scheen te gebeuren. De wind zette ze bol, en… tilde ]oris op. Net boven de aankomstlijn bleef hij hangen terwijl Jean ietsje later de finish passeerde.
Wie had er gewonnen? Niemand kon het zeggen.
Joris was het eerst over de streep, maar in de lucht, terwijl Jean ze al rollend bereikte.
Reglementen brachten geen oplossing. De Fransen dreigden met extra belastingen voor alle Belgische flaporen die in Frankrijk wilden verblijven, terwijl de Belgen Franse flappers alleen over de grens zouden laten als ze helrood waren geschilderd.
Uren vergaderen loste niets op. De Nederlandse scheidsrechter begreep geen Frans en kon de redenering van de Belgen niet volgen. Hij besloot de kwestie
voor de UNO te brengen.

illustratie: Kristien Aertssen

En Joris? Die liet de drukte achter zich en liep naar het strand. Daar wachtte hij op een stevige rukwind, en toen werd hij opgetild. Hoger en hoger vloog hij, tot hij door een prachtige dikbuikige wolk aan het gezicht werd onttrokken.
Niemand heeft Joris ooit teruggezien. Sommigen beweren dat hij stiekem de Engelse ploeg heeft getraind, anderen hebben hem in Rusland of Amerika opgemerkt. Enkelingen blijven erbij dat hij als beheerder van een windmolen-park graan maalt in de ontwikkelingslanden.
Maar als volgend jaar de Olympische spelen beginnen, zullen de flappers uit de hele wereld één minuut oren en ogen ten hemel gericht houden. Joris ter ere.
Wees dus een beetje lief voor al die lui met oren plat tegen het hoofd. Ze moeten het bij voetballen en tennissen houden. Dat is al heel erg. Maak het niet nog erger.
Omdat jij toevallig van die leuke flappers hebt, zijn plat-oren toch niet minderwaardig.
Joris had het vast niet goed gevonden dat je hen zou uitlachen.

Kroniek van het dagelijkse: Roberto Donetta (1865-1932)

Roberto Donetta, Self-portrait –Bleniotal, © Fondazione Archivio Fotografico Roberto Donetta-Corzoneso

Je kunt iemand in de tijd zetten zoals we dat nu met Roberto Donetta doen, 1865-1932. Plaats: het Bleniodal, Valle di Blenio, ten noorden van Tessin, van de Lukmanierpas (1914) dalwaarts tot bij Biasca, Italiaans Zwitserland. ‘Schraal bergland’, zegt de reisgids.
Roberto verdiende er de kost, beladen met een zware houten kist, als zadenhandelaar. Op een van zijn tochten leerde hij de beeldhouwer Dionigi Sorgesa kennen. Die leende hem voor vijf frank per jaar een foto-apparaat zodat hij nu, na enkele jaren oefening, vanaf 1904, met nog een kist rondtrok waarin hij de omvangrijke camera en zijn decorstukken vervoerde. Zadenhandelaar en fotograaf.

Roberto Donetta, Portrait of a Boy -Bleniotal, © Fondazione Archivio Fotografico Roberto Donetta-Corzoneso

Foto’s werden nu de spil van zijn leven. ‘Kunst als fotograaf’, maar te duur als tijdverdrijf, te weinig lukratief als beroep. Toch belichtte hij de volgende dertig jaar zo’n 5000 glasplaten, een gemiddelde dus van drie per week.
Onderwerpen? Zijn familie, de slager, de pastoor, boeren bij het hooien, bruiloften, begrafenissen, gevolgen van overstromingen, families, het dal, pageborenen en pas-gestorvenen, fabrieksmeisjes en muzikanten, kommuniekanten, openbare werken, klasjes, geestelijken, en zichzelf.

Roberto and Linda Donetta with Their Children Brigida and Saulle, 1905-1910, © Fondazione Archivio Fotografico Roberto Donetta-Corzoneso

Sommigen schrijven hem een poëtische kijk toe, enkele beelden regisseert hij bewust, maar ik heb de vijfduizend afdrukken bekeken: de overgrote meerderheid zijn alledaagse getuigenissen van een totaal verzonken wereld die hij snel en bijna objectief fotografeerde en die daardoor vooral als documenten en kroniek van het dagelijkse bijzonder waardevol zijn.
Nu en dan echter zie je zijn eigen visie, ensceneert hij, kiest hij als een volleerd fotograaf de plaats en de acteurs. Hij noteert in zijn schriften waar, wie en wanneer en ook wel eens een zelfgemaakt gedicht:

Het leven, een gedicht van Roberto Donetta
Het is een droom, een zeepbel, een glasscherf,
een ijsblok, een bloem, een sprookje;
het is hooi, schaduwen, asse,
het is een punt, een stem, een klank,
een briesje,
een niets.
(de twee jongens poseren op blote voeten, schoenen zijn duur.) Isolina Toschini con i figli Ausilia, Vincenzo e Corrado, davanti al muro di una casa

Veel heeft het hem niet opgebracht. Zijn ‘kunst als fotograaf’. Slechts lang na zijn dood in 1932, kreeg zijn werk erkenning. De vrij goed bewaarde glasplaten doken begin jaren tachtig op in een schuur van de gemeente. In 1987 volgde de eerste tentoonstelling in Tessin, ook gekend als Ticino. In het ronde huis waar hij als eigenzinnige zonderling geleefd had, het Casa Rotondo in Corzoneso, werd het Archivo Donetta uitgebouwd. Nu zijn ze ook, ten noorden van de Gotthards te zien, zelfs een boek met zijn werk verscheen. ( zie onze verwijzingen onderaan.)
Ik zie hem vooral als degene die de kleine wereld van het lang afgesloten dal nu aan de wereld kan tonen zodat onze late verwantschap duidelijk mag worden.

Family Portrait, Bleniotal
© Fondazione Archivio Fotografico Roberto Donetta, Corzoneso

Waarom hij toch koppig bleef verder werken?
Zijn ouders waren kooplieden uit Biasca, leefden een tijdje in Milaan. Einde van de zeventiger jaren van de negentiende eeuw keerden ze terug naar Ticino, naar Castro in het Bleniodal, waar zijn vader als militair beambte werk vond.
Wie Roberto als kind was weten we niet. We weten wel dat hij school liep, iets wat toen niet zo vanzelfsprekend was. Wel weten we uit brieven en notities dat hij graag met taal speelde en het bijzonder waardevol vond om deftig (algemeen beschaafd) Italiaans te spreken en te schrijven.

In 1886 huwt hij, 21 jaar oud, en schonk hij zijn geliefde vrouw Teodolinda -Linda, afgekort- een feestelijk gedicht met elf strofen waarin hij hen beiden een lang gemeenschappelijk leven toewenste, een wens die helaas onvervuld bleef.

Foto van de familie Roberto Donetta in Casserio, Saul jongetje met hoed, Linda derde van links, Giuseppina tweede van links, Brigitta vierde links, Clemente uiterst links

Ze kregen zeven kinderen tussen 1887 en 1900. Marcellina stierf toen ze een jaar oud was. Bij de huwelijksaangifte vulde Roberto ‘boer’ in als beroep ofschoon hij nooit een stuk land heeft gehad dat hij had kunnen bewerken. Zoals velen uit het dal probeerde hij ’s winters als ‘kastanjeverkoper’ in Noord Italië geld te verdienen. Als in 1891 zijn vader stierf, erfde hij zijn post als beambte, maar dat duurde niet lang. Zittende arbeid was niets voor hem.
Hij trok naar Londen waar hij als kellner dienst deed. Verschillende streekgenoten hadden in de Engelse metropool goede zaken gedaan. Carlo Gatti bijvoorbeeld die in Londen een aantal café’s, restaurants uitbouwde en arbeid gaf aan mensen uit zijn streek zoals aan Giuseppi Pagini (1859-1913) die elf jaar kellner was bij Gati, elke verdiende penny omdraaide en vennoot werd van een van de meest gerenommeerde Londense restaurants . De miljoenen die hij verdiende investeeerde hij in het Bleniodal.
Maar Roberto Donetta was geen Pagani. Hij hield het nauwelijks 15 maanden in Londen uit en net zo arm als voordien keerde hij ontmoedigd terug naar huis.

Gruppo di suonatori davanti a un edificio
Roberto Donetta con la figlia Giuseppina in alta montagna

In zijn notitieboek schreef hij naast eigen bevindingen ook allerlei dingen op die hem waren opgevallen: gedichten, anakdotes, tips voor het huishouden uit kranten en tijdschriften overgenomen, hoe je het beste muizen vangt, en wat best helpt tegen tandpijn. Hij schreef de namen op van alle pausen of goede raad zoals: ‘Geef het geld niet meer of minder waarde dan wat het waard is.’

Groep uit het Bleniodal

Maar dat geld bleef het probleem, vooral als je het niet hebt. Was het zijn idee om voortaan door het dal te trekken met een zware koffer vol zaden? En wat dacht Linda van het plan ook met foto’s in hun levensonderhoud te voorzien? Want foto’s maken kost geld: foto-papier, glasplaten, chemicaliën. Het leven in het Blenio-dal was hard, want er dreigden vaak natuurrampen als lawines en overstromingen. Er woonden toen zo’n 6000 mensen in het dal, duizend meer dan nu.
Om te eten was er een eenheidsschotel van aardappelen, kastanjes, mais en een beetje roggebrood. De kindersterfte was hoog, en griep, cholera en difterie maakten vele slachtoffers. ’s Winters moesten de mannen ver van huis werk zoeken en bleef de vrouw alleen achter met de zorg voor het vaak grote kinder-aantal..

De meisjes van de Cima chocoladefabriek. Merk de mooie opstelling.

Wel kwam er in 1903 een electriciteitscentrale in het dal, en in het dorp Torre werd een chocoladefabriek geopend. Donetta heeft ze gefotografeerd. Maar vijf jaar later verwoestte een uit de oevers gebroken beek Soia beiden, en ook dat heeft hij gefotografeerd. De stichters van de fabriek, de gebroeders Cima, zorgden met geld van de rijke restaurantbezitter Pagani voor de wederopbouw. Ook voor een aansluiting met de Gotthardspoorweg die Biasca met Acquarossa zou verbinden. In 1911 waren de werken klaar. De postkoets had er twee uur voor nodig, de Trenino deed het in een half uurtje.

Ponto Valentino visto da sud-ovest

Van Corzoneso waar Roberto Donetta met zijn familie sinds 1900 in het Casa Rotonda woonde was het niet ver van het eindstation van dit spoor. En was het daarom dat Linda haar man verliet of eerder de constante geldnood terwijl hij per se een kunstenaar wilde blijven, een heuse fotograaf?
In 1912 trok Linda naar Bellinzona om er in de melkerij te werken. Zij en vijf van haar kinderen verhuisden, alleen de jongste, Saul, bleef bij zijn vader.

fragment van in scene gezette foto: de tandarts

Hij bleef door het dal trekken met zaden en zijn fototoestel ook al moest in 1913 zijn uitrusting even in het pandjeshuis. Hij zorgde voor een camera uit Geneve. Op de pof.
De luxe van een studio kende hij niet dus sleepte hij zijn decors mee: doeken en tapijten waarvoor hij zijn onderwerpen kon fotograferen. Wat dus nu fris geënsceneerd lijkt was gewoon noodzaak: hoe meer mensen op een foto, hoe goedkoper. Foto’s werden in een ovaal gekaderd en verkocht.
Hoe hij de eerste wereldoorlog doorkwam, weten we niet. Hij werd steeds meer een zonderling, een “Vagabondo” werd hij in het dal genoemd. Zijn familie was intussen naar Frankrijk uitgeweken.

Three girls in the break from work in the fields under a tree

In de late zomer van 1932 als nicht Amelia hem in zijn Casa Rotonda wilde bezoeken, vond ze hem niet. Een gebuur haalde een ladder, drukte het karton in dat in plaats van glas de vensteropening bedekte, en met kreupelhout in zijn handen lag Roberto daar dood op de grond.

(naar gegevens va Susanne Rothenbacher in Tagesanzeiger 21 juli 2016)

Bambina defunta in una bara circondata di fiori
Sass dra Madona vicino a Casserio

The history of the Canton of Ticino, the Italian-speaking Swiss territory to the south of the Alps, was until recently profoundly marked by emigration. In fact, only after the Second World War did the Canton experience the economic development which has detennined its present-day identity. The period in which Roberto Donetta was active as a photographer in the Valle di Blenio was one characterized by extremely hard living conditions, due to a difficult terrain where arable land was limited. The contribution of emigrants to the economy of the valley consequently proved to be of vital importance (especially those who worked in France and Great Britain).

Casa rotonda a Casserio, vista da sud

The Roberto Donetta Archives contain more than five thousand plates and about five hundred prints. The Commune of Corzoneso became the owner of the material on the death of the photographer, thus preventing its dispersal. For more than thirty years the plates had been forgotten in a bam, which contributed, possibly, towards their ultimate preservation. The Archives are housed in the Casa Comunale of Corzoneso, which is responsible for the supervision and conservation of a considerable quantity of archive material of major interest for research in both the photographic and historical fields. Donetta’s life was marked by severe economic problems which lead him to depend on public (communal) assistance. On his death the Commune of Corzoneso auctioned off the few belongings previously owned by the photographer in order, in part, to retrieve the money spent for his maintenance. Whereas his household goods did find buyers his photographic plates, on the other hand, were of interest to no one and, in consequence, remained the property of the Commune. (Marco Franciolli 2016)

Roberto Donetta, Family Portrait -Bleniotal, © Fondazione Archivio Fotografico Roberto Donetta-Corzoneso
Roberto Donetta, Four little girls among the plants
1900–1932/1993
Analog print on baryta paper, sepia toning with sodium sulfide, 30 × 40 cm
Museo d’arte della Svizzera italiana, Lugano, Collection of the Canton of Ticino
familie, 2 jongens dragen rouwbandje op hun jaskraag

Archief te raadplegen: http://www.archiviodonetta.ch

Roberto Donetta with his suitcase of seeds in a courtyard near the Casa Rotonda in Casserio, 1900–1932/1993
Analog print on baryta paper, sepia toning with sodium sulfide, 40 × 30 cm
Museo d’arte della Svizzera italiana, Lugano, Collection of the Canton of Ticino

‘Adjustments’, gedichten van Alberto Rios (1952)

Fernando Martinez, As If we know 2019: wood, metal, plaster, plastic, acrylic (16” X 14” x 1.5”)
Aanpassingen

Toen koffie voor het eerst in Europa arriveerde,
Werd er naar verwezen als 'Arabische wijn.'

In het San Francisco van de eeuwwisseling,
Begon de bank van Amerika als de Bank van Italië.

Toen Cortès in Tenochtilàn aankwam op 8 november, 1519,
Groette Moctezuma II hem hartelijk en kuste zijn hand.

Dat allemaal. We zijn verbaasd bij de kleinste gebeurtenissen
Die we meemaken, de feiten die ons nu zo vreemd lijken.

Zoals we leven in hun kamers aan de overkant.
In 1935, zegt een bericht, toen Isaac Bashevis Singer

In New York aankwam, hij was toen dertig jaar oud
En kon slechts drie woorden in het Engels spreken:

"Take a chair."
Maar dan leerde hij nog andere woorden. Het hielp.

Isaac Bashevis Singer (Jiddisch: יצחק באַשעוויס זינגער) (Leoncin bij Warschau, 21 november 1904 - Miami, Florida, 24 juli 1991) was een Pools schrijver die in 1943 Amerikaans staatsburger werd. Hij schreef in het Jiddisch. In 1978 werd hij onderscheiden met de Nobelprijs voor Literatuur.
Once there was a cat… 1998
Dmitry Evgenievich Ikonnikov.












"Adjustments”

When coffee first arrived in Europe,
It was referred to as “Arabian wine.”

In turn-of-the-century San Francisco,
The Bank of America began as the Bank of Italy.

When Cortés arrived at Tenochtitlán on November 8, 1519,
Moctezuma II greeted him warmly, and kissed his hand.

All of that. We are amazed by the smallest of things
Coming before us, the facts that seem so strange to us now

As we live in their opposite rooms.
In 1935, reports say, when Isaac Bashevis Singer

Arrived in New York, he was thirty years old
And could speak only three words in English:

“Take a chair.”
But then he learned other words. It helped.

From Not Go Away is My Name by Alberto Ríos. Copper Canyons Press
Foto door Ivo Rainha op Pexels.com

Alberto Ríos, Arizona’s inaugural poet laureate and a Chancellor of the Academy of American Poets, is the author of eleven collections of poetry, including The Smallest Muscle in the Human Body, a finalist for the National Book Award. His most recent book is A Small Story About the Sky, preceded by The Dangerous Shirt and The Theater of Night, which received the PEN/Beyond Margins Award. Published in the The New Yorker, The Paris Review, Ploughshares, and other journals, he has also written three short story collections and a memoir, Capirotada, about growing up on the Mexican border. Ríos is also the host of the PBS program Books & Co. University Professor of Letters, Regent’s Professor, and the Katharine C. Turner Chair in English, Ríos has taught at Arizona State University for over 35 years. In 2017, he was named director of the Virginia G. Piper Center for Creative Writing.

The Morning News

Seasons will not be still,
Filled with the migrations of birds

Making their black script on the open sky,
Those hasty notes of centuries-old goodbye.

The clouds and the heavens make a memo book,
A diary of it all, if only for a day.

The birds write much, but then rewrite all the time,
News continuous, these small pencil tips in flight.

They are not alone in the day’s story.
Jets, too, make their writing on the blue paper —

Jets, and at night, satellites and space stations.
Like it or not, we are all subscribers to the world’s newspaper

Written big in the frame of the window in front of us.
Today, we wave to neighborhood riders on horses.

We hear the woodpecker at work on the chimney.
There is news everywhere.

All this small courage,
So that we might turn the page.

Foto door freestocks.org op Pexels.com

Alberto Ríos has won acclaim as a writer who uses language in lyrical and unexpected ways in both his poems and short stories, which reflect his Chicano heritage and contain elements of magical realism. “Ríos’s poetry is a kind of magical storytelling, and his stories are a kind of magical poetry,” commented Jose David Saldivar in the Dictionary of Literary Biography. Ríos grew up in a Spanish-speaking family but was forced to speak English in school, leading him to develop a third language, “one that was all our own,” as he described it. Ríos once commented, “I have been around other languages all my life, particularly Spanish, and have too often thought of the act of translation as simply giving something two names. But it is not so, not at all. Rather than filling out, a second name for something pushes it forward, forward and backward, and gives it another life.”

Foto door Pixabay op Pexels.com
We are a tribe

We plant seeds in the ground
And dreams in the sky,

Hoping that, someday, the roots of one
Will meet the upstretched limbs of the other.

It has not happened yet.
We share the sky, all of us, the whole world:

Together, we are a tribe of eyes that look upward,
Even as we stand on uncertain ground.

The earth beneath us moves, quiet and wild,
Its boundaries shifting, its muscles wavering.

The dream of sky is indifferent to all this,
Impervious to borders, fences, reservations.

The sky is our common home, the place we all live.
There we are in the world together.

The dream of sky requires no passport.
Blue will not be fenced. Blue will not be a crime.

Look up. Stay awhile. Let your breathing slow.
Know that you always have a home here.
Foto door Donald Tong op Pexels.com

Resistance and persistence collide in Alberto Rios’s sixteenth book, Not Go Away Is My Name, a book about past and present, changing and unchanging, letting go and holding on. The borderline between Mexico and the U.S. looms large, and Ríos sheds light on and challenges our sensory experiences of everyday objects. At the same time, family memories and stories of the Sonoron desert weave throughout as Ríos travels in duality: between places, between times, and between lives. In searching for and treasuring what ought to be remembered, Ríos creates an ode to family life, love and community, and realizes “All I can do is not go away. / Not go away is my name.”

Foto door Brett Sayles op Pexels.com
I Do Not Go Away

You have terror and I have tears.
In this cruel way, we are for each other.

We are at war. You always win.
But I do not go away.

You shoot me again. Again, I do not go away.
You shoot with bullets, but you have nothing else.
Foto door Pixabay op Pexels.com

‘As if we know’ is van Fernando Martinez. Fernando Martinez was born in Buenos Aires, Argentina and studied bio-engineering at Polytechnic Institute of Technology and furniture design and fine arts at S.U.N.Y., Purchase, NY. His work has been shown in solo shows at the P-Cafe in New Rochelle, NY, the Solar Gallery in East Hampton, NY and the Bison Legacy Gallery in Cody, Wyoming. Group shows include the Miranda Fine Arts Gallery and Art-Miami Solar Gallery in East Hampton, NY, as well as the Mobile Show Galleria in Boston, among other East Coast venues.

Foto door Miguel u00c1. Padriu00f1u00e1n op Pexels.com

Telkens hij naar hen keek, hoorde hij muziek.

Met zijn drieën kijken ze ons aan. Je merkt dadelijk dat ze met muziek te maken hebben en wie heel aandachtig zou kunnen kijken, merkt dat op ieder partituurtje de naam van de geschilderde is vermeld.
Een schilderij van Anton Domenico Gabbiani (Florence, 1653-1726) in opdracht van grootvorst Ferdinando de’ Medici, een intense bewonderaar en zelf amateur-beoefenaar maar vooral collectioneur van muziek en andere resultaten van de Schone Kunsten.
Het werd geschilderd in 1687 voor de Pratolino-villa, lievelingsresidentie van de grootvorst, thuishaven van dit doek en aanverwante afbeeldingen van muzikanten. Later ook een soort cultureel centrum met jaarlijkse concerten en theater- en opera-opvoeringen

Al stelt het doek een ‘concert à trois’ voor toch zijn het drie (castraat-) zang-virtuozen die hier als groep poseren en die wij, na enig opzoekingswerk, bij naam kunnen noemen. Ze horen bij la camerata musicale van het Florentijnse hof.

Helemaal links van het ‘epinette’ zien we Vincenzo Olivicciani, hofmuzikant en daarna werkzaam als soprano bij de Koninklijke Kapel van Wenen. (hof van Leopold I)

Vincenzino est un grand chanteur. Il possède de rares qualités, en particulier sa manière de chanter les passaggi avec la plus parfaite clarté, et un beau trille ; sa voix est belle et gracieuse, et il la plie à tout ce qui est humainement possible, si bien que tous les autres chanteurs le considèrent comme le premier d’entre eux.‘ (Baron del Nero, proche de la famille Colonna à Rome)

Middenin zien we Antonio Rivani (internationaal als ‘Ciccolino’ bekend) , in dienst bij kardinaal Gian Carlo de Medici en zanger aan het Pergola-theater in Firenze voor hij naar Parijs trekt en daarna in Rome bij het gevolg van koningin Christina van Zweden gaat behoren. Hij probeert even een extra job erbij te nemen aan het hof van Karel Emanuel II van Savoy, maar dat is ‘not done’ voor Christina. Uitreksel uit haar brief:

Je veux qu’on sache que je ne consentirai jamais qu’Antonio Rivani change mon service pour un autre, qu’il n’est plus au monde que pour moi et qu’il ne chantera pas longtemps pour qui que ce soit. Quoi qu’il en puisse être, s’il est sorti de mon service je veux qu’il y rentre, et quand même on voudrait me faire accroire qu’il a perdu la voix, cela n’y ferait rien ; tel qu’il est, il doit vivre et mourir à mon service, ou malheur lui en arrivera.

Het was ook deze jongeman die zich nogal vlug in de belangstelling van Alfonso kon inleven zodat Cosimo III dringend op zoek ging naar een echtgenote voor Fernando.

Helemaal rechts zien we de nog jonge Giulio Cavaletti, componist en contralto bij Ferdinand’s hof die volgens geschriften ‘leefde in Rome, Barcelona en Wenen.’ We zoeken nog naar verdere sporen van zijn bestaan.

Ik noem hun namen omdat ze daardoor werkelijke mensen worden die voor Gabbiani in hun sjiekste kleren poseerden. (zoals drie andere collega’s in een ander doek van dezelfde schilder hieronder).
In 2013 was er een merkwaardige tentoonstelling in Firenze over deze Ferdinando als ‘Collector and Patron’ en daar waren ook deze doeken te zien waarover de NY-Times schreef:

There are two splendid group portraits of Ferdinando’s musicians from the mid 1680s by one of his favorite artists, Anton Domenico Gabbiani. One of these group portraits includes Ferdinando himself; indeed Cosimo reproved his son for his overfamiliarity with players and singers. The other picture is of three musicians accompanied by a richly appareled young black servant. At the center of the canvas is the castrato Francesco de Castris, who from 1686 became Ferdinando’s director of music and trusted adviser, with whom, according to rumor at least, the prince also had a more intimate relationship.’ (Roderick Conway Morris NY Times Aug. 6, 2013)

Gabbiani 3 muzikanten met een dienaar en papegaai
Ferdinando rechts omgeven door zijn muzikanten

‘Ferdinando’s first passion from his earliest years was music. He became an accomplished harpsichordist, able to sight-read a piece and then play it from memory. He built up a sizable permanent group of players and financed the development of new types of instruments. He brought Bartolomeo Cristofori from Venice to be his chief instrument maker — and in 1700 Cristofori invented and constructed the first piano. Ferdinando attracted to Florence musicians from all over Italy and beyond, making the city a center of excellence and innovation. Among those who enjoyed his patronage was the 22-year-old Handel, whose first Italian opera “Rodrigo” was staged in Florence in 1707.’ (ibidem)

I musicisti del principe Ferdinando de’ Medici door Gabbiani

Groot was Ferdinando’s waardering voor kunstenaars, inzonderheid voor muzikanten. Alsof hij door hun portretten te bekijken opnieuw hun muziek hoorde, maar ook de geliefde uitvoerders weer dichtbij zag. Zijn moeder, Marguerite-Louise d’ Orléans, verliet hem toen hij nauwelijks twaalf was, zijn jonge bruid, prinses Violante Beatrice van Beieren, was een tragische figuur: ‘She shared her husband’s musical interests and wrote her own plays, in which she performed. But although she seems to have been devoted to Ferdinando, her feelings were not reciprocated. The prince’s neglect of his spouse contrasted markedly with the consideration and generosity with which he treated so many others.‘ De liefde voor het ‘spirituele’ mooie kan je ook blind maken voor het natuurlijk mooie in handbereik, of was er nog een andere niet uitgesproken hindernis?

Anton Domenico Gabbiani. Concert. c1685. Oil on canvas. (Pitti Palace, Florence)

Boeiende boeken daaromtrent: (op de 2de handmarkt nog te vinden?)

-Patrick Barbier, Triomf en tragiek der castraten, uit het Frans vertaald, A.W. Bruna 1991

-Christopher Hibbert, Opkomst en ondergang van de Medici, Uitgeverij Contact A’dam 1989 (het verhaal haalt het wel eens op de historie)

Bartolomeo Cristofori Grand Piano 1720

Mensen aan de rand: Isidre Nonell (1872-1911)

‘Koster deelt aalmoezen uit’ 1909 bewerkt papier

De kleine, verdrukte, bijna helemaal vergeten medemens, samen met met de landschappen waar licht en atmosfeer het onderwerp zijn, zo zou je de onderwerpen van de Catalaanse schilder Isidre (Isidro) Nonell kunnen samenvatten.

Isidre Nonell, 1896 Capvesdre a Sant Marti de Provençals
Assumpcio

The oil paintings show the influence of impressionism and pointillism expressed in a new way. Thick strokes layered one after another do not quite mix colors in the eye, leaving a directness of emotion. His subjects, most often women, were the overlooked and marginalized– poor women (often with children), gypsies, wounded soldiers repatriated from the Cuban war, and people suffering from cretinism.

Isidro Nonell Returned Soldier from Cuba on the Quay

Natuurlijk brengen dergelijke onderwerpen weinig geld op, en al helemaal geen naam en faam. De armen, de zogenaamde gekken, mensen met cretinisme, en gypsies, al het volk dat zich op de rand van de maatschappij beweegt, het zijn niet dadelijk figuren om in dure salons of bij sjieke kunsthandelaren de koper te overtuigen.

2 poor men sleeping 1897

From a very early age he showed aptitude for drawing and between 1884 and 1892 he received his firts lessons from artists such as Josep Miraben, Gabriel Martínez Altés and Lluís Graner. During the academic years 1893-1894 and 1894-1895 he attended the “Escola de Belles Arts de Barcelona” ( Fine Arts School of Barcelona) where he met Joaquim Mir, Ricard Canals, Ramón Pichot, Juli Vallmitjana, Adrià Gual and Joaquin Sunyer who were school friends and at the same time they shared the same artistic interests: the landscape painting, interest for the light, and atmospheric effects. Together they went to painting excursions to the outskirts of Barcelona where they practised a half impressionist style, often with warm tones, for this reason they received the name “Saffron Group” or “Sant Martí Group” because this was of the name of the municipilaty next to Barcelona where they used to paint.

Vrouw met cretinisme en kindje in landschap met sneeuw

Geen goedkope emoties, minder nog het leed of eenzaamheid uitvergroten. Wel het uitzichtloze, de werkelijkheid zoals ze in en buiten de steden te zien was en waarvoor graag de blik werd afgewend. De invloed van Japanse prenten is hierboven duidelijk zichtbaar.

In this definitive version of a cretin with his son in a snow-covered landscape, framed by the Romanesque church of Sant Pere d’Escunyau, in the vall d’Aran, it is very especially evident the influence of the Japanese prints.

Esperant la sopa – Wachtend op de soep

Hij ging ook naar Parijs waar hij zich aan zijn zelf gekozen thematiek vasthield. Wel zag je zijn stijl veranderen omdat het werk van Toulouse-Lautrec hem inspireerde. Hij had er beroemd kunnen worden als hij op de voorstellen van de bekende kunstverzamelaar Paul Durand-Ruel was ingegaan die erg uit was op folkloristische Spaanse scenes die toen erg in waren. Ondanks de verschillende ‘Salons’ waaraan hij deelnam in Parijs en zijn kennismaking met de jonge Picasso, keerde hij in 1900 als vrij onbekende kunstenaar terug naar zijn heimatstad Barcelona.

Bedelaar in Parijs
Consuelo, 1902

Al riep Isidri uit: ‘Jo pinto i prou’ (Ik schilder en basta) toch trok hij zich de volgende jaren meer en meer terug uit het openbare leven. Hij stierf in 1911 op 38-jarige leeftijd aan typhus.

Hardship
Porta de l’ estudi
de schilder en zijn modellen
La Paloma Isidri Nonell

Er is ook de zachtheid in het verdonkeren van de atmosfeer waarin het portret een zekere melancholie uitstraalt door houding en kleurgebruik. Een portret is voor hem niet dadelijk een zoeken naar gelijkenissen met het model maar een treffen van een sfeer waarin en het karakter, en uiterlijk samenvloeien in een rustige aanwezigheid waar lang naar kan gekeken worden.

Catala: Dona Ilegint
Cabeza masculina sacando la lengua (Male Head Sticking Out His Tongue)

SCHRIJF-INSTRUCTIES, een gedicht van Phan Nhiên Hạo (Vietnam)

Schrijf-instructies

Schrijf scherp zoals een nagel geslagen in een plank.
Schrijf snel zoals wind blazend door een dorpsplaag.
Schrijf rustig zoals kolen diep brandend in de aarde.
Schrijf fel zoals een gewonde leeuw op de rand van de dood.
Schrijf voorzichtig zoals een trein ploegend door een mistige morgen.
Schrijf gevoelig zoals een vlieger voor de storm.
Schrijf plezier over het zand, verbindt dan de punten.
Schrijf spijt op het water, laat de golven het dragen.
Schrijf eenzaamheid op een lantaarn, hou de wacht tot het licht dooft.
Het is mogelijk gebald te schrijven, maar sla de werkwoorden niet over,
stagnatie zal leestekens laten zinken.
Schrijf na schemer maar niet bij dageraad -
dat is wanneer de geesten terugkeren
nadat ze meer zielengeld hebben verzameld.
Schrijf intensief bij dronkenschap, maar eens nuchter, dump het allemaal
in de rivier,
en probeer niet op te scheppen over je verslavingen.
Schrijf voor de doden, maar nodig de begrafenis-band niet uit
want synthetische muziek verstikt het lichaam.
Het is mooi om doelloos te schrijven, maar wees niet onachtzaam.
Hou taal in haar soliede staat met een hoog smeltpunt.
Schrijf ver onder nul, zoals een winterdag in Oymyakon.
Schrijf zwetende kogels, zoals zomertijd in Dallol.
Schrijf in de stijl van de New Yorkse School of Prairie, beiden cool,
maar dans niet rond met een stok
denkend dat niemand je kan zien.
Schrijf hopeloos zoals wachtend tot de maan op het dak valt en
in stukjes breekt.
Schrijf hoopvol zoals ik wachtte op mijn vrouw, om te bevallen
in het Tu Du Hospitaal.
Schrijf onvergetelijk zoals zes jaar geleden in Bangkok toen ik
een vrouw zag met twaalf vingers.
Schrijf mysterieus zoals alle lange nachten van mijn jeugd
luisterend naar de symfonie door straatverkopers geroepen.
Schrijf grootmoedig maar schenk geen aandacht aan symmetrie.
Schrijf schitterend, maar vermijd goedkoop gezichtspoeder.
Schrijf temidden van een massa terwijl je alleen staat,
met een 'Niet storen aub'-bordje' rond je nek.
Wanneer de naamlozen geëxecuteerd zijn op het stadsplein,
schrijf hun gezichten in bloed, en was nooit je handen-
niet tot vrijheid zich verspreidt als zeepbellen
door schandelijke plekken weg te schuren in de geschiedenis.

(Excerpted from Paper Bells, an upcoming collection by The Song Cave.)
“Instructions for Writing”

A Poem by Phan Nhiên Hạo, translated by Hai-Dang Phan

Write sharply like a nail driven into a plank.
Write swiftly like wind blowing through a village plague.
Write quietly like coals burning inside the earth.
Write fiercely like a wounded lion on the brink of death.
Write cautiously like a train plowing through a foggy morning.
Write sensitively like a dragonfly before a storm.
Write pleasure all over the sand, then connect the dots.
Write sorrow on the water, let the waves do the carrying.
Write solitude onto a lantern, keeping vigil until the light burns out.
It’s possible to write briefly, but don’t skip verbs,
stagnancy will sink punctuation marks.
Write after dusk but not at dawn—
that’s when the ghosts return
after collecting more spirit money.
Write prolifically when drunk, though once sober, throw it all
into the river,
and try not to brag about your intoxications.
Write for the dead, but don’t invite the funeral band
because synthetic music suffocates the corpse.
It’s fine to write aimlessly, but don’t be careless.
Keep language in its solid state with a high melting point.
Write far below zero, like a winter day in Oymyakon.
Write sweating bullets, like summertime in Dallol.
Write in the style of the New York School or Prairie, both are cool,
but don’t dance around with a stick
thinking no one can see you.
Write hopelessly like waiting for the moon to fall on the roof and
break into pieces.
Write hopefully like when I waited for my wife to give birth
at Tu Du Hospital.
Write unforgettably like in Bangkok six years ago when I saw
a beautiful woman with twelve fingers.
Write mysteriously like all the long nights of my youth
listening to the symphony of the street merchants crying out.
Write handsomely, but pay no attention to symmetry.
Write gorgeously, but avoid cheap face powder.
Write in the middle of a crowd while standing alone,
a “Do Not Disturb” sign around your neck.
When the nameless are executed in the city’s square,
write their faces in blood, and never wash your hands—
not until freedom spreads like soap bubbles
from scrubbing history’s shameful spots.

Excerpted from Paper Bells, an upcoming collection by The Song Cave.

Phan Nhiên Hạo
Phan Nhiên Hạo is the author of three collections of poetry in Vietnamese, Thiên Đường Chuông Giấy [Paradise of Paper Bells, 1998], Chế Tạo Thơ Ca 99-04 [Manufacturing Poetry 99-04, 2004], and Radio Mùa Hè [Summer Radio, 2019]. He received a B.A. in Vietnamese Literature from the Teachers’ College in Saigon, a B.A. in American Literature and a Masters in Library Science from the University of California, Los Angeles, as well as a Masters in Anthropology from Northern Illinois University. His poetry has been translated into English and featured in Of Vietnam Identities in Dialogue (Palgrave, 2001), Three Vietnamese Poets (Tinfish, 2001), Language for a New Century (W. W. Norton, 2008), and The Deluge: New Vietnamese Poetry (Chax Press, 2013). In 2006, Tupelo Press published a bilingual collection of his poetry, Night, Fish, and Charlie Parker, translated by Linh Dinh. He currently lives and works as an academic librarian in Illinois.

“Instructions for Writing”

interview met de dichter: https://lithub.com/hai-dang-phan-on-poetic-distance-and-reenacting-the-past/

Kit’s Writing Lesson 1852 Robert Braithwaite Martineau 1826-1869 Presented by Mrs Phyllis Tillyard 1955 http://www.tate.org.uk/art/work/T00011