NACHTELIJK

c8518cb6a5968ba4f7ed81516be786c9

De nachten, zei mijn kind,
de nachten zijn belachelijk dun
en soms ook afgelikt paars,
of van bladerdeeg
zoals de maan.

Onderwaterzwemmen:
-de wereld kopje onder-
Op veel te dure schepen
liggen matrozen
voor pampus
terwijl sterren
vruchteloos wenken.

In de gele buik van een tram
wil ik de stad uitrijden
en de nachtegaal loslaten
die jij in de piano hebt opgesloten.

Iedereen bewusteloos,
maar wij roeien op de vijver
waar de morgen slaapt.
Heb je wel gebeden, vraagt hij,
want zonder bidden
wierookt de mist als gifgas.

Ze heeft gezongen, zegt ze de nachtegaal,
de hazelaar knikte tevreden,
zelfs de kranten waren over haar te spreken.

Op haar schouder
wacht hij op de leeuwerik
om met een duet
uit de parelvissers
de ontwakenden gerust te stellen.

 Young-Hopper-Drawing
Above you can find Exhibit A from the collection. A picture that young Hopper, only 9 years old, drew on the back of his 3rd grade report card. A sure early sign of his talents.
Helemaal bovenaan ‘Boy and Moon van Edward Hopper (1906-1907)
Pen, brush and ink, and transparent and opaque watercolor on paper

VANUIT DE STILTE NAAR GELUIDS-GENOT

a92fa-brown3

Stilte is niet het ontbreken van geluid, net zo min als lawaai luid moet klinken om lawaai te zijn.
Stilte is de mogelijkheid om dichtbij, midden en verder weg geluiden te kunnen waarnemen die samen een ‘soundscape’ vormen of waarmee je zelf een soundscape kunt maken.
De sterkte doet er niet toe want lawaai is niet meer dan ‘ongewenst’ geluid, en dat kan net zo goed de venijnige klank van de tandartsboor zijn als de stoomhamer uit de walserij.

Stilte is dus openheid om waar te nemen, in dit geval met de oren, al wordt klank met het hele lichaam waargenomen.
Je aandacht richten op de geluiden uit je omgeving is een mooie begin-oefening voor jonge componisten en radio-makers.
Stel je voor dat je alleen thuis bent.
Het was een uitgangspunt voor een kleine radio-productie uit de jaren tachtig. We namen enkele uren thuis geluiden op die in en om het huis aanwezig waren en gingen daarmee aan het werk in de studio. Het werd een soort ‘verdroming’ van de alledaagse geluiden die eigen ritmes en associaties gingen vormen tot ze door wekker werden verlost en weer terugkeerden naar hun alledaagsheid.
Natuurlijk hadden we nog geen digitale mogelijkheden. We waren al heel fier op de aankoop van een heuse ‘vocoder’ waarmee geluiden bewerkt konden worden en die ons de kans gaf de kleuren te onderzoeken en te gebruiken.
Luister maar mee, ietsje meer dan zestien minuten ‘Alleen thuis’. (16’38)

 

mdj_peter_serling_2010_web_0423

Enkele dagen geleden vond ik in de USA een mooie cd van een groep met een erg aansprekende naam. ‘BANG ON A CAN’. Ze verzamelden nummers onder de al even sprekende titel voor een radiomaker: ‘Field Recordings’.
Hieronder stellen ze zichzelf voor en volgen er twee nummers waarin alledaagse geluiden prachtig zijn geïntegreerd in hun totaalproductie.
Het geluid wordt een deel van de totaalklank die we dan bijvoorbeeld muziek kunnen noemen maar net zo goed een eigen dramatisch verhaal vertelt.

Veel luister-werk, koptelefoons of goede boxen aan te raden om je in de ruimte zelf terug te vinden. Gebruik een zo groot mogelijk scherm.

Bang on a Can is dedicated to making music new. Since its first Marathon concert in 1987, Bang on a Can has been creating an international community dedicated to innovative music, wherever it is found. With adventurous programs, it commissions new composers, performs, presents, and records new work, develops new audiences, and educates the musicians of the future. Bang on a Can is building a world in which powerful new musical ideas flow freely across all genres and borders. Bang on a Can plays “a central role in fostering a new kind of audience that doesn’t concern itself with boundaries. If music is made with originality and integrity, these listeners will come.” (The New York Times)

Bang on a Can has grown from a one-day New York-based Marathon concert (on Mother’s Day in 1987 in a SoHo art gallery) to a multi-faceted performing arts organization with a broad range of year-round international activities. “When we started Bang on a Can, we never imagined that our 12-hour marathon festival of mostly unknown music would morph into a giant international organization dedicated to the support of experimental music, wherever we would find it,” write Bang on a Can Co-Founders Michael Gordon, David Lang and Julia Wolfe. “But it has, and we are so gratified to be still hard at work, all these years later. The reason is really clear to us – we started this organization because we believed that making new music is a utopian act – that people needed to hear this music and they needed to hear it presented in the most persuasive way, with the best players, with the best programs, for the best listeners, in the best context. Our commitment to changing the environment for this music has kept us busy and growing, and we are not done yet.”

Current projects include the annual Bang on a Can Marathon; The People’s Commissioning Fund, a membership program to commission emerging composers; the Bang on a Can All-Stars, who tour to major festivals and concert venues around the world every year; recording projects; the Bang on a Can Summer Music Festival at MASS MoCA – a professional development program for young composers and performers led by today’s pioneers of experimental music; Asphalt Orchestra, Bang on a Can’s extreme street band that offers mobile performances re-contextualizing unusual music; Found Sound Nation, a new technology-based musical outreach program now partnering with the State Department of the United States of America to create OneBeat, a revolutionary, post-political residency program that uses music to bridge the gulf between young American musicians and young musicians from around the world; cross-disciplinary collaborations and projects with DJs, visual artists, choreographers, filmmakers and more. Each new program has evolved to answer specific challenges faced by today’s musicians, composers and audiences, in order to make innovative music widely accessible and wildly received. Bang on a Can’s inventive and aggressive approach to programming and presentation has created a large and vibrant international audience made up of people of all ages who are rediscovering the value of contemporary music.

 

EEN MAN EN EEN PAARD, een radiodocumentaire

DP122028

Een man en een paard, een radiodocumentaire uit de vroege tachtiger jaren van de 20ste eeuw.
Hij was 67 toen we deze documentaire maakten: een man met een bewogen leven waarin paarden een voorname rol hebben gespeeld.
Man en paard behouden hun zelfstandigheid.
Maar er is een band.
Ze respecteren elkaars eigenheid en zelfstandigheid.
De nauwe band die hen verbindt of verbonden heeft kwam langzaam tot stand.

Beluister zijn verhaal.

duurtijd: 27’40

 

agostini

Het bovenste beeldje komt uit de Hellinistische periode, 3de eeuw voor  V.C., de tekening is van de Amerikaanse kunstenaar Peter Agostini (1913-1993) Gedateerd: 1941.

 

WENDINGEN

Wendingen-1931_1280x500

 

Waarom

draait de rivier,

sterft het kind,

staan de koeien, gat naar de wind,

breekt een vriend je de nek,

kust een onbekende je op de lippen,

ratelt de regen,

verblijven wij op aarde,

zingen de monniken,

stinken kranten naar leugens,

stijgt de temperatuur,

gooien mensen zich op de grond voor god,

grijpen wij naar goud en zilver,

verbergen wij onze angsten

lezen we op het toilet,

en verlaten wij het leven,

terwijl de merels zwijgen.

 

Wendingen zijn het, kind,

wendingen die ons

tot een roerloos cocon omwinden.

Wat gisteren was, zal morgen zijn.

 

Het regent sterren terwijl je slaapt.

 

kopjewendingen

 

DORPSIDYLLE HEINRICH SEEPOLT

seepolt01

Merkwaardig en boeiend doek van merkwaardige en boeiende kunstenaar.
Heinrich Seepolt werd in 1903 in Duisburg (DE) geboren en bezocht de Kunstgewerbeschule in Essen, was medestichter van de ‘Duisburger Künstlerbundes’ en bezocht geregeld de Kunstacademie in Düsseldorf. Als Meisterschüler van Paul Klee zoekt hij naar zijn eigen stijl.
Vanaf 1932 gaf hij samen met andere Duisburgse kunstenaars atelier (in kamers van een politiebureau!) waarin het ‘zien’ werd verdiept: ‘Schulung des Sehens und Gestaltens’.
Het kenmerkt hem als kunstenaar dat hij eerder pedagoog dan artiest wilde zijn, denk ik.
Als de nazi’s aan de macht komen wordt één van zijn werken in beslag genomen als ‘Entartete Kunst’ (1937) en gaat hij ondergronds. In 1942 huwt een halfjoodse pianiste, Wilhelmine Schlüter.
In Zwitserland wordt zijn zoon geboren en in 1944 werd zijn Duisburgs atelier ‘ausgebombt’ en gaat veel werk verloren.
In 1950 komt hij totaal verarmd in Kirchheim wonen, een wijk van Euskirchen en ontwerp hij er mooie glasramen voor de Sint Martinuskerk. Hij sluit er vriendschap met plaatselijke deken Joseph Emonds die tijdens de oorlog een Joods gezin opnam in zijn woning. Hij werd zijn ‘Freund im Geiste und der Gesinnung’.
Beide mannen waren werkzaam in de toen pas ontstane ‘Friedensbewegung’.

seepolt02

Op zoek naar zijn werk vond ik alleen uiteenlopende kwalitatief middelmatige werken.
Dit doek echter, genoemd ‘Dorpsidylle’ toont een jonge originele expressionist. Het draagt het jaartal 1924, nog voor zijn scholing in Dusseldorf, maar als je goed kijkt (ik zag zijn 4 ook nog op een ander werk) dan zie je dat het ook wel eens een 7 zou kunnen zijn en 1927 lijkt me waarschijnlijker in zijn biografie passen.

Het is de weergave van een dorp van binnen-uit, het dorp zelf leeft als personage.
Man en vrouw met kindje keren terug van het veld, vrouwen bij een baby, iemand wast its in een teil, een vrouwtje komt ons tegemoet.
In de diepte liggen de heuvels, maar vooraan het schamele huis waar je langs allerlei trappen naar binnen kunt. Uit de schoorsteen komt een beetje rook.
De werkelijkheid is de werkelijkheid zoals de kunstenaar ze doorvoelt: een plaats voor schamele mensen maar die bij elkaar steun vinden met het huis als toevlucht en vertrekpunt.
De aardetonen houden het geheel ver van de ‘idylle’ al kreeg het een beetje ironisch die naam, een dorpsidylle, of komt die naam van een kunsthandelaar die geen ogen in zijn hoofd had?

Een prachtig werk is het, om levenslang te koesteren.

Olie op doek 49 cm x 60 cm
links onder gesigneerd en gedateerd
In een grote mooie zwarte kader, beschadigd aan de zijkanten maar zeker de moeite om te restaureren.
67 cm x 77 cm

Als Sohn eines Dekorationsmalers wurde Heinrich Seepolt am 26. September 1903 in Duisburg geboren. Er war Maler und Graphiker, ließ sich ab 1920 an der Kunstgewerbeschule Essen ausbilden und studierte von 1926 bis 1931 an der Kunstakademie Düsseldorf. Als Meisterschüler von Paul Klee entwickelte er einen persönlichen Stil, den er in der Nachkriegszeit in Kirchheim bei Euskirchen fachlich und mit persönlichen Akzenten weiter entwickelte. (…)

Und nachdem erstmals im Jahre 1937 eins seiner Werke aus einem Museum entfernt wurde, lebte er wegen drohender Verhaftung im Untergrund.
Da er ab 1950 mit seiner Familie verarmt in Kirchheim wohnte, fand er in dem dort wirkenden Dechant Joseph Emonds einen Freund, der anfangs nicht nur seine Familie mit Kleidung und Nahrung unterstützte, sondern sich auch als „Freund im Geiste und der Gesinnung“ zeigte. Beide Männer gehörten seit den 1950er Jahren – in verschiedenen Positionen – zur neu entstandenen Friedensbewegung.

( ‘Heinrich Seepolt (1903-1989) aus Kirchheim, ein activer Künstler in der Zeit der westdeutschen Friedensbewegung, Blog von Hans Dieter Arntz)

“Dorfidylle” Gemälde Öl/Leinwand, 49 cm x 60 cm, links unten signiert und datiert 24 /(27?) “Village idyll” painting oil/canvas, 49 cm x 60 cm, (67 cm x 77 cm) signed and dated 24 down left

 

In onze collectie nog te koop. Bij belangstelling gebruik ‘contact’. You can buy this beautiful painting. Please use ‘contact’.

 

HELENA, DE CASSETTES EN DE KINDEREN, een radio-portret

Helena heeft al een bewogen leven achter de rug. Maar ze heeft zoals ze zelf zegt een ‘manmoedige moed’. Wat ze denkt, zegt ze ook, en ze kan net zo snel spreken als denken. En dat in verschillende lagen en op hetzelfde moment.
Haar grote vreugde zijn haar kleinkinderen met wie ze liedjes opneemt op een cassette (we zijn in de vroege jaren 80!) en die dan daarna weer beluistert en meezingt.
Ze heeft haar manier van leven gevonden al blijft er ook nog een grote droomwens.
Een zeer levendig portret van een moedige vrouw met een groot hart.
Een uitzending in de serie ‘Het is kwart over twaalf en alles is rustig’ (1980-jaren)

(32′)

huyunju kim small memory

MARIA, liederen onder de perelaar. Twee radio-chromo’s.

 

b198781_polska_swietokrzyskie

Maria uit Polen. Als jonge vrouw is ze in België achtergebleven. Door bemiddeling van het OCMW had ze in het Gents Begijnhof een huisje gekregen waar ze haar eigen wereld heeft opgebouwd. Ze is dan al tegen de tachtig. Vol heimwee naar de landerijen in het thuisland, zingt ze elke dag zichzelf begeleidend op haar accordeon. Nu, veertig jaar later beluister ik nog vaak haar lied. Soms zingen we zelfs samen. We overbruggen tijd en afstand.

 

Bij problemen met de waterput wilden de gemeente-arbeiders de perelaar in haar tuintje omhakken om bij de leiding te kunnen. Wat ze ook beweerde, hoe ze ook wilde aantonen dat de put niet onder de geliefde boom te vinden was, het mocht niet baten. Maar ze zou haar geliefde perelaar redden!

pologne01

YVONNE IN DE STAD twee radio-chromo’s

dyn004_original_400_493_jpeg_20344_a6e45f124dc41f3fcf612bf36d8c16f2

(VRT) Radio-1 had de traditie plaats te bieden aan persoonlijke verhalen, alledaagse gebeurtenissen van alledaagse mensen die echter door hun persoonlijkheid merkwaardig waren.
Zo was er het programma ‘Het is kwart over twaalf en alles is rustig’, (later kwart over tien ’s avonds) waarin er voldoende tijd werd geboden om die persoonlijke ervaringen hoorbaar te maken.
Uit die programma’s en uit vroege radiodocumentaires maakte ik later een aantal ‘radio-chromo’s’, korte fragmenten, radiofonische prentjes, waamee je toch alvast een idee kreeg van degene die aan het woord was.
Vandaag twee chromo’s uit een documentaire: ‘Yvonne in de stad’.
We zijn duidelijk in het Antwerpse, al bij de eerste woorden merkbaar. Het zijn de vroege jaren tachtig van de vorige eeuw.
Of er intussen veel veranderd is?

 

Ze is blijven dromen. Ze wilde graag ‘schrijfster’ worden. Maar…

 

Twee chromo’s van een merkwaardige stem uit de stad.

Edward_Hopper_-_Girl_at_a_Sewing_Machine_(1921)

TOY, een radiocompositie

1005364_00_LI01110_Large1

Ze was vijf, zes jaar denk ik, dus rond 1978, 1979.
Terwijl we op haar mama wachtten speelden we vaak leeuw of vertelde ze voor mijn microfoon verhaaltjes.
Zo was er op een late namiddag het verhaal over god en de ‘engels’ (engelen)
Gewend aan de Nagra (proffesionele bandrecorder uit die dagen) vertelde ze zonder dat ik al te veel vragen moest stellen.

Daarna trok ik naar de toenmalige speelgoedwinkel Christiaensen en verbaasde daar menig bezoeker met het uittesten van allerlei geluiden door het hanteren van speelgoedjes die geluid maakten.
We zijn nog een eind van het computertijdperk, er was dus nog een draaitol met muziek, een gewoon kinderpianootje, staafjes met belletjes en ratels, enz.
Met dat speelgoed trokken we een week naar de studio.
Probeerde de kleine Sofie vat te krijgen op de bovennatuurlijke wereld met haar verhaaltjes, wij wilden met speelgoed een compositie maken waarin we konden deelnemen aan dat wondere.
Ons instrumentarium:

-draaitol met muziektonen
-speelgoedtrompetje
-gummifiguurtjes met geluid
-ratel
-kinderpiano
-speelgoed-ambulance
-speeldoosje met bekend melodietje.
-autootjes met geluid
-staaf met belletjes
-houten fluitje

We maakten eerst de onderdelen, vaak nog via lange lussen tape, probeerden ruimtelijke en toen nog spaarzame electronische mogelijkheden en brachten daarin de stem van het kind.
We wilden vooral niet illustratief te werk gaan, maar onze kinderlijke verbeelding terug opzoeken. Een heuse compositie maken waarin de stem een onderdeel was van een gemeenschappelijke wereld.
Zo ontstond ‘Toy’, een samenbrengen van verbeelding. Een radio-compositie.
De Finse radio zond deze compositie later uit met over de kinderstem een Fins jochie.
Het kind van toen wordt dit jaar vijfenveertig maar dat wondere, die verbinding met het kind van toen, heeft ze nog altijd. Graag dus aan haar opgedragen.

Druk op het pijltje om te beluisteren.

seraphim2

 

Als de god dood is dan komt er altijd een nieuwe god,
maar niet anders,
want als de god dood is dan komt er niet direkt een andere god
maar het moet nog jaren duren voordat de andere god komt,
want deze god die doodgegaan is, dat was een heel goeie god
want die had ons bedankt voor de feeën in de hemel,
dat bestaat wel, hoor.

electronische stem: TOY Thau Omega Upsilon

Als je een hele lange wolk ziet, dat is de fee.
De god kan de fee, die lange wolk, betoveren in een fee,
dus alles is in de wereld,
en daarboven in de lucht dat wil je ook wel weten,
daar zal ik nu over vertellen.

Waar ’s morgens of ’s middags de maan naar toe is
en de sterren die zitten ergens anders,
wel in Spanje.

Als mijn zusje dood zou zijn dan had ik ook wel veel verdriet
en de god ook natuurlijk,
want de god die kent iedereen,
iedereen op de wereld.
Hoe kan dat? Dat weet ik.
Ik zal het zeggen als iedereen stil zal zijn,
want anders kunt je ’t niet horen
en dan weet je niets over de wereld.

O, de god, Jezus.
Jezus, zo ziet die eruit,
en Jezus die ziet eruit
-ge kent wel he, zo’n klein Jezuskes op een taart, he,
zo ziet de god eruit.

O, in de hemel,
heel hoog, nog hoger dan de lucht
daar woont hij, of ook in een ander land
maar je kan hem wel zien, dus de god is dan wel groot.

Ik zal nu over de engels vertellen (engelen)
De engels die dienen om… het leven goed te maken,
want de engels die komen van de god en Jezus,
daar waar die wonen dat is in een stalletje;
die hebben twee vleugels en een …kopke
en een ..buikje, en dat buikje dat ziet voor altijd, altijd…
blauw! Blauw.

Omdat ik de wereld al ken van vroeger
toen ik nog een babytje was,
toen zat ik nog in de buik van mama,en toen wist ik alles en daarom weet ik het nu.
En toen groeide ik en zei het:
‘Ik zal u vertellen wat er was.’

3V9A2348

BLAUW- EN PAARS GETINT

P1050120

Blauw- en paarsgetint, lilla-tonen, zo oud als de tuin en het huis (ze moeten in hun 84ste jaar zijn) de blauwe regen en de seringenbomen.
Ze willen hoger, de lucht in.
De blauwe regen zwiept zo lang met zijn tentakels tot hij een takje van een boom vindt en kruipt dan langs de Atlas-ceder hoger op of gebruikt de hedera om de muur te veroveren.
De seringen zijn steeds hoger gaan wonen bij gebrek aan deskundig terugsnoeien, maar zijn daardoor een rustpunt als je vanuit de werkkamer van Marie de tuin inkijkt: toortsen paars en achteraan een witte soort.
Kortstondig.
Vooral de geur van seringen.
Zacht, en toch doordringend.
Maar kortstondig zoals alles wat mooi en kwetsbaar is.

In de late namiddag maakte ik enkele foto’ s.
Voorbij het hoogtepunt alvast, althans de seringen, op de terugweg.
Maar met de ontrollende varens een belofte van lange avonden.
In juni zou de liguster geuren, maar een winterstorm met sneeuw en ijs brak een reusachtige tak van de ceder en die verwoestte de (al zieke) liguster. Toch staan er nog enkele staken-bossen en tegen de afgesneden stokken aan de grond schieten scheuten op, onbedwingbaar.

Twee markante eigenschappen:
Kortstondigheid.
Het onbedwingbare groeien.
Ze lijken een tegenstelling te zijn, maar vullen voortdurend elkaar aan.
Dat het verschijnsel ‘mens’ daarin soms moeilijk is te plaatsen kan ik begrijpen.
Al wordt het nog oneindig lang weer lente, het verhaal van het uitgebloeide als voorwaarde voor nieuw leven klinkt aannemelijker als je dertien bent dan op je vierenzeventigste.
We zullen het dus bij ‘wijsheid’ houden als we over ouderdom spreken al laat het woord zelf iets anders vermoeden.

P1050117

 

P1050127

EEN DAME SPEELT TONEEL (met Dora van der Groen)

dora

In de jaren tachtig van de vorige eeuw schreef ik voor Dora van der Groen 3 radio-monologen rondom de menselijke stem.
Eén ervan, ‘een dame speelt toneel’ kun je hier lezen en horen. (maart 1987)
Er zijn duidelijk twee ruimtes: de ruimte op het toneel, de innerlijke ruimte.

Klik hieronder op het pijltje om Dora te beluisteren:

Ismael-Nery-0331

Stel nu dat ik niet de naam van een sterveling zou dragen, maar bekend zou zijn onder de naam Psyche, de jongste van de drie koningsdochters.

(Hier draait de actrice zich langzaam om. Ze kijkt naar het publiek dat nog niet is uitgekucht. Ze zwijgt en schudt het hoofd. Zou zij de woorden herhalen, of kan ze gewoon verder? Zonder misprijzen herhaalt ze dus de eerste twee zinnen.)

Stel nu dat ik niet de naam van een sterveling zou dragen, maar bekend zou zijn onder de naam Psyche, de jongste van de drie koningsdochters.

(Men is in het hedendaagse theater meer gewend dan een nodeloze herhaling, dus ook nu nog kijken alle ogen vol verwachting naar de actrice.)

Mooier dan de godin Afrodite noemde men mij, al waren ook mijn zussen graag geziene foto’s in de sjieke boulevardbladen.

(Het publiek vergeeft je veel. Onder het mom van verbeelding zijn ze bereid je de schoonheid te schenken waar je om gesmeekt hebt. Wat ze zelf niet bezitten, kunnen ze moeiteloos weggeven.)

Het verwonderde dan ook niemand dat men tempels voor mij oprichtte,terwijl Afrodites bedeplaatsen leeg liepen.

(Als ik nu de zaal inkijk, zie ik ze de vergelijking met de goddeloosheid van deze tijd maken. Vergis je niet, toeschouwer. Ik speel Monroe niet, en heb geen nood de lege kerken te verdedigen.)

Kwam ik in de stad, dan liepen de mensen buiten, en strooiden ze bloemen op mijn weg. Fotografen en drukdoende nepjournalisten hoorden van in mijn kindertijd bij het straatbeeld.

(Kom nou, denken ze. Je kunt best heel mooi zijn geweest, maar maak het niet te grof. We zien een rijpere vrouw voor ons die in nog heel weinig aan de regels van de voorgeschreven schoonheid beantwoordt. Natuurlijk, er zijn er enkelen die het over uitstraling zullen hebben en hun eigen lelijkheid al jaren met zielen-adel en innerlijke rijkdom trachten te camoufleren.)

Zoveel eer en mondaine aanhankelijkheid werd Afrodite een beetje te veel. Ze riep haar zoon Eros. Eros is de god met de gouden vleugels. Hij schiet pijlen in de harten van de mensen. Onzichtbaar zijn ze voor het oog, maar des te meer voelbaar. Wie erdoor getroffen werd, ontstak in vurige liefde, en dat betekende geluk voor de enen en bittere smart voor de anderen.

(Hier wacht de actrice. De toeschouwers weten vooruit dat de jonge god op Psyche verliefd zal worden, maar ze hebben tijd nodig om hun eigen bekrompen verliefdheidjes voor de burgelrijke geest te roepen.)

DP122072

Je moet naar de koningsdochter Psyche, zoon.
Ze laat zich als een godin vereren. Nu de moraal zoek is geraakt en de kerken tot vriendelijke eilanden zijn verworden, zal men haar op aarde nog heel weinig in de weg leggen. Verwond haar met een pijl zodat ze stapel verliefd wordt op de verachterlijkste man die op aarde rondloopt.
We kunnen niet wachten tot ze rimpels begint te krijgen of door een overdosis drugs een einde aan haar leven maakt. Juist dan zal ze een mythe worden terwijl ik haar uit de gedachten van de mensen wil verbannen zodat de offervuren weer zullen opvlammen in mijn tempels.

(Dus toch, denkt het publiek. Dus toch Marilyn. Dus toch een parabel over de kerkelijke leegloop die wel zal gestraft worden eens het mensdom onder aids of het boze communisme ligt te zuchten!
Vergis je maar niet, kunstbroeders en -zusters. Het theater is geen strijdplaats, geen nest voor revoluties. Het is uit de religie geboren, dichtbij de dodenspelen. Het leven van goden en helden in de mond van stervelingen.)

En Eros streek neer in een boom dichtbij het paleis van Psyche’s vader. Hij nam pijl en boog en wachtte. Toen verscheen Psyche.
Langzaam liet Eros zijn boog zinken en keek. Hij keek tot ze zich weer in het paleis terugtrok. Toen stak hij zijn pijl weer in de koker en vloog weg. Voor het eerst had hij een bevel van zijn moeder in de wind geslagen.

(De actrice verdwijnt in het donker; het noodlot is bekend. Goden en mensen zullen met elkaar willen paren. Alsof de fruitbloesems verlangden door het zaad van de weidende kuddes de appel of peer te vermijden, het rottingsproces van de herfst te ontvluchten. Dom als bloesems zijn, zien zij het slachthuis niet, het einde van het vermeende eeuwige leven.)

muziek

Gebeden en offers, maar geen man, terwijl mijn zusters uitgehuwelijkt zijn. Te grote schoonheid schrikt de liefde af.

(Hier wacht de actrice even. Zij kijkt in de zaal zodat de toeschouwers de tijd krijgen om hun vroegere verlangens te toetsen met het leven dat ze nu leiden.)

Te grote schoonheid schrikt de liefde af.
Dus stuurde mijn vader een bode naar het orakel om de grillen van de goden te leren kennen.
‘Kleed je dochter in een doodskleed dat haar bruidsjapon zal zijn. Voer haar dan naar de top van de hoge rots achter het paleis. Daar zal haar bruidegom haar komen halen. Een bovennatuurlijk wezen is hij voor wie zelfs de goden beven.’

Dat was het antwoord van het orakel.

1981.52

(De actrice slaat een zwart doek om haar lichaam. Een monster zal haar levensgezel zijn, la belle et la bête. Beginnen de toeschouwers te begrijpen dat dit te verkiezen is boven het alledaagse leven met de geliefde die gedoemd is het huisdier te worden?)

Boven. Alleen met de sombere wind en de grijze wolken. Maar Zefyros, de westenwind was mij niet slecht gezind. Hij nam mij op en droeg me naar een liefelijke vallei waar hij me neerlegde tussen fluweelzacht gras temidden geurende bloemen. Ik hoorde een bron en door het wuivende gebladerte van oude bomen zag ik de omtrekken van een schitterend paleis met muren van gedreven zilver en een dak van goud en ivoor.
Een verblindende glans straalde mij door de wijdopen poort tegemoet.

(Hier wordt door contrejour en wat kleurlicht het paleis verbeeld dat de ontvoerde zal binnengaan. Hoe worden zij door de stralen aangegrepen, het publiek. De zon achter de wolken, een bundel licht in een kerk, het theater. Was het niet de god Eros die de naam droeg van de alles-aan-het-licht-brengende?)

Een villa met alles erop en eraan. En nog niet van mijn verbazing bekomen, hoorde ik een stem uit een lege ruimte boven mijn hoofd:
‘Welkom, Psyche, welkom in het paleis. Alle schatten in dit huis behoren jou toe. Mijn dienaren zullen elke wens die je uitspreekt vervullen.
‘Ik zou graag baden’, zei ik. Onzichtbare handen hadden in een oogwenk een dampend bad klaargezet en daarna vond ik de tafel gedekt. Een onzichtbare zanger, begeleid door onzichtbare muzikanten zong een wondermooi lied, tot ik moe werd en ik mijn bed gespreid vond in een andere zaal.

(hier legt de actrice zich neer op een rustbed; het bed is een beetje opgericht zodat het publiek de vermoeide maar nog niet slapende Psyche kan zien. Al weten zij dat zij de enige actrice is in deze productie, zij willen graag de verwachte minnaar erbij denken. Zo is een spot de stralenbundel van het bovennatuurlijke, en een onuitgesproken woord de aanwezigheid van een niet bestaand. Theater is dus toch een rite, een mysteriespel.)

Hier lig ik in het beginnend donker, de radeloosheid van mijn ouders en vriendinnen in het hoofd, de wondere gebeurtenissen van deze dag nog in de ziel. Overvol dus, zodat er geen plaats voor de slaap is. Nu het nacht wordt, hoor ik een ruisende vleugelslag. Iemand nadert mijn bed en vlak bij mijn hoofdkussen hoor ik zijn stem. Dat ik niet bang moet zijn, zegt een mannenstem met nog het roze van een jongen in de intonatie. Dat ik een leven van vorstin zal leiden in zijn paleis. Dat hij mijn man is en me elke nacht zal bezoeken.
Maar zien zal ik hem nooit.

(Nu speelt de actrice in enkele sobere bewegingen het zalige van het liefdesspel met een ongeziene minnaar. Theater is kuis. Het marmer blijkt van piepschuim, de kussen beperken zich tot een lichte neiging, het minnespel verschraalt tot hetgene de toeschouwers van een minnespel verwachten: licht gekreun, een diep gezucht, een kortstondige hevigheid, en dan zoveel geluk voor zo weinig moeite. Het is het gemiddelde van al de liefdesspelen overal ter wereld: men kan niet meer verwachten als men zijn minnaar wel te zien krijgt, opgesloten in zijn jacht naar een orgasme, zijn lichaam in dezelfde standjes, zijn vingers naar dezelfde plekjes. Dit verklaart het succes van de grote liefdesverhalen en de kleine slippertjes.)

Zo leefde ik heel eenzaam, half slapend tijdens de dag in mijn paleis. ’s Nachts bezocht hij mij. Wat deed hij overdag? Was hij piloot, werkte hij als monster in een circus? Zijn vaardigheid in de liefde lieten mij aanvankelijk het ergste vermoeden: had hij nog een aantal van deze droompaleizen en was ik maar een onderdeel van zijn programma? Ik verzweeg mijn angst en gaf me over aan de listen en de lusten van de ongeziene minnaar.

muziek

Op een morgen hoorde ik heel ver mijn naam schreeuwen. Het waren mijn zusters die op een hoge rots stonden en jammerden. Mijn onzichtbare had me daarvoor gewaarschuwd. Maar ik verlangde heel erg naar de mensen uit mijn vroeger leven en had hem gesmeekt hen te mogen ontvangen.
Je kunt ze geschenken geven, maar spreek niet over mij, had hij gezegd. Ik riep dus de westenwind, Zefyros en vroeg hem mijn zussen af te halen. Na enkele ogenblikken stonden ze voor mij.

Hoe vals is de voorbije tijd. Hij maakt de gehate huisgenoten tot edele mensen. We kusten elkaar en babbelden over de gewone dingen. Maar toen ik hen rondleidde verging het lachen hen helemaal. Ze baadden zich, aten en vroegen jaloers naar mijn echtgenoot. Ik deed alsof ik hen niet hoorde, maar ze bleven aandringen en plagen, en tenslotte zei ik: hij is nog heel jong en verzot op jagen. de hele dag zwerft hij in de bossen. Ik gaf hen gouden munten en zilveren hangers en vroeg Zefyros hen weer thuis te brengen.

Fragonard_psyche

(Hier kijkt de actrice naar de richting waarin haar zussen zouden verdwenen zijn. Heeft ze heimwee naar het banale leven? Verlangt ze weer naar de bewondering van het grote publiek? Tenslotte was zij een actrice zonder rol, een personage zonder roman. Of is ze fier haar zussen jaloers te hebben gemaakt? Ze zucht en wacht op de nacht. Zijn haar toeschouwers nog gelovig? Ook daaraan kan ze denken. Blijft haar naam op de affiche, of verwijnt deze productie naar de goed bedoelde pogingen? Hoort ze niet te veel schuifelen? Is de laatste rij ook bezet? Kwam vandaag niet de criticus van dat belangrijke tijdschrift?)

Je hebt je goed uit de slag getrokken, zei mijn onzichtbare. Maar of ze ze de volgende keer ook nog zo slim af zult kunnen zijn? Ze zijn half gek van jaloezie. Maar denk eraan: ze mogen niets over mij vernemen, zoals jij ook niet mag vernemen wie ik ben. Als je ook maar éénmaal mijn gezicht zou zien, moeten wij uit elkaar, voor altijd.

(Wil de actrice zich omdraaien? Net zoals Orfeus niet meer kunnen wachten? Je ziet haar twijfelen. Het publiek moet begrijpen dat ze zijn lichaam wil zien, dat ze de onzichtbare minnaar een gestalte wil geven. Ze moeten hun eigen leven vergeten. Hun vaak banaal op elkaar liggen, hun pogingen tot onttrekken. Hun gekluisterd zijn in één bed, levenslang. Mannen en vrouwen moeten door haar woorden de warmte van de geliefde in de rug voelen, nu, op dit ogenblik.)

Heel ongeduldig waren mijn zussen om me weer te zien. Ze wachten niet eens op Zefyros maar sprongen van de rots. Gelukkig was hij in de buurt en ving hij hen op en bracht ze naar mij. Toen ze weer eens over mijn man begonnen, zei ik zonder nadenken: ‘Ach, hij is al oud en dan gaat de ernst van het leven doorwegen. Hij is meestal op reis voor zaken. Ze kuchten.
‘We hebben het jou niet dadelijk willen zeggen, maar we hebben jouw ‘man’ gezien.’ zei de oudste.
‘Weet je wel met wie je getrouwd bent? Met een monster. Een paar herders hebben hem zien vliegen in de buurt van de rots waar jij ontvoerd bent,’ zei de andere.
‘Waarschijnlijk mest hij jou vet om je daarna te verslinden.’
‘Maar hij is zo zacht en zo lief,’ probeerde ik me te verdedigen.
‘Hij wil je niet verliezen.’
Ik begon werkelijk bang te worden.
‘We zullen je helpen, zusje. Hou een lamp verborgen onder je bed en een scherp mes. Eens hij slaapt neem je de lamp en je snijdt hem bliksemsnel de keelf af. Wij zullen zorgen dat je thuiskomt. We zijn toch je zusjes.’
Toen Zefyros met de zusters was weggevlogen, bracht ik alles in gereedheid.

(Nu gaat de actrice naar het rustbed. Ze heeft een zaklamp bij en een mes. Ze verbergt ze onder de lakens. Het publiek begint zich af te vragen hoe een onzichtbare, niet aanwezige man in beeld zal gebracht worden. De truckendoos. Zal zijn stem via de bandrecorder komen? Horen we hem via haar stem? Gebruikt de regisseur een symbool, een kussen bv. of een vangnet? Het publiek wacht nooit op een verhaal. Het wil spektakel. Ook de criticus volgt niet meer. Hij vraagt om een intellectueel spektakel. Hij vergelijkt deze voorstelling met andere voorstellingen. Hij laat zich niet meer innemen. Hij kan alleen nog overdonderd worden door een knappe montage. En de actrice? Denkt zij aan de nacht die op deze voorstelling zal volgen? Is zij bezorgd over de afbetalingen van het te dure appartement? Zal ze straks gaan eten met Raymond, de jongeman van de belichting? Denkt zij aan de komende vakantiedagen? Vraagt zij zich af of er nog een volgend speeljaar komt?
Of werpt ze zich in het spel, vecht ze tegen de honger, het gerommel in haar maag, de pijn in de onderbenen? De actrice gaat liggen. Vleugels in de nacht worden hoorbaar. Ze rilt. Het publiek weet dat ze de schoonheid zal vermoorden. Het roept niet zoals de kinderen dat nog doen. Het is opgevoed, dit publiek. Het bezoekt schouwburgen en musea. Het heeft de mond vol over de subsidieringspoilitiek van de cultuurminister. Het wacht de gebeurtenissen af om daarna te oordelen. Iedereen heeft zich gepansterd. Waarom zou Eros nog verschijnen? De zussen hebben al lang hun slag thuisgehaald!)

Zijn ademhaling. Heel regelmatig en diep. Hij ligt dicht tegen me aan. Hij was moe vandaag.
Ik knip de lamp aan, het mes onder handbereik. Zijn gouden vleugels. Zijn jongensgezicht. Zijn sterk-slank lichaam. Eros slapend. De lamp schiet uit mijn hand. In het donker hoor ik hem ontwaken. De kamer licht op als hij zijn vleugels spreidt. Hij kijkt mij aan. Zonder een woord te zeggen vliegt hij door het raam de nacht in.

muziek

(De actrice verdwijnt uit de lichtcirkel. Het effect dooft. Eros als contrejour uit de diepte van het rustbed. Onzichtbaar gemaakt door licht. In het programma-boekje staat dan iets als: zodat de toeschouwer een eigen projectie kan maken van het geliefde wezen. Of iets dergelijks. De actrice komt nu naar de voorscene. Haar haren hangen los. Het is haar aan te zien dat ze pijn heeft. Haar lippen zijn droog. Haar stem hees van zijn naam te roepen. Haar kleren verhakkeld.)

Als ik nog een beetje kracht heb in mijn mondspieren, gebruik ik het dan om water te vragen, om voedsel te bedelen? Neen. Het dient om zijn naam te vormen. Eros. Ik heb bijna geen stem meer. Maar in mijn mond blijft ze de zoete letters vormen: Eros. Straks schrijf ik zijn naam in het zand, of tatoeëer ik hem op mijn voorhoofd. Iedereen klamp ik aan. Eros. Zeg ik dan. Mijn man. Sommigen zijn vriendelijk. Anderen spotten.
Iedereen denkt met een waanzinnige te doen te hebben. Eros. Eros.

41b61eec3f1bd97153a13111d00b6e75

(Nu is het publiek stil. Het is verslingerd op gekken en dronkaards. Ook stervenden gooien hoge ogen. Komt er dan nog een afscheid bij, een zoeken naar de verdwenen geliefde, dan is succes helemaal verzekerd. Wij houden van de afwezigen. Onze innigste band hebben met de doden, dan degenen die vertrokken uit ons leven en met anderen hun aardse dagen slijten.

De actrice vertelt over de dood van haar twee zusters. Ze sprongen van de rots in de hoop dat Zefyros hen zou opvangen om dan met Eros te trouwen. maar Zefyros was er niet. Met toonloze stem doet de actrice het verhaal van hun dwaze dood.)

Zo liggen ze daar. Aan de voet van de rots. In bruidskleren. De ware gemalinnen van Eros. Vogels pikken hun vlees, de zon bleekt hun gebeente. De ware gemalinnen van Eros

(De actrice ontmoet de bodes van Afrodite. Al ziet zij niemand, en ook het publiek heeft niet dadelijk iemand in de gaten, toch roept zij de gestalte op van een dienares die haar aanmaant naar het paleis van de liefdesgodin te komen. Ze bindt haar haren bij elkaar, werpt een witte mantel om en draait het bed om dat nu een troon geworden is. Fel licht verbeeldt de godin.)

Zo Psyche. Word je nog altijd als een godin vereerd? Eros ligt ziek in zijn kamer.  De deur op slot. Geen tedere ontmoetingen meer.  Jij bent de schuld van zijn kwaal.

(De actrice heeft deze zinnen gezegd met de rug naar het publiek, zodat de stem vanuit de troon scheen te komen. Nu draait ze zich om en kijkt bijna wenend de zaal in.)

Zakken graan, gierst en papaverzaad, erwten, linzen en bonen werden op de grond uitgestort. Ik kreeg de opdracht de zaden soort bij soort te leggen nog voor het morgen werd. Moedeloos legde ik me neer. Maar toevallig kwam er een mier langs en die haalde een leger soortgenoten en nog voor het licht werd lagen er zeven doorten zaden netjes bij elkaar.

(De actrice is opgewekt. het licht op de troon flitst aan. Al weet het publiek dat er nog drie proeven zullen volgen. Het staat aan haar kant.)

Eerst haalde ik gouden wol van gevaarlijke schapen, dan beklom ik de hoogste toppen om water uit de zwarte bron te halen, en tenslotte zond Afrodite mij naar de onderwereld om bij Persefone een zalfje te halen dat Eros moest genezen.

(De actrice schudt het hoofd. zij weet dat zij bij de doden moet horen om in de Hades te komen, maar eens dood de onderwereld niet meer kan verlaten. Het publiek wacht op nieuwe wonderen. Het publiek wacht altijd. De actrice besluit haar laatste verhaal.)

Toen ik me van een hoge toren wilde werpen om als dode bij de doden te komen, kregen de stenen medelijden. Je moet de ingang van het dodenrijk zoeken, ver in het Westen, een donkere kloof tussen zwarte rotsen. Ga er niet met lege handen binnen.  Neem in elke hand een honingkoek mee en steek twee kleine munten in je mond, onder je tong.  Denk eraan, je mag er met niemand spreken.  Kereberos, de hellehond, zal je de weg versperren, maar als je hem een koek geeft, laat hij je door.  En Charoon, de veerman die de doden over de Styx brengt, is tevreden met een gouden munt.  Heb je de zalf, keer dan zo vlug mogelijk terug en gebruik de overige munt en koek om weer buiten te geraken.  En zo gebeurde het.

(De actrice loopt nu naar de jardin-kant van de scene.  Ze is blij. Het publiek begint te kuchen.  Ze vermoeden het einde.  De actrice twijfelt.)

Terug in het licht maakte ik het doosje open. Ik zonk in een diepe slaap, of was dit de dood?

(Het witte kleed spreidt zij als een dodenmantel om haar heen. Ze is in de aarde gegroeid. Heel langzaam open ze weer de ogen, kijkt in de donkerte van de zaal en begint zich om te kleden.)

Volgens het verhaal zou Eros me gevonden hebben. Hij maakte me wakker met een van zijn pijlen en vloog dan weg. In het paleis stond de mooie god naast zijn moeder en smeekte om Psyche genadig te zijn. Toen ook nog Zeus zijn stem liet horen werd ik bij de goden van de Olympus opgenomen. Er werd een bruiloftsfeest gevierd op de godenberg waaraan alle goden deelnamen. Ze aten ambrozijn en dronken nectar en de negen muzen zongen het bruiloftslied.

(De actrice lacht. ze heeft een bevallig mantelpakje aan. Haar psyche-spullen liggen wanordelijk op de planken.)

Dat heb ik dus gedaan. Ik ben wakker geworden. Werkelijk wakker geworden. Waarom zou ik achter Eros aanjagen? Bijna een jaar heeft hij mij in zijn paleis verborgen. De bijslaap is geen betaalmiddel voor zoveel verlies van vrijheid. Dan heb ik eindelijk omgedraaid, dank zij mijn stomme zusters, en daarvoor werd ik met waanzin gestraft en kreeg ik de moeilijkste proeven uit te voeren om weer in de gunst van de goden te komen.
En waarom?
Omdat ik mooi ben.
Omdat de mensen mij als een godin vereerden.

(De actrice ontschminkt zich, zittende op de nu donkere troon van Afrodite, het vroegere liefdesbed.)

Het is niet makkelijk je van de goden te bevrijden. Nog moeilijker blijkt het je van de liefde voor een man te ontdoen. Maar wie zich verliest voor goden en mannen wint alleen een kortstondige droom. Ik ben naar mijn vader teruggekeerd en nam na zijn dood de kroon.

(De actrice poseert als een hedendaagse koningin.  Het publiek fungeert als fotograaf.  Het publiek wordt daardoor van zijn voyeurrol verlost.  Het ontspant zich.  Uit het nabije restaurant komt de geur van gebraden kipfilet. De voorstelling is bijna afgelopen.)

Ik heb de wijsheid en de schoonheid tot burgerdeugden verheven.  De orakels zijn te bezichtigen in het folklore-museum, en Zefyros brengt de kinderen rond in het plaatselijk pretpark.  Wel laat ik nog altijd het raam van mijn slaapkamer open.  Bij heldere nachten denk ik soms zijn vleugelslag te horen, maar het blijkt een duif te zijn of het geluid van een verre straaljager.

(De actrice raapt de kleren van Psyche op. Ze twijfelt. ze kijkt in het publiek. Alsof ze een kandidate zoekt om haar rol over te nemen.)

Ik ben ouder geworden. In mijn rijk is het goed om wonen. Er heerst een betrekkelijke rust. Wijze mannen en vrouwen worden door het volk gekozen om hen te regeren. Iedereen heeft voldoende te eten. Er is muziek en toneel.

(De actrice schikt de Psyche-kleren op een kapstok. Ze doet dat met een zekere tederheid. Wil ze het publiek laten geloven dat het niet helemaal een droom was. Wil ze Eros terug laten keren en met hem naar de godenberg vliegen?)

Ik had graag een zoon gehad. Of een dochter. Maar de drukte van het regeren was niet te rijmen met de zorg voor een kind. Als het een jongen was, had ik hem Eros genoemd.

(Het is donker geworden op het toneel. Aan de koer-kant schijnt er nog wat licht door een openstaand raam. Heel langzaam loopt ze naar het raam. Ze sluit het.)

Muziek

Voor Dora van der Groen
maart 1987

exh2006_B-19

 

EEN TUIN, EEN SCHILDER, EEN DICHTERES

DP139631

Celia Thaxter’s Garden, Isles of Shoals, Maine Childe Hassam (1859-1935)

This painting is one of the finest of a series of works that Hassam made during summers in the 1890s on Appledore Island, one of the Isles of Shoals, which lie ten miles east of Portsmouth, New Hampshire. This series portrays the sumptuous wildflower garden cultivated by his friend, poet Celia Thaxter, a garden that provided a marvelous contrast to the rugged terrain of the island itself. In this painting, vibrant red poppies entangled in lush green foliage introduce a view of bleached Babb’s Rock. The painting shows Hassam at the height of his creativity as an American Impressionist.

Van al het werk dat de schilder Hassam maakte gedurende de zomers van de 1890-jaren op het Appledore-eiland (een van de eilanden van de Shoals, tien mijl ten oosten van Portsmouth, New Hampshire) was deze schilderij een van de mooiste.
Het werk portretteert de weelderige wilde-bloementuin aangelegd door zijn vriendin, de dichteres Celia Thaxter. Het is een tuin die een merkwaardig kontrast vormt met het ruige terrein van het eiland zelf.
Op dit schilderij zie je felle rode papaverbloemen verstrengeld tussen levendig groen gebladerte waarachter een zicht op de gebleekte Babb’s Rock. Het is een van de toppunten van Hassam’s creativiteit als een Amerikaans impressionist.
Terug na drie jaar Parijs schildert hij Celia in haar eigen tuin.
Om helemaal volledig te zijn, kun je hier ook haar eerste gepubliceerd gedicht lezen.
Het leven van Celia Thaxter is een roman, maar haar bio met je zelf opzoeken, misschien wel in de tuin op deze prachtige lentedag in april 2018.

Met als extra onderaan: een huizenrijtje uit Antwerpen, van Hassam, op doorreis naar Nederland.

Celia_Thaxter_in_Her_Garden

Land-locked

Black lie the hills; swiftly doth daylight flee;
And, catching gleams of sunset’s dying smile,
Through the dusk land for many a changing mile
The river runneth softly to the sea.

O happy river, could I follow thee!
O yearning heart, that never can be still!
O wistful eyes, that watch the steadfast hill,
Longing for level line of solemn sea!

Have patience; here are flowers and songs of birds,
Beauty and fragrance, wealth of sound and sight,
All summer’s glory thine from morn till night,
And life too full of joy for uttered words.

Neither am I ungrateful; but I dream
Deliciously how twilight falls to-night
Over the glimmering water, how the light
Dies blissfully away, until I seem

To feel the wind, sea-scented, on my cheek,
To catch the sound of dusky flapping sail
And dip of oars, and voices on the gale
Afar off, calling low, — my name they speak!

O Earth! Thy summer song of joy may soar
Ringing to heaven in triumph. I but crave
The sad, caressing murmur of the wave
That breaks in tender music on the shore.
Celia Thaxter

Hassam,_Backyard_in_Antwerp

AL ZEG IK HET ZELF

02-LAtlas

Het zal je niet onbekend zijn, het eindeloos getemer bij zo noodzakelijke vergaderingen, stafbijeenkomsten, overlegcommissies, adviesraden, planningsdiscussies, resultaatbesprekingen, cultuurdebatten en vul maar zelf aan hoe wij hoe dan ook nog aan ‘ieder zijn waarheid’ mogen doen.
Het overkwam mij, bij leven en werken meer dan eens. Ik zag collega’s terwijl indutten, geometrische figuren of zelfportretten tekenen, wegdromen, en achter-de-hand-geeuwen.
Bij een discussie in Stockholm over verschillende internationale radio-documentaires ging er helaas meer tijd naar het eindeloos hetzelfde zeggen in diverse talen dan over ervaringen en voorbeelden van hoe-dan-wel en waarom-niet.
Met nog een tiental sprekers op het lijstje begon ik stiekem een tekst te schrijven: AL ZEG IK HET ZELF.
Een dialoog tussen jagers en raven.
Er ontstaat een eindeloze conversatie rondom het woord: zeggen.
‘Al zeg ik het zelf’ wordt hier gespeeld door: Anton Cogen, Jacky Morel, Paul Cammermans en Oswald Versyp.
Veel luisterplezier bij dit mini-hoorspel uit de vroege jaren negentig. (7’40”)

De mooie letters zijn een ontwerp van Jules Dedet Granel, beter bekend als L’ ATLAS.

Jules Dedet Granel better known as L’Atlas was born in 1978 near Toulouse, but he grew up in Paris where he started street writing and tagging in 1991, being inspired by hip hop and rap emerging culture. The artist studied History of Art and Archeology in Toulouse where he met Smail Bour Quaiba, a traditional calligraphist, on whose invitation he spent three months in Morocco learning classical calligraphy. Then he went to Egypt, where he accidently come to know Munir al Shaarani, a Syrian refugee, known for his modern approach in which he combines three forms, calligraphy, design, and architecture, all in one. Other than that, the author also traveled to Syria, China, Greece and other places where he upgraded his knowledge, but Arabic touch remained dominant in his art. His works remind of an intersection between geometric abstraction and minimalism where every letter is a form, and every form is a letter. Most of his pieces are in black & white combination which he finds as a form of resistance and a binding line between the people and the city. At the same time, this choice when applied to his photos is used as a reading tool, and as a reminder of the things that have disappeared.

LAtlas-Be-What-You-Are-mural-in-Strasbourg-France-2012

ONDER DE KASTANJELAARS

After Daumier’s death, this drawing came into the hands of the Paris art dealers Boussod & Valadon, where Vincent Van Gogh’s brother, Theo, worked. Vincent seems to have recalled seeing it, writing to his brother on October 22, 1882:
“I remember very well being most impressed by a drawing of Daumier’s: an old man under the chestnut trees in the Champs Elysées. . . . What impressed me so much at the time was something so stout and manly in Daumier’s conception, something that made me think it must be good to think and to feel like that and to overlook or ignore a multitude of things and to concentrate on what makes us sit up and think and what touches us as human beings more directly and personally than meadows or clouds.”

Na Daumier’s dood kwam deze tekening in handen van de parijse kunstdealers Boussod & Valadon waarbij ook Vincent van Gogh’s broer Theo werkte.
Vincent heeft ze ook gezien en schrijft daarover aan zijn broer op 22 oktober 1882:
‘Ik herinner me dat ik ten zeerste onder de indruk was van een tekening van Daumier, een oude man onder de kastanjelaars van de Champs Elysées… Wat me daarbij zo beïndrukte op dat moment was iets, zo gedurfd en mannelijk in Daumier’s conceptie, iets dat me deed denken dat het goed was zo te denken en te voelen zoals dit en een boel dingen te overzien of te ontkennen en je te concentreren op wat ons aanspreekt en wat ons meer direct en persoonlijk raakt als menselijke wezens dan weilanden en wolken.’

( bron: Metropolitan Museum of art NY, Gallery 964)

Watercolor over black chalk, with pen and ink, brush and wash, and lithographic crayon.

daumier man in tuin

Wat Vincent bedoelde wilde ik graag verbinden met de betekenis van dit blog.
‘In de stilte’ zou makkelijk te vertalen zijn als allerlei gratuite bedenkingen vanuit de ‘gevoelige’ sector waarin het zogenaamde vergeestelijken van details of het bereiken van een ander bewustzijn-niveau het haalt op de goorheid van wat wij werkelijkheid noemen.
Het gaat wel degelijk, althans dat is de bedoeling, over hetgeen mij persoonlijk raakt en aanspreekt al ontken ik niet dat wolken en weilanden daar een plaats in kunnen vinden maar dan duidelijk in verband met het waardevolle van het alledaagse waarin ook gedurfde en nog niet algemeen uitgesproken meningen aan bod komen.

De stilte is de atmosfeer waarin ze best kunnen gedijen, uit het gehijg van de actualiteit of le dernier cri.
De stilte schept toewijding en concentratie zodat een zekere durf mogelijk wordt indien nodig maar vooral de blik op de essentie van beeld en taal kan gericht worden.
De essentie laat zich niet vlug vangen in een krantentitel; essentie heeft de stilte broodnodig om zichtbaar te worden.
Dat betrachten is alvast het doel, erin slagen vaak niet meer dan een eerlijke poging die door de lezer kan verder gezet worden.

MEISJES IN HET ZONLICHT

meisjes in zonlicht philip leslie hale

Wij gingen openbloeien,
de meisjes in het licht
en de jongens
kleurenzot
en licht genoeg
om honderd jaar te worden,
riepen:
blijf staan meisjes,
blijf in dat licht
tot het nooit meer licht zal worden.

Gehoorzaam, toen nog wel,
stonden zij in gezelschap
van het duizendkruid terwijl
ligustergeur ons besmette
en wij beseften
dat god alleen een vrouw kon zijn
of in de jonge dagen,
toen de goden nog op de besneeuwde Olympus woonden,
ook een jongen
die durf en sierlijkheid vermengde
tot de botte jaren hem een harnas zouden tuigen.

Winden kwamen en seizoenen smolten
en de meisjes bleven in het geheugen
van de oude mannen
telkens de gierzwaluwen
de zomerluchten opensneden.

Er zijn dan dagen dat het niet donker wordt,
tuinen borrelen van gemurmel en de klank
van glazen waarin vergeten wordt geschonken.

Daar wachten de mannen
op de maan,
en zal er hier en daar een oude wolf
janken als de wijn het cement van jaren
heeft verbrokkeld.
De meisjes
brengen een glaasje water
of een kleenex,
zij zullen morgen weer op post zijn.

MuMA_-_Vallotton_-_La_valse tanz dance dans-580x710

-schilderij: Meisjes in het zonlicht, Philip Leslie Hale 1897 (USA)- en ‘La Valse’ van Felix Valloton, 1893 (Frankrijk).

 

IN WONDERLAND

vanitas-flower-still-life-willem-van-aelst

Alsof rozen hun tijd niet kennen
legde hij op het koude marmer zijn zakhorloge,
-but Alice isn’t here anymore-
zit op school en worstelt met staartdelingen
en de dt als zij tegenwoordig is.
Maar toverde mijn kamer om tot winkel, bediende
onzichtbare klanten, was even station, verkocht
daarna ook ticketten voor verre landen,
hing voor mijn boeken kaarten van Australië
en voor bijna geen geld kon je van daaruit naar Italië.

Leert zoals de rozen luisteren naar het tikken,
kijkt in de spiegel en wil nog niet uit Wonderland,
hoopt dat rozenblaadjes de wijzers lang bedekken,
hamsters een oneindig leven hebben
en allerzielen voor bejaarden voorbehouden blijft.

Terwijl zij de treinen naar Mongolië omroept,
bloeien in de laatste uren van de zomertijd
rozen in mijn hoofd.

P1000968_Fotor

(het schilderij bovenaan is van de Hollandse schilder Willem van Aelst, 1626-1683)

Toen ik deze tekst schreef, was die kleindochter bijna tien, nu wordt ze achttien en reist ze de wereld rond zoals wij al eens van Turnhout naar Kasterlee fietsten.

SCHILDERS-TUINEN (2)

bonnard tuin

Hier verbleef Pierre Bonnard (1867-1947) op een bucolische zomerdag op het familie-goed in Le Grand-Lemps, een klein stadje in de Isère-regio, noordwest van Grenoble.
Hij was erg  aan deze plek gehecht die aan zijn moeder Elisabeth Mertzdorff toebehoorde.
Bij de eerst landschappen die Bonnard schilderde, en ook tijdens het ontstaan van dit schilderij, brachten zijn zus Andrée en haar echtgenoot, de toondichter Claude Terasse, hier de zomermaanden door.
Van de vijf kinderen spelend met twee honden en een kat kun je een glimp door en over de ballustrade opvangen.

cross

De kunst van Henri-Edmond Cross (Henri-Edmond Delacroix) (1856-1910) behoort tot de latere jaren van het Neo-Impressionisme. Hij begon pas met het pure landschapschilderen in olie en aquarel toen hij naar Saint-Clair verhuisde, een uithoek aan de Cote d’ Azur dichtbij Saint Tropez. Hij kon er zich bevrijden van de rigoureuze optische arrangementen van het Divisionisme (pointilisme, stipjes die in elkaar overvloeien) en werkte er met lange blokvormige borstelstreken in decoratieve op mozaiek lijkende patronen.
Hij schilderde er menig stralend aquarel van zijn semi-tropische tuin in Saint-Clair, waar hij Paul Signack, Pierre Matisse, André Derain en Albert Marquet (later samen in de Fauve-beweging) vaak als gasten ontving.
Deze aquarel ontstond er rond 1904-5.

SCHILDERS-TUINEN

vuillard garden.jpg

Een jaar gedrenkt in donkerte en hemelwater.
Een vrij korte omschrijving van het jaar 2018, tot en met vandaag 5 april.
Dus reisde ik met het internet en via de boeken naar Vaucresson in 1920, een residentieel stadje dichtbij Parijs waar schilder Edouard Vuillard zijn vriendin Lucy en Josse (Jos) Hessel bezoekt.
Ze hebben net het huis gekocht dat je hierboven op de achtergrond ziet.
Jos, partner in de kunsthandel van Bernheim-Jeune werd Vuillard’s dealer in 1912.  Zijn vrouw Lucy was een van Veuillard’s grote liefdes.  Hun relatie duurde meer dan drie decades tot aan de dood van de schilder in 1940.
De vrouw rechts is Lucy’s nicht Marcelle Aron.  Lucy knielt recht tegenover haar, links gecamoufleerd door een van de grote rozenstruiken die als decoratief scherm dient op de voorgrond.

manet garden.jpg

In augsutus 1874 was Manet op vakantie in zijn familiehuis in Gennevilliers, net over de Seine tegenover het verblijf van Monet in Argenteuil.  De twee schilders ontmoetten elkaar vaak in de zomer en dan was ook Renoir wel eens in hun gezelschap.
Terwijl Manet zijn schilderij van Monet met vrouw Camille en zoon Jean schilderde, schilderde Monet Manet aan de schildersezel (locatie onbekend).
Renoir die net aankwam toen Manet begon te werken ontleende verf, borstels en canvas, zette zich naast Manet en schilderde mevrouw Monet en haar zoon.
Hierbij dus de Monet-familie geschilderd door Manet.

EN BIJ DE DODE

majolica dode jezus.jpg

 

En bij de dode
-gisteren nog bereikbaar per e-mail-
staan wij verstomd,
delen wij ’t verdriet
voor de aflijvige
met het treuren
voor ’t moment van ’t eigen liggen.

Harde spiegel van verdwijnen
en eeuwig verdwenen zijn.

Hoor hoe in ons stemmen van
voorouders en geliefden huisden,
spraken door het dodelijk zwijgen,
dachten wat voor hen ondenkbaar werd.

Hoe nakomenden, steeds groter in getal,
ook die woordenschat tot de hunne maken
en wij, eens uitgesproken, het zwijgen
over onze uitgeraasde hoofden voelen
vallen tot de stilte het liggen lichter maakt.

En bij de dode
-gisteren nog bereikbaar per e-mail-
staan zij verstomd
delen zij ’t verdriet
voor de aflijvige met het treuren
voor ’t moment van ’t eigen liggen.

Harde spiegel van verdwijnen
en eeuwig verdwenen zijn.

 

ivoor .jpg

BIJ EERSTE AFBEELDING:

This work is the largest and most spectacular surviving example of sculptural maiolica from the Renaissance. The standing figures are set in high relief against a landscape of rocky yellow earth and green grass. Conceived as an altarpiece, the scene depicts the moment of grief and reflection after Christ’s body is taken down from the cross. It allowed the artist—a highly skilled potter—to explore the expressive potential of his medium.(Italy 1487)

BIJ DE TWEEDE AFBEELDING:

Christ, portrayed as at once dead and alive, is supported by Mary, his mother, and the apostle John. The flanking figures, witnesses to the Crucifixion, offer a model to emulate, during meditation. (Italy 1620-30)

 

 

HET LAATSTE AVONDMAAL (2)

Collage_Fotorugolino.jpg

Ugolino di Siena omringt Jezus met ‘heiligen’, inclusief met gouden stralenkrans achter het hoofd, de ouderen bebaard, de jongeren netjes geschoren en allen in mantels met fraaie kleuren, zoals dat bij ‘hemelvolk’ hoort.
Is de ruimte nog herkenbaar, de tafel gedekt met als hoofdschotel een miniem boutje, de sfeer straalt letterlijk en figuurlijk van onaardsheid al vergeet hij niet menselijke details in de diverse handgebaartjes en zoekende blikken.
Je denkt zeker niet aan een stelletje vissers of landlieden, de schilder maakt hun status duidelijk: buiten Judas hebben ze als ‘gekozen’ gezelschap van Jezus hun plaats in het hemelrijk verdiend.

Kun je nog de Byzantijnse vormgeving vermoeden in de laat-gotiek, bij Daniele Crespi, barokschilder, zijn het duidelijk mensen.  Niet de gewone man die je in de Italiaanse straten van de zeventiende eeuw zou aantreffen, maar welstellende burgers die echter hun emoties duidelijk laten blijken.
In feite werkt hij met kleine driehoekjes waarin telkens twee of drie leerlingen met elkaar krijgen te maken.  De gemanieerde vingers komen eraan te pas, maar als je goed kijkt zie je telkens een sprekende en een luisterende kant. Dat is al erg beschaafd want ook toen al bestonden er in Italië alleen sprekers bij disputen:  iedereen sprak tegelijkertijd en vrij luid.
Johannes noch Jezus zijn in deze fysische ruimte aanwezig.  Jezus weet duidelijk wat hem te wachten staat en de bijna slapende Johannes-figuur kan hem voorlopig niet bijstaan.

Het is een druk avondmaal.  Op de achtergrond brengt een bediende de volgende gang binnen.
De tegenstelling tussen de druktemakers en de twee centrale figuren is groot.  Je denkt al vlug dat ze er niets van begrijpen.
Judas kijkt meer dan symbolisch onze kant uit, de linkerhand stevig rond de geldbeurs onder zijn mantel. Heeft hij net in zijn rechterhand  het stukje brood gekregen van Jezus dat de verrader zou aanduiden? Hij wendt zich af van het gebeuren. Hij zou een van ons kunnen zijn.

Zoek je met als zoekterm ‘last supper in art’ op het net, zul je toch wel een honderd verschillende vormen en stijlen tegenkomen, satirisch, uitdagend, stil, kortom de hele wereld zit samen aan tafel.  Het gaat dan meer om de vorm, de samenzittende leerlingen rond Jezus, niet om de inhoud.
Je weet dat ze weldra buiten in slaap zullen vallen terwijl hun meester doodsangsten uitstaat, dat Judas maar ook Petrus hem zal verraden, dat de meesten het op een lopen zullen zetten.
Het is die tragiek die mij in deze beide werken zo sterk aansprak: stuur iemand die ons zal verlossen van de ellende en wij zullen hem/haar in kortste keren aan het kruis timmeren.  
Zijn moeder en de jonge Johannes zullen bij het kruis staan volgens de Schrift terwijl de soldaten dobbelen om zijn kleren.

Collage_Fotorcrespi06.jpg

HET LAATSTE AVONDMAAL

 

lavondmaal.jpg

 

In mijn kinderfantasie was ‘het laatste avondmaal’ een plechtig veroberen van boterhammen met kaas en /of confituur.  Er kon ook wel een beetje chocolade bij geweest zijn, vooral omdat het een ‘laatste’ avondmaal was, dan kon een extra best verantwoord zijn. ’t Avondeten in de jaren vijftig was althans in de Kempen een broodmaaltijd want warme kost werd ’s middags opgediend.
Iets ouder hoorde ik de Engelse term ‘Last Supper’ gebruiken; de landelijke uitdrukking voor ‘soupé’ was vooral bij vieringen van verenigingen gebruikelijk om via uitvoerig eten de kas te spijzigen.


Toch had hoofdpersoon het over ‘brood’ en ‘wijn’, en dan waren in mijn kinderlijke fantasie ‘pistolé’s en sandwiches aangewezen, ons zondags ontbijt of in belegde vorm de hoofdmoot bij familie-koffies. Wijn werd door de volwassenen alleen met de nieuwjaarsdagen gedegusteerd en als kind mocht je dan al eens proeven van een soort ‘fruitwijn’, iets waar je maanden naar uitkeek maar voor diepe teleurstelling zorgde na het consumeren ervan.
Ik zag de hoofdpersoon van het laatste avondmaal wel eens terwijl hij, zoals mijn moeder, met het grote mes een kruis maakte op de zijkant van het brood en dan een snede aan elke leerling gaf die zelf voor boter en beleg zouden zorgen.
Met zijn dertienen werd het best gezellig zoals het plezierige rumoer bij een feesttafel in afwachting van het opdienen.


De sfeer die ik terugvond bij het mooie schilderij hierboven van Ugolino da Siena, of ook bekend als Ugolina di Nerio. Als altaarpaneel gemaakt (een predella) rond 1325 in het atelier waar ook zijn vader en broers Guido en Muccio werkten, maakt het  zijn functie als een echte kijkprent waar.
Wilde je weten wie van de twaalf Judas Iskariot was dan keek je naar de hoofden en vond je vlakbij Jezus een persoon zonder gouden ‘halo’. Daar zat dus de toekomstige verrader.
De jonge Johannes ligt op de schouder van  zijn geliefde meester zoals beschreven in het evangelie. De anderen kijken toe, eten of drinken of praten met elkaar.
Het is een mooi stuk, vol details zoals de bewerkte zoldering, de gedekte tafel, de brede bank vooraan, de mooi gekleurde mantels.
Jezus heeft net gezegd: Een van jullie zal mij deze nacht verraden, en je ziet Judas’ hand zijn vraag begeleiden:  Ben ik het Heer? Anderen kijken elkaar aan, of richten hun blik op iemand die zij verdenken, of wijzen naar zichzelf.
Het is een intens werkstuk vol ingehouden drama ook al ken je het vervolg.


Driehonderd jaar later, rond 1624 schildert een andere Italiaan, Daniele Crespi (niet verwarren met Giuseppi) datzelfde tafereel zoals afgebeeld hieronder.
Hier zijn we bij een rijkelijk ‘soupé’ aanwezig, vis en vlees, ook al spreekt de tekst bovenaan over ‘het brood der engelen’ (citaat uit psalm 77) dat op tafel matig aanwezig is.
Dezelfde vraag:  ben ik het, Heer, leidt tot allerlei reacties. Er wordt met een mes gezwaaid. Een van de disgenoten rechts onderaan kijkt zelfs ons aan, moet hij het misschien bij de kijker gaan zoeken, of zou deze persoon Judas zijn? (zie de groene beurs die, in zijn linkerhand,  onder zijn mantel tevoorschijn komt. (Judas was immers de man die de centen bijhield, en had net 30 zilverlingen gekregen voor zijn verraderswerk.) 

In de innigheid van de cirkelopstelling zie je hier mensen uit de zeventiende eeuw, druk bezig  terwijl de vrouwelijke Jezus in zichzelf lijkt verzonken.
Driehonderd jaar zijn er verstreken tussen beide kunstwerken.


Nog eens driehonderd jaar en we zouden even na de eerste wereldoorlog terechtkomen, of op de vooravond van de tweede. De wilde twintigerjaren?
In beide kunstwerken gaat het over ‘afscheid’, maar ook over ‘verraad’. Eens hij er niet meer zal zijn wordt het mensenwerk en we weten uit eigen ervaring hoe dat kan verlopen.
Het laatste avondmaal, en de nacht die daarop volgt om over Goede Vrijdag nog te zwijgen. Gelukkig zal het ook Pasen worden. Al eeuwenlang.

 

Dcrespi.jpg

NOEM HET LENTE

11.116.4                                  .jpg

Binnenskamers lieten we wel eens woorden op waarin bloesems en bloeien
eeuwige zomers in tuinmeubel-boekjes voorspelden:
gestileerde dromen voor mateloos stoeien in uitgerokken warme dagen,
en geuren van verleiden en vervulling het wintermoeë hart genezen.

Echter, eens de vroege nevels verdampten en schaarse merels
aarzelend de verten openzongen, zag ik het wondere ontwaken:
het fijnste wit van wolken gesprenkeld over wintertakken,
het hemelse dat gul zijn vleugels over het grauw versnipperde.

Pond at Milton on the Hudson

schilderijen van de Amerikaanse schilder George Innes (1825-1894)

 

EEN ZEVENTIENHOEK EN EEN DWERGPLANEET

 

800px-Carl_Friedrich_Gauss.jpg

 

 Hij was nog een tiener, negentien, Johann Carl Friedrich Gauss, toen hij op 30 mei 1796, de manier ontdekte om een regelmatige zeventienhoek, of ‘heptadecagoon’, te maken.
Later, in 1832 werd er zelfs een 257-hoek geconstrueerd maar zelfs op latere leeftijd beschouwde Gauss zijn zeventienhoek nog altijd als één van zijn grootste prestaties.
Hij wilde er zelfs eentje als grafsteen hebben, maar de steenhouwer weigerde want  zo’n zeventienhoek was veel te moeilijk om te maken en zou er als een cirkel uitzien. Ook een steenhouwer heeft zijn fierheid.

704_feature_1600x900_ceres.jpg

 

 In 1801, op nieuwjaarsdag,  ontdekte de Siciliaanse astronoom Giuseppi Piazzi de dwergplaneet Ceres waar 24 collegae driftig naar op zoek waren. Nog voor hij zijn vondst kon bewijzen was Ceres te dicht bij de Zon om zijn observaties te bevestigen.
Het was datzelfde wonderkind Gauss dat in enkele weken de baan van de dwergplaneet voorspelde en jawel, de laatste dag van 1801 vonden Zach en Heinrich Wilhelm Olbers Ceres dichtbij de voorspelde locatie.
In september 2015 maakte de ruimtesonde Dawn foto’s van deze geheimzinnige dwerg die zelfs een lichtgevende ‘ijsvulkaan’ zou bezitten (Ahuna Mons, 4km hoog en 17 kilometer lang) en zelfs een zwakke veranderlijke atmosfeer.
In Science van 2 september 2016 wordt ze bijna lyrisch beschreven:

‘On 6 March 2015, Dawn arrived at Ceres to find a dark, desiccated surface punctuated by small, bright areas. Parts of Ceres’ surface are heavily cratered, but the largest expected craters are absent. Ceres appears gravitationally relaxed at only the longest wavelengths, implying a mechanically strong lithosphere with a weaker deep interior. Ceres’ dry exterior displays hydroxylated silicates, including ammoniated clays of endogenous origin. The possibility of abundant volatiles at depth is supported by geomorphologic features such as flat crater floors with pits, lobate flows of materials, and a singular mountain that appears to be an extrusive cryovolcanic dome. On one occasion, Ceres temporarily interacted with the solar wind, producing a bow shock accelerating electrons to energies of tens of kilovolts.’

Zo zie je dat het ontwerpen en uitvoeren van een zeventienhoek de blik op het universum niet uitsluit, integendeel.