De ‘rozenvingerige’ toont zich in de vroegte.

Ferdinand Knab Das Schlossportal 1881

Het aantrekkelijke van romantische gesloten kasteelpoorten bij vroege morgen bestond in het beseffen dat je zeldzaam of nooit een dergelijke morgenschemering in werkelijkheid zou meemaken zoals het onzichtbare kasteel achter de poort slechts in de verbeelding te zoeken was, laat staan bewoonbaar zou zijn.
De schilder, Ferdinand Knab (1834-1902), afkomstig uit het bouwwezen en aangestoken door een verblijf in Italië kon als geen ander landschappen, ruïnes en schemeringen met elkaar verbinden, misschien beseffend dat tijdens zijn leven ‘de wereld van toen’ nooit meer zou terugkeren. Spoorwegen en fabrieksimplantaten, versteedsing en de opmarsj van een gemechaniseerde wapenindustrie, de wreedheid van de nog in de tijd verborgen wereldoorlogen, zouden het begrip ‘ruïne’ een heel andere inkleuring bezorgen zoals je dat deze dagen nog in Beiroet (eens het Parijs van het Midden-Oosten) kon vaststellen.

May Morning on Magdalen Tower 1890 William Holman Hunt (1827-1910)

De ‘vroege morgen’ is anderzijds ook niet dadeljk een tijdstip waarbij de hedendaagse beschouwer een rilling van herkenning door de ziel voelt gaan.
Dat was anders bij een Engelse tijdgenoot van Knab, William Holman Hunt (1827-1910) die levenslang trouw aan de principes van de Pre-Rafaëlieten een ‘mei-morgen on Magdalen Tower’ (Oxford) laat zien en naast een menigte jochies en uitgegroeide begeleiders het geheel in een mooi rozenvingerige morgenstond laat baden. Het lage zonlicht, de overvloed aan roze wolkjes, de zingende bewegingen, wandelend over een overvloed aan rozen, het hemelse is blijkbaar niet ver weg al kan de aandachtige toeschouwer best heel aardse reacties en houdingen ontdekken.

Hier enige achtergrond:
‘Every 1 May, at 6am, the choir of the college (including boy choristers from nearby Magdalen College School, and never women) sings two traditional hymns — the Hymnus Eucharisticus and “Now Is the Month of Maying” — to start the May Morning celebrations in Oxford. Large crowds gather in the High Street and on Magdalen Bridge below to listen, before dispersing for other activities such as Morris Dancing.’ (Wikipedia)
Voor wie het in het echt wil zien, een leuk video-dagboek uit 2016 waarin de betrokkenen echt wel mensen van nu blijken te zijn, zonlicht van de vroege meidag inbegrepen. Dit jaar was dat zonlicht er wel maar de zangers gingen nu virtueel

Wil je nu daar een synthese van dan kan ik je alleen maar Monet’s zonsopgang laten zien uit 1873.
Het diffuse is vrijwel het hoofdthema geworden met de rode bol van de opkomende zon als uitzondering. Waren alle andere afbeeldingen eens een soort bevroren fragmenten waarin de kunstenaar het landschap of portret van dat moment dienstig maakte om voor alle andere landschappen geldig te zijn, zonder dat vermoeden van verandering aan te raken. Monet en zijn impressionisten nemen de verandering zelf als onderwerp. Hier besef je dat de werkelijkheid er niet toe doet maar wel haar innerlijke beweging, haar voortdurende verandering ook in beeld kan gebracht worden door wat je toont niet te bevriezen in een eeuwige stilte maar als ‘impressie’ van je waarneming te verbeelden.

Monet 1873 Sunrise

Bij Caspar David Friedrich wordt het morgenlicht in zijn overvloed net in contrast met de donkere gestalte op de voorgrond duidelijk. Ze kan alleen haar armen lichtjes openen alsof ze daardoor net meer van dat prachtige licht kan ervaren.
Misschien ken je dat gevoel. Het licht dat de schilderijen heeft verlaten alsof het in werkelijkheid slechts een droom van de schilder zou blijven en nu totaal onverwacht voor jou zichtbaar wordt.

Caspar David Friedrich Frau in der Morgensonne

Een vroege morgen enkele dagen geleden. Slapen kan straks om de middaghitte te ontlopen. Je vraagt je af of je gedroomd hebt, je schuift het overgordijn weg, en achter de bloem-geweven tekeningen, door het fijnmazige muggenhor zie je met eigen ogen het oosten oplichten en kruipt de zon boven de huizen .

Dageraad begin augustus eigen opname

Dit is mijn beste opname want het blijft ook voor moderne camera’s niet helemaal vatbaar. Rozig, rood, geel, steeds veranderend.
Eos, de morgen mocht ik met haar rozenvingerige gloed aanraken (ροδοδακτυλος — rhododaktylos) haar epihteton waarmee Homeros haar steeds benadert.
Ze heeft een saffraankleurig kleed aan, ((κροκοπεπλος — krokopeplos: krokus = rood-saffraan = de stamper van de crocus sativus) en haar wagen wordt door een tweespan getrokken: Lampos (= fakkel) en Phaëthon (= de stralende). Ze heft de donkere sluier van de nacht op en strooit rozen op de baan waar weldra haar broer Helios, die in het oosten vanuit de oceaaan oprijst met zijn zonnewagen zal verschijnen.
Guido Reni heeft de stoet in 1614 geschilderd als fresco voor het tuinhuis van het Pallazzo Pallavicini-Rospigliosi in Rome. (klik om te vergroten op onderschrift )

Maar ik heb haar die morgen met eigen ogen gezien; de rhododaktylos.
Dus heb je slapeloze nachten, wacht op de morgen, open je raam en kijk naar het oosten. De poort naar het kasteel is even opengedraaid, de vroege muziekwolkjes boven Oxford komen jouw kant uit, en je zult Monet begrijpen als je al dat prachtige elk moment weer ziet veranderen terwijl je geen woorden vindt om het vast te houden. Dan open je maar de armen zoals de vrouw bij Friedrich en je drinkt het licht met je ogen. Of je kijkt naar Eos, de rozenvingerige en je hoopt haar nog vaak te mogen begroeten.

Eos by Evelyn De Morgan, 1895

WAYNE NGAN (1937-2020): The clay body, like a soul in a person.

White Vase
Stoneware
19x17x13 cm
Photo © Goya Ngan

‘I am looking for life…Like ashes are very good materials for glazes. But the glaze on a pot is only a coat; the beauty that’s behind is the clay body, like a soul in a person. Sometimes the person who makes the pot is also a contributing factor. And the fire too. If you have an electric kiln it only radiates fire; it is not live fire. It doesn’t matter how hard you try, what comes out..is artificial. The kiln is like a womb, like a mother.’ (Quoted in Judy Thompson Ross, Down to Earth. Canadian Potters at Work, 12-15).

Yellow Vase
Stoneware
13x16x9 cm (Photo © Goya Ngan)

In juni 2020 overleed de 83-jarige Chinees-Canadese kunstenaar Wayne Ngan. De schoonheid van zijn werk zal hem lang overleven. Woorden zijn vluchtiger dan klei, maar in de oven van de verbeelding raken ze elkaar.

When Wayne Ngan arrived in Vancouver from his native China at the age of thirteen, he was encouraged to go on to the Vancouver School of Art. Although Ngan was especially interested in painting, he enrolled in the least expensive studio course, pottery. Graduating with honours, Ngan set up his own pottery and sculpture studio, began to teach, and gave pottery workshops. Later, he settled on Hornby Island, off the west coast of British Columbia. This move signalled a turning point in Ngan’s development as a craftsman, since it established his dedicated commitment to ceramics and initiated the process of integrating his craft with his environment. Within this stimulating island environment, Ngan renewed his interest in his Oriental heritage, and began experimenting with raku pottery, salt glazes and Chinese brush techniques.

Sung dynasty inspired wood-fired kiln

Preferring the spontaneity and directness of ancient Oriental pottery, Ngan studied in China and Japan and was particularly impressed by the pure forms and etched decorative surfaces of China’s Song dynasty and Korea’s El dynasty. On his return to Hornby Island, he adapted these pottery styles and techniques to his own ceramic vessels.

Five Sculptures Painted Plate
Stoneware; slip painting
8x37x37 cm

Pottery is at once the simplest and the most difficult of all the arts. It is the simplest because it is the most abstract.

[T]he art is so fundamental, so bound up with the elementary needs of civilization, that a national ethos must find its expression in this medium.

Pottery is pure art; it is art freed from any imitative intention … pottery is plastic art in its most abstract essence.

-Herbert Read, The Meaning of Art (1931)

Sculptural Vase with Black Decoration and Orange Circle
Stoneware
34x36x14 cm
Photo © Goya Ngan

Many potters state that one of their first memories of working with clay was as a youngster. Wayne Ngan is no exception. The celebrated artist remembers that as a child he dug clay with his own hands creating objects to amuse him while his mother worked in the rice paddies. At the age of fourteen, he immigrated to Vancouver with his grandfather. Some years later he briefly studied at the Vancouver College of Art before leaving the city to build a home and studio on Hornby Island in 1967. Over the years he traveled to China and Japan studying ancient ceramics and the secrets of wood firing kilns. Back in his studio he repeatedly threw the shapes he admired until he had perfected them. His goal then, as now, is to create pure shapes with minimal decoration based on those from the Sung Dynasty and the Yi of Korea that are alive.

Sculptural Bottle
Stoneware; Yukon black glaze
33x27x9 cm
Photo © Goya Ngan

‘Working with clay is, I think, part of my nature. It is easy, the most flexible medium I can imagine. Through clay I can touch all four basic elements: earth, water, fire and all, and bring those four elements back to life.’

Hakeme Bottle
Stoneware; white glaze on dark slip
27x18x16 cm
Photo © Goya Ngan

Het staartje van de academie, o ja, pottenbakken, weggezet als naarstige bezigheid van de dames die ook iets artistiek willen. Inderdaad een vrouwelijke kentrek: aarde en vuur verenigen maar vaak tot het utilitaire herleid omdat het resultaat eerder de keuken en het huiselijke zou oproepen dan het artistieke. Te weinig vertrouwd met het direkte contact van handen en aarde spreekt voor het mannelijke element in de expressie deze kunstvorm een vrouwelijke taal en net daardoor ontstaat het onverdiende wantrouwen.

Bottle
Stoneware; wood-fired
13x9x9 cm
Photo © Goya Ngan
Ook de tijd
vang je
in de met vuur
gestolde klei.
Het ogenblik
duurt duizend jaar
en langer.
Clam
Stoneware; cast iron, metallic, orange and blue glaze
10x30x15 cm
Photo © Goya Ngan
Rond de leegte
de ronding
zonder begin of einde,
een vuren vorm
van tederheid.
Two-tone Grey Vase
Stoneware
16x13x13 cm
Photo © Goya Ngan
Jar with Bronze Glaze 2, 2017, Jar thrown and altered, bronze glaze, sculpted lid, 9.7″H x 18″W, 2017

Ga naar: https://www.waynengan.com/ en https://www.nathaliekarg.com/artists/wayne-ngan

Nooit opengebloeid: schilder Gabriël Deluc (1883-1916)

zelfportret, 17 jaar oud.

Geboren in 1883 in Saint-Jean-de Luz, Basse Pyrenées, bleek Jean Marie Gabriël Deluc een talentvol schilder te worden. Kijk naar zijn prachtig zelfportret, 17 jaar is hij dan, en hieronder enkele jaren later.

Schilder Léon Bonnat laat hem op 15-jarige leeftijd toe in Bayonne’s gemeentelijke tekenschool. Twee jaar later krijg hij een plaats in Bonnat’s studio in Parijs. (1903) Tot 1912 zal hij in Parijs leven en werken en belangrijke mensen leren kennen zoals Ossip Zadkine, Marc Chagall en vooral Alexandre Altmann die zijn vriend wordt en met hem enkele zomers in Baskenland doorbrengt.

L’ intimité

In 1906 neemt hij voor de eerste keer deel aan ‘le salon des artistes français’ en krijgt hij een eervolle vermelding voor zijn stemmingsvol schilderij ‘L ‘Intimité’. Hij blijft deelnemen, zowel aan dit salon als aan het ‘salon des Indépendants’.

Le Chévrier

In zijn geboorteplaats schildert hij het grote doek ‘Le Chévrier’. Een ander doek, helemaal in de tijdsgeest, ‘La Dame’ (of ‘De dans in het heilig woud) presenteert hij in 1910 op het salon des artistes français. Mecenas Edmond de Rothschild zal het aankopen en aan de stad Bayonne schenken.

La Danse

Op 3 september 1913 huwt hij Thérèse Mahé. Plaats van plechtigheid: het stadhuis van het XVIde arrondissement van Parijs.

Het stadhuis met aankondiging van tentoonstelling rechtsonder

Hij neemt in 1914 nog deel aan het salon des artistes français en engageert zich dan in het Franse leger, eerst als hospic maar in 1915 vervoegt hij de gevechten, wordt vlug sergeant en daarna onderluitenant. Ter plekke schetst hij het soldatenleven. Werk dat meestal verloren is gegaan. Op 15 september 1916 wordt hij bij een opdracht in niemandsland gedood. ‘Tué à l’ ennemi’ zoals op zijn overlijdensbericht is ingevuld. Bijna drieëndertig.

Maurice Ravel zal het derde fragment van zijn pianosuite ‘Le tombeau de Couperin’, getiteld ‘FORLANE’ aan hem opdragen. Kijk naar zijn schaars werk en luister naar de mooie muziek van Ravel.

Een jongeman kijkt over de rand van twee eeuwen naar de leegte die hij moest achterlaten.

Lari Pittman, ‘jouissance’ en ‘saudade’ in veelvoud

LARI PITTMAN
Found Buried #6, 2020
Cel-vinyl and lacquer spray over gessoed canvas on titanium and wood panel
79.8 x 96.5 x 2 inches
202.6 x 245.1 x 5.1 cm

Nog maar net in 2019 had hij een grote retrospesctieve tentoonstelling ‘Declaration of Independence’ of op dit ogenblik loopt alweer een art show in de Lehmann Maupin gallerie NY met de sprekende zinspeling: ‘Found Burried’ (nog tot 28 augustus 2020)
Zijn boeiend werk blijft intrigeren.

LARI PITTMAN
Found Buried #9, 2020
Cel-vinyl and lacquer spray over gessoed canvas on titanium and wood panel
56 x 74 x 2 inches
142.2 x 188 x 5.1 cm

“Lari Pittman is the most subversive and shocking artist working today. Instead of screaming headlines, he uses his exceptional skill as a painter of beauty. Decorative patterns and motifs camouflage his serious intent. He employs beauty to lure us into his complex stories about history, sexuality, the fragility of the human body and mysteries of the afterlife.” (Dorhojowska-Philp)

En mooier kan ik het niet samenvatten, dus probeer ik met deze bijdrage je nieuwsgierig te maken naar zijn werk. Wandel even mee rond in ‘Found Buried’ twee minuutjes om een idee te hebben van sfeer en afmetingen.

During the mid-1970s, Pittman (°1952) attended California Institute of the Arts in Valencia, California, completing a BFA and an MFA. The institute’s strong feminist arts program challenged the devaluation of art forms traditionally associated with craft, and it was his engagement with this program that inspired Pittman’s interest in undermining aesthetic hierarchies and embracing the decorative arts. Pittman’s strong affinity for the decorative can be seen throughout his many bodies of work and it has contributed to his singular visual style. While Pittman’s early works were informed by the socio-political struggle resulting from the AIDS epidemic, racial discord, and LGBTQ+ civil rights struggles that defined the last two decades of the 20th century, his later paintings evince more subtle political gestures through a focus on interior spaces, including domestic and psychological subjects.

Lari Pittman, Untitled #16 (A Decorated Chronology of Insistence and Resignation), 1993
Acrylic, enamel, and glitter on wood. 84 × 60 1/16 in. (213.4 × 152.6 cm)

Decades before a non-binary understanding of gender came into vogue, Pittman was painting trans-gendered owls and female surrogates that upturned gender binaries and advanced the fluidity of gender we understand today. Pittman drew from his bi-cultural background and bilingual understanding to explore further complexities in hybrid identity by creating multiple narratives that could be read in different directions, from the top to the bottom or from the left to the right, simultaneously. Pittman created further ambiguity by combining Latin American surrealism based on magical realism which is both magic and real. Pittman’s exploration of the aesthetics of ambiguous simultaneity foreshadows the millennial generation’s interest in visual ambiguity in the digital era, allowing younger painters like Christina Quarles to understand and embrace racial and sexual identity as not just one thing but multiple things all at once. (Lita Berrie 2019)

Lari Pittman, Transfigurative and Needy, 1991

In the homophobic early nineties, women’s rights and bodies were also under patriarchal attack, and Pittman series at that time, A Decorated Chronology of Insistence and Resignation, is a shout back with imperative phrases like “Cum n’Get it,” “Love-Sex,” “Life” and “Love!” These paintings explore ecstasy and pain during the AIDs epidemic with dark humor, juxtaposing cries like “SOS” and “RIP” with Visa and Mastercard logos and anal imagery. Untitled #9 is a phantasmagoria of transgendered bodies and dismembered body parts, which uses the letters “S.F.O.Y.S” from the phrases “Save our Souls” and “Fuck You.” (ibidem)

Untitled #9 (A Decorated Chronology of Insistence and Resignation)
1992-93
Acrylic and enamel on three mahogany panels
168 × 96 inches
Photo by Douglas M. Parker Studio
Collection Whitney Museum of American Art, New York
Lari Pittman, How Sweet the Day After This and That, Deep Sleep Is Truly Welcomed, 1988
Acrylic, enamel, and five framed works on paper on wood. Three panels, 96 × 192 in. (243.8 × 487.7 × 5.1 cm) overall. Collection of Matthew C. and Iris Lynn

Close looking is rewarded. Pittman’s technique is meticulous. There are elements reminiscent of spin-art, but with more sophistication and a sense of nostalgic joy and pleasure. His dry brushwork has a lightness and transparency, a smooth elasticity. Pittman employs a bold, almost florid colour palette that comfortably straddles his childhood steeped in the magical realism of Colombia and his later years in the neo-plastic jungle of Los Angeles. Vibrant magentas and lapis hues comingle with autumnal oranges and reds replete with a melding of delicate Rococo floral motifs, decorative scrolling, and Baroque detailing. Like ornate wallpaper, it injects a sense of decorum into near-chaos. Disparate images— eggs, disembodied human-like anatomical forms, silhouettes, cacti, credit card logos, urban structures, and language—waft through the visual field. Pittman elaborates, “I think that when you stand in front of the paintings, you’re aware of an artificially accelerated aesthetic experience; more than anything you know it has been constructed and assembled.” (Robyn Tisman, Arteviste)

Lari Pittman, An American Place, 1986
Oil and acrylic on mahogany. Two panels, 80 × 164 × 2 in. (203.2 × 416.6 × 5.1 cm) overall. Museum of Contemporary Art, Los Angeles. The El Paso Natural

We always talk about sociocultural context as creating the narrative around the work, but it’s also language. An old friend of mine, Paolo Colombo, a curator in Europe, pointed out that some of the misunderstanding of the work is because a lot of it comes out of Spanish and not exclusively out of English. I’m fluent in Spanish. That’s the language I spoke with my mother (and with my father, English). In Spanish, there’s a much broader range for articulating temporalities. You use the subjunctive more, the pluperfect, the past subjunctive, the future subjunctive, the future conditional. We don’t do that as much in English. Capitalism really enforces a structure of dividing time into discrete parts—eight hours, eight hours, eight hours. I’m interested in different temporalities in the work. Also, in Spanish and in a lot of Romance languages, you can use exaggeration and hyperbole in daily conversation and it’s not seen as suspect.’

ari Pittman, Untitled #8 (The Dining Room), 2005
Cel-Vinyl, acrylic, and alkyd on gessoed canvas over wood. 86 × 102 in. (218.4 × 259.1 cm). Collection of Christen Sveaas. © Lari Pittman, courtesy of Regen

‘I have to identify what I call the architecture of the event—some sort of overarching containment of the event, of the ephemera, of the volatility or the operatic nature of the painting—its stage. I’m in trouble with a painting if I don’t do that in the first ten percent, and I know it. But if I do that, it sets in motion a series of calls and responses. I’ve entered into a contractual agreement with the work, but I’m not illustrating the contract. The contract is a necessary distancing device to keep the work rigorous.’

Lari Pittman, Untitled #5, 2010
Acrylic, Cel-Vinyl, and spray paint on gessoed canvas over wood. 102 x 88 in. (259.1 x 223.5 cm). Hammer Museum, Los Angeles. Purchase. © Lari Pittman,

I think a large part of the way the work looks and behaves—its multiple temporalities, its polymorphousness—comes from applying a philosophical lens. There’s a certain point where the sociocultural gets bumped up into something a bit better, which is philosophy. But we’re so addicted to the sociocultural lens, and the forensics of the personal narrative. It’s an easy way out. That line of thought is always insisting on the verification of the work and its topical usefulness, its societal usefulness. To ask a human being “are you useful?” is really insulting.’

Lari Pittman, Untitled #4, 2003
Acrylic, oil, and spray paint on gessoed canvas over wood. 102 × 76 in. (259.1 × 193 × 5.1 cm). Private collection. © Lari Pittman, courtesy of Regen Projects, Los Angeles

‘If there’s one thing that troubled me when I was really young, it was that of all the practices, painting is the one where the viewer invests heavily in the essentialization of the relationship between the maker of the object and the object made. That really bugged me. I wanted a physical object to have its own consciousness, somehow, or for it to be a little more collaborative. I try to set up very quickly at the beginning of the making of a painting some sort of inner logic, so that it’s that inner logic that makes the painting and completes it, not necessarily me. It’s that disassociation which also allows me not to always like my work. Also, the work is not my personal aesthetic, and never has been, in the same way that a novelist can create the most heinous creature without being a heinous person. But there’s something about painting that really facilitates and exacerbates that real essentialization.’

Lari Pittman Untitled #3 2007 acrylic, cel vinyl, and spray lacquer over gessoed canvas over wood panel
102 x 88 x 1 7/8 in. (259.08 x 223.52 x 4.76 cm)

Actually, when I speak about my work I use the word jouissance a lot. Jouissance — it’s a joy, but a joy of life, of being full of life, full of joy. These complex emotions remind me of my favorite word of all: saudade. It’s Portuguese, and used a lot in Brazil. What’s amazing about the word saudade is that it encapsulates everything about melancholia, jouissance, the bittersweet, but it’s a weird one — saudade is about the future possibility of something happening, something that maybe will be good, and that will maybe make you happy, and you’re already getting sad about it, because you know it’s going to end. It’s about the simultaneous temporalities of emotions, and memories, and states of being.

Lari Pittman with the scale model replicating the layout of his 2019 Hammer Museum retrospective – © Robert Gauthier/Los Angeles Times.

I don’t have a problem with sentimentality. I love that word. I grew up with my maternal family, my Colombian aunts, a matriarch. They taught me about sentimentality and the melodramatic and its cultivation and its indulgence. Through them I saw that these things are not degraded states of experience. But there is something in language that is sexist. Sentimentality and melodrama are seen as negative, because we’re looking at language through the prism of sexism and those are historically ways by which women’s emotive worlds are described.’

Lari Pittman Untitled, 2003 matte oil, aerosol lacquer, cel-vinyl on gessoed canvas mounted to wood panel 2600 x 1930mm

‘One of the beautiful things about a painting is its incredibly absorbent surface—“absorbent” in the sense that it absorbs the world around it at any given moment. In a funny way, I guess I have always been somewhat of a history painter but without necessarily being didactic. I’m interested in showing the history of the moment and all of its pathology as well as its wellness, and showing that one doesn’t trump the other; there’s a simultaneity of events, or a bittersweet nature of life where things fit side by side in complete contradiction, but they’re still part of the fabric of daily existence.’

Lari Pittman, The Senseless Cycles, Tender and Benign, Bring Great Comfort, 1988

At that time, AIDS was a shadow over our culture as well as the world. I was very anxious about how one proceeds with establishing oneself as a person with complete cultural centrality, given that a lot of the prevailing discussion was about pathology as relating, incorrectly, to a specific part of the population. How do I put forth an idea of a happy, productive, fully integrated life as a gay person while at the same time, culture is overlaying blame onto my endeavors? I think those issues still occur. How do people of color in the United States feel about trying to put forth their best and be prosperous.

I was always interested in dismantling the gender binary as well as the binary of sexuality. Now, it’s interesting that young kids look at the work and immediately apply the kind of polemics of queer culture or transgenderism or non-conforming gender identity. I love that the work can absorb and continues to absorb these newer cultural nuances. So I’m really happy about that. It makes me very happy. It means that the paintings are still alive.’

Lari Pittman, Untitled 1989-90

Although I’m not a religious person, I love how Western European religious painting is constructed to advance a tight narrative. I like the function of the predella in altarpieces where you have the main event, which would be an image of Christ or the Virgin Mary, at least in Catholicism. And then at the lower level, you would have the smaller sequence of paintings, which shed light on the mystery of the main image. The attachment of these framed drawings on top of the painting comes out of this idea of the religious convention of the altarpiece where you have a predella either below or next to the larger visual event.’

‘Found Burried’, ga naar: https://www.lehmannmaupin.com/exhibitions/lari-pittman

his Wholesomeness, beloved and despised, continues regardless
1990
Acrylic and enamel on wood panel
128 × 96 inches
Photo by Douglas M. Parker Studio
Collection Los Angeles County Museum of Art
Lari Pittman, Once a Noun, Now a Verb #5, 1998
Matte oil on mahogany. 48 × 36 in. (121.9 × 91.4 cm). Museum of Contemporary Art, Los Angeles. Gift of Alan Hergott and Curt Shepard. © Lari Pittman, courtesy of Regen Projects, Los Angeles

Nawoord

Natuurlijk is een afbeelding van deze kunstenaar best in de ruimte van een tentoonstelling of museum te genieten. Afbeeldingen op het net doen onrecht aan het werk. De overvloed van details en het raffinement van hun onderlinge verhoudingen krijgen op een foto te weinig adem. Kunstwerken hebben de ruimte nodig waarin ze functioneren. Ze dienen hier als referentiepunt, als indicatie van een opvatting en atmosfeer. Tik gewoon zijn naam in en laat je langs alle mogelijke foto’s naar een beter inzicht leiden. Waar mogelijk is een confrontatie met een kunstwerk in zijn ware gestalte de enige weg.

Een stille feestdag in juli 2020

Een stille feestdag om door huis en tuin te dwalen, het oog in de hand.
Op de televisie geen vrolijk voorbijstappende ‘zorgende’ machten, maar nog een lesbord van de eerste Italiaanse les, en op het salontafeltje de schriften en het cursusboek van kleinkind en vriend die, uit puur heimwee naar Italië, vandaag met hun cursus zijn begonnen. ‘Primi contatti’. Het lijkt wel een betoog over het virus maar de ‘Colomba Classica’ van Pasticceria Flamigni staat er nog mooi ingepakt bij. In feite een paascake in duiven-vorm, Colomba di Pasqua, de tegenhanger van twee Italiaanse kerstdesserts, panettono en pandoro, hier gedecoreerd met geconfijte sinaas.
Of voor de liefhebbers in slecht Google-Nederlands vertaald:
‘Met gist, verse eieren, boter en gekonfijte sinaasappelschil onder een korst van hazelnoot-massa met amandelen en ruwe suiker. ‘
Een vredesduif naar Italiaanse smaak uit liefde ingevoerd vanuit een bijna verlaten Rome. Città aperta. Primi Contatti’!

Beetje verder in de nog stille keuken enkele lege bokaaltjes waar het licht in speelt. Orange marmalade met whisky en appelen-mousseline ter zaliger nagedachtenis. Hun leegte en doorzichtigheid met de bijna vrolijke doelloze etiketten veroordeelt ze tot de glasbak waarna vermalen en smelten hen zal omtoveren tot een of twee glanzende nieuwe nog te vullen wedergeboren bokaaltjes of als vorm in die richting ten dienste van hongerigen of dorstigen. Een vreemd gevoel van ‘eeuwig leven’ als je dat met het eigen bestaan en lijf begint te vergelijken. Of hoe de tijd of vuur het ons-restende tot grondstof zal versmelten en het ‘ik’ weer in de kolkende scheppingsdrang en anonieme groeikracht zal opgaan. Stilleven voor enkele bokaaltjes als aanleiding.

Loop je de tuin in dan zie je de net gearriveerde ‘Sinningia speciosa’ kelkjes blauw-paars te wezen, oorspronkelijk uit de tropische Braziliaanse wouden en in Europa als kamerplant gehouden. Je mag ze ook met de familienaam Gloxinia speciosa aanspreken. Anderen beweren dat het Kaapse primula zijn, maar ongeacht hun identiteit is hun blauw-violet van een bijzondere schoonheid, net zoals het smetteloze wit van de hortensia’s die daarna in crème-kleurig pistache uitdoven.

Op het rustbed kom je onder het gebladerte van een fluweelboompje terecht.
Zie je misschien voor de eerste keer de structuur van hun gekartelde bladeren, voel je de beving van het boompje bij een briesje. Komt de zon door een opening in een seconde-schittering je verblinden maar ben je ook dadelijk weer onder het groene scherm, beschut voor de buitenwereld.

Fluweelboompjes wandelen door de tuin, komen op de meest onverwachte plaatsen weer boven en vullen het hevig groen van de varens aan met hun zachte lange vingers.

Kijk je vanuit de pergola dan tekenen de tachtigjarige stammen van de blauwe regen fraaie lijnen en lussen voor het landschap. Ze schrijven mysterieuze letters die je slechts langzaam leert lezen.
Het kunnen best tekeningen zijn, of de wegen op een landkaart waarlangs je in Anderland terecht komt. Maar uitgekeken ben je nooit.

Net voor je weer het huis opzoekt, schuiven de wolken weg en veegt de zon over de metalen buitentafel. Met al die prenten in je hoofd en gelukkig ook enkele op het kaartje van je fototoestel blijf je je verwonderen hoe weinig wij werkelijk zien in het dagelijks verschuiven van de tijd.
Uitgekeken ben je nooit.

Voeg daarbij de prachtige geluiden van duiven die vanuit het niets een onbeschrijfbare muziek maken, eerst met die onnavolgbare vleugelslag dan met hun repetitieve kort-lang-kort keelgeluid en daarna met hoge snel repeterende vleugelbewegingen weer de lucht ingaan. Opstuivende vogels. Nooit kan een componist dit verlangen naar de hemel ook maar benaderen.
Om maar te zwijgen van het stillere maar teder snel aanvliegen van mezen, mussen en vinken, soms aangevuld met een zeldzame merel die in een scheervlucht uit het niets verschijnt. Van de Colomba Classica naar de ware luchtgedaanten waarin de Geest zich al eeuwen verschuilt.

Een gewone namiddag was het, zonder parades, maar met een overschot aan schoonheid.
Een mooie aanvulling met Resphigi’s ‘Gli Ucelli’, de vogels dus. Bijna twintig minuten in de tuin van het hoofd en de aandachtige ziel.

Van 2004 tot 2009 hebben we enkele onderwerpen samengezet die zich over meer dan één bijdrage uitstrekken.
Later zullen we deze lijst aanvullen.
Zo kun je makkelijker uitgewerkte thema’s lezen.
Je vindt deze collectie bovenaan bij ‘UITGEWERKTE ONDERWERPEN of via de link hieronder

https://indestilte.blog/uitgewerkte-onderwerpen/

‘De Flapzeil-kampioen’, een kortverhaal

Tegenwoordig is flapzeilen algemeen bekend. Tijdens de komende Olympische spelen wordt er geflapzeild naast het al overbekende bootjeszeilen. Maar dat is niet altijd zo geweest. Vroeger had er nog nooit iemand van flapzeilen gehoord. Joris Breuker bracht daar verandering in.
Joris was een heel gewone jongen van bijna twaalf jaar. Alleen zijn oren waren niet zo gewoon. Die stonden een aardig eindje van zijn hoofd af, zodat hij al vlug, bijna dagelijks, de scheldnaam ’flapoor’ te horen kreeg.
Andere kinderen zouden dan bij hun begrijpende ouders gaan uithuilen, of karateles volgen, maar Joris glimlachte alleen maar en zei dan het geheimzinnige zinnetje: ‘Was het niet de wind die Columbus naar Amerika bracht?’
De scheldende partij zweeg dan even om daarna in woedend gebrul los te barsten.
Joris wierp ze een kushandje toe en verdween vrolijk fluitend naar huis.
In zijn vrije tijd kon je Joris op het strand vinden. Hij had zijn skateboard bij zich, keek van welke kant de wind kwam, en ging van start. Hij moest immers niet trappen, of een helling opzoeken! ]oris’ oren vingen de wind en verder was het een kwestie van evenwicht.
’Zo gaat hij goed!’ riep Joris.
Hij kromde zich, drukte één oor plat tegen zijn hoofd, maakte daardoor een sierlijke maar kordate draai en probeerde tegen de wind in te laveren.
Na enkele maanden zoefde hij vriendelijk knikkend de strandzeilers voorbij. Die hadden alle moeite van de wereld om hun vervaarlijk groot surfzeil rechtop te houden, terwijl Joris, de handen op de rug, zonder één schijntje zeil hen voorbijreed.
Natuurlijk was Joris niet het enigste kind van Knokke-Heist met afstaande oren. Mientje van de slager en Toon Brouwers van de postmeester durfden voortaan zonder muts naar school gaan. Ze werden Joris’ beste leerlingen, en op hun beurt brachten ze hun vriendjes en vriendinnetjes mee, van De Panne tot Knokke-Zoute.

Joris leerde hen, door dagelijkse oefeningen, hun afstaande oren rekken zodat ze nog meer wind konden vangen. Daarvoor had de jongen een apparaatje ontwikkeld dat de eenvoud zelve was. ]e klemde je oren in gewatteerde wasknijpers waaraan een touwtje vastzat dat op zijn beurt langs een katrolletje liep, en waar je steeds zwaardere gewichten aan kon hangen.
Natuurlijk moest Raymond uit Westende weer overdrijven. Hij wilde dadelijk met twee kilo beginnen. Zijn linkeroor scheurde af. Maar gelukkig gaf Fannie, een dokterskind, hem de goede raad het losgerukte lichaamsdeel in zijn mond te houden tot ze in het ziekenhuis van Oostende waren. Raymond stelt het nu weer opperbest. Hij begint met enkele grammetjes en het ziet er naar uit dat hij nog voor het seizoen aanvangt, met halveponden kan trainen.

De zomer van dat jaar bracht toeristen en journalisten naar de flapzeilers. Het duurde dan ook geen twee weken of vaders en moeders die hun oren jarenlang achter sjaals, petten of hoeden hadden verborgen, stonden nu op de rolplank en pronkten met hun flappers tot het donker werd.

Het Belgisch Olympisch comité (waarvan de toenmalige voorzitter enorme afstaande oren had) begon zich met de zaak te bemoeien, en weldra werd het flapzeilen een officieel erkende sporttak.
Joris bleef eenvoudig. Hij wilde voor bakker studeren en beschouwde het flapzeilen als een hobby.
Maar de concurrentie dwong hem zijn studie voorlopig even te vergeten. Uit Duinkerken immers begon de faam van Jean Voilé tot in Knokke-Heist door te sijpelen. Deze Jean bleek met zijn nauwelijks dertien jaar over super-flappers te beschikken. Hij had een gepensioneerd onderwijzer als trainer. Die trok Jean elke avond bijna drie uur deskundig aan zijn al overdadig afstaande oren zodat én de stand én de oppervlakte van Jeans’ oren ongeziene mogelijkheden begonnen te bieden.
’Laat je niet doen!’ riepen Joris’ vriendjes.
Ze lachten hem niet meer uit! Integendeel, ze hadden een fanclub gesticht, ’de oer—flappers’, en ze trokken elkaar voortdurend bij de oren in de hoop dat ze op een dag ook konden meedoen met de Europese kampioenschappen flapzeilen.
Jean en Joris bereikten, zoals verwacht, de finale en zouden het tegen elkaar opnemen in drie kilometer flapzeilen—met—hindernissen.
Er ontstond een fikse rel waar die kampioenschappen zouden plaatsvinden.
De Fransen wilden per se Duinkerken, de Vlamingen hielden vast aan Knokke-Heist. De internationale scheidsrechter (een Nederlander) koos voor de Nederlandse badplaats Cadzand, zodat beide partijen elkaar op neutraal terrein konden ontmoeten.

Jean en Joris bereidden zich ernstig voor. Joris voerde het gewicht aan zijn rek- en strekmachine op tot twee kilo en zevenhonderdvijftig gram, en Jean werd nu ook ’s morgens twee uur door zijn trainer aan de oren getrokken.
Het waren dan ook pracht-oren waarmee ze aan de start verschenen. Zonder noemenswaardige moeilijkheden namen ze de kuilen en opgerichte latten. Twee kilometer bleven ze op gelijke hoogte. Tijdens de laatste vierhonderd meter draaide Jean zijn hoofd ietsje naar links zodat hij van de juiste tegenwind kon profiteren. Hij won twee, drie meter. Maar Joris’ antwoord bleef niet uit. De jongen richtte zijn kin op op en gaf toen zijn hoofd een rukje naar rechts. Dat bracht hem weer op dezelfde hoogte als zijn tegenstander. Gejoel en gejuich brak los.
De Nederlanders wisten niet goed voor wie ze partij moesten kiezen.
Toen probeerde Joris zijn oren nog ietsje uit te rekken.
Hij trok met beide handen aan de uiteinden van zijn flappers. Het onmogelijke scheen te gebeuren. De wind zette ze bol, en… tilde ]oris op. Net boven de aankomstlijn bleef hij hangen terwijl Jean ietsje later de finish passeerde.
Wie had er gewonnen? Niemand kon het zeggen.
Joris was het eerst over de streep, maar in de lucht, terwijl Jean ze al rollend bereikte.
Reglementen brachten geen oplossing. De Fransen dreigden met extra belastingen voor alle Belgische flaporen die in Frankrijk wilden verblijven, terwijl de Belgen Franse flappers alleen over de grens zouden laten als ze helrood waren geschilderd.
Uren vergaderen loste niets op. De Nederlandse scheidsrechter begreep geen Frans en kon de redenering van de Belgen niet volgen. Hij besloot de kwestie
voor de UNO te brengen.

illustratie: Kristien Aertssen

En Joris? Die liet de drukte achter zich en liep naar het strand. Daar wachtte hij op een stevige rukwind, en toen werd hij opgetild. Hoger en hoger vloog hij, tot hij door een prachtige dikbuikige wolk aan het gezicht werd onttrokken.
Niemand heeft Joris ooit teruggezien. Sommigen beweren dat hij stiekem de Engelse ploeg heeft getraind, anderen hebben hem in Rusland of Amerika opgemerkt. Enkelingen blijven erbij dat hij als beheerder van een windmolen-park graan maalt in de ontwikkelingslanden.
Maar als volgend jaar de Olympische spelen beginnen, zullen de flappers uit de hele wereld één minuut oren en ogen ten hemel gericht houden. Joris ter ere.
Wees dus een beetje lief voor al die lui met oren plat tegen het hoofd. Ze moeten het bij voetballen en tennissen houden. Dat is al heel erg. Maak het niet nog erger.
Omdat jij toevallig van die leuke flappers hebt, zijn plat-oren toch niet minderwaardig.
Joris had het vast niet goed gevonden dat je hen zou uitlachen.

Kroniek van het dagelijkse: Roberto Donetta (1865-1932)

Roberto Donetta, Self-portrait –Bleniotal, © Fondazione Archivio Fotografico Roberto Donetta-Corzoneso

Je kunt iemand in de tijd zetten zoals we dat nu met Roberto Donetta doen, 1865-1932. Plaats: het Bleniodal, Valle di Blenio, ten noorden van Tessin, van de Lukmanierpas (1914) dalwaarts tot bij Biasca, Italiaans Zwitserland. ‘Schraal bergland’, zegt de reisgids.
Roberto verdiende er de kost, beladen met een zware houten kist, als zadenhandelaar. Op een van zijn tochten leerde hij de beeldhouwer Dionigi Sorgesa kennen. Die leende hem voor vijf frank per jaar een foto-apparaat zodat hij nu, na enkele jaren oefening, vanaf 1904, met nog een kist rondtrok waarin hij de omvangrijke camera en zijn decorstukken vervoerde. Zadenhandelaar en fotograaf.

Roberto Donetta, Portrait of a Boy -Bleniotal, © Fondazione Archivio Fotografico Roberto Donetta-Corzoneso

Foto’s werden nu de spil van zijn leven. ‘Kunst als fotograaf’, maar te duur als tijdverdrijf, te weinig lukratief als beroep. Toch belichtte hij de volgende dertig jaar zo’n 5000 glasplaten, een gemiddelde dus van drie per week.
Onderwerpen? Zijn familie, de slager, de pastoor, boeren bij het hooien, bruiloften, begrafenissen, gevolgen van overstromingen, families, het dal, pageborenen en pas-gestorvenen, fabrieksmeisjes en muzikanten, kommuniekanten, openbare werken, klasjes, geestelijken, en zichzelf.

Roberto and Linda Donetta with Their Children Brigida and Saulle, 1905-1910, © Fondazione Archivio Fotografico Roberto Donetta-Corzoneso

Sommigen schrijven hem een poëtische kijk toe, enkele beelden regisseert hij bewust, maar ik heb de vijfduizend afdrukken bekeken: de overgrote meerderheid zijn alledaagse getuigenissen van een totaal verzonken wereld die hij snel en bijna objectief fotografeerde en die daardoor vooral als documenten en kroniek van het dagelijkse bijzonder waardevol zijn.
Nu en dan echter zie je zijn eigen visie, ensceneert hij, kiest hij als een volleerd fotograaf de plaats en de acteurs. Hij noteert in zijn schriften waar, wie en wanneer en ook wel eens een zelfgemaakt gedicht:

Het leven, een gedicht van Roberto Donetta
Het is een droom, een zeepbel, een glasscherf,
een ijsblok, een bloem, een sprookje;
het is hooi, schaduwen, asse,
het is een punt, een stem, een klank,
een briesje,
een niets.
(de twee jongens poseren op blote voeten, schoenen zijn duur.) Isolina Toschini con i figli Ausilia, Vincenzo e Corrado, davanti al muro di una casa

Veel heeft het hem niet opgebracht. Zijn ‘kunst als fotograaf’. Slechts lang na zijn dood in 1932, kreeg zijn werk erkenning. De vrij goed bewaarde glasplaten doken begin jaren tachtig op in een schuur van de gemeente. In 1987 volgde de eerste tentoonstelling in Tessin, ook gekend als Ticino. In het ronde huis waar hij als eigenzinnige zonderling geleefd had, het Casa Rotondo in Corzoneso, werd het Archivo Donetta uitgebouwd. Nu zijn ze ook, ten noorden van de Gotthards te zien, zelfs een boek met zijn werk verscheen. ( zie onze verwijzingen onderaan.)
Ik zie hem vooral als degene die de kleine wereld van het lang afgesloten dal nu aan de wereld kan tonen zodat onze late verwantschap duidelijk mag worden.

Family Portrait, Bleniotal
© Fondazione Archivio Fotografico Roberto Donetta, Corzoneso

Waarom hij toch koppig bleef verder werken?
Zijn ouders waren kooplieden uit Biasca, leefden een tijdje in Milaan. Einde van de zeventiger jaren van de negentiende eeuw keerden ze terug naar Ticino, naar Castro in het Bleniodal, waar zijn vader als militair beambte werk vond.
Wie Roberto als kind was weten we niet. We weten wel dat hij school liep, iets wat toen niet zo vanzelfsprekend was. Wel weten we uit brieven en notities dat hij graag met taal speelde en het bijzonder waardevol vond om deftig (algemeen beschaafd) Italiaans te spreken en te schrijven.

In 1886 huwt hij, 21 jaar oud, en schonk hij zijn geliefde vrouw Teodolinda -Linda, afgekort- een feestelijk gedicht met elf strofen waarin hij hen beiden een lang gemeenschappelijk leven toewenste, een wens die helaas onvervuld bleef.

Foto van de familie Roberto Donetta in Casserio, Saul jongetje met hoed, Linda derde van links, Giuseppina tweede van links, Brigitta vierde links, Clemente uiterst links

Ze kregen zeven kinderen tussen 1887 en 1900. Marcellina stierf toen ze een jaar oud was. Bij de huwelijksaangifte vulde Roberto ‘boer’ in als beroep ofschoon hij nooit een stuk land heeft gehad dat hij had kunnen bewerken. Zoals velen uit het dal probeerde hij ’s winters als ‘kastanjeverkoper’ in Noord Italië geld te verdienen. Als in 1891 zijn vader stierf, erfde hij zijn post als beambte, maar dat duurde niet lang. Zittende arbeid was niets voor hem.
Hij trok naar Londen waar hij als kellner dienst deed. Verschillende streekgenoten hadden in de Engelse metropool goede zaken gedaan. Carlo Gatti bijvoorbeeld die in Londen een aantal café’s, restaurants uitbouwde en arbeid gaf aan mensen uit zijn streek zoals aan Giuseppi Pagini (1859-1913) die elf jaar kellner was bij Gati, elke verdiende penny omdraaide en vennoot werd van een van de meest gerenommeerde Londense restaurants . De miljoenen die hij verdiende investeeerde hij in het Bleniodal.
Maar Roberto Donetta was geen Pagani. Hij hield het nauwelijks 15 maanden in Londen uit en net zo arm als voordien keerde hij ontmoedigd terug naar huis.

Gruppo di suonatori davanti a un edificio
Roberto Donetta con la figlia Giuseppina in alta montagna

In zijn notitieboek schreef hij naast eigen bevindingen ook allerlei dingen op die hem waren opgevallen: gedichten, anakdotes, tips voor het huishouden uit kranten en tijdschriften overgenomen, hoe je het beste muizen vangt, en wat best helpt tegen tandpijn. Hij schreef de namen op van alle pausen of goede raad zoals: ‘Geef het geld niet meer of minder waarde dan wat het waard is.’

Groep uit het Bleniodal

Maar dat geld bleef het probleem, vooral als je het niet hebt. Was het zijn idee om voortaan door het dal te trekken met een zware koffer vol zaden? En wat dacht Linda van het plan ook met foto’s in hun levensonderhoud te voorzien? Want foto’s maken kost geld: foto-papier, glasplaten, chemicaliën. Het leven in het Blenio-dal was hard, want er dreigden vaak natuurrampen als lawines en overstromingen. Er woonden toen zo’n 6000 mensen in het dal, duizend meer dan nu.
Om te eten was er een eenheidsschotel van aardappelen, kastanjes, mais en een beetje roggebrood. De kindersterfte was hoog, en griep, cholera en difterie maakten vele slachtoffers. ’s Winters moesten de mannen ver van huis werk zoeken en bleef de vrouw alleen achter met de zorg voor het vaak grote kinder-aantal..

De meisjes van de Cima chocoladefabriek. Merk de mooie opstelling.

Wel kwam er in 1903 een electriciteitscentrale in het dal, en in het dorp Torre werd een chocoladefabriek geopend. Donetta heeft ze gefotografeerd. Maar vijf jaar later verwoestte een uit de oevers gebroken beek Soia beiden, en ook dat heeft hij gefotografeerd. De stichters van de fabriek, de gebroeders Cima, zorgden met geld van de rijke restaurantbezitter Pagani voor de wederopbouw. Ook voor een aansluiting met de Gotthardspoorweg die Biasca met Acquarossa zou verbinden. In 1911 waren de werken klaar. De postkoets had er twee uur voor nodig, de Trenino deed het in een half uurtje.

Ponto Valentino visto da sud-ovest

Van Corzoneso waar Roberto Donetta met zijn familie sinds 1900 in het Casa Rotonda woonde was het niet ver van het eindstation van dit spoor. En was het daarom dat Linda haar man verliet of eerder de constante geldnood terwijl hij per se een kunstenaar wilde blijven, een heuse fotograaf?
In 1912 trok Linda naar Bellinzona om er in de melkerij te werken. Zij en vijf van haar kinderen verhuisden, alleen de jongste, Saul, bleef bij zijn vader.

fragment van in scene gezette foto: de tandarts

Hij bleef door het dal trekken met zaden en zijn fototoestel ook al moest in 1913 zijn uitrusting even in het pandjeshuis. Hij zorgde voor een camera uit Geneve. Op de pof.
De luxe van een studio kende hij niet dus sleepte hij zijn decors mee: doeken en tapijten waarvoor hij zijn onderwerpen kon fotograferen. Wat dus nu fris geënsceneerd lijkt was gewoon noodzaak: hoe meer mensen op een foto, hoe goedkoper. Foto’s werden in een ovaal gekaderd en verkocht.
Hoe hij de eerste wereldoorlog doorkwam, weten we niet. Hij werd steeds meer een zonderling, een “Vagabondo” werd hij in het dal genoemd. Zijn familie was intussen naar Frankrijk uitgeweken.

Three girls in the break from work in the fields under a tree

In de late zomer van 1932 als nicht Amelia hem in zijn Casa Rotonda wilde bezoeken, vond ze hem niet. Een gebuur haalde een ladder, drukte het karton in dat in plaats van glas de vensteropening bedekte, en met kreupelhout in zijn handen lag Roberto daar dood op de grond.

(naar gegevens va Susanne Rothenbacher in Tagesanzeiger 21 juli 2016)

Bambina defunta in una bara circondata di fiori
Sass dra Madona vicino a Casserio

The history of the Canton of Ticino, the Italian-speaking Swiss territory to the south of the Alps, was until recently profoundly marked by emigration. In fact, only after the Second World War did the Canton experience the economic development which has detennined its present-day identity. The period in which Roberto Donetta was active as a photographer in the Valle di Blenio was one characterized by extremely hard living conditions, due to a difficult terrain where arable land was limited. The contribution of emigrants to the economy of the valley consequently proved to be of vital importance (especially those who worked in France and Great Britain).

Casa rotonda a Casserio, vista da sud

The Roberto Donetta Archives contain more than five thousand plates and about five hundred prints. The Commune of Corzoneso became the owner of the material on the death of the photographer, thus preventing its dispersal. For more than thirty years the plates had been forgotten in a bam, which contributed, possibly, towards their ultimate preservation. The Archives are housed in the Casa Comunale of Corzoneso, which is responsible for the supervision and conservation of a considerable quantity of archive material of major interest for research in both the photographic and historical fields. Donetta’s life was marked by severe economic problems which lead him to depend on public (communal) assistance. On his death the Commune of Corzoneso auctioned off the few belongings previously owned by the photographer in order, in part, to retrieve the money spent for his maintenance. Whereas his household goods did find buyers his photographic plates, on the other hand, were of interest to no one and, in consequence, remained the property of the Commune. (Marco Franciolli 2016)

Roberto Donetta, Family Portrait -Bleniotal, © Fondazione Archivio Fotografico Roberto Donetta-Corzoneso
Roberto Donetta, Four little girls among the plants
1900–1932/1993
Analog print on baryta paper, sepia toning with sodium sulfide, 30 × 40 cm
Museo d’arte della Svizzera italiana, Lugano, Collection of the Canton of Ticino
familie, 2 jongens dragen rouwbandje op hun jaskraag

Archief te raadplegen: http://www.archiviodonetta.ch

Roberto Donetta with his suitcase of seeds in a courtyard near the Casa Rotonda in Casserio, 1900–1932/1993
Analog print on baryta paper, sepia toning with sodium sulfide, 40 × 30 cm
Museo d’arte della Svizzera italiana, Lugano, Collection of the Canton of Ticino

‘Adjustments’, gedichten van Alberto Rios (1952)

Fernando Martinez, As If we know 2019: wood, metal, plaster, plastic, acrylic (16” X 14” x 1.5”)
Aanpassingen

Toen koffie voor het eerst in Europa arriveerde,
Werd er naar verwezen als 'Arabische wijn.'

In het San Francisco van de eeuwwisseling,
Begon de bank van Amerika als de Bank van Italië.

Toen Cortès in Tenochtilàn aankwam op 8 november, 1519,
Groette Moctezuma II hem hartelijk en kuste zijn hand.

Dat allemaal. We zijn verbaasd bij de kleinste gebeurtenissen
Die we meemaken, de feiten die ons nu zo vreemd lijken.

Zoals we leven in hun kamers aan de overkant.
In 1935, zegt een bericht, toen Isaac Bashevis Singer

In New York aankwam, hij was toen dertig jaar oud
En kon slechts drie woorden in het Engels spreken:

"Take a chair."
Maar dan leerde hij nog andere woorden. Het hielp.

Isaac Bashevis Singer (Jiddisch: יצחק באַשעוויס זינגער) (Leoncin bij Warschau, 21 november 1904 - Miami, Florida, 24 juli 1991) was een Pools schrijver die in 1943 Amerikaans staatsburger werd. Hij schreef in het Jiddisch. In 1978 werd hij onderscheiden met de Nobelprijs voor Literatuur.
Once there was a cat… 1998
Dmitry Evgenievich Ikonnikov.












"Adjustments”

When coffee first arrived in Europe,
It was referred to as “Arabian wine.”

In turn-of-the-century San Francisco,
The Bank of America began as the Bank of Italy.

When Cortés arrived at Tenochtitlán on November 8, 1519,
Moctezuma II greeted him warmly, and kissed his hand.

All of that. We are amazed by the smallest of things
Coming before us, the facts that seem so strange to us now

As we live in their opposite rooms.
In 1935, reports say, when Isaac Bashevis Singer

Arrived in New York, he was thirty years old
And could speak only three words in English:

“Take a chair.”
But then he learned other words. It helped.

From Not Go Away is My Name by Alberto Ríos. Copper Canyons Press
Foto door Ivo Rainha op Pexels.com

Alberto Ríos, Arizona’s inaugural poet laureate and a Chancellor of the Academy of American Poets, is the author of eleven collections of poetry, including The Smallest Muscle in the Human Body, a finalist for the National Book Award. His most recent book is A Small Story About the Sky, preceded by The Dangerous Shirt and The Theater of Night, which received the PEN/Beyond Margins Award. Published in the The New Yorker, The Paris Review, Ploughshares, and other journals, he has also written three short story collections and a memoir, Capirotada, about growing up on the Mexican border. Ríos is also the host of the PBS program Books & Co. University Professor of Letters, Regent’s Professor, and the Katharine C. Turner Chair in English, Ríos has taught at Arizona State University for over 35 years. In 2017, he was named director of the Virginia G. Piper Center for Creative Writing.

The Morning News

Seasons will not be still,
Filled with the migrations of birds

Making their black script on the open sky,
Those hasty notes of centuries-old goodbye.

The clouds and the heavens make a memo book,
A diary of it all, if only for a day.

The birds write much, but then rewrite all the time,
News continuous, these small pencil tips in flight.

They are not alone in the day’s story.
Jets, too, make their writing on the blue paper —

Jets, and at night, satellites and space stations.
Like it or not, we are all subscribers to the world’s newspaper

Written big in the frame of the window in front of us.
Today, we wave to neighborhood riders on horses.

We hear the woodpecker at work on the chimney.
There is news everywhere.

All this small courage,
So that we might turn the page.

Foto door freestocks.org op Pexels.com

Alberto Ríos has won acclaim as a writer who uses language in lyrical and unexpected ways in both his poems and short stories, which reflect his Chicano heritage and contain elements of magical realism. “Ríos’s poetry is a kind of magical storytelling, and his stories are a kind of magical poetry,” commented Jose David Saldivar in the Dictionary of Literary Biography. Ríos grew up in a Spanish-speaking family but was forced to speak English in school, leading him to develop a third language, “one that was all our own,” as he described it. Ríos once commented, “I have been around other languages all my life, particularly Spanish, and have too often thought of the act of translation as simply giving something two names. But it is not so, not at all. Rather than filling out, a second name for something pushes it forward, forward and backward, and gives it another life.”

Foto door Pixabay op Pexels.com
We are a tribe

We plant seeds in the ground
And dreams in the sky,

Hoping that, someday, the roots of one
Will meet the upstretched limbs of the other.

It has not happened yet.
We share the sky, all of us, the whole world:

Together, we are a tribe of eyes that look upward,
Even as we stand on uncertain ground.

The earth beneath us moves, quiet and wild,
Its boundaries shifting, its muscles wavering.

The dream of sky is indifferent to all this,
Impervious to borders, fences, reservations.

The sky is our common home, the place we all live.
There we are in the world together.

The dream of sky requires no passport.
Blue will not be fenced. Blue will not be a crime.

Look up. Stay awhile. Let your breathing slow.
Know that you always have a home here.
Foto door Donald Tong op Pexels.com

Resistance and persistence collide in Alberto Rios’s sixteenth book, Not Go Away Is My Name, a book about past and present, changing and unchanging, letting go and holding on. The borderline between Mexico and the U.S. looms large, and Ríos sheds light on and challenges our sensory experiences of everyday objects. At the same time, family memories and stories of the Sonoron desert weave throughout as Ríos travels in duality: between places, between times, and between lives. In searching for and treasuring what ought to be remembered, Ríos creates an ode to family life, love and community, and realizes “All I can do is not go away. / Not go away is my name.”

Foto door Brett Sayles op Pexels.com
I Do Not Go Away

You have terror and I have tears.
In this cruel way, we are for each other.

We are at war. You always win.
But I do not go away.

You shoot me again. Again, I do not go away.
You shoot with bullets, but you have nothing else.
Foto door Pixabay op Pexels.com

‘As if we know’ is van Fernando Martinez. Fernando Martinez was born in Buenos Aires, Argentina and studied bio-engineering at Polytechnic Institute of Technology and furniture design and fine arts at S.U.N.Y., Purchase, NY. His work has been shown in solo shows at the P-Cafe in New Rochelle, NY, the Solar Gallery in East Hampton, NY and the Bison Legacy Gallery in Cody, Wyoming. Group shows include the Miranda Fine Arts Gallery and Art-Miami Solar Gallery in East Hampton, NY, as well as the Mobile Show Galleria in Boston, among other East Coast venues.

Foto door Miguel u00c1. Padriu00f1u00e1n op Pexels.com

Telkens hij naar hen keek, hoorde hij muziek.

Met zijn drieën kijken ze ons aan. Je merkt dadelijk dat ze met muziek te maken hebben en wie heel aandachtig zou kunnen kijken, merkt dat op ieder partituurtje de naam van de geschilderde is vermeld.
Een schilderij van Anton Domenico Gabbiani (Florence, 1653-1726) in opdracht van grootvorst Ferdinando de’ Medici, een intense bewonderaar en zelf amateur-beoefenaar maar vooral collectioneur van muziek en andere resultaten van de Schone Kunsten.
Het werd geschilderd in 1687 voor de Pratolino-villa, lievelingsresidentie van de grootvorst, thuishaven van dit doek en aanverwante afbeeldingen van muzikanten. Later ook een soort cultureel centrum met jaarlijkse concerten en theater- en opera-opvoeringen

Al stelt het doek een ‘concert à trois’ voor toch zijn het drie (castraat-) zang-virtuozen die hier als groep poseren en die wij, na enig opzoekingswerk, bij naam kunnen noemen. Ze horen bij la camerata musicale van het Florentijnse hof.

Helemaal links van het ‘epinette’ zien we Vincenzo Olivicciani, hofmuzikant en daarna werkzaam als soprano bij de Koninklijke Kapel van Wenen. (hof van Leopold I)

Vincenzino est un grand chanteur. Il possède de rares qualités, en particulier sa manière de chanter les passaggi avec la plus parfaite clarté, et un beau trille ; sa voix est belle et gracieuse, et il la plie à tout ce qui est humainement possible, si bien que tous les autres chanteurs le considèrent comme le premier d’entre eux.‘ (Baron del Nero, proche de la famille Colonna à Rome)

Middenin zien we Antonio Rivani (internationaal als ‘Ciccolino’ bekend) , in dienst bij kardinaal Gian Carlo de Medici en zanger aan het Pergola-theater in Firenze voor hij naar Parijs trekt en daarna in Rome bij het gevolg van koningin Christina van Zweden gaat behoren. Hij probeert even een extra job erbij te nemen aan het hof van Karel Emanuel II van Savoy, maar dat is ‘not done’ voor Christina. Uitreksel uit haar brief:

Je veux qu’on sache que je ne consentirai jamais qu’Antonio Rivani change mon service pour un autre, qu’il n’est plus au monde que pour moi et qu’il ne chantera pas longtemps pour qui que ce soit. Quoi qu’il en puisse être, s’il est sorti de mon service je veux qu’il y rentre, et quand même on voudrait me faire accroire qu’il a perdu la voix, cela n’y ferait rien ; tel qu’il est, il doit vivre et mourir à mon service, ou malheur lui en arrivera.

Het was ook deze jongeman die zich nogal vlug in de belangstelling van Alfonso kon inleven zodat Cosimo III dringend op zoek ging naar een echtgenote voor Fernando.

Helemaal rechts zien we de nog jonge Giulio Cavaletti, componist en contralto bij Ferdinand’s hof die volgens geschriften ‘leefde in Rome, Barcelona en Wenen.’ We zoeken nog naar verdere sporen van zijn bestaan.

Ik noem hun namen omdat ze daardoor werkelijke mensen worden die voor Gabbiani in hun sjiekste kleren poseerden. (zoals drie andere collega’s in een ander doek van dezelfde schilder hieronder).
In 2013 was er een merkwaardige tentoonstelling in Firenze over deze Ferdinando als ‘Collector and Patron’ en daar waren ook deze doeken te zien waarover de NY-Times schreef:

There are two splendid group portraits of Ferdinando’s musicians from the mid 1680s by one of his favorite artists, Anton Domenico Gabbiani. One of these group portraits includes Ferdinando himself; indeed Cosimo reproved his son for his overfamiliarity with players and singers. The other picture is of three musicians accompanied by a richly appareled young black servant. At the center of the canvas is the castrato Francesco de Castris, who from 1686 became Ferdinando’s director of music and trusted adviser, with whom, according to rumor at least, the prince also had a more intimate relationship.’ (Roderick Conway Morris NY Times Aug. 6, 2013)

Gabbiani 3 muzikanten met een dienaar en papegaai
Ferdinando rechts omgeven door zijn muzikanten

‘Ferdinando’s first passion from his earliest years was music. He became an accomplished harpsichordist, able to sight-read a piece and then play it from memory. He built up a sizable permanent group of players and financed the development of new types of instruments. He brought Bartolomeo Cristofori from Venice to be his chief instrument maker — and in 1700 Cristofori invented and constructed the first piano. Ferdinando attracted to Florence musicians from all over Italy and beyond, making the city a center of excellence and innovation. Among those who enjoyed his patronage was the 22-year-old Handel, whose first Italian opera “Rodrigo” was staged in Florence in 1707.’ (ibidem)

I musicisti del principe Ferdinando de’ Medici door Gabbiani

Groot was Ferdinando’s waardering voor kunstenaars, inzonderheid voor muzikanten. Alsof hij door hun portretten te bekijken opnieuw hun muziek hoorde, maar ook de geliefde uitvoerders weer dichtbij zag. Zijn moeder, Marguerite-Louise d’ Orléans, verliet hem toen hij nauwelijks twaalf was, zijn jonge bruid, prinses Violante Beatrice van Beieren, was een tragische figuur: ‘She shared her husband’s musical interests and wrote her own plays, in which she performed. But although she seems to have been devoted to Ferdinando, her feelings were not reciprocated. The prince’s neglect of his spouse contrasted markedly with the consideration and generosity with which he treated so many others.‘ De liefde voor het ‘spirituele’ mooie kan je ook blind maken voor het natuurlijk mooie in handbereik, of was er nog een andere niet uitgesproken hindernis?

Anton Domenico Gabbiani. Concert. c1685. Oil on canvas. (Pitti Palace, Florence)

Boeiende boeken daaromtrent: (op de 2de handmarkt nog te vinden?)

-Patrick Barbier, Triomf en tragiek der castraten, uit het Frans vertaald, A.W. Bruna 1991

-Christopher Hibbert, Opkomst en ondergang van de Medici, Uitgeverij Contact A’dam 1989 (het verhaal haalt het wel eens op de historie)

Bartolomeo Cristofori Grand Piano 1720

Mensen aan de rand: Isidre Nonell (1872-1911)

‘Koster deelt aalmoezen uit’ 1909 bewerkt papier

De kleine, verdrukte, bijna helemaal vergeten medemens, samen met met de landschappen waar licht en atmosfeer het onderwerp zijn, zo zou je de onderwerpen van de Catalaanse schilder Isidre (Isidro) Nonell kunnen samenvatten.

Isidre Nonell, 1896 Capvesdre a Sant Marti de Provençals
Assumpcio

The oil paintings show the influence of impressionism and pointillism expressed in a new way. Thick strokes layered one after another do not quite mix colors in the eye, leaving a directness of emotion. His subjects, most often women, were the overlooked and marginalized– poor women (often with children), gypsies, wounded soldiers repatriated from the Cuban war, and people suffering from cretinism.

Isidro Nonell Returned Soldier from Cuba on the Quay

Natuurlijk brengen dergelijke onderwerpen weinig geld op, en al helemaal geen naam en faam. De armen, de zogenaamde gekken, mensen met cretinisme, en gypsies, al het volk dat zich op de rand van de maatschappij beweegt, het zijn niet dadelijk figuren om in dure salons of bij sjieke kunsthandelaren de koper te overtuigen.

2 poor men sleeping 1897

From a very early age he showed aptitude for drawing and between 1884 and 1892 he received his firts lessons from artists such as Josep Miraben, Gabriel Martínez Altés and Lluís Graner. During the academic years 1893-1894 and 1894-1895 he attended the “Escola de Belles Arts de Barcelona” ( Fine Arts School of Barcelona) where he met Joaquim Mir, Ricard Canals, Ramón Pichot, Juli Vallmitjana, Adrià Gual and Joaquin Sunyer who were school friends and at the same time they shared the same artistic interests: the landscape painting, interest for the light, and atmospheric effects. Together they went to painting excursions to the outskirts of Barcelona where they practised a half impressionist style, often with warm tones, for this reason they received the name “Saffron Group” or “Sant Martí Group” because this was of the name of the municipilaty next to Barcelona where they used to paint.

Vrouw met cretinisme en kindje in landschap met sneeuw

Geen goedkope emoties, minder nog het leed of eenzaamheid uitvergroten. Wel het uitzichtloze, de werkelijkheid zoals ze in en buiten de steden te zien was en waarvoor graag de blik werd afgewend. De invloed van Japanse prenten is hierboven duidelijk zichtbaar.

In this definitive version of a cretin with his son in a snow-covered landscape, framed by the Romanesque church of Sant Pere d’Escunyau, in the vall d’Aran, it is very especially evident the influence of the Japanese prints.

Esperant la sopa – Wachtend op de soep

Hij ging ook naar Parijs waar hij zich aan zijn zelf gekozen thematiek vasthield. Wel zag je zijn stijl veranderen omdat het werk van Toulouse-Lautrec hem inspireerde. Hij had er beroemd kunnen worden als hij op de voorstellen van de bekende kunstverzamelaar Paul Durand-Ruel was ingegaan die erg uit was op folkloristische Spaanse scenes die toen erg in waren. Ondanks de verschillende ‘Salons’ waaraan hij deelnam in Parijs en zijn kennismaking met de jonge Picasso, keerde hij in 1900 als vrij onbekende kunstenaar terug naar zijn heimatstad Barcelona.

Bedelaar in Parijs
Consuelo, 1902

Al riep Isidri uit: ‘Jo pinto i prou’ (Ik schilder en basta) toch trok hij zich de volgende jaren meer en meer terug uit het openbare leven. Hij stierf in 1911 op 38-jarige leeftijd aan typhus.

Hardship
Porta de l’ estudi
de schilder en zijn modellen
La Paloma Isidri Nonell

Er is ook de zachtheid in het verdonkeren van de atmosfeer waarin het portret een zekere melancholie uitstraalt door houding en kleurgebruik. Een portret is voor hem niet dadelijk een zoeken naar gelijkenissen met het model maar een treffen van een sfeer waarin en het karakter, en uiterlijk samenvloeien in een rustige aanwezigheid waar lang naar kan gekeken worden.

Catala: Dona Ilegint
Cabeza masculina sacando la lengua (Male Head Sticking Out His Tongue)

SCHRIJF-INSTRUCTIES, een gedicht van Phan Nhiên Hạo (Vietnam)

Schrijf-instructies

Schrijf scherp zoals een nagel geslagen in een plank.
Schrijf snel zoals wind blazend door een dorpsplaag.
Schrijf rustig zoals kolen diep brandend in de aarde.
Schrijf fel zoals een gewonde leeuw op de rand van de dood.
Schrijf voorzichtig zoals een trein ploegend door een mistige morgen.
Schrijf gevoelig zoals een vlieger voor de storm.
Schrijf plezier over het zand, verbindt dan de punten.
Schrijf spijt op het water, laat de golven het dragen.
Schrijf eenzaamheid op een lantaarn, hou de wacht tot het licht dooft.
Het is mogelijk gebald te schrijven, maar sla de werkwoorden niet over,
stagnatie zal leestekens laten zinken.
Schrijf na schemer maar niet bij dageraad -
dat is wanneer de geesten terugkeren
nadat ze meer zielengeld hebben verzameld.
Schrijf intensief bij dronkenschap, maar eens nuchter, dump het allemaal
in de rivier,
en probeer niet op te scheppen over je verslavingen.
Schrijf voor de doden, maar nodig de begrafenis-band niet uit
want synthetische muziek verstikt het lichaam.
Het is mooi om doelloos te schrijven, maar wees niet onachtzaam.
Hou taal in haar soliede staat met een hoog smeltpunt.
Schrijf ver onder nul, zoals een winterdag in Oymyakon.
Schrijf zwetende kogels, zoals zomertijd in Dallol.
Schrijf in de stijl van de New Yorkse School of Prairie, beiden cool,
maar dans niet rond met een stok
denkend dat niemand je kan zien.
Schrijf hopeloos zoals wachtend tot de maan op het dak valt en
in stukjes breekt.
Schrijf hoopvol zoals ik wachtte op mijn vrouw, om te bevallen
in het Tu Du Hospitaal.
Schrijf onvergetelijk zoals zes jaar geleden in Bangkok toen ik
een vrouw zag met twaalf vingers.
Schrijf mysterieus zoals alle lange nachten van mijn jeugd
luisterend naar de symfonie door straatverkopers geroepen.
Schrijf grootmoedig maar schenk geen aandacht aan symmetrie.
Schrijf schitterend, maar vermijd goedkoop gezichtspoeder.
Schrijf temidden van een massa terwijl je alleen staat,
met een 'Niet storen aub'-bordje' rond je nek.
Wanneer de naamlozen geëxecuteerd zijn op het stadsplein,
schrijf hun gezichten in bloed, en was nooit je handen-
niet tot vrijheid zich verspreidt als zeepbellen
door schandelijke plekken weg te schuren in de geschiedenis.

(Excerpted from Paper Bells, an upcoming collection by The Song Cave.)
“Instructions for Writing”

A Poem by Phan Nhiên Hạo, translated by Hai-Dang Phan

Write sharply like a nail driven into a plank.
Write swiftly like wind blowing through a village plague.
Write quietly like coals burning inside the earth.
Write fiercely like a wounded lion on the brink of death.
Write cautiously like a train plowing through a foggy morning.
Write sensitively like a dragonfly before a storm.
Write pleasure all over the sand, then connect the dots.
Write sorrow on the water, let the waves do the carrying.
Write solitude onto a lantern, keeping vigil until the light burns out.
It’s possible to write briefly, but don’t skip verbs,
stagnancy will sink punctuation marks.
Write after dusk but not at dawn—
that’s when the ghosts return
after collecting more spirit money.
Write prolifically when drunk, though once sober, throw it all
into the river,
and try not to brag about your intoxications.
Write for the dead, but don’t invite the funeral band
because synthetic music suffocates the corpse.
It’s fine to write aimlessly, but don’t be careless.
Keep language in its solid state with a high melting point.
Write far below zero, like a winter day in Oymyakon.
Write sweating bullets, like summertime in Dallol.
Write in the style of the New York School or Prairie, both are cool,
but don’t dance around with a stick
thinking no one can see you.
Write hopelessly like waiting for the moon to fall on the roof and
break into pieces.
Write hopefully like when I waited for my wife to give birth
at Tu Du Hospital.
Write unforgettably like in Bangkok six years ago when I saw
a beautiful woman with twelve fingers.
Write mysteriously like all the long nights of my youth
listening to the symphony of the street merchants crying out.
Write handsomely, but pay no attention to symmetry.
Write gorgeously, but avoid cheap face powder.
Write in the middle of a crowd while standing alone,
a “Do Not Disturb” sign around your neck.
When the nameless are executed in the city’s square,
write their faces in blood, and never wash your hands—
not until freedom spreads like soap bubbles
from scrubbing history’s shameful spots.

Excerpted from Paper Bells, an upcoming collection by The Song Cave.

Phan Nhiên Hạo
Phan Nhiên Hạo is the author of three collections of poetry in Vietnamese, Thiên Đường Chuông Giấy [Paradise of Paper Bells, 1998], Chế Tạo Thơ Ca 99-04 [Manufacturing Poetry 99-04, 2004], and Radio Mùa Hè [Summer Radio, 2019]. He received a B.A. in Vietnamese Literature from the Teachers’ College in Saigon, a B.A. in American Literature and a Masters in Library Science from the University of California, Los Angeles, as well as a Masters in Anthropology from Northern Illinois University. His poetry has been translated into English and featured in Of Vietnam Identities in Dialogue (Palgrave, 2001), Three Vietnamese Poets (Tinfish, 2001), Language for a New Century (W. W. Norton, 2008), and The Deluge: New Vietnamese Poetry (Chax Press, 2013). In 2006, Tupelo Press published a bilingual collection of his poetry, Night, Fish, and Charlie Parker, translated by Linh Dinh. He currently lives and works as an academic librarian in Illinois.

“Instructions for Writing”

interview met de dichter: https://lithub.com/hai-dang-phan-on-poetic-distance-and-reenacting-the-past/

Kit’s Writing Lesson 1852 Robert Braithwaite Martineau 1826-1869 Presented by Mrs Phyllis Tillyard 1955 http://www.tate.org.uk/art/work/T00011

Een habijt als ‘corpus delicti’

In de vorige bijdrage was het duidelijk dat kledij niet alleen beschermende functies had maar het dragen ervan duidelijk een standpunt tegenover maatschappelijke opvattingen kon zijn. De heren schilders, starend naar de maan, overtraden opzettelijk een wet uit 1819 waarin het verboden was dergelijke ‘ouderwetse’ kleren (lees: uit vrijere tijden) te dragen of in kunstwerken te vertonen.

Was in de kunst meestal de schaarste aan kledij belangrijker dan het vertoon ervan (tenzij om met rijkdom uit te pakken) toch vond ik toevallig een prachtig beeld uit de Spaanse barok waarin kledij zelfs een ‘corpus delicti’ werd al zou je dat op het eerste gezicht niet zeggen, zeker niet als de afgebeelde een ‘heilige’ monnik voorstelt.

Pedro de Mena (1628-1688) als een van de grootste barokbeeldhouwers, toont ons de heilige Diego de Alcalà, ook gekend als de heilige Didacus die rond 1400 in Spanje leefde. Geboren uit arme ouders werd hij door hen aan een eremiet toevertrouwd die in een stadje dichtbij Sevilla leefde. Dat je in zo’n gezelschap je geroepen voelt, mag niet verbazen. Diego werd lekebroeder bij de Franciscaners, werkte in kloosters op de Canarische eilanden, Spanje, Rome, Italië, voor hij terechtkwam bij het ‘Convento de Santa Maria de Jesus in Alcala’. Werkzaam in de infirmerie van deze kloosters bleek Diego zieken miraculeus te genezen. Eén van de wonderen die voor zijn canonisatie in 1588 vermeld is, werd het onderwerp van dit mooie beeld.

Toegewijd aan de armen probeerde hij bij een groot tekort aan voedsel in het klooster, toch geregeld brood mee te smokkelen onder zijn habijt, door het in de vouwen ervan te verbergen. Door de abt van het klooster werd hij daarbij betrapt. Hij vroeg hem wat hij verborg in zijn gebundelde pij. Deemoedig wilde hij het brood tonen maar dat bleek miraculeus in een bundel rozen veranderd te zijn. Die zijn hier niet afgebeeld want voor de gelovigen werden er in de schoot van het beeld echte of zijden bloemen gebruikt.
Kijk nu nog eens naar het mooie beeld van Pedro de Mena, gepolychromeerd hout, rond 1665-1670 gemaakt, en je merkt de mengeling van zorg, angst om betrapt te worden en vertrouwen in de hogere machten.
Het kleed, de mantel, pij of habijt, is het centrum van het gegeven. Een corpus delicti.

Al is de mantel het belangrijkste onderdeel, de mooie handen die de plooien bij elkaar houden, toch is het de houding die het letterlijk en figuurlijk dichter bij ons brengt. Hij beweegt, wil hier net even remmen om vragend naar de abt te kijken. Is er iets? De mengeling van schuld en twijfel op zijn gezicht, de ene voet nog voor de andere.

Het gebruik van de glazen ogen die met de gelaats-uitdrukking concorderen brengen hem als ‘levend’ wezen bij ons. Je verwacht het eerste woord. Aanwezigheid. Het was de vereiste om als uitgangspunt voor meditatie te dienen. Geen abstracties, geen mystieke achtergrond. Aanwezigheid. Niet alleen psychisch maar ook een fysieke aanwezigheid. Een bijzonder mens confronteren met de pelgrim, de gelovige die beseft dat de vereerde net zo’n mens van vlees en bloed was en is als hij-zijzelf. Iemand die het verbod van de prior durfde overtreden uit liefde voor de armen. Met de rozen als bewijs dat een zuivere ziel zich niet aan zo’n verbod moest storen.
De kledij als hulpmiddel om niet alleen een heilige ziel van warmte te voorzien maar als mogelijkheid om het gebod van liefde tot in de ongehoorzaamheid aan het gezag toch te vervullen.

In de prachtige Ecce Homo, tentoongesteld in the MET, NY samen met de Mater Dolorosa, vervult de rode mantel de tegenstelling tussen degene die liefdevol mensen geneest en het woord uitdraagt met de vreselijke pijnen en vernederingen hem aangedaan. Maar het maakt hem net zo aanwezig terwijl hij een mens van vlees en bloed blijft die met een waardigheid van een ‘wetende’ ons aankijkt.

De beheersing van de verschillende materialen en hun onderliggende combinaties, de studie van houdingen en gelaatsuitdrukkingen, ze horen bij het alaam van een van de grootste meesters uit de late Barok die tot op de dag vandaag ons via zijn werk blijft vragen stellen of troost bieden. Aanwezigheid. Een kenmerk van grote kunst.

San Diego de Alcalá, otherwise known as Saint Didacus, was born in Spain around 1400 to impoverished parents who placed him in the care of a religious hermit leaving outside Diego’s native town of San Nicolás del Puerto, near Seville. Following a religious vocation, Diego became a lay brother of the Franciscan order. He worked at monasteries in the Canary Islands, Spain, and Rome, Italy, before finally settling at the Convento de Santa María de Jesús in Alcalá, Spain, where he lived until 1463. He spent much time working in the infirmary of these monasteries and is said to have brought about miraculous cures to those in his care. The earliest depictions of San Diego following his canonization in 1588 show his healing miracles, but in seventeenth-century Spain, however, another miracle came to be the standard form of the saint’s iconography, and it is this miracle that is depicted in Mena’s sculpture: Diego was devoted to the poor and often took them bread from the monastery table. During a shortage of food at the monastery, Diego was forbidden to do so but continued to take bread to the poor, hiding it in the folds of his monastic habit. On one occasion, the superior of the monastery caught Diego in the act of taking bread and challenged him to show what he was carrying in his bundled robes. When Diego looked down, the bread was miraculously changed into roses. As was often the case for sculptures depicting this miracle, the roses are not carved, for the faithful would place real or silk flowers in the lap of the sculpture.

“It has been said of Pedro de Mena that he was unsurpassed in conveying religious feeling,” That is fully evident here in the expression on the saint’s face, which simultaneously captures his guilt in being caught stealing and his awe at the miracle that then occurs.”

Pedro de Mena, born in Granada, was the son of Alonso de Mena, who operated the most active sculptural workshop in the city. Alonso died, however, when Pedro was only 18 years old. Pedro assumed control of the workshop, but in 1652, Alonso Cano returned to Granada, and Pedro, still only 24, fell entirely under Cano’s influence. Cano had spent the previous decades in Seville and Madrid, where he worked alongside the greatest sculptors (Juan Martínez Montañés) and painters (Diego Velázquez) in Spain. Mena quickly assimilated the lessons offered by Cano, and when around 1655 Cano was given the commission to produce four life-sized sculptures for the convent of the Angelo Custodio, he entrusted Mena with the project. Those sculptures, representing Saints Anthony, Diego, Peter of Alcantara, and Joseph, are Mena’s first major works, and although executed under Cano, they established him as an important independent master. Shortly afterwards, Mena was offered the project to carve the choir stalls in the cathedral at Malaga. He moved to Malaga in 1658 and remained there for the rest of his life, occasionally travelling to Granada, Toledo, or Madrid, but for the most part, producing works in Malaga that would be sent to patrons around Spain. (art daily 2020)

De maan, mannen en de mode, tekst bij een schilderij van Casper David Friedrich

De maan, de mannen en de mode, ziedaar een klankrijke samenvatting van dit intussen overbekende schilderij van Friedrich gemaakt tussen 1825-1830 of samengevat:

The mood of pious contemplation relates to fascination with the moon as expressed in contemporary poetry, literature, philosophy, and music. Both figures are seen from the back so that the viewer can participate in their communion with nature, which the Romantics saw as a manifestation of the Sublime.
Although the landscape is imaginary, it is based on studies after nature that Friedrich had made in various regions at different times. Both men wear Old German dress, which had been adopted in 1815 by radical students as an expression of opposition to the ultraconservative policies then being enforced in the wake of the Napoleonic Wars. The staunchly patriotic Friedrich deliberately ignored the 1819 royal decree forbidding this practice and depicted figures in traditional costume until his death.

Hier staan  schilder Caspar David Friedrich
en zijn vriend-collega August Heinrich,
beiden in het maanlicht, een praktijk
die in romantische dagen nergens opzien baarde.

Maar dat zij kleren dragen als weleer de Duitsers deden
werd door ultra conservatieve heersers
streng verboden in Restauratie-tijden.
Radicale studenten tooiden zich bij voorkeur
in traditionele spullen, terwijl hier te lande een jeansbroek
nog luidop vloeken was, jaren na expo 58.

Twee dandy' s in het maanlicht.
Een protest tegen stijlloze gehoorzaamheid:
marsjeren vraagt een ander uniform.
De elegante Robert de Montesquiou zou juichen
als hij ons in pantalon, gilet en vest
de maan zag bekijken.

Voor wie de mannenvriendschap schuwt
blijft er nog een versie met een vrouw als gezellin
bij ’t nachtelijk mediteren.

Wie enig vermoeden heeft van andere zaken
kan een klacht indienen
of een ingezonden stuk lanceren.

https://www.tuttartpitturasculturapoesiamusica.com/2011/12/caspar-david-friedrich-1774-1840-german.html

Het medium als expressiemiddel: Galina Kurlat

Boy with elaborately hand-tinted tartan clothing, c. 1860 Grand-son of Vice-Admiral Charles John Napier

Laten we even terugspringen naar het begin van de fotografie, 1850-60 met een fraai voorbeeld van een ambrotype hierboven, nog hand-ingekleurd. Hebben we het eerst over de werkwijze, de drager of het medium waarop het beeld verschijnt.

Horen foto’s in deze tijd thuis op een scherm(pje), de tijd van papieren exemplaren, al dan niet verzameld in schoendozen of albums, is nog dichtbij.
Of het beeld door de drager ervan beïnvloed wordt?
De helderheid van het scherm, de duidelijkheid van papier of karton bijvoorbeeld, maar terugkerend in de tijd was de drager (een nog natte chemisch bewerkte glazen plaat) wel duidelijk belangrijk en kan hij in de moderne fotografie ook dienen als vormgever, niet allleen technisch, maar ook artistiek.
Kijken we naar nog een fraaie ambrotype:

Sgt. Samuel Smith of the 119th USCT[1]) with his family, circa 1863–65.

During the early years of paper photography, a thin sheet of paper was used as the negative. The lack of transparency and fibrous texture of these negatives led to research for an alternative material. While glass had been suggested for many years, it was not until 1851 that an English sculptor, Frederick Scott Archer, devised the best method for applying a sensitized coating to the plate. Archer suggested the use of collodion, a thick, sticky liquid which had previously been used by military physicians as a sort of liquid bandage. The collodion, when mixed with sensitizing chemicals, clung tightly to the glass and formed a light—sensitive surface. The only drawback was that the sensitivity quickly dwindled as the collodion began to dry. The plate, therefore, had to be exposed as quickly as possible after coating, suggesting the name “wet process. (O. Henry Mace, Early Photography, Krause Pub.)

Boy wearing a top hat, c. 1858, J. Hickling, Science Museum Group collection

A number of photographers, including Archer, noticed that when a thin collodion negative was viewed with a black backing using reflected light, the image appeared positive. In ]uly of 1854, Bostonian James Cutting took out three U.S. patents based on this concept. In Cutting’s patented process, a thin negative was made by slightly underexposing the plate. Then a second sheet of clear glass was sealed to the image with balsagum (this seal was supposed to protect the image from dust and scratches, but, as we will see, this process did more harm than good). After a coat of black varnish was applied to the back of the plate or to the back of the case, the finished image was placed under a mat and preserver, and then cased or framed. During theearly years, daguerreotype cases were used. Then, as the ambrotype become more popular, cases were made deeper to allow for the double thickness of glass.The suggestion for the name ambro-type came from Cutting’s associate Marcus Root, who based the name on the Greek word ambrotos, meaning “immortal”. Since most existing ambrotypes are of people who passed away more than a century ago, the name now seems very appropriate. (ibidem)

Babbitt’s view of Niagra, c. 1860, Platt D. Babbitt, Science Museum Group collection

Kijken we met deze wetenschap in het achterhoofd naar het werk van fotografe Galina Kurlat, geboren in 1981 in Moskou en naar de USA geëmigreerd kort na de val van het communisme in 1989. Behaalde een Bachelor of Media Arts graad in het Brooklyn’s Pratt Instituut in 2005. Leeft en werkt nu in Houston, TX. Werk van haar is intussen in verchillende international collecties opgenomen.

werk uit ‘Temporal Forms’ 2019
werk uit temporal forms 2019

‘In my work I use two different processes; Polaroid Positive/Negative film and Wet Collodion. Polaroid Positive/Negative is a B&W large format film which has been discontinued since 2008. It is a fragile medium that has a tendency to react to changes in temperature, humidity, and other environmental factors. If uncared for, the film will continue to decompose and change. The organic decomposition of the film which can slowly change the image over time attracts me to this medium. The Wet Collodion process is an in-camera process which was invented in the 1850′s, this labor-intensive process involves coating a glass plate with collodion then sensitizing it by dipping it into a bath of silver nitrate, while still wet the plate is placed in the camera and exposed. Within a few minutes of exposure, the plate must be developed, fixed and dried in order to create the Ambrotype, a positive image on a sheet of glass.’(Onetwelve)

Lulu

The ritual of making a wet collodion photograph is in itself an important aspect to this body of work. Collodion is poured onto a plate which becomes sensitized using a bath of silver nitrate. The image is then developed on the spot to create a physical object and a likeness of the child, an ephemeral event only existing in that one moment.

Electra Tintype

Removed from the day-to-day experience of childhood and photographed in front of a stark, black background, these children express a distilled honesty and tender vulnerability. By reducing these variables, Kurlat creates an organic visual dialogue between sitter and camera photographing her subjects in a quiet setting devoid of distraction; a space that is conducive to the child being completely engaged in the process of making the photograph.

Werk uit Inherent Traits 2011

These photographs are made using the wet collodion process, which was introduced in the 1850’s, this involves coating a glass plate with collodion then sensitizing it by dipping it into a bath of silver nitrate, while still wet the plate is placed in the camera and the photograph is made. Within a few minutes of exposure the plate must be developed, fixed and dried in order to create the Ambrotype, a positive image on a sheet of glass.

Werk uit Inherent Traits 2011

Inherent Traits began as a yearlong project during which I set out to photograph myself a hundred times. Slight variations in gesture, expression and posture become significant once the photographs are compiled. This kind of long-term methodical reflection allows subjects and themes, which would otherwise be overlooked to come to the surface.

werk uit Reclamation 2009-2011

I moved to Houston three years ago, and was immediately intrigued by the abandoned architecture, empty lots and vastness of Houston’s East End. Like many photographers I am attracted to the implications and aesthetics of abandoned spaces. Houston is unique in its mass of buildings and structures left to the elements. Low real estate costs and no shortage of land have created whole neighborhoods left alone to decay.

Werk uit Reclamation 2009-2011

Although I choose the subjects based on an immediate instinctual connection, my familiarity with them varies. Some are close friends and lovers, others are strangers I have recently met. The slow, tenuous process of creating large format photographs, invite the sitter to orchestrate his or her own compositions. I do not direct the subjects, but allow them to move freely in the frame. Each gesture, conscious or not, informs the viewer. While the direction of the subjects’ gaze becomes their choice to reveal or hide.

One day, during my last year at Pratt I walked into my childhood bedroom and realized that the magazine photo’s I had plastered all over my room as a teenager were mostly images made using an antiquated photographic process. Magazine printouts from Joel Peter Witkin, Sally Mann, Minor White, Chuck Close, Michael Mazzeo and Sarah Moon hung all over my pink walls. At this time I had just begun studying wet plate with Jody Ake in NYC and was so grateful for the chance to learn a process I admired at such a young age.

Avril

https://www.galinakurlat.com/

While traveling I did something I rarely do these days… Rather than seeking out specific subjects for existing bodies of work, I took photographs for the simple pleasure of making images. This open way of shooting followed me home, I now find myself making images which interest me rather than trying to fit them into the context of existing work. I hope this way of shooting transcends my older habits and allows for a continuously creative approach to photography.

Grace uit ‘Temporal Forms’ 2019

Boos-aardig, een kortverhaal

Er was eens een jongetje dat altijd aardig en slim moest zijn. 
Bij zijn geboorte bleek het -volgens zijn moeder — de mooiste baby ter wereld. Toen hij zes maanden werd, kon hij al woorden met twee lettergrepen uitspreken. 
Daarna leerde zijn vader hem piano spelen en op zijn derde verjaardag kon hij een Grieks en een Latijns versje opzeggen en vertalen. 
Dat ging natuurlijk niet vanzelf. Werner werd door zijn ouders en een schare uitgelezen opvoeders getraind. Vanaf zijn eerste jaar kreeg hij een vaste dagindeling. 
‘We moeten hem tot het aardigste kind ter wereld opvoeden,’ zei zijn moeder. 
’Karakter moet hij hebben!’ meende zijn vader.
’Als je aardig bent, kom je overal.’
Het wonderkind Werner werd dus niet alleen getraind in taal en rekenen, maar hij kreeg een harde opleiding om eens de aardigste mens van deze aardbol te kunnen zijn. 
Hij leerde zitten met rechte rug, het juiste handje gebruiken om iets aan te geven of aan te nemen, met twee woorden spreken, buiginkjes maken, de deur openhouden, zijn plaats in de bus afstaan, glimlachen, ook als hij razende tandpijn had, en ga zo maar door. 
Het is dus te begrijpen dat Werner overal over zijn bol werd geaaid. De volwassenen waren dol op hem. 
Zijn vriendjes en vriendinnetjes haatten hem. 
‘Die leeftijdsgenootjes zijn zo dom!’ troostte zijn moeder hem toen hij met een blauw oog thuiskwam. 
']e moet terugslaan!' zei zijn vader. ’Ik zal je karate leren.’
Dus leerde Werner naast driehoeksmeetkunde en filosofie ook nog karate. ’Blijven glimlachen, jongen,’ zei zijn moeder. ’Blijven glimlachen, ook als je iemand een dreun op zijn neus verkoopt. Dat is fair-play. Daar kom je ver mee. 
’En Werner sloeg zijn vriendjes glimlachend een bloedneus en bood hen daarna ook nog een zakdoek en een reep chocolade aan. 
O, Wat kon hij toch fijntjes glimlachen, die Werner. 
Als hij het oude dametje de drukke straat over hielp en het vrouwtje dan tussen de toeterende auto’s liet staan, dan glimlachte hij. Ja, hij wuifde zelfs naar het doodsbange oudje. En als hij een stuk taart voor zijn lerares kocht, en hij voor de hele klas geprezen werd als modelkind van het jaar, wat glimlachte hij dan naar Jan met zijn flaporen, naar Grietje met twee vaders, naar Ronald die stotterde en naar Fientje die altijd wegdroomde in de rekenles. Hij bleef zelfs glimlachen als hij roddelde over Marietje die weer een ander vriendje had, als hij kwaad vertelde over de concierge die al in de gevangenis had gezeten, als hij, heel terloops, iets losliet over een geheim dat Greet hem had toevertrouwd. Hij bleef glimlachen, die Werner.

Hij haalde hoge cijfers, want een knappe jongen was hij wel. Het verbaasde dan ook niemand dat hij naar de universiteit ging en er vier jaar later afstudeerde met de grootste onderscheiding. 
Natuurlijk had hij ook daar geglimlacht toen hij die verlegen jongen vreselijke verhalen over de examens en de professoren had verteld. 
Hij bleef glimlachen toen hij zijn vriendinnetje na twee dagen weer afdankte omdat ze ook een eigen mening had. Hij bleef heel vriendelijk lachen toen hij zijn medestudenten in een berghok opsloot zodat ze hun examens misten en in september moesten terugkomen. Hij bleef glimlachen toen hij een dreigbrief schreef naar zijn voornaamste concurrent. 
Hij werd de aardigste ingenieur die je je kon voorstellen, en het verbaasde niemand dat hij weldra burgemeester werd en hij het tenslotte tot president bracht. 
’Zo’n aardige man!’ zei iedereen die hem ontmoette.
Glimlachend begon hij dan ook aan de derde wereld-oorlog.
illustratie Kristien Aertssen