Marie Huana: ‘The glacier knocks in the cupboard?’

Gisteren geprobeerd om deze mooie bijdrage van ‘Woordproeverij Marie Huana’ te herbloggen, maar dat mislukte jammerlijk. Dus gebruiken we vandaag ‘handwerk’ om haar inspiratie te eren.

Alwéér iemand waarvan wordt omgeroepen: “She has left the Blue Planet…”
Ik lees er Auden op na, en ik hoor hem inderdaad ook kraken in mijn eigen kast, die gletsjer van koelbloedigheid. Hij smelt en brokkelt steeds verder af. Om nog maar te zwijgen van die gebarsten schone schijn. Of van die zuchtende woestijn.

The glacier knocks in the cupboard,
The desert sighs in the bed,
An the crack in the tea-cup opens
A lane to the land of the dead.

Lang gewacht & stil gezwegen, nooit gedacht & toch gekregen? Daar mag ik alleszins blij om zijn: gehad & geweest is niet per se een lelijk beest. Maar het ‘voorbij-gaan’ houdt mij bezig als een bij die door een wesp wordt gestoken. Al dat -nu reeds!- vergetene in het huis om mij heen, terwijl ik het nog bewoon. In de verdrukking geraakt onder het besef, dat het uiteindelijk voor iedereen op til is, om vroeg of laat niet meer van tel te zijn. Dat nietsontziende niets-blijft-duren, wie zou er geen rusteloze benen van krijgen, en diepe voren ervan onder de bles.

Vroeger, ja vroeger, wie vroeg er mij wat, toen rolschaatste ik mij door de dagen tot het donker werd. Oorverdovend, want op ijzeren wielen, en uiteraard, rond de kerk. Neerkijkend op die nieuwe met rubberen wieltjes, onmachtig als die waren om nog van zich te laten horen. Die van ijzer schraapten de stoepen zuiver, er sloegen soms prachtige gensters uit. Ijzeren rolschaatsen waren & bleven de beste, dat wist (en hoorde!) iedereen. Kortom: er waren toen nog zekerheden.

Op ijzeren wielen? Zo hoorbaar aanwezig wens ik al lang niet meer te zijn. Het kind in mij is haar rolschaatsen kwijtgeraakt. Tussen toen & nu zijn die zogenaamde zekerheden grotendeels weg gemaaid, als kwetsbare nesten tussen stugge gewassen voor de niets ontziende oogst ten behoeve van later.

Altijd geschreven met dubbel krijt, maar ineens raak je één van die krijtjes kwijt? Ondanks ‘horen-zien-en-zwijgen’ is er op de duur geen speld meer tussen te krijgen: je geraakt niet meer op je uitkijkpost, en ook het zomeruur krijgt niet alles opgelost. Het begint je te dagen onder de klamme lappen, dat je niet twee keer in dezelfde rivier kunt stappen. Geen bakerrijm, geen Wolkenkoekoeksheim.

Panta Rhei, alles gaat voorbij!
Staakt-het-vuren, niets blijft duren!
Bij elke wens, gedenk, o mens!
En al waakt hij over huis & haard,
Ouroboros bijt zich in eigen staart!

Maar kent – althans te gelegener tijd – niet elk leven zijn eigen eeuwigheid?

Het sijpelt niet meer, het stroomt inmiddels dwars door mij heen, als een rivier van voortdurende verandering. Elk verhaal raakt uitgelezen: je geeft je kinderen niet alleen het leven, maar ook de dood. Indachtig de hint ‘wees de verandering die je in de wereld wilt zien‘ denk ik aan dat veelzeggende anonieme zinnetje, dat ik noteerde in één van mijn schriftjes: ‘Terwijl ik peins, passeert mij een slak.’

‘Naar wat de dennen fluist’ren, die buigen kruin aan kruin, zit ik zo vaak te luist’ren, in ’t buntgras van het duin, hoe zon en zomer pralen, in ’t purper van de hei, wat toverkleur zij malen, maar alles gaat voorbij.. ‘ Ook al voelde ik mij in het vroeger van toen nog ‘onsterfelijk’ zoals Bert Kijzer dat stelt, ik wist er zelfs als kind al weg mee, met dit soort weemoed van fluisterende dennen, van zangen uit de oude toren, en van dat schrijnende ‘maar-alles-gaat-voorbij.’ Vader! Moeder! Dat jullie er zomaar niet meer zijn! Jaja, het is nu aan mij, ik weet het, Panta Rhei..

Heimwee doet ons hart verlangen? Nog zo’n lied waar door de Hogere Orde graag op neergekeken werd. Maar net zoals van een uitgebloeide pisbloem blaas ik de zaadjes ervan nog eens met veel plezier de vier windstreken in, zoals ik dat vroeger zo vaak heb gedaan. Want na de bloei zijn er gelukkig ook weer de zaden, even mooi & fascinerend als de bloem zelf. Zaadjes met vleugeltjes aan, zaadjes met al het geduld van de wereld, wederom op zoek naar de verloren tijd.

Dag bronzen
klokkenzangen, dag weiden mistomhangen,
dag geur van brem en hei!

En dag pluizige hemelzaadjes
voor nog lang na mij!

Meer mooie bijdrages vind je in het blog van MARIE HUANA WOORDPROEVERIJ

https://mariehuana.blog/

3 kleine gezangen bij het slapengaan

Victor Koulbak. Tulip. 1996. Silverpoint - watercolor. 12 3/4 x 10 in.
Victor Koulbak Tulip Silvepoint -watercolor 13 3/4 x 10 inch.
Maar de zeeëngte
tussen je ogen,
de smalfilm van je glimlach.
Als je bij me loopt,
verenkelt de voering
van je buitenhuid.
Mijn kus is een egelboterbloem.
Achter Duinkeken vinden we jouw hertogdom.
De avonden zijn er zo roze
dat jonge patrijzen
er nooit vermommingen dragen.
félix vallotton | marée montante le soir | 1915
huile sur toile | 61 x 73  | winterthur, stiftung für kunst, kultur und geschichte

Het krassen
van de zilverstift
- de pleisterplaats waar jij ontscheepte -
Blauweregen ontsliep vredig op je huid.
Het krassen
van de zilverstift
- een vlinder, dubbel gevouwen godsvertrouwen -
Lippen scholen samen bij zoveel dagdieverij.
Het krassen
van de zilverstift
- bij de sterrenwacht wordt de tweeling herontdekt -
de honing van je ogen op de slijpsteen van de nacht.

Herleid mij
tot wat de bloemen zijn
als duizenden seizoenen
hen zijn voorbijgegaan.
Herleid mij
tot verharde bloemengeur
die in uitgewoonde harten
overwintert.
Het smeltpunt
van je thuiskomst
overleeft de tijd.

1981 Gmt
Of op deze manier:  'As steals the morn' 
As steals the morn upon the night,
And melts the shades away:
So Truth does Fancy's charm dissolve,
And rising Reason puts to flight
The fumes that did the mind involve,
Restoring intellectual day.
Tja...'Restoring intellectual day'?
From the oratorio "L’Allegro, Il Penseroso, ed Il Moderato" ("The Cheerful, the Thoughtful, and the Moderate Man") HWV 55. It is a pastoral ode by George Frideric Handel based on the poetry of John Milton. However, "As Steals the Morn" (featured here) is adapted from Shakespeare's Tempest, V.i.65–68.
Eugene Jansson – Sunrise over the Rooftops. Motif from Stockholm 1903

‘Nabijheid en verbinding’ : Sarah Mei Herman (1980)

Jana and Feby, April 2007
Jana and Feby, April 2010 I started photographing the identical twin sisters Jana and Feby in 2005. They are 19 years old now. I have always been fascinated by their extreme closeness, both mentally and physically. The relationship between identical twins is probably the closest possible relationship there is.
Jana and Feby, October 2011
Jana and Feby, December 2015
Wat inspireert je?
Intimiteit tussen mensen en hoe ze zich tot elkaar verhouden inspireert mij. Het belang van nabijheid tot de ander en de verbinding tussen mensen. Jonge mensen en de fasen tijdens het opgroeien. Het schemergebied. De kwetsbaarheid en soms eenzaamheid die met deze fasen gepaard gaan. 

Een aantal van mijn onderwerpen (langlopende projecten) fotografeer ik al jarenlang. Behalve mijn directe familie (mijn vader en half-broer) vond ik deze jongeren soms via via of per toeval, maar ik fotografeer bijvoorbeeld ook twee zusjes op wie ik vroeger heb gepast, en die ik al hun hele leven ken.(We like Art)

Fred and Archie, April 2014 I started photographing the English brothers Fred and Archie in 2010 during my studies in London.
Fred and Archie, June 2013
Fred and Archie, March 2010
In my work I explore relationships and intimacy between people. The closeness between them or what sets them apart, and the necessity of physical proximity to others. I often focus on the intimacy within the family, with a special interest in sibling relationships, which partly comes from the fact that I grew up without and as a child I always wondered what it would be like to have a brother or sister. Now as an adult, I find myself observing siblings, repeatedly photographing them; trying to get a closer understanding of what this familial intimacy means.
Growing up is an important theme in my work, mainly focusing on young adolescents; on their constant state of becoming; trying to capture the fleeting beauty of the continual changes they go through on their way to adulthood. Recurring themes in my work are the transitions and continual changes young people go through on their way to adulthood. I am drawn to the intensity, vulnerability and sometimes loneliness of these stages. An equally recurring theme is the grey area between friendship and love, and the ambiguity of relationships in certain stages of life.
Fred, March 2010
Sarah Mei Herman lives and works in Amsterdam, NL
education:

    2008 – 2010 MA Photography, Royal College of Art, London
    2001 – 2005 BA Photography - Royal Academy of Fine Arts, The Hague
    1999 – 2000 Propedeutics Philosophy - University of Amsterdam

In mijn collecties heb ik het bijzondere werk van fotografe en kunstenares Sarah Mei Herman steeds weer even weggeduwd omdat ik het zelf om allerlei redenen niet dadelijk kon plaatsen en je dan het nodige geduld moet opbrengen om ‘in de stilte’ wijzer te worden, tot ik besefte dat het vooral die ‘stilte’ een van de hoofdkenmerken van haar werk was. De stilte die het onttrekt aan het zo eigen tijdelijke van de fotografie die met secondes en onderdelen daarvan soms ‘bevriezend’ optreedt terwijl haar aandacht voor transities, zeker in de jeugdige fase van ons bestaan, ons verbindt met ‘wording’, het kenmerkende van het nooit voltooide en daardoor zo mysterieus en menselijk is.

In haar series over Julian & Jonathan wordt dat heel duidelijk.

Julian & Jonathan January 2009
This is my most extensive ongoing body of work: a series portraying the close relationship between my father Julian and half brother Jonathan, who was born when I was twenty-one years old. Since 2005 I have been photographing Jonathan alone or together with our father. This body of work portrays the triangular relationship between the three of us. My memories as a young child, of the relationship with my father, are now in a way mirrored in my half brother. By photographing Jonathan I try to approach our unusual sibling relationship which I am part of at a physical distance. This work is very much about me, and this part of my family, as well as the relationship between a relatively older father and his son.
Julian & Jonathan February 2010
Dit is mijn meest omvangrijke doorlopende werk: een serie die de hechte relatie portretteert tussen mijn vader Julian en halfbroer Jonathan, die werd geboren toen ik eenentwintig jaar oud was. Sinds 2005 fotografeer ik Jonathan alleen of samen met onze vader. Dit werk portretteert de driehoeksverhouding tussen ons drieën. Mijn herinneringen als jong kind, aan de relatie met mijn vader, worden nu op een bepaalde manier weerspiegeld in mijn halfbroer. Door Jonathan te fotograferen probeer ik onze ongewone broer-zus relatie, waar ik deel van uitmaak, op een fysieke afstand te benaderen. Dit werk gaat heel erg over mij, en dit deel van mijn familie, en ook over de relatie tussen een relatief oudere vader en zijn zoon.
Julian & Jonathan February 2013

Het mooie filmpje geeft je een overzicht. Je vindt ook onderaan de website van Sarah Mei Herman.

Een bijzondere serie is zeker haar werk in China, Haiqing, Xiamen, verzameld onder de sprekende naam: ‘Touch’.

I started this series during a four-month artist in residence at The Chinese European Art Center (CEAC) in Xiamen. I was curious about the differences but also at things that are universally recognizable: the things that tie people together and the meaning of friendship and love. I photographed several young people (mostly women) and their intimate relationships, finding my subjects in the streets of Xiamen and at the university campus. With some of them I built up a closer friendship photographing them repeatedly over time. Since my work period in 2014, I have revisited Xiamen several times. Each visit I met up with some of the same young women again, capturing their changes over time. With some of them I built up a closer friendship, which allowed me to photograph them repeatedly. During these encounters I not only attempted to touch upon the intimate moments between my subjects, yet also, upon the proximity between the subjects an myself.
Ik ben met deze serie begonnen tijdens een artist in residence van vier maanden bij The Chinese European Art Center (CEAC) in Xiamen. Ik was nieuwsgierig naar de verschillen, maar ook naar dingen die universeel herkenbaar zijn: de dingen die mensen samenbinden en de betekenis van vriendschap en liefde. Ik fotografeerde verschillende jonge mensen (vooral vrouwen) en hun intieme relaties, waarbij ik mijn onderwerpen vond in de straten van Xiamen en op de universiteitscampus. Met sommigen van hen bouwde ik een hechtere vriendschap op door hen na verloop van tijd herhaaldelijk te fotograferen. Sinds mijn werkperiode in 2014 heb ik Xiamen verschillende keren opnieuw bezocht. Bij elk bezoek ontmoette ik weer een aantal van dezelfde jonge vrouwen en legde ik hun veranderingen in de loop der tijd vast. Met sommigen van hen bouwde ik een hechtere vriendschap op, waardoor ik hen herhaaldelijk kon fotograferen. Tijdens deze ontmoetingen probeerde ik niet alleen de intieme momenten tussen mijn onderwerpen aan te raken, maar ook de nabijheid tussen de onderwerpen en mijzelf.
Touch-Xue Min & Hab Xu, Xiamen, November 2014

Als besluit las ik een mooie bedenking uit ‘La Chambre Claire’, note sur la phtographie (1980). Hilde Braet, Master in visual culture:

In ‘La Chambre Claire’, note sur la photographie’ (1980) ontwikkelt Roland Barthes (Frankrijk, 1915 – 1980) verschillende markante begrippen die de theorie van de fotografie blijvend beïnvloeden. Zo maakt hij ondermeer een onderscheid tussen ‘studium’ en ‘punctum’. Het studium ligt op het niveau van het bediscussiëerbare, van het begrijpen, van een discours over fotografie. Het punctum daarentegen is iets heel persoonlijks. Het is dat wat jou spontaan treft. Het bevindt zich op een emotioneel en psychologisch niveau. Bij het punctum ga je niet zoals bij het studium zelf op zoek naar betekenissen, je wordt getroffen door een element van de foto. Barthes houdt het punctum buiten het veld van het rationele en het discursieve. Het kan alleen in een korte flits tot je komen.

Julian & Jonathan, South Africa Swimming Pool 2013

Deze dubbelheid maakt de fotografie nog zo veel interessanter. Rationaliteit en emotionaliteit worden verweven in een medium dat toch erg veel naar de realiteit verwijst. Geleefde werkelijkheid gebaseerd op doorleefde ervaring vormen een belangrijk aspect van mijn fotografische werkelijkheid. Samen met het bestuderen van fotografie in al zijn aspecten kom ik hier tot een studium/punctum benadering van het medium. (Hilde Braet)

BEZOEK WEBSITE VAN SARAH MEI HERMAN:

http://www.sarahmeiherman.nl/

Touch Haiqing, Xiamen, July 2015
Touch Yaki, Xiamen, November 2014
Touch
Touch-Yafang & Linli, October 2014

‘Sisyfus spreekt’ (5) een monoloog (slot)

Arthur B. Davies Elysian Fields Vergroot door op tekst te klikken
SISYFUS:

En tenslotte, de verschrikkelijke theorie van het hellend vlak.

(hij laat een vrij grote bal van een hellende vlak rollen, loopt nog voor de bal beneden is naar het einde van het vlak, vangt de bal op, speelt een moment met de bal als een volleerd basketter of volleyballer, of...en legt dan de bal weer boven op het hellend vlak.)

En tenslotte, de verschikkelijke theorie van het hellend vlak.

Sisyfus bedroog de goden, moet nu een eeuwigheid lang, een zware ronde rots de  helling oprollen in de Tartaros, -zo'n beetje de vieze hoek voor schurken en schavuiten in de onderwereld-, en bijna boven, rolt dat ding weer naar beneden en is het herbeginnen tot in de eeuwigheid amen. 

(hij heeft terwijl met de grote bal, een demonstratie gegeven)

Als we dus toelaten dat A gebeurt -de goden bedriegen- dan zal onvermijdelijk ooit Z gebeuren -de morele chaos zal niet te vermijden zijn--, en daarom mag A niet gebeuren, ziedaar de theorie van het hellend vlak of het ontstaan van de drogreden, ons allen wel bekend. 
Mag een elfjarig wonderkind nog uitroepen dat hij de onsterfelijkheid wetenschappelijk wil mogelijk maken, eens zijn vroege slimmigheid in het schaaltje ligt naast de reuzeschaal met de menselijke paringsdrang, blijkt duidelijk dat een bachelor in fysica ook een buis in verbeelding verdient en de universiteit die hem het ene verleende best enkele jaren mijn rotsblok de helling mag opduwen of......    (-stilte-) 

...terwijl zijn hang naar kennis best de belangstelling van de nu nog sterfelijke machtigen zal krijgen:  bij afwezigheid van een god is dat vacuum een fraaie aantrekkingskracht voor een onsterfelijke wereldse dictator. Een oude droom in zeeën bloed verdronken. Een onsterfelijke mythe.

Terwijl ik waarschuw voor het hellend vlak -ik weet waarover ik spreek na al die eeuwen- kan ik toch weer een gaatje maken in ons aller rugzak zekerheid. 

Twee keer teruggekomen uit de onderwereld is niet iedereen gegeven maar kan makkelijk belachelijk worden gemaakt met het woord 'mythe', -geef ik toe- maar dat ik in diezelfde mythes dan wel tot het onophoudelijk rotsblok-zeulen ben veroordeeld draagt niet dadelijk bij tot 'godes goede naam', of juist wel?  

De liefhebbers van een straffende God kunnen toch niet alleen in Polen, Tjechië en Hongarije wonen? Ze huizen nog in de diepe krochten van onze voorvaderlijke hersenstam waar het hellend vlak  een schavot was en de hemel en de machtigen een samenwerkende vennootschap vormden die na enig opzoekwerk een eenmanszaak bleek te zijn.
Etruskische lierspeler wandschildering graf van het triniiclinium Tarquinia
Had ik voor de Elyseïsche velden kunnen kiezen toen ik de derde keer Hades 'dodenrijk bezocht?  Dat kon.  Maar als kind reeds vond ik een eeuwigheid zweven -tussen vallen en opstaan- niet zo aantrekkelijk.  Hermes beloofde mij de mogelijkheid van een onsterfelijk bestaan als ik in de Tartarus mijn rotsblok tot aan de top de helling kon opduwen om dan wellicht eeuwig Olympische luchten  in te ademen.
Mijn hoogmoed is intussen bekend net zoals de drang naar eeuwig leven niet alleen wonderkinderen bezielt.

Toen jullie mijn verhaal de eerste keer lazen of hoorden vertellen, wisten jullie toch dadelijk dat het een leugen was, die eeuwigheid op mensenmaat?

Je liet mij nu al meer dan tweeduizend vijfhonderd jaar mijn steen de helling opduwen.  'Absurd' was ongeveer de beste term die ik hoorde.  Dat was het ook.  Maar dat jullie je daarbij neerlegden, dat je niet zei:  je mag ophouden, Sisyfus, het is genoeg geweest.  Of gewoon:  hou op!  Neen, jullie wilden moedig het lot ondergaan en in het beste geval elkanders steen helpen opduwen.  Alvast in gedachten.  Angstig als wij zijn. Nietwaar heer Thanatos?

Jouw hellend vlak.
Na enkele eeuwen had ik naar mijn niet altijd bescheiden mening vergiffenis genoeg verzameld om iets anders te mogen verzinnen.  Vergiffenis voor mijn schromelijk tekort aan liefde.  Vergiffenis voor de ondoorgrondelijke haat.  Voor het overschot aan gelijk, het vanzelfsprekende van het bezitten, de dwaasheid van mijn gulzigheid, de drang naar steeds meer macht. 

Voor het bedrog waarmee ik de goden om de tuin leidde legde ik het gewicht bij de manke voorstelling waarin zij aan ons werden beschreven.
Ze bleken inderdaad onze eigen verzinsels te zijn, goed bedoeld maar slecht uitgevoerd. Soms vemakelijk, vaak met alleen het oergevoel in de wijsvinger opgevoerd. 

Toch kan ik moeilijk zonder, want juist met hun menselijke gebreken  herkende ik ze als het betere 'ons' dat vaak in tijden van nood en eenzaamheid zichtbaar en voelbaar is. 
Dus kan ik niet anders, ondanks het hellend vlak, dan vertellen wat ik probeerde om aan de dwang van het dagelijks duwen te ontsnappen. Hoe dwaas en onvolkomen mijn pogingen ook waren.

Natuurlijk wisten de zaligen uit de Elyseïsche velden wat er in de Tartarus gaande was. Ik had ze stiekem al zien gluren eens ik halfweg  met mijn rug tegen de rots ging zitten om even uit te blazen. Luidop klagen en om hulp smeken kwam nooit in mij op.  Integendeel.  Ik maakte van de rotsduwerij een aantrekkelijk gebeuren.  Van Hermes kon ik een chrono lenen, het maakte mijn sterfelijkheid alleen maar duidelijker, (dacht hij) en als boeteling kwam hij mij graag tegemoet.
Hermes
Beneden schreef ik op een vlakke rots de tijd  van de vorige beklimming:  44' 08", een nieuw record.  Het duurde dan wel zes, zevenhonderd pogingen om de drieënveertig minuten te halen, maar met moed en volharding lukte dat.
Applaus. Eerst nog verborgen glurend, daarna openlijk aanmoedigend.  Tenslotte met de vraag of zij het ook eens mochten proberen.  Dat mocht.

O, die edele zielen die levenslang de goden hadden geëerd, hun lusten hadden bedwongen, hun zinnen van het bezittelijke hadden verlost,  hun kinderen tot rechtvaardige burgers hadden opgevoed, je moest hen zien duwen!

Het duurde wel enkele maanden voor ze in de buurt van de 43' kwamen, en toen een jonge sterke vrouw uit Kreta zelfs bij 42' 55" op de top stond, was het feest.

Ik hoef je niet te vertellen dat het dringen was om dat record te breken.  Aanschuiven werd het.  Bijna elke dag wel eens een ruzie wiens beurt het was.
Ik noteerde de tijden, zette me gemakkelijk op de top en genoot van hun inspanningen. Voor de buitenwereld rolde Sysifus zijn steen  dat beroemde hellend vlak op, zuchtte als hij fluks naar beneden donderde en hij hijgend aan een nieuwe klim begon.
Napleskrater Sisyfus
Terwijl ik toekeek gleden er allerlei andere ideeën door mijn hoofd.  Was nu nog de reusachtige bal van steen, stel dat we een klein metalen  handzame bal maakten die je zo ver mogelijk weg moest weggooien.  Zo ontstond het kogelstoten, gevolgd door een succesrijke bowling-baan en allerlei andere balsporten.  
Ontstellend  hoe competitief een balvormig voorwerp het centrum werd van het schimmenrijk. Zelfs het biljarten kwam aan bod, het golfen en tenslotte trapten we de bal het veld op en vierden we de eerste matchen tussen de gelukzaligen en de zondaars.  Met zes nul door de ... gewonnen.  (zelf invullen, juist ja die!).

Het met een rotsblok de helling op zeulen kreeg nu in allerlei speelse vormen een vrolijke betekenis, al moest ik nu en dan bij te felle betwistingen modererend ingrijpen. 

Tot op een dag Zeus zelf verscheen, net bij het tweede doelpunt tijdens de voetbalmatch Invloedrijke Dokters-Welstellende Patiënten. (afgekort als ID-WP) Nul voor ID en twee voor WP! 
Wie denk je dat er arbiterde?  Inderdaad.  Sisyfus.

Zeus wilde naar oude gewoonte een donderwolk lanceren gevolgd door een aantal hevige maar onschadelijke bliksems (het bekende weerlichten) maar bleef toch even toekijken en stond enkele miuten later de Welstellende Patiënten aan te moedigen omdat hij zijn collega Asclepius nooit erg had gemogen. (De man was tenslotte ook maar een halfgod, verpleegsters weten waarom!)
Ik legde het spel stil en we bewezen de vader van het al de eer die hem toekwam.
'Je weet dat een vader niet van geruzie houdt, noch minder van gefluister-achter-de rug en helemaal niet van slaafse verering, al mag ik wel graag een diepe buiging en een op-de knieën-zinken zien zonder te vervallen in het plat-op-de-buik -gaan.  
Sisyfus weet dat wij streng maar rechtvaardig  optraden en onze straffen wel eens het redelijke overschreden. Maar de opgewekte atmosfeer, het zingen van liederen-langs-de-lijn, het voortdurend in de handen klappen en aanmoedigen, ja zelfs het gemodereerd uitfluiten,  de waaier aan beweging en competitie zonder bloedvergieten, het bekoort ons en ....'

Kijk, dat is het andere hellende vlak.  Het vlak van het spelen.  Klinkt het een beetje oneerbiedig dat ik Zeus' stem heb geïmiteerd?  Het hoort bij het spelen dat mij van de dodelijke zeulpartij met de ronde rots bevrijdde.
Het is soms niet erg vredevol en de uitdrukking 'uit de bol gaan' heeft ook nog zijn oorsprong in mijn oud verhaal.

Ook dat verhaal bleek een spel.
Ik wilde niet op het hellend vlak. 
Het spel waaiert uit, opent andere deuren, maakt vreemde combinaties.

Of het te maken heeft met bewegen, sporten, vertellen, verhalen maken, schilderen, een huis inrichten, de jurk van je leven knippen, en ga nog maar een eindje verder, het spel verzoent ons soms even met het eindige.  

Er zullen dagen zijn dat ik weer de berg op moet met de ronde rots.
En de hemel is niet altijd met vriendelijke goden gevuld, maar trilt van intense herinneringen aan degenen die voor wij er waren het leven mochten meespelen, al was het spel vaak ver te zoeken.

Uit de dodencultus ontstond het theater. Herinner elkaar zonder ophouden.
'Vaag zie ik hem, in mist, de steen opduwen.
 Mijn vader Sisyfos. Het brein. De sluwe.
 Hij wist te veel. Geen god die dat vergeeft.
 Verstand is het waarvan de goden gruwen.'

(herdichting van de Odyssee in kwatrijnen, hier kwatrijn 34, H.J. de Roy van Zuyderwijns In wat de zee verzwijgt, 1988)
foto van Frank O’ Connor

De speeltekst ‘Sisyfus spreekt’ is als monoloog geschreven voor theater, podcast, hoorspel, of welke dramatische vorm dan ook waarin hij tot leven kan komen. Scenografie en regie kunnen naar alle kanten uitwaaieren als ze het contact met de toeschouwer verstevigen. Ook allerlei vormen van poppenspel kunnen dienen. Wij zullen hem weldra op een afzonderlijke pagina invoeren zodat je hem in volgorde van aansluiting kunt lezen en gebruiken. Er zullen de volgende weken nog allerlei wijzigingen in aangebracht worden.

Zeus als stier die Europa ontvoert Peter Paul Rubens

‘Sisyfus spreekt’ (4) een monoloog

Gustave Doré De aankomst van Charon, illustratie bij ‘Divina Commedia Dante Alighieri
Sisyfus:

Bij de Styx-rivier keek Thanatos mij hoofdschuddend aan.
Zoals een hopeloze vader zijn puberzoon bekijkt.
Hij ziet nog een vleugje van het vrolijk kind
dat in het 'te -vlug-uitgegroeide' zichzelf begraven heeft
en door eigen scha en schande moet wijzer worden. 
Zegt men.

Bevrijd van mijn boeien wacht ik op Charoon,
de veerman die de schimmen naar de andere oever brengt.

Zijn hand duidelijk uitgestoken om een obool te ontvangen
maak ik het hopeloos gebaar van sukkelaars
die, vergeten door de wereld, niets en niemand betalen kunnen.
Hij duwt mij ruw het water in en verdwijnt, de andere oever tegemoet.
José Beniliure Gli la barca de caronte 1919 Vergroot door op onderschrift te klikken
Ik roep, maar smaak  het vieze vocht van de Styx, 
voel het bijten waar het een zwak plekje vindt,
en als ik, druipend de andere oever opklim,  
ben ik een uitgediende verschrikking,
een walm verspreidend onding, 
waarvoor medelijden gelukkig nog in enkele grammetjes beschikbaar is.

Helemaal de man die ik nu, volgens mijn plan, wilde worden:  
zielig overschot,  waarin de woede van een vrouw zonder begrenzing had huisgehouden,
de onderdanen het stoffelijk overschot van hun koning eindelijk
met vuisten vol wraak en jalousie bewerkten en
zelfs kinderen met fikse schopjes hem de tanden uit de mond 
en de ogen uit hun kassen trapten en daarmee hem, het monster, 
en hun eigen wrede soort  hun verwilderde eerbied  bewezen.
Persefone
Zo zocht ik Persefone op, godin van het dodenrijk en van de lente, 
die in godentijden bij het bloemenplukken van haar eigen moeder Demeter werd weggerukt en daarna zes maanden in de onderwereld bij Hades moest verblijven, tijd waarin de aarde elke jaar verdorde en nauwelijks een sprietje gras de winterkoude overleefde, maar de volgende zes maanden, teruggekeerd op aarde, haar met groeien en bloeien overstelpt, wisseling die in eeuwige herhaling van seizoenen zichtbaar bleef.

In haar ogen zag ik dat mijn vrouw zich duidelijk aan mijn instructies had gehouden. En blijkbaar wisten ook mijn onderdanen van wanten toen ik als naakt dood lijf op straat te vinden was.
  
'Ik weet, majesteit, mij bekijken is pijnlijk voor uw goddelijke ogen, 
wend uw blik af maar open nog even uw oren voor mijn verhaal.'

Ik vertelde haar dat ik door een gierige aardse helleveeg in deze toestand voor haar moest verschijnen omdat na mijn sterven mijn lichaam door dat monster  van een echtgenote schaamteloos op straat was gegooid om begrafeniskosten uit te sparen.
Voer voor honden.  
Dat waren haar woorden. 
Voer voor honden. Kijk toch maar even.
En de offerdieren die ik tot de laatste dag had verzorgd en vetgemest om ze na mijn dood dankbaar aan Hades en Persefone aan te bieden, dienden nu voor een schranspartij waar niet alleen het wild consumeren van liters wijn maar ook pure verwensingen aan het adres van de goden ieder godvrezend schepsel tot tranen zou bewegen, om van diepe schaamte maar te zwijgen.
Persefone wilde onmiddellijk Zeus' schietkraam en zijn dodelijk vuurwerk activeren, een idee dat ik dankbaar begroette maar zachtjes afremde door haar een heel eigen wraakmethode  voor te stellen.
'Stel nu, begon ik voorzichtig.  Stel nu dat u mij levend en een beetje opgekalefaterd, terug naar de bovenwereld stuurt?  
U kunt zich haar gezicht voorstellen als ik daar in levende lijve voor haar sta, ja?
Kijk, vrouw, zal ik zeggen.  Dit is hoe een godin antwoordt op jouw walgelijk gedrag.   
Ik zal ervoor zorgen dat ze elke dag gebeden lang Uwe hoogheid prijst, uw genade zal afsmeken en daarna de wereld duidelijk maakt dat eerbied voor de scheppende krachten -want wat zouden wij doen zonder Uw bezieling van akkers, wijn- en boomgaarden- dat deze erbied dus een levenstaak is, in lengte van de door u gezegende dagen. 

Mijn voorstel werd enthousiast aanvaard.
'Uw wijsheid wordt al bewezen nog voor uw plan is uitgevoerd, majesteit.Stel dat u mij nog een beetje heraanpast aan haar leeftijd -zij is zevenentwintig- dan kan  ik haar kordaat tegemoet treden en haar met verve wijzen op haar plichten.'

Mijn nederige restauratie-aanvraag kon op haar onmiddellijke instemming rekenen.  
Omgetoverd tot bekoorlijke jongeman  bracht zij mij naar de bovenwereld waar ik op een zoele zomeravond onder de geurende liguster de achtergelaten liefste zachtjes wakker kuste.
'Het is geen droom, liefste.  Wie liefheeft, tot in het woeste achterland van de dood, kan zelfs de goden bedriegen.'

Eindeloos uitdeinend in nooit vermoede schoonheid lagen de beloofde aardse jaren voor ons. Eens een godin je een tweede leven gaf, mag geen andere godheid haar terugfluiten. Tot ook die jaren vervlogen en de onontkoombare je een derde en laatste keer zal meenemen.

(en dat gebeurt dan in de 5de en laatste aflevering, verwacht het onverwachte!)

‘Sisyfus spreekt’ (3) een monoloog

De Morgan, Evelyn Sleep and Death: The children of Night
SiSYFUS:

Hij is een uitdover.
Ik,  een aansteker.
Moeilijke combinatie.

Hij, de dood.  Heer Thanatos.
Ik, een sterveling, koning Sisyfus.

De slaap en de dood, de kinderen van Nyx, de nacht en Erebus, de duisternis.

Dus zei ik vanuit mijn bed nog tamelijk vriendelijk bij zijn binnenkomst:
'Ik ben nog in de armen van Hypnos,  je halfbroer, heer Dood. 
Even geduld voor ik weer tussen jullie beiden sta.'
Hierop volgde vrij onbeleefd een geeuw en wat onnodige rek- en strekoefeningen.

'Maak ik eindelijk voor altijd die keuze overbodig,' zei Thanatos. 
'Wie aan mijn kant komt wacht eerst een lange reis. 
Om je gehechtheid te tonen steek je handen uit zodat ik je kan boeien.'
'Dat is fraai handwerk, geef ik toe.'
'Hefaistos zelf heeft ze gesmeed.  Met een ingenieuze sluiting als verzekering voor je volgzaamheid.Wie hiermee geboeid wordt kan alleen door Hades worden bevrijd.'
Hades en Persefone
'Nieuwsgierig van aard en vol bewondering voor dat goddelijk handwerk is een kleine demonstratie toch niet te veel gevraagd zodat ik daarna met een gerust gemoed en in alle betekenissen geboeid u naar Hades volg. 
Past trouwens dit wonderlijk smeedwerk rond uw eigen polsen?  
Volgens mij een onmogelijke zaak.'

Zoveel ongeloof vroeg een duidelijk antwoord.
Thanatos schoof de handboeien aan, trok tot ze vast rond zijn knokige polsen zaten en toonde mij triomfantelijk hoe  machteloos  de geboeide was.

Of ik dan even op de kleine hendel achteraan wilde duwen om de klemmen te lossen?
'Was ik Hades dan zou ik u bevrijden, maar helaas zoals u weet staat hier een sterveling voor u, dus vergeeft u mij dat ik u verder immobiliseer met wat hennep en enkele stevige gordiaanse knopen.'

Ik draaide een touw rond zijn benen, wierp een deken over hem heen en sleepte hem naar een berghok waarvan ik deur vergrendelde.
'Enkele dagen zeelucht zal mijn donkere gedachten helemaal verdrijven! 
Vaarwel, heer dood!' 
De goden op de Olympos
Besefte ik wat ik gedaan had?
Niet in het minst.
Ik zou zoals altijd 'wettige zelfverdediging' pleiten.
Dwaas.
Niet alleen de goden beledigd, maar ook nog heer Thanatos in een berghok met eigen boeien geketend achtergelaten.

Het duurde wel enige dagen tot men in de Hades begon te beseffen dat er iets aan de hand was.  Geen dode ziel arriveerde er nog. De stroom schimmen bleek opgedroogd.
En had iemand Thanatos gezien?
Een zoektocht bleef zonder resultaat.

Bij de onsterfelijken op de Olympos waren de meningen, zoals steeds, verdeeld.
Onder hen zagen zij veldslagen, net zo geweldadig als anders, maar niemand stierf. 
Dapperen doorboord met speren, door paarden vertrappeld, ja zelfs onthoofd stierven niet.
Wat zou nu nog het nut van oorlog zijn, klaagde Ares wiens ministerie van krijgskunsten enkel schertsvertoningen kon organiseren onder de aardbewoners.
Of ze misschien net als de Olympiërs het geheim van het eeuwige leven hadden ontfutseld van...?
Dreigend keken zij elkaar aan, de geschrokken bewoners van de Godenberg.

Wie had Thanatos laatst gezien?
Hermes herinnerde zich dat de vermiste door Zeus zelf naar Sisyfus was gestuurd om in hoogst eigen persoon zijn verderfelijke ziel voor eens en altijd naar de Hades te brengen.
Wel Hermes, waar wacht je op?

Het berghok werd vlug ontdekt en de vernederde Thanatos bevrijd van zijn eigen boeien.
Was het laatste woord hierover nog niet gezegd, er wachtte eerst een boel achterstallig werk.
'Gun mij daarna het plezier eerst deze gruwel op te halen.' smeekte hij.
'De onsterfelijken kunnen zich geen tweede keer belachelijk laten maken., collega Thanatos! Dus haast je maar.'

Hermes begeleidt het lichaam van Sarpedon
In mijn buitenhuis waar ik na het mislukte avontuur met Tyro en de dood van mijn twee zoontjes met een lieve en dappere echtgenote vaak verbleef, besefte ik dat ontsnappen vrijwel uitgesloten was.

'Ik heb een vreemde vraag, liefste, een vraag waarvan je de inhoud een tijdje later zult begrijpen.  Hoop ik. Maar nu ik voel dat mijn leven vlug zal uitdoven, wil je dan na mijn sterven mijn lichaam niet wassen en zalven, geen obool onder mijn tong leggen om de veerman te betalen.  Geen zeven dagen en nachten waken en brandoffers brengen om het vorstenpaar van de onderwereld te vermurwen.  Gewoon mij uitkleden en me naakt op straat achterlaten.  Beloof me dat.  Beter nog:  zweer het op je ziel.

Ken je de ogen van een vrouw die sterk genoeg is om het onbegrijpelijke niet dadelijk te willen doorgronden en het schijnbaar onmogelijke te aanvaarden?  Niet uit slaafse onderdanigheid, maar omdat ze weet dat hij een weg uit de wanhoop heeft uitgestippeld. 

Ik, de dromer. Maar ook de toegewijde.  Die vaak het boetekleed heeft aangetrokken en in de stilte van de nacht het zwijgen wegschreef in het onzegbaar alfabet.

'Mijn onderdanen zullen denken dat je veel hebt geleden, dat ik je -en zo is het ook-  vaak tekort heb gedaan.  Hen heb je niet te vrezen.  Maar geloof dat wat ik je vraag slechts één doel heeft dat helaas nu nog geen woorden kan verdragen. Wie niet weet kan ook niet medeplichtig worden genoemd.'




Diezelfde avond kwam hij mij met een zeker wantrouwen halen.
Wees nederig als hij je bezoekt.

Hij beefde toen ik mijn handen aanbood om geboeid te worden.
'Het is een lange reis voor een sterveling,' probeerde hij vriendelijk te zijn.

Verzoent zijn deskundige blik je met je eindigheid, of sloot ik mijn ogen om de verre droom waarin een man weer thuiskomt te koesteren?

(vervolg in aflevering 4)
Persefone en Hades

‘Sisyfus spreekt’ (2) een monoloog

Myceen stierenhoofd
(feestmuziek nog even op achtergrond en dan stilte)

Sisyfus:

En wie maakt zelfs van feestgedruis gebruik om de koninklijke veestapel te plunderen? Een zoon van Hermes, de god die reeds als baby vee van Apollo had gestolen. Autolykos. 

Zeg zijn naam niet te luid: Autolykos, of hij zou zelfs de au en ie klanken verduisteren zodat je alleen 'tokos' overhoudt wat in Oud Grieks zoveel als 'zoon' maar ook nog 'winst, rente, opbrengst betekent, terwijl zijn echte naam het moet hebben van 'auto': 'ik' en 'lukos': 'wolf'.  'Ik-de wolf.'  Een duidelijk samengaan van merk en produkt.

Had Autolykos al van vader Hermes de neiging geërfd om andermans koeien te stelen, zijn toverkunsten om een diefstal te camoufleren waren hem door diezelfde  pa ingelepeld. De koninklijke kuddes , roodbont en voorzien van grote horens veranderde hij in zwart-bonte dieren zonder horens.

Graag wilde ik mijn aangeboren scherpzinnigheid gebruiken om de goedkope goochelarij van deze godenbastaard belachelijk te maken.  Had hij een boevengod als inspirator, ik, Sisyfus, zou hem met koninklijke intelligentie overtroeven. 
Onder de hoeve van elke rechter-voorpoot liet ik heel duidelijk de letters KK en GG aanbrengen:  afkortingen van 'Koninklijke Kudde' en 'Gestolen Goed'.
Ook was het makkelijk de volgende dag de sporen van mijn gestolen dieren te volgen die zoals wij vermoedden ons rechtstreeks naar Autolykos' stallen leidden.
Een feestelijke ontvangst.  En zelfs toen kon hij niet zwijgen over de kwaliteiten van zijn stamboekvee tot ik hem een gemerkte rechter-voorpoot onder zjn neus duwde.

'KK en GG, afkortingen van 'Koninklijke Kudde' en 'Gestolen Goed'.'

Hij had het nog over 'verdwaalde dieren' en 'sukkeltjes die hij liefdevol' in zijn kudde had opgenomen, 'dat kan gebeuren, majesteit,' maar zweeg toen het aantal 'sukkeltjes'  de hoevelheid van zijn eigen dieren oversteeg. 

We confisqueerden al zijn vee en ik geef toe dat ik in mijn overmoed en overwinningsroes ook Autoleukos' dochter Anticleia tijdelijk de mijne ging noemen. Niet fraai, maar laten we het 'de opvattingen van die tijd' noemen, een heerser masseert nu en dan de wetten waar dat beetje elasticiteit van toen later gemakkelijk een aberratie wordt genoemd.

En...werd Anticleia niet de moeder van topvedette Odysseus? Mooi gecamoufleerd door haar -al een tijdje zwanger- vlug aan Laërtes uit te huwelijken.
Wie dus de vader van deze toekomstige ster zou zijn, een vraag die met een beetje erfelijkheidsleer het zachtjes knikken van het hoofd verklaart, al is hoofdschudden  net zo goed begrijpelijk.

Wie teert op toevallig succes plooit zich makkelijk naar zijn eigen navel. Was hij eerst het welbespraakte middelpunt bij een gezellig eet- en drinkfestijn, nu werd die koninklijke navel het centrum van de wereld. Sisyfus als goed betaald orakel:  te klein gebouwd, te hoog gegrepen, te laag geschat, te vlug ingevuld, te veel verwacht en te weinig gekregen, met de ijver van een democraat die als minister niet alleen een ijdeltuit maar ook de tiran uit zijn vestzakje te voorschijn tovert en intens geniet bij elke vingerknip en let op:  er hoort boter bij de soms vrij rotte vis voor elk advies uit deze vergulde mond.

Ach, de lompigheid van wie de macht geroken heeft en op zijn troon te weinig aan de keukenstoelen denkt waarop zijn volk zetelt.
De simpele vragen:  wat komt er op tafel, wie slaapt bij wie en vertel mij wie de verraders zijn. 
Kun je mij vergeven?
Ik was de verrader en hij vergaf me niet.
Aigina door Zeus bespied
Ik zag Zeus gluren naar de nimf Aegina, één van de twintig dochters van Asopos, de riviergod die hen met zorg en tederheid omgaf zeker met dat sjiek volk uit hogere Olympische kringen in de nabijheid van al dat fraais.
De Najaden: Antiope, Asopis, Chalcis, Cleone, Harpina, Ismene, Ornia, Pirenne, Salamis, Tanagra, Thebe, Thespeia, en nog een aantal zoete namen die de geschiedenis geheim gehouden heeft.

Aegina werd de lieveling van de Almachtige.  Het lief van Zeus.
Zijn zucht naar tastbare schoonheid is intussen ruim bekend en beschreven. Verschijnt hij als een adelaar dan is een ontvoering in de maak. 

Ik, Sisyfus zag dat hij in de gedaante van een glanzende adelaar haar meenam naar het onbewoond eiland Oenone in de Golf van Egina, tussen Attica en Argolis. 
Hij, de nurk, de onstuimige, de afblaffer en de man van honderdduizend volt in de donkere luchten, hij, de onsterfelijke, verandert in een tedere jongen als hij de schoonheid in een sterfelijk menselijk wezen leest.
Jean-Baptiste Greuze Aegina visited by Jupiter 1767
Moet een mens vaak verbergen wie hij of zij bemint, zijn liefde camoufleren, zijn leven organiseren als een strateeg, verhalen uit het niets verzinnen, zijn slapeloze nachten met wanen en tranen overbruggen, zijn dromen leeg zien lopen en neen, het is niet de nachtegaal maar het nieuws van half zeven en ik moet om half acht op kantoor zijn want...

Maar.

De vader. Asopus.  Wanhopig op zoek naar Aegina.
Al vlug de blablabla vergeten waarin het over wijs en rechtvaardig gaat, en dat de liefde van een vader, en de glorie van het vermiste kind, en, en, en.

Zoals de wanhoop altijd te weinig letters en te veel kreten heeft.

Hij weet dat ik weet.

Hij zegt het niet, maar het kleinste gebaar dat nergens op slaat, het wegkijken langs mijn schouder alsof hij haar dadelijk ziet binnenkomen.  Mijn zwijgende ogen -al oefen ik een neutrale blik een vorst waardig- en ik probeer te zeggen dat ik de dader niet zonder eigen schade kan verraden.

Asopus is een riviergod en kent het water als zijn kinderen.
De Pirene bron
Zegt hij:
...dat de stad zeker nog een bron, met bijhorend fontein wil, een fontein op de akropolis achter de tempel van Afrodite, weet hij. 
Met hetzelfde water uit de Pirene-bron dat ondergronds al de stad bevloeit.  
Die bron was een favoriete drenkplaats van Pegasus, de Muzen toegewijd.  Dichters kwamen van ver om er te drinken en inspiratie op te doen. 

Een dergelijke bron op de akropolis van de stad? 
En kan het ook een eeuwigdurende fontein zijn, wetend dat een man in dergelijke nood makkelijker overstag gaat, al mag voor een riviergod de vraag naar kunstig water wel ietsje verder gaan dan bij  een  bedrijf dat hedendaagse badkamers levert?

Een maand later waaiert het waterwerk van Asopus over de akropolis.
Ik verklap Zeus' naam en de plaats van het liefdesnest terwijl de fontein-druppels zich met onze tranen vermengen.

Hij zal de watervader met de gekende bliksems weer zijn rivier induwen terwijl ik bezoek van Thanatos himself mocht verwachten waar anders Hermes de dode naar de onderwereld voert.
Niet omdat ik het liefdesnest verraden had, maar het bilan van mijn leven blijkbaar het edele ontweek en gedrenkt was in het schandelijke. Zei hij. 
Ook een god wil dat zijn slippertjes toegedekt blijven en drie kunnen een geheim bewaren als twee ervan dood zijn. Hij in de rivier, en ikzelf over de Styx naar de Tartaros.

Maar ik ben Sisyfus. (Vervolgt)

Technische fiche: Oenone, het liefdes-eiland heet ook wel Oenopia, zelfs Delos is nog een andere naam. Volgens het verhaal baart Aegina later een zoon die ze Aeacus noemt. Ze moet hem helaas alleen opvoeden! Eeens hij volwassen is heerst hij als een rechtvaardige koning over het eiland, dat blijkbaar niet zo onbewoond was als in de mythe werd voorgesteld. Aeacus geeft het eiland de naam van zijn moeder: Aegina. Hera, vrouw van Zeus, heeft een hekel aan hem en teistert het eiland met de pest waardoor bijna iedereen omkomt en alleen moeder en zoon overblijven. Aeacus smeekt zijn vader om steun en deze verandert de mieren op het eiland in mensen, Myrmidonen genoemd. Aeacus hielp Poseidon en Apollo de muren van Troje bouwen. Zo was Aegina de groot-grootmoeder van Achilles, de Griekse held bij de belegering van Troje.

Aegina (/iˈdʒaɪnə/; Ancient Greek: Αἴγινα) was a figure of Greek mythology, the nymph of the island that bears her name, Aegina, lying in the Saronic Gulf between Attica and the Peloponnesos. The archaic Temple of Aphaea, the "Invisible Goddess", on the island was later subsumed by the cult of Athena. Aphaia (Ἀφαῖα) may be read as an attribute of Aegina that provides an epithet, or as a doublet of the goddess. (Wikipedia)
Hermes op stap

‘Sisyfus spreekt’ – een monoloog (1)

Tik je de naam ‘Sisyfus’ in bij de zoekmachines dan verschijnt er telkens een schaars geklede manspersoon die met een zware rotsblok aan het werk is. Het was mijn bekommernis om niet alleen ‘de straf’ -want die bleek het zeulen te vertegenwoordigen- van deze persoon als onderwerp van mijn theatertekst te belichten maar vooral het ‘hoe is het zo ver kunnen komen’ als uitgangspunt te nemen, met daarbij vragen naar de rechtvaardigheid en mogelijkheden om hem in eer te herstellen te onderzoeken, mocht dat nodig en nuttig zijn.

Natuurlijk is het verhaal een mythe, een van de honderden boeiende Griekse mythes waarin goden en stervelingen danig met elkaar te maken hebben. Toch is het geen essay zoals het wondermooie ‘De mythe van Sisyphus’ van Albert Camus uit 1942. Mijn tekst zou de hoofdpersoon aan het woord laten vanuit zijn nogal ingewikkelde familiegeschiedenissen en hem de kans geven om ‘wat vooraf ging’ te belichten waardoor wij als kijker en luisteraar zelf een oordeel kunnen opbouwen over deze strafzaak waarin ook ‘goddelijke’ partijen het niet gemakkelijk maken evenwichtige vergelijkingen te maken.

‘Rollenpatroon’ Jan Leeuwenburgh

De Griekse mythes zoals wij ze kennen zijn vaak samengesteld uit oude bronnen zoals dit verhaal al behandeld werd door schrijvers als Diodorus Siculus (1ste eeuw v. Chr.), Vergilius (ca. 70-19 v. Chr.) en Pseudo-Apollodorus (1ste-2de eeuw). Dat brengt plezierige bevindingen mee, want soms geeft het ene verhaal elementen aan die feiten uit een andere versie verklaren. Zo kwam ik te weten waarom de broer van Sisyphus, ‘Salmoneus’ de grote Zeus wilde imiteren, zeker toen hij besefte dat zijn dochter Tyro ‘omgang’ had met de god van de zee, Poseidon, en de god twee personen baarde die zelf koning zouden worden: Pelias en Neureus. Met kleinzonen die van God afstammen is er niet veel meer nodig om allerlei vormen van ‘hoogmoed’ te ontwikkelen.

Anderzijds bleek deze aandrang Zeus te imiteren al eerder aanwezig te zijn zoals zal blijken uit mijn tekst. Een houding die dan weer geïnspireerd kon zijn door allerlei ‘volksgebruiken’, want van Griekse koningen werd verwacht dat zij regen brachten voor een goede oogst. Vele koningen uit die tijd imiteerden dus het geluid van bliksem en donder in de rol van Zeus om dit te bereiken. Verhalen en werkelijkheid, een boeiend gegeven.

De tekst is een monoloog. Sisyfus is de verteller. Er zijn geen aanduidingen voor een mogelijke enscenering. Wel is hij geschreven om gezegd, geroepen, gefluisterd te worden. De stiltes zijn zeer belangrijk. Je moet de verteller horen terwijl je leest.

In dit eerste gedeelte gaat het voornamelijk over zijn broer Salmoneus. Dat beide broers elkaar grondig haten kan later zeker door een erfeniskwestie verstevigd worden, maar de wederzijdse afkeer is blijkbaar al lang aanwezig. Ze trekken zelfs thuis weg om ieder hun eigen koninkrijk te stichten. Je broer doden echter zou de wraak van de Schikgodinnen wakker maken. Het orakel van Delphi wijst Sisyfus een andere weg.

Bild: Radio Bremen | Lisa-Maria Röhling Sisyphos Hartmut Wiesner
Sisyfus:

Hij.  Mijn broer, Salmoneus, koning in Elis, is zot van  Zeus, de Almachtige. 

Zelfs zijn eigen scheten zou hij met een vonk ontsteken om daarmee de schepper van het al te imiteren die volgens hem op een zware Harley Davidson door het zwerk raast.

Ik, Sisyfus, koning in Efyra, geloof niets.  Zelfs niet dat mijn naaste voorouders, Deukalion en Pyrrha, de enige  overlevenden waren van een zondvloed die de aarde zou verzuipen.

Het is een mooi verhaal dat zij, volgens het orakel, eens weer op het droge, de botten van 'de grote moeder' over hun schouder moesten gooien, waarmee niet de botten van haar eigen moeder -zoals de arme Pyrrha dacht, maar die van de grote verzopene werden bedoeld:  de aarde. 

Fraai verteld, dat wel, maar hemeltergend simpel: de stenen die Pyrrha gooide veranderden in vrouwen en die van Deukalion werden mannen. Een buiten-baarmoederlijke aanwas van de wereldbevolking. 

Mijn vader, Aiolos koning in Aeolia , -verwar hem niet met de koning van de winden al weet hij na een stevig maal ook van wanten-, wilde wel enige orde in het leven van zijn kroost en liet ons graag ironisch 'koningen die voor gerechtigheid zorgen' noemen terwijl iedereen wist dat 'aiolos' 'listig' betekent en wij met zijn allen graag worden weggezet als een stelletje onverlaten met wangedrag in het DNA  terwijl Salmoneus en ikzelf het thuis voor bekeken hielden. Ik trok naar het zuiden en hij naar het westen om een eigen koninkrijk te stichten. 

Ach, de mooie verhalen over broederlijke liefde.  Heb een broer die zich Zeus zelf waant en denkt een onweer te kunnen ontketenen, met fakkels gooit en met lasereffecten het nachtelijk donker te lijf gaat om zijn goddelijke status te belichten.
  
Kan liefde je wakker houden, haat en afkeer zijn de beste waakhonden. De gruwelijkste dromen beleef je met open ogen tot het eerste morgenlicht je even laat sluimeren maar een zuchtje wind nu zuur als bedorven melk je aan zijn dronken adem herinnert en je met een dwaze vuistslag in de leegte weer klaar wakker de dwaze dag moet beginnen terwijl hij nog levend rondloopt en zich de schepper waant van hemel en aarde.

Wie zich god waant beledigt elke bedelaar, matigt zich de hemel aan terwijl het hellevuur hem eeuwig moet schroeien. Eer een koning maar aanbid alleen kortstondig een geliefde tot het dagelijks leven jouw godin tot je beste maatje kneedt.

De prijs voor een dode broer is onbetaalbaar bij de Schikgodinnen. Hun wraak kent geen wisselgeld. Voelde hij zich god, hetzelfde bloed kan afkeer opwekken maar duldt geen vergieten, hoe dwaas ook de man waarin het rondstroomt. 
Foto door Jeff Stapleton Delphi
Stropt het logisch denken dan ontwart een gewaardeerd orakel wel eens de knoop. Het mysterieuze ontgrendelt soms het dichtgeslagen lot. 

'Zonen van Sisyfus en Tyro zullen opstaan om Salmoneus te doden.' was de uitspraak in Delphi, waarbij Tyro duidelijk de naam van Salmoneus' dochter was, mijn eigen nichtje. 

Heb ik oprechte afkeer voor opgeblazen ijdelheid, de charme van een jonge vrouw  zet haar spijtige afkomst duidelijk in de schaduw. Het creëren van een moordwapen uit zijn eigen huis, onder zijn eigen ogen, door hem gekoesterd en beknuffeld, omhooggestoken en gekust. Proef je niet de smaak van een kostbaar gerecht alleen al door het lezen van het recept? Nu nog de ingrediënten.

Juwelen, paarden, gedichten. 

Bereid deze  mengeling in een saus van onuitgegeven charme.  De verbaasde blikken van het slachtoffer -nu zijn eigen dochter Tyro door de concurrentie wordt opgevrijd- buig je makkelijk om  naar het woord waar hij dagelijks naar hunkert:  onderdanigheid. Niets verblindt omhoog gevallen sullen meer -eens hun verbazing is weggeëbt- dan goed gespeelde onderdanigheid. Niet overdreven, dat wekt wantrouwen, maar toegediend met het snuifje erkenning verdooft zij het restje gezond verstand waarvan het gewicht eerder al in kruimels werd uitgedrukt.

Bruiloft en twee gezonde zonen in een tijdspanne van vijf jaar als resultaat.

Maar.

Geduldig wachtend, nu en dan met de jongens alleen, spelen we krijgertje. Verhaaltjes waarin opa Salmoneus als slechterik fungeert, om te wennen aan het voorspelde lot.  Drie en vijf zijn ze, sterk voor hun leeftijd en ik herken het sluwe uit mijn eigen kindertijd: onophoudelijk zeuren of goed gespeelde verdrietjes of mokkend zwijgen tot hun moeder  ze met lekkers omkoopt, betaling voor een avondje rustig televisie-kijken. 
Soms -eens we met zijn drieën alle tijd hebben- duw ik een mes in hun handje, daarna een speelgoed-zwaardje of een kleine boog.  Maar het eindigt met verhaaltjes over slimmeriken die hun klanten bedriegen en zelf elk bedrog voortijdig ontdekken.  Uit je kleine doppen leren kijken dus. En nemen zij mij beet-al is dat lachwekkend zichtbaar- dan loop ik gewillig in hun val en onderga ik hun gemeend medelijden met die domme pa.

Maar.

Een dag uit vissen met mijn beste vriend Melops.  Wij aan de oever van de Sythas-rivier terwijl Tyro uit het paleis vertrok met de kinderen, en met wijn en een picknick-mand om ons te verrassen. 
'Sire', zei Melops, 'zegt u mij gerust dat het onbetamelijk is als ik u de vraag stel waarom u na al het grondig geruzie met uw broer Salmoneus u toch met zijn dochter Tyro bent gehuwd, terwijl -naar mijn bescheiden waarnemingen- u nog altijd een grondige hekel hebt aan hem.'


Had ik toen gefluisterd en niet in luid lachen uitgebarsten...

Want.

Zij hoorde mij lachen, wist dus waar we ons ophielden, begreep elk woord dat volgde waarin ik haar een kreng noemde, vertelde hoe zij zich aanstelde, haar gulzigheid naar bling-bling en dure jurken, maar...

Maar.

...ook het geheim verklapte dat ik het orakel van Delphi had geraadpleegd en het voorspelde dat de twee zonen die ik met haar zou krijgen haar vader zouden doden eens ze volwassen waren.  Zijn kleinkinderen die de klus opknappen en mij van elke wraak van de Erinyen zouden vrijwaren. 
 
Meesterlijk, zei Melops.  Geniaal. 

Maar.

Wilden de kinderen naar mij komen om hoog opgetild het uit te kraaien en mij daarna te overmeesteren en...

Zij de kinderen naar de bocht van de rivier sleurde.  Ja, ze hield van hem.  Dacht ze. Zij het jongste kind mee naar het water nam terwijl de oudste bij de gouvernante bleef.
 
Ja, hij was een tedere minaar.  Wist ze. Grappige mannen zijn zeldzaam.  Hun kinderen. Dacht ze.  Zijn kinderen.

'Kijk eens in het water.  Zie je de visjes?'

Knielde het kind op de oever en keek.  Legde zij haar hand in zijn nek en duwde hem onder.  Tot hij niet meer tegenspartelde en zij met de oudste daarna hetzelfde deed.

'Kijk eens in het water.  Zie je de visjes?'

Gaf daarna haar instructies aan de bevende gouvernante.  Ijzig kalm.  Kort en duidelijk.  Zoals haar vader een doodsvonnis bekrachtigde.

Hoe onwaarschijnlijk vrolijk, de laatste keer van mijn lange leven, wij 's avonds in het schemeruur onze vangst verzamelden en een bevende gouvernante ons verbaasd liet opkijken:

'Hare majesteit de koningin vraagt of u de prinsen wilt begroeten.  Ze zijn bij de rivier en wachten daar op Uwe Majesteit.  Achter de wilgen, sire.'

Achter de wilgen.  Inderdaad.  Daar waren zij. Daar lagen ze. Bleek als de opkomende maan.

Nooit was een man zo snel weer thuis.  Zij intussen veilig onderweg naar Elis, het koninkrijk van haar vader. Hij huwelijkte haar uit aan zijn broer Kretheus.  Levenslang ongelukkig was ze met hem. Maar het water waarin zij mijn kinderen verdronk zou haar blijven intrigeren. Poseidon weet waarom. 

Ontsnapte hij, mijn vreselijke broer Salmoneus, aan het voorspelde lot, dan was er blijkbaar  een hogere macht die hem genadeloos uitschakelde. De gek liet een koperen brug bouwen waarover hij met zijn nagebouwde antieke strijdwagen wilde rijden. Zeus gelijk. Achter de wagen een sliert ketels, ijzeren pannen en potten om het geluid van de donder na te bootsen.  Daar gingen weer brandende fakkels de hoogte in en bundels laserlicht om Zeus' gebliksem te imiteren.

Zeggen de vromen dat het Zeus zelf was die ingreep of bleek de kortsluiting tussen de wielen en de brug  onder hoogspanning de oorzaak? Feit was dat hij met brug en strijdwagen opvlamde en in een reusachtige steekvlam verpulverde. 

Ik besloot een groot feest te geven om zijn hemelvaart te vieren. (feestelijke muziek)
(Vervolgt)

A sense of potential and possibility: Susan Philips

Susan Phillips' werken hebben het intrigerende vermogen om met eenvoudige vormen de grondslagen van de waarneming te onderzoeken en een gevoel van potentieel en mogelijkheid op te roepen. In haar onderzoek legt ze de nadruk op heruitvinding en verandering, in plaats van op vaste, concrete resultaten. In dit opzicht sluit zij zich aan bij de Braziliaanse dichter en kunstcriticus Ferreira Gullar in zijn verdediging van een kunst die vorm, ruimte en kleuren zag als "niet [behorend] tot deze of gene artistieke taal, maar tot de levende en onbepaalde ervaring van de mens", en die in staat was om met eenvoud een transcendente beeldtaal te creëren.  (Marcio Junji Sono, Ambassade van Brazilië Londen 2018)
Susan Phillips' works have an intriguing capacity of employing simple forms to examine the very grounds of perception and evoke a sense of potential and possibility. In her investigations, she emphasises reinvention and change, rather than fixed, concrete results. In this respect, she corroborates Brazilian poet and art critic Ferreira Gullar in his defense of an art which saw shape, space and colours as "not [belonging] to this or that artistic language, but to the living and indeterminate experience of man", and was able to create a transcendental visual language with simplicity.  (Marcio Junji Sono, Embassy of Brazil London 2018)

I am interested in the way in which a model or plan can simplify our perception, and can evoke in us a sense of potential and possibility—one that emphasises re-invention and change rather than fixed concrete results. My work is informed by an interest in architecture, minimalism and psychology.

Working in series, I employ planar form and geometric abstraction as a visual language with which to explore compositional relationships—pairing opposing elements, with the aim of finding unity within the whole.

I create constructed sculptures in porcelain, using cutting to define structure and simple re-arrangement of form to allow internal spaces to be framed whilst avoiding an oppressive sense of enclosure.

It is my intention that the work retains a raw materiality and a transparency of making process. My aim is not to create an image, but rather to isolate a moment within a process of continued transformation.

Hailing from her studio in rural North Herefordshire on the border of England and Wales, Philips’s art has gained international attention for its pared-back aesthetic and unique ability to trick the eye. Informed by an interest in architecture and minimalism, her sculptural work employs planar form and geometric abstraction as a visual language to explore compositional relationships. 

Carefully adjusting different elements with the aim to find harmony in opposition, her sculptures investigate the interplay between independence and interdependence, fragment and whole, and open versus closed. Intriguing and dynamic, they highlight themes of reinvention and change. “My aim is not to create an image, but rather to isolate a moment within a process of continued transformation,” she says. (Devid Gualandris Ignant)

http://www.susanphillipssculpture.co.uk/

Susan Phillips was born in Bedford, UK in 1978.

From 1996 to 1999 she studied a BA hons In Studio Ceramics at Falmouth College of Arts in Cornwall. Having established a studio in rural North Herefordshire after leaving College, Susan has developed her visual language and making skills alongside raising her two children.

Working in collaboration with design projects has led to her work being shown in both Los Angeles and Milan.
As a visual artist her work has been informed by an interest in architecture and minimalism.
Susan’s abstract art has been featured in numerous exhibitions across the UK and internationally, most recently at the Korean International Ceramics Biennale in 2019. You’ll also find her work in permanent collections such as the Embassy of Brazil in London. In addition, she has won several awards, including the International VIA Art Prize in 2017 and the gold medal for craft and design at the National Eisteddfod of Wales in 2014.(Riseart.com)
Vereenvoudig
tot je beseft
dat elke lijn en vlak
een beweging is
waarin je de wereld
liefhebt
in het evenwicht
tussen
vallen en opstaan.
 
Zelfs de zwaarte
kan dan zweven.

(Gmt)
Simplify
until you realize
that every line and plane
is a movement
in which you love the world
love
in the balance
between
falling down and getting up.

Even the heaviness
can then soar.

(Gmt)

Claude en François-Xavier Lalanne: kunst met mogelijk gebruiksplezier

Ik dacht dat het grappig zou zijn om die grote woonkamer binnen te vallen met een kudde schapen,' verklaarde François-Xavier eens. Het is immers gemakkelijker om een sculptuur in een appartement te hebben dan een echt schaap. En het is nog beter als je er op kunt zitten.

De beroemde schapensculpturen van François-Xavier (hieronder), nu bekend als de Moutons de Laine, werden voor het eerst gepresenteerd onder de titel Pour Polytheme, een verwijzing naar een passage in de Odyssee van Homerus. Hierin wordt beschreven hoe Odysseus en zijn kameraden de cycloop Polyphemus blind maken en uit zijn grot ontsnappen door zich vast te klampen onder de buiken van zijn reusachtige schapen.

In de loop van hun lange huwelijk werkten Les Lalanne vaak samen, maar in zeer verschillende stijlen. Ze werkten zelden samen aan afzonderlijke stukken; François-Xavier’s creaties waren vaker geïnspireerd door het dierenrijk, terwijl Claude de voorkeur gaf aan het botanische. Zij waren echter verenigd in hun liefde voor het historische Franse vakmanschap, het surrealistische en de humor die zij in hun fijne en decoratieve kunst brachten.

François-Xavier Lalanne Lampe-Pigeon Gutknecht-gallery
Claude Lalanne Table Ginkgo
Francois-Xavier Lalanne (1927-2008) werd geboren in Agen, Frankrijk, en kreeg een jezuïetenopleiding. Op 18-jarige leeftijd verhuisde hij naar Parijs en studeerde beeldhouwen, tekenen en schilderen aan de Académie Julian. In 1948 werkte Lalanne als suppoost in het Louvre op de afdeling Oriëntaalse Antiquiteiten. Francois-Xavier huurde een atelier in Montparnasse, naast vriend Constantin Brâncuși, na het vervullen van zijn dienstplicht. Brâncuși introduceerde Lalanne bij kunstenaars als Max Ernst, Man Ray, Marcel Duchamp en Jean Tinguely. Hij ontmoette Claude Lalanne op zijn eerste galerieshow in 1952. De show betekende het einde van het schilderen voor François-Xavier, want hij en Claude begonnen samen een carrière als beeldhouwer. Claude Lalanne werd bij het grote publiek in Frankrijk bekend in 1976 toen de zanger Serge Gainsbourg een van haar werken, "L'homme à tête de chou", uitkoos voor de titel en de hoes van een album (Wikipedia Eng.)
Claude Jacqueline Georgette Dupeux werd geboren in een artistieke familie in Parijs in 1924. Haar moeder was een pianiste met een conservatoriumopleiding, een oom was koormeester bij de Opéra de Paris en haar vader, soms omschreven als goudmakelaar, was een vrije geest en mysticus die alchemistische experimenten uitvoerde. Als jonge vrouw studeerde zij architectuur aan de École des Beaux-Arts en de École des Arts Décoratifs. 

In 1952 ontmoette zij François-Xavier Lalanne (zij was toen getrouwd met de architect Jean Kling en zij hadden drie dochters) en in de daaropvolgende jaren werkten zij samen aan een reeks projecten, waarbij zij vaak werkten voor couture-giganten als Dior, decoratieve figuren en rekwisieten construeerden, en etalagekleding maakten voor winkels als Le Printemps. In 1964 bouwden ze de gesoldeerde metalen en levensgrote paarden voor Bejart's choreografie in de Verdoemenis van Faust. Als chique jong stel woonden ze samen in Montparnasse, waar Jean Tinguely, Niki de Saint Phalle, Max Ernst en Constantin Brancusi, die 's avonds langskwamen met wodka en gekleurde Sobranie-sigaretten van Russische makelij, tot hun buren behoorden. Samen organiseerden ze hun eerste tentoonstelling in 1964 en trouwden in 1967; toen verhuisden ze naar een dorp op het platteland. Rond die tijd begonnen zij Les Lalanne te heten en sindsdien staat op het werk van beiden de stempel "Lalanne".
Het atelier van ‘les Lalanne’ in 1967
in Vogue magazine, whose writer Jean Cau dryly observed: “The ground-floor studio is chaos….bottles, cans, pieces of sheet metal, screws, nails, locks, wire, metallic shards…..That’s what the Lalanne’s studio is like. Three of you in there at once feels like being in the subway at rush hour. ‘It’s too small,’ says Lalanne calmly.”

Vanaf hun eerste tentoonstelling in 1964, getiteld ‘Zoophites’, een verwijzing naar objecten met een mengeling van dierlijke en plantaardige kenmerken, lieten de kunstenaars zich herhaaldelijk inspireren door flora en fauna en vervormden zij deze natuurlijke vormen tot iets vreemds en nieuws. Claude Lalanne (1924-2019) transformeerde in haar werken vertrouwde planten en dieren in lyrische en soms surrealistische creaties, terwijl François-Xavier Lalanne (1927-2008) zijn fascinatie voor het mysterieuze innerlijke leven van dieren omzette in geabstraheerde en verfijnde sculpturale vormen waarachter vaak een praktische functie schuilging. In het werk van zowel Claude als François-Xavier Lalanne, buigt artistieke visie natuurlijke vormen naar nieuwe toepassingen.

Hippopotame
Hippotame in functie als gebruiksvoorwerp François-Xavier Lalanne’s Unique Hippopotame I Bathtub, 1969, which will be auctioned at Christie’s La Ménagerie sale was:. USD 4.335.000 Photo: Christie’s Images Ltd. 2019
Peu à peu vont ainsi s’organiser un bestiaire et un catalogue de fruits et légumes que le couple déclinera à l’infini. D’une activité intense, ils vont tous deux toucher à tous les genres, utiliser les infinies possibilités des arts décoratifs, faisant entrer dans les maisons des animaux et des légumes géants, réalisant des pièces pour les tables à manger et pour les salons, des canapés surréalistes en forme de boîtes de sardines et des bars d’intérieur en rhinocéros, meublant les jardins de bancs et de balancelles poétiques, les salons et les parcs de troupeaux de moutons en bronze et en laine.
Ginko Biloba Claude Lalanne

Les Lalanne partagent le sentiment que la sculpture, et plus largement l’œuvre d’art, peut avoir une fonction. Toute leur carrière est tendue par la volonté de restituer à la sculpture, trop longtemps sacralisée, une dimension familière, un éventuel usage. On la regarde mais on la touche aussi, on l’ouvre, on s’y assoit, on s’y allonge, on y mange, on la porte au cou… La nature, et plus particulièrement le monde animal, leur offre une infinité de formes reconnaissables par tous. Moutons, singes, rhinocéros, ânes, chameaux, crapauds, hippopotames, chats… constituent un répertoire que les Lalanne soumettent aux contraintes de l’art décoratif avec beaucoup d’humour.

François-Xavier Lalanne ‘Brochet’ 1973
Claude Lalanne ‘Choupatte’ 2014
'Ik had een mal genomen van een kool en vroeg me gewoon af hoe die eruit zou zien met benen,' legde Claude uit. Op het moment dat ik het zag, voelde het goed. Het had emotie.'
François Xavier Lalanne ‘The Mayersdorff bar’ 1966 (USD 4,572.500 Christie’s)
The Mayersdorff bar appears to have been conceived for a more poetic, intuitive type of science. With a spirit that is at once functional and playful, the bar appears as if metaphoric apparatus for the concoction of alchemy—a workbench designed to stimulate magical composition. Alchemy—the ancient raising of pure substance, through science and intuition—is here imagined by François-Xavier as metaphysical form essential for human interaction. Reassured by the presence of an over-sized egg, symbolic of life and of birth, reprising the Sun at the core of our galaxy, the ancillary vessels feature as satellites arranged as an astronomer’s celestial orrery, the elliptical surfaces superimposed as if a planetary ring system. If the structural language of these two unique bars is rooted in geometry and spatial awareness, there remains a naturalistic reference that is anchored by the egg form.  François-Xavier reprised the motif of the egg once again as a central feature of his Autruches bar, 1966-1967, executed not in patinated metals as the two earlier unique bars, but in bronze and Sèvres biscuit porcelain, which was subsequently produced in an edition of six. 


Les Lalanne constructed their own realm, where Surrealism, fantasy and anthropomorphism synthesise as a poetic combination of arts. They lived a life out-of-step with contemporary influences and joyfully embraced determining their own parallel paths, developing a visual language that was guided by personalised idiom, one which continues to challenge and transcend categorisation.  The present work is a seminal and unique example of Francois-Xavier’s genius, created at the pivotal moment of his artistic development. (Christie's)
Bird Chair
Claude Lalanne Lapin a vent (Sothebys) Vendu: 2.532.500 euro tmet commissie)

While Les Lalanne shared a studio and exhibited together throughout their careers, their oeuvres are entirely distinctive. Claude’s work embodies a more sinuous and ethereal form with inspiration taken directly from nature while François-Xavier’s works offer a gravity of form and functional ingenuity that redefine their original representation. Together, the Lalannes’ works are at once playful, profound, elegant and evocative, and equally suitable for traditional and contemporary environments.

Je huiswerk maken aan ‘de rinoceros’ teriwjl je op een schaapjes rug zit.
Gallerie Mitterand François Xavier Lalanne Oiseau

De thema’s die door de twee gezamenlijk werden verkend, gingen in tegen de gangbare trend van abstracte kunst in de jaren zestig. Het echtpaar geloofde en Francois-Xavier beweerde, “de hoogste kunst is de kunst van het leven.” Het echtpaar begon publieke aandacht te trekken in Parijs tijdens de jaren 1960 toen Yves Saint Laurent en Pierre Bergé hen opdrachten gaven. Met name Francois-Xavier’s realistisch bronzen gegoten schapen bedekt met huid en door Claude gegoten lelievaantjes werden tentoongesteld in de bibliotheek van Yves Saint Laurent en Pierre Bergé. Hun eerste gezamenlijke tentoonstelling omvatte Francois-Xaviers beroemde bureau voor neushoorns, Rhinocrétaire, en Claude’s beeldhouwwerk van kool met kippenpoten. Vergelijkbare thema’s van Les Lalanne hebben hun werken geclassificeerd als een ode aan het surrealisme en de Art Nouveau.

François-Xavier Lalanne ‘Bar dit Les Autruches’, 1966
Claude Lalanne and François-Xavier Lalanne -- such a team!  Known individually and collectively since the 1960s, Les Lalanne developed a style that typifies inventive, poetic and surrealist sculpture. They rediscovered the Renaissance art of casting forms from life, then employing contemporary electro-plating techniques.  Claude  achieves a delicacy and sensitivity in her work unparalleled in cast bronze. François similarly found inspiration for his works in nature. His subjects consist of a menagerie of animals, stylized forms oftentimes married with functionality (check out the desk and day bed below!). Elegant, streamlined, stylized, monumental, emotive... and fun!  Enjoy some of their beauties below.  All I want for Christmas is a Lalanne sheep, Santa -- if only! (Breeze Giannasio classic interiors for the modern eye)
François Xavier Lalanne Kleine Wapiti
Claude LALANNE (née en 1924)
Banc Williamsburg, 1992
Bronze patiné
73 x 205 x 51 cm

Heb je een beetje tijd om wondere kunst te gaan bekijken, zoek dan bij les Lalanne. Schreef ik enkele weken geleden over de kunst van het vallen en was Alice in Wonderland onze gids, ook hier bij dit bijzondere echtpaar val je van de ene verbazing in de andere. Toch blijf je in het decor van het alledaagse leven, want daar gebeuren de echte wonderen.

Claude Lalanne Le Lapin du Victoire 2013

Toen zij hun werk voor het eerst lieten zien, werden Les Lalanne hard beoordeeld door de critici. ‘Ze negeerden ons volledig; voor hen was het maken van sculpturen die een nut hadden, complete onzin,’ zei Claude Lalanne in 2013. Toch weigerden Les Lalanne zich te conformeren, en al snel was hun werk overal te zien, van fotoshoots in tijdschriften tot de meest modieuze galeries van Parijs.

Hun werk is een ode aan het creatieve dat ons telkens weer verbindt met het dagelijks dromen waarin het absurde ons vertrouwde en uitgesleten paden doet verlaten om het avontuur te verkennen waarmee je je eigen leven met het ongekende van jezelf in contact brengt. Kan elke dag gebeuren.

François-Xavier Lalanne Signe Allumé 2002 bronze edition de 4 Ben Brown Fine Arts

Op de breuklijn: Lorenzo Di Credi (1459-1537)

Annunciazone 1480

In het Uffizi te bekijken, deze ‘boodschap aan Maria’ gemaakt in 1480 door Lorenzo di Credi, van opleiding goudsmid, geboren in Florence onder de naam Lorenzo di Barducci, opgeleid in het atelier van Andrea del Verrocchio dat hij in 1488 na de dood van zijn meester overnam. Het werk hierboven was zijn eerste zelfstandige opdracht. Het centrum van deze Annunciatie is leegte, een mooie doorkijk op de diepte van de tuin tot aan een vijver of rivier. Het licht is het hoofdpersonage waarin de schitterende kleurencombinaties volop tot hun recht komen. Kijk naar het binnen-groen van de rode engelen-mantel dat je terugvindt op de bedsprei achter Maria. Kijk naar de verschillende blauw-tonaliteiten in hun beider kledij, het goud vanop de vleugels naar het gekrulde haar en het zichtbare goud van Maria’s schouderstola. Vakmanschap.

En we leven in een tijd waarin symmetrie en het ervaren van de diepte het menselijk gebeuren dichterbij de dagelijks ervaren werkelijkheid zouden brengen. De engel laat zijn gekruiste armen-houding los om haar met zijn rechter-onderarm te overtuigen, Maria’s bevallige houding remt nog wel zijn enthousiasme, -nog even zie je een zweempje van angst op haar gezicht, maar je beseft dat ze zal instemmen zonder goed te begrijpen wat de konsekwenties zijn.

Acht jaar later zal Perugino dit portret van Lorenzo maken, we zijn dan dichtbij de invloed van Savonarola die als vurige zedenmeester tussen 1494-1498 de burgers in Florence aanmoedigde om alles wat tot zonde aanzette (boeken, schilderijen, weelderige kleren en overbodige bezittingen) in het openbaar te verbranden. Tot hij in 1498 zelf op brandstapel eindigde.

Painting; oil on panel transferred to canvas; original panel: 44 x 30.5 cm (17 5/16 x 12 in.).overall (with added border): 46 x 32.5 cm (18 1/8 x 12 13/16 in.).framed: 63.8 x 50.8 x 5.7 cm (25 1/8 x 20 x 2 1/4 in.);

Vrolijk kijkt hij niet. Hij heeft net het atelier van zijn meester Verrocchio overgenomen waar hij als leerling samenwerkte met medeleerlingen Leonardo da Vinci en Pietro Perugino. Hij heeft vooral Leonardo’s werk bestudeerd. Zijn stijl en zijn techniek nam hij over. Hij wist goed wat zijn meestal kerkelijke klanten verlangden en hanteerde daarvoor tot in het kleinste detail wat hij van zijn begraafde medeleerlingen had bestudeerd.

Maar Lorenzo di Credi is ook een portretschilder, en hier bediende hij een meer werelds cliënteel dat ofwel zichzelf of een fraaie figuratie uit de Grieks-Romeinse godenstal als decoratie wilde in hun fraaie huizen en buitenverblijven. In het boek ‘Miroir du temps, chefs-d’oeuvre des musées de Florence’ vond ik daar een treffend voorbeeld van.

Venus (rond 1490)
Deze Venus, die in 1869 in de middeleeuwse villa van Carfaggiolo werd gevonden, is het werk van de Florentijnse schilder Lorenzo di Credi. Beide voeten op de grond, haar teint roze, steekt zij af tegen een donkere achtergrond. De lange benen en armen zijn goed gemaakt en gespierd, de ronding van de knieën is zorgvuldig bestudeerd; de grote en ronde buik, lichtjes naar rechts gedraaid, schetst een sensuele beweging en de spilhanden houden een doorzichtige sluier vast die, achter de rug langs, op delicate wijze de naaktheid bedekt en op de marmeren vloer kromt, alsof hij als steun dient. De zelfverzekerde en licht ondeugende blik is op de verte gericht, als om de kijker af te leiden. Dit vrouwelijk naakt, misschien gemaakt als voorbereiding op een grotere compositie, is een van de privé-kabinetwerken die kunstenaars van het Quattrocento vervaardigden op verzoek van de rijke, gecultiveerde families van Florence, die hun huizen wensten te decoreren met wereldlijke onderwerpen. (Miroir du Temps Milena Pannitteri)
'Il ne faut pas oublier non plus que Credi, en peignant sa Vénus, s’inspire de la Naissance de Vénus (vers 1482) de Botticelli (Florence,1445-1510) et d’autres nus féminins qui s’en inspirent, réalisés par l’atelier botticellien (conservés a la galerie Sabaucla de Turin et au Staatliche Museum de Berlin);- il en retient la posture mais pas la ligne serpentine du corps. Ayant échappé au "bucher des vanités" ordonné par le frère dominicain Savonarole (Ferrare, 1452-Florence, 1498) qui, entre 1494 et 1498, prêche dans la ville de Florence un renouveau moral entaché de fanatisme religieux proscrivant toute forme de luxure et invitant les citoyens a brûler publiquement tout ce qui incite au péché (livres, tableaux, habits somptueux et biens superflus), l’oeuvre de Lorenzo di Credi peut etre située a la fin des annees 1480. (Milena Pannitteri)

In deze tekening, ‘buste van een jongen die een kap draagt’, (nu in het Louvre) zie je de werkelijke ‘tekenkunst’ van Lorenzo di Credi, niet gehinderd door de wensen van een kerkelijke of wereldse klant. Giorgio Vasari die ook Lorenzo’s biografie verzorgde in zijn ‘Leven van kunstenaars’ (Vite de’ piu eccelenti architetti, pittori, et scultori italiana, da Cimabue insino a’ tempi nostri’) heeft het over zijn zin voor afwerking tot in het kleinste detail maar bekritiseert hem omdat hij een ‘perfectionist’ was, overdreven ijverig, zijn pigmenten te fijn maalde en te veel tijd besteedde aan het destilleren van zijn oliën. Je moet uiteraard de nodige korrels zout gebruiken bij de interpretaties van Vasari, zeker als hij, zelf schilder, te maken heeft met bijzonder getalenteerde mensen, maar ik denk wel dat het vaardige het haalde op wat je nu het geïnspireerde zou noemen. Natuurlijk waren kunstenaars in het quattrocento eerder op de klant dan op de eigen visie gericht, de klant betaalde. En rolde er een fanaat als Savonarolla door de geschiedenis van de Medici-stad dan ontkwam je moeilijk aan de ‘hervormer’ en zijn volgelingen die cancell-kunst toepasten in de meest letterlijke zin.

Mannenportret c 1504 Olie op hout 51 x 37cm
This splendid portrait - at the Uffizi since 1704 - has been much discussed, as the painter and the figure have been mysterious for a long time: it once was thought to be Martin Luther painted by Holbein, then Andrea del Verrocchio by Lorenzo di Credi, or again a portrait of unknown man. The comparison with the Pietro Perugino's self-portrait painted in the Collegio del Cambio at Perugia led to the identification as Pietro Perugino, and the attribution went to his most celebrated pupil, Raphael. Recently the attribution to Lorenzo di Credi was again proposed.

Both the identity of the sitter and the authorship of the painting are still matters of debate. The attribution to Raphael is supported by the majority of contemporary scholars.

In the painting, particularly noticeable is the influence of North European portrait-painting, in the realistic rendering of the face, in the characterization of the man, but above all in the insertion of the figure in the narrow confines of an interior, with a small window offering the partial view of a distant landscape. (Web Gallery of Art)

Je voelt dat we in de geschiedenis op een breuklijn lopen . Tussen de 15de en de 16de eeuw kreeg je wel de naam mee van ‘renaissance’, maar dat was een naam gegeven door de Italiaanse humanisten die de term rinascita (Frans : renaissance, weder-geboorte) introduceerden, een nieuwe gouden eeuw na een periode van verval, de middeleeuwen. En dan sloeg die wedergeboorte eerder op verworvenheden van de klassieke oudheid, alsof de toekomst geen eigen krachten zou bezitten om vorm te geven aan de nieuwe wereld die weldra in allerlei verdeeldheden weinig te maken had met idealen waarin de mens en zijn ‘verworvenheden’ het centrum zou zijn. Het ging allemaal zo snel dat de filosofie pas vijftig jaar later begon te begrijpen wat er zou kunnen gebeurd zijn. Net zoals wij verbaasd omkijken naar de tachtigerjaren, nog maar 40 jaar geleden waarin het digitale zijn eerste stapjes zette. Het menselijke echter trekt zich weinig van een terminologie aan. Kijk naar de mooie olieschilderij waar drie mooie meisjes (en geen 3 koningen) het pasgeboren kind komen bezoeken terwijl de oude Jozef op de achtergrond een dutje doet. Van alle tijden.

En tenslotte een andere versie van de aanbidding van het kind waarin Jozef een ietsje actievere rol speelt. Maar laat je betoveren door de prachtige kleuren en de schoonheid van de ‘actie’ zonder het menselijke (kijk naar de houding van het kind) te vergeten.

De legende van de derde duif, Stefan Zweig

Net zo oud als zijn kleindochter nu, eenentwintig dus, was dit een eerste aankoop-met-eigen-zakgeld bij de tweedehands boekenwinkel die hem ‘tien Belgische franken’ kostte. Als vroege bewonderaar van de intussen goed vertaalde auteur bleek dit kleine boekje door de Wereldbibliotheek-Vereniging Amsterdam-Antwerpen uitgegeven in het jaar 1952. Een vertaling uit het Duits door Paul Huf met ontslagontwerp frontispice van Fons Montens.

Het heeft verschillende verhuizingen overleefd en nu zou het in dit blog ook een plaats mogen vinden. De vertaling was intussen gedateerd, maar geen nood want het verhaal uit 1916 in der Bilderman, Berlin oorspronkelijk uitgegeven werd heel fraai vertaald door Dirk Jansen waarbij een bijdrage van Piet Wackie Eysten op dezelfde website van het ‘Stefan Zweig Genootschap Nederland‘ het verhaal van degelijke historische commentaar voorziet. ‘Ondertitel: Noachs derde duif op zoek naar een vredige plek. Onderaan het verhaal de nodige verwijzingen. De datum van ontstaan, 1916, maakt het opzet van het verhaal duidelijk.

In het boek over de aanvang der tijden is het verhaal verteld van de eerste duif en van de tweede die de aartsvader Noach vanuit de ark uitzond toen de sluizen van de hemel zich sloten en de wateren zakten. Maar wie heeft over de reis en het lot van de derde duif verteld?

Op de top van de berg Ararat was het reddende schip gestrand, dat in zijn ruim al het van de zondvloed verschoonde leven borg, en toen de aartsvader vanuit de mast alleen maar water zag, oneindig veel water, toen zond hij een duif uit, de eerste duif, om te ontdekken of er ergens onder de wolkeloze hemel land te zien was. De eerste duif, zo wordt verteld, sloeg haar vleugels uit en vloog naar het oosten en naar het westen, maar er was niets dan water. Nergens vond zij rust op haar vlucht en haar vleugels begonnen erg vermoeid te raken. Daarop keerde zij terug naar de enige vaste plek op aarde, de ark, en fladderde om het vastliggende schip op de bergtop, totdat Noach zijn hand uitstrekte en haar weer in de ark binnenliet.

Dove Tracey Harrington

Hij wachtte zeven dagen waarin er geen regen viel en het water verder zakte, toen nam hij opnieuw een duif, de tweede en zond haar op verkenning. De duif vloog ’s morgens weg en toen zij tegen vespertijd terugkwam had zij als teken van leven van de bevrijde aarde een olijftak in haar snavel. Zo begreep Noach dat de toppen van de bomen al boven het water uitstaken en het onderzoek geslaagd was.

Na wederom zeven dagen stuurde hij opnieuw een duif, de derde, op onderzoek de wereld in. Zij vloog ’s morgens uit en keerde echter niet ’s avonds terug. Iedere dag wachtte Noach ongeduldig, maar ze kwam niet terug. Toen wist de aartsvader dat de aarde vrij was en het water gezonken. Van de duif, de derde, heeft hij echter nooit meer iets vernomen en ook niemand anders heeft tot op de dag van vandaag haar legende gehoord.

Hier zijn echter het reisverhaal en de lotgevallen van de derde duif.

“s Morgens was zij uit het muffe ruim van het schip gevlogen, waar in het donker de opeengeperste dieren morrend van ongeduld zaten in een kluwen van hoeven en klauwen, woest brullend, blaffend, sissend en fluiten, ze was opgevlogen uit deze benauwenis de oneindige wijdte in, uit het donker het licht in. Met het uitslaan van haar vleugels in de heldere, door de regen zoet-gekruide lucht, golfde er ineens vrijheid en de genade van eindeloosheid om haar heen. Diep beneden glinsterde het water, de bossen lichtten op als vochtig mos, uit de weilanden rees de vroege witte nevel en de geuren van planten stegen gistend op uit weiden. De strakblauwe hemel spiegelde een metaalachtige glans naar beneden, net boven de gekartelde bergruggen brak de rijzende zon in oneindige tinten morgenrood door, kleurde daardoor de zee bloedrood en deed de bloeiende aarde als heet bloed dampen. Het was goddelijk om dit ontwaken te aanschouwen en met dit zalige uitzicht wiegde de duif zich met vlakke streken over de purperen wereld, over landen en zeeën en werd al dromend zelf een zwevende droom. Als God zelf zag zij als eerste de bevrijde aarde, en haar beleving kende geen einde. Ze was allang Noach, de grijsaard van de ark en zijn opdracht om terug te keren, vergeten. Want de wereld was nu haar vaderland geworden en de hemel haar eigen huis.

wood-pigeon kereru Bruce Mclachlan

Zo vloog de derde duif, de ontrouwe boodschapper van de aartsvader, over de lege wereld, verder, steeds verder, door de storm van haar geluk gedragen, door de wind van haar eigen zielenonrust vloog zij verder, steeds verder, tot haar vleugels traag werden en haar gevederte van lood leek. De aarde trok haar met massieve kracht naar zich toe, haar zware vleugels wiekten steeds matter, tot zij de vochtige boomtoppen streelden en op de avond van de tweede dag daalde zij eindelijk neer in het hart van een woud dat nog naamloos was, zoals alles in de aanvang der tijden. Zij verschuilde zich in het kreupelhout en rustte uit van haar luchtreis. Zij dekte zich met rijshout toe, de wind wiegde haar in slaap, het was overdag koel onder het bladerdek en ’s nachts warm in haar woudwoning. Ze vergat al snel de winderige hemel en de lokroep van de vertes, de groene woning gaf haar geborgenheid en de tijd schreed ongemerkt voort.

Het was een woud in de ons bekende wereld waarin de verdwaalde duif huisvesting vond, maar er woonden nog geen mensen, en in deze eenzaamheid werd zijzelf geleidelijk een droom. Zij nestelde zich in het nachtgroene donker, de jaren trokken aan haar voorbij en de dood vergat haar, want alle dieren, alle soorten die nog de eerste wereld na de zondvloed hadden gezien, konden niet sterven, en geen jager kon hen iets doen. Onzichtbaar nestelen zij zich in de plooien van de aarde, net zo als de duif in het diepst van het woud. Af en toe kregen ze weliswaar vermoedens van menselijke aanwezigheid, er klonk een schot dat meerstemmig weerkaatste op de groene wanden, houthakkers sloegen tegen de stammen, zodat rondom de duisternis dreunde, het zacht gelach van verliefden, die ineengestrengeld verborgenheid zochten, kirde heimelijk in de struiken, en het gezang van kinderen die bessen zochten klonk ijl en ver. De verscholen duif, ingesponnen in loof en dromen, hoorde soms deze stemmen uit de wereld, maar ze luisterde er zonder angst naar en bleef verscholen in haar duisternis.

Felix De Boeck 1898-1995 De duif

Op een dag begon de wereld ineens te dreunen. Dood en vernietiging hing boven haar; zoals eerst het water rolde nu het vuur over de wereld. Toen spande zij haar vleugels en schoot weg uit het ineenstortende woud om een veilige plek te zoeken: een vredige plek.

Zij vloog hoger en zweefde boven onze wereld om die vrede te vinden, maar waar ze ook heen vloog, overal waren lichtflitsen, het gedonder van de mensen, overal oorlog. Een zee van vuur en bloed overspoelde de aarde, zoals eens een zondvloed, en gehaast wiekte zij over onze landen om een vredige plek te vinden en dan op te stijgen naar de aartsvader om hem de beloofde olijftak te brengen. Maar ze kon het nergens vinden; de vloed van verderf steeg steeds hoger boven de mensheid, steeds verder vrat de brand zich in onze wereld in. Nog steeds had zij geen rust kunnen vinden en de mensheid geen vrede en zij mocht niet eerder terugkeren en rusten voordat dit was volbracht.”

Niemand heeft in onze tijd deze verdwaalde, mythische, naar vrede zoekende duif gezien, maar toch fladdert zij angstig en vermoeid boven onze hoofden. Soms, alleen ’s nachts, als men opschrikt uit de slaap hoort men hoog boven in het donker een jachtig geruis, een angstaanjagende vlucht, een radeloos vluchten. Op haar wieken zweven ook onze zwarte gedachten, in haar angst deinen al onze wensen en deze tussen hemel en aarde sidderend zwevende verdwaalde duif, de ontrouwe boodschapper van weleer, vertelt nu ons eigen noodlot aan de aartsvader van de mensheid. En weer wacht, net als duizenden jaren geleden, een wereld ongeduldig op de hand die wordt toegestoken en inziet dat het genoeg is met deze beproeving.

frontispice Fons Montens in uitgave van 1952
lees de boeiende bijdrage bij dit verhaal:
Pablo Picasso Duif met olijftakje 1961

Gesprekken met sprookjes: “de kunst van het vallen”

‘In tegenstelling met de vertrouwde geplogenheden willen de meeste mensenlijke wezens vliegen eens de zwaartekracht van de alledaagse gewoonten hen hindert,’ zei Alice. ‘Dat is een oud misverstand. Wil je naar het wonder dan moet je “vallen”. Niet weg van de aarde, maar er net dieper in doordringen. Ook engelen vliegen niet. Ze vallen uit de hemel om een boodschap te brengen. Eens hun opdracht volbracht is laten ze zich weer naar de hemel vallen. Dat is net een eigenschap van engelen die mensen niet gegeven is. Mensen kunnen zonder hulpmiddelen met moeite de lucht in omdat ze maar niet begrijpen wat de kern van ‘vallen’ is.

How long is forever? vroeg ik het Witte Konijn. 'Sometimes, just one second,' antwoordde hij.

De heer Einstein was ervan overtuigd dat alle objecten op dezelfde manier vallen, ongeacht hun massa of samenstelling. Zelfs de aarde en de maan vallen op dezelfde manier naar de zon toe. Ook objecten met geringe of extreem sterke zwaartekracht.

Gierzwaluwen laten zich eerst vallen om te kunnen opstijgen. Vanuit de diepte van de val kun je klimmen. Dat is een mooi filosofisch idee.

Ook in de taal kun je met vallen en opstijgen een zekere ‘onirische’ atmosfeer bereiken, de taal van de ‘dromende verbeelding’, en dan zijn we weer thuis bij de Franse filosoof Gaston Bachelard.

 De verbeeldende krachten van onze geest ontwikkelen zich langs twee zeer verschillende assen.

Sommige vinden hun ontplooiing in het nieuwe; ze vermaken zich met het pittoreske, met de afwisseling, met de onverwachte gebeurtenis. Zij inspireren de verbeelding die altijd een lente heeft te beschrijven. In de natuur, ver van ons, brengen ze als levende krachten al bloemen voort.

Andere verbeeldende krachten graven diep in de dingen. waarin ze zowel het oorspronkelijke als het eeuwige willen vinden. Ze beheersen de jaargetijden en de geschiedenis. In de natuur, in ons en buiten ons, brengen ze kiemen voort; kiemen waarin de vorm besloten ligt in een substantie, waarin de vorm inwendig is.(Verbeelding en materie.  Inleiding bij 'Het water en de dromen' Gaston Bachelard, vertaling Piet Meeuse)
“Alice laughed: “There’s no use trying,” she said; “one can’t believe impossible things.”
“I daresay you haven’t had much practice,” said the Queen. 
“When I was younger, I always did it for half an hour a day. Why, sometimes I’ve believed as many as six impossible things before breakfast.”

"Alice lachte: "Het heeft geen zin het te proberen," zei ze; "je kunt geen onmogelijke dingen geloven."
"Ik durf te zeggen dat je niet veel oefening hebt gehad," zei de Koningin. 
"Toen ik jonger was, deed ik het altijd een half uur per dag. Wel, soms geloofde ik wel zes onmogelijke dingen voor het ontbijt."

De associatie van ‘vallen’ met ‘onderuit-gaan’ in alle betekenissen van het woord mag duidelijk zijn. Er zijn ‘gevallen’ engelen, van hun voetstuk gevallen mensen, gevallen vrouwen, en dan is het duidelijk dat het werkwoord een morele negatieve kwalificatie uitdrukt. Maar de schoonheid uit ‘het zwerk’ kan soms ook op aarde verschijnen zoals in het mooie gedicht ‘Zonnebeeldjes’ van Pierre Kemp (1886-1967)

Zonnebeeldjes

De Melkweg is tussen de bomen gevallen
en iedere ster danst er met een blad.
Op de parkgrond ligt ’t zongeld in grote getallen,
of een kind zijn spaarpot gebroken had.

Soms komen er vogels en op hun veren
vallen guldens der zon, maar zij hupplen voort.
Ook hen kan het uitzicht van ’t geld niet deren,
zij zien het en blijven onbekoord.

Maar nu begin ik ermee te spelen
en mijn handen scheppen volop het licht
uit het lover om het weer uit te delen
aan wie nog wil kijken met kindergezicht.

Pierre Kemp
Uit: Het regent in de trompetten. De mooiste gedichten van Pierre Kemp.
Gekozen door Wiel Kusters en Ingrid Wijk, 2017 
eigen foto

En klonk dat bovenste gedicht iets te zoeterig? Ach dat kijken als een kindergezicht, en… Maar ik wil het graag aanvullen met Lucebert’s tekst: Ik draai een kleine revolutie af. …en ik val en ik ruis en ik zing.

ik draai een kleine revolutie af…

ik draai een kleine revolutie af
ik draai een kleine mooie revolutie af
ik ben niet langer van land
ik ben weer water
ik draag schuimende koppen op mijn hoofd
ik draag schietende schimmen in mijn hoofd
op mijn rug rust een zeemeermin
op mijn rug rust de wind
de wind en de zeemeermin zingen
de schuimende koppen ruisen
de schietende schimmen vallen

ik draai een kleine mooie ritselende revolutie af
en ik val en ik ruis en ik zing

“But I don’t want to go among mad people," Alice remarked.
"Oh, you can’t help that," said the Cat: "we’re all mad here. I’m mad. You’re mad."
"How do you know I’m mad?" said Alice.
"You must be," said the Cat, "or you wouldn’t have come here.”
― Lewis Carroll, Alice in Wonderland 

Het verhaal tussen be- en ont-vallen, tussen af- en vervallen, het roerloos vallen van de sneeuw en het invallen van de duisternis, steeds is ‘verandering’ aan de orde. Het roerloze leven fixeren we in klanken en beelden maar net door het verschuiven van evenwichten krijgt het zijn betekenis. Wij vallen elkaar graag in de rede, vallen voor elkaar, vallen in elkaars handen, vallen op, uit, in, neer. Het is een drukke bedoening, dat vallen. We vallen door de mand, uit de lucht, in zwijm. Zelfs een regering kan vallen. Maar de verzameling is meestal te herleiden tot vallen en opstaan. De manier waarop is in Alice in Wonderland de weg van het absurde. De logica vanuit ‘de valler’ gezien, een mogelijkheid om de harde landingen te overleven en de werkelijkheid dapper met een glimlach tegemoet te treden.

Would you tell me, please, which way I ought to go from here?”
“That depends a good deal on where you want to get to,” said the Cat.
“I don’t much care where–” said Alice.
“Then it doesn’t matter which way you go,” said the Cat.
“–so long as I get SOMEWHERE,” Alice added as an explanation.
“Oh, you’re sure to do that,” said the Cat, “if you only walk long enough.”
Arthur Rackham A mad tea party

De geschiedenis en de ‘onschuldige’ slaper

Tamara Lempicka Sleeper

Onschuldiger dan een slaper kan de mens zich niet voordoen, zou je denken. Dat was ook mijn mening tot ik las dat in de Franse senaat deze week de kwestie van ‘de onverantwoordelijkheid’ wordt behandeld met als doel ‘ervoor te zorgen dat een schuldige niet kan worden vrijgepleit wanneer hij of zij drugs gebruikt, wanneer hij of zij dronken wordt […] dat hij of zij op de een of andere manier zijn of haar onderscheidingsvermogen afschaft”.

Zo erkende de Kerk, na veel gehakketak en uitstel, in de middeleeuwen eindelijk de onverantwoordelijkheid van de slaper. Duik je dus even dieper in de geschiedenis dan kun je de vraag stellen hoe deze oude doctrinaire beschouwingen het recht inspireren tijdens dit parlementaire debat over strafrechterlijke onverantwoordelijkheid. Toch even aanleunen bij de oud-collegae van France Culture.

Jacob’s droom Jusepe de Ribera (1639) Prado museum Madrid.
Dans un article de la Revue de science criminelle et de droit pénal comparé, Nicolas Laurent-Bonne retraçait en 2013, les origines de ce débat sur l’irresponsabilité pénale, une enquête qui l’a mené au VIe siècle lorsque théologiens et canonistes s’emparaient de la responsabilité du dormeur, en oubliant largement la dormeuse, et sur la possibilité d’incriminer le rêve sexuel et la pollution nocturne, voir le crime de sang du somnambule. À quel point celui qui dort est-il comptable du voyage qu’il entreprend au cours de son sommeil ? (France Culture Irresponsabilité pénale:  coupables dormeurs du Moyen Âge)
Seurat Le dormeur

Lange tijd voor de theorievorming over het Freudiaanse onbewuste trachtte de christelijke kerk de ruimten die aan haar controle ontsnapten te beheren, te beginnen met de dromen van de monniken die hun veelvuldige betrachtingen van ‘concupiscentie’ (begeerten, vleselijke lusten) en het idee zelf van vleselijke relaties zo veel mogelijk moesten beperken. Ik herinner mij in de uitstekende biografie van Erasmus gelezen te hebben dat tijdens zijn kloostertijd zelfs het slapen niet geriefelijk mocht zijn uit vrees te snel in bekoring te komen:

Daar (in zijn cel) diende hij na een stil gebed en een korte meditatie om zeven uur meteen tussen zijn wollen onderlaken -want niets mocht geriefelijk zijn- en wollen deken te kruipen, languit op zijn rug, armen gekruist over de borst, in zijn witte onderhabijt en met een witlinnen doek om het getonsureerde hoofd gewikkeld. (Erasmus dwarsdenker, een biografie, Sandra Langereis 2021 De Bezige Bij A'dam p.188)
Catherine Duch

Reeds in de 6de eeuw trachtte Gregorius de Grote, de eerste paus, dit risicogebied van nachtelijke verontreiniging af te bakenen en benoemde hij de drie hoofdoorzaken: de schuldige gedachten die aan het inslapen voorafgaan, overdaad aan voedsel en dronkenschap, alsmede de natuurlijke zwakheid van de dromer. Hij schrijft voor welk gedrag moet worden aangenomen om dit te voorkomen, zoals u wellicht al hebt geraden: soberheid in alle dingen wordt sterk aangeraden. Maar “de natuurlijke zwakheid van het vlees” is niet te vrezen en verplicht de slaper niet zich bij het ontwaken te zuiveren. Als men zijn onbeheerste en oncontroleerbare nachtelijke omzwervingen met klem moet belijden, dan neemt men het degene die ze in de schoot van Morpheus heeft laten gebeuren, niet kwalijk. De dromer of erger nog, de slaapwandelaar, die in beginsel onverantwoordelijk is, wordt echter verantwoordelijk voor een fout van nalatigheid indien hij, zich bewust van dit risico omdat hij het reeds in het verleden heeft opgemerkt, niet alle nodige voorzorgsmaatregelen neemt alvorens zich in de slaap te wagen. (France Culture)

Geleidelijk wordt de slaper gelijkgesteld met de dementerende of met het kind: Bernardus van Clairvaux aan het begin van de 12de eeuw was van mening dat hun goede of slechte daden werden begaan terwijl zij verstoken waren van het gebruik van hun (vrije) wil. Zij kunnen dus niet veroordeeld worden voor daden of gedachten die opkomen wanneer zij zichzelf niet meer in de hand hebben. Niet in staat het verbodene waar te nemen, is men dan van oordeel dat de vrijheid van oordeel pas wordt herwonnen wanneer de slaper, of hij nu statisch of somnambulist is, wakker wordt. Deze opmerking geldt ook voor de slaapwandelaar, degene die praat in zijn slaap en bij die gelegenheid uiting kan geven aan de frustratie of de woede die hij overdag soms heel goed verbergt. (ibidem)

Śpiący Staś or Sleeping Staś by Stanisław Wyspiański, 1904
Na veel omzwervingen werd de leer in het begin van de veertiende eeuw vastgesteld en vormde zij grotendeels de inspiratiebron voor het burgerlijk recht op dit gebied. Ondanks alles blijft de kwestie van voorbedachte rade bestaan, aangezien het bewuste leven en zijn kwellingen reeds worden beschouwd als de drijvende kracht achter het leven dat nog niet bewusteloos wordt genoemd. De slaapwandelaar die als onverantwoordelijk wordt beschouwd, kan dat weer worden als hij, zijn zwakheid kennende, nalatigheid aan de dag legt om de schadelijke gevolgen te beperken: alleen en nuchter slapen, zonder wapens bij de hand en opgesloten in zijn kamer. Een beperkte hypothese die de rechter en de jury de opdracht geeft "elke simulatie te verijdelen".

Nicolas, Laurent-Bonne. « Les origines de l'irresponsabilité pénale du somnambule », Revue de science criminelle et de droit pénal comparé, vol.  3, no. 3, 2013, pp. 547-557.
Picasso Le Dormeur

Zelfs in de verkwikkende slaap werd dus het menselijk schepsel geplaagd door allerlei gewetensvragen. Met het oog op het uitlezen van onze herseninhoud zou je dus in de toekomst niet verbaasd moeten zijn dat je ’s morgens vriendelijk verzocht wordt even langs de gezaghebbenden langs te lopen gezien je dromen een ‘gevaarlijke’ kant uitgingen zoals bleek. In afwachting van dit vreslijk toekomstbeeld kun je best nu nog genieten van je dromen, soms de enige plaats waar nog niet iemand duidelijk maakt wat gepast en ongepast zou zijn. In die zin zijn ze nog even gevrijwaard van la ‘pureté dangereuse’ om het boek van Bernard-Henri Lévy te citeren.

Pieter Brueghel de Oudere

Dreaming Oneself Awake: Eileen Angar (1899-1991)

Collective Unconscious 1977-78

Laten we dat nu eens anders doen.
Dat binnenkomen.
Entrez. Come in.

Niet langs een bio of een wijze quote.
Maar langs de dingen die achterblijven als je weg bent.
Niet even een boodschap doen.
Ik bedoel: echt weg.
Dood.

Soms worden ze bijgehouden.
De dingen waarmee je je elke dag omringde.
Zelfs door een museum.

De liefde van het bijhouden.
Om je niet helemaal te laten verdwijnen.
Kijk maar. Het duurt niet lang: 5’43”

'I have spent my whole life in revolt against convention, trying to bring colour and light and a sense of the mysterious to daily existence. One must have a hunger for new colour, new shapes, and new possibilities of discovery.’ 
The return of Nautilius
Algar, whose preferred working method was collage, often incorporated "found object" within her paintings, drawings and sculptural pieces physically and as represented motifs. Her Diploma work is composed of forms derived from molluscs, shells, sea-anemones, seaweed and fossils. While living in Paris in the late 1920s, Agar regularly visited the Jardin des Plantes where she became fascinated by.(Royal Academy Collection Art)
Marine Object (1939)

Zouden we het nu over het surrealisme hebben dan vind je dadelijk 30-40 youtubes daaromtrent. Met de bekende namen: André Breton, Salvador Dali, en wie weet, de enige vrouw in het rijtje: Eileen Angar, al durf ik dat betwijfelen. De heer Freud is een graag geziene verwijzing, even later weer danig door de behavioristen naar de fabelmand verwezen, en zachtjes uit het puin gehaald door hedendaagse specialisten van hersenen en bewustzijn als Antonio Damasio en tegenwoordig Mark Solms. Wat nemen wij waar, en of we daar nog iets bij voelen ook om het simplistisch te poneren. De droom waarin de werkelijkheid ontdaan is van haar vaak camouflerende of verzwijgende logica mag niet ontbreken.

Erotic Landscape 1942
Eileen Agar was born into a wealthy British family, her mother the heir to a biscuit company, her father the manager of a successful windmill and irrigation systems company, Agar Cross. It was his business that took the family to Buenos Aires, Argentina, where Agar spent her early years. She later characterized her childhood as privileged and eccentric - "full of balloons, hoops and St. Bernard dogs" - and claimed that whenever the family travelled back to Britain her mother insisted on bringing a cow for milk, and an orchestra so that they would be surrounded by music. At six years old, Eileen was sent to England to attend boarding school, where her artistic potential was recognized and encouraged by a teacher. At the outbreak of World War One in 1914 she was sent briefly to attend a more rurally located institution, before being moved on again to Paris, to attend finishing school.


Agar's formal artistic education began when she returned to London, but true to her independent spirit, she quickly rejected the formal approach of the Byam Shaw School of Art in Kensington (where her mother had enrolled her). Seeking a more progressive course of study, she enrolled at the Brook Green School in Hammersmith, and immediately met a group of like-minded students including Cecil Beaton and Henry Moore; in 1921, Agar began studies at the Slade. (The art story)
Agar, Eileen; Eileen Agar; National Portrait Gallery, London; http://www.artuk.org/artworks/eileen-agar-155108 1927

In deze periode ontmoette ze haar medestudent Robin Bartlett, met wie ze in 1924 naar Parijs reisde. Het paar trouwde in november van het volgende jaar, maar de relatie zou geen stand houden; Agar merkte later op dat “de band tussen ons voor mij – oningewijd als ik was in de mysteries van seks – slechts een verkenning was, hoewel ik jong was en net een romantische glamour over de liaison had geworpen”.

Rond de tijd dat haar huwelijk strandde, ontmoette Agar de Hongaarse schrijver Joseph Bard. Zeven jaar ouder dan zij, had hij een diepgaande invloed op de richting van haar kunst en op het verloop van haar persoonlijk leven, door haar te introduceren in een literaire en artistieke kring, waaronder Ezra Pound en W.B. Yeats. In 1927 maakte Bard een einde aan zijn huwelijk en werden hij en Agar een paar, het jaar daarop verhuisden ze naar Parijs. Agar vestigde zich in haar eigen atelierruimte en voelde zich “herboren”: het was in deze tijd dat ze in aanraking kwam met de stijlen en stromingen die haar werk het sterkst zouden beïnvloeden, waaronder het kubisme, de beeldhouwwerken van Constantin Brâncuşi, en, het belangrijkst, de surrealistische beweging die zich toen in Parijs centreerde, aangevoerd door André Breton en Paul Éluard. Agar’s kunst verwijderde zich snel van figuratieve representatie en ze begon de nadruk te leggen op het visualiseren van de producten van haar verbeelding, zoals blijkt uit werken uit deze periode zoals Three Symbols (1930). In deze periode werd Agars praktijk beheerst door de schilderkunst.

Three Symbols 1930 Eileen Agar 1899-1991 Purchased 1964 http://www.tate.org.uk/art/work/T00707
Agar's interest in Surrealism was consolidated after her and Bard's return to London around 1930, when she became involved with the short-lived literary magazine The Island, Bard serving as literary director while Agar financed the magazine and contributed artworks. In 1933, at the prompting of her friend Henry Moore, she joined the London Group, an artists' collective which had emerged partly out of the Vorticist movement in the 1910s, and was focused on furthering the cause of avant-garde art in Britain. Around this time, Agar held her first one-woman exhibition, with works showing the strong influence of Surrealism. That influence deepened following her meeting with the painter Paul Nash in 1935, during one of her and Bard's summer-holidays to Dorset. Nash and Agar become lovers despite her ongoing relationship with Bard (a fact which he unhappily tolerated), and Nash introduced Agar to the idea of the 'found object'; much of her work from this point on is collage and bricolage-based.(The art story)
Kunstenares met haar ‘hoed om bouillabaise te eten’.
Eileen Agar exhibited frequently with fellow Surrealists and was close friends with André Breton (the founder of Surrealism). Furthermore, Agar firmly believed that women are the true Surrealists. She once stated, "The importance of the unconscious in all forms of Literature and Art establishes the dominance of a feminine type of imagination over the classical and more masculine order.".(The art edge)
Angel of Mercy, 1934 (plaster with collage & w/c) by Agar, Eileen (1899-1991); height: 44.5 cm; The Sherwin Collection, Leeds, UK; (add.info.: Previously titled ‘The Politician’, with additional fur collage; from a cast portrait of Agar’s husband Joseph Bard (1882-1975)
In 1936, Roland Penrose, the English Surrealist painter, poet, collector and promoter of modern art and the writer Herbert Read - both of whom later (in 1946) co-founded of the Institute of Contemporary Art (London); selected five of Agar's works for their International Surrealist Exhibition which was held in June at the New Burlington Galleries, London. Agar's works were exhibited alongside work by Picasso, Miró and Ernst. Attendance for the exhibition was in excess of 20,000. That same year, the Museum of Modern Art, New York, included Agar's 'Quadriga' in their Fantastic Art, Dada & Surrealism exhibition. (Saunders, Fine Art)
Quadriga (1935), Eileen Agar. Courtesy of The Penrose Collection; © The estate of Eileen Agar
Eileen AGAR (b.1899)
Fish Circus, 1939
Collage, pen and ink and watercolour on paper, 18.50 x 25.00 cmBequeathed by Gabrielle Keiller 1995Collection: National Galleries of Scotland
© The Estate of Eileen Agar. All Rights Reserved 2017/ Bridgeman Images
(klik op tekst om te vergroten)

Hoewel ze zichzelf nooit expliciet als surrealist heeft beschreven, werd Agar in de ogen van zowel critici als het publiek met de beweging in verband gebracht. Ze maakte ook deel uit van de Engelse surrealistische groep die in 1936 werd opgericht – samen met Herbert Read, Henry Moore, Roland Penrose, David Gascoyne en anderen – en had de eer de enige Britse vrouw te zijn die vertegenwoordigd was op de beroemde Internationale Surrealistische Tentoonstelling van 1936 in Londen. Het is misschien verrassend dat deze tentoonstelling populairder was bij het grote publiek dan bij recensenten, van wie sommigen bijtend waren in hun beoordelingen. Als lid van de surrealistische groep hielp Agar in de daaropvolgende jaren het werk van kunstenaars in andere landen te steunen: tijdens de Tweede Wereldoorlog organiseerden zij en Bard bijvoorbeeld een diner ter ere van hun joodse kunstenaarsvrienden zoals Walter Gropius, Oskar Kokoschka en László Moholy-Nagy, die allen in de middenfase van hun vlucht van het Europese vasteland naar de Verenigde Staten waren. Ter voorbereiding van het diner creëerden Agar en Bard wat omschreven werd als een “surrealistische tafel”, met een middenstuk bestaande uit hangende bloemen, fruit en crackers. (The Art Story)

Dance of Peace 1940
“I’ve enjoyed life, and it shows through,” Agar once said. “Like a transparent skirt, or something like that.” There are photographs from the 1930s of her dancing in just such a skirt; and others, by Lord Snowdon, of her modelling Issey Miyake in her late 80s. She worked in her London studio right into her 90s, and never stopped experimenting, using paint like lipstick, pollen or bright liquid on the canvas, fashioning new sculptures from old objects.
The return of blues

Nog tot 28 augustus ‘Eileen Agar: Angel of Anarchie, een retrospective in Whitechapel Gallery 2021. 77-82 Whitechapel High St London E1 7QX Tube: Aldgate East/ Liverpool street

Butterfly Bride

Waarschijnlijk was een surrealistische levenshouding een reactie op de dromen uit de negentiende eeuw die echter via de confrontatie met het gruwelijke van de eerste wereldoorlog en de voorbereidingen van de tweede geen andere taal meer hadden om gevoelens en angsten uit te drukken dan met een surrealistisch beeldenalfabet. Als kunstenares heeft Eileen Agar de schakeringen en konsekwenties dieper aangevoeld, speelt ze meer op de inhoud dan op het vertoon. Alleen al daarvoor is haar lange aanwezigheid in de twintigste eeuw nog steeds een aanleidiging om het vrouwelijke zonder voorbehoud uit te bouwen temidden van het soms iets te simplistisch puur mannelijke alfabet.

Adam’s Apple
1949
Watercolour on paper
49 x 37 cm
Bequeathed by Charles Lindsay Sutherland © The Estate of Eileen Agar / Bridgeman Images. Photography Jerry Hardman-Jones
Here, a worm emerging from an apple recalls John Tenniel’s illustration of the caterpillar in Alice in Wonderland, a book which was inspirational to the Surrealists. The title offers another reading of the work, connecting it to questions of gender and sexuality.
Agar, Eileen; Figures in a Garden; Tate; http://www.artuk.org/artworks/figures-in-a-garden-197637