Over het water lopen, een denktocht naar betekenissen

De zoektocht naar het waarom-van-alles doet zich in een donkere, natte zomer beter voelen, zeker nu de dagen zienbaar korten terwijl de scholen vollopen voor een maskervrij jaar. Laat me dus van Izaak vertellen die een doel had gevonden waarvoor hij wilde leven. Het is een soort kortverhaal van een denk-tocht. Ik probeer hem zo nauwkeurig mogelijk weer te geven.

werk van Cynthia Tedy

Er was een man die in een huis bij een groot meer woonde. Dat is niet zo ongewoon want er zijn wel meer mannen die een meer, rivier, vijver of zelfs de zee vanuit het slaapkamerraam kunnen zien. Het went. Dachten ze de eerste maanden, kijk nu eens, zoveel water op oogafstand, dat doet iets met een mens, terwijl zo’n bedenking slijt net als schoenzolen. Deze man, ik zal hem Izaak noemen, maar hij kon net zo goed bij Jos of Jan opkijken mocht je hem de weg willen vragen, deze Izaak bleef met grote ogen over het meer kijken.

There was a man who lived in a house by a large lake.  This is not so unusual as there are many men who can see a lake, river, pond or even the sea from their bedroom window. You get used to it. During the first few months they thought, look, so much water within sight, that does something to a person, whereas such a thought wears off like the soles of shoes.  This man, I will call him Izaak, but he could just as well be looking up at Jos or Jan if you wanted to ask him directions, this Izaak kept looking out over the lake with big eyes.

Was hij een dichter, had hij droevige dingen achter de spreekwoordelijke kiezen of waren lang geleden of nog maar net, naaste of verre verwanten verdronken? Was een geliefde om een of andere reden naar de overkant van het meer getrokken, zou een beminde terugkeren of riep de waterige diepte herinneringen aan vroege kwetsuren wakker?

Erger. Veel erger was het. Dat besefte Izaak elk moment van het uren waterkijken. Izaak wilde over het water lopen. Zo eenvoudig als het hier staat, zo vreselijk ingewikkeld zou een analyse van dat verlangen blijken terwijl de voorwaarde een overschot aan geloof in alle simpelheid uit de mond van Gods zoon, Jezus, iedereen neerknuppelde die met schouderophalen, hoofdschudden of intens verlangen zo’n verlangen onder ogen zag.

Was he a poet, did he have sad things behind him or had close or distant relatives drowned long ago or just recently? Had a loved one gone to the other side of the lake for some reason, would a loved one return or did the watery depths awaken memories of early hurts?

It was worse. Much worse.  Izaak realised this every moment of the hours of water watching. Izaak wanted to walk on the water. As simple as it is written here, an analysis of that longing would turn out to be terribly complicated, while the condition a surplus of faith in all simplicity from the mouth of God's son, Jesus, would bludgeon anyone who faced such a longing with a shrug of the shoulders, a shake of the head or intense longing.  
Schets Rembrandt 1638

Mattheüs vertelt het erg levendig:
‘Hierna zei Hij tegen zijn leerlingen dat zij met de boot moesten overvaren naar de andere kant van het meer. Hij zou komen wanneer Hij de mensen zou hebben weggestuurd. Toen iedereen weg was, ging Hij alleen de berg op om te bidden. Het werd donker en de leerlingen waren al ver op het meer. Zij kwamen niet erg vooruit door de harde tegenwind en de hoge golven. Tegen het eind van de nacht liep Jezus over het water naar hen toe. Zij schreeuwden van angst en dachten dat het een spook was. Hij stelde hen gerust. ‘Wees maar niet bang, Ik ben het.’ Petrus riep: ‘Heer, als U het werkelijk bent, zeg dan dat ik over het water naar U toe moet komen!’ ‘Kom maar!’ riep Jezus. Petrus stapte uit de boot en liep over het water naar Jezus toe. Maar hij besefte ineens dat er een heel harde wind stond. De schrik sloeg hem om het hart en hij begon te zinken. ‘Heer, help mij!’ schreeuwde hij. Jezus stak hem zijn hand toe en trok hem uit het water. ‘Och, twijfelaar,’ zei Hij, ‘waarom heb je zo weinig vertrouwen in Mij?’ Zodra zij in de boot stapten, ging de wind liggen. ‘

Matthew tells it very vividly:
After this He told His disciples to take the boat and sail to the other side of the lake. He would come when He had sent the people away. When everyone had gone, He went up the mountain alone to pray. It was getting dark and the disciples were already far away on the lake. They were not making much progress because of the strong headwind and the high waves. Towards the end of the night Jesus walked across the water to them. They cried out in fear and thought it was a ghost. He reassured them. Don't be afraid, it is I.' Peter cried out: 'Lord, if it is really you, tell me to come to you across the water!  Come!" cried Jesus.  Peter got out of the boat and walked across the water to Jesus. But he suddenly realised that there was a very strong wind. He was frightened and started to sink. Lord, help me!" he cried. Jesus held out his hand and pulled him out of the water. Oh, doubter,' He said, 'why do you have so little faith in Me? As soon as they got into the boat, the wind died down. '
Rembrandt Christ in the Storm on the lake of Galilee

Als kind had hij die tekst vaak gelezen en gehoord. Zijn aangeboren zin voor drama wrikte het verhaal dadelijk uit zijn versimpelde verklaring. Het ging hem niet om dat mysterie waarin het woord ‘geloven’ vaak de menselijke kleinheid buitensloot, maar om de reactie van Petrus die niet bang is van het ‘spook’ dat ze denken te zien, en met de overgave van een kind hem tegemoet snelt, wegzinkt (met de hevige wind als excuus) en, aan boord gehesen, toch nog ‘twijfelaar’ wordt genoemd terwijl de bangeriken zich gewonnen geven door hem ‘de zoon van God’ te noemen, zinnetje dat uiteraard veel later aan dat verhaal is gehangen.

Wilde hij het voor zichzelf duidelijk maken dan bleek een tekort aan geloof niet onoverkomelijk, maar het te veel aan angst terwijl Hij toch ‘kom maar’ had gezegd begrijpelijker. Wie over het water kijkt weet wat angst is. Je zou aannemen dat Hij die angst heel gewoon zou vinden. Is een mens moeilijk met de luchten te verzoenen, het water -ook al was dat zijn uiteindelijke plaats van herkomst- maakt voor de ongeoefende het gemis van adem voorvoelbaar. En met You take my breath away is iets heel anders bezongen, alhoewel…

Philipp Otto Runge— Klik hier om te vergroten
As a child, he had often read and heard this text.  His innate sense of drama immediately wrenched the story out of its simplified explanation.  It was not about that mystery in which the word 'believe' often excluded human smallness, but about the reaction of Peter who is not afraid of the 'ghost' they think they see, and with the abandon of a child rushes towards him, sinks away (using the strong wind as an excuse) and, hoisted on board, is still called 'doubter' while the frightened ones concede by calling him 'the son of God', a phrase that of course was attached to the story much later.  

If he wanted to make it clear to himself, then a lack of faith was not insurmountable, but too much fear when he had said 'come' was more understandable. Those who look across the water know what fear is. One would assume that He would find this fear quite normal.  If a human being is difficult to reconcile with the sky, the water - even if it was his ultimate place of origin - makes the lack of breath palpable for the inexperienced. And with You take my breath away, something else is sung, although...
1768-70 G.B. Tiepolo

Izaaks verlangen om in de stilte van de nacht over het water te lopen lag dus niet in de prestatie net zoals een vader zijn kind toeroept met ‘kom maar’ en van hem of haar noch vleugels of vinnen verwacht, gewoon het geloof dat het wordt opgevangen en het eventueel eerst in de lucht wordt getild en dan in vaders armen weet dat het is thuisgekomen.
Het lopen over het water, niet als bewijs dat er een vader is maar als uiteindelijke overgave na een lange reis waarin de gestalte van degene die hem opwacht inderdaad net zo goed een moeder, of een versmolten beeld van beiden zou kunnen zijn. Of…

De donkerte versmolt het meer met de luchten. In die eenheid besefte hij voor de eerste keer dat ‘kom maar’ ook het loslaten van dat oude beeld kon zijn. De keerkring verbreken. Het geloof aan een overkant smelten tot een besef van het begrip ‘oplossen’ en dat zelfs in beide betekenissen van het woord: een oplossing bieden en als deel daarvan het bewijs. Het loslaten van die oude ik in een steeds veranderend wij, sterrenluchten inbegrepen, om ook het kleinste insect of de verdampende druppel niet te vergeten. Ook dat beeld beantwoordde aan het ‘kom maar’ uit het bekende verhaal.

Zou zijn wens om over het water te lopen eerder de angst dan wel de afstand kunnen oplossen? De afstand tussen het voor iedereen klinkende ‘kom maar’ (en bij leven en bij het levenseinde) en de voorstelling dat je een ‘wonder’ zou nodig hebben om bij hem-haar-het te geraken, de ‘aankomst’ dus. In het verhaal vroeg hij gewoon om te komen, en de verteller heeft hem met een wonder een handje willen helpen, tenslotte werd hij de Zoon van God genoemd.

Zijn menselijke reactie, ‘Peter, je bent een twijfelaartje, kun je ook met een zekere goedmoedigheid tegemoet komen, Petrus heeft tenslotte zelf de eerste stap gezet.
De angst om in de diepte van het water weg te zakken is een duidelijk beeld van het onoverkomelijke sterven, ons allen toebedeeld. En Izaak besefte dat hij zich lichter kon maken door ‘los te laten’, door beetje bij beetje niet alleen in te leveren, maar wellicht was ‘onnodig vinden’ een betere uitdrukking. Oplossen. Niet verloren gaan, maar in allerlei andere vormen aan het levende deelnemen.

Foto door Pok Rie
Izaak's desire to walk across the water in the stillness of the night was therefore not an achievement, just as a father calls out to his child with 'come' and does not expect either wings or fins from him, but simply the belief that he will be received and possibly lifted up into the air and then know in his father's arms that he has come home. 
Walking across the water, not as proof that there is a father, but as final surrender after a long journey in which the figure of the one who awaits him could indeed just as well be a mother, or a fused image of both. Or...

The darkness merged the lake with the sky. In that unity he realised for the first time that 'come' could also be the letting go of that old image.  Breaking the watershed. Melting the belief in the other side into a realisation of the concept of 'dissolving' and that even in both senses of the word: offering a solution and as part of that the proof. Letting go of the old I in an ever-changing we, including starry skies, not to mention the smallest insect or the evaporating drop.  That image, too, corresponded to the 'come' from the well-known story.
Could his wish to walk on the water resolve the fear rather than the distance?  The distance between the 'just come' that sounds familiar to everyone (and in life and at the end of life) and the idea that you would need a 'miracle' to get to him-her-it, the 'arrival' in other words.  In the story, he just asked to come, and the narrator wanted to give him a hand with a miracle, after all he was called the Son of God.

His human reaction, "Peter, you are a doubter," can also be met with a certain kindness; after all, Peter himself took the first step.
The fear of sinking into the depths of the water is a clear image of the insurmountable death that awaits us all.  And Isaac realised that he could make himself lighter by 'letting go', by not only giving in little by little but perhaps 'finding unnecessary' was a better expression.  Dissolving. Not getting lost, but participating in the living in all kinds of other forms.
Foto door Quang Nguyen Vinh

‘Weet je Opi,’ zei zijn kleindochter, ‘dat je naam ‘hij moge lachen’ betekent als je hem als de Hebreeuwse naam Izaäk spelt?’
‘Wil je dan vanaf dit moment mij Izaäk noemen?’
‘Je mag hem ook als Izaak spellen, dus…’
‘Zou een mens over het water kunnen lopen, Haas?’
‘Ja. Maar je moet het stevig aanlengen met maïzena en vooral niet blijven stilstaan, anders zak je weg.’

''Do you know Opi,' said his granddaughter, 'that your name means 'he may laugh' if you spell it as the Hebrew name Izaäk?  
'Then will you call me Izaäk from this moment on?'
'You may also spell it as Isaac, so...'
'Could a human being walk on water, Hazel?'
'Yes. But you have to dilute it with cornstarch and don't stand still, or you will sink.
werk van Cynthia Tedy

En als aanvulling het bijbelse verhaal van de broodvermenigvuldiging en het lopen op het water door twee “vissers”. De veelkantigheid van het verhaal wordt alle eer bewezen.

And in addition, the biblical story of the multiplication of bread and the walking on the water by two "fishermen".  The versatility of the story is given full credit.

Tussen schaduwen en reflecties: Hans Emmenegger (1866-1940)

Waldinneres 1933

Deze lichtgulp in het donkere woud bracht mij onmiddellijk naar mijn kindertijd. Niet alleen naar de verhalen en sprookjes die zich op deze plaats thuisvoelden, maar ook de locatie zelf: de bossen van Corsendonck, Sint-Pieters Lille, de omgeving van het landhuis in de Ardennen: hun geborgenheid, maar ook de ‘tover’, hun geheimen, de schuilplaats van ‘de Krengels’ (een samenbrengen van engelen en krengen) in de verhalen voor het intussen mooi uitgegroeide kleinkind. Licht en schaduw. Diepte. Het zichtbare en het onzichtbare. Geplooid over de negentiende en twintigste eeuw, werk van de Zwitserse schilder Hans Emmenegger. (1866-1940)

Schneeschmeize 1908-09
19.8.1866 Küssnacht (SZ), 21.9.1940 Luzern, kath., von Flühli und Emmen. Sohn des Johann, Glasfabrikanten, und der Maria geb. Zimmermann. Ledig. 1883-84 Kunstgewerbeschule Luzern, Académie Julian in Paris, dann in den Ateliers von Gustave Boulanger, Jules Lefèbre und Jean-Léon Gérome. Im Winter 1885-86 Stud. in München, Freundschaft mit Max Buri. Ab 1893 Wohnsitz in Herdschwand bei Emmen, zahlreiche Reisen. Ende der 1890er Jahre wurde Arnold Böcklin sein Vorbild. E. malte verlassene, unspektakuläre Gegenden, thematisierte Einsamkeit und Melancholie. 1914-15 zerstörte er viele seiner Bilder. Ab 1915 befasste er sich v.a. mit Bewegungsabläufen, die er in sog. kinetischen Bildern darstellte. E. war ein angesehener Kunst- und Briefmarkensammler. Er trieb Sport und pflegte Kontakte zur Künstlerkolonie auf dem Monte Verità. Ferner war er Mitbegründer der Freien Vereinigung Gleichgesinnter (1901) sowie des Schweiz. Friedensvereins (Sektion Luzern). Zahlreiche Künstlerfreundschaften, u.a. mit Cuno Amiet und Giovanni Giacometti.

In ‘La Fondation de l’Hermitage in Lausanne loopt tot einde oktober een tentoonstelling met een prachtige verzameling van zijn werken. Maar ook in een tentoonstelling in het Orsay-museum in Parijs zijn er vier werken van hem opgenomen die mee onder de noemer ‘Modernités suisses’ schuilen.

"Emmenegger épure les formes. Ses paysages sont très synthétiques, il utilise l'ombre pour faire entrer dans la composition des éléments qui s'avèrent être hors champ, des arbres par exemple. Au final, ses compositions sont "quasiment abstraites".
Sonnenschein im Walde 1906

Wil je hem begrijpen dan moet je zeker even kijken bij het werk van een tijdgenoot die hij bewonderde, ja zelfs verafgoodde: Arnold Böcklin. Een keuze:

L’ île des morts Arnold Böcklin klik op ondertitel om te vergroten Klik daar nog enkele terug voor andere voorbeelden

Je zit meteen bij de kern van kunst-expressie die vanuit het einde negentiende zich over de twintigste eeuw plooide en door hun verkenningen voorlopers waren van de moderniteit die zich zou uitdrukken in werken van: Chirico, Max Ernst, Valloton. Zwemmen in troebel water, schrijft een Franse criticus.

Mais pendant ce temps, en dépits des crises et des doutes freinant sa production, Hans Emmenegger peint. Après avoir intériorisé les avant-gardes découvertes à Paris, il se place sous l’aile d’Arnold Böcklin. Mort en 1901, le Bâlois possède alors une aura de soleil noir. Son symbolisme lourd, teinté d’un humour encore plus dérangeant, ne l’a pas empêché d’acquérir une gloire européenne. L’Alémanique se situe selon certains parmi les derniers garants de la tradition. Pour les autres, il prépare l’avenir. Chirico et Max Ernst vont effectivement beaucoup puiser chez lui. Emmenegger fait au début de même, avant de regarder les «étrangetés» de Félix Vallonton, son aîné d’un an. On pourrait ainsi déclarer qu’il est le fils de ce couple improbable de deux peintres très divers en apparence. Je dis bien «en apparence». Avec Böcklin et Vallotton, et maintenant Emmenegger, nous nageons toujours en eaux troubles.

Hij is een eenling. Hij sport graag, verzamelt kostbare postzegels, erft een landgoed dat hij echter uitdeelt of waarmee hij betalingen doet en tegen geen prijs in delen verkoopt of wegschenkt zodat hij zelf in een huis woont dat niet eens zijn eigendom is terwijl hij van zijn eigen werk niets aan de man-vrouw brengt.

Solitude 1902/04
De grote zaal op de benedenverdieping van de Hermitage biedt dus een prachtige groep landschappen, vooral Italiaanse, die zeer zuiver en gestileerd zijn. Het geeft een gevoel van melancholie en eenzaamheid, dat het gevoel van de kunstenaar, een grote eenling, weerspiegelt. Maar er is ook iets vreemds en schrijnends: de Toscaanse villa heeft gesloten luiken, er is geen menselijke aanwezigheid, de cipressen die Böcklin dierbaar waren, doen denken aan de omgeving van een graftombe. (Pierre Jeanneret)
Das haus Herdschwand 1909
Haus in der Toskana (1903)
Gedurende een korte periode aan het eind van de 19e eeuw schilderde Emmenegger motieven die werden ingegeven door de paleontologie, een onderwerp dat hem na aan het hart lag en dat in wetenschappelijk opzicht grote vooruitgang boekte. In "Période jurassique" (1895) schuwde hij het afbeelden van dinosaurussen niet. Hij werd ook geïnspireerd door het Germaanse verhaal van de Nibelungen en door Wagner, die hij bewonderde, om het moment vóór de moord op Siegfried te schilderen. Na 1903 keerde hij terug naar Midden-Zwitserland en bracht de tweede helft van zijn leven door in zijn dorp Emmen. Hoewel hij een kluizenaar was, nam hij toch actief deel aan het culturele leven van Luzern. Hij wijdde zich volledig aan de Zwitserse landschappen en vernieuwde dit artistieke genre. In een zeer belangrijk schilderij, "Hochwacht", schildert hij niet vanaf de top van de heuvel, die hem in staat zou stellen een grandioos alpenlandschap te aanschouwen in de trant van Hodler, maar van onder de heuvel, bekroond door een enkele bladerloze boom. Hij dramatiseert ook de natuur met bijna fantastisch schaduwspel.(ibidem)
Hochwacht 1904
Op de eerste verdieping van de villa kan men een reeks prachtige schilderijen bewonderen met als thema smeltende sneeuw.(zie tweede schilderij bovenaan dit blog) Het werk van Emmenegger doet denken aan het divisionisme van Segantini en Giovanni Giacometti, maar op een minder realistische manier. De schaduwen nodigen ook uit tot reflectie over het verstrijken van de tijd (in beide betekenissen van het woord). De kunstenaar begeleidde zijn hele oeuvre met meteorologische notities. Hij was ook zeer geïnteresseerd in fotografie. Dit komt tot uiting in twee kleine schilderijen op de tweede verdieping, waar het uitzicht van boven op huizen in Luzern werkelijk fotografisch is.
Haus von oben gesehen II 1918
Blick auf Sternenplatz um 1917

Maar ook de eenvoudige voorwerpen en bloemen kregen zijn aandacht: de aandacht voor een gebundelde kleur, sinaasappelen, een vaas, een zeldzaam naakt. De zuivere vormen doen denken aan een schilderij van Morandi.

Weiblicher akt 1907

Hij wil voortdurend ook de beweging onderzoeken, een poging die dicht bij de Futuristen ligt. Terwijl zij vooral geïntresseerd waren in de machine, de industrie, de auto en de snelheid, wilde Hans Emmenegger beweging in de natuur laten zien. Kijk naar de prachtige reflecties in water.

Reflektion im Wasser 1908/09

Ook zijn vermogen om in landschappen ‘syntheses’ te maken is opmerkelijk. Kijk dus niet alleen naar de standpunten die hij inneemt maar ook naar de combinatie van kleuren en bewegingen.

Einsames Ufer 1902

En je ontdekt de fotograaf in het prachtige zicht op de weides terwijl de schilder zelf vanuit de hoogte, afgeschermd door de boomtakken, de diepte uitrolt.

Sonnige Weide 1904

De omgekeerde beweging, wanneer je vanuit de diepte naar de sprookjesachtige toren op de rots kijkt, gesteund door de rozig gebolde wolken, met de zee in de diepte.

Felsenburg 1900

Ook zonder sprookjesburcht is de massiviteit van rotsen bijna een abstractie van het niet inneembare.

En hier heb je de synthese. Vanuit het eindeloze water nog de trapjes op, door het verlaten en vervallen huis, en stel je voor dat je van daaruit de lang gerekte wolken kunt invliegen. Stel je voor!

Einsames Ufer 1902

En we vertrekken waar we begonnen zijn, bij de kindertijd. Het zondagse hemdje uit, de warme lucht over je huid. En geloven in de betovering die je in de landschappen rondom jou terugvindt. Het is zomer. Volg het paadje, het woud in.

Knabe 1890
Zomertijd eerste versie 1905
Emmenegger a ainsi créé des sous-bois aux ciels bouchés. Ce sont des forêts de troncs épais, comme dans les décors réalisés en 1923 pour «Les Nibelungen» cinématographiques de Fritz Lang. Il a imaginé des collines, vues en contrebas, où au contraire les cieux dominent. Il a aimé les reflets dans l’eau qui, dépourvus de leur contrepartie réaliste, finissent par rejoindre l’informel. Il a imaginé des villes la nuit, avec les fenêtres qui s’allument sans révéler pour autant les drames se cachant derrière. Le peintre a enfin restitué sur la toile des mouvements animaux, un peu comme les futuristes, mais sans leur fébrilité. Sa peinture reste silencieuse, souvent statique, volontairement plate, curieusement dépeuplée. Mais sans austérité pour autant.
Waldbild 1936
Hans Emmeneger rond de dertig

In ieder huis schuilen talloze stillevens

Hoedje met mondmaskertjes
Hier, aan de grote eiken deur, hangt het hoedje in het ganglicht.  Eronder en er naast hangen mooie mondmaskertjes. De dame met het hoedje is dus thuis.De deur is zwaar en ernstig, van het soort dat ze nu niet meer maken. Het hoedje echter is inderdaad nog niet lang geleden ontworpen en uitgevoerd. Een mooie combinatie die zware deur en dat frivole hoedje, duidelijk bedoeld om je in de covid-wereld te begeven.

Het was een mooie wandeling op deze nog maar eens uitgeregende zondagmiddag. Een wandeling door je eigen huis waar je makkelijk een tiental stillevens kon verzamelen. Zondag is een uitgelezen dag om dat mooie begrip stil-leven in je eigen (niet altijd zo stil) leven te ontdekken. Ongewild, zonder enige artistieke bedoeling, de stilte voelen van iets dat voorbij is of nog moet komen. Daartussen vind je het ‘stille’. Ga je ze schikken dan verliezen ze dat toevallige, het ongewilde. Zoals je het mooie avondlicht na de regendag zonder enige reden cadeau krijgt, zo kun je ook het alledaagse bekijken: als een teken van leven dat met stilte is samengevat. Je omgeving is er al lange tijd, maar heb je de -al dan niet toevallige- composities van het alledaagse ook gezien?

Tochtje geschiedenis, toevallig.
Er is, op de overloop, het herderinnetje, tussen schaapjes geprangd en daaronder, in de bibliotheek, de toevallige combinatie van enkele delen wereldgescheidenis met een manuel de conversation Française & Russe, uitgegeven door Albin Michel voor de prijs van 1 (Franse) Frank. Indispensable aux Touristes, volgens de maker de heer N. Slotnikoff geschreven in die tijd dat, zie het wapenschild van de dubbelkoppige adelaar, het bedoelde land nog een echte tsaar had. Het eerste zinnetje voor die 'Touristes' is: Nous sommes arrivés, uitgesproken in het Russisch als 'Mi priéhalie' Het doosje met letterkoppen is van de eens supermoderne IBM-elektrische schrijflmachine, schitterend vormgegeven en een kleine revolutie voor de schrijvende bewoners, lang geleden, net voor de computer zijn intrede deed. Bij het lichtje ligt een brillendoosje. Alles samen:  een zwervend bestaan.
Singer als steunpunt voor net vergulde tuinlibelle

De ‘Singer’ staat er omdat een ‘Singer’ uit dat tijdperk een schoonheid is en we nog naar een kandidaat-overnemer zoeken. Op deze antieke machine ligt een metalen staaf waaraan een metalen libelle is gehecht. Een tuincompositie, net opnieuw verguld, ligt dus op de Singer te drogen nu het buiten ‘geen weer’ is, ook niet voor een tuinlibelle die het van ‘evenwicht’ moet hebben. Het houten vogeltje, een koolmeesje, kijkt naar een overbekend Engels gedicht van Emily Dickinson: “Hope” is the thing with feathers-“

"Hope" is the thing with feathers-
That peches in the soul-
And sings the tune without the words-
And never stops - at all -

In de tuin daarachter zijn de gevederden thuis en worden ze gevoed om dit rotweer door te komen in aanloop naar de gevreesde winter.

Marmeren meisje met duif en het ontbijt-afwasje
Het marmeren meisje met de tuin in de rug, vergezeld door de bronzen duif.  Het meisje dient om een heus hoedje te passen, of als steunpunt voor de kaartjes waarmee de kleinkinderen hun tentoonstelling aankondigden. Het is dus een kwestie van bijhouden, herinneren, of althans van pogingen in die richting, terwijl het sober afwasje in het droogrek zijn zondagmorgen achter de rug heeft. Deze dingen kennen de stilte in het huis want de bewoners zijn naar hun werkkamers en zij wachten geduldig in die stilte. Houtduiven en tortels zijn welgekomen gasten in de tuin. Ze hebben al veel vroeger dan de bewoners ontbeten.
Lichtje met make-up-spulletjes

Een klein landschapje is het, in het zachte licht terwijl het buiten nog maar eens hevig regent. Een landschapje waar de bewoners van een handtas zich tussentijds schuilhouden tot ze weer worden ingeladen. Niet meer voor vandaag, denken ze. Inderdaad.

En hieronder diep licht in flessen gevanggen. Net daarvoor, op een glazen bordje, het gedroogde lijfje van een hommel, de door ons zo bewonderde tuin-bewoner die na een drukke tijd het hommel-loodje legde maar op het schaaltje tot de orde van de allerliefste bevruchters is verheven, een kunstwerkje wiens diep gebrom wij blijven horen in ons naar-lente- verlangend hoofd.

Kris kras enkele van de tientallen plekjes die de naam ‘stilleven’ kunnen verdienen, zonder dat ze daarvoor geschikt of samengezet werden. Ze waren er. We hebben hier en daar de foto’s een beetje bijgeknipt maar zonder hun atmosfeer aan te tasten. Het zijn dan ook geen kunstwerkjes maar gewoon aanwezigheden zoals ze in ieder huis zullen te vinden zijn. Het woord ‘banaal’ is hier nooit op zijn plaats want ze hebben een verbinding met de bewoners, en ze zijn er net op dat moment als we ze zoeken. Wij zijn er, zeggen ze. We horen hier thuis. In de stille alledaagsheid.

Wandel rond en bekijk deze dagen je eigen stillevens. Ook de dingen hebben een ziel. De manier waarop wij hen bij elkaar zetten, hun plaats kiezen en/of veranderen toont hen als mede-bewoners. Soms houden ze herinneringen levend, dan weer dat beetje hoop op betere dagen. Sporen zijn het naar het toen en nu, stille herinneringen of getuigen van die alledaagse verlangens.

En net toen de zondag ging ophouden een dag te zijn, kwam de zon. Op de lekkende tuin. In dat zo bijzondere avondlicht van augustus waar de dagen al flink korten. Ik ben naar buiten gelopen, toch nog dat beeld waarin het ook na deze donkere dag weer licht werd wilde ik je niet onthouden. Tuinen bij regen. Licht op de lekkende laurier.

Avondzon op de lekkende laurierbladeren.

Between angst of fine art and the therapy of making: Sue Stone

Self Portrait
Sue Stone is a British artist who is best known for textural, figurative compositions that often feature a fish; a symbol of her heritage. She was born and raised in Great Grimsby, Lincolnshire which was once a thriving fishing port on the east coast of England. 

Sue is an avid collector of images. The accumulated textures, patterns, colours, texts provide an important source of understanding and awareness of the outside world. The unexpected and the often overlooked become her reference library consisting of many thousands of photographs.
Memories of Gren

De innovatieve textielkunstenares Sue Stone is lid van de 62 groep en de Society of Designer Craftsmen. Zij studeerde mode aan de St Martins School of Art en borduurwerk aan het Goldsmiths College in Londen in de jaren zeventig. Zij woont en werkt nu in Noord Oost Lincolnshire.

Ze gebruikt hand- en machineborduurwerk als een middel om kunst te te maken. Haar inspiratie haalt ze uit onderwerpen uit zowel het verleden als het heden, die allemaal in verband staan met haar eigen leven en omgeving. Haar werk bevindt zich tussen de angst van de beeldende kunst en de therapie van het maken en is vaak figuratief en regionalistisch, meestal verhalend en soms met een surrealistisch gevoel voor humor.

Mijn eerste invloeden waren mijn vader, die me mijn werkethiek en de vastberadenheid om te slagen gaf, en mijn moeder, die een kledingswinkel had. Zij leerde mij met haar Singer- naaimachine werken toen ik ongeveer 6 jaar oud was en vanaf heel jonge leeftijd wilde ik alleen nog maar kleding ontwerpen en maken, eerst voor mijn poppen en daarna voor mezelf.

Mijn moeder was onwankelbaar in haar steun toen ik aan de kunstacademie wilde gaan studeren in een periode waarin 'meisjes van het gymnasium dat soort dingen niet echt deden'.

Mijn vader was in de jaren vijftig en zestig vishandelaar in Grimsby. Mijn inhoud heeft altijd een verband met mijn eigen leven of omgeving. Ik verwijs naar familie en vrienden, de kust van Lincolnshire en omgeving, naar Grimsby's afhankelijkheid van de visindustrie en de trieste teloorgang daarvan en naar de tijd die ik in Londen heb doorgebracht en naar mijn reizen, zowel in binnen- als buitenland.
Ik studeerde Fashion Design aan de St Martins School of Art en vervolgens Textiel/Borduurwerk aan het Goldsmiths College in Londen, waar ik les kreeg van Constance Howard, Christine Risley, en Eirian Short. Alle drie hebben ze sindsdien een invloed op mijn werkpraktijk gehad.

Constance Howard was een kleine charismatische persoon met helder groen haar en de eerste keer dat ik haar ontmoette stelde ze zich voor als Mrs Parker. Ik had geen idee wie ze was op dat moment of van haar belang bij het vestigen van textiel als kunstvorm in de 20ste eeuw. Ze was gewoon Mrs P, een inspiratie voor al haar studenten die mij mijn levenslange liefde voor borduren hebben gegeven.
A family’s life 1
Mijn gekozen medium is geborduurd textiel. Mijn technieken zijn eenvoudig en rechttoe rechtaan. Ik combineer hand- en vrije machinesteken met appliqué en weven met de naald. Door een klein vocabulaire van eenvoudige steken te gebruiken en de stoffen en draden te variëren, kan het eindresultaat heel verschillend zijn.

Mijn werk leeft in het ongewisse ergens tussen de angst van de beeldende kunst en de therapie van het maken, waarbij de inhoud voorrang krijgt op de techniek.
Boxing Day with Grand Dad

Het meeste van mijn werk ontwikkelt zich tijdens een lange, trage periode, waarbij het maanden of zelfs jaren kan duren voor grote stukken tot stand komen. Veel denken, dan beelden verzamelen, soms tekeningen maken, voordat het uiteindelijke werk op een computerscherm tot leven komt. Ik gebruik de computer als een hulpmiddel om zowel te experimenteren als tijd te besparen bij het compositieproces. Als de compositie eenmaal vaststaat, reduceer ik alles tot een eenvoudige lijntekening in Adobe Photoshop.
Daarna print ik alles uit in A4 tegels met behulp van Adobe Illustrator.

Dan komt het spannende gedeelte, het beginnen met stikken. Het grootste deel van mijn tekening wordt direct in stitch gedaan met vrije bewerking en het inwerken met hand stitch waarbij het beeld instinctief wordt opgebouwd totdat het compleet is. Ik heb een routine van werken op mijn naaimachine gedurende de dag met Radio 4 of muziek op de achtergrond en hand borduren ’s nachts met de TV als gezelschap. Ik zou graag zeggen dat ik in een grote, lichte, luchtige studio werk, maar de realiteit is dat ik op dit moment in een kleine, vrije slaapkamer werk en ’s avonds vanaf de bank in mijn woonkamer, maar hopelijk heb ik zeer binnenkort een studio.

Family Life 2019
Most of my work evolves during a long, slow period with major pieces taking months or even years to come to fruition. A lot of thinking, then gathering images, sometimes making drawings, before the final piece starts life on a computer screen. I use the computer as a tool to both experiment with, and save time with the composition process. Once the composition is decided I reduce everything to a simple line drawing in Adobe Photoshop.
I then print out everything in A4 tiles using Adobe Illustrator.

Then comes the exciting part, starting the stitching. Most of my drawing is done directly in stitch with free machining and the worked into with hand stitch building the image instinctively until it is complete. I have a routine of working on my sewing machine during the day with Radio 4 or music in the background and hand stitching at night with the TV for company. I’d like to say I work in a large, light, airy studio but the reality is that I work in a small, spare bedroom at present and from the sofa in my living room at night but hopefully I will have a studio very soon.

I am currently exploring displacement, a sense of belonging/not belonging, using old family photographs of days out juxtaposed into a modern day environs featuring work by street artists in the East End of London. I enjoy the ‘out of place’, the unexpected, the bizarre and I am an avid photographer who makes a constant visual record as an ‘aide-mémoire’ both at home and on my travels.

The visual artists I admire are diverse, from textile artists, Audrey Walker, who is a master of hand stitch, Alice Kettle, whose work so dynamic and expressive, and Tilleke Schwarz whose work never fails to raise a smile, to mixed media artists, Jae Maries, who started as a painter which shows in her sublime use of colour and the sensitivity of her mark making, and Michael Raedecker, a Dutch artist, now living in London who also combines stitch with paint but often on a large scale over several canvases. I also admire Gaudi architecture, the complex symbolism of painter Frida Kahlo, the wit of René Magritte and the surrealism of Salvador Dalí.

A lot can happen in 50 years

I am currently exploring displacement, a sense of belonging/not belonging, using old family photographs of days out juxtaposed into a modern day environs featuring work by street artists in the East End of London. I enjoy the ‘out of place’, the unexpected, the bizarre and I am an avid photographer who makes a constant visual record as an ‘aide-mémoire’ both at home and on my travels.

The visual artists I admire are diverse, from textile artists, Audrey Walker, who is a master of hand stitch, Alice Kettle, whose work so dynamic and expressive, and Tilleke Schwarz whose work never fails to raise a smile, to mixed media artists, Jae Maries, who started as a painter which shows in her sublime use of colour and the sensitivity of her mark making, and Michael Raedecker, a Dutch artist, now living in London who also combines stitch with paint but often on a large scale over several canvases. I also admire Gaudi architecture, the complex symbolism of painter Frida Kahlo, the wit of René Magritte and the surrealism of Salvador Dalí.

When I first returned to stitching in 2002 my work was purely decorative and mainly abstract but since around 2007 I have seen it become more figurative, more humourous and certainly more surreal.

I feel a move towards a more political stance is evolving, certainly in my thought processes, during which I hope to keep my sense of humour whilst pursuing more serious topics.

Bezoek haar websites:

De stilte in de kleuterklas van net na de tweede wereldoorlog als 56 jochies (meer dan de helft jongetjes) met naald en draad hun eerste tekeningen op de voorgetekende lijntjes maakten, doorprikte kartonnen kaarten die we na de laatste schooldag mee naar huis mochten nemen, samen met de eerste geschreven zinnetjes. Je begreep al heel vlug dat er letters waren maar dat je ook je eigen letters kon verzinnen, dat je met het weefwerk net zo goed kon tekenen als met een griffel. Kleuren samenbrengen van stofrestjes waarmee je toneelkleren ging ontwerpen, kijken hoe het stiksel van de Singer-machine niet alleen je kleren oplapte maar ook de eerste letters van je naam en voornaam erin borduurde als je op kamp ging. De avonden voor de feesten als er tot in de late avond geknipt en gestikt werd, gepast en gezucht, maar, o wonder, de volgende morgen alle spullen als gegoten pasten. Het geheimschrift van textiel, de geuren van de verschillende stoffen, inderdaad waarom zou dit alles net als olieverf of klei geen scheppend materiaal kunnen zijn waarmee je kon tekenen en componeren? Sue Stone heeft die oorspronkelijkheid begrepen en nog steeds blijft ze dit zachte medium wonderlijk hanteren. Het was een plezier je te mogen rondleiden in deze betovering.

Met het einde van de kleuterklas eindigde ook onze ‘gemengde opvoeding’. Bij de broeders leerden we in het eerste leerjaar tijdens de gymles het liedje zingen:

Groot soldaatje, klein soldaatje,
moet nu flink marsjeren.'

En dat was tijdens het schooljaar 1950-1951, met de Koreaanse oorlog nog in de lucht.
Portrait of a Lincolnshire Lad 2015

‘Je nest terugvinden’, een vrij vroeg kerstverhaal

Sam Bloom met ekster ‘Pinguin’ op schouder Foto: Cameron Bloom

Het wil allemaal wel even, maar het zet zich niet door. ‘Het’ is in dit geval ‘het weer’, of ook ‘de algemene toestand’, kortom: de malaise van een verloren seizoen, of zelfs, volgens pessimisten, verloren jaren. Tijd dus voor een echt gebeurd verhaal dat mij alvast opbeurde temidden de chaos van mondmaskers, cancel-culture, kreten en gefluister om Bergman te citeren, letterlijk en figuurlijk uit het nest vallen, en met de hulp van een gevederde (je voelt de engel aan komen zweven?) pijnen en donkere luchten alvast enigszins te verlichten. De kracht van het opgetild worden, al dan niet op eigen kracht zoals al bleek uit de vitale afbeelding van Karel Appel: People, Birds and Sun en dat deed hij in 1954 maar gloeit in 2021 nog makkelijk tot ver achter onze ogen verder. Een mooie combinatie.

People, Birds and Sun 1954 Karel Appel

Wat voorafging:

Samantha Bloom is een Australische vrouw die als verpleegster werkte en door Afrika reisde. Later werd ze verliefd op Cameron Bloom, fotograaf, en kreeg ze drie zonen met hem - Rueben, Noah en Oliver - ze vestigden zich in de Northern Beaches van Sydney.

Cameron Bloom, zijn vrouw Sam en hun drie jongens waren een normaal, gelukkig gezin - tot een bijna fatale val, tijdens een gezinsvakantie in Thailand, Sam verlamd en in een diepe depressie achterliet. "Ik hoorde een afschuwelijke klap van gebroken klokken, een gewelddadig gerinkel van metaal op steen." Sam leunde tegen een veiligheidshek - parallelle rijen stalen palen vastgebout aan betonnen pilaren-... Het hek stortte onder haar in... en ze verdween in de diepte. Sam lag 20 meter dieper op de tegels. Ze lag volkomen stil." Sam had een dwarslaesie opgelopen en was nu paraplegisch. 

Het zou zeven maanden duren voordat Sam naar Australië kon terugkeren, en Cameron moest gespannen wachten in het Thaise ziekenhuis terwijl Sam herstelde. Toen het gezin terugkeerde naar Sydney, raakte Sam, die toen 45 jaar oud was, in een depressie.
Sam Bloom with her husband Cameron and their three boys: Oli, Noah, and Reuben. Photo: Cameron Bloom Facebook

Sam’s schedel was op verschillende plaatsen gebroken, en ze had een hersenbloeding. Beide longen waren gescheurd en één was volledig ingeklapt doordat haar borstholte zich met bloed vulde. Er was geen orgaan in haar lichaam dat niet gehavend was, en haar ruggengraat was verbrijzeld bij T6 en T7, net onder haar schouderbladen. De dokters vertelden haar dat ze nooit meer zou kunnen lopen. Maar hoe ernstig haar lichamelijke verwondingen ook waren, de emotionele schade was veel erger. Sam voelde dat ze gewoon niet verder kon.

Drie maanden na haar thuiskomst vond haar zoon Noah, toen elf jaar, een gewonde baby-ekster die de naam ‘Pinguin’ kreeg. Het vogeltje was uit het nest gevallen en meer dan 60 voet, bijna twintig meter, op een geasfalteerde parkeerplaats terecht gekomen, waar het zou gestorven zijn als de familie Bloom het niet mee naar huis had genomen.

foto: Cameron Bloom

Cameron: De baby ekster had zelf al genoeg problemen. Ze was uit haar nest gevallen, zo’n 20 meter hoog uit een hoge Norfolk-dennenboom op een geasfalteerde parkeerplaats, en had onmiddellijk verzorging nodig, anders zou ze binnen enkele uren gestorven zijn. Onze familie had genoeg tragedie meegemaakt voor een mensenleven en we wilden niet werkeloos toezien. Dus we pakten haar in en namen haar mee naar huis.

Omdat we geen opvangcentrum konden vinden dat een gewonde wilde babyvogel wilde opvangen, besloten Sam en ik dat ons gezin voor dit slappe pluisbeertje zou zorgen totdat ze volledig genezen was en sterk genoeg was om voor zichzelf te zorgen. Als dat niet lukte, zouden we haar in de achtertuin te ruste leggen. Hoe dan ook, ze zou bij ons blijven. De jongens noemden haar onmiddellijk Pinguïn, naar haar zwart-witte verenkleed, en dat was dat. Onze drie zonen hadden er plots een zusje bij. Miss Penguin Bloom!

foto: Cameron Bloom

Na deskundig advies van de dierenarts te hebben ingewonnen, konden we het uitgedroogde, hongerige en uitgeputte vogeltje (dat nog steeds in een shocktoestand verkeerde) al snel aan het eten, drinken en comfortabel rusten krijgen. Dit was een echte overwinning, maar haar herstel bleef onzeker. Hoewel haar beschadigde vleugel niet ernstig gebroken bleek te zijn, was ze ernstig verzwakt en vatbaar voor ziekte. Er waren vele dagen dat Pinguin haar eten weigerde en zo lusteloos leek dat we dachten haar te verliezen. Sommige avonden, toen we haar in bed stopten, vroegen we ons af of ze de nacht wel zou overleven.

foto: Cameron Bloom

foto: Cameron Bloom

Het is niet gemakkelijk om voor een ziek of gewond wild dier te zorgen, en dit geldt vooral voor een babyvogel – zoals we al snel ontdekten. Onze kleine meid was nogal een handvol. De zorg voor Pinguin, vooral tijdens de eerste weken, was een enorme inspanning – vooral omdat ze om de twee uur gevoed moest worden. Gedurende deze tijd kreeg Pinguin een band met elk lid van het gezin, maar haar relatie met Sam was speciaal.

foto: Cameron Bloom
foto: Cameron Bloom

We hadden geen kooi en we waren ook niet van plan er een te kopen. Pinguin was een wilde vogel en we wilden niet dat ze anders zou opgroeien. We maakten een eenvoudig nest van een oude rieten wasmand en bekleedden die met zachte katoenen stof om haar warm te houden. Toen Pinguin meer zelfvertrouwen kreeg, ging ze ’s nachts op de vensterbank zitten bij een open raam – hoewel er ook veel momenten waren dat ze door de gang sloop tot ze een open slaapkamerdeur vond en in bed sprong om te knuffelen. Het was duidelijk dat ze voelde dat de plek van haar was.

foto: Cameron Bloom
foto: Cameron Bloom
Sommige tieners zijn dolblij als ze hun eerste flat krijgen - maar Pinguin was helemaal niet onder de indruk toen we haar in de frangipaniboom in onze achtertuin plaatsten. Ze probeerde steeds het huis weer binnen te sluipen, vaak met veel succes, maar ze leerde al vlug hoe ze haar eigen voedsel moest zoeken en floreerde snel. Toch hielden we onze kleine meid goed in de gaten. Haar verwondingen en ziekte hadden haar lichamelijke ontwikkeling vertraagd en zolang ze niet goed kon vliegen, zou ze nooit volledig onafhankelijk zijn.

Terwijl dit alles gaande was, vocht Sam haar eigen strijd om weer te kunnen bewegen en haar gevoel van eigenwaarde terug te krijgen, na haar vreselijke ongeluk. Haar overweldigende gevoel van verlies maakte het moeilijk voor haar om de wereld onder ogen te zien. Ze vermeed zelfs oude vrienden van wie ze veel hield, omdat het onmogelijk was haar verdriet, frustratie en woede over wat er met haar gebeurd was te verwoorden zonder in elkaar te storten.

foto: Cameron Bloom

Hoe graag we Pinguin ook in huis hadden (ondanks haar kenmerkende poepresten op elke stoel, gordijn, deken, kussen en tafelblad), het werd al snel duidelijk dat we haar moesten helpen een onafhankelijke jonge vrouw te worden. Voor Pinguin’s eigen bestwil moest ze veel meer tijd buitenshuis doorbrengen. Haar gezondheid en welzijn op lange termijn hangen af van haar vermogen om voor zichzelf te zorgen in haar natuurlijke omgeving, en het spelen van videospelletjes, het lezen van boeken en het kijken naar films met haar broers kon nauwelijks als een adequate voorbereiding op deze belangrijke overgang worden beschouwd.

foto: Cameron Bloom

De dag dat Sam vertrok om deel te nemen aan de Wereldkampioenschappen Kajak in Italië, als lid van het Australische para-kano team, vloog Pinguin voorgoed weg. We horen van tijd tot tijd leuke verhalen over haar in de stad, maar ze heeft een vriendje gevonden en een eigen nestje gebouwd en is verder gegaan met haar leven. We zijn het er allemaal over eens dat ze een uitstekende moeder zal zijn en we zijn erg blij voor haar. Natuurlijk missen we haar enorm – maar we wisten dat ze wild van hart was toen we haar vonden. Het was niet aan ons om haar de eindeloze blauwe lucht te geven, het was altijd al haar recht. Waar Pinguin ook heen gaat, ze zal altijd een deel van ons zijn. Wat ons betreft is Pinguin het levende bewijs dat engelen er in alle soorten en maten zijn.

Foto Cameron Bloom

Ja, en er kwam een boek, of zelfs twee, en de gebeurtenissen waren uitstekende stuf voor Netflix om er een speelfilm mee te maken die 2021 zijn première beleefde. De kern dat levende wezens van deze planeet niet in ondergeschikte categoriën kunnen ingedeeld worden, maar in hun specifieke verschijning elkaar even-waardig kunnen bijstaan is een mooie kostbare gedachte. Delen, maar niet stelen. Een samenleven met respect voor ieders eigenheid dat soms toevallig of niet kan gedeeld worden.

Je kunt op de webside van de Blooms zeker via Instagram nog een aantal mooie foto’s van Cameron bekijken die intussen ook filmproducent is:

https://www.instagram.com/penguinthemagpie/

Ik zie dat de Nederlandse versie van het boek intussen is uitgegeven bij Xander uitgevers Haarlem NL. ‘Penguin Bloom, de kleine ekster die ons gezin redde.’ (17,99 euro) Bij Bol vind je ook de originele versie: Penguin Bloom, The odd little burd who saved a family, 11,49 euro. En andere edities.

Het was vorige kerst een mooi geschenk, en dus is dat een leuk besluit voor wie weldra aan deze tedere dagen begint te denken en…er graag naar verlangt. Wees zacht voor elkaar, de tijd is kort.

Fausto Melotti: ‘Kunst is een engelachtige, geometrische denkwijze.’

Nog voor ik de wondere vooroorlogse wereld van de Italiaanse kunstenaar Fausto Melotti (1901–86) ontdekte, kwam ik via een recent artikel in The New York Times uit bij keramiek van zijn hand, medium, waarin hij zich met inbegrip van terra-cotta, vijftien jaar lang beperkte. Dat werkwoord ‘beperken’ is niet toevallig gekozen want voordien had hij zich vooral toegelegd op wat NY-Times zo mooi beschrijft als:

...best known for abstract, lightweight constructions of metal filaments, from which he suspended thinly pounded sheets of brass and gold. (His friend, the writer Italo Calvino, called them “a score of weightless ideograms,” and used them as an inspiration for his novel “Invisible Cities.”)
Contrappunto III 1970

Hij had al eerder, in de late jaren 1920 vazen en vessels gemaakt onder leiding van de hoog geprezen architect Gio Ponti, maar nu, eens zijn Milanese gebombardeerde studio, Via Leopardi, hersteld was, bleek dit medium:

'With their delicate wobbles and impure finishes, many of Melotti’s ceramics seem to be as ancient as they are modern — and indeed postwar Italy witnessed a flowering of decorative arts, including Carlo Scarpa’s glassware and Carlo Mollino’s furniture, that gently historicized and regionalized the rigors of European modernism. The modest confidence of these vases and bowls has a particular appeal if you have been trapped inside lately, scrolling through seemingly interchangeable ceramics influencers.' (NY Times Jason Farago April 23 2021)
Copett Lowres
Copetta c. 1965 Glazed polychrome ceramic 6.4 x 14 cm Barbara Mathes Gallery NY
Fausto Melotti was een zelfverklaard liefhebber van keramiek; hij adoreerde dit buigzame en intrigerende materiaal. In een interview met Harper's Bazaar in 1974 verklaarde hij: "Het is een rommeltje. Het is een amfibisch iets en onder de oppervlakte is er altijd een zekere mate van onzekerheid, omdat je nooit precies kunt weten wat je doet. Er is een chef-directeur die het vuur aan de schenen legt en uiteindelijk de operaties leidt. Hoeveel je ook doet, uiteindelijk zal hij er zijn eigen stempel op drukken en dat zal een artiest altijd ergeren." (Sothebys)

Fausto Melotti was a self-declared lover of ceramics; he adored this ductile and intriguing material. In an interview with Harper's Bazaar in 1974 he declared: "It is a mess. It is an amphibious thing and under the surface there is always a level of uncertainty, because you can never know exactly what you do. There is a Chief Director that is the fire, who stands at your shoulders and ends up directing operations. No matter how much you do, in the end he will add his own mark and this will always annoy an artist." (Sothebys)
Fausto Melotti Vasi 16

Voor we allerlei pogingen tot beschrijving van zijn meer bekende werk gaan wagen, probeer ik het eerst zonder woorden maar met de ook door hem geliefde muziek. Itzhak Perlman met Bach, viool sonata nr 1 in G Minor, BWV 1001, tweede deel: Fuga. Vijf en een half minuutjes wonderlijke muziek. Daarna de woorden.

Een fuga (van het Latijnse fugere, vluchten) is een muziekvorm waarin meerstemmigheid (contrapunt) en gevarieerde herhaling een hoofdrol spelen. Deze vorm ontwikkelde zich in de 18e eeuw uit verschillende soorten contrapuntische composities als de ricercares, capriccio's, canzones, en fantasia's. 

Een fuga heeft meerdere episodes, de eerste wordt ook wel expositie genoemd, omdat daaruit blijkt uit hoeveel stemmen de fuga bestaat. De expositie is voorbij wanneer alle stemmen een keer het thema hebben gespeeld. De episodes worden doorgaans onderbroken door korte divertimenti waarin op het materiaal van de thema's wordt gevarieerd. Elke expositie kenmerkt zich door een specifiek gebruik van bepaalde toonsoorten en themabehandelingen.

Tre tempi 1971

Fausto Melotti wordt beschouwd als de pionier van de geometrische abstractie in Italië. Zijn artistieke reputatie berust op zowel abstracte creaties gebaseerd op geometrische vormen als op figuratieve creaties getekend door poëzie. Deze zijn een meesterlijke weerspiegeling van de twee disciplines die hun stempel hebben gedrukt op zijn creatieve werk: muziek en techniek. Hij liet ook een belangrijk aantal tekeningen, keramiek en de Teatrini serie na aan het nageslacht. Deze vormen samen met de fantasierijke draadsculpturen een compleet en verbazingwekkend coherent oeuvre, dat wordt gekenmerkt door een voortdurende zoektocht naar nieuwe materialen en creatieve mogelijkheden. Net als zijn landgenoot en vriend Lucio Fontana was Fausto Melotti een van de eersten die de essentie van de dingen trachtte weer te geven door ze te bevrijden van alle bijkomende elementen en die in zijn werk het streven naar eenvoud manifesteerde, zowel in de uitdrukking als in de keuze van het materiaal en de techniek. (Galerie Karsten Greve)

Scultura nr 14 1935

De artistieke loopbaan van Fausto Melotti (Rovereto, 1901 – Milaan, 1986) vormt een continu proces van bevraging van zowel vorm als materie. Zijn enorme oeuvre lijkt zeer gediversifieerd, met duidelijke taalkundige en materiële mutaties van het ene decennium op het andere, een symptoom van zijn voortdurende experimenteren dat putte uit verschillende bronnen, vooral muziek. Harmonie, evenwicht en strengheid kenmerken zijn beeldhouwwerken vanaf de jaren 1920, wanneer Melotti, na te zijn afgestudeerd in elektrotechniek aan de Politecnico di Milano, zijn artistieke onderzoek begint. Aanvankelijk stond hij dicht bij de futuristen, maar zijn werk werd gekenmerkt door de ontmoeting met de rationalistische architectuur, in Milaan vertegenwoordigd door Gruppo 7, en met Lucio Fontana, met wie hij een duurzame vriendschap sloot.

Canone variato II 1971
Buona Notte Bambini Goede Nacht, Kinderen.

Van aardewerk en keramiek tot staal, van abstractie tot figuratie, al zijn werk wordt gekenmerkt door de oscillatie “tussen het materiële register en de mentale impuls, tussen herinnering en onderzoek,” zoals Germano Celant opmerkte. De lijn, eerder dan het volume, werd het centrale element in zijn creaties, die bestaan uit geometrische vormen en de relatie tussen leegte en vaste stof, en zo een impliciete gratie en lichtheid suggereren. “Kunst is een engelachtige, geometrische denkwijze. Ze doet een beroep op het intellect, niet op de zintuigen. […] Het is niet de modellering maar de modulatie die telt. […] De grondslagen van de harmonie en het plastisch contrapunt zijn te vinden in de geometrie,” verklaarde de kunstenaar. (Jole de Sanna Artforum)

La vacca lunatica
Rainbow inside home 1978
De zeven wijzen

Of het nu kleine theatertjes zijn, reusachtige beelden, abstracte composities, telkens weer blijft wat je ziet slechts een aanleiding om het idee zoveel mogelijk te bevrijden van de ‘kunst-matige’ elementen. Vormgeving en materiaal zouden geen punt van discussie mogen zijn, wel de direkte verbinding tussen kijker en maker. Of daardoor wel eens de arte povera meer een voorwaarde dan een noodzakelijkheid is, blijft een open vraag. Als ik zijn ‘theatertjes’ zag, had ik zin om een aantal ideeën in die trant uit te werken, om ze inderdaad te bevrijden van ‘…wat de esthetica zou voorschrijven zonder echter de versimpeling zo ver door te drijven dat het resultaat elke mogelijke vorm van overdracht mankeert en daardoor steriel en ook weer als kunst-matig kan overkomen.

De revolutie van de armen
La Sposa di Arlecchino 1979
Le torri della citta invisibile 1976

Dergelijke tegenstrijdige invloeden waren niet uniek voor Melotti, maar zijn kenmerkend voor de hele internationale generatie van het midden van de jaren 1920, die rekening moest houden met de “klassieke” keuzes van Giorgio de Chirico en de Parijse “Rappel à l’ordre” (Oproep tot orde), terwijl ze in een gespannen verstandhouding leefde met het futurisme en beefde van bewondering voor Piet Mondriaan en Theo Van Doesburg. Het resultaat voor Melotti was een kunst die voortdurend elementen uit verschillende artistieke contexten filterde, zeefde en integreerde, de synthese van tegenstrijdige tendensen in een levenslange poging om het totale kunstwerk te creëren. (Jole de Sanna)

L’ Eco (The Echo) 1945 Terracotta
De 'Fondazione Fausto Melotti bezit een 'Catalogue Raisonné' van Melotti's werk.  Je vindt er ook een biografie, nieuws van tentoonstellingen, bibliografie in het Italiaans en het Engels.
Ga naar:
The shadow of the soul 1984
I Filosofi 1945
zonder titel 1953
Verbergen in de schone schijn
-de kans is klein-
Ver ook het venijn
luister
naar de stilte
het uiteindelijk
mogen zijn.
Corale- Het Koor 1980 1981 500cm

Kwetsbare ruimtes: ‘Espèces d’ Espace’

J’aimerais qu’il existe des lieux stables, immobiles, intangibles, intouchés et presque intouchables, immuables, enracinés ; des lieux qui seraient des références, des points de départ, des sources : 

Mon pays natal, le berceau de ma famille, la maison où je serais né, l’arbre que j’aurais vu grandir (que mon père aurait planté le jour de ma naissance), le grenier de mon enfance empli de souvenirs intacts…

De tels lieux n’existent pas, et c’est parce qu’ils n’existent pas que l’espace devient question, cesse d’être évidence, cesse d’être incorporé, cesse d’être approprié. L’espace est un doute : il me faut sans cesse le marquer, le désigner ; il n’est jamais à moi, il ne m’est jamais donné, il faut que j’en fasse la conquête.

Mes espaces sont fragiles : le temps va les user, va les détruire : rien ne ressemblera plus à ce qui était, mes souvenirs me trahiront, l’oubli s’infiltrera dans ma mémoire, je regarderai sans les reconnaître quelques photos jaunies aux bords tout cassés. Il n’y aura plus écrit en lettres de porcelaine blanche collées en arc de cercle sur la glace du petit café de la rue Coquillière : « Ici, on consulte le Bottin » et « Casse-croûte à toute heure ». 

L’espace fond comme le sable coule entre les doigts. Le temps l’emporte et ne m’en laisse que des lambeaux informes : 

Écrire : essayer méticuleusement de retenir quelque chose, de faire survivre quelque chose : arracher quelques bribes précises au vide qui se creuse, laisser, quelque part, un sillon, une trace, une marque ou quelques signes.

Perec, Espèces d’Espace, in « Œuvres I », [1974], Gallimard Pléiade, 2017.

eigen foto

Ik zou willen dat er stabiele, onbeweeglijke, ongrijpbare, onaangeroerde en bijna onaantastbare, onveranderlijke, gewortelde plaatsen zijn; plaatsen die referenties zouden zijn, vertrekpunten, bronnen:

Mijn geboorteland, de bakermat van mijn familie, het huis waar ik geboren ben, de boom die ik zou hebben gezien toen ik opgroeide (en die mijn vader zou hebben geplant op de dag dat ik geboren werd), de zolder van mijn jeugd vol onaangeroerde herinneringen…

Zulke plaatsen bestaan niet, en juist omdat ze niet bestaan wordt ruimte een vraag, is ze niet meer vanzelfsprekend, wordt ze niet meer opgenomen, wordt ze niet meer toegeëigend. De ruimte is een twijfel: ik moet haar voortdurend markeren, haar aanwijzen; zij is nooit van mij, zij is mij nooit gegeven, ik moet haar veroveren.

Mijn ruimtes zijn kwetsbaar: de tijd zal ze slijten, zal ze vernietigen: niets zal lijken op wat was, mijn herinneringen zullen me verraden, vergetelheid zal mijn geheugen binnendringen, ik zal naar een paar vergeelde foto’s met gebroken randen kijken zonder ze te herkennen. Op de spiegel van het kleine café in de rue Coquillière zullen niet langer in witte porseleinen letters in een boog geschreven staan: “Ici, on consulte le Bottin” en “Casse-croûte à toute heure”.

De ruimte smelt als zand tussen de vingers. De tijd neemt haar weg en laat me alleen met vormloze flarden achter:

Schrijven: nauwgezet proberen iets te behouden, iets te laten overleven: een paar precieze snippers afscheuren uit de leegte die wordt uitgegraven, ergens een groef achterlaten, een spoor, een teken of een paar tekens.

Perec, Espèces d’Espace, in « Œuvres I », [1974], Gallimard Pléiade, 2017.

eigen foto

Bij elke lezing verandert het beeld, naargelang de lezer(es) herinneringen visualiseert die naarmate de leeftijd dichter of verder van het herinnerde verwijderd zijn. Hun kwetsbaarheid vind je ook in het persoonlijke karakter van elk beeld, de betrokkenheid bij het beeld, de rol die jij bij dit beeld hebt gespeeld. (of dacht gespeeld te hebben, want herinneringen…) De gewenste stabiliteit of waarheidswaarde zal de werkelijkheid eerder vervalsen, haar waardes toekennen die ze nooit heeft gehad, een bekende vervalsing bij het verheffen van deze herinneringen tot canon. Een natuurlijk verschijnsel ook, het terugduwen van zovele verschillende herinneringen in één en dezelfde bedding. De geschiedenis toonde meermaals wat daar de pijnlijke gevolgen van waren.

Ekaterina Panikanova

Maar het woord vooruitschuiven om wat zo diep in ons verborgen is hoor- en zichtbaar te maken. De onderdelen tot een nieuw beeld oproepen waarin jouw ervaring de beperking maar ook de verpersoonlijking is van dat fragment verleden. Je haalt het uit zijn tijdelijk jasje, de verschijningsvorm is immers erg met een tijdperk verbonden, en je probeert het een plaats te geven in de huidige tijdsruimte waarin bepaalde onderdelen in het licht van nu een totaal andere reflectie kunnen krijgen. Het tijdelijke terug ‘in de tijd’ brengen. Dat is op allerlei vlakken een moeilijke operatie. Naarmate je ouder wordt kan net daardoor een gevoel van vereenzaming optreden:

Het kind dat wij waren

Wij leven ’t heerlijkst in ons vèrst verleden:
de rand van het domein van ons geheugen,
de leugen van de kindertijd, de leugen
van wat wij zouden doen en nimmer deden.

Tijd van tinnen soldaatjes en gebeden,
van moeder’s nachtzoen en parfums in vleugen,
zuiverste bron van weemoed en verheugen,
verwondering en teêrste vriendelijkheden.

Het is het liefst portret aan onze wanden,
dit kind in diepe schoot of wijde handen,
met reeds die donkre blik van vreemd wantrouwen.

’t Eenzame, kleine kind, zelf lang verdwenen,
dat wij zo fel en reedloos soms bewenen,
tussen de dode heren en mevrouwen.

E. du Perron (1899-1940)
uit: Parlando (1930)
Ekaterina Panikanova

Er zijn zeker nog lezers(essen) die de voorwerpen op het prentje hieronder herinneren. Bij de vijftig en meer kinderen uit het laatste kleuterklasje van even na de tweede wereldoorlog waren het kostbare bekertjes waaruit je, na lang oefenen met potlood en griffel-op-de-lei- je de eerste letters, met de pen -in-inkt-gedoopt, op het bijzonder gelijnd papier mocht zetten. Twee lijntjes dicht bij elkaar en daarboven en daaronder een lijn die de grens van de lussen aanduidde. (Herinner je de prachtige doosjes vol kroontjespennen.)

Aapjes aten uit hun poot
en bakkers bakten voor ons brood
maar Charlotte met haar 'chocolaad'
drentelde daarna met een dame op de straat.
En er was de ezel, de fruitvrouw, Gijs met zijn geitje, en zelfs een held met houwer(!) op zij.  Ik vond Isaac met zijn inktpot niet zo goed bezig, en of ik ook een neef had die mij een jasje zou schenken? Of rook ik de koffie die koopman verzond? De landman die leeuweriken vond en de molen die maalt door de wind was voor Nicolaas heel gewoon tot hij een nestje vond. Maar een otter en een papje (? papegaai) en een rover die appelen steelt, om maar te zwijgen van het scheepje waar Steven mee speelt en de trommel die tante mij schonk terwijl het uiltje zit op zijn tronk en V een visser was met vis in zijn schuit, w de wagen en dan die rare x (zeg ken je die wel?) terwijl IJ een ijsbeer introduceerde die wit is van vel en tenslotte Z een zeeman, die zegt u vaarwel.

Een ABC-boek waarin de personages (meestal nog in 19de eeuwse klederdracht want oorspronkelijk uit 1845) mij al vlug intrigeerden. Je kon de bakker en Charlotte samenbrengen, en met het geitje de stoere held-met-zijn-houwer een stevige stoot toedienen, om met de brief van Isaac bij de koopman koffie te bestellen, enz. Om met je eigen verhaal te eindigen: ‘al wie dit leest, is zot, een eerste street-art-creatie op de muur van de nijdige buurman achter te laten, en dat was nog maar een begin.

En met dat schrijven zou het mogelijk zijn…

Schrijven: nauwgezet proberen iets te behouden, iets te laten overleven: een paar precieze snippers afscheuren uit de leegte die wordt uitgegraven, ergens een groef achterlaten, een spoor, een teken of een paar tekens. (Perec)
Plensa
Later, veel later
flink geoefend en honderd- of duizendmaal
opnieuw begonnen,
kon je het kind dat je tenslotte levenslang  meedraagt
onder letters brengen:

-komt thuis van school, 
de aardbeien wachten op de gedekte tafel
en moeder zingt zonder woorden
een melodietje. van de radio.

Het is zomer.
Een miljoen dagen vakantie
voor de boeg
die overmorgen
voorbij blijken te zijn.

Maar dat mooie zingen-zonder-woorden.
De geur van aardbeien.
op de tafel in de veranda.

Je vader met de koffie
neuriet haar liedje mee.

En jij bent zeven.
Tot je zevenenzeventig bent.
Henri Matisse, Harmonie in het rood, 1908

‘Thuiskomen’ verbeeld en beletterd (2)

Rembrandt Thuiskomst van de Verloren Zoon

‘Het huis is ons hoekje van de wereld. Het is (…) ons eerste universum. Het is echt een kosmos. Een kosmos in de volle betekenis van het woord. Is het nederigste huis, van dichtbij gezien, niet mooi? Schrijvers van de eenvoudige woning beroepen zich vaak op het element van de poëtica van de ruimte. Maar deze evocatie is veel te beknopt. Omdat ze weinig te beschrijven hebben bij de eenvoudige woning, verblijven ze er bijna nooit. Zij karakteriseren de eenvoudige woning in haar actualiteit, zonder werkelijk haar primitiviteit te beleven, een primitiviteit die bij iedereen hoort, rijk of arm, als hij aanvaardt te dromen. (…) Door dromen raken de verschillende woningen van ons leven met elkaar vervlochten en bewaren zij de schatten van vroeger.

Wanneer in het nieuwe huis de herinneringen aan de oude woningen terugkeren, gaan wij naar het land van de onbeweeglijke kinderjaren, onbeweeglijk als van oudsher. We ervaren fixaties, fixaties van geluk. We putten troost uit het herbeleven van herinneringen aan bescherming. Iets gesloten zal de herinneringen bewaren door ze hun beeldwaarden te laten behouden. Herinneringen aan de buitenwereld zullen nooit dezelfde tonaliteit hebben als herinneringen aan thuis. Door de herinneringen aan het huis op te roepen, tellen wij droomwaarden bij elkaar op; wij zijn nooit echte historici, wij zijn altijd een beetje dichters en onze emotie kan alleen maar verloren poëzie vertalen.’

Gaston Bachelard, De poëtica van de ruimte, [1957], PUF, 1974. P.24-25

Norman Rockwell The homecoming
'La maison est notre coin du monde. Elle est (…) notre premier univers. Elle est vraiment un cosmos. Un cosmos dans toute l'acception du terme. Vue intimement, la plus humble demeure n'est-elle pas belle ? Les écrivains de l'humble logis évoquent souvent cet élément de la poétique de l'espace. Mais cette évocation est bien trop succincte. Ayant peu à décrire dans l'humble logis, ils n'y séjournent guère. Ils caractérisent l'humble logis en son actualité, sans en vivre vraiment la primitivité, une primitivité qui appartient à tous, riches ou pauvres, s'ils acceptent de rêver. (…) Par les songes, les diverses demeures de notre vie se compénètrent et gardent les trésors des jours anciens. 

Quand, dans la nouvelle maison, reviennent les souvenirs des anciennes demeures, nous allons au pays de l'Enfance Immobile, immobile comme l'Immémorial. Nous vivons des fixations, des fixations de bonheur. Nous nous réconfortons en revivant des souvenirs de protection. Quelque chose de fermé doit garder les souvenirs en leur laissant leurs valeurs d'images. Les souvenirs du monde extérieur n'auront jamais la même tonalité que les souvenirs de la maison. En évoquant les souvenirs de la maison, nous additionnons des valeurs de songe ; nous ne sommes jamais de vrais historiens, nous sommes toujours un peu poètes et notre émotion ne traduit peut-être que de la poésie perdue.'

Gaston Bachelard, La Poétique de l’espace, [1957], PUF, 1974. P.24-25

Eigen foto

Niet alleen helden en heiligen komen tenslotte thuis. Ook verdwaalden en zelfs zij die van huis zijn weggelopen zoals blijkt uit de parabel van de verloren zoon vinden om diverse redenen hun weg terug. Een korte samenvatting van de evangelietekst (Lukas 15:11-32):

Het verhaal gaat over een vader met twee zoons. De jongste zoon eist zijn erfenis op van zijn vader. Zodra hij deze ontvangt, trekt hij weg en verkwist het geld in het buitenland. Hij wordt een bedelaar, werkt als varkenshoeder en heeft zo'n honger dat hij spijtig terug verlangt naar het huis van zijn vader en besluit zijn zonden aan zijn vader te belijden en hem om een baan als dagloner te vragen. Als hij daadwerkelijk naar huis terugkeert, is de vader zo blij met de terugkeer van zijn zoon dat hij hem nauwelijks laat uitpraten en hem meteen weer terugbrengt. Hij kleedt hem feestelijk aan en geeft een groot feest.(Wikipedia)
De terugkeer van de verloren zoon door Rembrandt circa 1662

Het verhaal kent talloze bewerkingen en interpretaties maar in mijn ver voorbije Roomse jeugd liet het toch ook een vreemde smaak na. Die oudste broer die thuisgebleven was, -je ziet hem op de achtergrond achter een pilaar komen loeren- wat moest hij met die barmhartige vader? Hijzelf, altijd een brave jongen geweest, familiebedrijf overgenomen, personeelsbeheer onder zijn hoede, nooit gedaan met werken, en dan vraagt de jongste zijn erfdeel, verkwist dat deel met wat ze een ‘liederlijk’ leven noemen en komt jankend naar huis om door de overgelukkige papa als een teruggevonden schat te worden begroet, het vetste kalf wordt geslacht, feest alom enz. enz. Je hoort ons samen zeggen: ‘Jaja, ik zal mij wel uit de naad werken!’ Anderzijds hebben wij, zeker op ‘hogere’ leeftijd uiteraard ook genoeg ‘verloren-zoon (dochter)-ervaring’ om de zaligheid van vergeving en barmhartigheid te kunnen smaken. Een toekomst als ‘varkenshoeder’ -hoe slim en sympathiek deze dieren ook mogen wezen-is dan ook wat ze ‘beperkt-houdbaar’ noemen.

Het verloren-zoon-thema is door de eeuwen een dankbaar onderwerp geweest voor verschillende kunstvormen. Met beelden en geschriften drukte de kunstenaar zijn/haar eigen verhouding uit tegenover die zo geprezen vaderlijke vergevingsgezindheid of was het gewoon de aanleiding om de weinig vertrouwde lijfelijkheid tussen twee manspersonen uit te drukken. De vragen of er ook ‘verloren dochters’ bij dit onderwerp konden betrokken worden, en waar ‘de moeder’ in het hele verhaal te vinden was, kun je benaderen met zeden en gewoonten rond de ontologie van de tekst, maar ook ruimtes voor heel andere interpretaties kwamen in de loop der eeuwen aan bod, vaak ver buiten de religieuze interpretaties. J.F.M. Kat publiceerde daarover in 1952 een omvangrijke studie: ‘De verloren zoon als letterkundig motief’. Als pdf hier te ddownladen:

https://www.dbnl.org/tekst/kat_004verl01_01/kat_004verl01_01_0004.php

De verloren zoon -Chagall
Surgens venit ad Padrem

Als de bladeren in het gras zijn weggerot,
de lucht als glas en de vijvers bevroren,
als steenhard 't land is waar ooit het koren
stond kom ik als naar de lamp de mot

in de afgelegen hoeven schuilen.
Ik krijg er als de zwijnen mijn voeder.
Soms sterft een kind er of een boerenmoeder
stikt er in haar etterbuilen.

Dan vlucht ik hijgend in het moeras.
Geen seizoen kan mijn wonden helen.
Nooit wordt mijn hongerende ziel tot as

van berouw of medelijden. Zo blijf
ik vagebond en schooier spelen
tot ooit de Vader bergt mijn ziel en lijf.


Hugo Claus
In: Kleine reeks, 1947
(gedichtencyclus 'De verloren zoon').
The prodigal son Giorgio de Chirico 1924

Het was vooral de figuur van de ‘vader’, hij die zijn nakomeling in dezelfde levensstijl als de zijne wil dringen, die door allerlei kunstenaars in vraag werd gesteld. ‘Die Aufzeichnungen des Malte Laurids Bridge’ (1910) van Rainer Maria Rilke en Le retour de l’ enfant prodigue (1907) van André Gide binden de vaderlijke kat de bel aan. De auteur van de site ‘verboden geschriften’ geeft een duidelijke inleiding en laat je daarna in vertaling beide teksten lezen.

https://verbodengeschriften.nl/html/de-verloren-zoon-rilke-en-gide.html

Huybrecht Beuckeleer De (verkwistende) verloren zoon
Fragmenten uit de bijdrage 'Verboden geschriften

'Vanzelfsprekend heeft het christendom in het vaderhuis uit de parabel de kerk gezien en beschouwen ouders een kind dat afstand van hen heeft genomen als 'verloren zoon of dochter' dat gewoon weer thuis moet komen. Maar de evangelisten zijn daar heel duidelijk over. Lucas 14:26: 'Indien iemand tot Mij komt, en niet haat zijn vader en moeder en vrouw en kinderen en broeders en zusters, ja zelfs zijn eigen leven, die kan mijn discipel niet zijn.' Matth 10:37: Want Ik ben gekomen om tweedracht te brengen tussen een man en zijn vader en tussen een dochter en haar moeder en tussen een schoondochter en haar schoonmoeder; en iemands huisgenoten zullen zijn vijanden zijn. Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mij niet waardig; en wie zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mij niet waardig.' En in het Evangelie van Thomas, logion 55: 'Wie zijn vader niet haat en zijn moeder, kan bij mij geen leerling zijn. En wie zijn broeders niet zal haten en zijn zusters en zijn kruis niet zal dragen op mijn wijze, zal mij niet waardig zijn.' 

Nou klinkt dat 'haten' nogal fors, maar het wil alleen maar zeggen dat je, als je de Logos, je geweten wilt volgen, als je Plato's grot wilt verlaten, op zoek wilt gaan naar de uitgang, je moet ontdoen van alles waarmee je door je opvoeders bent opgezadeld, dat je (figuurlijk) afstand van hen moet nemen, zoals Hendrik Marsman schrijft in De grijsaard en de jongeling:
Groots en meeslepend wil ik leven!
hoort ge dat, vader, moeder, wereld, knekelhuis!

'ga dan niet ver van huis,
en weer vooral ook het gespuis van vrouwen
buiten uw hart, weer het al uit uw kamer;
laat alles wat tot u komt
onder grote en oorlogszuchtige namen
buiten uw raam in den regen staan:
het is slecht te vertrouwen en niets gedaan.

alleen het geruis
van uw bloed en van uw hart het gehamer
vervulle uw lichaam, verstaat ge, uw leven, uw kluis.
zwicht nooit voor lippen:
samenzijn is een leugen en alle kussen verraad;
alleen een hart dat tegen eigen ribben slaat
is een zuiver hart op een zuivere maat.

zie naar mijzelf.
Ik heb in mijn jeugd
mijn leven verslingerd aan duizend dingen
van felle en vurige namen, oproeren, liefdes
en wat is het alles tezamen nu nog geweest?
over hoeveel zal ik mij niet blijven schamen
en hoeveel is er dat misschien nooit geneest ?'

de jongen kijkt door de geopende ramen
waarlangs de wereld slaat; zonder zich te beraden
stapt hij de deur uit, helder en zonder vrees.
The return of the prodigal Son 1. Duane Michals

En daar gaan dus de verhalen van Rilke en Gide over. Met als voorbeeld uit beiden een fragment.

In die jaren vonden er grote veranderingen in hem plaats. Bijna vergat hij God door de grote inspanningen die het vergde hem te kunnen naderen en alles wat hij mettertijd misschien bij hem hoopte te bereiken was sa patience de supporter une âme. De grilligheden van het lot, waarop de mensen zo gesteld zijn, waren al lang van hem afgevallen, maar hij verloor zelfs wat voor zinnelijke lust en pijn nodig was, de kruidige bijsmaak en dat werd voor hem zuiver en voedzaam. Uit de wortels van zijn zijn ontwikkelde zich de stevige, wintervaste plant van een vruchtbare vreugde. Hij ging helemaal op in de baas worden over wat zijn innerlijk leven vormde, hij wilde niets overslaan want hij twijfelde er niet aan dat in dat alles zijn liefde aanwezig was en toenam. Ja, zijn innerlijke kalmte ging zo ver dat hij besloot het belangrijkste van wat hij vroeger niet had kunnen opbrengen, wat hij gewoon had afgewacht, in te halen. 

Hij dacht vooral aan zijn kindertijd die hem, naarmate hij daar rustiger over nadacht, des te ongeleefder voorkwam; al die herinneringen hadden het vage van vermoedens en dat ze als voorbij beschouwd werden, maakten ze haast toekomstig. Dit allemaal nog eenmaal en dan echt op zich nemen, was de reden, waarom de vervreemde huiswaarts keerde. Wij weten niet of hij bleef; we weten alleen dat hij terugkwam.

Zij die het verhaal verteld hebben, proberen ons hier te herinneren aan het huis, zoals het was; want daar is weinig tijd voorbijgegaan, weinig bijgehouden tijd en iedereen in het huis zou kunnen zeggen hoeveel. De honden zijn oud geworden, maar ze leven nog. Er wordt verteld dat er een begon te huilen. Het hele dagelijks werk wordt onderbroken. Gezichten verschijnen achter de ramen, ouder en volwassen geworden gezichten die aandoenlijk op elkaar lijken. En in een heel oud gezicht breekt heel plotseling een flauwe herkenning door. Herkennen? Echt alleen herkennen? - Vergeven? Wat vergeven? - Liefde. Mijn God: liefde.

Uit: Die Aufzeichnungen des Malte Laurids Brigge, 1910 Rainer Maria Rilke


The Return of the Prodigal Son (1773) by Pompeo Batoni

In Le Retour de l’ enfant prodigue van André Gide zijn er drie broers : hijzelf, de oudste broer maar ook nog een jonger broertje. In dit fragment spreekt de teruggekeerde met zijn jongste broertje.

De verloren zoon vleit zijn broertje tegen zich aan en meteen laat de jongen zich gaan:

- De avond toen je weer thuiskwam heb ik niet kunnen slapen. De hele nacht dacht ik: Ik had nog een broer, en ik kende hem niet eens... Daarom klopte mijn hart zo snel, toen ik je op de binnenplaats aan zag komen lopen, met roem bedekt.

- Ik was helaas bedekt met lompen.

- Ja, ik heb je gezien; maar je was wel al indrukwekkend. En ik heb ook gezien wat onze vader deed: hij stak een ring aan je vinger, een ring, zoals onze broer niet eens heeft. Ik wilde niemand over je uitvragen; ik wist alleen dat je van heel ver teruggekomen was en je blik, aan tafel...

- Was je bij het feestmaal?

- O! Ik weet wel, dat je mij niet gezien hebt; tijdens de maaltijd keek je in de verte, zonder iets te zien. En ik vond het best dat je de tweede avond met vader moest praten, maar de derde avond....

- Hou op.

- Ach, je had best een enkel vriendelijk woord tegen me kunnen zeggen!

- Verwachtte je me dan?

- En hoe! Dacht je dat ik mijn broer zo zou haten, als jij die avond niet zo lang met hem had gepraat? Wat hadden jullie elkaar eigenlijk te zeggen? Als je op mij lijkt weet je best, dat je niets met hem gemeen kunt hebben.

- Ik zou hem ernstig tekort hebben gedaan.

- Kan dat?

- In ieder geval onze moeder en vader. Je weet dat ik van huis ben weggelopen.

- Ja, dat weet ik. Dat is al lang geleden, ja toch?

- Toen ik ongeveer zo oud was als jij.

- O! ... En noem je dat je verkeerd? 

- Ja, dat was mijn fout, mijn zonde.

- Toen je wegliep, voelde je toen ook, dat je iets verkeerds deed?

- Nee; ik voelde weggaan als een plicht.

- Wat is er dan sindsdien gebeurd? dat je van je waarheid van toen een vergissing hebt gemaakt.

- Ik heb het zwaar gehad.

- En zeg je daarom: ik heb er verkeerd aan gedaan?

- Nee, niet helemaal: maar daardoor ben ik gaan nadenken.

- Had je dan van te voren niet nagedacht?

- Jawel, maar mijn zwakke verstand liet zich ompraten door alles wat ik wilde.

- Zoals later door je ellende. Zodat je nu weer thuis bent... overwonnen.

- Nee, niet helemaal; ik heb me erbij neergelegd.

- Nou ja, je hebt er van afgezien, te zijn, wat je wilde zijn.

- Wat mijn hoogmoed mij deed geloven dat ik wilde zijn.

Het kind zwijgt even, dan begint het plotseling te snikken en roept uit:

- Broer! Ik ben die jij was toen je wegging. O! vertel: ben je onderweg dan alleen teleurstellingen tegengekomen? Is dan alles wat ik mij hier buiten zo anders voorstel, alleen maar zinsbedrog? Al het nieuwe, dat ik in mij voel alleen maar onzin? Vertel, waardoor ben je onderweg zo wanhopig geworden? O, waarom ben je teruggekomen?

- Ik was op zoek naar vrijheid en die heb ik verloren; als een gevangene heb ik moeten dienen.

- Ik zit hier gevangen.

- Ja, maar ik moest slechte meesters dienen; hier zijn het je ouders. 

-O! de ene dienst is de ander waard; heb je dan niet eens de vrijheid om te kiezen aan wie je onderdanig bent?

- Dat hoopte ik. Zover mijn voeten mij konden dragen, heb ik achter mijn verlangens aan gelopen, zoals Saul achter zijn ezelinnen; maar waar hem een koninkrijk wachtte, heb ik ellende gevonden. En toch...

- Heb je je niet in de weg vergist?

- Ik heb recht voor me uit gelopen.

- Weet je het zeker? En toch zijn er nog andere koninkrijken en landen zonder koning te ontdekken.

- Wie heeft je dat verteld?

- Ik weet het. Ik voel het. Ik heb het gevoel, dat ik er al regeer.

- Hoogmoedige!

- Ho! ho! dat heeft onze broer tegen je gezegd. Waarom zeg je het nu tegen mij? Waarom heb je die hoogmoed niet bewaard? Dan was je niet teruggekomen.

- Dan had ik ook jou niet leren kennen.

- Ja, ja, daarginds, waar ik me bij jou gevoegd zou hebben, had je me wel herkend als je broer; ik heb zelfs nog steeds het gevoel dat ik wegga om jou terug te vinden.

- Wegga?

- Heb je het dan niet begrepen? Moedig jij zelf me niet aan om te vertrekken?

- Ik zou je de terugkeer willen besparen door je het vertrek te besparen.

- Nee, nee, dat moet je niet zeggen; dat wilde je me ook niet zeggen. Jij bent er toch ook als een veroveraar op uit getrokken?

- En daarom leek mijn slavernij des te zwaarder.

- Waarom heb je je dan onderworpen? Was je al zo moe?

- Nee, nog niet; maar ik twijfelde.

- Wat bedoel je?

- Twijfel aan alles, aan mezelf; ik heb willen stoppen, mij eindelijk ergens vestigen; de luxe, die de meester me beloofde heeft me verleid.... ja, nu voel ik het best; ik ben te kort geschoten.

De verloren zoon buigt het hoofd en verbergt het gezicht in zijn handen.

- Maar in het begin?

- Ik was een hele tijd door een groot, woest gebied getrokken.

- De woestijn?

- Het was niet altijd woestijn.

- Wat zocht je daar?

- Ik begrijp het zelf niet meer.

- Ga eens van mijn bed af. Kijk, daar op tafel, aan het hoofdeind van mijn bed, daar, naast dat gescheurde boek.

- Ik zie een opengemaakte granaatappel.

- Die heeft de zwijnenhoeder mij onlangs op een avond gebracht, nadat hij drie dagen niet thuisgekomen was.

- Ja, dat is een wilde granaatappel. Ik weet het; die is afschuwelijk bitter; toch voel ik, dat ik er in zou bijten, als ik genoeg dorst had.

- O! Nu weet ik het weer: het was die dorst, die ik zocht in de woestijn.

- Dorst, die alleen deze ongesuikerde vrucht kan lessen....

- Nee; maar daarom ga je juist van die dorst houden.

- Weet jij waar je die kan plukken?

- Het is een kleine, verlaten boomgaard, waar je vóór de avond aankomt. Geen muur scheidt haar nog van de woestijn. Er stroomde een beekje; een paar half rijpe vruchten hingen aan de takken.

- Wat voor vruchten?

- Dezelfde als uit onze tuin; maar dan wild. Het was die hele dag heel warm geweest.

- Luister; weet je waarom ik vanavond op je heb gewacht? Nog voor het eind van de nacht ga ik weg. Vannacht; vannacht, zodra de hemel bleek wordt.. ..Ik heb mijn lendenen omgord, ik heb deze nacht mijn sandalen aangehouden (Hand.12:8.)

- Wat! Ga jij doen wat mij niet gelukt is?...

- Jij hebt de weg voor mij gebaand, en de gedachte aan jou zal mij steunen.

- Integendeel, ik moet jou bewonderen, jij mij vergeten. Wat neem je mee?

- Je weet best dat ik, als jongste, niet deel in de erfenis. Ik vertrek zonder iets.

- Dat is het beste.

- Wat zie je daar door het raam?

- De tuin, waar onze gestorven voorouders rusten.

- Broer... (en het kind, dat nu opgestaan is uit zijn bed, legt zijn arm om de hals van de verloren zoon, zijn arm die even teder is als zijn stem) - Ga met me mee.

- Laat me met rust! Laat me! Ik blijf om moeder te troosten. Zonder mij zal je dapperder zijn. Het is nu tijd. De hemel verbleekt. Vertrek geluidloos. Laten we gaan! Omhels me, broertje; je draagt al mijn hoop met je mee. Wees sterk; vergeet ons; vergeet mij. Ik hoop dat je niet terugkomt... Loop zachtjes naar beneden. Ik houd de lamp vast... Kom! Geef me de hand tot aan de deur. Pas op de treden van het bordes.

(Uit Le Retour de l' enfant prodigue Andre Gide 1907  Vertaling: verboden geschriften.nl)
Rodin The Prodigal Son

Vertrekken om thuis te komen, deze schijnbare tegenstelling zoals de bittere vrucht die de dorst laaft zet ons telkens weer op weg. Vreemd dat teksten uit het begin van de twintigste eeuw ook nu nog thuiskomen in dit drukke digitale leven. Deze meerkantigheid mag ons hoeden voor cancel-engheid, het zelf be-denken (be– duidt steeds een duur aan) ligt aan de basis van elke zelfstandigheid. Of hoort dit beeld bij de vijftig-zestigerjaren uit de 20ste eeuw en heeft een nieuwe jeugd dat mannelijke overwicht alvast verlaten en kunnen we heden ten dage van een andere emancipatie-spreken waarin haar erkenning minder op een conflictmodel berust terwijl toch ook bij een belangrijke groep het ‘onder moeders- en vadersvleugels-blijven’ tot in hun dertiger jaren zou blijven gelden? Boeiende vragen met een zich net zo boeiend ontwikkelende reeks antwoorden.

Ik citeer graag de naamloze auteur uit ‘de verboden geschriften’.

'Dat de parabel nog steeds een rol speelt in onze moderne cultuur – zelfs The Rolling Stones hebben op hun elpee Beggars Banquet (1968) een song aan dit motief gewijd – kan men verhelderen vanuit het gegeven dat Lucas’ vertelling de schrijver als het ware een sjabloon biedt dat hij vrij kan invullen: het verhaal is gestructureerd rond een fantasierijk motief, maar plaats, tijd, namen en een specifieke invulling van de personages ontbreken. Daarnaast speelt de parabel vanaf de negentiende eeuw nauwelijks meer een rol in religieuze kwesties, maar kunnen eigentijdse existentiële motieven wel een plaats in de literaire verwerkingen van de verloren zoon krijgen.'

‘Thuiskomen’ verbeeld en beletterd (1)

De verloren zoon. Tekening van August Rodin
Thuiskomst

Ik heb je lief, al kan ik het niet weten.
Ik bedenk het als je thuiskomt van een dag
in je leven. Maar het is geen gedachte.
Je streelt mijn wang en wie weet,
dat gebaar. Het wordt duizend keer gemaakt
voor het bestaat. Hangt je jas aan de kapstok,
iets van niets, maar morgen ontbreekt het
misschien. Of schudt de dag uit je haar.
Wat ik dan daarin zie, is het begin.
Het huis ontstaat, de tafel neemt plaats,
wij veroorzaken elkaar. Het is toch niet
denkbaar dat iemand dit alles verzint.

© 1995, Bernard Dewulf
From: Waar de egel gaat
Publisher: Atlas, Amsterdam, 1995
 
Homecoming

I love you, though there’s no way I can know.
I think of this when you come home from a day
in your life. But it is not a thought.
You stroke my cheek and who knows,
that gesture. It’s made a thousand times
before it exists. Hangs your coat on a peg,
something from nothing, but tomorrow it might
be missing. Or shakes the day from your hair.
What I then see in this, is the beginning.
The house comes about, the table takes its place,
we cause each other. Surely it’s unimaginable
that someone’s making all this up.

(vertaling 2010, Willem Groenewegen)
Homecoming Ilya Repin
Thuiskomen

 zullen ze wat zeggen
en wat zullen ze zeggen
als ik de deur door kom
wat zie je er uit
je bent ver weg geweest
of zullen ze niets zeggen
en alleen maar kijken
of niets zeggen zelfs niet kijken
maar doorgaan met doen
net of er niets gebeurd is

hier ben ik dan
hun vriendelijke vreemdeling
ik spreek de taal der mensen
hoe is het weer
het is weer ja
het is weer nee
het is weer mooi weer
buiten

Mischa de Vreede
uit: Met huid en hand,
uitgeverij Holland,
(Windroosreeks) 1959
Flood disaster Thomas Hart Benton

Of het ‘weer mooi weer’ was, zoals Mischa de Vreede beweert, en wat dat niet zo mooie weer teweeg bracht aan de thuis van duizenden mensen, is alvast één aspect bij het begrip ‘thuiskomen’ veelvuldig in beeld gebracht en met letters beschreven. Of het om het alledaagse thuiskomen uit Dewulf’s gedicht of het thuiskomen na een lange afwezigheid gaat, het idee van thuiskomen onderstelt duidelijk een al dan niet concrete plaats waar je thuis bent, waar de personen verblijven (of verbleven) die je lief zijn. (waren) Het is een oud idee, de weg naar huis. Broers en zussen zijn we van de eeuwige Odysseus, koning van Ithaka, of familie van Penelope, de eeuwig wachtende.

John Roddam Spencer Stanhope PENELOPE Waiting.
Penelope wacht geduldig.

Het eerste licht.
Jouw voetstappen
dragen de beginnende dag.
Tot je bij de deur bent
en ik de terugslag van het slot
verbeeld.

Maar het blijft stil
terwijl je verder stapt
in mijn hoofd, slechts even
hoorbaar bij het eerste licht.

Denk ik:
Zou hij de sleutel verloren zijn?

En ik de ramen opende
voor het geval dat je
als een vlinder al jarenlang
's morgens voor het raam wacht.

Met vroege treinen rij je
mijn laatste dromen binnen.
De stappen van de krantenman
verdwijnen snel.

Vlokken sneeuw tot bij het bed.

Gmt 2021
Alleen wie ronddoolt, vindt een nieuwe weg.” – Noorse uitdrukking
Marianne Von Werefkin ‘Homecoming’
"Een menselijk wezen vormt een deel van het geheel dat door ons het Universum wordt genoemd. De mens ervaart zichzelf, zijn gedachten en gevoelens als iets dat van de rest is afgescheiden. Dit is een soort optisch bedrog van zijn bewustzijn. Deze waan vormt een gevangenis voor ons. Het beperkt ons tot onze persoonlijke verlangens en tot affectie voor een paar mensen die ons het meest nabij zijn. Het is onze taak onszelf uit deze gevangenis te bevrijden door de kring van ons mededogen te vergroten en alle levende wezens en de gehele natuur in haar schoonheid te omhelzen." - Albert Einstein -
Norman Rockwell Christmas homecoming

Beste Norman,

We hebben onze verjaardag gemeen met een verschil van net veertig jaren, en je belangstelling voor het alledaagse leven wil ik graag delen. Dat Nabokov lelijke dingen over je schreef omdat je in zijn ogen eerder een illustrator dan een artiest zou zijn mag ook op mijn hoofdschudden rekenen omdat het in beeld brengen van ’s mensen activiteiten niet steeds dezelfde teneur moet hebben als wat kranten ons inlepelen of letterkundigen opspitten maar best ook van vriendelijke aard mag zijn te meer daar nogal een groot deel van de aardbewoners meer op jou dan op een vlindervangende Russische kunstenaar lijkt, auteur die overigens uitstekend vervulde wat van hem verwacht werd: het schrijven van literiare meesterwerken, terwijl zijn afkeer voor zijn homofiele broer zachtjes tussen de kleine lettertjes van elke bio wordt weggemoffeld.

Ik bedoel maar dat we zoals Albert Einstein ons prekerig voorhoudt wij ons niet in boze emoties (ontstaan door dat optisch bedrog) moeten terugtrekken maar best ook de alledaagsheid opfleuren zoals woonwinkels dat al uitstekend doen en ‘artiesten’ wat mij betreft in hun opleiding ook eens de muren van een school of rusthuis kunnen voorzien van vrolijke kleuren en onderhoudende muurschilderingen. Ons mededogen vergroten dus, terwijl het omhelzen van alle levende wezens en de gehele natuur best figuurlijk in praktijk kan gebracht worden, te beginnen met het kennismaken en het gunnen van de tijd waarin een kunstwerk ontstond tot het verdiepen van wat ons nieuwsgierig maakt, een mooie opdracht voor de veel belaagde schoolcanons.

De wereld is een rijke voedingsbodem voor ons aller inspiratie, en de nood aan het verfijnde mag best met de nood aan het plezierige en alledaagse worden vermengd. ‘Observeer, herbegin veelvuldig, lees en luister, en je dagen zullen te kort zijn om al die prachtideeën uit te werken.’, hoor ik je zeggen.
Ik blader met plezier in je werk, Norman. Ik bewonder je technisch kunnen maar ook de manier waarop je telkens weer inspeelde op wat ons allen dagelijks bezighoudt. Graag thuiskomen in de alledaagse wereld.

Norman Rockwell, The Problem We All Live With, 1963. Illustration for Look, January 14, 1964. Courtesy of the Norman Rockwell Museum and the New York Historical Society Museum & Library.
Spreek ook jij

Spreek ook jij, 
spreek als laatste, kom op met je spreuk.

Spreek-
Maar breek het nee niet van het ja.
Geef aan je spreuk ook de zin: 
geef hem de schaduw.

Geef hem schaduw genoeg, 
geef hem zoveel 
als je om je verdeeld weet tussen 
middernacht en middag en middernacht.

Kijk om je heen:
zie hoe alles gaat leven -
Doodzeker! Gaat leven!
Waar spreekt wie schaduw spreekt.

Nu echter krimpt de plek waar je staat:
Waarheen nu, van schaduw beroofde, waarheen?
Stijg op. Voel omhoog.
Dunner word je, onherkenbaarder, fijner!
Fijner: een draad,
waarlangs zij wil dalen, de ster:
om beneden te drijven, beneden,
waar zij zich schijnen ziet: in de deining
van dwalende woorden.

Paul Celan
Gedichten. Keuze uit zijn poëzie met commentaren door Paul Sars en vertalingen door Frans Roumen, Ambo Tweetalige editie 1988
https://repository.ubn.ru.nl/bitstream/handle/2066/98609/98609.pdf?sequence=1
Met wisselende sleutel

Met wisselende sleutel ontsluit je het huis, 
waarin de sneeuw van 't verzwegene woedt. 
Naar gelang het bloed opwelt uit je oog of je mond of je oor, wisselt je sleutel.
Wisselt je sleutel, wisselt het woord dat woeden mag met de vlokken.
Naar gelang de wind die jou wegstoot, balt om het woord zich de sneeuw.

Paul Celan, idem.

William Forsythes «Scattered Crowd»,  Frankfurt Bockenheimer Depot
 Mar 2013

Het verhaal van een zoon die het huis verlaat. Hij vraagt zijn erfdeel, verkwist het, en moet varkens hoeden om in leven te blijven. De verloren zoon. Kan een verloren zoon nog terug naar zijn thuis? Of was dat maar een parabel? In een volgende bijdrage deze manier om (terug) thuis te komen, met beelden en teksten.

Het verhaal van Nabokov’s broer vertelde ik in twee bijdrages februari 2007. Je kunt de eerste hier vinden en gewoon onderaan klikken op de volgende bijdrage:

Odysseus returning to Penelope. (Photo: Metropolitan Museum of Art)
De sleutel van jouw huis
ontsluit nog niet de deuren van je buren.
Verhef jouw sleutel niet
tot de koning van het wereldslot.
Wat jou het huis uitjoeg,
bleek thuiskomen voor een ander.

Alleen de deuren van een gevangenis
hebben dezelfde sleutel.

Gmt 2021
Bruce M. ShermanAscending Awareness, 2017
Glazed ceramic
11 1/2 x 7 x 7 1/2 inches
The key to your house
does not yet unlock the doors of your neighbors.
Do not exalt your key
to the king of the world's lock.
What drove you out of the house,
turned out to be homecoming for another.

Only the doors of a prison
have the same key.

Marie Huana: ‘The glacier knocks in the cupboard?’

Gisteren geprobeerd om deze mooie bijdrage van ‘Woordproeverij Marie Huana’ te herbloggen, maar dat mislukte jammerlijk. Dus gebruiken we vandaag ‘handwerk’ om haar inspiratie te eren.

Alwéér iemand waarvan wordt omgeroepen: “She has left the Blue Planet…”
Ik lees er Auden op na, en ik hoor hem inderdaad ook kraken in mijn eigen kast, die gletsjer van koelbloedigheid. Hij smelt en brokkelt steeds verder af. Om nog maar te zwijgen van die gebarsten schone schijn. Of van die zuchtende woestijn.

The glacier knocks in the cupboard,
The desert sighs in the bed,
An the crack in the tea-cup opens
A lane to the land of the dead.

Lang gewacht & stil gezwegen, nooit gedacht & toch gekregen? Daar mag ik alleszins blij om zijn: gehad & geweest is niet per se een lelijk beest. Maar het ‘voorbij-gaan’ houdt mij bezig als een bij die door een wesp wordt gestoken. Al dat -nu reeds!- vergetene in het huis om mij heen, terwijl ik het nog bewoon. In de verdrukking geraakt onder het besef, dat het uiteindelijk voor iedereen op til is, om vroeg of laat niet meer van tel te zijn. Dat nietsontziende niets-blijft-duren, wie zou er geen rusteloze benen van krijgen, en diepe voren ervan onder de bles.

Vroeger, ja vroeger, wie vroeg er mij wat, toen rolschaatste ik mij door de dagen tot het donker werd. Oorverdovend, want op ijzeren wielen, en uiteraard, rond de kerk. Neerkijkend op die nieuwe met rubberen wieltjes, onmachtig als die waren om nog van zich te laten horen. Die van ijzer schraapten de stoepen zuiver, er sloegen soms prachtige gensters uit. Ijzeren rolschaatsen waren & bleven de beste, dat wist (en hoorde!) iedereen. Kortom: er waren toen nog zekerheden.

Op ijzeren wielen? Zo hoorbaar aanwezig wens ik al lang niet meer te zijn. Het kind in mij is haar rolschaatsen kwijtgeraakt. Tussen toen & nu zijn die zogenaamde zekerheden grotendeels weg gemaaid, als kwetsbare nesten tussen stugge gewassen voor de niets ontziende oogst ten behoeve van later.

Altijd geschreven met dubbel krijt, maar ineens raak je één van die krijtjes kwijt? Ondanks ‘horen-zien-en-zwijgen’ is er op de duur geen speld meer tussen te krijgen: je geraakt niet meer op je uitkijkpost, en ook het zomeruur krijgt niet alles opgelost. Het begint je te dagen onder de klamme lappen, dat je niet twee keer in dezelfde rivier kunt stappen. Geen bakerrijm, geen Wolkenkoekoeksheim.

Panta Rhei, alles gaat voorbij!
Staakt-het-vuren, niets blijft duren!
Bij elke wens, gedenk, o mens!
En al waakt hij over huis & haard,
Ouroboros bijt zich in eigen staart!

Maar kent – althans te gelegener tijd – niet elk leven zijn eigen eeuwigheid?

Het sijpelt niet meer, het stroomt inmiddels dwars door mij heen, als een rivier van voortdurende verandering. Elk verhaal raakt uitgelezen: je geeft je kinderen niet alleen het leven, maar ook de dood. Indachtig de hint ‘wees de verandering die je in de wereld wilt zien‘ denk ik aan dat veelzeggende anonieme zinnetje, dat ik noteerde in één van mijn schriftjes: ‘Terwijl ik peins, passeert mij een slak.’

‘Naar wat de dennen fluist’ren, die buigen kruin aan kruin, zit ik zo vaak te luist’ren, in ’t buntgras van het duin, hoe zon en zomer pralen, in ’t purper van de hei, wat toverkleur zij malen, maar alles gaat voorbij.. ‘ Ook al voelde ik mij in het vroeger van toen nog ‘onsterfelijk’ zoals Bert Kijzer dat stelt, ik wist er zelfs als kind al weg mee, met dit soort weemoed van fluisterende dennen, van zangen uit de oude toren, en van dat schrijnende ‘maar-alles-gaat-voorbij.’ Vader! Moeder! Dat jullie er zomaar niet meer zijn! Jaja, het is nu aan mij, ik weet het, Panta Rhei..

Heimwee doet ons hart verlangen? Nog zo’n lied waar door de Hogere Orde graag op neergekeken werd. Maar net zoals van een uitgebloeide pisbloem blaas ik de zaadjes ervan nog eens met veel plezier de vier windstreken in, zoals ik dat vroeger zo vaak heb gedaan. Want na de bloei zijn er gelukkig ook weer de zaden, even mooi & fascinerend als de bloem zelf. Zaadjes met vleugeltjes aan, zaadjes met al het geduld van de wereld, wederom op zoek naar de verloren tijd.

Dag bronzen
klokkenzangen, dag weiden mistomhangen,
dag geur van brem en hei!

En dag pluizige hemelzaadjes
voor nog lang na mij!

Meer mooie bijdrages vind je in het blog van MARIE HUANA WOORDPROEVERIJ

https://mariehuana.blog/

3 kleine gezangen bij het slapengaan

Victor Koulbak. Tulip. 1996. Silverpoint - watercolor. 12 3/4 x 10 in.
Victor Koulbak Tulip Silvepoint -watercolor 13 3/4 x 10 inch.
Maar de zeeëngte
tussen je ogen,
de smalfilm van je glimlach.
Als je bij me loopt,
verenkelt de voering
van je buitenhuid.
Mijn kus is een egelboterbloem.
Achter Duinkeken vinden we jouw hertogdom.
De avonden zijn er zo roze
dat jonge patrijzen
er nooit vermommingen dragen.
félix vallotton | marée montante le soir | 1915
huile sur toile | 61 x 73  | winterthur, stiftung für kunst, kultur und geschichte

Het krassen
van de zilverstift
- de pleisterplaats waar jij ontscheepte -
Blauweregen ontsliep vredig op je huid.
Het krassen
van de zilverstift
- een vlinder, dubbel gevouwen godsvertrouwen -
Lippen scholen samen bij zoveel dagdieverij.
Het krassen
van de zilverstift
- bij de sterrenwacht wordt de tweeling herontdekt -
de honing van je ogen op de slijpsteen van de nacht.

Herleid mij
tot wat de bloemen zijn
als duizenden seizoenen
hen zijn voorbijgegaan.
Herleid mij
tot verharde bloemengeur
die in uitgewoonde harten
overwintert.
Het smeltpunt
van je thuiskomst
overleeft de tijd.

1981 Gmt
Of op deze manier:  'As steals the morn' 
As steals the morn upon the night,
And melts the shades away:
So Truth does Fancy's charm dissolve,
And rising Reason puts to flight
The fumes that did the mind involve,
Restoring intellectual day.
Tja...'Restoring intellectual day'?
From the oratorio "L’Allegro, Il Penseroso, ed Il Moderato" ("The Cheerful, the Thoughtful, and the Moderate Man") HWV 55. It is a pastoral ode by George Frideric Handel based on the poetry of John Milton. However, "As Steals the Morn" (featured here) is adapted from Shakespeare's Tempest, V.i.65–68.
Eugene Jansson – Sunrise over the Rooftops. Motif from Stockholm 1903

‘Nabijheid en verbinding’ : Sarah Mei Herman (1980)

Jana and Feby, April 2007
Jana and Feby, April 2010 I started photographing the identical twin sisters Jana and Feby in 2005. They are 19 years old now. I have always been fascinated by their extreme closeness, both mentally and physically. The relationship between identical twins is probably the closest possible relationship there is.
Jana and Feby, October 2011
Jana and Feby, December 2015
Wat inspireert je?
Intimiteit tussen mensen en hoe ze zich tot elkaar verhouden inspireert mij. Het belang van nabijheid tot de ander en de verbinding tussen mensen. Jonge mensen en de fasen tijdens het opgroeien. Het schemergebied. De kwetsbaarheid en soms eenzaamheid die met deze fasen gepaard gaan. 

Een aantal van mijn onderwerpen (langlopende projecten) fotografeer ik al jarenlang. Behalve mijn directe familie (mijn vader en half-broer) vond ik deze jongeren soms via via of per toeval, maar ik fotografeer bijvoorbeeld ook twee zusjes op wie ik vroeger heb gepast, en die ik al hun hele leven ken.(We like Art)

Fred and Archie, April 2014 I started photographing the English brothers Fred and Archie in 2010 during my studies in London.
Fred and Archie, June 2013
Fred and Archie, March 2010
In my work I explore relationships and intimacy between people. The closeness between them or what sets them apart, and the necessity of physical proximity to others. I often focus on the intimacy within the family, with a special interest in sibling relationships, which partly comes from the fact that I grew up without and as a child I always wondered what it would be like to have a brother or sister. Now as an adult, I find myself observing siblings, repeatedly photographing them; trying to get a closer understanding of what this familial intimacy means.
Growing up is an important theme in my work, mainly focusing on young adolescents; on their constant state of becoming; trying to capture the fleeting beauty of the continual changes they go through on their way to adulthood. Recurring themes in my work are the transitions and continual changes young people go through on their way to adulthood. I am drawn to the intensity, vulnerability and sometimes loneliness of these stages. An equally recurring theme is the grey area between friendship and love, and the ambiguity of relationships in certain stages of life.
Fred, March 2010
Sarah Mei Herman lives and works in Amsterdam, NL
education:

    2008 – 2010 MA Photography, Royal College of Art, London
    2001 – 2005 BA Photography - Royal Academy of Fine Arts, The Hague
    1999 – 2000 Propedeutics Philosophy - University of Amsterdam

In mijn collecties heb ik het bijzondere werk van fotografe en kunstenares Sarah Mei Herman steeds weer even weggeduwd omdat ik het zelf om allerlei redenen niet dadelijk kon plaatsen en je dan het nodige geduld moet opbrengen om ‘in de stilte’ wijzer te worden, tot ik besefte dat het vooral die ‘stilte’ een van de hoofdkenmerken van haar werk was. De stilte die het onttrekt aan het zo eigen tijdelijke van de fotografie die met secondes en onderdelen daarvan soms ‘bevriezend’ optreedt terwijl haar aandacht voor transities, zeker in de jeugdige fase van ons bestaan, ons verbindt met ‘wording’, het kenmerkende van het nooit voltooide en daardoor zo mysterieus en menselijk is.

In haar series over Julian & Jonathan wordt dat heel duidelijk.

Julian & Jonathan January 2009
This is my most extensive ongoing body of work: a series portraying the close relationship between my father Julian and half brother Jonathan, who was born when I was twenty-one years old. Since 2005 I have been photographing Jonathan alone or together with our father. This body of work portrays the triangular relationship between the three of us. My memories as a young child, of the relationship with my father, are now in a way mirrored in my half brother. By photographing Jonathan I try to approach our unusual sibling relationship which I am part of at a physical distance. This work is very much about me, and this part of my family, as well as the relationship between a relatively older father and his son.
Julian & Jonathan February 2010
Dit is mijn meest omvangrijke doorlopende werk: een serie die de hechte relatie portretteert tussen mijn vader Julian en halfbroer Jonathan, die werd geboren toen ik eenentwintig jaar oud was. Sinds 2005 fotografeer ik Jonathan alleen of samen met onze vader. Dit werk portretteert de driehoeksverhouding tussen ons drieën. Mijn herinneringen als jong kind, aan de relatie met mijn vader, worden nu op een bepaalde manier weerspiegeld in mijn halfbroer. Door Jonathan te fotograferen probeer ik onze ongewone broer-zus relatie, waar ik deel van uitmaak, op een fysieke afstand te benaderen. Dit werk gaat heel erg over mij, en dit deel van mijn familie, en ook over de relatie tussen een relatief oudere vader en zijn zoon.
Julian & Jonathan February 2013

Het mooie filmpje geeft je een overzicht. Je vindt ook onderaan de website van Sarah Mei Herman.

Een bijzondere serie is zeker haar werk in China, Haiqing, Xiamen, verzameld onder de sprekende naam: ‘Touch’.

I started this series during a four-month artist in residence at The Chinese European Art Center (CEAC) in Xiamen. I was curious about the differences but also at things that are universally recognizable: the things that tie people together and the meaning of friendship and love. I photographed several young people (mostly women) and their intimate relationships, finding my subjects in the streets of Xiamen and at the university campus. With some of them I built up a closer friendship photographing them repeatedly over time. Since my work period in 2014, I have revisited Xiamen several times. Each visit I met up with some of the same young women again, capturing their changes over time. With some of them I built up a closer friendship, which allowed me to photograph them repeatedly. During these encounters I not only attempted to touch upon the intimate moments between my subjects, yet also, upon the proximity between the subjects an myself.
Ik ben met deze serie begonnen tijdens een artist in residence van vier maanden bij The Chinese European Art Center (CEAC) in Xiamen. Ik was nieuwsgierig naar de verschillen, maar ook naar dingen die universeel herkenbaar zijn: de dingen die mensen samenbinden en de betekenis van vriendschap en liefde. Ik fotografeerde verschillende jonge mensen (vooral vrouwen) en hun intieme relaties, waarbij ik mijn onderwerpen vond in de straten van Xiamen en op de universiteitscampus. Met sommigen van hen bouwde ik een hechtere vriendschap op door hen na verloop van tijd herhaaldelijk te fotograferen. Sinds mijn werkperiode in 2014 heb ik Xiamen verschillende keren opnieuw bezocht. Bij elk bezoek ontmoette ik weer een aantal van dezelfde jonge vrouwen en legde ik hun veranderingen in de loop der tijd vast. Met sommigen van hen bouwde ik een hechtere vriendschap op, waardoor ik hen herhaaldelijk kon fotograferen. Tijdens deze ontmoetingen probeerde ik niet alleen de intieme momenten tussen mijn onderwerpen aan te raken, maar ook de nabijheid tussen de onderwerpen en mijzelf.
Touch-Xue Min & Hab Xu, Xiamen, November 2014

Als besluit las ik een mooie bedenking uit ‘La Chambre Claire’, note sur la phtographie (1980). Hilde Braet, Master in visual culture:

In ‘La Chambre Claire’, note sur la photographie’ (1980) ontwikkelt Roland Barthes (Frankrijk, 1915 – 1980) verschillende markante begrippen die de theorie van de fotografie blijvend beïnvloeden. Zo maakt hij ondermeer een onderscheid tussen ‘studium’ en ‘punctum’. Het studium ligt op het niveau van het bediscussiëerbare, van het begrijpen, van een discours over fotografie. Het punctum daarentegen is iets heel persoonlijks. Het is dat wat jou spontaan treft. Het bevindt zich op een emotioneel en psychologisch niveau. Bij het punctum ga je niet zoals bij het studium zelf op zoek naar betekenissen, je wordt getroffen door een element van de foto. Barthes houdt het punctum buiten het veld van het rationele en het discursieve. Het kan alleen in een korte flits tot je komen.

Julian & Jonathan, South Africa Swimming Pool 2013

Deze dubbelheid maakt de fotografie nog zo veel interessanter. Rationaliteit en emotionaliteit worden verweven in een medium dat toch erg veel naar de realiteit verwijst. Geleefde werkelijkheid gebaseerd op doorleefde ervaring vormen een belangrijk aspect van mijn fotografische werkelijkheid. Samen met het bestuderen van fotografie in al zijn aspecten kom ik hier tot een studium/punctum benadering van het medium. (Hilde Braet)

BEZOEK WEBSITE VAN SARAH MEI HERMAN:

http://www.sarahmeiherman.nl/

Touch Haiqing, Xiamen, July 2015
Touch Yaki, Xiamen, November 2014
Touch
Touch-Yafang & Linli, October 2014

‘Sisyfus spreekt’ (5) een monoloog (slot)

Arthur B. Davies Elysian Fields Vergroot door op tekst te klikken
SISYFUS:

En tenslotte, de verschrikkelijke theorie van het hellend vlak.

(hij laat een vrij grote bal van een hellende vlak rollen, loopt nog voor de bal beneden is naar het einde van het vlak, vangt de bal op, speelt een moment met de bal als een volleerd basketter of volleyballer, of...en legt dan de bal weer boven op het hellend vlak.)

En tenslotte, de verschikkelijke theorie van het hellend vlak.

Sisyfus bedroog de goden, moet nu een eeuwigheid lang, een zware ronde rots de  helling oprollen in de Tartaros, -zo'n beetje de vieze hoek voor schurken en schavuiten in de onderwereld-, en bijna boven, rolt dat ding weer naar beneden en is het herbeginnen tot in de eeuwigheid amen. 

(hij heeft terwijl met de grote bal, een demonstratie gegeven)

Als we dus toelaten dat A gebeurt -de goden bedriegen- dan zal onvermijdelijk ooit Z gebeuren -de morele chaos zal niet te vermijden zijn--, en daarom mag A niet gebeuren, ziedaar de theorie van het hellend vlak of het ontstaan van de drogreden, ons allen wel bekend. 
Mag een elfjarig wonderkind nog uitroepen dat hij de onsterfelijkheid wetenschappelijk wil mogelijk maken, eens zijn vroege slimmigheid in het schaaltje ligt naast de reuzeschaal met de menselijke paringsdrang, blijkt duidelijk dat een bachelor in fysica ook een buis in verbeelding verdient en de universiteit die hem het ene verleende best enkele jaren mijn rotsblok de helling mag opduwen of......    (-stilte-) 

...terwijl zijn hang naar kennis best de belangstelling van de nu nog sterfelijke machtigen zal krijgen:  bij afwezigheid van een god is dat vacuum een fraaie aantrekkingskracht voor een onsterfelijke wereldse dictator. Een oude droom in zeeën bloed verdronken. Een onsterfelijke mythe.

Terwijl ik waarschuw voor het hellend vlak -ik weet waarover ik spreek na al die eeuwen- kan ik toch weer een gaatje maken in ons aller rugzak zekerheid. 

Twee keer teruggekomen uit de onderwereld is niet iedereen gegeven maar kan makkelijk belachelijk worden gemaakt met het woord 'mythe', -geef ik toe- maar dat ik in diezelfde mythes dan wel tot het onophoudelijk rotsblok-zeulen ben veroordeeld draagt niet dadelijk bij tot 'godes goede naam', of juist wel?  

De liefhebbers van een straffende God kunnen toch niet alleen in Polen, Tjechië en Hongarije wonen? Ze huizen nog in de diepe krochten van onze voorvaderlijke hersenstam waar het hellend vlak  een schavot was en de hemel en de machtigen een samenwerkende vennootschap vormden die na enig opzoekwerk een eenmanszaak bleek te zijn.
Etruskische lierspeler wandschildering graf van het triniiclinium Tarquinia
Had ik voor de Elyseïsche velden kunnen kiezen toen ik de derde keer Hades 'dodenrijk bezocht?  Dat kon.  Maar als kind reeds vond ik een eeuwigheid zweven -tussen vallen en opstaan- niet zo aantrekkelijk.  Hermes beloofde mij de mogelijkheid van een onsterfelijk bestaan als ik in de Tartarus mijn rotsblok tot aan de top de helling kon opduwen om dan wellicht eeuwig Olympische luchten  in te ademen.
Mijn hoogmoed is intussen bekend net zoals de drang naar eeuwig leven niet alleen wonderkinderen bezielt.

Toen jullie mijn verhaal de eerste keer lazen of hoorden vertellen, wisten jullie toch dadelijk dat het een leugen was, die eeuwigheid op mensenmaat?

Je liet mij nu al meer dan tweeduizend vijfhonderd jaar mijn steen de helling opduwen.  'Absurd' was ongeveer de beste term die ik hoorde.  Dat was het ook.  Maar dat jullie je daarbij neerlegden, dat je niet zei:  je mag ophouden, Sisyfus, het is genoeg geweest.  Of gewoon:  hou op!  Neen, jullie wilden moedig het lot ondergaan en in het beste geval elkanders steen helpen opduwen.  Alvast in gedachten.  Angstig als wij zijn. Nietwaar heer Thanatos?

Jouw hellend vlak.
Na enkele eeuwen had ik naar mijn niet altijd bescheiden mening vergiffenis genoeg verzameld om iets anders te mogen verzinnen.  Vergiffenis voor mijn schromelijk tekort aan liefde.  Vergiffenis voor de ondoorgrondelijke haat.  Voor het overschot aan gelijk, het vanzelfsprekende van het bezitten, de dwaasheid van mijn gulzigheid, de drang naar steeds meer macht. 

Voor het bedrog waarmee ik de goden om de tuin leidde legde ik het gewicht bij de manke voorstelling waarin zij aan ons werden beschreven.
Ze bleken inderdaad onze eigen verzinsels te zijn, goed bedoeld maar slecht uitgevoerd. Soms vemakelijk, vaak met alleen het oergevoel in de wijsvinger opgevoerd. 

Toch kan ik moeilijk zonder, want juist met hun menselijke gebreken  herkende ik ze als het betere 'ons' dat vaak in tijden van nood en eenzaamheid zichtbaar en voelbaar is. 
Dus kan ik niet anders, ondanks het hellend vlak, dan vertellen wat ik probeerde om aan de dwang van het dagelijks duwen te ontsnappen. Hoe dwaas en onvolkomen mijn pogingen ook waren.

Natuurlijk wisten de zaligen uit de Elyseïsche velden wat er in de Tartarus gaande was. Ik had ze stiekem al zien gluren eens ik halfweg  met mijn rug tegen de rots ging zitten om even uit te blazen. Luidop klagen en om hulp smeken kwam nooit in mij op.  Integendeel.  Ik maakte van de rotsduwerij een aantrekkelijk gebeuren.  Van Hermes kon ik een chrono lenen, het maakte mijn sterfelijkheid alleen maar duidelijker, (dacht hij) en als boeteling kwam hij mij graag tegemoet.
Hermes
Beneden schreef ik op een vlakke rots de tijd  van de vorige beklimming:  44' 08", een nieuw record.  Het duurde dan wel zes, zevenhonderd pogingen om de drieënveertig minuten te halen, maar met moed en volharding lukte dat.
Applaus. Eerst nog verborgen glurend, daarna openlijk aanmoedigend.  Tenslotte met de vraag of zij het ook eens mochten proberen.  Dat mocht.

O, die edele zielen die levenslang de goden hadden geëerd, hun lusten hadden bedwongen, hun zinnen van het bezittelijke hadden verlost,  hun kinderen tot rechtvaardige burgers hadden opgevoed, je moest hen zien duwen!

Het duurde wel enkele maanden voor ze in de buurt van de 43' kwamen, en toen een jonge sterke vrouw uit Kreta zelfs bij 42' 55" op de top stond, was het feest.

Ik hoef je niet te vertellen dat het dringen was om dat record te breken.  Aanschuiven werd het.  Bijna elke dag wel eens een ruzie wiens beurt het was.
Ik noteerde de tijden, zette me gemakkelijk op de top en genoot van hun inspanningen. Voor de buitenwereld rolde Sysifus zijn steen  dat beroemde hellend vlak op, zuchtte als hij fluks naar beneden donderde en hij hijgend aan een nieuwe klim begon.
Napleskrater Sisyfus
Terwijl ik toekeek gleden er allerlei andere ideeën door mijn hoofd.  Was nu nog de reusachtige bal van steen, stel dat we een klein metalen  handzame bal maakten die je zo ver mogelijk weg moest weggooien.  Zo ontstond het kogelstoten, gevolgd door een succesrijke bowling-baan en allerlei andere balsporten.  
Ontstellend  hoe competitief een balvormig voorwerp het centrum werd van het schimmenrijk. Zelfs het biljarten kwam aan bod, het golfen en tenslotte trapten we de bal het veld op en vierden we de eerste matchen tussen de gelukzaligen en de zondaars.  Met zes nul door de ... gewonnen.  (zelf invullen, juist ja die!).

Het met een rotsblok de helling op zeulen kreeg nu in allerlei speelse vormen een vrolijke betekenis, al moest ik nu en dan bij te felle betwistingen modererend ingrijpen. 

Tot op een dag Zeus zelf verscheen, net bij het tweede doelpunt tijdens de voetbalmatch Invloedrijke Dokters-Welstellende Patiënten. (afgekort als ID-WP) Nul voor ID en twee voor WP! 
Wie denk je dat er arbiterde?  Inderdaad.  Sisyfus.

Zeus wilde naar oude gewoonte een donderwolk lanceren gevolgd door een aantal hevige maar onschadelijke bliksems (het bekende weerlichten) maar bleef toch even toekijken en stond enkele miuten later de Welstellende Patiënten aan te moedigen omdat hij zijn collega Asclepius nooit erg had gemogen. (De man was tenslotte ook maar een halfgod, verpleegsters weten waarom!)
Ik legde het spel stil en we bewezen de vader van het al de eer die hem toekwam.
'Je weet dat een vader niet van geruzie houdt, noch minder van gefluister-achter-de rug en helemaal niet van slaafse verering, al mag ik wel graag een diepe buiging en een op-de knieën-zinken zien zonder te vervallen in het plat-op-de-buik -gaan.  
Sisyfus weet dat wij streng maar rechtvaardig  optraden en onze straffen wel eens het redelijke overschreden. Maar de opgewekte atmosfeer, het zingen van liederen-langs-de-lijn, het voortdurend in de handen klappen en aanmoedigen, ja zelfs het gemodereerd uitfluiten,  de waaier aan beweging en competitie zonder bloedvergieten, het bekoort ons en ....'

Kijk, dat is het andere hellende vlak.  Het vlak van het spelen.  Klinkt het een beetje oneerbiedig dat ik Zeus' stem heb geïmiteerd?  Het hoort bij het spelen dat mij van de dodelijke zeulpartij met de ronde rots bevrijdde.
Het is soms niet erg vredevol en de uitdrukking 'uit de bol gaan' heeft ook nog zijn oorsprong in mijn oud verhaal.

Ook dat verhaal bleek een spel.
Ik wilde niet op het hellend vlak. 
Het spel waaiert uit, opent andere deuren, maakt vreemde combinaties.

Of het te maken heeft met bewegen, sporten, vertellen, verhalen maken, schilderen, een huis inrichten, de jurk van je leven knippen, en ga nog maar een eindje verder, het spel verzoent ons soms even met het eindige.  

Er zullen dagen zijn dat ik weer de berg op moet met de ronde rots.
En de hemel is niet altijd met vriendelijke goden gevuld, maar trilt van intense herinneringen aan degenen die voor wij er waren het leven mochten meespelen, al was het spel vaak ver te zoeken.

Uit de dodencultus ontstond het theater. Herinner elkaar zonder ophouden.
'Vaag zie ik hem, in mist, de steen opduwen.
 Mijn vader Sisyfos. Het brein. De sluwe.
 Hij wist te veel. Geen god die dat vergeeft.
 Verstand is het waarvan de goden gruwen.'

(herdichting van de Odyssee in kwatrijnen, hier kwatrijn 34, H.J. de Roy van Zuyderwijns In wat de zee verzwijgt, 1988)
foto van Frank O’ Connor

De speeltekst ‘Sisyfus spreekt’ is als monoloog geschreven voor theater, podcast, hoorspel, of welke dramatische vorm dan ook waarin hij tot leven kan komen. Scenografie en regie kunnen naar alle kanten uitwaaieren als ze het contact met de toeschouwer verstevigen. Ook allerlei vormen van poppenspel kunnen dienen. Wij zullen hem weldra op een afzonderlijke pagina invoeren zodat je hem in volgorde van aansluiting kunt lezen en gebruiken. Er zullen de volgende weken nog allerlei wijzigingen in aangebracht worden.

Zeus als stier die Europa ontvoert Peter Paul Rubens

‘Sisyfus spreekt’ (4) een monoloog

Gustave Doré De aankomst van Charon, illustratie bij ‘Divina Commedia Dante Alighieri
Sisyfus:

Bij de Styx-rivier keek Thanatos mij hoofdschuddend aan.
Zoals een hopeloze vader zijn puberzoon bekijkt.
Hij ziet nog een vleugje van het vrolijk kind
dat in het 'te -vlug-uitgegroeide' zichzelf begraven heeft
en door eigen scha en schande moet wijzer worden. 
Zegt men.

Bevrijd van mijn boeien wacht ik op Charoon,
de veerman die de schimmen naar de andere oever brengt.

Zijn hand duidelijk uitgestoken om een obool te ontvangen
maak ik het hopeloos gebaar van sukkelaars
die, vergeten door de wereld, niets en niemand betalen kunnen.
Hij duwt mij ruw het water in en verdwijnt, de andere oever tegemoet.
José Beniliure Gli la barca de caronte 1919 Vergroot door op onderschrift te klikken
Ik roep, maar smaak  het vieze vocht van de Styx, 
voel het bijten waar het een zwak plekje vindt,
en als ik, druipend de andere oever opklim,  
ben ik een uitgediende verschrikking,
een walm verspreidend onding, 
waarvoor medelijden gelukkig nog in enkele grammetjes beschikbaar is.

Helemaal de man die ik nu, volgens mijn plan, wilde worden:  
zielig overschot,  waarin de woede van een vrouw zonder begrenzing had huisgehouden,
de onderdanen het stoffelijk overschot van hun koning eindelijk
met vuisten vol wraak en jalousie bewerkten en
zelfs kinderen met fikse schopjes hem de tanden uit de mond 
en de ogen uit hun kassen trapten en daarmee hem, het monster, 
en hun eigen wrede soort  hun verwilderde eerbied  bewezen.
Persefone
Zo zocht ik Persefone op, godin van het dodenrijk en van de lente, 
die in godentijden bij het bloemenplukken van haar eigen moeder Demeter werd weggerukt en daarna zes maanden in de onderwereld bij Hades moest verblijven, tijd waarin de aarde elke jaar verdorde en nauwelijks een sprietje gras de winterkoude overleefde, maar de volgende zes maanden, teruggekeerd op aarde, haar met groeien en bloeien overstelpt, wisseling die in eeuwige herhaling van seizoenen zichtbaar bleef.

In haar ogen zag ik dat mijn vrouw zich duidelijk aan mijn instructies had gehouden. En blijkbaar wisten ook mijn onderdanen van wanten toen ik als naakt dood lijf op straat te vinden was.
  
'Ik weet, majesteit, mij bekijken is pijnlijk voor uw goddelijke ogen, 
wend uw blik af maar open nog even uw oren voor mijn verhaal.'

Ik vertelde haar dat ik door een gierige aardse helleveeg in deze toestand voor haar moest verschijnen omdat na mijn sterven mijn lichaam door dat monster  van een echtgenote schaamteloos op straat was gegooid om begrafeniskosten uit te sparen.
Voer voor honden.  
Dat waren haar woorden. 
Voer voor honden. Kijk toch maar even.
En de offerdieren die ik tot de laatste dag had verzorgd en vetgemest om ze na mijn dood dankbaar aan Hades en Persefone aan te bieden, dienden nu voor een schranspartij waar niet alleen het wild consumeren van liters wijn maar ook pure verwensingen aan het adres van de goden ieder godvrezend schepsel tot tranen zou bewegen, om van diepe schaamte maar te zwijgen.
Persefone wilde onmiddellijk Zeus' schietkraam en zijn dodelijk vuurwerk activeren, een idee dat ik dankbaar begroette maar zachtjes afremde door haar een heel eigen wraakmethode  voor te stellen.
'Stel nu, begon ik voorzichtig.  Stel nu dat u mij levend en een beetje opgekalefaterd, terug naar de bovenwereld stuurt?  
U kunt zich haar gezicht voorstellen als ik daar in levende lijve voor haar sta, ja?
Kijk, vrouw, zal ik zeggen.  Dit is hoe een godin antwoordt op jouw walgelijk gedrag.   
Ik zal ervoor zorgen dat ze elke dag gebeden lang Uwe hoogheid prijst, uw genade zal afsmeken en daarna de wereld duidelijk maakt dat eerbied voor de scheppende krachten -want wat zouden wij doen zonder Uw bezieling van akkers, wijn- en boomgaarden- dat deze erbied dus een levenstaak is, in lengte van de door u gezegende dagen. 

Mijn voorstel werd enthousiast aanvaard.
'Uw wijsheid wordt al bewezen nog voor uw plan is uitgevoerd, majesteit.Stel dat u mij nog een beetje heraanpast aan haar leeftijd -zij is zevenentwintig- dan kan  ik haar kordaat tegemoet treden en haar met verve wijzen op haar plichten.'

Mijn nederige restauratie-aanvraag kon op haar onmiddellijke instemming rekenen.  
Omgetoverd tot bekoorlijke jongeman  bracht zij mij naar de bovenwereld waar ik op een zoele zomeravond onder de geurende liguster de achtergelaten liefste zachtjes wakker kuste.
'Het is geen droom, liefste.  Wie liefheeft, tot in het woeste achterland van de dood, kan zelfs de goden bedriegen.'

Eindeloos uitdeinend in nooit vermoede schoonheid lagen de beloofde aardse jaren voor ons. Eens een godin je een tweede leven gaf, mag geen andere godheid haar terugfluiten. Tot ook die jaren vervlogen en de onontkoombare je een derde en laatste keer zal meenemen.

(en dat gebeurt dan in de 5de en laatste aflevering, verwacht het onverwachte!)

‘Sisyfus spreekt’ (3) een monoloog

De Morgan, Evelyn Sleep and Death: The children of Night
SiSYFUS:

Hij is een uitdover.
Ik,  een aansteker.
Moeilijke combinatie.

Hij, de dood.  Heer Thanatos.
Ik, een sterveling, koning Sisyfus.

De slaap en de dood, de kinderen van Nyx, de nacht en Erebus, de duisternis.

Dus zei ik vanuit mijn bed nog tamelijk vriendelijk bij zijn binnenkomst:
'Ik ben nog in de armen van Hypnos,  je halfbroer, heer Dood. 
Even geduld voor ik weer tussen jullie beiden sta.'
Hierop volgde vrij onbeleefd een geeuw en wat onnodige rek- en strekoefeningen.

'Maak ik eindelijk voor altijd die keuze overbodig,' zei Thanatos. 
'Wie aan mijn kant komt wacht eerst een lange reis. 
Om je gehechtheid te tonen steek je handen uit zodat ik je kan boeien.'
'Dat is fraai handwerk, geef ik toe.'
'Hefaistos zelf heeft ze gesmeed.  Met een ingenieuze sluiting als verzekering voor je volgzaamheid.Wie hiermee geboeid wordt kan alleen door Hades worden bevrijd.'
Hades en Persefone
'Nieuwsgierig van aard en vol bewondering voor dat goddelijk handwerk is een kleine demonstratie toch niet te veel gevraagd zodat ik daarna met een gerust gemoed en in alle betekenissen geboeid u naar Hades volg. 
Past trouwens dit wonderlijk smeedwerk rond uw eigen polsen?  
Volgens mij een onmogelijke zaak.'

Zoveel ongeloof vroeg een duidelijk antwoord.
Thanatos schoof de handboeien aan, trok tot ze vast rond zijn knokige polsen zaten en toonde mij triomfantelijk hoe  machteloos  de geboeide was.

Of ik dan even op de kleine hendel achteraan wilde duwen om de klemmen te lossen?
'Was ik Hades dan zou ik u bevrijden, maar helaas zoals u weet staat hier een sterveling voor u, dus vergeeft u mij dat ik u verder immobiliseer met wat hennep en enkele stevige gordiaanse knopen.'

Ik draaide een touw rond zijn benen, wierp een deken over hem heen en sleepte hem naar een berghok waarvan ik deur vergrendelde.
'Enkele dagen zeelucht zal mijn donkere gedachten helemaal verdrijven! 
Vaarwel, heer dood!' 
De goden op de Olympos
Besefte ik wat ik gedaan had?
Niet in het minst.
Ik zou zoals altijd 'wettige zelfverdediging' pleiten.
Dwaas.
Niet alleen de goden beledigd, maar ook nog heer Thanatos in een berghok met eigen boeien geketend achtergelaten.

Het duurde wel enige dagen tot men in de Hades begon te beseffen dat er iets aan de hand was.  Geen dode ziel arriveerde er nog. De stroom schimmen bleek opgedroogd.
En had iemand Thanatos gezien?
Een zoektocht bleef zonder resultaat.

Bij de onsterfelijken op de Olympos waren de meningen, zoals steeds, verdeeld.
Onder hen zagen zij veldslagen, net zo geweldadig als anders, maar niemand stierf. 
Dapperen doorboord met speren, door paarden vertrappeld, ja zelfs onthoofd stierven niet.
Wat zou nu nog het nut van oorlog zijn, klaagde Ares wiens ministerie van krijgskunsten enkel schertsvertoningen kon organiseren onder de aardbewoners.
Of ze misschien net als de Olympiërs het geheim van het eeuwige leven hadden ontfutseld van...?
Dreigend keken zij elkaar aan, de geschrokken bewoners van de Godenberg.

Wie had Thanatos laatst gezien?
Hermes herinnerde zich dat de vermiste door Zeus zelf naar Sisyfus was gestuurd om in hoogst eigen persoon zijn verderfelijke ziel voor eens en altijd naar de Hades te brengen.
Wel Hermes, waar wacht je op?

Het berghok werd vlug ontdekt en de vernederde Thanatos bevrijd van zijn eigen boeien.
Was het laatste woord hierover nog niet gezegd, er wachtte eerst een boel achterstallig werk.
'Gun mij daarna het plezier eerst deze gruwel op te halen.' smeekte hij.
'De onsterfelijken kunnen zich geen tweede keer belachelijk laten maken., collega Thanatos! Dus haast je maar.'

Hermes begeleidt het lichaam van Sarpedon
In mijn buitenhuis waar ik na het mislukte avontuur met Tyro en de dood van mijn twee zoontjes met een lieve en dappere echtgenote vaak verbleef, besefte ik dat ontsnappen vrijwel uitgesloten was.

'Ik heb een vreemde vraag, liefste, een vraag waarvan je de inhoud een tijdje later zult begrijpen.  Hoop ik. Maar nu ik voel dat mijn leven vlug zal uitdoven, wil je dan na mijn sterven mijn lichaam niet wassen en zalven, geen obool onder mijn tong leggen om de veerman te betalen.  Geen zeven dagen en nachten waken en brandoffers brengen om het vorstenpaar van de onderwereld te vermurwen.  Gewoon mij uitkleden en me naakt op straat achterlaten.  Beloof me dat.  Beter nog:  zweer het op je ziel.

Ken je de ogen van een vrouw die sterk genoeg is om het onbegrijpelijke niet dadelijk te willen doorgronden en het schijnbaar onmogelijke te aanvaarden?  Niet uit slaafse onderdanigheid, maar omdat ze weet dat hij een weg uit de wanhoop heeft uitgestippeld. 

Ik, de dromer. Maar ook de toegewijde.  Die vaak het boetekleed heeft aangetrokken en in de stilte van de nacht het zwijgen wegschreef in het onzegbaar alfabet.

'Mijn onderdanen zullen denken dat je veel hebt geleden, dat ik je -en zo is het ook-  vaak tekort heb gedaan.  Hen heb je niet te vrezen.  Maar geloof dat wat ik je vraag slechts één doel heeft dat helaas nu nog geen woorden kan verdragen. Wie niet weet kan ook niet medeplichtig worden genoemd.'




Diezelfde avond kwam hij mij met een zeker wantrouwen halen.
Wees nederig als hij je bezoekt.

Hij beefde toen ik mijn handen aanbood om geboeid te worden.
'Het is een lange reis voor een sterveling,' probeerde hij vriendelijk te zijn.

Verzoent zijn deskundige blik je met je eindigheid, of sloot ik mijn ogen om de verre droom waarin een man weer thuiskomt te koesteren?

(vervolg in aflevering 4)
Persefone en Hades