Binnenkijken bij Samuel

Samuel van Hoogstraten
Self-Portrait
c. 1643 and 1650
170 x 135 mm
Pen and brush in brown with red and black chalk
Institut Néerlandais, Frits Lugt Collection, Paris

Formuleerde Gaston Bachelard in zijn boek ‘La poétique de l ‘espace’ filosofische dromerijen’ omtrent het interieur, dan was de Hollandse schilder Samuel van Hoogstraten een van de eersten om in zijn beeldend en theoretisch werk aandacht te schenken aan de binnenruimtes van een gebouw.
Je ziet hem hierboven als jongen bijna vier eeuwen overbruggen. Hij kijkt ons aan. Wij zullen zijn werk bekijken.

De innerlijkheid van een architectonische ruimte is in de kunst slechts heel geleidelijk tot ontwikkeling gekomen. Zullen we zeggen dat de buitenkant, vanuit de vroege defensieve functie van een ‘schuilplaats’ al vlug meer aandacht kreeg en ook later in de decoratieve vormgeving de architectuur aan de buitenzijde de rangorde van de bewoners eerder duidelijk maakte, dan de inrichting van het interieur, de binnenkant, die plaats op de maatschappelijke ladder beklemtoonde. Met de komst van de burgerij ontstond het interieur.

Kijk je naar het mooie interieur van de Nederlandse schilder Samuel van Hoogstraten (1627-1678), een leerling van Rembrandt, dan is de tweede open deur, sleutels nog in het slot, duidelijk een opening naar een andere wereld dan degene die je verlaat, bezem tegen de muur, linnen aan de haak, pantoffels op de drempel. Je weet het: hier begint een andere wereld waar duidelijk niet iedereen zo maar binnen en buiten kan lopen.
Daarbinnen zie je goud geborduurd laken met zilveren kandelaar en boek op de tafel, hangt er een schilderij aan de muur en staat er een statige beklede stoel waarop niet iedereen mag zitten. En over een stoel van die omvang vond ik nog een mooi citaat uit het toen veel besproken boek (1975!) van Jos van Ussel: ‘Intimiteit’:

‘De stoel, symbool van verburgerlijking. Het belang dat de stoel krijgt in de burgerlijke samenleving wijst op twee dingen. Men zit er op als individu, op tien of meer centimeter afstand van de anderen. Niet zoals op een bank, of een matras opde vloer. De anderen raakt men niet aan. Men kan naar hen kijken maar hiervoor zijn regels. Men zal niet zo maar een gesprek aangaan.”

Het ging Samuel niet alleen om de rijkdom van de suggestieve ruimte, eerder om via de compositie van de vloeren in beide ruimtes een spel met het lineaire perspectief te spelen, door met de voeglijnen van de typerende zeventiende eeuwse Hollandse tegelvloeren de ruimtewerking te versterken.

Van Hoogstraten was immers niet alleen schilder, maar ook auteur en ontwerper van een eigen schilders-methode: ‘Inleyding tot de hooge schoole der schilderkonst: anders de zichtbaere werelt.’
Zijn aandacht voor trompe l’ oeil- effecten en de toepassing van het lineaire perspectief halen het op de aandacht voor het eigene van een atmosfeer, al mag kan de kijker ze ook zonder die bedoeling erin terugvinden. Het gaat om ‘de zichtbaere werelt’ en die heeft ook nog de nodige verrassingen voor de aandachtige beschouwer.

Inleyding tot de hooge schoole der schilderkonst: anders de zichtbaere werelt

Er is nog altijd plaats voor ‘de verrassing’, het bedriegelijke van de werkelijkheid zoals in deze mooie trompe-l’ oeil, een stilleven van alledaagse voorwerpen die je zo van het doek kunt pakken, denk je.

Stilleven, trompe-l’ oeil 1664

Maar net als zijn meester Rembrandt is hij een aandachtige ‘zelf-bekijker’ zoals blijkt uit dit mooie doek waar hij als zeventienjarige in aandachtige lectuur schijnt verzonken temidden van allerlei symbolen die de vluchtigheid van het bestaan aanduiden, de uitgedoofde kaars, zandloper en doodshoofd. Vanitas.

Zelfportret met ‘Vanitas’
Samuel van Hoogstraten, Doorkijk door een gang, 1662, olieverf op paneel, 264.2 136.7 cm, Dyrham Park, Gloucestershire, Groot-Brittannië

In een gelijkaardig werk kun je via de gang door de geopende deuren tot aan de haard in de verste kamer kijken.
Ook hier is een sleutel en een bezem aanwezig en door de aanwezigheid van de personages achter de geruite raam en de aankleding van de wanden wordt de ‘stand’ van de bewoner duidelijk al mag dan de vogelkooi bovenaan een grappige verwijzing zijn naar de beperkingen ervan. (het deurtje staat open en een papegaai was nog niet dadelijk een symbool voor een mooiprater, denken we, eerder een verwijzing naar de rijkdommen uit de overzeese wingebieden.)
De hond en de poes zijn dan weer typisch voor het huiselijke, net als het briefje dat iemand op de laagste trap heeft achtergelaten. De twee doorkijken samen:

Je zou de stelling van het samengaan van calvinisme en kapitalisme naar voren kunnen schuiven, het verwerven van een eigen domein door hard en vroom werken ten dienste van de gemeenschap, maar er blijft ook een bijna kinderlijk genoegen van de ‘kijkdoos’ meespelen. Hij heeft er zelf verschillende ontworpen zodat je vanuit een binnengluurpunt verschillende hoeken van de binnenruimte kunt zien. Dat plezier dat het tweedimensionele voor een driedimensioneel-ervaren kan zorgen zou doorwerken tot in het succes van de viewmaster en de driedimensionele cinema.

Samuel van Hoogstraten, ‘A Peepshow with Views of the Interior of a Dutch House’, about 1655-60. National Gallery, London

From the National Gallery website: The peepshow is a rectangular box; the interior is painted on three sides, as well as on the top and bottom. The sixth side is open; originally light would have entered the box from this side, perhaps through specially treated paper stretched across it. The box would have been placed close to a window or illumination provided by a candle. There are peep-holes in the two shorter sides which provide the illusion of three-dimensional views of the interior of a house.

Voor Samuel is kunstwetenschap contemplatief en praktisch. Hij maakt in zijn ‘methode’ geen onderscheid tussen een vita activa en een vita contemplativa. De schilderkunst is te beschouwen als een puur liberale en intellectuele kunst, een werkdaedige wetenschap om het met zijn eigen woorden te zeggen.

Maer om deze vraege, of de konst grooter baet van de natuur, of van de leeringe heeft, te beantwoorden, zoo is te weten : dat de natuur zonder de leeringe veel vermach : en dat in tegendeel, de leeringe zonder eenige hulpe van de natuur, ydel en te vergeefs is. maer wanneer middelmatige gaven der natuure door leeringe geholpen worden, zoo schijnt de natuur zich te beteren, en geeft meer uit, als’t verstand begrijpt : … Dit zelve verschil wort ook gedongen onder de naemen van Theory en practijk. Wanneer men vragt, of de konst meest door de leeringe, dan of door de oeffeninge geholpen wort ? Waer op wy antwoorden, dat de leeringe zonder de oeffeninge nietich is. en schoon de oeffeninge zonder de leeringe somtijts wel iets belooft, dat de konst tot geenderley volmaektheyt kan rijzen, ten zy men die gestaedich oeffene, en nae de onfeylbaere regels der leere bestiere’ (uit de Inleyding tot de hooge schoole der schilderkonst, Rotterdam 1678)

Samuel van Hoogstraten, zelfportret rond 1650 of late 1640

Het gaat hem vaak over ‘de doorkijk’ in zijn interieurs:

‘Some of van Hoogstraten’s most compelling inventions involve what has since come to be called the doorkijk, the framed through-view that is both a hallmark of Dutch paintings of domestic interiors as well as a device replete with metapictorial possibilities. Painters routinely used the through-view to comment or elaborate upon a foreground scene by opening up secondary and at times tertiary spaces for comparative viewing and consideration. in his Doctor’s Visit we can see how van Hoogstraten exploits this internal framing device to enhance both the visual inter-est and legibility of the painted domestic interior, inventively orchestrating the joint activities of reading and looking catalyzed by his incorporation of emblematically charged elements into picture:

De bleekzuchtige dame’. Interieur met een zieke jonge vrouw zittend op een stoel naast een tafel voor een bedstee. Onder haar voet heeft ze een stoof, rechts zit een kat. Achter de vrouw houdt een dokter een kolk met urine tegen het licht, naast hem staat een man. Links leidt een trap naar andere kamers, boven de deur hangt een schilderij. In de achterste kamer een haard met een mantelstuk.

“The tripartite structure of foreground, mezzanine middle-ground, and background doorkijk frames an optical trajectory, one that is generated by the concatenation of orbs–urine flask, banister knob, and golden andiron. These orbs link the urine analyst who often appears in Dutch pictures as a farcical character, to a similarly posed figure visible in the painting over the mantel in the farthest room. The visual analogy provokes further questions about the relationship of the two figures. Knowledgeable viewers – then as now – would recognize and wonder what to make of the framed pictorial frag-ment within the picture.

The viewer, like these two figures, is left to puzzle over the evidence of both pregnancy and paternity, questions posed and set into play by means of its framing and accessories but not resolved within the painting. Thus, while van Hoogstraten recommends using accessories that covertly explain in the Inleyding, his painting reveals that pro-viding pictures with a ‘readable script’ through such embellishments is not the same as imbuing them with specific hidden meanings. instead such accessories offer visual prompts that make pic-torial puzzles legible, framing questions and inviting speculation rather than providing answers.”

Het zijn enkele fragmenten uit de boeiende studie ‘The universal art of Samuel van Hoogstraten(1627-1678): painter, writer, and courtier’ van Weststeijn, M.A.

https://docplayer.net/62559669-The-universal-art-of-samuel-van-hoogstraten-painter-writer-and-courtier-weststeijn-m-a.html

Zelfportret

Of je deze wondere kunstenaar grondig wil bestuderen of gewoon verwonderd zijn bij enkele van zijn werken, hij blijft ons aankijken en telkens weer ontdek je nieuwe aspecten van zijn denken en kunnen. Zoals in deze mooie pentekening waarin Judas, de verrader, zijn 30 zilverlingen ontvangt. Je hoort ze bijna discussiëren terwijl de wat bleke Judas-figuur een beetje bedremmeld toekijkt.

Samuel van Hoogstraten
Judas Receiving the Thirty Pieces of Silver
c. 1655
143 x 220 mm
Pen and wash in silvery grey bistre, corrected wih pen and brown bistre

Dit hele kleine tekeningetje (136 x 167 mm) brengt ons naar een keuken waar een jongetje zich opwarmt bij het vuur. Hollandse winters waren toen nog koud! Hartverwarmend!

Samuel van Hoogstraten
A kitchen with a boy warming himself at the fire
136 x 167 mm
Pen and point of brush in brown ink, brown and grey wash
Institut Néerlandais, Frits Lugt Collection, Paris

Opgehokt in de wolken: Laurent Chéhère

The Red Balloon / Le Ballon Rouge – 2012



This calm and innocent atmosphere hides a reference to the movie Red Balloon directed by Albert Lamorisse and shot in Ménilmontant, my neighborhood. When you take a closer look to the old facade of this cheap hotel, where you can rent a room daily or monthly, you can read above the space where you usually find the street name sign an inscription « Long live the Commune ». It refers to the events of 1871 which bloodied the district and the Père Lachaise cemetery. On the rooftop, graffitis such as Big Brother (a fictional character and dictator in George Orwell’s novel 1984), Chuck Norris (could see as a symbol of an American imperialism) and a Space Invaders are evidences of the neighborhood’s political commitment.
Weekje in de wolken:
 zweven
op vleugels van
 stilte.
The Caravan / La Caravane – 2012



By far this caravan seems to navigate peacefully towards a clear horizon. Some romantics will see a tremendous aspiration for freedom guiding it, the Bohemian life, the children of the nature, a bear tamer, a magician, the lines of the hand, Django Reinhardt, a violin, a crystal ball, a guitar or a lifestyle who refuse to submit themselves in any authority.

Closely it’s people who are deported by force for what they are : Roma, Manouches, Gypsies, Gitans, Romanichals, Bohemians, Travellers community or Chicken thief, no matter their name, in our modern so-called societies, they are rarely welcome and arouse many fantasies. Their history is marked out by events and by persecutions. In Serbia as in Romania, many of them was slaves until 1850. Between 1933 and 1945, the Nazis and their allies persecuted, sterilized, imprisoned, tortured, shot, and finally gased about 500 000 Roma in death camps

Wandel intussen in de tuin van bijna tweeduizend paadjes: sluipwegeltjes, schaduwpaadjes, doolhofjes, strakke laantjes met bloemperken, wilde avonturen-kronkels, dreven voor trage wandelaars, steegjes en straten…enz. Kom daarna thuis in je ‘vliegend huis’ zoals de Franse fotograaf en kunstenaar Laurent Chéhère ze samenstelde.

For sale / À vendre – 2012



Sells pavilion, suburb, 120m2, 3 bedrooms, lounge, kitchen, bathroom, toilet, laundry room, no garden. Thank you to contact the owner. Client not serious please refrain.

The “Flying Houses” are a surrealistic and poetic vision of old Paris, inspired by Jules Verne, Albert Robida, Moebius, Hayao Miyazaki, William Klein, Wim Wenders, Federico Fellini, Serge Gainsbourg, Martin Scorsese, Marcel Carné, Jean Cocteau and more. These buildings are also inspired by poor and cosmopolitan neighborhood of the French capital where lives Laurent Chéhère. (Vergeet de cineast Albert Lamorisse, Le ballon Rouge, niet!)

The author isolates these buildings of their urban context and releases them from the anonymity of the street to tell the life, the dreams and the hopes of these inhabitants. The images are photomontage of hundred of elements like roof, windows, gutter, fireplace, characters, antennas, graffiti and sky, captured and assembled afterward like a puzzle. In gallery, the images are shown in large format and let the curious observer to discover details and hiden references of these accurate reconstructions by proposing a double reading, one by far and one closely. The artist uses this distance to propose a different point of view and alert against preconceived ideas and prejudices. All the ingredients are there, the comedy, the drama, the poetry, the darkness, the onirism, the laughter and the tears… everything becomes entangled. The author gives some keys, but these flying houses remain open to the interpretation, it’s finally the people who will make his own way.

Cinéma – 2012



The Pigalle district conserves in the collective memory an image of underground venues together with perverted and dirty nights. Pornographic cinemas were part of this landscape together with prostitutes and pimps. Pigalle has changed : it is no longer the territory of sex but the territory of cool nightlife and music scene. Old porn cinemas shut down and were replaced. All but one : L’Atlas. Its teasing neon lights, its suggestive display make no doubt about its « specialized » programme, as it was once modestly called. It had several lives. I gave him one more. The street sign recalls a director of many erotic films and teen movies. His films mixing more or less smutty erotism and approximate «Vaudeville».

Laurent Chéhère is a French photographer known for his commercial work for clients such as Audi and Nike. He left the advertising industry to travel the world and along the way was born his flying houses series, a collection of fantastical buildings, homes, tents and trailers removed from their backgrounds and suspended in the sky as if permanently airborne.

he Linen / Le linge – 2012



A building that has gone dry his laundry near the district of La Chapelle where it was no longer welcome.

Caught in the hustle and bustle of crowded streets, big city dwellers might not always have the time to stop and enjoy the scenery. But Laurent Chehere is giving you a reason to admire your street-side architecture. In a series titled “Flying Houses,” the artist takes images of ordinary urban and suburban residents and places them in the skies, creating captivating photographs of homes that appear to be floating through the air. Some are adorned with clotheslines and flower boxes while others are bellowing smoke and eschewing flames, but all of the houses seem to be captured mid-journey, moving above the clouds as they remain tethered out of frame. No longer hidden in the monotony of a congested street, the isolated structures become whimsical imaginations you can’t help but notice.

Dr Pierre – 2012



Time passes and clears. Here an old advertisement from the late nineteenth century for a toothpaste.

Laurent Chéhère is a french artist, born in 1972 at the foot of the parisian hill of Ménilmontant, a neighborhoods he explores with the same unceasing curiosity as he does in Bamako, Lhasa, Tokyo, Valparaiso or Srinagar. Early on his life, he was immersed in the images of popular culture. His father would make scripted holiday films with his Super 8 camera, his mother transmits the virus of drawing and his brothers was passionate by theater… and the young Laurent? He dreams in the atelier of his grand father Joseph, a house painter and typographer of a village in Normandy. To his young eyes, the place was extraordinary as Alibaba’s cave. Of course it’s not enough to be an artist but you never know!

Lost Street / Rue Disparue – 2015



This reconstruction is inspired by an iconic building, destroyed in the 70s. It was located on the top of the hill of Belleville in Paris, on the corner of the rue Piat and the rue Vilin stairs. Unfortunatelly, a large part of this popular neighborhood was razed for a questionable sanitary effort. It has been replaced since then by a public garden, without any particular charm but enjoyable at springtime. The building still lives in the work of photographers like François-Xavier Bouchart, Henri Guédard, Robert Doisneau and Willy Ronis as well as in films in which it had been used as the set : Orpheus by jean Cocteau, the Red Balloon bu Albert Lamorisse, Casque d’Or by Jacques Becker, Raids on the City by Pierre Chenal, Under the sky of Paris by Julien Divivier, The Grand Chef by Henri Verneuil and Act of Love by Anatole Litvak.

Thus, he came to spend the last 20 years traveling around the world taking photographs starting with his own city. A veritable tower of Babel where you can meet the world crossing the street. These working class neighborhoods of Paris are his playing field, his principal source of inspiration, his own point of departure and arrival. It’s here in the places, where every street corner offers an escape through the foreigners accents, the spice perfumes, the orientation of satellite dish, that he discovered a passion for travel, and for people and stories from around the world. It’s there, also, where he returns to better tell these stories. And Because his inspiration are numerous and varied, he was chosen to bring them together in these flying houses that carry their univers, their atmosphere, their history, everything that the artist wanted to put there, but also everything the public will want to see there.

The Journey / Le Voyage – 2018



From the outside, this abandoned shed seems visited only by street artists. But behind the rust, the broken tiles and the graffiti, sleeps the studio of cinéma of George Méliès, the very first one in France. If you explore more closely this « Egyptian tomb », one can discover, buried under the cobwebs and the dust, the History of Cinema. There are cameras, movie reels, masks, costumes from all ages. Tarkowski, Scorsese, Kurozawa, Bresson, Visconti, Wenders, Mallick, Pollack, Godard, Kubrick, Hitchcock, Leone, Spielberg, Truffaut, Bergman, Scorsese, Coppola, Chaplin, Fellini, Lang are all there.

Detail: From left to right, you can spot cameras used by Terrence Mallick, Orson Welles, Luchino Visconti in Rocco and his Brothers, Andrei Tartovsky in Stalker, Howard Hughes in Aviator a film by Martin Scorcese, Sydney Pollack, Akira Kurosawa, Wim Wenders in Wings of Desire, Charles Chaplin. Claude Lelouch, Georges Méliès, François Truffaut, Ingmar Bergman, Michael Powell & Emeric Pressburger in Black Narcissus, Stanley Kubrick in 2001:A Space Odyssey and John Ford. In the center, the android in Metropolis by Fritz Lang. In the background, there is part of the set of 20 000 Leagues under the Sea by Georges Méliès. Bottom right, a graffiti represents Danny on his tricycle in Shining by Stanley Kubrick. On the glass door, a red inscription almost disappeared, seen in Shining too : REDRUM (MURDER). At the top left, the planet Saturn and the rocket train in the film A trip to the Moon by Georges Méliès. At the top right, the USS Enterprise from Star Trek, a flying saucer from the Invaders and hidden in the darkness, a Death Star from Star Wars.
Still Life / Nature Morte – 2013



By far, it looks like a Noah’s Ark, closely it is a little bit different. These animals are not afraid of having of the rise in the water level, they already died and stuffed at this taxidermist workshop inspired by the maison Deyrolle in Paris and some «cabinet of curiosities». On the background, behind a parrots, a monkey, an elephant, a zebra, a rabbit, a bear, a lynx and a girafe is hide someone…  also stuffed. The vanity of men trying to freeze the Death.

Ze zijn de wereld rondgegaan, de vliegende huizen. Gek dat je pas de ‘eigenaardigheden’ van een huis ziet als je het losgemaakt uit de rij. Je zou bij elk huis een verhaal kunnen vertellen. Of je eigen huis samenstellen uit onderdelen die je op het net vindt. De schoonheid van deze composities bestaat o.a. uit de zorg voor de onderdelen. Het is lang kijken wil je elk detail gezien hebben.

Le Petit Journal – 2013



Behind this immense blue advertisement for a newspaper of the end of XIXth century, you’ll see that this building is hiding a doll workshop inspired by cabinet of curiosity of XVIIIth century and artist studio of Montmartre. A young man has just pasted a poster about Coluche. He was a humourist, actor, provocator and agitator by his social pronoucements, he presented himself in the french presidentail election of 1981 against François Mitterrand.
Max – 2013



The « American Hotel » neon sign, a name synonym of modernity, is here only a souvenir of a past era and witnesses the work of time. The tourism board has lost its stars. The paint on the wall is decrepit. A closer look, and it seems dedicated to another clientele. On the first floor there is a tribute to the movie « Max and the Junkman, by Claude Sautet with Romy Schneider and Michel Piccoli, telling the impossible love story between a cop and a prostitute.
The Great illusion / La Grande illusion – 2012: From afar, it seems peaceful and free. but the title reference to Jean Renoir’s movie is a warning. Looking closer, one discovers African migrants, their hearts full of hope, sailing to a Parisian future, as unsafe and over crowded as their boat. This metaphor testifies of their odyssey and the tragedy taking place in the Mediterranean sea.

Misschien kun je ook steden, of regio’s uit hun totaliteit losmaken en ze daardoor hun specifieke eigenheid toedichten of benadrukken. Maar er komt een moment dat je weer de begane grond op moet. Dat je de opgehokten weer in het publieke leven wil zien en er zelf deel van gaat uitmaken.

he Hell and the Elephant / l’Enfer et l’Éléphant- 2017 nspired by the famous Cabaret The Hell in Montmartre and the Circus world. Destroyed in 1950, it was frequented by the Surrealists. André Breton lived just above it and organized spiritism sessions with the poet Robert Desnos in the 1920s. The owner opened another twin cabaret called «Heaven». There are many posters of french famous circus like Bouglione and Zavatta. There are references to Henry George Clouzot’s eponymous film, Eraserhead and Elephant Man by David Lynch. At the window there are masked children and the name of the street is ironically to the glory of the “deserving” people : Cockroaches and Sowbugs Street.

I’m interested in houses and buildings that people do not look at any more. I try to highlight them, to show their hidden beauty and to get out of the anonymity of the street to help them tell their stories, true or not, funny or sad.

I am interested in gypsies, African immigrants, a circus, an old erotic cinema, a little bar, a decrepit hotel, or a house in the suburbs.

In the gallery, the images are shown in large format, so that they make sense, leaving it to the curious observer to discover details (graffiti, writing, anachronism, character, window, reference to a film or a musician) and propose a double reading, a story far and another closer.

The “Red Balloon” for example, is a Parisian building and is a tribute to Albert Lamorisse’s film “The Red Balloon” shot in Ménilmontant streets in 1956. I added details like political graffiti depicting “Big Brother” – the dictator in George Orwell’s book “1984”; a mosaic of Space Invaders and above the name of the street that has been stolen, a small inscription “Vive la Commune”. This is the part of Paris saw the last barricades of Commune in 1871.

The “Circus” was inspired by a circus in northern Paris. The photo has a tribute to Fellini movie “La Strada ” and the angel played by Bruno Ganz in “Wings of Desire” by WimWenders. Perched on the shoulder of a statue and observing humans, he falls in love with a trapeze artist. In my picture, a dwarf dressed as a clown who tries to light a cigarette on the snowy roof of the tent gets the role.

The Circus / Le Cirque – 2012

https://www.laurentchehere.com/laurentchehere.com/www.laurentchehere.com.html

Fire/En feu 2012

‘Gebed’: gedicht van Laura Kasischke

't Vuil op de voorruit en 't sproeiers spul helemaal leeg, zo
rijden we samen verder in een zon-grijze ruit van vuil
en stof. Mijn zoon

zet de passagierszetel zo ver als mogelijk achteruit, sluit
zijn ogen. Ik draai mijn raampje open voor een beetje
frissere lucht. Het is zo

ongelofelijk fris daar buiten.

Regen, voorbij.
Plassen achtergebleven
in greppels. Zwarte spiegels als we passeren

er in weerspiegeld, meen ik, maar ik
moet daarvoor oversteken en knielen langs de kant
van de weg om het te weten.

Dag voor de boeg-

geen reden om hiervoor de radio
te laten spelen.
Het huis waarin wij gewoon waren te leven

bestaat nog
op een snapshot, waarop
het vergeelt in het plakboek van een andere familie.

En een man op de fiets
rijdt naast ons
al een lange tijd, heel gezwind, tot hij tenslotte

hij kan ons niet bijhouden-

maar voor hij wegglijdt
achter ons, groet hij ons
met zijn linkerhand-

een geheugensteuntje:

dat iedere aparte seconde-
dat iedere gevangene in de dodencel-
dat iedere naam op elke grafsteen-

dat overal waar wij gaan-
dat iedere dag, zoals de deze, mag
zijn zoals de deze, zal
zijn zoals elke andere, nog nooit geweest, nooit

eindigend. Zo
dank u. En, oh-
Ik vergat het bijna te zeggen: amen.

The windshield’s dirty, the squirter stuff’s all gone, so
we drive on together into a sun-gray pane of grime
and dust. My son

puts the passenger seat back as far as it will go, closes
his eyes. I crack my window open for a bit
of fresher air. It’s so

incredibly fresh out there.

Rain, over.
Puddles left
in ditches. Black mirrors with our passing

reflected in them, I suppose, but I’d
have to pull over and kneel down at the side
of the road to know.

The day ahead—

for this, the radio
doesn’t need to be played.
The house we used to live in

still exists
in a snapshot, in which
it yellows in another family’s scrapbook.

And a man on a bicycle
rides beside us
for a long time, very swiftly, until finally

he can’t keep up—

but before he slips
behind us, he salutes us
with his left hand—

a reminder:

that every single second—
that every prisoner on death row—
that every name on every tombstone—

that everywhere we go—
that every day, like this one, will
be like every other, having never been, never

ending. So
thank you. And, oh—
I almost forgot to say it: amen.

“This prayer of thanksgiving was inspired by exactly the things I put in the poem: the ordinary drive with my son beside me in the passenger seat; the man who rode his bike beside us and saluted us; the weather and the sense of stability and gratitude for stability I had at that moment; the sense that things were going to last and be preserved, if only in memories and snapshots, glimpses of recognition passed between strangers, or between human beings and what felt, at that moment to me, like a benevolent creator who deserved some acknowledgment, even if we are really, all of us, on death row, even if the immortality I felt I got a glimpse of might have been the kind of immortality one achieves having had her name chiseled onto a tombstone. But, I had a lovely glimpse of eternity there, for a minute.”
—Laura Kasischke (in ‘Poem-a-day)

Foto Léonard Misonne collectie

Laura Kasischke was born and raised in Grand Rapids, MI. She received an MFA from the University of Michigan in 1987.

In 1991, she published her first collection of poetry, Wild Brides (New York University Press). She is also the author of Where Now: New and Selected Poems (Copper Canyon Press, 2017), which was long-listed for the National Book Award; The Infinitesimals (Copper Canyon Press, 2014); Space, In Chains (Copper Canyon Press, 2011); Lillies Without (Copper Canyon Press, 2007); Gardening in the Dark (Ausable Press, 2004); Dance and Disappear (University of Massachusetts Press, 2002); What It Wasn’t (Carnegie Mellon University Press, 2002); Fire and Flower (Alice James Books, 1998); and Housekeeping In A Dream (Carnegie Mellon University Press, 1995).

She is the author of the short story collection If A Stranger Approaches You (Sarabande Books, 2013). She has also published ten novels, of which three have been made into feature films.

She has received fellowships from the Guggenheim Foundation, the National Endowment for the Arts, as well as several Pushcart Prizes and numerous poetry awards. She teaches at the University of Michigan, and lives in Chelsea, Michigan.

Bezoek:

https://poets.org/poem-a-day

https://www.poetryfoundation.org/poets/laura-kasischke

Robert Polidori: de directe nabijheid van het voorbije

Señora Faxas Residence, Miramar, Havana, No. 1, 1997

De wereld was nooit alleen van het heden. Je kunt het verleden camoufleren, inlijsten of tot studie-object herleiden, maar de confrontatie drukt telkens een verhouding met de wereld uit: wat wij ervan gemaakt hebben of wat ervan geworden is. Dat kan met een zekere traagheid of met ongelofelijke snelheid hebben plaats gevonden. Het ritme van de geschiedenis houdt zich niet aan regelmaat. De chaos is een duidelijk resultaat van menselijk of natuurkundig ingrijpen. Fotograaf Robert Polidori (1951) brengt dat in beeld. Tot in het detail.

Robert Polidori is one of the world’s most acclaimed photographers of human habitats and environments. Creating meticulously detailed, large-format color film photographs, Polidori’s images record a visual citation of both past history and the present times within the confines of a single frame.

Born in Montreal, Polidori moved to the United States as a child. Polidori began his career in avant-garde film, assisting Jonas Mekas at the Anthology Film Archives in New York, an experience that critically shaped his approach to photography. While living in Paris in the early 1980s, he began documenting the restoration of Versailles, and has continued over a 30 year period to photograph the ongoing changes.

Polidori’s additional projects include Havana, Chernobyl, and the aftermath of the flooding post Hurricane Katrina in New Orleans. His current work deals with population and urban growth through photographing “dendritic” cities around the world, including Mumbai, Rio de Janeiro and Amman.

Since 2015, Robert Polidori and his family live and work in Ojai, California.

Teatro Capitolo La Havana 1997

All artists, as best they can, make sense of a world that is often senseless. Mr. Polidori’s work, from Chernobyl to Havana — in sometimes dangerous, topsy-turvy, out-of-time places — generally bears witness to profound neglect. A photojournalist’s compulsion and problem is always to contrive beauty from misery, and it is only human to feel uneasy about admiring pictures like these from New Orleans, whose sumptuousness can be disorienting. But the works also express an archaeologist’s aspiration to document plain-spoken truth, and they are without most of the tricks of the trade that photographers exploit to turn victims into objects and pictures of pain into tributes to themselves.(Michael Kimmelman, NY Times sept 22 2006)

Klaslokaal Chernobyl

I certainly didn’t feel any shame while photographing these sites. I simply attempted to portray things as they appeared to me. I never once attempted to execute any embellishments. For this reason I felt surprised and puzzled when criticisms arose. How could I answer the challenges? If I had made these images intentionally ugly would my critics have looked at them more carefully or generously? Likely not. And besides, since when was pathos morally inadmissible in the photographic arts?
I feel nothing when I make these types of photographs. I feel before and after, but while executing them it is my belief that there is only time to accurately act and react. In the few short moments of pause when self-reflection becomes possible, I think of myself as performing some sort of photographic rite of Extreme Unction by commemorating the life trajectories of habitats that were permanently interrupted by cataclysm.

DLes Derniers Jours de Napoleon, Versailles, 2005

Polidori has captured several facets of human experience, from the excesses of Versailles to the turmoil and tragedy of post-Katrina New Orleans. With each image, he eschews nostalgia and judgment, allowing the sharply focused details of the photograph to communicate particular elements of the subject’s psychology and history. Explaining his interest in interiors and architecture, Polidori has said, “Besides the obvious sheltering from the extremes of the elements, people make rooms to live in as if they are animated by an unconscious desire to return to a prenatal life, or even before that, to a soul life. This is what they exteriorize in rooms, their internal soul life, or less magically put, their personal values, if you will.” (Artsy )

Salle de bain de Marie-Antoinette, (33 B) CCE.01.038, Corps Central – R.d.C, Versailles, 2005
Chronophagia ‘La Guarida restaurant entrance, Havana, Cuba 1997’

Maar ook het verre verleden zoals de fresco’s van Fra Angelico geschilderd tussen 1439 en 1444 kun je als fotograaf in hun ruimtelijke aanwezigheid benaderen net zoals de restauraties in Versailles.

The invitation to photograph the frescoes within the Convento di San Marco, as well as the building itself (renovated at the time of Fra Angelico by the patron of the Dominican order, Cosimo de Medici) was a fitting project for Polidori, who believes that rooms act as vessels of memory. Since the 1980s, he has been involved in an ongoing study of the decades-long restoration of the Chateau de Versailles and had previously turned his eye on war-torn Beirut, the devastated landscape of New Orleans and the faded splendor of Havana. By capturing scenes of wreckage, restoration and grandeur uninhabited by human figures, Polidori brings us into communication with the echoes of history that resonate in architecture. These works evoke the inexorable forward thrust of time and its power to reduce people, buildings and civilizations to dust and ruin.

Het beeld van een beeld plaatst het kunstwerk of de architecturale ruimte in de historische omgeving zoals wij die nu ervaren, soms gelijkend op de oorspronkelijke ruimte, soms met sporen van de hedendaagse aanwezigheid. De atmosfeer waarin fresco of ruimte ervaren worden, brengt ons dichterbij hun oorspronkelijkheid of de intentie waarmee ze ontstaan zijn..

Salle les campagnes militaires et le décor des résidences
royale, Aile du Nord–1er etage, Versailles, France
(Room of military
campaigns and decor of royal residences, North Wing–1st floor, Versailles,
France), 1985

Polidori documented the ongoing restoration of the 17th-century Palace of Versailles. His photographs from this series have the scale and architectural sweep of history paintings, he uses light and color to underscore the images’ painterly aura. But instead of providing narrative dramas, his photographs are peopled by a disconcerting mix of construction materials, upended royal portrait paintings, security cameras and discolored walls. In place of the clarity we expect from a museum presentation, historical distances are collapsed and jumbled. Taking us behind the scenes, Polidori offers a case study of the way that historical consciousness is constructed. (Mark Dean)

Enfilade 3 / Aile de Nord, Premier Etage, Salles du XVIIème, Versailles, 2018
Fujicolor crystal archive print mounted to dibond

We moved to the United States from Canada in 1961, when the US was celebrating its American Civil War Centennial. I was 10 years old, and was much impressed by the pictures in Mathew B. Brady’s books that were passed around at school as historical documents of the war. That was when I was touched by the phenomenological power of photography. Ever since I have always been attracted by pioneers and practitioners of the principles of the view camera. The control of perspective given by 35-millimeter cameras is all but nil compared to the large-format camera, and to me this is a fundamental differentiating factor.

Humorously speaking, I imagine I should consider myself a modern 19th-century photographer, intent on documenting the end of the industrial era. Photography came about at the advent of the industrialization process. I wonder how it will fare in the future, although references to the use of the camera obscura go as far back as 500BC in China.

Chernobyl, gymzaal in school

Metaphorically speaking, photography does to time what a wall in a room does to time. It’s a kind of slice of time that is transfixed and only very slowly degrades its semblance. Curiously akin to the quantum of time it takes to forget something. I would say that the emblematic photographic image is a picture from inside a room looking out. I think this defines photography. It’s the metaphor for the notion of first sight. What one saw first.

When I realized the psychological importance of rooms and my commitment to them, I wandered away from cinema. There were other books too, Gaston Bachelard’s Poetics of Space talks about rooms and beehives and a set of drawers, all these receptacle kinds of images, and their metaphorical and psychological undertones.

Samir Geagea headquarters, Beirut, Lebanon, 1994
Hotel Petra #6, Beirut, Lebanon (2010)

La Poétique de l’espace explore, à travers les images littéraires, la dimension imaginaire de notre relation à l’espace, en se focalisant sur les espaces du bonheur intime. Le « philosophe-poète » que fût Gaston Bachelard entend ainsi aider ses lecteurs à mieux habiter le monde, grâce aux puissances de l’imagination et, plus précisément, de la rêverie. Aussi l’ouvrage propose-t-il tout d’abord une suite de variations poético-philosophiques sur le thème fondamental de la Maison, de celle de l’être humain aux « maisons animales » comme la coquille ou le nid, en passant par ces « maisons des choses » que sont les tiroirs, les armoires et les coffres. Il ouvre de la sorte une ample réflexion sur l’art d’habiter le monde, impliquant une dialectique de la miniature et de l’immensité, puis du dedans et du dehors, qui s’achève par une méditation des images de la plénitude heureuse, condensant les enjeux anthropologiques, métaphysiques et éthiques de cette oeuvre sans précédent.

Robert Polidori, Sala Alejo Carpentier, Gran Teatro de la Habana, Habana Viejo, Havana, 2000. Fujicolour crystal archive print
Robert Polidori 6328 North Miro Street, New Orleans, March 2006

Een merkwaardige zondag in mei 2020

Springtime by Claude Monet, 1886

De ‘schermers’ en de ‘telefoonstemmen’ bleken nog steeds over hun door ons herinnerd lichaam te beschikken. Een menselijk wezen te zijn.
‘Wezen’ is een ander, beter woord dan ‘lichaam’ maar doet dan weer aan Oliver Twist denken. Toch is het Nederlandse begrip ‘wezen’ een woord met verschillende kleuren. In Oost-Vlaanderen en in Brabant: ‘Je moet elke dag je ‘wezen’ wassen.’ Beter: ‘Op zijn ‘wezen’ lag vriendelijkheid uitgedrukt.’ Naar de meer heilige kant wordt het een ‘aanschijn’, en in spreektaal: Piet zal weer te laat wezen, zeker? Toch deden we met zijn zessen ook een beetje aan het meervoud van kinderen zonder ouders denken: ‘wezen’, en leken we even voor elkaar ‘buitenaardse wezens’. Het besef dat wij als mens een ‘nietig wezen’ zijn, was ons allen intussen ook wel duidelijk geworden.

Hanna Pauli – Frukostdags 1887 Nationalmuseum, Stockholm

Kind met vriend, kleinkind, vriend des huizes wiens vrouw en kind een aantal duizend kilometers van hier verblijven in afwachting van, en wij, de grootouders. Zes wezens. In wezen (nog één keer!) kennen we elkaar al lange tijd. Het kind is ons in september zevenveertig jaar vertrouwd, het kleinkind twintig, en de bijhorenden kun je door hun vriendschap met het jochie ook al bij ‘de familie’ rekenen, een gebeurtenis die zich meestal zonder al te veel tralala als vanzelfsprekend voltrekt.
En al schreef dichter Adama van Scheltma (1877-1924)
‘Min de stilte in uw wezen,
Zoek de stilte die bezielt,
Zij die alle stilte vreezen
Hebben nooit hun hart gelezen,
Hebben nooit geknield.’

Dan mag het hem echter ook duidelijk wezen dat knielen in deze groep vooral gebruikt wordt om iets op te rapen dat een ander iemand heeft laten vallen, en met het ‘hart’ lezen viel het best mee want onder de bijna uitgebloeide seringenboom zaten we bij de zelf gebakken wafels en cake om het over die vreemde tijd te hebben waarin we tot schermers en telefoonstemmen werden gereduceerd.

Vincent van Gogh, Daubigny’s Garden, June 1890. Oil on canvas, 50.7 x 50.7 cm. Van Gogh Museum, Amsterdam.

Er was, bij de wafels, koffie, thee, prosecco en de schermpjes waarmee we de beelden van die merkwaardige zondag opsloegen en die in weinig verschilden van de feestelijke en minder feestelijke samenkomsten.
Het kleinkind vertelde over haar gastvrije ophok-thuis in het Hageland waar het naast vriendje ook nog twee broers, vader, moeder en twee poezen tot alledaagse gezellen mocht rekenen, een ideaal nest om kunst-wetenschappen te blokken en in praktijk te brengen. Het kind besprak de aanmaak van een serie mondmaskers, het huis- en thuiswerk en het plezier van een ‘zwembad’ in de tuin. (bij de laatste zelfstandige naamwoorden moet een -tje bij, het een opblaasbaar, het andere verwant met het begrip ‘voorschoot-groot’) en de vriend-met-verre vrouw en kind had het over zijn nachtwerk voor het Belgisch Postwezen (!) en het dagelijks contact met de geliefden in het verre India.

Edouard Manet, The Monet Family in Their Garden at Argenteuil, 1874. Oil on canvas. 61 x 99.7 cm. The Metropolitan Museum of Art, New York.

Het donkerde, er kwam de voorspelde regen opzetten, maar geen nood, de veranda-tafel was ook al gedekt met zicht op de tuin die elk spatje regen dronk zoals wij genoten van de bekende tafelvochten. Het kleinkind bezocht nog even haar kamer, en reisde terug naar haar Hageland, met dat vreemde gevoel thuis te zijn geweest en tegelijkertijd weer naar haar nieuwe thuis te vertrekken. Ook de Post riep haar nachtelijke medewerker op, en kind met vriend wilden nog voor het donker de electrische fiets thuis stallen.
Het huis had zijn bekende avondmantel aangetrokken, met hier en daar lichtknoopjes en gezellige donkere hoekjes. Het miste al de vertrouwden nog voor ze weer in hun respectievelijke nesten waren teruggekeerd.
De grootouders? Dat waren ze echt niet geweest die bijzondere zondag, zoals ze dat in feite alleen voor de administratie en de verhalen van derden waren. Nu hoorden ze bij de zes van twintig tot ergens iets in de zeventig. Met de onzekerheid als gemeenschappelijk perspectief, maar ook met de verbondenheid van de zes die op hun beurt met hun verbindingen zelfs tot aan het andere eind van de wereld reikten.
Er waren geen filosofische traktaten noch politieke commentaren gedebiteerd. Woorden over het dagelijkse. Met de bijhorende grappen om de onzekerheid te maskeren. Met de innigheid die helaas geen aanrakingen mocht toestaan, maar des te meer met de zekerheid dat er die zondag nog duizenden andere schermers en telefoonstemmen een wezen van vlees en bloed bleken te zijn, uiterst kwetsbaar maar niet te onderschatten moedig.

The Garden Party. Sir James Guthrie

En later, zouden ze tot vervelens toe vertellen aan hun nakomelingen hoe het leven was ten tijde van Corona? Of gewoon glimlachen en met Thomas van Aquino zeggen: ‘De mens is een spiritueel wezen, dat om werkelijk spiritueel te kunnen zijn, een lichaam nodig heeft.’ En voor het kleinkind van haar geliefde Sartre: ‘Het zijn gaat vooraf aan het wezen.’
Voilà. Afstand houden en flink wezen. Zijn dus.

Alexi Zaitsev (1959)

Dansende partikels, een wondere wandeling

Hydrozoa R.S. Connet 2018

Een wandeling langs tekst en beeld, geheel uit toevallige momenten en ontmoetingen ontstaan. Je kunt ze onderbreken en later weer aansluiten maar ze met mij helemaal uitwandelen maakt de knooppunten en associaties net zo verrassend als ze voor mij waren.
Oorspronkelijk wilde ik je een aanvulling bieden van vertaalde teksten uit het werk van Rumi (1207-1273) waarover ik vorig jaar een bijdrage maakte: ‘Nooit vult de wereld de zadeltassen’.
Ze is terug te bekijken via deze link:

https://indestilte.blog/2019/10/21/rumi-1207-1273-uit-dit-alles-van-liefde/

Ja, ik begrijp dat velen de sfeer eerder wazig, ver-van-het-westerse-bed ervaren, maar de wonderlijke dichter Rumi blijft allerlei mensen van allerlei tijden en van allerlei gezindheden aanspreken.
Bij de her-organisatie van de verschillende boekenplanken in dit huis, met de bedoeling ze in één centrale bibliotheek onder te brengen, vond ik een verloren gewaand boek terug: ‘The essential Rumi‘, translations by Coleman Barks with John Moyne’, een Amerikaanse uitgave uit 1995-1997 die je nog moest opensnijden wilde je bij de fraaie teksten komen.
Eén van de eerste pogingen werd deze korte tekst:’

'Daglicht, vol kleine dansende partikels
en dat ene grote draaien, onze zielen
dansen met jou, zonder voeten dansen ze.
Kun je ze zien als ik in je oor fluister?'

Herlees het traag, herlees het vlug, laat het enkele dagen liggen en herlees het, en verwacht niet dat ik het nog ga uitleggen ook, want dat is nu net het raadsel van zijn poëzie: bewegende teksten die niet alleen in elkaar haken maar zoals een fuga door elkaar heen beelden vormen die bijna onmiddellijk weer verdwijnen en in andere beelden overgaan.
Ik probeer ze te illustreren door een beeld van een zekere Robert Steven Connet die iemand ‘ a ‘Nightmare in Beauty’ noemde en die je in het tijdschrift ‘Colossal’ van 19 januari 2016 terugvindt als ‘The Dense Microcosmic Worlds of Painter Robert S. Connett’, hier te bezoeken:

The Dense Microcosmic Worlds of Painter Robert S. Connett

Ik geef toe dat het hier niet dadelijk om effecten van het daglicht gaat, eerder een illustratie bij begrippen als ‘partikel’ en ‘microscopische structuren’. Een ‘microscopische tuin’ zoals hij een van zijn creaties beschrijft, door zijn innerlijke uitvergroting -ook een manier van belichten- zichtbaar geworden..
Blijf je zoals ik een beetje op je honger zitten dan kwam er- ook geheel toevallig- het mooie werk van de Amerikaanse kunstenaar Lary Bell (1939) ter sprake die vroeg met glas begon te werken en ik hier graag introduceer. Van het vergrootglas naar het glas dat licht denkt zichtbaar te maken, de werkelijkheid die wij ervaren losweekt en een dialoog met de ruimte aangaat.
Het artikel van Marie de Brugerolle uit Mousse Magazine geeft een mooi overzicht onder de titel:
‘A world without Angles: Larry Bell’.

A World without Angles: Larry Bell

Larry Bell, Larry Bell. Still Standing installation view at Hauser & Wirth, New York, 2020

En in twee fraaie youtube filmen zie je bewegende beelden rond zijn persoonlijkheid. Het eerste als kennismaking, het tweede : ‘Seeing through glass’ brengt je dichterbij zijn werk.

‘I shall have to controvert one or two ideas that are almost universally accepted. The geometry, for instance, they taught you at school is founded on a misconception… I do not mean to ask you to accept anything without reasonable ground for it. You will soon admit as much as I need from you. You know of course that a mathematical line, a line of thickness nil, has no real existence. They taught you that? Neither has a mathematical plane. These things are mere abstractions.
“That is all right,” said the Psychologist.
“Nor, having only length, breadth, and thickness, can a cube have a real existence.’

Larry Bell, 6 x 6 An Improvisation installation view at the Chinati Foundation, Marfa, 2014

In my opinion all artwork is stored energy.
The art releases its power whenever a viewer becomes a dreamer.’

Het kunstwerk als ‘stored energy’ en dan zijn we weer terug bij Rumi.

Nu maak ik een kleine sprong van glas naar raam, en die ramen zijn in de Oscarwinnende kortfilm van Marshall Curry ‘The neighbours’ window’ de uit- en inkijk op het ‘intieme’ bestaan in al zijn betekenissen, een uitspraak die je na afloop zal duidelijk geworden zijn.
Zorg dat je niet gestoord wordt als je dit mooie werk bekijkt, met of zonder geliefde, in de sfeer van het opgehokt zijn, uitkijkend naar elkaars beslotenheid.
En lees daarna nog één keer die enkele Rumi-lijnen.

''Daglicht, vol kleine dansende partikels
en dat ene grote draaien, onze zielen
dansen met jou, zonder voeten dansen ze.
Kun je ze zien als ik in je oor fluister?'

Al zijn er dan geen rechte hoeken meer volgens Marie de Bougerolle in haar artikel over Larry Bell, het doorschijnende van elkaars energie verbindt onze kwetsbaarheid.
Je bent niet alleen.

Larry Bell with The Iceberg and Its Shadow, taken at Washington University in St. Louis in 1976

Met Alice ondergedoken…

At this, the whole pack of cards rose up into the air and came flying down upon her. (Arthur Rackham)

Emily Temple, senior editor bij mijn geliefde en vaak gebruikte tijdschrift ‘Literary Hub’, vertelde mij dat het vandaag, 4 mei 155 jaar geleden is dat Alice in het konijnenhol tuimelde. Caroll koos deze datum omdat het Alice Liddell’s verjaardag was. In 1865 werd ze dertien.

Since then, Alice and her compatriots have been reimagined countless times, and inspired creative work of just about every genre. These days, it feels like we’re all down one rabbit hole or another, so it seemed just as good a time as any to revisit some of the best artistic treatments Alice and the gang have gotten over the years, from the classic Tenniel illustrations to moody drawings by Mervyn Peake (yes, that Mervyn Peake) to creations filtered by Yayoi Kusama’s bright, bubbly brain.’

Charles Lutwidge Dodgson, original illustrations, 1864

Vervolgens kun je, door de tijd heen, twintig verschillende illustraties bekijken die het beroemde boek tot op de dag van vandaag bekende en minder bekende illustrators inspireerde, met vaak onder elk voorbeeld een ‘more’ verwijzing die je dan weer verder brengt in ‘Wonderland’. Een geschenk voor illustrators, sprookjesschrijvers, letterkundigen, kortom voor iedereen die in deze contactloze tijden toch nog graag in aanraking komt met het wondere.

Ga naar: https://lithub.com/20-artists-visions-of-alice-in-wonderland-from-the-last-155-years/

The Queen’s Croquet Ground (Salvador Dali)

Emily Temple is a senior editor at Lit Hub. Her first novel, The Lightness, will be published by William Morrow/HarperCollins in June 2020

But isn’t it old! Tweedledum cried. . .( Peter Blake, series of screenprints on paper, 1970)

Almost exactly 155 years ago, Lewis Carroll told three young sisters a story. He’d come up with it to enliven a long boat trip up the River Thames, and one of the children aboard, a certain Alice Liddell, enjoyed it so much that she insisted that Carroll commit it to paper. Thus, so the legend has it, was Alice’s Adventures in Wonderland born, although Lewis Carroll, then best known as Oxford mathematics tutor Charles Lutwidge Dodgson, hadn’t taken up his famous pen name yet, and when he did write down Alice’s Adventures in Wonderland, it took its first form as Alice’s Adventures Under Ground

Tove Jansson, illustrations for Alice i Underlandet, 1966

Manège de petit Pierre: l’ art brut in zijn puurste vorm

In France Culture van 1 mei schreef Céline du Chéné:

‘Ça couine, ça grince, ça racle et c’est une véritable merveille visuelle et sonore que le Manège de Pierre Avezard, dit « Petit Pierre ». Fabriqué pendant un demi-siècle, à partir de bouts de tôles, de morceaux de fer blanc récupérés, de boulons, de débris de métaux, ce Manège – ainsi nommé par son créateur- tient plus du spectacle total que de la mécanique foraine. On y pénètre par une sorte de petit sas qui fait aussitôt basculer le visiteur dans un univers parallèle, entièrement animé. Entourés de machines mouvantes et bruyantes qui reconstituent le quotidien de Petit Pierre, on découvre alors un univers campagnard et onirique, réel et rêvé, authentique et farceur, rempli de personnages rigolards et d’animaux facétieux – comme cette vache électrique qui prend un malin plaisir à asperger d’eau le visiteur imprudent- sans oublier des véhicules en tout genre : des voitures, des chars, des tracteurs, mais aussi des tramways qui passent en brinquebalant au-dessus de nos têtes, des bombardiers qui lâchent des billes sur une tôle dans un son d’enfer, peinant à couvrir le bruit du moteur qui fait mouvoir l’ensemble des machines ; le tout étant dominé par une immense tour Eiffel de 23 mètres de haut.’

En nu bekijk je best gewoon dit ouder filmpje waarin je wat hierboven verteld wordt kunt horen en bekijken:

Le manège de Petit Pierre in werking op zijn oorspronelijke plaats

Pierre Avezard. Geboren in 1909 met het syndroom van Treacher-Collins, een zeer zeldzame erfelijke gelaatsziekte waardoor vaak de oorschelpen ontbreken en andere misvormingen van het gezicht kunnen voorkomen. Dat hij met een dergelijk uiterlijk het voorwerp van spot en plagerijen zou worden lag voor de hand. Maar ‘Petit Pierre ‘était né sous ne bonne étoile’. Een warme beschermende familie en zijn zus Thérèse die hem leerde lezen en schrijven.

Geboren en getogen en pleine campagne in Le Loiret werd hij koeherder. Hij kon met de dieren praten, hield van hen en zorgde voor hen. Zo werkte hij in verschillende boerdrijen en zag ’s zondags zijn ouders en Thérèse en Léon, zijn kleine broertje. Hij bracht voor hen allerlei kleine voorweren mee die hij gemaakt had met vindmaterialen: speelgoedjes, windmolentjes, bloemenboeketjes met metalen bloemetjes.
In 1935 werkt hij bij een boerderij op een vijftiental kilometer van thuis. Hij wordt er zonder ophouden met zijn handicap geplaagd terwijl zijn beetje bezit stuk wordt gemaakt. Als oplossing zet Petit Pierre zijn bed op een door hem gemaakt platform dat hij met een zelf gemaakt opplooibaar laddertje kan bereiken zodat hij voor de andere koewachters onbereikbaar wordt.
Enkele jaren later ontwerpt hij zijn eerste machine: ‘ “un système mécanique de distribution de betteraves aux vaches méritantes”, tapis roulant actionné à partir d’un pédalier de vélo.’
Zijn patron, meneer Hareng schenkt hem een lapje grond om er in vrede te kunnen leven en aan zijn uitvindigen te werken.
Zo ontstaat ‘le Manège’ de Petit Pierre waar hij in de loop van zeven jaar ook bij zijn broer Léon, intussen luchtvaart-ingenieur geworden en de wereld rondreizend, inspiratie vindt en er zijn creaties verder uitbouwt.

‘Le bouche à oreille fonctionne. Désormais, les visiteurs viennent de toute la région pour découvrir ce lieu unique. Petit Pierre, sans le vouloir, est devenu une célébrité, et son Manège un endroit festif qui enchante les dimanches campagnards. On y boit et on y danse au son d’un vieux tourne-disque, ou accompagné des notes endiablées de la guimbarde de Petit Pierre. Hélas, en 1974, les belles heures du Manège se grippent. Victime d’une crise d’hémiplégie, Petit Pierre doit se retirer en maison de repos. Cependant, tous les dimanches, un taxi le dépose à La Coinche où il continue d’accueillir les visiteurs dans son Manège. C’est en 1980 que le grand public le découvre grâce au film d’Emmanuel Clot, Petit Pierre, qui reçoit le César du meilleur court-métrage documentaire : “La première fois que j’ai vu ce petit homme de 70 ans avec son visage torturé devant ce Manège qui est l’œuvre de sa vie, j’ai eu un choc… il fallait que j’en fasse un film. C’est maintenant l’être au monde que j’aime le plus, car il a su communiquer avec une société qui le rejetait.”, explique-t-il dans une interview accordée au Matin de Paris, en février 1980. (Céline du Chéné)

Ouder geworden wordt zijn ‘manège gered door Alain Bourbonnais, architect en collectioneur d’ art brut en hergemonteerd waar ze in ‘La Fabuloserie’ nog altijd te zien en te bewonderen is. De mooie film hieronder laat je de opening en de nieuwe werking zien aldaar!
Il meurt en 1992, sans l’avoir revu. Mais trente ans plus tard, le Manège fonctionne toujours. En 2019, Agnès et Sophie Bourbonnais, les filles d’Alain et Caroline organisent une exposition pour raconter l’incroyable destin de Petit Pierre. Le jour du vernissage, tous les enfants de Léon Avezard sont présents, dont une certaine Nicole Avezard, docteure en mécanique des fluides, plus connue sous le nom de Lucienne Beaujon du duo des « Vamps ». (ibidem)

Met bewondering en ontroering , emoties eigen aan het beschouwen van kunst in zijn zuiverste vorm, bekeek ik het werk van deze man met net zo’n grote bewondering voor al degenen die het opnieuw zichtbaar hebben gemaakt in La Fabuloserie, musée art-hors-les-normes, art brut Ontsnappen is dus mogelijk, ook al ben je in je eigen lichaam opgehokt.

‘Dans la panoplie des termes du monde de l’art brut les appellations sont nombreuses. « Art marginal » ou « art hors-les-normes » font partie de celles qui peuvent fonctionner comme des termes génériques. Pourtant l’expression « art hors-les-normes » reste indissociable de la collection réunie par Alain Bourbonnais. Suggéré par Jean Dubuffet à ce dernier parmi d’autres appellations en 1972, l’art hors-les-normes désigne l’art réalisé avec d’autres normes que celles de l’art officiel. Réalisées le plus souvent par nécessité, ces créations sont fabriquées par des autodidactes pour lesquels l’acte créateur peut être pensé comme un travail passionné ou une sorte de « re-création ». Ces créations brouillent les catégories artistiques, dissolvent les frontières en s’inscrivant à la croisée de l’art populaire, l’art naïf, l’art brut, l’art outsider… Hors-les-normes est au-delà des normes.’

Verder: http://www.fabuloserie.com en http://www.avezard.com

JAIME PITARCH(°1963): our eternal condition of displacement.”

Jaime Pitarch, Subject, Object, Abject 2006 Chair, wooden, shaving from chair legs, 48 x 14 x 14

Jaime Pitarch (Barcelona 1963) creates sculptures, drawings, videos and installations often using humble everyday objects such as a guitar, chair, or household and consumer products. He employs inventive strategies of displacement, re-contextualization and visual punning to peel away at their routine uses and meanings to alter our relationship with such utilitarian items. Pitarch describes his work as mainly having “… to do with the human being’s inability to identify with the structures he himself has created.” Having been stripped of their functionality, we are free to view them in the alternative narratives the artist provides.

Cyclops 2002, Modified eye glasses

Opgehokt leven wij, vaak zonder het te beseffen, tussen allerlei dagelijks materiaal dat zich volgens de Catalaanse kunstenaar Jaime Pitarch uitstekend laat gebruiken om, na een ingreep van destructie, zich als nieuwe constructie laat gebruiken om ons duidelijk te maken dat we het moeilijk hebben om ons te identificeren met de wereld die we zelf hebben gecreëerd.

In the widest sense, Pitarch’s work addresses humanity’s inability to identify with the structures we ourselves have created. The sense of loss or inadequacy we feel when faced with these structures (whether we call them culture, setting, society, ..) moves humanity to interpret the world, and ourselves, constantly and intuitively in order to try to insert ourselves into it. Through the use of elements fabricated by man, inhabited by man, or elements that have helped man to construct an idea of himself and of what the world is, Jaime Pitarch addresses notions of time, value and productivity. (I Lobo you blog)

Monumentum, 2017 Broken ladder inbalance 190 x 190 x 60 cm

This futile action modifies peoples’ destinies. I see this act as something of great beauty. In my work, I use elements fabricated by man, inhabited by man, or elements that have helped man to construct an idea of himself, and of what the world is.

I tend to dismember and reconstruct these elements. The distance between the original object and the new object, often dysfunctional, acts as a reflection of the space between the original being and the person, between collective structures and our limited adaptation to or identification with them. The new object tends to express the loss of the person, and as a result, his need to keep standing even though it might only be to prove that, in essence, he is still holding onto what was given to him, and what indicates that he still is.

Monumentum 14 2006 Deconstructed and reassembled chair, teacup

This explains a certain obsession with the theme of order (ordering is the prerequisite for interpreting) and the fact that most of the actions carried out in my work are sometimes futile, or present their elements in a situation of equilibrium or precariousness. A futility or precariousness, however, in which I try to produce echoes of the beauty that encompasses the reiterated act of loss and self-affirmation.

From Nowhere to Nowhere Deconstructed and rebuilt door 2006

Van ‘Nergens naar Nergens’, het klinkt in deze tijden bekend in de oren. Ligt zijn werk nog in de filosofische structuren van het deconstrueren van onze verhalen, zijn heropbouw, zijn ‘rebuilt’, is duidelijk een teken van een ‘ander’ of een ‘nieuw’ verhaal. Zijn spelen met andere evenwichten of minieme veranderingen wijzen op mogelijkheden als we het over ‘anders’ zien en nieuwe betekenissen hebben.

“My work takes as its starting point the contradiction between our mistrust of social structures and our desire to fit into them. I address this contradiction by looking at the order that underpins any form of production, trying to find the common aspects between the design, for example, of a chair, and the design of a political or economic strategy.
I do so because I believe the motivations behind all these forms of production are not so distant. Men and women live in a perpetual state of social adaptation, however the pace of change is not determined by individuals but by the inertia of the group. This social adaptation is often unsuccessful, generating a sense of inadequacy or dissatisfaction. I express the tragicomic condition of this unsuccessful adaptation, and the absurdity of the signs offered to us for social guidance (political mottos, emblems, nationalistic imagery, etc.) by deconstructing familiar objects and reassembling them into new kinds of resonance. The disparity between the first state and the last speaks of our eternal condition of displacement.”

Jaime Pitarch, Untitled, 2015
Ax, eslastic strap and pillar
40 x 60 cm

Zo maakte hij een video ‘Jabon de Alepo’ waar hij met een stuk zeep afkomstig uit Alepo Syrië (oorspronkelijk leverancier van kostbare reukwaren en zepen) zijn handen bleef wassen tot de zeep was opgebruikt, een video van 4 uur 30 maar met de duidelijke betekenis dat wij in de Syrische kwestie onze handen in ‘onschuld’ blijven wassen, of… in deze tijd om met dat wassen ons eigen leven veilig te stellen. Een reeks Russische popjes illustreerde de bekommernis om de gebeurtenissen met hun verstrekkende gevolgen in Chernobyl.

Chernobyl, 2008 Lime wood, aniline, oil and varnish. 35 x 22 x 22 cm.

Je vindt een uitstekend overzicht ook van recenter werk bij:

http://angelsbarcelona.com/en/artists/jaime-pitarch

Hung, Modified coat hanger 1997

Terwijl we in onze hokken zijn opgeborgen is het misschien leuk om zelf een eigen kleine tentoonstelling op te zetten vertrekkende vanuit Pitarch’s werkwijze, waarschijnlijk met als voorwaarde dat je met het materiaal ‘deconstructies’ uitvoert die nog wel naar de vroegere constructie kunnen terugkeren, tenzij je de lente schoonmaak erg letterlijk wil opvatten.

Het trappenhuis, een wandeling

Een kleine wandeling door het trappenhuis. Op weg naar, terugkomend van. Op dit ogenblik is dat niet ver, maar ook in je eigen huis kun je wondere wandelingen maken.

Een deur op een kier. Lange streep licht verraadt een kamer. Ik droomde vaak van een huis met talrijke nog niet ontdekte kamers. Misschien kijken mensen daarom graag naar programma’s over huizen die op een koper wachten. Het decor voor onuitgesproken intimiteit, verlatenheid, verwachtingen, de jaarlijkse feestdagen, een nacht met de geliefde(n). De andere wereld.

Hier ben je voor buiten nog onzichtbaar: het daglicht probeert binnen te dringen, maar jij bepaalt of je het licht laat binnenstromen. Dat is een veilig gevoel. De gretigheid waarmee je de gordijnen openschoof is wellicht met de jaren vertraagd. In het dwingende vertikale van het huis hou je graag de voorbije nacht in het horizontale van de liggende. Het licht komt nog gefilterd door de overgordijnen, daarna door de motieven op de glasgordijnen.

Naarmate het seizoen is dit de tijd om te luisteren naar de buitenwereld. Herinner je de regen die tegen de ramen striemt? Nare dromen weg gewassen of het spijt van onuitgevoerde plannen, het oude gevoel dat hier je niets kan overkomen -elk huis heeft zijn moederlijke binnenkant- of toch dat jongensachtige waarin de natte straten in een regenwoud veranderd zijn en jij weldra in de warme buik van de school zult vertellen over die barre tocht net voor het voltooide deelwoord ‘gedagdroomd’ moet ingeoefend worden.

In het daglicht zie je elke morgen degenen die uit het verdwijnen met hun nieuwe aanwezigheid toch weer in dit leven zijn binnengedruppeld, traagjes zoals water uit de grotgewelven van het verleden, traagjes maar diep. Ouder geworden kom je naderbij. Schonken zij je een kindertijd, je deelt nu de ouderdom en je leert het spijt over zoveel dat onuitgesproken bleef, inruilen voor hun woordeloze versmelting met de mysteries van dit bestaan, hier in dit huis verenigd met het gemis maar ook met hun onuitspreekbare verbinding met onze pogingen hen dagelijks terug te vinden. Alsof zij schrijven met het zonlicht op de overloop.

Ook het verre verleden is er in diverse vormen aanwezig: de bibliotheek, de prenten die na hun reizen door vroegere huizen hierboven zijn beland. Een jasje en een kleed wachtend tot het lichaam aan het nieuwe seizoen is gewend. Ze kaderen beiden het menselijk lijf, hebben hun herinneringen en steeds weer toekomst. Of ze dialogeren? Natuurlijk. Of dachten wij met onze traag ontwikkelde taal het alleenrecht op verbindingen te hebben? Toevallig zijn ze van Italiaanse origine, met zo’n 500 jaar verschil, een peulschil in het rijk der ideeën.

Bij deze droogzonnige dagen schrijft het licht milde letters op de hoge binnenmuren. Tekent de trapleuning in schaduw waarlangs enkele generaties in verschillende tempi zijn opgeklommen naar de nacht of daalden, de dagen tegemoet. Mocht je de treden optellen dan stegen uit de huizen wolkenladders waarboven wij als oude vogels onze nesten zouden bouwen om samen met al de vroegeren met eeuwige vergunnig neer te kijken op die na ons kwamen.

Trappen kregen in huizen van voor de (2de) wereldoorlog nog veel ruimte. Uit welke kamer je ook naar boven of beneden wil, het mankeert niet aan perspectief. Ganymedes wordt er door zijn arend naar de godenberg gebracht, ets op doek naar een schilderij van Eustache Le Sueur. Er is ruimte voor verschillende vluchten. Gedachtenvluchten: of op weg naar de wereld buiten, of op zoek naar rust binnen. Onder Ganymedes een grafplaatje van vaders vader.

En er was vandaag nog een tragische vlucht: kijk naar de afdruk van de botsende duif op het glas. Vogels zijn thuis in de tuin, worden ook van voedsel en nestkastjes voorzien. Duiven, eksters, musjes, meesjes, en helaas dit jaar geen merel. Was het licht te fel, een plotse spiegeling? Wel vonden we geen lichaam van deze ongelukkige Sanctus Spiritus. We veronderstellen dus dat hij/zij weer de luchten kon kiezen. Of was het een duidelijke raadgeving: verlaat niet te vlug jullie hok, vleugelloze tweepotigen.

Een kleine wandeling door het trappenhuis. Loop zelf maar eens enkele kamers in en uit, kijk naar het licht, luister naar herinneringen of spreek zonder vrees met verwachtingen. De muren die ons nu veilig omgeven dragen hun sporen van het verre en/of nabije verleden. Een voorwerp, een foto, een jas, een briefje, tekens van leven verzameld of achtergebleven.

Je zou een bescheiden lofzang op de leuning kunnen maken. Zonder haar wordt het klimmen -met het klimmen van jaren- een stuk moeilijker. De huis-genoten als leuning. Een mooi woord, huisgenoten. Soms hoor ik stemmen van voorouders dan weer stemmen van de nakomenden en wij, een beetje bang, maar ook glimlachend, gaan de trappen op en af. We zijn niet alleen. Nu en dan staan we stil en kijken we naar buiten. Het kind hieronder wordt dinsdag 20! Op enige afstand zingen wij: lang, lang zal ze leven. In de gloria.

alle foto’s uit ons eigen archief

Dan Hall: different beauties but similar feelings, ‘Eternal Youth’.

Hij kiest voor ‘nabijheid’, de intimiteit die met allerlei nuances ook het kwetsbare toont. Hij kent zijn modellen, en zij kennen hem. Er is al een verbinding tussen beiden.
Merkwaardig is dat de twee polen van het bestaan, ‘op de rand’ zou je kunnen zeggen, onder de term ‘Eternal Youth’ zijn samengebracht. Zij die de eerste ervaringen van wat gemeenzaam ‘het volle leven’ heet, ervaren, en zij die aan de andere kant de laatste periode meemaken. Dat eeuwig jeugdige wil je duidelijk maken dat niet alleen de uiterlijke schijn hem interesseert maar hij de nabijheid van beiden gebruikt om de kijker zelf te laten ontdekken wat ons verbindt.


Er is natuurlijk ook de spiegeling: je beseft dat het jeugdige de weg opgaat naar uiteindelijk die laatste fase, maar omgekeerd vind je bij de ouderen dezelfde glans die je aantrof bij diegenen die er net mee begonnen zijn. ‘Eternal Youth’ is dus een prachtige titel van zijn eerste solo-tentoonstelling in West-Londen, net voor Corona ons allen het hok in dreef.
En hij is de 17-18 jarige Dan Hall die met de opbrengsten van deze collectie zowel een project voor de geestelijke gezondheid van jongeren als eentje voor ouderen wil helpen financieren.

In many ways, the series explores forms of intimacy and vulnerability, from the delicacy of two young lovers bathing to the poignancy of an older woman looking at herself in the mirror. Joy and beauty radiate alongside a sense of sadness, caught in the full-hearted smile of an older woman gazing out her window or the complicit stare of two teens smoking a cigarette. Younger and older subjects alike share hints of youthful rebelliousness and changing self-awareness.
Dan Hall comments, “I discovered that they have different beauties but share similar feelings of isolation and loneliness.”


Each frame tells a life story. Photographs of everyday domestic life are rich in detail and colour, from modish chequered tiles to vintage china patterns. Cropped frames and original angles show a particular focus on hands, suggestive of a desire for human connection.
Often, windows and mirrored reflections create a multiplicity of frames within each shot, enacting a shared sense of disconnect. Inviting viewers to look beyond the readily available, the series expresses the desire to search for common ground even in seemingly unlikely places.

The images are all shot on an analogue camera. As someone who’s grown up in a predominantly digital age, why do you think so many young photographers today are drawn to film?
For me, the more tactile experience of shooting film took me away from digital. I can slow down and focus more on the composition of an image, connect with the subject more fully. The outcome isn’t instantaneous and each frame counts.

My favourite is ‘Grandma’s Hands’, because it shows the evidence of a long and varied life — the lines and details in her delicate hands show her age and there’s beauty in that.

“I discovered that they have different beauties but share similar feelings of isolation and loneliness.”

How do you define eternal youth?
It suggests that, whatever age a person is, they always have a sense of youthfulness. The young want to be old and the old want to be young. Even though the people in the series are at opposite ends of adulthood, they all share youthful spirits.

Natuurlijk wordt ‘de spiegeling’ ook letterlijk gebruikt in verschillende werken: de werkelijkheid bevragen is haar aan zichzelf spiegelen, net zoals de benadering via een kader van raam of aanwezigheid van een tweede onderwerp: je bepaalt makkelijker je onderwerp door het in zijn/haar omgeving te tonen en die omgeving tegelijkertijd als beeld-opbouw te gebruiken.

Dan’s foto’s willen niet opvallen door een bijzonder perspectief of een modische uitdrukkelijkheid: deze jonge fotograaf bezit nu al de gave om het vanzelfsprekende van de innigheid te tonen: de personages durven je aankijken en verbinden daardoor onderwerp en beschouwer zonder in te breken in het intieme van het moment. Je hoort erbij. Je wordt een lotgenoot.

Website:
https://danhallphotography.com/

I’m 18 and I like taking photos.
Born in 2002, British photographer Dan Hall is a student currently living in London. He kickstarted his career with a solo exhibition and photobook aged 17 titled ‘Eternal Youth’ which depicted the contrasts and similarities between his teenage friends and grandparents. Eternal Youth was on display at JM Gallery, London in March 2020.

Je bent wie je bent, een sprookje

tekening: Josie Kodomo

Net voor je gaat slapen is een sprookje lezen bijzonder rustgevend. Voorlezen kan ook. Wil je in de herinneringen van je dierbaren hoge ogen gooien? Dan wordt het ‘acteren’! Hier kun je vijf personages spelen:

de Prins: Hij bedoelt het goed, dat is duidelijk. Hij is niet wat hij wil zijn, een kerel. Goedgelovig, dat wel.
de Prinses: Is nog duidelijk niet aan ‘me-too’ toegekomen. Genderproblematiek? Brutaal bekje.
een Tovenaar: Toveren op aanvraag is er niet bij. Voor wat, hoort wat.
een Buitenmeisje: Recht voor het raapje maar best aardig. Consequent.
een Verteller: Vertelt het verhaal waar de anderen zwijgen. Kan zelfs een droevig liedje zingen. Troost de luisteraars en bespreekt wat de Prins na het verhaaltje gaat doen, liefst in samenspraak met het publiek.

Waarschuwing: dit verhaaltje eindigt vrij droevig of kan alzo geïnterpreteerd worden. Het kan nodig zijn er een leuk vervolg aan te breien om de nachtrust van de luisteraar(s) niet te schaden. En ja, dansen is best ok. ook voor stoere kerels!

Er is ook een zedenles maar die is zeker in twijfel te trekken.
Benodigdheden: Met enkele leuke hoofddeksels kom je al heel ver.
Leeftijd: 0-111 jaar.

tekening Kristien Aertssen

de tekst:

‘Zo was er eens een prins en een prinses en die prins hield heel veel van de prinses. Hij wilde altijd heel dicht bij haar zijn.
’Lieve zoete prinses. Ik hou van jou.’
’Hmm. Dat zeggen ze allemaal.’
’Echt waar, hoor. Ik zou altijd bij jou willen zijn. Dag en nacht.’
‘En dan? Wat zou je dan willen?’
‘Hoe dan? Wat dan? Gewoon bij jou willen zijn, omdat ik van je hou.’
‘En dan?’
’Niets en dan! Als je van iemand houdt dan wil je d’r gewoon bij zijn. Kusjes geven, en strelen, en lief zijn, koffie zetten, brood smeren. . .’
‘Wat vervelend, zeg. Weet je niets beters te verzinnen?’
‘Is liefde dan niet goed genoeg?’
De prinses keek hem hooghartig aan.
’Liefde? Wat jij liefde noemt! Ben je sterk?’
’Sterk? Neen, dat ben ik niet. Maar ik kan heel goed zingen. Luister.’
En de prins zong een heel mooi droevig liedje.
‘Noem jij dat zingen! Verschrikkelijk. Kun je vechten? Ben je nooit bang? Kun je in de dakgoot van een hoog huis lopen? En zou je in één bed met een tijger durven slapen? ]a? Dàn ben je een kerel!’
De prins zuchtte diep.
‘Ik ben wel bang. Als ik op de derde trede van een laddertje sta, krijg ik al kippevel. En met een tijger in één bed slapen? Ik mag er niet aan denken. ]e moet wel gek zijn om zoiets te doen.’
‘Dat noem ik ‘stoer’, prins. Mannen die niet stoer zijn, noem ik geen mannen.’
’Maar ik kan met mijn oren bewegen, kijk.’
‘Daar kun je vliegen mee op de vlucht jagen, stommerd.’
‘Ik kan ook heel mooi dansen. Voilà!’
En de prins danste een menuet.
’Dansen! Dat is toch niets voor stoere bonken, echte kerels?’
’Ik vind dansen leuk, jij blijkbaar niet. Hou je niet van mij?’
’Als je sterk en stoer wordt, dan zullen we nog zien.’
De prins was heel droevig. ‘
‘Kan iemand mij leren vechten? Weet iemand wat je moet doen om nooit bang te zijn? En hoe moet ik in de dakgoot van een heel hoog huis leren lopen en in één bed slapen met een tijger?’
Er verscheen een tovenaar en die zei:
’Ik kan jou leren vechten. Ik kan ervoor zorgen dat je nooit meer bang bent, en dat je in de dakgoot van een heel hoog huis durft lopen en met een tijger in één bed durft slapen. Maar. Er is één maar. Dan moet jij mij ook iets geven.’
’Ik wil alles geven wat ik heb,’ riep de prins.
’Goed zo. Dan vraag ik je stem waarmee je liedjes kon zingen. Geef me ook maar je dansen. En je zult nooit meer met je oren kunnen bewegen.’
Dat vond de prins heel erg. Hij zong erg graag en danste als de beste. En als hij met zijn oren flapperde, moesten de kinderen lachen.
’Goed dan. Neem mijn stem waarmee ik liedjes zing maar mee. Pak mijn dansen maar, en maak m’n oren net zo onbeweeglijk als die van iedereen. Maar. .. maak me beresterk en nooit meer bang. Zorg ervoor dat ik in de dakgoot van een hoog huis durf lopen en dat ik zonder bibberen in één bed met een tijger durf slapen. Asjeblief.’

Dat gebeurde. De prins werd heel sterk, nooit meer bang en hij kon in de dakgoot van een hoog huis lopen, zonder gillen. En hij sliep in hetzelfde bed met een tijger alsof hij zijn hele leven al met tijgers had geslapen.
Maar zijn dansen en zingen was hij kwijt. Met zijn oren bewegen kon hij ook niet meer.
Maar hij dacht:
’Ach wat! Nu zal de prinses van me houden.’
Hij reisde naar haar kasteel en zag dat ze vertrokken was. Weg. Met een andere man. Die knul die nog sterker was dan hij, nog minder bang en niet alleen in dakgoten liep hij maar ook op de nok van de hoogste daken was hij thuis. En hij sliep niet alleen met tijgers, maar ook met beren en slangen.
De prins huilde.
’Waar ben je nu? Ik heb mijn zingen en dansen weggegeven, en kijk, m’n oren staan vast aan mijn hoofd.’
Maar ze bleef weg.
Toen kwam er een meisje langs dat op het platteland woonde. Ze was wel geen prinses maar ze zag er heel aardig uit. En de prins werd verliefd op haar.
‘O lieve meid. Ik hou zo van jou. Ik ben heel sterk en nooit bang. En ik durf in dakgoten van hoge huizen lopen en met een tijger slapen in één bed. Wel?’
Het meisje keek hem hoofdschuddend aan.
‘Och, weer zo’n blaaskaak die denkt dat hij superman is. lk voel niks voor stoere binken. Ik vind je wel knap. Maar kun je zingen, of dansen of met je oren flapperen? Dat zou ik prachtig vinden.’
’Neen, dat kan ik niet meer.’
’]ammer. Dan ben je niet de man die ik zoek. Dag.’
‘Dag,’ zei de prins.’

tekening: Carson Ellis

Hulpvragen als post-teaching:

-Zal hij zijn intussen getemde tijger op het buitenmeisje en de prinses afsturen?
-Wordt hij misschien niet gelukkig maar toch rijk als ceo van een firma dakwerken?
-Sluit de prinses vriendschap met het buitenmeisje en…
-Krijgt de tovenaar spijt en verlangt hij harde valuta om de prins zijn vroegere eigenschappen terug te geven?
-Komt er een protestactie van Gaia? Leg uit.
-Wat met de mensenlijke wezens die en van dansen en van hoge daken houden?
(Juist: The Flying….T…advertentie)

Bewegende beelden: het verleden dichterbij

Cinema Paradiso

Toen ik tien, elf jaar was, kreeg ik van de heilige man een heus film-projectie-apparaat cadeau waarmee ik 35mm-filmpellicule kon afdraaien -letterlijk te nemen- waardoor een fragment van een oude oorlogsfilm in technicolor met behulp van een grote 100 Watt-lamp op een witte muur of laken verscheen: in de cockpit van een Amerikaanse bommenwerper volgde ik even een kort (geluidloos) gesprekje dat plotseling afbrak en overging in een zwart-wit fragment van een cyclo-cross ergens te lande waar hijgende mannen, fiets op de schouder, een slijkerige heuvel oprenden en toeschouwers lachend in de lens keken.
Het beeld vastzetten om het dashboard van de bommenwerper te bekijken lukte niet want dan kon de pellicule in brand vliegen. Je kon wel even de wielrenner van dienst bevriezen net voor hij onderuit zou gaan maar dan mochten er geen ouders in de buurt zijn om ‘verder draaien of hij schiet in brand’ te roepen.

Via via kregen mijn ouders fragmenten van een weekjournaal en stukken uit de toenmalige trailers om mijn collectie aan te vullen zodat ik met eigen ogen het ontstaan van een beweging kon nagaan, een ervaring die we zelf wel eens toepasten door een ventje onderaan een schriftpagina te tekenen en op de volgende pagina-hoek een armpje steeds hoger de lucht instak. Tussen duim en wijsvinger-cinema.
Beweging in beeld brengen vroeg tijd, zeker voor een ongeduldig kind. Vierentwintig tot dertig prentjes om één seconde beweging te zien.

“We live in an environment where there are moving images constantly around us. But in 1897, this was startling and new and completely revolutionary. It was a different way of looking at the world.”
“The IMAX of the 1890s HOW TO SEE the first movies.”
In 1939, MoMA acquired a treasure of thirty-six reels of 68mm nitrate prints and negatives made in cinema’s first years. Everything that survived of the Biograph film company lives on those reels, including a rare bit of moving image footage of Queen Victoria.

MOMA, The museum of modern art in NY heeft altijd veel belangstelling in film als te bewaren kunstvorm gehad. Zij begonnen al in de jaren dertig met hun archivering en behandeling van oud materiaal.
Daarom enkele van de mooie filmen uit hun collectie waarin de beweging en het zelf film-maken centraal staan. Zalig om te zien! Je moet bij enkelen het nummer (index) van de playlist instellen. We geven het duidelijk weer onder de video. Hier kun je dadelijk mee beginnen: (je kunt ondertiteling instellen indien nodig)

Zoals je kon zien werd door kundige restauratie het verleden op een heel andere manier zichtbaar, dichter bij het heden gebracht. We hebben een verkeerd beeld van dat verleden gekregen. Het verleden is zwart-wit, de personen lopen houterig voorbij, hun gezichten zijn nauwelijks te herkennen. Ik begrijp de verbazing van ingekleurde pellicule waarmee getuigenissen uit bv. de tweede WO een heel actueel karakter krijgen. Dank zij allerlei technieken kan snelheid, beeld en montage voor een verloop zorgen dat gisteren en eergisteren wel heel erg met vandaag verwant maakt! Kijk naar dit prachtige portret van het New York van 1911. Honderd en negen jaar geleden en toch dichtbij. Stel in op index 15. (15/57)

Stel in op nr 15 van de afspeellijst

This documentary travelogue of New York City in 1911 was made by a team of cameramen with the Swedish company Svenska Biografteatern, who were sent around the world to make pictures of well-known places.

Opening and closing with shots of the Statue of Liberty, the film also includes New York Harbor; Battery Park and the John Ericsson statue; the elevated railways at Bowery and Worth Streets; Broadway sights like Grace Church and Mark Cross; the Flatiron Building on Fifth Avenue; and Madison Avenue. Produced only three years before the outbreak of World War I, the everyday life of the city recorded here—street traffic, people going about their business—has a casual, almost pastoral quality that differs from the modernist perspective of later city-symphony films like Paul Strand and Charles Sheeler’s “Manhatta” (1921). Take note of the surprising and remarkably timeless expression of boredom exhibited by a young girl filmed as she was chauffeured along Broadway in the front seat of a convertible limousine.

Het duurde niet lang of de bewegende beelden kwamen in het bereik van een breed publiek. Een mooie collectie van die zelf gemaakte beweging vind je in het leuke filmpje van de Moma Collectie hieronder: je kunt dadelijk starten.

Je kunt nu zelf filmpjes kijken van 1-57 te kiezen in de afspeellijst, een dag of nacht intense kennismaking met verschillende aspecten van het bewegende beeld op een aangename manier door het Moma geserveerd. Onze voorouders hadden van een dergelijke mogelijkheid alleen maar kunnen dromen. Om af te sluiten een filmpje over ‘selfies’, want onze nakomelingen zullen ons niet vergeten als ze ons op elke fotootje naar de camera zien kijken. De vraag blijft: waar zullen ze de beelden die wij dagelijks maken terugvinden? Schilder Tai Schierenberg:

To see the mythic amidst the chaos: Julie Blackmon

Ze was de oudste van negen kinderen en heeft er zelf drie (die intussentijd het nest al verlaten hebben). Toevallig, bij een bezoek aan een New Yorkse gallerie kwam ik in contact met haar werk dat op een niet beter tijdstip als tijdens deze ophokperiode dadelijk op begrip zal kunnen rekenen al blijven vragen niet uitgesloten.
Julie Blackmon (1966, USA Springfield Missouri) gebruikt haar eigen familieleden en geburen, soms letterlijk, altijd als inspiratie om een tijdloze familiedynamiek met haar fotowerk in beeld te brengen.
Geïnspireerd door o.a. werk van de Nederlandse schilder Jan Steen (1625-1679) (nog steeds aanwezig in de uitdrukking ‘Een familie van Jan Steen, een boeltje dus!) probeert ze ook de sfeer van deze kunstenaar en collega’s genreschilders uit die zeventiende eeuw te gebruiken bij de setting van haar familie-taferelen.
Of hoe je de termen van deze tijd, ‘child centered’ en ‘self-obsessed’ met elkaar kunt verzoenen.
Ik heb voor mijn redactie verschillende auteurs aan het woord gelaten maar vooral geluisterd naar wat Julie Blackmon zelf had te vertellen.
Ik vermoed dat menig lezer de atmosfeer zal herkennen in deze verplichte familiedagen die wellicht in de herinnering misschien enig heimwee kunnen oproepen, hoe ongeloofwaardig dat nu ook mag klinken, of toch niet? (click on the sub-title to enlarge the pictures)

Pool

The Dutch proverb “a Jan Steen household” originated in the 17th century and is used today to refer to a home in disarray, full of rowdy children and boisterous family gatherings. The paintings of Steen, along with those of other Dutch and Flemish genre painters, helped inspire this body of work. I am the oldest of nine children and now the mother of three. As Steen’s personal narratives of family life depicted nearly 400 yrs. ago, the conflation of art and life is an area I have explored in photographing the everyday life of my family and the lives of my sisters and their families at home. These images are both fictional and auto-biographical, and reflect not only our lives today and as children growing up in a large family, but also move beyond the documentary to explore the fantastic elements of our everyday lives, both imagined and real.

Jan Steen (1625-1679) Een vrolijk huishouden
Garage Sale

The stress, the chaos, and the need to simultaneously escape and connect are issue that I investigate in this body of work. We live in a culture where we are both “child centered” and “self-obsessed.” The struggle between living in the moment versus escaping to another reality is intense since these two opposites strive to dominate. Caught in the swirl of soccer practices, play dates, work, and trying to find our way in our “make-over” culture, we must still create the space to find ourselves. The expectations of family life have never been more at odds with each other. These issues, as well as the relationship between the domestic landscape of the past and present, are issues I have explored in these photographs. I believe there are moments that can be found throughout any given day that bring sanctuary. It is in finding these moments amidst the stress of the everyday that my life as a mother parallels my work as an artist, and where the dynamics of family life throughout time seem remarkably unchanged. As an artist and as a mother, I believe life’s most poignant moments come from the ability to fuse fantasy and reality: to see the mythic amidst the chaos.

The artist has also been inspired by the work of American photographer Sally Mann, whose landmark book “Immediate Family” from 1992 similarly toyed with truth and fantasy in evocative — and often controversial — scenes of her children.
Mann framed her work through Emily Dickinson’s poem “Tell all the truth but tell it slant,” noting in her foreword to “Immediate Family” that “When the good pictures come, we hope they tell truths, but truths ‘told slant’…We are spinning a story of what it is to grow up.” It’s an idea that stayed with Blackmon when she was first introduced to Mann as an art major in college — though Blackmon did not pursue photography in earnest until over a decade later, when she, her husband and three children moved into a home with a basement darkroom.

Powerade
Weeds

Blackmon’s works are a deft mash-up of pop phenomena, consumer culture, social satire, and sly references to iconic American works of art. They are often littered with the disposable artifacts that we often turn our eyes away from: potato chip bags and fast-food wrappers, discarded toys and magazines. Her unblinking eye often verges on the surreal, lending a bracing, irreverent snap to her unique world, where Blue Velvet meets Norman Rockwell.

Rooster

My extended family has a “house” we’ve visited every summer since childhood that used to be an old-one room country schoolhouse. It sits alone on a scenic hilltop in southwest Missouri. When we were kids, we spent much of our summer break here. We’d run around outside most of the time we were here, but in the afternoons, when it’d get too hot to play outside, we’d go inside the schoolhouse and lounge around on the old musty furniture, under the peeling lead paint windows, and do nothing, in a “summer vacation” kind of way. Years later, when I saw the Spanish painting. The Artist’s Children, by Mariano Fortuny, I immediately thought about my summers as a child and lying around in the old schoolhouse with the green walls, and decided to do a portrait of my nieces in that same green room. I wanted to document one of those “down time” moments between the chaos that makes summer feel like summer.

(klik op sommige onderschriften voor grotere afbeelding)

the artist’s children Mariano Fortuny
Chaise’: “One of those summer memories as a kid (before iPads), where it was too hot to go outside, and you were bored, trying to think of what to do next. The quiet moments in between the chaos.”

“My favorite moments are at openings when people respond to me after seeing the work for the first time in person,” she recalled. “I remember an older lady coming up to me and saying ‘you know how to look at hard things in life in such a happy way.’ It was that simple but it meant everything.”

The power of now

Blackmon’s work abounds with tender humor but also shrewdly subtle satire. It’s no coincidence, for instance, that adults are all but absent here, and many of the situations depicted are spiked with the potential for danger — an unattended fire, bubble wrap encasing a young boy’s head, popcorn strewn on a blanket in front of crawling babies. Perhaps every play ends up being a morality play. The freedom these children enjoy is a vanishing American resource, and Blackmon is nostalgic for it, for its loose and sloppy beauty. She edits out nearly all signs of contemporary technology or commercial branding, ever more gently pushing these scenes into a vaguely idealized past. (Leah Ollman)

Stock Tank

She unabashedly plunders the image pools of popular culture and art history. A photograph in her recently published book, “Homegrown,” restages the Beatles’ “Abbey Road” album cover with a line of kids pulling a wagon of Girl Scout cookies through the crosswalk. She conjures Balthus in the captivating “Chaise,” posing a young girl with a bared hip and disarming stare in a deliciously moody, light-drenched room. In other pictures, she quotes the painter directly, lifting characters from his street scenes and depositing them into her own compressed, constructed universe, a rich, gray area at the intersection of nature and artifice, the sensual and the sanitized, innocence and experience. (Leah Ollman)

Thin Mints

Critic Laura Malonee notes, “At first glance, the work seems to depict an idealized America of the past, but upon further inspection, an unexpected darkness becomes apparent. Unsupervised children, often in dangerous situations, frolic happily about in an imperfectly perfect, sunny-macabre world…are these images an attack on the neglectful parent or an attack on the helicopter parenting of today? Blackmon pays homage to a disappearing way of life even while she questions it.”

Night Movie: “The idea for Night Movie came to me when we were actually watching a movie outside with a projector set up. About every five seconds, one of the kids would get up to go get some more popcorn or a snack, and they’d block the screen with their silhouette.
I remember thinking the way their little frames looked on the screen was way more interesting than the actual movie. And the idea of the movie screen mimicking life itself was also something I was thinking about.”

Julie Blackmon doesn’t need to travel far to find inspiration for her staged depictions of the somewhat dark and humorous chaos of family life. The eldest of nine children, with three of her own, Blackmon has lived in the same Springfield, Mo., neighborhood all her life and often uses family and friends to capture what she calls a “fantastical look at everyday life.” At first glance, the images seem idyllic, like modern-day Norman Rockwell paintings. Yet underneath, there is something slightly askew — details just a little bit off that both highlight and satirize the conflicting expectations of parenting.

Midwest Materials
‘Homegrown food’

This little market, Homegrown Food, in my hometown of Springfield, Missouri, is one of the first “organic” groceries to appear in our Midwestern town and is evidence of the rebirth of the small neighborhood grocery store that has taken hold nationwide. It is one of the many signs of our changing landscape, and the new state of health consciousness that has emerged in our country. But conflicting messages still abound in regard to the health conscious and the hip, and so I decided to have fun with this idea when I saw one of the workers outside smoking one day. The setting … with it’s striped awning, and the various figures and angles, and the construction workers nearby, reminded me of Balthus’ famous painting “The Street,” and so I decided to reference it as a way of enhancing or exaggerating the scene.

Balthus, The street 1933
‘Hair’: “Brushing out your hair after sleeping in braids. Inspired by Lewis Carroll’s photograph from 1863 ‘It Won’t Come Smooth.’

It’s this imperfectly perfect, sunny-macabre world that the children in Blackmon’s photographs must navigate, largely on their own. They roam about unsupervised, exploring homes, yards, and neighborhoods. When adults appear, we see only glimpses — a leg slathered in tanning lotion, a hand wielding a mascara wand. Depending on the viewer’s perspective, the photographs can be interpreted as either an attack on the neglectful guardian or an exaggerated protest against helicopter parenting. Whatever her intention, Blackmon provokes through hyperbole, often placing her young characters in precarious, potentially dangerous situations — a theme she began exploring long before Moonrise Kingdom brought it to the silver screen.

New Baby

“It’s a very child-centric culture, and you’ve got to not let that guilt you into being the perfect mommy, teaching your kids French. They have their whole lives to do all that stuff,” she said, pointing to the trendy mommy blogs and hipster homeschooling described by New York Magazine’s “The Feminist Housewife” — a cover article for which she shot the image. For women who stay home, it’s all the more important to carve out space to pursue their work and to vigilantly defend their time to do so.” (Laura Mallonee Hyperallergic)

Waiting Room

Blackmon doesn’t denigrate those who put their work on hold, though, as she did so herself. “That’s such an important time, when you have those babies and you’re totally invested in them,” she remembered. “You just want to be able to sit in the rocker and nurse and have their little hand come up and touch you. Then comes a time when they’re two or two-and-a-half when they might need a little break from you. I’m a big believer in not having too much family time.” (ibidem)

Sick Boy

The ideal of “having it all” might be achieved, she suggested, by not always having it all. “I just hate to see women trying to do everything at the same time. If you’re trying to do it all, you’re gonna make yourself crazy. You’re going to fail in every which way,” she said. “There’s gotta be something in-between, where you can still have your own thing going and not sacrifice your kids.”(ibidem)

Goggles

I think visually I am attracted to that look. But also in terms of just meaning, there’s so much in my own childhood, too, growing up in the ’70s and contrasting that to now and how we raise children today — our lives today and the nostalgia we have for that time, but also the realization that we can’t ever go back to that. So I’m torn — like you’re in love with this era long ago, but for God’s sake, we didn’t even wear seat belts back then. So there’s this whole safety thing, but we also had that freedom. And so some of that chaos with the kids and no parent in sight, is a little bit more metaphorical to me, a mental state as a mother in chaos and being overwhelmed and trying to sort it all out.

New Neighbours

I saw these girls in red dresses on my cousin’s Instagram. She captioned it, “So proud of my little women,” and she was totally serious. And I was like, oh my god, they look just like the Shining twins! I realized I had to get the girls over to my other sister’s house where I had already been thinking about her driveway strip — a setting I already had in mind. The mattress is from the ‘60s and I always keep it under a double bed upstairs. I liked that blue plaid. Overall, this photograph was a challenge because it was winter and the grass was gold tinged with green, which is not attractive. So, I had to bring in the color another way.

Fake Weather

“The idea [for ‘Fake Weather’] came about when we were only four months out from the election of Trump. It was during a time where everything was about fake news, or fake something or another. I liked that phrasing and I wanted to do something with the word ‘fake.’ At the same time, I was around my nephews and nieces everyday and they were all looking forward to winter and snow days. Usually we’ll have a couple big snows a year in Missouri, but it was a winter where it was unseasonably warm and there was no indication of snow. Even in February things were blooming and green. It was obvious the snow day they all wanted was never going to happen. I was thinking about the darker side of that too which is global warming, but I was trying to take a lighthearted look at it.

https://www.julieblackmon.com/index.cfm

http://www.faheykleingallery.com/artists/julie-blackmon

Trapped
Olive & Market St.

Letterbloesems bij de paasboom (3) Cornelis Verhoeven: De omweg van het woord

Words are Sweet Sounds for Objects Unreal, Painting of Jac Kerouac

‘Als schrijvend wezen is het goed over je eigen ‘vak’ na te denken. Dat deed in 1982 ook Nederlands auteur Cornelis Verhoeven (1928-2001) met een aantal geschriften die hij met ‘beschouwingen over ‘de inval en het oeuvre’ onder de noemer ‘Weerloos denken’ verzamelde.
‘Alle stukken gaan over een manier van denken en schrijven die voor voor de auteur onvermijdelijk en onmisbaar is geworden, maar die de lezer tot niets verplicht en zelfs niet het zachte geweld van een didaktische benadering op hem wil uitoefenen. Niet allleen tegenover een overweldigende werkelijkheid, waarvan het ‘hoe’ even duister is als het ‘dat’ verpletterend, is dit denken weerloos, maar ook tegenover elke andere manier van denken en tegenover elke vorm van dogmatische vanzelfsprekendheid.
Alleen het, eindeloos uitgesteld, oeuvre zou, stel ik mij voor, dwingend en overtuigend kunnen zijn; de inval heeft alles aan zijn weerloosheid te danken.’
Aldus de inleiding.

Natuurlijk wil ik, jaren te laat, dit werk niet bespreken of tegen het historisch licht houden. Een pretentie die op deze paasdag niet alleen misplaatst maar ook ijdel zou zijn, maar, als schrijvend wezen, wilde ik vooral mezelf en wat ik nog met woorden doe, even in zijn licht laten schijnen en wijselijk over de gevolgen van deze confrontatie zwijgen maar de lezende mens verder nieuwsgierig maken naar leven en werk van deze intussen weer wat vergeten auteur en essayist-filosoof die met zijn rijke nalatenschap nog steeds -of weer opnieuw- een ‘woordje’ over deze vreemde tijd kan meespreken.
Daarom heb ik me beperkt met een fragment dat als titel draagt ‘De omweg van het woord’ en waarmee , na de inleiding, dit boek opent nog voor hij aan de eigenlijke hoofdstukken begint.

Family tree template for Word

‘Hij begint met een bekentenis: één keer per jaar zak ik door alles door, zegt hij. En met ‘alles’ bedoelt hij, ‘als vlijtig verbalist’, op de eerste plaats de wereld van woorden.
Ja inderdaad, het ene woord roept het andere op en wat zo ernstig en herhaaldelijk gezegd wordt krijgt volgens de auteur ‘de dichtheid van een ding’.
Hij geeft dan een sprekend voorbeeld waarin het woord welvaart in welzijn zou moeten veranderen, een quote die in de tachtiger jaren wel degelijk thuishoorde, alsof dat ‘welzijn’ iets is of dat kan geraliseerd worden. Meestal bleef het als onderwerp om te kunnen ‘vergaderen’ dienen.
En zo is dat met veel andere woorden, het meest met de duurste, de dikste, de nobelste.
En dan wil ik hem zelf helemaal aan het woord laten en ben ik de geduldige en bewonderende redacteur die zijn ‘omweg van het woord’ hier en daar met een ‘sprekende’ prent probeert te illustreren, in de hoop dat de lezer nadien wellicht iets meer van deze boeiende auteur wil weten. Tijd in overvloed om op zoek te gaan.

Bradley Cooper gets shady in Sundance mysterie ‘The Words’

‘Blijkbaar is er toch een grens waarboven woorden, hoe dik ook, zoveel aan soortelijk gewicht verliezen dat ze niet meer kunnen afdalen naar een realiteit waaraan hun betekenis nog gecontroleerd zou kunnen worden. Zij houden ergens hoog in de lucht elkaar in stand en vormen een verbaal heelal dat met de werkelijkheid concurreert, of zelfs: zij zuigen alle andere woorden naar hun eigen vacuüm totdat dit samenvalt met de wereld.
De periodieke instorting van die wereld is iets heel anders dan een plotselinge aanval van skepsis, vitaler en meer elementair. Zij heeft eerder te maken met het voorjaar dan met de herfst, meer met Pasen dan met Allerzielen. Onder een korst van nietszeggende woorden en vanzelfsprekend geworden dingen vandaan breekt een elementaire werkelijkheid door. Over die werkelijkheid spreken soms dichters en filosofen; maar zij hebben het in de loop van de eeuwen al zo dikwijls gedaan, dat herhaling van hun woorden een bijdrage lijkt aan het woekerend verbalisme. Er zijn steeds nieuwe woorden nodig om oude ervaringen uit te spreken. En juist bij het uitspreken van elementaire ervaringen dreigt de kitsch. Hierdoor worden zij onuitsprekelijk. De onuitsprekelijkheid van zaken die onze verwondering wekken, is niet een gevolg van een tekort aan woorden, maar van een teveel. Onuitsprekelijk is wat verstikt wordt onder een herhaling van woorden uit het verleden.

De taal zelf is een barriére, het cliché een obstakel. De meest elementaire dingen worden onuitspreekbaar, omdat zij ondergesneeuwd zijn, ingepakt in een laag van gemakkelijk te herhalen woorden die alleen nog verwijzen naar een vroeger gebruik van diezelfde woorden. Juist wat zo goed gezegd is, dat het definitief onder woorden gebracht lijkt te zijn, leent zich alleen nog voor rituele herhaling. Spreken wordt citeren, verwijzen naar nummers in een magazijn. ’Wij betreuren dit ten zeerste’, ’wij zijn diep geschokt’, ’dit is voor ons een bron van grote verheugenis’, zegt de woordvoerder, maar er is niemand meer die bij zulke verklaringen nog aan verdriet of vreugde kan denken.

Beethovens’ portret: Langsdon

Om de kitsch te vermijden worden we bijna gedwongen over elementaire ervaringen te zwijgen of erover te spreken in een taal waarin van elke verwijzing naar buiten en naar binnen wordt afgezien. Poëzie moet wel tot een autonome kunst worden. Als er nog een dichter is die over de lente schrijft, moet hij wel schrijven over de poézie over de lente, over dichters die over de lente dichten. Zijn creativiteit wordt een omweg opgestuurd, waarvan nooit iemand is teruggekeerd. Als een aap klimt hij in de papieren bomen van een overbodig oerwoud. Dat gebeurt uit naam van een raffinement dat gebouwd is uit de scherven van veel mislukkingen en verworpen sentiment. Elke argeloze directheid leidt tot kitsch.
Het taboe op de elementaire dingen is bijna tot een vanzelfsprekendheid geworden. Uit vrees voor het sentiment wordt hun bestaan genegeerd, zodat ze zich moeten verschuilen in de tamelijk obscure hoek van het amusement. Verpakt tussen grollen, pikanterie en stuntwerk mag daar ook nog de lente, de moederliefde en het verdriet ter sprake komen. Daarbuiten wordt eindeloos verder geknutseld aan een heelal van woorden over woorden, gestolde lava rond een vulkaan die toch ooit gewerkt moet hebben.

Word Abundance, Renée Snider

Zelfs het activisme (niet in de Belgische betekenis maar als buitenparlementaire activiteiten om politieke verandering teweeg te brengen, nvdr.), erfgenaam van een aloude grimmige daadkracht, heeft zijn eigen verbalisme ontwikkeld. Weinig uitdrukkingen zijn zo verbalistisch als de duizend maal herhaalde stelling, dat het niet om woorden, maar om daden gaat en dat er eindelijk eens iets moet gebeuren. Er zijn tientallen woorden in omloop gekomen die met een zekere wilskrachtigheid gehanteerd worden, maar die betrekking hebben op daden en gebeurtenissen die nooit hebben plaatsgevonden en ver boven ons vermogen liggen: de maatschappij veranderen, revolutie, progressief beleid, bewust maken en zelfs: opvoeden. (Is er ooit iemand opgevoed?) De zogenaamde mensen van de daad zijn de grootste verbalisten geworden. Voor hen zijn woorden het middel om de illusie in stand te houden dat de wereld volkomen hanteerbaar is, even hanteerbaar als de taal.
Het is een elementair genot en een klein wonder deze wereld te zien instorten, geruisloos als natgeworden karton, naar buiten te kunnen kijken zonder een mist van woorden voor de ogen, een merel te horen zingen zonder aan poëzie te denken, oude dingen nieuw te zien worden zonder een revolutionaire ingreep en zonder begeleidend commentaar. De taal is een omweg naar de sprakeloosheid; als er echt iets gebeurt, hebben we niets te zeggen.’

Uit de omweg van het woord, inleiding van: ‘Weerloos denken, beschouwingen over inval en het oeuvre, Cornelis Verhoeven, Amboboeken Baarn, 1982

Four Colors Four Words (Orange, Violet, Green, Blue), 1966.

Fragment uit de tekst op de achterkant:

’Akademische filosofie lijkt een discussie aan de periferie. Voor zover die de enige vorm van filosofie is die voor vol wordt aangezien, moet er iets mis zijn met de beoefening van de filosofie.’ Een uitspraak die er niet om liegt en die aangeeft waar Cornelis Verhoeven staat. Van ’akademisch gehakketak’ moet hij werkelijk niets hebben, zoals hij ook rigoureus een didactiek van de filosofie afwijst, waar deze pretendeert een systeem van onderwijs te bieden. Kortom, hiermee zij verwezen naar één karakteristiek van Verhoevens denken: zijn anarchisme. Maar dat is het niet alleen. In hoofdstuk 8 (‘Filosofie als vorm van leven’) geeft hij zich als denker werkelijk bloot, waar hij zegt: ‘Ik besef dat voor een tractaat mijn krachten te beperkt zijn en mijn temperatuur te hoog is’. Vervolgens bekent hij zich tot ’de kleine waarheid’ van het essay, dat zoekt en probeert. Vandaar ook dat dit boek iets meedeelt van Plato’s Eros, maar dan wel met inbegrip van de warmbloedigheid die de godheid met deze naam bezat. ‘

Cornelis Verhoeven (1928-2001) was hoogleraar in de antieke wijsbegeerte aan de Universiteit van Amsterdam. Hij werd in 1980 bekroond met de P.C. Hooftprijs voor het essay.

‘Melancholie is een kenmerk van menselijke authenticiteit.’