GROEP

Toen ik Stijn Meuris, een lieftallige bevlogen man, bezig zag met zijn hyperkinetische uitleg over de tijd, moest ik dadelijk aan mijn grootoom Tobias denken.

Je ziet hem hier op een of andere geleerde bijeenkomst en wellicht zullen sommigen bevoegden uitroepen, oh ja, dat is daar X en kijk eens aan, professor Y, of is dat niet C?
Dergelijke uitroepen waren niet aan hem besteed.
Hij is de enige staande man met brilletje, met zijn eigen woorden: wil je iets ontdekken, trek dan je ogen open, activeer de grijze massa en kom niet meer bij van het lachen.

Dit is trouwens de enige foto van hem waar hij zich helemaal (bijna ten voeten uit) toont, want hij maakte er een sport van op de meeste foto’ s van zijn collegae wetenschappers ‘onzichtbaar’ te blijven, eigenschap die hij bestudeerde (naar men zegt) en waarvan later slechts bij zijn dochter L. (was het niet de verdwenen dochter van Einstein en Maric, ter adoptie afgestaan zoals men beweerde?) enkele geschriften werden gevonden die van Tboias’ hand schijnen te zijn.

dyn005_original_408_372_jpeg_20344_1fa980f30eaea0294fb96e290fc119b3

Dit is een foto van een andere Tobias,de Fransen schrijven verkeerdelijk Mascoso waar het in feite Tobias Moscoso moest zijn.
Wandel in Sao Paulo in de straat die zijn naam draagt, en denk aan de twee Tobiassen.

Hij was directeur van een belangrijke polytechnische school aldaar en zoals men kan zien had hij vrij mannelijke allures die niet alleen bij de vrouwelijke wetenschapster in de smaak vielen, maar ook rijkelijk door andere personen van de vrouwelijke kunne werden gewaardeerd.
Boezemvrienden, die twee Tobiassen, die elkaar vooral op congressen en colloquia ontmoetten waar de Braziliaan steeds voor een voorraad uitgelezen Braziliaanse koffie zorgde die in zijn ‘diplomatieke’ valies als ‘grondstof’ werd aangegeven.

Grootoom Tobias staat ook op de foto, kijk naar de hoed rechts van de hoofdfiguur, achter de blonde jongeman.
Onder die hoed zat hij, goed en wel verscholen, zodat deze foto ten allen tijde werd bovengehaald als het over de vierde dimensie ging waarin de tijd (volgens Einstein) of de ‘kromming’ volgens mijn grootoom blijkbaar voor een soort ‘not visible’ zorgde, niet waarneembaar voor het menselijke oog.

Het onbedaarlijk lachen was een consequentie die iedere wetenschapper moest overvallen, volgens grootoom Tobias, eens zo’n man of vrouw weet begon te krijgen van wat bijna onweetbaar schijnt te zijn, om zoiets als de ruimte, het heelal en het verschijnsel dimensie te doorgronden.

‘Wij zijn mieren, zei Tobias.
Mieren die hun zuur naar de sterren spuiten en het daarbij uitroepen: geraakt, collegae kijk, ik heb tot op de zon gespoten!
En vervolgens de kracht van het spuiten en de vermeende aankomst als factoren van tijd, afstand en energie in hun stelling poneren.
Alles berekend vanuit hun zielige spuitkracht waarmee ze in werkelijkheid niet eens boven de mierenhoop uitkomen.
Bulderend gelach.

(vervolgt)