Het vrij droevige verhaal van een vrolijke vliegeraar: George Robert Fitzgerald

Dit is George. George Robert Fitzgerald. Niet te verwarren met zijn nobele vader met dezelfde eerste voornaam. Vader George was de oudste zoon van Thomas die in 1747 het landgoed Turlough erfde. Hij was kapitein in het Oostenrijkse leger, in dienst van keizerin Maria Theresia. Hij trouwde met Lady Mary Hervey, lid van een belangrijke Suffolkse familie, dochter van Lord Hervey vice kamerheer van George II. Chique volk dus.

Zij trouwden in 1747 tegen de zin van haar familie, die George Fitzgerald ongeschikt achtte omdat hij van een klein landgoed afkomstig was. Ze woonden in Turlough House, waar hun zoon George Robert (1748) en broer Charles Lionel (1750) werden geboren. Ze scheidden in 1754 en Lady Mary keerde met haar twee zonen terug naar Engeland. Kijk maar eens naar het bijna totale plaatje met de vliegeraar, geschilderd door Johann Zoffany, waarschijnlijk rond 1764.

Johann Zoffany: Portrait of George Fitzgerald with his Sons George and Charles (roughly 1764)
National Gallery of Ireland and Crawford Gallery

George junior, bekend als George Robert Fitzgerald, ook wel eens in de kronieken aangeduid als ‘zoon van een beruchte schurk en magistraat die ook George heette, zie je hierboven onder een vrij bewolkte lucht zijn vlieger oplaten terwijl vader George en zoontje Charles samen met de ons onbekende hond minzaam toekijken. Een plaatje waarop toevallig mevrouw ontbreekt?

De moeder van de twee jonge snaken, Lady Mary Hervey had drie broers die elk de titel van Graaf van Bristol hadden. (-de twee eerste stierven zonder zonen-) maar heel gelukkig was ze niet met George Fitzgerald die haar in het openbaar minachtte zoals dat heet. Er volgde een scheiding rond 1750. Lady Mary nam George en zijn jongere broer Charles mee naar Engeland, waar ze als leerling het nog steeds befaamde Eton ‘bezochten’.

George ging op zijn zeventiende in het leger en had het jaar daarvoor zijn eerste duel uitgevochten. Hij maakte deel uit van het 69ste regiment dat in Ierland gelegerd was, en vocht ook daar verschillende duels uit met zowel de lokale bevolking als met zijn collega-officieren. In een van deze duels (naar verluidt om een vrouw) werd hij in het hoofd geschoten en bijna gedood, en alleen een snelle trepanatie (stukje uit de schedel verwijderen) redde zijn leven. Het is mogelijk dat dit hersenletsel zijn agressiviteit op latere leeftijd verklaart. Zijn vader was boos genoeg over het incident om hem uit zijn testament te schrappen.

Wel gehavend, maar zoals blijkt uit bijgaande publicatie uit die tijd, een knappe jonge man. Hoewel hij onder de gemiddelde lengte was voor zijn tijd en vrij lichtgebouwd, maakte hij altijd indruk met zijn gracieuze houding, en “zelfs diegenen die hem haatten verklaarden dat je ‘…een meer gepolijste en elegante heer nergens zou tegenkomen.’

Ilya Repin Eugene Onegin and Vladimir Lensky’s duel.
Duels occupied a strange position in 18th century Britain. They were not legal, nor were they illegal. Killing another person was naturally a crime, but one that carried a lesser penalty than cold-blooded murder. Those who killed their opponent in a duel faced at worst a manslaughter charge, and usually were acquitted outright unless they infringed the rules of duelling through cheating. Over the century pistols displaced swords as the weapon of choice for duelling, leading to a rise in the number of duels, but a surprising reduction in the number of fatalities. 

In the hands of an unskilled marksman, a pistol was far less likely to inflict a serious injury than a sword, and the pistols of the time were both far from accurate and often far from fatal when they struck, with the lead shot moving at a fairly slow velocity. Fighting a few duels became considered a mark of manhood, but the only thing worse for a man’s reputation than refusing to fight a duel was fighting too many duels. And in the ranks of those who went out actively seeking an excuse to put their life (and the life of their opponent) on the line, none stood higher than George Robert, the “Fighting Fitzgerald”.
(Claran Conliffe  Headstuff)

In 1770 trouwde hij met Jane Connolly, dochter van een Ierse politicus. Er was een bruidsschat van 30.000 pond mee gemoeid, een ongelofelijk hoog bedrag in die tijd. Zijn vader die in financiële moeilijkheden verkeerde zou hem, tegen een som van 10.000 pond, elk jaar 1000 pond uitbetalen en de onterving ongedaan maken. Na zijn huwelijk nam George ontslag in het leger en vertrok hij naar Frankrijk, waar hij binnen een jaar de resterende 20.000 pond door gokken verloor. Jane keerde terug naar Engeland, terwijl George nog een tijdje in Parijs bleef. Uiteindelijk kreeg hij echter last van zijn schaamteloze weigering om zijn gokschulden terug te betalen en graaf d’ Artois (de toekomstige koning Karel X van Frankrijk) liet hem uit een gokhal gooien. Het ‘aanzien’ van de Parijse ‘society’ kon hij wel vergeten. Waarom hij Charles niet voor een duel had uitgedaagd? Een gewone burger kon het niet wagen een prins uit te dagen. Hij werd gedwongen het land te verlaten.

Gokschulden zouden hem blijven ruïneren. Met een duel op de renbaan van Ascot als gevolg en daarna zijn terugkeer als paardenhandelaar naar Frankrijk. Een verslag:

De resulterende afkeuring dwong hem de Londense scene te verlaten en een terugkeer naar Frankrijk te proberen als paardenhandelaar, toestand die opnieuw werd beëindigd met een duel. Dit  met ene majoor Baggs genaamd, een voormalige kameraad uit het 69ste. Baggs had een gokhuis, en de twee kregen ruzie over de commissie die George verschuldigd was voor het in de val lokken van een naïeve jonge edelman. De twee vochten hun duel uit buiten de stad, over de grens met Oostenrijk, omdat ze in Frankrijk niet mochten duelleren. Het duel was verre van eervol - Fitzgerald gebruikte zijn favoriete truc om met uitgestrekte arm naar voren te springen en zo een kleiner doelwit te vormen, terwijl Baggs, ondanks het feit dat zijn been was gebroken door George's eerste schot, de andere man aanviel en zijn tweede pistool afvuurde. Geen van beiden werd gedood, maar beiden bleven mank achter.

We vinden hem terug in 1775 in Dublin. Zijn excentrieke gedrag begon hier echt wel op te vallen. Op straat sloeg hij pruiken van vreemden af om hen te dwingen hem uit te dagen, of hij ging midden op het pad staan zodat je door de modder moest stappen om hem te vermijden. Hij adopteerde een beer als huisdier die hij overal mee naar toe nam. Mishandeling of bespotting van het dier was een reden om tot een duel te worden uitgedaagd. Volgens één verhaal uit die tijd vocht Fitzgerald midden op de dag een degen-duel in St Stephen’s Green, tot ontsteltenis van de toeschouwers. Sommigen riepen op om hen uit elkaar te halen, maar de algemene opinie was “laat ze het uitvechten; de een zal waarschijnlijk gedood worden en de ander opgehangen voor de moord, en de maatschappij zal zich ontdoen van twee lastpakken”. Uiteindelijk werd geen van beiden gedood, hoewel één van hen (het is niet bekend wie) een wonde opliep waardoor hij een week lang niet kon zitten. In feite vermeed Fitzgerald zijn tegenstander te doden, hetzij door geluk, hetzij door de wetenschap dat de rechtbank zijn bekende temperament streng zou aanpakken.

An cartoon illustration of a late 18th century British duel. (Image: Library of Congress/LC-DIG-ds-07973 DLC)
In 1770 he married Jane, daughter of William James Conolly and Lady Anne Wentworth, by whom he had a daughter, but the marriage effectively ended as soon as he had spent her dowry. Jane died in 1780. Her widower posed as being inconsolable with grief, which struck most people as absurd, considering how much he had neglected her. He later remarried Sydney Vaughan, only daughter of Matthew Vaughan of Ballina, County Mayo. His daughter was raised by relatives in England; she died in 1794, reputedly from the shock of reading about her father's exploits, of which she had been kept in ignorance, in a magazine. (Wikipedia)

Het uitvoerig verhaal staat bol van herhalingen. En het einde vermoedt de lezer nog voor hij halfweg dit leven van steeds weer uitdagen en uitgedaagd worden heeft doorploegd. George Robert Fitzgerald wordt opgehangen voor samenzwering tot moord op 12 juni 1786.

Bij de eerste poging brak het touw. Hij grapte dat de rechtbanken van Mayo te gemeen waren om zich een touw te veroorloven dat sterk genoeg was om hem op te hangen, maar het vervangende touw bleek meer dan geschikt voor de klus. Zijn lichaam werd naar Turlough House terug gedragen en de woning opnieuw geplunderd door de lokale bevolking. Dat gebeurde zo grondig dat er geen enkele kandelaar was overgebleven, en zijn weduwe gedwongen was kaarsen in flessen te gebruiken om zijn wake te verlichten.

Lees uitvoeriger:

https://nzetc.victoria.ac.nz/tm/scholarly/tei-Stout40-t34-body-d2.html.

Scroll nu even terug naar boven. Naar het jongetje met de vlieger. Het is intussen wetenschappelijk duidelijk geworden dat hersenbeschadiging door val of trauma ernstige veranderingen in het gedrag van de getroffene kan teweegbrengen met persoonlijkheidsveranderingen als gevolg. Talrijke voorbeelden uit de literatuur bevestigen deze stelling. Het is een bedenking. Er is natuurlijk ook de omgeving. Vader George was niet dadelijk een goed voorbeeld. Er is de tijd. De achttiende eeuw waarin de ongelijkheid van bestaansmogelijkheden determinerend kan zijn wat ‘de goede afloop’ betreft. De middenklasse komt pas in de 19de eeuw aan bod.

Hoe sterk is het touw? Hoe geduldig is de lucht? Hoe verwoestend of bevrijdend de wind? Hoe groot het verlangen het touw te lossen? Of zelf de lucht in te gaan? Of aan het touw te bengelen?

a 19th century Tassel carved to represent a boy holding a Kite (Japan) | collection of the Salar Jung Museum, Hyderabad

Tussen moeten en mogen, Suze Robertson (1855-1922)

Suze Robertson, Het bleekveld, circa 1895-1898, aquarel, particuliere collectie
'Hoe menigmaal heeft een kunsthandelaar mij niet gezegd, 'Ja als u wat mooiere gezichten maakte, of als u schilderde zoals als die en die.' Dan was altijd mijn antwoord: 'Wilt u het niet hebben? Goed, anders moet u het maar nemen zoals ik het maak'. En dan namen ze het niet. Ik schilderde geen lieve 'gezichies'. Hield mij buiten wisselende kunstbegrippen en andere invloeden, waardoor ik er dus massa's tegen me heb gehad. Maar ik troost me er mee dat het beter is om te worden bestreden dan genegeerd.’
Suze Robertson, ‘Hoekje van het atelier’ (ca. 1898-1903), waterverf op papier, ca. 65×45 cm.Beeld Particuliere collectie

Twee werken van een Nederlandse kunstenares wiens werk onder het thema ‘Beter bestreden dan genegeerd’ nog tot 5 maart in het Museum Panorama Mesdag in Den Haag is te bewonderen. Zoals het museum wil ik graag de documentaire laten zien. Een mooie kennismaking.

Ze maakte vernieuwende kunst en kwam op voor de rechten van vrouwelijke kunstenaars. En dat in een tijd waarin vrouwen heel weinig kansen kregen. De Haagse kunstenaar Suze Robertson (1855-1922) had bij leven succes en kreeg veel waardering voor haar talent. Maar ze raakte onterecht een beetje in vergetelheid. De documentaire ‘Beter bestreden dan genegeerd’ vertelt het boeiende verhaal van haar bijzondere kunst en haar niet minder bijzondere persoonlijkheid.(31')

Gezicht op de Vispoort van Harderwijk – olieverf op doek
'Op vele vlakken was Suze Robertson een vernieuwer: in haar artistieke stijl, in haar gedurfde materiaalkeuze en in het uitbundige kleurgebruik. Het is geen toeval dat juist Museum Panorama Mesdag uitvoerig onderzoek heeft verricht naar de kunstenaar. De oprichters van het museum, Hendrik Willem Mesdag en Sientje Mesdag-van Houten, waren bevriend met Robertson en verzamelden haar werk. Het museum toont portretten, landschappen en stillevens, waaronder niet eerder getoond werk dankzij particuliere bruiklenen.
(FineAretsMagazin  Pienk de Gaay Fortman)
Robertson Steegje klein

De vrouwenzaak
Suze Robertson was een feministe “sans la lettre”. Ze schaarde zich niet achter leuzen of theorieën, ze deed wat ze nodig vond en wat ze kon in het belang van de vrouw. Dat ze als één van de eerste vrouwen de Haagse Academie bezocht was heel bijzonder. Dat ze als eerste vrouwelijke leerling gebruik ging maken van het recht op toegang tot de naaktklasse was zelfs scandaleus. Dat de leestafel bij Pulchri gedurende twee uren per week voor dames werd opengesteld moest speciaal na Suzes actie hiervoor besloten worden. (Mesdag van Calcar Leestafel)

‘Zittend naakt’ (Lena) Olieverf op doek 63 x 40,5cm Collectie Singer Laren

De schilderes
In de onderwerpen van haar werk toont Suze Robertson hoezeer zij oog heeft voor het leven dat vrouwen op het platte land leidden. Keer op keer geeft zij hen weer, bezig met huishoudelijke beslommeringen of met productiewerk voor de textielindustrie: aardappelschillen, borden wassen, kleding wassen, brood snijden, melk schenken, koffie schenken, takken breken, schoven binden, spinnen, breien. Het thema “moeder met kind” tellen we drie keer, en ook gebouwen vormen een minderheid. Van 60 olieverfschilderijen van de tentoonstelling “Suze Robertson, Schilderes van het harde en zware leven” (Museum Kempenland 2008) hebben 47 een vrouw als onderwerp, 30 vrouwen zijn aan het werk. Eenzelfde onderwerp wordt een of meer keren herhaald op bijna identieke wijze. De werkzaamheden worden verricht in de binnenhuisjes waarvoor de schilderes speciaal naar Heeze reisde maar waarvan uiteindelijk zo weinig valt te bespeuren.( ibidem)

‘Vrouw aan tafel’
Robertson had dus als de grote verbinder tussen traditie en moderniteit de kunstgeschiedenis in kunnen gaan. Maar ze maakte het de musea en kunsthistorici die zich over haar werk wilden buigen niet makkelijk. Ze dateerde haar schilderijen niet, gaf geen titels aan haar werken, of omschreef ze met algemene termen, zoals Straatje of Dagelijks werk. Ook werkte ze veel in series die ze soms tien jaar liet rusten en dan weer oppakte, waardoor het dateren, en daarmee het benoemen van een ontwikkeling, moeilijk was.(Joke de Wolf  De Groene Amsterdammer)
MEISJE IN GELE JURK, LEZEND

Olieverf op doek
56 x 45,5 cm.

Tijdens de laatste twintig jaar van haar leven werd Robertsons werk steeds breder geprezen en gelauwerd. In 1910 exposeerde ze naast Piet Mondriaan, Jan Sluijters en Leo Gestel – jongere kunstenaars aan wier werk de nabijheid van de alom gerespecteerde ‘colorist’ Robertson legitimiteit verschafte. De schilder-criticus Grada Hermina Marius noemde Robertson de ‘grootste schilderes van haar tijd’. Charley Toorop vond haar de belangrijkste kunstenaar van de negentiende eeuw tout court. Bij Robertsons dood beschreef men haar werk als een schakel tussen Hendrik Breitner en het modernisme. De criticus Albert Plasschaert plaatste Robertson, geheel terecht, naast Vincent van Gogh: deze twee kunstenaars waren voor Nederland voorgangers van én overgangsfiguren naar de moderne schilderkunst, vaak samengebracht onder de noemer expressionisme. En tóch is Suze Robertson in de vergetelheid geraakt.

(Merel Van Tilburg in De Witte Raaf editie 220)

Naaiende vrouw( circa 1886 en 1889)

Suze Robertson (1855-1922) schilderde en tekende fenomenaal goed. Haar werk vormt een klasse apart. Het is krachtig, experimenteel, modern in uitvoering, en tegelijkertijd gegrond in de negentiende eeuw, altijd figuratief en vaak donker. Opvallend is dat Robertson het lelijke niet schuwde. Het is werk dat – grotendeels doelbewust – tot geen van de schilderkunstige scholen van haar tijd behoorde. Robertson bevocht de vrijheid om ‘te maken wat ik zelf verkoos’. Ze maakte de voorstelling steeds verder ondergeschikt aan een intens gebruik van verzadigde kleuren en koos voor een nadruk op vorm en materialiteit boven een realistische weergave. (Merel van Tilburg)

Het witte huis

Je zou over ‘aanvoelen’ kunnen spreken, zeker als het onderwerp niet in een museum als Bokrijk geconserveerd wordt maar levendig de realiteit van het dagelijkse nu was en je daardoor ook in het gebruik van vormen, lijnen en kleuren die aanwezigheid absoluut niet fotografisch hoort te vertalen maar ook in de brutaliteit of het onaffe de meest directe weg in aanzet en uitwerking kiest. Kleur, compositie, materiaal, ontlopen door hun gebruik de ‘kunstige’ scene maar versterken de kortste weg tussen ervaring en uitbeelding. Een ‘aanloop tot het expressionisme’ is daardoor een achteraf bedenking die het authentieke van haar werk te afstandelijk benadert. Zelfs het portret hoeft niet de gelijkenis als eerste doel maar wil vooral de innerlijkheid van het ervaren moment of het wezen van een persoonlijkheid opzoeken, en als bladgoud daarvoor een hulpmiddel is, waarom zou je het dan niet gebruiken?

‘Pietje’ Pietje – Lezend meisje, circa 1898, olieverf op paneel, 42 x 32 cm, particuliere collectie.

Bezoek (tot 5 maart 2023)

https://panorama-mesdag.nl/zien-en-doen/tentoonstellingen/suze-robertson/

Ter ere van het honderdste sterfjaar van de Haagse kunstenaar Suze Robertson (1855-1922) presenteert Museum Panorama Mesdag een unieke overzichtstentoonstelling van ruim 75 van haar schilderijen en tekeningen. Niet eerder zijn zoveel van haar schilderijen en tekeningen bijeen te zien, waaronder veel onbekend werk afkomstig uit museale- en privécollecties.
 Museum Panorama Mesdag presenteert de eerste uitgebreide studie over het oeuvre van de Haagse kunstenaar Suze Robertson en haar plaats in de Nederlandse kunstgeschiedenis. De rijk geïllustreerde publicatie verschijnt honderd jaar na haar overlijden.

In zeven hoofdstukken wordt op basis van nieuw en vernieuwend onderzoek naar haar werk, atelierpraktijk en leven een zo compleet mogelijk beeld geschetst van deze bijzondere en ten onrechte vergeten kunstenaar. 

 
"Suze Robertson is door deze schilderkunst zeker van de toekomst. De schakeering van den tijd, van de période, waarin ze leeft, is zoo gering mogelijk in haar schilderkunst; de toestanden, die zij zich koos, zijn durende menschelijke staten - en verwerkelijkt naar de middelen en in het wezen van een schilderkunst. Dat is voldoende, en zeldzaam; zeldzaam is, daarbij, de grootte van dit menschlijk Hart."

(Albert Plasschaert 1921, een jaar voor haar dood)

GA OOK EENS KIJKEN NAAR:

https://mariehuana.blog/

Tussen de woorden begint de droom

Night-Shining White ca. 750
Han Gan
A leading horse painter of the Tang dynasty, Han Gan was known for capturing not only the likeness of a horse but also its spirit. This painting, the most famous work attributed to the artist, is a portrait of a charger of Emperor Xuanzong (r. 712–56). With its burning eye, flaring nostrils, and dancing hoofs, the fiery-tempered horse epitomizes Chinese myths about Central Asian "celestial steeds" that "sweated blood" and were actually dragons in disguise. The seals and inscriptions added to the painting and its borders by later owners and appreciators are a distinctive feature of Chinese collecting and connoisseurship. The addition of more than one thousand years of seals and comments offers a vivid testimony of the work's transmission and its impact on later generations.(The Met Museum)
Dit 'nacht-schijnend wit':
-hier zijn vleugels overbodig-
in de leegte van het alles
kunnen alleen jouw ogen weten
 waar de eeuwige morgen begint.
Eens kom ik je achterna.

Als westerse waarnemer is het niet makkelijk de tekening van Han Gan naar haar oorspronkelijke betekenis te vatten ook al is haar benaming ‘Night-Shining White’ een gedicht op zichzelf. De museumtekst houdt het bij ‘.With its burning eye, flaring nostrils, and dancing hoofs, the fiery-tempered horse epitomizes Chinese myths about Central Asian “celestial steeds” that “sweated blood” and were actually dragons in disguise.

Met zijn brandende oog, uitwaaierende neusgaten en dansende hoeven staat het vurige paard symbool voor de Chinese mythen over Centraal-Aziatische "hemelse paarden" die "bloed zweetten" en eigenlijk vermomde draken waren.

Het zou een beschrijving van een serie op Netflix kunnen zijn. Mijn eigen vers mist waarschijnlijk de leegte waarin een transformatie van paard naar draak geheel vanzelfsprekend mag heten. De leegte. Er is alleen een paal op de achtergrond die een vertrek- of eindpunt kan zijn, maar tussen al die woorden draaft het tot het vandaag ook bij de lezer(es) thuis gekomen is. Ik probeer die leegte te specificeren in een gedicht van een Tang-dichter, Li Bai. ‘Gedachten aan een stille nacht’. Eerst de Engelse literaire vertaling:

Thoughts on a Silent Night

Moonlight falls at the foot of my bed,
Seeming like frost on the frozen ground.
I look up and see the bright moon,
And look down, reminded of my hometown.


Door onze gewenning aan lidwoorden is het net of de Chinese tekst alleen uit losse begrippen bestaat: Bed, beyond, bright moon shines. Belangrijker dan de ons gewende syntaxis worden de woorden hier gewone vaststellingen. Seems like on the ground is frost. I raise my head-see bright moon. I lower my head-think of home. Hun onderling verband, of het schijnbaar ontbreken daaraan schept net hun poëtische werking.

Let op het rijm. Let ook op het samenspel van de titel Jìng yè sī en de laatste drie karakters van het gedicht, sī gù xiāng, letterlijk: vergeet je geboorteplaats niet. Li Bai’s geboorteplaats was Jiangyou, vlakbij het moderne Chengdu, de hoofdstad van de Chinese provincie Sichuan.
(100 Tang-gedichten Geplaatst door traditionshome op 13 maart 2018)

Gedachten over een stille nacht

Maanlicht valt aan de voet van mijn bed,
als vorst op de bevroren grond.
Ik kijk omhoog en zie de heldere maan,
En naar beneden, herinnerend mijn geboortestad.

Original Chinese

静夜思
Jìng yè sī

床前明月光,
Chuáng qián míng yuè guāng,

疑是地上霜。
Yí shì dì shàng shuāng.

举头望明月,
Jǔ tóu wàng míng yuè,

低头思故乡。
Dī tóu sī gù xiāng.

Note the rhyme. Also note the interplay of the title Jìng yè sī and the last three characters of the poem, sī gù xiāng, literally, remember your hometown. Li Bai’s hometown was Jiangyou, near modern Chengdu, the capital of China’s Sichuan province.
(100 Tang Poems  Posted by traditionshome on March 13, 2018)
    Pensées sur un nuit silencieuse

    Le clair de lune tombe au pied de mon lit,
    Semblant comme le givre sur le sol gelé.
    Je lève les yeux et vois la lune brillante,
    Et regarde en bas, a rappelé de ma ville natale.

 
A painting of Li Bai (probably drunk) with his poetry (taken from Wikipedia).

Al heb ik zelf veel liefde voor maar weinig kennis van de Chinese taal, uit de hier samengebrachte ontleende vertalingen en besprekingen wordt het duidelijk dat de meeste gedichten uit deze periode de eenvoud van alledaagse vaststellingen gebruiken om net in hun onderling verband de niet uitgesproken gevoelens te duiden.. Wat ‘in de stilte’ gebeurt, het niet uitgesprokene vertelt woordeloos de essentie. Als we het bij de maan houden, dan deze mooie tekst van Zhang Jiu-Ling (678-740)

望月懷遠 (張九齡) 

海上生明月,
天涯共此時。
情人怨遙夜,
竟夕起相思。
滅燭憐光滿,
披衣覺露滋。
不堪盈手贈,
還寢夢佳期。
 
Viewing the Moon, Thinking of You (Zhang Jiu-Ling, 678-740 AD, China) 
                                                                                                 Ying Sun © 2008
As the bright moon shines over the sea, 
From far away you share this moment with me. 
For parted lovers lonely nights are the worst to be. 
All night long I think of no one but thee. 
To enjoy the moon I blow out the candle stick. 
Please put on your nightgown for the dew is thick. 
I try to offer you the moonlight so hard to pick,
Hoping a reunion in my dream will come quick.

Naar de maan kijken, aan jou denken (Zhang Jiu-Ling, 678-740 AD, China) 
                                                                                                
Terwijl de heldere maan over de zee schijnt, 
Van ver weg deel je dit moment met mij. 
Voor gescheiden geliefden zijn eenzame nachten de ergste. 
De hele nacht denk ik aan niemand anders dan aan jou. 
Om van de maan te genieten blaas ik de kandelaar uit. 
Trek je nachtjapon aan want de dauw is dik. 
Ik probeer je het maanlicht te schenken dat zo moeilijk te plukken is,
in de hoop vlug samen te zijn in mijn droom.
Tang Di Terugkerende vissers langs de ijzige oever

Net zoals in de beeldende werken is de eenvoud van het alledaagse vaak de weg naar de echte ontroering. Afscheid van een vriend. Li Bai, 701-762. Om weer bij de paarden waarmee we begonnen te eindigen.

Afscheid van een vriend (Li Bai, 701-762 AD, China) 

Groene heuvels achter de noordelijke stadsmuren.
Rondom de oostkant  witte watervallen. 
Tussen deze landschappen sta je op het punt te vertrekken, 
Als een tuimelend kruid dat duizenden kilometers ver reist. 
Drijvende wolken,  de geest van de reiziger. 
Maar onze vriendschap is eeuwig, zoals de zonsondergang. 
We zwaaien met onze handen eens je op weg bent. 
Onze paarden roepen elkaar zelfs van heel ver weg.
送友人 (李白) 

青山橫北郭,
白水繞東城。
此地一為別,
孤蓬萬里征。
浮雲遊子意,
落日故人情。
揮手自茲去,
蕭蕭班馬鳴。

Bezoek ‘Poems of Tang Dynasty with English Translations

http://musicated.com/syh/TangPoems.htm#LiQi01

Herinneringen
paars gekleed.
Ik verschuif verdwenen landschappen
naar zomers
waar het nooit regende overdag.
's Avonds telde je tussen bliksemflits en donder
hoe dichtbij het onweer kwam.
Niet bang zijn, mijn grootmoeder zei
dat het een rumoerig balspel
van jonge engelen was.
Elkaar
uit de donderluchten knikkeren.

Bij de eerste sterren
zochten we of we gevallen engelen vonden.
In het tuinhuis
lag grootvader, slapend
bij een fles hertekamp-jenever.

Hij was al vaker uit de lucht gedonderd.
In 1914  als jonge man.
Daarna bij elke herdenking van het krijgsgewoel.
Nu tenslotte een engel op jaren.

Tang Dynasty Scroll, Emperor Xuanzong -712-756- watching his favourite Yang Guifei a horse -right
Memories
purple-clad.
I shift vanished landscapes
to summers
where it never rained during the day.
At night you counted between lightning flash and thunder
how close the thunder came.
Not to be afraid, my grandmother said
that it was a noisy ball game
of young angels.
Each other
nodding off from the thunderous skies.

By the first stars
we looked for fallen angels.
In the garden house
grandfather lay asleep
by a bottle of Hertekamp gin.

He had thundered out of the sky before.
In 1914 as a young man.
Then at every commemoration of the war effort.
Now, finally, an angel at years.
Li Bai Strolling, by Liang Kai (1140–1210)

Het begon op de heide, en waar het zal eindigen weet ik niet…

Midden augustus begon het, een paarse zee.
Een zee van tijd.
Kindertijd.
De dennenbossen met een overvloed avontuur.
Debussy wist het ook toen hij 'Bruyères' schreef.
Luister naar zijn herinnering. 
Drie minuten paars geschilderd met muziek. 
Luisteren terwijl je leest.
Terwijl je meereist.

Bekijk je de partituur dan lees ik boven de noten de aanwijzingen als ‘calme, doucement, expressif, joyeux, en vier keer zelfs ‘doux’. Een kleine afstand naar een volgende ontdekking die zichzelf voorstelde met de sprookjesachtige titel: ‘Feeënvleugels planten’. Een Chinees gedicht van Liu Zongyuan waarschijnlijk geschreven in het jaar 809 of 810. De Engelse vertaling is van Nathaniel Dolton-Thornton en Yu Yuanyuan.

Liu Zongyuan (773 – 28 November 819) was a Chinese philosopher, poet, and politician who lived during the Tang Dynasty. Liu was born in present-day Yongji, Shanxi. Along with Han Yu, he was a founder of the Classical Prose Movement. 
Planting Fairy Wings


In this poor, shabby place, I barely keep well
as toxic airs trouble me to no end.
Midwinter here lacks hail or frost;
every evening, the south wind’s lukewarm.
Cane in hand, I descend to the courtyard’s edge
but my heels drag and I can hardly reach my gate.
At the gate is the Official of Cleared Lands
who comforts my drifting, withered spirit
when he tells me about a magic herb
nearby, in a field west of the Xiang River:
“Take the herb for no more than ten days
and your limps will become leaps and soars.”
I smile, clap, and hurry toward the official,
begging him to pull the plant at its roots for me.
Dense and lush, it soon fills my courtyard
with clusters of sudden, bright blossoms.
At dawn, I rise to pick and sun-dry them.
My pestle and mortar sound all through the night.
These mild fairy wings balance my insides—
the best place to treat an illness is at its source.
They scatter and oust my feverish mists
then, stretching, they cast off excess warmth.
If only I could prove this magic feat,
I wouldn’t need to keep buying sweet sedge.
I’ve heard of certain odd people’s skills,
how they can hold one breath half the night.
It requires them to breathe very deeply
while feeling the air flow up from their soles.
Self-indulgent, I’d have trouble with that,
so I’ll keep taking medicine instead.
Those who are paralyzed don’t forget to get up
and those who are poor say, “I must rise again,”
so come on, magic herb, help my feet,make me lucky enough to run like a child!
Feeënvleugels planten


In deze arme, armoedige plaats, houd ik me nauwelijks goed...
omdat de giftige lucht me niet kan verdragen.
Midwinter hier mist hagel of vorst;
elke avond is de zuidenwind lauw.
Stok in de hand, ik daal af naar de rand van de binnenplaats
maar mijn hielen slepen en ik kan nauwelijks mijn poort bereiken.
Bij de poort staat de ambtenaar van het ontruimde land...
die mijn drijvende, verdorde geest troost...
als hij me vertelt over een magisch kruid
dichtbij, in een veld ten westen van de Xiang Rivier:
"Neem het kruid niet langer dan tien dagen...
en je hinken zal veranderen in springen en stijgen."
Ik glimlach, klap, en haast me naar de ambtenaar,
hem smekend om de plant bij de wortels voor mij te trekken.
Dicht en weelderig, vullen ze spoedig mijn binnenplaats...
met clusters van plotselinge, heldere bloesems.
Bij zonsopgang sta ik op om ze te plukken en in de zon te drogen.
Mijn stamper en vijzel klinken de hele nacht door.
Deze milde feeënvleugels brengen mijn binnenste in balans.
de beste plaats om een ziekte te behandelen is bij de bron.
Ze verstrooien en verdrijven mijn koortsige nevels...
dan, strekkend, werpen ze overtollige warmte af.
Kon ik deze magische prestatie maar bewijzen,
hoefde ik niet steeds zoete zegge te kopen.
Ik heb gehoord over de vaardigheden van sommige vreemde mensen,
hoe ze de halve nacht hun adem kunnen inhouden.
Het vereist dat ze heel diep ademhalen
terwijl ze de lucht voelen stromen vanaf hun voetzolen.
Zelfingenomen, daar zou ik moeite mee hebben..,
dus blijf ik in plaats daarvan medicijnen nemen.
Zij die verlamd zijn vergeten niet op te staan...
en zij die arm zijn zeggen, "Ik moet weer opstaan,"
dus kom op, magisch kruid, help mijn voeten, 
maak me gelukkig genoeg om te rennen als een kind!
Liu zou dit gedicht in 809 of 810 gecomponeerd kunnen hebben. Fairy wings (Epimedium sp.) (het karakter [仙] in de naam betekent "fee" of "onsterfelijk"), ook bekend als "horny goat weed", verwijst naar een geslacht van rhizomatische vaste planten in de barbiefamilie (Berberidaceae). De meeste soorten komen oorspronkelijk uit China, waar de plant een lange geschiedenis van medicinaal gebruik kent. In de traditionele Chinese geneeskunde schrijven artsen vaak recepten voor die meerdere ingrediënten bevatten. Feevleugels wordt opgenomen in recepten om botten en spieren te versterken, energie te verhogen en erectiestoornissen op te lossen, naast andere voordelen.

Epimedium

De oorspronkelijke Chinese tekst vind je in het aan te bevelen LITERARY HUB magazine

En zo rolde ik via dit mooie gedicht de Tang-cultuurtijd binnen, nieuwsgierig naar de verschillende mogelijkheden waarmee de talrijke dichters uit dat tijdperk hun verlangens en ervaringen in verzen vertaalden.

De Tang-dynastie wordt met veel verschillende zaken geassocieerd, waaronder de poëzie.
De grootsheid van de Tang-poëzie is echter niet te danken aan zijn alomtegenwoordigheid, maar aan die kleine groep grote poëten, waartoe ook Li Bai en Du Fu behoorden. Met subtiliteit, ambiguïteit en allusies schreven deze Tang-poëten ondermeer over de pijn van afscheid nemen, maar ook over het plezier van de natuur, wijn of vriendschap.
Een verzameling waarin het merendeel van de Tang-gedichten bewaard is gebleven, is de―Quantangshi 全唐詩
( De volledige Tang-gedichten)
Deze compilatie van 49000 gedichten van 2200 auteurs kwam tot stand in de eerste jaren van de achttiende eeuw. (Jaden Wu Universiteit Gent Master-Verhandeling) Lees hier:  De verschijning van de komeet:
Wij staan gereed om te ontvangen diep in ons
onvoorstelbare wonderen,
in de lange maanden en jaren is daar plotseling
de verschijning van een komeet, een storm steekt op:

Ons leven is op dat ogenblik 
alsof in een eerste omhelzing
oude vreugden en smart plotseling voor ons oog
stollen tot kloeke roerloze vormen.

Wij prijzen die kleine insecten,
na één enkele paring
of eenmaal gevaar te hebben weerstaan,
eindigen zij hun wonderschoon bestaan.

Ons ganse leven ontvangt...
Een storm steekt op, de verschijning van een komeet.

Feng Zhi
“Returning Home in a Driving Rain”, an imitation of Xia Gui’s painting illustrating the “Xia’s One-Side” composition.

Je merkt dat gebeurtenissen beschreven in poëzie ook via schilder- en tekenkunst kunnen uitgevoerd worden. Er is een nauwe band tussen beiden. We zullen de lezer(es) in een volgende aflevering graag verder nieuwsgierig maken.

 Thinking of My Brothers on a Moonlit Night
Du Fu 

The army drums cut off human travel,
A lone goose sounds on the borderland in autumn.
Tonight we start the season of White Dew,
The moon is just as bright as in my homeland.
My brothers are spread all throughout the land,
No home to ask if they are living or dead.
The letters we send always go astray,
And still the fighting does not cease.
De legertrommels snijden menselijk verkeer af,
Een eenzame gans roept op de grens in de herfst.
Vanavond begint het seizoen van Witte Dauw,
De maan is net zo helder als in mijn thuisland.
Mijn broers zijn verspreid over het hele land,
Geen huis om te vragen of ze levend of dood zijn.
De brieven die we sturen gaan altijd verloren,
En nog steeds houden de gevechten niet op.
This poem dates from 759, perhaps written on the day of the Mid-Autumn Festival (Hawkes, p. 74). The goose is a symbol of autumn and letters from afar (Hawkes, p. 75). White Dew is a period in autumn following the Mid-Autumn festival (Hawkes, p. 74). 
月夜忆舍弟

戍鼓断人行
边秋一雁声
露从今夜白
月是故乡明
有弟皆分散
无家问死生
寄书长不达
况乃未休兵 

Het begon op de heide van mijn eigen kinderjaren, geen muur of macht kan je tegenhouden door de tijd te reizen en elkaar te herkennen als dezelfde reizigers die steeds weer hopen ook bij elkaar thuis te komen.

Excerpted from The Poetic Garden of Liu Zongyuan by Liu Zongyuan, translated by Nathaniel Dolton-Thornton and Yu Yuanyuan. Copyright © 2022. Available from Deep Vellum.

Morris Hirshfield: verschenen, verdwenen en weer opgedoken!

Morris Hirshfield The artist and his model 1945

Morris Hirshfield werd in 1872 geboren in een Joodse sjtetl in het door Rusland beheerste Polen en emigreerde op zijn achttiende naar de Verenigde Staten om aan de pogroms te ontkomen. Zoals veel geïmmigreerde Joden werkte hij bij aankomst in New York in de kledingindustrie – eerst als snijder van stoffen voor overhemden en jurken, daarna als kleermaker en tenslotte als eigenaar van een bedrijf, E-Z Walk Manufacturing, dat gespecialiseerd was in “boudoir-slippers”. E-Z Walk was een tijdlang succesvol, maar ging uiteindelijk failliet, waardoor Hirshfield en zijn vrouw hun dagen moesten slijten in een krappe flat in Bensonhurst, Brooklyn. Dit was echter het punt waarop de zakenman op vijfenzestigjarige leeftijd schilder werd. Er is geen bewijs dat Hirshfield ooit eerder een verfkwast had opgepakt, hoewel de uitvoerig geborduurde slippers in de E-Z Walk catalogus, waarvan hij het ontwerp patenteerde, op een esthetische neiging zouden kunnen wijzen.

Liz Blahd (b 1954, Grand Rapids, Mich.), slippers designed from Morris Hirshfield’s patents, 2021, wool felt, silk velvet trim with silk cord detail, cotton, pompom of wool, linen, glass beads, velvet-covered button, mohair trim, kidskin sole. Collection of the artist, ©Liz Blahd. Photo by Tony Blahd and Lydia Fine.
Hirshfield, who was born in Poland in 1872 and immigrated to the United States around 1890, had wanted to be an artist all his life, but was perhaps too conventional and impoverished. He married, had four children and two successful careers, first as a tailor of women’s cloaks and dresses and then as a shoe designer whose biggest hit was his patented designs for wool felt boudoir slippers, produced by his company, E-Z Walk. He did not turn to painting full time until well after 1935 when, in his early 60s, ill health forced him to retire. His art emerged almost fully formed in nearly 80 paintings created in the last seven years of his life. (NY Times Andrea K. Scott)
Girl with Pigeons

De drijvende kracht achter Hirshfields carrière was de bekende verzamelaar (en later kunsthandelaar) Sidney Janis, die in 1939 de enige twee schilderijen te zien kreeg die Hirshfield tot dan toe had gemaakt. Janis was meteen onder de indruk en werd de vurige pleitbezorger van de kunstenaar. Hij wekte belangstelling voor zijn werk bij culturele zwaargewichten in New York (Peggy Guggenheim, Marcel Duchamp, Piet Mondriaan) en in Europa (Picasso, Giacometti, André Breton en de surrealisten).In de tentoonstelling ‘First Papers of Surrealism’ georganiseerd door Marcel Duchamp waar Hirsfields ‘Girl with Pigeons’ werd tentoongesteld, een van zijn mooiste schilderijen, kreeg zijn werk veel belangstelling. Ik cirteer graag de New York Times:

"Some paintings shock with their absolute perfection, like the sublime “Girl With Pigeons.” It features a mannequin-like blonde in a black and lavender party dress lies stiffly on a  velvet couch. (Its red, black and yellow, quasi-Egyptian Revival fittings are something of a Hirshfield trope, recurring in other works, for example  “Harp Girl,” whose clothed subject stands on a gaudy instrument like a ship’s figurehead.) But back to the couch, whose occupant is attended by seven of the artist’s signature birds, made, it seems, of painted wood. And everything is framed by an aureole of crisp fern leaves  reaching to the canvas’s edges — a many-pointed crown." ((NY Times Andrea K. Scott)
Hirshfield’s “Harp Girl II (Girl With Harp),” from 1945, whose clothed subject stands on a gaudy instrument like a ship’s figurehead.Credit…Robert and Gail Rentzer for Estate of Morris Hirshfield/Licensed by VAGA at Artists Rights Society (ARS), N.Y.

In 1942 kocht de kunstverzamelaar, surrealistische medereizigster en bohemien Peggy Guggenheim “Nude at the Window”, dat zij exposeerde in Hale House, haar woning in East 51 Street bij Beekman Place in Manhattan. Het schilderij toont een frontaal naakt omlijst door een theatrale uitgestrektheid van rode gordijnen met zwarte en gouden strepen. In een karakteristieke fantastische herhaling komen de borsten en tepels van de figuur terug in de rode en gouden halve cirkels die de gordijnen omzomen. De contouren van het kapsel van het naakt herinneren eveneens aan de gebogen contouren van haar borsten. Een licht streepje schaamhaar en een lichte inkeping suggereren genitaliën. Het naakt straalt tegen een donkere achtergrond, in een vaasachtige vorm die ook, meer vaag, een vaginale vorm suggereert.

Nude at the Window

Hirshfields oorspronkelijke titel voor het schilderij, “Nude at the Window (Hot Night in July)”, suggereert een verklaring voor de naaktheid van de figuur terwijl ze zinspeelt op de verhoogde seksuele lading – of hitte – die het schilderij van energie voorziet. Het naakt pretendeert geen bescheidenheid. In plaats van haar lichaam te bedekken, opent ze de gordijnen om het te tonen. De schoenen met hakken bij haar voeten vestigen ook de aandacht op haar naaktheid. Er zijn geen andere accessoires of kledingstukken zichtbaar. We blijven achter met de licht kinky combinatie van vrouwelijke naaktheid, slippers met juwelen en fluwelen gordijnen.

Volgens een inventaris van haar collectie, opgemaakt voor belastingdoeleinden in 1942, kocht Guggenheim "Nude at the Window" voor 900 dollar. Datzelfde jaar kocht ze "De sleutel tot dromen" van René Magritte voor 75 dollar. Twee jaar daarvoor kocht ze Mondriaans "Compositie" voor $160. Gezien het ontbreken van een significante basis van Hirshfield-verzamelaars in die tijd, is het moeilijk te begrijpen hoe een weinig bekende autodidact meer dan vijf keer de prijs van een Mondriaan en 12 keer die van een nu gecanoniseerd schilderij van Magritte kon opbrengen. Vreemd genoeg verkocht ze het drie jaar later terug aan Ianis en het is tot op de dag van vandaag nog steeds familiebezit. 
Photographed in Peggy Guggenheim’s New York townhouse, Hirshfield’s ‘Nude at the Window (Hot Night in July)’ is surrounded by artist-admirers: standing, André Breton, Marcel Duchamp and Max Ernst; seated, Leonora Carrington © Hermann Landshoff/bpk-Bildagentur

Het jaar na Hirshfields triomf in de tentoonstelling “First Papers” organiseerde Janis een tentoonstelling van 30 schilderijen – het oeuvre van de kunstenaar tot dan toe – in het Modern. Deze kwam tot stand omdat Janis behoorde tot de innerlijke kring van Alfred H. Barr, Jr., de gerespecteerde stichter van het museum, die autodidactische kunst zag als een belangrijke kracht in het verhaal van het modernisme. Maar de langdurige kritiek op de tentoonstelling kwam van critici, die vooral beledigd waren door wat zij zagen als Hirshfield’s grofheid en incompetentie. Hun kritieken hebben de beheerders van het museum kennelijk zo verontrust en in verlegenheid gebracht, dat zij Barr, terwijl de tentoonstelling nog te zien was, zonder poespas als directeur hebben ontslagen. De belangstelling van het Modern voor autodidactische kunstenaars (met uitzondering van de Franse schilder Henri Rousseau) kwam abrupt tot stilstand, wat een schaduw wierp op het hele veld en, misschien wel het meest tragisch, de focus van het museum decennialang vernauwde tot een zeer zuiver concept van modernisme. Hirsfield werd gedegradeerd tot een overambiteuze “primitief”. De moderne canon bood ruimte aan precies één autodidactische buitenstaander: Henri Rousseau.

Gebaseerd o.a op dit boeiende artikel van de MIT PRESS READER: Richard Meyer, ‘Peggy Guggenheim and the Self-Taught Artist youprobably never heard of.’

https://thereader.mitpress.mit.edu/peggy-guggenheim-morris-hirshfield/

“College Ground” (1941), one of Hirshfield’s less known but superb works.Credit…Robert and Gail Rentzer for Estate of Morris Hirshfield/Licensed by VAGA at Artists Rights Society (ARS), N.Y.

Morris Hirshfield Angora Cat 1937-39 (dated on painting 1937)
Hirshfield worked laboriously to cover every inch of his canvases with minutely rendered patterns that created pulsing compositions, typically featuring animals or women. In an approach that reflected his former occupation, he transferred a basic, linear design to canvas, filling it in with textures reminiscent of tweeds or knits and lavishing attention on the depiction of draperies, upholstery, and clothing. This ornamental sensibility recalls the intricate filigree of traditional Jewish paper cutting and of Islamic decorative arts. Hirshfield repeated motifs such as flowers with heraldic rigor and often employed symmetry and theatrical devices such as curtains, lending his paintings a medieval mood reminiscent of manuscript illumination. 

(Jeneive Nykolak  National Gallery of Art)
igned M. Hirshfield and dated 1945, l.r.

Morris Hirshfield Tiger 1940
Referring disparagingly to Hirshfield as the “Master of Two Left Feet,” critic Peyton Boswell pegged him as a clumsy incompetent. “Aside from being in fairly bad taste, crudely drawn, harsh in color and static in design, [the paintings] have yet another defect in common,” he wrote in Art Digest, describing Hirshfield’s twisted perspective, “they are all left-footed.” Already dissatisfied with Barr’s administrative and fundraising skills, MoMa’s president used the exhibition as proof of Barr’s poor leadership and fired him.(ARTnews)

Morris Hirshfield (1872–1946)
Stage Girls with angels, 1945
Oil on canvas
127 x 91,7 cm

Met intens plezier heb ikzelf het mooie werk van Morris Hirshfield (1872-1946) ontdekt en met graagte voorgesteld ter introductie. Of zijn kunstwerken nu inderdaad bij het surrealisme of folk-art of wat dan ook te klasseren zijn, mag ons niet deren. Het is puur ogenlust. Eerst met de grote trom ingehaald, daarna weggehoond en gelukkig heden ten dage weer in de internationale schijnwerpers geplaatst, hoort het werk van deze bijzondere kunstenaar zeker thuis in een tijd waarin discussies en vrij ingewikkelde termen het halen op de woordeloze confrontatie van kunstenaar met kijker. Met de hem toegeschreven twee linkervoeten is hij een eind opgeschoten in de fantastische vertellingen waarin de droom mag woekeren en het ontwaken eerder een glimlach dan een angstige frons veroorzaakt. De verfijning van zijn composities, de tijdloze setting, zijn zin voor ritme en atmosfeer, het nieuwe jaar ter ere dat best wat ogentroost gebruiken kan. Schuif zachte slippers aan je voeten en voel je thuis in zijn boudoir.

Girl with Flowered Dress

Cats in the Snow

The Great Cat
“Two Women in Front of a Mirror”

Thuis in verschillende werelden: Chie Fueki ( °1973)

Chie Fueki, “Kyle (High Fidelity)” (2020), acrylic, ink, and colored pencil on mulberry paper on wood, 60 x 36 inches

Ze was al even aanwezig in onze vorige bijdrage waar ze bij ‘hope’ te vinden was. Chie Fueki behoort tot een zeer kleine groep kunstenaars wier werk is geïnspireerd door drie radicaal verschillende culturen: Japan, Brazilië en de Verenigde Staten. Zij is namelijk geboren in Yokohama, Japan, opgegroeid in São Paulo, Brazilië, en geëmigreerd naar de VS, waar zij haar BFA behaalde aan het Ringling College of Art & Design in Sarasota, Florida, en haar MFA aan Yale University. Zonder veel over haar te weten, heb ik de indruk dat ze op vier verschillende plaatsen heeft gewoond en drie talen spreekt. De reden dat ik Fueki’s achtergrond noem, is dat zij sinds haar eerste solotentoonstelling in 2002 in stilte een uniek oeuvre met geestverruimend werk heeft gecreëerd dat nooit in de New Yorkse kunstwereld heeft gepast: een kunstwereld die wordt geregeerd door een hele reeks onuitgesproken conventies, zoals de erfenis van het minimalisme en het wantrouwen tegenover ambacht en ornament. (John Yau 2022. Hyperallergic)

Chie Fueki, “Where” (2017), acrylic, graphite, and colored pencil on mulberry paper on wood, 72 x 72 inches (© Chie Fueki. Private Collection, courtesy DC Moore Gallery, NY, photo Michael Bodycomb)
'My painting practice is centered around the depiction of figures, symbols, and abstract spaces using multi-layered ornamental surfaces and fields of color. I blend visual languages and culturally coded images drawn from my experience growing up in a traditionally-oriented Japanese community in Sao Paolo, Brazil. 

I consider myself a mixed-language painter with interest in eastern and western perspectival systems, architectural graphics, pop animation, pre-Renaissance European painting and exuberant color.' 

Chie Fueki, Nikko, 2018. Acrylic, graphite, and colored pencil on mulberry paper on wood, 72 x 72 inches.

Fueki werkt in wat ik een staat van verbeeldende herinnering zou willen noemen, met een verhoogd gevoel voor realiteit. Ze heeft evenveel aandacht voor de omgeving waarin haar onderwerp of onderwerpen zich bevinden, want ze lijkt niet te geloven dat een portret zich beperkt tot iemands uiterlijk, een kenmerk van de westerse portretschilderkunst. 

“I am interested in the symbols that are flooding our world, which everybody can recognize, but which have almost no meaning.

One of my earliest and most significant memories is my first day of kindergarten in Brazil. I was born in Japan and moved to Brazil with my parents and sister when I was three. When I went into the kindergarten I didn’t know any Portuguese, and neither did my parents, at that point. My mother taught us the words for “pee” and “poop” and pushed us into the school room, in hopes that we would pick up the language naturally. And we did. We learned quickly." 
Chie Fueki, “finally Bridget” (2021), acrylic and mixed media on mulberry paper on wood, 60 x 48 inches (all photography by Pierre Le Hors, all images Courtesy the artist and DC Moore Gallery, New York)
Visually-striking and intricate, Fueki’s paintings picture contemporary life in spectacular motion. Created through a complex system of painting, drawing, cutting, and collaging onto wood panels, her practice is centered around the depiction of figures, symbols, and abstract spaces using multi-layered ornamental surfaces and fields of color.  (DC Moore Gallery)
Owl Silver copie

“The owl comes from personal life. I grew up living with an owl. I went to a Japanese school in Brazil, and the school rescued an abandoned owl. I was asked to bring her home because we were known to live with a lot of birds. I rode on the school bus with her.  When I arrived at my house, I rang the doorbell and my mother looked at me through the peephole. She saw me standing there, with the bright yellow eyes of the owl, perched on my shoulder, looking back at her. The owl, Ponta, was very affectionate with us, although she didn’t like other people at all. She would stay close, and clean our eyelashes and eyebrows the way birds feather other birds. That is why I still paint her. “

hie Fueki, Ellen, 2017. Acrylic, graphite, and colored pencil on mulberry paper on wood, 60 x 72 inches.

Het is duidelijk dat Fueki’s kunst ingaat tegen de beperkingen van de westerse schilderkunst, te beginnen met haar werkwijze op papier, dat zij op hout monteert, en ook door haar gebruik van verschillende cultureel gecodeerde beelden en perspectivische systemen. In dit opzicht deelt zij iets met twee andere Aziatisch-Amerikaanse kunstenaars die op innovatieve wijze op papier werken, Jiha Moon en Tammy Nguyen. Fueki’s gebruik van papier, verf en collage mondt uit in zowel een gecomprimeerd oppervlak als een complexe ruimtelijkheid, waarin het ornament en de niet-realistische kleur een belangrijke rol spelen. Met de stralende lijnen, patronen en evocaties van krachtvelden, vaak uitgevoerd in wat zij noemt “uitbundige kleuren”, zijn de effecten duizelingwekkend. (John Yau 2022 Hyperallergic)

Bath (ShoshanaWaune Gallery)
"That first day in class, I sat next to a girl named Carla, who became my childhood best friend. She showed me how to draw a classic little kid’s drawing of a sun in the corner, a girl made out of circles and triangles, and a house with a triangular roof and square on the bottom, a grid for a window in the middle, and a door. When she showed me those, she also taught me the words for them: “Esse é a casa; esse é a menina.” 

I had never drawn that way before she taught me. I hadn’t been exposed to it. But it was formative, because she was showing me symbols and simultaneously telling me the Portuguese words, which were unfamiliar. When I came home, I showed my mother my drawing. She was so disappointed. She loved the drawings I had made before being “taught” like that."
Chie Fueki, “Josh (Energy Version (Solar Eclipse (Up Up Up)))” (2021), acrylic and mixed media on mulberry paper on wood, 84 x 60 inches
"I am interested in the symbols that are flooding our world, which everybody can recognize, but which have almost no meaning. They might be from childhood — like a ribbon or a butterfly. I think about the common symbols used on stickers or emojis. The viewer can find a point of entry through recognizable symbols. 

I think of myself as a mixed-language painter. I use multiple spatial configurations and multiple perspectival systems. I combine perspectival systems as a way of suggesting a pluralistic or optimistic future that I would like to see. "

Lees het uitstekende magazine ‘Hyperallergic’

Mooi om het jaar mee te beginnen. De combinatie van kleur en oorspronkelijke vormen, de beweging en de liefde voor de eigenzinnige composities, het is een feest om naar te kijken..Kunst ontstaan door allerlei kwaliteiten uit verschillende culturen. De verbeelde toekomst!

Kijk ook bij:

http://shoshanawayne.com/artists/chie-fueki/1ih0bzyftqgyaxp0i1j6tw93b162sf

Bath, 2008
Acrylic, mixed media and paper on wood
24″ x 36″

Wat ons nog rest…

Hoop, een van de theologische deugden Italiaans (Umbrië) schilder ca 1500
"Everyone must dream. We dream to give ourselves hope. To stop dreaming – well, that's like saying you can never change your fate. (Bram Stoker, Dracula)
Chie Fueki ‘Hope’ 2011

Met 2023 al half over de planeet verspreid en hier na middernacht, klinkt het niet gek dat je zwijgend in dat donker kijkt dat nabije toekomst heet. Het is ook niet toevallig dat we met een citaat uit ‘Dracula’ begonnen, en als je daar dan nog een aanzet voor de verwaaide deugd die hoop heet vindt, is waarschijnlijk de deugd met ‘liefde’ als naam niet ver weg. De onbekende schilder uit Umbrië zag ze rond 1500 zo:

Bij de voeten van de Liefde zie je de pelikaan, het symbool van de opofferende liefde, en bij de Hoop de feniks, symbool van de verrijzenis. Waarschijnlijk waren deze figuren een deel van een ‘spalliere’, een bank met hoge rugleuning of een bed voor overdag, of werden ze gebruikt om in een lambrisering te verwerken. Je kon ze dus even in alle rust bekijken en overdenken want de jaren rond 1500 waren ook geen voorbeeld van ‘vredevolle tijden’. De ‘deugden’ staan in vredevolle landschappen en kijk hoe de hoop niets meer te verbergen heeft terwijl het hoog gezeten kindje bij de liefde duidelijk wil drinken en het andere joch moedig mee stapt. Het is in dat jaar 1500 dat Albrecht Dürer zijn zelfportret schildert. Zijn ‘dromen’ werden en worden wereldwijd verspreid. Met enige aarzeling scharen we ons achter hem en Bram Stoker om iets met onze en hun dromen te doen.

Albrecht Dürer Zelfportret 1500 (klik op onderschrift om te vergroten)
De vier ruiters van de Apocalyps Albrecht Dürer

Ook oren willen wel eens vol van kerstmis zijn…





Tussen brol en breekbaar zou je deze keuze kunnen noemen.  Wat bezielt ons om putje winter gevoelige en overgevoelige snaren te betokkelen, en elkander op te zoeken? 'Een diversiteit aan oplossingen om ons weer op het donkere pad naar wat toekomst heet te begeven. En toch ontloop je de oorlog niet.  En de hoop dat wij met zijn allen wijzer willen worden.  Luister, frons en geniet.

Het is nauwelijks het seizoen voor iets onheiligs, dus Sam Smith’s “Night Before Christmas”, een nieuw origineel voor de feestdagen geschreven met de vaste medewerker van de muzikant, Simon Aldred, is smaakvol, traditioneel en lieflijk soulvol.

“Nu alles gesloten is, kun je nergens heen”, zingt Smith over een spaarzaam gitaararrangement, maar de sfeer wordt al snel vrolijker door de toevoeging van piano, percussie en een vloot achtergrondzangeressen. “Baby, this time of year can make you feel old,” zingt Smith in het refrein. Maar gezelligheid is de remedie: “Maar als ik bij jou ben, voel ik de kou niet.” (Zoladz NY Times)Tekst hieronder

 Night Before Christmas
Liedje van Sam Smith

The treetops are leaning
They're covered in snow
The fire's burning
And you're nearly home
The bars are all empty
I can't hear a soul
With everything closed now
There's nowhere to go
Come rest your weary
Head on my chest
The year is behind us
We're still at our best
The magic of Christmas
Is what's coming next
So, lean in, kiss me
And all of the rest
Baby, this time of the year
Can make you feel old
But when I am with you
I don't feel the cold
So, let's dance in the kitchen
And climb up the stairs
I hope when we wake up
There's love everywhere
Mhmm
Mhmm
Hmm
Baby, this time of the year
Can make you feel old
But when I am with you
I don't feel the cold
Hold on to your lovers
Be good to your friends
Remember the people
Who are no longer there
Lean into the moment
The memories you share
And have a Merry Christmas
Everyone, everywhere

“Trim This Tree”, een origineel van de Americana stalwarts Old Crow Medicine Show, is een pittige, af en toe hilarische momentopname van Kerstmis in het moderne, overontwikkelde Nashville: Klotsende rendieren rijden voorbij op een pedaal, de ornamenten zijn uitsluitend van Dollar Tree, en, zoals frontman Ketch Secor het zegt in een Springsteeniaanse keelklank: “Voor deze Airbnb staan een Jozef en een Maria en Jezus, allemaal verlicht als een Walmart.” Maar zelfs in zo’n omgeving weet de groep met zijn opzwepende geluid een oprechte down-home cheer op te roepen. (ZOLADZ)

Well it’s December, it’s not even cold
I wake in a sweat, just counting on when I go home
And I bought a candle, it smells like the pines
But aside from the stands in the city,
There’s none here for miles

My god, it’s been the longest year
Just trying not to disappear
And I don’t know how, but I’m hoping
Christmas will work it out

Nostalgia’s my weakness, my easiest sell
But that movie we watch all season, it just hasn’t held up
I’m sentimental and resentful
Wish I’d just suck it up and turn cynical
But I keep the string lights on and a lookout for miracles

My god, it’s been the longest year
Just trying not to disappear
And I don’t know how, but I’m hoping
Christmas will work it out

And sat at the table, laid pretty,
It feels somehow wrong to complain
So I smile and drink my glass empty
I don’t want to have to explain
I just don’t want to have to explain

My god, it’s been the longest year
Sometimes I wish I wasn’t here
And I don’t know how, but I’m hoping
I'm hoping

My god, it’s been the longest year
Just trying not to disappear
And I don’t know how, but I’m hoping
Christmas will work it out
Christmas will work it out
Christmas will work it out

written & composed by Paola Bennet
produced & recorded by Adam Tilzer
mastered by Oscar Zambrano, Zampol Productions

Norah Jones heeft de tracklist voor de uitgebreide versie van haar album “I Dream of Christmas” uit 2021 bijna verdubbeld, vooral met bluesy, louche studiotracks en live remakes. Haar versie van het oude Tin Pan Alley-nummer “The Christmas Waltz” – geschreven door Sammy Cahn en Jule Styne, ooit opgenomen door Frank Sinatra – verruilt vrolijk een wals voor een shuffle, met een trillende harp en een insinuerende saxofoon, die met meters speelt maar toch fond klinkt. (PARELES NY Times)

Dit is hoe je het doet – een jubelende, surf-achtige rockjam over de kleine details van de vakantiekriebels, inclusief die welke nooit en te nimmer veranderen: “Elk jaar dezelfde afspeellijst/Mariah brengt de vrolijkheid/And pumpkin spice lattes are here.” De Linda Lindas blijven maximaal geluk halen uit elk beschikbaar moment, inclusief het kijken naar de kat die water van de kerstboomkraam oplikt. (CARAMANICA)

Laat je niet afleiden door het overbekende gezicht van de overbekende film, het gaat duidelijk om het prachtige liedje: Carol of the Bells, een liedje uit Oekraïne dat later in de score van ‘Home Alone’ terecht kwam.

Het begon als "Shchedryk", een liedje over een vogeltje dat in 1922 voor het eerst werd uitgevoerd in de Verenigde Staten. De betoverende melodie ervan wordt sindsdien gezongen door Beyoncé en Barenaked Ladies.
Jarenlang maakte componist John Williams van de twinkelende kerstfavoriet "Carol of the Bells" een vast onderdeel van zijn seizoensprogramma. Nu de naam van het Oekraïns kinderkoor 'Shchedryk'. 

As the original “Shchedryk” gained prominence in the late 1910s as a popular a cappella, it wound up providing a soundtrack to tumult. The country was embroiled in the Bolshevik Revolution, which would later pave the way for the Russian Civil War and the subsequent creation of the Soviet Union. Simultaneously, Leontovych’s reputation as a star of Ukrainian culture was on the rise. After fleeing Kyiv upon its capture by the White Army, he founded a music school in the western Ukrainian town of Tul’chyn. But on Jan. 23, 1921, he was targeted during a visit to his parents’ home, and an undercover Russian agent killed Leontovych in his sleep, part of a concerted effort to wipe away Ukrainian culture.

Then as now, Ukraine was under threat from Russia, a shadow of an anxious past that still extends over the country. “We started planning the 100th-anniversary show two years ago,” Filevska said in a phone interview the day after the concert. “Back then, we had something very positive and cheerful in mind. But when the invasion broke out, we at first doubted we’d even be able to complete this. It was really hard to have to organize something while there’s a full-scale invasion happening in your country.”(NY Times)

…die van goede wille zijn?

Adolf Kaufmann (1848-1916) |

Hij was een Oostenrijkse landschapsschilder, Adolf Kaufmann en eens terug uit Parijs settelde hij zich in Wenen en opende daar in 1890 een ‘Kunstschule für Damen’, een gedurfd initiatief in het Wenen van eind negentiende eeuw. Maar het gaat niet over hem, mijn bijdrage gebruikt twee schilderijen uit zijn oeuvre met ongeveer hetzelfde onderwerp: een kudde schapen op weg naar huis in regenweer.

De triestigheid, de ellende van mens en dier is voelbaar. Ik isoleer even de kudde uit het bovenste schilderij. Kijk naar de schapen. Vooral het schaap achteraan helemaal links.

Staan er verschillende schapen per twee, koppen vooruit, deze achterblijver kijkt wellicht naar zichzelf in de plassen. De vraag: wat doe ik hier in dit rotweer ligt voor de hand. De vraag of ik blijf volgen of er stiekem van door ga klinkt geloofwaardig. Kijk je terug naar het totaal dan zie je rechts de bank onder de bomen, wellicht een herderlijke rustplaats in betere tijden, maar nu zonder enige betekenis. De uitdrukking ‘die van goede wille zijn’ is wellicht nodig?

Wat betekent van goede wil zijn?
Mensen van goede wil stellen niet hun eigenbelang voorop, maar vinden de zin van hun leven in het ten dienste staan van anderen. Niet hun Ik is het centrum van hun bestaan, maar de Ander. Hun motto is solidariteit. Als anderen beroep op hen doen, geven ze altijd gehoor.(Google)

Die ‘van goede wil zijn’ kwam uit mijn jeugdherinneringen. Na de boodschap dat er een kind was geboren zongen de engelen: ‘‘Glorie aan God in den hoge en vrede op aarde aan de mensen die van goede wil zijn.’ (Lukas 2:14)
Blijkbaar was dat een vertaling uit het Latijn: ‘Et in terra pax hominibus bonae voluntatis’ Vrede op aarde voor de mensen van goede wil. De evangelies echter zijn in het Grieks geschreven en daar heet die goede wil ‘eudokia’, of als genitief: eudokias, van goede wil.
Even in oude Griekse woordenboek opzoeken en dan lees ik: eudokia 1. welbehagen 2; goede bedoeling. 3. besluit. Met dus ‘welbehagen’ op de eerste plaats.

In een latere vertaling zijn dus de mensen van goede wil verdwenen, maar in plaats van het kale ‘van het welbehagen’ zoals het daar staat, heeft men voor een meer uitleggende verklaring gekozen, wat ook niet zo vriendelijk klonk. Later ging het over ‘…mensen die in Gods gunst staan’, of zoals in het Gloria: de mensen die God liefheeft. In de allernieuwste vertaling lees ik: ‘Eer aan God in de hoogste hemel, en vrede op aarde voor de mensen die hij liefheeft.’
En daarmee. verdween mijn jeugdherinnering: vrede aan de mensen die van goede wille zijn.
Jaap de Rooij, neerlandicus, Nijmegen legt dat allemaal haarfijn uit in Onze taal, Jaargang 73 (2004) toen de nieuwste vertaling nog niet bekend was. Te lezen :

https://www.dbnl.org/tekst/_taa014200401_01/_taa014200401_01_0193.php

Aankondiging aan de herders van Govert Flinck (1639), Louvre

Zo te zien was dat wel even schrikken, die ‘engelenvloed’. Hemels vuurwerk. En de mensen die van goede wille zijn, in wie God zijn welbehagen vindt, hoe moet je die bepalen want tenslotte is het maar behelpen als ik mezelf onder ogen neem. Via een artikel van Ilja Leonard Pfeiffer die het over het nut van de poëzie had kwam ik bij een wonderlijk vers van Nicolaas Beets terecht, niet dadelijk een nieuwlichter, maar onder de titel ‘Reciteren’ geeft hij de dichterlijken goede raad:

 Laat schoone verzen glad van effen lippen vloeien,
 Maar gil, noch galm, noch kwaak, noch bulder woest en luid;
 Weerhoud uw arm en hand van haamren, zwaaien, roeien;
 De molenwiekerij drukt geen verrukking uit.
 Des dichters hartstocht stijge als opgezette baren,
 Hij zij een storm, een stroom, die alles met zich voert:
 Gij, blijf uw kalmte, uw kracht, uw meesterschap bewaren,
 En daar ge een ander schokt, schijn zelf niet eens ontroerd.
 
Joachim Uytewael 1566 Verkondiging aan de herders (klik op deze titel om te vergroten)

Die stroom, die storm die alles met zich voert, drukte alom. Er viel wel wat te bekijken door de vrij sierlijk aangeklede herders. De 19de eeuwse visie van de Amerikaan Thomas Cole (1801-1848) heeft zo’n 2,50m x 4,70m doek nodig om zijn verstilde visie weer te geven. Licht en donker. Maar wel cinemascope.

Thomas Coole Verschijning van de engel aan de herders 1834 Vergroot door op de onderschriften te klikken

Een van de mooiste verbeeldingen is een ets van Rembrandt uit 1634. De reactie van herders en hun omgeving is dodelijke angst. Iedereen en alles vlucht weg. Denk eraan dat telkens een engel aan mensen verschijnt de uitdrukking ‘Wees niet bang, schrik niet!’ moet gehanteerd worden. De meeste kunstenaars blijven in dezelfde menselijke dimensie terwijl engelen als boodschappers van het goddelijke een totaal andere dimensie voorstellen. Geruststellen is dus ten zeerste nodig.

Rembrandt Een engel verschijnt aan de herders 1634

En de Afrikaans-Amerikaanse schilder Henry Ossawa Tanner (1859-1937) schildert in 1910 een bijna abstracte versie van het gebeuren. De wazige boodschapper vervloeit in het landschap. De herders moet je onderaan rechts gaan zoeken. Het nachtelijke landschap vergroot de atmosfeer.

Henry Ossawa Tanner Engelen verschijnen aan de herders circa 1910

Van de vele wonderlijke mensen die ik mocht ontmoeten blijft Willem Wilmink mij heel dichtbij. Met hem sluit ik weer bij de tijd van nu aan: ‘Kerstlied van de supporters’.

Kerstlied van de supporters
We waren van 't voetbal teruggekeerd,
we hadden een treinstel verruïneerd
en we liepen nog wat door de angstige stad
en toen riep er eenje: Hé! Zie je dat!
Daar is verdomme
een ster gekomme!

 Toen riep er een ander: 'Heremejee,
dat is een nieuw geintje van de ME:
nu jagen ze ons weer op de vlucht
met helicopters, hoog in de lucht,
en er zijn honden
aan vastgebonden.'

Maar je hoorde geen motor, het bleef zo stil,
en min of meer tegen onze wil
liepen we mee met die zwervende ster
en Japie zei nog: ik zie al van ver
waar die ster heengaat:
'Tweede Jan Steenstraat.'

 Een dronken kerel zong er een lied:
'Driehoog achter is het geschied.'
En hij had gelijk in zijn dronkenschap,
dus wij liepen over een donkere trap
zachter en zachter
naar driehoog achter.

Willem Wilmink 
uit: 'We zien wel wat het wordt', 1985.
Ik loop met mama in de tuin.
Zozo, zegt ze, eindelijk ben je thuis.
We gaan kersen plukken en paaseieren rapen.
Elke dag komt sinterklaas.
Elke nacht zal het kerstnacht zijn.
Ik loop met mama in de tuin.
Zozo, zegt ze, eindelijk ben je thuis.

(uit 'Triangel, documenten bij een afscheid)

Mooie en innige feestdagen gewenst.

I walk with Mum in the garden.
So she says, finally you're home.
We are going to pick cherries and collect Easter eggs.
Every day St Nicholas will come.
Every night will be Christmas night.
I walk with Mum in the garden.
So, she says, finally you're home.

(from 'Triangle, documents at a farewell)

Diefje-met-verlos in de Scheldestad? Een brief aan Cecilia.

De zevende engel van de Apocalyps

Lieve Cecilia,

In de nagalm van het laatste voetbalgedruis vroeg ik me af of er wonderen nodig zouden zijn om jouw stad aan de Schelde nog te kunnen redden van de digitale piraten? Kun je iemands bezit eigen maken, erger nog de geslaagde poging om een stad te verlammen door haar digitale keuken af te sluiten. Kon de heerser in vroeger tijden genoegen nemen met een symbolische sleutel, nu volstaat een zwakke plaats in haar digitale werking te vinden en vandaar het doen en laten te verlammen zonder een greintje lijfelijke aanwezigheid.

Het dreigement persoonlijke gegevens van haar burgers op het net rond te strooien bij niet-betaling gijzelt elke bewoner. Inbreken in wat zo mooi ‘de persoonlijke leefsfeer’ wordt genoemd. De beeldende voorstelling van dergelijke grootscheepse diefstal waarbij elke burger op een of andere manier gehinderd kan worden een vrij mens te zijn, beperkt zich tot een duistere figuur achter een berg computerschermen, vaak gehuld in een soort monnikspij. Dat een ordinaire nerd in hemdsmouwen computer op de niet geruimde keukentafel een meer realistisch beeld is, dringt pas langzaam tot ons door. Stel, je nieuwe auto is gestolen. Je kunt hem terugkrijgen door hem nog eens te betalen.

By inserting subliminal images in the videogame, hackers were able to probe the player’s unconscious mental reaction to specific stimuli, such as postal addresses, bank details or human faces. This way, they were able to glean information including a credit card’s PIN number and a place of residence.

Ballarín, who is a telecommunications engineer and a cybersecurity expert, has tested a few devices himself. He hacked a brand-name EEG headset and managed to intercept the neural data sent by the device to a paired cell phone. “If you can process these signals, you can get information regarding disease, cognitive capabilities or even a user’s tastes and preferences, which may be something quite personal, like sexual preferences that you wouldn’t even discuss with a partner,” he warns.(Bruno Martin BBVA Open Mind)
'Eventjes een foto maken', zei de dokter.
Koptelefoon op je hoofd, want zo'n ding maakt hels lawaai.
Commerciële radio als troost?
'Je kunt je goed ontspannen.  Doe de groeten aan je vriend.'
Brain implants known as implantable pulse generators (IPGs) are already used to treat brain disorders such as Parkinson’s disease and depression. They use electrical signals to stimulate or block nerve impulses in the body.

The latest versions of these devices come with management software for both patients and clinicians to access on a smartphone or tablet via Bluetooth.

Research by cybersecurity company Kaspersky Lab and the University of Oxford Functional Neurosurgery Group explored vulnerabilities in these implanted devices and found a number of potential risks, such as an unencrypted data transfer between the implant, software and network.

The Russian company warns that in serious cases this type of brain hacking could be used to inflict pain or paralysis, as well as the theft of personal data.
Kaspersky researchers also note that these devices have weak password security, with physicians needing access to the password in case of an emergency. (Robert Scammel Verdict)

https://www.verdict.co.uk/brain-hacking-memories-safe/

‘De dief’ als dramatis persona kon meestal op bijval rekenen. Dat begint met ‘het stelen van de rijken’, gaat over naar het stelen als personaliteit(en) met het hart al dan niet op de rechte plaats en wordt pas gemeen als het personage kan dienen als aantasting van de volkse levensstandaard.( Robin Hood, Bonny and Clide, en tenslotte een anonieme ‘gemene’ paardendief.)

Hun criminele 'zegetocht' duurde niet lang: op 23 mei 1934 vonden ze de dood, nadat ze door de politie in een hinderlaag waren gelokt. Hoewel ze tot de tanden toe bewapend waren, werden Bonnie en Clyde zodanig overrompeld dat ze niet de kans kregen naar de wapens te grijpen en werden ze volgens de geschiedschrijvers "door een regen van duizend geweerschoten" geveld. Op dat moment werden ze verdacht van 13 moorden en diverse overvallen en inbraken. (Wikipedia)
Boys put on a production of ‘Hanging a Horse Thief’ in Falls Mill.

Kunstdieven zijn een geval apart. We citeren graag het begin van een justitiële publicatie van Boom over dit onderwerp.

Het specifieke karakter van kunstdiefstal, hoe het in elkaar zit, de betrokkenheid van de georganiseerde misdaad, de motieven van de dieven, hun zeer beperkte of zelfs volledig ontbrekende kennis van kunst – het zijn allemaal onderwerpen waarover weinig diepgaande kennis beschikbaar is, zelfs bij de politie. Spannende films over spectaculaire kunstroven spreken enorm tot de publieke verbeelding, maar echte kennis over dit type criminaliteit ontbreekt vaak. Fantasie wordt zelfs vaker voor waar aangenomen dan de echte feiten. Zoals ook in The museum of lost art te lezen valt, is kunstcriminaliteit een van de weinige misdaadtakken waarbij criminelen hun vak ‘leren’ uit boeken en films (Charney 2018)

Het toe-eigenen is een ander verhaal. Jij als maker van fraaie televisiedocumentaires eigende jou de levensverhalen van een aantal mensen en/of plaatsen toe met de bedoeling ze op zo’n intense manier vorm te geven dat er een betrokkenheid ontstond tussen het onderwerp en de kijkers. Je gaf ze dus terug in een vorm eigen aan het medium. Het is een niet makkelijk ingrijpen want jij als eindregisseur bepaalt de teneur van je onderwerp. Diefje-met-verlos?

Ofschoon het onduidelijk is waar het vandaan komt, is ‘Diefje met verlos’ een spel dat al eeuwenlang voor de nodige opwinding gezorgd heeft. Tijdens zijn regering (1327-1377) zag Edward 3e zich genoodzaakt het spel te verbannen uit de tuinen van het Westminster Palace, aangezien de dames en heren met hun gejoel de parlementaire besprekingen verstoorden. Dit decreet deed echter niets af aan de populariteit van het spel en het wordt sindsdien nog steeds met veel plezier door jong en oud gespeeld, zowel in zijn originele vorm als in zijn veel mildere vormen zoals ‘quatre coins’(Kinderwereld NL museum)

De eenvoudigste vorm zoals ik hem mij herinner uit mijn internaatswereld waar je ’s avonds eindelijk niet meer moest voetballen op de speelplaats maar ‘ketting’ mocht spelen, een variatie van diefje-met-verlos. Jagers tikken je, je moet naar de plaats waar alle ‘getikten’ een ketting vormen. Kun je nog als vrije jongen door die ketting lopen dan verlos je meteen alle gevangenen. Heerlijk! Je kunt het dus met dat ‘boeien’ door een ‘kunstproduct’ vergelijken en doordat jij de creatie en dus presentatie ‘boeiend’ hebt gemaakt, ontstaat er een verlossend moment van herkenning! Je bent dus diefje en verlosser samen als kunstenaar(es).

Couple aux têtes pleines de nuages Savador Dali

En er is het personage dat komt ‘als een dief in de nacht’. Dichter Luuk Gruwez schrijft in ‘Advies aan een dief’ dat hij welkom is.

Komt u maar binnen door mijn achterdeur, 
die doe ik bijna nooit op slot. 
Gaat u toch zitten, doe mijn sloffen aan; 
er staat een borrel in de kast. 
Mijn allerliefste dief bent u. 
U zult waarschijnlijk zenuwachtig zijn.
Dit huis is mijn museum. Kijk. De gekste dingen heb ik hier bijeen, 

En na een opsomming van zijn bezit, komt de bezoeker bij een kamer.

Ten slotte komt u bij een kamer. 
Die is potdicht, waarvoor excuus. 
Hier houd ik mijn vriendin gevangen 
in touwen, ketting om de voet. 
Geen mens kent de bezitter van haar lijf.
Of toch: wilt u het waarlijk weten? 
Ik lig al naast haar, twintig jaar. 
Wij zijn er trots op dat wij ouder worden, 
de laatsten die geloven in elkaar. 
En als zij slaapt hou ik haar dromen vast, 
en als zij zucht of kucht haar keel, 
en telkens als zij lacht haar lach 
en telkens als zij weent haar tranen. 
Er is maar één dief die ik vrees: 
de dief die harten steelt.

U moet geweldig van mij houden
dat u mij zozeer wilt beroven. 
Maar ook al neemt u alles mee, 
laat haar bij mij, en mij bij haar.

Uit Dieven en geliefden, De Arbeiderspers 2000

Misschien zie je vanuit je raam boven de Schelde de zevende engel voorbijkomen. Johannes, de leerling die Jezus liefhad beschrijft hem als:

"En de zevende engel blies op de bazuin, en er klonken luide stemmen in de hemel, die zeiden: De koninkrijken van deze wereld zijn van onze Heere en van Zijn Jezus Christus geworden, en Hij zal Koning zijn in alle eeuwigheid." (Openbaring 11:15)

Het afsluiten van de tijd. Al die ‘rijken’ (in meervoudige betekenis) zijn overbodig geworden. Als ‘dieven van de tijd’ is onze buit overbodig. Schud leeg die herinneringen en verwachtingen. Gooi ze niet weg, maar laat ze als sterren in de eeuwige hemel schitteren. We zullen er niet alleen naar kunnen kijken, maar, de mooiste vorm van waarnemen, er als kinderen mee spelen. Zoals de foto’s van die ons voorgingen uit hun kader stappen en ons tijdloos omarmen. De diefjes zijn verlost van gisteren en morgen. Mijn innige kerstwens voor jou en degenen die dit blog hebben mee gelezen. Het mooie nu van elk ogenblik.

Eigen foto
Theft
(Esther Popel)

The moon
Was an old, old woman, tonight,
Hurrying home;
Calling pitifully to her children,
The stars,
Begging them to go home with her
For she was afraid,
But they would not.
They only laughed
While she crept along
Huddling against the dark blue wall of the Night
Stooping low,
Her old black hood wrapped close about her ears,
And only the pale curve of her yellow cheek
With a tear in the hollow of it
Showing through.
And the wind laughed too,
For he was teasing the old woman,
Pelting her with snowballs,
Filling her old eyes with the flakes of them,
Making her cold.
She stumbled along, shivering,
And once she fell,
And the snow buried her;
And all her jewels
Slid from the old bag
Under her arm
And fell to earth,
And the tall trees seized them,
And hung them about their necks,
And filled their bony arms with them.
All their nakedness was covered by her jewels,
And they would not give them back to her.
The old moon-woman moaned piteously, 
Hurrying home;
And the wild wind laughed at her
And her children laughed too,
And the tall trees taunted her
With their glittering plunder.
Esther Popel Shaw, born on July 16, 1896, in Harrisburg, Pennsylvania, was a poet and critic from the Harlem Renaissance. She is the author of Thoughtless Thinks by a Thinkless Thaughter, a volume of poetry that she self-published in 1915 while she was still in high school, as well as A Forest Pool, a collection privately printed in 1934. Her writing also appeared frequently in periodicals such as Opportunity, The Crisis, and The Journal of Negro Education. She died on January 28, 1958.

Menselijk, al te menselijk!

Onbekende meester circa 1420 Portret van het meisje met de dode vogel

Om Nietzsche te parafraseren met ‘Menselijk al te menselijk’, al dadelijk een correctie in onze kerstgedachten om de tijd van ‘die van goeden wille zijn‘ te duiden. De menselijke kentrekjes die schuld en onschuld benoemen. Te beginnen met een slecht belichte foto van een fraai portretje uit circa 1520 maar nog helemaal mooi te bekijken in het prachtige boek: ‘Portretkunst in Vlaanderen van 1420 tot nu: Hoofd en bijzaak van Katlijne Van der Sighelen, (Waanders Uitgevers, en Het Davidsfonds Zwolle/Leuven 2008) In 1942, oorlogstijd dus, dichtte P.C. Boutens dit vers ‘Meisje met dood vogeltje‘:

Weet. je nog van den anderen keer,
Van de pijn die onbekend was:
Hoe diep doorschrijnde ’t eerste zeer
Toen je aan geen zeer gewend was?

Nu stak opeens een vreemde kou
Tot heel in je hartje lijf door,
Die ’t vogeltje dat je troosten wou,
In je bevende vingertjes stijf vroor…

Wij deden ons best met woord en daad.
Ook ons ging ’t net als het jou ging:
Een mensch gaat slecht met zichzelf te raad
Van zijn eersten stap tot zijn trouwring.

Wij werden gewaarschuwd voor en na
Tegen leed dat meer dan een traan nam-
Wij leerden alleen bij eigen schâ
De dingen waar het op aankwam.

Want leven is overleven, kind:
Opkomen uit slaap, leed, doodspijn.
En pas ervaring bate vindt
Bij ’t even flikkerend  noodsein…

Doe maar als had je niets gehoord!
En leef naar eigen wijsheid.
Daar is niets erger dan kindermoord
Op den langen weg naar de grijsheid.
Mancini Boy with Toy Soldiers Circa 1876 Philadelphia Museum of Art

Naar ‘eigen wijsheid leven’ zoals Boutens het kind met het dode vogeltje aanraadde mag hier bij dit portretje van Mancini (1852-1930) duidelijk als oorlogje spelen geïnterpreteerd worden, een eerder mannelijke neiging zoals blijkt uit hedendaagse wereldconflicten. Merkwaardig dat het ene leger door de zwart gehandschoende hand wordt geleid terwijl het andere door de naakte hand wordt aangedreven.

Vulgariteit is vaak de dochter van armoede, en armoede is altijd mijn naaste verwant geweest," schreef Antonio Mancini ooit. "Sinds ik een jongen was nam ze me bij de hand en begeleidde me van zolder naar zolder om alle zorgen van de wereld te ondergaan." 
Ondanks verpletterende armoede en geestesziekte steeg Mancini naar de hoogten van de laat-negentiende-eeuwse kunstwereld, waardoor collega-kunstenaar John Singer Sargent hem de grootste levende schilder van die tijd noemde. Helaas verdween Mancini na zijn dood in 1930 weer in de schaduw van de kunstgeschiedenis, alleen bekend bij specialisten en trouwe fans.  In zijn meesterlijk erudiete tekst illustreert Hiesinger hoe Mancini nooit ophield die arme jongen te zijn, omringd door vulgariteit en armoede, door met gevoeligheid en inzicht beelden van andere arme jongens te schilderen, zoals Boy with Toy Soldiers (hierboven). Het verlangen in de ogen van Luigiello, een van Mancini's favoriete modellen en een echte wees uit de straten van Mancini's geboortestad Napels, vertegenwoordigt het verlangen dat in al Mancini's werken te vinden is. (Artblog by Bob)
Mancini De verjaardag
In de wirwar van verfstreken bij de Verjaardag moet het oog even zoeken. De jarige bekijkt met trots een zojuist uitgepakt geschenk: een zwaard. Links achter een bosje bloemen en een staande spiegel, waarin het vaasje gereflecteerd wordt, schilderde Mancini een trompet. Over een stoel in de voorgrond hangt een roze kledingstuk en ik meen twee schietwapens te ontdekken. Terwijl ik me afvraag of kinderen toen ook al met pistolen speelden dringt de geur van afgevuurde klappertjes in mijn geurgeheugen binnen.(Uit de kunst  2020  Bij de Mancini-)tentoonstelling in Den haag)

Tussen de onschuld van het kind dat met de dood van het vogeltje wordt geconfronteerd en de jongen die zijn verjaardagsgeschenk bewondert blijft nog steeds de droom dat wij indien alles meezit het nog niet zo slecht doen tijdens dit bestaan als we maar…En dan kijken we beschuldigend naar de anderen terwijl een blik naar binnen tot betere conclusies kan leiden. Menselijk, al te menselijk.

Uit ‘Menselijk al te menselijk’:

270. Het eeuwige kind

Wij denken dat het sprookje en het spel tot de kinderjaren behoren: wij kortzichtigen! Alsof wij in enig levenstijd­perk zonder sprookjes en spel zouden willen leven! Wij noemen en voelen het weliswaar anders, maar juist dat pleit voor de veronder­stelling dat het hetzelfde is -want ook het kind vat het spel als zijn werk op en het sprookje als zijn waarheid. De korte duur van het leven zou ons voor het pedante onderscheiden van levensstadia moeten behoeden-alsof zij stuk voor stuk iets nieuws zouden brengen ­en een dichter zou eens een tweehonderdjarige ten tonele moeten voeren, iemand die werkelijk zonder sprookjes en spel leeft.

Léon Spilliaert 1881-1946 Silhouet van de schilder 1907 MSK Gent

Zo mooi dit werk van Léon Spilliaert. Wachtend? Deze morgen hoorde ik op Klara een nieuwe versie van ‘Liebster Jesu, wo bleibt du so lange?’ J.S. Bach BWV 484, nauwelijks 2:46. Hier zingt Peter Schreier, orgel: Karl Richter. Zo menselijk, al te menselijk mooi. Het ‘wachten’ als feest. Maar zelfs met menselijk ongeduld. “Waar blijf je nu, zeg?”

Op bezoek bij César Franck, fragment uit ‘Spiritus, een familiekroniek’

In 2012-2013 werkte ik aan een familiekroniek ‘Spiritus’ waarin de Belgisch-Franse componist César Franck een belangrijke rol speelt. Ter gelegenheid van zijn tweehonderdste verjaardag een fragment. Onderaan kun je aansluiten voor het vervolg zoals het verscheen in 2012.

In dit fragment bezoekt het hoofdpersonage, Emilie,  familievriend César Franck die met haar vader, nu organist in Lille, gestudeerd heeft aan het conservatorium in Parijs plaats waar Franck nu zelf les geeft.  We zijn in het merkwaardige jaar 1874.

Omdat de constructie van de oranjerie op het landgoed en de herstellingswerken nu ook van start konden gaan en Emile dag en nacht tekende, tussen aannemers, constructeurs en importeurs pendelde, cursussen voorbereidde en scripties begeleidde, was er weinig plaats en tijd voor een ordentelijk gezinsleven. Emilie reisde met Marie en kleine Léon naar Parijs waar ze door toedoen van l’ abbé Pierre-Ambroise Hamelin, deken van de Saint Clotilde, in de rue de Bourgogne een belle étage huurden.

Ze mengde zich anoniem onder het publiek om de opvoering van Franck’ s ‘Rédemption’ bij te wonen, rue de la Victoire, salle Herz, een koude februari-avond, enkele dagen na haar aankomst in Parijs. Het oratorium verraste haar. De kreten van de spreker, Ah! Malheur aux vaincus, de stevige vragen van het koor, ‘Où mènent tes chemins, de symfonische brug tussen de twee delen, de dramatiek, de aandrang tot de Heer om naar beneden te kijken, bien bas, het slotkoor als synthese, seigneur, seigneur! De gevel waarin de deur verborgen blijft, het innerlijke al is prijsgegeven in de ornamenten, maar het geheim, bien loin du port béni, in de teatraliteit onbereikbaar schijnt.

Ze beseft dat ze de taal van het vertoon niet kent, dat haar spraakkunst van de gezongen collectiviteit beperkt blijft tot kerkmuziek. Ze schrijft in haar dagboek: ‘Ik ken een beetje zijn orgel- en pianowerk, maar geconfronteerd met deze symfonische poëzie, ontgaat mij de innerlijkheid, al zal ze best door haar architectuur de nodige indruk maken voor wie het wijde liefheeft. Het zal moeilijk zijn om hem mijn ervaring duidelijk te maken mocht hij daar belang in stellen. Voor een meisje uit het Noorden is het contrastrijke palet vreemd. Ik kom uit de streek waar aardkleuren overheersen onder wolkenkoepels. Dit is een wereldstad. Hier spreken de mensen luider, laten ze vlugger hun afkeuring blijken, zijn ze andere ritmes gewend. Hier is de hemel volgebouwd, de avenues net zo breedsprakerig als de koetsiers die een buitenmeisje bij de eerste oogopslag herkennen.’

De volgende dagen wandelt ze met kind langs de Seine. ‘Ik weet niet of deze stad voor jou iets zal betekenen,’ zegt ze hem. ‘Maar wil je je wel gedragen bij monsieur Franck?’ Het jongetje kijkt haar glimlachend aan, wijst met zijn handjes naar een voorbijvarende aak, en legt zijn hoofdje op haar schouder. Een rustig kind, zeggen de mensen. Maar ogen heeft het, ogen die alles willen zien. Soms denkt zijn moeder dat hij dingen herkent, dat hij in een vorig leven al eens in Parijs heeft rondgelopen. Of gevlogen, dat kan ook. Als musje of merel.
‘Je kijkt als een vogeltje,’ zegt ze. ‘Een vogeltje dat weet dat het kan opvliegen als het beneden te druk wordt. Dat boven op de rand van een dakgoot de ware proporties van onze drukte begrijpt. Kleine mensjes, kleiner nog dan het vogeltje. Maar pas op, kleintje. Ze kunnen niet vliegen, dus gaan ze op hun tenen lopen en met hun armen wieken. Ik denk dat de dakgoot soms vol lachende vogeltjes ligt. Omgevallen van zoveel gekheid daar beneden!’

‘Het was de tijd van de ingesnoerde tailles, de opgeblazen mouwen en de gladde haarlinten, de hoge dotjes, de kleine voetjes, en herinner je Athanasie, Pépina, Elodie, Victorine en het meisje Félicité dat in 1846 ook jouw een lesje mocht leren, cher César.’ Hij knikte, maakte met zijn uitgestoken vinger duidelijk dat zij het toenmalige meisje was waarop de vrouw des huizes terug naar de keuken trok terwijl ze ‘mais oui, mais oui,’ bleef herhalen op een toon waarin ironie en berusting harmonisch samen klonken.

Het zijn de ogen, dacht Emilie, de naïeve ogen in het heldere gezicht dat door de bakkebaarden nog groter leek. Bijbels en tegelijkertijd jongensachtig. Zonder voorbedachte rade keken ze van het blad naar je vingers en vandaar raakten ze even de ogen van de lieftallige leerling. ‘Nauwelijks zes juffrouwen kwamen toen aan huis,’ zei hij. Natuurlijk waren er ook de lessen rue des Martyrs, in het college Rollin waar hij in 1840 Jacques Offenbach als collega had, en de Augustins de l’ Assomption, Faubourg Saint Honoré en later de Jezuieten in Vaugirard. Mademoiselle Félicité Desmousseaux kon hij niet alleen opleiden tot een uitstekende pianiste, ze werd zijn echtgenote. Plus que la musique, l’ amour.

‘Maman en César, chère mademoiselle Emilie, dat was van in het begin innige vriendschap. Joséphine Desmousseaux, ze is nu bijna zeventien jaar dood, een bekende naam van een pure comédienne met een stem als een klok en een hart van goud.’ Ze bleef intens knikken terwijl ze het gebak in plakjes sneed. ‘En nichtje Claire Féréol, een nachtegaal, daar heeft César een bekwame pianiste van gemaakt. Enfin, drie muzikale vrouwen voor de prijs van één.’

Hij gaf toe dat zij zijn tweede familie waren geworden. Papa Féréol, schilder en een van de beste zangers van de Opera Comique animeerde het Institut musical d’ Orléans. Hij wilde dat zijn dochter Claire een goede pianiste zou worden zodat ze zijn zanglessen kon begeleiden. Ze logeerde een jaar lang bij haar nichtjes Desmousseaux, boulevard Montmartre. ‘Ze kreeg zelfs een nieuwe piano van haar vader omdat ik de mijne van ’s morgens tot ’s avonds zelf nodig had, maar voor de rest deelden we onze kamer en zelfs het kleine bed,’ zei Félicité. ‘En in dat maison du Bon Dieu was César-Auguste l’ oracle des dames!’

‘Een vrij streng orakel,’ verbeterde hij. ‘En ongeduldig, chère Emilie! Hij stampte de maat met zijn voet, en liet ons eindeloos opnieuw beginnen. Traantjes! Geen les of een van ons beiden barstte wel eens in snikken uit. ‘Ma fille, “la naïade lacrymale” kreeg ik van maman als bijnaam.’

‘De werkelijkheid gebied mij te zeggen dat ik toen om haar te troosten. “Deux Mélodies pour piano’ heb geschreven, A Félicité, eentje in re bémol majeur en de andere in mi majeur. Maar al die verhalen vervelen wellicht onze gast. Mensen met een verleden staan de jeugd met toekomst wel eens meer in de weg. Geeft je vader nog wel eens een concert, en heb je zelf plannen in die richting?’

Ze haastte zich te zeggen dat hun verhalen voor haar eten en drinken waren, een oprecht bewijs van hun genegenheid. Ze keken naar de slapende baby in het reiswiegje. ‘Hij moet zijn verleden nog verdienen,’ zei ze. ‘Papa is met de Saint Cathérine vergroeid. Hij bezoekt musea zoals wij familie opzoeken. Alsof hij in een andere tijd leeft. Ik herken dat ook bij mezelf. Ik heb niet zo’n hang naar publiek. Misschien is het angst, of schaamte. Maman verovert graag de wereld. Voor papa en mezelf is die wereld vaak te groot, te verwarrend.’

‘Zal ik je dan donderdagavond mogen meenemen naar de salons van de familie Viardot ? Vorig jaar was Pauline Viardot nog de soliste in de Marie Magdalène van Massenet .Ik ben een beetje haar pianist préferré, vooral voor haar Schubert-vertolkingen. Een merkwaardige dame, chère Emilie. Omringd door merkwaardig gezelschap, al heb ik daarover zelf ook niet te klagen.’

Je kunt het vervolg lezen via deze link en daarna onderaan elke aflevering verder gaan naar believe.

Op zoek naar Andrzej Wroblewski (1927-1957)

Andrzej Wroblewski zelfportret 1949

Het is niet de gewoonte van dit blog vanuit persoonlijke ervaringen te vertrekken maar bij het op zoek gaan naar de Poolse artiest Andrzej Wroblewski kwam ik weer terug naar mijn eigen eerste pasjes in de hedendaagse kunst via een maandelijks tijdschrift dat ik in Brussel, in de toenmalige Poolse winkel op het Rogierplein met eigen zakgeld aanschafte. Schitterende affichekunst, moeilijk ontcijferbare Poolse namen, maar in mijn nog zeer jonge ogen ‘hemel-bestormend’. De tijd ook van nieuwe wegen in de cinema: Andrezj Wajda, (1926-2016) cineast maar daarvoor blijkbaar student aan een kunstschool samen met de hier belichte Andrzej Wroblewski. Vrienden zelfs. Het was de tijd van o.a. ‘As en diamant’ film van Wajda naart het boek van Jerzy Andrzejewski. Film uit 1958 -Wroblewski is dan één jaar dood- die begin jaren zestig in de westerse media kon bekeken worden. Wij zagen de prachtige beelden en we besloten zelf een film te maken in die atmosfeer, plan dat bij het horen van de huurprijs van een 16mm-camera en rolletjes dito film zich tot een aantal stillfoto’s beperkte. Kijk naar deze bande annonce reprise uit 2019, de sfeer zul je herkennen bij de beelden van Wroblewski.

“Ook wij hebben ons verleden met de ogen van onze ziel gezien. Als er zoveel mensen stierven die, zoals we destijds dachten, beter waren dan wij, en we het toevallig overleefden, voelden we de verplichting om de stem te zijn van degenen die stierven - legde Wajda uit in de uitzending "Aantekeningen van de huidige tijd" . – We leefden in de romantische traditie van de rol van een Poolse kunstenaar die plichten heeft tegenover de samenleving. We wilden ze op ons nemen, en Andrzej Wróblewski deed het in de grootste mate, en het wekte onze bewondering." (Wajda bij huldiging van Andrzej Wroblewski)

Dissections 1949
Bijzonder indrukwekkend is de 'Surrealistische Schietpartij', die de vier fasen van de dood bij een executie schildert. De eerste die de aandacht trekt is een man op blote voeten in overhemd, jasje en broek, geschilderd in natuurlijke kleuren. Een tweede figuur met hetzelfde gezicht heeft alles behalve zijn handen en voeten in het zwart, terwijl zijn slagschaduw afbreekt op kniehoogte, van waaruit een miniatuur blauw mannetje omhoog lijkt te schieten. De derde man is helemaal zwart op zijn voeten na, en zijn lichaam is ter hoogte van zijn middel afgesneden - in alleen zijn jas, zijn overhemd blijft in zijn broek - en hangt met zijn hoofd naar beneden. Hij werpt zijn schaduw naar voren in plaats van naar achteren en houdt zich vast met de enige hand van zijn voorganger. De laatste figuur is blauw, met zijn torso en benen 180 graden gedraaid, en zijn broek en hemd, achterstevoren ingestopt, zijn in ingewikkelde plooien gerangschikt; er is helemaal geen schaduw. (Katarzyna Szumlewicz)

“De eerste keer dat ik die indruk kreeg was toen Wróblewski, die langs me liep in de studio, zei: “Kom naar mij, ik zal je laten zien hoe ik schilder”. Ik kwam en zag schieten, waar een Duitser met zijn rug gekeerd staat en schiet, en blauwe kleren vliegen in de lucht. Ik keek en besefte dat ik nooit zo’n schilderij zou maken, nooit!!! En als ik er zo geen schilder, en ik vind deze het mooist, wat doe ik dan op de Academie ???? Ik moet een andere plek voor mezelf zoeken. En ik vond mezelf pas na het verlaten van de filmschool, waar ik studeerde en mijn eerste drie films maakte: Generation, Ashes and Diamonds and Canal. Dit is een afscheid van onze doden. Het is hetzelfde thema, alleen is het makkelijker om het op film te zetten dan om het op doek te schilderen. “(Andrzei Wajda)

Executie tegen de muur

“Wat wist Andrzej Wróblewski? Hij wist dat hij weinig tijd had. Hij wist natuurlijk niet dat dertig jaar het einde van zijn leven zou zijn, maar het viel hem op, en ik geloof dat hij mij er zelfs in een brief op wees, dat er in de poëzie van Tadeusz Różewicz een verleden tijd en een tegenwoordige tijd is. Er is geen toekomstige tijd. De toekomst is wat we vullen met onze daden, met onze kunst, en dat is alles wat er van ons zal overblijven. Hij zei ooit: “Eén ding weet ik absoluut zeker: na de dood is er niets. Er is niets na de dood, wat betekent dat je je taak tot dan toe moet vervullen.” Wanneer heeft hij dit ondernomen? Wanneer is hij begonnen? Hij begon net na de oorlog, in 1945, en die tien jaar waren gevuld met energie, met leven, en niet alleen met schilderen, maar ook met het proberen te begrijpen van de situatie waarin we ons bevonden, en met het zoeken naar onze plaats. Het is duidelijk, en dat zie je in deze tentoonstelling, dat zijn wanhoop om onze wereld af te beelden uniek is. Andrzej Wróblewski wilde de stem van de doden zijn. Waarom? Omdat we allemaal vonden dat het onze plicht was. Beter dan wij, moediger en dapperder mensen stierven in de oorlog. We hebben de plicht om hun stem te zijn na hun dood. Daarom zie je op zijn schilderijen geen jongen meer, geen man meer, geen moeder meer, maar een vrouw blijft, een kind blijft. Dit is een constant thema dat Andrew als onderwerp in zijn werk heeft geïntroduceerd.” (Andrzej Wajda)

Hij had hetzelfde doel voor ogen toen hij zijn schilderijen schilderde waarop moeders, vaders en kinderen staan afgebeeld met blauwe figuren van gedode geliefden. De mythologie van het blauw begeleidt Wróblewski tot het einde, waarover ik verderop zal schrijven. Voor nu wil ik het hebben over de ideologische evolutie van de schilder. Zijn artistieke nadruk op universele begrijpelijkheid en ideologisch engagement bracht hem dichter bij het socialistisch realisme. Maar werken met de vereiste propaganda-achtige inslag zijn hem niet gelukt.

Dit is totaal anders dan zijn minder orthodoxe werken, waar hij in plaats van grote collectieve scènes het dagelijks leven van kleine groepen of individuen weergeeft door middel van schilderkunstige afkortingen en metaforen. Naar het voorbeeld van Mexicaanse muurschilderingen toont “De wachtkamer” uit 1949 rijke mensen met kinderen die op een bankje zitten en een paar arme mensen die het met de vloer moeten doen. Terwijl beiden deze situatie als natuurlijk zien, weten de kijkers wat hier faalt en wat er veranderd moet worden. Niet alleen de slechte levensomstandigheden van de armere lagen, maar ook het geloof dat hiërarchische sociale tegenstellingen natuurlijk zijn. (Katarzyna Szumlewicz)

De Wachtkamer (een van de-)
In het jaar van de dooi ontstaat ook een serie schilderijen getiteld. "Chauffeurs". Dit is geen nieuw thema in het werk van Wróblewski. Hij pakte het voor het eerst aan in 1949 in het mysterieuze 'The Blue Chauffeur'. Het donkere, onbeweeglijke silhouet van het titelpersonage is van achteren te zien. Voor haar in het raam strekt zich een witte ruimte uit die met hoge snelheid wordt doorkruist (dit effect werd bereikt door het punt van samenkomst van de perspectieven dynamisch te verschuiven), waarboven we een rode, dreigende lucht zien. Het unheimische effect wordt versterkt door een vreemde spiraal van blauw plaatwerk naast de bestuurdersstoel. In deze excursie naar het onbekende wordt de cultus van de menselijke kennis gecombineerd met de herinnering dat deze, net als het afgebeelde voertuig, vol innerlijke mysteries en gevaren is. 

"Ik ben vastbesloten. Een besluit. Ik heb een onwrikbare beslissing genomen. Ik kan het opgeven en alles vergeten, maar dit - pas op. Ik waarschuwde, ik wilde niet dreigen, ik vroeg. Ik maakte duidelijk dat iedereen die mij niet als mens zag groot ongeluk over zichzelf en iedereen kon brengen, dat ik een verborgen bliksemschicht in me droeg die me zou vernietigen tot groot verlies van de mensheid. Ik zei: hou van me. Ik dacht: beven voor mijn definitieve beslissing. Nu. Nu is het einde. De maatregel is aangenomen. Nu ben ik een man daarbuiten”. (Andrzej Wroblewski)

“Dit is een tekst die volgens mij van die generatie, en ik denk ook in andere, zelden door een schilder kon worden geschreven. Schilders vermijden meestal woorden, juist omdat ze op zoek zijn naar beelden. Andrzej Wróblewski was in dit opzicht een bijzonder iemand, omdat hij ook onder woorden kon brengen wat hij aan anderen wilde duidelijk maken. Maar waarom klinkt er zo’n wanhoop uit deze tekst? Waar komt die vandaan? Met wie praat Andrzej Wróblewski? Wie bedreigt hij? Nou, ik zal eerlijk zijn – iedereen. Met iedereen.”

Andrzej Wróblewski. Mother with Dead Child, 1949. Oil on canvas, 120 x 90 cm. Collection of Grażyna Kulczyk. © Andrzej Wróblewski Foundation.

Je moet de situatie van kunstenaars in deze stad na 1945 kennen. Wie beslist over kunst, over wat er in Krakau gebeurt? Zeker twee hoofdgroepen. Een daarvan is de professoren van de Academie voor Schone Kunsten. De communistische autoriteiten, die zich willen ontdoen van de professoren die de Academie voor de oorlog leidden, besluiten een groep post-impressionisten een kans te geven. Kunstenaars die in Parijs hadden leren schilderen; Józef Czapski had hen daarheen gebracht. Tijdens de oorlog kwamen ze op het platteland terecht. Ze konden over zichzelf praten zoals Cézanne deed. Toen men hem vroeg wat hij in 1870, tijdens de oorlog met Pruisen, deed, antwoordde Cézanne dat hij enkele plein-air studies had geschilderd in het dorp waar hij zich toen bevond. Ook onze professoren schilderden een paar of misschien een dozijn stillevens en een overeenkomstig aantal plein-air studies, alsof ze helemaal niets van de oorlog merkten. Natuurlijk stond hun manier van denken, hun kunst zo ver mogelijk af van wat Andrzej Wróblewski dacht over schilderen.

Ik herinner me dat Andrzej Wróblewski naar onze studio kwam – de studio van Rudzka-Cybisowa, die het meest hield van bloemen en saladeschalen vol kersen. Dus iedereen schilderde zulke stillevens. Alleen Andrzej zag dat er een emmer kolen onder het fornuis stond. Het was er omdat we in de winter kolen moesten verbranden in het fornuis, zodat onze arme modellen, die naakt poseerden, niet zouden doodvriezen. En het was fantastisch, iedereen schilderde stillevens, probeerde zoveel mogelijk kleur te geven, zoveel mogelijk licht, en hij draaide zich om en schilderde wat hij zag: een emmer kolen zwart, vuil, tegen een vuil fornuis. (ibidem)

“De tweede groep waren de modernen. In 1948 was er een tentoonstelling in Krakau onder het beschermheerschap van een groot kunstenaar. Ik had het geluk twee geniale mensen te ontmoeten: Stanisław Lem en Tadeusz Kantor. Tadeusz Kantor was de leider van deze groep en de initiatiefnemer van de tentoonstelling. Andrzej Wróblewski exposeerde er in 1948. Hij stelde niet alleen tentoon, maar nam als het ware met zijn hele persoon deel aan het evenement. Boven de ingang van het Kunstpaleis van Krakau hing zijn grote doek De zon en andere planeten, als ik me de titel goed herinner. Andrzej Wróblewski schreef ook een gids bij de tentoonstelling, want hij was een geleerd man, hij studeerde toen af in kunstgeschiedenis aan de Jagiellonische Universiteit. Deze tweede groep besloot dat als de Poolse kunst zich wilde ontwikkelen, zij afscheid moest nemen van het onderwerp dat ons en de Poolse kunst gedurende de hele 19e eeuw had achtervolgd, afscheid moest nemen van Matejko en moest gaan schilderen zoals de wereld schildert, dat wil zeggen abstracties schilderen, op zoek gaan naar een soort ander uiterlijk, want de wereld is veranderd, zij is niet meer hetzelfde. En dit besluit werd goed begrepen door Andrzej Wróblewski en hij had er zelf iets over te zeggen. “(ibidem)

Ik denk wel dat je zelf bij de ‘bevoegde bronnen’ orde op zaken kunt vinden: de namen van stromingen, vertegenwoordigers, enz. Ik heb vooral zijn vriend Andrzej Wajda aan het woord gelaten die na zijn studie aan de kunstopleiding de weg naar Lodz koos, waar hij zijn beeldentaal via pellicule ontwikkelde. Wroblewski verdween veel te vroeg na een ongeval in het Tatra-gebergte. Hij zou zich in deze tijd herkennen. Zelf werd ik ‘geconcipieerd’ toen de Duitsers het getto in Warchau ‘opruimden’, mei 1943. Wij zijn hoe dan ook met de geschiedenis verbonden. Het werk van kunstenaars vergroot die nabijheid. Wij zijn aan elkander toevertrouwd.

Mythologie en identiteit: Yinka Shonibare CBE

YINKA SHONIBARE, CBE
Fire Kid (Girl), 2020
Fibreglass mannequin, Dutch wax printed cotton textile, globe, brass, steel baseplate, artificial tree, detachable

Yinka Shonibare CBE RA werd in 1962 in Londen geboren en verhuisde op driejarige leeftijd naar Lagos, Nigeria. Hij keerde terug naar het Verenigd Koninkrijk om Beeldende Kunst te studeren aan de Byam Shaw School of Art in Londen en het Goldsmiths College in Londen, waar hij zijn Master in Beeldende Kunst behaalde. In de afgelopen decennia is Shonibare bekend geworden door zijn onderzoek naar kolonialisme en postkolonialisme binnen de hedendaagse context van globalisering.

Yinka Shonibare’s ‘Nelson’s Ship in a Bottle’

Shonibare werkt met schilderkunst, beeldhouwkunst, fotografie, film en installatie. Zijn werk onderzoekt ras, klasse en de constructie van culturele identiteit door middel van een scherp politiek commentaar op de verwarde relatie tussen Afrika en Europa en hun respectieve economische en politieke geschiedenis. Shonibare gebruikt wrange citaten uit de westerse kunstgeschiedenis en literatuur om de geldigheid van hedendaagse culturele en nationale identiteiten in twijfel te trekken. (James Cohan Gallery)

We hebben in 2009 een aantal werken belicht van deze kunstenaar, en willen graag in deze bijdrage kijken naar wat er verder met hem en zijn werk gebeurde.

YINKA SHONIBARE, CBE
Planets in My Head, Physics, 2010
Mannequin, Dutch wax printed cotton, leather and fiberglass
"I have always viewed art as a form of opera, or as being operatic," Shonibare explained in 2004. "And opera is excessive; it is beyond the real, and therefore hyper-real."
"The main preoccupation within my art education was the construction of signs as outlined in Roland Barthes's Mythologies. So the idea of the theatrical for me is actually about art as the construction of a fiction, art as the biggest liar. What I want to suggest is that there is no such thing as a natural signifier, that the signifier is always constructed--in other words, that what you represent things with is a form of mythology."
YINKA SHONIBARE, CBE
La Méduse , 2008

Beter dan welke verklaring is de ze mooie film van een zevental minuutjes rond zijn project ‘Earth Kids’ (2021) Klik op onderstaand adres om te genieten.

https://www.jamescohan.com/features-items/yinka-shonibare-cbe-earth-kids

Yinka Shonibare CBE, End of Empire, 2016; fiberglass mannequins, Dutch wax printed cotton textile, metal, wood, motor, globes, and leather; 116 × 201 × 39 in
The British-Nigerian artist Yinka Shonibare is debuting four new sculptures in this solo exhibition. Each is an example of the artist’s signature style in its prime—all four figures imply a powerful narrative, and each is cloaked in a Victorian-era garment sewn from the colourful Dutch wax-printed fabrics that Shonibare is known for. As their titles imply, the four sculptures—titled Earth Kid (Boy), Fire Kid (Girl), Air Kid (Boy) and Water Kid (Girl) (all works 2020)—stand in for the elements and together weave a tale that links colonialism to man’s disharmonious relationship to nature. 

Each fiberglass sculpture has a globe for a head and engages in its titular element in some fashion; Fire Kid (Girl) shows a young figure perched against a scorched tree, reading a book, while in Air Kid (Boy) a child steadies his umbrella to brace himself against the wind. Cumulatively, the works pose questions not only of humanity’s cruel history of dominion over one another, but also of our naive attempts to dominate the natural world. The works, however, find hope in their dynamism; Fire Kid’s book teaches her how to avoid future disaster, and Air Kid’s only chance of forward movement is to find symbiosis with the wind. Harmony is possible, though it’s not always achieved through passive means. — Wallace Ludel Miami Art Week
YINKA SHONIBARE, CBE
Water Kid (Girl), 2020
YINKA SHONIBARE, CBE
Air Kid (Boy), 2020
Fibreglass mannequin, Dutch wax printed cotton textile, globe, brass, steel baseplate, umbrella

Voor een vollediger beeld van zijn boeiend beeldend werk verwijzen we graag naar James Cohan waar je een mooi overzicht kunt bekijken van zijn vroeger en hedendaags werk.

https://www.jamescohan.com/artists/yinka-shonibare-cbe

INKA SHONIBARE, CBE
The Sleep of Reason Produces Monsters (America), 2008
C-print mounted on aluminum

Ook via bij zijn eigen website is het zalig toeven en kun je zijn veelzijdigheid ervaren;

https://yinkashonibare.com/

Yinka Shonibare, in collaboration with The Fabric Workshop and Museum, Space Walk, 2002. Pigment on cotton sateen and cotton brocade, fiberglass, resin, plastic.
“Scramble for Africa” (2003) by Yinka Shonibare
Throughout history, if you look at Western Art, be it Matisse or Picasso, a lot of artists took their influence from African art very clearly. It’s not a problem, but when an African artist does the same it can be described sometimes – and I’ve heard this term – as derivative. But if a Western artist takes from African art, of course, they’ve got a right to do that. This show is based on the premise that I discovered that Picasso collected over 100 African artefacts and if you look at his paintings, you will see the influence of African art


The other reason for doing the exhibition is that at the moment artists of African origin are the kind of hottest thing, they’ve become really fashionable. But we had that moment in Paris in the 1920s and in 30s America with the Harlem Renaissance. There were Black performers like Josephine Baker in Paris, Black intellectuals like James Baldwin. There was a Black moment that was super fashionable.

The important thing politically is that we’re not fashion. We are here to stay. The work should be respected because, as you know, people take from Black artists, it goes mainstream, and then the artists are not remembered. In the context of the George Floyd moment that we’re in – although this show was actually conceived beforehand – the important thing is to realise that we need to look at those power relations and that’s what this show is about.
Woman shooting Cherry Blossoms

George Biddle: The art of American social conscience

George Biddle Zelfportret
George Biddle (1885–1973) was a leading American artist whose work engaged with the human condition, in particular the social injustices he encountered in his journeys across the United States and abroad. He served in World War I, was an artist correspondent for Life magazine in World War II, attended the Nuremberg trials, and participated in various federal committees that shaped the politics of twentieth-century American art. 

Through his long-standing friendship with President Franklin Delano Roosevelt, he helped form the mural project of the Works Project Administration. Biddle himself created murals for the U.S. Department of Justice Building in Washington, DC, and, as part of an official effort to promote Pan-American progress and cooperation, for the National Library in Rio de Janeiro and the Supreme Court in Mexico City.

De titel van deze bijdrage is de titel van de tentoonstelling in Philadelphia USA die nog tot 22 januari 2023 te bezoeken is in het WoodmereARTMUSEUM. En hun mooie video van een tiental minuutjes is een schitterende deuropener op leven en werk van George Biddle. Je kunt ondertiteling inschakelen. Opgelet: Na de aftiteling volgt nog een mooi fragmentje! Niet te vlug wegdraaien dus.

George Biddle werd in 1885 geboren in een vooraanstaande familie uit Philadelphia. Hoewel hij rechten studeerde aan Harvard University en in 1911 werd toegelaten tot de Pennsylvania Bar, streefde Biddle een carrière in de kunst na. In 1911 ging Biddle naar Parijs om te studeren aan de Académie Julian. In 1912 keerde hij terug naar Philadelphia om zich in te schrijven aan de Pennsylvania Academy of the Fine Arts. In 1914 reisde Biddle terug naar Europa om in München prentkunst te studeren alvorens naar Parijs te gaan. De zomers van 1915 en 1916 bracht hij door bij de Amerikaanse kunstenaar Frederick Carl Frieseke in Giverny. Edgar Degas en vooral Mary Cassatt waren vrienden van Biddle’s familie en hielden zijn artistieke ontwikkeling in de gaten terwijl hij in Frankrijk was.

Whoopee at Sloppy Jo’s 1933
A member of the illustrious Biddle family of Philadelphia, Mr. Biddle was born there Jan. 24. 1885. Like his younger brother, Francis, who was later Attorney General of the United States, he attended Groton and graduated from Harvard College.

He went on to Harvard Law School and eventually took his degree in 1911. Illness delayed graduation for a year, which he passed in Texas, where he found his métier. He pursued it in Paris at the Julien Academy and later at the Pennsylvania Academy of Fine Arts.

Mr. Biddle returned to Paris to paint, served in the United States Army in World War I and then journeyed to Tahiti to “isolate myself from temporary art currents in order to catch up with lost time.” He became convinced there that “art, most literally, is an expression of life, never something isolated from it.” It was a credo he was to follow for the rest of his life. (NY Times 8 nov. 1973)

In 1928, Biddle accompanied the muralist Diego Rivera on a sketching trip in Mexico, an experience that would inform his own highly successful career as a social realist focused on contemporary America.
In the Breakers
“I am old enough to have experienced or participated, in the important art movements since the turn of the century,” Mr. Biddle said several years ago. “These were French impressionism; the American Ashcan school; the school of Paris and cubism during those early and exciting days when it first exploded on the world; regionalism; the Mexican mural movement; the New Deal subsidy of art — what we may loosely lump together as the social‐conscious trend of the twenties and the early thirties, and the postwar currents of contemporary art.” (NY Times ibidem)
Mural: Sweatshop

Met veel van zijn kunstenaarsvrienden die tijdens de depressie aan de bedelstaf waren geraakt, schreef Biddle in 1933 een brief aan president Franklin D. Roosevelt met het voorstel dat de federale regering de muurschildering zou steunen. Hoewel de Commissie voor Schone Kunsten aanvankelijk tegen was, zette Biddle door, en later dat jaar werd een werkverschaffingsprogramma opgezet. In zes maanden werden ongeveer 15.000 schilderijen gemaakt, waarvan vele hun weg vonden naar overheidsgebouwen in het hele land. Het project werd later uitgebreid en bleef van kracht tot einde jaren dertig.

In 1930 gaven George en Ira Gershwin George Biddle de opdracht het libretto voor Porgy and Bess te illustreren. De kunstenaar verbleef in mei en juni in Charleston, waar hij een groot aantal tekeningen maakte van de plaatselijke bevolking in het dagelijkse leven, waaruit de illustraties voor het libretto van Porgy and Bess werden geselecteerd. Schilderijen gemaakt van de Charleston schetsen werden tentoongesteld in de Downtown Gallery, New York. Biddle’s tweede huwelijk met Jane Belo eindigde in 1929 en in 1931 trouwde hij met de Belgische beeldhouwster Hélène Sardeau. Het paar verbleef een jaar in Rome om te werken aan olieverf, tekeningen, litho’s en keramiek. In 1932 keerden ze terug naar het huis dat Biddle had laten bouwen in Croton-on-Hudson

Streetshoppers
Harlem Dance fragment

Another factor that contributed to Biddle’s artwork were his friendships with many great “painters, sculptors, and critics of the past generation and his life-long activity in behalf of fellow artists”. He borrowed many of the other artists’ styles and turned them into his own by using different techniques and images to get a different effect. Biddle believed that everyone’s life should be influenced by every “fact with which one comes in contact, until one ceases to grow or is, actually dead”. This is the reason why Biddle became such a successful American artist; he had his own style, and expressed real actual events. (Wikipedia)

George Bidding painting a portrait od Man Ray
Portrait of Man Ray 1941
The American Surrealist painter and photographer Man Ray (1890-1976) posed for this portrait in his Hollywood studio in 1941. Philadelphia artist George Biddle surrounds him with an array of strange objects, including a twisted piece of driftwood, a cow's skull, and a piece of drapery that Man Ray's cats eventually tore apart. The artist sits on a couch with his legs crossed, revealing his multicolored socks, while behind him hangs his recently completed painting Leda and the Swan, one of his most arresting and enigmatic Surrealist compositions. (Philadelphia Museum of Art)

In his 1939 autobiography entitled An American Artist’s Story, George Biddle wrote that art “is a re-creation, a reaction to, a critique of life, expressed subconsciously in a given medium with a certain rhythm.” Over the course of a fifty-year career that spanned continents, media, and aesthetic schools, Biddle created works that gave expressive form to his own experiences and to the changing face of twentieth-century life.

In zijn autobiografie An American Artist’s Story uit 1939 schreef George Biddle dat kunst “een herschepping is, een reactie op, een kritiek op het leven, onbewust uitgedrukt in een bepaald medium met een bepaald ritme”. In de loop van een vijftigjarige carrière die continenten, media en esthetische scholen omspande, maakte Biddle werken die uitdrukking gaven aan zijn eigen ervaringen en aan het veranderende gezicht van het twintigste-eeuwse leven.

The Crossing
Portret van Hélène Sardeau

Bezoek ook:

https://woodmereartmuseum.org/experience/exhibitions/george-biddle-the-art-of-american-social-conscience