A sense of potential and possibility: Susan Philips

Susan Phillips' werken hebben het intrigerende vermogen om met eenvoudige vormen de grondslagen van de waarneming te onderzoeken en een gevoel van potentieel en mogelijkheid op te roepen. In haar onderzoek legt ze de nadruk op heruitvinding en verandering, in plaats van op vaste, concrete resultaten. In dit opzicht sluit zij zich aan bij de Braziliaanse dichter en kunstcriticus Ferreira Gullar in zijn verdediging van een kunst die vorm, ruimte en kleuren zag als "niet [behorend] tot deze of gene artistieke taal, maar tot de levende en onbepaalde ervaring van de mens", en die in staat was om met eenvoud een transcendente beeldtaal te creëren.  (Marcio Junji Sono, Ambassade van Brazilië Londen 2018)
Susan Phillips' works have an intriguing capacity of employing simple forms to examine the very grounds of perception and evoke a sense of potential and possibility. In her investigations, she emphasises reinvention and change, rather than fixed, concrete results. In this respect, she corroborates Brazilian poet and art critic Ferreira Gullar in his defense of an art which saw shape, space and colours as "not [belonging] to this or that artistic language, but to the living and indeterminate experience of man", and was able to create a transcendental visual language with simplicity.  (Marcio Junji Sono, Embassy of Brazil London 2018)

I am interested in the way in which a model or plan can simplify our perception, and can evoke in us a sense of potential and possibility—one that emphasises re-invention and change rather than fixed concrete results. My work is informed by an interest in architecture, minimalism and psychology.

Working in series, I employ planar form and geometric abstraction as a visual language with which to explore compositional relationships—pairing opposing elements, with the aim of finding unity within the whole.

I create constructed sculptures in porcelain, using cutting to define structure and simple re-arrangement of form to allow internal spaces to be framed whilst avoiding an oppressive sense of enclosure.

It is my intention that the work retains a raw materiality and a transparency of making process. My aim is not to create an image, but rather to isolate a moment within a process of continued transformation.

Hailing from her studio in rural North Herefordshire on the border of England and Wales, Philips’s art has gained international attention for its pared-back aesthetic and unique ability to trick the eye. Informed by an interest in architecture and minimalism, her sculptural work employs planar form and geometric abstraction as a visual language to explore compositional relationships. 

Carefully adjusting different elements with the aim to find harmony in opposition, her sculptures investigate the interplay between independence and interdependence, fragment and whole, and open versus closed. Intriguing and dynamic, they highlight themes of reinvention and change. “My aim is not to create an image, but rather to isolate a moment within a process of continued transformation,” she says. (Devid Gualandris Ignant)

http://www.susanphillipssculpture.co.uk/

Susan Phillips was born in Bedford, UK in 1978.

From 1996 to 1999 she studied a BA hons In Studio Ceramics at Falmouth College of Arts in Cornwall. Having established a studio in rural North Herefordshire after leaving College, Susan has developed her visual language and making skills alongside raising her two children.

Working in collaboration with design projects has led to her work being shown in both Los Angeles and Milan.
As a visual artist her work has been informed by an interest in architecture and minimalism.
Susan’s abstract art has been featured in numerous exhibitions across the UK and internationally, most recently at the Korean International Ceramics Biennale in 2019. You’ll also find her work in permanent collections such as the Embassy of Brazil in London. In addition, she has won several awards, including the International VIA Art Prize in 2017 and the gold medal for craft and design at the National Eisteddfod of Wales in 2014.(Riseart.com)
Vereenvoudig
tot je beseft
dat elke lijn en vlak
een beweging is
waarin je de wereld
liefhebt
in het evenwicht
tussen
vallen en opstaan.
 
Zelfs de zwaarte
kan dan zweven.

(Gmt)
Simplify
until you realize
that every line and plane
is a movement
in which you love the world
love
in the balance
between
falling down and getting up.

Even the heaviness
can then soar.

(Gmt)

Claude en François-Xavier Lalanne: kunst met mogelijk gebruiksplezier

Ik dacht dat het grappig zou zijn om die grote woonkamer binnen te vallen met een kudde schapen,' verklaarde François-Xavier eens. Het is immers gemakkelijker om een sculptuur in een appartement te hebben dan een echt schaap. En het is nog beter als je er op kunt zitten.

De beroemde schapensculpturen van François-Xavier (hieronder), nu bekend als de Moutons de Laine, werden voor het eerst gepresenteerd onder de titel Pour Polytheme, een verwijzing naar een passage in de Odyssee van Homerus. Hierin wordt beschreven hoe Odysseus en zijn kameraden de cycloop Polyphemus blind maken en uit zijn grot ontsnappen door zich vast te klampen onder de buiken van zijn reusachtige schapen.

In de loop van hun lange huwelijk werkten Les Lalanne vaak samen, maar in zeer verschillende stijlen. Ze werkten zelden samen aan afzonderlijke stukken; François-Xavier’s creaties waren vaker geïnspireerd door het dierenrijk, terwijl Claude de voorkeur gaf aan het botanische. Zij waren echter verenigd in hun liefde voor het historische Franse vakmanschap, het surrealistische en de humor die zij in hun fijne en decoratieve kunst brachten.

François-Xavier Lalanne Lampe-Pigeon Gutknecht-gallery
Claude Lalanne Table Ginkgo
Francois-Xavier Lalanne (1927-2008) werd geboren in Agen, Frankrijk, en kreeg een jezuïetenopleiding. Op 18-jarige leeftijd verhuisde hij naar Parijs en studeerde beeldhouwen, tekenen en schilderen aan de Académie Julian. In 1948 werkte Lalanne als suppoost in het Louvre op de afdeling Oriëntaalse Antiquiteiten. Francois-Xavier huurde een atelier in Montparnasse, naast vriend Constantin Brâncuși, na het vervullen van zijn dienstplicht. Brâncuși introduceerde Lalanne bij kunstenaars als Max Ernst, Man Ray, Marcel Duchamp en Jean Tinguely. Hij ontmoette Claude Lalanne op zijn eerste galerieshow in 1952. De show betekende het einde van het schilderen voor François-Xavier, want hij en Claude begonnen samen een carrière als beeldhouwer. Claude Lalanne werd bij het grote publiek in Frankrijk bekend in 1976 toen de zanger Serge Gainsbourg een van haar werken, "L'homme à tête de chou", uitkoos voor de titel en de hoes van een album (Wikipedia Eng.)
Claude Jacqueline Georgette Dupeux werd geboren in een artistieke familie in Parijs in 1924. Haar moeder was een pianiste met een conservatoriumopleiding, een oom was koormeester bij de Opéra de Paris en haar vader, soms omschreven als goudmakelaar, was een vrije geest en mysticus die alchemistische experimenten uitvoerde. Als jonge vrouw studeerde zij architectuur aan de École des Beaux-Arts en de École des Arts Décoratifs. 

In 1952 ontmoette zij François-Xavier Lalanne (zij was toen getrouwd met de architect Jean Kling en zij hadden drie dochters) en in de daaropvolgende jaren werkten zij samen aan een reeks projecten, waarbij zij vaak werkten voor couture-giganten als Dior, decoratieve figuren en rekwisieten construeerden, en etalagekleding maakten voor winkels als Le Printemps. In 1964 bouwden ze de gesoldeerde metalen en levensgrote paarden voor Bejart's choreografie in de Verdoemenis van Faust. Als chique jong stel woonden ze samen in Montparnasse, waar Jean Tinguely, Niki de Saint Phalle, Max Ernst en Constantin Brancusi, die 's avonds langskwamen met wodka en gekleurde Sobranie-sigaretten van Russische makelij, tot hun buren behoorden. Samen organiseerden ze hun eerste tentoonstelling in 1964 en trouwden in 1967; toen verhuisden ze naar een dorp op het platteland. Rond die tijd begonnen zij Les Lalanne te heten en sindsdien staat op het werk van beiden de stempel "Lalanne".
Het atelier van ‘les Lalanne’ in 1967
in Vogue magazine, whose writer Jean Cau dryly observed: “The ground-floor studio is chaos….bottles, cans, pieces of sheet metal, screws, nails, locks, wire, metallic shards…..That’s what the Lalanne’s studio is like. Three of you in there at once feels like being in the subway at rush hour. ‘It’s too small,’ says Lalanne calmly.”

Vanaf hun eerste tentoonstelling in 1964, getiteld ‘Zoophites’, een verwijzing naar objecten met een mengeling van dierlijke en plantaardige kenmerken, lieten de kunstenaars zich herhaaldelijk inspireren door flora en fauna en vervormden zij deze natuurlijke vormen tot iets vreemds en nieuws. Claude Lalanne (1924-2019) transformeerde in haar werken vertrouwde planten en dieren in lyrische en soms surrealistische creaties, terwijl François-Xavier Lalanne (1927-2008) zijn fascinatie voor het mysterieuze innerlijke leven van dieren omzette in geabstraheerde en verfijnde sculpturale vormen waarachter vaak een praktische functie schuilging. In het werk van zowel Claude als François-Xavier Lalanne, buigt artistieke visie natuurlijke vormen naar nieuwe toepassingen.

Hippopotame
Hippotame in functie als gebruiksvoorwerp François-Xavier Lalanne’s Unique Hippopotame I Bathtub, 1969, which will be auctioned at Christie’s La Ménagerie sale was:. USD 4.335.000 Photo: Christie’s Images Ltd. 2019
Peu à peu vont ainsi s’organiser un bestiaire et un catalogue de fruits et légumes que le couple déclinera à l’infini. D’une activité intense, ils vont tous deux toucher à tous les genres, utiliser les infinies possibilités des arts décoratifs, faisant entrer dans les maisons des animaux et des légumes géants, réalisant des pièces pour les tables à manger et pour les salons, des canapés surréalistes en forme de boîtes de sardines et des bars d’intérieur en rhinocéros, meublant les jardins de bancs et de balancelles poétiques, les salons et les parcs de troupeaux de moutons en bronze et en laine.
Ginko Biloba Claude Lalanne

Les Lalanne partagent le sentiment que la sculpture, et plus largement l’œuvre d’art, peut avoir une fonction. Toute leur carrière est tendue par la volonté de restituer à la sculpture, trop longtemps sacralisée, une dimension familière, un éventuel usage. On la regarde mais on la touche aussi, on l’ouvre, on s’y assoit, on s’y allonge, on y mange, on la porte au cou… La nature, et plus particulièrement le monde animal, leur offre une infinité de formes reconnaissables par tous. Moutons, singes, rhinocéros, ânes, chameaux, crapauds, hippopotames, chats… constituent un répertoire que les Lalanne soumettent aux contraintes de l’art décoratif avec beaucoup d’humour.

François-Xavier Lalanne ‘Brochet’ 1973
Claude Lalanne ‘Choupatte’ 2014
'Ik had een mal genomen van een kool en vroeg me gewoon af hoe die eruit zou zien met benen,' legde Claude uit. Op het moment dat ik het zag, voelde het goed. Het had emotie.'
François Xavier Lalanne ‘The Mayersdorff bar’ 1966 (USD 4,572.500 Christie’s)
The Mayersdorff bar appears to have been conceived for a more poetic, intuitive type of science. With a spirit that is at once functional and playful, the bar appears as if metaphoric apparatus for the concoction of alchemy—a workbench designed to stimulate magical composition. Alchemy—the ancient raising of pure substance, through science and intuition—is here imagined by François-Xavier as metaphysical form essential for human interaction. Reassured by the presence of an over-sized egg, symbolic of life and of birth, reprising the Sun at the core of our galaxy, the ancillary vessels feature as satellites arranged as an astronomer’s celestial orrery, the elliptical surfaces superimposed as if a planetary ring system. If the structural language of these two unique bars is rooted in geometry and spatial awareness, there remains a naturalistic reference that is anchored by the egg form.  François-Xavier reprised the motif of the egg once again as a central feature of his Autruches bar, 1966-1967, executed not in patinated metals as the two earlier unique bars, but in bronze and Sèvres biscuit porcelain, which was subsequently produced in an edition of six. 


Les Lalanne constructed their own realm, where Surrealism, fantasy and anthropomorphism synthesise as a poetic combination of arts. They lived a life out-of-step with contemporary influences and joyfully embraced determining their own parallel paths, developing a visual language that was guided by personalised idiom, one which continues to challenge and transcend categorisation.  The present work is a seminal and unique example of Francois-Xavier’s genius, created at the pivotal moment of his artistic development. (Christie's)
Bird Chair
Claude Lalanne Lapin a vent (Sothebys) Vendu: 2.532.500 euro tmet commissie)

While Les Lalanne shared a studio and exhibited together throughout their careers, their oeuvres are entirely distinctive. Claude’s work embodies a more sinuous and ethereal form with inspiration taken directly from nature while François-Xavier’s works offer a gravity of form and functional ingenuity that redefine their original representation. Together, the Lalannes’ works are at once playful, profound, elegant and evocative, and equally suitable for traditional and contemporary environments.

Je huiswerk maken aan ‘de rinoceros’ teriwjl je op een schaapjes rug zit.
Gallerie Mitterand François Xavier Lalanne Oiseau

De thema’s die door de twee gezamenlijk werden verkend, gingen in tegen de gangbare trend van abstracte kunst in de jaren zestig. Het echtpaar geloofde en Francois-Xavier beweerde, “de hoogste kunst is de kunst van het leven.” Het echtpaar begon publieke aandacht te trekken in Parijs tijdens de jaren 1960 toen Yves Saint Laurent en Pierre Bergé hen opdrachten gaven. Met name Francois-Xavier’s realistisch bronzen gegoten schapen bedekt met huid en door Claude gegoten lelievaantjes werden tentoongesteld in de bibliotheek van Yves Saint Laurent en Pierre Bergé. Hun eerste gezamenlijke tentoonstelling omvatte Francois-Xaviers beroemde bureau voor neushoorns, Rhinocrétaire, en Claude’s beeldhouwwerk van kool met kippenpoten. Vergelijkbare thema’s van Les Lalanne hebben hun werken geclassificeerd als een ode aan het surrealisme en de Art Nouveau.

François-Xavier Lalanne ‘Bar dit Les Autruches’, 1966
Claude Lalanne and François-Xavier Lalanne -- such a team!  Known individually and collectively since the 1960s, Les Lalanne developed a style that typifies inventive, poetic and surrealist sculpture. They rediscovered the Renaissance art of casting forms from life, then employing contemporary electro-plating techniques.  Claude  achieves a delicacy and sensitivity in her work unparalleled in cast bronze. François similarly found inspiration for his works in nature. His subjects consist of a menagerie of animals, stylized forms oftentimes married with functionality (check out the desk and day bed below!). Elegant, streamlined, stylized, monumental, emotive... and fun!  Enjoy some of their beauties below.  All I want for Christmas is a Lalanne sheep, Santa -- if only! (Breeze Giannasio classic interiors for the modern eye)
François Xavier Lalanne Kleine Wapiti
Claude LALANNE (née en 1924)
Banc Williamsburg, 1992
Bronze patiné
73 x 205 x 51 cm

Heb je een beetje tijd om wondere kunst te gaan bekijken, zoek dan bij les Lalanne. Schreef ik enkele weken geleden over de kunst van het vallen en was Alice in Wonderland onze gids, ook hier bij dit bijzondere echtpaar val je van de ene verbazing in de andere. Toch blijf je in het decor van het alledaagse leven, want daar gebeuren de echte wonderen.

Claude Lalanne Le Lapin du Victoire 2013

Toen zij hun werk voor het eerst lieten zien, werden Les Lalanne hard beoordeeld door de critici. ‘Ze negeerden ons volledig; voor hen was het maken van sculpturen die een nut hadden, complete onzin,’ zei Claude Lalanne in 2013. Toch weigerden Les Lalanne zich te conformeren, en al snel was hun werk overal te zien, van fotoshoots in tijdschriften tot de meest modieuze galeries van Parijs.

Hun werk is een ode aan het creatieve dat ons telkens weer verbindt met het dagelijks dromen waarin het absurde ons vertrouwde en uitgesleten paden doet verlaten om het avontuur te verkennen waarmee je je eigen leven met het ongekende van jezelf in contact brengt. Kan elke dag gebeuren.

François-Xavier Lalanne Signe Allumé 2002 bronze edition de 4 Ben Brown Fine Arts

Op de breuklijn: Lorenzo Di Credi (1459-1537)

Annunciazone 1480

In het Uffizi te bekijken, deze ‘boodschap aan Maria’ gemaakt in 1480 door Lorenzo di Credi, van opleiding goudsmid, geboren in Florence onder de naam Lorenzo di Barducci, opgeleid in het atelier van Andrea del Verrocchio dat hij in 1488 na de dood van zijn meester overnam. Het werk hierboven was zijn eerste zelfstandige opdracht. Het centrum van deze Annunciatie is leegte, een mooie doorkijk op de diepte van de tuin tot aan een vijver of rivier. Het licht is het hoofdpersonage waarin de schitterende kleurencombinaties volop tot hun recht komen. Kijk naar het binnen-groen van de rode engelen-mantel dat je terugvindt op de bedsprei achter Maria. Kijk naar de verschillende blauw-tonaliteiten in hun beider kledij, het goud vanop de vleugels naar het gekrulde haar en het zichtbare goud van Maria’s schouderstola. Vakmanschap.

En we leven in een tijd waarin symmetrie en het ervaren van de diepte het menselijk gebeuren dichterbij de dagelijks ervaren werkelijkheid zouden brengen. De engel laat zijn gekruiste armen-houding los om haar met zijn rechter-onderarm te overtuigen, Maria’s bevallige houding remt nog wel zijn enthousiasme, -nog even zie je een zweempje van angst op haar gezicht, maar je beseft dat ze zal instemmen zonder goed te begrijpen wat de konsekwenties zijn.

Acht jaar later zal Perugino dit portret van Lorenzo maken, we zijn dan dichtbij de invloed van Savonarola die als vurige zedenmeester tussen 1494-1498 de burgers in Florence aanmoedigde om alles wat tot zonde aanzette (boeken, schilderijen, weelderige kleren en overbodige bezittingen) in het openbaar te verbranden. Tot hij in 1498 zelf op brandstapel eindigde.

Painting; oil on panel transferred to canvas; original panel: 44 x 30.5 cm (17 5/16 x 12 in.).overall (with added border): 46 x 32.5 cm (18 1/8 x 12 13/16 in.).framed: 63.8 x 50.8 x 5.7 cm (25 1/8 x 20 x 2 1/4 in.);

Vrolijk kijkt hij niet. Hij heeft net het atelier van zijn meester Verrocchio overgenomen waar hij als leerling samenwerkte met medeleerlingen Leonardo da Vinci en Pietro Perugino. Hij heeft vooral Leonardo’s werk bestudeerd. Zijn stijl en zijn techniek nam hij over. Hij wist goed wat zijn meestal kerkelijke klanten verlangden en hanteerde daarvoor tot in het kleinste detail wat hij van zijn begraafde medeleerlingen had bestudeerd.

Maar Lorenzo di Credi is ook een portretschilder, en hier bediende hij een meer werelds cliënteel dat ofwel zichzelf of een fraaie figuratie uit de Grieks-Romeinse godenstal als decoratie wilde in hun fraaie huizen en buitenverblijven. In het boek ‘Miroir du temps, chefs-d’oeuvre des musées de Florence’ vond ik daar een treffend voorbeeld van.

Venus (rond 1490)
Deze Venus, die in 1869 in de middeleeuwse villa van Carfaggiolo werd gevonden, is het werk van de Florentijnse schilder Lorenzo di Credi. Beide voeten op de grond, haar teint roze, steekt zij af tegen een donkere achtergrond. De lange benen en armen zijn goed gemaakt en gespierd, de ronding van de knieën is zorgvuldig bestudeerd; de grote en ronde buik, lichtjes naar rechts gedraaid, schetst een sensuele beweging en de spilhanden houden een doorzichtige sluier vast die, achter de rug langs, op delicate wijze de naaktheid bedekt en op de marmeren vloer kromt, alsof hij als steun dient. De zelfverzekerde en licht ondeugende blik is op de verte gericht, als om de kijker af te leiden. Dit vrouwelijk naakt, misschien gemaakt als voorbereiding op een grotere compositie, is een van de privé-kabinetwerken die kunstenaars van het Quattrocento vervaardigden op verzoek van de rijke, gecultiveerde families van Florence, die hun huizen wensten te decoreren met wereldlijke onderwerpen. (Miroir du Temps Milena Pannitteri)
'Il ne faut pas oublier non plus que Credi, en peignant sa Vénus, s’inspire de la Naissance de Vénus (vers 1482) de Botticelli (Florence,1445-1510) et d’autres nus féminins qui s’en inspirent, réalisés par l’atelier botticellien (conservés a la galerie Sabaucla de Turin et au Staatliche Museum de Berlin);- il en retient la posture mais pas la ligne serpentine du corps. Ayant échappé au "bucher des vanités" ordonné par le frère dominicain Savonarole (Ferrare, 1452-Florence, 1498) qui, entre 1494 et 1498, prêche dans la ville de Florence un renouveau moral entaché de fanatisme religieux proscrivant toute forme de luxure et invitant les citoyens a brûler publiquement tout ce qui incite au péché (livres, tableaux, habits somptueux et biens superflus), l’oeuvre de Lorenzo di Credi peut etre située a la fin des annees 1480. (Milena Pannitteri)

In deze tekening, ‘buste van een jongen die een kap draagt’, (nu in het Louvre) zie je de werkelijke ‘tekenkunst’ van Lorenzo di Credi, niet gehinderd door de wensen van een kerkelijke of wereldse klant. Giorgio Vasari die ook Lorenzo’s biografie verzorgde in zijn ‘Leven van kunstenaars’ (Vite de’ piu eccelenti architetti, pittori, et scultori italiana, da Cimabue insino a’ tempi nostri’) heeft het over zijn zin voor afwerking tot in het kleinste detail maar bekritiseert hem omdat hij een ‘perfectionist’ was, overdreven ijverig, zijn pigmenten te fijn maalde en te veel tijd besteedde aan het destilleren van zijn oliën. Je moet uiteraard de nodige korrels zout gebruiken bij de interpretaties van Vasari, zeker als hij, zelf schilder, te maken heeft met bijzonder getalenteerde mensen, maar ik denk wel dat het vaardige het haalde op wat je nu het geïnspireerde zou noemen. Natuurlijk waren kunstenaars in het quattrocento eerder op de klant dan op de eigen visie gericht, de klant betaalde. En rolde er een fanaat als Savonarolla door de geschiedenis van de Medici-stad dan ontkwam je moeilijk aan de ‘hervormer’ en zijn volgelingen die cancell-kunst toepasten in de meest letterlijke zin.

Mannenportret c 1504 Olie op hout 51 x 37cm
This splendid portrait - at the Uffizi since 1704 - has been much discussed, as the painter and the figure have been mysterious for a long time: it once was thought to be Martin Luther painted by Holbein, then Andrea del Verrocchio by Lorenzo di Credi, or again a portrait of unknown man. The comparison with the Pietro Perugino's self-portrait painted in the Collegio del Cambio at Perugia led to the identification as Pietro Perugino, and the attribution went to his most celebrated pupil, Raphael. Recently the attribution to Lorenzo di Credi was again proposed.

Both the identity of the sitter and the authorship of the painting are still matters of debate. The attribution to Raphael is supported by the majority of contemporary scholars.

In the painting, particularly noticeable is the influence of North European portrait-painting, in the realistic rendering of the face, in the characterization of the man, but above all in the insertion of the figure in the narrow confines of an interior, with a small window offering the partial view of a distant landscape. (Web Gallery of Art)

Je voelt dat we in de geschiedenis op een breuklijn lopen . Tussen de 15de en de 16de eeuw kreeg je wel de naam mee van ‘renaissance’, maar dat was een naam gegeven door de Italiaanse humanisten die de term rinascita (Frans : renaissance, weder-geboorte) introduceerden, een nieuwe gouden eeuw na een periode van verval, de middeleeuwen. En dan sloeg die wedergeboorte eerder op verworvenheden van de klassieke oudheid, alsof de toekomst geen eigen krachten zou bezitten om vorm te geven aan de nieuwe wereld die weldra in allerlei verdeeldheden weinig te maken had met idealen waarin de mens en zijn ‘verworvenheden’ het centrum zou zijn. Het ging allemaal zo snel dat de filosofie pas vijftig jaar later begon te begrijpen wat er zou kunnen gebeurd zijn. Net zoals wij verbaasd omkijken naar de tachtigerjaren, nog maar 40 jaar geleden waarin het digitale zijn eerste stapjes zette. Het menselijke echter trekt zich weinig van een terminologie aan. Kijk naar de mooie olieschilderij waar drie mooie meisjes (en geen 3 koningen) het pasgeboren kind komen bezoeken terwijl de oude Jozef op de achtergrond een dutje doet. Van alle tijden.

En tenslotte een andere versie van de aanbidding van het kind waarin Jozef een ietsje actievere rol speelt. Maar laat je betoveren door de prachtige kleuren en de schoonheid van de ‘actie’ zonder het menselijke (kijk naar de houding van het kind) te vergeten.

De legende van de derde duif, Stefan Zweig

Net zo oud als zijn kleindochter nu, eenentwintig dus, was dit een eerste aankoop-met-eigen-zakgeld bij de tweedehands boekenwinkel die hem ‘tien Belgische franken’ kostte. Als vroege bewonderaar van de intussen goed vertaalde auteur bleek dit kleine boekje door de Wereldbibliotheek-Vereniging Amsterdam-Antwerpen uitgegeven in het jaar 1952. Een vertaling uit het Duits door Paul Huf met ontslagontwerp frontispice van Fons Montens.

Het heeft verschillende verhuizingen overleefd en nu zou het in dit blog ook een plaats mogen vinden. De vertaling was intussen gedateerd, maar geen nood want het verhaal uit 1916 in der Bilderman, Berlin oorspronkelijk uitgegeven werd heel fraai vertaald door Dirk Jansen waarbij een bijdrage van Piet Wackie Eysten op dezelfde website van het ‘Stefan Zweig Genootschap Nederland‘ het verhaal van degelijke historische commentaar voorziet. ‘Ondertitel: Noachs derde duif op zoek naar een vredige plek. Onderaan het verhaal de nodige verwijzingen. De datum van ontstaan, 1916, maakt het opzet van het verhaal duidelijk.

In het boek over de aanvang der tijden is het verhaal verteld van de eerste duif en van de tweede die de aartsvader Noach vanuit de ark uitzond toen de sluizen van de hemel zich sloten en de wateren zakten. Maar wie heeft over de reis en het lot van de derde duif verteld?

Op de top van de berg Ararat was het reddende schip gestrand, dat in zijn ruim al het van de zondvloed verschoonde leven borg, en toen de aartsvader vanuit de mast alleen maar water zag, oneindig veel water, toen zond hij een duif uit, de eerste duif, om te ontdekken of er ergens onder de wolkeloze hemel land te zien was. De eerste duif, zo wordt verteld, sloeg haar vleugels uit en vloog naar het oosten en naar het westen, maar er was niets dan water. Nergens vond zij rust op haar vlucht en haar vleugels begonnen erg vermoeid te raken. Daarop keerde zij terug naar de enige vaste plek op aarde, de ark, en fladderde om het vastliggende schip op de bergtop, totdat Noach zijn hand uitstrekte en haar weer in de ark binnenliet.

Dove Tracey Harrington

Hij wachtte zeven dagen waarin er geen regen viel en het water verder zakte, toen nam hij opnieuw een duif, de tweede en zond haar op verkenning. De duif vloog ’s morgens weg en toen zij tegen vespertijd terugkwam had zij als teken van leven van de bevrijde aarde een olijftak in haar snavel. Zo begreep Noach dat de toppen van de bomen al boven het water uitstaken en het onderzoek geslaagd was.

Na wederom zeven dagen stuurde hij opnieuw een duif, de derde, op onderzoek de wereld in. Zij vloog ’s morgens uit en keerde echter niet ’s avonds terug. Iedere dag wachtte Noach ongeduldig, maar ze kwam niet terug. Toen wist de aartsvader dat de aarde vrij was en het water gezonken. Van de duif, de derde, heeft hij echter nooit meer iets vernomen en ook niemand anders heeft tot op de dag van vandaag haar legende gehoord.

Hier zijn echter het reisverhaal en de lotgevallen van de derde duif.

“s Morgens was zij uit het muffe ruim van het schip gevlogen, waar in het donker de opeengeperste dieren morrend van ongeduld zaten in een kluwen van hoeven en klauwen, woest brullend, blaffend, sissend en fluiten, ze was opgevlogen uit deze benauwenis de oneindige wijdte in, uit het donker het licht in. Met het uitslaan van haar vleugels in de heldere, door de regen zoet-gekruide lucht, golfde er ineens vrijheid en de genade van eindeloosheid om haar heen. Diep beneden glinsterde het water, de bossen lichtten op als vochtig mos, uit de weilanden rees de vroege witte nevel en de geuren van planten stegen gistend op uit weiden. De strakblauwe hemel spiegelde een metaalachtige glans naar beneden, net boven de gekartelde bergruggen brak de rijzende zon in oneindige tinten morgenrood door, kleurde daardoor de zee bloedrood en deed de bloeiende aarde als heet bloed dampen. Het was goddelijk om dit ontwaken te aanschouwen en met dit zalige uitzicht wiegde de duif zich met vlakke streken over de purperen wereld, over landen en zeeën en werd al dromend zelf een zwevende droom. Als God zelf zag zij als eerste de bevrijde aarde, en haar beleving kende geen einde. Ze was allang Noach, de grijsaard van de ark en zijn opdracht om terug te keren, vergeten. Want de wereld was nu haar vaderland geworden en de hemel haar eigen huis.

wood-pigeon kereru Bruce Mclachlan

Zo vloog de derde duif, de ontrouwe boodschapper van de aartsvader, over de lege wereld, verder, steeds verder, door de storm van haar geluk gedragen, door de wind van haar eigen zielenonrust vloog zij verder, steeds verder, tot haar vleugels traag werden en haar gevederte van lood leek. De aarde trok haar met massieve kracht naar zich toe, haar zware vleugels wiekten steeds matter, tot zij de vochtige boomtoppen streelden en op de avond van de tweede dag daalde zij eindelijk neer in het hart van een woud dat nog naamloos was, zoals alles in de aanvang der tijden. Zij verschuilde zich in het kreupelhout en rustte uit van haar luchtreis. Zij dekte zich met rijshout toe, de wind wiegde haar in slaap, het was overdag koel onder het bladerdek en ’s nachts warm in haar woudwoning. Ze vergat al snel de winderige hemel en de lokroep van de vertes, de groene woning gaf haar geborgenheid en de tijd schreed ongemerkt voort.

Het was een woud in de ons bekende wereld waarin de verdwaalde duif huisvesting vond, maar er woonden nog geen mensen, en in deze eenzaamheid werd zijzelf geleidelijk een droom. Zij nestelde zich in het nachtgroene donker, de jaren trokken aan haar voorbij en de dood vergat haar, want alle dieren, alle soorten die nog de eerste wereld na de zondvloed hadden gezien, konden niet sterven, en geen jager kon hen iets doen. Onzichtbaar nestelen zij zich in de plooien van de aarde, net zo als de duif in het diepst van het woud. Af en toe kregen ze weliswaar vermoedens van menselijke aanwezigheid, er klonk een schot dat meerstemmig weerkaatste op de groene wanden, houthakkers sloegen tegen de stammen, zodat rondom de duisternis dreunde, het zacht gelach van verliefden, die ineengestrengeld verborgenheid zochten, kirde heimelijk in de struiken, en het gezang van kinderen die bessen zochten klonk ijl en ver. De verscholen duif, ingesponnen in loof en dromen, hoorde soms deze stemmen uit de wereld, maar ze luisterde er zonder angst naar en bleef verscholen in haar duisternis.

Felix De Boeck 1898-1995 De duif

Op een dag begon de wereld ineens te dreunen. Dood en vernietiging hing boven haar; zoals eerst het water rolde nu het vuur over de wereld. Toen spande zij haar vleugels en schoot weg uit het ineenstortende woud om een veilige plek te zoeken: een vredige plek.

Zij vloog hoger en zweefde boven onze wereld om die vrede te vinden, maar waar ze ook heen vloog, overal waren lichtflitsen, het gedonder van de mensen, overal oorlog. Een zee van vuur en bloed overspoelde de aarde, zoals eens een zondvloed, en gehaast wiekte zij over onze landen om een vredige plek te vinden en dan op te stijgen naar de aartsvader om hem de beloofde olijftak te brengen. Maar ze kon het nergens vinden; de vloed van verderf steeg steeds hoger boven de mensheid, steeds verder vrat de brand zich in onze wereld in. Nog steeds had zij geen rust kunnen vinden en de mensheid geen vrede en zij mocht niet eerder terugkeren en rusten voordat dit was volbracht.”

Niemand heeft in onze tijd deze verdwaalde, mythische, naar vrede zoekende duif gezien, maar toch fladdert zij angstig en vermoeid boven onze hoofden. Soms, alleen ’s nachts, als men opschrikt uit de slaap hoort men hoog boven in het donker een jachtig geruis, een angstaanjagende vlucht, een radeloos vluchten. Op haar wieken zweven ook onze zwarte gedachten, in haar angst deinen al onze wensen en deze tussen hemel en aarde sidderend zwevende verdwaalde duif, de ontrouwe boodschapper van weleer, vertelt nu ons eigen noodlot aan de aartsvader van de mensheid. En weer wacht, net als duizenden jaren geleden, een wereld ongeduldig op de hand die wordt toegestoken en inziet dat het genoeg is met deze beproeving.

frontispice Fons Montens in uitgave van 1952
lees de boeiende bijdrage bij dit verhaal:
Pablo Picasso Duif met olijftakje 1961

Gesprekken met sprookjes: “de kunst van het vallen”

‘In tegenstelling met de vertrouwde geplogenheden willen de meeste mensenlijke wezens vliegen eens de zwaartekracht van de alledaagse gewoonten hen hindert,’ zei Alice. ‘Dat is een oud misverstand. Wil je naar het wonder dan moet je “vallen”. Niet weg van de aarde, maar er net dieper in doordringen. Ook engelen vliegen niet. Ze vallen uit de hemel om een boodschap te brengen. Eens hun opdracht volbracht is laten ze zich weer naar de hemel vallen. Dat is net een eigenschap van engelen die mensen niet gegeven is. Mensen kunnen zonder hulpmiddelen met moeite de lucht in omdat ze maar niet begrijpen wat de kern van ‘vallen’ is.

How long is forever? vroeg ik het Witte Konijn. 'Sometimes, just one second,' antwoordde hij.

De heer Einstein was ervan overtuigd dat alle objecten op dezelfde manier vallen, ongeacht hun massa of samenstelling. Zelfs de aarde en de maan vallen op dezelfde manier naar de zon toe. Ook objecten met geringe of extreem sterke zwaartekracht.

Gierzwaluwen laten zich eerst vallen om te kunnen opstijgen. Vanuit de diepte van de val kun je klimmen. Dat is een mooi filosofisch idee.

Ook in de taal kun je met vallen en opstijgen een zekere ‘onirische’ atmosfeer bereiken, de taal van de ‘dromende verbeelding’, en dan zijn we weer thuis bij de Franse filosoof Gaston Bachelard.

 De verbeeldende krachten van onze geest ontwikkelen zich langs twee zeer verschillende assen.

Sommige vinden hun ontplooiing in het nieuwe; ze vermaken zich met het pittoreske, met de afwisseling, met de onverwachte gebeurtenis. Zij inspireren de verbeelding die altijd een lente heeft te beschrijven. In de natuur, ver van ons, brengen ze als levende krachten al bloemen voort.

Andere verbeeldende krachten graven diep in de dingen. waarin ze zowel het oorspronkelijke als het eeuwige willen vinden. Ze beheersen de jaargetijden en de geschiedenis. In de natuur, in ons en buiten ons, brengen ze kiemen voort; kiemen waarin de vorm besloten ligt in een substantie, waarin de vorm inwendig is.(Verbeelding en materie.  Inleiding bij 'Het water en de dromen' Gaston Bachelard, vertaling Piet Meeuse)
“Alice laughed: “There’s no use trying,” she said; “one can’t believe impossible things.”
“I daresay you haven’t had much practice,” said the Queen. 
“When I was younger, I always did it for half an hour a day. Why, sometimes I’ve believed as many as six impossible things before breakfast.”

"Alice lachte: "Het heeft geen zin het te proberen," zei ze; "je kunt geen onmogelijke dingen geloven."
"Ik durf te zeggen dat je niet veel oefening hebt gehad," zei de Koningin. 
"Toen ik jonger was, deed ik het altijd een half uur per dag. Wel, soms geloofde ik wel zes onmogelijke dingen voor het ontbijt."

De associatie van ‘vallen’ met ‘onderuit-gaan’ in alle betekenissen van het woord mag duidelijk zijn. Er zijn ‘gevallen’ engelen, van hun voetstuk gevallen mensen, gevallen vrouwen, en dan is het duidelijk dat het werkwoord een morele negatieve kwalificatie uitdrukt. Maar de schoonheid uit ‘het zwerk’ kan soms ook op aarde verschijnen zoals in het mooie gedicht ‘Zonnebeeldjes’ van Pierre Kemp (1886-1967)

Zonnebeeldjes

De Melkweg is tussen de bomen gevallen
en iedere ster danst er met een blad.
Op de parkgrond ligt ’t zongeld in grote getallen,
of een kind zijn spaarpot gebroken had.

Soms komen er vogels en op hun veren
vallen guldens der zon, maar zij hupplen voort.
Ook hen kan het uitzicht van ’t geld niet deren,
zij zien het en blijven onbekoord.

Maar nu begin ik ermee te spelen
en mijn handen scheppen volop het licht
uit het lover om het weer uit te delen
aan wie nog wil kijken met kindergezicht.

Pierre Kemp
Uit: Het regent in de trompetten. De mooiste gedichten van Pierre Kemp.
Gekozen door Wiel Kusters en Ingrid Wijk, 2017 
eigen foto

En klonk dat bovenste gedicht iets te zoeterig? Ach dat kijken als een kindergezicht, en… Maar ik wil het graag aanvullen met Lucebert’s tekst: Ik draai een kleine revolutie af. …en ik val en ik ruis en ik zing.

ik draai een kleine revolutie af…

ik draai een kleine revolutie af
ik draai een kleine mooie revolutie af
ik ben niet langer van land
ik ben weer water
ik draag schuimende koppen op mijn hoofd
ik draag schietende schimmen in mijn hoofd
op mijn rug rust een zeemeermin
op mijn rug rust de wind
de wind en de zeemeermin zingen
de schuimende koppen ruisen
de schietende schimmen vallen

ik draai een kleine mooie ritselende revolutie af
en ik val en ik ruis en ik zing

“But I don’t want to go among mad people," Alice remarked.
"Oh, you can’t help that," said the Cat: "we’re all mad here. I’m mad. You’re mad."
"How do you know I’m mad?" said Alice.
"You must be," said the Cat, "or you wouldn’t have come here.”
― Lewis Carroll, Alice in Wonderland 

Het verhaal tussen be- en ont-vallen, tussen af- en vervallen, het roerloos vallen van de sneeuw en het invallen van de duisternis, steeds is ‘verandering’ aan de orde. Het roerloze leven fixeren we in klanken en beelden maar net door het verschuiven van evenwichten krijgt het zijn betekenis. Wij vallen elkaar graag in de rede, vallen voor elkaar, vallen in elkaars handen, vallen op, uit, in, neer. Het is een drukke bedoening, dat vallen. We vallen door de mand, uit de lucht, in zwijm. Zelfs een regering kan vallen. Maar de verzameling is meestal te herleiden tot vallen en opstaan. De manier waarop is in Alice in Wonderland de weg van het absurde. De logica vanuit ‘de valler’ gezien, een mogelijkheid om de harde landingen te overleven en de werkelijkheid dapper met een glimlach tegemoet te treden.

Would you tell me, please, which way I ought to go from here?”
“That depends a good deal on where you want to get to,” said the Cat.
“I don’t much care where–” said Alice.
“Then it doesn’t matter which way you go,” said the Cat.
“–so long as I get SOMEWHERE,” Alice added as an explanation.
“Oh, you’re sure to do that,” said the Cat, “if you only walk long enough.”
Arthur Rackham A mad tea party

De geschiedenis en de ‘onschuldige’ slaper

Tamara Lempicka Sleeper

Onschuldiger dan een slaper kan de mens zich niet voordoen, zou je denken. Dat was ook mijn mening tot ik las dat in de Franse senaat deze week de kwestie van ‘de onverantwoordelijkheid’ wordt behandeld met als doel ‘ervoor te zorgen dat een schuldige niet kan worden vrijgepleit wanneer hij of zij drugs gebruikt, wanneer hij of zij dronken wordt […] dat hij of zij op de een of andere manier zijn of haar onderscheidingsvermogen afschaft”.

Zo erkende de Kerk, na veel gehakketak en uitstel, in de middeleeuwen eindelijk de onverantwoordelijkheid van de slaper. Duik je dus even dieper in de geschiedenis dan kun je de vraag stellen hoe deze oude doctrinaire beschouwingen het recht inspireren tijdens dit parlementaire debat over strafrechterlijke onverantwoordelijkheid. Toch even aanleunen bij de oud-collegae van France Culture.

Jacob’s droom Jusepe de Ribera (1639) Prado museum Madrid.
Dans un article de la Revue de science criminelle et de droit pénal comparé, Nicolas Laurent-Bonne retraçait en 2013, les origines de ce débat sur l’irresponsabilité pénale, une enquête qui l’a mené au VIe siècle lorsque théologiens et canonistes s’emparaient de la responsabilité du dormeur, en oubliant largement la dormeuse, et sur la possibilité d’incriminer le rêve sexuel et la pollution nocturne, voir le crime de sang du somnambule. À quel point celui qui dort est-il comptable du voyage qu’il entreprend au cours de son sommeil ? (France Culture Irresponsabilité pénale:  coupables dormeurs du Moyen Âge)
Seurat Le dormeur

Lange tijd voor de theorievorming over het Freudiaanse onbewuste trachtte de christelijke kerk de ruimten die aan haar controle ontsnapten te beheren, te beginnen met de dromen van de monniken die hun veelvuldige betrachtingen van ‘concupiscentie’ (begeerten, vleselijke lusten) en het idee zelf van vleselijke relaties zo veel mogelijk moesten beperken. Ik herinner mij in de uitstekende biografie van Erasmus gelezen te hebben dat tijdens zijn kloostertijd zelfs het slapen niet geriefelijk mocht zijn uit vrees te snel in bekoring te komen:

Daar (in zijn cel) diende hij na een stil gebed en een korte meditatie om zeven uur meteen tussen zijn wollen onderlaken -want niets mocht geriefelijk zijn- en wollen deken te kruipen, languit op zijn rug, armen gekruist over de borst, in zijn witte onderhabijt en met een witlinnen doek om het getonsureerde hoofd gewikkeld. (Erasmus dwarsdenker, een biografie, Sandra Langereis 2021 De Bezige Bij A'dam p.188)
Catherine Duch

Reeds in de 6de eeuw trachtte Gregorius de Grote, de eerste paus, dit risicogebied van nachtelijke verontreiniging af te bakenen en benoemde hij de drie hoofdoorzaken: de schuldige gedachten die aan het inslapen voorafgaan, overdaad aan voedsel en dronkenschap, alsmede de natuurlijke zwakheid van de dromer. Hij schrijft voor welk gedrag moet worden aangenomen om dit te voorkomen, zoals u wellicht al hebt geraden: soberheid in alle dingen wordt sterk aangeraden. Maar “de natuurlijke zwakheid van het vlees” is niet te vrezen en verplicht de slaper niet zich bij het ontwaken te zuiveren. Als men zijn onbeheerste en oncontroleerbare nachtelijke omzwervingen met klem moet belijden, dan neemt men het degene die ze in de schoot van Morpheus heeft laten gebeuren, niet kwalijk. De dromer of erger nog, de slaapwandelaar, die in beginsel onverantwoordelijk is, wordt echter verantwoordelijk voor een fout van nalatigheid indien hij, zich bewust van dit risico omdat hij het reeds in het verleden heeft opgemerkt, niet alle nodige voorzorgsmaatregelen neemt alvorens zich in de slaap te wagen. (France Culture)

Geleidelijk wordt de slaper gelijkgesteld met de dementerende of met het kind: Bernardus van Clairvaux aan het begin van de 12de eeuw was van mening dat hun goede of slechte daden werden begaan terwijl zij verstoken waren van het gebruik van hun (vrije) wil. Zij kunnen dus niet veroordeeld worden voor daden of gedachten die opkomen wanneer zij zichzelf niet meer in de hand hebben. Niet in staat het verbodene waar te nemen, is men dan van oordeel dat de vrijheid van oordeel pas wordt herwonnen wanneer de slaper, of hij nu statisch of somnambulist is, wakker wordt. Deze opmerking geldt ook voor de slaapwandelaar, degene die praat in zijn slaap en bij die gelegenheid uiting kan geven aan de frustratie of de woede die hij overdag soms heel goed verbergt. (ibidem)

Śpiący Staś or Sleeping Staś by Stanisław Wyspiański, 1904
Na veel omzwervingen werd de leer in het begin van de veertiende eeuw vastgesteld en vormde zij grotendeels de inspiratiebron voor het burgerlijk recht op dit gebied. Ondanks alles blijft de kwestie van voorbedachte rade bestaan, aangezien het bewuste leven en zijn kwellingen reeds worden beschouwd als de drijvende kracht achter het leven dat nog niet bewusteloos wordt genoemd. De slaapwandelaar die als onverantwoordelijk wordt beschouwd, kan dat weer worden als hij, zijn zwakheid kennende, nalatigheid aan de dag legt om de schadelijke gevolgen te beperken: alleen en nuchter slapen, zonder wapens bij de hand en opgesloten in zijn kamer. Een beperkte hypothese die de rechter en de jury de opdracht geeft "elke simulatie te verijdelen".

Nicolas, Laurent-Bonne. « Les origines de l'irresponsabilité pénale du somnambule », Revue de science criminelle et de droit pénal comparé, vol.  3, no. 3, 2013, pp. 547-557.
Picasso Le Dormeur

Zelfs in de verkwikkende slaap werd dus het menselijk schepsel geplaagd door allerlei gewetensvragen. Met het oog op het uitlezen van onze herseninhoud zou je dus in de toekomst niet verbaasd moeten zijn dat je ’s morgens vriendelijk verzocht wordt even langs de gezaghebbenden langs te lopen gezien je dromen een ‘gevaarlijke’ kant uitgingen zoals bleek. In afwachting van dit vreslijk toekomstbeeld kun je best nu nog genieten van je dromen, soms de enige plaats waar nog niet iemand duidelijk maakt wat gepast en ongepast zou zijn. In die zin zijn ze nog even gevrijwaard van la ‘pureté dangereuse’ om het boek van Bernard-Henri Lévy te citeren.

Pieter Brueghel de Oudere

Dreaming Oneself Awake: Eileen Angar (1899-1991)

Collective Unconscious 1977-78

Laten we dat nu eens anders doen.
Dat binnenkomen.
Entrez. Come in.

Niet langs een bio of een wijze quote.
Maar langs de dingen die achterblijven als je weg bent.
Niet even een boodschap doen.
Ik bedoel: echt weg.
Dood.

Soms worden ze bijgehouden.
De dingen waarmee je je elke dag omringde.
Zelfs door een museum.

De liefde van het bijhouden.
Om je niet helemaal te laten verdwijnen.
Kijk maar. Het duurt niet lang: 5’43”

'I have spent my whole life in revolt against convention, trying to bring colour and light and a sense of the mysterious to daily existence. One must have a hunger for new colour, new shapes, and new possibilities of discovery.’ 
The return of Nautilius
Algar, whose preferred working method was collage, often incorporated "found object" within her paintings, drawings and sculptural pieces physically and as represented motifs. Her Diploma work is composed of forms derived from molluscs, shells, sea-anemones, seaweed and fossils. While living in Paris in the late 1920s, Agar regularly visited the Jardin des Plantes where she became fascinated by.(Royal Academy Collection Art)
Marine Object (1939)

Zouden we het nu over het surrealisme hebben dan vind je dadelijk 30-40 youtubes daaromtrent. Met de bekende namen: André Breton, Salvador Dali, en wie weet, de enige vrouw in het rijtje: Eileen Angar, al durf ik dat betwijfelen. De heer Freud is een graag geziene verwijzing, even later weer danig door de behavioristen naar de fabelmand verwezen, en zachtjes uit het puin gehaald door hedendaagse specialisten van hersenen en bewustzijn als Antonio Damasio en tegenwoordig Mark Solms. Wat nemen wij waar, en of we daar nog iets bij voelen ook om het simplistisch te poneren. De droom waarin de werkelijkheid ontdaan is van haar vaak camouflerende of verzwijgende logica mag niet ontbreken.

Erotic Landscape 1942
Eileen Agar was born into a wealthy British family, her mother the heir to a biscuit company, her father the manager of a successful windmill and irrigation systems company, Agar Cross. It was his business that took the family to Buenos Aires, Argentina, where Agar spent her early years. She later characterized her childhood as privileged and eccentric - "full of balloons, hoops and St. Bernard dogs" - and claimed that whenever the family travelled back to Britain her mother insisted on bringing a cow for milk, and an orchestra so that they would be surrounded by music. At six years old, Eileen was sent to England to attend boarding school, where her artistic potential was recognized and encouraged by a teacher. At the outbreak of World War One in 1914 she was sent briefly to attend a more rurally located institution, before being moved on again to Paris, to attend finishing school.


Agar's formal artistic education began when she returned to London, but true to her independent spirit, she quickly rejected the formal approach of the Byam Shaw School of Art in Kensington (where her mother had enrolled her). Seeking a more progressive course of study, she enrolled at the Brook Green School in Hammersmith, and immediately met a group of like-minded students including Cecil Beaton and Henry Moore; in 1921, Agar began studies at the Slade. (The art story)
Agar, Eileen; Eileen Agar; National Portrait Gallery, London; http://www.artuk.org/artworks/eileen-agar-155108 1927

In deze periode ontmoette ze haar medestudent Robin Bartlett, met wie ze in 1924 naar Parijs reisde. Het paar trouwde in november van het volgende jaar, maar de relatie zou geen stand houden; Agar merkte later op dat “de band tussen ons voor mij – oningewijd als ik was in de mysteries van seks – slechts een verkenning was, hoewel ik jong was en net een romantische glamour over de liaison had geworpen”.

Rond de tijd dat haar huwelijk strandde, ontmoette Agar de Hongaarse schrijver Joseph Bard. Zeven jaar ouder dan zij, had hij een diepgaande invloed op de richting van haar kunst en op het verloop van haar persoonlijk leven, door haar te introduceren in een literaire en artistieke kring, waaronder Ezra Pound en W.B. Yeats. In 1927 maakte Bard een einde aan zijn huwelijk en werden hij en Agar een paar, het jaar daarop verhuisden ze naar Parijs. Agar vestigde zich in haar eigen atelierruimte en voelde zich “herboren”: het was in deze tijd dat ze in aanraking kwam met de stijlen en stromingen die haar werk het sterkst zouden beïnvloeden, waaronder het kubisme, de beeldhouwwerken van Constantin Brâncuşi, en, het belangrijkst, de surrealistische beweging die zich toen in Parijs centreerde, aangevoerd door André Breton en Paul Éluard. Agar’s kunst verwijderde zich snel van figuratieve representatie en ze begon de nadruk te leggen op het visualiseren van de producten van haar verbeelding, zoals blijkt uit werken uit deze periode zoals Three Symbols (1930). In deze periode werd Agars praktijk beheerst door de schilderkunst.

Three Symbols 1930 Eileen Agar 1899-1991 Purchased 1964 http://www.tate.org.uk/art/work/T00707
Agar's interest in Surrealism was consolidated after her and Bard's return to London around 1930, when she became involved with the short-lived literary magazine The Island, Bard serving as literary director while Agar financed the magazine and contributed artworks. In 1933, at the prompting of her friend Henry Moore, she joined the London Group, an artists' collective which had emerged partly out of the Vorticist movement in the 1910s, and was focused on furthering the cause of avant-garde art in Britain. Around this time, Agar held her first one-woman exhibition, with works showing the strong influence of Surrealism. That influence deepened following her meeting with the painter Paul Nash in 1935, during one of her and Bard's summer-holidays to Dorset. Nash and Agar become lovers despite her ongoing relationship with Bard (a fact which he unhappily tolerated), and Nash introduced Agar to the idea of the 'found object'; much of her work from this point on is collage and bricolage-based.(The art story)
Kunstenares met haar ‘hoed om bouillabaise te eten’.
Eileen Agar exhibited frequently with fellow Surrealists and was close friends with André Breton (the founder of Surrealism). Furthermore, Agar firmly believed that women are the true Surrealists. She once stated, "The importance of the unconscious in all forms of Literature and Art establishes the dominance of a feminine type of imagination over the classical and more masculine order.".(The art edge)
Angel of Mercy, 1934 (plaster with collage & w/c) by Agar, Eileen (1899-1991); height: 44.5 cm; The Sherwin Collection, Leeds, UK; (add.info.: Previously titled ‘The Politician’, with additional fur collage; from a cast portrait of Agar’s husband Joseph Bard (1882-1975)
In 1936, Roland Penrose, the English Surrealist painter, poet, collector and promoter of modern art and the writer Herbert Read - both of whom later (in 1946) co-founded of the Institute of Contemporary Art (London); selected five of Agar's works for their International Surrealist Exhibition which was held in June at the New Burlington Galleries, London. Agar's works were exhibited alongside work by Picasso, Miró and Ernst. Attendance for the exhibition was in excess of 20,000. That same year, the Museum of Modern Art, New York, included Agar's 'Quadriga' in their Fantastic Art, Dada & Surrealism exhibition. (Saunders, Fine Art)
Quadriga (1935), Eileen Agar. Courtesy of The Penrose Collection; © The estate of Eileen Agar
Eileen AGAR (b.1899)
Fish Circus, 1939
Collage, pen and ink and watercolour on paper, 18.50 x 25.00 cmBequeathed by Gabrielle Keiller 1995Collection: National Galleries of Scotland
© The Estate of Eileen Agar. All Rights Reserved 2017/ Bridgeman Images
(klik op tekst om te vergroten)

Hoewel ze zichzelf nooit expliciet als surrealist heeft beschreven, werd Agar in de ogen van zowel critici als het publiek met de beweging in verband gebracht. Ze maakte ook deel uit van de Engelse surrealistische groep die in 1936 werd opgericht – samen met Herbert Read, Henry Moore, Roland Penrose, David Gascoyne en anderen – en had de eer de enige Britse vrouw te zijn die vertegenwoordigd was op de beroemde Internationale Surrealistische Tentoonstelling van 1936 in Londen. Het is misschien verrassend dat deze tentoonstelling populairder was bij het grote publiek dan bij recensenten, van wie sommigen bijtend waren in hun beoordelingen. Als lid van de surrealistische groep hielp Agar in de daaropvolgende jaren het werk van kunstenaars in andere landen te steunen: tijdens de Tweede Wereldoorlog organiseerden zij en Bard bijvoorbeeld een diner ter ere van hun joodse kunstenaarsvrienden zoals Walter Gropius, Oskar Kokoschka en László Moholy-Nagy, die allen in de middenfase van hun vlucht van het Europese vasteland naar de Verenigde Staten waren. Ter voorbereiding van het diner creëerden Agar en Bard wat omschreven werd als een “surrealistische tafel”, met een middenstuk bestaande uit hangende bloemen, fruit en crackers. (The Art Story)

Dance of Peace 1940
“I’ve enjoyed life, and it shows through,” Agar once said. “Like a transparent skirt, or something like that.” There are photographs from the 1930s of her dancing in just such a skirt; and others, by Lord Snowdon, of her modelling Issey Miyake in her late 80s. She worked in her London studio right into her 90s, and never stopped experimenting, using paint like lipstick, pollen or bright liquid on the canvas, fashioning new sculptures from old objects.
The return of blues

Nog tot 28 augustus ‘Eileen Agar: Angel of Anarchie, een retrospective in Whitechapel Gallery 2021. 77-82 Whitechapel High St London E1 7QX Tube: Aldgate East/ Liverpool street

Butterfly Bride

Waarschijnlijk was een surrealistische levenshouding een reactie op de dromen uit de negentiende eeuw die echter via de confrontatie met het gruwelijke van de eerste wereldoorlog en de voorbereidingen van de tweede geen andere taal meer hadden om gevoelens en angsten uit te drukken dan met een surrealistisch beeldenalfabet. Als kunstenares heeft Eileen Agar de schakeringen en konsekwenties dieper aangevoeld, speelt ze meer op de inhoud dan op het vertoon. Alleen al daarvoor is haar lange aanwezigheid in de twintigste eeuw nog steeds een aanleidiging om het vrouwelijke zonder voorbehoud uit te bouwen temidden van het soms iets te simplistisch puur mannelijke alfabet.

Adam’s Apple
1949
Watercolour on paper
49 x 37 cm
Bequeathed by Charles Lindsay Sutherland © The Estate of Eileen Agar / Bridgeman Images. Photography Jerry Hardman-Jones
Here, a worm emerging from an apple recalls John Tenniel’s illustration of the caterpillar in Alice in Wonderland, a book which was inspirational to the Surrealists. The title offers another reading of the work, connecting it to questions of gender and sexuality.
Agar, Eileen; Figures in a Garden; Tate; http://www.artuk.org/artworks/figures-in-a-garden-197637

‘Des Menschen Seele gleicht dem Wasser’ a rain day collage .

Met Goethe’s woorden uit ‘Gesang der Geister über den Wassern’ open ik graag deze regenachtige collage opgevat als hulpmiddel om deze opstapeling van natte winderige dagen te overleven. De combinatie van Irving Berlin en Johann Wolfgang von Goethe is al dadelijk een aanwijzing dat het niet alleen ons is overkomen. Een vroege troost alvast. Het refrein meezingen mag!

Call me up some rainy afternoon
I'll arrange for a quiet little spoon
Think of all the joy and bliss
We can hug and we can talk about the weather
We can have a quiet little talk
I will see that my mother takes a walk
Mum's the word when we meet
Be a mason, don't repeat
Angel eyes, are you wise?

Goodbye

Een prent uit 1857 waarin de spot werd gedreven met de ‘crinoline’ mode van die dagen getekend door ene Hoops. De tekst van het wondermooie Gesang der Geister über den Wassern wil ik je niet onthouden.

Gesang der Geister über den Wassern

Johann Wolfgang von Goethe (1749 - 1832)

Des Menschen Seele
Gleicht dem Wasser:
Vom Himmel kommt es,
Zum Himmel steigt es,
Und wieder nieder
Zur Erde muss es,
Ewig wechselnd.

Strömt von der hohen,
Steilen Felswand
Der reine Strahl,
Dann stäubt er lieblich
In Wolkenwellen
Zum glatten Fels,
Und leicht empfangen
Wallt er verschleiernd,
Leisrauschend
Zur Tiefe nieder.

Ragen Klippen
Dem Sturz entgegen,
Schäumt er unmutig
Stufenweise
Zum Abgrund.

Im flachen Bette
Schleicht er das Wiesental hin,
Und in dem glatten See
Weiden ihr Antlitz
Alle Gestirne.

Wind ist der Welle
Lieblicher Buhler;
Wind mischt vom Grund aus
Schäumende Wogen.

Seele des Menschen,
Wie gleichst du dem Wasser!
Schicksal des Menschen,
Wie gleichst du dem Wind! 

En als je een prachtige uitvoering van dit lied wilt beluisteren op een stil moment dan is deze uitvoering getoonzet door Schubert met het Noorse Solistenkoor onder leiding van Grete Pedersen een must. Bijna 12 minuten schoonheid.

Hiroshiige Heavy rain on a pine tree

In 1914 verscheen de bundel ‘Verzen’ van J.H. Leopold. Zijn woorden volgen het ritme van de regen in wat hij zo mooi noemt: ‘…het verward beweeg van menschen, die naar buiten komen’. De bui is afgedreven maar het licht blijft schitteren ‘in dit klein trilkristal’.

Regen


De bui is afgedreven;
aan den gezonken horizont
trekt weg het opgestapelde, de rond-
gewelfde wolken; over is gebleven
het blauw, het kille blauw, waaruit gebannen
een elke kreuk, blank en opnieuw gespannen.

En hier nog aan het vensterglas
aan de bedroefde ruiten
beeft in wat nu weer buiten
van winderigs in opstand was
een druppel van den regen,
kleeft aangedrukt er tegen,
rilt in het kille licht...

en al de blinking en het vergezicht,
van hemel en van aarde, akkerzwart,
stralende waters, heggen, het verward
beweeg van menschen, die naar buiten komen,
ploegpaarden langs den weg, de oude boomen
voor huis en hof en over hen de glans
der daggeboort, de diepe hemeltrans
met schitterzon, wereld en ruim heelal:
het is bevat in dit klein trilkristal.
After the rain Gloucester Paul Cornoyer

Herinner je. Het jongetje. Stevig onder de indruk van het bijbelse verhaal waarin ‘de zondvloed’ wordt verteld: Noah die een ark bouwt waarin alle bestaande dieren in tweevoud een onderkomen vinden. Het tafereel kreeg met de grote watersnoodramp van 1953 in Nederland een concrete invulling voor het toenmalig negenjarig kind. Regende het drie dagen na elkaar dan begon hij zich ernstig vragen te stellen of zijn handige vader niet aan de constructie van een ark zou beginnen in de achtertuin. Een buurtproject.

Het laden van de ark, Edward Hicks

In 1675 schetste ene Athanasius Kircher oa. deze prent in zijn boek ‘Arca Noe’. Je kunt ze vergroten door op het onderschrift te klikken.

Huisvesting van de dieren in de ark, Athanasius Kircher, Arca Noe 1675

Dat zag er allemaal heel mooi uit, netjes verdeeld met de nodige voorraad eten en drinken. Je kon naar eigen fantasie deze prent in de diepte uitwerken zodat de hele fauna aan bod zou komen. Wel vroeg hij zich luidop af of de tekst uit het verhaal waarin God zei dat hij spijt had van zijn schepping wel klopte. Hij , de Schepper, had het kunnen weten voor hij aan die schepping begon, gezien zijn alwetendheid.

“Ik zal de mensen die ik geschapen heb van de aarde wegvagen, dacht hij, en met de mensen ook het vee, de kruipende dieren en de vogels, want ik heb er spijt van dat ik ze heb gemaakt." 

Broeder Alexianus fronste bij die uitspraak het voorhoofd. ‘Ja, hoe is dat,’ zei de wijze man. Je kunt iets of iemand zo graag zien dat je dat idee over al die mogelijke slechtheid vergeet. ’t Zal wel meevallen’ had hij gedacht. ‘

Later, als het water weer gezakt is en er een regenboog verschijnt, wordt hij toch een beetje gerustgesteld, maar helemaal zeker kun je dat niet noemen.

“Deze belofte doe ik jullie: nooit weer zal alles wat leeft door het water van een vloed worden uitgeroeid, nooit weer zal er een zondvloed komen om de aarde te vernietigen. En dit,’ zei God, ‘zal voor alle komende generaties het teken zijn van het verbond tussen mij en jullie en alle levende wezens bij jullie: ik plaats mijn boog in de wolken; die zal het teken zijn van het verbond tussen mij en de aarde.”

Met die ogen bekeek hij nu de onophoudende regendagen. De regenboog kreeg later een heel andere betekenis in zijn leven, en of de god die het vatikaan zei te vertegenwoordigen daar gelukkig mee was bleek niet zijn grootste zorg. En ‘water’ bekeek hij liefst op veilige afstand.

Augsburger Wunderzeichenbuch Folio 1 (genesis 7, 11-14)
Regen regen

Regen regen
allerwegen
rechte stralen
water water
langs de muren
langs de palen
vallen vallen
langs de bomen
natte auto’s
gaan en komen
loodrecht op de
druppelzegen
Overal is regen regen

Jan Hanlo (1912-1969)
The bookshelf for boys and girls Little Journeys into Bookland 1912
La pluie

Pierre Louÿs    (1870-1925)

La pluie fine a mouillé toutes choses, très doucement, et en 
silence. Il pleut encore un peu. Je vais sortir sous les arbres. 
Pieds nus, pour ne pas tacher mes chaussures.

La pluie au printemps est délicieuse. Les branches chargées 
de fleurs mouillées ont un parfum qui m'étourdit. On voit briller 
au soleil la peau délicate des écorces.

Hélas ! que de fleurs sur la terre ! Ayez pitié des fleurs 
tombées. Il ne faut pas les balayer et les mêler dans la boue ; 
mais les conserver aux abeilles.

Les scarabées et les limaces traversent le chemin entre les 
flaques d'eau ; je ne veux pas marcher sur eux, ni effrayer ce 
lézard doré qui s'étire et cligne des paupières.
Regendag in de tuin (eigen foto)

En nu tijd voor muziek! Meezingen kan. Lyrics onder deze Youtube.

Someone told me long ago
There's a calm before the storm, I know
It's been coming for some time
When it's over so they say
It'll rain on a sunny day, I know
Shining down like water

I wanna know
Have you ever seen the rain?
I wanna know
Have you ever seen the rain?
Coming down on a sunny day

Yesterday and days before
Sun is cold and rain is hard, I know
It's been that way for all my time
Till forever on it goes
Through the circle fast and slow, I know
it can't stop,I wonder
Someone told me long ago
There's a calm before the storm, I know
It's been coming for some time
When it's over so they say
It'll rain on a sunny day, I know
Shining down like water

I wanna know
Have you ever seen the rain?
I wanna know
Have you ever seen the rain?
Coming down on a sunny day

Yesterday and days before
Sun is cold and rain is hard, I know
It's been that way for all my time
Till forever on it goes
Through the circle fast and slow, I know
it can't stop,I wonder.
Regendag in de tuin 2 Eigen foto
Souls And Rain-Drops

Sidney Lanier (1842 – 1881)

Light rain-drops fall and wrinkle the sea,
Then vanish, and die utterly.
One would not know that rain-drops fell
If the round sea-wrinkles did not tell.

So souls come down and wrinkle life
And vanish in the flesh-sea strife.
One might not know that souls had place
Were't not for the wrinkles in life's face.
Plaça del Nord Festa major de Gracia 2019

En toch nog even naar dat kleine jongetje in de wondermooie tekst ‘When that I was and a little tiny boy’ uit een van Shakespeare’ s meest populaire komedies, gezongen door het Clown- of Fool-personage Feste op het einde van de Twelfth Night. Sommige critici denken dat de tekst niet van Shakespeare is maar dat hij door Robert Armin zou geschreven zijn die meestal de ‘fool characters’ speelde in de origninele producties van de meeste Shakespeare-stukken.

It uses wind and rain as symbols of life’s hardships, and thus concludes the poem on a somewhat bittersweet note. All revels and festivities – such as those enjoyed at Twelfth Night – are short-lived intervals in life’s daily grind (‘the rain it raineth every day’, after all). The song is also the only good poem we know that features the word ‘toss-pots’.

Hier gebracht door Elvis Costello op een onnavolgbare wijze.

When that I was and a little tiny boy

William Shakespeare (1564-1616)

When that I was and a little tiny boy
With hey, ho, the wind and the rain,
A foolish thing was but a toy,
For the rain it raineth every day.

But when I came to man's estate,
With hey, ho, the wind and the rain,
'Gainst knaves and thieves men shut their gate,
For the rain it raineth every day.

But when I came, alas, to wive,
With hey, ho, the wind and the rain,
By swaggering could I never thrive,
For the rain it raineth every day.

But when I came unto my beds,
With hey, ho, the wind and the rain,
With toss-pots still 'had drunken heads,
For the rain it raineth every day.

A great while ago the world began,
With hey, ho, the wind and the rain,
But that's all one, our play is done,
And we'll strive to please you every day.
Heubner Spaziergang im Regen

Volop zon op dit ogenblik, alsof ik met mijn werk de regen heb verdreven. Alvast de regen in mijn hoofd. Robert Louis Stevenson (1850-1894) heeft het laatste woord met dit kleine versje. En voor wie nog meer wil…ga op zoek. Het net barst van rommel, roddel en dies meer, maar je vindt ook resonanties van de mooiste prenten en teksten en…Leg voor de donkere dagen lichtende collecties aan en geniet.

Rain

Robert Louis Stevenson (1850-1894)

The rain is raining all around,
It falls on field and tree,
It rains on the umbrellas here,
And on the ships at sea. 
Rain Imps, Grinding Up the Rain in April. 1863 by UNKNOWN, . Missouri History Museum Photograph and Prints collection. Prints, Genre and General Topics. Image number: 45867

Het landschap als personage: Isaak Levitan (1860-1900)

Levitan, Spring: Flood Waters 1897
De keuze van de schilder voor lichte, doorschijnende kleuren is ideaal om de transparantie van het water en de lucht, het lichte blauw van de lucht en de zachtheid van de voorjaarszon weer te geven. Er is ergens een dorp, net in het zicht; en de glanzend witte stammen van de berken, samen met hun reflecties in de gladde spiegel van het water, geven het effect van iets verschuivends, veranderlijks, vergankelijks. Alleen de sterke stam van een eenzame eik, die rechtop staat tussen de wiegende, trillende berken, en het bootje aan de rand van het water verbinden het beeld met het aardse, het materiële, en zinspelen op de mensen die temidden van deze prachtige, nog kalme en onbekommerde natuur leven. Een dergelijke "vermenselijking" van de natuur is heel kenmerkend voor Levitan's kunst; zij verbindt de subjectieve emotie van zijn landschappen met hun typisch Russische karakter en roept gedachten op aan het geboorteland.

The Tretyakov Gallery Moscow Russian Painting p. 200
Isaac Levitan Het meer detail (klik op onderschrift om te vergroten)

Met deze wonderlijke landschappen opent zich het korte leven van de Russische Joodse schilder Isaac Levitan die in nauwelijks veertig jaar -het schilderij hierboven werd enkele maanden voor zijn dood geschilderd- de ziel van het landschap zichtbaar maakte in een land dat met een overschot aan landschappen nog ontsnapte aan de overheersende invloed van de negentiende eeuwse industrialisering.

Het meer in zijn geheel, klik hier om te vergroten
Isaac Levitan werd geboren in de sjtetl Kibarty, in het gouvernement Augustów in Congres-Polen, een deel van het Russische Rijk (het huidige Litouwen) in een arme maar goed opgeleide Joodse familie. Zijn vader Elyashiv Levitan was de zoon van een rabbijn, voltooide een Yeshiva en was zelf opgeleid. Hij gaf Duitse en Franse les in Kowno en werkte later als vertaler bij de bouw van een spoorbrug voor een Frans bouwbedrijf. Begin 1870 verhuisde het gezin Levitan naar Moskou.

In september 1873 trad Isaac Levitan toe tot de Moskouse School voor Schilderkunst, Beeldhouwkunst en Bouwkunst, waar zijn oudere broer Avel reeds twee jaar had gestudeerd. Na een jaar in de kopieerklas stapte Isaac over naar een naturalistische klas, en spoedig daarna naar een landschapsklas. Levitans leraren waren de beroemde Alexei Savrasov, Vasilij Perov en Vasilij Polenov. In 1875 liet de school Nikolai Tsjechov toe, broer van de Russische schrijver Anton Tsjechov, die later Levitans beste vriend zou worden.
In 1875 overleed zijn moeder en zijn vader werd ernstig ziek en was niet meer in staat om vier kinderen te onderhouden; hij stierf in 1877. Het gezin verviel in bittere armoede. Als blijk van waardering voor Levitans talent en prestaties, zijn Joodse afkomst en om hem op de school te houden, kreeg hij een studiebeurs. (Wikipedia)
Berken 1889 Vergroot door hier te klikken
By the mid 1880s Levitan's friendship with Chekhov had deepened, and Levitan began spending time with the Chekhov family near Babkino where the Chekhovs had a house. During his first summer there he painted The River Istra (1885) and gave it to Chekhov. He also painted Twilight River Istra (1885) with a darker, more somber palette. Chekhov was fond of creating pantomimes for his guests, with Levitan often ridiculed for playing the villain, the victim and the alien Jew, ostensibly all in jest
Istra rivier 1886
Tjsechov”s portret door Isaac Levitan 1885-86

Vaak lees ik dat Levitan’s werk wordt weggezet als een ‘variant of the landscape of mood’, waarin de vorm en de toestand van de natuur vergeestelijkt wordt en dragers zijn van de ‘conditions of the human soul’. Anders dan het romantisch hanteren van het Duitse landschap wordt de Russische weemoed al te gemakkelijk als interpretatie gebruikt. Het wordt dan een bekend refrein waarin de natuur, het landschap, opdraaft als symbool voor onze zieleroerselen terwijl ik eerder landschappen in zijn werk als personages bekijk. Ze zijn zo overweldigend aanwezig tegenover het stipje rondtrekkende of neerhokkende mens dat ze betoverend kunnen werken, niet alleen in het vergroten van droombeelden maar in een naamloos gevoel van intense aan-of afwezigheid waarin seizoenen en weersomstandigheden dapper meewerken om als personage de rondtrekkenden of bewoners tegemoet te komen. Een aantal Russische sprookjes en legenden wijzen ook in die gepersonaliseerde richting. Kijk naar de omgeving van het Savvino-Storozehsky-klooster (1880)

In the vicinity of the Savvino-Storozhevsky-monastery 1880
De Vlademirka weg 1892 Klik om te vergroten
The Vladimir Highway (Russian: Влади́мирский тракт), familiarly known as the Vladimirka (Влади́мирка), was a road leading east from Moscow to Vladimir and Nizhny Novgorod. Its length was about 190 kilometers.

The road has been mentioned in documents since the Middle Ages, when it connected the political capital of Muscovy with the ancestral seat of the Grand Dukes of Vladimir-Suzdal. It was by this road that the Muscovite merchants travelled to the Makariev Fair. In connection with the ceremonial transfer of the Theotokos of Vladimir from Vladimir to Moscow in 1395, one Russian chronicler referred to the route as "the greatest of roads".

The Vladimir Highway was renovated in the mid-18th century when it became the westernmost section of the Great Siberian Road linking Siberia to Europe. There were a number of post stations with a ready supply of fresh horses. If one travelled post, it was possible to get from Moscow to Vladimir in less than 24 hours. (Wikipedia)
Above the eternal peace Klik om te vergroten op onderschrift
The picture “Above the Eternal Peace” is distinguished by a feeling of boundless expanse, as if the painter has been amazed by the very endlessness of the Earth. The grey Northern skies are reflected in the empty and cold waters of the lake with fluffy clouds hanging above it. Nature stands immobile in its primeval majesty. Time has stopped above the lake and the green promontory with the little church cemetery and the leaning crosses over the graves and only a twinkling light reminds one of how transitory human life is. Levitan’s refined palette is equally matched to the depiction of objectively observable and subjectively perceived nature.
Bridge. Savvinskaya Sloboda 1884 Klik op de titel om te vergroten.

Maar ook het kleine, het intieme zoals dit bruggetje uit 1884 krijgt zijn aandacht. Het brengt je veilig op het erf. Een erf waar je vooral hout in allerlei soorten en maten ziet liggen, zowel bouwmateriaal als brandstof voor de bitterkoude winters. Binnen is er plaats voor het vertellen van verhalen. Zomers hoor je buiten de avondklokken van het nabije klooster. Ook daar leven de verhalen van rondreizende monniken en geduldige ikonenschilders.

Avondklokken 1892 Vergroot door klikken op onderschrift

De avond als personage. Hij hoort bij een plaats en heeft verschillende gedaanten naarmate de seizoenen. Vriendelijk of dreigend zoals in het beeld ‘Voor de storm’ uit 1890. Komt er al eens een menselijke gestalte te voorschijn dan is ze klein, zonder details. Op zoek naar een veilig onderkomen. De figuren in de wolken lichten op tegen de zwarte hemel.

Voor de storm 1890 Klik om te vergroten op het onderschrift

Zou je het licht in dit post-impressionistisch tijdperk van de Europese tijdgenoten kunnen aanduiden, toch is er ook een helderheid waarin niet het momentele maar het heldere van het vaststaande telkens weer een andere invulling krijgt. De trage veranderingen, de lange seizoenen, de overvloed aan natuur, de stilte van het land. Ik vermoed dat de rimpelingen op het water niet zo belangrijk zijn als het vaste terugkomen van bloeien en vergaan. Ook Isaac Levitan schilderde zijn waterlelies.

Waterlelies 1895 Klik op onderschrift omt e vergroten

Maar de lente trilt zo hevig dat alle achterliggende vormen vervangen. Best te begrijpen na een lange winter.

Dacha in spring

Er wordt nogal vlug of ‘lyriek’ of ‘mystiek’ gepraat als emoties via de natuur hun weg vinden naar de hongerige eenzame ziel. Vanuit de landschappen, gevormd door ontelbare levende wezens die ons omringen, soms voeden, verwarmen, bedreigen of onderdak verschaffen, kan er ook een verbroedering (verzustering) ontstaan waarin wij elkaar aanvullen: onze zorg voor het levende, en de vruchten van het veld, de schaduw van het gebladerte, de geur van de aarde, het tijdstip van de dag of nacht. Ons verschijnen en verdwijnen is niet zoveel anders als de wisseling van de seizoenen. Wij zijn elkaar nabij. Een collega, Valentin Serov schilderde een mooi portret van Isaac Levitan. Hij kijkt ons aan zoals hij ons via zijn werk blijft aankijken. Dit korte of soms iets langere leven blijft ons verbinden.

Hierbij 36 minuten in stilte werk van Isaac Levitan.  Je kunt er zelf muziek bij zoeken mocht dat nodig zijn.  Gebruik groot scherm, 4K afbeeldingen, alsof gisteren en eergisteren niet bestaan, zo dichtbij blijft zijn werk. Hij zou het geweldig vinden.

De uitbraak: schilderijen op de loop!

Kijk, dat was wat conservator AH uit B op een late avond aantrof: lege lijsten en enkele achtergebleven schoenen en verder dit akelige beeld:

Een leeg museum!

Een leeg museum! Nu met de Covid-dreiging al maanden het museum geen bezoekers mocht ontvangen, was het duidelijk: komen zij niet naar ons dan gaan wij hen opzoeken! Zeker bij het lezen van deze ode van Horatius ‘Nunc est Bibendum!’ (Nu moet er gedronken worden!) achteloos achtergelaten in zijn kantoor:

'Nu moet er gedronken worden, nu bevrijd
worden rondgedanst, nu is't de hoogste tijd
om goden spijzen voor te zetten,
vrienden, als bij Salische banketten!'

De geschrokken conservator AH uit B haastte zich naar de nachtwinkel om de hoek en jawel!

Was deze dame nog bij zinnen, een andere uitgebroken persoonlijkheid vertoonde duidelijk kenmerken van overvloedige sterke-drank-consumptie. Gelukkig was hij met een anders vers van dezelfde Horatius tot terugkeer te bewegen:

'Bachus zal jou en, als Venus zich laat zien,
ook haar Gratiën met losse gordelriem
en felle fakkels begeleiden
tot de Zon de sterren laat verglijden.'

Deze felle conservator kende zijn pappenheimers! Bovenstaand vers immers kon ook dadelijk dienen voor de losgeslagen schare schaars geklede dames die een oude sater naar een late kroeg wilden begeleiden. Opgekropte eenzaamheid, hij wist best wat dat met een mens kon doen.

Bij het busstation werd Mercurius een drankje aangeboden. Wist hij dat hij als boodschapper van de goden nuchter moest blijven, de maandenlange eenzaamheid echter kon best met deze beker Salernische wijn geheeld worden. Horatius’ goede raad mag hier best als leidraad dienen:

'...Terwijl wij staan te spreken, vlucht vol spijt
het leven.  Pluk de dag, verwacht maar weinig van de morgentijd.'

En blijkbaar was het niet iedereen van dit kunstzinnig gezelschap gegeven om op een rustige manier zich een kadootje of een souvenir voor het thuisfront aan te schaffen. Een sterke vrouw met fakkel maakt hem duidelijk dat zijn brute mannenkracht niet volstaat om zich van zilver te voorzien.

Is ‘stijl’ niet iedereen gegeven, mooi als Venus maakt zij graag voor conservator AH uit B een lekker kopje cappuccino klaar. Met een mooi vers van Horatius kon hij haar zeker bewegen terug te keren naar haar schilderij.

Venus, die in Cnodos en Paphos regeert,
geeft uw uitverkoren Cyprus op en ga
naar het heerlijk huisaltaar waar Glycera
u met wierook eert.

Voer uw vurig zoontje met u mee en maak
met uw naakte Gratiën en nimfen voort,
samen met de Jeugd, die altijd bij u hoort
en de god der Spraak. (=Mercurius)

En terug in de metro kijkt conservator AH uit B vertederd naar dat late kersttafereel. Kind en moeder blijken ingedut, laat dus die engelenmuziek zachtjes voor zoete dromen zorgen. (De engel met de banjo moet nog even stiekem naar het notenblad gluren, het is nog vroeg!)

Wie vroeg naar zijn werk moet, heeft misschien nog deze fraaie engel gezien. Zij kijkt de vroege reiziger aan met een liefelijke glimlach terwijl ze het blad van haar boek omdraait. Je dag kan niet stuk! Probeer haar maar eens terug te vinden op haar schilderij. Zo’n glimlach mag beloond worden met (h)erkenning, toch?

Niet iedereen wilde spontaan weer naar huis. Bidden en smeken mocht niet baten in dit geval. Kom meid, even op de tanden bijten. Straks moet ik weer op kruistocht en kun jij je gangen gaan. Horatius spreekt zijn ‘Lydia’ aan die blijkbaar nog een ander liefje heeft:

'Zoals mijn zelfbeheersing wijkt
de kleur op mijn gelaat, er rolt een stille traan
over mijn wang, nu eensklaps blijkt
hoe smeulend liefdesvuur me langzaam laat vergaan.'

En dan heb je van die laat Grieks-Romeinse geesten die geen filmstalletje kunnen voorbijgaan zonder het grondig door elkaar te hebben gehaald en luidop commentaar leveren als ze 25 roebel moeten dokken voor een tweedehandse versie van ‘Caligula’.

Voor ze weer mee naar het museum gaan toch nog een even een bloemenkrans met de ijdele hoop deze kunstzinnige plaats enigszins te verfraaien. Voorzichtig, lief. Ik weet je dat je hoogtevrees hebt, dus…

Nog even naar die vierdehandse aankoop kijken voor we weer worden ingelijst. Te weinig wind! Vroeger in de zeilen nu in de banden van dit voertuig. En o ja, Lydia, nog een onsje verse kersen mag je voor ons afwegen. Nu en dan een pitje spuwen naar een bezoeker, ’t zit in de kleine dingen hoor ik mijn vader zeggen.

De prenten zijn digitale bewerkingen van de Oekraïnische kunstenaar Alexy Kondakov. Op instagram te bekijken via zijn website

https://www.instagram.com/alksko/

Ukrainian artist Alexey Kondakov (previously) lifts figures out of classical paintings and drops them into modern-day photographs. Elegantly posed in dynamic lighting, his figures commute on public transit, dance in nightclubs, and peek around corners in otherwise mundane digital collages. The juxtaposition of the two worlds is humorous and at times seamless in its execution.

Through placement and shadows, Kondakov’s images sell the idea that the classical figures are three-dimensional objects photographed in a three-dimensional world. An image from an upcoming nightlife series depicts a mostly nude woman in a unique pose that, in context, can be read as dancing. Other images from his ongoing “Daily Life of Gods” use architecture and landscapes to ground the painted figures in an alternate reality. (Thisis collosal 2019)
De vertaalde verzen van Horatius'oden komen uit:
'Pluk de dag, Vijftig oden, Vertaald, ingeleid en toegelicht door Paul Claes Athenaeum-Polak & Van Gennep Amsterdam 2015  19,99 euro.

De onvoltooide tegenwoordige tijd in het werk van Zinaida Serebriakova (1884-1967)

In de veranda 1919

Helemaal boven zijn ze er alle vier, in de veranda ontbreekt de oudste. Haar kinderen: Yevgeny (Eugene), Alexander, Tatiana, Ekaterina, Geschilderd in het rampenjaar 1919, verwijzend naar de mooiste tijd uit haar leven: haar huwelijk in 1905 met de spoorwegingenieur Boris Serebriakov (1880-1919), hun zomers op hun landgoed in Neskuchnoye, het huidige Charkiv, Oekraïne, waar ze landschappen en landelijke taferelen schilderde, eenentwintig jaar jong. Hier te zien, enkele jaren later, op het vluchtig geschetste familieportret uit 1910.

Zinaida Jevgenjevna Serebriakova werd in 1884 geboren op het landgoed Neskuchnoye in het huidige Charkov, Oekraïne, in de kunstenaarsdynastie Benois-Lanceray. De familie Benois was gevlucht voor de Franse Revolutie en werd naar Rusland gelokt door verhalen over het kunstmecenaat van Catharina de Grote. Serebriakova's oom, Alexandre Benois (1871-1960), werd een invloedrijk Russisch kunstenaar, een stichtend lid van de kunstgroep Mir Iskusstva, en zou een aantal belangrijke publicaties over Russische kunstenaars gaan schrijven. Haar moeder, Jekaterina, eveneens een begaafd kunstenares, was de zus van Alexandre. Serebriakova's vader, Jevgeni Lanceray (1848-86), was een gerenommeerd beeldhouwer. Toen zij amper twee jaar oud was, stierf haar vader aan tuberculose en was het gezin gedwongen in te trekken in het appartement van haar grootvader in Sint-Petersburg. Haar grootvader, Nikolas Benois (1813-98), was een beroemd architect en zijn appartement bevond zich vlakbij het al even beroemde Mariinsky Theater - dat was ontworpen door architect Alberto Cavos (1800-63), de vader van Serebriakova's grootmoeder Camilla. 

Serebriakova werd omringd door kunstenaars van allerlei slag, van wie ze schilderen, muziek en dans kon leren. In 1900 schreef ze zich in aan de privé-kunstschool van prinses Tenisjeva, waar ze Ilya Repin (1844-1930) ontmoette, die beschouwd werd als de Rembrandt van Rusland en die een van haar vroege mentors werd. In 1903 ging Serebriakova werken in het atelier van Osip Braz (1873-1936), een Russische realistische schilder en mede-lid van Mir Iskusstva. 

Zelfportret in witte blouse

Medio oktober 1905 heerste er in Rusland massale onrust: stakingen van meer dan 2 miljoen arbeiders, stakingen bij de meeste spoorwegen. De situatie was zo slecht dat de familie in november naar Parijs vertrok waar Serebriakova had gehoopt haar opleiding te kunnen voortzetten aan de zijde van haar oom Alexandre Benois.

In Parijs studeerden Serebriakova en haar moeder aan de Academie de la Grande Chaumiere. Buiten het klaslokaal vonden zij inspiratie in het Louvre en het Palais du Luxembourg. In april 1906 keerde het gezin terug naar St. Petersburg, waar een maand later haar eerste kind, Jevgeni, werd geboren. Voor de kunstenares brak de gelukkigste tijd van haar leven aan. Toen de tweede zoon van het echtpaar, Alexander, in 1907 werd geboren, besloten zij Neskuchnoye tot hun hoofdverblijfplaats te maken.

Zicht vanuit het raam landgoed in Neskuchnoye

Op een wintermorgen in 1909 begon Serebriakova aan een van haar best gekende zelfportretten te werken: ‘Aan de kaptafel’. Een intiem portret van een jonge moeder. Ze schildert zichzelf zoals ze zichzelf zag in de spiegel zodat het frame ervan ook het kader van het schilderij werd. Dit werk, samen met twaalf andere schilderijen, stuurde ze in voor de Mir Iskusstva-tentoonstelling van 1910, met als thema ‘Hedendaagse Russische Vrouwenportretten’. De kunstkritiek was laaiend enthousiast. De Tretyakov Gallerie, een van de meest bekende kunsthuizen, kocht het portret aan met nog twee andere schilderijen.

Between 1911 and 1913 Serebriakova worked on her most critically acclaimed group of paintings, known as her Bath Series. During this time that her daughters Tatiana and Ekaterina were born, and Serebriakova started focusing on females and their work. For more complicated pieces, such as The Bath (1913), Serebriakova would ask the same model to pose for multiple positions on the canvas. With this series the artist embraced a style known as Neoclassical Revival, which was a return to classical painting with a conceptual twist. The role of color was reduced to a monochromatic palette, which allowed the form within the painting to become more austere and stylized. Serebriakova painted on a larger-than-life scale and placed her figures inside a small environment to make them seem even larger. Although she was using classical painting techniques, their importance was secondary to the concept. This genre marked a noted shift in the world of art, to which Serebriakova was a key contributor. (Cathy Locke in Musing on Art)
Het badhuis (klik op ondertitel om te vergroten)

In 1917, op het hoogtepunt van haar carrière, werd ze door de Keizerlijke Academie in Sint-Petersburg voorgedragen voor de rang van academicus.Maar de Bolsjewistische revolutie gooit letterlijk en figuurlijk roet in het eten. Ze moet vluchten en zal in het nabijglegen Charkiv een onverwarmd driekamerappartement huren.

In 1918 werd haar geliefde Neskuchnoye geplunderd en tot de grond toe afgebrand. In 1919 werd haar man gearresteerd in Moskou tijdens de Rode Terreur en stierf hij aan tyfus in een bolsjewistische gevangenis. Als weduwe, met vier kleine kinderen en een ouder wordende zieke moeder, keerde Serebriakova terug naar Sint-Petersburg. Petersburg. Dit was een keerpunt in haar carrière: zonder Boris’ salaris was er geen geld voor olieverf of tijd om meer afgewerkte schilderijen te maken. Serebriakova zocht elk werk dat ze kon krijgen om te voorkomen dat haar familie honger zou lijden. In deze periode maakte ze haar meest sombere werk, House of Cards (1920), met haar vier kinderen die een spelletje spelen. Als we dit vergelijken met haar eerdere schilderij At Breakfast (1914), zien we een schril contrast met een veel meer afgewerkt werk dat haar gelukkige jonge gezin afbeeldt.

House of Cards 1919
Bij het ontbijt 1914

Zij verhuisde met haar kinderen terug naar het huis waar zij was opgegroeid: het huis van haar grootvader Nikolai Benois, dat op dat moment niet alleen hem en zijn gezin huisvestte, maar ook talrijke andere leden van de families Lanceray en Benois en vrienden, die eveneens in grote nood waren geraakt.

In 1922 publiceerde de schrijver Sergei Ernst, een oude vriend, een biopic over haar leven. Desondanks en het succes op tentoonstellingen van haar serie schilderijen van ballerina’s uit het Mariinsky Theater, was het moeilijk om rond te komen in een Rusland, nu de USSR, verarmd door oorlog en revolutie. In 1924 vertrok Serebriakova naar Parijs, tijdelijk, dacht ze, om te onderzoeken of ze in het buitenland wat geld kon verdienen. Tijdens haar korte verblijf werd het reizen van en naar de USSR echter aan banden gelegd en werd het de schilderes verboden terug te keren. Uiteindelijk stonden de Sovjetautoriteiten toe dat twee van haar vier kinderen naar Frankrijk reisden om haar te vergezellen: Alexander en Catherine. Tatjana en Jevgeni (Eugene) mochten niet vertrekken. Ze zal hen 36 jaar moeten missen!

Interieur met spiegel , Tata en Katia in 1917 Boertje in de verte.
Tot 1940 bleef Serebriakova een staatsburger van de USSR en hoopte zij met haar familie te worden herenigd, maar tijdens de bezetting van Frankrijk door de nazi's werd zij bedreigd met een verbljf in een concentratiekamp wegens haar band met de USSR. Bijgevolg moest zij, om een internationaal identiteitsbewijs voor vluchtelingen, een Nansen-paspoort, te krijgen, afstand doen van haar Sovjetburgerschap.
In 1957, Serebriakova finally got a proposal from the Soviet government to return home. But illness and old age got in the way – she was already over 70, and she practically did not paint. Therefore, the artist did not dare to move.

In 1965, thanks to the effort of Zinaida’s daughter, Tatyana, three of the artist’s exhibitions finally opened at once -– in Moscow, Kiev and Leningrad; preparation for them took five years. Zinaida Serebriakova was already over 80, and she was waiting for news of the public’s reaction to the paintings. The success was deafening. Finally, Serebriakova’s paintings were seen by those who had only heard of her, and the emigrant artist was finally relieved: her art had at last returned home.(Elizaveta Ermakova Dailyartmagazine)

In 1928 nam Serebriakova deel aan een retrospectieve van Russische kunst in Brussel. Daar ontmoette zij de Belgische industrieel Baron Jean de Brouwer (1872-1951). Hij gaf haar de opdracht twee sets van vier decoratieve panelen te maken voor zijn landhuis: het eerste, liggende naakten die de seizoenen uitbeelden; het tweede, staande naakten die de Brouwer’s belangrijkste interesses vertegenwoordigen: rechtvaardigheid, natuur, kunst en licht. Het was meer dan tien jaar geleden dat ze de financiële middelen had gehad om een dergelijk werk te maken. Ook hier wendde Serebriakova zich tot de stijl van de Neoklassieke Revival om haar staande godinnen te creëren. Ze gebruikte haar dochter Ekaterina als model en draaide haar houding op elk paneel een beetje. Trouw aan het genre van de neoclassicistische renaissance, verminderde Serebriakova het belang van kleur en werkte ze voornamelijk met een monochroom palet. Ze versterkte het monolithische effect door een worm-oog standpunt in te nemen en naar haar model op te kijken terwijl ze schilderde. (Cathy Locke Musing on Art, A platform for Women artists)

-De baron sponserde daarna haar reizen naar Marokko (waar de baron ‘dispose d’ importants intérets, notamment dans le domaine immobilier et dans le domaine agricole -wikipedia-) en waar zij in 1928-1930 talrijke schetsen en schilderijen maakte van bewoners.-

-Dat landhuis, ‘Manoir du Relais’ in Pommeroeul in de omgeving van Bergen zou door de tweede wereldoorlog verwoest zijn, maar naar laatste gegevens nog altijd bestaan. Het werd nadat de baron-advokaat het verkocht een weeshuis, boekenwinkel…Verdere gegevens ontbreken. Ga op zoek!-

Ontwerpen voor muurschilderingen in de villa Jean de Brouwer, Art en Iurisprudence

Als eerste belangrijke Russische vrouwelijke schilder heeft ze levensnoodzakelijk werk geleverd waarin omvang wel eens de kwaliteit schaadde. In Parijs bleken de toenmalige trends haar niet erg te interesseren. Zij wilde de mensen van haar omgeving weergeven zoals ze op dat moment overkwamen vanuit haar vrouwelijk aanvoelen van de tijd waarin ze al dan niet gewild was terechtgekomen. De onvoltooid tegenwoordige tijd. Haar prachtige (zelf-) portretten tonen ons kwetsbare mensen van alle leeftijden. De kinderen poseren nooit, zij tonen ons hun dagelijks doen en laten, hun verbinding met degenen die hen lief zijn.

In de keuken. Portret van Katie.

Het dagelijks voedsel en het samen aan tafel zitten zijn belangrijke onderwerpen. Daar wacht de onvoltooide tijd. Hij wacht op het proeven en smaken. Op het samenzitten, het vertellen aan elkaar. De vaak vragende ogen naar het vervolg. Wat voltooid is wordt weer met vragen ontmanteld of intens gekoesterd. Kijk naar dit wondermooie portret. Ons onvolkomen-zijn in de stilte van het elkaar aankijken zonder vrees of vraag. We kijken door het onvoltooide heen en in dat ‘raken’ smelt de eenzaamheid. Traag maar zeker. Samen in de onvoltooide tegenwoordige tijd.

Portrait of S.N; Andronikovoy-Halpem, 1924

Bronnen:

http://artanablog.com/en/art/zinaida-serebriakova-facts/
https://museumstudiesabroad.org/zinaida-serebriakova/

Op weg naar de teruggevonden tijd (2)

De wolken
 
Ik droeg nog kleine kleeren, en ik lag
 Lang-uit met moeder in de warme hei,
 De wolken schoven boven ons voorbij
 En moeder vroeg wat 'k in de wolken zag.
 
 En ik riep: Scandinavië, en: eenden,
 Daar gaat een dame, schapen met een herder -
 De wond'ren werden woord en dreven verder,
 Maar 'k zag dat moeder met een glimlach weende.

Toen kwam de tijd dat 'k niet naar boven keek,
 Ofschoon de hemel vol van wolken hing,
 Ik greep niet naar de vlucht van 't vreemde ding
 Dat met zijn schaduw langs mijn leven streek.
 
 - Nu ligt mijn jongen naast mij in de heide
 En wijst me wat hij in de wolken ziet,
 Nu schrei ik zelf, en zie in het verschiet
 De verre wolken waarom moeder schreide -

Martinus Nijhoff (1894-1953)
in Vormen (1924)

De tijd waarin ik ‘in kleine kleren’ naar de wolken keek, strekt zich al twee generaties uit nu het kleinkind, wel eens aanwezig in dit blog, vandaag 21 wordt en op haar beurt dat kijken kan doorgeven aan de volgende kleine-klerendrager. Kun je in kind en kleinkind het terugvinden van je eigen kindertijd vergemakkelijken, toch zal iedere ‘iets oudere’ lezer(es) ook de vervreemding begrijpen die er met die steeds groter wordende afstand is ontstaan. De tijd terugvinden wordt er niet makkelijker om. De droom opgeven? Marcel Proust denkt daar anders over:

Si un peu de rêve est dangereux, ce qui en guérit, ce n'est pas moins de rêve, mais plus de rêve, mais tout le rêve. Il importe qu'on connaisse entièrement ses rêves pour n'en plus souffrir ; il y a une certaine séparation du rêve et de la vie qu'il est si souvent utile de faire que je me demande si on ne devrait pas à tout hasard la pratiquer préventivement comme certains chirurgiens prétendent qu'il faudrait, pour éviter la possibilité d'une appendicite future, enlever l'appendice chez tous les enfants. » (Marcel Proust A la recherche du temps perdu)
Ekaterina Panikanova

Zijn onze eigen herinneringen beperkt door de werking van ons autobiografisch geheugen dat rond het 3de-4de levensjaar in werking treedt, toch blijven er verhalen van de eerste kinderjaren meespelen, vaak menigmaal verteld door zeer nabije betrokkenen. Hoe hij als eenjarige van een Canadese soldaat (zijn eenheid logeeerde in de school waar zijn moeder les gaf) een reep chocolade cadeu kreeg en die na enige studie met een zekere walg op de grond smeet, totaal onbekend met het luxe-product ‘chocolade’. Die houding veranderde toen die luxe even later bereikbaar werd en in allerlei merken werd aangeprezen. Herinner je!

De klassieke benaming ‘Minerva’ van het merk ‘Martougin’ werd in Antwerpen geproduceerd in verschillende smaken. Hij herinnert zich dat een dergelijke reep bij uitzonderlijke gebeurtenissen hoorde: na een moedig doktersbezoek, de vooravond van een verjaardag, of als geschenk van een tante ‘voor wie het beste niet goed genoeg was’. (de uitspraak was van zijn moeder) Democratischer was een reepje ‘Meurisse-chocolade’ of de meer gekende Jacques-repen.

Bij deze repen hoorde een chromo, netjes op de binnenwikkel van de reep geplooid. Daarmee kon je diverse albums vullen: treinen, koninklijke familie, Congo om er enkele te noemen. Het leven van kinderen uit de vijftiger jaren was gevuld met het verzamelen van punten allerlei. Historia-prenten, Artis-afbeeldingen in prachtige boeken te verzamelen, Liebig-kaarten met fraaie grafiek, Soubry-punten voor mooi verzorgde kunst-reproducties, Historia-punten voor illustraties bij de vaderlandse geschiedenis, Kwatta-soldaatjes, Havermout-lettertjes die je als je de juiste letters bij elkaar kreeg een heuse lederen voetbal opleverden, Fort-bonnen voor speelgoed (dank u sinterklaasje) In elk gezin was er wel een lade waarin die punten en prentjes een onderkomen vonden en nu en dan in dikke omslagen naar diverse adressen werden verzonden om daarna regendagen-lang prentjes te kleven. (Hij heeft met La vache qui rit een heus Congolees dorp verzameld of hoe smeerkaas eten de koloniale ‘verdiensten’ kon verduidelijken.) De opbrengsten van zijn ‘missie-tentoonstelling’ werden tot de laatste centiem aan lepra-bestrijding overgemaakt.

Ekaterina Panikanova
 Quand je m'éveillai, de mon lit par ces matins tôt levés du printemps, j'entendais les tramways cheminer, à travers les parfums, dans l'air auquel la chaleur se mélangeait de plus en plus jusqu'à ce qu'il arrivât à la solidification et à la densité de midi. Plus frais au contraire dans ma chambre, quand l'air onctueux avait achevé d'y vernir et d'y isoler l'odeur du lavabo, l'odeur de l'armoire, l'odeur du canapé, rien qu'à la netteté avec laquelle, verticales et debout, elles se tenaient en tranches juxtaposées et distinctes, dans un clair-obscur nacré qui ajoutait un glacé plus doux au reflet des rideaux et des fauteuils de satin bleu, je me voyais, non par un simple caprice de mon imagination, mais parce que c'était effectivement possible, suivant dans quelque quartier neuf de la banlieue, pareil à celui où à Balbec habitait Bloch, les rues aveuglées de soleil, et voyant non les fades boucheries et la blanche pierre de taille, mais la salle à manger de campagne où je pourrais arriver tout à l'heure, et les odeurs que j'y trouverais en arrivant, l'odeur du compotier de cerises et d'abricots, du cidre, du fromage de gruyère, tenues en suspens dans la lumineuse congélation de l'ombre qu'elles veinent délicatement comme l'intérieur d'une agate, tandis que les porte-couteaux en verre prismatique y irisent des arcs-en-ciel ou piquent çà et là sur la toile cirée des ocellures de paon. (ibidem)
Clara Peeters
Still Life with Cheeses, Artichoke, and Cherries, ca. 1625
Los Angeles County Museum of Art

O, de geuren. Herinner je. Dit oude zo verwaarloosde waarnemen waar je als kind bijna vanzelfsprekend mee omging. Nog voor je de eetkamer binnenkwam kende je het avondmenu, de eenden en kippen die je van ei-rond tot volwassen dieren opvoedde. Van het zachte dons naar de harde pluimen, ieder met hun eigen geur. De geur van groene zeep, Singer-machine-olie, vers gebakken brood, de tuin-bij-avond, de andere mens, eens het dichtbije bij de verlangens ging horen. Maar ook de geuren van bederf en vergaan. Hoe mooi broeder Alexianus kon vertellen over de opwekking van Jezus’ vriend Lazarus. Al enkele dagen dood werd zijn graf geopend en verscheen hij even later nog met de lijkwindels ingepakt. De schilder was niet beschroomd om de reactie op de geur van vergaan op de gezichten van de toeschouwers, rechts in beeld, te tonen. De zeer heiligen en deftige opdrachtgevers toonden iets meer karakter. Maar wie in het verloren land wil binnendringen mag ‘het boeket’ niet ontwijken.

Picardie ou Bourgogne, seconde partie du XVe siècle La Résurrection de Lazare, avec un donateurHuile sur panneau de chêne, trois planches, parqueté(Restaurations et soulèvements) 60,50 x 80 cm
Allerzielen
Soms loopt er door een drukke straat
ineens een oude kameraad
of reisgenoot.
Je weet zodra je hem begroet:
het kan niet dat ik hem ontmoet,
want hij is dood.
Eerst ben je nog een tijd verbaasd
omdat die levende toch haast
die dode was.
Heb je de zaak dan afgedaan,
dan komt er weer zo`n dode aan,
met flinke pas.
Thuis van het dodencarnaval
zie je de spiegel in de hal,
je schrik is groot:
die man daar in het spiegelglas,
met die bekende regenjas,
was die niet dood?
 
Willem Wilmink (1936-2003)
Gepubliceerd in:
Het kind is vader van de man
Bert Bakker (1989)
En moi aussi bien des choses ont été détruites que je croyais devoir durer toujours et de nouvelles se sont édifiées donnant naissance à des peines et à des joies nouvelles que je n’aurais pu prévoir alors, de même que les anciennes me sont devenues difficiles à comprendre. Il y a bien longtemps aussi que mon père a cessé de pouvoir dire à maman : « Va avec le petit. » La possibilité de telles heures ne renaîtra jamais pour moi. Mais depuis peu de temps, je recommence à très bien percevoir si je prête l’oreille, les sanglots que j’eus la force de contenir devant mon père et qui n’éclatèrent que quand je me retrouvai seul avec maman. En réalité ils n’ont jamais cessé ; et c’est seulement parce que la vie se tait maintenant davantage autour de moi que je les entends de nouveau, comme ces cloches de couvents que couvrent si bien les bruits de la ville pendant le jour qu’on les croirait arrêtées mais qui se remettent à sonner dans le silence du soir. (ibidem)
Ekaterina Panikanova
(wordt vervolgd)
Du musst das Leben nicht verstehen

Du musst das Leben nicht verstehen,
dann wird es werden wie ein Fest.
Und lass dir jeden Tag geschehen
so wie ein Kind im Weitergehen von jedem Wehen
sich viele Blüten schenken lässt.

Sie aufzusammeln und zu sparen,
das kommt dem Kind nicht in den Sinn.
Es löst sie leise aus den Haaren,
drin sie so gern gefangen waren,
und hält den lieben jungen Jahren
nach neuen seine Hände hin.


Rainer Maria Rilke, 8.1.1898, Berlin-Wilmersdorf 

Op weg naar de teruggevonden tijd (1)

De goochelaar

De goochelaar zegt:
neem één dag in je gedachten,
het geeft niet welke

en ik neem één dag in mijn gedachten,
een willekeurige dag,
geen wereldschokkende dag,
en ook geen zwaarwichtige of lichtzinnige dag,
zomaar een dag

ik knijp mijn ogen dicht
en herinner me die dag,
de zon schijnt,
ik bel aan

en de goochelaar noemt die dag, 
beschrijft hem, elke minuut er van.

Toon Tellegen uit 'Hemels en vergeefs', 2008

Het hoeft niet altijd een koekje à la madeleine te zijn, een uitstekend middel voor de heer Proust om terug te keren naar de schijnbaar verloren tijd, het kan ook via de onuitputtelijke beeldbanken van het net, een hedendaagse manier om bij het zien van beelden het kind terug te vinden van weleer. Zo maar een dag, of een avond van zo’n dag, een late namiddag in de zomer, een sneeuwmorgen of een slapeloze nacht. ‘Het geeft niet welke.’ Het is even zoeken, dat wel. Maar je zult ze vinden, de beeldende magie die het vergeten verdwijnen laat. Wees geduldig. Verzamel ze, ook als je nog niet dadelijk weet waarom een beeld je aanspreekt. Ook teksten, poëzie, verloren zinnen, zullen je helpen om het analytische denken waarin we zijn opgevoed te ontwijken en het wondere associëren te ervaren zoals het briesje dat de gorijnen doet wijken, de zachte avondwind binnenlaat met de eerste uitlopers van het donker.

'Mais c'est quelquefois au moment où tout nous semble perdu que l'avertissement arrive qui peut nous sauver, on a frappé à toutes les portes qui ne donnent sur rien, et la seule par où on peut entrer et qu'on aurait cherchée en vain pendant cent ans, on y heurte sans le savoir, et elle s'ouvre.' (Marcel Proust A la recherche du temps perdu)
Gus Fine Arts World of Puppets
Rien qu'un moment du passé ? Beaucoup plus, peut-être ; quelque chose qui, commun à la fois au passé et au présent, est beaucoup plus essentiel qu'eux deux. Tant de fois, au cours de ma vie, la réalité m'avait déçu parce qu'au moment où je la percevais mon imagination, qui était mon seul organe pour jouir de la beauté, ne pouvait s'appliquer à elle, en vertu de la loi inévitable qui veut qu'on ne puisse imaginer que ce qui est absent. (ibidem)

‘Ze lagen te netjes op een rij zoals appelen zelf nooit zouden liggen. Anderzijds werd hij aangetrokken door het geordende van een verzameling: een kistje sigaren, een half pak chocolade dat met zo’n twaalf dezelfde reepjes onuitputtelijk leek, de tegels op de speelplaats, het ritme van een bakstenen muur. een doosje lucifers. Wel kon je van deze verboden vruchten winterfruit proeven en ze netjes met de aangebeten kant naar achter schijnbaar ongeschonden achterlaten. De herinnering zou met de vervlogen beelden uit zijn vroege kindertijd verdampt zijn als hij ze niet na zijn namiddagslaapje met een nog ongecontroleerde beweging had aangestoten en de wet van actie en reactie ervoor zorgde dat het netjes gerangschikte fruit naar alle richtingen van zijn slaapkamertje rolde. Deze misdaad was niet meer te camoufleren voor de vadermens verscheen en met een ‘maar-jongen-toch’ als een teleurgesteld opperhoofd het prutswerk van zijn driejarige nakomeling trachtte te verwerken.’

Maar als hij later, hij was negen, tien jaar met diezelfde vader appelen recht uit de boomgaard ging kopen op de boerderij en ze in die prachtige koperen schaal werden gewogen met aan de andere kant de stevige sierlijke gewichten en hij, nog voor hij achter op de fiets kroop, al een avant-première mocht proeven, combineeerde hij de smaak van appelen met het intense genoegen van het boeken-lezen in de grote sofa. Hij betreurde dat in het verhaal van het aards paradijs een appel voor de noodlottige afloop zorgde, maar gezien zijn eigen vroege zwakheid daaromtrent wilde hij Eva onmiddellijk de zondeval vergeven. Bij Judas lag dat anders. Hij verried zijn meester met een kus. Stel dat hij zijn vader met een kus zou overleveren aan het gespuis? Hem die ik zal kussen is de appelen-dief zou hij de soldaten zeggen.

Neen. Het verhaal was te droevig om er lang over te piekeren. Tenslotte moest iemand het doen. Toen Judas een jongetje was, wist god al dat hij Jezus zou verraden. Hij hoorde bij het verhaal. Heel eerlijk was dat niet. Hij bekeek alle afbeeldingen waarin Judas ‘zijn werk deed’. Hij had zijn broertje niet verraden toen ze op de pistolees hadden geplast als wraak omdat ze niet bij de grote mensen aan tafel mochten zitten. ‘Ik heb het gedaan! Helemaal alleen.’ Straf uitzitten in het kippenhok was best te doen. Niemand begreep beter wat onrechtvaardigheid was dan een kip. Het begrip ‘vrije wil’ had toen al een aardige deuk gekregen.

Nord de la France, probablement seconde moitié du XIVe siècle L’ Arrestation du Christ Relief en applique en bois de noyer avec traces de polychromie ; élément probable d’un retable figurant la Passion du Christ 47,50 x 43,50 cm
'Certes nous sommes obligé de revivre notre souffrance particulière avec le courage du médecin qui recommence sur lui-même la dangereuse piqûre. Mais en même temps il nous faut la penser sous une forme générale qui nous fait dans une certaine mesure échapper à son étreinte, qui fait de tous les copartageants de notre peine, et qui n'est même pas exempte d'une certaine joie. Là où la vie emmure, l'intelligence perce une issue, car s'il n'est pas de remède à un amour non partagé, on sort de la constatation d'une souffrance, ne fût-ce qu'en en tirant les conséquences qu'elle comporte. L'intelligence ne connaît pas ces situations fermées de la vie sans issue.'(ibidem)
Foto Alain Nogues
Weet je nog
hoe we allemaal dansten en lachten
op dat grote feest in die tuin
die geurde naar pas gewassen gras
het was een heldere sterrennacht
simpel, zoals je het zegt
we waren jong als de muziek
even bestonden we voor eeuwig

Remco Campert

‘Maybe, we are all mythological: Pamela Mei Yee Leung (1967-2011)

Negen hoofden. Van mythologische katten. In het fraaie korte filmpje hieronder vertelt keramiste Pamela Mei Yee Leung dat zij elke dag, naargelang haar stemming, één hoofd maakte. Als je ze bekijkt, kun je zelf vermoeden dat het leven haar niet voortdurend toelachte. Beter dan woorden vertelt het filmpje van ‘The Guardian’ met haar woorden als getuigenis, wat haar bezielde en wat haar overkwam. (6′ 50″)

Pamela Mei Yee Leung was born in Hong Kong and lived there until she was sent to a boarding school in England at the age of fourteen.  Language difficulties swayed her towards the visual arts as a means of self-expression.  She continued her education in London, studying 3-D Design at Middlesex Polytechnic before taking a post-graduate diploma in ceramics at Goldsmiths College.  Leung worked in London for 15 years, making ceramic sculpture, which was exhibited extensively in Britain and abroad.  After a long period of illness, which prevented her from working, she moved her studio to Whitstable in Kent. In one of her last interviews before her death in October 2011 after an 11-year battle with cancer, she reflects on how her work has formed a diary of her struggle with the disease 

The Carp
Niet alleen bestaande dieren hadden een plaats in de Chinese mythologie, er werden ook mythische dieren aanbeden of gevreesd. De verbondenheid met het dier was in China ooit zo intens dat de scheiding tussen mens en dier er niet als permanent en onveranderlijk gezien werd. In de zichtbare wereld was immers alles voortdurend in beweging, alles onderging veranderingen. Zonder verandering was er geen leven. Voor de Chinezen bestonden er dan ook kruisingen tussen dieren van verschillende soorten, naast wezens die het midden hielden tussen mens en dier, transformaties. Het was precies vanuit de idee van de voortdurende verandering dat de Chinezen ertoe kwamen aan dieren symbolische en bovennatuurlijke eigenschappen toe te schrijven. (De Tijd, 8 juni 2004, naar aanleding van de tentoonstelling 'Het Rijk van de Draak in de Kunsthal Sint-Pietersabdij))
Leung, Pamela; Drunken Fish; York Museums Trust; http://www.artuk.org/artworks/drunken-fish-272452
De dieren waren voor de Chinezen een voorteken van een lang leven, van geluk of genezing. Zo stond het varken symbool voor overvloed, een zorgeloos leven, zo niet luiheid, en viriliteit. De hond had, omdat hij waakte aan de drempel van het huis, te maken met het begrip grensgebied. Er werd een hond geofferd wanneer een vorst zijn eigen staat verliet. Bij de schildpad dachten de Chinezen zowel aan verandering als aan bestendigheid. Veranderde de schildpad niet van kleur volgens de seizoenen, en leefde het dier niet veel langer dan de mens?(ibidem)
Crouching Fox
Crouching Pam 1960, als bron voor de houding van enkele van haar creaties.
The Chinese influences in Leung’s sculpture are very much apparent, the decoration and bold use of colour are inspired by traditional Chinese arts and some of her references are taken directly from Chinese mythology.  However, her artistic training and education are wholly Western and consequently her approach is informal, personalised and expressive.  The result is an intriguing combination, which defies easy classification.

Sitting Bird, unglazed
In her figurative work, Leung uses human forms to express an attitude or emotion, but these creatures have animal heads or limbs giving them a character, which is both symbolic and surreal.  The symbolism may come from Eastern mythology or Western folk tales, but it is also deeply personal and carries meanings which are domestically autobiographical but psychologically universal.
Elixir of Life
Leung also makes functional pieces such as jugs, fountains, doorknockers, incense burners and, more recently, birdcages.  These pieces are often large, elaborate and highly decorative.  They are unusual objects that are intended to be fun rather than practical.  This aspect of Leung’s work shows her refreshing lack of esotericism.  She expresses herself immediately and spontaneously and has little time for painstaking techniques or calculated conceptualism, but at the same time, her construction is technically audacious and she challenges the stereotypes of craft ceramics and kitsch ethnicity.

Abacus Testpiece
Leung’s work is hand-built from crank mixture clay, mainly using the coiling method. Stains and oxides are mixed into a basic matt white or shiny transparent glaze.  These coloured glazes are then painted onto the sculpture after biscuit firing.  The work is then fired to between 1160°C and 1200°C, which makes it suitable for external sites.  The glaze process is often repeated several times to achieve greater depth.

Unloading biscuit fired work with fork lift

De bovenstaande teksten heb ik overgenomen uit haar achtergelaten website die zo’n beetje staat te verkommeren. In dit blog haal ik graag de voorbije of vergeten tijd naar boven, ontsnapt aan de mode van het moment. Haar uitspraak: Maybe, we are all mythological bleef mij bij. Zoals haar dieren ook menselijke kentrekken hebben en vice versa trof mij het samenvloeien van het levende. Het levende dat ook na het verdwijnen van de maker in allerlei vormen weer kan opduiken. De mythe waaruit onze filosofische en literaire creaties ontstonden leeft ook nu nog in het zoeken naar het ‘samensmelten’ van het voorbije met het komende in de dag van vandaag. Haar aanwezigheid daarin wilde ik graag eren.

The Travelling Cat, circa 1986

Het samenvloeien van Chinese en westerse invloeden zou een waarborg moeten zijn om de rijkdom van deze culturen niet op te offeren aan ideologische vereenzaming maar kan een levend teken worden van ons gemeenschappelijk streven naar een menselijk samenwonen op dit planeetje waarin de mythes door herkenning van hetgeen ons verbindt de tegenstellingen minstens begrijpelijk kunnen maken en wie weet vredevoller.

Patron (Stefanie Hering collection)
Mei Yee Leung, who lived in London, created her own unique cosmos of mythical creatures, with human figures bearing the heads of bears, foxes, lions, and eagles, to tackle subjects such as her marriage and her cancer. Stefanie Hering has translated a selection of these sculptures into expressive figures in bisque porcelain. They can be set up as standalone objects or table decorations and have an even more other-worldly, magical aura than their glazed clay counterparts. (Heringberlin)
Boat unfired

I’m nobody! Who are you? Emily Dickinson (1830-1886)

Ik ben niemand! Wie ben jij?
ben jij ook - niemand-?
dan zijn er een paar van ons!
Zeg het niet! Ze zouden ons verbannen-weet je!

Hoe saai - om iemand- te zijn!
Hoe openbaar - als een Kikker -
Je naam te vertellen - de levenslange dag -
Aan een bewonderend Moeras!

Als trouwe bezoeker van The Morgan Library & Museum in New York wil ik graag hun tentoonstelling met de bovenstaande titel en aangevuld met ‘The Life and Poetry of Emily Dickinson’ gebruiken om vooral met enkele van de gedichten uit hun tentoongestelde handschrift-collectie belangstelling voor deze wonderbare vrouw te wekken.

One of the most popular and enigmatic American writers of the nineteenth century, Emily Dickinson (1830–1886) wrote almost 1,800 poems. Nevertheless, her work was essentially unknown to contemporary readers since only a handful of poems were published during her lifetime and a vast trove of her manuscripts was not discovered until after her death in 1886. 
Otis Allen Bullard (1816–1853), Emily Elizabeth, Austin, and Lavinia Dickinson, Oil on canvas, ca. 1840. Houghton Library, Harvard University.

Dit zijn de drie kinderen uit een Amerikaans welstellend advocaten-gezin. Emily links laat niet vermoeden dat ze een erg teruggetrokken leven zou leiden dat zich in de laatste jaren zou beperken tot de leefruimte in haar slaapkamer waarvan hierboven het fraaie rozen-behang dat ook in de tentoonstelling als achtergrond dient. Vergis je niet, ook dat teruggetrokken leven betekende niet dat ze geen contacten had met de buitenwereld. Integendeel. Ze correspondeerde met talrijke vrienden en vriendinnen, besprak open en direct wat er in de toenmalige wereld gebeurde maar mengde zich steeds minder in het openbare leven.

She was a deeply sensitive woman who questioned the puritanical background of her Calvinist family and soulfully explored her own spirituality, often in poignant, deeply personal poetry. She admired the works of John Keats and Elizabeth Barrett Browning, but avoided the florid and romantic style of her time, creating poems of pure and concise imagery, at times witty and sardonic, often boldly frank and illuminating the keen insight she had into the human condition. At times characterised as a semi-invalid, a hermit, a heartbroken introvert, or a neurotic agoraphobic, her poetry is sometimes brooding and sometimes joyous and celebratory. Her sophistication and profound intellect has been lauded by laymen and scholars alike and influenced many other authors and poets into the 21st Century.(Online-literature.com/dickinson)
Emily Dickinson, Daguerreotype, ca. 1847. Amherst College Archives & Special Collections. Gift of Millicent Todd Bingham, 1956, 1956.002.
I heard a Fly buzz – when I died –
The Stillness in the Room
Was like the Stillness in the Air –
Between the Heaves of Storm –

The Eyes around – had wrung them dry –
And Breaths were gathering firm
For that last Onset – when the King
Be witnessed – in the Room –

I willed my Keepsakes – Signed away
What portion of me be
Assignable – and then it was
There interposed a Fly –

With Blue – uncertain – stumbling Buzz –
Between the light – and me –
And then the Windows failed – and then
I could not see to see –
This poem—one of Dickinson’s most famous—exists in no other drafts; it is included in a in a fascicle, or hand-sewn manuscript booklet, which she probably began in the summer of 1863 and which was not discovered until after her death.
Blazing in Gold – and
Quenching – in Purple!
Leaping – like Leopards the sky –
Then – at the feet of the old Horizon –
Laying it's spotted face – to die!

Stooping as low as the kitchen window –
Touching the Roof –
And tinting the Barn –
Kissing it's Bonnet to the Meadow –
And the Juggler of Day – is gone!


Vlammend in Goud - en
blakend - in paars!
Springend - als luipaarden de hemel -
Dan - aan de voeten van de oude Horizon -
Legt het zijn gevlekte gezicht - om te sterven!

Bukkend zo laag als het keukenraam -
Raakt het dak -
en de schuur kleurt...
Kust het zijn hoed naar de weide...
En de jongleur van de dag - is weg!
Of our deepest delights there is a solemn shyness
The appetite for silence is seldom an acquired taste

Van onze diepste genoegens is er een plechtige verlegenheid
De honger naar stilte is zelden een aangeleerde smaak

***

Hope is the Thing with Feathers

Hope is the thing with feathers
That perches in the soul,
And sings the tune without the words,
And never stops at all,

And sweetest in the gale is heard;
And sore must be the storm
That could abash the little bird
That kept so many warm.

I've heard it in the chillest land
And on the strangest sea;
Yet, never, in extremity,
It asked a crumb of me.
foto Ivan Sjögren
This is one of 295 poems Dickinson wrote in 1863, her most productive year. She kept this copy, along with a later draft from 1865.
Light is sufficient to itself –
If others want to see
It can be had on Window panes
Some hours of the day –

But not for Compensation –
It holds as large a Glow
To Squirrel in the Himmaleh
Precisely – as to me –

****


Dat haar leven ook de hedendaagse bewoner van deze planeet aanspreekt, bewijst de televisieserie op Apple-TV (Dickinson') die nu haar tweede jaar ingaat. 
 This Is My Letter To The World

    This is my letter to the world,
    That never wrote to me,--
    The simple news that Nature told,
    With tender majesty.
    Her message is committed
    To hands I cannot see;
    For love of her, sweet countrymen,
    Judge tenderly of me!

bezoek: https://www.themorgan.org/exhibitions/emily-dickinson

Some keep the Sabbath going to church,
I keep it staying at home,
With a bobolink for a chorister,
And an orchard for a dome.

Some keep the Sabbath in surplice,
I just wear my wings,
And instead of tolling the bell for church,
Our little sexton sings.

God preachesa noted clergyman,
And the sermon is never long;
So instead of going to heaven at last,
I'm going all along