De gang als verbeeldende verbinding

Vaak begin ik met een eigen herinnering.
Een herinnering is een mooie toegangsdeur tot de opslag in de breedte en de diepte die wij als ‘kunst’ bestempelen. Ik keer zo ver mogelijk terug in mijn eigen herinneringen. Misschien zijn het slechts vage plaatsen, onduidelijke atmosferen, aangevuld met wat ik op vroege foto’s zag. Ik zal ze dus aanvullen met interpretaties. Ons autobiografisch geheugen start rond op 3,5 – 4,5 jaar.
Zoals filosoof Gaston Bachelard in zijn boek: ‘La poétique de l’ espace’ ons de droom van het eigen huis voorstelt:

"En nous référant à l'œuvre du philosophe brésilien, Lucio Alberto Pinheiro dos Santos Ainsi, la maison rêvée doit tout avoir. Elle doit être, si large qu'en soit l'espace, une chaumière, un corps de colombe, un nid, une chrysalide. L'intimité a besoin du cœur d'un nid. Érasme, nous dit son biographe, fut longtemps « à trouver, dans sa belle maison, un nid où il pût mettre en sûreté son petit corps. Il finit par se confiner dans une chambre au point qu'il pût respirer cet air cuit qui lui était nécessaire »

Zo keer ik terug naar mijn eigen eerste kinderhuis, mijn eerste nest.
Het adres ken ik nog. Het kleine huurhuis van het jonge onderwijzerspaar.
Er zijn vooral foto’s van het binnenkoertje met kippenhok.
Een kind in een derdehands trapautootje waarop mijn vader een grote witte Amerikaanse ster heeft geschilderd. De oorlog is nog niet lang voorbij.
Van het huis binnen zijn er nog onduidelijke beelden van een kamertje waar ik sliep. De geur van appelen die daar te drogen lagen, wintervoorraad. Een misdaad ook: appelen die de grond oprollen en een vader die boos de trap opkomt. En er is de gang. Een lange gang van de voordeur naar de keukendeur met midden rechts als je binnenkomt, de trap naar een overloopje met buitenraam.
Ik herinner mij geen details, eerder atmosferen.
Het beeld van de gang, een treffend symbool voor mijn kleine kindertijd. De lange smalle gang met de trap. De verbinding van buiten met het innerlijke.

Het waren jaren waarin alles tot bedaren kwam.
Voor de jaren van verstand en versterving.
Jaren waarin het begin en de overloop naar de volgende jaren nog naamloos bleken.

Er was een gang naar de deur met daarboven een breed glazen oog. Daarachter lag de straat waar mensen liepen. Je kon ze soms horen stappen of praten.
Opkijken naar was nog opkijken tegen.
De hoogte zag ik nog niet loodrecht dichtbij.
Als je in je bedje lag kon je rechtdoor naar boven kijken. Dat vlak werd later 'zoldering' genoemd: plaats van glijdende lichtvlekken en dansende schaduwen.
Lange mensen waren onderaan, bij de benen, dichtbij maar om er boven bij te kunnen moest je ja armpjes uitsteken tot je werd opgetild.

Het licht van het oog boven de deur vertelde je of het buiten donker of dag was.
Van bij de deur kon je naar de trappen kijken. Tot aan een raam. Soms bewoog er iets achter dat raam. Dat bleken later de takken van een boom te zijn.

In de gang was het altijd koel of koud.
Je moest eerst door de deur achteraan om warmte te voelen. Daar stond er een tafel en daarrond stoelen.
Ik speelde graag in de gang. Zingen klonk er luider dan buiten of in een kamer.
Je kon er lopen of op de trappen gaan zitten.
Hoog de trappen op klimmen was zonder lange mens achter jou verboden.

Als je er zong, klonk het mooier dan buiten.
Foto door Octoptimist op Pexels.com

Bruce Nauman’s corridors sluiten bijna onmiddellijk aan bij de emoties die de vroege huisgang in mijn herinneringen losmaakte. De isolerende werking ervan confronteert de bezoeker met een sterker bewustzijn van zijn aanwezigheid.

Nauman began making his corridors in 1969; the first was built as a prop for a video, yet he soon introduced them into gallery settings, allowing the audience to walk down them, and, in so doing, put in their own performance. These pieces are simple, gypsum-walled walkways, into which the artist sometimes introduces lights, video cameras and monitors, or speakers; some were too narrow walk down; others were wedge shaped.

“Put in extreme terms,” writes Plagens, “he’s the lab scientist and we’re the rats. Nauman’s nicer than that, though. We volunteer to go into the gallery or museum, we volunteer to enter those corridors with ample width and tempting monitors, and we are free to leave any time we want to. Nauman seldom, if ever, makes us close a literal door behind us. He forgoes explicit instructions to the viewer in favour of the de facto action-limiting proportions of the corridors.”

Nevertheless, the corridors do retain a certain Kafkaesque quality, with something as simple as a pair of walls; proof, perhaps, of the American artist’s skill and originality.
Bruce Nauman Corridor Installation (Nick Wilder Installation), 1970.
Wooden wallboards, water-based paint, three video cameras, scanner, frame, five monitors, video recorder, video player, videotape, black and white, silent, Dimensions variable (11 × 40 × 30 ft. as installed at Nicholas Wilder Gallery, Los Angeles, in 1970).

Nauman’s original Live-Taped Video Corridor consisted of two closed-circuit video monitors positioned at the end of a narrow 30’ corridor. The lower monitor featured a pre-recorded videotape of the empty corridor, while the upper monitor showed a live video feed from a camera positioned above the corridor entrance. As viewers walked toward the monitors, they saw themselves from behind on the top monitor and a persistently empty corridor on the bottom monitor. The closer a viewer got to the monitor, the smaller their image became, frustrating their desire to see themselves, while the empty corridor on the bottom suggested that they had become invisible or dislocated in time.

Vincent van Gogh Corridor in the Asylum 1889

The long, narrow hall conveys a sense of futility as it seems to never end. Yet, there is an experience of confinement that portrays the artist’s loneliness and isolation in being trapped within the halls of the asylum. The dull and somber colors of the interior of the asylum convey Van Gogh’s sadness during his stay and through his illness journey. The symmetry and repetition in shape and color of the painting generates a feeling of boring routine and monotony. The never-ending corridor is elongated by this repetition and creates a space that seems enclosed and unceasing, reflective of Van Gogh’s feelings of his time spent there, isolated and directionless. (Julianne Kim in Medium 2019)

De Vasari-corridor

Een heel ander soort gang, de Vasari corridor, werd ontworpen en uitgevoerd in 1564 door Giorgio Vasari en dat deed hij in zes maanden! We zijn in Florence. Hierlangs konden Cosimo de’ Medici en andere Florentijnse edelen veilig de stad doorkruisen. Van het machtscentrum in het Palazzo Vechio naar hun private residentie, het Palazzo Pitti. De slagerij-winkels daarboven werden vriendelijk verzocht op te krassen en in hun plaats kwamen er juweliers. Geld stinkt namelijk niet. Dacht men. Nu kun je in de passage meer dan duizend schilderijen bekijken uit de 17de-18de eeuw met daarbij een belangrijke collectie zelfportretten door de meest beroemde meesters tussen de 16de en de 20ste eeuw. Werden de eerste portretten nog door de Medici aangekocht daarna kwamen er vooral ‘giften’ van de schilders zelf, een handig gebaar ter introductie.

Straatzicht vanuit de corridor

The Corridor 1950 is a rectangular, horizontally orientated painting by the Portuguese artist Maria Helena Vieira da Silva that appears to represent an internal architectural structure. The work depicts a claustrophobic grey interior of a room or corridor with a low ceiling, close walls and a sharp vanishing point, to which the eye is led by multiple conflicting perspectival lines. The surfaces of the space are rendered as if entirely covered in a dizzying mosaic of small geometric tiles, except for four narrow unadorned structural bars that run along the top of the interior walls and toward the vanishing point, and one vertical column which is positioned in the left of the composition. The tiles are square, rectangular and triangular and appear predominantly white, grey and black in colour, with a small number of pale yellowish-grey ones dotted throughout. The painting is inscribed ‘Vieira da Silva | 1950’ at the bottom left. (Judith Wilkinson Tate Museum)

The Corridor 1950 Maria Helena Vieira da Silva 1908-1992 Purchased 1953 http://www.tate.org.uk/art/work/N06189

The work forms part of a series of paintings made by Vieira da Silva (1908-1992) after she moved to Paris in 1948. Despite appearing largely monochromatic, The Corridor contains violet, blue, green, yellow, red, black, grey and white – a palette similar to that used by post-impressionist painter Paul Cézanne (1839–1906). Unlike Cézanne, however, Vieira da Silva mixed her colours with large quantities of white paint, so that from a distance it is difficult to distinguish between the hues. Vieira da Silva’s obsession with perspective was also in part motivated by her interest in Cézanne. Discussing Vieira da Silva’s influences in her early career during the late 1920s and the 1930s, art historian Gisela Rosenthal has observed: ‘It was Cézanne who attracted the young artist most strongly. In his paintings he had attempted to make the structures underlying the visible reality, and found new ways of representing space’ (Rosenthal 1998, p.15).

Maria Helena Vieira da Silva (Portuguese-French, 1908-1992) 
The Corridor or Interior, N/D

Begin je dus de gang los te maken uit zijn rechtlijnigheid of los je zijn versmalling op dan sta je inderdaad voor het raadsel of je ook het doel, de verbinding tussen vertrek en aankomst, niet kunt manipuleren. Een gang wordt dan een dwaalgang, een doolhof. In verschillende culturen was zo’n doolhof niet alleen vermaak maar ook een duidelijke terechtwijzing om op het juiste (of in die tijd juist geachte) pad te blijven. Het begint al in het labyrinth waar Theseus met de hulp van Ariadne ten strijde trekt tegen de Minotaurus.

Deze middeleeuwse voorstelling van het verhaal toont de dappere Theseus in het centrum terwijl hij het toch wat zielige monster een letterlijk kopje kleiner maakt terwijl Ariadne de draad bewaakt. (zonder vrouwelijke hulp was de held nooit bij het monster geraakt, laat staan weer veilig buiten het labyrint gekomen.)

In het fraaie werk van studio Gijs Van Vaerenberg – een samenwerking tussen Pieterjan Gijs en Arnout Van Vaerenberg -denk ook aan hun doorzichtige kerk- was er een eigen interpretatie van het labyrint in het C-mine kunstcentrum in Genk op de vroegere Winterslag koolmijnen-sité ter gelegenheid van het tienjarig bestaan.

Labyrinth” by Gijs Van Vaerenbergh © Philip Dujardin
“Labyrinth” by Gijs Van Vaerenbergh © Philip Dujardin
“Labyrinth” by Gijs Van Vaerenbergh © Philip Dujardin
Gijs Van Vaerenbergh is an artistic collaboration, established by Pieterjan Gijs and Arnout Van Vaerenbergh (both 1983) after they graduated as architects. Central to their practice is a research into the fundaments of constructing and their impact upon the viewer. The duo misappropriates the language of architecture to use it as a medium for relatively autonomous and self-reflexive projects.

Their interventions transform space and lay bare underlying, almost evident qualities. Among their earlier works are: ‘The Upside Dome’ (Leuven, 2010), ‘Reading between the Lines’ (Borgloon, 2011), ‘Framework’ (Leuven, 2012) and ‘Bridge’ (Brussels, 2014).
“Labyrinth” by Gijs Van Vaerenbergh © Philip Dujardin

Zo was het beeld van de gang in het kleine-kinderhuis een begin van een uitwaaierende exploratie. Maar je mag ook het woord niet vergeten, zeker als het in de architectuur van een gedicht is verpakt. ‘Meester’, van een meester: Joost Zwagerman. Hij beschrijft een erg bekende schoolfunctie van de ‘gang’.

Meester

Meester stelt in de klas een vraag.
Jij bent niet in die klas,
Jij moet wachten op de gang.

‘Wanneer is iets kunst?’
De kinderen schrijven een antwoord op.
Tom/Kick: Als het mooi is.
Max: Als het zomer is.
Bodhi: Als het een beetje cool is.
Ebba: Als je in een museum bent.
Jules: Als het licht geeft.
Selma: Als je je best hebt gedaan.
Quirijn/Kesso: Als iets glimt.

Jouw antwoord doet niet mee.
‘Als God Zijn zegen geeft.’

Altijd sta je te wachten,
en altijd is het wachten
op een langer wachten.

Meester laat je achter in de gang.
Je staat er nog, nu al zo lang.

Joost Zwagerman (1963-2015)
uit: Wakend over God (2016)

Mensen en modellen: een verbeelde gemeenschap?

Jacques Blézot The busy man, 2016

Er was eens een zakenman die niet kon stilzitten, maar ook stilstaan of zelfs stilliggen was voor hem een moreel probleem. Toch was deze actieve eigenschap niet dadelijk waar te nemen als je bijvoorbeeld met de man van gedachten wisselde omtrent de lopende coronacrisis of het nijpend drinkwatertekort in de toekomstige samenleving. Hij luisterde aandachtig, formuleerde enkele goed onderbouwde stellingen, besloot rustig met een hoopvolle oplossing en hoopte dat het niet zo’n vaart zou lopen en dat hij had genoten van deze korte maar intensieve ontmoeting waarbij hij niet vergat de groeten voor mevrouw en kinderen in zijn slotzin onder te brengen.

Niemand echter besefte dat hij ondertussen de huidige beursstand van zijn net verworven aandelen had vergeleken met de goede raad van een deskundige collega en dat daardoor de aankoop van een nieuwe koelkast tot de mogelijkheden begon te horen waarvoor het bedrag nog in de vroege uren bij het risicokapitaal was geklasseerd. Om maar te zwijgen dat de drinkwaterdiscussie hem aan een afspraak bij de uroloog herinnerde die hij vorige week door een dringende niet vooruit geplande vergadering had moeten cancellen. Om volledig te zijn was er ook de goudprijs en de aanvraag van een studiebeurs voor zijn oudste dochter met de organisatie van het vervoer naar de voetbaltraining van zijn jongste zoon door zijn hoofd gegaan en zonder al te veel omhaal in het juiste gedachtenvakje geklaseerd nog voor hij op zijn kantoor arriveerde.

‘Training en een goed gecontroleerde ademhaling,’ antwoordde hij toen ik hem bij een etentje ontmoette waar we over opvattingen omtrent sociale huisvesting zouden praten met het oog op een gemeenteraadszitting diezelfde avond.
‘Onze tijd op aarde is beperkt, dat hoeft geen betoog als we er aan denken dat het over enkele maanden al weer eens kerst en nieuwjaar zal zijn terwijl de vorige vieringen daaromtrent niet eens zo lang geleden hebben plaats gevonden. Een goede denkhygiëne is dan ook het enige middel om hoofd- en bijzaken van elkaar te onderscheiden.’
Of hij misschien wel eens wakker lag van al die drukte in zijn hoofd, het voortdurend multitasken?
‘Ik beschouw het als een sport. Dat betekent dat concentratie erg belangrijk is. Op dit ogenblik heb ik geen enkel ander idee dan de inhoud van dit gesprek. Wel voel ik een zijlijn naar een symposion over collegialiteit en vriendschap, besef ik dat er nog een meeting op me wacht over het absorberende van de kapitaal-onrust, maar ik blokkeer die zijpaden omdat ze mijn energie die ik hier nodig heb onnodig zouden verbruiken. Dat is enerzijds training maar anderzijds openstaan voor het genot van de flexibiliteit. U draagt overigens een mooie das.’

Businessman high jump pop art retro style.

Zijn wederhelft was duidelijk met de bovenstaande wijsheid in het drukke hoofd gekozen. Ze vormden samen een team in dezelfde business. Hun electronische agenda’s waren piekfijn op elkaar afgesteld en er was voldoende ruimte om samen met de kinderen leuke dingen te doen en het geruzie te laten.
‘Ruzie immers tast de energie aan, verlaagt de streefdoelen aanzienlijk.’
‘Maar slapen, tot rust komen, dat moet niet gemakkelijk zijn!’
Hij schudde zachtjes zijn goed verzorgd hoofd en keek me in de ogen.
‘De kortstondigheid van ons bestaan vraagt dat we zuinig zijn met zorgen, beste. De meeste zorgen ontstaan uit mentale slordigheid. Niet goed of genoeg gepland, niet naar juiste waarde ingeschat, of te lange rouwprocessen bij mislukkingen, ik noem maar wat.’
‘Wij zijn tenslotte maar mensen, en…’
‘Nagel op de kop. Wij zijn tenslotte maar mensen, dat is een basisbegrip in onze planning.’

Nieuwsgierig geworden naar de diepere beweegredenen van dit drukke bestaan nodigde ik hem graag uit om samen een goed glas wijn te drinken. Met de wijn kwam het gesprek op onze oenologische voorkeuren en bijgevolg ook op de plaats van al dat lekkers, de wijnkelder die in zijn woning ook nog een andere functie had vervuld.

‘Onze oude wijnkelder heeft een heerlijk lange galm. We besloten dat het leuk zou zijn opgekropte weerstanden -om frustraties een andere naam te geven- in deze ruimte geheel privé uit te schreeuwen, maar dat kwam toch eerder als teken van innerlijke zwakte over, en toen een van de kinderen geheel toevallig ongewild getuige werd van een reeks nogal brutale verwensingen aan elkaars adres hebben we ons herpakt. Het was de laatste stuiptrekking van het oude denken. Alsof de gemoedsrust een waarborg zou zijn voor betere prestaties. We hebben onszelf statistisch onderzocht: een klare definitie, een gemiddelde, de totale som gedeeld door het aantal, een kind kan de was doen, en met de mediaan te onderzoeken kom je verder dan met wat een zielefluisteraar je kan bijbrengen.
Ordenen, analyseren en interpreteren. Je zou ze boven elk kinderbed moeten hangen deze kostbare woorden. Ik heb meer van de variatiecoëfficiënt geleerd -de resultaten van verschillende onderzoeken met elkaar te vergelijken- dan wat er ons aan groepsvorming in de psychologie wordt voorgehouden. En niet bang zijn om jezelf te corrigeren, laten we dat niet vergeten. Met de standaardafwijking en de variatiecoëfficiënt kun je jezelf vrijwel niets meer wijs maken. Ik gebruik nu de eenvoudigste begrippen omdat wij een andere taal spreken: wij modelleren de werkelijkheid, dat hebben we gemeenschappelijk met onderandere de psychologie, het gaat tenslotte om het verwerken van informatie door bijvoorbeeld computersimulaties te gebruiken. Dat is niet moeilijk om te begrijpen. De werkelijkheid is beter met cijfers te vangen dan met romans of emotionele reacties.’
Tijd om het glas te heffen.

‘Maar vergis je niet, wellicht hebben we het over hetzelfde: het beheersen van diezelfde veel besproken werkelijkheid. De interactie tussen boze echtgenoten heb ik via enkele eenvoudige wiskundige modellen beter leren begrijpen dan met een goed bedoeld dieptegesprek bij de therapeut. En tussen dezelfde haakjes: in 1907 bedacht Einstein een modelsysteem waarin hij het basisidee van zijn algemene relativiteitstheorie kon uitdrukken: personen in een lift zonder ramen. Die personen kunnen geen onderscheid maken tussen een verblijf op aarde en een toestand waarin de lift in een raket gemonteerd is en waarvan de motor een versnelling genereert die gelijk is aan de zwaartekrachtsversnelling op aarde. In beide gevallen voelt de persoon een kracht in de richting van zijn voeten. Ook kan de persoon geen onderscheid maken tussen een lift in vrije val en een in een baan om de aarde. Dat model werkte hij in 1915 uit tot zijn algemene relativiteitstheorie.’
Stilte genoeg om even het glas te hervullen en te nippen.

Hij zat op een bank in zo’n ondergeschoven parkje tussen de stadskern, villawijken en de buitenwijken. Hij zag me schrijven, notities voor mijn stuk over modellen en de werkelijkheid. Sjofel zou je als bijvoegelijk naamwoord kunnen gebruiken om zijn kleding te beschrijven.
Of ik ook ‘sprookjes’ schreef voor een of andere krant?
‘Sprookjes? Neen. Integendeel. Ik probeer de werkelijkheid te begrijpen.’
Hij stak zijn wijsvinger op alsof hij in de klas zat.
‘U zit hier op een goede plaats. Op de grens.’
Hij ging rechtop staan, spreidde zijn armen, keek naar links en dan naar rechts.
‘Bedoelt meneer de werkelijkheid van die kant -de villawijken- of van die kant -de buitenwijken-?
Mijn verbazing gaf hem moed.
‘Langs die kant hebben de kinderen een grote tuin met wel eens een zwembad inbegrepen, ieder kind een computer voor het zogenaamde afstandsleren en misschien ook een tweede verblijf aan zee of in de ardennen. Aan de andere kant…’
Hij wees naar een van de grote woonblokken en zweeg zodat ik ruim de tijd tot invullen kreeg.
‘Over die kant -de welstellenden- krijgen we geregeld nieuws te horen en weten we via allerlei programma’s zoals ‘huizenjacht ‘of’ blind gekocht’ hoe het eraan toe gaat, wat ze hebben en nog niet hebben, maar van die kant…? ’t Is maar dat u het weet, nietwaar?’
Hij salueerde en liep richting woonblok.

Een sprookje?
Zouden de computersimulaties van mijn drukke zakenman het al eens een keertje over ‘dat’ deel van de stad hebben gehad? Of was de stad van de modellen inderdaad een ‘imagined community’ zoals Benedict Anderson het samenleven benoemde. Een verbeelde gemeenschap die we met zijn allen kennen en herkennen?
Of is dat ene deel van de stad niet zo geschikt voor computermodellen?
We zijn tenslotte maar mensen.

Met dank voor het artikel van Eric Corijn, 18 mei 2020 ‘Het scheefgetrokken beeld van de samenleving’ in Apache/inhoud heerst en helemaal te lezen op:

The Urgency of Now by Karla Rosas and Fernando Lopez, created for ROOTS Week 2020, featuring C. Gypsi Lewis. Click here to read the artists’ statement.

Het gouden september-licht

Helen McNicoll, The Apple Gatherer, c. 1911
Oil on canvas, 106.8 x 92.2 cm
Art Gallery of Hamilton

Nog maar net is de deur naar september geopend als het licht merkbaar van intonatie is veranderd. Was de vroege zon in het oosten de bode voor de lange zomerdag, nu kunnen de ‘vroege vogels’ op dat tijdstip alleen nog genieten van een schitterende ster als Venus, na de zon en de maan het helderste object aan de hemel, eens zij vier uur voor de zon opkomt in het oosten.
En om verder Frank Deboosere te citeren: in de ochtend van 14 september 2020 staat de maan in de buurt van Venus. Een mooie samenstand.

septemberlicht op de varens eigen opname

Het daglicht verschijnt steeds later en door de invalshoek keren we terug naar het mooie strijklicht dat de weemoed van het voorbije verzacht. Het gouden septemberlicht.
September kan nog zomers zijn.
Als kind strekte de grote vakantie zich uit van 15 juli tot 15 september. De herinnering aan het bloeien van de verschillende soorten heide waaruit de meisjes mooie korfjes vlochten om ze dan met pralines te vullen als geschenk voor de gastfamilie is een echte september-herinnering. (dat jaar, 1949, tekende Ukkel 35 zomerdagen op!)
Een weemoedige blik op een vroege-september picknick van dat jaar, met broertje, grootmoeder, tante en vriendinnen.

Corsendonck 1949

Het gouden licht heeft dus ook een herinnerend karakter. Try to remember this kind of september. Ook al ben je dan ‘deep in december’.

Try to remember the kind of September
When life was slow, and oh so mellow
Try to remember the kind of September
When grass was green and grain was yellow
Try to remember the kind of September
When you were a tender and callow fellow
Try to remember and if you remember
Then follow
Try to remember when life was so tender
That no one wept except the willow
Try to remember when life was so tender
And dreams were kept beside your pillow
Try to remember when life was so tender
And love was an ember about to billow
Try to remember and if you remember
Then follow

En dan keren we terug naar de Canadese laat-impressioniste Helen McNicoll van wie het licht van de prachtige appelpluk onze bijdrage opende. In haar ‘Sunny September’ voelen we de warmte van die septemberzon, ruiken we de nabije oceaan, en hoor je de wind in de hoge grassen. Veel septembers heeft ze niet mogen meemaken, en wat dat horen betreft, als kind was ze door een ziekte haar gehoor verloren, maar blijkbaar niet haar liefde voor het licht ook al mocht die grote liefde nog geen 36 jaar duren. (1879-1915)

Sunny September 1913 Helen McNicoll

In het landschap leven, dat is een mooie bepaling voor de kindertijd van toen. De bossen, vennen, de slotgrachten rond de vroegere priorij: er was geen verloop van tijd, je ontwaakte, buiten was de tafel gedekt, je voederde de eenden en de geiten, en was je moe dan lagen er wel ergens dekens of kussens waar je een slaapje kon doen. Alle leeftijden leefden door elkaar heen, vertelden hun verhalen, gingen op ontdekkingstocht en haastten zich naar huis bij naderend onweer om dan aan de grote ramen naar het prachtigste vuurwerk te kijken, dicht en veilig bij elkaar. Try to remember.

Easter Lilies Helen McNicoll 1907

Het licht van alle seizoenen bundelt zich in de nadagen van de zomer. Het zich herinnerend licht. Met de voornaam van mijn stille grootmoeder, Theresia, verbind ik ‘Trezekes-zomer’, de kleine zomertjes in het najaar, vooral rond het feest van de heilige Theresia al is dat eerder een zonnige periode in de tweede helft van oktober. En volgens de weerspreuken kon hij wel vijf dagen duren.

15 oktober (Sint Teresia) :
Sint-Trezeke plukt het laaste bezeke
Een schoon nakomerken, is Trezia’s zomerken
5 dagen zonneschijn om elkeen te verblij’n

Ik verbind het zomertje dan maar met de appelsoort, Trezeke Meyers die eind september kan geplukt worden en tot februari te bewaren is.

Zacht licht in een september-namiddag

Aarzelend kwamen ze onder de atlasceder voorbij drijven, september-wolkjes. De zachte zon zou niet lang blijven. Twijfelweer. Maar met het zachtste licht dat er voorradig was, en met de waarschijnlijke zekerheid dat het zou terugkeren de volgende septemberdagen. En of zoals dichteres Hanny Michaelis schrijft het licht ‘ziek’ zou zijn: ‘De bomen roesten in het zieke licht…’ kan ik betwijfelen, al weet je dat zoals in ‘Laat septemberlicht‘ van Paul Rodenko het onontkoombare van het sterven niet kan gecamoufleerd worden. Toch is september een halflichte zolder voor onze zomerherinneringen. Zelfs Frank Sinatra zingt een fraaie ballade daaromtrent: ‘The september of my years’, en hij doet dat voortreffelijk.

The September Of My Years

One day you turn around and it's summer
Next day you turn around and it's fall
And the springs and the winters of a lifetime
Whatever happened to them all?

As a man who has always had the wand'ring ways
Now I'm reaching back for yesterdays
'Til a long-forgotten love appears
And I find that I'm sighing softly as I near
September, the warm September of my years

As I man who has never paused at wishing wells
Now I'm watching children's carousels
And their laughter's music to my ears
And I find that I'm smiling gently as I near
September, the warm September of my years

The golden warm September of my years
Helen-McNicoll-Watching-the-Boat-1912

Luister-landschappen

Foto door Jonathan Petersson op Pexels.com

Je oor te luisteren leggen.
Als kind dacht ik dat er een mensensoort bestond die de oorschelp van het hoofd kon verwijderen en die dan ergens ‘te luisteren legde’.
Hoe de verbinding van het losse oor met het nog immer vaste hoofd moest gelegd worden deed niets ter zake. Digitaal zou dat vandaag overigens geen enkel probleem zijn.

Ietsje wijzer, toen ik vernam dat het horen in dat hoofd plaatsvond en de schelp blijkbaar zich tot het afschermen en opvangen van de ruimte beperkte, droomde ik ervan die schelpen te kunnen richten en ontdekte ik de verbreding ervan door mijn hand achter die schelp te houden en daardoor een ruimer of gerichter klankveld te ontdekken.
Meestal dienen de handen, of de wijsvingers, om je oren toe te stoppen en je af te schermen van ongewenste geluiden ook wel eens ‘lawaai’ genoemd.

Met het ruiken is luisteren naar de omgeving een van onze minst ontwikkelde eigenschappen.
Er is een voorgrond, een middenveld en een achtergrond. Er is dus diepte, maar ook afstand van links naar rechts en omgekeerd. En de mix. Ruimte dus.

Laten wij je meenemen naar een ongemonteerd geluidslandschap uit toch al vervlogen tijden. Op de achtergrond hoor je de golvende ondertoon van van een briesje en dichtbij heerst nog wat dit blog zachtjes propageert: stilte.
Stilte is dus niet het ontbreken van geluid, maar een omgeving waarin de natuurlijke geluiden van het landschap je omgeven. Met koptelefoon of goede boxen te genieten. Sluit je ogen en je bent in een lang voorbije zomer in een hoeve-tuin met huiszwaluwen, zwaluwen, duiven, roeken, bijen en sprinkhanen. Een klanklandschap van vierhonderd en tien seconden, 6 minuten 48″.

Foto door Jonathan Petersson op Pexels.com

Nog een beetje vroeger, bij het zomerse ochtengloren is het nog stiller. Bijna geen wind meer. Alleen een ver beekje denk ik. Einde van de nacht.
Dit landschap kon je vroeger ook nog horen bij zonsopgang aan de rand van de stad en is nu helaas vrijwel geheel verdwenen. De vogels zwijgen. Ze zijn er niet meer.
Hier hoor je een grote diversiteit omdat dichtbij en de verte maar ook de breedte het waarnemen vervolledigen.
Een verloren landschap?
De kinderen en kleinkinderen van onze kinderen hebben misschien alleen nog deze opname als herinnering. Ongemonteerd. Zoals het toen was.

Foto door Johannes Plenio op Pexels.com

Kijken met de oren moet beloond worden. Daarom deze wondermooie opname van twee nachtegalen. Allerlei informatie over deze wondere vogel vind je zeker bij Natuurpunt.
Wie hem hoorde zingen, vergeet het nooit. Luscinia megarhyncos heet hij in het latijn. Deze twee zangers zijn bijzonder dichtbij opgenomen, een prachtig document uit het BBC-geluids-archief.

Beatrice Harrison was een bekende Britse cellist. In haar tuin in Oxted zat een nachtegaal die bleef zingen terwijl Beatrice zat te repeteren. Dat bracht haar op de idee om een duet live uit te zenden op de BBC. Meer dan 1.000.000 luisteraars konden op de radio luisteren naar een cello-uitvoering van Songs my mother taught me (Dvořák), Chant Hindu (Rimsky-Korsakov) and the Londonderry Air (the tune of Danny Boy) met nachtegalengezang ertussendoor. De respons was overweldigend. In de weken die volgden op de uitzending ontving Beatrice Harrison meer dan 50.000 brieven van verrukte luisteraars. Zondermeer het meest succesvolle nachtegalenconcert ooit.(bron:  Natuurpunt)
Vroeger hadden volgens de volksmythologie zowel de nachtegaal als de hazelworm elk één oog. Beide konden goed met elkaar opschieten. Toen de nachtegaal op een bruiloft was uitgenodigd, stal hij het oog van de hazelworm zodat hij met twee ogen op het feest kon verschijnen. De hazelworm was woest en vastbesloten om zijn oog terug te pakken wanneer de nachtegaal sliep. De nachtegaal wou het oog echter kost wat kost houden en besloot daarom nooit meer te slapen. En sedertdien zingt hij dag en nacht, om niet in slaap te vallen.(bron: Natuurpunt)
Een Europese studie uit 2008 onderzocht de voorbije 26 jaar de status van 124 algemene vogelsoorten. De conclusie was alarmerend: 56 soorten (45%) gaan er in 20 Europese landen op achteruit. Wie kreeg op Europese schaal de zwaarste klappen? Kuifleeuwerik (- 95%), kleine bonte specht (- 81%), patrijs (- 79%), draaihals (- 74%), tapuit (- 70%), nachtegaal (- 63%), zomertortel (- 62%), matkop,(- 58%), kievit (- 51%) en Europese kanarie (- 41%).(bron: Natuurpunt)

Richt je tuin in als lustoord voor het gevogelte. Nu de winter voor de deur staat kunnen ze menselijke hulp goed gebruiken. Hou je geliefde katten ’s nachts binnen. Laat de luister-landschappen weer live leven in je nabijheid.

Vogels

De taal behoort aan de vogels
ik ben te mens om te vliegen
ik sta als een huis op de wereld
gebouwd en dik uit aarde

ik ben ongeveer degene
die schuilgaat binnen de muren
en uitvloeit achter de ramen
van de blauwe achterkamer

het geurt er naar mest en naar liefde
er staat een plant in een kooi
de taal behoort aan de vogels
de mens schuilt weg in het woord –

Gerrit Kouwenaar (1923-2014)
uit: Hand o.a. (1956)
Foto door Irina Iriser op Pexels.com

De luisterlandschappen zijn eigendom van de BBC-soundeffects en mogen alleen voor persoonlijk gebruik of onderzoek gecopieerd worden. Voor commerciële doeleinden neemt u best contact op met de BBC.

https://blog.prosoundeffects.com/how-to-license-bbc-sound-effects-to-use-in-your-commercial-productions

Muziek met vogels in het hoofd geschreven.

Meesterlijk spelen met ‘-ismen’: Nils Dardel (1888-1943)

‘Ett hjärta i brand – Hart in brand – Heart on fire

Schilder Nils Elias Kristofer von Dardel (1888-1943) -laten we hem in de wandeling Nils Dardel noemen- kwam, nomen est omen, uit een Zweedse adelijke familie, oorspronkelijk van Zwitserse nationaliteit. Met een grootvader als diplomaat en artiest, (Fritz von Dardel) lid van de Koninklijke Zweedse Kunstacademie in Stockholm waaraan zijn kleinzoon later zal studeren, zijn er ook financieel weinig of geen problemen om de toenmalige wereld te bereizen.

Self-Portrait 1906 oil on canvas

Net zoals menig ander Zweeds kunstenaar uit die tijd trekt hij al vlug, in 1910 naar Parijs waar hij vooral bij ‘Les Fauves’ en de Post-Impressionisten, als bij Japanse houtsnedes, inspiratie vindt. Hij verkent het Pointillisme, en leunt even bij het Cubisme aan. Hij zal hoofdzakelijk tot in 1939 in Frankrijk verblijven.
In 1912 ontmoet hij er, vriend, en zeggen we meteen lover: de rijke Zweedse diplomaat Rolf de Maré die ook zijn mecenas wordt. Hij adviseerde hem bij de uitbouw van zijn indrukwekkende Modernistische Kunstcollectie. In 1920 zal de Maré met zijn hulp de kortstondige maar legendarische ‘Ballets Suédois’ in Parijs creëren.

Rolf de Maré 1916 oil on canvas

After a short sojourn at the Royal Academy of Fine Arts in Stockholm, Nils Dardel went to Paris in 1910, a city where he would spend a large part of his life. Here, he was hurled into an intense whirlwind of bars and cafes, where artists and collectors had lively discussions about astonishing new styles of art. Dardel became friends with the German Wilhelm Udhe (1874–1947), who was the cubist Pablo Picasso’s (1881–1973) art dealer and the one who discovered the naivist Henri Rousseau (1844–1910).

The red mill 1913

Udhe took Dardel to the mediaeval city of Senlis, where the artist tried his hand at cubism in Girl with Iron Ball and Rue Ville de Paris in Senlis, that is, he reduced his visual impressions to simple geometric shapes in a subtle grey scale. But this was just a short flirtation. In the idyllic community northeast of Paris, Dardel also painted Funeral in Senlis, hinting at the narrative, almost naivist style for which he soon became known. This painting captures the life of a small French town. The shimmering colours are applied in dabs, and the white choirboys contrast with the mourners dressed in black.

Begravning i Senlis (funeral in Senlis), 1913

Europe changed radically in the early 20th century. The region was being massively industrialised and urbanised, and technology introduced entirely new means of spreading ideas and communicating over national boundaries. The fleeting, ephemeral modern life gave rise to a heightened sensitivity and restless mobility, which was expressed in modernist art. The avant-garde was constantly looking for what had never been seen, and new “isms” were born head to tail: cubism, futurism, orphism, rayonism.

Far – The Father (Axel Klinckoström, father of Nils wife Thora 1920

A compulsive traveler all his life, von Dardel was in Tokyo in 1917 when he met and became secretly engaged to Nita Wallenberg, the daughter of yet another diplomat; the engagement was broken two years later by her family on account of his scandalous lifestyle. In 1921 he married writer Thora Klinckowström. They had a daughter, Ingrid, but divorced in 1934. In 1930 he met another writer, Edita Morris. She was also married – and remained so – but they had a relationship (of exactly what nature I’ve been unable to ascertain) for the remainder of von Dardel’s life. He died of a heart attack in New York at the age of fifty-four and was buried in Ekerö cemetery outside of Stockholm.

The dying dandy, 2de versie 1918

Nils Dardel is not, however, a pure modernist aesthetically. His works are in conflict with the times in which he lived, a modern age that was preoccupied with keeping up with the latest fashions and did not fully appreciate an artist who never quite embraced the avant-garde. Dardel had an old-fashioned way of using stories and myths to portray an ambivalence about being both seduced and outraged by the onslaught of modernism. His style is reminiscent of a mixture of naivism and late-19th century symbolism.

Interior, familjen idyll, 1925

His private life became public in a way that nearly took over entirely, as if the “role” or “mythical figure” of Dardel stood in the way of the artist. It has been too tempting to link his pictures to his biography, basing the interpretation of his works on his life. His works are ambiguous; a seemingly banal and innocuous trait can suddenly swing into its diametrical opposite. Seriousness and irony co-exist, and many of his works have several parallel storylines. This parallelism also entails that the narratives in his works have multiple entry and exit points. This ambiguity is present equally in his person and his works. His is a dual nature that attracts and is attracted by both men and women.

The return to the playgrounds of youth (1924)

The often wild combination of laughter and tears, seriousness and madness that characterises Dardel’s art has a kinship with the dadaist and surrealist art circles in which Dardel moved, especially in Paris. In his works, he presents his private life and modern, independent individuals in a role play about identity and how it can be created and recreated. Like he created a persona for himself – the democratic dandy, says John Peter Nilsson, curator of the collection.

The waterfall, 1921 canvas laid down on panel

Karl Asplund called him a “man of opposites”. Could this ambiguity stem from a mindset typical of the early 20th century? I would claim that Nils Dardel is a modern artist – albeit not unequivocally a modernist. He is torn not only between an inner and outer reality, but also between tradition and regeneration. He never grapples with modernist formal experiments, with the exception of the period immediately after his time at the Academy, when he belonged to the group De Åtta (The Eight). On the contrary, his style is more reminiscent of a mixture of naivism and late-19th century symbolism. His sensitivity can also be interpreted as a status marker, according to Karin Johannisson, of the kind used by the upper classes during La belle époque to indicate that their nerves were finer and more delicate than those of other classes. But he fills his works with modern contents, especially when he blends fiction and fact, thereby expanding his oeuvre into a private mythology.

Konversation, 1918 watercolour

I am not convinced that Dardel’s works contain a secret language. The dual coding is of a more associative nature. It is a role play that broadly concerns how identities are created and recreated. Role play has been the fundamental basis of social psychology since the 1920s. In his seminal work The Presentation of Self in Everyday Life from 1959, Erving Goffman developed this concept by transferring metaphors from theatre, such as acting, costume, prop, script, setting and stage to social behaviours. It was no longer a privileged few who could play around with their image. As social media offer new opportunities for self-representation, role play has become available to more and more people.

One of the clearest exponents of this development is probably David Bowie. His various enactments of himself form a rich patchwork of historical references that I, like the exhibition David Bowie is at the V&A in London (2013), dare say is a multi-performative work of art in its own right. In the exhibition catalogue, Camille Paglia provides a historical perspective on Bowie’s gender-transcending role play: “Bowie’s theatre of gender resembles the magic-lantern shows or phantasmagoria that preceded the development of motion-picture projection.” And she continues: “The multiplicity of his gender images was partly inspired by the rapid changes in modern art, which had begun with neoclassicism sweeping away rococo in the late eighteenth century and which reached a fever pitch before, during and after World War I.”

The grashopper, oil on canvas 1931

Paglia is referring to the milestones of dandyism, and Bowie himself claims to be deeply influenced by all art forms, but perhaps most of all by expressionism and dadaism. If we study Bowie and his array of personas, he was undeniably inspired by the radical and liberated art scene that prevailed around World War I. The same era shaped Nils Dardel’s boundary-crossing artistic oeuvre. Can’t you just see him standing in for the Thin White Duke!? (Text: John Peter Nilsson, curator)

Dreams and imiginations, 1922 watercolour

Een mooie vergelijking was dat, en ik heb geprobeerd ze aan te vullen met bovenstaande aquarel uit 1922. Anders dan de dandy die in de 19de eeuw op ‘eenzame hoogten’ de samenleving probeerde te bekritiseren door haar strevingen overduidelijk te benadrukken, is de ‘democratische dandy’ in ons allen aanwezig. Nils Dardel gebruikte een brede waaier van de voorhande liggende -ismen om het verhaal dat wij spelen tot ons verhaal te maken, de artistieke hoogten te laten voor wat ze zouden zijn, en de bevrijdende fantasie te verlossen uit haar vaak pretentieuze cenakels. Net zoals zijn fantasie kent ook zijn tederheid geen grenzen want ook spelend blijven we eenzame spelers die alleen op mededogen van de medespelers mogen rekenen.

Gosshuvud, 1908
Boy’s head

Bronnen: https://www.modernamuseet.se/stockholm/en/exhibitions/nils-dardel-and-the-modern-age/the-democratic-dandy/

http://dardel.info/famille/artistes/NilsDardel/NilsDardelE.php

NILS VON DARDEL, PEINTRE DE LA VIE ÉLÉGANTE

http://godsandfoolishgrandeur.blogspot.com/2019/07/the-brightly-lit-and-precious-dark.html

Self-portrait with hat in marvellous shades of gray

De ‘rozenvingerige’ toont zich in de vroegte.

Ferdinand Knab Das Schlossportal 1881
Het aantrekkelijke van romantische gesloten kasteelpoorten bij vroege morgen bestond in het beseffen dat je zeldzaam of nooit een dergelijke morgenschemering in werkelijkheid zou meemaken zoals het onzichtbare kasteel achter de poort slechts in de verbeelding te zoeken was, laat staan bewoonbaar zou zijn.


De schilder, Ferdinand Knab (1834-1902), afkomstig uit het bouwwezen en aangestoken door een verblijf in Italië kon als geen ander landschappen, ruïnes en schemeringen met elkaar verbinden, misschien beseffend dat tijdens zijn leven ‘de wereld van toen’ nooit meer zou terugkeren. Spoorwegen en fabrieksimplantaten, versteedsing en de opmarsj van een gemechaniseerde wapenindustrie, de wreedheid van de nog in de tijd verborgen wereldoorlogen, zouden het begrip ‘ruïne’ een heel andere inkleuring bezorgen zoals je dat deze dagen nog in Beiroet (eens het Parijs van het Midden-Oosten) kon vaststellen.

May Morning on Magdalen Tower 1890 William Holman Hunt (1827-1910)

De ‘vroege morgen’ is anderzijds ook niet dadeljk een tijdstip waarbij de hedendaagse beschouwer een rilling van herkenning door de ziel voelt gaan.
Dat was anders bij een Engelse tijdgenoot van Knab, William Holman Hunt (1827-1910) die levenslang trouw aan de principes van de Pre-Rafaëlieten een ‘mei-morgen on Magdalen Tower’ (Oxford) laat zien en naast een menigte jochies en uitgegroeide begeleiders het geheel in een mooi rozenvingerige morgenstond laat baden. Het lage zonlicht, de overvloed aan roze wolkjes, de zingende bewegingen, wandelend over een overvloed aan rozen, het hemelse is blijkbaar niet ver weg al kan de aandachtige toeschouwer best heel aardse reacties en houdingen ontdekken.

Hier enige achtergrond:
‘Every 1 May, at 6am, the choir of the college (including boy choristers from nearby Magdalen College School, and never women) sings two traditional hymns — the Hymnus Eucharisticus and “Now Is the Month of Maying” — to start the May Morning celebrations in Oxford. Large crowds gather in the High Street and on Magdalen Bridge below to listen, before dispersing for other activities such as Morris Dancing.’ (Wikipedia)
Voor wie het in het echt wil zien, een leuk video-dagboek uit 2016 waarin de betrokkenen echt wel mensen van nu blijken te zijn, zonlicht van de vroege meidag inbegrepen. Dit jaar was dat zonlicht er wel maar de zangers gingen nu virtueel

Wil je nu daar een synthese van dan kan ik je alleen maar Monet’s zonsopgang laten zien uit 1873.
Het diffuse is vrijwel het hoofdthema geworden met de rode bol van de opkomende zon als uitzondering. Waren alle andere afbeeldingen eens een soort bevroren fragmenten waarin de kunstenaar het landschap of portret van dat moment dienstig maakte om voor alle andere landschappen geldig te zijn, zonder dat vermoeden van verandering aan te raken. Monet en zijn impressionisten nemen de verandering zelf als onderwerp. Hier besef je dat de werkelijkheid er niet toe doet maar wel haar innerlijke beweging, haar voortdurende verandering ook in beeld kan gebracht worden door wat je toont niet te bevriezen in een eeuwige stilte maar als ‘impressie’ van je waarneming te verbeelden.

Monet 1873 Sunrise

Bij Caspar David Friedrich wordt het morgenlicht in zijn overvloed net in contrast met de donkere gestalte op de voorgrond duidelijk. Ze kan alleen haar armen lichtjes openen alsof ze daardoor net meer van dat prachtige licht kan ervaren.
Misschien ken je dat gevoel. Het licht dat de schilderijen heeft verlaten alsof het in werkelijkheid slechts een droom van de schilder zou blijven en nu totaal onverwacht voor jou zichtbaar wordt.

Caspar David Friedrich Frau in der Morgensonne

Een vroege morgen enkele dagen geleden. Slapen kan straks om de middaghitte te ontlopen. Je vraagt je af of je gedroomd hebt, je schuift het overgordijn weg, en achter de bloem-geweven tekeningen, door het fijnmazige muggenhor zie je met eigen ogen het oosten oplichten en kruipt de zon boven de huizen .

Dageraad begin augustus eigen opname

Dit is mijn beste opname want het blijft ook voor moderne camera’s niet helemaal vatbaar. Rozig, rood, geel, steeds veranderend.
Eos, de morgen mocht ik met haar rozenvingerige gloed aanraken (ροδοδακτυλος — rhododaktylos) haar epihteton waarmee Homeros haar steeds benadert.
Ze heeft een saffraankleurig kleed aan, ((κροκοπεπλος — krokopeplos: krokus = rood-saffraan = de stamper van de crocus sativus) en haar wagen wordt door een tweespan getrokken: Lampos (= fakkel) en Phaëthon (= de stralende). Ze heft de donkere sluier van de nacht op en strooit rozen op de baan waar weldra haar broer Helios, die in het oosten vanuit de oceaaan oprijst met zijn zonnewagen zal verschijnen.
Guido Reni heeft de stoet in 1614 geschilderd als fresco voor het tuinhuis van het Pallazzo Pallavicini-Rospigliosi in Rome. (klik om te vergroten op onderschrift )

Maar ik heb haar die morgen met eigen ogen gezien; de rhododaktylos.
Dus heb je slapeloze nachten, wacht op de morgen, open je raam en kijk naar het oosten. De poort naar het kasteel is even opengedraaid, de vroege muziekwolkjes boven Oxford komen jouw kant uit, en je zult Monet begrijpen als je al dat prachtige elk moment weer ziet veranderen terwijl je geen woorden vindt om het vast te houden. Dan open je maar de armen zoals de vrouw bij Friedrich en je drinkt het licht met je ogen. Of je kijkt naar Eos, de rozenvingerige en je hoopt haar nog vaak te mogen begroeten.

Eos by Evelyn De Morgan, 1895

WAYNE NGAN (1937-2020): The clay body, like a soul in a person.

White Vase
Stoneware
19x17x13 cm
Photo © Goya Ngan
'I am looking for life…Like ashes are very good materials for glazes. But the glaze on a pot is only a coat; the beauty that’s behind is the clay body, like a soul in a person. Sometimes the person who makes the pot is also a contributing factor. And the fire too. If you have an electric kiln it only radiates fire; it is not live fire. It doesn’t matter how hard you try, what comes out..is artificial. The kiln is like a womb, like a mother.' (Quoted in Judy Thompson Ross, Down to Earth. Canadian Potters at Work, 12-15).
Yellow Vase
Stoneware
13x16x9 cm (Photo © Goya Ngan)

In juni 2020 overleed de 83-jarige Chinees-Canadese kunstenaar Wayne Ngan. De schoonheid van zijn werk zal hem lang overleven. Woorden zijn vluchtiger dan klei, maar in de oven van de verbeelding raken ze elkaar.

When Wayne Ngan arrived in Vancouver from his native China at the age of thirteen, he was encouraged to go on to the Vancouver School of Art. Although Ngan was especially interested in painting, he enrolled in the least expensive studio course, pottery. Graduating with honours, Ngan set up his own pottery and sculpture studio, began to teach, and gave pottery workshops. Later, he settled on Hornby Island, off the west coast of British Columbia. This move signalled a turning point in Ngan’s development as a craftsman, since it established his dedicated commitment to ceramics and initiated the process of integrating his craft with his environment. Within this stimulating island environment, Ngan renewed his interest in his Oriental heritage, and began experimenting with raku pottery, salt glazes and Chinese brush techniques.

Sung dynasty inspired wood-fired kiln

Preferring the spontaneity and directness of ancient Oriental pottery, Ngan studied in China and Japan and was particularly impressed by the pure forms and etched decorative surfaces of China’s Song dynasty and Korea’s El dynasty. On his return to Hornby Island, he adapted these pottery styles and techniques to his own ceramic vessels.

Five Sculptures Painted Plate
Stoneware; slip painting
8x37x37 cm

Pottery is at once the simplest and the most difficult of all the arts. It is the simplest because it is the most abstract.

[T]he art is so fundamental, so bound up with the elementary needs of civilization, that a national ethos must find its expression in this medium.

Pottery is pure art; it is art freed from any imitative intention … pottery is plastic art in its most abstract essence.

-Herbert Read, The Meaning of Art (1931)

Sculptural Vase with Black Decoration and Orange Circle
Stoneware
34x36x14 cm
Photo © Goya Ngan

Many potters state that one of their first memories of working with clay was as a youngster. Wayne Ngan is no exception. The celebrated artist remembers that as a child he dug clay with his own hands creating objects to amuse him while his mother worked in the rice paddies. At the age of fourteen, he immigrated to Vancouver with his grandfather. Some years later he briefly studied at the Vancouver College of Art before leaving the city to build a home and studio on Hornby Island in 1967. Over the years he traveled to China and Japan studying ancient ceramics and the secrets of wood firing kilns. Back in his studio he repeatedly threw the shapes he admired until he had perfected them. His goal then, as now, is to create pure shapes with minimal decoration based on those from the Sung Dynasty and the Yi of Korea that are alive.

Sculptural Bottle
Stoneware; Yukon black glaze
33x27x9 cm
Photo © Goya Ngan

‘Working with clay is, I think, part of my nature. It is easy, the most flexible medium I can imagine. Through clay I can touch all four basic elements: earth, water, fire and all, and bring those four elements back to life.’

Hakeme Bottle
Stoneware; white glaze on dark slip
27x18x16 cm
Photo © Goya Ngan

Het staartje van de academie, o ja, pottenbakken, weggezet als naarstige bezigheid van de dames die ook iets artistiek willen. Inderdaad een vrouwelijke kentrek: aarde en vuur verenigen maar vaak tot het utilitaire herleid omdat het resultaat eerder de keuken en het huiselijke zou oproepen dan het artistieke. Te weinig vertrouwd met het direkte contact van handen en aarde spreekt voor het mannelijke element in de expressie deze kunstvorm een vrouwelijke taal en net daardoor ontstaat het onverdiende wantrouwen.

Bottle
Stoneware; wood-fired
13x9x9 cm
Photo © Goya Ngan
Ook de tijd
vang je
in de met vuur
gestolde klei.
Het ogenblik
duurt duizend jaar
en langer.
Clam
Stoneware; cast iron, metallic, orange and blue glaze
10x30x15 cm
Photo © Goya Ngan
Rond de leegte
de ronding
zonder begin of einde,
een vuren vorm
van tederheid.
Two-tone Grey Vase
Stoneware
16x13x13 cm
Photo © Goya Ngan
Jar with Bronze Glaze 2, 2017, Jar thrown and altered, bronze glaze, sculpted lid, 9.7″H x 18″W, 2017

Ga naar: https://www.waynengan.com/ en https://www.nathaliekarg.com/artists/wayne-ngan

Nooit opengebloeid: schilder Gabriël Deluc (1883-1916)

zelfportret, 17 jaar oud.

Geboren in 1883 in Saint-Jean-de Luz, Basse Pyrenées, bleek Jean Marie Gabriël Deluc een talentvol schilder te worden. Kijk naar zijn prachtig zelfportret, 17 jaar is hij dan, en hieronder enkele jaren later.

Schilder Léon Bonnat laat hem op 15-jarige leeftijd toe in Bayonne’s gemeentelijke tekenschool. Twee jaar later krijg hij een plaats in Bonnat’s studio in Parijs. (1903) Tot 1912 zal hij in Parijs leven en werken en belangrijke mensen leren kennen zoals Ossip Zadkine, Marc Chagall en vooral Alexandre Altmann die zijn vriend wordt en met hem enkele zomers in Baskenland doorbrengt.

L’ intimité

In 1906 neemt hij voor de eerste keer deel aan ‘le salon des artistes français’ en krijgt hij een eervolle vermelding voor zijn stemmingsvol schilderij ‘L ‘Intimité’. Hij blijft deelnemen, zowel aan dit salon als aan het ‘salon des Indépendants’.

Le Chévrier

In zijn geboorteplaats schildert hij het grote doek ‘Le Chévrier’. Een ander doek, helemaal in de tijdsgeest, ‘La Dame’ (of ‘De dans in het heilig woud) presenteert hij in 1910 op het salon des artistes français. Mecenas Edmond de Rothschild zal het aankopen en aan de stad Bayonne schenken.

La Danse

Op 3 september 1913 huwt hij Thérèse Mahé. Plaats van plechtigheid: het stadhuis van het XVIde arrondissement van Parijs.

Het stadhuis met aankondiging van tentoonstelling rechtsonder

Hij neemt in 1914 nog deel aan het salon des artistes français en engageert zich dan in het Franse leger, eerst als hospic maar in 1915 vervoegt hij de gevechten, wordt vlug sergeant en daarna onderluitenant. Ter plekke schetst hij het soldatenleven. Werk dat meestal verloren is gegaan. Op 15 september 1916 wordt hij bij een opdracht in niemandsland gedood. ‘Tué à l’ ennemi’ zoals op zijn overlijdensbericht is ingevuld. Bijna drieëndertig.

Maurice Ravel zal het derde fragment van zijn pianosuite ‘Le tombeau de Couperin’, getiteld ‘FORLANE’ aan hem opdragen. Kijk naar zijn schaars werk en luister naar de mooie muziek van Ravel.

Een jongeman kijkt over de rand van twee eeuwen naar de leegte die hij moest achterlaten.

Een stille feestdag in juli 2020

Een stille feestdag om door huis en tuin te dwalen, het oog in de hand.
Op de televisie geen vrolijk voorbijstappende ‘zorgende’ machten, maar nog een lesbord van de eerste Italiaanse les, en op het salontafeltje de schriften en het cursusboek van kleinkind en vriend die, uit puur heimwee naar Italië, vandaag met hun cursus zijn begonnen. ‘Primi contatti’. Het lijkt wel een betoog over het virus maar de ‘Colomba Classica’ van Pasticceria Flamigni staat er nog mooi ingepakt bij. In feite een paascake in duiven-vorm, Colomba di Pasqua, de tegenhanger van twee Italiaanse kerstdesserts, panettono en pandoro, hier gedecoreerd met geconfijte sinaas.
Of voor de liefhebbers in slecht Google-Nederlands vertaald:
‘Met gist, verse eieren, boter en gekonfijte sinaasappelschil onder een korst van hazelnoot-massa met amandelen en ruwe suiker. ‘
Een vredesduif naar Italiaanse smaak uit liefde ingevoerd vanuit een bijna verlaten Rome. Città aperta. Primi Contatti’!

Beetje verder in de nog stille keuken enkele lege bokaaltjes waar het licht in speelt. Orange marmalade met whisky en appelen-mousseline ter zaliger nagedachtenis. Hun leegte en doorzichtigheid met de bijna vrolijke doelloze etiketten veroordeelt ze tot de glasbak waarna vermalen en smelten hen zal omtoveren tot een of twee glanzende nieuwe nog te vullen wedergeboren bokaaltjes of als vorm in die richting ten dienste van hongerigen of dorstigen. Een vreemd gevoel van ‘eeuwig leven’ als je dat met het eigen bestaan en lijf begint te vergelijken. Of hoe de tijd of vuur het ons-restende tot grondstof zal versmelten en het ‘ik’ weer in de kolkende scheppingsdrang en anonieme groeikracht zal opgaan. Stilleven voor enkele bokaaltjes als aanleiding.

Loop je de tuin in dan zie je de net gearriveerde ‘Sinningia speciosa’ kelkjes blauw-paars te wezen, oorspronkelijk uit de tropische Braziliaanse wouden en in Europa als kamerplant gehouden. Je mag ze ook met de familienaam Gloxinia speciosa aanspreken. Anderen beweren dat het Kaapse primula zijn, maar ongeacht hun identiteit is hun blauw-violet van een bijzondere schoonheid, net zoals het smetteloze wit van de hortensia’s die daarna in crème-kleurig pistache uitdoven.

Op het rustbed kom je onder het gebladerte van een fluweelboompje terecht.
Zie je misschien voor de eerste keer de structuur van hun gekartelde bladeren, voel je de beving van het boompje bij een briesje. Komt de zon door een opening in een seconde-schittering je verblinden maar ben je ook dadelijk weer onder het groene scherm, beschut voor de buitenwereld.

Fluweelboompjes wandelen door de tuin, komen op de meest onverwachte plaatsen weer boven en vullen het hevig groen van de varens aan met hun zachte lange vingers.

Kijk je vanuit de pergola dan tekenen de tachtigjarige stammen van de blauwe regen fraaie lijnen en lussen voor het landschap. Ze schrijven mysterieuze letters die je slechts langzaam leert lezen.
Het kunnen best tekeningen zijn, of de wegen op een landkaart waarlangs je in Anderland terecht komt. Maar uitgekeken ben je nooit.

Net voor je weer het huis opzoekt, schuiven de wolken weg en veegt de zon over de metalen buitentafel. Met al die prenten in je hoofd en gelukkig ook enkele op het kaartje van je fototoestel blijf je je verwonderen hoe weinig wij werkelijk zien in het dagelijks verschuiven van de tijd.
Uitgekeken ben je nooit.

Voeg daarbij de prachtige geluiden van duiven die vanuit het niets een onbeschrijfbare muziek maken, eerst met die onnavolgbare vleugelslag dan met hun repetitieve kort-lang-kort keelgeluid en daarna met hoge snel repeterende vleugelbewegingen weer de lucht ingaan. Opstuivende vogels. Nooit kan een componist dit verlangen naar de hemel ook maar benaderen.
Om maar te zwijgen van het stillere maar teder snel aanvliegen van mezen, mussen en vinken, soms aangevuld met een zeldzame merel die in een scheervlucht uit het niets verschijnt. Van de Colomba Classica naar de ware luchtgedaanten waarin de Geest zich al eeuwen verschuilt.

Een gewone namiddag was het, zonder parades, maar met een overschot aan schoonheid.
Een mooie aanvulling met Resphigi’s ‘Gli Ucelli’, de vogels dus. Bijna twintig minuten in de tuin van het hoofd en de aandachtige ziel.

Van 2004 tot 2009 hebben we enkele onderwerpen samengezet die zich over meer dan één bijdrage uitstrekken.
Later zullen we deze lijst aanvullen.
Zo kun je makkelijker uitgewerkte thema’s lezen.
Je vindt deze collectie bovenaan bij ‘UITGEWERKTE ONDERWERPEN of via de link hieronder

https://indestilte.blog/uitgewerkte-onderwerpen/

‘Adjustments’, gedichten van Alberto Rios (1952)

Fernando Martinez, As If we know 2019: wood, metal, plaster, plastic, acrylic (16” X 14” x 1.5”)
Aanpassingen

Toen koffie voor het eerst in Europa arriveerde,
Werd er naar verwezen als 'Arabische wijn.'

In het San Francisco van de eeuwwisseling,
Begon de bank van Amerika als de Bank van Italië.

Toen Cortès in Tenochtilàn aankwam op 8 november, 1519,
Groette Moctezuma II hem hartelijk en kuste zijn hand.

Dat allemaal. We zijn verbaasd bij de kleinste gebeurtenissen
Die we meemaken, de feiten die ons nu zo vreemd lijken.

Zoals we leven in hun kamers aan de overkant.
In 1935, zegt een bericht, toen Isaac Bashevis Singer

In New York aankwam, hij was toen dertig jaar oud
En kon slechts drie woorden in het Engels spreken:

"Take a chair."
Maar dan leerde hij nog andere woorden. Het hielp.

Isaac Bashevis Singer (Jiddisch: יצחק באַשעוויס זינגער) (Leoncin bij Warschau, 21 november 1904 - Miami, Florida, 24 juli 1991) was een Pools schrijver die in 1943 Amerikaans staatsburger werd. Hij schreef in het Jiddisch. In 1978 werd hij onderscheiden met de Nobelprijs voor Literatuur.
Once there was a cat… 1998
Dmitry Evgenievich Ikonnikov.












"Adjustments”

When coffee first arrived in Europe,
It was referred to as “Arabian wine.”

In turn-of-the-century San Francisco,
The Bank of America began as the Bank of Italy.

When Cortés arrived at Tenochtitlán on November 8, 1519,
Moctezuma II greeted him warmly, and kissed his hand.

All of that. We are amazed by the smallest of things
Coming before us, the facts that seem so strange to us now

As we live in their opposite rooms.
In 1935, reports say, when Isaac Bashevis Singer

Arrived in New York, he was thirty years old
And could speak only three words in English:

“Take a chair.”
But then he learned other words. It helped.

From Not Go Away is My Name by Alberto Ríos. Copper Canyons Press
Foto door Ivo Rainha op Pexels.com

Alberto Ríos, Arizona’s inaugural poet laureate and a Chancellor of the Academy of American Poets, is the author of eleven collections of poetry, including The Smallest Muscle in the Human Body, a finalist for the National Book Award. His most recent book is A Small Story About the Sky, preceded by The Dangerous Shirt and The Theater of Night, which received the PEN/Beyond Margins Award. Published in the The New Yorker, The Paris Review, Ploughshares, and other journals, he has also written three short story collections and a memoir, Capirotada, about growing up on the Mexican border. Ríos is also the host of the PBS program Books & Co. University Professor of Letters, Regent’s Professor, and the Katharine C. Turner Chair in English, Ríos has taught at Arizona State University for over 35 years. In 2017, he was named director of the Virginia G. Piper Center for Creative Writing.

The Morning News

Seasons will not be still,
Filled with the migrations of birds

Making their black script on the open sky,
Those hasty notes of centuries-old goodbye.

The clouds and the heavens make a memo book,
A diary of it all, if only for a day.

The birds write much, but then rewrite all the time,
News continuous, these small pencil tips in flight.

They are not alone in the day’s story.
Jets, too, make their writing on the blue paper —

Jets, and at night, satellites and space stations.
Like it or not, we are all subscribers to the world’s newspaper

Written big in the frame of the window in front of us.
Today, we wave to neighborhood riders on horses.

We hear the woodpecker at work on the chimney.
There is news everywhere.

All this small courage,
So that we might turn the page.

Foto door freestocks.org op Pexels.com

Alberto Ríos has won acclaim as a writer who uses language in lyrical and unexpected ways in both his poems and short stories, which reflect his Chicano heritage and contain elements of magical realism. “Ríos’s poetry is a kind of magical storytelling, and his stories are a kind of magical poetry,” commented Jose David Saldivar in the Dictionary of Literary Biography. Ríos grew up in a Spanish-speaking family but was forced to speak English in school, leading him to develop a third language, “one that was all our own,” as he described it. Ríos once commented, “I have been around other languages all my life, particularly Spanish, and have too often thought of the act of translation as simply giving something two names. But it is not so, not at all. Rather than filling out, a second name for something pushes it forward, forward and backward, and gives it another life.”

Foto door Pixabay op Pexels.com
We are a tribe

We plant seeds in the ground
And dreams in the sky,

Hoping that, someday, the roots of one
Will meet the upstretched limbs of the other.

It has not happened yet.
We share the sky, all of us, the whole world:

Together, we are a tribe of eyes that look upward,
Even as we stand on uncertain ground.

The earth beneath us moves, quiet and wild,
Its boundaries shifting, its muscles wavering.

The dream of sky is indifferent to all this,
Impervious to borders, fences, reservations.

The sky is our common home, the place we all live.
There we are in the world together.

The dream of sky requires no passport.
Blue will not be fenced. Blue will not be a crime.

Look up. Stay awhile. Let your breathing slow.
Know that you always have a home here.
Foto door Donald Tong op Pexels.com

Resistance and persistence collide in Alberto Rios’s sixteenth book, Not Go Away Is My Name, a book about past and present, changing and unchanging, letting go and holding on. The borderline between Mexico and the U.S. looms large, and Ríos sheds light on and challenges our sensory experiences of everyday objects. At the same time, family memories and stories of the Sonoron desert weave throughout as Ríos travels in duality: between places, between times, and between lives. In searching for and treasuring what ought to be remembered, Ríos creates an ode to family life, love and community, and realizes “All I can do is not go away. / Not go away is my name.”

Foto door Brett Sayles op Pexels.com
I Do Not Go Away

You have terror and I have tears.
In this cruel way, we are for each other.

We are at war. You always win.
But I do not go away.

You shoot me again. Again, I do not go away.
You shoot with bullets, but you have nothing else.
Foto door Pixabay op Pexels.com

‘As if we know’ is van Fernando Martinez. Fernando Martinez was born in Buenos Aires, Argentina and studied bio-engineering at Polytechnic Institute of Technology and furniture design and fine arts at S.U.N.Y., Purchase, NY. His work has been shown in solo shows at the P-Cafe in New Rochelle, NY, the Solar Gallery in East Hampton, NY and the Bison Legacy Gallery in Cody, Wyoming. Group shows include the Miranda Fine Arts Gallery and Art-Miami Solar Gallery in East Hampton, NY, as well as the Mobile Show Galleria in Boston, among other East Coast venues.

Foto door Miguel u00c1. Padriu00f1u00e1n op Pexels.com

SCHRIJF-INSTRUCTIES, een gedicht van Phan Nhiên Hạo (Vietnam)

Schrijf-instructies

Schrijf scherp zoals een nagel geslagen in een plank.
Schrijf snel zoals wind blazend door een dorpsplaag.
Schrijf rustig zoals kolen diep brandend in de aarde.
Schrijf fel zoals een gewonde leeuw op de rand van de dood.
Schrijf voorzichtig zoals een trein ploegend door een mistige morgen.
Schrijf gevoelig zoals een vlieger voor de storm.
Schrijf plezier over het zand, verbindt dan de punten.
Schrijf spijt op het water, laat de golven het dragen.
Schrijf eenzaamheid op een lantaarn, hou de wacht tot het licht dooft.
Het is mogelijk gebald te schrijven, maar sla de werkwoorden niet over,
stagnatie zal leestekens laten zinken.
Schrijf na schemer maar niet bij dageraad -
dat is wanneer de geesten terugkeren
nadat ze meer zielengeld hebben verzameld.
Schrijf intensief bij dronkenschap, maar eens nuchter, dump het allemaal
in de rivier,
en probeer niet op te scheppen over je verslavingen.
Schrijf voor de doden, maar nodig de begrafenis-band niet uit
want synthetische muziek verstikt het lichaam.
Het is mooi om doelloos te schrijven, maar wees niet onachtzaam.
Hou taal in haar soliede staat met een hoog smeltpunt.
Schrijf ver onder nul, zoals een winterdag in Oymyakon.
Schrijf zwetende kogels, zoals zomertijd in Dallol.
Schrijf in de stijl van de New Yorkse School of Prairie, beiden cool,
maar dans niet rond met een stok
denkend dat niemand je kan zien.
Schrijf hopeloos zoals wachtend tot de maan op het dak valt en
in stukjes breekt.
Schrijf hoopvol zoals ik wachtte op mijn vrouw, om te bevallen
in het Tu Du Hospitaal.
Schrijf onvergetelijk zoals zes jaar geleden in Bangkok toen ik
een vrouw zag met twaalf vingers.
Schrijf mysterieus zoals alle lange nachten van mijn jeugd
luisterend naar de symfonie door straatverkopers geroepen.
Schrijf grootmoedig maar schenk geen aandacht aan symmetrie.
Schrijf schitterend, maar vermijd goedkoop gezichtspoeder.
Schrijf temidden van een massa terwijl je alleen staat,
met een 'Niet storen aub'-bordje' rond je nek.
Wanneer de naamlozen geëxecuteerd zijn op het stadsplein,
schrijf hun gezichten in bloed, en was nooit je handen-
niet tot vrijheid zich verspreidt als zeepbellen
door schandelijke plekken weg te schuren in de geschiedenis.

(Excerpted from Paper Bells, an upcoming collection by The Song Cave.)
“Instructions for Writing”

A Poem by Phan Nhiên Hạo, translated by Hai-Dang Phan

Write sharply like a nail driven into a plank.
Write swiftly like wind blowing through a village plague.
Write quietly like coals burning inside the earth.
Write fiercely like a wounded lion on the brink of death.
Write cautiously like a train plowing through a foggy morning.
Write sensitively like a dragonfly before a storm.
Write pleasure all over the sand, then connect the dots.
Write sorrow on the water, let the waves do the carrying.
Write solitude onto a lantern, keeping vigil until the light burns out.
It’s possible to write briefly, but don’t skip verbs,
stagnancy will sink punctuation marks.
Write after dusk but not at dawn—
that’s when the ghosts return
after collecting more spirit money.
Write prolifically when drunk, though once sober, throw it all
into the river,
and try not to brag about your intoxications.
Write for the dead, but don’t invite the funeral band
because synthetic music suffocates the corpse.
It’s fine to write aimlessly, but don’t be careless.
Keep language in its solid state with a high melting point.
Write far below zero, like a winter day in Oymyakon.
Write sweating bullets, like summertime in Dallol.
Write in the style of the New York School or Prairie, both are cool,
but don’t dance around with a stick
thinking no one can see you.
Write hopelessly like waiting for the moon to fall on the roof and
break into pieces.
Write hopefully like when I waited for my wife to give birth
at Tu Du Hospital.
Write unforgettably like in Bangkok six years ago when I saw
a beautiful woman with twelve fingers.
Write mysteriously like all the long nights of my youth
listening to the symphony of the street merchants crying out.
Write handsomely, but pay no attention to symmetry.
Write gorgeously, but avoid cheap face powder.
Write in the middle of a crowd while standing alone,
a “Do Not Disturb” sign around your neck.
When the nameless are executed in the city’s square,
write their faces in blood, and never wash your hands—
not until freedom spreads like soap bubbles
from scrubbing history’s shameful spots.

Excerpted from Paper Bells, an upcoming collection by The Song Cave.

Phan Nhiên Hạo
Phan Nhiên Hạo is the author of three collections of poetry in Vietnamese, Thiên Đường Chuông Giấy [Paradise of Paper Bells, 1998], Chế Tạo Thơ Ca 99-04 [Manufacturing Poetry 99-04, 2004], and Radio Mùa Hè [Summer Radio, 2019]. He received a B.A. in Vietnamese Literature from the Teachers’ College in Saigon, a B.A. in American Literature and a Masters in Library Science from the University of California, Los Angeles, as well as a Masters in Anthropology from Northern Illinois University. His poetry has been translated into English and featured in Of Vietnam Identities in Dialogue (Palgrave, 2001), Three Vietnamese Poets (Tinfish, 2001), Language for a New Century (W. W. Norton, 2008), and The Deluge: New Vietnamese Poetry (Chax Press, 2013). In 2006, Tupelo Press published a bilingual collection of his poetry, Night, Fish, and Charlie Parker, translated by Linh Dinh. He currently lives and works as an academic librarian in Illinois.

“Instructions for Writing”

interview met de dichter: https://lithub.com/hai-dang-phan-on-poetic-distance-and-reenacting-the-past/

Kit’s Writing Lesson 1852 Robert Braithwaite Martineau 1826-1869 Presented by Mrs Phyllis Tillyard 1955 http://www.tate.org.uk/art/work/T00011

Een habijt als ‘corpus delicti’

In de vorige bijdrage was het duidelijk dat kledij niet alleen beschermende functies had maar het dragen ervan duidelijk een standpunt tegenover maatschappelijke opvattingen kon zijn. De heren schilders, starend naar de maan, overtraden opzettelijk een wet uit 1819 waarin het verboden was dergelijke ‘ouderwetse’ kleren (lees: uit vrijere tijden) te dragen of in kunstwerken te vertonen.

Was in de kunst meestal de schaarste aan kledij belangrijker dan het vertoon ervan (tenzij om met rijkdom uit te pakken) toch vond ik toevallig een prachtig beeld uit de Spaanse barok waarin kledij zelfs een ‘corpus delicti’ werd al zou je dat op het eerste gezicht niet zeggen, zeker niet als de afgebeelde een ‘heilige’ monnik voorstelt.

Pedro de Mena (1628-1688) als een van de grootste barokbeeldhouwers, toont ons de heilige Diego de Alcalà, ook gekend als de heilige Didacus die rond 1400 in Spanje leefde. Geboren uit arme ouders werd hij door hen aan een eremiet toevertrouwd die in een stadje dichtbij Sevilla leefde. Dat je in zo’n gezelschap je geroepen voelt, mag niet verbazen. Diego werd lekebroeder bij de Franciscaners, werkte in kloosters op de Canarische eilanden, Spanje, Rome, Italië, voor hij terechtkwam bij het ‘Convento de Santa Maria de Jesus in Alcala’. Werkzaam in de infirmerie van deze kloosters bleek Diego zieken miraculeus te genezen. Eén van de wonderen die voor zijn canonisatie in 1588 vermeld is, werd het onderwerp van dit mooie beeld.

Toegewijd aan de armen probeerde hij bij een groot tekort aan voedsel in het klooster, toch geregeld brood mee te smokkelen onder zijn habijt, door het in de vouwen ervan te verbergen. Door de abt van het klooster werd hij daarbij betrapt. Hij vroeg hem wat hij verborg in zijn gebundelde pij. Deemoedig wilde hij het brood tonen maar dat bleek miraculeus in een bundel rozen veranderd te zijn. Die zijn hier niet afgebeeld want voor de gelovigen werden er in de schoot van het beeld echte of zijden bloemen gebruikt.
Kijk nu nog eens naar het mooie beeld van Pedro de Mena, gepolychromeerd hout, rond 1665-1670 gemaakt, en je merkt de mengeling van zorg, angst om betrapt te worden en vertrouwen in de hogere machten.
Het kleed, de mantel, pij of habijt, is het centrum van het gegeven. Een corpus delicti.

Al is de mantel het belangrijkste onderdeel, de mooie handen die de plooien bij elkaar houden, toch is het de houding die het letterlijk en figuurlijk dichter bij ons brengt. Hij beweegt, wil hier net even remmen om vragend naar de abt te kijken. Is er iets? De mengeling van schuld en twijfel op zijn gezicht, de ene voet nog voor de andere.

Het gebruik van de glazen ogen die met de gelaats-uitdrukking concorderen brengen hem als ‘levend’ wezen bij ons. Je verwacht het eerste woord. Aanwezigheid. Het was de vereiste om als uitgangspunt voor meditatie te dienen. Geen abstracties, geen mystieke achtergrond. Aanwezigheid. Niet alleen psychisch maar ook een fysieke aanwezigheid. Een bijzonder mens confronteren met de pelgrim, de gelovige die beseft dat de vereerde net zo’n mens van vlees en bloed was en is als hij-zijzelf. Iemand die het verbod van de prior durfde overtreden uit liefde voor de armen. Met de rozen als bewijs dat een zuivere ziel zich niet aan zo’n verbod moest storen.
De kledij als hulpmiddel om niet alleen een heilige ziel van warmte te voorzien maar als mogelijkheid om het gebod van liefde tot in de ongehoorzaamheid aan het gezag toch te vervullen.

In de prachtige Ecce Homo, tentoongesteld in the MET, NY samen met de Mater Dolorosa, vervult de rode mantel de tegenstelling tussen degene die liefdevol mensen geneest en het woord uitdraagt met de vreselijke pijnen en vernederingen hem aangedaan. Maar het maakt hem net zo aanwezig terwijl hij een mens van vlees en bloed blijft die met een waardigheid van een ‘wetende’ ons aankijkt.

De beheersing van de verschillende materialen en hun onderliggende combinaties, de studie van houdingen en gelaatsuitdrukkingen, ze horen bij het alaam van een van de grootste meesters uit de late Barok die tot op de dag vandaag ons via zijn werk blijft vragen stellen of troost bieden. Aanwezigheid. Een kenmerk van grote kunst.

San Diego de Alcalá, otherwise known as Saint Didacus, was born in Spain around 1400 to impoverished parents who placed him in the care of a religious hermit leaving outside Diego’s native town of San Nicolás del Puerto, near Seville. Following a religious vocation, Diego became a lay brother of the Franciscan order. He worked at monasteries in the Canary Islands, Spain, and Rome, Italy, before finally settling at the Convento de Santa María de Jesús in Alcalá, Spain, where he lived until 1463. He spent much time working in the infirmary of these monasteries and is said to have brought about miraculous cures to those in his care. The earliest depictions of San Diego following his canonization in 1588 show his healing miracles, but in seventeenth-century Spain, however, another miracle came to be the standard form of the saint’s iconography, and it is this miracle that is depicted in Mena’s sculpture: Diego was devoted to the poor and often took them bread from the monastery table. During a shortage of food at the monastery, Diego was forbidden to do so but continued to take bread to the poor, hiding it in the folds of his monastic habit. On one occasion, the superior of the monastery caught Diego in the act of taking bread and challenged him to show what he was carrying in his bundled robes. When Diego looked down, the bread was miraculously changed into roses. As was often the case for sculptures depicting this miracle, the roses are not carved, for the faithful would place real or silk flowers in the lap of the sculpture.

“It has been said of Pedro de Mena that he was unsurpassed in conveying religious feeling,” That is fully evident here in the expression on the saint’s face, which simultaneously captures his guilt in being caught stealing and his awe at the miracle that then occurs.”

Pedro de Mena, born in Granada, was the son of Alonso de Mena, who operated the most active sculptural workshop in the city. Alonso died, however, when Pedro was only 18 years old. Pedro assumed control of the workshop, but in 1652, Alonso Cano returned to Granada, and Pedro, still only 24, fell entirely under Cano’s influence. Cano had spent the previous decades in Seville and Madrid, where he worked alongside the greatest sculptors (Juan Martínez Montañés) and painters (Diego Velázquez) in Spain. Mena quickly assimilated the lessons offered by Cano, and when around 1655 Cano was given the commission to produce four life-sized sculptures for the convent of the Angelo Custodio, he entrusted Mena with the project. Those sculptures, representing Saints Anthony, Diego, Peter of Alcantara, and Joseph, are Mena’s first major works, and although executed under Cano, they established him as an important independent master. Shortly afterwards, Mena was offered the project to carve the choir stalls in the cathedral at Malaga. He moved to Malaga in 1658 and remained there for the rest of his life, occasionally travelling to Granada, Toledo, or Madrid, but for the most part, producing works in Malaga that would be sent to patrons around Spain. (art daily 2020)

De maan, mannen en de mode, tekst bij een schilderij van Casper David Friedrich

De maan, de mannen en de mode, ziedaar een klankrijke samenvatting van dit intussen overbekende schilderij van Friedrich gemaakt tussen 1825-1830 of samengevat:

The mood of pious contemplation relates to fascination with the moon as expressed in contemporary poetry, literature, philosophy, and music. Both figures are seen from the back so that the viewer can participate in their communion with nature, which the Romantics saw as a manifestation of the Sublime.
Although the landscape is imaginary, it is based on studies after nature that Friedrich had made in various regions at different times. Both men wear Old German dress, which had been adopted in 1815 by radical students as an expression of opposition to the ultraconservative policies then being enforced in the wake of the Napoleonic Wars. The staunchly patriotic Friedrich deliberately ignored the 1819 royal decree forbidding this practice and depicted figures in traditional costume until his death.

Hier staan  schilder Caspar David Friedrich
en zijn vriend-collega August Heinrich,
beiden in het maanlicht, een praktijk
die in romantische dagen nergens opzien baarde.

Maar dat zij kleren dragen als weleer de Duitsers deden
werd door ultra conservatieve heersers
streng verboden in Restauratie-tijden.
Radicale studenten tooiden zich bij voorkeur
in traditionele spullen, terwijl hier te lande een jeansbroek
nog luidop vloeken was, jaren na expo 58.

Twee dandy' s in het maanlicht.
Een protest tegen stijlloze gehoorzaamheid:
marsjeren vraagt een ander uniform.
De elegante Robert de Montesquiou zou juichen
als hij ons in pantalon, gilet en vest
de maan zag bekijken.

Voor wie de mannenvriendschap schuwt
blijft er nog een versie met een vrouw als gezellin
bij ’t nachtelijk mediteren.

Wie enig vermoeden heeft van andere zaken
kan een klacht indienen
of een ingezonden stuk lanceren.

https://www.tuttartpitturasculturapoesiamusica.com/2011/12/caspar-david-friedrich-1774-1840-german.html

Een dinsdag in juni.

Het beetje wind beweegt de klankstaven boven de buitentafel.
De zachte zielen van de overkant hoorbaar

Absolute kampioenen van vooruitzien bleven de Engelsen met een ‘Early edition’ van je agenda,voor het volgende jaar, ter beschikking eind januari van het lopende jaar. Zelfs te koop bij Hatchard’s Picadilly of St.Pancras, de oudste boekenwinkel van Londen.
Nu plannen je kinderen of kleinkinderen vlotjes digitaal tot voorbij 2055 en kun je moeiteloos de eerste dag van je pensioen voorbehouden terwijl je volgende week zestien wordt.
In onze jonge jaren was dat ‘zonde’.
Was ongeveer alles buiten het toen heersende ‘normale’ zonde, een agenda of kalender voor het volgende jaar kon ten vroegste midden september, of beter nog rond Allerheiligen. Wel kon je einde juni nog een restant-kalender van het lopende jaar voor een gunstprijsje in huis halen, koopjes die nu meestal al op 3 januari ter beschikking zijn, maar de toekomst had nog niet dat dwangmatige karakter die ze nu vertoont in twintig- of vijftigjaren-planningen terwijl de tendens onzer voorouders zich tot ‘wat zullen we mogen eten’ beperkte, als er al iets te eten zou zijn uiteraard.

ook in het parfum van de liguster of
het trillen van vleugeltjes van een bijna onzichtbaar vliegje

Het feit dat je eind februari de sinterklaasaankopen voor dat jaar bij de groothandel moet reserveren, dat je nog voor je zomerse zwembroek droog is je een skivakantie moet bestellen, er nu volop kerstafleveringen worden gepland en uitgewerkt, maakt duidelijk het ‘voorbijhollen’ zichtbaar.
Als kind had mijn grootmoeder het wel eens over ‘over-overmorgen’, een antwoord op een ongeduldige vraag waarop niet dadelijk een antwoord mogelijk was. Je besefte onmiddellijk dat ‘over-overmorgen’ voorlopig te vergeten was en je wachtte ‘geduldig’ tot de volgende morgen om het blaadje van de voorbije dag los te scheuren van het steeds dunner wordende blokje ‘huisvriend’ of ‘druivelaar’, al bestonden er trukjes om een stiekem te vroeg gescheurd exemplaar weer op te hangen, ongeduldig als we toen ook al waren voor de dag van morgen.

en het glanzen van nieuwe pas getekende blaadjes.

De dag van vandaag-nog even: 16 juni 2020- krijgt al dadelijk een leestip van de dag, met als titel: Paus: ‘Bloeddonatie is concreet gebaar van solidariteit’. Dit naar aanleiding van de geboortedag van Karl Landsteiner, oud-Nobelprijswinnaar en uitvinder van het ABO-bloedgroepsysteem. Bij de bijbellezingen van dinsdag in week 11 door het jaar, gaat het over een koning (Achab) die een moord heeft gepleegd en daardoor eigenaar van de wijngaard van de gedode is geworden. De profeet Elia zal hem een lesje leren met goed gevolg.
Er is ook een Sudoku van deze dinsdag maar daarvoor moet je je eerst op het NRC handelsblad abonneren. In ‘Fijnedagvan’ blijkt het vandaag ‘dag van het Afrikaanse Kind’ te zijn, morgen Dag van de Digitale Overheid, Dag voor de bestrijding van Woestijnvorming en Droogte terwijl het donderdag Sushi dag is, dag van de Flexmedewerker, dag van de duurzame Gastronomie, dag van het Topadvies en Tapasdag. Vrijdag: Dag tegen Woninginbraak en Drenteldag. Nog meegeven dat het zondag ook de dag van de lange Mensen is, terwijl zaterdag de dag van de Bouw geannuleerd werd.

Varens boven de rustplaats van een uitgezongen merel

Bij ‘datum-nl’ kom je te weten dat dit de 168ste dag van het schrikkeljaar 2020 is, en dat je onder het sterrenbeeld Tweelingen bent geboren als je vandaag verjaart. De zon kwam op om 5:19 en gaat onder om 22:01. De maan was voor 24% zichtbaar. Hans Dorrestijn (1940) wordt 80 vandaag en Frederik van Eeden stierf vandaag in 1932.
Op deze dag speelt het boek Ulysses van James Joyce zich af volgens kenners en Wikipedia.
Het weekmenu van bistro Sint Andriesabdij in Zevenkerken biedt vandaag soep van de dag, gehaktbroodje, natuuraardappelen, gestoofde erwtjes & wortelen, en dat voor 12,50 €.

en door het gaas de tafel voor dagelijkse verhalen
Maar, er is-was ook, die dinsdag in juni:

Het beetje wind beweegt de klankstaven boven de buitentafel.
De zachte zielen van de overkant hoorbaar
ook in het parfum van de liguster of
het trillen van vleugeltjes van een bijna onzichtbaar vliegje
en het glanzen van nieuwe pas getekende blaadjes.

Varens boven de rustplaats van een uitgezongen merel
en door het gaas de tafel voor dagelijkse verhalen.
Een uit de tijd gevallen paaskonijn vreest de jagers niet.
Het ogenblik blijft ons verbinden.
Nabijheid heeft de kalender niet van doen.
Het ogenblik blijft ons verbinden.
Nabijheid heeft de kalender niet van doen.

Afstand en geborgenheid: Parc de la Distance (studio Precht)

ontwerp voor ‘Parc de la distance’ in Wenen door studio Precht

Het zogenaamde ‘nieuwe normaal’ van enige afstandelijkheid inspireerde architectuur-studio Precht met basis in Oostenrijk, ‘Parc de la Distance’ te ontwerpen, ‘a new kind of social-distancing park’ voor een braakliggende plaats tussen de iconische Schönbrunn – en Belvedere Palace gardens in Wenen.

Parc de la Distande in-uitgangen

“The centers of the cities should not be defined by their buildings but by the possibilities that allow us to escape to nature. Instead of banks, traffic, and office blocks, city centers should be redesigned around parks, wilderness areas, and plants. Lack of nature is a problem in many urban areas and I hope that the ‘Parc de la Distance’ can offer this escape route in more regions.” (Chris Precht)

Every lane has a gateway on the entrance and exit, which indicates if the path is occupied or free to stroll. The lanes, all about 600 meters long, are separated by hedges of 90 centimeters wide. Sometimes visitors are fully immersed by nature, other times they emerge over the hedge and can see across the garden. As they stroll, they might hear footsteps on the neighboring paths. But at all times, they keep a safe physical distance to each other. And post-corona, the park will remain as an urban oasis.

Een vingerafdruk als globaal beeld, je kunt er rondwandelen zonder dat je een ander persoon kruist. Je wandelt in een spiraalvorm in een aparte bedding omgeven door hagen van negentig centimeter breed. Elk pad is ongeveer 600 meter lang, de hoogte van de hagen varieert, ook de doorzichtbaarheid, zodat je toch nu en dan visueel contact met andere wandelaars kunt maken terwijl je op een ‘veilige’ afstand blijft. Tot in het centrum heb je ongeveer twintig minuten nodig, zeggen de ontwerpers van studio Precht.

Wandelaars blijven met elkaar verbonden niet alleen door zichtbaarheid maar ook door het geluid van hun voetstappen over de met rood grind bestrooide wandelpaden. Elk pad is 240 centimeter verwijderd van een ander pad, inclusief de heg.

Chris Precht, oprichter van Studio Precht (voorheen Penda): “Mijn vader zei altijd dat er kracht schuilt in afzondering. Je leert jezelf kennen, je krachten en zwaktes. Je realiseert je dat je maar een klein deel van een enorm universum bent. Dat is, denk ik, en belangrijke les in tijden van egocentrisme. Dingen als een afgelegen retraite, meditatie, een bergtop of een wandeling van twintig minuten in afzondering kan je tot deze realisatie brengen.” (stedebouw en architectuur 29 mei 2020)

“I see the origin of the design in French baroque gardens, a strong order of plants, hedges that create geometric shapes,” says Precht. “But there is also an inspiration drawn in Japanese Zen-gardens. Circular movements. Raking of gravels that center around corner stones.” 

Na de pandemie verwijdert studio Precht een deel van het centrum van het park. Dat wordt een plaats voor een fonteinen-plek. De wandelaar kan er stoppen en na een kort oponthoud zijn weg verderzetten. Dat fonteinplein zou dan een moment van stilte en rust zijn in een stedelijke omgeving.

Dit mooie idee is maar één van de vele plannen en realisaties van de jonge Precht studio, gevestigd in het bergachtige landschap van Salzburg. Klik hierboven op ‘studio Precht’ om na enige bijklikken ter plaatse een fraai overzicht te krijgen van hun werkzaamheden in het wereldlandschap. Elk plan of gerealiseerd project is meestal van de nodige foto’s en gif’s voorzien zodat je een inzicht krijgt in hun werkwijze en filosofie.

Het onderstaande intervieuw met Chris Precht is ook een mogelijkheid om kennis te maken met deze nog jonge en boeiende architectenploeg.

We are precht. We are a group of creatives led by Fei & Chris. Our studio is located in the mountains of Austria. From this remote location we design projects around the world. We are passionate to create an ecological future and these are the topics of our work: We believe in green architecture. Buildings that use natural materials and give space back to plants. We believe in diverse architecture that is specific to a certain place, a certain time and a certain culture. We believe in adaptable architecture that is able to support a flexible generation and its global opportunities. Architecture needs fresh ideas. Currently, the building industry uses more than 50% of the global energy and produces 40% of CO2. We need to do better. It’s on us, the next generation of architects, to create a healthier future.

The Toronto Tree Tower symbolizes an ecological system for wooden highrises worldwide. The building should be seen as a catalyst for future residential buildings that are ‘more efficient to construct’ and ‘more ecological to our environment’ than common construction methods.
The 18-storey tower will stand 62m high and will comprise 4500 sqm of residential areas and 550 sqm of public areas with a cafe, a children’s daycare-center and workshops for the neighboring community. Due to its natural appearance, the building shifts the usual relation from a ‘building to city’ relation to a ‘building to nature’ relation. The tower tries to establish a direct connection to nature with plants and its natural materiality.
Canada was also a forerunner for a modular, prefabricated construction which was efficient on one hand and visually interesting on the other. One great example for this process is Moshe Safdie’s Habitat 67. Inspired by the Habitat, The ‘Tree Tower’ uses a modular building process, where pre-fabricated and pre-cut CLT panels are assembled to modules off-site at an indoor facility. After the work on site, with foundation, ground floor and a base core is done, all modules include fixtures and finishes are delivered to the site and craned into place. During the process of stacking the modules, the timber clad facade panels are installed and sealed.
To go fully modular and prefab, the process is faster, less noisy, reduces waste and allows for a high degree of quality control as most parts of the building are assembled in a controlled indoor environment. The structure of the building is mainly massive timber panels with a hybrid of CLT, concrete and steel-elements where needed and can be seen as a prominent statement to use engineered wood products in vertical structures.