Het landschap als visioen van een nieuw tijdperk

mont ventoux

Bergop bergaf, tot steeds nieuwe gedachten
bracht Amor mij; ’t gebaande pad leek al
meteen met een sereen bestaan in strijd.
Waar een verlaten bron of beek mij wachtte,
of tussen heuvels een beschaduwd dal,
daar vond soms mijn verwarde ziel respijt.

Uit ‘het liedboek’ van Petrarca, vertaling Peter Versteeg.

Het landschap, als landschap van de ziel, gaat net zo bergop bergaf, en ’t gebaande pad leek meteen in strijd ‘met een sereen bestaan’.

870x489_mont_ventoux_-_nuit_-_getty_0

Hij had wel iets met bergen, Francesco Petrarca.
Ja, wie bij het denken aan de Mont Ventoux (mons ventosus, de winderige berg!) fietsers en dappere patiënten kan wegdenken mag zich 26 april van het jaar 1336 voorstellen waar Francesco met broer en enkele bedienden de klim aanvat.
In een mooie bijdrage uit de zomer van 2004 schrijft Dick Wurtsten, historicus en theoloog:

‘Tijd om Petrarca zelf eens aan het woord te laten. Hij heeft namelijk verslag gedaan van zijn tocht in een prachtige Latijnse brief. Na een zeer moeizame tocht omhoog, waarbij zijn broer (die later monnik werd) de korte en rechte weg naar de top bewandelde, en hij zelf wel tot drie keer toe een andere weg koos, die hem gemakkelijker leek, maar waardoor hij in plaats van te klimmen tot de vaststelling moest komen dat hij aan het dalen was, beschrijft hij het uitzicht als volgt:

“Eerst stond ik daar als een verdwaasde, overweldigd door de ongewone atmosfeer en het onbelemmerde uitzicht. Ik kijk om me heen; een wolkendek was onder mijn voeten. En nu ik op een minder beroemde berg met eigen ogen zag wat ik gehoord en gelezen had over de Athos en de Olympus, werden die bergen ineens veel minder onwezenlijk voor mij. Hierna wendde ik mijn blik in de richting van mijn geliefde Italië. Ik zag die massief oprijzende en met sneeuw bedekte bergketen, de Alpen, waar ooit die onbehouwen vijand van alles wat Romeins was overheen trok… Het leek me alsof ze vlakbij waren, hoewel ze toch heel ver weg liggen.”

mont ventoux donker

Je zou het door een tekort aan zuurstof kunnen verklaren, maar houden we ’t maar bij de aard van beestje en de geplogenheden van de tijd als hij daarboven al dadelijk van extraspectie naar introspectie wil overgaan zoals Tom Lemaire dat in zijn ‘Filosofie van het landschap’ beschrijft:

Hier, boven op de Mont Ventoux, vindt in feite een dramatische ontmoeting plaats tussen Augustinus en Petrarca, tussen de geest van de middeleeuwen en die van de moderne tijden, tussen zelfinkeer en ekspansie. Petrarca’ s tocht is de articulatie van twee wereldbeschouwingen: die van het traditionele kristendom voor wie menselijke zelfverwerkelijking gelegen is in zelfinkeer, introspectie en die bang is zich in de grote wereldruimte te verliezen; en die van van de ontluikende moderne geest die haar heil zoekt in ‘extraspectie’, ekspansie en verkenning van het andere, en voor wie de wereldruimte het bereik is waarin ze geestdriftig zichzelf wordt.

Met de woorden van Petrarca:

Terwijl ik met aandacht en verwondering naar dit alles keek en daarbij nu eens dacht aan aardse zaken en dan weer, naar het voorbeeld van mijn lichaam, mijn geest deed opstijgen naar hoger sferen, kwam de gedachte bij mij op het boek “Belijdenissen” van Augustinus op te slaan […]; ik draag het altijd bij mij. Het formaat van het boekje is klein, maar wat er in staat, is geweldig. Ik sloeg het open om te gaan lezen waar het openviel, want waarop kon mijn oog anders vallen dan op een vrome en devote tekst? Toevallig viel het open bij het tiende boek. Mijn broer, die verwachtte iets van Augustinus te horen, stond er aandachtig met gespitste oren bij. God en hij die bij mij was, zijn mijn getuigen dat ik las wat stond op de plaats waarop ik het eerst mijn oog liet vallen:

‘En de mensen gaan om te bewonderen
de hoogten van de bergen
en de machtige golven van de zee
en de brede stromen van de rivieren
en de gang van de oceaan
en de omloop van de hemellichamen,
en zij verlaten zichzelf.’

mont-ventoux

Ik was met stomheid geslagen, en dan druk ik het zwak uit. Mijn broer wilde graag nog meer horen, maar ik vroeg hem mij met rust te laten en deed het boek dicht. Ik was boos op mezelf, omdat ik nog steeds aardse zaken bewonderde, terwijl ik toch allang, zelfs van de filosofen der heidenen, had kunnen leren dat

‘niets wonderbaarlijk is behalve de geest,
en dat niets groot is vergeleken bij zijn grootheid’.

De berg had ik tot tevredenheid gezien. Nu richtte ik mijn inwendige blik op mijzelf, en vanaf dat moment heeft niemand mij nog een woord horen zeggen, totdat we bij de voet van de berg waren gekomen. Dat citaat had me genoeg stof tot nadenken gegeven. Ik kon niet geloven dat dit me toevallig was gebeurd. Ik had het gevoel dat alles wat ik daar had gelezen, voor mij persoonlijk was gezegd en niet voor een ander.

mont-ventoux-on-stilts-16-9

Het genieten van het uitzicht (duidelijk een ervaring die nog niet in dat oude wereldbeeld thuishoort) brengt toch problemen mee. Mag dat wel, zomaar van het landschap genieten?

“Daar liet ik mijn gedachten hun snelle vlucht nemen van stoffelijke naar onstoffelijke zaken, en sprak ik mezelf als volgt toe: ‘Besef dat dit, wat je vandaag bij de beklimming van deze berg meermalen hebt ervaren, jou en vele anderen ook overkomt op de weg naar het gelukzalige leven. De mensen realiseren zich dat niet zo gemakkelijk, omdat de bewegingen van het lichaam openlijk zichtbaar zijn maar die van de geest onzichtbaar en verborgen. Het leven dat wij het gelukzalige noemen, bevindt zich op een hoge plaats; een smalle weg, zegt men, leidt daarheen. Onderweg rijzen vele heuvels op en men moet met glorieuze schreden van deugd naar deugd gaan. Op de top is het einddoel van alles, het einde van de weg: daar ligt de bestemming van onze reis. […] jij, Francesco Petrarca,wat weerhoud je dan? Klaarblijkelijk niets anders dan de weg langs de laagste aardse genietingen, die minder steil is en op het eerste gezicht geschikter lijkt. Maar het is van tweeën één: hoe lang je ook hebt rondgedwaald, bezwaard door de last van de dom voor je uit geschoven inspanning, het is óf de top van het gelukzalig leven bereiken óf uitgeput neertuimelen in de diepten van je zonden.”

En Ton Lemaire:
‘Aan de ene kant de beslotenheid van de bespiegeling, waarin de ziel zich probeerde te rechtvaardigen voor de eeuwigheid, aan de andere kant de ontsluiting van de wereld en de beginnende existentie van het individu. Deze aarzelende bewondering voor de grootsheid van de wereld betekent een heroriëntering van het westen, en Petrarca’s vergezicht is als het ware een visioen bij de opening van een nieuw tijdperk: de bestijging van de hoge berg zal het christelijke wereldbeeld verruimen en verruimtelijken, en tenslotte zal ze het doen verdampen.’ (p13)

bron: Francesco Petrarca, De top van de Ventoux, vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Chris Tazelaar, Ambo-klassiek 1990

1820945-AHSTZCRZ-32

Francesco Petrarca (1304 – 1374) was Italiaanse dichter, schrijver en filosoof, die het meest bekend is vanwege zijn 366 gedichten die hij weidde aan ‘Laura’. Volgens de overlevering zou hij haar op 6 april 1327, een Goede Vrijdag, in de kerk van St.-Claire hebben gezien en op slag verliefd op haar zijn geworden. Naar hem werd de literaire stijl petrarkisme genoemd: een stijl waarin de geliefde bezongen wordt als een van een afstand bezien ideaal. De dichter ziet zijn muse, prijst haar, verafgoodt haar, maar zal haar nooit bezitten.

Eén van de meest bekende sonnetten van Petrarca is Sonnet 104, soms bekend onder de apocriefe titel ‘Tegenstrijdigheden’:

Sonetto 104

Pace non trovo, et non ò da far guerra;
e temo, et spero; et ardo, et son un ghiaccio;
et volo sopra ’l cielo, et giaccio in terra;
et nulla stringo, et tutto ’l mondo abbraccio.

Tal m’à in pregion, che non m’apre né serra,
né per suo mi riten né scioglie il laccio;
et non m’ancide Amore, et non mi sferra,
né mi vuol vivo, né mi trae d’impaccio.

Veggio senza occhi, et non ò lingua et grido;
10et bramo di perir, et cheggio aita;
et ò in odio me stesso, et amo altrui.

Pascomi di dolor, piangendo rido;
egualmente mi spiace morte et vita:
in questo stato son, donna, per voi.

4435-12538
Miniature of Petrarca’s songbook depicting Laura de Noves crowning the poet (15th c.). Renaissance art. Quattrocento. Florentine school. Miniature Painting. ITALY. TUSCANY. Florence. Biblioteca Medicea Laurenziana (Laurentian Library).

Sonnet 104

Ik vind geen vrede en kan niet strijden
Ik hoop, ik vrees, ik gloei en ben van ijs
Ik zweef naar boven en val in mijn lijden
Ik bemin de wereld die ik zo misprijs.

Ik ben verlost en kan me niet bevrijden
Ik heb houvast en raak toch van de wijs
Ik voel me levend en gestorven, beide
Door een liefde die hel is alsook paradijs.

Ik ben verblind, ik schreeuw en kan niet praten
Ik haat mezelf en houd van iedereen,
Ik roep om hulp en wil het leven laten,

Ik huil van vreugde , ik lach terwijl ik ween
Leven en dood, zij zullen mij niet baten
En dit, vrouwe, komt door u alleen.

Rianne Werring (1988)
Petrarca – Sonnet 104.

Ton Lemaire, Filosofie van het landschap, Ambo, Bilthoven 1970 2de druk

images2.persgroep.net

Brieven aan Cecilia: je verhaal blijven vertellen

jewishwarsaw

Bestudeer je bronnen, verzamel je getuigenissen, vergelijk je de verschenen studies, nergens overvalt je de machteloosheid zo sterk als bij het benaderen van machteloosheid tegenover een massa -al dan niet de zwijgende meerderheid, of luid skanderende betogers, goed getrainde troepen of opgezweepte hordes.
Ik betwijfel niet de overtuigingskracht die van een menigte kan uitgaan, bekijk met sympathie het jonge grut dat best aardige literatuur op pancartes ronddraagt en hoor graag het gejuich bij de definitieve goal bij een bekerwedstrijd, maar tegelijkertijd huiver ik als die nieuwe onstane ‘stem’ door de straten en het stadion dreunt.

308022364

In het getuigenisboek ‘Meer herinner ik me niet’ (Contact 1990) vertelt Adina Blady Szwajger, kinderarts bij het verzet in Warchau dit verhaal:

‘De dag na Pasen, 19 april 1943, begon het schieten in het getto.
lk kleedde me met zorg. lk trok mijn beste mantelpak aan, kamde mijn haar, poederde mijn gezicht en deed lippenstift op. Voor ik wegging, keek ik in de spiegel. Alles was in orde, ik zag een heel gewoon gezicht.
Ik kocht een bos goudbloemen van een bloemenmeisje. Een grote bos. Die bloemen hield ik met beide handen vast, zodat ik mijn gezicht erin kon duwen.
Ik ging naar het Kransinski-plein om zo dicht mogelijk bij mijn huis te zijn. Het was of mijn benen me uit zichzelf naar de muur brachten.
Er stond al een paar dagen een zweefmolen op het plein. Een zweefmolen in werking. Er zaten kinderen in die zweefmolen die altijd maar ronddraaide en ik hoorde de muziek. De kinderen lachten en de mensen die er Iangs liepen glimlachten. En aan de andere kant van de muur kon je het schieten horen.
Je kon het schieten horen en de kinderen Iachten.
En ik stond daar met mijn bos bloemen en ik glimlachte. Mijn benen voelden of ze van hout waren en zwaar en misschien was ik ergens gaan zitten als er een plek was geweest om te zitten. Maar die was er niet.
lk weet nog dat ik daar weer weg moest omdat ik iets te doen had, maar soms komt het me voor dat ik daar tot op de dag van vandaag ben blijven staan.’

article-0-1B9A660E000005DC-455_964x633

Je hebt niet zoveel verbeelding nodig om die twee werelden voor je geest te halen: de gevechten in het getto en de muziek van de zweefmolen net buiten het getto. Tegelijkertijd.
Je beseft dat je geliefden op hezelfde ogenblik gedood worden terwijl de kinderen op de zweefmolen gillen van plezier.

En natuurlijk ben je blij dat de liefde voor het leven (het leef-klimaat) zoveel aandacht krijgt van degenen die de toekomst als een actief bewustzijn van de kwetsbaarheid van de kleine blauwe planeet zien en daar consequenter naar willen leven.
Laat het dus duidelijk zijn dat het gejuich zal verstommen eens het voelbaar wordt dat het de onbezorgde rijkdom van enkelen zal aantasten die machtig genoeg zijn hun scenario’ s door te drukken, en zij schaamteloos die rijkdom zullen gebruiken om het jeugdig enthousiasme te fnuiken en de geïnspireerden belachelijk te maken, af te zonderen en de meerderheid om te kopen met de bekende leugens en beloften.
Het is een bekend scenario in de geschiedenis.
Dat is het beeld van de zweefmolen aan de muur van het getto. Terwijl het verzet genadeloos wordt uitgemoord gaat het leven in de bezette stad gewoon verder.
Later zullen enkelen als helden worden herdacht, maar op het moment zelf liet zelfs het Poolse verzet het afweten.

We hebben ook mooie documentaires over het verzet in het getto gemaakt, we hebben het leven van Georg Elser verteld die nacht na nacht zich in Bürgerbräukeller in München liet opsluiten om daar een plaats voor een bom te prepareren, en het verzet in beeld gebracht van Von Stauffenberg (1944).
Ook deze verhalen moeten blijvend verteld worden.

Begrijp je mijn angsten, lieve vriendin?  De angst die door mijn eigen beperktheid en lafheid wordt gevoed om eerder te zwijgen en weg te kijken dan om luidop naar het ‘neen’ te leven dat een ‘ja’ voor de overlevers zal zijn.

Dat is het verhaal van de hoedendoos waarin miljoenen afwezigen slechts een klein geluidje in de geschiedenis achterlaten, maar een geluidje dat hen zal gedenken, dat de dapperen zal aanzetten op tijd ‘niet-met-mij’, ‘niet-met-ons’ te roepen. En de muziek van de duizenden zweefmolens zal hen proberen te overstemmen.

Begrijp je mijn angst voor de dapperen, want dat zijn ze:  degenen die telkens weer hun schamele moed bijeen scharrelen en belangrijke vragen blijven stellen en daar naar leven terwijl de kermis hen probeert te overroepen. Dat is het verhaal waar vooral het verhaal telt en niet de rituelen.

Het beetje macht dat ik dan nog bezit is: vertellen.
Mijn leven in dat leven vertellen, proberen te verbeelden dat ik niet alleen de toeschouwer ben maar een aanwezige.
Mezelf binnen brengen in dat verhaal, de machteloosheid van ‘de houten benen’ omzetten in het met open ogen aankijken van de geschiedenis.
Niet als geschiedkundige maar als verteller: stel dat…
De geschiedkundige heeft zijn/haar functie, maar ook de verteller die het verhaal op allerlei manieren kan openen. In het geval van de hoedendoos was dat door zelf mee te spelen, door als kind van een Duits onderofficier en een Joodse moeder verplicht te zijn beide partijen onder ogen te zien en bij de luisteraar te brengen.
Stel dat…

b5f99-52211dc004a

In ‘Een kalkoen met een hemd, 4000 jaar Joodse wijsheden’ (BZZTÔh, 1992) vertelt Willy Bril (1926-2017) dit prachtige verhaal:

‘ledere keer als het joodse volk in gevaar verkeerde ging de Baal Sjem-Tov naar een bepaalde plek in het woud, ontstak daar een vuur en sprak een gebed uit. Zijn volk bleef gespaard.
Een generatie later ging zijn leerling en opvolger, rebbe Dov-Ber van Mezzeritsj, naar dezelfde plek in het woud omdat er weer een ramp dreigde voor de joodse bevolking.
‘Heer van het heelal,’ zei hij, ‘ik weet niet hoe ik vuur moet maken, maar ik heb de plek gevonden en ik ken het gebed, misschien is dat voldoende?’
En het was voldoende.
Weer een generatie later ging rebbe Mosje-Leib Sassov naar het woud met hetzelfde doel en hij zei:
‘lk weet niet hoe ik vuur moet maken, ik ken het gebed niet, maar de juiste plek heb ik gevonden.‘ En het volk werd gespaard.
Toen rebbe Israel van Rizjin aan de beurt was, zei hlj: ‘Heer, ik kan geen vuur maken, lk ben het gebed vergeten en ik weet zelfs niet waar de juiste plek is.
Het enige wat ik kan, is hier staan en het verhaal vertellen.’

46183-1721520127

Het verhaal vertellen.
Niet een verslag uitbrengen of een zedenles, maar gewoon: het verhaal vertellen.
Op de manier van de verteller.

En je moet je historische vragen blijven stellen over het voor mij nog steeds onvoldoende begrepen tekortschieten van de geallieerden: waarom de treinen zo lang ongestoord de kampen konden bereiken, waarom de ‘teruggekeerden’ niet dadelijk in het verhaal van het nieuwe Israel pasten en later de geschiedenis misbruikt werd om de eigen overmacht door te drukken tegenover de buurvolkeren.
Ook die verhalen dus.

Laten we er dus maar staan en met zovele anderen het verhaal vertellen.
Bij de muziek van de zweefmolen.
Bij het schieten achter de muren.
Bij het verdreven worden uit je eigen land.
Bij het gepest worden in je school.
Een stem uit de massa.
En nog een stem.

Ik ben telkens weer benieuwd je stem te horen.

ruiny_getta

Een verhaal uit de hoedendoos van Benjamin Marcus, radiodrama

WarschauGhetto

There is an English translation on the upside

Op 19 september 1941, op zijn 43ste verjaardag, bezoekt een Duits onderofficier het getto van Warchau. Hij maakt er 140 foto’s met zijn Rolleiflex.
Bezocht hij het getto alleen uit nieuwsgierigheid, of wilde hij het Joodse meisje Anna Jankowsky terugzien?
Het kind uit deze vreemde relatie, Jonathan, wordt door zijn moeder aan de vijftienjarige Benjamin Marcus meegegeven.
In 1992 vertelt Jonathan het verhaal van het getto zoals hij dat van zijn twee vaders heeft geërfd.
Er zijn de foto’s van de Duitse vader, en een hoedendoos van zijn pleegvader.
Daarin zitten een aantal speeltjes die geluid maken. Elk speeltje is een herinnering aan de afwezigen.
De auteur vertelt zelf het verhaal. Hij ervaart het immers als zijn eigen verhaal. Hij heeft alleen de foto’s en de auditieve relikwieën om het verleden tot leven te brengen.

Bijdrage voor de Prix Futura 1993 Drama in Berlijn waar ze een eervolle vermelding kreeg.
De productie werd in verschillende andere landen geproduceerd waaronder BBC Radiodrama Edinburgh. (1993)

duur: 53′ 58″

jviolist begin 001126aangep.

Voor de muur van een buis in de Nowolipki zit een magere man viool te spelen. Altijd drie of vier dezelfde tonen. De man beeft een armband om de rechterarm. Zijn jasje is te klein, zijn vlekkerige broek te groot. Hij kijkt angstig naar de camera.

(Enkele noten van Deutschland, Deutschland über Alles – op de xylofoon)

De fotograaf Heinrich Hallman, die op 19 september 1941 het Getto van Warchau bezocht was onderofficier bij het Duitse leger.
Het was de dag van zijn 43ste verjaardag. Hij wilde die ’s avonds vieren met enkele vrienden in het hotel Bristol.
Voor hij daar naar toe ging, maakte hij met zijn Rolleiflex 140 foto’s in het getto.
Misschien ontmoette hij er die dag Benjamin Marcus, veertien jaar, werkzaam bij de Ostbahn op het Danzig-station, naast de overslagplaats.
Hij moest er wagons in- en uitladen. Hij nam zijn intrek in Zamenhof 19.
In hetzelfde jaar 1941.

Onthou hun namen goed, de toevallige fotograaf Heinrich Hallman, Duits soldaat en de jonge Benjamin Marcus, vluchteling en jood.
En dan nummer drie.
De jonge vrouw Anna Jankowsky. Verkoopster in een winkel van stoffen voor herenkleding. Anna Jankowsky.

Onderofficier Heinrich Hallman kwam immers niet alleen uit nieuwsgierigheid naar het getto.
Hij zocht iemand.
Hij zocht Anna.
Hij heeft haar niet gevonden.
Benjamin Marcus vond haar wel, één jaar later. Net voor de eerste evacuatie van het getto.
Ze gaf hem de baby.
Een vijftienjarige jongen met een baby.
Twee overlevenden.
Ik met mijn nieuwe vader. Een vader van vijftien.

Jonathan. Geboren uit een Duits soldaat en een Joodse vrouw. Jonathan erfde van zijn echte vader de foto’s, van zijn pleegvader een hoedendoos herinneringen, van zijn moeder een gescheurd linnen broekje, een uitgerafeld hemdje en een ooit witte armband met een blauwe davidster.
De combinatie van deze drie erfenissen is..is.. een complete gekte, hier samengebundeld in een eerste en laatste voorstelling van het kleinste theater ter wereld. Het theater uit de hoedendoos.
Op de ovale hoedendoos waarin Benjamin’s erfenis stak, speelt Jonathan Zamenhof -genoemd dus naar het woonkwartier van mijn jonge pleegvader (Zamenhof 19) -hij speelt hier nu zijn enig stuk waarin hij tevergeefs probeert zijn krankzinnigheid te bezweren.
Ja gezegend met een puistekop, een bochel en een reeks andere kwalen, verkiest hij daarom zelf onzichtbaar te blijven, verbergt hij zich, en geeft hij zijn voorstelling vanuit de geluiden die de speelgoedjes uit de hoedendoos maken.

Want jawel, van zijn net zo gekke vader erfde hij alhier te horen:
Eén kinderpiano, Tjechisch fabrikaat.
Eén ratel.
Twee belletjes in hout gevat.
Een houten toetertje.
Een speeldoos met veer.
Een speeldoos met de hand gedraaid.
Eén kleine mondharmonika en eén grote mondharmonika.
Een houten kleppertje.
Een xylofoontje, met do-re-mi-fa-sol-la-si-do.
En zijn grootste schat: een houten fluit waardoor met twee tonen het
roepen van de treinen hoorbaar wordt.
O goede gekte, wat heb ik toch met treinen?

Weemoedig klinken ze als ’s avonds de stad vol hangt met mist en mijn jonge vader niet kon ophouden met zijn wonden dicht te vertellen.
God wat kon die man vertellen!
Alsof hij het zelf had meegemaakt.
Wacht even.
Ja. Hij had het zelf ook meegemaakt, maar hij kon het niet geloven natuurlijk en daarom moest hij het blijvend vertellen, vertellen, vertellen, vertellen, tot hij waarschijnlijk al vertellend in slaap is gevallen en door een goederentrein voor goed van het vertellen werd verlost.
Maar hij had mij besmet.
Hij heeft me in zijn verhalen gewikkeld zoals anderen hun kinderen in luiers wikkelen. Probeerde hij mijn bult te verbergen? Wilde hij de puisten wegvertellen, ze uit mijn kop snijden met de scherpe kant van wat de geschiedenis hem heeft aangedaan? Wilde hij zijn verhalen als een ratel voor zich uit dragen. Roepend: ik ben melaats. Ik heb te veel gezien, te veel gehoord, te veel geroken.
Jaja, te veel geroken.
Nergens anders waren de mensen zo ruikbaar als in het getto. Stank van opeengepakte mensen.
Ook de weeë geur van bloed.
Het eerste transport uit het getto van Warchau. Juli 1942.
Mensen in een lange onafzienbare rij in het Leszno, en vandaar werden ze dan naar de overslagplaats gebracht.
Mijn vader heeft het gezien. Hij laadde vlakbij wagons in en uit.
Hij zag hoe er enkelen probeerden te vluchten.
Politiemannen schoten.
En hij heeft hun lijken door het lijkentransportbedrijf zien weghalen.
En zijn grootouders, ooms en tantes, die woonden toen Nowolipki 35, dicht bij het bedrijf van Schultz. Die werden toen mee weggevoerd. En dat heeft hij met eigen ogen gezien. Met zijn vijftienjarige ogen. Dat heeft hij geroken, met zijn vijftienjarige neus. Dat heeft hij gevoeld met zijn vijftienjarig hart.

Tegenover het huis Zamenhof 19, waar m’n vader woonde, was Zamenhof 44, het kantoor van de waarderegistratie. Daar nam de afdelingsleider van de waarderegistratie -let op de woordspeling- daar nam de afdelingsleider van de waarderegistratie joodse vrouwen en meisjes mee naar boven, en daar verkrachtte hij ze en gooide ze dan ’s nachts uit het raam.
Hij, mijn jonge vader, heeft meermaals ’s morgens lijken van Joodse vrouwen en meisjes onder het raam van de waarderegistratie zien liggen.
De waardenregistratie.
En hij kon zelfs ’s nachts zijn ogen niet meer sluiten.
Hij probeerde de lijken weg te vertellen.
Hij heeft ze mij beschreven. De meisjes van de waarderegistratie.
Hij heeft ze naar mijn jongensziel gedeporteerd. Naar mij de Duits-Joodse bastaard.
De geschiedenis met de bult. Eigen schuld dikke bult. (geluid treinfluit)

novolipki 01117

Dit is een foto van de Nowolipki. Het kantoor van de begrafenisondernemer Mordechai Pinkert is zichtbaar. Er hangt een bord boven de winkeldeur. Lange rijen mensen staan aan te schuiven. Vooraan zit er een jongetje met zijn rug naar de fotograaf bij een kinderwagen gevuld met boeken.

Aj, de kaart,
ik geef mijn kaart niet af,
want Pinkert is een beest,
hij neemt de doden hun kaarten af.
Aj, de kaart!

Dat zongen de kinderen in het getto.
Bij Pinkert werkte de vriend van mijn jonge vader. Ook een Benjamin.
Benjamin Gruszka, maar iedereen noemde hem Bolek. Zijn vader had een groentehandel moeten opgeven toen er geen groenten meer in het getto waren, en hij was lijkendrager bij Pinkert geworden. Lijken waren er genoeg. Steeds meer. Zijn vader werd spoedig ’geëvacueerd’ naar Treblinka.
Als hij niet naar de Ostbahn moest, hielp mijn jonge vader Bolek wel eens. Om iets bij te verdienen. Dan kwam er een telefoontje uit het hoofdkwartier van de gestapo in de kelder van Zelazna 101. Meestal belde de Joodse politie: vooruit naar het hoofdkwartier. Kelder leegruimen.
Routinewerk. Soms droop er nog bloed van de mensen af.
Hier komt het houten toetertje vandaan. Het rolde uit de zak van een gemartelde vrouw. Het was nog nieuw.
Mijn jonge vader zei dat het de stem van de vermoorde kinderen uit het getto heeft.
(geluid van het toetertje)

In april 1941 waren er ongeveer 450.000 mensen in het getto. Op 307 hectare. Zeven vierkante meter per inwoner.
Zo kan men gemakkelijk de stank verklaren van de overbevolkte straten.
130.000 kinderen onder de veertien jaar hebben Warchau niet overleefd.
(geluid van het toetertje)

kind op troittoir 02118aangep.

Op het troittoir van een zijstraat Iigt een kindje van een jaar of drie, vier. Alhoewel het midden september is draagt het geen schoenen. Het heeft Iompen aan en kan zich niet meer oprichten. Drie jongens van zo’n jaar of dertien Iopen voorbij. Alleen de middenste kijkt naar bet stervende kind.

Dit is een foto gemaakt door mijn echte vader Heinrich Hallman, Duits onderofficier in Praga, een voorstadje van Warchau. Waarom heeft hij deze foto genomen‘?
Terwijl ik in de buik van Anna Jankowsky zat, fotografeerde mijn vader met zijn Rolleiflex dit stervende kind.
Kom kinderen uit Warchau, klaag met Rachel.

meisje met zusje 03119aangep.

Hier , tegen de gevel zit een meisje van een jaar of negen. Op haar benen Iigt haar zusje. Het nog Ievende meisje houdt haar handje beschermend over het Iichaam van het Iiggende kind.
Ze kijkt niet naar de fotograaf. Ze kijkt naar links, naar iemand die niet zichtbaar is.

Ik vertel het toch goed? Kunt u zich dit meisje voorstellen. Ze zit op straat met haar dode zusje op haar schoot. Het is de 19de september 1941.
Straks zal ze de kleren van haar zusje uittrekken en het lijkje op straat laten liggen, onder een krant of een beetje inpakpapier. Als de familie een begrafenis wil, moeten ze belasting betalen. Dus worden de lichamen op straat achter gelaten. Werk voor de Joodse raad..
Adam Czerniakow, de leider van de Joodse gemeenschap in het getto schrijft in december 1941: de intelligentsia is stervende. Tot dan stierven alleen de armen, maar van nu af aan is de intelligentsia aan de beurt.

Kwam je niet alleen om Anna Jankowsky, Heinrich Hallmann? Wilde je een bontjas tegen een spotprijsje kopen, een nieuwe lens voor je rolleiflex, het kon allemaal voor een prikje. Levensmiddelen echter waren duur, onbetaalbaar.
Zoals mijn jonge vader Benjamin plotseling oog in oog stond met het zoontje van de Duitse gouvemeur-generaal Hans Frank. Het jongetje kwam met zijn moeder en een kindermeisje ’boodschappen’ doen in het getto. Met de Mercedes. En ss-bewaking.
Terwijl de moeder uit de auto stapte, riep ze: Hier op de hoek is het. Daar hebben ze zulke mooie corseletten, en die bontjassen!
Niklas Frank, achter in de auto, en Benjamin Marcus, op de stoep van de Nowolipki keken elkaar aan. Het was een zondag. Niklas stak zijn tong uit. Benjamin ging weg.
Later, toen de auto vertrokken was, vond Benjamin de kleine mondharmonika in de goot. Ook die was nog nieuw. Net als het toetertje. Ze kon maar enkele noten produceren. Genoeg om alle Duitse liedjes te begeleiden.

(geluid van de kleine mondharmonika)

Toen ik twaalf werd kreeg ik van Benjamin een grote mondharmonika.
Ze was mijn troost op het internaat. Daama vergat ik ze. Later vond ik ze terug in de hoedendoos.
(geluid grote mondharmonika – stilte)

lijken kuil +man 04120aangep.

Op deze foto staat een man bij een kuil. De bodem is bedekt met lijken. Ze liggen heel dicht bij elkaar. Naast elkaar of met de benen in elkaar geschoven. Elk plaatsje is benut. Het zijn meestal vrouwen.

De Joodse begraafplaats grensde aan de katholieke Poolse begraafplaats en aan het voetbalveld ’Skra’.Aan de arische kant dus. Ertussen was een muur. Via die muur werden mensen en wapens gesmokkeld.
Lijkwagens hadden meestal een dubbele bodem of dubbele wanden.
De toegang tot de Joodse begraafplaats was een poort, heel idyllisch met klimop begroeid.
Hier werd Jasia Starkopf binnengebracht, vergezeld van haar rouwende moeder. Haar vader liet zich met het kind opsluiten in het lijkenhuis.
Daar ontwaakte Jasia uit haar verdoving. Een bevriende arts had haar een spuitje gegeven om haar tijdelijk te verdoven.
Mijn jonge vader hielp de opzichter van de begraafplaats de heer Navojak om vader en dochter over de muur te krijgen. Het muziekdoosje met veer kreeg hij als geschenk. De muziek van de verrezen Jasia

(geluid muziekdoosje)

jongen lijk kuil 05121aangep.

Vooraan op deze foto liggen drie lijken. In de verte gooit een jonge jongen lijken in een kuil. Hij draagt daarbij houten handschoenen. Beneden in de kuil legt een man de lijken naast elkaar.

(geluid van houten kleppertje)

Het houten kleppertje.
Dat heeft mijn jonge vader zelf gemaakt.
Toen hij nog een jongen was. Het bestaat uit een steeltje met een middenvlak. Daartegen aan klepperen twee halve rondjes.
Eerst diende het kleppertje om signalen te geven aan zijn vriendjes die ook zo’n kleppertje hadden. Later, toen hij bij de Ostbahn werkte, klepperde hij ermee als hij de mensen naar de overslagplaats zag drijven.

(geluid van het houten kleppertje)

Nog later, toen we in Antwerpen woonden, gebruikte hij het om zijn boze dromen te verdrijven.
Nu gebruik ik het als ik de gedachteniskaars aansteek en ik de mensen uit papa’s verhalen probeer op te roepen.
Ik heb ze niet gekend. Maar ik ken ze. Ik bewaar ze in deze hoedendoos.
Ik roep ze op. Ik ruk ze los uit de levenloze foto’s van Heinrich Hallman.
Ik haal ze terug uit de straten van het getto.
Benjamin zei: ze sterven nooit zolang wij aan hen denken, Jonathan. Als wij ze vergeten gaan ze een tweede keer dood.
Kom.

(toetertje, kleppertje, speeldoos-veer, kleine mondharmonika)

2 kinderen bedelen 06122aangep.

Twee kinderen zitten tegen een bakstenen muur. Het jongetje is zes jaar, het meisje niet ouder dan drie. Ze hebben een metalen beker tussen hen beiden staan. Ze bedelen. Ze hebben honger. Ze kijken recht in de lens.

Benjamin Marcus zag de kinderen van dokter Henryk Goldszmit, alias Janusz Korczak. Het was de vijfde augustus 1942. Een warme dag. De dokter stapte met tweehonderd weeskinderen naar de overslagplaats.
Ze verdwenen met zijn allen in de goederenwagons. De trein naar Treblinka. Elf uur had de trein nodig voor dit korte stukje. Daama gingen ze tussen twee hagen van prikkeldraad door, de gaskamer in. Dr.Goldszmit als laatste.
Mijn vader kende de kinderen van het weeshuis. Vaak liep hij aan bij de dokter en hij leerde de kinderen eenvoudige fluitjes snijden uit takjes of spaanders. Tot er geen takjes of spaanders meer waren.
In het ontruimde weeshuis vond hij na hun vertrek het treinfluitje.

(geluid vanhet treinfluitje)

De trein naar Treblinka. Kinderen onder de vier jaar gratis. Onder de tien halve prijs. De rest reisde tegen groepstarief. Zo werden de joden vervoerd tegen excursietarief, daardoor gingen ook volwassenen voor halfgeld.
De organisatie van de treinreizen werd door een reisbureau behandeld.
Het reisbureau voor Midden-Europa zorgde voor facturering, en kaartjesverkoop. Gaskamers of vakantieoord, het was hetzelfde bureau, dezelfde procedure, dezelfde facturering.
Het eerste transport joden van Warchau naar Treblinka heeft op 22 juli 1942 plaats. De volgende dag pleegde Czerniakow, de leider van de joodse gemeenschap zelfmoord.
Een laatste aantekening in zijn dagboek: ’Ze willen dat ik de kinderen met mijn eigen handen dood.’

(geluid treinfluitje)

broodverkopers straat 07123aangep.

Een drukke straat. tegen de gevels staan mannen die vers brood verkopen. Niemand koopt het. Een kind leunt tegen een lantaarnpaal. Met zijn rug naar het brood.

In de Mila wonen de allerarmsten. In de Mila 46 waar 500 personen wonen zijn er 233 mensen gestorven. Het is dan 30 april 1942, zeven maanden na het bezoek van Heinrich Hallman aan het getto. In de Mila 51 waar 578 mensen wonen zijn er 430 gestorven, van wie 200 in de loop van de voorbije drie maanden. Het record staat op naam van de Krochmahia 21 waar 400 personen woonden. Ze zijn alle 400 gestorven.
In de Zamenhof 56, dichtbij de plaats waar Benjamin was ingetrokken (Zamenhof 19) zijn tien families gestorven. Doodgevroren.
Voor twee sneden brood kreeg Benjamin de twee belletjes cadeau. Hij wilde ze teruggeven, maar daar wilde zijn vriend niets van weten.

(geluid van belletjes)

Benjamin stelde voor dat ze ieder één belletje zouden houden.
In de zomer voor de zogenaamde evacuatie-periode heeft hij met eigen ogen gezien dat Joden in het getto op straat werden doodgeschoten.
Een Duitse officier schoot zijn vriend dood. Hij was net zoals hij vijftien.
’De slachter’ was de moordenaar. Zijn vriend had lakens bij die hij buiten het getto wilde verkopen.
Zo komt het dat er twee belletjes in de hoedendoos van mijn jonge vader zaten.

(geluid belletjes)

Nu komt er een verhaal uit de hoedendoos waarvoor ik geen geluid heb, zelfs de woorden zijn te moeilijk. De kreten ’bremze’ of ’shipse’, snel, snel, in het Pools en het Oekraiens.
Kijk. Of beter nog: sluit je ogen en volg mij.
Hier is het station. Het station van het dorp Treblinka.
En dat is de aankomst van een transport. Telkens dertig tot vijftig wagons.
Dat transport werd in delen, van tien, twaalf tot vijftien wagons gesplitst die naar het kamp werden gereden.
Snel, snel, snel riepen dan de joden van het blauwe commando. Snel naar buiten. Er waren ook Oekrainers en Duitsers.
Ogen dichthouden.
Eens de mensen binnen waren moest het rode commando de kleren van de mannen en vrouwen verzamelen en die naar boven brengen.
Eerst werden dan de mannen door de ’pijpenla’ naar boven gestuurd. De vrouwen met kinderen moesten wachten tot er weer plaats was.
Naakt, zowel ’s zomers als in de winter. Bij temperaturen die in december tot -20° konden dalen. (U ziet ze vast lopen als u de ogen gesloten houdt.)
Nu zijn we dus in de pijpenla. Dat was een hoog omheinde ruimte, gecamoufleerd door een loofwerk van boomtakken, dennetakken. Een speciaal commando van 20 joden ging elke dag die takken halen. Het camouflagecommando.
Ze noemden de pijpenla ook de hemelvaart.
In de hemelvaart stonden Oekrainse bewakers opgesteld die de mannen die tegenstribbelden sloegen met zwepen.
De gaskamer was niet groter dan vier bij vier meter.
(kunt u zich die ruimte voorstellen?)
Er werden tot honderdvijftig vrouwen en kinderen in geduwd. Kleine kinderen gooide men over de hoofden van de aanwezige mensen.
(het wordt moeilijk: maar gebruik uw verbeelding aub.)
Dan sloegen de motoren van de diesels aan en stroomde het gas binnen.
(Langzaam de ogen openen, ik zou iets voor u spelen, want als je nu ook nog beseft dat de wachtenden het geschreeuw en gejammer van de stervenden hoorden… )
Twee uur ten hoogste tussen aankomst en dood.

U heeft uw ogen weer dicht gedaan?
U was niet alleen. Toen mijn jonge vader me deze verhalen vertelde -ik was toen een jongeman- deed ik hetzelfde.
Maar hij zei: kijk me aan, Jonathan. En laat degenen aan wie je dit verder vertelt je ook aankijken.
Kijken jullie?

Kleren op stapeltjes. Kousen in de schoenen. Schoenen aan elkaar gebonden.
Wat heeft dit kind in zijn kousen verborgen?

(geluid van speeldoosje)

Greensleves.

Terwijl ik bij de katholieke zusters mijn kleine kleuterjaren doorbracht, werkte mijn jonge vader in het rode commando in Treblinka.
Daar, bij de zusters, (geluid xylofoon) hoorde ik voor de eerste keer de xylofoon. Enkele dagen later haalde Benjamin mij op. Het xylofoontje zat in mijn valiesje toen ik het ’s avonds uitpakte.

(geluid xylofoon, dan het houten kleppertje)

Ik moet klepperen.

Mama Anna, zie op mij neer.
Heinrich, wo warst du Adam?
Benjamin. (treinfluit) (Stilte)

jongetje met bedelpet 08124aangep.
Tegen een gehavende muur zit een kleine jongen van een jaar of zes, zeven. Hij zit niet. Hij leunt. Hij kan elk ogenblik vallen.
Aan zijn naakte voetjes staat een omgekeerde grote pet waarin mensen geld kunnen gooien

Papa.
In je foto’s ben je de grote afwezige. Maar de blik waarmee je naar ons hebt gekeken is zichtbaar gebleven.
Onzichtbaar voor jou toen was ik, zo ben jij nu onzichtbaar voor mij.
Duitse onderofficier kijkt zijn halfjoodse zoon in de ogen langs deze foto’s.
Op de straten lopen nu de kinderen Ausländer raus te schreeuwen, papa.
In mijn land hebben ze ’t over eigen volk eerst.
Welke kant moet ik uit? Ik met mijn twee vaders?
Wij allen met onze honderden en duizenden voorvaderen uit alle landen‘?
Moeten we weer onderduiken?
Zullen we elke kelder weer verdedigen tegen de dictatuur der domheid?

(geluid van de speelgoed-piano)

Elke avond speel ik met het kleine orkest uit de hoedendoos.
De piano.
Achtergebleven op de omslagplaats. Meegebracht toen hij terugkeerde na zijn laatste dag werk bij de Ostbahn.
De hele hoedendoos heeft hij toen overgesmokkeld naar de arische kant.
Over de muur van het kerkhof is hij ermee gekropen.
Blijf bij ons, zegden Poolse vrienden. Het getto brandt.
De doos bleef. Hij keerde terug.

jongetje op schouder 09125aangep.
Een haveloze man met een kind op zijn schouder. beiden blootvoets.
Achter hem een winkel van linoleum.
De man kijkt naar de jongen van een jaar of tien.
Wat wil hij vragen?

(geluid van rateltje)

Een ratel, zelf gemaakt net zoals het houten kleppertje. (ratel)
Pas op. Ik ben besmet.
Ik ben nog steeds niet thuis.
Uit de ruïnes zijn weer mannen met een koude blik naar ons gekomen.
Ze roepen: snel, snel!
Ik ben de ratelslang, zei ik. Maar ze lachten. Ik was toen negen.

Nu ben ik ouder.
Mijn twee vaders nemen me bij de hand.
Heinrich, ik leer met jouw ogen kijken. Naar de foto’s van nu.
Benjamin, ik zal mijn gekte in het hoeden-doos-orkest steken.
Ze zullen het zien en horen.
Met Jesaja fluister ik: een eeuwige naam zal ik hen geven.
Een naam voor de moeders uit de hoofdkwartieren van de talrijke gestapo’s.
Luister.
(toetertje)
Een naam voor de kinderen die hun tong uitsteken naar de havelozen in de vele getto’s. Luister.
(kleine mondharmonika)
Een naam voor de vaders die met hun kinderen over de muren van de begraafplaatsen klimmen. Luister.
(muziekdoosje met veer)
Een naam voor degenen die hun kinderen het leven schenken, tot in de dood. Luister.
(treinfluit)
Een naam voor de vrienden met wie je het brood deelt. Luister.
(belletjes)
Een naam voor degenen die door de hel zijn gegaan. Luister.
(muziekdoosje)
Een naam voor degenen die ons voor de hel hebben behoed. Luister.
(xylofoon)
En jullie die een naam hadden, Heinrich Halman, Benjamin Marcus, Arma Jankowsky, leer mij mijn naam begrijpen.

Hoor de klanken der vele namen in de hoedendoos.

(stilte)

plakaten

Een man zijn, Edouard Louis

ob_2d5235_return-of-the-prodigal-son-study-2

Een fragment uit:
‘Ze hebben mijn vader vermoord’, Edouard Louis (1992)

Je hebt niet doorgeleerd. Zo snel mogelijk van school afgaan was voor jou een manier van je als man te bewijzen; dat was regel in de wereld waarin je leefde: een man zijn, je niet gedragen als een meisje, geen nicht zijn. De enigen die bereid waren zich te houden aan de schoolregels, aan de discipline, aan wat de leraren vroegen of eisten, waren de meisjes en de andere jongens, die werden verdacht van een afwijkende, abnormale seksualiteit.
Voor jou stond het werken aan een mannenlijf gelijk aan het verzet tegen het schoolsysteem, tegen de regels en de Orde en zelfs tegen de school en het gezag waar die voor stond. Op de middelbare school had een van mijn neven voor het oog van de hele klas een leraar ooit een klap verkocht. Er werd altijd over hem gepraat als een held. Mannelijkheid – je niet gedragen als een meisje, geen nicht zijn – betekende zo snel mogelijk van school gaan om je krachten op anderen te beproeven, zo vroeg mogelijk, om duidelijk te maken dat je je niet liet ringeloren, en daar leid ik dus uit af dat werken aan je mannenlijf betekende dat je afzag van een ander leven, een andere toekomst, een andere sociale bestemming, waar studie toe had kunnen leiden. Mannelijkheid heeft je veroordeeld tot armoede, tot geldgebrek. Afkeer van homoseksualiteit = armoede.

Tree-of-Life-045

Ik zou graag proberen iets onder woorden te brengen: als ik er vandaag over nadenk, heb ik het gevoel dat jouw bestaan een negatief bestaan is geweest; een bestaan dat jij niet wilde en dat jou niet wilde. Je hebt géén geld, je hebt niet kunnen studeren, je hebt niet kunnen reizen, je hebt je dromen niet kunnen verwezenlijken. De taal heeft bijna alleen ontkenningen om jouw leven te omschrijven.
In zijn boek L’ Être et le Néant (Het zijn en het niets) vraagt Jean-Paul Sartre zich af wat de relaties zijn tussen zijn en handelen. Zijn we bepaald door wat we doen? Is ons wezen bepaald door wat we ondernemen? Zijn vrouwen en mannen datgene wat ze doen, of bestaat er een verschil, een kloof tussen onze persoonlijke waarheid en ons handelen?
Jouw leven bewijst dat we niet zijn wat we doen, maar daarentegen dat we zijn wat we niet hebben gedaan, omdat de wereld of de samenleving het ons heeft belet. Omdat we getroffen zijn door wat Didier Eribon ‘vonissen’ noemt: gay, trans, vrouw, zwart, arm, die bepaalde levens, bepaalde ervaringen, bepaalde dromen voor ons ontoegangankelijk hebben gemaakt.

(p27-29) (vertaling: Jan Pieter van der Sterre, Reintje Ghoos)

the-tree-of-life-terrence-malick-2011-trailer-header

Edouard Louis (1992) werd geboren als Eddy Bellegueule en debuteerde met de bekroonde bestseller Weg met Eddy Bellegueule. Zijn tweede boek, Geschiedenis van geweld, werd unanniem lovend besproken en bevestigde zijn reputatie als het grootste hedendaagse talent van de Franse literatuur. Louis woont en werkt als socioloog in Parijs. (Bezige Bij A’dam 2018)

portret

‘Dit is het verhaal van mijn vaders leven en de gebeurtenissen die dat leven hebben verwoest, van zijn geboorte tot zijn naderende dood. Het is een poging om hem, en de wereld waarin hij leeft, te begrijpen. Dit is het verhaal van een man uit de arbeidersklasse, wiens verwachtingen, geluk, passies en dromen langzaam maar zeker verpletterd worden door de samenleving en de politiek. Dit is het verhaal van een man, of een persoon, waar het in de literatuur bijna nooit om draait.’ – Édouard Louis

ddi9789403133300

Misschien moet je niet de vraag over pamflet en/of literatuur stellen, kun je makkelijk deel twee van dit piepdunne boekje bij het al te pamflettair geroep plaatsen, maar dan nog blijft wat in een mensenleven gebeurt of net niet gebeurt het belangrijkste, en dan zijn intensiteit en onmacht ook weer  wegen die je eigen leven aan deze ervaringen kan haken.  Of hoe de parabel van de verloren zoon ook de parabel van de verloren vader zou kunnen zijn.

‘J’essaie de faire cette archéologie du silence. Pourquoi on ne me le dit pas. C’est là où la question de l’amour est politique. C’est la question de la possibilité d’exister, d’être, de ne pas se chasser soi-même du monde.’

male-gender-roles

C’est un livre sur la difficulté d’aimer et de dire je t’aime. Il y a des écrivains qui savent écrire sur l’amour ; Barthes, Ernaux, Proust… Je ne suis pas très doué pour parler d’amour, je sais juste parler de ce qui ne va pas.

Dans Qui a tué mon père, je montre comment mon père était quelqu’un qui, toute sa vie, n’a pas su dire je t’aime, à moi son fils, à ma mère, aux gens autour de lui, parce qu’il devait être masculin ; parce que c’était un petit village, un milieu post-ouvrier où la masculinité était très importante. Dire je t’aime était un truc de fille, un truc de pédé.

a78821e9

Kid
Eddy de Pretto
Tu seras viril mon kid
Je ne veux voir aucune larme glisser sur cette gueule héroïque
Et ce corps tout sculpté pour atteindre des sommets fantastiques
Que seul une rêverie pourrait surpasser
Tu seras viril mon kid
Je ne veux voir aucune once féminine
Ni des airs, ni des gestes qui veulent dire
Et dieu sait, si ce sont tout de même les pires à venir
Te castrer pour quelques vocalises
Tu seras viril mon kid
Loin de toi ces finesses tactiques
Toutes ces femmes origines qui féminisent vos guises
Sous prétexte d’être le messie fidèle de ce cher modèle archaïque
Tu seras viril mon kid
Tu tiendras, dans tes mains, l’héritage iconique d’Apollon
Et comme tous les garçons, tu courras de ballons en champion
Et deviendras mon petit héro historique
Virilité abusive…
Tu seras viril mon kid
Je veux voir ton teint pâle se noircir de bagarres et forger ton mental
Pour qu’aucune de ces dames te dirige vers de contrées roses
L’efface, pour de glorieux gaillards
Tu seras viril mon kid
Tu hisseras ta puissance masculine
Pour gonfler cette essence sensible que ta mère
Nous balance en famille, elle fatigue ton invulnérable Achille
Tu seras viril mon kid
Tu compteras tes billets d’abondance
Qui fleurissent sous tes pieds que tu ne croiseras jamais
Tu cracheras sans manière dans tous sens
Des pieds à la terre et dopé de chairs et de nerfs protéinés
Tu seras viril mon kid
Tu brilleras par ta force physique, ton allure dominante, ta posture de caïd
Et ton sexe triomphant pour mépriser les faibles
Tu jouiras de ta vue d’étincelles
Virilité abusive
Virilité abusive
Virilité abusive
Virilité abusive
Mais moi, mais moi, je joue avec les filles
Mais moi, mais moi, je ne prône pas mon chibre
Mais moi, mais moi, j’accélérerai tes rides
Pour que tes propos cessent et disparaissent
Mais moi, mais moi, je joue avec les filles
Mais moi, mais moi, je ne prône pas mon chibre
Mais moi, mais moi, j’accélérerai tes rides
Pour que tes propos cessent et disparaissent
Songwriters: Eddy De Pretto / Cédric Janin
Songteksten voor Kid © Universal Music Publishing Group

maclaurin

Sinaasappel, een gedicht

27f20e91cd1a533aa488ef18b7028266

In zijn wapenschild niet het hijgend hert,
en evenmin ’t gebrul van leeuwen,
zeker niet de gouden kroon
maar een sinaasappel in zijn citrusvel.

Reeds geplukt, al mag een twijgje
nog de boom herinneren, en een blaadje
dat hij zuiderluchten proefde.

De bittere schil geneest de krampen:
elixir aureant compositum.
Het vruchtvlees en een verborgen sappenschat
laten je bij het pellen watertanden.

Anders dan de slappe mandarijn
zit hij strak, weerbarstig in het vel
en bijt hij onder je nagelranden
voor hij zijn innigheid verkoopt
terwijl zoete tranen bij het breken
over je handen vloeien,
de mond hapklaar, de tong
een breed bed voor het geperste suikersap,
uren zon en tederheid van bijen
verheffen smaken tot een elfenlied.

In de tuin der hesperiden glom zijn vacht,
zijn geur vermengde zich met chocola
bij het liefelijk bedrog uit vroege kindertijd.

Zijn ronding roept ook ’t vrouwelijk zoete
voor de geest van hongerige mannen,
in de koele ziekenkamer geneest hij vaak
de bange eenzaamheid.

In mijn kaal geplukt wapenschild
glanst hij woordeloos.
Niet verwoest door vlijm of citruspers
vat hij de kern der dingen samen.

155814b

De afbeeldingen komen uit het 17de eeuwse boek: Hesperides, sive, De Malorum Aureorum cultura et usu Libri Quatuor, door Giovanni Battista Ferrari (1584-1655) geschreven, gepubliceerd door Sumptibus Hermanni Scheus en getekend door Guido Reni (1575-1642).
Gedrukt bij een Duitser die in Rome werkte: Johann Friedrich Greuter. In het boek wordt goede raad gegeven bij het kweken van citrusfruit.

Afwezigheid, een gedicht

man-waiting-for-train-artistic-aps0654-medium-original-imae76j5fgtx5zwb

Alsof je straks, bij ’t vallen van de nacht
thuiskomt,
en ik de buitenlucht in je krullen
ruiken zal
als ik je zachte wangen kus, lief.

waiting

Alsof je in de vroegte van de dag
thuiskomt,
en ik het donker in je ogen
zal zien
als ik je lippen kus, lief.

41562-homer, winslow-waiting for dad

Alsof je in de zwaarte van de middag
thuiskomt,
en ik de kromming van je armen
voelen zal
als ik omarmd je zwijgen hoor, lief.

waiting-for-time-to-fly2012-e1350837097634

Zo wacht ik de dood voorbij.

ROBIN TEWES, magical visual parables

dsc_2258_1024x1024

Er is natuurlijk het strijdbare, jaren tachtig vorige eeuw eerste grote feministische golf, maar al vlug haalde de eigenzinngiheid het op het pamfletaire: oog voor kwetsbaarheid, en dat op de eerste plaats bij degenen die geacht werden aan de andere kant te staan, kracht versus beminnelijkheid om de twee nog eens uit te vergroten.
Mannen in nood wordt het onderwerp van een serie werken, maar juist daardoor hun mooiste kant toonden: het behulpzame, het gevoel voor de andere man.

man in troubles2
Het oogde allemaal een beetje stormachtig met veel water waarin de verhalen zich afspeelden, en je voelt de strijdbaarheid verschuiven naar het vinden van een eigen taal die een publicist ‘magical visual parables’ noemt.
Vertellen maar dan over een gestolde tijd waarin vooral de ruimtes hun functionele geborgenheid zijn kwijtgeraakt.

faith-26x22-2007-oil-on-birch-panel
De personages, vaak kinderen, zijn uit die ruimtes uitgegroeid en vinden geen weg terug. Er zijn extra verborgen of moeilijk zichtbare letters of boodschappen (kruis en tekst op de muur) waarin ze ooit hebben geloofd of die geacht werden voor het nodige heil te zorgen, of als …
Het onuitgesprokene wordt belangrijker dan een duidelijke dialoog. Wat ons drijft hebben wij misschien wel te veel verpakt in comfort en gemakkelijkheid ten koste van het mysterieuze. Nu is je leven voor iedereen zichtbaar.  Je bent nooit alleen. Maar altijd eenzaam.

revision-1-kitchen-22x18-2002

Robin Tewes’s artwork is drawn from personal life experiences that are transformed into magical visual “parables.” Her narrative paintings penetrate and expose the political and social hypocrisies of society through the prism of humor, beauty and incisive intellect. Whether dealing with issues of war, religion, feminism, or the harsh and glorious surprises that life throws at us, Tewes’ visual responses reveal trenchant insights wrapped in a cocoon of empathy. At the same time, the artist invites the viewer to question his/her own beliefs. Over the years she has experimented with various techniques and mediums in her pursuit of enriching and expanding centuries old dialogues artists have had with the figurative painting tradition.

scaleimage.aspxruim

Rooms — intimate spaces of one’s own design, private and often secret, walled off from the outside world — figure dominantly in Tewes’ paintings and drawings. Working in series, i.e., Rooms With People, Rooms Without People, she frequently incorporates family members, transmuting her subjects into phantasmagoric fables that reflect on contemporary life. Tewes makes clear that an enclosure’s isolation is illusionary. One is never alone, words rush in and are scratched onto walls, shifting the meaning of the paintings. Her minimally spare “rooms” usually contain windows, doors and hallways giving us glimpses of the fluidity of entry and exit. In these works, disengagement from societal interaction is not possible, a human presence is always palpable.

suburban orpheus

Robin Tewes was born (1950) and raised in the working-class Richmond Hill, Queens neighborhood. She was interested in art from an early age and attended the High School of Art and Design in Manhattan, majoring in cartooning. After working and traveling, she attended Hunter College in New York City (BFA, 1978), where her key influences were narrative, representational artists such as Frida Kahlo and Edward Hopper, as well as the Surrealists.

scaleimage.aspx2b

After graduating, Tewes became involved with a group of young artists living and working in the poor-to-working class Lower East Side neighborhood. Together, they founded the P.S. 122 painting Association in 1979 and began renting classrooms in the abandone school, which they converted into studio spaces. That association, in existence today, evolved into the future Performance Space New York. During that time, Tewes also co-founded the artists collective, Fifth Street Gallery, one of the first in the Lower East Side.

i love

“I’m interested in that subconscious current. I think about things unspoken … the energy left in a room after a certain conversation.”

At times that energy took the form of scratched, nearly invisible graffiti on walls, floors and furniture. Critics speculated that the ambiguous scribbles might represent plaintive, rueful traces of recent exchanges, thought projections, or conversations to come, intimating marital discord, sexual tension, irreconcilable disputes, and lonely childhoods.

plakk

“It’s so hard not to let the outside world define you. The business of art is really perverted. It’s always shifting and changing, but usually it’s white men, still, but especially back then. Art dealers would gravitate towards work they liked and understood, and that’s all real and fine and acceptable, but it’s tunnel vision, because it’s not understanding or accepting work outside of their experience. So the dealers buy and perpetuate work that interests them. There are always exceptions to this rule, but it was a general rule. The collectors then would buy it, and the writers then would write about it, and the art historians then would curate it. So it was this small little ball of wax that kept recycling in itself. It’s best when you can have many different points of view and many different visions of understanding and women were really kept out of that, and artists of color were too. It’s still a problem.”

 

scaleimage.aspx2

_the sleeper woman with curler

“This is a portrait of my deceased mother Edna Quinn Tewes. I call it “The Sleeper Woman with Curler.”

https://www.neoimages.com/artistportfolio.aspx?pid=3717

http://adambaumgoldgallery.com/

movietheatre

DE BRIEF, een kortverhaal

still-life-with-letter-to-thomas-b-clarke

‘Toch zal ik je schrijven, ‘ had ze gezegd. Veertien jaar geleden. ‘Ik zal je laten weten waar ik ben, wat er met mij is gebeurd. Ik zal je vragen te komen als ik gevonden heb wat ik zoek.’
Zo. Maar, wat zocht zij eigenlijk? Niet het geluk, ook god niet, geen rijkdom of een plaats onder de groten der aarde.
‘Wat ik zoek kun jij op dit ogenblik niet begrijpen.’ zei ze. ‘Het is ver en tegelijkertijd dichtbij.’
Hij had mooi te beweren dat het praatjes waren, ontvluchten van de realiteit, uitstellen van een beslissing.’
Ze hield het bij ‘het zoeken’. Ze zou hem nu verlaten, niet voor goed maar om te ontdekken wat zij in haar leven moest vinden.
‘Dag lieve liefste, hou je sterk, ook al kan het even duren. Je hoort nog van mij!’
Ze vertrok met de ochtendtrein van vier over acht richting hoofdstad om aldaar in een andere trein te stappen, bestemming onbekend.
Zijn vader kon blijven beweren dat ze een hysterisch vrouwtje was, dat ze niet bij haar zinnen zou zijn; zijn moeder had het over het feit dat dergelijke meisjes best nooit zouden trouwen, hij bleef in haar geloven. Tegen elke redelijkheid in hield hij zich aan haar belofte.

9905920_20170331-102254-2

Veertien jaar echter waren er intussen voorbij gegaan. Veertien jaar zonder dat de bewuste brief of boodschap hem had bereikt. Toen ze vertrok was hij bijna twintig en nu vierendertig. Hij had zijn studies opgegeven, werk gevonden bij een maatschappij die handelsreizigers voor een nieuw soort wc-brillen zocht (de ecologische bril die signalen uitzond naar je computer als de grote boodschap te veel -aten of -ieten bevatte!) maar verder werd elk contact met de buitenwereld verbroken.
Immers, geen andere brief dan de hare mocht in zijn brievenbus binnenvallen, geen andere boodschap dan haar verhaal zou in zijn leven een plaats krijgen.
Veertien jaar lang loerde hij op de postbode. Drie generaties brievenbestellers had hij meegemaakt. Hij kende hun eigenaardigheden, hun vaste uren, hun manier om naar de bus te stappen. Maar tijdens die veertien jaar hadden ze alleen zijn aangifteformulier van de belastingen gebracht en later het bericht dat hij nog zoveel of zoveel moest bijbetalen. (het vierde jaar kreeg hij 4 euro terug!)

516px-pierre_bonnard_the_letter

Weer of geen weer, ziek of niet ziek, elke morgen hield hij achter het raam de wacht. Vermoedde hij dat de postbode een enveloppe bij had die hij niet bij de officiële stukken kon thuisbrengen dan was zijn hart bereid niet alleen haar woorden te lezen, maar haar zelfs te omarmen, haar eindelijk mee te voeren naar de slaapkamer, om er na de vreugde van het luisteren, het plezier van het fluisteren te ondergaan tot zij in de stilte eindelijk in elkaar konden opgaan zoals dat zo mooi wordt verwoord.

Na feestelijke muziek te hebben opgezet sloopt hij de trappen af, ging waardig door de gang en bleef hij bij de brievenbus staan, drie minuten lang om de goden te aanroepen hem in geval van teleurstelling bij te staan of om hem vleugels te geven bij het ontvangen van de lang verwachte brief.
Meestal, na met bevende handen de brief uit het kastje te hebben opgevist, bleek het een schrijven van een verre nicht, een oude schoolvriend of werd hij opgeroepen het leven te redden van een zwaar ziek kind uit verre oorlogsgebieden.

03stivo1_thumb1

Opgeven was niet aan hem besteed! Hij wilde blijven geloven dat de dag zou komen. Het scenario voor die gebeurtenis was door de jaren heen zo vaak in zijn hoofd herhaald dat hij het, bij werkelijk plaatsvinden, feiloos zou kunnen uitvoeren.
Kijk, daar komt de postbode. Neen, deze keer rijdt hij niet voorbij. Hij zet de fiets tegen de gevel. Is dat bonkend geluid werkelijk zijn hart? Zijn die tranen op zijn wangen er gekomen zonder langdurige aandrang of zelfmedelijden?
Hoor hoe de muziek door het huis schalt. Hij heeft zich gebaad. Zijn beste pak aangetrokken. Laat de telefoon rinkelen. Zoek iemand anders om slimme wc-brillen aan de noodruftige vrouw of man te bezorgen.
Elke trede die hij afdaalt ziet hij haar weer voor zich, telkens anders, telkens met minder en minder textiel om het mooie lijf. Tot hij haar op de laatste trede met de mantel der liefde bedekt en hij haar in kanten bruidskleed voor het altaar voert.
‘Man die veertien jaar wachtte,’ schrijven de kranten. Zo zie je maar!
Tenslotte pakken zijn vingers de brief. Het is haar geschrift. Opnieuw bestijgt hij de trappen naar zijn woonhoek. Elke trede ziet hij een andere foto van een jonge vrouw die hem tegemoet komt. Steeds dichter en dichter komt ze, in slow motion. Ligt ze dan eindelijk in zijn armen, klik-het volgende beeld- de brief. ‘De brief!’
Nu mag de zilveren briefopenener zijn werk doen. Voorzichtig. Inderdaad, het is haar geur. Violettes de Venise. Hij slaat het velletje open. Volgende beeld.
De postbode stopt niet. Het scenario wordt opgeborgen voor een volgende dagdroom.

11-15waitingforletter

Veertien jaar lang. Elke morgen trouw weer op post. Een ritueel, een viering, een vergroten van de kleiner wordende kans tot ze op hem drukte als lood en hij kreunde: wacht niet langer meer, want mijn hart is niet zo sterk als het hart van mensen die zich dag in dag uit wentelen in de armen van een geliefde.

Twee maal zeven jaar, dacht hij die herfst. Twee maal zeven, het dubbele heilige getal. Nu zou het gaan gebeuren.
De mistige morgenden, de eerste dagen van oktober als er geen enkele kans op een zoele warmte was, als de zomer in de schoonheid van rottende blaren lag te sterven, en andere mooie, zij het dan geplagieerde gedachten.
En jawel! Die morgen scheen het scenario eindelijk werkelijkheid te worden!
Een witte omslag. Hoe hij ook in zijn geheugen naar mogelijke kandidaten zocht die hem op dit ogenblik met een schrijven zouden kunnen gedenken, hij vond niemand!
De verre nicht was aan keelkanker gestorven, de oude schoolvriend in de politiek gegaan, en de caritatieve instellingen waren slim gnoeg hun bedelbrieven rond kerst en nieuwjaar te verzenden.
Dus zette hij feestelijke muziek op, nam hij een bad en liet hij inderdaad de telefoon rinkelen. In zijn beste pak stapt hij naar beneden, en elke trede die hij afdaalt komt ze dichter bij de leeftijd van negentien, de leeftijd toen ze hem verliet om haar zoektocht te beginnen.

De brief. Duidelijk haar geschrift, geen enkele twijfel mogelijk.
‘Kom,’ zegt hij. ‘Kom,’ terwijl hij weer de trappen opstijgt. Eens hij de zilveren briefopener heeft gebruikt , rook hij inderdaad ‘violettes de Venise’.
Heel voorzichtig vouwde hij het papiertje open.
Het is een gedrukt velletje, en daaronder één lijn in haar groot en rond geschrift.
‘Ja,’ schrijft ze, ‘ja, ik heb het gevonden. Helemaal.’
En dan lezen zijn betraande ogen het drukwerk: nodigen hem uit de plechtige huwelijksviering bij te wonen, zaterdag aanstaande.
Hij is notaris, leest hij. Zij intussen doctor in de rechten.
Als hij de brief dichtplooit merkt hij nog één lijntje in haar handschrift, helemaal bovenaan op de achterkant: ‘Ik zou je vragen te komen als ik gevonden had wat ik zocht.’ Of hij er dus wil zijn. In stadskledij.

roger-de-la-fresnaye-the-magician-207469_thumb

VERS VOOR VERMEERSCH

1712857

VERS VOOR VERMEERSCH

Mijn hart, vertrek
met de wijze schildpadden,
mijn hart, door
een Sahara van licht!

Pontificaal
in hun regencapes,
leren de schildpadden ons
hoe nutteloos voeten zijn.

Ze weten dat hemelse
horizonten vals zijn,
en wijden hun leven
aan de studie van een ster
waarmee ze hun schild
kunnen doordrenken.

Mijn hart, vertrek
met de wijze schildpadden.
Een schroef voor je lichaam
en vleugels voor je ziel
zullen je niet ontbreken als
je de Aarde voelt draaien.

Mijn hart, blus
je oude dorst naar grenzen.

Federico Garcia Lorca
vertaling Bart Vonck

855c1e6d1a28660a8ddcf87208dcdb8d

Voor Etienne Vermeersch
Schreef in letters
die het eigen denken
dansen deden.

MILTON ROGOVIN, they tell about their lives…

appalachia 1962-71

Het filmpje hierbij, -hij was toen drieënnegentig- zegt meer dan alle mogelijke beschrijvingen van zijn fotowerk waarmee hij pas begon toen hij 48 was.
Milton Rogovin.
Als gediplomeerd opticien had hij, na de bankencrash van 1929 oog voor het lot van degenen die dag in dag uit in armoede moesten leven.

milton-rogovin-wachtend op de boekenbus
Geboren in 1909 uit een familie van Joodse immigranten uit Litauen had hij naast liefde voor zijn job grote belangstelling voor ‘workers’ rights’.
In de optiek van ‘maak zichtbaar’ wat je leven bepaalt, kon hij vanuit zijn vak -hij opende een praktijk in Buffalo-, ook zijn ogen dienstbaar maken via de fotografische lens, zeker nadat hij in 1952 was opgeroepen voor het Huis van ‘on-Amerikaanse’ activiteiten.

The Buffalo Evening News immediately labeled him “Buffalo’s Top Red” and the persecution that followed significantly impacted his business and his family. Rogovin later stated that though his voice had been silenced, he would not be silenced. And so in 1958, Rogovin began making photographs that communicated his social concern. His first series was on Buffalo’s black storefront churches and these images showed both the poverty and the vitality of their environment. Seen by W.E.B. Dubois, the pictures made their way to Minor White and were eventually published in Aperture Magazine in 1962.

series_027_edited_custom-7fdb4412423de73a24b2ed79aed28fbe060d920c-s800-c85

In 1972, at the age of 63, Rogovin began to photograph Buffalo’s Lower West Side. Turning up on streets ranging from blue collar family neighborhoods to places where it was dangerous to ask too many questions (the reason many of the pictures are un-named). Rogovin photographed indoors and outdoors, individuals and family groups, as he sought to convey the truth of the lives of his subjects and their environment.

lower west side

Returning to this neighborhood for three decades, Rogovin created triptychs and quartets by photographing the same individuals or families with each visit. The result is a collection of photographs which provide an extraordinary look at the passage of time as well as tremendous insight into the lives of diverse ethnic groups including Puerto Rican, African American, Native American, and Italian families over the course of thirty years. Rogovin completed the Lower West Side series at the age of 92.

2011.16.04_rogovinmilton_triptychfelxandwifeserieslowerwestsidebuffalo_fv

Rogovin’s photographs are now in the permanent collections of over two dozen prominent museums around the world, including the Biblotheque Nationale in Paris, the Museum of Modern Art in New York, the J. Paul Getty Museum in Los Angeles, the Center For Creative Photography at the University of Arizona-Tucson and the Victoria and Albert Museum in London.

fa2763c8ddc0b50fa572a2e8ee8f09cb

In 1999, the Library of Congress acquired 1,130 of Rogovin’s master prints, along with his negatives and contact sheets. The irony was not lost on Rogovin that the government that persecuted him in the 1950’s now celebrated his work as a champion of the poor and working class half a century later.

miltonrogovin_appalachia031

Hij stierf in 2011, enkele weken na zijn 101ste verjaardag.

“Once you’ve studied the pictures for a while, they begin to speak. The people in the pictures hold still — so patiently, that you can study them at your leisure. And when you’re wholly inside the picture, the people speak. They tell you their life-stories. Their political opinions. They confess. They accuse. They laugh. They sigh because they’re tired. They open their hearts to you. This is how we love, they say, and this is how we hate, and this is why we didn’t get anywhere, and this is our youth, and these our dreams of glory, and this is what our parents looked like, and here is my weak point, and here is my strength….I’ll have to ask you to write your own caption. Look at them closely. Look into the people’s eyes and let them speak. They tell you about their lives….”

voor vredeteken

In 2003, Rogovin summed up his work: “All my life I’ve focused on the poor. The rich ones have their own photographers.”

lower west side café

https://www.danzigergallery.com/artists/milton-rogovin/featured-works?view=slider

Anne Rogovin, Milton’s wife, died from brain cancer on July 7, 2003. She was surrounded by her children, grandchildren, and great-grandchildren. Besides being a special education teacher, a parent, and an activist for peace and justice, Anne played an important role in Milton’s photography. She often accompanied him when he took his photographs in Buffalo and around the world. Anne encouraged Milton and was the inspiration behind many of his photography series. Anne will always be in our hearts.

6a00df351e888f88340148c7be4adf970c-400wi

“When you look at these pictures, you know there was no monkey business, and that I was not sneaking around trying to steal pictures of people.” There is a directness to his portraits, which celebrate his subjects’ everyday lives, and have a casual empathy reminiscent of family photographs. “The only thing I asked them was to look at the camera.”

12kidstriptych

1969-1973 met kindje

THOMAS ALLEN, uit hun cover bevrijd

thomas-allen-beautiful-evidence-5

Je kunt met je oude boeken naar De Slegte, maar je zou net als de Amerikaanse illustrator-kunstenaar Thomas Allen ze als materiaal kunnen gebruiken voor allerlei creaties book-art.
Het zijn vooral de pulp covers die hem inspireerden omdat ze nog ontsnapten aan de latere stilistiek en er heuse mensen op afgebeeld stonden. Verbindingen met de toenmalige cinema waren niet ver te zoeken, maar ook de jeugdherinneringen, de dromen van weleer verlieten hun covers en kwamen in een driedimensionele droomwereld terecht.

6a00cd96f8411f4cd5011017c12963860e

Inspired by a View-Master and pop-up books as a child, Thomas Allen became interested in recreating these three-dimensional experiences by using mid century books and pulp fiction paperbacks as still life subjects. Allen gently cuts around the shape of his figures, physically releasing them from their two dimensional surface, and then places them in a new display of meaningful interactions. His characters are brought to life from their pages and covers by detailed lighting and selective focus, ultimately telling a distinct narrative with their newly defined settings. He explores the human experience by exploring sexuality, desire, childhood and scientific norms. In his earlier work from Uncoveredand New Releases, Allen portrayed unrequited love, dramatic sexuality, violence and dynamic scenes of movement. In Beautiful Evidence, Allen plays with the findings of science, the complexity of the universe, identifying with the wonder and innocence of childhood. With an offbeat and cinematic way of storytelling, Allen continues to create photography that is animated, contemplative and intriguing.

(Foley Gallery, NY: http://www.foleygallery.com/talent/thomas-allen/history)

1713f366ed44b0520dafb597354da157

I had a fellowship for a series of work that used anatomy books to tell stories from mythology. I had another grant coming up and I just started cutting up a book. When I pulled it, things started popping off the page. I had a paperback novel where one man’s punching another man on the cover. I realized I could make it look three-dimensional. It was like a pop up book.

e3c35211a5984cb3b80d5459db7142a5

Prior to [this project] I was using Photoshop and making props, cut-outs that I would print onto card stock and cut out and place over the books, and then use light to hide all the tricks. But [for this project] I decided not to use any outside help. I rely on how I cut something and how I light it. As I started using more than one book together, the whole premise of how one story can become another story took the project somewhere else.

c995b06c13fca17f6d57cd40c3e6eb6a

I use pulp covers because I like the way they’re illustrated. Around the ’70s they stopped painting [pulp covers] like that and I avoid those covers because they became too stylistic. I use them because [the characters] look like real people, they’re almost like realist paintings.

thomas-allen-bookend-800x800

The covers are suggestive in the first place. I felt like I could push the suggestiveness into crossing gender lines. Someone asked me if I’d ever thought about using gay pulp covers. I looked at them, and while the lesbian ones are fine and look like other pulp covers, the gay male ones, the way they’re painted or drawn, look much too invented and cartoon-like. I felt like that would be too easy and obvious. The real challenge is to take blatantly straight images and make them sexual.

05

​I am a career artist, freelance illustrator, ‘gentleman farmer’ and distance runner. I earned a BFA from Wayne State University (Detroit) and an MFA from the University of Minnesota (Minneapolis). Represented by Foley Gallery in New York, my work has been exhibited and published nationally and internationally. Permanent collections include the Museum of Fine Arts—Houston, The Milwaukee Art Museum, the Nelson-Atkins Museum of Art, Target Corporation, Fidelity Investments, Microsoft, the Progressive Corporation and Twitter. Serving as both educator and visiting artist, I’ve lectured extensively about my work and taught a variety of photography courses and workshops across the country. Highlights include the University of Minnesota, Kendall College of Art and Design of Ferris State University (MI), Penland School of Crafts (NC), AIGA Austin Design Ranch (TX) and Los Angeles Center of Photography. In 2007, Aperture Foundation (NY) published

https://www.thomasallenonline.com/

thomas-allen-book-art-11

0aaee08d386b154caef90c1481c6bfcb

Covers waren net als de toenmalige film-affiches een vergroting van de inhoudelijke sfeer die lezer of kijker over de spreekwoordelijke drempel wilden trekken. Denk aan de droom-afbeeldingen op de dozen van treinen en spellen. Je kreeg een beeld dat je natuurlijk nergens in de werkelijkheid zou aantreffen tenzij je bereid was mee te gaan in je verbeelding en je Marklin een heuse locomotief werd en het meisje dat je groot-ogig aankeek in jouw armen zou terechtkomen. Daarom zijn de personages hier letterlijk uit hun papieren cover losgekomen en worden ze driedimensioneel, een opstap naar wat er gebeurt als je je ogen sluit.

c64f4f933024c22635ac12ca680d672d

2081eb5a6cc885822abbace31ad23436

8214a0fd8ced4582db4c08260d0bd174

Nick Drake: The back of your head

messier51

De achterkant van je hoofd

Vreemdeling, ik kijk naar de achterkant van je hoofd;
naar het hart van de kruin
waar de haarwervel begint;
bij het vleugje huid
zoals de sterren
geclusterd in het hart van een spiraal sterrenstelsel,
krullen uitwervelend in punten van licht op donker
tot in het oneindige en verder…

Er zijn meer dan 170 miljard sterrenstelsels
in het waarneembaar universum-
maar op het bovendek van deze bus het grootste mysterie
is de donkere materie van je ogen
die ik nooit zal zien-
zoals jij nooit dit kleine gedicht zult lezen

Nick Drake (1948-1974) (vertaling Gmt)

Nicholas Rodney Drake (Rangoon, Birma, 19 juni 1948 – Tanworth-in-Arden, nabij Coventry, 25 november 1974) was een singer-songwriter uit Engeland.

dubbeldekker-home

The Back of Your Head

Stranger, I’m looking at the back of your head;
at the heart of the crown
where the whorl starts;
at the touch of skin
like the stars
clustered at the core of a spiral galaxy,
curls whirling out in points of light on dark
to infinity and beyond …

There are more than 170 billion galaxies
in the observable universe –
but on the top deck of this bus the greatest mystery
is the dark matter of your eyes
which I shall never see –
as you will never read this little poem.

p01bqj45

 

I never felt magic crazy as this
I never saw moons knew the meaning of the sea
I never held emotion in the palm of my hand
Or felt sweet breezes in the top of a tree
But now you’re here
Brighten my northern sky.
I’ve been a long time that I’m waiting
Been a long that I’m blown
I’ve been a long time that I’ve wandered
Through the people I have known
Oh, if you would and you could
Straighten my new mind’s eye.
Would you love me for my money
Would you love me for my head
Would you love me through the winter
Would you love me ‘til I’m dead
Oh, if…
I never felt magic crazy as this
I never saw moons knew the meaning of the sea
I never held emotion in the palm of my hand
Or felt sweet breezes in the top of a tree
But now you’re here
Brighten my northern sky.
Songwriters: Nick Drake
Songteksten voor Northern Sky © BMG Rights Management

nick-drake-woods-1

PATTY CARROLL, anonymous woman

cookingthe-goose_1000

Of het nu over een serie ‘hot dog-verkooppunten’ gaat of over ‘perfect lawns’, perfect geschoren grasperken in nabijheid van een net zo clean huis, of haar langdurige belangstelling voor ‘anonymus women’, Patty Carroll, 1946 USA, benadert haar onderwerpen met zin voor detail, maar vooral met gevoel voor humor.
Mag de islamtische vrouw haar vrouwelijke bevalligheid niet tonen tenzij thuis, de westerse wordt net zo goed bedolven onder attributen van diezelfde thuis waaronder zij als menselijk wezen verdwijnt.

picnic-1_1000

Patty Carroll is a fine art photographer based in Chicago, Illinois who has been known for her use of highly intense, saturated color photographs since the 1970’s. Her most recent project, “Anonymous Women,” consists of a 3-part series of studio installations made for the camera, addressing women and their complicated relationships with domesticity.
By camouflaging the figure in drapery and/or domestic objects, Carroll creates a dark yet humorous game of hide-and-seek between her viewers and the Anonymous Woman. The exhibition at Catherine Couturier Gallery will feature large scale images from her latest narrative, “Demise,” where the woman becomes the victim of dramatic domestic disasters. Her activities, obsessions and objects overwhelm and consume her making space that surrounds her a site of unexpected tragedy. The scenes of her tragic end are loosely inspired by several sources including the game of Clue, where murder occurs in one of five rooms of the house: Dining Room, Kitchen, Hall, Conservatory, and Library.

mauve_draped_1000

In Patty Carroll’s photographic series, Anonymous Women, each densely patterned image focuses on a lone woman that is practically invisible. Each is merged, concealed, overwhelmed and seemingly taken over by her surroundings. Carroll grew up in the suburbs of Chicago at a time when the prevailing myth of suburban life was idealized and home depicted as a place of perfection and harmony. It was a time when a “woman’s place was in the home” and it was her job to create this upwardly mobile refuge characterized and affirmed by obsessively matched décor. Carroll has created a photographic world using the artifacts of that time to critique and satirize this stereotype of the feminine and the myth of happiness gained through claustrophobic perfectionism.

booky_1000

“I believe everyone has a hidden identity formed by personal traditions, memories, and ideas that are cloaked from the outer world. Cultivating these inner psychological, emotional and intellectual worlds is perhaps our greatest challenge as people, wherever we come from or wherever we live.”

fruity_1000

“I don’t want to over-intellectualize my work. I’m one of those photographers who likes to run with an idea, not some-one who thinks of a theory first and then works from that. It’s not until much later, when I’m well into my work, that I realize, Oh, that’s what I’m doing! and understand how it may fit into my world view.”

firey_1000

“We lose perspective and become possessed by our material goods. We just have too much stuff! I’ve called these pictures ‘unportraits’ because they are not real portraits. They are more portraits of types or issues but not of people.”

While people have commented that her photographs of women in various phases of anonymity could be interpreted as  everything from commentaries on women’s fight for identity to digs at commercialism, Carroll is happy for viewers to read what they  want into her work. “I’m just happy to get a conversation started. I want viewers to reach their own conclusions.”

clockwork_1000

“My work references how women are seen in the world. I grew up with nuns as teachers, and unlike priests they were always encased in their habits, so you never knew who they were as individuals.”

In what is an ongoing project, Carroll finds the fabrics in thrift shops in her native Chicago, but was originally inspired by the “heavy drapery” she spotted in 90s Britain.

crows_murder_1000

“Sometimes the home can be a place to hide in, or where you silently go about chores that nobody ever notices. It can be a place of contemplation and mystery, myth, or a familiar place to go, but also a place where personal psychodramas get played out.”

homely

She earned a BFA in Graphic Design from the University of Illinois and in 1972, she graduated with a Master of Science in Photography from the Institute of Design at IIT, Chicago. Since receiving her MS in Photography, Carroll has been teaching photography at universities worldwide. She has been a professor at the School of the Art Institute of Chicago, Columbia College and the Royal College of Art in London, among other schools. Carroll’s photography has been exhibited at the Museum of Contemporary Photography in Chicago, The Art Institute in Chicago, White Box Museum in Beijing, and The Photographers Association in Ningbo, China.

Te bekijken (zelfs te kopen): http://www.catherinecouturier.com/exhibitions/current-exhibition/

 

 

gunsroses_1000

CHARLES SIMIC, a disquieting muse

portraits_noborder_024

Charles Simic “So’”/“Thus”
(1962)

The long day has ended in which so much
And so little had happened.
Greet hopes were dashed,
Then halfheartedly restored once again.

Mirrors became animated and emptied,
Obeying the whims of chance.
The hands of the church clock moved,
At times gently, at times violently.

Night fell. The brain and its mysteries
Deepened. The red neon sign
FIREWORK FOR SALE came on a roof
Of a grim old building across the street.

A nearly leafless potted plant
No one ever waters or pays attention to
Cast its shadow on the bedroom wall
With what looked to me like wild joy.

146n09350_849jt

“Aldus”

De lange dag gedaan waarin zo veel
en zo weinig was gebeurd.
Grote verwachtingen op een hoopje,
dan halfhartig nog eens opnieuw hersteld.

Spiegels eerst bewegingsvol daarna geleegd
Gehoorzamend aan grillen van toeval.
De wijzers van de kerkklok bewogen
somtijds zachtjes, somtijds heftig.

Nacht viel . Het brein en zijn mysteries
verdiepten zich. Het rode neonlicht
VUURWERK UITVERKOOP zichtbaar op het dak
van een grimmig oud gebouw aan de overkant.

Een bijna bladloze potplant,
Nooit door iemand begoten of bekeken
werpt zijn schaduw op de slaapkamer-muur
Met, wat het leek naar mijn gevoel, wild plezier.

vertaling gmt

endofthedayx633 john koch

Als zestienjarige is Charles Simic, in 1938 geboren in Belgrado, naar de Verenigde Staten gekomen en begon er vrij snel gedichten in de taal van zijn nieuwe heimat te schrijven en werd er een van de belangrijkste dichters van de Engelstalige wereld.

De eerste vertaler naar het Duits, Hans Magnus Enzensberger : Zijn gedichten zijn van het dagelijkse Amerikaanse leven doordrenkt, maar Simic beschrijft dit dagelijks leven zoals Edward Hopper ze wellicht in zijn schilderijen had kunnen weergeven had hij Lichtenberg gelezen. (Georg Christoph Lichtenberg, Duits schrijver en satirist, eerste Duitse hoogleraar in de experimentele natuurkunde 1742-1799, beetje de Duitse Voltaire!)
Jan Wagner, dichter: ‘Simic’s humor is vermengd met metafysica “ Wie ein feines Lächeln in Richtung Himmel.’

john koch zoom

Bij de uitgave van ‘Hotel Slapeloosheid’ (verschenen in USA in 1992) schrijft uitgeverij P, Leuven:

Charles Simic (Belgrado, 1938) kende een woelige jeugd, die getekend werd door de oorlogsperiode en gezinsperikelen. In 1954 vertrok hij met zijn broer en moeder naar de Verenigde Staten, om zich bij zijn vader te voegen. Simic schreef meer dan zestig boeken, waaronder een twintigtal poëziealbums. Zijn eerste dichtbundel, What the Grass Says verscheen in 1967. Voor The World Doesn’t End in 1989 kreeg hij de Pulitzer Prize for Poetry. In 2007 ontving Simic de Wallace Stevens Award van de Academy of American Poets en werd hij de nieuwe Poet laureate van de Verenigde Staten. ‘His lavish appetite for the bizarre’ en ‘his inexhaustible repertoire of indelible characters and gestures’ maken van Simic misschien ‘our most disquieting muse’, aldus Harvard Review.

koch_reader_cgh_l
Bij gelegenheid van zijn ‘Poet laureate Consultant in Poetry, 2007-2008:

Charles Simic was born in former Yugoslavia on May 9, 1938. His childhood was complicated by the events of World War II. He moved to Paris with his mother when he was 15; a year later, they joined his father in New York and then moved to Oak Park, a suburb of Chicago, where he graduated from the same high school as Ernest Hemingway. Simic attended the University of Chicago, working nights in an office at the Chicago Sun Times, but was drafted into the U.S. Army in 1961 and served until 1963. He earned his bachelor’s degree from New York University in 1966. From 1966 to 1974 he wrote and translated poetry, and he also worked as an editorial assistant for Aperture, a photography magazine. He has been a U.S. citizen since 1971 and lives in Strafford, New Hampshire.

Simic is the author of more than 20 books of poetry. He is also an essayist, translator, editor, and professor emeritus of creative writing and literature at the University of New Hampshire, where taught for over 30 years. He won the Pulitzer Prize for Poetry in 1990 for his book of prose poems The World Doesn’t End (1989). His 1996 collection, Walking the Black Cat, was a finalist for the National Book Award for Poetry. In 2005 he won the Griffin Prize for Selected Poems: 1963-2003 . Simic’s latest book of poetry is The Lunatic (2015).

john koch spiegel

En goede raad voor dichters heeft hij ook:

Simic’s Advice “On Writing Poetry”
A few things to keep in mind while sitting down to write a poem:

  1. Don’t tell the readers what they already know about life.
  2.  Don’t assume you’re the only one in the world who suffers.
  3.  Some of the greatest poems in the language are sonnets and poems not many lines longer than that, so don’t overwrite.
  4. The use of images, similes and metaphors make poems concise. Close your eyes, and let your imagination tell you what to do.
  5. Say the words you are writing aloud and let your ear decide what word comes next.
  6.  What you are writing down is a draft that will need additional tinkering, perhaps many months, and even years of tinkering.
  7. Remember, a poem is a time machine you are constructing, a vehicle that will allow someone to travel in their own mind, so don’t be surprised if it takes a while to get all its engine parts properly working.

infiniteBooks of poetry by Charles Simic

What the Grass Says (1967)
Somewhere among Us a Stone is Taking Notes (1969)
Dismantling the Silence (1971)
White (1972)
Return to a Place Lit by a Glass of Milk (1974)
Biography and a Lament (1976)
Charon’s Cosmology (1977)
Brooms: Selected Poems (1978)
School for Dark Thoughts (1978)
Classic Ballroom Dances (1980)
Austerities (1982)
Weather Forecast for Utopia and Vicinity (1983)
Selected Poems, 1963-1983 (1985)
Unending Blues (1986)
Nine Poems (1989)
The World Doesn’t End (1989)
The Book of Gods and Devils (1990)
Hotel Insomnia, Harcourt (1992)
A Wedding in Hell: Poems (1994)
Frightening Toys (1995)
Walking the Black Cat: Poems (1996)
Jackstraws: Poems (1999)
Selected Early Poems (2000)
Night Picnic (2001)
The Voice at 3:00 A.M.: Selected Late and New Poems (2003)
Aunt Lettuce, I Want to Peek under Your Skirt (2005)
My Noiseless Entourage (2005)
60 Poems (2008)
That Little Something (2008)
Master of Disguises (2010)
New and Selected Poems: 1962-2012 (2013 The Lunatic (2015)

screen_shot_2016-11-05_at_10.40.29_am

En nog een kort gedicht met aanvullend kort maar intens mooi filmpje

Greyheaded Schoolchildren
by Charles Simic

Old men have bad dreams,
So they sleep little.
They walk on bare feet
Without turning on the lights,
Or they stand leaning
On gloomy furniture
Listening to their hearts beat.

The one window across the room
Is black like a blackboard.
Every old man is alone
In this classroom, squinting
At that fine chalk line
That divides being-here
From being-here-no-more.

No matter. It was a glass of water
They were going to get,
But not just yet.
They listen for mice in the walls,
A car passing on the street,
Their dead fathers shuffling past them
On their way to the kitchen.

 

 

(schilderijen van John Koch, 1909-1978 USA, een ontdekking!)

‘SHORT STORIES’, een radio-drama

The Deluge 1920 by Winifred Knights 1899-1947

(there is an English translation so you can follow the Dutch play-text)

“Vijf mensen overleven de grote boem”. Ze hebben zich op een dakappartement in een grote stad teruggetrokken.
Naast voedselvoorraden rest hen alleen de hi-fi-installatie en de 150 mooiste melodieën ter wereld. Ze kennen die platen uit het hoofd en beginnen op de muziek verhalen te vertellen. Verhalen over een ver verleden, een verleden dat ze voortdurend verwarren met onderbewuste dromen, en verlangens. Een poging om nieuwe mythes te verzinnen.
Hun eigen namen hebben ze verborgen achter schuilnamen : Xerxes, Einstein, Mata-Hari, Ninna-Ricci en Puccini. Zo worden personages vage prototypes voor een synthese van de voorbije wereldgeschiedenis. Xerxes, de heerser, Einstein, de geleerde~sjamaan, Mata-Hari, de verraadster-avonturierster, Nina-Ricci, de verleidelijke en Puccini, de kunstenaar-gevoelsmens.
Om te vermijden dat deze personages niet als personen zouden overkomen, laat ik ze in het hoorspel dialect, gebruiken. Daardoor kregen de acteurs en actrices de kans om op hun eigen vertrouwde manier de epische kracht van de taal te onderlijnen en te ondermijnen!
Immers, na de grote boem, zijn opgelegde cultuurpatronen tot een minimum herleid, en zo leek het meer dan logisch dat de personages, die later acteurs blijken te zijn, een taal  spreken die de wortels zichtbaar laat.

the-deluge-990x580
De acteurs hebben zich terdege moeten trainen in het inspreken van hun verhalen op de bestaande muziek van de 150 mooiste melodieën. Door voor hun teksten de bedding van de muziek te gebruiken gaat de muziek als een wezenlijke partner meespelen.
Ze is niet alleen de ondersteuning, maar maakt de oorsprong van de verhalen zichtbaar en spreekt verder waar woorden ophouden. Vaak helpt ze ook de echte, moeilijke emoties te camoufleren, net zoals de verzonnen short story’s dat doen.
Deze tussenvorm, tussen tekst en lied, versterkt ook de epiek van de vertelde verhalen, terwijl de inhoud ervan vaak haaks op de geclicheerde inhoud van de muziek staat, of net hun clichématigheid verdubbelt.
In mijn exploratie naar nieuwe radiodrama-vormen probeerde ik in “Short Stories” de ingrediënten tekst en geluid zo te verenigen dat ze niet meer in een zekere rangorde hoeven te verschijnen (muziek ten dienste van tekst, atmosfeer), maar dat ze in een gelijkwaardigheid ook functies van elkaar kunnen overnemen.
Zo krijgt de gesproken taal ritme-impulsen, accenten van de muziek, terwijl die op haar beurt een heel andere inhoud naar boven brengt dan wat wij haar hebben toebedacht.
Short Stories” was een zoeken naar een dynamiek die in de volkse taal, als in de tamelijk volkse klassieke muziek aanwezig is en die wij meestal afdoen met termen als cliché en sentiment.
Onder de evidenties liggen andere zaken verscholen. Als die met elkaar worden geconfronteerd, ontstaan onvermoede momenten van oorspronkelijkheid: het bevestigen van een vermoeden dat er achter wat wij zeggen en schrijven nog moeilijk uit te spreken werkelijkheden schuilen.

Geluidsregie: Valère Michielsen
Technici: Jan Cuypers en Toni Vandenhende

cast:
Xerxes: Ward De Ravet (1924-2013)
Einstein: Walter Cornelis (1933-1999)
Mata Hari: Denise De Weerdt
Nina Rici: Machteld Ramoudt
Puccini: Jackie Morel

Inzending voor de Prix Italia 1986
met dank, waardering en warme herinnering aan alle medewerkers van toen.

ayomic landscape

46,55″

Hevig kloppen op de deur, paniek aan de andere kant.
We horen het kloppen nu van binnenuit.

Mata: (fluisterend): Ze hebben ons gevonden.
Xerxes: Ik heb u toch gezegd de versterker niet zo luid te zetten.
Nina: Het is Einstein.
Xerxes: Wat zou’t! Hij kent de tekens. Vijf keer kort, efkes wachten en dan twee keer lang.
Nina: Er is iets gebeurd!
Puccini (dichterbij komend) Wat is er gebeurd?
Nina: Luister..
(ze luisteren naar het kloppen.)
Xerxes: Ik heb m’n mitrailleur! (klik)
Mata: En twaalf kogels!
Nina: Het is Einstein.
Xerxes: Maar waarom…
Mata: Luister.

Nu horen ze herhaaldelijk 5 maal kort en 2x lang.
Iedereen praat door elkaar: zie je wel, en: waarom gebruikt hij dan de tekens niet, enz.
barrikades voor de deur weg, dan open.

Einstein: In slaap gevallen, ja?
(iedereen weer druk door elkaar.)
Einstein: Ik dacht er niet meer aan. Ik heb iets.. Ik was in de war.
Mata: Wat is er gebeurd?
Einstein: De stad stinkt naar lijken.
Nina: Hebt ge de bende van de garagepoort nog gezien?
Einstein: Neen. Alleen. een kind van een jaar of negen, tien..schat ik.
Mata: Een kind?
Einstein: Met een politierevolver. Maar die zag ik pas als ik vlak bij hem was.
Xerxes: Waarom doede dat?
Einstein: Watte?
Xerxes: Naar een kind lopen! Zuldet nooit leren, nee?
Einstein: Hij mankte, en hij had zwarte..
Xerxes: Kinderen zijn gevaarlijk, Einstein!
Einstein: Ja. (stilte)
Hij richtte zijn revolver, maar ik was hem voor. Ik sprong zoals ik de laatste tijd lang niet meer heb gesprongen. En dan met mijn rechtervoet, waw, en tjak.
Nina: Wat hebde met hem gedaan?
Einstein: Met de revolver?
Nina: Met het kind!
Einstein: Zullen we over iets anders praten?
Nina: Hebt ge hem echt..
Puccini: We kunnen naar muziek luisteren.
Mata: Wat hebt ge met hem gedaan, Einstein‘?
Einstein: We kunnen inderdaad best naar muziek luisteren.

muziek: watermuziek Händel, eerste suite, begint.zin wordt ze afgebroken.

Puccini: Xerxes, wat doede?
Xerxes: We hebben genoeg naar muziek geluisterd, Puccini.
Puccini: Mata, Ik wil weten wat hij met het kind heeft gedaan?
Einstein: Zullen we ’t bij zelfverdediging houden?

Hij zet de muziek weer aan. Ze begint weer bij het begin. Enkelen neuriën de muziek mee, of ze zingen een stukje zodat het duidelijk wordt dat ze de muziek heel goed kennen. In een hoge noot, bij de herhaling van het thema wordt de muziek stopgezet.

5-8145-dyn005_original_510_502_jpeg_20344_0ccaa2c51b4fb51f951b21354edfcd58

Xerxes: Ik zei dus dat we genoeg naar muziek hadden geluisterd. We kennen de 150 mooiste melodieën ter wereld nu wel van buiten.
Nina: We hebben niets anders.
Xerxes: Ik kan ze niet meer horen. De air op de G-snaar, het Largo, de Elisabeth- serenade, … ‘
Mata: Plaisir d’amour, de Stervende Zwaan, Haberna uit Carmen en Caveleriana Rusticana.
Puccini: Wat schoon is, wordt ge nooit beu.
Xerxes: Ik wel.
Nina: Einstein, hebt ge dat kind werkelijk….
Einstein (roept) Z’n keel dichtgeknepen. Zijde nu kontent, godverdomme!

de muziek begint weer opnieuw en terwijl zegt Einstein in de maat van de muziek:

Einstein: Hij stond stil, en keek.. wilde schieten, en.. (muziek verder)
Ik liep naar hem toe, trapte de revolver uit zijn handen, pakte hem bij zijn keel..en..(muziek)
En zelfs toen ie daar lag, en hij geen lucht meer in zijn longen had, keek ie, keek ie, en..
Drie mannen en twee vrouwen op een dakappartement, dacht ik. en..
En dan ben ik naar boven gelopen, he. Alsof hij achter me aan zat, en..
(einde muziek)
Wat schoon is, wordt ge nooit beu, nietwaar Puccini.
(stilte)

Mata: Het doet me denken aan vroeger.
Xerxes: Laat ons niet beginnen, he.
Puccini: Wat kunnen we anders doen? Vroeger was er alles, en nu is er niks.
Nina: Laat ons maar verder vertellen. Ieder zijn herinneringen, tot de stank in de stad is verdwenen.
Xerxes: Een opera comique!
Mata: Durft gij niets over vroeger vertellen, Xerxes?
Xerxes: Wat zou ik vertellen?
Puccini: Ik heb een voorstel. Ieder kiest zijn plaat. Een muziekje dat hem aan iets doet denken uit de tijd voor de bom. En daar vertelt hij een verhaal bij. Dat doen we tot we de 150 mooiste verhalen ter wereld hebben.
Mata: Moet het echt gebeurd zijn?
Puccini: Iets van vroeger. Iets uit de herinnering, wat dan ook. Als ge ’t u maar herinnert.
Xerxes: En als ge u niks herinnert, wat dan?
Nina: Dan vertelt ge wat ge u graag zou herinneren, zo simpel is dat.
Mata: En is er een beloning?
Puccini: Geen beloning, maar een voorspelling. Hij of zij die ’t schoonste verhaal vertelt, zal weer gelukkig worden.
Einstein: Mannekens, geef mij dan maar een fles champagne.
Xerxes: Dat is een goed gedacht: champagne voor iedereen. Dat weekt de herinneringen los.
Nina: Champagne!
Mata: ’t Zijn de laatste flessen, denkt eraan.
Einstein: Kent gij iets dat hier NIET het laatste is? De laatste mensen, de laatste dieren, de laatste dagen, de laatste zon, de laatsten! Maar..steekt dat in uw kopke: de laatsten zullen de eersten zijn!

gejuich, champagnekurken, giazen vullen.

Mata: We drinken nu al op’t mooiste verhaal.
Hier op het dakappartement van de Antwerpsesteenweg zullen we vertellen tot we niet meer kunnen.

glazen klinken, drinken.

d604f556f86a06bdf889ed854396839d

Nina: Ik kan niet zingen!
Xerxes: Geeft niks, ’t is toch een opera comique.
Nina: Ik zal dus een verhaal vertellen met veel muziek.
Puccini: Ik zal zelf ’t goei voorbeeld geven: hier is de eerste plaat, en..’t eerste verhaal.
Xerxes: Wedden, dat iets triestig is, zijn muziek!
Puccini: Mis! Drinken we eerst op de laatste short stories u gebracht door het gezelschap van ’t dakappartement op de Antwerpse steenweg.

drinken, commentaartjes, dan: sssstt

muziek Haberna uit Carmen, en daarin verteld:

Puccini: (inleiding) ‘de houten vrouw’.
Mijn verhaal gaat over de mooiste vrouw die ik tijdens m’n jongensjaren heb gekend.
Ze was blond, maar d’r ogen keken zwart. En wat ze aanraakte, veranderde in vuur.
En ze lachte, en ze keek.
en ze zweeg, en ze wenkte.
En ze knikte, en ze wees,
en ze kwam, en ze zei:
Gij zijt van mij, nooit meer laat ik je gaan
Maar wilt ge met mij slapen,
weet dan dat ik niet meer zal bestaan.
Ik kon niet meer.
Ik kleedde haar uit.
Ik kuste haar
op haar mond.
Ik zocht m’n weg:
het heerlijkste gevecht,
tot de wereld
in m’n hersens ontplofte.
Maar ze werd koud.
En wat ik ook deed,
en wat ik ook zei:
Ze veranderde in hout.
En wat ik ook deed,
en wat ik ook zei,
ze bleef een beeld van rottend hout.

muzikale zin-

De enige vrouw
waarvan ik hield,
heb ik verbrand,
totaal vernield.
Ze was van hout.
En waar ik haar ook zocht,
en wat ik ook deed,
wie ik in haar plaats beminde:
Ze bleef van hout.
En onze kinderen, rook in de roestige hemel.

applaus en drinkgeluiden

rhprbnegnun19ipgkwvn_1082125522

Mata: Dat is een dichtersverhaal.
Xerxes: Hij heeft nooit geweten wat een vrouw was.
Nina: Hij snapt de vrouwen.
Vrouwen worden altijd van hout als mannen hen hebben veroverd.
Einstein: Ik hou meer van verhalen die echt zijn gebeurd.
Puccini: Mijn verhaal is echt gebeurd. Ik heb ze voor mijn ogen zien veranderen.
Mata: Een houten kop, ja.
Ogen van hout, dat hebde gij, en daarmee denkt ge dat de hele wereld van hout is.
Puccini: Koud hout. Meestal is hout warm, maar zij niet.
Xerxes: Schoon prentje om uw impotentie te verbergen.
Nina: Voor uw potentie bestaan er geen prentjes.
Xerxes: Ik ben een man. Een heerser.
Einstein: Dat is een heel ander verhaal, Xerxes.
Xerxes: Verhalen van vrouwen en mannen: de oudste vertelsels die er bestaan.
Luister maar. Dit is mijn muziek, en die van Mata Hari, of die Einstein, want ook hij is een vent.

Koor der verloofden uit Lohengrin
muziek intro: hoorns

De ijzeren bruid. (muz)
Een verhaal van passie en vuur.
Een verhaal van’t zuiverste avontuur.
Een verhaal van bloed en tranen.
Van doden die zich levend wanen.
Ik leefde lang geleden in de bossen.
Op een kasteel van zuiver goud.
En de duiven boven de kantelen
waren van marmer, sommigen van zout.
Ik was de heerser over de beren,
de man voor wie de bomen beefden.
En de andere sterke kasteelheren
wisten dat ze bij mijn gratie leefden.

muziek, 2x thema: de anderen juichen, spelen het spel mee

Maar het hart nog leeg van binnen, zocht naar een vulling van’t zuiverste goud.
Iemand om eeuwig te beminnen.
Jong, want wie eenzaam is, wordt oud.
En zo ging deze heerser op het ongewisse minnaarspad,
En vond een bruid van ijzer die haar geliefden vernietigd en opgegeten had.
Dit was de bruid!
Dit was de enige bruid.
Dit was de ijzeren bruid,
met onder haar mantel een verzengend vuur.
Dit was de bruid.
Dit was de ijzeren bruid.
met een lijf vol vulkanen voor mannen die haar konden veroveren.

Puccini: Ja, en dan?
Mata: ’t Moet nog beginnen.
Nina: Hij verzwijgt de rest.
Einstein: De muziek is gedaan.
Xerxes: Ja. De muziek is gedaan. Al heb ik nog veel te vertellen.
Mata: Neem een ander muziekje. Keus genoeg. De Bolero, of Clair de lune?
Puccini: Hij weet niets meer. Dat is het.
Xerxes: Ik weet nog veel. Ik zal een stuk zonder muziek vertellen, en ’t slot , de finale weer inpakken met muziek uit de 150 mooiste melodieën.
Puccini: Een echte opera comique dus.
Einstein: Zwijg. Hij stond bij zijn ijzeren bruid.
Xerxes: Van heel zuiver metaal was ze. Platina denk ik, of van rood koper.
Mata: Daarstraks hebt ge gezegd dat ze van ijzer was!
Einstein: Hij bedoelt: metaal.
Xerxes: Ze was helemaal vrouw. Geen robot, geen imitatie, geen standbeeld of een hologram.
Nina: Een vrouw dus.
Xerxes: En wie haar niet beviel, liet ze eerst heel dichtbij komen.
Puccini: Hoe dichtbij?
Xerxes: Heel dichtbij zeg ik. Of hoort ge niet goed?
Puccini Erin dus?
Xerxes: Ja. En dan, als ze haar niet aanstonden, konden ze er niet meer uit en werden ze vol gloeiend metaal gespoten.
Nina: Een mannenverhaal!
Xerxes: ’t Is echt gebeurd. Ik heb haar gezien.
Einstein: En sinds die dag is hij roestvrij.
Xerxes: Ge kunt ermee lachen. Maar als ge haar had gezien, dan moest ge haar hebben.
Puccini: Of zij u.
Xerxes: Hebben heeft altijd iets met twee te maken.
Mata: Een goeie en een slechte kant.
Xerxes: Ik wilde haar hebben.
Nina: En zij?
Xerxes: Zij wilde mij beproeven zoals ze dat met al haar andere vrijers had gedaan.
Einstein: Gratis inkom, en dan pssst. Ik mag er niet aan denken.
Xerxes: Ik heb haar getemd.
Mata: Hij bluste haar, afin.
Xerxes: Neen. Integendeel. Ik keek haar in d’r ogen. Ze gloeide zo hevig dat haar metaal begon te smelten.
Nina: Gewoon door te kijken?
Xerxes: Ja, ik bleef kijken. Heel geduldig.
Puccini: Dat was dan ook de eerste keer, dat geduld bedoel ik.
Xerxes: En onder die metalen huid kwam de mooiste vrouw van vlees en bloed te voorschijn.
Mata: Echt gebeurd?
Xerxes: Echt gebeurd. Ze bleek de proefpersoon van een gekke prof te zijn geweest. Die had haar beveiligd, zoals dat heet.
Nina: Een echt mannenverhaal.
Xerxes: En nu de muziek voor de finale.

muziek Greensleves: inleidende zin

Zo stond ze daar.
Helemaal in d’r blote. (vioolmuziek)
Met een plas gesmolten metaal aan haar voeten.
Ze had nog kippenvlees. Hoe zoude zelf zijn.
En ze sloeg haar armen rond haar eigen lichaam.
En ze keek nog wat onzeker, alsof ze nog niet goed besefte wat er was gebeurd.
Van vlees en bloed zijn, dat was ze niet meer gewoon.
En nu kundet geloven of niet, maar ze liep naar mij, en we dansten tussen de knoken en
beenderen van de vroegere vrijers.
Ik tilde haar op, en zij mij. Want sterk was ze.
Tot we plots elkaar in de lucht hielden.
En daar hingen we.
In de lucht kleedde ze me uit. En de vogels, de raven en de meeuwen pikten m’n knopen los, terwijl de merels mijn ondergoed uittrokken.
Zo waren we samen bloot. Los van de grond maakten we zotte pirouetten in de avondlucht.
In kopstand stonden we, en zo kusten we elkaar.
Bloesems regenden uit de bomen.
Een zacht windje dreef ons naar de zee. We streken er neer op het lauwe water, en we sliepen er in elkanders armen.
We dreven als blaren, zo licht waren we. We wisten niet waar we waren.
Maar ’s morgens werd ik alleen wakker.
Ze was met geen ogen te bekennen.
En ik heb de resten van haar harnas over mijn lijf gegoten. Voor altijd.

einde muziek

figurative-sculptures-jordi-diez-fernandez-14

Nina: Waarom trekt ge dat harnas niet uit, Xerxes?
Xerxes: Ge hebt kippenvlees en kippenvlees. Dat van mij zou overslagen op mijn hart.
Mata: Ik wist niet dat gij zo sentimenteel waart.
Einstein: Zonder z’n harnas is hij ook een kind.
Puccini: Dat is heel mooi gezegd.
Einstein: ’t Klinkt anders heel gewoon. Zonder/zijn/harnas/is/hij/ook/een kind.
Puccini: De betekenis. Daar gaat het om.
Einstein: Het betekent niks. Zoals het geld zijn, ook de woorden waardeloos geworden.
Puccini: We hebben alleen nog woorden.
Nina: En muziek.
Mata: De honderd vijftig mooiste melodieën ter wereld.
Nina: En onze verhalen, dat is een soort bruiloft tussen de woorden die los lopen. en de muziek die ze aan elkaar plakt.
Mata: Ik hou meer van muziek die de woorden losmaakt. Ontbinden dus. Laten verrotten. Ik heb nooit veel van muziek gehouden. Ze doet me niks. Daarom is mijn verhaal een vertelling over losmaken, over rotten. Ge zult haar horen sterven, mijn zwaan.

muziek: de zwaan.

forman_fran_butterflyboy_2009

De stervende zwaan dus. (lachje)
Ik heb een kind gehad. Een kind. Lang voor de ontploffingen. Ja.
Een jongetje. Een kind dat maar één wens had: vleugels.
Elke morgen keek ie in de spiegel om te zien of ze nog niet uitkwamen.
En elke morgen zei hij: ze komen, ik voel het mama, ze komen.
Op een morgen hangt ie toch wel voor het raam, zeker! Nog een beetje wankel. Maar hij vloog.
Hij kon al cirkeltjes maken, en soms landde hij nog op zijn hoofd, want zijn billetjes waren nog te licht.
En ’s avonds plooide hij zijn vleugels samen, zoals insecten dat doen.
‘s Morgens waren ze een beetje gekreukeld.
Maar, dan schudde hij ze, zoals hij z’n haar schudde als hij uit het bad kwam, en dan waren ze weer helemaal vlak. En weg was ie.
Maar de mensen verdragen zoiets niet.
Kinderen moeten niet vliegen. Ze moeten naar school.
’t Begon met één steen. Dan nog eentje, en dan de hele buurt. Met alles wat loslag, smeten ze. Kom naar beneden, jongetje, riep ik.
Maar hij wilde bovenblijven. Hij was zo verliefd op de lucht.
Wat doet ge tegen zoveel stenen?
Ze raakten hem op veertig plaatsen.
Zelfverdediging, zegden ze.
De stervende zwaan.

einde muziek.

flying child quint buchholz

Einstein: Wetenschappelijk gezien kan een kind niet vliegen.
Mata: Was ’t uw kind?
Einstein: Ik haat kinderen.
Mata: Waren’t mijn ogen?
Wel, dan heb ik het zelf gezien.
Einstein: Verbeelding zullen we maar zeggen.
Nina: Ik vind dat een heel mooi verhaal. Ik geloof dat het echt kan. Echt waar. Er zijn kinderen die kunnen vliegen. Maar ze verbergen het voor ons.
Mata: Vergeet het.
Nina: Wat bedoelt ge?
Mata: Dat vliegen!
Nina: Maar..
Mata: Hij is gewoon van’t dak gevallen toen hij de schotelantenne naar het oosten wou draaien.
(stilte)
Daar staat ge van te kijken, he.
Puccini: Een soort verraad.
Einstein: Vrouwengrillen.
Puccini: Ons meenemen, en ons dan ook laten vallen.
Nina: Ze doet het om haar verdriet te verbergen.
Mata: Wat zou het. Als ik eerlijk mag zijn, ik was opgelucht!
Nina: Opgelucht?
Xerxes: Blij dat haar kind verongelukte. Dat bedoelt ze.
Nina: Waarom?
Mata: Het was een verschrikkelijk vervelend kind. Helemaal zijn vader.
Nina: Maar daarom kunt ge toch niet..
Mata: Jawel. Ik heb hem een heel schoon graf gegeven.
En een nogal bekend dichter die meer voor hem voelde dan ik ooit heb kunnen opbrengen, heeft er een gedicht voor gemaakt. Daar komt dat vliegend kind van. Uit zijn gedicht.
Puccini: We moeten niet zo streng zijn voor onszelf.
Einstein: Ah neen? Waarom niet?
Puccini: We moeten verhalen vertellen. En geloven dat ze echt gebeurd zijn.
Nina: Ja. Verhalen zijn veel schoner kooien dan onze herinneringen.
Einstein: Vergeten. Dat is het.
Nina: Vergeten. Ja. Als we meer verhalen vertellen, vergeten we vlugger.
Einstein: Kiest uw muziek, juffrouw.
Nina: Ik zou iets willen zingen. Samen met Mata Hari.
Puccini: Ze is een verraadster.
Nina: Iets dat iedereen kent. Enfin ge moogt allemaal meezingen. ’t Refreintje dan.
Mata: Ik heb genoeg gezongen.
Nina: Toe nou, Mata Hari. Doe mij een plezier. Vrouwen voor vrcuwen.
Einstein: Ik heb altijd gedacht dat ze er zo eentje was.
Nina: Plaisir d’amour.

6323268-4x3-700x525

muziek: plaisir d’amour
gemengd met wind van opstekende zandstorm.

Xerxes: D’r komt weer een zandstorm.
Einstein: Maakt u niet ongerust, dat is normaal.
Nina: De vensters zijn toch dicht?
Puccini: Plaisir d’amour. Ja.

-bij de 2de zin zingen Nina. en Mata samen het refrein:
Plaisir d’amour, ne dure qu’un moment,
Chagrin d’amour dure toute la vie.

Nina: Voor God de mannen schiep, maakte hij de vrouw. De eerste mens was een vrouw.
Een vrouw voor God zelf.
En de hof van Eden, dat was hun liefdesnest.
Daar kusten God en de mens elkaar.

(Nina en Mata samen het refrein)

Nina: Maar God was tenslotte God, en hij was bang zijn evenwicht te verliezen, zoals hij daar hing: z’n gat nog in de hemel, en zijn lippen in de tuin van Eden.
Hij zei tegen de vrouw: schat, kom mee met mij.
De aarde is schoon, maar hierboven is alles nog veel schoner.
En ze ging met hem mee.

(Nina zingt alleen refrein, dan allen tot einde muziek)

Puccini :En dan? Wat gebeurde.er dan?
Einstein: Was God een goeie minnaar?
Nina: Dat ging. Hij kan gedachten lezen. Hij wist alles wat de vrouw lekker vond.
Mata: En kregen ze een kind?
Nina: Ja. Adam. Een manneke.
Einstein: Half goddelijk en half menselijk.
Nina: Dat was inderdaad zijn probleem.
Xerxes: Geloofde dat nu zelf?
Einstein: Bek dicht. Weet gij iets beter?
Nina: Nu begrijpt ge waarom ze God, God-de—vader noemen.
Puccini: Maar wat gebeurde er met die vrouw. Bleef die bij God, of kregen ze ruzie?
Nina: Ruzie niet. Maar wel heimwee.
Xerxes: ’t Waait wel hard deze keer.
Nina: Heimwee ja, toen ze Adam zag in de tuin van Eden. Ne jonge gast, schoon gebouwd, terwijl
God een wezen zonder leeftijd is.
Mata: Mannen zonder leeftijd, ge moet ze mij niet leren kennen.
Nina: En al was’t hare zoon, ze werd op hem verliefd.
Xerxes Incest, jaja. Ook dat nog.
Puccini: Denkt aan uw harnas en plakt het voor uw mond.
Nina: Dat mocht toen nog. Dat was nodig trouwens.
God had dat voorzien. En al wist hij dat ’t zou aflopen met hard werken en kindjes kopen, hij liet haar begaan.
Mata: Dan was God zeker gene man.
Nina: Hij deed Adam in slaap, maakte hem wijs dat Eva uit zijn ribbkast kwam, en zag toen wat er gebeurde.
Puccini: Plaisir d’amour!
Nina: Ja. Maar God kreeg het toen zo op zijn heupen. Hij kon veel verdragen, maar zijn vroegere geliefde dag in dag uit met die Adam te zien stoeien, dat was te veel.
Hij verkleedt zich in een slang, en wat gebeuren moest gebeurde. Ze aten natuurlijk van de verboden vrucht. En daarmee had God, die zichzelf graag een rechtvaardige rechter noemt, een reden om ze het paradijs uit te jassen.
Xerxes: De wind gaat liggen. Gaat er iemand mee de stad in?
Puccini: Iedereen blijft binnen. Einstein zal ZIJN verhaal vertellen.
Einstein: Ik heb niet zo’n goeie relaties met God. Maar…

(muziek air on the G—string begint)

37f8452956a973de4ffdc20c981f812a

Als ge goed luistert, hoort ge iemand stappen.
Dat ben ik, Einstein Ahasverus, de eeuwige stapper.
Mijn lijf voel ik niet meer. Dat bestaat niet.
Dat—zijn—twee—voe-ten—ge—wor—den. Twee—eeu—wig-
stap-pen—de-voe—ten.
Als ge dan vraagt: waar komt dat stappen vandaan, dan moet ik zeggen: ik weet het niet.
Van als ik, op de ‘wereld was, ben. ik ‘beginnen te stappen. Ze moesten mij niet leren lopen.
Ik kon het.
Ik wilde vooruit alsof er achter de horizon rust zou zijn. ‘Een land’, ’een vrouw,’ ‘een kind’, een ideaal, een voetbalploeg.
Iets om bij te blijven stilstaan. Ja, dat geloofde ik.
Maar waar ik ook kwam, ik vond niets of niemand.
Met de schoonste vrouwen lag ik in bed, maar na ’t kussen en ’t klaarkomen, wilde ik verder.
De schoonste en verstandigste knapen waren mijn minnaars, maar na het redeneren en het vrijen, moest ik verder. Verder. Verder. Verder. Altijd maar verder en verder en verder.
Tot ik op een dag bij een bron kwam. Een heldere, klaterende bron. Ik keek naar het water dat uit de grond borrelde, en ik dacht: ik geef me over. Nooit zal ik die druppels water kunnen inhalen. Ik bouwde een hut, en zat uren vol overgave dus, bij de bron.
Ik was gelukkig.
Het water liep in mijn plaats naar de zee en terug. Naar de zee en terug.
En ikzelf droomde dat ik het water volgde, terwijl ik stilzat bij de bron. Dat ik verdampte,
naar beneden regende en in de grond terug naar de bron kroop, zoals een kind zijn moeder opzoekt.

(einde muziek)

chapter-house-painting-doom-group-detail-faces

Xerxes: En waar zijn uw stappende voeten nu gebleven?
Nina: En de bron?
Einstein: De voeten zijn verlamd van ’t vele mediteren, en de bron is uitgedroogd omdat ik niet voor haar zorgde.
Xerxes: Kunt ge teminste gerust zijn, zijt ge van uw stapziekte vanaf.
Einstein: Ja. Maar al was het soms niet om uit te houden, ik kon ervan leven. Elke horizon een vraagteken.
Mata: En al die vrouwen en die ‘knapen’?
Einstein: Telkens een andere horizon. Soms een strand om u efkes te verfrissen, dan weer een schaduwplek onder een populier.
Puccini: Ge zult ooit uw voeten terugvinden, Einstein. Eens de wereld de lijken en de stralingen heeft opgelost, moeten we opstappen.
Mata: Zonder mij. Ik blijf hier.
Nina: Dat moogt ge niet doen.
Xerxes: Als zij wil blijven, blijft ze.
Mata: Ik wil dood.
Puccini: Loopt dan naar buiten. Laat. u kussen door de levende lijken.
Nina: Laat ons eerst luisteren naar de volgende short storys.
Xerxes Stil…
Mata: De 150 mooiste short stories ter wereld.
Xerxes: Stil verdomme!  Ik hoor iets.
(hij duwt een raam open.)
Luister.
(Ze luisteren. Een vogel wordt hoorbaar. Een koekoek, in de verte.)
Puccini: Een koekoek.
Nina: Ze willen ons lokken.
Xerxes: Neen. Dat is een echte koekoek. ’t Is de tijd van het jaar.
Mata: Doe het raam dicht. Ik heb kou.
Nina: Laat ons nog even luisteren.
(een schot, stilte)
Xerxes: Ze hebben hem toch niet..
Einstein: Hij is gewoon weggevlogen. Straks horen we hem terug.
Mata: Ik heb nog één verhaal. Dan ga ik slapen.
Puccini: Geen verhaaltje zoals daarstraks. Ons niet verraden!
Mata: Neen. Een echt gebeurd verhaaltje uit de 150 mooiste verhalen ter wereld. Maar zonder muziek. Het zou geen muziek kunnen verdragen.
Puccini: De cavelerina rusticana, het intermezzo, een mooi stuk.
Mata: Neen. Geen muziek.
Puccini: Of de nocturne in mi bemol van Chopin.
Mata: Hoorde niet goed.
Einstein: ’t Is dus echt gebeurd?
Mata: Beter nog, Einstein. Het moet nog echt gebeuren.
Xerxes: Een toekomstverhaal dus.
Mata: Als ge’t zo wilt noemen, ja.
Xerxes: De toekomst-heeft niet veel muziek nodig, vermoed ik.
Mata: Ik heb altijd gedacht dat God met de wereld zou bezig zijn, dat ie op een dag zei: dit is genoeg. Dit is niet te verdragen voor mensen met twee benen en één hart.
Einstein: God heeft niet eens een vermoeden van de aarde.
Mata: Dat hij dus zijn engelen zou sturen, nadat de ruiters van the apocalyps voorbijgetrokken zijn.
Xerxes: De ruiters hebben we gezien, maar de engelen bleven afwezig.
Mata: Dat ie dan zelf op de wolken gezeten zou verschijnen, met een wat verontschuldigende glimlach op zijn vaderlippen.
Nina: Zo heb ik hem ook altijd gezien, Mata Hari.
Puccini: Dat is een God van onze verbeelding.
Mata: Hij zou dan de mensen bijeenroepen eens de trompetten zijn uitgeraasd, en zeggen: goeden en slechten, kom binnen, want iedereen heeft zijn zwarte kantjes en zijn heldere momenten.
Maar toen Gregory van het dak viel, waar was hij dan? Hij was er!
Xerxes: Ze spreekt over Gregory terwijl de hele wereldbevolking gecrepeerd is.
Mata: Toen dacht ik: God is een pop. We hebben hem altijd verkeerd begrepen omdat we van hem een soort opvulsel hebben gemaakt. Alle gaten in onze ziel moest hij vullen, terwijl we dat zelf kunnen doen met liefde of moord, met drank of met boeken, met pakken of krijgen, noem maar op.
Vanaf dat moment wist ik het zeker: hij is een pop. Een mummie van onze dromen.
Al het stof dat wij laten opwaaien, en met ons het stof van het hele heelal, verzamelt hij.
Dat stof doet hem zwellen. Hoe meer wij in de ellende zitten, hoe groter hij wordt.
Daarom is God alleen aanvaardbaar in het kwaadste kwaad. Dat hebben we de duivel genoemd, maar het is de enige zichtbare kant van God.
Einstein: Dat is theologie, geen verhaal.
Mata: Stel dat we overleven, dat we op zoek gaan naar een nieuw leven. Wij, Xerxes, Einstein, Nina, Puccini en ikzelf. Wat zullen we dan doen? Ik zal ’t u zeggen: stof laten opwaaien. Einstein zal voor de wetenschap zorgen, Xerxes maakt soldaten van onze kinderen, Nina stopt ze vol met liefdesverdriet en Puccini maakt er dichters en schilders van terwijl ikzelf voor avontuur en verraad insta. Nu het stof van de ontploffingen begint op te trekken, staan we al klaar om nieuw stof te maken. We hebben God gezien. In de stofstormen, de miljoenen lijken, de kapotte steden. Daarin heeft hij zich geopenbaard. We hebben onze pop zo vol gestopt dat hij met een luide knal is opengebarsten.
Wel. Ik wil geen stof meer maken.
Ik wil hem niet meer tegenkomen. Ik zal hier blijven zitten, niet meer eten, en dan slapen.
Ik zal naar de 150 mooiste melodieën ter wereld luisteren, terwijl jullie het nieuwe stof van de aarde laten opwaaien.
(heel ver, dan langzaam dichterbij horen we de koekoek.)
Ik heb het wel gehoord. Ge wilt weg. Ga dan.
Hier wordt ge inderdaad zot.
Puccini: Hier hebben we onze verhalen, onze short stories.
Mata: Maar die neemt ge toch mee. In uw koppen. Geen muziek meer vandoen. Ge kent ze rot van buiten.
Nina: Ze heeft gelijk.
Xerxes: Of ze laat ons in een nieuwe valsstrik lopen. Ze heet niet voor niets Mata Hari.
Mata: Ge zult genoeg in uw eigen valstrikken lopen.
Nina: Toch moogt ge hier niet blijven zitten. Als we gaan, dan samen.
Puccini: Bijna drie jaar hebben we onze ruzies overleefd.
Mata: Ja, wij. Vijf akteurs van het nationaal theater, ontsnapt omdat we filmopnames maakten in de ondergrondse bunkers. Vijf akteurs, de stamvaders en -moeders van de nieuwe wereld.
We zijn zo in onze toneelnamen gaan geloven dat we vergaten wie we eigenlijk zijn.
Puccini: We zijn nu Puccini, Mata Hari, Einstein, Nina Rici, en Xerxes.
Mata: Wij zijn vijf akteurs, niet eens heel goeie, maar beter dan we dachten.
Nina: De koekoek.

(ze luisteren.)

(c) Paintings Collection; Supplied by The Public Catalogue Foundation

Xerxes: Ik neem de leiding. We moeten vooruit. We trekken onze anti—stralingspakken aan en we vertrekken als het donker wordt.
Nina: En onze stereo—pickup?
Puccini: We kunnen niet zonder onze short-storys.
Nina: Mata Hari heeft gelijk. Ze zitten in onze koppen. Als we later instrumenten kunnen bouwen, dan proberen we ze weer terug te spelen.
Einstein: En mijn kinderen zullen weer platen. en banden uitvinden.
Mata: Stof. Niks anders dan stof. Het zal nooit ophouden.
Puccini Ik stel voor dat we nog één plaat draaien.Terwijl ze draait, vertrekken we.
Xerxes: Een marsj!
Puccini: Iets met andere voeten, Xerxes. De voeten waarover Einstein vertelde.
Mata: Ik blijf hier.
Nina: Dat is dan het laatste verraad, Mata Hari. Wat zal een wereld worden zonder een fatale vrouw, een vrouw die als heldin sterft en uit haar as verrijst als een verraadster. Misschien doet zij de wereld draaien.
Mata: Ik ben bang voor het stof.
Einstein: We hebben niets anders. Een kosmos vol stofdeeltjes. Samen met het licht is het stof het kloppend hart.
Xerxes: Misschien kunnen we de platen toch beter vernietigen, de pick-up naar beneden gooien.
Nina: Waarom? Er zal hier niemand meer komen. De platen zullen stof worden, de pickup ook, en wij..
(we horen de koekoek.)

Puccini: Luister. We zwijgen en laten de muziek verder vertellen. Zij kan onze schrik voor de stof helpen dragen. We nemen onze valiezen, en we vertrekken.

(Aestro Armonico van Vivaldi)

(De muziek begint zachtjes, en we horen mensen pakken aantrekken, dingen versjouwen, trappen afgaan, tot er kadans ontstaat, de kadans van de muziek.
Als de muziek gedaan is, horen we Mata Hari lachen. Luid en lang lachen.
Er klinken schoten.)

Mata: Sukkels. Ze zijn er ingelopen.
Dachten ze nu echt dat ze als Puccini, Einstein, als Xerxes of als Nina Rici de wereld konden herscheppen! Verschrikkelijke sukkels.
Nu heb ik eten voor zeker vierentwintig jaar.
Beneden de levende lijken, m’n trouwste dienaars, en…de 150 mooiste melodieén ter wereld.

(ze blijf lachen terwijl ze een. plaat opzet, het wordt een wals, de Blauwe Donau, of iets dergelijks)
-muziek-

Stof, stof…alleen maar stof…

27 november 1985

afterthebomb