DE VIERDE DIMENSIE EN GROOT-OOM TOBIAS (2)

 

De ‘dimensie’ was voor hem een bijzonder waardevol woord.
Vanuit de mierenhoop het heelal in kijken was op de eerste plaats een pretentie die de mierenkolonie zich toeëigende terwijl het heelal er net zo ongevoelig bijlag als anders, zelfs al zouden eenogige reuzen of vierkoppige Nubiërs het bestuderen, of al verkondigden buitenaardsen dat zij het als speeltuin gebruikten.

‘Mochten we het geluid uit de kosmos beter kunnen decoderen, we zouden waarschijnlijk gelach of de trompetstoot van een sterrenscheet horen, zei hij op een congres dat het over theologie en wetenschap had, een uitspraak overigens die op hoofdschudden en de roep op psychiatrische bijstand werd onthaald.

Dimensie, legde hij uit, dat is een kwestie van getallen.
Eerste dimensie: (hij tekende een denkbeeldige lijn in de lucht) twee raakpunten.
Tweede dimensie: (een vluchtige rechthoek in de lucht) dat zijn vier raakpunten.
Derde dimensie, ons idee over ruimte, (een warrige kubus verscheen voor het geestesoog van de kijker-luisteraar) dat zijn acht raakpunten.

Het werd even stil.
Zijn geliekoosde vierde dimensie werd altijd door een plechtige stilte ingeleid.
‘Wat we dus zoeken als we het over de vierde dimensie hebben, dat is een voorstelling met 32 raakpunten, als we logisch blijven.’
Het publiek zou hier instemmend knikken.

Een leeg geblazen ei van een struisvogel verscheen.
Voilà, de vierde dimensie, wijzend op het lege ei, en voor iedereen de klassieke wenkbrauwen had gefronst, corrigeerde hij:
‘Het is slechts een voorstelling, de kromming projecteert zich hier op zichzelf, sluit zich op terwijl ze in de vierde dimensie alle kanten opschiet zodat er in feite een reusachtig kosmisch ei ontstaat dat door een zekere Einstein ook wel ‘de tijd’ wordt genoemd, een abstractie zo dun als de schaal van dit struisvogelei.’

dyn006_original_360_480_jpeg__7f762e67b550002a3f146900586bedb5

Tegenover de monolitische kosmos was het beeld van het ei -tenslotte de projectie van een steeds verkleinende ellips, een soort veiligheid, een huis waarin de tijd onze onontkoombare metgezel bleek te zijn.

Al braken wij uit het ei zoals Eros dat ons had voorgedaan, er was steeds weer een dunne schaal boven ons: de tijd, een gevangenis of bondgenoot, maar we waren hoe dan ook aan hem geketend.

dyn004_original_309_400_jpeg__0d8126d140954aa711a89307a952cd4d

‘God is een ei,’ verklaarde Tobias.
En wie dan wel de kip was, bleek de logische vraag te zijn.

Hij wreef zich even over zijn linker neusvleugel , wuifde dan een denkbeeldige hindernis weg en knikte dat hij zoveel domheid best verdroeg als ze uit een kinderlijke geest kwam.

Nog lang voor het begrip ‘big bang’ in voege kwam, benaderde grootoom Tobias deze fundamentele knal met zijn uitleg:

Hij haalde een erwt uit het zijzakje van zijn colbert en bekeek ze eerst zelf en toonde ze dan aan het gezelschap.

‘De eerste kip had de vorm van een erwt,’zei hij zachtjes. (hij was een meester in sfeerscheppen)

‘Wij denken dat een kip er als een kip moet uitzien, maar niets is minder waar. De eerste kip was inderdaad niet groter dan een erwt en wellicht zelfs kleiner, maar haar massa was zo groot dat ze op een bepaald moment de kosmos uit haar klein kippengatje duwde.
En dat ei had een bijzondere eigenschap: het kon groter worden. En dat deed het ook.
Maar: de schelp van de tijd zou het kosmos-ei nooit verliezen, tenzij…’

Het publiek wachtte geduldig.
‘Tenzij wat?’ vroeg een van mijn grootvaders.
Tobias haalde zijn schouders op en begon eerst zachtjes en dan steeds luider te lachen.