
Aunt Jennifer’s Tigers by Adrienne Rich
Aunt Jennifer’s tigers prance across a screen ,
Bright topaz denizens of a world of green .
They do not fear the men beneath the tree ;
They pace in sleek chivalric certainty .
Aunt Jennifer’s fingers fluttering through her wool
Find even the ivory needle hard to pull .
The massive weight of Uncle’s wedding band
Sits heavily upon Aunt Jennifer’s hand .
When Aunt is dead , her terrified hands will lie
Still ringed with ordeals she was mastered by .
The tigers in the panel that she made
Will go on prancing , proud and unafraid .

Het is een gedicht over een kunstenaar-een vrouw- die een afbeelding van ’tijgers in de jungle’ borduurt. In het verloop van het gedicht verschuift de aandacht tussen de tijgers en glimpen van leven en dood van hun schepper (NY Times). Het gedicht is moeilijk naar het Nederlands te vertalen wil je rekening houden met rijmen en typisch Engelse uitdrukkingen. Letterlijk gaat het deze richting uit, een werktekst dus:
Tante Jennifer's tijgers door Adrienne Rich
Tante Jennifer's tijgers paraderen over een scherm ,
Heldere topaas bewoners van een wereld van groen .
Ze zijn niet bang voor de mannen onder de boom ;
Ze lopen in slanke ridderlijke zekerheid .
Tante Jennifer's vingers fladderen door haar wol
Vinden zelfs de ivoren naald moeilijk te trekken .
Het massieve gewicht van de trouwring van oom
Zit zwaar op tante Jennifer's hand .
Als tante dood is , zullen haar bange handen liggen
Nog steeds omringd door beproevingen waar ze meester over was .
De tijgers in het paneel dat ze maakte
Zullen blijven steigeren , trots en zonder angst .
De bespreker in de NY Times merkt op dat het wel Aunt Jennifers tijgers zijn:
‘The big cats are the apex predators here, dominating the world with serene ferocity. They don’t need to growl or show their fangs and claws. They know how dangerous they are.”
En al horen die tijgers bij haar, zijzelf ‘belongs to other people”. Het is duidelijk dat we ‘Uncle’ moeten vrezen maar al was ze door beproevingen omringd, zij bleef er meester over zodat de tijgers blijven steigeren, trots en zonder angst.

In ‘Biografieportaal’ schrijft Marian Janssen over ‘Het raadsel Adrienne Rich’: (1929-2012)
Ze was de eerste van twee dochters van een prominente arts aan de befaamde Johns Hopkins Medical School, Arnold Rich, en Helen Jones, een musicus, die haar loopbaan opgaf toen ze trouwde. Adrienne groeide op in een rijke wijk in Baltimore in een huis dat zo op de filmset van Gone with the Wind paste. Ze was een wonderkind en haar vader stimuleerde haar vanaf jongs af aan: zij moest en zou een gevierd schrijver worden. Adrienne voldeed aan zijn hooggespannen verwachtingen. Als 21-jarige student werd ze door W.H. Auden verkozen tot winnaar van de prestigieuze Yale Series of Younger Poets Award. Ze verwierf een van de felbegeerde Guggenheim Fellowships-die gewoonlijk werden toegekend aan artiesten die al veel meer gepresteerd hadden dan zij–om een jaar in Oxford te studeren. Na terugkeer in Amerika trouwde ze met Alfred Conrad, een hoogleraar economie aan Harvard—samen kregen ze drie zonen. Zij volgde Conrads carrière en de familie verhuisde van Cambridge naar het bruisende, politiek bewuste New York City. Haar eigen loopbaan nam tegelijkertijd een vlucht: ze publiceerde een aantal goed ontvangen dichtbundels en doceerde aan verschillende universiteiten. Nobelprijswinnaar Louise Glück vond haar een mislukte mentor. Holladay citeert haar: ‘If she liked a poem, Rich would say, “I dig it.” If not: “I don’t dig it.” De biograaf vervolgt: ‘Glück didn’t dig the class or her professor. She wanted to talk poetry in depth; she didn’t feel comfortable in the artificially relaxed setting, nor did she share her professor’s interest in the unrest afflicting Columbia.’

Zoals veel critici over haar werk opmerkten: de ontwikkeling van haar poëzie weerspiegelde de verandering van vrouwenlevens in de twintigste eeuw. Maaike Meijer, die in de jaren tachtig een mooi stuk over Rich’s poëzie schreef, zag ook de transformatie van een meisje dat zich netjes aan de regels hield naar een ‘eigenzinnige heks’, die tovert met de taal en in de oude voorraadkamers van de cultuur zoekt naar eigen woorden en beelden om de vrouwelijke ervaring te kunnen vatten.
Maar voor het zo ver was trouwde Rich met Alfred Conrad, hoogleraar economie aan Harvard, en kreeg ze drie zonen. Langzaam maar zeker radicaliseerde ze. In haar bundel uit 1963, Snapshots of a Daughter-in-Law, sprak al onomwonden het feministische onbehagen. In haar persoonlijk leven begon ze zich steeds meer in te zetten voor de burgerrechtenbeweging en het feminisme. Ze organiseerde thuis soirées voor de Black Panthers en tegen Vietnam. De afstand tot haar man groeide en in 1970 volgde een scheiding. In hetzelfde jaar schoot hij zichzelf door het hoofd.
(Adrienne Rich. Xandra Schitte. De Groene Amsterdammer 2012)

Rich wierp zich in de vrouwenliefde en ontmoette de in Jamaica geboren schrijfster Michelle Cliff, met wie ze vanaf 1976 tot haar dood zou samenleven. ‘De onderdrukte lesbienne die ik sinds mijn adolescentie met mij meedroeg begon haar ledematen te strekken’, schreef ze. De persoonlijke, politieke en seksuele revolutie in haar leven uitte zich ook in haar dichtwerk, in bundels als The Will to Change (1971), Diving Into the Wreck (1973) en vooral in Twenty–One Love Poems (1976). Daarin dichtte ze: ‘The rules break like a thermometer,/ quicksilver spills across the charted systems/ we’re out in a country that has no language/ …whatever we do together is pure invention/ the maps they gave us were out of date/ by years…’. (ibidem DG-Amsterdammer)

Tonight No Poetry Will Serve
Saw you walking barefoot
taking a long look
at the new moon's eyelid
later spread
sleep-fallen, naked in your dark hair
asleep but not oblivious
of the unslept unsleeping
elsewhere
Tonight I think
no poetry
will serve
Syntax of rendition:
verb pilots the plane
adverb modifies action
verb force-feeds noun
submerges the subject
noun is choking
verb disgraced goes on doing
now diagram the sentence
(This is a late Adrienne Rich poem, from 2007)

Vanavond zal geen poëzie helpen
Zag je op blote voeten lopen
een lange blik werpend
naar het ooglid van de nieuwe maan
later gespreid
in slaap gevallen, naakt in je donkere haar
slapend maar niet vergeetachtig
van de niet-slapende niet-slapende
elders
Vannacht denk ik
geen poëzie
zal helpen.
Syntaxis van vertolking:
werkwoord bestuurt het vliegtuig
bijwoord wijzigt actie
werkwoord voedt zelfstandig naamwoord
dompelt het onderwerp onder
zelfstandig naamwoord stikt
werkwoord onteerd gaat door met doen
schets nu de zin.

Dat is wat Adrienne Rich in haar poëzie vanaf de jaren zeventig zou doen: regels breken, de grenzen opzoeken en die overschrijden, en telkens zoeken naar nieuwe taal en nieuwe mythen om de vrouwelijke identiteit in woorden te vangen. Zoals ze in het gedicht Tear Gas schreef: ‘The will to change begins in the body not in the mind/ My politics is in my body, accruing and expanding with every/ act of resistance and each of my failures/ Locked in the closet at 4 years old I beat the wall with my body/ that act is in me still’. (Xandra Schutte)

Power
Living in the earth-deposits of our history
Today a backhoe divulged out of a crumbling flank of eart
h one bottle amber perfect a hundred-year-old
cure for fever or melancholy a tonic
for living on this earth in the winters of this climate.
Today I was reading about Marie Curie:
she must have known she suffered from radiation sickness
her body bombarded for years by the element she had purified
It seems she denied to the end the source of the cataracts on her eyes
the cracked and suppurating skin of her finger-end
s till she could no longer hold a test-tube or a pencil
She died a famous woman denying
her wounds
denying
her wounds came from the same source as her power.

What Kind of Times Are These
By Adrienne Rich
There's a place between two stands of trees where the grass grows uphill
and the old revolutionary road breaks off into shadows
near a meeting-house abandoned by the persecuted
who disappeared into those shadows.
I've walked there picking mushrooms at the edge of dread, but don't be fooled
this isn't a Russian poem, this is not somewhere else but here,
our country moving closer to its own truth and dread,
its own ways of making people disappear.
I won't tell you where the place is, the dark mesh of the woods
meeting the unmarked strip of light—
ghost-ridden crossroads, leafmold paradise:
I know already who wants to buy it, sell it, make it disappear.
And I won't tell you where it is, so why do I tell you
anything? Because you still listen, because in times like these
to have you listen at all, it's necessary
to talk about trees.





