Friedrich von Amerling, tussen thuis en de wereld

wood carving close up photo

Er zit een glimlach achter het woord ‘Biedermeier’. Maar zoals vrijwel elke periode was de Biedermeier-periode een reactie op de vorige, de overladen empire-stijl, Romeinse ornamenten. Er leefde bij de burgerij een groot verlangen naar huiselijkheid. Zwaarden ingewisseld voor zwanen. Lichte houtsoorten en geen verguldsel. En in de muziek wijkt het classicisme voor de 18de eeuwse romantiek ook. ‘An die Musik.’

Du holde Kunst, in wieviel grauen Stunden,
Wo mich des Lebens wilder Kreis umstrickt,
Hast du mein Herz zu warmer Lieb' entzunden,
Hast mich in eine beßre Welt entrückt!

Oft hat ein Seufzer, deiner Harf' entflossen,
Ein süßer, heiliger Akkord von dir
Den Himmel beßrer Zeiten mir erschlossen,
Du holde Kunst, ich danke dir dafür!

Friedrich von Amerling ‘In Träumen versunken (1835)

Je zou het Congres van Wenen 1815 kunnen nemen als begin, en het revolutiejaar 1848 als overgang waarin weer de neostijlen populair werden zoals de neo-gotiek. Was de Biedermeier typisch Oostenrijks-Duits, de Neo’s bloeiden op in de Engelse gebieden. Bleef Biedermeier beperkt, de Neo-stijlen kenden een langere sympathie tot het overvloeien in de Jugendstil begin twintigste eeuw. De samenloop met de waardering voor het gezinsleven,, de kleine thuis-wereld gaf Biedermeier vaak ten onrechte zijn muffe bijklank in een wereld waar ‘grootse’ daden met talrijke slachtvelden als consequentie ook een technische expansie kende waarin het huis en zijn bewoners een schuilplaats werd, een wereld apart waarin het goede leven voor meer (gegoede) burgers bereikbaar werd.

Biedermeier-Zimmer MitteMosel-Museum Barockvilla Böcking (klik op onderschrift om te vergroten)

“De naam ‘Biedermaier’ werd voor het eerst gebruikt door Ludwig Eichrodt (1827-1892) die in de Münchener Fliegende Blätter gedichten parodieerde van een schoolmeester uit Schwaben die hij Biedermaier noemde en die in 1869 verschenen als Biedermaiers Liederlust. De aard van deze geparodieerde poëzie was vriendelijk en naïef, waarbij onderwerpen gekozen waren uit het alledaagse gezinsleven. De naam ‘Biedermaier’ werd tot de term ‘biedermeier’ om er de typische bourgeoiscultuur mee aan te duiden van de periode 1815-1870. Meestal wordt de term gebruikt ter aanduiding van de meubelstijl die op de empire-stijl volgde, maar ook wordt er de levensopvatting mee aangegeven die in die tijd getuigde van liefde voor orde, aandacht voor het kleine en concrete, en voorliefde voor het vriendelijke en ‘gezonde’ of normale. Dit alles dan vaak overgoten met een sausje romantiek. Het is de wereld van de bourgeoismoraal, de ‘huiselijkheid’, waarin uitersten vooral vermeden dienen te worden. Voor de kunst in het algemeen geldt dat ze moet voldoen aan de eisen van de geldende moraal, het lagere niet mag weergeven en dat ze ‘waarheidsgetrouw’ moet zijn; in de kritiek telkens terug te vinden in de trits ‘goed-schoon-waar’.”

(Algemeen letterkundig lexicon (2012-…)

Friedrich Amerling 1834. Radierung (ets)Franz Xaver Stöber nach Joseph Danhauser

Studies in Wenen daarna naar Praag(1824) naar zijn oom Heinrich om zich verder te bekwamen in Londen, Parijs en Rome om in 1828 terug naar Wenen te keren waar hij – opdrachten van het Oostenrijkse keizerhuis, de adel en de bourgeoisie uitvoerde. Amerling ondernam uitgebreide studiereizen tijdens zijn leven: in 1836 en 1838 naar Italië, 1838 naar Nederland, 1839 naar München, 1840-1843 naar Rome, 1882 naar Spanje, 1883 naar Engeland, 1884 naar Griekenland, 1885 naar Scandinavië naar de Noordkaap en in 1886 naar Egypte en Palestina. Zijn schilderij, tentoongesteld in Wenen in 1838, De jonge oosterse vrouw veroorzaakte opschudding en in de daaropvolgende maanden leidde tot een stortvloed aan gedichten (waaronder van Levitsching) in de Oostenrijkse pers, die het schilderij en zijn onderwerp prees..

Friedrich Amerling ‘De jonge Oosterse Vrouw’. 1838

Hoewel de kunstenaar dit schilderij de provocerende titel ‘Jonge Oosterse vrouw’ heeft gegeven, is het duidelijk dat het model niet Aziatisch is, maar slechts een Turks kostuum draagt. De weelderige stoffen en het stralende licht creëren een exotische sfeer, die de westerse fascinatie voor ‘oosterse’ beelden en thema’s duidelijk maakt. Maar als hij zijn broertje ‘Andreas (1821-1879) schildert in 1829, het jongetje is dan acht jaar, kiest hij een heel gewone houding van een achtjarig kind, dromend, verveeld en een beetje droevig. Een jaartje later schildert hij ook broertje Joseph die hij dan weer laat opkijken en je weet dat hij elk ogenblik kan weglopen, of…?

Portret van Andreas Amerling, broer van de kunstenaar. 1829
Portret van broertje Joseph. 1830

Amerling was vier keer getrouwd: in 1832 tot haar dood in 1843 met Antonie Kaltenthaler, 1844 tot de scheiding in 1845 met Katharina Heißler, in 1857 tot haar dood in 1880 met Emilie Heinrich, en in 1881 met Maria Nemetschke, voorheen getrouwd met Paterno. In 1878 werd Amerling verheven tot de adel en sindsdien werd Friedrich benoemd tot Ridder von Amerling. Als een van de meest gerespecteerde kunstenaars in Wenen ontving hij tal van belangrijke schrijvers en muzikanten (zoals Franz Liszt) bij hem thuis.

Portret van Franz Listz 9 mei 1838

Een lijst met 130 werken kun je vinden

https://www.wikidata.org/wiki/Wikidata:WikiProject_sum_of_all_paintings/Creator/Friedrich_von_Amerling

Zelfportret. 1834 (50,5 x 41,5 cm)

Het zelfportret uit 1834, met een krappe halslijn en het hoofd naar links gedraaid, is de eerste van vijf profielafbeeldingen. Elegantie en een even ernstige als zelfbewuste gelaatsuitdrukking kenmerken het portret van de 31-jarige kunstenaar met geknipte bakkebaarden. Kunstenaarsattributen ontbreken.
De witte opstaande kraag en het rood van de nonchalant geknoopte halsdoek vormen opvallende kleuraccenten die contrasteren met het fluweel van de donkere jas. In tegenstelling tot zijn doorgaans geïdealiseerde vrouwenportretten wordt hier, net als in andere mannelijke portretten van zijn hand, duidelijk het streven naar het vastleggen van de persoonlijkheid zichtbaar. Tot op hoge leeftijd ontstonden er “karakterportretten” van hemzelf, die dienden als studies in schildertechniek. Dat verklaart waarschijnlijk de grotendeels onbewerkte achtergrond, waarin de linnen structuur zichtbaar is, in dit werk dat afkomstig is uit de nalatenschap van het atelier. (DOM Quartier Salzburg. Sammlung Online)

Friedrich von Amerling. Jong slapend meisje

De invloed van Friedrich Ritter von Amerling reikte verder dan zijn eigen oeuvre; hij heeft de artistieke gevoeligheid van volgende generaties gevormd en de positie van de academische traditie binnen de Weense kunst versterkt. Zijn onwankelbare toewijding aan klassieke idealen vormde een tegenwicht voor de opkomende impressionistische tendensen, waardoor realisme en geïdealiseerde schoonheid nog decennia lang de boventoon bleven voeren in de Oostenrijkse schilderkunst. Tegenwoordig bevinden Amerlings werken zich voornamelijk in musea in heel Europa – waaronder het Musée Maurice Denis in Parijs – waar ze nog steeds bewondering oogsten vanwege hun technische briljantheid en expressieve kracht.

(Wahoo Art)

Dat hij ook oog had voor grappige taferelen bewijst dit mooie doek: ‘In de (ver)kleedkamer van het theater. De Theater-garderobe.

der Theater Garderobe

Wist uit ervaring wat het missen van een ’thuis’ was en schilderde in bijzonder zacht licht: vader, Rudolf von Arthaber met kinderen Rudolf, Emilie en Gustav. (1837) De schilder heeft hen geportretteerd terwijl ze naar het portret van de pas overleden vrouw van Rudolf von Arthaber kijken. Kijk naar de blik van de man, naar het dromerige van het zittende jongetje in tegenstelling met de onschuldige zorgeloosheid van de kleinste kinderen. Overal ligt nog het speelgoed van de bende.
Tot in de rechtse uithoek onderaan van het doek.
Op de zetel achteraan ligt achteloos een kledingstuk en open boeken.
Het theestel staat ordeloos op het tafeltje.
De afwezige is duidelijk afwezig.

Maar ook de machteloosheid als zijn zoon met zijn voornaam Friedrich (Fritz) ziek is en sterft (1850); hij zal slechts zeventien worden; net zoals zijn moeder Antonie en tante overleden aan een longziekte.

Bekijk een mooie collectie:

https://artvee.com/artist/friedrich-von-amerling/page/1

Friedrich von Amerling Zelfportret. 1846

Dit mooie zelfportret van 1846, hij is dan 43 jaar. Met bijna evenveel toekomst als verleden. Het is een dromend portret. Ik denk aan de Oostenrijkse vrouwelijke dichter Marie von Ebner-Eschenbach ‘Der Gedanke an die Vergänglichkeit’:

"Der Gedanke an die Vergänglichkeit
aller irdischen Dinge
ist ein Quell unendlichen Leids -
und ein Quell unendlichen Trostes."

"De gedachte aan de vergankelijkheid
van alle aardse dingen
is een bron van oneindig leed -
en een bron van oneindige troost."

Friedrich von Amerling Meisjesportret 1830

Het zelfportret geportretteerd (1):

Zelfportret in een valiesje. Pawel Althamer

Het is draagbaar. De Poolse kunstenaar Pawel Althamer gebruikt meermaals het zelfportret als methode om verschillende vormen van het ego te verbeelden. Een zelfportret als ‘The Billy Goat’,’ als ‘People of the Earth’, als reusachtige ballon (“Balloon”) van een naakte man die sterk op de kunstenaar gelijkt, en boven de stad hangt, een project dat in 2010 in Zacheta Gallery in Brugge werd voorgesteld in een tentoonstelling van Luc Tuymans.

Für Paweł Althamer steht der künstlerische Prozess im engen Zusammenhang mit Selbstanalyse und Selbsterkenntnis. Rund die Hälfte der 40 Werke, die in der Ausstellung „Paweł Althamer. Lovis-Corinth-Preis 2022“ im Kunstforum Ostdeutsche Galerie gezeigt werden, sind Selbstporträts.

I believe this was one of the first times the aerostat had been displayed in the confines of an indoor environment, where it feels very claustrophobic to say the least. The image is done in the likeness of the artist himself, but blown up to such a scale, it portrays him in a less than flattering light. In fact, I felt a bit like Jonathan Swift confronting the Brobdingnagians for the first time, especially standing next to his…well genitals, and Swift’s disgust at seeing the human body magnified to such a scale. I wonder who looks more confined: the viewers or the giant figure hovering above them?
De kunstenaar zal weldra boven Milaan hangen.

Hoor ik de lezer uitroepen dat een dergelijke ‘zelfverheerlijking’ ongepast, ziekelijk of (u vult naar eigen keuze in)……………….!! zou zijn, dan is het feit dat wij per dag zo’n miljoen selfies maken daar een ruim voldoende antwoord op. (Verwacht wordt dat je er tijdens je leven zo’n 25.700 zou nemen)

Een fragment uit een roman van Virginia Woolf:

“Er verdwijnt nu iets uit mij: er verlaat mij iets om de naderende gestalte tegemoet te treden en het verzekert mij dat ik hem ken, voor ik zie wie het is. Hoe vreemd is de verandering die je ondergaat als een vriend zich, zelfs op een afstand, bij je voegt. Hoe nuttig is het dat het tot de taak van je vrienden behoort je tot de werkelijkheid terug te roepen. Maar hoe pijnlijk om teruggeroepen, om vermurwd te worden, om toe te laten dat je ik vervalst, vermengd, tot een deel van een ander gemaakt wordt. Terwijl hij nadert word ik niet mezelf, maar Neville vermengd met iemand anders- met wie? – met Bernard? Ja, het is Bernard en Bernard zal ik de vraag stellen. Wie ben ik?”

(Virginia Woolf. ‘De golven’, roman vert. Geraldine Franken A’dam 1985. De Bezige Bij)

Self-Portrait 1914 Sir Stanley Spencer 1891-1959 Bequeathed by Sir Edward Marsh through the Contemporary Art Society 1953 http://www.tate.org.uk/art/work/N06188
This is Spencer’s first self-portrait in oil paint, made when he was around 23 years old. He painted it over the course of nearly a year in the front bedroom of his family home in Cookham. Its dark, rich colours and strong sense of three dimensionality reflect his interest in 16th-century European painting. Spencer recalled that he was inspired to paint it in this way after seeing a reproduction of a head of Christ by Italian Renaissance artist Bernardino Luini (c.1480/82–1532). (Tate Collection)

En daarmee is de vraag gesteld waarmee het fragment uit ‘De Golven’ besloot: ’Wie ben ik?’ Niet alleen de vraag naar het wezen, de kunstenaar (es) als zichzelf, maar vooral in verbinding met de wereld waarin hij leeft of leefde. In welke mate hij/zij zich vermengde of met de tijd vermengd werd of zich daartegen verzette.

Sir Joshua Reynolds
by Sir Joshua Reynolds
oil on canvas, circa 1747-1749
25 in. x 29 1/4 in. (635 mm x 743 mm)
Purchased, 1858 National Portrait Gallery London

“De populariteit van kunstenaars die zich vermommen in zelfportretten kan worden toegeschreven aan ons onvermogen om tevreden te zijn met het spelen van slechts één rol in de kunst en in het leven. Als complexe wezens met een rijk innerlijk leven is één rol nauwelijks bevredigend. We zijn niet gemakkelijk te definiëren door één enkele identiteit. Het zelfportret stelt ons in staat om een wereld te creëren waarin we uitdrukking kunnen geven aan ons verleden, onderdrukte zelf, verlangens, kwalen van de geest, intellectuele interesses of om te fantaseren dat we iemand zijn die totaal anders is dan onszelf. Het gemaskerde zelfportret kan een ontsnapping zijn naar een wereld waarin we volledige creatieve controle hebben – niet verwonderlijk in een realiteit waarin we vaak het gevoel hebben dat we weinig controle hebben. We verlangen naar een wereld waarin we vrij zijn om te zijn wie we maar willen zijn.”

Holly Marie Armishaw-Contemporary Artist.
The Philosophy of Self-Portraiture in Contemporary Art

http://www.hollyarmishaw.com/the-philosophy-of-self-portraiture-in-contemporary-art—essay.html

Zelfportret tegen palet Charley Toorop (1891-1955)

Het zelfportret is het bepalende visuele genre geworden van ons bekentenistijdperk: de hoeveelheid contemporaine zelfportretten is domweg ontelbaar. Meer mensen, uit meer landen zijn meer dan ooit tevoren geïnteresseerd in zelfportretkunst. Het zelfportret heeft kerk, paleis, atelier, academie, museum, galerie, sokkel en lijst ver achter zich gelaten. Het internet wordt tegenwoordig overspoeld door fotografische en gefilmde zelfportretten, en scholieren moeten een zelfportret maken. Zelfportretten, zo wordt vaak gedacht — en gehoopt — bieden een 
geprivilegieerde toegang tot de ziel van het model en ondervangen zo de vervreemding en anonimiteit die veel mensen in de moderne geürbaniseerde samenleving ervaren. Echte zelfportretten (en portretten die daar ten onrechte voor zijn aangezien én namaak-zelfportretten) worden in Europa sinds de l6e eeuw verzameld en bewonderd. Maar de belangstelling van vroeger valt in het niet bij de obsessie met
 het zelfportret van de afgelopen veertig jaar. Tegenwoordig vind je overal ter wereld levende kunstenaars wier hele loopbaan is bepaald door de zelfportretkunst.

“Het Zelfportret, een culturele geschiedenis, James Hall, Librero NL. 2015”

Self-Portrait, 1933. Milena Pavlovic-Barili

Kijk verder bij deze mooie collectie:

https://www.arthistoryproject.com/subjects/self-portrait

Double Isometric Self-Poretrait. Jim Dine, 1964

‘Bij het maken van een zelfportret kijkt de kunstenaar indirect. Hij heeft iets buiten zichzelf nodig om zichzelf te kunnen zien. In de spiegel kijkend geeft hij zijn eigen beeltenis weer, en de spanning die daarbij ontstaat is fascinerend. Wie of wat wordt er nu afgebeeld? Tegelijk is er de verwachting bij de aanschouwer. Wij willen de kunstenaar zien, de persoon achter het werk enigszins leren kennen. Maar kan dat wel? Is de kunstenaar wel op zijn penseel of beitel te vertrouwen? Creëert hij niet – bewust of onbewust – een beeld van zichzelf?

Het zelfportret heeft verschillende hoogtepunten gekend en je zou drie bloeiperiodes kunnen aanwijzen. De eerste begint in de late Middeleeuwen, vroege Renaissance, en loopt door tot in de Barok. De status van het vak leeft op, kunstenaars ontwikkelen een duidelijke signatuur en er verschijnen biografieën van kunstenaars. Het beroep krijgt gestalte, en de kunstenaar zelf mag onderwerp van het werk worden. Een ander hoogtepunt is de negentiende eeuw. De ideeënvorming van de Romantiek biedt veel plaats voor de kunstenaar als eenling, buitenstaander. Zo’n kunstenaar schildert ook zichzelf. Vervolgens was er een bloeiperiode tijdens het interbellum. Vanuit het expressionisme kwamen veel markante zelfportretten. Maar deze keer wilden kunstenaars zich niet presenteren als romantische eenlingen die buiten de samenleving stonden maar portretteerden ze zichzelf juist als betrokken beschouwer van de samenleving. Vaak legden ze zichzelf vast met objecten die ergens naar verwezen, om zo commentaar te geven op wat er om hen heen gebeurde.’

(Joe van der Meulen. 7 juli 2014. De Groene Amsterdammer)

Self-Portrait of the Artist with a Lamp. Henri Rousseau, 1903