
Geboren in 1883 in Saint-Jean-de Luz, Basse Pyrenées, bleek Jean Marie Gabriël Deluc een talentvol schilder te worden. Kijk naar zijn prachtig zelfportret, 17 jaar is hij dan, en hieronder enkele jaren later.

Schilder Léon Bonnat laat hem op 15-jarige leeftijd toe in Bayonne’s gemeentelijke tekenschool. Twee jaar later krijg hij een plaats in Bonnat’s studio in Parijs. (1903) Tot 1912 zal hij in Parijs leven en werken en belangrijke mensen leren kennen zoals Ossip Zadkine, Marc Chagall en vooral Alexandre Altmann die zijn vriend wordt en met hem enkele zomers in Baskenland doorbrengt.

In 1906 neemt hij voor de eerste keer deel aan ‘le salon des artistes français’ en krijgt hij een eervolle vermelding voor zijn stemmingsvol schilderij ‘L ‘Intimité’. Hij blijft deelnemen, zowel aan dit salon als aan het ‘salon des Indépendants’.

In zijn geboorteplaats schildert hij het grote doek ‘Le Chévrier’. Een ander doek, helemaal in de tijdsgeest, ‘La Dame’ (of ‘De dans in het heilig woud) presenteert hij in 1910 op het salon des artistes français. Mecenas Edmond de Rothschild zal het aankopen en aan de stad Bayonne schenken.

Op 3 september 1913 huwt hij Thérèse Mahé. Plaats van plechtigheid: het stadhuis van het XVIde arrondissement van Parijs.

Hij neemt in 1914 nog deel aan het salon des artistes français en engageert zich dan in het Franse leger, eerst als hospic maar in 1915 vervoegt hij de gevechten, wordt vlug sergeant en daarna onderluitenant. Ter plekke schetst hij het soldatenleven. Werk dat meestal verloren is gegaan. Op 15 september 1916 wordt hij bij een opdracht in niemandsland gedood. ‘Tué à l’ ennemi’ zoals op zijn overlijdensbericht is ingevuld. Bijna drieëndertig.

Maurice Ravel zal het derde fragment van zijn pianosuite ‘Le tombeau de Couperin’, getiteld ‘FORLANE’ aan hem opdragen. Kijk naar zijn schaars werk en luister naar de mooie muziek van Ravel.

Een jongeman kijkt over de rand van twee eeuwen naar de leegte die hij moest achterlaten.

Jean-Marie Gabriel Deluc (1 October 1883, Saint-Jean-de-Luz – 15 September 1916, Souain-Perthes-lès-Hurlus), French painter. Born in the Basses-Pyrénées, he showed great artistic promise at an early age. He was noticed by artist Léon Bonnat and enrolled in Bayonne’s municipal drawing school when he was fifteen; two years later, he was admitted to Bonnat’s studio in Paris and received as a pupil at the École nationale des Beaux-Arts de Paris in 1903. From 1904 to 1912 he lived in Paris, at first struggling, but in 1906 he showed at the Salon for the first time and was awarded an honorable mention. He would continue to show regularly at the Salon and then at the Salon des indépendants. He married in 1913 and the following year, at the beginning of the war, he enlisted, first as a medic. But in the second year of the war he joined the combat troops, where he quickly rose to the rank of sergeant, and was then promoted to the rank of second lieutenant in June of 1916. Three months later he was killed during a reconnaissance mission in no man’s land. “Tué à l’ennemi“, he was thirty-three. Today he is best remembered as the dedicatee of the third piece – Forlane – in Maurice Ravel’s piano suite of 1918, Le Tombeau de Couperin.
(Gods and foolish grandeur)