
Nog voor hij helemaal thuis was in zijn eigen biografisch geheugen -twee-drie jaar oud-, bleek dit plaasteren ‘Heilig-Hart’-beeld op de ouderlijke slaapkamer voor hem, als kleuter, wel degelijk een levend personage. Zijn moeder vertelde later menigmaal de dialoog die zij, nog in bed en geveinsd slapend, had gehoord, die vroege morgen toen hij de kamer binnenkwam en een zelf gemaakt knutselwerk liet zien aan de plaasteren Jezus.
“Is dat van karton?” vroeg het beeld. (met zijn hoog stemmetje)
“Ja natuurlijk is dat van karton.” (met zijn gewone kleuterstem).
“Ja, nu zie ik het. Wel mooi.’ (met zijn hoog stemmetje)
“Dank u.” (met zijn gewone kleuterstem)
Het kind verdween naar de ontbijttafel, moeder volgde. Glimlachend, maar ook hoofdschuddend.

‘Bij de dood laten lichaam en ziel elkaar gaan. Het is een bevrijding en een uiteengaan. Eigenlijk is de bevrijding van de ziel uit het lichaam het doel van elke filosoof. Voor een echte filosoof is sterven zijn vak, want sterven betekent dat de ziel wordt losgemaakt uit de vergankelijke stof om zich te richten op de onvergankelijke eeuwige waarheid. Dat is niet iets om bang voor te zijn, Daar streef je dus naar.’ (uit Phaedo. Plato)
Deze filosofische uitspraak werd samengevat door Bert Keizer, schrijver van ‘Vroeger waren we onsterfelijk’ Maart 2016, uitgave van Lemniscaat. Bert Keizer is arts en filosoof, en is verbonden aan de Levenseindekliniek. Hij schreef o.a. de bestsellers Het refrein is Hein en Onverklaarbaar bewoond. Keizer studeerde filosofie in Oxford
In Vroeger waren we onsterfelijk vertelt Bert Keizer hoe hij als kind van de sixties de kerk uit liep, voor The Beatles viel en na vele omwegen in een Engelse universiteit belandde om filosofie te gaan studeren. Een carrière als academisch filosoof schrikte hem af en hij zocht een goed heenkomen in de medische faculteit, om via die route in het volle leven te belanden. In dit boek reist Keizer weg uit het katholieke Amersfoort, waar hij ooit misdienaar was, naar de goddeloze maar niet minder verwonderlijke wereld waarin wij nu rondtobben. Leven is behelpen, vindt hij, en vanuit die grondhouding heeft hij behartenswaardige dingen te zeggen over geloof en literatuur, filosofie en geneeskunde. Met wat hulp van zijn persoonlijke favorieten – Beckett, Wittgenstein, William Osler – slaagt hij erin om net iets te meer te lachen dan te huilen. Maar het scheelt niet veel. ‘Als jongetje vond ik de kerk niet echt vervelend, geloof ik, maar het werd pas leuk toen ik misdienaar werd. Ik koesterde zelfs vagelijk priesterlijke ambities, waarbij ik aanteken dat ik niet wist wat celibaat was.‘ De vanzelfprekendheid van het christelijke wereldbeeld uit die jaren is mij nog altijd dierbaar. Toen waren we onsterfelijk, maar we wisten het niet.’ – Bert Keizer

Marie Huana besprak in haar allerfraaist blog hetzelfde thema. Met toepasselijke beelden en bondige maar spitse commentaren. Een bezoekje is dan ook een heerlijke verpozing. Klik op ‘Memento Mori?’ hieronder. Wil je heel haar blog bekijken dan klik je Marie Huana onderaan.

“Er bestaat een schilderij van Paul Klee, dat Angelus Novus heet. De Nieuwe Engel. Er staat een engel op afgebeeld die zo te zien op het punt staat zich te verwijderen van iets waar hij zijn blik strak op gericht houdt. Zijn ogen en zijn mond zijn opengesperd, hij heeft zijn vleugels gespreid. Zo moet de engel van de geschiedenis eruitzien. Zijn gelaat is naar het verleden gewend. Waar wij een reeks gebeurtenissen waarnemen, ziet hij één enkele catastrofe en daarin wordt zonder enig respijt puinhoop op puinhoop gestapeld, die hem voor de voeten geworpen wordt. De engel zou wel willen blijven, de doden tot leven wekken en de brokstukken weer tot een geheel maken. Maar zijn vleugels vangen de wind die uit het paradijs waait, een storm die zo hard is dat hij ze niet kan stuiten. Deze storm stuwt hem onweerstaanbaar voort, de toekomst in die hij de rug heeft toegekeerd, terwijl de stapel puin vóór hem tot aan de hemel groeit. Deze storm is wat wij vooruitgang noemen.”
— Walter Benjamin: Over het concept van de geschiedenis (1940), These IX 1

Walter Benjamin (1892-1940) heeft de tweede wereldoorlog niet overleefd. Zij, de kinderen die tijdens en net na de oorlog werden geboren wel. Wat nu een beetje smalend de babyboom wordt genoemd, waren de kinderen van een nieuwe toekomst voor wie een ‘nooit-meer-oorlog een statement was, althans in de hoofden van de ouders, ondanks de tegenstellingen tussen wat wit en zwart werd genoemd. De ware verschrikkingen drongen vaak pas veel later door, zekere het lot van de Joodse families. Eens de geallieerde troepen Europa hadden verlaten werd vaak in alle stilte weer aangesloten bij de levenswijze van de dertiger jaren, alvast op religieus en moreel vlak. Het zou tot in de zestiger jaren duren om de volle omvang van de verschrikkingen duidelijk te maken. ( cfr.De Auschwitzprocessen 1963-1965)

Illustration by Ralph Steadman
Al waren zij met velen, de kinderen op de rand van – en kort na de oorlog, maar noch in de kleuterschool (de bewaarschool) noch bij bij de Broeders in de lagere school had hij ooit het gevoel te verdrinken in klassen die vaak meer dan 55 kinderen telden. Hij denkt dat alles trager ging, dat de betovering van de talrijke (bijbel)verhalen en het vele handwerk hen voortdurend uitnodigden om intens bezig te zijn met nieuwe vaardigheden.

Het leren lezen en schrijven in de laatste kleuterklas gaf je bij het begin van het eerste leerjaar in de lagere school een zekere voorsprong maar die werd deskundig besteed door je maatjes letters en woorden bij te brengen.
Een kind had een drukke dag in de vijftiger jaren. Vroeg opstaan, naar de mis gaan, terug naar huis en ontbijten, met je maatje naar school wandelen, lopen, springen, tot twaalf uur de klas in, terug naar huis om te middagmalen, en met een snoepje uit de Ovomaltine-doos weer naar school, lesjes, speeltijd nog een lesje en eventueel studie zodat het tijdens de eerste maanden van het schooljaar steeds donkerder werd eer je thuiskwam waar het avondeten op je wachtte en je daarna onmiddellijk onder de klassieke wol belandde. Dinsdag- en dondernamiddag was je vrij, maar zaterdag telde als schooldag waar bij thuiskomst het bad – bed de dag afrondde, al mocht je sinds 1953 bij va-va nog even televisie kijken tot het nieuws begon. Met de vakantie ging je naar de vakantieschool, elke dag in het Raadsheren-park rondhossen: water, zavel, bossen en je eigen gangen kunnen gaan.
Aan de horizon verscheen 1956: verhuis naar de kostschool om er Latijn en Grieks te studeren. Het leven met 650 jongens in een tijd die uit zijn voegen gaat barsten. En zij barstten mee. Op de hen toegelaten manier. Maar tot die tijd waren zij onsterfelijk. De oorlogskinderen.
Moeder Gabriel, de overste van de kloostergemeenschap, was ook de directrice van de school en in die functie verwelkomde zij elke morgen en namiddag de kinderen bij het binnenkomen. Je kon toen in de Beekstraat niet blijven eten op school, de kinderen gingen ’s middags naar huis en kwamen daarna weer terug. Moeder Gabriel zat achter een tafeltje op een klein verhoog vooraan in de lange brede gang en kende alle kinderen met voor- en familienaam. Boven haar hoofd hing aan de muur een grote bel met trekkoord om het begin en het einde van de klasactiviteiten in te luiden. (Truus Van Gestel Het Bezemklokje 2018)

En natuurlijk ook allerlei handvaardigheidsoefeningen: lapjes stof pluizen, figuurtjes prikken uit glanzend gekleurd papier met een scherpe priknaald en op een plat kussentje dat wel eens onder het papier wegschoof, scheepjes, bloemvaasjes of kleertjes vouwen eveneens uit glanzend gekleurd papier, matjes weven in, jawel, glanzend gekleurd papier verticaal ingesneden om er met een metalen weef-pen en reepjes glanzend gekleurd papier in een contrasterende kleur een mooi figuurtje mee te maken. Met glanzend gekleurd papier werd ook geknipt en gescheurd, met kleurpotloden moest je leren binnen de lijntjes te kleuren en de lijmpot was ook nooit ver weg, want einde schooljaar moest elke kleuter een "Mijn album" af hebben. In de derde kleuterklas leerde ik ook met een griffel tekenen en letters schrijven op een echte lei met houten kadertje rond de leisteen. (Truus van Gestel)

Je kon je lei telkens weer afvegen met dat allerzachtste sponsje dat je in een mooi bakelieten doosje opborg. Je dacht dat het je letters bijhield maar wie kende het geheim om hen weer op je lei te toveren? Je tekende een sterrenhemel waarin elke ster een letter was. Je ontdekte heel vroeg geheimschriften waarmee je toverspreuken bewaarde voor kwade dagen of als je bang was in het donker. Daarna kwamen boeken. En letterdozen waarmee je zelf piepkleine verhaaltjes kon stempelen. En…

En de verhalen hoe God de wereld schiep. Een paradijs. Tot het drama met de fruitboom en een sprekende slang. Het vlammende zwaard van de engel bij de uitgang. Hel, hemel en vagevuur. De zondvloed. De stenen tafelen om maar enkele toppers te noemen, alsof zuster Anna er zelf was bij geweest. Daniël in de leeuwenkuil. Jonas in de walvis. Hij denkt wel eens dat hun manier van vertellen aan de basis van zijn latere eigen verhalen lag.
Na de vertelling mochten zij hun hoofdje op de bank leggen en even slapen terwijl de zuster langs de rijen liep . Hij loerde naar Daniël en hij knipoogde even voor hij in zijn droom tegen een leeuw aan schurkte. Hij sloot zijn ogen en besloot aan een ark te beginnen om later Daniël en zijn leeuwen op te halen voor zij zouden verdrinken.

Vroeger waren we onsterfelijk? Hadden we maar ietsje meer onsterfelijkheid in onze macht om diegenen onder ons te behouden die ons te vroeg ontvallen. Martine Tanghe, moeder aller nieuwsankers, werd zij bij haar pensioen genoemd. De vervlechting van kunde en warme menselijkheid, van taalvaardigheid en stille concentratie, van de glimlach en mateloze inzet. Blijf ons nabij.



















































































































