Waren wij vroeger nog onsterfelijk?

Eigen foto GMT

Nog voor hij helemaal thuis was in zijn eigen biografisch geheugen -twee-drie jaar oud-, bleek dit plaasteren ‘Heilig-Hart’-beeld op de ouderlijke slaapkamer voor hem, als kleuter, wel degelijk een levend personage. Zijn moeder vertelde later menigmaal de dialoog die zij, nog in bed en geveinsd slapend, had gehoord, die vroege morgen toen hij de kamer binnenkwam en een zelf gemaakt knutselwerk liet zien aan de plaasteren Jezus.
“Is dat van karton?” vroeg het beeld. (met zijn hoog stemmetje)
“Ja natuurlijk is dat van karton.” (met zijn gewone kleuterstem).
“Ja, nu zie ik het. Wel mooi.’ (met zijn hoog stemmetje)
“Dank u.” (met zijn gewone kleuterstem)
Het kind verdween naar de ontbijttafel, moeder volgde. Glimlachend, maar ook hoofdschuddend.

eigen foto GMT
‘Bij de dood laten lichaam en ziel elkaar gaan. Het is een bevrijding en een uiteengaan. Eigenlijk is de bevrijding van de ziel uit het lichaam het doel van elke filosoof. Voor een echte filosoof is sterven zijn vak, want sterven betekent dat de ziel wordt losgemaakt uit de vergankelijke stof om zich te richten op de onvergankelijke eeuwige waarheid. Dat is niet iets om bang voor te zijn, Daar streef je dus naar.’ (uit Phaedo. Plato)

Deze filosofische uitspraak werd samengevat door Bert Keizer, schrijver van ‘Vroeger waren we onsterfelijk’ Maart 2016, uitgave van Lemniscaat. Bert Keizer is arts en filosoof, en is verbonden aan de Levenseindekliniek. Hij schreef o.a. de bestsellers Het refrein is Hein en Onverklaarbaar bewoond. Keizer studeerde filosofie in Oxford

In Vroeger waren we onsterfelijk vertelt Bert Keizer hoe hij als kind van de sixties de kerk uit liep, voor The Beatles viel en na vele omwegen in een Engelse universiteit belandde om filosofie te gaan studeren. Een carrière als academisch filosoof schrikte hem af en hij zocht een goed heenkomen in de medische faculteit, om via die route in het volle leven te belanden. In dit boek reist Keizer weg uit het katholieke Amersfoort, waar hij ooit misdienaar was, naar de goddeloze maar niet minder verwonderlijke wereld waarin wij nu rondtobben. Leven is behelpen, vindt hij, en vanuit die grondhouding heeft hij behartenswaardige dingen te zeggen over geloof en literatuur, filosofie en geneeskunde. Met wat hulp van zijn persoonlijke favorieten – Beckett, Wittgenstein, William Osler – slaagt hij erin om net iets te meer te lachen dan te huilen. Maar het scheelt niet veel. ‘Als jongetje vond ik de kerk niet echt vervelend, geloof ik, maar het werd pas leuk toen ik misdienaar werd. Ik koesterde zelfs vagelijk priesterlijke ambities, waarbij ik aanteken dat ik niet wist wat celibaat was.‘ De vanzelfprekendheid van het christelijke wereldbeeld uit die jaren is mij nog altijd dierbaar. Toen waren we onsterfelijk, maar we wisten het niet.’ – Bert Keizer

Marie Huana besprak in haar allerfraaist blog hetzelfde thema. Met toepasselijke beelden en bondige maar spitse commentaren. Een bezoekje is dan ook een heerlijke verpozing. Klik op ‘Memento Mori?’ hieronder. Wil je heel haar blog bekijken dan klik je Marie Huana onderaan.

Angelus Novus Aquarel Paul Klee

“Er bestaat een schilderij van Paul Klee, dat Angelus Novus heet. De Nieuwe Engel. Er staat een engel op afgebeeld die zo te zien op het punt staat zich te verwijderen van iets waar hij zijn blik strak op gericht houdt. Zijn ogen en zijn mond zijn opengesperd, hij heeft zijn vleugels gespreid. Zo moet de engel van de geschiedenis eruitzien. Zijn gelaat is naar het verleden gewend. Waar wij een reeks gebeurtenissen waarnemen, ziet hij één enkele catastrofe en daarin wordt zonder enig respijt puinhoop op puinhoop gestapeld, die hem voor de voeten geworpen wordt. De engel zou wel willen blijven, de doden tot leven wekken en de brokstukken weer tot een geheel maken. Maar zijn vleugels vangen de wind die uit het paradijs waait, een storm die zo hard is dat hij ze niet kan stuiten. Deze storm stuwt hem onweerstaanbaar voort, de toekomst in die hij de rug heeft toegekeerd, terwijl de stapel puin vóór hem tot aan de hemel groeit. Deze storm is wat wij vooruitgang noemen.”


— Walter Benjamin: Over het concept van de geschiedenis (1940), These IX 1

Foto door Pixabay

Walter Benjamin (1892-1940) heeft de tweede wereldoorlog niet overleefd. Zij, de kinderen die tijdens en net na de oorlog werden geboren wel. Wat nu een beetje smalend de babyboom wordt genoemd, waren de kinderen van een nieuwe toekomst voor wie een ‘nooit-meer-oorlog een statement was, althans in de hoofden van de ouders, ondanks de tegenstellingen tussen wat wit en zwart werd genoemd. De ware verschrikkingen drongen vaak pas veel later door, zekere het lot van de Joodse families. Eens de geallieerde troepen Europa hadden verlaten werd vaak in alle stilte weer aangesloten bij de levenswijze van de dertiger jaren, alvast op religieus en moreel vlak. Het zou tot in de zestiger jaren duren om de volle omvang van de verschrikkingen duidelijk te maken. ( cfr.De Auschwitzprocessen 1963-1965)

For Benjamin, the whole world was material for criticism.
Illustration by Ralph Steadman

Al waren zij met velen, de kinderen op de rand van – en kort na de oorlog, maar noch in de kleuterschool (de bewaarschool) noch bij bij de Broeders in de lagere school had hij ooit het gevoel te verdrinken in klassen die vaak meer dan 55 kinderen telden. Hij denkt dat alles trager ging, dat de betovering van de talrijke (bijbel)verhalen en het vele handwerk hen voortdurend uitnodigden om intens bezig te zijn met nieuwe vaardigheden.

uit ‘Het Bezemklokje’ 2018 Foto bewaarschool-klasje van Truus Van Gestel 1945-46 Kinderen braaf handjes op de rug. Links op de voorste bank in de middenrij zit Truus.


Het leren lezen en schrijven in de laatste kleuterklas gaf je bij het begin van het eerste leerjaar in de lagere school een zekere voorsprong maar die werd deskundig besteed door je maatjes letters en woorden bij te brengen.
Een kind had een drukke dag in de vijftiger jaren. Vroeg opstaan, naar de mis gaan, terug naar huis en ontbijten, met je maatje naar school wandelen, lopen, springen, tot twaalf uur de klas in, terug naar huis om te middagmalen, en met een snoepje uit de Ovomaltine-doos weer naar school, lesjes, speeltijd nog een lesje en eventueel studie zodat het tijdens de eerste maanden van het schooljaar steeds donkerder werd eer je thuiskwam waar het avondeten op je wachtte en je daarna onmiddellijk onder de klassieke wol belandde. Dinsdag- en dondernamiddag was je vrij, maar zaterdag telde als schooldag waar bij thuiskomst het bad – bed de dag afrondde, al mocht je sinds 1953 bij va-va nog even televisie kijken tot het nieuws begon. Met de vakantie ging je naar de vakantieschool, elke dag in het Raadsheren-park rondhossen: water, zavel, bossen en je eigen gangen kunnen gaan.
Aan de horizon verscheen 1956: verhuis naar de kostschool om er Latijn en Grieks te studeren. Het leven met 650 jongens in een tijd die uit zijn voegen gaat barsten. En zij barstten mee. Op de hen toegelaten manier. Maar tot die tijd waren zij onsterfelijk. De oorlogskinderen.

Moeder Gabriel, de overste van de kloostergemeenschap, was ook de directrice van de school en in die functie verwelkomde zij elke morgen en namiddag de kinderen bij het binnenkomen. Je kon toen in de Beekstraat niet blijven eten op school, de kinderen gingen ’s middags naar huis en kwamen daarna weer terug. Moeder Gabriel zat achter een tafeltje op een klein verhoog vooraan in de lange brede gang en kende alle kinderen met voor- en familienaam. Boven haar hoofd hing aan de muur een grote bel met trekkoord om het begin en het einde van de klasactiviteiten in te luiden.

(Truus Van Gestel Het Bezemklokje  2018)
Schoolfoto uit de Bewaarschool. De 2 broertjes in 1949. Niet copiëren aub. Op de vraag waarom het jongste broertje zo lelijk keek, antwoordde hij: “Die fotograaf keek ook heel lelijk!”
En natuurlijk ook allerlei handvaardigheidsoefeningen: lapjes stof pluizen, figuurtjes prikken uit glanzend gekleurd papier met een scherpe priknaald en op een plat kussentje dat wel eens onder het papier wegschoof, scheepjes, bloemvaasjes of kleertjes vouwen eveneens uit glanzend gekleurd papier, matjes weven in, jawel, glanzend gekleurd papier verticaal ingesneden om er met een metalen weef-pen en reepjes glanzend gekleurd papier in een contrasterende kleur een mooi figuurtje mee te maken. Met glanzend gekleurd papier werd ook geknipt en gescheurd, met kleurpotloden moest je leren binnen de lijntjes te kleuren en de lijmpot was ook nooit ver weg, want einde schooljaar moest elke kleuter een "Mijn album" af hebben. In de derde kleuterklas leerde ik ook met een griffel tekenen en letters schrijven op een echte lei met houten kadertje rond de leisteen.  (Truus van Gestel)
bakelieten sponsdoosje

Je kon je lei telkens weer afvegen met dat allerzachtste sponsje dat je in een mooi bakelieten doosje opborg. Je dacht dat het je letters bijhield maar wie kende het geheim om hen weer op je lei te toveren? Je tekende een sterrenhemel waarin elke ster een letter was. Je ontdekte heel vroeg geheimschriften waarmee je toverspreuken bewaarde voor kwade dagen of als je bang was in het donker. Daarna kwamen boeken. En letterdozen waarmee je zelf piepkleine verhaaltjes kon stempelen. En…

Foto door Admiral General M.

En de verhalen hoe God de wereld schiep. Een paradijs. Tot het drama met de fruitboom en een sprekende slang. Het vlammende zwaard van de engel bij de uitgang. Hel, hemel en vagevuur. De zondvloed. De stenen tafelen om maar enkele toppers te noemen, alsof zuster Anna er zelf was bij geweest. Daniël in de leeuwenkuil. Jonas in de walvis. Hij denkt wel eens dat hun manier van vertellen aan de basis van zijn latere eigen verhalen lag.

Na de vertelling mochten zij hun hoofdje op de bank leggen en even slapen terwijl de zuster langs de rijen liep . Hij loerde naar Daniël en hij knipoogde even voor hij in zijn droom tegen een leeuw aan schurkte. Hij sloot zijn ogen en besloot aan een ark te beginnen om later Daniël en zijn leeuwen op te halen voor zij zouden verdrinken.

Vroeger waren we onsterfelijk? Hadden we maar ietsje meer onsterfelijkheid in onze macht om diegenen onder ons te behouden die ons te vroeg ontvallen. Martine Tanghe, moeder aller nieuwsankers, werd zij bij haar pensioen genoemd. De vervlechting van kunde en warme menselijkheid, van taalvaardigheid en stille concentratie, van de glimlach en mateloze inzet. Blijf ons nabij.

Martine met kleinzoon

Kriskras

Foto door cottonbro studio

Vraag je bij welke woordsoort ‘kriskras’ thuishoort dan zul je zelden het antwoord ‘bijwoord van richting’ horen, voor dit duidelijk begrip, de eerste maal beschreven als ‘kriskras’ in 1902.

(Nicoline van der Sijs, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen. Veen, Amsterdam / Antwerpen 2002 (tweede druk)

Het begrip achter kriskras (in allerlei richtingen) is misschien graag gezien als je vloeibare activiteiten wil beschrijven, (moleculen bewegen kriskas door elkaar, maar ze kleven nog wel aan elkaar.) maar roep je echter met gesloten ogen een beeld op van een woon-of kinderkamer waar ditzelfde ‘bijwoord van richting’ van toepassing is, dan begrijpt iedereen een zekere onrust die een ordentelijk afsluiten van de dag massief in de weg staat.

Het is dan ook niet het goede moment om het te hebben over de chaostheorie:

De officiële naam binnen de wiskunde is dynamische systemen. Het onderzoekt omstandigheden waarbij deterministische chaos optreedt en welke eigenschappen die heeft. Het begrip chaos heeft hierbij een technische betekenis, te onderscheiden van het losse alledaagse woordgebruik. Deterministische chaos betekent dat de schijnbare wanorde toch exact bepaald is en geordend tot stand komt volgens een algoritme of rekenregel. Bijvoorbeeld een differentiaalvergelijking of recursie. 

Vertaal je dat naar een bekend verhaal dan hoor je één van de duizenden scheppingsverhalen vertellen.

Chaos (Grieks: gapende ruimte). Het grote niets. Een onmetelijke zwarte, lege ruimte zonder begin en zonder eind. Voor de Chaos bestond er niets. De Chaos is het begin van alles, het begin van de tijd en het begin van de wereld. Wel bevat de Chaos de vijf oerelementen waaruit alles later zou ontstaan. De Chaos wordt over het algemeen als onzijdig aangeduid. Ook bekend als de Baaierd. (Historiek 30 okt 2021)
Holland, published 1589 Book: Metamorphoses by Ovid, book 1, plate 1, title page Prints; engravings. (klik op onderschrift om te vergroten)

Hoor je mij voorzichtig pleiten voor een meer ‘chaotisch’ denken? Laten we het als aandacht beschouwen voor het durvend door elkaar mengen van bekende, intussen misschien al bevroren vaststellingen die door een ‘chaotische’ behandeling soms nieuwe vergezichten opleveren, waar naast logica, ook associërend denken niet als tegenstelling maar als aanvulling kan gebruikt worden. Sommigen menen dat associëren een soort ‘kriskras’-denken voorstelt, terwijl bij nader toezien verwijzingen en verbanden ontstaan die in een gewoon logisch denken onzichtbaar blijven, ja onbestaand en zelfs onnodig worden geacht.

Dana-Schutz-Ear-on-fire

Kijk je naar de praktijk van klassieke redenaars dan merk je dat zij associaties gebruiken om hun betoog te kunnen memoriseren. Stel je een huis voor en leg een voorwerp in de gang, een ander op de trappen, enz. Je geheugen gebruikt de voorwerpen om dat deel van je ontwikkeling te kunnen onthouden en te verbinden via het volgende voorwerp. Hier zijn associaties technieken net zoals ze bij brainstorming functioneren. In een gedicht echter dienen ze als kern van de ontwikkeling, is hun verschijnen de stuwing van het poëtisch aanvoelen. Een mooi voorbeeld met een Engels gedicht van Emily Dickinson.

Tell all the truth but tell it slant

Tell all the truth but tell it slant —
Success in CIRCUIT lies
Too bright for our infirm Delight
The Truth's superb surprise
As Lightning to the Children eased
With explanation kind
The Truth must dazzle gradually
                Or every man be blind —

Source: The Poems of Emily Dickinson: Reading Edition (The Belknap Press of Harvard University Press, 1998)

De vertalingen van Michel Klarenbeek en Peter Verstegen:

Zeg heel de Waarheid, maar subtiel

Zeg heel de waarheid, maar subtiel -
Met omslag heeft succes
Te fel is voor ons zwak gezicht
De Waarheid, die subliem verrast
Als bliksem voor het kind verzacht
Met uitleg van een vriend
Zij Waarheid langzaam licht
                Of iedereen wordt blind -

vertaling: Michel Klarenbeek


Zeg heel de Waarheid zijdelings

Zeg heel de Waarheid zijdelings-
Een OMWEG voert naar 't doel-
Te fel is Waarheids grootste schok
Voor ons krank Lustgevoel
Als bliksem rustig uitgelegd
Aan het beangstigde Kind
Moet Waarheid lichten gaandeweg
                 Of anders maakt zij blind.

Vertaling: Peter Verstegen

Zonder dat iemand het wist, heeft ED in een groot landhuis in Amherst, een Amerikaans boerengat, gedichten zitten schrijven. Pas na haar dood vond Lavina, haar zus, in een kersenhouten ladenkast ( "zoals dat hoort", schrijft recensent Tjerk de Reus), maar liefst 1800 (!) gedichten. Tijdens Emily’s leven werden er twee gepubliceerd; en dat ook nog eens tegen haar wil. Wel stuurde ze zo’n 200 gedichten naar anderen, dus haar dichterschap bleef niet geheel onopgemerkt.
Vanwege het enorme aantal verscheen pas in 1955 de eerste complete uitgave van haar werk

Evelien de Nooijer Alting 

https://over-boeken.blogspot.com/2011/08/verzamelde-gedichten-emily-dickinson.html

De waarheid, ja de waarheid: Quid est veritas? horen we Pilatus vertwijfeld vragen. (Joh. 18:37-38)
De associaties van de omweg, de bliksem, het verhaal voor het bange kind.
Die doen de waarheid gaandeweg lichten, om ons niet in één keer blind te maken.
Hoe mooi dit eenvoudig vervlechten van deze enkele beelden om het geleidelijke als enig alternatief zichtbaar te maken.

De chaos van de te felle bliksems.
Het beeld van het bange kind.
Laten we een omweg gebruiken.
Rustig de bliksem uitleggen.
Beetje bij beetje zal de waarheid kunnen lichten zonder te verblinden.

Het kriskras is hier een innerlijk kriskras geworden, een binnenstormen van de wetenschap dat wij dood gaan, elk kind dat we op de wereld zetten ook aan diezelfde dood uitleveren, en …zie en voel je de bliksems in onze donkerste nachten?
Aan het werk kunstenaars, muzikanten, beeldhouwers, wetenschappers, laten we krachten samenbrengen om niet alleen de schrik voor het hevige onweer te kunnen duiden, maar de verhalen te vertellen waarin we elkaar het geleidelijk licht schenken dat ook vriendschap en liefde als naam kan dragen, ondanks ons krank lustgevoel. ’t Was lang genoeg een dooie boel. Naar de ateliers!

Split the Lark — and you'll find the Music —
Bulb after Bulb, in Silver rolled —
Scantilly dealt to the Summer Morning
Saved for your Ear when Lutes be old.

Loose the Flood — you shall find it patent —
Gush after Gush, reserved for you —
Scarlet Experiment! Sceptic Thomas!
Now, do you doubt that your Bird was true?

Op zoek naar vorm en kleur in klei: Doyle Lane (1923-2002)

Doyle Lane Weed Pot circa 1960 Sold for $22.680 Philips Auctions 2021

LOS ANGELES — One afternoon in the early ’90s, the banking consultant Rudy Estrada returned to his mansion in Pasadena, Calif., to find two members of the local sheriff’s department standing over a lightly built African-American man spread-eagled on his front lawn.

Mr. Estrada immediately recognized the man as his friend Doyle Lane, a mild-mannered ceramic artist whom he had known since childhood. Growing up in the 1950s and ’60s in the working-class neighborhood of El Sereno, in East Los Angeles, Mr. Estrada and his schoolfriends used to visit Mr. Lane at his hillside home studio to watch him throwing pots.

Now Mr. Estrada was a collector of Mr. Lane’s work, and Mr. Lane had come to his house to install a tile mural. In this affluent, predominantly white neighborhood, the officers had assumed he was an intruder. (A few months later, Mr. Estrada’s father, who is Hispanic, was similarly harassed.)

Once the sheriffs had departed, Mr. Estrada was astonished to find Mr. Lane apologizing to him. “To this day it bothers me,” he told me recently by phone from his home in San Marino. “He was such a humble man.”

(NY Times Jonathan Griffin July 29, 2020)

Doyle Lane (1925-2002) werd geboren in New Orleans en kwam in 1946 naar Los Angeles. Hij studeerde keramiek aan het East Los Angeles City College en aan de University of Southern California en kreeg tot zijn grote geluk een felbegeerde baan als glazuurtechnicus bij het industriële chemische bedrijf L.H. Butcher, waar hij acht jaar werkte. Daar formuleerde en testte Lane honderden verschillende glazuren en deed zo ervaring en kennis op die maar weinig andere naoorlogse kunstenaar-pottenbakkers bezaten.

Lane heeft de “wietpot” niet uitgevonden, maar hij heeft hem geperfectioneerd. Het was zijn podium. Hij werkte alleen met twee kleine ovens in zijn atelier in El Sereno in Oost-Los Angeles. Een van de grootste hier heeft een bijna tijdloze kwaliteit; het zou archaïsch kunnen zijn, net opgegraven in Peru of China, maar het is ook hedendaags. Het heeft een dubbel glazuur: een licht mat groen onderglazuur en daarbovenop een bros geel glazuur, bijna doorschijnend, dat bladert tijdens het bakproces, waardoor gaten ontstaan die het groen blootleggen. (NY Times 6 juli 2023)

A green underglaze in this Doyle Lane pot (circa 1960-1978) shows through a yellow top glaze where blisters formed.Credit…via David Kordansky Gallery; Photo by Jeff McLane

In mijn documentatie heb ik al jarenlang mooie dingen bewaard van Doyle Lane. De ‘behandeling’ die hij onderging terwijl hij in een witte buitenwijk een keramiektegel installeerde tot de prijs die er momenteel voor zijn werk wordt betaald is al een story op zich.

Net als nu vulden veel van Lane’s collega’s uit het midden van de eeuw hun artistieke inkomen aan met inkomsten uit een ander beroep, zoals lesgeven. Hoewel Lane ook ander werk aannam, zoals het adviseren over glazuren voor lokale keramiekleveranciers, voorzag hij in zijn levensonderhoud door zijn artistieke inspanningen en expertise. Hoewel hij grote opdrachten binnenhaalde, moest Lane vaak creatief nadenken over hoe hij zijn werk kon promoten en verkopen. Hij verkocht op ambachtelijke beurzen en liep rond in chique buurten van Los Angeles of bezocht architectenbureaus, op zoek naar nieuwe klanten.

Zijn toewijding om zich op zijn kunst te richten had ook invloed op de verhalen die hij promootte. In een interview in 1981 zei Lane : “Ik heb nooit de drang gehad om met mijn kunst een sociaal statement te maken. Het is leuk als je dat kunt doen. Sommige kunstenaars die dat soort dingen doen hebben andere inkomsten; ze leven niet alleen van hun kunst.”

The pots are ravishingly seductive. Some are smooth as river rocks; others are cracked or lumpen, like overripe fruit from otherworldly trees. Credit…Rozette Rago for The New York Times

Extreme cracking in this glazed ceramic recasts part of an orange glaze as land masses.Credit…via David Kordansky Gallery; Photo by Jeff McLane
From this seemingly modest beginning, Lane (1925-2002), who was African American, created a dazzling universe of color, shape, texture and proportion. He also made ceramic tile, pendant jewelry, paintings and murals, but the “weed pot" is his signature. Kordansky’s generous display of 100 pots is Lane’s first solo show in New York. It is also a refresher course in close looking, and reminder of the power of form. (New York Times  6 juli 2023)

Bezoek: Doyle Lane: Weed Pots, curated by Ricky Swalow (tot 4 augustus)

https://www.davidkordanskygallery.com/exhibitions/doyle-lane4

The weed pots fascinate as condensed statements of shape and color that are as straightforward as they are sophisticated. They are also expressions of technical ingenuity, an intuitive sense of balance, and careful dedication to the multiple stages of ceramic production. A round, turquoise blue pot with rough-hewn sides and a smooth, dome-like top, for example, synthesizes the earthiness and ethereality that find equal billing in Lane’s work. About the size of a softball, it feels both like an enlarged model of a floral bulb and a hand-held version of a planetary globe, with its glazing simultaneously communicating depth and focusing the eye on the varied surface of the clay. 

(David Kordansky Gallerie)
Doyle Lane David Kordansky Gallery

Naast zijn wietpotten (zo genoemd naar de kleine opening waar slechts plaats is voor één stengel, ze hebben dus niets met marihuana te maken) staat Lane bekend om zijn innovatieve bouwwerken die hij “kleischilderijen” noemt. Deze muurschilderingen hebben, in de woorden van kunstenaar Ricky Swallow, “een meer gezaghebbende aanwezigheid, zowel fysiek als expressief”. De kleischilderijen werden samengesteld uit geglazuurde kleiplakken die onder intense hitte werden aangebracht om variaties in textuur en kleur te creëren (zodat ze buiten konden worden tentoongesteld). Misschien wel het beroemdste voorbeeld bevindt zich nu in de Huntington Library. De muurschildering is 17 voet breed en 8 voet hoog (520cm x 244cm) en is even monumentaal als minutieus onregelmatig. Lane bracht zorgvuldig de unieke kleuren, texturen en lichtinval van elke afzonderlijke tegel naar voren. Zoals James Glisson, voorheen hoofdconservator Amerikaanse kunst van Virginia Steele Scott in het Huntington, schreef: “Lane maakte van elke kleine tegel een abstract schilderij”.

(5 Things to Know About Doyle Lane Philips Auctions)

https://www.phillips.com/article/76362139/5-things-to-know-about-doyle-lane-design-new-york-auction

A mural made by Mr. Lane for the Mutual Savings and Loan Association in Pasadena, Calif., has been restored in a courtyard at the Huntington Library, Art Museum and Botanical Gardens in San Marino.Credit…David Wakely

Doyle Lane’s signature on Mutual Savings and Loan Mural. The Huntington Library, Art Collections, and Botanical Gardens.
"Ik denk dat ik niet goed zou zijn als leraar, want ik denk niet dat er zoveel zijn die de staat van perfectie willen die ik wil," legde Doyle Lane in 1993 uit. "Maar dan zeg ik ook: 'Waarom zou je het doen als je het niet tot in de perfectie doet?'"

The ceramicist Doyle Lane in his home studio, around 1976, in the El Sereno neighborhood of Los Angeles. His pots were as complex as paintings; he also made color-field tile murals and mosaics that observed no delineation between fine art, folk art and design.Credit…Ben Serar (NY Times)

Lane once said that many of his colors did not exist until he figured out how to make them. Their originality is just one way that his weed pots surpassed craft to become art. They form a historical high point that reaches across mediums and cultures. They are period pieces that have outlived their period. (The New York Times )

The Los Angeles-based independent curator jill moniz (she writes her name in lowercase letters), formerly head curator at the California African American Museum, to which Mr. Lane left his archive, suggests that this resourcefulness alone makes him remarkable. “It’s wonderful that he could sell his work and live doing this thing that he loved,” she said. “For a lot of Black artists at the time, that was an almost impossible consideration.”

She has little patience with the patronizing, pitying narrative that is often attached to Mr. Lane, who died alone, without family. “You know — ‘He was alone, poor Doyle Lane,’” she said. “But not poor Doyle Lane! Doyle Lane had a community, he had friends, he had collectors, he had commissions. He lived a full life.” She added, “This is the thing for me that’s so important right now; there is a community of Black makers and thinkers and collectors who were friends with Doyle who supported him, who were interested in him long before he became the purview of white institutionality.” His legacy, she insists, does not need saving by anyone.

(The New York Times, Jonathan Griffin, July 29, 2020)

Doyle Lane
Group of ceramics (12)
Studio
c. 1958-65
Glazed ceramics

Van canon naar praktijk

In Berthen, een klein dorpje in Frans-Vlaanderen, ontmoet Jeroen Meus vier oudere broers die nooit getrouwd zijn en nog steeds samen op de ouderlijke boerderij wonen. De Verbaeres pakken het huishouden aan zoals ze dat geleerd hebben in hun kindertijd. Tussen de soep en de aardappelen geven ze Meus hun unieke kijk op het leven mee. In deze aflevering komen ook de kippen op de boerderij ter sprake, in meer dan één betekenis.

‘De mooiste televisie uit mijn nochtans goed gevuld beeldrijk geheugen. Via DailyMotion vonden we nog enkele afleveringen. Bekijk rustig in groot beeld de tweede aflevering, en als je verder wil, de derde komt gewoon na nummertje twee. Het is dan ook televisie van het allerhoogste gehalte terecht met de prix Europe bekroond. Verwacht geen vervlogen heimwee naar vroegere tijden, integendeel. Actueler dan dit uniek verslag van het alledaagse nu kan haast niet. (Even zijn er enkele seconden zwart na enkele minuten, maar geen nood, de aflevering loopt gewoon verder. (Met dank aan de gene die deze afleveringen op DailyMotion heeft bijgehouden, ook een liefhebber van Blokken zoals blijkt.)

Bovendien is er het beeld, de muziek, het talent van Jeroen en zijn deze vier mannen er. Er zit zoveel meer in hen dan in dit stukje en we kunnen nooit beschrijven wie ze zijn, hoe ze zijn, wat ze zeggen en hoe ze dat zeggen. Etienne op sleffers, Ignace op Nikes en Daniël zie je in de kast op een foto bij zijn fiets: “Het was zo’n prachtige dag toen hij vorig jaar op een ochtend zei dat hij naar Santiago de Compostella vertrok”, zegt Etienne. “En toen hij later terugkeerde, hebben we de klok geluid.”  (De Morgen 4 april 2017)
Aurora Salvador Dali
 
 
Ode aan Salvador Dalí (fragment)
Federico Garcia Lorca

O, Salvador Dalí, met je olijfgroene stem!
Ik zeg wat jouw persoon en schilderijen me zeggen.
Ik prijs niet je onvolmaakte penseel van je jeugd,
maar bezing de trefzekerheid van je pijlen.
 
 Ik bezing je fraai gebruik van het Catalaanse licht,
 je liefde tot wat verklaard kan worden.
Ik bezing je astronomische en tedere hart,
als een Frans kaartspel geschud maar ongewond.
 
Ik bezing de standbeeldenzucht die je onverlet najaagt,
de angst voor emotie die je opwacht op straat.
Ik bezing de kleine sirene van de zee die jou bezingt
op haar rijwiel van koralen en schelpen.
 
Maar vooral bezing ik een gemeenschappelijk denken
dat ons in de donkere, gouden uren verbindt.
Het is niet de kunst die onze ogen verblindt.
Allereerst is het de liefde, de vriendschap, of het schermen.
 
Eerst, voor het schilderij dat je geduldig schetst,
de borst van Teresa, met haar slapeloze huid,
de dikke haardos van de ondankbare Matilde,
staat onze vriendschap geschilderd als een ganzebordspel.
 
Mogen vingerafdrukken van bloed op het goud
het hart van het eeuwige Catalonië doorstralen.
Mogen sterren als valkloze vuisten je verlichten,
terwijl je schilderkunst en je leven floreren.
 
Kijk niet naar de waterklok met vliesdunne vleugels,
noch naar de hardnekkige zeis van de allegorieën.
Kleed en ontkleed steeds je penseel in de lucht,
gekeerd naar de zon vol zeelieden en schepen.
 
1926
vertaling E. de Vries-Boveé

The Disintegration of the Persistence of Memory

"We worden uitgedaagd omdat we geloven dat horloges prachtig gemaakte, precieze mechanische objecten moeten zijn die een betrouwbare en consistente tijd bijhouden, maar hier zien we ze verwelkt en verwrongen - hoe vreselijk om te denken dat je een mooie Patek Philippe ref. 1518 Perpetual Calendar Chronograph  ziet smelten in je eigen dromen! 
Tijd was een concept dat Dalí in 1954 opnieuw zou bekijken in zowel zijn 'Melting Watch' als 'The Disintegration of the Persistence of Memory', maar het is zijn originele werk uit 1931 dat is blijven bestaan als de meest aangrijpende en gedenkwaardige voorstelling van tijd in de kunstgeschiedenis. Misschien is de blijvende aantrekkingskracht van het meest herkenbare schilderij van de meest invloedrijke surrealist toe te schrijven aan de universele relatie die we allemaal delen met tijd - het verstrijken en bijhouden van tijd is natuurlijk iets dat ons allemaal verbindt. "(The Hour Glass  Patek Philippe Geneve  Cultural Perspectives • 16 Mar 2020)

De tijd waarin we samenleven. En de bewondering van de dichter Lorca voor de schilder Dali, -bezing ik een gemeenschappelijk denken dat ons in de donkere, gouden uren verbindt-. Meer nog dan door de kunst door vriendschap. verbonden. Hoe de broers uit ‘Goed Volk’ in hun dagelijkse leven ook filosofisch de tijd in de seizoenen beleven, terwijl de dure horloges hier met naam genoemd zeker de zorg voor de tijd willen doorgeven maar vooral een waarborg voor de (financiële) status van de nieuwe bezitter moeten zijn.

Naast kinderen zijn dieren een geliefkoosd onderwerp in de publiciteit. Je weet wat je moet doen als je je eenzaam voelt. De verbinding (generation) blijkt net zo belangrijk.

Filosofe Martha Nussbaum stelde een lijst op met tien universele vermogens waarover elk mens zou moeten beschikken. Is het een ambitieus plan voor sociale groei, of een wilde utopische fantasie?
De lijst verscheen voor het eerst in haar in 2000 verschenen ‘Women and Human Development’. Hij wordt uitvoeriger vermeld in ‘Gerechtigheid voor dieren’. ‘De 10 centrale menselijke vermogens zijn, in verkorte versie:

  1. leven en levensduur – in staat zijn een leven van normale lengte te leiden.
  2. lichamelijke gezondheid – in staat zijn een goede gezondheid te hebben, met adequate voeding en huisvesting.
  3. lichamelijk integriteit – in staat zijn vrij te bewegen, te leven zonder geweld.
  4. zintuigen, voorstellingsvermogen en gedachten – in staat zijn deze te gebruiken, in te zetten, onderwijs te genieten.
  5. emoties – in staat zijn te kunnen hechten aan dingen en mensen.
  6. praktische rede – in staat zijn tot een voorstelling van het goede en kritische reflectie over de eigen levensplanning.
  7. erbij horen – in staat zijn met anderen te leven en deel te nemen aan sociale interactie, en met waardigheid behandeld worden.
  8. andere wezens – in staat zijn met dieren, planten, natuur te leven en ervoor te zorgen.
  9. spelen – in staat zijn te lachen, spelen, recreëren.
  10. controle over je omgeving – in staat zijn tot politieke participatie, arbeid en bezit.

(uit: Social Research & Journalism)

Canon van kip en collega’s (2)

Het is niet zo maar een vertederend ‘Gifje’ dat zich eindeloos blijft herhalen, maar het hoort bij mijn verste herinneringen. Kippen herkennen niet alleen wel dertig soortgenoten, ze herkennen ook heel duidelijk mensen, en ze drukken op hun manier hun voorkeur uit. En ‘hun’ manier verschilt niet zo veel van de onze.

Kippen worden al heel lang ingezet bij onderzoek naar de cognitieve vaardigheden van dieren,’ zegt Blatchford. Zo toonden onderzoekers aan dat kippen wel dertig individuele soortgenoten herkennen, en dat kuikens niet meer dan 24 tot 36 uur nodig hebben om het uiterlijk van hun moeder in te prenten.

Uit een studie bleek ook dat kuikens de afdruk van een rode driehoek konden onthouden, zelfs wanneer die driehoek gedeeltelijk was afgedekt. Dat wijst erop dat de vogels het plaatje zelf correct weten in te vullen. Daarnaast kunnen kippen gezichten van mensen herkennen en onderscheiden – en geven daarbij klaarblijkelijk de voorkeur aan mensen met symmetrische gezichten. Mensen die wij als 'mooi' aanduiden.

Uit een onderzoek uit 2002 kwam naar voren dat kippen een mensengezicht beoordelen op dezelfde criteria als mensen. Hoewel vervolgonderzoek meer duidelijkheid moet verschaffen, vermoeden wetenschappers dat wederzijdse aantrekkingskracht op basis van symmetrie ligt verankerd in het zenuwstelsel en dus niet zozeer wordt bepaald door culturele invloeden. (National Geographic 2023)

De eerste vier dagen blijven de kuikens dicht bij hun moeder. Zo blijven ze warm en krijgen ze bescherming. Als het gaat regenen, schuilen de kuikens onder de vleugels van de hen. De kuikens leren van hun moeder een stofbad te nemen en op stok te gaan. Ook laat de hen zien hoe de kuikens moeten reageren bij gevaar. Ze heeft meer dan 20 verschillende geluiden waarmee ze onder andere kan aangeven of er gevaar is en of dit gevaar uit de lucht of over de grond komt. De kuikens leren door spelgedrag ook van elkaar. Waarschijnlijk leren ze op die manier hoe ze bijvoorbeeld moeten reageren op agressie.

Als de kuikens ouder worden durven ze steeds verder van hun moeder weg te lopen. Na 6 weken lopen ze al tot 20 meter afstand van hun moeder. Vanaf deze leeftijd vormen de kuikens ook een hiërarchie, door te hoppen (ergens naar toe springen), dreigen (gestrekt rechtop staan met de kop boven een ander), springen, trappen en agressief pikken wordt de dominantie bepaald. Na 8 tot 10 weken gaan de kuikens zelfstandig op zoek naar eten, maar ze blijven nog in de buurt van hun moeder en broertjes en zusjes. Als de kuikens 18 weken oud zijn, sluiten ze aan bij de rest van de groep. (Ongehoord Het leven van een vleeskuiken )

Toch bestaat ook dit nog in eigen land:

Martha C. Nussbaum, in dit blog hebben we haar voornaamste filosofische werken telkens weer belicht, opent haar nieuwste boek ‘Gerechtigheid voor dieren’Onze collectieve verantwoordelijkheid– met :

“Dieren zitten wereldwijd in de problemen. Onze wereld wordt overal overheerst door mensen: op het land, in de zeeën en in de lucht. Geen enkel niet-menselijk dier ontsnapt aan de menselijke overheersing. Veelal brengt die overheersing dieren onrechtmatig letsel toe door de barbaarse wreedheden van de bio-industrie, door stroperij en jacht, door de vernietiging van habitats, door vervuiling van licht en zeeën of door verwaarlozing van de gezelschapsdieren waarvan mensen zeggen te houden.

Hoe zorgen wij ervoor dat niet alleen mensen maar ook dieren een volwaardig, zelfgekozen, soort-specifiek leven kunnen leiden? En hoe kunnen wij die plichten en rechten in onze grondwetten en internationale verdragen een plek geven? “

Cijfers leren dat onze invloed op de natuur buitenproportioneel groot is. Van de totale hoeveelheid biomassa op aarde is meer dan 99 procent afkomstig van planten, bomen, bacteriën, microben en virussen. Slechts 0,4 procent is afkomstig van dieren, waar insecten, vissen, anemonen, schaal- en schelpdieren en wormen het grootste deel van uitmaken. De mens draagt slechts 0,01 procent bij aan de totale biomassa, 2,5 procent van de bijdrage van dieren, terwijl de totale biomassa van de ‘productiedieren’ die de moderne mens houdt om in zijn levensbehoefte te voorzien met een bijdrage van vier procent aan de dierlijke biomassa bijna twee keer zo groot is. 

(Ewald Engelen  in 'De Groene Amsterdammer 7 juni 2023, bespreking van het genoemde boek)

De mens is weliswaar een veertje op de weegschaal van de natuur, tegelijk is de menselijke hand overal zichtbaar en voelbaar. Alles is in kaart gebracht, gewogen, gemeten, beprijsd, ingekaderd, omheind, in bezit genomen, doorsneden, afgeschermd en met geweld onderworpen aan onze behoeftes en wensen. En dus resteert er nauwelijks meer vrije ruimte waarin dieren hun natuurlijke gedrag kunnen vertonen. Massaal worden ze afgeschoten, opgesloten, verminkt en geslacht om al onze wensen te bevredigen.

En als we ze niet bewust doden, dan doen we dat onbewust en onbedoeld, door hun foerageergebieden te gebruiken voor geïndustrialiseerde landbouw, door hun waterplekken leeg te pompen of te vervuilen met plastic en chemicaliën, hun leefgebieden vol te bouwen of te vernietigen, het luchtruim te doorklieven met kabels, ballonnen en vliegtuigen. Of door pure achteloosheid: ontelbaar is het aantal dieren dat dagelijks stikt of omkomt van honger doordat het ons verpakkingsmateriaal heeft ingeslikt of verstrikt is geraakt in het afval dat wij laten rondslingeren.

(Ibidem Ewald Engelen–De Groene Amsterdammer)

En dan zijn er de bedoelde gruwelijkheden van de farmaceutische en cosmetische industrie waarin jaarlijks tientallen miljoenen ratten, muizen, vissen, honden, katten, apen en varkens een pijnlijke dood sterven. Duitse cijfers leren dat er in Duitsland alleen al jaarlijks rond de zeven miljoen dieren worden gebruikt voor medicijntesten. Ook de coronavaccins hebben een spoor van verwoeste dierenlevens achtergelaten, ruim 61.000 in Duitsland alleen al, terwijl bij de productie van Chinese en Amerikaanse vaccins het bloed van honderdduizenden degenkrabben is gebruikt.

Om maar te zwijgen van de bijna 27 miljard koeien, varkens, schapen en kippen die korte, akelige levens leiden in kerkerachtige schuren en stallen, om na een uren- of dagenlang transport per schip, trein of vrachtwagen te eindigen in al van veraf naar de dood riekende slachthuizen, waar ze worden vergast, doodgeschoten of waar met de slachthamer hun schedel wordt ingeslagen, om uiteindelijk, na op mechanische wijze gekookt, ontveld en gedemonteerd te zijn, als kotelet, kippendij of biefstuk in het schap van de lokale supermarkt te eindigen. Inclusief vissen, garnalen en schelpen nuttigt de mens drie miljard dieren per dag(!).

Het is de achteloosheid van deze industriële gruwelijkheid die voor Nussbaum de echte morele steen des aanstoots is. (Ibidem)

De aanleiding om het boek te schrijven was de dood van haar eigen dochter, Rachel, een hartstochtelijk dierenrechtactivist die op 47jarige leeftijd overleed. Ze heeft het boek aan haar opgedragen. ‘Zo lang als ik nog te leven heb’, schrijft de nu 76-jarige Nussbaum, ‘zal ik de schittering in haar groene ogen en haar subversieve glimlach blijven zien. Het contrast tussen ons kon niet groter zijn. Ik met mijn blonde krullen; zij met haar zwarte crew cut; ik met mijn keurige kleurige dameskleding; zij met haar zwarte broekpakken. En toch klopten onze harten met dezelfde passie.’

Die passie betrof het morele appèl dat voortvloeit uit het besef dat wat wij, zelf geboren uit verwondering en medelijden, dieren aandoen op geen enkele wijze strookt met ons morele zelfbeeld: vreedzaam en redelijk dénken wij te zijn, wreed en harteloos is wat we werkelijk zijn.

We zullen later, na intense lectuur zeker op het boek terugkomen. Voor deze bijdrage maakten we o.a. gebruik van het heldere verslag van Ewald Engelen in ‘De Groene Amsterdammer’. (7 juni 2023) Abonnement op de Groene is ten zeerste aangeraden! Het boek ‘Gerechtigheid voor dieren’ Onze collectieve verantwoordelijkheid is uitgegeven door Querido Facto. (32,50 euro)

De canon van de kip (1)

Haar verhaal, verteld tussen Canetti en Camus, beschreef de geschiedenis van haar familie in de ruimste zin van het woord. Zij nam mij mee naar de geschiedenis van de kippenfamilie. We liepen tussen de eieren die in de Egyptische tempels hingen om de vruchtbaarheid van de overvloedige riviervloed te garanderen, en hoorden in het oude Perzië de heilige haan kraaien om als een goedaardige geest bij zonsopgang het keerpunt aan te duiden in de kosmische strijd tussen duisternis en licht. Kippen vergezelden Romeinse legers en hun gedrag werd zorgvuldig geobserveerd voor de strijd; een goede eetlust betekende dat de overwinning waarschijnlijk was. Volgens de geschriften van Cicero gooide een boze consul ze overboord toen een groep vogels weigerde te eten voor een zeeslag in 249 voor Christus. De geschiedenis vermeldt dat hij werd verslagen.

Joan Miro De Haan 1939

‘We hebben zelfs een plaats in het evangelie gekregen,’ ‘verklaarde zij met een passende vrome fierheid in haar zachte stem. ‘Matteüs 23:37 bevat een passage waarin Jezus zijn zorg voor de mensen van Jeruzalem vergelijkt met een kip die voor haar kroost zorgt. Als dit beeld was doorgedrongen had het de loop van de geschiedenis de christelijke iconografie grondig kunnen veranderen, die het nu met ‘de Goede Herder’ moest doen.’

Mijn tussenkomst dat Petrus de Heer zou verraden voordat de haan drie keer zou kraaien, viel niet in goede aarde.

'In de negende eeuw verordonneerde paus Nicolaas I dat op elke kerk een haan moest worden geplaatst als herinnering aan het incident - Er wordt niet geïmpliceerd dat de haan iets anders deed dan het verstrijken van de uren markeren, maar zelfs deze tweedehands associatie met verraad heeft de zaak van de kip in de westerse cultuur waarschijnlijk niet vooruit geholpen. In het hedendaagse Amerikaanse gebruik wordt "kip" geassocieerd met lafheid, neurotische angst ("De hemel valt!") en ineffectieve paniek ("rondrennen als een kip zonder kop”). Dit als aanvulling.  Eerlijk is eerlijk.
Pablo Picasso De Haan

‘Maar helaas, daar waar ze nog steeds beoefend worden, legaal of illegaal, zijn hanengevechten de oudste nog bestaande sport ter wereld. Artistieke afbeeldingen van hanengevechten zijn verspreid over de hele Oude Wereld, zoals in een mozaïek uit de eerste eeuw na Christus die een huis in Pompeii siert. De oude Griekse stad Pergamum bouwde een amfitheater voor hanengevechten om toekomstige generaties soldaten ‘moed’ bij te brengen. Inhumaan. Mag ik even attenderen dat het hier om mannen gaat? Duidelijk?’

(Roman art: cockfighting. Mosaic from Pompei. 4th style. Museo Archeologico Nazionale, Naples)

‘Laten we nog verder teruggaan in de geschiedenis. De vroegste fossiele botten waarvan is vastgesteld dat ze mogelijk van kippen zijn, komen voor op vindplaatsen in het noordoosten van China en dateren van rond 5400 voor Christus, maar de wilde voorouders van de vogels hebben nooit in die koude, droge vlakten geleefd. Dus als het echt kippenbotten zijn, moeten ze ergens anders vandaan komen, waarschijnlijk uit Zuidoost-Azië. De wilde voorouder van de kip is het rode oerwoud-hoen, Gallus gallus, volgens een theorie van Charles Darwin die onlangs door DNA-analyse is bevestigd. De gelijkenis van de vogel met moderne kippen wor duidelijk in de rode lellen en kam van het mannetje, de sporen waarmee hij vecht en zijn kukeleku-paringsroep. De donkerkleurige vrouwtjes broeden eieren en kakelen net als kippen op het boerenerf. In zijn leefgebied, dat zich uitstrekt van Noordoost-India tot de Filipijnen, snuffelt G. gallus op de bosbodem naar insecten, zaden en fruit en vliegt ’s nachts omhoog om in de bomen te nestelen. Dat is ongeveer het ‘vliegen’ dat hij aankan, een eigenschap die inderdaad aantrekkelijk was voor mensen die hem wilden vangen en grootbrengen. Het zou later helpen om de kip geliefd te maken bij de Afrikanen, wiens inheemse parelhoenders de vervelende gewoonte hadden het bos in te vliegen als de geest hen bewoog.’

‘Maar in 2004 produceerde een internationaal team van genetici een volledige kaart van het kippengenoom. De kip was het eerste gedomesticeerde dier, de eerste vogel – en dus de eerste afstammeling van de dinosauriërs – en daarmee geëerd. De genoomkaart bood een uitstekende gelegenheid om te bestuderen hoe millennia van domesticatie een soort kunnen veranderen. In een project onder leiding van de Zweedse Uppsala Universiteit hebben Zody en zijn collega’s onderzoek gedaan naar de verschillen tussen het rode oerwoudhoen en zijn nakomelingen op het boerenerf, waaronder wij, “leghennen” (rassen die worden gefokt om enorme hoeveelheden eieren te produceren) en “vleeskuikens” (rassen die mollig en vlezig zijn). De onderzoekers vonden belangrijke mutaties in een gen met de naam TBC1D1, dat het glucosemetabolisme regelt. In het menselijk genoom zijn mutaties in dit gen in verband gebracht met obesitas, maar het is een positieve eigenschap in een dier dat bestemd is voor de eettafel. (Jaja, ik citeer letterlijk!) Een andere mutatie die het gevolg is van selectief fokken, is in het TSHR-gen (thyroïd-stimulerend hormoon receptor). Bij wilde dieren coördineert dit gen de voortplanting met de daglengte, waardoor het fokken beperkt blijft tot specifieke seizoenen. De mutatie die dit gen uitschakelt, stelt kippen in staat om het hele jaar door te broeden en eieren te leggen.

Feeding the chickens – (Walter Frederick Osborne) 1885

‘Archeologen hebben kippenbotten gevonden in Lothal, ooit een grote havenstad aan de westkust van India, waardoor de mogelijkheid bestaat dat de vogels als vracht of proviand naar het Arabisch schiereiland werden vervoerd. Rond 2000 voor Christus verwijzen spijkerschrift-tabletten uit Mesopotamië naar “de vogel van Meluhha”, de waarschijnlijke plaatsnaam voor de Indus vallei. Dat kan wel of niet een kip zijn geweest; professor Piotr Steinkeller, een specialist in oude teksten uit het Nabije Oosten aan Harvard, zegt dat het zeker “een exotische vogel was, onbekend in Mesopotamië”. Hij gelooft dat verwijzingen naar de “koninklijke vogel van Meluhha” – een uitdrukking die drie eeuwen later in teksten opduikt – waarschijnlijk verwijzen naar de kip. Kippen arriveerden zo’n 250 jaar later in Egypte, als vechtvogels en toevoegingen aan exotische menagerieën. Artistieke afbeeldingen van de vogel sierden koninklijke graven. Toch zou het nog 1000 jaar duren voordat de vogel een populair product werd onder de gewone Egyptenaren. De Egyptenaren beheersten de techniek van kunstmatige incubatie, waardoor kippen hun tijd beter zouden kunnen gebruiken door meer eieren te leggen. -Ja hoor, letterlijk geciteerd!- Dit was geen gemakkelijke zaak. De meeste kippeneieren komen na drie weken uit, maar alleen als de temperatuur op ongeveer 99 tot 105 graden Fahrenheit (37,22°-40,50° Celsius) constant wordt gehouden en de relatieve luchtvochtigheid dicht bij 55 procent blijft, die in de laatste paar dagen van het broeden toeneemt. De eieren moeten ook drie tot vijf keer per dag worden omgedraaid om te voorkomen dat de inhoud misvormd raakt. De Egyptenaren bouwden enorme incubatiecomplexen die uit honderden “ovens” bestonden. Elke oven was een grote kamer die verbonden was met een reeks gangen en ventilatieopeningen waarmee de verzorgers de hitte konden regelen van de vuren die gestookt werden met stro en kamelenmest. De eierwachten hielden hun methoden eeuwenlang geheim voor buitenstaanders.

De Egyptische Fayoumi kippen.

Rond de Middellandse Zee hebben archeologische opgravingen kippenbotten uit ongeveer 800 voor Christus gevonden. Kippen waren een delicatesse bij de Romeinen, die culinaire innovaties als de omelet en het vullen van vogels voor het koken introduceerden, hoewel hun recepten meer naar gepureerde kippenhersenen neigden dan naar broodkruimels. Boeren begonnen methodes te ontwikkelen om de vogels vet te mesten. Sommigen gebruikten tarwebrood gedrenkt in wijn, terwijl anderen het hielden bij een mengsel van komijnzaad, gerst en hagedissen-vet. Op een gegeven moment verboden de autoriteiten deze praktijken. Uit bezorgdheid over het morele verval en het nastreven van buitensporige luxe in de Romeinse Republiek, beperkte een wet in 161 v. Chr. de consumptie van kip tot één per maaltijd – waarschijnlijk voor de hele tafel, niet per individu – en dat alleen als de vogel niet overvoed was. De praktische Romeinse koks ontdekten al snel dat het castreren van hanen ervoor zorgde dat ze vanzelf vet werden, en zo werd het wezen geboren dat wij kennen als de kapoen.

Kapoenen in Hainan, China

‘Maar de status van de kip in Europa lijkt te zijn afgenomen met de ineenstorting van Rome. “Het gaat allemaal bergafwaarts,” zegt Kevin MacDonald, professor in de archeologie aan het University College in Londen. “In de post-Romeinse periode keerde de omvang van kippen terug naar wat ze was in de ijzertijd,” meer dan 1000 jaar eerder. Hij speculeert dat de grote, georganiseerde boerderijen uit de Romeinse tijd – die wel geschikt waren om veel kippen te voeden en te beschermen tegen roofdieren – grotendeels verdwenen waren. Naarmate de eeuwen verstreken, werden de middeleeuwse tafels gesierd door hardere hoenders zoals ganzen en patrijzen.

Stilleven van David Rijckaert met opgediende kapoen (ca. 1616)

Volgende aflevering het droevige vervolg zoals al blijkt uit dit fragment:

‘ Er is minder dan twee pond voer nodig om één pond kip (levend gewicht) te produceren, minder dan de helft van de verhouding voer/gewicht in 1945. Ter vergelijking: er is ongeveer zeven pond voer nodig om een pond rundvlees te produceren, terwijl er meer dan drie pond nodig is voor een pond varkensvlees. Gary Balducci, een pluimveehouder van de derde generatie in Edgecomb, Maine, kan een eendagskuiken in zes weken omtoveren tot een vleeskuiken van vijf pond, de helft van de tijd die zijn grootvader nodig had. Vernederend, is het juiste woord.’

Haan en 7 kippen kunstwerk van Clara M. Bastian zie: https://www.kunst.nl/kunst/haan-en-7-kippen-4028786/

We gebruikten en vertaalden delen van ‘How the Chicken Conquered the World’ van Jerry Adler en Andrew Lawler. June 2012 Smithsonian MAGAZINE

https://www.smithsonianmag.com/history/how-the-chicken-conquered-the-world-87583657/

Lees ook:

Teruggevonden liedjes

Foto door Brett Sayles

Een liedje zou ik heel graag zingen
zonder gods lof of 's konings macht te verkondigen.

Zelfs liefdeszucht of onvervuld verlangen
hoort niet thuis in mijn zingend oud hart.

Ik zing een liedje
zoals kinderen hun vliegers oplaten.

Uit liefde voor de lucht.

Foto door Pixabay

We zouden ons bekeren,
de liefde demonstreren, woestijnen irrigeren,
of voor het vaderland
brood en beleg ontberen.

We zouden u adviseren,
uw goedheid te cultiveren, uw driften te couperen,
of voor het latere leven
goed uw les te leren.

We zouden zeker sterk ageren,
tegen onrecht protesteren, de massa’ s alarmeren,
of wie onwetend is
dringend alfabetiseren.

We zouden ons analyseren,
onze fouten annuleren, op wilskracht appeleren,
en voor de nieuwe mens
heel krachtig applaudisseren.

We zouden ons verweren,
onszelf bekritiseren, problemen bestuderen,
en dag na dag
het kwaad in ons bezweren.

Wij zouden nooit capituleren,
elke storm trotseren, onze ikzucht camoufleren,
of voor de zieke mensen
geld en goederen collecteren.

We zouden tirannen contesteren,
een vredeslied componeren, onze roddels controleren,
en voor elke goede zaak
ons honderd procent engageren.

Maar...

Maar het regende, en om goed te functioneren,
succes te garanderen, onszelf te humaniseren
waren wij te moe
en lagen wij de godganse dag in bed te fantaseren.

Luister naar het opkomend onweer en herinner je.

‘Tellen!’
Een kreet na het hevige bliksemlicht. Tot wanneer het gedonder begon.
‘Nog 12 kilometer!’.
Het bleef stil tot de kamer opnieuw een onderdeel van een seconde overbelicht was.
‘Negen!’
‘Niemand nog een schaar of een mes aanraken!’
‘Vier!’
Met de ‘vier’ rolde een dondertrein de kamer binnen.
‘Rustig!’
Wij zaten al onder de tafel.
‘Denk je dat er een vuurbol binnen kan langs de schoorsteen?’
Vuurbollen waren ‘het’ onderwerp bij naderend onweer.
‘Jaja, bij Van Peregem was het prijs vorig jaar. Een reusachtige vuurbol rolde rond de tafel en gelukkig dat Jos de deur kon open stampen of de vuurbol had het huis in de fik gezet.’
Kreeg moe-moe Theresia dit verhaal te horen dan zuchtte ze diep, schudde haar wijze hoofd:
‘De tijd van paternosters en palmtakjes met wijwater is voorbij! Onweer is weer als een ander. Ge moet dat durven bekijken!’
Logeerden wij er tijdens de augustusmaand, dan was een onweer een publieke vertoning.
Ze schoof met een fikse beweging de grote overgordijnen opzij, riep dat iedereen een stoel moest meebrengen en daar zaten we op één rij en riepen we luidop wat we zagen.
‘Als dat niet mooi is, wat dan wel?’
‘Dat is tekenen met heel veel licht op de wolken, moe-moe.’
‘Mooi gezegd, kleine, maar morgen gaan we naar de bibliotheek en dan zoeken we een boek waarin we alles over onweer te weten komen.’
De kreet ‘naar de bibliotheek’ klonk telkens luidop als we serieus van mening verschilden en tenslotte ruzie gingen maken door onze onwetendheid.
Als het nu onweert hoor ik haar lachen zoals ze lachte als we toch nog onder de tafel wilden wegkruipen.
En hoe goed we het na ‘de bibliotheek’ ook begrepen, het bleef een indrukwekkend schouwspel. Ik heb haar handen ook wel eens zien beven bij een alles verdovende ratelslag. Maar zag ze dan mij in de deuropening staan dan klonk zonder aarzeling het bevel: Open met die gordijnen, we gaan samen gezellig bliksem kijken!’

Foto door Frank Cone






Een bloem, een oud wiegeliedje

'Waarom kunnen bloemen niet vliegen, papa?' '
'De lucht is voor vogels, de aarde voor bloemen. 
Slaap, mijn kind.'

'In mijn land groeien er vogels op steeltjes
en vliegen bloemen op vleugels in de avondlucht.
Kom je mee, papa?'

'Eén bloem vliegt met het donker naar de hemel
en wordt er avondster.
Als eerste bloeit ze open en dooft als de morgen
 zijn vingers door de horizon steekt.
Slaap, mijn kind.'

'Domme papa,
alle bloemen verkleden zich 's nachts als sterren.
De vogels pikken ze los
en laten ze 's morgens weer op aarde vallen.
Kom je mee, papa?'

'Slaap, mijn kind.
Jij bent mijn bloem.
De donkere hemel wacht op jou.'

(voor ons kind dat dit jaar vijftig wordt)

Foto door Sindre Fs

Als je het hebt over donder, onweer, storm en regen, ben je bij dit nummer dus aan het verkeerde adres. Rustige muziek die eerder klinkt als stilte voor de storm. Het moment dat je voelt de bui zo kan losbarsten, de donder in de lucht hangt, het moment dat je hoort dat het harder gaat waaien, de eerste regendruppels tegen het raam aantikken en de lucht langzaam donker wordt. Op dat moment stel ik mij deze band voor, die langzamerhand de stilte opvult.  En als dan de klanken wegsterven, begint het te regenen en te waaien. Hoor ik daar de eerste onweersslag?  (Marcel Klein  in Ondergewaardeerde liedjes)

Ga naar: https://ondergewaardeerdeliedjes.nl/2019/09/23/de-onweer-battle/

Foto door Etha

Een gevleugelde ontmoeting

Hans Thoma Kippen voederen. 1870 Neue Pinakothek

Voor ik mij naar het flamboyante werk van kunstenaar Koen Vanmechelen wil begeven, zal ik mijn ontmoeting met een merkwaardig wezen van zijn oorspronkelijke belangstelling niet verzwijgen, al zouden mijn herinneringen best door de aanhoudende hitte enigszins kunnen beïnvloed zijn en zou ook de gevorderde leeftijd het waarheidsgehalte hebben aangetast. Anderzijds is de vertrouwdheid met haar wezen al op vrij jonge leeftijd gedocumenteerd.

eigen foto

Dat de gevorderde versie van dit joch zich graag met dit gevogelte bleef omringen maakt de ontmoeting die ik wil verhalen geloofwaardiger, al moet ik de lezer(es) waarschuwen dat de beschrijving ervan de tochtgaten van het verleden met eigen herinneringen heeft opgevuld. In de rurale omgeving is het inderdaad best mogelijk dat één van de aanwezige kippen haar beperkte vliegcapaciteiten gebruikte om aan het geopende raam van mijn werkkamer te verschijnen. Iedere soort kent haar durvers en nieuwsgierigen. Haar openingszin echter is tot op de dag van vandaag helder en duidelijk blijven nazinderen:

ortrait of the Chicken as a Young Cockerel is a painting by Lesley Spanos

‘Wij hebben nog voor John gewerkt.  John Irving.  Wel?’ 
Er zijn dagen dat niets of niemand je verbaast.  Te warm, te hectisch.  Gewoon ‘te’.
‘Dat is nu toch al een frisse jongen van eenentachtig.’
Alsof ik elke dag met een kip Amerikaanse letterkunde zou bespreken.
‘Ik bedoel maar, verwar ons niet met de eerste de beste leghen, ook al zijn wij, New Hampshire kippen, eerder een symbool van de stevige no nonsens-kip.  Brede bouw, diepe borst, bruinrode ogen, getooide kop met een enkele kam. Niet te veel tralala rond de kippenkont.  Niet zo rustig en tam als de veel gezochte Barnevelders maar net zo sociaal als een fel geprezen Bielefelder en toch ietsje meer présence dan de Welsumer.’ die het van zijn tamheid moet hebben.’

‘New Hampshire,’ probeerde ik terwijl de kip zich tussen de boeken van Elias Canetti en Albert Camus had neergezet.
Ik las luidop het resultaat van mijn zoektocht op het scherm:


‘De New Hampshire kip is een erg vitaal ras dat geen extra verzorging nodig heeft. New Hampshire kippen hebben niet veel ruimte nodig en voelen zich overal thuis. Dit maakt ze ideaal voor in de stadstuin. Ze kunnen zowel in de vrije uitloop als in de ren gehouden worden.Hun prachtige karakter dat rustig, betrouwbaar en ontzettend lief is, maakt ze uiterst geschikt voor beginners en kinderen.’

‘Voor beginners en kinderen’, herlas ik nog eens bij wijze van geruststelling.
‘Weet je dat John ook een kinderboek heeft geschreven:  ‘Een geluid alsof iemand geen geluid  wil maken’? ‘A  Sound Like Someone Trying Not To Make a Sound’.
Dat wist ik niet.
‘Hij weet hoe je met een kip kunt spreken.  Je denkt bijna luidop en dan klinkt het net alsof  het niet is uitgesproken maar toch werd gehoord. Zoals geluiden ’s nachts.  Het zijn misschien muizen tussen muren, maar je moet niet te bang zijn, want wat je hoort klinkt alsof het er niet is.  Begrijp je?’
Ik knikte.
‘Maar jij bent er. Alles goed met jou?’
‘Niet op letten, ik zit zit wat krap tussen Camus en Canetti. Ik kom wel eens terug als het niet zo warm is. ‘
Ze sprong vrij sierlijk op de raamrand.  
‘A sound like someone trying not to make a sound.’ zei ze.   Met de New Hampshire kleur in elke oe- en ai-klank. En daarna, in het mooiste helderste Amerikaans-Engels,  een zin uit ‘de wereld volgens Garp’, John’s boek dat zich bliksemsnel over de hele beschaafde wereld verspreidde: ‘Imaging something is better than remembering something.’  

‘De rol van een haan in een kippencollectie is zwaar overtrokken,’ was de openingszin waarmee zij mij enkele dagen later begroette. Ik had Canetti en Camus een beetje meer uit elkaar geschoven en van ‘History of Art’ een zitje gemaakt zodat zij zich gezellig kon neervlijen. Of ik een bezem had? En of ik hem dan tussen Canetti en Camus wou leggen. ‘Een kip zit graag op stok.
Wilt u kuikentjes?’
Ik legde haar uit dat ik maar tijdelijk deze kamer betrok, ja dat ik zelfs hier bij vrienden logeerde om in deze landelijke omgeving aan een boek te kunnen werken.
‘Zonder haan geen kuikentjes, dat wilde ik duidelijk maken.’
‘Misschien is het wel spannend, zo’n haan,’ probeerde ik.
‘Hij slooft zich graag uit, dat is waar. Denkt dat hij op de uitkijk moet staan, en ons bij gevaar moet waarschuwen.’
‘Dat klinkt erg nobel, niet?’
‘Het is een natuurlijke reflex. Er is nu eenmaal een pikorde in het hok. Wij laten hem dus graag in de waan dat hij het voor het zeggen heeft. Maar eerlijk: hij is galant, komt ons vertellen waar we eten kunnen vinden of schaduw, waar we onze eieren kunnen leggen zodat enkele hennen niet meer zelfstandig kunnen denken, en zich graag tegen hem aanschurken. Mensen beweren dat een haan in het hoenderhok het rendement verhoogt. Rendement. Een verschrikkelijk woord. Zou u niet over ‘rendement’ kunnen schrijven? Ik heb er lang over nagedacht toen we werden opgehokt omdat er vogelgriep rondwaarde. Het is tenslotte de verhouding tussen opbrengst en inleg. De haan die voor rust zou zorgen is de inleg, de rustige kippen die daardoor meer eieren produceren, de opbrengst. Return on investement, afgekort ROI, het Franse woord voor koning. Niet de haan is hier de baas, maar het rendement. Het rendement heerst over ons allen. En beste, hoe is het met jouw rendement? Wie gaat er geloof hechten aan een stuk of een boek over een pratende kip? Een kip met een roeping?’

Volgende afleveringen zullen ten gepaste tijde in dit blog verschijnen.  Wees dus voorzichtig met kippen.  Behandel ze met de nodige eerbied en waardering.  Net zoals wij nemen zij de omringende wereld waar. De Duits-Britse schrijver W.G. Sebald (1944-2001) wiens werk vooral de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust omvat, schreef  in ‘Duizelingen’:

‘Op een gegeven moment vielen me midden in een groen veld een paar kippen op die zich, hoewel de regen nog helemaal niet zo lang geleden was opgehouden, een naar mijn idee voor die kleine witte beestjes enorm stuk hadden verwijderd van de boerderij waar ze thuishoorden. Om een reden die ik nog steeds niet helemaal kan begrijpen heeft de aanblik van dat groepje kippen dat zich zo ver het vrije veld in had gewaagd, mij zeer geraakt. Ik weet hoe dan ook niet wat het aan bepaalde dingen of wezens is dat mij soms zo ontroert.’

(Nieuwsgierig naar W.G. Sebald?  Lees zijn prachtig boek ‘Austerlitz’.)

‘Cautiously Optistic’ (or Chicken|Man) Ron Mueck

Over je eigen schaduw springen

Marisa Röesset Velasco Autorretrato tumbada en el suelo 1927 (Zelfportret, liggend op de grond)

Hij is er. Levenslang. De eigen schaduw. Hij houdt gelijke tred. Sommige kunstenaars denken dat ze hem van zich af kunnen schrijven, of hem als schilder of beeldend kunstenaar uit hun atelier kunnen jagen. Dat kan mooi werk opleveren. Maar zijn ze eenmaal bevrijd -denken zij- dan loopt hij, de volgende dag, toch weer met hen mee op weg naar de kroeg, of een beetje zwijmelend huiswaarts. Vooruit dan maar, zeggen zij. Wij zijn tenslotte wie wij zijn. (Iets met ouders of grootouders kan al veel verklaren, en is best te gebruiken in die durvende roman.)

Over je eigen schaduw heen springen is iets wat in werkelijkheid niet mogelijk is. Wie dat in figuurlijke zin toch doet, doet dus iets wat onmogelijk geacht wordt, en dus heel bijzonder is. (Genootschap Onze Taal)

De uitdrukking is in het Nederlands aan het einde van de twintigste eeuw in gebruik gekomen. In NRC Handelsblad wordt in 1993 gesproken van “proberen over onze schaduw heen te springen”. Hoogstwaarschijnlijk is het een vertaling van een Duitse uitdrukking: über seinen Schatten springen. De uitdrukking is waarschijnlijk geïnspireerd op het oude geloof dat je schaduw net zo nauw aan je verbonden is als je karakter. Je komt er nooit ‘los’ van, behalve dan in figuurlijke zin, als je je bijzonder edelmoedig opstelt. (ibidem)

Richard Serra – the Matter of Time

Je losknopen van je schaduw onderstelt dat je oog hebt voor de wereld rondom jou. Dat je je ook wil bevrijden van kanten en kwaliteiten waar we niet graag naar kijken omdat ze bijvoorbeeld gevuld zijn met angst of schaamte. (Schaduw” verwijst ook naar verschillende onbewuste aspecten van de persoonlijkheid die we niet kunnen of willen zien, maar die op zichzelf niet kwaad of slecht zijn, doch die we door onze opvoeding en ontwikkeling hebben leren zien als iets dat niet bij ons hoort.). De wereld redden doen we best met zijn allen, iedereen dat hele kleine beetje. Ik citeer graag Heleen Debruyne in Rekto Verso van eind april 2021:

“Is het niet een tikje hoogmoedig, te denken dat je kunst en jouw visie op de wereld belangrijk is? Het lijkt me ook hondsvermoeiend – hoeveel tijd heb je nog voor je métier, als je steeds maar zinnig moet lopen zijn? Kunst te maken die, zoals de prenten van Goya, de werkelijkheid sublimeert is niet iedereen gegeven. Dat hoeft niet eens. Ik ben al lang blij als een kunstenaar me even doet lachen of huiveren, me in vervoering brengt met een kleurencombinatie. Kunstenaars kunnen de wereld misschien niet redden – wees dus niet bang om gewoon kunst te maken die ons even laat ontsnappen aan de sleur van onze dagen.”

https://www.rektoverso.be/artikel/nee-tegen-wereldreddende-kunst

Of je het alledaagse of het bijzondere moment wil vatten, laten we het enkele kunstenaars vragen die op zoek waren naar dezelfde antwoorden.

John F. Francis (1808-1886)

En bij wie gaat de kunstenaar te rade? Vincent van Gogh ontmoet Friedrich Nietzsche. Goed voorbereid, dat wel. Menselijk al te menselijk.

‘Het was Van Gogh die als eerste toenadering had gezocht, nadat hij met zijn onstilbare leeshonger en gefascineerd door de titel in Franse vertaling (want het Duits niet machtig) Humain, trop humain van Nietzsche had gelezen. Het werk had zijn rusteloze geest in nog grotere verwarring gebracht. Enerzijds was het een feest van herkenning geweest. Enthousiast had hij met potlood welhaast het volledige 99e fragment in deel twee van het boek onderstreept. Nietzsche noemt daar de schrijver (voor Van Gogh: de kunstenaar) als ‘gids voor de toekomst’; degene die ‘het mooie beeld van de mens verder uitwerkt met zijn fantasie’, en zo ‘meehelpt de toekomst te scheppen’. En de volgende passage was Van Gogh helemaal uit het hart gegrepen:

“Kracht, goedheid, zachtaardigheid, reinheid en een onopzettelijke, aangeboren matigheid in de personen en hun handelingen; een geëffende grond, die de voet rust en lust schenkt; een lichtende hemel die op de gezichten en gebeurtenissen afstraalt; de kennis en de kunst tot een nieuwe eenheid samengevloeid […], dit alles zou het aansluitende, algemene zijn, als het ware de gouden ondergrond waarop nu eerst de fijne verschillen tussen de belichaamde idealen het eigenlijke schilderij — dat van de steeds hogere menselijke voornaamheid — zouden vormen.”

(Nietzsche en Van Gogh over de toekomst van de Westerse Beschaving, Rob Riemen)

Lees het boeiende artikel helemaal in NieuwWij

https://www.nieuwwij.nl/achtergrond/nietzsche-en-van-gogh-over-de-toekomst-van-de-westerse-beschaving/

Twee heel verschillende kunstenaars, door land en leven gescheiden, maar die blijkbaar in hun beeldopbouw vaak dezelfde werkwijze hebben, dezelfde keuzes maken. Met een gemakkelijk woord zou je over ‘ inspiratie’ kunnen spreken, maar de manier waarop Ingmar Bergman en Andrei Tarkovsky hun beeldcomposities maken kun je inderdaad moeiteloos ‘visual similaritys’ noemen. Alsof ze deelgenoot waren van hetzelfde aanvoelen.

De aandacht voor het ‘menselijk, ‘vaak al te menselijk’ zal de opdracht en het inspiratieterrein van de kunstenaar zijn. Albert Camus schrijft in wat hij zijn beste boek noemt ‘De mens in opstand’ een duidelijk standpunt dat hij als titel ‘Opstand en kunst’ meegeeft:

“Ook kunst is die impuls die tegelijkertijd verheerlijkt en ontkent. ‘Geen enkele kunstenaar verdraagt de werkelijkheid’ zegt Nietzsche. Dat is waar, maar geen enkele kunstenaar kan buiten de werkelijkheid. De scheppingsdaad is een eis tot eenheid en een afwijzing van de wereld. Maar hij wijst de wereld af vanwege wat eraan ontbreekt en uit naam van wat hij soms is. De opstand laat zich hier buiten de geschiedenis in zuivere staat waarnemen, in zijn oorspronkelijke complexiteit. Kunst zou ons dus een laatste perspectief moeten bieden op de inhoud van de opstand.”

Hij duidt de vijandigheid aan tegenover kunst en alle revolutionaire hervormers: Plato was nog gematigd, hij bande alleen de dichters uit zijn republiek. En “..voor het overige heeft hij de schoonheid boven de wereld gesteld.” De Reformatie verkiest de moraal en bant de schoonheid uit. Rousseau hekelt in de kunst een ontaarding die door de samenleving aan de natuur is toegevoegd.

“Saint-Just gaat tekeer tegen de toneelvoorstellingen en wil in het mooie programma dat hij voor het “Feest van de Rede” maakt, dat de rede wordt uitgebeeld door een persoon die ‘eerder deugdzaam dan mooi’ is. De Franse revolutie brengt geen enkele kunstenaar voort, maar alleen een groot journalist, Desmoulins, en een clandestiene schrijver, Sade. De enige dichter van die tijd onthoofdt ze. De enige grote prozaschrijver wordt naar Londen verbannen en pleit voor het christendom en rechtmatigheid. Enige tijd later eisen de volgelingen van Saint-Simon ‘sociaal nuttige’ kunst. ‘Kunst voor de vooruitgang’ is een veel gehoorde uitdrukking die als een rode draad door de hele eeuw loopt en Hugo heeft overgenomen, zonder er in te slagen haar overtuigend te doen klinken. Alleen Vallès verwenst de kunst op een dermate heftige toon dat hij authentiek overkomt.” (P 256-257, vertaling Martine Woudt uitgeverij Olympus 7de druk.)

‘Over je eigen schaduw springen’ mag hier meervoudig zijn geduid, het is duidelijk dat een kunstenaar(es) zelf een eigen weg kan kiezen, al dan niet met zijn (haar) kunstige schaduw als bijdrage of toch eerder wegen kan zoeken waarin ons aller bestaan en toekomst is betrokken en een sierlijke sprong over zijn (haar) schaduw hem (haar) een plaats biedt temidden van het dagelijks doen en laten. Een zelfportret zoals het prachtige doek waarmee we begonnen is niet uitgesloten. We lijken meer op elkaar dan we vermoeden. Een zelfportret kan dus het begin van wijsheid zijn. Een onderscheid. Een uitnodiging.

Gustave Courbet – Zelfportret (wanhopige man), 1843-45, olie op doek, 45x54cm, particuliere collectie

“J’ aime ce qui bouge…” Germaine Richier 1902-1959

J’ aime la vie. J’ aime ce qui bouge. Pourtant je ne cherche pas à reproduire un mouvement. Je cherche plutôt à y faire penser. Mes statues doivent donner à la fois l’ impression qu’ elles sont immobiles et qu’ elles vont remuer.”

Germaine Richier, La Fourmi, 1953, brond met donker patina, editie van 11, 99 x 88 x 66 cm. Courtesy Galerie de la Béraudière, Brussel

Een sprinkhaan met borsten, een vrouwelijke mier, een deels beschilderd koppel, een robuuste naakte vrouw in brons met de titel L’Ouragane oftewel ‘de orkaanvrouw’, en dat werd de roepnaam van Germaine Richier. Tijdens haar leven was de Franse beeldhouwster een van de weinige vrouwelijke kunstenaars die internationaal doorbraken. Na haar dood werd ze lange tijd compleet vergeten. Het laatste decennium komt de aandacht voor haar werk in een stroomversnelling. (HART Alles over kunst Christine Vuegen)

‘De diabalo’ van Germaine Richier

Germaine Richier werkt aan haar beelden zonder voorbereidende schets. Daarbij maakt ze gebruik van de methode van triangulatie, waarbij de vorm wordt opgedeeld in driehoeken. Werkend op levend model brengt ze oriëntatiepunten aan op de huid die de structuur van het skelet weergeven. Dit netwerk wordt dan overgezet op klei alvorens te boetseren. Vanaf deze oriëntatiepunten lopen de lijnen door het lichaam. Le Pentacle (Het Pentagram) vertoont de meeste lijnen. Het is een methode die ze schatplichtig is aan Bourdelle, die het op zijn beurt van Auguste Rodin heeft overgenomen. De draden van Le Diabolo (De Diabolo), werk uit 1950, verwijzen naar die op het model en tekeningen aangebrachte snaren. (Chris Rachel Spatz in Histpriek 2 juli 2020)

Le Diabolo. 1950. Bronze. 160 x 49 x 60 cm

In haar werk komt het gevoel van die tijd op indringende wijze tot uiting. Het ruwe, bekraste, aangevreten en bloedende oppervlak van haar sculpturen, half mens en half dier, getuigt van de existentiële angst en dilemma’s als gevolg van de oorlog. Van even grote invloed op de kunst van Richier waren haar jeugd in de natuur van de Provence, de ideeën van surrealisten en existentialisten in haar directe omgeving, alsook de weerstand die zij als vrouwelijke beeldhouwer ondervond en haar keuze voor het artistiek experiment, met een hang naar het fantastische.

Vanwege de haast gewelddadige manier waarop zij met haar materialen omging, werd Richier in 1953 door de surrealistische schrijver André Pieyre de Mandiargues een ‘natuurkracht’ genoemd. Hij benadrukte echter dat zij haar energie aanwendde om er iets positiefs mee te doen, zoals blijkt uit een werk als De storm (L’Orage, 1947). Hoewel de figuur verweerd en gehavend is, lijkt hij toch een stap naar voren te zetten.  De vernietiging is evident, maar er is tegelijkertijd ook hoop op overleving en wederopstanding. Die dualiteit is een van de kenmerken van Richiers kunst. (Museum Beelden aan Zee)

Sculpture Le grand homme de la nuit (1954/5) by Germaine Richier in sculpturepark KMM/The Netherlands.

« Le but de la sculpture, c’est d’abord la joie de celui qui la fait. »

GERMAINE RICHIER, DAS GROSSE SCHACHSPIEL (5 FIGUREN)« von 1959/61

Meer dan allerlei verklaringen kan soms muziek een oplossing bieden. Operazangeres Francis van Broekhuizen zingt hier Puccini’s ‘Vissi d’ Arte’, akte 2 uit de opera Tosca nog voor iemand de tentoonstelling ‘Mensbeeld-Mensbeest had bezocht. Het wordt een boeiende confrontatie tussen beelden en muziek, tussen inhoud en vorm. Vier minuten intens genieten.

Le cheval à six têtes 1954-1956

De titel ‘Mensbeeld-Mensbeest’ zou je vriendelijker kunnen maken met ‘Mensbeeld-Mensdier’ omdat het dierlijke eerder het instinctieve dan het kwalijke van ‘het mensbeest’ zou kunnen interpreteren. Je benadrukt dan de beweging, de vitaliteit, of het ongeordende terwijl je met ‘het beest’ ook een onderliggende bedoelde agressiviteit zichtbaar kunt maken. Je zou de uitgebeelde krachten als totems, als visuele maskers van oerkrachten benaderen, een bijna Afrikaanse eigenschap die in Europese culturen zelden verbeeld wordt. Maar als je de tijd van de tweede wereldoorlog (waarvoor ze naar Zwitserland is uitgeweken) beschouwt dan is het ‘kwaadaardige’ inderdaad een duidelijke aanwezigheid. Natuurkrachten zoals L’Ouragene et L’ Orage hebben een open interpretatie. Bezoekers laten hun mening horen. Kijk en luister maar:

L’ Ouragane et l’ Orage 1948

Een fraaie documentaire van twintig minuten ter gelegenheid van de tentoonstelling ‘Germaine Richier Mensbeeld-Mensbeest vertelt beter dan woorden de uitstraling van haar werk. (Museum Beelden aan Zee).

Nu loopt er nog tot 16 juni een tentoonstelling in het centre Pompidou, Paris. Voor wie toch ook nog even naar Parijs wil maar een te drukke agenda heeft kan dit wonderlijke medium je ook nog een rondleiding geven in het centre Pompidou. Gebruik voor de documentaires groot beeld en geniet. Er zijn geen excuses meer om onwetend te blijven. Een privé-rondleiding!

Het gaat duidelijk niet alleen om te bewegen aan het oppervlak van het bestaan. De beweging van de geest heeft zelfs het materiaal aangetast. Of met de woorden van radio France:

“Dire l’humain, en dire tout, non seulement les inquiétudes, les souffrances, le martyr parfois, mais aussi ses pulsions son animalité et le faire avec la matière du monde, sculpter les corps en incorporant dans les chairs, les accidents, les pierres, les débris de la nature. Montrer dans la géométrie constructive de ses figures la nervosité inquiète de l’esprit. Trouver dans les insectes laborieux ou impitoyables comme dans les nuages menaçants de l’orage une fraternité avec ce que nous sommes, c’est cela l’extraordinaire effort que réalisa Germaine Richier dans sa courte mais remarquable carrière entre 1933 et 1957.”

Arthur Rimbaud, Une saison en Enfer, Les Déserts de l’amour, Les Illuminations ; Édition de Jean Graven ; illustrée de 24 eaux-fortes originales à l’aquatinte de Germaine Richier (Éd. André Gonin, Lausanne, 1951) ; Courtes – Coll privée, Belgique Courtesy Neuchâtel © François Fernandez

Over ‘het kruis’ dat deze bijlage opent:

Il s’agit du Christ en croix qu’elle a conçu pour le chœur de l’église du plateau d’Assy, en Haute-Savoie, inaugurée au début des années 1950. Une œuvre magnifique, très dépouillée, où le corps du Christ fusionne en quelque sorte avec le bois de la croix. Mais, un an plus tard des catholiques traditionalistes partirent en croisade contre cette œuvre dénoncée comme “un scandale pour la piété chrétienne”. Le Vatican viendra appuyer cette campagne, un cardinal, Celso Costantini, utilisant le qualificatif de “blasphème visuel”. Sur décision de l’évêque d’Annecy, la statue fut reléguée dans une chapelle latérale. Elle ne reviendra dans le chœur qu’en 1969.

Pinksterlicht in donkere tijden (2023)

Peter Lindberg (1944-2019) Amber Valetta NY 1993
De Geest waait waar hij wil
en staat nooit stil.
Nu eens bij u, dan bij een ander.
Waarom bezien wij zo elkander?
Zie, wat bij u is, is bij mij.
’t Komt uit hetzelfde klaar getij,
gelijk de waatren van de beken
zich voeden aan dezelfden stroom
of uit dezelfde bronne breken.
Wij zijn de takken van één boom,
van ’t zelfde huis de gangen,
de aders van het eendre bloed.
En of de geest met vlam en zangen
bij u nu, dan bij mij verwijlt,
of weer verterend naar een ander ijlt,
Hij is in ons! In ons! Zo is het goed!
En laat ons zwijgen en verlangen.

uit ‘Adagio’ van Felix Timmermans
Constant Montald, De bron der inspiratie (1907)

‘Het is in dezelfde geest,’ dat gezegde herkennen we. En met de woorden van dichter Martinus Nijhoff in de Awater-cyclus: ‘Elk woord vernieuwt de stilte die het breekt.’

Praat je over ‘de geest’, ‘iets voor de geest halen’, dan heb je onmiddellijk stilte nodig om betekenis(sen) naar boven te laten komen, bewust te worden van de inhoud. Die kan allerlei kanten uitwaaieren tot je denkt essentie(s) ervan te kunnen thuisbrengen. Dat gebeurt soms met woorden. Woorden gebruiken veel leegte (stilte) waarin hun inhoud kan wortelen tot je denkt dat een uitgegroeide betekenis er zich in kan verschuilen. Het kan ook of tegelijkertijd met beelden. Net zoals een woord, -of met een woord- kunnen ze zichtbaar worden. De geest waait waar hij wil. Hij kan de tijd nemen of als een blikseminslag helderheid verschaffen.

De betekenissen van het begrip ‘geest’ vullen makkelijk enkele pagina’s. Kijk bij ‘Het Nederlandse Woordenboek’. Dat is een aardige methode om het begrip te verbreden.

https://www.woorden.org/woord/geest

‘In het algemeen is de geest de essentie, het wezenlijke van iets. Het concept dat de dingen niet alleen zijn zoals ze zich aan eenieder presenteren, maar daarnaast een diepere, wezenlijke kern hebben, is in veel gedachtegoed terug te vinden. In sommige betekenissen is het begrip verwant aan het begrip ziel.’ (wikipedia)

Museum van de Geest Haarlem NL

Een apotheker van wacht, een kortverhaal

‘U wilt iets voor de geest halen,’ zei de apotheker. ‘Waar had u aan gedacht?’
De man schudde het hoofd.
‘Dat is nu net mijn probleem. Ik kan mij niets meer voor de geest halen.’
‘Herinneringen, toekomstplannen, een avond in Wenen, of mag het ook iets persoonlijker zijn?’
‘Liefst iets heel gewoon.’
‘De liedjes die je moeder zong toen je nog een kind was?’
De bezoeker herhaalde zachtjes het voorstel, sloot even de ogen en schudde het hoofd.
‘Dat zijn herinneringen. Gevaar voor verslaving, zei de dokter, niet?’
‘Bwah,’ antwoordde de apotheker.
‘Ik denk niet dat ze ooit ook maar één liedje heeft gezongen. Stel dat ik het mij voor de geest kon halen…’
‘Het werkt kalmerend, maar bij te veel herhaling kun je niet meer zonder en bij elke moeilijke situatie hoor je een moederlijke stem, ja.’
’Ik probeer wel eens iets met “vergezichten”, wat denkt u?’
‘Uitstekend!’
‘Maar bij elke poging was het mistig of zwaar bewolkt.’
‘Met een beetje training kunt u denken aan wegduwen of wegblazen en…’
‘Ze scheurden open. Een maand lang zag en hoorde ik zware regenval bij elke poging mij ‘de verte’ voor de geest te halen.’
‘Een museum bezoeken, aandachtig de kunstwerken bekijken en bij thuiskomst of voor het slapen gaan probeert u één of twee doeken…’
‘Ik zag alleen maar de nieuwe witte vloeren. Eindeloze witte vloeren.’
‘Dan is er natuurlijk nog ‘de’ oplossing. Maar -en ik zeg ‘maar’- die is niet voor iedereen.
‘Rijk ben ik niet.’
‘Het is geen kwestie van geld. U moet namelijk iets terugdoen.’
‘Ik ben geen handige Harry maar een stevige klus kan ik wel aan.’
De apotheker glimlachte.
‘Volg mij maar naar mijn ‘labo’.

Achter de rekken en werktafel hing een grote reproductie van een voor velen bekend schilderij.

Bruegel de Oudere Klik op deze tekst om te vergroten

‘Dit is een kunstwerk dat u waarschijnlijk bekend voorkomt.’
‘Zo heeft Bruegel er drie gemaakt. De toren van Babel.’ Een bijbels thema.’
‘De juiste naam bleef tot op de dag van vandaag verborgen. Dit is de Toren van ‘Fabel’. De toren van de honderdduizend en een mogelijke fabels die de mens zich voor de geest kan halen. In het bijbelverhaal wordt de opbouw gestaakt omdat arbeiders en architecten elkaar niet zouden begrijpen door spraakverwarring. Maar net die duizend en een verschillende talen zochten naar een broedplaats. Is er slechts één verhaal dan weet je dat zo’n verhaal het verhaal van de alleenheerser zal zijn. Je kunt hem links-onder zien aankomen terwijl arbeiders zich angstig plat op grond gooien om dat zogenaamde respect te tonen. Pieter Bruegel de Oudere was niet de lolbroek die velen van hem hebben gemaakt. Hij was een kunstenaar die via de dingen van alledag zijn boodschappen van zelfstandig en onafhankelijk denker wilde doorgeven. En met een figuur als Alva kon je beter voorzichtig zijn met wat je voor de geesten van de burgers op je doeken borstelde. Zijn laatste schilderij was ‘de ekster en de galg’. Er werd niet gespot met roddelaars en verklikkers.
Kijk naar de toren. Hij is volop in opbouw terwijl het verhaal net zijn vernietiging zou voorop stellen. Maar zoals elk verhaal dat nog niet verteld is bestaat ook hier het geheel uit stukken en brokken. Voor wie weet echter zie je dadelijk dat er ondanks ‘puin’ volop wordt bijgebouwd. Plaats voor ontelbare kunstenaars met hun eigen fabels. De Toren van Fabel. Nooit zullen zij uitverteld zijn tenzij hij door brutale heersers zou opgeblazen worden en dan nog zullen zij een ondergrondse toren uitgraven totdat de heerser verdwenen is en zij opnieuw de lucht in kunnen. Wat denk je?’
‘Ik voel verhalen die ingeslapen waren wakker worden. Ze geeuwen, rekken zich uit en kijken mij aan. Waarop wacht je zeggen zij.’
‘Inderdaad, waarop wacht je?’


De Toren van Fabel is beetje bij beetje mijn thuis geworden.  Te midden van de honderdduizenden uit de vier windstreken.  Helaas zijn de heersers nog steeds op pad.  Zij willen telkens weer deze zondige toren en zijn bewoners vernietigen.  De Toren van Fabel.  Te bezoeken via elke bibliotheek en langs het scherm.  

Pieter Bruegel de Oudere ‘De ekster en de galg’

Over ‘de vurige tongen’ en aanverwanten in en rond het Pinksterfeest werd in dit blog al menig keer geschreven. Zie ‘de vurige tongen’ en 5 volgenden. Natuurlijk is het ontwerp van ‘Spiritus’ ook te bekijken.

The return home (1873) George Elgar Hicks (1824-1914).

Je duidt de tijd aan, 1824-1914 en met de wetenschap dat de schilder de negentig heeft gehaald, acht kinderen had en vooral portretten schilderde, treft je dit innige doek dat je dadelijk met een groot aantal foto’s uit de collecties van gezinnen met grut met dit onderwerp kunt vergelijken. Vervang koets door achterbank van de auto, herinner je de terugkeer na een prachtige dag van feesten en elkaar terugzien en je kijkt via de spiegel naar de slapenden terwijl je met de liefste de dag en zijn genodigden overloopt. ‘The return home’. Het verleden en heden in een gelijkaardige geest (atmosfeer) met elkaar verbonden. De troost dat de schilder stierf één maand voor het uitbreken van de eerste wereldoorlog is misschien een detail maar vertelt ook dat de kinderen van dit tafereel intussen 41 jaar ouder waren.

Merkwaardig was wel dat hij oog had voor de alledaagse dingen die toenmalige kunstenaars voorbijliepen en als ‘onbelangrijk’ bestempelden. Kijk naar dit doek uit 1860: ‘The General Post Office. One minute to 6′

The General Post Office. One minute to 6′ Klik hier om te vergroten

Je hebt wel even tijd nodig om de bijna 50 figuranten te bekijken die om één minuut voor zes zijn samengestroomd om over één minuutje het postkantoor binnen te vallen. Een uitzonderlijke observatie voor die tijd die echter ook wel eens aan de onze herinnert.

Pinksteren in gedachten terwijl de Olijfberg nog dagelijks beklommen wordt

and Jesus ascended at the Mount of Olives
in the city of Bucha, in the city of Irpin,
in the town of Hostomel, in the village of Motyzhyn
in the town of Borodianka
in the city of Chernihiv, in the city of Kharkiv,
in the long-suffering city of Mariupol
and prayed to the Father–
let this cup stop with me,

crucified on a bodily cross
on an unidentified mortal’s body
2022 the year of our Lord
in a soulless world

heaven and earth walk on by


Halyna Kruk Oekraine translated, from the Ukrainian, by Amelia Glaser and Yuliya Ilchuk
en Jezus steeg op bij de Olijfberg...
in de stad Bucha, in de stad Irpin,
in de stad Hostomel, in het dorp Motyzhyn...
in de stad Borodianka
in de stad Chernihiv, in de stad Kharkiv,
in de lankmoedige stad Mariupol...
en bad tot de Vader-
laat deze beker bij mij ophouden,

gekruisigd aan een lijfelijk kruis
op het lichaam van een ongeïdentificeerde sterveling...
2022 het jaar van onze Heer
in een zielloze wereld

hemel en aarde lopen voorbij

…always coming or going home

blauwe regen-stam –eigen foto Gmt–
Please bring strange things. 
Please come bringing new things. 
Let very old things come into your hands. 
Let what you do not know come into your eyes. 
Let desert sand harden your feet. 
Let the arch of your feet be the mountains. 
Let the paths of your fingertips be your maps 
and the ways you go be the lines on your palms. 
Let there be deep snow in your inbreathing 
and your outbreath be the shining of ice. 
May your mouth contain the shapes of strange words. 
May you smell food cooking you have not eaten. 
May the spring of a foreign river be your navel. 
May your soul be at home where there are no houses. 
Walk carefully, well-loved one, 
walk mindfully, well-loved one, 
walk fearlessly, well-loved one. 
Return with us, return to us, 
be always coming home.

Ursula K LeGuin
Breng alsjeblieft vreemde dingen mee. 
Kom alsjeblieft met nieuwe dingen. 
Laat hele oude dingen in jullie handen komen. 
Laat wat je niet kent in je ogen komen. 
Laat woestijnzand je voeten verharden. 
Laat de boog van je voeten de bergen zijn. 
Laat de paden van je vingertoppen je kaarten zijn... 
en de wegen die je gaat zijn de lijnen op je handpalmen. 
Laat er diepe sneeuw zijn als je inademt
en je uitademen de glans van ijs. 
Mag je mond de vormen van vreemde woorden bevatten. 
Mag je eten ruiken dat aan het koken is dat je niet hebt gegeten.
Mag de bron van een vreemde rivier je navel zijn. 
Mag je ziel thuis zijn waar geen huizen zijn. 
Loop voorzichtig, geliefde, 
loop bedachtzaam, geliefde, 
loop onbevreesd, geliefde. 
Keer terug met ons, keer terug naar ons, 
kom altijd naar huis.
Ursula Kroeber Le Guin (1929–2018) was a celebrated and beloved author of 21 novels, 11 volumes of short stories, four collections of essays, 12 children’s books, six volumes of poetry, and four books of translation. The breadth and imagination of her work earned her five Nebulas and five Hugos, along with the PEN/Malamud and many other awards. In 2014 she was awarded the National Book Foundation Medal for Distinguished Contribution to American Letters, and in 2016 joined the short list of authors to be published in their lifetimes by the Library of America.
N.C. Wyeth, The Homecoming, 1945

Het jaartal onder dit werk van N.C. Wyeth vertelt meteen vanwaar het personage op het schilderij terugkomt. Odysseus ten voeten uit, tot en met de hond die hem herkent. Het gedicht van de Amerikaanse dichteres Ursula Le Guin ‘Please bring strange things’ beschrijft eerder het tegenovergestelde: een vertrek. Wensen voor een lange reis die eindigt met: ‘Keer terug met ons, keer terug naar ons, kom altijd naar huis.’ De reis naar thuis waar geen huizen zijn, mag daar je ziel thuis zijn. Het op weg zijn zonder de uiteindelijke beloning van de thuiskomst. Wellicht omdat het op weg zijn volop thuiskomen is.

Weggaan

Weggaan is iets anders
dan het huis uitsluipen
zacht de deur dichttrekken
achter je bestaan en niet
terugkeren.  Je blijft
iemand op wie wordt gewacht.

Weggaan kun je beschrijven als
een soort van blijven. Niemand
wacht want je bent er nog.
Niemand neemt afscheid
want je gaat niet weg.

Rutger Kopland | 
uit de bundel Geluk is gevaarlijk,
Vincent van Gogh, Bloeiende kastanjetakken, 1890 (olieverf op doek, 73×92 cm.) Collectie Emil Bührle, langdurig bruikleen aan Kunsthaus Zürich.
„Aan het eind van zijn verblijf in de inrichting van Saint-Rémy ging Van Gogh bloemstillevens schilderen. Commerciëlere doeken, die zouden verkopen, hoopte hij. Een paar dagen na aankomst in Auvers pakte hij het bloemmotief weer op. Vlakbij de herberg waar hij logeerde stonden hoge, oude kastanjebomen in bloei. Afgewaaide takken, na stormachtig weer op 24 en 25 mei, zullen de bloemenschilder in hem wakker hebben gemaakt.

„Vergeleken met de bloemstillevens uit Saint-Rémy is dit doek veel gedurfder. Een spectaculaire, bijna levensgrote voorstelling, een prachtig beeld van de levenskracht en energie die de natuur uitstraalt in het voorjaar. Een beetje mysterieus ook. Pas bij goed kijken zie je de vaas in het midden. Die lijkt te zweven. Ook bijzonder hoe het oranje van de tafel op de voorgrond en het blauw van de achtergrond in elkaar overlopen. Dat op een grafische manier geschilderde blauw suggereert lucht. Gek, want het doek is geschilderd vanuit een hoog standpunt. Dat blauw is een vondst die puur en alleen maar kleur is. Bij dit stilleven zie je een schilder aan het werk die uit diverse repertoires kan putten.” (Arjen Ribbens. Podcast 'Van Gogh in Auvers' NRC 10 mei 2023)

mei 2023 namiddag licht’ eigen foto Gmt
THE WINDS OF MAY
 
are soft and restless
in their leafy garments
that rustle and sway
making every moment movement.

(een van de 6 kwatrijnen)

DE WINDEN VAN MEI
 
zijn zacht en rusteloos
in hun bladerige gewaden
die ritselen en zwiepen
waardoor elk moment beweging wordt.

Ursula K. Le Guin
Vincent van Gogh, Regen, Auvers-sur-Oise, 18 juli 1890. Collectie National Museum Wales, Cardiff
To the Rain
By Ursula K. Le Guin

Mother rain, manifold, measureless,
falling on fallow, on field and forest,
on house-roof, low hovel, high tower,
downwelling waters all-washing, wider
than cities, softer than sisterhood, vaster
than countrysides, calming, recalling:
return to us, teaching our troubled
souls in your ceaseless descent
to fall, to be fellow, to feel to the root,
to sink in, to heal, to sweeten the sea.


Tot de de regen
Door Ursula K. Le Guin

Moeder regen, veelvoudig, grenzeloos,
vallend op braak, op veld en bos,
op daken van huizen, lage krotten, hoge torens..,
neerwaartse wateren die alles wassen, breder
dan steden, zachter dan zusterschap, uitgestrekter
dan landschappen, kalmerend, herinnerend:
keer terug naar ons, leer onze onrustige
zielen in uw onophoudelijke afdaling
om te vallen, om collega te zijn, om te voelen tot aan de wortel,
te zinken, te genezen, de zee te verzoeten.
John Constable – Seascape Study with Rain Cloud (Rainstorm over the Sea) | Byron’s Muse

Het is een oud liedje, en je hebt het in allerlei toonaarden gehoord en zelf (moeten) zingen. Alsof het begrip ’thuis’ als een soort uiteindelijke verlossing achter de einder ligt te gloriën, het beloofde land na veertig jaar woestijn. De eerste dag op de kleuterschool, de dagen van het internaat, soldaatje spelen, een-druk-leven-leiden, altijd was er een thuis-idee dat, eens bereikt, tot de plaats voor valiezen wisselen en een dagje uitslapen werd vernederd. Kun je thuiskomen in de wereld als je nooit bij jezelf bent thuisgekomen? Het is niet dadelijk een luxe-verblijf, het kan er behoorlijk tochten en het uitzicht wordt wel eens met een spiegel verward. De foto’s zijn er misschien vlug verbleekt, de nachten kunnen er donker en lang zijn, de morgenden met spijt en plukjes wanhoop gedecoreerd. Je voelt je dichter bij je voorouders waar je in feite hun afstammeling bent, nu je zelf in de nabijheid van hun leeftijd bent gekomen. Ursula K. Le Guin zegt het op een onnavolgbare wijze:

Looking Back

Remember me before I was a heap of salt,
the laughing child who seldom did
as she was told or came when she was called,
the merry girl who became Lot’s bride,
the happy woman who loved her wicked city.
Do not remember me with pity.I saw you plodding on ahead
into the desert of your pitiless faith.
Those springs are dry, that earth is dead.
I looked back, not forward, into death.

Forgiving rains dissolve me, and I come
still disobedient, still happy, home.

Ursula K Le Guin

Ursula Kroeber Le Guin (1929–2018)
Terugkijkend

Denk aan mij voordat ik een hoopje zout was,
het lachende kind dat zelden deed
wat haar gezegd werd of kwam als ze geroepen werd,
het vrolijke meisje dat de bruid van Lot werd,
de gelukkige vrouw die van haar slechte stad hield.
Denk niet met medelijden aan mij. Ik zag je vooruit ploeteren
in de woestijn van je meedogenloze geloof.
Die bronnen zijn droog, die aarde is dood.
Ik keek terug, niet vooruit, naar de dood.

Vergevingsgezinde regens lossen me op, en ik kom
nog steeds ongehoorzaam, nog steeds gelukkig, naar huis.

It's an old song, and you've heard it in all sorts of keys and (had to) sing it yourself. As if the concept of 'home' is like some kind of final redemption peeking behind the horizon, the promised land after forty years of desert. The first day in kindergarten, the days of boarding school, playing soldier, living a busy-life, there was always an idea of home that, once achieved, was relegated to the place for changing valises and a day's sleep. Can you come home to the world if you have never come home to yourself? It is not exactly a luxury abode, it can be quite drafty and the view is sometimes mistaken for a mirror. The pictures there may fade quickly, the nights can be dark and long, the mornings decorated with regrets and tufts of despair. You feel closer to your ancestors where you are in fact their descendant, now that you yourself have come close to their age.  
Egon Schiele Landscape

Bezoek website van Ursula Le Guin:

https://www.ursulakleguin.com/

I think hard times are coming when we will be wanting the voices of writers who can see alternatives to how we live now and can see through our fear-stricken society and its obsessive technologies. We will need writers who can remember freedom. Poets, visionaries – the realists of a larger reality.

-Ursula K. Le Guin-

De schone schijn van het bedrog

Domenico Remps, Scarabattolo, olie op doek, 99 × 136 cm,

"De Schilderkonst is een wetenschap, om alle ideen, ofte denkbeelden, die de gansche zichtbaere natuer kan geven, te verbeelden: en met omtrek en verwe het oog te bedriegen. (...) Want een volmaekte Schildery is als een spiegel van de Natuer, die de dingen, die niet en zijn, doet schijnen te zijn, en op een geoorlofde vermakelijke en prijslijke wijze bedriegt."

(Samuel van Hoogstraeten, Inleyding tot de Hooge Schoole der Schilderkonst: anders de Zichtbaere Werelt, 1678).

In een artikel uit ‘Streven’ jaargang 60 1993 vertelt auteur Jan Muylle ons over dit wonderbaar schilderij van ene Domenico Remps dat tot de collectie van grootprins Ferdinando dei Medici behoorde, een kabinetkast, een scarabattolo, een toonkast waarin kleinodiën zijn opgeborgen. Was deze schilder, tweede helft zeventiende eeuw, een geliefd kunstenaar van de prins de hedendaagse onderzoeker is hij onbekend gebleven.

'De bedrieglijke schijn van de scarabattolo verkrijgt zijn volle werking door de meesterlijke weergave van verschillende materialen, van kunstwerken in verschillende technieken en door de toepassing van allerlei kunstgrepen. Sommige daarvan zijn eigen aan elke trompe-l'oeil. Zo de weergave op natuurlijke grootte en het niet fragmenteren van de levenloze voorwerpen door de begrenzingen van het beschilderde oppervlak. Verder de beperkte diepte, zodat de kijker zich voldoende vrij voor het schilderij kan bewegen zonder het bedrog onmiddellijk te herkennen." 

(Jan Muylle)  Te raadplegen bij de digitale bibliotheek voor de Nederlandse Letteren:

https://www.dbnl.org/tekst/_str010199301_01/_str010199301_01_0004.php

"Deze trompe-l'oeil is er niet alleen voor het oog, maar ook voor het verstand en de moraal. Schilder en/of opdrachtgever moeten deze denkoefening, deze conceptuele benadering vooraf hebben opgezet. De scarabattolo reflecteert de universele kennis door hen vergaard. Kunst en wetenschap gaan hier samen, zoals in de humanistische kunsttheorie ook de schilderkunst als een wetenschap gold. De morele en ethische overwegingen getuigen van het vorstelijke streven deugdzaamheid of virtus te betrachten door de vergankelijkheid te overwegen. Het centraal stellen van de ars picturae in deze microcosmos stemt overeen met de gedachte dat de zintuiglijk waarneembare wereld, de mundus sensibilis, vooral met het oog kan worden kenbaar gemaakt." 

"Het belang van het concept, het encyclopedisch samenbrengen van alle fundamenten van de artistieke traditie en het radicaal doordenken ervan, rukt de scarabattolo onweerstaanbaar in de sfeer van de geestelijke vader van de conceptuele kunst, Marcel Duchamp.  De parallellen tussen de scarabattolo en het werk van Duchamp zouden wel eens onderzocht mogen worden."  (ibidem)

En wie a zegt laten we even ook de ‘D’ van Duchamps uitspreken. Hierbij dus één van zijn readymates als een soort ‘mini’ of draagbaar museum, net zoals de collectie uit de zeventiende eeuw in de scarabattolo.

Deze zeer discutabele readymade is vaak een "mini" of "draagbaar museum" genoemd. Het speelt met Duchamps belangstelling voor de commerciële wereld zoals die te zien is in de etalage en het verwante concept van de multiple als massaproduct. Varnedoe licht zijn theorie over dit verband toe, door te suggereren dat het "hoogstwaarschijnlijk gemodelleerd was naar de monsterkit van een verkoper en miniatuurreplica's van zijn hele 'lijn' bijhad." Anderen hebben soortgelijke interpretaties geopperd en vergelijken de 'Box in a Valise' met het draagbare theater of de koffer van een poppenspeler.
Leather valise containing miniature replicas, photographs, color
reproductions of works by Duchamp, and one “original” drawing
[Large Glass, collotype on celluloid, 7 1/2 x 9 1/2″ (19 x 23.5 cm)]

Een heldere beschrijving van dit werk vond ik bij de Nederlandse Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Alhier te raadplegen:

https://plastic.tool.cultureelerfgoed.nl/artwork/5

Een fragment:

La Boîte-en-valise simuleert de horizontale en verticale assen van een ruimte, weergegeven op schaal. Duchamps artistieke concepten en werken worden hier door de kunstenaar zelf gepresenteerd als een zorgvuldig geordend geheel. Het exemplaar van het Stedelijk Museum behoort tot de eerste serie, geassembleerd tussen 1941 en 1949. In de daaropvolgende jaren zijn nog zes series in elkaar gezet. Ieder serie is net iets anders dan de rest. De laatste twee series verschillen het meest omdat ze tachtig onderdelen bevatten.

Marcel Duchamp (1887-1968) besloot aan het begin van de twintigste eeuw om niet langer op de traditionele manier kunst te maken. Hij ging zelfs bestaande gebruiksvoorwerpen signeren en tot kunst verklaren. Daarmee was de ready-made een feit, een gebeurtenis die van enorme invloed is geweest op de ontwikkeling van de moderne kunst; de betekenis van een ‘origineel’ kunstwerk kwam hiermee volop ter discussie te staan. Het koffertje vol reproducties, een draagbare tentoonstelling, voegt hier nog een laag aan toe. En...
William J. McCloskey Still Life Tangerines 1919

Eind jaren 1870 studeerde William McCloskey als jonge student aan de Pennsylvania Academy of the Fine Arts bij twee prominente figuren uit de kunstgemeenschap van Philadelphia, Christian Schussele en Thomas Eakins. Zij moedigden hun studenten aan om deel te nemen aan stillevens om hun vaardigheden in het schilderen van licht en textuur te ontwikkelen en te verbeteren. Eakins instrueerde zijn leerlingen: “Schilder een sinaasappel. Nadat je het gedaan hebt, introduceer je een wit ding… Neem een ei of een sinaasappel, een stuk zwarte stof en een stuk wit papier en probeer licht en kleur te krijgen”

(Maria Chamberlin-Hellman, “Thomas Eakins as Teacher,” Ph.D. diss., New York, 1981, p. 267).

Sinaasappels, naast citroenen en appels, bleken eindeloos fascinerend voor William McCloskey, die de onderwerpen meestal van dichtbij en in een ondiepe ruimte presenteerde. In Wrapped Oranges on a Tabletop rangschikt McCloskey sinaasappels op een gepolijst spiegelend oppervlak, waarvan de helderheid wordt benadrukt door een onzichtbare lichtbron tegen een donker Pruisisch-blauwe fluwelen achtergrond. Vier van de sinaasappels zijn gewikkeld of delicaat gedraaid in dun, fijn gedetailleerd vloeipapier, een gewoonte die in deze periode gewoonlijk werd gebruikt om fruit te bewaren tijdens het vervoer tussen de staten. Het trompe-l’oeil effect dat ontstaat door de voelbare textuur van het stralend witte vloeipapier, afwisselend dun waar gescheurd en dik waar gedraaid, voegt een laag complexiteit toe aan dit schijnbaar eenvoudige stilleven.

William McCloskey (1859-1941) en Alberta Binford McCloskey (1863-1911) waren een man en vrouw die bekend stonden om zowel hun individuele werk als hun gezamenlijk werk. Alberta Binford McCloskey was voornamelijk autodidact, maar wordt door sommigen beschouwd als de superieure kunstenaar van de twee. William en Alberta ontmoetten elkaar tijdens hun werk als kunstenaar in Denver, en zij trouwden in 1883. De volgende vijftien jaar reisde en schilderde het paar veel samen. Ze verhuisden in 1884 naar Los Angeles en deden zaken door open-huis-feesten te organiseren voor prominenten en plaatselijke kunstenaars. Alberta richtte haar werk op bloemstillevens en William op portretten.

Chrysanthemums in an Oriental Vase
Alberta Binford,McCloskey

Een uitgebreid bio van het schilderspaar kun je lezen in de American Art Gallery:

http://americanartgallery.org/artist/readmore/id/608

WILLIAM MCCLOSKEY (1859 – 1941) PORTRAIT OF ALBERTA BINFORD

‘Partners in Illusion’ was de titel van een tentoonstelling in mei 1996.

Throughout their joint and separate careers, the McCloskeys were extremely mobile, traveling throughout the United States and Europe to fulfill portrait commissions and to exhibit and promote their work. They spent periods of time in San Francisco, London, Paris, Salt Lake City, and New York, in addition to Los Angeles. When the couple separated in 1898, William remained in California, moving to Oregon in the mid-1920s. In the latter part of his career, he saw his traditional technique and style become outmoded. Both McCloskeys were relatively forgotten until 1996, when a major retrospective at the Bowers Museum of Cultural Art in Santa Ana, California, a repository for many of their works, reintroduced their once-celebrated art.
William McCloskeys still life with wrapped lemons

Uit de vergetelheid bleven talrijke fruit-stillevens bewaard waar telkens weer de inbreng van een verpakking het onderwerp bijzonder ‘voelbaar’ maakte. Dat ‘naderbij-effect’, de scheuren in het papier of de slordige plooien verbeterden niet alleen licht en textuur maar verbonden het onderwerp nauwer met de kijker. Zowel William’s als Alberta’s in papier verpakte citrusvruchten zijn zo opvallend door het gebruik van een ’trompe l’oeil’-techniek waarbij voorwerpen zo realistisch worden geschilderd dat kijkers de indruk krijgen dat ze echt zijn. Ook de bloemstukken van Alberta waarin de keramische of cloisonné – vazen net zo gedetailleerd worden geschilderd als de bloemen, overleefden de tijd waar haar kinderportretten vaak door hun Victoriaanse stijfheid in dat tijdperk achterbleven als persoonlijke herinneringen of tijdsdocumenten. ‘Partners in illusion’ zijn ze tot de dag van vandaag gebleven.

De aantrekkingskracht van die uiterst gedetailleerde werkelijkheid werd door de fotografie ingehaald, en de revolutie tegen die vorm van exact weergegeven werkelijkheid kreeg in het impressionisme gestalte en waaierde uit tot ver over de grenzen van de twintigste eeuw en meanderde in de talrijke stromingen waarin vragen rond ‘de echtheid’ net zo veel invullingen als weerstanden opriep. Tenslotte zijn we met zijn allen ‘partners in illusion’. Onder de mantel van schone schijn en van het bedrog waaronder ook de essenties huishouden.

Eigen foto

Is het tenslotte om het spektakel te doen?

Een moeilijk te overtreffen afwijzing van het spektakel is terug te vinden in La société du spectacle, het boek van Guy Debord uit 1967 dat op haast magische wijze – gedeeltelijk – actueel blijft, en waarvan in 2015 bij uitgeverij IJzer nog een gereviseerde Nederlandse vertaling verscheen. Debords uitgangspunt is eenvoudig: alles in het leven bevindt zich steeds verder weg, omdat het zich ‘in een voorstelling heeft verwijderd’. We kunnen de wereld niet meer kennen – we kennen, ook door de toegenomen aanwezigheid en diversiteit van media, enkel beelden van de wereld, in die mate dat deze voorstellingen, inderdaad als spektakels, belangrijker zijn geworden dan waarnaar ze verwijzen. Het komt er niet langer op aan of iets of iemand goed, waarachtig of echt is – het is zaak integer, doortastend en rechtschapen te lijken, om vervolgens op die manier te scoren. Image is everything, de werkelijkheid wordt door spindoctors bedacht en alleen wat spektakel veroorzaakt – en dus, vandaag de dag, clicks en likes genereert – is van belang. Dat is niet enkel een kwestie van economie of politiek: het is een logica die het gedrag van mensen bepaalt, door hen tot onbetrouwbare concurrenten te maken, of door hen van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat te verplichten aan een spektakel deel te nemen of het te produceren, al was het maar door een foto op Instagram te zetten.

 (De Groene Amsterdammer 15 janauari 2019  'Weg met de werkelijkheid' Christophe Van Gerrewey)
Guercino ? Seated Youth

Omtrent verlies en verloren zijn

eigen foto
Korasion

De kamer die leegkomt verzegeld
 
Vertrek bezegeld met gesloten mond:
haar zul je niet meer horen
 
 Uitgekeken door deuren en ramen
 spijker het huis dicht: blindeer het
 geziene in een zwarte (vleesetende) doos
 
 Waar stof zich nestelt, vlokken op zoek
 naar een gewezen kind, eenmaal verpopt
 haalt zij de wind aan
 die door een vergeten kier
 met saterfluit en gouden regen
 haar nieuw leven in zal blazen
 
 Moest het huis het niet hebben van horen en zien
 
Niets sluit het af, en weer komt het
telkens weer, ongrijpbaar werkelijk:
 
Wat een beeldje en hoe sprekend
maar de mond de mond blijft dood

 -Korasion, zoals Salomé in de Evangeliën heet, verkleinwoord van Koré (meisje)-

Jacq Vogelaar  (1944-2013)
eigen foto

Ja, er is het huis. De klok staat stil. De spiegel weerkaatst een tussendeur en het licht. Er is niemand meer. Ik gebruikte mijn foto’s om de tekst van Jacq Vogelaar te illustreren. Het huis maakt herinneringen wakker, zoekt naar een gewezen kind. Je kunt het beeld oproepen, maar de mond blijft dicht. In de bijbel is dat meisje Salomé, degene die aan Herodes het hoofd van Johannes de Doper vraagt als gunst, en het ook krijgt, of zou het de zus van Jezus’ moeder kunnen zijn? De eerste krijgt het hoofd van de geliefde, de andere staat bij Maria onder het kruis. In beide gevallen blijft er een grote leegte. Ook in de tekst brengt het huis het geliefde wezen niet terug. Het prachtige altaarstuk uit Silezië ”Heilige Maagschap’ ca 1500 brengt de heilige vrouwen alvast in levendig gezelschap.

Holy Kinship Silesia circa 1500 Bode museum

Yes, there is the house.  The clock stands still.  The mirror reflects a connecting door and the light. There is no one left. I used my photos to illustrate Jacq Vogelaar's text.  The house evokes memories.  To a former child. You can conjure up the image, but the mouth remains closed. In the Bible, that girl Salomé is either the one who asks Herod the head of John the Baptist as a favour, and gets it, or could it be the sister of Jesus' mother?  The former gets the head of the beloved, the other stands with Mary under the cross. In both cases, a big void remains.  Even in the text, the house does not bring back the beloved being. The beautiful altarpiece from Silesia ''Holy Virgin'' ca 1500 already brings the holy women into lively company. 

Parallel Worlds Karezoid Karcz

Op 11 maart 2011 werd voor de kust van het Japanse hoofdeiland Honshu de op drie na krachtigste aardbeving ooit geregistreerd, die een reeks tsunami’s veroorzaakte die een groot deel van de noordoostelijke kust troffen. De verwoesting was groot, met bijna 20.000 bevestigde doden en meer dan 2.500 vermisten. Meer dan tien jaar later hebben de steden en dorpen die door deze natuurramp werden getroffen zich met grote veerkracht hersteld, maar het gevoel van verlies klinkt voor velen nog na. The Diver profileert zo’n Japanner, Yasuo Takamatsu, wiens vrouw Yuko na de aardbeving werd vermist en die nog steeds leeft in de immense nasleep van de tragedie. De Amerikaanse regisseur Anderson Wright vertelt zijn verhaal met zorg en empathie en vergezelt Takamatsu bij zijn laatste van meer dan 600 duiken in zee in een poging haar te vinden. Terwijl Takamatsu afdaalt in de uitgestrekte blauwe zee, denkt hij na over de diepten van zijn liefde. Met verbluffende cinematografie en subtiel vakmanschap biedt de film een aangrijpend portret van de blijvende kracht van verdriet en de kracht die het kan inspireren. (8’35”)

On March 11, 2011, the Tōhoku earthquake and tsunami devastated the coastal communities of East Japan, claiming nearly 20,000 lives. Yasuo’s wife was never found, but his enduring love for her drives him to continue searching the sea. As the Japanese people observe the 12-year anniversary of this tragedy, Director Anderson Wright and Yasuo Takamatsu take a poignant look at the pain of loss, the strength of love, and the beauty to be found in remembrance.
Sotto voce

Zoveel soorten van verdriet
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.

Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.
Arm en beschaamd zo arm te zijn.

M. Vasalis  (1909-1998)

(sotto voce:  met zachte ingehouden stem)
Eigen foto

Vannacht droomde ik van een kleine grijze vogel met een kuif en kobalt-blauwe veren op buik & poten. Ik moest hem vasthouden voor f. 3,50 per uur, maar in werkelijkheid hield hij mij vast, zijn rechterklauwtje omklemde mijn wijsvinger, die werd ook blauw en begon zonder pen te schrijven. Toen keek hij op en ik herkende hem, het was de vogel Phoenix. Dit alles in een lange, lage tent waar gewonde dieren werden binnengebracht. Slachtoffers van een bombardement. Alleen de vogel was ongedeerd, ofschoon hij dood binnen werd gebracht.‘ (M. Vassalis)

Eind 1943 overleed haar toen achttien maanden oude zoontje Dicky aan de gevolgen van de toen heersende polio-epidemie. In de aan hem opgedragen bundel 'De vogel Phoenix' is haar verdriet duidelijk herkenbaar.  Ze vergelijkt haar zoontje met de mythologische vogel Phoenix. Hij wordt voorgesteld als een purperblauwe reiger die niet alleen de dood maar ook de wedergeboorte en zo de onsterfelijkheid symboliseert. Hij verrijst uit zijn eigen as.

A Pelican Feeding Her Young, from a Franco-Flemish bestiary (Ms. Ludwig XV 4, fol. 75), 13th century. Tempera, pen and ink, and gold leaf on parchment, 23.3 × 16.4 cm (9 3/16 × 6 7/16 in.) (full leaf). J. Paul Getty Museum, Los Angeles.
Phoenix II

Vanavond, toen ik rustig op visite was,
woorden, als bijen glinstrend over kruiden, zwermden,
schoot als een vogel uit het dichte gras,
dat hem verborgen had en hem beschermde,

een heimwee rechtstreeks naar omhoog
en met een kreet die, dacht ik, iedereen kon horen.
En voor het eerst herkende ik wie eruit mij vloog
en wie mijn brand tot zijn hoog nest verkoren.

O kleine phoenix, die mij al te kort bezat,
ik zie de blauwe vuren van zijn ogen,
het lichte wegen op mijn hand, waarop hij zat
ik hoor zijn vleugels zingen, toen hij is opgevlogen…

Haast niet, schreeuw niet van pijn, o hand.
Schrijf door totdat de vingers zijn verbrand.

M. Vasalis 1947
Death of a Phoenix, burning in the flames, Taken from the Aberdeen Bestiary Project

Over M. Vasalis vind je een fraaie bijdrage van het literatuurmuseum: ‘Over de rand’, met gesproken bijdrages en originele documenten.

https://literatuurmuseum.nl/nl/ontdek-en-beleef/literatuurlab/online-exposities/m-vasalis/over-de-rand

M. Vasalis heeft ook een eigen website door een werkgroep samengesteld:

https://www.vasalis.nl/

A Phoenix (detail) in a bestiary, about 1270, unknown illuminator, possibly made in Thérouanne, France. Tempera colors, gold leaf, and ink on parchment, 7 1/2 × 5 5/8 in. The J. Paul Getty Museum, Ms. Ludwig XV 3, fol. 74v. Digital image courtesy of the Getty’s Open Content Program




Een fotografische benadering van ‘het verlaten huis’ met daarin een gedicht rond de (afwezige) beminde, de bewegende beelden van de terugkeer naar de plaats van verdwijnen, een poëtische benadering bij soorten verdriet, inzonderheid een gestorven kind: drie pogingen om verlies en verloren zijn met beelden en woorden tegemoet te komen hopend dat uit de pijn van het ‘verbranden’ heling zou ontstaan, een nieuwe vorm van aanwezigheid voelbaar en leefbaar wordt.

A photographic approach to 'the abandoned house' containing a poem around the (absent) loved one, the moving images of the return to the place of disappearance, a poetic approach to types of grief, especially a child who has died: three attempts to meet loss and being lost with images and words hoping that out of the pain of 'burning' healing would arise, a new form of presence would become palpable and liveable.
eigen foto

Levende letters in de leegte

Photo from Central Press/Hulton Archive/Getty Images
bifurcation point
by Halyna Kruk (Ukraine)


in wartime Lviv, (they’ll write later)
there was a strong literary milieu,
most likely, they published as a group (like those modernists in “Mytusa”)
or gathered for readings (because what else would poets do in wartime!)
there were so many there:
the internally-displaced and the externally-dysfunctional
like briefly during the first world war, and the second, on their way through Europe,
before the iron curtain tore the modern world’s voluptuous naked body
wide open

back then it was more about Prague and Podebrady, Warsaw and Munich,
but this time they’ll talk about Warsaw and Lviv,
Chernivtsi and Uzhhorod, Ivano-Frankivsk and Ternopil,
where there were so many of those poets it seemed
at every step one could wind up in someone else’s poem
in nightmares, in history, in the news, on the floor where you share a mattress,
under a single borrowed patchwork quilt
(what a perfect metaphor for human coexistence in wartime,
too bad it’s worn out!),
for one family, fractured and incomplete…

then explain to someone how in those first months we only crossed paths accidentally
for a few minutes just on business, sometimes on the street, not acknowledging each other at first,
startling, as if recalling something hopelessly lost and irretrievable
hugging instead of words to hide streaming tears:
—how are you—how are you (not a word about literature)—hang in there—hang in there
silent and focused, like the first Christians
who witnessed Christ’s miracles with their own eyes and had no idea
how to fathom it and how to tell others so they’d believe and wouldn’t mock them,
how not to twist or muddle things,
because it’s never clear which are the important details and which can be disregarded

then in each account we omit the parts about ourselves,
like apostles on opposite ends of the world, each preaching our own version of the gospel
because any faith depends on a million eyewitness accounts,
on countless private stories from that point in reality,
where no one knows anything yet, or understands
what that man did beside the dead Lazarus, and how he did it,
how everyone saw, but not everyone immediately believed…
especially if this faith in victory comes from a point not yet visible

this is how they’ll describe it in the early ’30s in the relevant chapters on Ukrainian literature
the main thing is not to forget that none of this was about literature


Translated, from the Ukrainian, by Amelia Glaser and Yuliya IlchukFrom A Crash Course in Molotov Cocktails, forthcoming with Arrowsmith Press
Police officers look at collected fragments of the Russian rockets that hit Kharkiv, in Kharkiv, Ukraine, Saturday, Dec. 3, 2022
Image by picture alliance / ASSOCIATED PRESS | Libkos ©
op de tweesprong
Halyna Kruk (Oekraïne)


in Lviv in oorlogstijd, (schrijven ze later)…
was er een sterk literair milieu,
waarschijnlijk publiceerden ze als groep (zoals die modernisten in "Mytusa")...
of kwamen ze bijeen voor lezingen (want wat zouden dichters anders doen in oorlogstijd!)
er waren er zoveel:
de intern ontheemde en de extern disfunctionerende
zoals kort tijdens de eerste wereldoorlog, en de tweede, op weg door Europa,
voordat het ijzeren gordijn het voluptueuze naakte lichaam van de moderne wereld
wijd open scheurde

toen ging het meer over Praag en Podebrady, Warschau en München,
maar deze keer praten ze over Warschau en Lviv,
Chernivtsi en Uzhhorod, Ivano-Frankivsk en Ternopil..,
waar er zoveel van die dichters waren dat het leek
dat je bij elke stap in een gedicht van een ander terecht kon komen.
in nachtmerries, in de geschiedenis, in het nieuws, op de vloer waar je een matras deelt,
onder een enkele geleende lappendeken
(wat een perfecte metafoor voor menselijk samenleven in oorlogstijd,
jammer dat ze versleten is!)
voor één familie, gebroken en incompleet...

leg dan iemand uit hoe in die eerste maanden onze paden zich slechts toevallig kruisten
voor een paar minuten alleen voor zaken, soms op straat, elkaar aanvankelijk niet erkennend,
opgeschrikt, alsof we iets hopeloos verloren en onherstelbaar terughalen.
omhelzing in plaats van woorden om stromende tranen te verbergen:
-hoe gaat het met je- hoe gaat het met je (geen woord over literatuur) -hou vol  daar
-hou vol daar
stil en geconcentreerd, zoals de eerste christenen
die de wonderen van Christus met eigen ogen zagen en geen idee hadden
hoe het te doorgronden en hoe het anderen te vertellen zodat ze zouden geloven en ze niet zouden spotten,
hoe de dingen niet te verdraaien of te verwarren,
omdat het nooit duidelijk is welke details belangrijk zijn en welke te negeren

dan laten we in elk verslag de delen over onszelf weg,
als apostelen aan weerszijden van de wereld, die elk hun eigen versie van het evangelie verkondigen
omdat elk geloof afhankelijk is van een miljoen ooggetuigenverslagen,
op ontelbare persoonlijke verhalen van dat punt in de werkelijkheid,
waar niemand nog iets weet, of begrijpt
wat die man deed naast de dode Lazarus, en hoe hij dat deed,
hoe iedereen het zag, maar niet iedereen meteen geloofde...
vooral als dit geloof in de overwinning  van een nu nog niet zichtbaar punt komt

dit is hoe ze het in de vroege jaren '30 zullen beschrijven in de relevante hoofdstukken over de Oekraïense literatuur
het belangrijkste is niet te vergeten dat dit alles niet over literatuur ging.

and Jesus ascended at the Mount of Olives
in the city of Bucha, in the city of Irpin,
in the town of Hostomel, in the village of Motyzhyn
in the town of Borodianka
in the city of Chernihiv, in the city of Kharkiv,
in the long-suffering city of Mariupol
and prayed to the Father–
let this cup stop with me,

crucified on a bodily cross
on an unidentified mortal’s body
2022 the year of our Lord
in a soulless world

heaven and earth walk on by

Halyna Kruk

Translated, from the Ukrainian, by Amelia Glaser and Yuliya Ilchuk
From A Crash Course in Molotov Cocktails, forthcoming with Arrowsmith Press
en Jezus klom op bij de Olijfberg...
in de stad Bucha, in de stad Irpin,
in de stad Hostomel, in het dorp Motyzhyn...
in de stad Borodianka
in de stad Chernihiv, in de stad Kharkiv,
in de lankmoedige stad Mariupol...
en bad tot de Vader-
laat deze beker bij mij ophouden,

gekruisigd aan een lijfelijk kruis
op het lichaam van een ongeïdentificeerde sterveling...
2022 het jaar van onze Heer
in een zielloze wereld

hemel en aarde lopen voorbij


Halyna Kruk

These stunning poems of witness by one of Ukraine’s most revered poets are by turns breathless, philosophical, and visionary. In a dark recapitulation of evolution itself, Kruk writes: “nothing predicted the arrival of humankind..../ nothing predicted the arrival of the tank...” Her taught, lean lines can turn epigrammatic: “what will kill you will seduce you first,” or they can strike you like Lomachenko’s lightening jabs: “flirt, Cheka agent, bitch.”

Leading readers into the world’s darkest spaces, Kruk implies that the light of language can nevertheless afford some measure of protection. Naming serves as a shield, albeit a wooden one. The paradox is that after the bullets have been fired and the missiles landed, the wooden shield, the printed book, reconstitutes itself.

From A Crash Course in Molotov Cocktails, forthcoming with Arrowsmith Press

    Verzet begint niet met grote woorden

    Verzet begint niet met grote woorden
    maar met kleine daden

    zoals storm met zacht geritsel in de tuin
    of de kat die de kolder in zijn kop krijgt

    zoals brede rivieren
    met een kleine bron
    verscholen in het woud

    zoals een vuurzee
    met dezelfde lucifer
    die een sigaret aansteekt

    zoals liefde met een blik
    een aanraking iets dat je opvalt in een stem

    jezelf een vraag stellen
    daarmee begint verzet

    en dan die vraag aan een ander stellen

    Remco Campert