Levende letters in de leegte

Photo from Central Press/Hulton Archive/Getty Images
bifurcation point
by Halyna Kruk (Ukraine)


in wartime Lviv, (they’ll write later)
there was a strong literary milieu,
most likely, they published as a group (like those modernists in “Mytusa”)
or gathered for readings (because what else would poets do in wartime!)
there were so many there:
the internally-displaced and the externally-dysfunctional
like briefly during the first world war, and the second, on their way through Europe,
before the iron curtain tore the modern world’s voluptuous naked body
wide open

back then it was more about Prague and Podebrady, Warsaw and Munich,
but this time they’ll talk about Warsaw and Lviv,
Chernivtsi and Uzhhorod, Ivano-Frankivsk and Ternopil,
where there were so many of those poets it seemed
at every step one could wind up in someone else’s poem
in nightmares, in history, in the news, on the floor where you share a mattress,
under a single borrowed patchwork quilt
(what a perfect metaphor for human coexistence in wartime,
too bad it’s worn out!),
for one family, fractured and incomplete…

then explain to someone how in those first months we only crossed paths accidentally
for a few minutes just on business, sometimes on the street, not acknowledging each other at first,
startling, as if recalling something hopelessly lost and irretrievable
hugging instead of words to hide streaming tears:
—how are you—how are you (not a word about literature)—hang in there—hang in there
silent and focused, like the first Christians
who witnessed Christ’s miracles with their own eyes and had no idea
how to fathom it and how to tell others so they’d believe and wouldn’t mock them,
how not to twist or muddle things,
because it’s never clear which are the important details and which can be disregarded

then in each account we omit the parts about ourselves,
like apostles on opposite ends of the world, each preaching our own version of the gospel
because any faith depends on a million eyewitness accounts,
on countless private stories from that point in reality,
where no one knows anything yet, or understands
what that man did beside the dead Lazarus, and how he did it,
how everyone saw, but not everyone immediately believed…
especially if this faith in victory comes from a point not yet visible

this is how they’ll describe it in the early ’30s in the relevant chapters on Ukrainian literature
the main thing is not to forget that none of this was about literature


Translated, from the Ukrainian, by Amelia Glaser and Yuliya IlchukFrom A Crash Course in Molotov Cocktails, forthcoming with Arrowsmith Press
Police officers look at collected fragments of the Russian rockets that hit Kharkiv, in Kharkiv, Ukraine, Saturday, Dec. 3, 2022
Image by picture alliance / ASSOCIATED PRESS | Libkos ©
op de tweesprong
Halyna Kruk (Oekraïne)


in Lviv in oorlogstijd, (schrijven ze later)…
was er een sterk literair milieu,
waarschijnlijk publiceerden ze als groep (zoals die modernisten in "Mytusa")...
of kwamen ze bijeen voor lezingen (want wat zouden dichters anders doen in oorlogstijd!)
er waren er zoveel:
de intern ontheemde en de extern disfunctionerende
zoals kort tijdens de eerste wereldoorlog, en de tweede, op weg door Europa,
voordat het ijzeren gordijn het voluptueuze naakte lichaam van de moderne wereld
wijd open scheurde

toen ging het meer over Praag en Podebrady, Warschau en München,
maar deze keer praten ze over Warschau en Lviv,
Chernivtsi en Uzhhorod, Ivano-Frankivsk en Ternopil..,
waar er zoveel van die dichters waren dat het leek
dat je bij elke stap in een gedicht van een ander terecht kon komen.
in nachtmerries, in de geschiedenis, in het nieuws, op de vloer waar je een matras deelt,
onder een enkele geleende lappendeken
(wat een perfecte metafoor voor menselijk samenleven in oorlogstijd,
jammer dat ze versleten is!)
voor één familie, gebroken en incompleet...

leg dan iemand uit hoe in die eerste maanden onze paden zich slechts toevallig kruisten
voor een paar minuten alleen voor zaken, soms op straat, elkaar aanvankelijk niet erkennend,
opgeschrikt, alsof we iets hopeloos verloren en onherstelbaar terughalen.
omhelzing in plaats van woorden om stromende tranen te verbergen:
-hoe gaat het met je- hoe gaat het met je (geen woord over literatuur) -hou vol  daar
-hou vol daar
stil en geconcentreerd, zoals de eerste christenen
die de wonderen van Christus met eigen ogen zagen en geen idee hadden
hoe het te doorgronden en hoe het anderen te vertellen zodat ze zouden geloven en ze niet zouden spotten,
hoe de dingen niet te verdraaien of te verwarren,
omdat het nooit duidelijk is welke details belangrijk zijn en welke te negeren

dan laten we in elk verslag de delen over onszelf weg,
als apostelen aan weerszijden van de wereld, die elk hun eigen versie van het evangelie verkondigen
omdat elk geloof afhankelijk is van een miljoen ooggetuigenverslagen,
op ontelbare persoonlijke verhalen van dat punt in de werkelijkheid,
waar niemand nog iets weet, of begrijpt
wat die man deed naast de dode Lazarus, en hoe hij dat deed,
hoe iedereen het zag, maar niet iedereen meteen geloofde...
vooral als dit geloof in de overwinning  van een nu nog niet zichtbaar punt komt

dit is hoe ze het in de vroege jaren '30 zullen beschrijven in de relevante hoofdstukken over de Oekraïense literatuur
het belangrijkste is niet te vergeten dat dit alles niet over literatuur ging.

and Jesus ascended at the Mount of Olives
in the city of Bucha, in the city of Irpin,
in the town of Hostomel, in the village of Motyzhyn
in the town of Borodianka
in the city of Chernihiv, in the city of Kharkiv,
in the long-suffering city of Mariupol
and prayed to the Father–
let this cup stop with me,

crucified on a bodily cross
on an unidentified mortal’s body
2022 the year of our Lord
in a soulless world

heaven and earth walk on by

Halyna Kruk

Translated, from the Ukrainian, by Amelia Glaser and Yuliya Ilchuk
From A Crash Course in Molotov Cocktails, forthcoming with Arrowsmith Press
en Jezus klom op bij de Olijfberg...
in de stad Bucha, in de stad Irpin,
in de stad Hostomel, in het dorp Motyzhyn...
in de stad Borodianka
in de stad Chernihiv, in de stad Kharkiv,
in de lankmoedige stad Mariupol...
en bad tot de Vader-
laat deze beker bij mij ophouden,

gekruisigd aan een lijfelijk kruis
op het lichaam van een ongeïdentificeerde sterveling...
2022 het jaar van onze Heer
in een zielloze wereld

hemel en aarde lopen voorbij


Halyna Kruk

These stunning poems of witness by one of Ukraine’s most revered poets are by turns breathless, philosophical, and visionary. In a dark recapitulation of evolution itself, Kruk writes: “nothing predicted the arrival of humankind..../ nothing predicted the arrival of the tank...” Her taught, lean lines can turn epigrammatic: “what will kill you will seduce you first,” or they can strike you like Lomachenko’s lightening jabs: “flirt, Cheka agent, bitch.”

Leading readers into the world’s darkest spaces, Kruk implies that the light of language can nevertheless afford some measure of protection. Naming serves as a shield, albeit a wooden one. The paradox is that after the bullets have been fired and the missiles landed, the wooden shield, the printed book, reconstitutes itself.

From A Crash Course in Molotov Cocktails, forthcoming with Arrowsmith Press

    Verzet begint niet met grote woorden

    Verzet begint niet met grote woorden
    maar met kleine daden

    zoals storm met zacht geritsel in de tuin
    of de kat die de kolder in zijn kop krijgt

    zoals brede rivieren
    met een kleine bron
    verscholen in het woud

    zoals een vuurzee
    met dezelfde lucifer
    die een sigaret aansteekt

    zoals liefde met een blik
    een aanraking iets dat je opvalt in een stem

    jezelf een vraag stellen
    daarmee begint verzet

    en dan die vraag aan een ander stellen

    Remco Campert

Stilleven(s) met dingen van toen en nu

De Amerikaanse filmmaker Conner Griffith staat bekend om experimentele werken met perspectief verschuivende verkenningen van alledaagse taferelen en objecten. Voor Still Life verzamelde en choreografeerde hij een duizelingwekkende dans van meer dan 1000 gravures uit de 19de eeuw - van bloemen tot theepotten en amfibieën. De resulterende short verkent het filosofische idee dat, zoals Griffith het formuleert, "we leven in een wereld van objecten en een wereld van objecten leeft in ons". Het resultaat is een indrukwekkende en raadselachtige meditatie over het bewustzijn, zowel in beeld als geluid.  Opgelet rond 3'53" schijnt even het licht uit te gaan maar dat is niet zo, weldra komt 'het oog' in beeld.  Let ook op de prachtige klankband, meesterwerkje!

Regisseur: Conner Griffith (tekst: Aeon Video en Gmt)  Bezoek zijn website!

https://www.connergriffith.com/

Conner Griffith is an experimental filmmaker and editor living in Los Angeles. His process often involves working with collections to explore the universal stories that can emerge from visual choreography and the relationship between sound and image. Conner’s films have screened at Slamdance, GLAS animation festival, and Ottawa International animation festival, and have been featured in The Atlantic, National Geographic, and WIRED. (website Conner Griffith)

We hebben het duidelijk over ‘bewustzijn’ (consciousness), over ‘kijken (waarnemen in het algemeen) een geliefd onderwerp in dit blog waarin de nog kinderlijke ‘veelheid’ een weg zoekt naar de talrijke wegen van ons bewustzijn waarin we de werkelijkheid in al haar facetten kunnen ervaren en haar mee vorm geven of bevragen op de ons eigen manier. Geen theorie, de vele verschillenden zijn bekend en door iedereen te raadplegen, maar enkele beelden die makkelijk door de lezer(es)-kijker kunnen worden aangevuld of uitgeprobeerd. Uit eigen ervaring.

Laat herfstlicht achter glas Gmt
Jan Wolkers - Wintervitrines 

achter het gras
terwijl de herfst voor de deur stond
met deze hand
als een inktvlek
probeerde ik de zon stil te zetten
geen geluid brak meer door
van achter de glazen barrière
volière
van ijs en chroom
waar je witte hand in zweefde
als een meeuw die de kust verlaat
als een berijpte boom
zo hangen vanavond
mijn betraande ogen
in je afscheid


Laat herfstlicht in de tuin 2 Gmt

Zoals ook de aarzeling van de lente nu. Maar al leef je zelf niet buiten, het licht komt wel binnen. Het schrijft op de tegelmuur van de badkamer, verlicht de zachte zeep, blijft niet lang, rust nog even op het flesje handwas en schaduwt een prachtige vorm van een snel paaskonijn in de wastafel.

eigen foto Gmt

eigen foto Gmt

eigen foto Gmt

Ik heb ze niet verzonnen, net als Wolkers vertrok ik van een ervaring, al haak ik mijn beelden nog niet aan een emotie. Ze hebben immers geen verklaring nodig, maar het kan. Een schets, een aanzet, het kan nog allerlei richtingen uit

Schrijft namiddagzon
morsetekens op de tegelmuur:
in onschuld handen wassen kan niet meer,
maar met granaatappel-rood de paashaas
uit de lavabo lokken
en tot het donker wordt buiten spelen?

eigen foto Gmt

En ook dit mag misschien helpen.

Can you feel it
Now that spring has come
And it's time to live in the
Scattered sun
Waiting for the sun
Waiting for the sun
Waiting for the sun
Petra Reece ‘Summer in the city’
Petra Reece was born in Holland and emigrated to Australia with her family. Her father and brother both artists, worked making and restoring stained glass. Petra graduated with a B.A. and post graduate diploma at the Phillip Institute of Technology.
 
"I am not a single subject painter ... whatever moves me enough will eventually be translated onto canvas. An old photo, a glimpse in the street, a shape, a colour, clouds, the sea, a vague memory.'
Apple Tree I, 1912 (oil on canvas), Gustav Klimt (1862-1918) / Private Collection / Photo © Christie’s Images
LANG GELEDEN

Lang geleden, de hemel was nog hoog en leeg,
de dagen nog lang en oneindig

op een middag vielen er woorden naar beneden,
buitelden om me heen:
slakkengang, achterban, dwarsverband, handlanger,
handgemeen…

ik greep ze beet,
liet ze in mijn handen spartelen en kronkelen,
knoopte ze aan elkaar en maakte ze weer los,
liet ze friemelen en foezelen

en even plotseling als ze waren gekomen
waren ze weer verdwenen, was de hemel weer leeg

maar ik wist toen – ik weet het nog goed:
zo zal mijn leven zijn!

En mijn oorlog werd mijn vrede
en de zon, mijn zon, verscheen
    als ik hem dat vroeg.

Toon Tellegen (2023)  Langs een helling Querido, 51blz. € 18,99. ISBN 9789021476674

Zo. Dat was een greep uit onze collectie ‘objecten’, ‘still live’. Je kunt er alle kanten mee uit: verder zoeken, bundel aanschaffen, zelf beginnen met.. Het zal een kwestie van kijken en luisteren zijn. En de zon zal verschijnen, jouw zon, maar je moet het haar (hem in NL) vragen, dat wel. Ik neem je nog even mee naar een helling.

LANGS EEN HELLING
–
Ik glijd zo langzaam langs een helling naar beneden
dat het lijkt alsof ik stil sta,
zoals de kleine wijzer van mijn horloge lijkt stil te staan,
hoe goed ik ook kijk
–
soms denk ik zelfs dat ik weer terugglijd,
terug naar boven,
terug naar waar ik lang geleden was,
naar de donkere wolken die daar nog altijd hangen,
naar de zon die daar nog altijd schijnt.

Toon Tellegen 
Georges Seurat Port en Bessin, Normandy

‘Le peintre voluptueux’ Henri Manguin (1874-1949)

JEANNE ALLONGÉE SUR UN CANAPÉ ,1912
« Le Midi m’a été, je crois, d’un bon enseignement et [je] reviens sinon content de moi du moins avec une impression de grande beauté et la compréhension de beaucoup de choses jusqu’alors inconnues. »

(Henri Manguin à Henri Matisse)

‘La Baigneuse’ Cassis 1912

Henri Manguin a surtout peint des figures féminines, des nus, des dormeuses, au lever ou à la toilette, des baigneuses, des paysages, une grande partie sur la cote méditerranéenne, et des natures mortes presque uniquement de fleurs. En fait, qualifié par Appollinaire de “peintre voluptueux”, il ne peignit que les aspects les plus heureux du monde, reflet de sa propre joie de vivre. Après de courts débuts marqués très naturellement comme pour ses amis de l’atelier Moreau, par leur découverte de l’impressionnisme, des Nabis puis de Cézanne, il commença d’exposer au moment de l’éclatement du fauvisme auprès du public.

(Christophe Lachaux antiquaire)

Olijfbomen in Cavalier 1906
'Parce que l'exaltation des couleurs faisant partie des impératifs du mouvement, convenait à son propre tempérament, à sa propre propension, ce fut tout naturellement qu'il se joignit au groupe, dès le Cage aux fauves de 1905. Il fut de ces peintres des premiers jours fort chauds du XXème siècle, à longuement discuter des théories en faveur. On eut recueilli avec profit les conversations de Manguin avec Paul Signac et Charles Camoin à Saint-Tropez, dans cette Provence ou il séjourna très souvent jusqu'à sa mort et qu'il peignit avec prédilection, s'efforçant de faire partager son émotion.' (ibidem)

‘Les Gravures’ 1905

Le critique Louis Vauxcelles livre ses impressions dans un article désormais célèbre pour avoir donné naissance au fauvisme. À propos des sculptures d’Albert Marque, exposées dans la même salle, il écrit qu’elles surprennent « au milieu de l’orgie de tons purs : Donatello chez les fauves ». L’avant-gardisme des anciens élèves de Gustave Moreau fait scandale. Toutefois, les œuvres d’Henri Manguin trouvent toutes acquéreurs parmi les amateurs avertis. (Thais Chainge 2017)

Self-portrait
Le fauvisme débute historiquement à l’automne 1905, lors d’un salon qui créa un scandale, pour s’achever moins de dix ans plus tard, au début des années 1910. Le critique d’art Louis Vauxcelles nomma ” cage aux fauves ” la salle du Salon d’automne où exposaient les peintres qui seront dès lors appelés… les Fauves. Les artistes les plus remarqués sont réunis dans la salle VII de ce Salon d’Automne : Henri Matisse – chef de file du fauvisme -, Henri Manguin, André Derain, Maurice de Vlaminck, Charles Camoin et Albert Marquet. Dans d‘autres salles, Raoul Dufy, Othon Friesz, Jean Puy, Georges Rouault, Albert Marquet ou Kees van Dongen…
La Sieste (Le repos de Jeanne) 1905

On apprivoise le personnage, il est ouvert et fidèle. Sa femme, Jeanne, sera sa muse tout au long de sa vie, exposée et sublimée par la sensuelle sobriété de ses nus. Ses huiles, parfois exubérantes, se définissent par une facture franche et éclatante. Les tons intenses et les contrastes puissants ont fait d’Henri Manguin une personnalité incontournable du fauvisme. On se demanderait presque sur la fin s’il s’agit d’une exposition sur l’homme ou l’artiste, qui, finalement, dans son cas, ne sont pas aisément dissociables. (Le Temps)

La Baigneuse 1906
Au fil de l’exposition, on est saisi par l’éclat et l’harmonie lumineuse que dégagent les œuvres de celui qu’Apollinaire baptisa « le peintre voluptueux. La volupté est en effet omniprésente, que ce soit dans les tableaux de nu de sa chère femme Jeanne ou, plus largement, à travers son traitement virtuose et sensuel de la couleur : elle sculpte le corps de Jeanne, anime un paysage tropézien, illumine une nature morte, … Dans l’huile sur toile La petite italienne, le sobre espace de son atelier rue Boursault est reconstruit par pans de couleur vivaces très représentatifs de son art. Une combinaison éclatante entre traitement chromique et les thèmes choisis qui font toute l’originalité et le talent de Manguin. (Thais Chainge 2017)
La petite Italienne

Het begrip ‘voluptueux’ is breed interpreteerbaar. Een omschrijving dus:

'Voluptueus' gaat via het Franse voluptueux terug op het Latijnse voluptuosus ‘genotvol, aangenaam’. Dat is afgeleid van het zelfstandig naamwoord voluptas, dat ‘genoegen, genot, lust’ betekent. Het is verwant aan velle, dat naast ‘willen’ ook ‘begeren’ betekent.

Je zou het begrip bij ‘zinnelijk‘ kunnen onderbrengen, wat onze zinnen aangenaam prikkelt. Je kunt dan naar eigen genoegen het terrein verbreden of versmallen. De chromatische kleuren van Manguin’s werk , zijn ‘zin om kijken (in de breedste zin van het woord), om te genieten van het dagelijkse, je omgeving, de mensen die je liefhebt, er zijn nogal wat mogelijkheden om het voluptueuze van het leven te bepalen. Met letters en met beelden.

Jeanne Couseuse Rouge detail 1907

Bernard Dewulf beschreef in zijn boek ‘Tuimelingen over leven, kunst en zien‘ het begrip ‘zinnelijk’ Een fragment:

Soms hoor ik hem, de regen, op de achtergrond, soms luister ik er een tijdlang aandachtig naar. Ik vind het een zinnelijk geluid, en zo lang ik me kan herinneren heb ik dat altijd gevonden.
Rustige, milde regen heeft iets erotisch voor mij.
Bij dit soort regen moet ik wel eens denken aan een ontroerend boek, De dagen worden wel kouder maar niet korter van John Hull. Daarin beschrijft een blinde man hoe hij zijn hoogsteigen werkelijkheid ervaart.
Een van de beklijvende passages betreft de regen, Hull ontleedt in detail hoe hij aan zijn open voordeur naar de regen luistert, vooral naar de verschillen in de regen, afhankelijk hoe en waar die valt. De regen, besluit hij, ‘vormt’ voor hem zijn omgeving. In die mate dat ‘als het in de kamer kon regenen’, hem dat zou helpen ontdekken waar de dingen staan, een gevoel geven van in de kamer te zijn, in plaats van alleen maar op een stoel te zitten.’ (…)

Naar aanleiding van de regen dus zijn de woorden gevallen waar het hier om draait: zinnelijk, zintuiglijk, erotisch. Zoals gezegd, zinnelijk is het woord dat ik het liefst gebruik; het is het breedste. Tegelijk luistert het het nauwst.
Zinnelijk komt vanzelfsprekend van het woord ‘zin’ en dat heeft minstens drie onderscheiden betekenissen: betekenis, begeerte, volzin. De zin van iets, de zin in iets, de zin die dat alles verwoordt. Ik hou zeer van die drie-eenheid. Om het wat boutadisch te zeggen: weinig vervullender voor mij – als schrijver- dan volzinnen schrijven over ‘zin in de zin van ‘betekenis’ en ‘begeerte’. Ik ervaar dat zonder meer als erotisch, en uiteraard komt daar geen borst of bil bij kijken. Maar wel wellust. Maar uiteraard geen seks. Maar uiteraard wel genot.


(Bernard Dewulf, Tuimelingen over leven, kunst en zien. )

Mimosa in bloei 1907
Les fauves ont une préoccupation essentielle: l’étude de la couleur pure. La couleur leur sert de nouveau moyen d’expression. Offrant de somptueuses harmonies chromatiques, les toiles de cette époque témoignent d’un talent et d’une inventivité rares.
les enfants Hahnloser-Bühler

Manguin voyage : avec Henri Matisse il découvre Collioure, avec Albert Marquet, l’Italie. A partir des années 1910, il se rend régulièrement en Suisse, où il se rapproche d’un célèbre couple de collectionneurs qui apprécie particulièrement ses œuvres, les Hahnloser-Bühler. Il passe sa vie en famille, entre Paris et le Sud de la France, où il se sent bien et aime travailler, à Saint-Tropez comme à Sanary. Après la flambée fauve, il quitte le terrain de l’avant-garde pour une esthétique plus nuancée. Il se tient à l’écart des courants qui se forment, continue ses recherches en marge de la vie artistique parisienne, dans une permanence qui n’exclut pas une émotion sans cesse renouvelée. Malgré ce relatif éloignement, les marchands et collectionneurs continuent à défendre son travail et l’artiste reste en contact avec ses amis peintres, tout particulièrement Albert Marquet, de qui il sera toute sa vie proche, dans un rapport de sincère affection et d’émulation artistique.

Le Pré Villa Demière detail 1905

Manguin reisde: met Henri Matisse ontdekte hij Collioure, met Albert Marquet Italië. Vanaf de jaren 1910 reisde hij regelmatig naar Zwitserland, waar hij nauwe banden kreeg met een beroemd verzamelaarsechtpaar dat zijn werk bijzonder waardeerde, de familie Hahnloser-Bühler. Hij bracht zijn leven met zijn gezin door tussen Parijs en Zuid-Frankrijk, waar hij zich op zijn gemak voelde en graag werkte, zowel in Saint-Tropez als in Sanary. Na de fauvistische uitbarsting verliet hij de avant-garde voor een meer genuanceerde esthetiek. Hij bleef weg van de stromingen die zich vormden en zette zijn onderzoek voort in de marge van het Parijse artistieke leven, in een permanentie die een voortdurend hernieuwde emotie niet uitsloot. Ondanks deze relatieve afstand bleven handelaren en verzamelaars zijn werk steunen en bleef de kunstenaar in contact met zijn schildersvrienden, met name Albert Marquet, met wie hij zijn hele leven lang een hechte band had, in een relatie van oprechte genegenheid en artistieke wedijver.

Claude en rouge lisant 1909

Schilders-schietgbed

Hoe stil het leven
zich over ons heen legde
de vergeten zachtheid
van een kus
een achtergebleven briefje
een stel glazen
waarin het eerste licht
de leegte beaamde
de dag nietszeggend voor de deur.

Een stilleven
tot in de puntjes
goedkope treurigheid.

Tijd  om  heimwee
met felle kleuren aan te kleden.


Een schilderij als leidraad

De parabel der blinden
Pieter Bruegel (naar)end 1500s – end 1500s

“Het was waar dat ik niet wilde leren hoe het er in de wereld aan toeging. (…) Ik verzette me tegen het imitatieve leren. Daartegen droeg ik oogkleppen, daar had zij gelijk in. Zodra ik merkte dat mij iets werd aanbevolen, alleen omdat het in de wereld zo te doen gebruikelijk was, verzette ik me en scheen ik niet te begrijpen wat men van mij wilde. Langs andere wegen kwam de wereld mij toch nabij, veel dichter dan zij en misschien ook ikzelf toen vermoedden.”

Want één weg naar de werkelijkheid leidt over schilderijen. Een betere weg bestaat er volgens mij niet. Je houdt je aan hetgeen niet verandert en put daarmee het altijd veranderlijke uit. Schilderijen zijn netten, wat daarop te zien is, is de houdbare vangst. Er ontglipt en verrot wel het een en ander, maar je probeert het opnieuw, je draagt de netten bij je, werpt ze uit en door hun vangsten nemen ze in sterkte toe.

Belangrijk is echter dat die schilderijen ook buiten de mens bestaan, in hem zijn zelfs zij aan veranderlijkheid onderhevig. Er moet een plaats zijn waar hij, en niet hij alleen, ze in ongerepte staat kan vinden, een plaats waar iedereen die onzeker wordt ze vindt. Als hij voelt dat zijn ervaring zich op een hellend vlak bevindt, dan wendt hij zich tot een schilderij. Daar houdt de ervaring stil, daar kijkt hij deze in het gezicht. Daar vindt hij rust in de kennis van de werkelijkheid die zijn eigen werkelijkheid is, hoewel deze hier voor hem werd veraanschouwelijkt. Schijnbaar zou die werkelijkheid ook zonder hem bestaan, maar die schijn bedriegt, het schilderij heeft zijn ervaring nodig om te ontwaken. Zo is het te verklaren dat schilderijen generaties lang sluimeren, omdat niemand ze kan bekijken met de ervaring die ze uit hun slaap wekt.

Sterk voelt zich hij die de schilderijen vindt die zijn ervaring nodig heeft. Dat zijn er meerdere — al te veel kunnen het er niet zijn, want hun betekenis is dat ze de werkelijkheid als één geheel bevatten; verspreid zou deze moeten uiteenspatten en wegsijpelen. Maar het mag ook niet één enkel schilderij zijn dat de bezitter geweld aandoet, hem nooit vrijlaat en hem gedaanteverandering verbiedt. Voor een eigen leven heeft iemand meerdere schilderijen nodig, en als hij ze vroegtijdig vindt, gaat er van hem niet te veel verloren.

Ik had het geluk dat ik in Wenen was toen ik zulke schilderijen het meeste nodig had. Tegen de valse werkelijkheid, waarmee men mij bedreigde, een nuchtere, starre, op profijt gestemde en benepen werkelijkheid, moest ik de andere werkelijkheid zien te vinden die ruim genoeg was om ook haar hardheden meester te worden en daartegen niet het onderspit te delven.”

(Elias Canetti De fakkel in het oor, vertaling Theodoor Duquesnoy)

“De gedachte aan blindheid had me achtervolgd sinds ik in mijn vroege jeugd de mazelen kreeg en enkele dagen het licht uit mijn ogen verloor. Nu waren er zes blinden in een schuine rij, die elkaar aan stokken of bij de schouder vasthielden. De eerste, die hen aanvoerde, lag al in de greppel, de tweede, die op het punt stond hem in zijn val te volgen, keerde zijn volle gezicht naar de kijker: lege oogkassen en een van schrik geopende mond met ontblote tanden.

Tussen hem en de derde was op dit schilderij de grootste afstand, nog hielden ze allebei de stok vast die hen met elkaar verbond, maar de derde had een ruk, een onzekere beweging waargenomen en ging met een lichte aarzeling op de punt van zijn tenen staan; zijn gezicht dat je en profil ziet — alleen zijn ene blinde oog —, verraadt geen angst, maar de aanloop tot een vraag, terwijl achter hem de vierde nog vol vertrouwen zijn hand op zijn schouder laat rusten en zijn gezicht ten hemel richt. Zijn mond staat wijd open, alsof hij van boven daarin iets verwacht te ontvangen dat aan zijn ogen voorbehouden is. De lange stok in zijn rechterhand heeft hij voor zichzelf alleen, zonder erop te steunen. Dat is de gelovigste van de zes, van vertrouwen vervuld tot in het rood van zijn kousen; de twee laatsten achter hem, allebei de trawant van hun voorman, gaan berustend zijn weg. Ook hun mond staat open, maar minder, zij zijn het verst van de greppel verwijderd, verwachten en vrezen niets en hebben niets te vragen. Als het niet zozeer om die blinde ogen ging, zou er wel het een en ander te zeggen zijn over de vingers van het zestal, ze grijpen en raken anders aan dan die van zienden; en hun voeten betasten de grond anders.” (ibidem)

Canetti beschrijft in 'De fakkel in het oor' de periode die het meest van invloed is geweest op zijn schrijverschap. In Frankfurt, Wenen en Berlijn studeert hij, leert hij politici en kunstenaars kennen, leest hij bibliotheken bij elkaar, ontmoet hij meisjes en tenslotte zijn toekomstige vrouw. In 1927 is hij getuige van de arbeidersopstand in Wenen die hem de aanzet geeft tot zijn standaardwerk Massa en Macht. Aan de vooravond van het fascisme heeft Canetti een ongewoon oor voor de geluiden die het onheil aankondigen. Hij heeft een fakkel in het oor.  (Uitgeverij De Arbeiderspers)

Eigentijdse versie van ‘Parable of the Blind’, excerpt van Hertog Nadler

Associërend met het thema zou ik graag een bijna onbekend vrij groot schilderij van Gustave van de Woestyne tonen: ‘De moedwillige blinde en de kreupele die een kindje wil leren lopen.’ (1917-1918) (208cm x 177 cm) in bruikleen gegeven uit de collectie van de Vlaamse Gemeenschap aan het Museum van Deinze en de Leiestreek in 1944.

Dit monumentale doek werd door Van de Woestyne geschilderd tijdens zijn verblijf in Wales en brengt een Bijbelse tekst in relatie met de eigen tijd, het overstijgt de louter religieuze context en brengt een wrange allegorie op de actualiteit.
Het thema van de moedwillige blinde gaat terug op de parabel van de blinden, zoals beschreven in het evangelie volgens Matteus. Bij Van de Woestyne zijn de figuren echter tot één burgerman gereduceerd, die met zijn hoed diep over de ogen, ‘blind’ in een donkere poel stapt. Uit het opschrift op de achterzijde van het doek blijkt dat Van de Woestyne de voorstelling uitdrukkelijk als moderne parabel zag en de tegenstelling tussen beide verhaallijnen sterk wilde benadrukken, met name tussen de ziende die niet wil zien, en de kreupele die, ondanks zijn handicap, anderen wil leren lopen. Door de voorstelling in de eigen tijd te plaatsen alludeerde de kunstenaar op de onbezorgde burgerij van de belle époque die in de jaren voor 1914 blind bleef voor de oorlogsdreiging, en op de door verschrikkingen getekende mens die niettemin aan een nieuwe wereld moest bouwen. 
De introspectie die van de hoofdfiguren uitgaat, weerspiegelt hoogst waarschijnlijk van de Woestynes zielsleven op dat moment. Het werk kwam namelijk tot stand toen hij met zijn gezin tijdens de oorlogsjaren naar Engeland gevlucht was.

(erfgoedinzicht.be)
Pieter van der Heyden (1551-1572)
Caption bottom:
Caecus ducem se praebet alteri caecos; / Quod saepe nunc usuuenire lugendum est. / Quid restat autem? quid? nisi ut uiae ignari, / Qua destinatum consequi scopum detur, / Tandem in patentem uterque corruant foßam?

Caption bottom:
Voÿez comment le pauure aueugle en fin le porte, / Qui sur un autre aueugle ignoramment se fie. / Il ua mal außeure quoÿ que fort il s appuÿe. / Et se tienne a son homme. Ansi par male sorte / Tombent dans le foße et luÿ, et son escorte.

Het mag duidelijk zijn dat de ‘blinde staat’ vooral op de zienden slaat om het rijmend te poneren. Velen die met werkelijk slecht zienden of blinden samenleven delen de ervaring van hun scherpe en doordachte waarnemingspatronen. Of waar Elias Canetti’s ‘leading picture’ ons kan brengen. Misschien een aansporing om zelf op zoek te gaan naar jouw schilderij(en) die je een leven lang bijblijven. Het symbolisch ogen- openend-effect van de kunst mag haar hopelijk een blijvende plaats in alle onderwijzende activiteiten geven. En zoals je lievelingsschilderijen mogen ook je lievelingsgedichten je begeleiden, dus kon Charles Baudelaire niet ontbreken. Ook hier zal het eerder over onze (ziende) blindheid gaan. Tiresias, de blinde ziener weet waarom.

Les aveugles

Contemple-les, mon âme ; ils sont vraiment affreux !
Pareils aux mannequins, vaguement ridicules ;
Terribles, singuliers comme les somnambules,
Dardant on ne sait où leurs globes ténébreux.

Leurs yeux, d'où la divine étincelle est partie,
Comme s'ils regardaient au loin, restent levés
Au ciel ; on ne les voit jamais vers les pavés
Pencher rêveusement leur tête appesantie.

Ils traversent ainsi le noir illimité,
Ce frère du silence éternel. Ô cité !
Pendant qu'autour de nous tu chantes, ris et beugles,

Eprise du plaisir jusqu'à l'atrocité,
Vois, je me traîne aussi ! mais, plus qu'eux hébété,
Je dis : Que cherchent-ils au Ciel, tous ces aveugles ?
En réalité, le poème est une invitation par Baudelaire à réfléchir à la condition du poète, et donc de lui-même. Une analyse poussée est donc nécessaire pour que le lecteur puisse comprendre le message complet de l’auteur à travers ce poème qui peut s’avérer déroutant et cruel au premier abord, puis qui s’avère en réalité ironique et sarcastique, et concerne un poète touché par le spleen. (Le blog Pimido)
L’ art celeste Odilon Redon
Laten we lichtvoetig
hoog genoeg
en met gewicht
de horizon verkennen.

Het vraagt een beetje
moed
met al onze overbodigheid
de lucht
in te gaan,
maar mijn god of goden
heerlijk
is de sprong,
telkens weer:

het soortelijk gewicht 
van dromen
voor wie
de goede trampoline vindt.

Hemel (en hel) in handbereik: Stanley Spencer (1891-1959)

The Last Supper 1920
Stanley Spencer werd in 1891 geboren in Cookham, een dorp dat hij, althans emotioneel gezien, zijn hele leven lang niet heeft verlaten. Het dorp komt herhaaldelijk voor in Spencers schilderijen: hij gebruikte vaak dorpsmonumenten als achtergrond voor religieuze taferelen en gebruikte buren en familieleden als model. Spencers geloof was intens en individueel. Zijn vader was kerkorganist, waardoor Spencer als kind in nauw contact stond met een religieuze levenswijze. Spencer behield zijn geloof zijn hele leven en verwerkte het in een groot aantal van zijn werken. (Victoria Ibett Art UK)
De Kruisiging 1958
Spencer’s painting The Crucifixion is unusual as his work tended to concentrate on love and joy and he did not like cruelty to be show in art. Spencer was commissioned to paint this for Aldenham School, and the response to it was less than positive. “When there was a public outcry against the gleeful cruelty of the tormentors he was unabashed …. When he was invited to speak to the boys [of the school] he said, ‘It is your governors, and you, who are still nailing Christ to the Cross.’ He knew that all of us have a capacity for human cruelty.” (Lenten Blog)
Christ carrying the Cross 1920
Here Spencer depicts a scene from the end of Christ’s life taking place in his own hometown. In the biblical account, Christ carries the cross through Jerusalem, but Spencer sets the scene in the English village of Cookham. Spencer believed that religious feeling was present in everyday settings and events. This painting was partly inspired by watching builders carrying ladders down a Cookham street. These figures are present in the painting, following behind Christ. The Virgin Mary sits by a railing in the foreground. The brick house is the artist’s family home.

(Tate Gallery label 2020)
Self-portrait 1914

Het buitengewoon aangrijpende schilderij van Smol in Macedonië, Travoys Arriving with Wounded at a Dressing Station at Smol, Macedonia, dat een verlichte operatiekamer toont met de gewonden op brancards buiten getrokken door muilezels, heeft een bijbelse ondertoon: de verbandplaats was een oude Griekse kerk die Spencer zo tekende dat ze, met de dierlijke en menselijke toeschouwers eromheen, zou doen denken aan voorstellingen van de geboorte van Christus. In plaats van de gruwel van de oorlog te tonen, geeft het schilderij hoop op voortzetting van het leven.

In de jaren twintig werd Spencer door de familie Behrends gevraagd de muurschilderingen te maken voor een herdenkingskapel voor hun broer Harry, die aan het front in Salonika aan malaria was gestorven. Spencer had altijd al zijn herinneringen aan de oorlog willen vorm geven en hij besteedde zes jaar aan wat door velen beschouwd wordt als zijn mooiste schilderingen in de Sandham Memorial Chapel in Burghclere in Engeland. Paul Mitchell zegt: “Misschien zou men taferelen van dood en vernietiging verwachten. Maar er is geen geweer… en slechts één officier in zicht. Als je de kapel binnenkomt, zie je voor je hoe levendige witte kruisen uit de lucht vallen en zich rond het altaar opstapelen. Soldaten komen uit hun graven als was het de dag van het laatste oordeel.

The other walls depict the everyday life that Spencer himself experienced. Even with titles such as Sorting and Moving the Kit-Bags Spencer imbues the paintings with such beauty and meaning that as he himself says, “they don’t look like war pictures, they rather look like heaven”.The everyday activities of the soldiers are transformed from banality. Saint Augustine, whom the artist had read, believed that even menial work could be a way of glorifying God. The picture is supposed to be a reflection of the general attitude and behaviour of men during the war”, when a soldier would fondly remember the “caress of a sweetheart” or “sitting in his doorway chatting to his neighbours”. For Spencer himself the five years it took to complete the works was a means to “recover my lost self”. (

(Chloe Nahum, Ph D candidate at the University of Oxford)

Spencer, Stanley; Map-Reading; National Trust, Sandham Memorial Chapel; http://www.artuk.org/artworks/map-reading-220671

Lees en kijk:

https://artuk.org/discover/stories/sandham-memorial-chapel-stanley-spencers-visions-of-war

Spencer, Stanley; Ablutions; National Trust, Sandham Memorial Chapel; http://www.artuk.org/artworks/ablutions-220659
As a devout Christian, Spencer believed in a joyful day of resurrection. Everyone would be raised from the dead to receive judgement or glory. Here he depicts this taking place in the churchyard of Cookham, the Berkshire village where he lived. God and Christ watch as people emerge from their graves. Most of the white people are local friends or specific biblical figures. By contrast, Spencer represents the group of Black people at the centre of the painting in a generalising way. They are not based on people he knew, but on images he saw in National Geographic magazine.

Tate Gallery label, December 2022
The Resurrection, Cookham 1924-7 Sir Stanley Spencer 1891-1959 Presented by Lord Duveen 1927 (klik op onderschrift om te vergroten)

Die ‘wederopstanding’ bleef in zijn werk een geliefd thema. Graag vermeld ik hier ‘Resurrection, Re-Union’ (1945), Resurrection: Tidying (1945) en Resurrection: The Reunion of Families (1945) Stel je voor…

Spencer, Stanley; Resurrection, Re-Union; Aberdeen Art Gallery & Museums; http://www.artuk.org/artworks/resurrection-re-union-107918
The Resurection. Tidying 1945
The Resurection: The Reunion of Families 1945
The resurrection-waking up 1945

Het was een droom die ik onmiddellijk herkende. Als kind en jongen woonde ik dichtbij de grote, oude -toen nog gebruikte- begraafplaats, wandel- en speeldoel die door haar vertrouwdheid weinig angst inboezemde. Werd er in school over dat’ laatste oordeel’ verteld dan kon ik mij levendig de taferelen indenken die Stanley Spencer in zijn werk verbeeldde. Als ‘oudere jongen’ treft je nog steeds de tederheid die over de dood heen geliefde wezens met elkaar verbindt en begin je te begrijpen, als je je kleindochter met vriend over hun verwachtingen hoort vertellen, dat het ’thuiskomen’ zich inderdaad langzamerhand voltrekt. al zal het dan zonder die zo mooi verbeelde uiterlijke aanwezigheid zijn. Om dat te illustreren vond ik nog een mooi werk.

Stanley Spencer. Neighbours, 1936. © the artist’s estate / Bridgeman Images. Courtesy Stanley Spencer Gallery, Cookham.
Rutger Kopland – Psalm

 
Dan zullen deze geluiden wind zijn,
als ze opstijgen uit hun plek, dan
zullen ze verwaaien, zijn ze wind.

 We hebben geademd en onze adem was
als zuchten van bomen om een huis,

 we hebben gepreveld en onze lippen
prevelden als een tuin in de regen,

 we hebben gesproken en onze stemmen
dwaalden als vogels boven een dak.

 Omdat wij onze naam wilden vinden.
Maar alleen de wind weet de plek.

 
Ga ergens in de stilte zitten. Gebruik indien mogelijk een groot scherm. Kijk dan naar dit ongelofelijk mooi werk en blijf op zoek gaan naar het mooie .
Natuurlijk is dit slechts een intro op een bepaald aspect van het werk van Stanley Spencer.  Er is nog veel te lezen en te kijken.  Zijn merkwaardig liefdesleven, zijn innigheid met het allergewoonste, zijn ontdekkingen,  zijn unieke portretten. De mystiek.
Marriage at Cana, Bride & Bridegroom, 1953

He said “…my desire to paint pictures is caused by my being unable or incapable of fulfilling my desires in life itself.”

Bij jou worden jaren tijd

Peder Severin Krøyer, Roses or The Artists Wife in the Garden, 1883, Skagens Museum, Skagen, Denmark.

Hij had zichzelf ook in de zetel naast haar kunnen zetten, maar die is leeg gebleven. Peder schildert dit tafereel -heeft het in feite al geschilderd- en de lege zetel moet daar een bewijs van zijn. Het is een mooie combinatie tussen de verleden en de voltooid verleden tijd. En ja, wij weten dat die rozen uit 1883 kortstondig bloeiden, het leven van de schilder net als het onze eindig is, maar elk ogenblik dat je dit prachtige doek bekijkt, mag je daar aan doen twijfelen.

De Deens-Noorse schilder Peder Severin Krøyer was een prominente figuur in de kunstenaarsgroep Skagen. Deze groep, beroemd aan het eind van de 19e eeuw, bestond uit Zweedse, Noorse en Deense kunstenaars. Deze kunstenaars waren gevestigd in het pittoreske Deense vissersdorpje Skagen en gebruikten stijlen die leken op die van de Franse impressionisten. Krøyer legt zijn in het wit geklede vrouw fijntjes vast terwijl ze een krant leest onder een bloesemboom in hun tuin in Skagen. 
eigen foto

Het is een te donkere dag om de tuin in te lopen, dus gebruik ik het gefilterde licht van de veranda om dit geheel toevallig tafereel op de tafel te fotograferen. (met op de achtergrond de uitgebluste roosjes van een verjaardag, een maand geleden nu.) En dan is er een heus stilleven van Adriaen Coorte, einde zeventiende eeuw, een condensatie daarvan, tijdloosheid gewaarborgd.

Een belangrijke leerling van d’Hondecoeter, Adriaen Coorte, maakt eind 17e eeuw heel bijzondere Caravaggio-achtige stillevens. Deze in Middelburg actieve schilder, schilderde met name fruit en groente tegen een vrijwel zwarte achtergrond waardoor hij unieke lichteffecten bereikte. Zijn werk is eeuwenlang in de vergetelheid geraakt, voordat hij rond 1950 werd herontdekt. (Kunstvensters 2015 Jeroen De Baaij)

Vasili Kandinsky, Grote studie, 1914, olieverf op doek, collectie Museum Boijmans Van Beuningen
Kandinsky wil intellect en emotie samenvoegen met vorm, lijn en kleur, en deze synthese tegelijkertijd bevrijden van elke objectief beschrijvende rol. 
Hij wordt daarmee de grondlegger van de abstracte kunst. 
‘Grote studie’ is een kenmerkend voorbeeld van zijn vroegere abstracte werk. Het is een luchtige werveling van kleuren, lijnen en vormen. Het expressieve handschrift is typerend voor Kandinsky's vroege abstracte werken. In later jaren gaat hij meer met geometrische vormen werken. (J.C. Ebbinge Wubben. conservator )

Kozan-JI, Myoe, mediterend
–
Als ik ben verdwenen
zul jij er nog zitten,
kleine mond gesloten,
ogen gesloten vol hemelse leegte,
je sandalen onder de boom.
–
Denk je aan iets
of aan niets, je zo dunne
handen gevouwen,
je lichaam geborgen
in het zwart
van je dracht.
–
Het snoer voor je gebed,
het kleine vat voor de wierook
hangen naast je aan een tak,
je hebt ze niet nodig,
je bent zelf het gebed.
–
Altijd als ik je zie,
is een seconde vervlogen.
Zo gaat het al eeuwen, bij jou
worden jaren van tijd.
Dezelfde twee vogels
te ver om te kennen,
de bomen die zachtjes bewegen,
steeds stiller ben je geworden,
–
wind, regen en sneeuw
zijn door de heuvels getrokken
terwijl jij er was en niet was.
Niets kan je beroeren
zo voor mijn ogen verloren
dat ik mij kan horen
vergaan.

Cees Nooteboom  Uit 'Zo worden jaren tijd' Gedichten - 2022-1955
Pieter Bruegel de Oude Philips Galle uitgever 1574 ‘De triomf van de tijd’ 30.4 cm x 21.2 cm
The Metropolitan Museum of Art

Triomf? Tempus omnia et singula consumens: de tijd verslindt alles en iedereen, of kiezen we voor de titel waarmee Cees Nooteboom een keuze uit al zijn gedichten heeft gemaakt? ‘Zo worden jaren tijd.’ Het is dan een scheppende tijd geworden, het bewaren van essenties die aan de dwingelandij van diezelfde tijd ontsnappen door zelf essenties van de tijd te worden? Essenties die we overleveren zoals we kostbare deugden als vriendschap en moed proberen door te geven? De jaren die je met elkaar hebt doorgebracht zijn tijd geworden, ja voorbij gegaan, maar blijvend in de vele kostbare herinneringen, ontmoetingen. De teruggevonden tijd om Proust te citeren, of wat daarvan aan kostbaars overblijft. De schilder sterft maar leeft in zijn schilderij, al is de zetel leeg, de schoonheid van de rozentijd, het zwijgend bij elkaar zitten terwijl het zachtjes avond wordt. Blijf bij ons, zeggen we, want het wordt donker.

Peder Severin Krøyer Marie, lezend in de tuin 1891

De hond is weg, het wordt avond. De zware geur van rozen. Weinig woorden waren nodig. Woorden in de stilte van je lectuur. Daarachter woorden van het voorbije. Woorden die je opzoeken. Een gevallen woord.

Gewoon een vermoeid woord was het,
-of het enkele weken mocht logeren
 in de stille hoeken van het huis –
er zijn als ik naar de rood verkleurende
wingerd keek achter in de tuin, of naast de kat
mocht slapen die zacht kreunend droomde,
vier witte voetjes bij elkaar, kussentjes als
uitstekende rustplaats voor een vermoeid woord.
Ook in het strijklicht van de late middag in de veranda
zou het zich ontrollen, zijn letters loslaten
in de spiegeling van het vijverwater op de zoldering.

Onuitgesproken kon het zijn klanken 
met de vroege avond laten vallen.
In het donker van mijn ogen slapen 
was veel gevraagd, maar het kon.

Van boeken bleef het ver vandaan,
het was maar een eenvoudig woord, zei het,
wars van literaire pretenties, 
maar niet zo simpel of zo slaafs als een lidwoord, 
wel te lui  voor dubbelzinnigheid.

Graag ontdaan van zijn betekenis zou het 
doorzichtig en onzichtbaar zijn, 
-ik dacht aan het volle maanlicht in het trappenhuis-
maar in haar sluimerslaap schrok de poes
toen het smartelijk om verloren letters riep.

Die nacht, in het donker van mijn ogen,
droomde ik zijn verlangen om bij het andere woord te zijn.
Met enkele krullen en wat streepjes meer
zou het van zijn woordblindheid genezen.
Een woordspeling hoefde niet, 
gewoon samen in het woordenboek wonen
zoals ‚gaandeweg’ of ‚pepermunt’.

We werden heel vroeg wakker,
droevig om elkaars tekort.
'On' en 'af', twee vermoeide woorden in een winternacht.

Wie ons verenigde, herkende wel
zijn eigen heimwee naar verloren letters en dies meer.

Onaf maar onafscheidelijk.

(Gmt Uit: ” Gevallen woorden”, enkele gedichten daaromtrent)

Marie Krøyer in the Garden at Skagen. 1892

Een beetje glans bij veel van ’t zelfde

eigen foto

In zijn fraai stevig gedocumenteerd boek ‘Echo’s echo’s, De kunst van de allusie, schrijft Paul Claes in de Proloog:

“In den beginne was het woord. Toen kwam de herhaling. De kinderen die hun ouders herhaalden, de vertellers die de verhalen van vroeger ophaalden, de schrijvers die de geschriften van de voorgangers aanhaalden.

De mythe is het woord van de oorsprong. Alleen in de herhaling blijft het bewaard, alleen in de verandering blijft het bestendig. Zonder herhaling is er geen mythe, zonder mythe geen begin. Daarom begint dit boek met een mythe, met de mythe van de herhaling zelf.

Poussin “Echo and Narcissus” 1625-1630

Er was eens een Griekse nimf. Telkens als Zeus een van haar vriendinnen opvrijde, leidde ze met haar praatjes de vrouw van de oppergod af. De godin Hera brak verbolgen haar stem, zodat de babbelaarster de woorden die tot haar gericht werden alleen nog kon herhalen. Toen werd de nimf verliefd op Narcissus. De knappe jongeman had geen oog voor haar. Zij kon enkel zijn afwijzingen nazeggen en vormde die om tot liefdesverklaringen. Narcissus werd verliefd op zijn spiegelbeeld in het water, wilde het omhelzen en verdronk. De nimf kwijnde weg en veranderde in een rots. Alleen haar stem bleef nog over. Ze kon alleen de woorden van anderen weergalmen. De nimf heette Echo. Haar woorden bereikten ons alleen als echo’s. Een van die echo’s is het verhaal zoals Ovidius dat in het derde boek van zijn Methamorphoses vertelt.

tekening van Harry Bliss

“De tragiek van de nimf Echo is die van alle sprekers, die van alle literatuur. Altijd en overal hebben dichters en vertellers andere dichters en vertellers herhaald. Dat kon niet anders, want als ze werkelijk origineel waren geweest, zou geen mens hen hebben begrepen. Het nieuwe is alleen te vatten als het door veel ouds is omringd. Zoals Narcissus is de literatuur op zichzelf verliefd. Het enige wat de literator kan doen, is de woorden die hij hoort tot eigen voordeel omvormen. Zoals Echo’s echo’s.”

(Paul Claes, Echo’s echo’s De kunst van de allusie Vantilt 2011)

eigen foto

Met die appel wordt de eeuwige echo van deze vrucht duidelijk, de appel van de appel, van de appel, enz. Net zoals wie wijzelf zijn, een mens van een mens, van een mens enz. De eeuwige herhaling als enige oplossing om de tijd te trotseren.

(...)
hij rimpelt en verkleurt,
het is een warme dag, niets grijpt om zich heen
en niets gebeurt
en een hand pakt hem op, draait hem rond
en gooit hem door het raam-
als hij zich zou kunnen verbazen zou die appel
zich verbazen en denken:
is dit nu ten einde raad,
of is dit nu de opperste verwarring?
De avond valt, wormen komen op hem af,
en hij zou denken:
als ik nog kon glanzen dan zou ik nu toch glanzen...
zijn laatste gedachte
zou dat zijn. 

(Toon Tellegen, Een langzame val  1991)
Eigen foto

Het herhalen en de moed om bij het einde te blijven glanzen, twee mooie ideeën in deze benadering van de zoektocht naar essenties. Intussen is de ‘appel-van-de-foto’ nog slechts een herinnering. Glans en smaak werden beiden zeer geapprecieerd.

Om alle Eva’s te troosten, de aanlokkelijke vrucht aan de boom van goed en kwaad die haar door de slang werd aangeboden bleek bij nader inzien geen appel. De ‘verboden vrucht’ kan het net zo goed een banaan, dadel, perzik, citroen of olijf zijn geweest. (In het oud-Engels werd het woord aeppel gebruikt als algemene benaming voor fruit.)

In teruggevonden werk van Griekse dichteres Sapho kunnen de appelplukkers de beste appel niet bereiken. Rond het teruggevonden fragment in het Grieks zijn heel wat vertaalpogingen ondernomen.

ΟΙΟΝ ΤΟ ΓΛΥΚΥΜΑΛΟΝ ΕΡΕΥΘΕΤΑΙ ΑΚΡΩΙ ΕΠ’ ΥΣΔΩΙ 
ΑΚΡΟΝ ΕΠ’ ΑΚΡΟΤΑΤΩΙ, ΛΕΛΑΘΟΝΤΟ ΔΕ ΜΑΛΟΔΡΟΠΗΕΣ 
ΟΥ ΜΑΝ ΕΚΛΕΛΑΘΟΝΤ’ ΑΛΛ’ ΟΥΚ ΕΔΥΝΑΝΤ’ ΕΠΙΚΕΣΘΑΙ

En dat klonk ongeveer als volgt:

oion to glukumalon ereuthetai akrooi ep’usdooi
akron ep’akrotatooi, lelathonto de malodropèes
ou maan eklelathont’, all’ouk edunant’ epikesthai.

Het fragment is tot zeventien keer in het Nederlands vertaald, van Herman Gorter, P.C. Boutens, tot en met Willem Wilmink

Zoals de appel rood wordt, hoog in de boom,
hoog aan de hoogste tak. Maar de plukkers vergaten,
nee, vergaten hem niet. Hij hing te hoog voor hen. 

Vlaams classicus Johan Boonen houdt het kort

In Ter memorie. Oudheid dichten en vertalen (Leuven: Garant, 1997) condenseert hij de twintig woorden van het origineel tot dertien woorden.

de appel – hoog aan de hoogste tak – de plukkers konden er niet bij

(en waar blijft de pointe Johan: ‘het-niet-vergeten’?)

Paul Claes, want van hem is het artikel in tijdschrift over vertalen ‘Filter’ jaargang 2013, ondernam ook een poging:

Het spijt me nu ook dat ikzelf Sappho’s homerische vergelijking niet in klassieke hexameters heb vertaald. Daarom stel ik u een nieuwe metrische vertaling voor: een ultieme poging om Sappho’s asymptoot te bereiken.

DE BRUID

Zoals de zomerappel hoog op een tak hangt te blozen,
hoog op de hoogste top door de appelplukkers vergeten,
nee, niet vergeten, maar onmogelijk om te bereiken…

De bijdrage is te lezen door hier te klikken:

https://www.tijdschrift-filter.nl/jaargangen/2013/201/de-appel-van-sappho-3-8/

Nog deze aanvulling uit eigen bibliotheek:

(In haar prachtig boek ‘Eros, the bittersweet’ wijdt de Canadese Anne Carson, internationaal erkend auteur en dichteres, een hoofdstukje aan dit onderwerp. Ik probeer haar Engelse versie mee te geven:

As a sweet apple turns red on a high branch,
high on the highest branch and the applepickers forgot-
well, no they didn't forgot-were no able to reach 
...

(LP, fr. 105a)  (Vertaling gevolgd door boeiend opstel in 'Eros, the bittersweet, Anne Carson Dalkey Archive Press Dublin 7de druk 2019)
eigen foto

Al van in mijn kinderjaren is de appel mij lief. Mijn eerste conflict met mijn vader was een appel-dieverij van een mooi in rijen gelegde collectie winterappels. Door er eentje weg te nemen ging de hele collectie aan het rollen en verscheen even later het gezinshoofd met de gevreesde uitroep: Wat gebeurt er hier allemaal? Een overbodige vraag maar mijn schuldige blik kon hem vermurwen. In mijn herinnering hebben we toen samen de ontsnapte appel gedeeld en opgegeten. De herinnering aan de boomgaarden in Sint Pieters Lille, beelden van zomers die nooit meer zijn na te maken. Net na het onweer in een verse oogstappel bijten, ja er bestond een paradijs. Nu nog eentje waar oudere kinderen van bijna tachtig weer mogen glanzen, net voor de nacht over de eeuwige boomgaard schuift.

Familie in de boomgaard Theo van Rysselberghe

Een paradijs hier en nu: August Macke(1887-1914)

Zelfportret 1906 August Macke

August Macke ziet geluk als leven in de kring van het gezin met zijn vrouw en twee zonen, en hij definieert kunst en leven als “vreugde brengen in de natuur”. Deze positieve instelling, vooral in Macke’s jaren in Bonn van 1911 tot 1913, krijgt een karakteristiek accent dat doorwerkt in zijn kunst. De beelden in Macke’s composities tonen variaties en veelzijdige voorstellingen van een aards paradijs. Zijn werken worden visioenen van een wereld in harmonie. En, als “liederen over schoonheid” (Macke), zijn het tegelijkertijd tegenconcepten die staan tegenover een tijdperk dat gekenmerkt wordt door technische innovatie en industrialisatie.

Zwei Frauen am Tisch (Two Women at a table)

Terwijl de grote Internationale Tentoonstellingen van de 19e eeuw in Parijs en Londen de Zuidzee en het Oosten aanwezen als verre oorden van verlangen, plaatst Macke zijn aardse paradijs in het hier en nu van de echte wereld. Alle turbulente, destructieve en negatieve elementen zijn verbannen. De tuin verschijnt als een plaats van ontspanning en comfort, als een aardse idylle. En net als zijn taferelen van geliefden en familie, worden ook de mensen en dieren in Macke’s dierentuinen weergegeven als een harmonieuze en oeroude eenheid. De vreedzame saamhorigheid van het echtpaar die in Macke’s schilderijen tot uiting komt, evenals hun wederzijdse zorg en respect, waren niet altijd te verwachten in de middenklasse van die tijd. Om de hechte band tussen het paar te typeren, introduceert hij hurkende figuren als een nieuwe vorm-vocabulaire ontleend aan het Oosten. In intieme scènes uit het dagelijks leven toont Macke ons de wereld van kinderen die op een natuurlijke en onbewuste manier in spel opgaan. De ouder-kind relatie wordt hier opnieuw gedefinieerd, in overeenstemming met een hervormde pedagogie die kinderen niet langer beschouwt als decoratieve accessoires.

(Museum August Macke Haus)

Mädchen unter Baumen 1914
Diese raumbildenden Energien der Farbe zu finden, statt sich mit einem toten Helldunkel zufrieden zu geben, das ist unser schönstes Ziel.
(August Macke 1913)
August Macke Spirit of the House, Still Life with Cat 1910
Das Kunstwerk ist ein Gleichnis der Natur, kein Abbild. [...] es ist der Gedanke, der selbständige Gedanke des Menschen, ein Gesang von der Schönheit der Dinge.
(August Macke 1913)

[...] das Rhythmische im Kunstwerk ist ein Gleichnis für das Rhythmische in der Natur selbst.
(August Macke 1913)
Kloostertuin

Macke liet zich graag beïnvloeden door andere kunstenaars. In het begin van zijn carrière was Paul Cézanne met zijn intense kleurgebruik zijn grote voorbeeld. Later Henri Matisse met zijn gebruik van  pure kleuren. Vervolgens raakte hij  zeer onder de indruk van Robert Delaunay die vergeleken met andere abstracte kunstenaars  uit die tijd  zoveel intenser met kleur omging. Macke had veel intense vriendschappen, ook internationaal. Op initiatief van Paul Klee en hun gezamenlijke vriend de Zwitser Louis Moillet ondernam Macke een drieweekse studiereis naar Tunesië, waar zij alle drie onvergetelijke aquarellen en tekeningen maakten.

(Lucie Th. Vermij)

Portrait of the artist’s wife Elisabeth Erdmann with a hat

Kubistische en futuristische stijlen openen nieuwe mogelijkheden
Industrialisatie en technische uitvindingen veranderen het uiterlijk van steden en het dagelijks leven van mensen. Rond 1911 zoekt Macke naar nieuwe artistieke middelen om deze transformatie visueel te documenteren. Hij vindt inspiratie bij de Franse en Italiaanse avant-garde: bij de kubisten en futuristen. Op een reis naar Parijs met kunstenaarsvriend Franz Marc ziet hij hun werk bij kunsthandelaren als Vollard. En ook werken van Georges Braque, Pablo Picasso en de futuristen zijn te zien in diverse kleine galerietentoonstellingen in Duitsland.

In zijn eigen tekeningen en schilderijen gebruikt Macke vervolgens stilistische middelen zoals het breken van objectvormen in afzonderlijke delen; vereenvoudiging van objecten tot lijnen; ritmische herhaling van vormen; en kleine, gehakte, geometrische fragmenten. Terwijl hij tegelijkertijd snelle, luidruchtige en pulserende hectiek laat zien, kan hij hiermee beweging illustreren als een bijna abstract patroon of als een omgeving die op zijn figuren lijkt in te storten. Talrijke one-man shows en deelnames aan tentoonstellingen in 1912 en 1913 tonen aan dat de ruimdenkende kunstwereld zijn werk verwelkomt. Maar Macke is gefrustreerd dat zijn werken niet verkopen: “Trouwens, met wat ik met schilderen verdien, zou het beter zijn om gewoon te blijven zitten en niets te doen.” (Text: Ina Ewers-Schultz Museum August Macke Haus)

Promenade
Ein Kunstwerk muss gut gelogene Natur sein, eine gut getroffene Auswahl, ein Spiegel der Empfindungen.
(August Macke um 1912)
Elisabeth, vrouw van de schilder

Wanneer Oostenrijk eind juli 1914, na de moord op de Oostenrijks-Hongaarse troonopvolger, de oorlog verklaart aan Servië, voelt Macke het einde van een tijdperk en de naderende breuk van zijn artistieke inspanningen. Er is geen ontkomen aan de onmiddellijke oproep voor het leger nadat het Duitse Rijk op 2 augustus 1914 de mobilisatie beveelt – Macke is een getrainde reservist in de rang van sergeant. Aanvankelijk is er een zekere mate van enthousiasme voelbaar – ondanks de hechte vriendschappen en banden met Franse en Russische collega-artiesten. De hoop bestaat dat de oorlog het vastgeroeste verleden wegveegt en eindelijk plaats maakt voor een nieuw begin. Maar na de eerste grote veldslag is Macke volledig gedesillusioneerd. Euforie gaat over in wanhoop gezien “de gruwel”.

Macke wordt gedood in Perthes-lès-Hurles in Champagne op 26 september 1914, slechts zeven weken na het uitbreken van de vijandelijkheden. Op de ezel in zijn atelier blijft een somber uitziend schilderij onvoltooid. Na de dood van Macke blijft Elisabeth achter met hun twee zoontjes. Ze heeft niet alleen de liefde van haar leven verloren, ze moet ook voor haar jonge gezin zorgen. Bovendien rust nu de last van het beheer van de artistieke nalatenschap van haar man op haar schouders. In een krachtige en ontroerende herdenking betreurt Macke’s vriend Franz Marc het onvervangbare verlies voor de Duitse kunst: “Met zijn dood is een van de meest veelbelovende en gedurfde ontwikkelingslijnen van onze Duitse kunst abrupt verbroken; niemand van ons is in staat deze voort te zetten.” Twee jaar later sneuvelt ook Franz Marc op het slagveld. (Text: Ina Ewers-Schultz)

Het laatste werk ‘Farewell’ nooit afgewerkt.

Intussen is Macke’s kunst zeer gewaardeerd en gewild als je de talrijke verkooppunten van copies en posters bekijkt bij zoekopdrachten. Begrijpen we elkaars kunsten-alfabet beter dan het alfabet waarmee we het oude ideaal van de machtigste-zijn beschrijven? Als huizen waarin wij wonen en dromen een doelwit zijn, hoe kun je het dan over schoonheid hebben, laat staan het mishandelde woord ‘vrede’ propageren?

August Macke, St. Mary’s with Houses and Chimney (Bonn), 1911, Kunstmuseum, Bonn, Germany.

Bezoek ook:

https://www.august-macke-haus.de/

Krieg ist von einer namenlosen Traurigkeit.
(August Macke 1913)
Dame in gruener Jacke

Kunstig in een plooi gelegd. (Artfully laid in a fold)

(eigen foto)

Op een zeteltje bij het haardvuur ligt het, schijnbaar achteloos gedrapeerd, haar leren jasje. Het ‘achteloos’ achterlaten kun je in de mannelijke vorm best als ‘neerkwakken’ omschrijven terwijl de vrouwelijke werkwijze inderdaad, hier proefondervindelijk bewezen, een onbewust ‘rangschikken’ verdient of beter nog als ‘spontaan structureren’ benoemd kan worden. Hangt een van de mouwen niet alleen loodrecht, ook het ritme van de kraagschikking zou je bijna muzikaal kunnen uittekenen terwijl de onderkant met een artistieke haarspeldbocht het monotone van de rechte lijn vervangt. Dit is wat in het Frans ’travailler le textile’ mag heten of ‘het in plooien leggen’, een activiteit die in de schilderkunst voor de nodige problemen en ingenieuze oplossingen zorgde. Ik citeer uit ‘Fashion Trends’:

"Als we aan gordijnen denken, gaan we terug naar die epische tijden van de menselijke beschaving, waar rond 3000 voor Christus in het oude Egypte, sandalen of linnen de overheersende decoratie waren. Door de jaren heen slaagden de transcendentie van cultuur en verschillende technieken er echter in om de vrouwelijke figuur te katapulteren en te beeldhouwen."
Katsushika Hokusai, Zesendertig gezichten op de berg Fuji: De grote golf van Kanagawa, Tokyo National Museum &
Alena Akhmadullina, Ready-To-Wear voorjaar 2016.

Een heus familieportret, portret van de kunstenaar en zijn vrouw in een prieel van kamperfoelie, Isabella Brant samen met haar echtgenoot Rubens, brengt kunde en kunst samen.

Tussen het jasje op de zetel en het fraaie familieportret hierboven zou je een wereld van toegepaste compositie kunnen ontdekken, een avontuur hoe de werkelijkheid in haar plooi(en) valt of erin gedwongen wordt zoals je dat nog duidelijker kunt zien in een mooi portret van de broertjes Villiers, geschilderd door Antoon van Dyck in opdracht van de Engelse koning Charles I. Het waren zonen van de vermoorde hertog van Buckingham door Charles opgevoed als zijn eigen kinderen. Ze zijn fraai ingepakt, maar je ziet dat ze poseren, dat ze liefst zo vlug mogelijk willen gaan spelen en dat is de schilder niet ontgaan. Ze zijn in meerdere betekenissen ‘in de plooi’ gelegd maar blijven heuse kinderen.

Het leren jasje waarmee ik mijn verhaal begon kwam onverwacht weer ter sprake toen ik bij de firma Levi een iconische jas ontdekte gemaakt naar het leren jasje dat ooit eigendom was van Albert Einstein, jas die ze op een veiling hadden verworven.

Einstein zou het jasje zelfs  zo vaak gedragen hebben dat een collega uit Princeton, Leopold Infeld, in de jaren 1936-1938 in zijn autobiografie schreef: "Eén van mijn collega’s uit Princeton vroeg me: 'Als Einstein zijn roem haat en zijn privacy wil beschermen, waarom behoudt hij dan zijn lang haar, draagt hij een grappig leren jasje en geen sokken, bretellen of dassen?' Het antwoord is eenvoudig; hij wil zijn noden beperken en hierdoor zijn vrijheid vergroten. We zijn allemaal slaven van miljoenen dingen… Einstein wilde dat beperken tot het absolute minimum. Zijn lange haren zorgden er inderdaad voor dat hij minder naar de kapper moest, sokken hoeven niet per se gedragen te worden en die jas lost het jassenprobleem op voor vele jaren." 

(Infeld. Quest: An Autobiography. 1965, p.293).

In een speciale doos verpakt ging die jas in 2018 zo’n $1500 kosten. ‘In een plooi leggen’ heeft duidelijk meerdere betekenissen.

Ik heb 8 jaar voor Levi’s Vintage Clothing gewerkt en verschillende variaties van de jas gezien maar nooit eerder dit model. Alleen de jas al zien en bestuderen was enorm leuk. We zijn dan ook heel blij met de kopie ervan. We presenteren de jas in een speciale doos waarop Einstein de jas draagt terwijl hij zijn pijp rookt. Binnenin zit de jas gehuld in een folie samen met een reproductie van het 'Nummer 97' waarmee we de veiling wonnen, een foto van Einstein die de jas draagt en een klein flesje met de geur die we in samenwerking met DS & Durga gemaakt hebben, gebaseerd op de geur van de jas 

(Burley tabak, manuscripten in papyrus en vintage leer)", aldus Paul O’Neill, hoofd van design Levi’s Vintage Clothing.

Er was ook een van de eerste bundels kortverhalen van Cesare Pavese met dezelfde naam naar het Engels vertaald met als titel: ‘The Leather Jacket” nu alleen nog tweedehands te verkrijgen, een auteur waarin door de gruwel van de kampen een plooi was gelegd die de tijd nadien ten zeerste bemoeilijkte.

We wandelen op een avond langs de flank van een heuvel, 
in stilte. In de schaduw van de late schemering
is mijn neef een reus in het wit
die zich bedaard beweegt, gebronsd gezicht, 
zwijgzaam. Zwijgen is onze deugd.
Een voorouder van ons moet heel alleen zijn geweest
– een groot man tussen idioten of een arme dwaas – 
om zijn nazaten zoveel zwijgen te leren. 

Cesare Pavese 
Jopie Huisman Stilleven met leren jas

Een dichtbundel van Remco Campert droeg de sprekende naam ‘Ode aan mijn jas.’ Woordprentjes.

4 (in de wind)

soms is het maar een zuchtje
dat je even streelt
als je de hoek omslaat

dan weer een woedende storm
die tegen je opbokst
maar de hoek die je omslaat
blijft dezelfde

het gebouwde houdt stand
lang nadat ik en mijn omhulsel
zijn vergaan
8 (vorm)

poëzie te schrijven
die als een jas met je meegaat

ik haat je wel eens
altijd moet ik erop letten
dat ik je niet vergeet

soms lig je te wachten
in stoffige hoeken

door jou, omhulsel,
ondervind ik het leven
aan den lijve

ik groei in je vorm
waar ik steeds meer naar sta

(bron: Ode aan mijn jas/De Bezige Bij 1997)
Hangende jas in een donker interieur Gerrit Willem Dijsselhof (1876-1924)

En er is het verhaal van Jozef en zijn broers, het verhaal uit het Oude Testament, het verhaal dat Thomas Mann herschreef in, naar zijn eigen woorden, een mythologische roman. (in vier delen). Jozef, de lieveling van zijn vader die hem een prachtige jas schenkt als teken van zijn liefde. Hoe de jaloerse broers hem aan een slavenhandelaar verkopen en de jas met bloed besmeuren zodat zijn vader denkt dat hij door een wild dier is verscheurd. Intussen echter… Te lezen in Genesis 37:32. Diego Velázquez schilderde de thuiskomst van de broers terwijl hij door Italië reisde. (1629-1631)

A Coat
William Butler Yeats

I made my song a coat 
Covered with embroideries 
Out of old mythologies 
From heel to throat; 
But the fools caught it, 
Wore it in the world’s eyes 
As though they’d wrought it. 
Song, let them take it
For there’s more enterprise 
In walking naked.
The Coat II Philip Guston
The Coat II is perhaps a bodiless and headless self-portrait. The language of Guston—worn out soles of shoes, fleshy pinks, and metallic greys—are at play in this work. This painting is part of a 1977 series “coat” paintings, and a later set of coat lithographs on the same subject.

‘A shifting otherness’,

David Smith Hudson River Landscape, 1951 (Welded painted steel and stainless steel) (126.8 x 187.3 x 42.1 cm)

Het begrip ‘shifting otherness‘ komt uit een mooi vers van George Eliot, pen-name van Mary Ann Evans. ‘I Grant You Ample Leave’

Mary Ann Evans, known better by her pen name George Eliot, was born on November 22, 1819, in Nuneaton, Warwickshire, England. She is best remembered for her novel Middlemarch (William Blackwood and Sons, 1871), regarded as one of the most important literary works of the Victorian era. She died on December 22, 1880. (Poem a day)

Ik las het op een donkere zondagmiddag als ‘gids’ voor een kleine denk-dwaal-wandeling die bij het mooie werk van de Amerikaanse beeldhouwer David Smith (1906-1955) begonnen was. Vast besloten niet te veel over beide levens van deze boeiende mensen uit te weiden liet ik me gewoon leiden door beelden en ideeën die dergelijke associaties kunnen oproepen.

David Smith (1906–1965), Zig III, 1961 (detail). Painted steel, 93 x 124 x 61 inches (236.2 x 315.0 x 154.9 cm). The Estate of David Smith, New York; courtesy Gagosian Gallery. © The Estate of David Smith/VAGA, New York. Photograph by Jerry L. Thompson
I Grant You Ample Leave
George Eliot

                              “I grant you ample leave 
To use the hoary formula ‘I am’ 
Naming the emptiness where thought is not; 
But fill the void with definition, ‘I’ 
Will be no more a datum than the words 
You link false inference with, the ‘Since’ & ‘so’ 
That, true or not, make up the atom-whirl. 
Resolve your ‘Ego,’ it is all one web 
With vibrant ether clotted into worlds: 
Your subject, self, or self-assertive ‘I’ 
Turns nought but object, melts to molecules, 
Is stripped from naked Being with the rest 
Of those rag-garments named the Universe. 
Or if, in strife to keep your ‘Ego’ strong 
You make it weaver of the etherial light, 
Space, motion, solids & the dream of Time— 
Why, still ’tis Being looking from the dark, 
The core, the centre of your consciousness, 
That notes your bubble-world: sense, pleasure, pain, 
What are they but a shifting otherness, 
Phantasmal flux of moments?—”



Ik geef je ruimschoots toestemming
George Eliot

                       "Ik geef je ruimschoots toestemming 
Om de oude formule 'Ik ben' te gebruiken
om de leegte te benoemen waar gedachte niet is; 
Maar vul de leegte met definitie, 'ik'
Zal niet meer een datum zijn dan de woorden 
Waarmee je valse conclusies verbindt, de 'Sinds' & 'dus'. 
die, waar of niet, de atoom-wervel verzinnen. 
Los je 'Ego' op, het is allemaal één web
Met levendige ether samengeklonterd in werelden: 
Je onderwerp, zelf, of zelf-assertieve 'ik'
Wordt niets anders dan een object, smelt tot moleculen, 
Wordt ontdaan van het naakte Zijn met de rest 
Van die voddenkleding genaamd het Universum. 
Of als, in strijd om je 'Ego' sterk te houden
Maak je het wever van het etherisch licht, 
Ruimte, beweging, vaste stoffen & de droom van Tijd-
Waarom, nog steeds  is het Zijn kijkend vanuit het donker, 
De kern, het centrum van je bewustzijn, 
Dat jouw bubbel-wereld noteert: gevoel, plezier, pijn, 
Wat zijn ze anders dan een verschuivend anders zijn,
Fantasie-stroom van momenten?-"

Saw Head, 1933. Iron and bronze, painted. Estate of David Smith, courtesy Tate, London “Cubes and Anarchy” LACMA
Stella Pratt-Smith, assistant professor of English at Fort Hays State University, contra Paris’s belief that the poem is simply a monologue, writes, “Comprised of a mere twenty-one lines of blank verse, ‘I Grant You Ample Leave’ is an expert contraction—a distillation, even—of the powerful realism, science and philosophy that features throughout Eliot’s novels. It is more singularly introspective than many of her other works; the focus appears to be on Eliot’s own mind, rather than the activities and thoughts of fictional characters, which makes it unusually intimate, immediate and personal. At the same time, it is also keenly scientific in its intent. [. . .] [T]he poem displays her impatience with equating brain activity too easily with the unknowns of the self, in the absence of more convenient or available explanations.” (poem-a-day )




Stella Pratt-Smith, assistent-professor Engels aan de Fort Hays State University, contra Paris' overtuiging dat het gedicht gewoon een monoloog is, schrijft: "Bestaande uit slechts eenentwintig regels blank vers is 'I Grant You Ample Leave' een deskundige samentrekking - een distillatie zelfs - van het krachtige realisme, de wetenschap en de filosofie die in Eliot's romans terugkomen. Het is meer in zichzelf gekeerd dan veel van haar andere werken; de nadruk lijkt te liggen op Eliot's eigen geest in plaats van op de activiteiten en gedachten van fictieve personages, wat het ongewoon intiem, direct en persoonlijk maakt. Tegelijkertijd is het ook zeer wetenschappelijk van opzet. Het gedicht toont haar ongeduld om hersenactiviteit te gemakkelijk gelijk te stellen met de onbekendheden van het zelf, bij gebrek aan meer geschikte of beschikbare verklaringen."

Dat ‘verschuivende anders-zijn-worden’, hoe het zowel bij de schrijfster als bij de beeldhouwer de zoektocht bepaalt. Wat je gewend bent, verschuif je of wordt in je leven voortdurend verschoven.

“Sometimes when I start a sculpture I begin with only a realized part; the rest is travel to be unfolded, much in the order of a dream.”
— David Smith

'De taal is slechts licht, dat breekt op het oppervlak van de diepte van het ongesprokene.'
Speech is but broken light upon the depth of the unspoken. 
-George Eliot alias Mary Anne Evans
Bron: Impressions of Theophrastus Such (1879)
“Er komt een verkiezing aan. Men heeft de universele vrede uitgeroepen en de vossen hebben er oprecht belang bij het leven van het pluimvee te verlengen.”

Origineel: “An election is coming. Universal peace is declared, and the foxes have a sincere interest in prolonging the lives of the poultry.”
Bron: Felix Holt, the Radical (1866)

“George Eliot of Mary Anne Evans (22/11/1819 – 22/12/1880) leefde openlijk samen met een getrouwde man, sprak behalve Frans en Duits ook Latijn, Grieks en Hebreeuws; ze vertaalde de Ethica van Spinoza; en was redacteur van het huisblad van de Philosophical Radicals voor ze op haar 40ste romans begon te schrijven: o.m. Daniel Deronda, The Mill on the Floss en Middlemarch. Boeken waarin ze via haar personages onderzocht hoe we een goed leven kunnen leiden zonder God. De mensen in haar boeken vergissen zich, spiegelen zichzelf iets voor, weten niet wat hun motiveert, en botsen zacht of onzacht tegen de werkelijkheid aan. George Eliot schreef romans vol begrip voor het menselijk gestuntel. Zijn de existentiële vragen die ze in haar verhalen gooide, nog van toepassing op ons, 21ste eeuwers?” (Kaat Wils)

Beluister een boeiende podcast bij Klara:

https://klara.be/lees/george

First Editions of George Eliot’s books

Het verschuivende ‘anders-worden’ was een vertrekpunt om twee bijzondere mensen te benaderen in de hoop dat de lezer(es), net zoals de auteur dat deed, op zoek gaat naar leven en werk van deze twee kunstenaars. Of hoe een vers en enkele foto’s je nieuwsgierig kunnen maken en je de donkere zondag met het licht van merkwaardige mensen uit verschillende tijden kunt vullen. En zoals George Eliot schrijft ‘Our thoughts are often worse than we are‘, kunnen zij gelukkig ook vele andere kanten uitgaan en ons troosten met woord en werk van zieners(essen) zoals gezegd in deze quote van George Eliot:

“In onszelf bevinden zich grote delen onontdekt land.”
 “There is a great deal of unmapped country within us.”
(bron: Daniel Deronda (1876) Book 3, Ch. 24)
Bolton Landing private property vanuit huis en art studios NY
My father put his sculptures in our fields so that he could look at each work in relation to the natural world of the mountains and sky and also to its fellow sculptures. Again and again, he referred to his "work stream"; each work of art being as a vessel filled from the stream while never wholly separate. I understand his term to mean the flow of his identity made physically manifest--the process by which images and ideas from decades or days before inform a work in progress or yet to be made. David Smith's fields as a place for the dialogue between sculptures evolved from his creative process, from an interplay between nature and the artist's own nature. The artist's identity makes its mark as a stream carves its channel into a mountainside.  

- Candida Smith (daughter)

Bezoek ook:

https://www.galleriesnow.net/shows/david-smith-four-sculptures/

Primo Piano I
Virginia Woolf : “Als we ons alles wat George Eliot aandurfde en bereikte voor de geest halen, hoe ze alle obstakels als sekse en conventie, omzette in meer kennis en meer vrijheid, moeten we alle mogelijke laurier- en rozenkransen op haar graf leggen.”

Nabijheid: 2 gedichten van Adam Zagajewski

The Old Cemetery in Łódź, photo: Tomasz Stańczak / AG

De Poolse dichter Adam Zagajewski is mij zeer nabij. Enkele dagen na zijn dood in 2021 publiceerden we een bijdrage in dit blog. ‘Maar de woorden zwijgen niet’.

In deze moeilijke tijden zocht ik opnieuw zijn gezelschap en werkte ik, zij het via een Engelse vertaling van Clare Cavanagh- aan twee mooie gedichten van zijn hand waarin het idee van ‘nabijheid’ op een bijzondere manier aanwezig is. Uit een bio die ik las in het Nexus-Instituut deze samenvatting:

Adam Zagajewski was wereldberoemd als ‘metafysische dichter’ en essayist. Hij studeerde filosofie en psychologie in Polen en verwierf in 1974 roem met zijn polemische manifest De niet voorgestelde wereld, waarin hij de literatuur een gebrek aan engagement verweet. Nobelprijswinnaars Czesław Miłosz en Joseph Brodsky beschouwden hem al in de jaren tachtig als de belangrijkste Poolse dichter van zijn generatie. In 2004 won hij de Neustadt International Prize for Literature en in 2016 de prestigieuze Canadese Griffin Poetry Prize. Met Wat zingt, is wat zwijgt (Nexus Bibliotheek, 1998) verscheen zijn werk voor het eerst in Nederlandse vertaling. Later verscheen ook Mystiek voor beginners (2003). 
Naamdag

Eens, toen ik nog studeerde, gaf ik mijn moeder
een boek over Brueghel (de vader) voor haar naamdag
en na een week nam ik het terug, met het argument dat ik
ik het nodig had voor mijn "werk" (ze lachte me uit).

Deze dagen echter dringt de moderniteit 
zelfs begraafplaatsen binnen. -niet ver van haar graf
hebben ze een candel-mate geplaatst, dat klopt, een candel-mate.
een metalen paal, een machine die kaarsen verdeelt,
je gooit gewoon twee of drie obolen in de gleuf.

De naamdag voor Ludwika kwam terug, ik ging naar die stad,
geen stad nu maar een tropisch woud van herinneringen
en mijn kindertijd sprak tot mij, elke straat
sprak, zong, misschien zelfs schreeuwde, ja,
schreeuwde, pratend over wat geweest was en wat
niet langer was, en ook zo over degenen die ik vroeger kende.

Ik wist niet zeker hoe ik moest bidden voor de doden
in zulk tumult, in de schreeuw van herinnering.
Ik plaatste een pot kleine chrysanten op de grafsteen
en begreep pas  terwijl ik naar huis ging
dat dit een gebed was geweest, deze momentele aarzeling.

Toen besefte ik ook dat ik geen pen had meegenomen
of een potlood, ik kon niet opschrijven
wat er gebeurd was, gelukkig werd ik gered
door de caissière van het tankstation, ze gaf mij
een gebruikte gouden balpen cadeau
en een ongebruikt vel A4 papier.

Ik begon snel te krabbelen en terwijl ik
onhandige zinnen  krabbelde, verschenen mijn vrienden uit het niets,
Charlie Williams en ook Tomaž Šalamun
Ik dacht dat Tomaž vooral het idee…
het idee van de balpen bij het tankstation. fijn zou vinden

Gemeend legde ik uit: "maar zo was het echt,"
en ik hoorde een antwoord: "echt,
wat betekent het echt?" (ze spraken samen,
lachend, hoewel ik weet dat hun esthetiek
in het verleden radicaal verschillend was geweest).

En niets was veranderd, niets was veranderd;
het was al donker toen ik terugkeerde naar Krakau,
de laatste dagen van augustus, maar nog steeds vrij warm,
zomer herinnerde zich zijn jeugd, zelfs de nacht
was warm en elastisch, niets was veranderd,
legers stalactieten groeiden langzaam in grotten
en satellieten die stamelend de aarde bewaakten,
en niets was veranderd, niets.
Name day

By Adam Zagajewski
Translated from Polish by Clare Cavanagh

Once, when I was still a student, I gave my mother
a book about Brueghel (the father) for her name day
and after a week I took it back, claiming I would
need it for my “work” (she laughed at me).

These days though modernity invades
even cemeteries—not far from her grave
they’ve placed a candlemat, that’s right, a candlemat,
a metal post, a machine dispensing candles,
you just toss two or three obols in the slot.

The name day for Ludwika came again, I went to that city,
not a city now but a tropical forest of memories
and my childhood spoke to me, every street
spoke, sang, maybe even shouted, yes,
shouted, talking about what had been and what
no longer was, and also about those I used to know.

I wasn’t sure how to pray for the dead
in such tumult, in the shriek of recollection.
I placed a pot of small chrysanthemums on the gravestone
and understood only going home
that this had been a prayer, this momentary hesitation.

Then I also realized I hadn’t brought a pen
or pencil, I couldn’t write down
what had happened, luckily I was saved
by the gas station cashier, she made me
a present of a used gold ballpoint pen
and an unused sheet of A4 paper.

I quickly started scribbling and while I scrawled
clumsy sentences my friends appeared out of nowhere,
Charlie Williams and also Tomaž Šalamun—
I thought Tomaž would particularly like
the idea of the ballpoint at the gas station.

I truthfully explained: “but that’s how it was, really,”
and I heard an answer: “really,
what does it mean really?” (they spoke together,
laughing, although I know their aesthetics
had radically differed in the past).

And nothing had changed, nothing had changed;
it was already dark when I got back to Kraków,
the last days of August, but still quite warm,
summer remembered its youth, even the night
was warm and elastic, nothing had changed,
armies of stalactites slowly grew in caves
and satellites stammered surveilling the earth,
and nothing had changed, nothing.


Excerpted from True Life by Adam Zagajewski. Published by Farrar, Straus and Giroux. Copyright © 2019 by Adam Zagajewski. Translation copyright © 2023 by Clare Cavanagh. All rights reserved.

'By the poem’s end “nothing had changed, nothing,” he insists. But of course it has. Some time after Adam’s death, I had the kind of dream I’ve only had about my family and dearest friends. In the dream Adam came to see me at my parents’ house in Los Angeles—Adam in the San Fernando Valley!!—where I was sitting at the kitchen table in a desperate mess of papers. I was behind, as always, and we had a reading or deadline just ahead. But Adam just laughed—he was used to my fluster. And at last I got a chance to introduce him to my sisters. I wish I could tell him that.' (Copyright © 2023 by Clare Cavanagh. All rights reserved.)

https://wordswithoutborders.org/read/article/2023-02/name-day-adam-zagajewski-clare-cavanagh/

Muziek die ik met jou hoorde was meer dan muziek . . .


Muziek gehoord met jou 
zal voor altijd bij ons blijven.

Ernstige Brahms en elegische Schubert, 
een paar liederen, Chopin's derde sonate,

een paar kwartetten met hart-
brekende akkoorden (Beethoven, adagia),

de droefheid van Shostakovich 
die niet wilde sterven.

De grote koren van Bach's passies, 
alsof iemand ons ontboden had,

die vreugde eisen, 
puur en belangeloos,

vreugde waarin het geloof 
vanzelfsprekend is.

Enkele flarden van Lutoslawski, 
even vluchtig als onze gedachten.

Een zwarte vrouw die blues zong 
ging door ons heen als glanzend staal,

hoewel het ons bereikte op de straat 
van een lelijke, vuile stad.

Mahlers eindeloze marsen, 
de trompetstem die Symfonie nr. 5 opende

en het eerste deel van de Negende 
(je noemt hem soms "malheur!").

Mozart's wanhoop in het Requiem, 
zijn levendige pianoconcerten-

jij neuriede ze beter dan ik, 
maar dat weten we allebei.

Muziek gehoord met jou
zal  steeds nog groeien met ons.

© Adam Zagajewski. 

Music I heard with you was more than music . . .

Music heard with you
will stay forever with us.

Grave Brahms and elegaic Schubert,
a few songs, Chopin’s third sonata,

a couple of quartets with heart-
breaking chords (Beethoven, adagia),

the sadness of Shostakovich that
didn’t want to die.

The great choruses of Bach’s Passions,
as if someone had summoned us,

demanding joy,
pure and disinterested,

joy in which faith
is self-evident.

Some scraps of Lutoslawski
as fugitive as our thoughts.

A black woman singing blues
ran through us like shining steel,

even though it reached us on the street
of an ugly, dirty town.

Mahler’s endless marches,
the trumpet’s voice opening Symphony no. 5

and the first part of the Ninth
(you sometimes call him “malheur!”).

Mozart’s despair in the Requiem,
his buoyant piano concertos—

you hummed them better than I did,
but we both know that.

Music heard with you
will grow still with us.

© Adam Zagajewski. By arrangement with the author. Translation © 2004 by Clare Cavanagh. All rights reserved.
I will never be someone who writes only about bird song, although I admire birdsong highly – but not enough to withdraw from the historical world, for the historical world is fascinating. What really interests me is the interweaving of the historical and cosmic world. The cosmic world is unmoving – or rather, it moves to a completely different rhythm. I shall never know how these worlds coexist. They are in conflict yet they complement each other – and that merits our reflection. (Adam Zagajewski) 

‘Wat je ook doet, doe het ten volle…’

In 1915, twee dagen na de voltooiing van zijn algemene relativiteitstheorie terwijl hij in Berlijn woonde, vertelde Albert Einstein (14 maart 1879 - 18 april 1955) zijn zoon dat de weg naar geluk lag in jezelf verliezen in creativiteit en leren door te doen.
Einsteins advies, geschreven in een brief aan zijn 11-jarige zoon Hans Albert in Zürich, waar hij woonde met zijn moeder Mileva en broer Eduard 'Tete'. Einstein, was duidelijk. Wat je ook doet, doe het ten volle en er zullen gevoelens van vreugde en voldoening door je heen stromen.
Hans Albert and Eduard (Tete) Einstein in Arosa, Switzerland Juli 1917

Mijn lieve Albert,

Gisteren ontving ik je lieve brief en was er erg blij mee. Ik was al bang dat je me helemaal niet meer zou schrijven. Je vertelde me toen ik in Zürich was, dat het lastig voor je is als ik naar Zürich kom. Daarom denk ik dat het beter is op een andere plaats samen te komen waar niemand ons comfort zal verstoren. Ik zal er in ieder geval op aandringen dat we elk jaar een hele maand samen doorbrengen, zodat je ziet dat je een vader hebt die dol op je is en die van je houdt. Je kunt ook veel goede en mooie dingen van mij leren, iets wat een ander je niet zo gemakkelijk kan bieden. Wat ik met zoveel inspanning heb bereikt is er niet alleen voor vreemden maar vooral voor mijn eigen jongens. Deze dagen heb ik een van de mooiste werken van mijn leven voltooid. Als je groter bent, zal ik je erover vertellen.

Ik ben erg blij dat je vreugde vindt in de piano. Dit en timmeren zijn naar mijn mening voor jouw leeftijd de beste bezigheden, beter zelfs dan school. Want dit zijn dingen die heel goed passen bij een jong iemand als jij. Speel vooral de stukken op de piano die je leuk vindt, ook al wijst de leraar die niet aan. Dat is de manier om het meest te leren, dat als je iets met zoveel plezier doet je niet eens merkt dat de tijd verstrijkt. Ik ga soms zo op in mijn werk dat ik de middagmaaltijd vergeet. Speel ook ringtoss met Tete. Daarmee leert je behendigheid. Ga ook wel eens naar mijn vriend Zangger. Hij is een lieve man.
Wees met Tete gekust door je
Papa.
Groeten aan Mama.

Einstein woonde in Berlijn met zijn nieuwe vlam Elsa. Mileva woonde met hun kroost in Zwitserland. Voor de relatie met zijn zoons was dat allerminst bevorderlijk. Einstein werkte daarnaast als een bezetene en had weinig tijd voor hen. “Warum hast du uns nichts weiter geschrieben?” schreef Hans Albert. Einstein vermoedde dat Mileva zijn kinderen tegen hem opzette. “Die Seele des Jungen wird systematisch vergiftet“, schreef hij verbeten in 1915 over zijn elfjarige zoon aan boezemvriend Heinrich Zangger.

Wie deze familiebrieven achter elkaar leest, krijgt een aangrijpend en spannend verhaal voorgeschoteld. Einstein wilde zo graag dat de relatie met Hans Albert verbeterde, maar dat lukte maar niet. Gelukkig volgde eind 1916 een voorlopig happy end. De echte ommekeer kwam na een vertederende brief van Einstein. Hans Albert had geschreven dat hij Latijn maar moeilijk onder de knie kreeg. Einstein schreef dat hij daar vroeger ook moeite mee had en noemde zichzelf trots een ‘Sauerkrautlateiner‘. Die geestige opmerking sloeg aan, want Hans Albert sloot een volgende brief af met ‘Deinem Sauerkrautlateiner’. Door de humor van Einstein zaten beiden dan eindelijk, na twee jaar, weer op één lijn.

Einstein onderstreepte dat door samenzweerderig te schrijven: “Solche Dick-Köpfe wie wir lernen lieber allein.” Hans Albert is een ‘Prachtskerl’, schreef Einstein aan Zangger. Zijn zoon, die later hoogleraar werktuigbouwkunde zou worden aan de universiteit van Californië, toonde daarna ook grote belangstelling voor de relativiteitstheorie. De familiebrieven zijn voor een deel verstuurd vanuit Nederland. Einstein was in Leiden benoemd tot bijzonder hoogleraar. Hij schreef aan Elsa over zijn discussies met Hendrik Lorentz en Paul Ehrenfest. Nederland sprak hem aan, schreef hij vanuit Leiden op 28 september 1916. “Die hiesigen Menschen gefallen mir durch ihr einfaches, anspruchloses Wesen und durch die hohe geistige Kultur ausnehmend.” En ook zijn ideeën kwamen in Nederland goed tot hun recht: “Meine Theorie hat hier so recht ihre Heimat gefunden.” (Robert Visscher Delta Journalistic Platform TU Delft 2006)

(‘The collected papers of Albert Einstein. Volume 10. The Berlin years, may-december 1920 and supplementary correspondence 1909-1920’, Princeton university press, 685 p., 116 euro.)

Albert Einstein

by Matthew Zapruder

only a few people 
really try to understand 
relativity like my father 
who for decades kept 
the same gray book 
next to his bed 
with diagrams 
of arrows connecting 
clocks and towers 
in the morning 
he’d cook eggs 
and holding 
a small red saucepan 
tell us his tired children 
a radio on a train 
passing at light speed 
could theoretically 
play tomorrow’s songs 
now he is gone 
yes it’s confusing 
I have placed 
my plastic plant 
in front of the window 
its eternal leaves 
sip false peace 
my worldly nature 
comforts me 
I wish we had 
a radio sunlight 
powers so without 
wasting precious 
electrons we could listen 
to news concerning 
Africa’s southern coast 
where people with giant 
colored sails 
are trying to harness 
the cool summer wind 
with its special name 
I always forget 
last night I read a book 
which said he was born 
an old determinist 
and clearly it was all 
beautiful guesses 
and I watched you knowing 
where you travel 
when you sleep 
I will never know 
Matthew Zapruder (1967) is an American poet, editor, translator, and professor.

His second poetry collection, The Pajamaist, won the 2007 William Carlos Williams Award from the Poetry Society of America, and was chosen by Library Journal as one of the top ten poetry volumes of 2006. His first book, American Linden, won the Tupelo Press Editors' Prize.[1] His most recent book of poetry, Sun Bear, brings the strangeness of poetry closer to everyday life. 

‘Confidence and exuberance’, schilder Alexander Goudie (1933-2004)

Bijna zeventien en toen al beloftevol student schilderen, tekenen en beeldhouwen aan de Glasgow School of Art, Schotland, zijn geboorteland waar Alexander Goudie in Paisley werd geboren in 1933. Niet onmiddellijk op zoek naar de persoonlijke drijfveren maar eerder geïnspireerd door grote meesters als John Lavery, George Henry en James Guthrie. De manier waarop zij olieverf gebruikten, de realistische keuze van het onderwerp, de persoonlijke verwerking van hun onderwerp, de portretten en landschappen. Het vak.

His son, painter and broadcaster Lachlan Goudie explains:
‘They studied the properties of pigments and mediums, the tension between line and colour, the methods of modelling form and transferring your lived experience onto canvas.’
Schilder en zijn gezin Portrait of the Artist and His Family
He travelled to Paris in 1953 where he was impressed by the work of Courbet and Rodin, having little interest in contemporary art movements such as Futurism and Cubism. He was mainly interested  in masterly but conventional art and spent some time in 1957 in Toledo and Madrid studying Velasquez and El Greco. He conducted an extensive painting tour of France the following year and in 1959 had his first visit to Brittany. He married Marie-Renee Dorval, a native of Brittany, in 1962.
THE STILE, BLANE SMITHY, STIRLINGSHIRE
The landscape and people of Brittany were to exert an important influence on Goudie’s work. He had a particular appreciation for the work of Paul Gaugin, who was also inspired by Brittany, and he had his first major exhibition of Breton paintings at the Scottish Gallery in 1966. He also had a career as a portraitist and he produced portraits of, amongst others, the Queen and the Lord Chancellor Lord Mackay of Clashfern. In 1970 he was elected a member of the Royal Society of Portrait Painters.
Artist and son in Kelvingrove Oil on canvas 1985

Goudie werd een prominente en charismatische figuur in de kunstwereld, gewild om zijn portretten met onder andere Lord Chancellors, zakenmagnaten, beroemdheden (waaronder Billy Connolly) en Hare Majesteit Koningin Elizabeth II, en prachtige stillevens. Door het werk dat hij in zijn atelier in een Victoriaans palazzo in Glasgow produceerde, bouwde hij een benijdenswaardige reputatie op. Maar wat tijdens zijn vroege carrière misschien minder gewaardeerd werd, was de mate waarin hij het schilderen van portretten van zakenlieden, beroemdheden en royalty’s afwisselde met het portretteren van boeren en trawlervissers in Bretagne, waar hij vanaf 1961 elke zomer twee maanden naartoe reisde.

Still Life with Bottles and Open Drawer, 1982-83
oil on canvas
H:80cm W:80cm
Still Life with Bottles and Open Drawer would have been painted in Alexander Goudie’s studio in our family home in Glasgow. My father’s elaborate and richly painted still lifes were extremely sought after. In a series of paintings in the mid 1980s he often took inspiration from the objects that surrounded him in his studio – the tools of his trade. They are, in themselves, very humble items; worn brushes, a jar of white pigment, an old copper saucepan which he would use to prepare size, when priming his canvasses. 

But in the way that Alexander Goudie painted them, each object is afforded an extraordinary, sculptural presence. The handling of the paint displays a mastery of confident and economical brushwork. Just enough detail is given to summon up each object and the palette of colours deployed is both subtle and precisely modulated. The overall effect is an image which, for me, resembles a kind of painter’s altar – a profound and powerful tribute to the artist’s craft. (Lachlan Goudie, zoon van- The Scottish Gallery)
Alexander Goudie Self Portrait
Zoon Lachlan
Toen in de tweede helft van de 20e eeuw de conceptuele kunst opkwam, bleef Goudie onverminderd vasthouden aan zijn principes van schilderkunst, vakmanschap en techniek. Zijn zoon Lachlan Goudie, zelf een bekroond media-man, auteur en schilder, zegt hierover:

'Tot zijn laatste adem was hij een onvervalste romanticus, een egotripper, een kunstenaar ondergedompeld in de traditie van de schilderkunst. Hij was een leven gewijd aan kleur en schilderkunstige flamboyantie, een oog en een hand die zijn meest gewaardeerde ervaringen met ongeëvenaarde vaardigheid documenteerde. Ik zal altijd zijn leerling zijn.' 
She Flew at Tam wi’ Furious Ettle
A collection of 54 large paintings by the late Scottish artist Alexander Goudie, depicting the story of Robert Burns’ Tam o’ Shanter, are to go on display in full for the first time since they were completed in 1996.
The paintings illustrate the story of Burn’s Tam O’Shanter and were painted by Goudie in 1995 prompted by the approaching bi-centenary of the poet’s death.
A selection of the massive paintings have been on view in Rozelle House, in Ayr, but the sheer size of the works will fill all the spaces at The Maclaurin Gallery and much of Rozelle House as well.
South Ayrshire Council said it was “a mammoth undertaking and a truly historic event not to be missed”.
The series was first shown at the Edinburgh Festival in 1996 and is acknowledged as among the very best of Scottish narrative or illustrative painting.

Goudie’s paintings were in danger of being sold off in separate lots before a consortium of Scottish multi-millionaires including Brian Souter and Tom Hunter intervened with £500,000 to keep the collection together.
The 54 paintings by Goudie, who died in 2004, aged 70, represent each stanza in the poem as Tam makes his wild, drunken ride across the Brig O’Doon, to escape pursuing witches. (The Scottish Farmer)
But left behind her ain grey tail
Hell hath no fury

Lachlan Goudie, the artist’s son son, says: “My dad was obsessed with Tam o’ Shanter and he spent decades of his life creating these images.
“Since childhood, he’d known about Robert Burns and it had been his lifelong ambition to create this complete cycle of images.”
Mr Goudie, who is a painter himself, says: “He was painting Tam o’ Shanter way beyond the point where my mother was shouting ‘enough’.
“He was a professional artist and needed to make a living and my mother looked at these terrifying huge canvasses and thought “we are never going to sell these paintings”.
He says his father was “theatrical, noisy, hilarious and sometimes terrifying” and that is exactly what comes through in the paintings.
Mr Goudie says viewing the cycle turns the black and white text of the poem into the “most vivid fireworks that you can imagine”. (ibidem)

De levensblijheid, het lak hebben aan modes en de verbinding met de eigen cultuur en tradities naast de zin voor onderzoek en liefde voor het eenvoudige, het waren elementen die mij in zijn werk aantrokken. Zeker ook de bewondering die hij levenslang opbracht voor meesters uit het verleden als voor hedendaagse kunstenaars. De vitaliteit drukte hij uit met het gezegde: ‘No one loves life more than artists’. Een uitspraak trouwens van Vincent van Gogh.

Autumn Morning Cleveden Road Atelier circa 2000
Since most of the year is spent working indoors, those annual visits are crucial - the lifestyle of a comparative recluse is exchanged for a much more gregarious existence. Here, as well as work there is living to be done and it has been my good fortune each summer to wed the two, hopefully to their mutual advantage. In any event, I have always lived through my art and in a sense to really taste life to the full I am obliged to put a line around it. Since early childhood this has been my lot, everything which excited my imagination had to be set down in pictorial terms, a magic world where a different language helps explore and explain as well as heighten the experience of living. (Goudie by himself - Alexander Goudie)

Bezoek ook: The Alexander Goudie Trust

https://www.alexandergoudie.org.uk/

Alexander Goudie Self-Portrait 1990

Bewegen en bewogen, een verkenning

De elementen: Duke Ellington’s compositie met diezelfde naam: Daybreak express als ruggegraat. Manhattan’s binnenkort verdwenen verhoogde treinlijn Third Avenue. Filmmaker D A Pennebaker. Goed en gedurfd monteren. Het jaar? 1953. Ja. Kijk nu naar deze vijf minuten mix van dat alles. Mogelijk met volledig scherm.

De Amerikaanse filmmaker D A Pennebaker - een pionier van de documentairevorm - is op 1 augustus 2019 op 94-jarige leeftijd overleden. Hij is misschien wel het bekendst om zijn speelfilms Don't Look Back (1967), een opmerkelijk portret van Bob Dylan tijdens een concerttournee op het hoogtepunt van zijn roem, en The War Room (1993), die de campagne en uiteindelijke verrassingsoverwinning van Bill Clinton tijdens de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 1992 volgde. Pennebaker, die volwassen werd in een tijd waarin draagbare 16mm-camera's met de mogelijkheid om on-the-fly sync-geluid op te nemen filmmakers een nieuwe mate van vrijheid gaven, was een van de eerste Amerikaanse documentairemakers die de instrumenten en de esthetiek van cinéma vérité (of directe film) gebruikte, waarbij de nadruk lag op het authentiek vastleggen van de werkelijkheid en het waarheidsgetrouw weergeven van verhalen.

Aeon DA Pennebaker. 13 aug 2019
David Tutwiler
September in de trein

oh, het is hier verboden te roken
verboden te roken? ja, verboden te roken,
ja, het is nu eenmaal verboden, hè,
er is anders elders nog plaats genoeg.
nou ja, ik zit nu eenmaal,
da 's waar.
als ik zit dan zit ik.

die?

  daar is het heel tragisch mee.
  die heeft z'n eigen aan de gaskraan gelegen.

je kan merken dat de vakanties afgelopen zijn,
ja, dat is geweest, niemand is meer met vakantie,
een paar nog hier en daar.
d'r zijn er nog een paar met vakantie, maar de meesten niet.
nee, voor de meesten is het afgelopen.
wat slingert dit rijtuig hè. -nou.
je kan merken dat het de laatste reis is. -ja.
ja, d'r zit niks meer achter? hè

Armando (1962)
In deze notatie van gesprekken wil Armando laten doorklinken, dat er in gewone zinnen een dreigende betekenis verborgen kan zijn. Door het annexeren van de gewone taal worden de zinnen geladen met een intense spanning. 

Als dertien-veertienjarige jongen speelde hij in de bossen om het kamp Amersfoort, een Polizeiliches Durchgangslager waar joodse en politieke gevangenen waren ondergebracht. In 1942 werden hier tientallen Russen vermoord en in een massagraf gesmeten. Een groep van 72 verzetsmensen werd er eveneens terecht gesteld. Dagelijks werden de afgebeulde gevangenen gemarteld met harde arbeid, onvoldoende rantsoenen en slopende appèls. Na de bevrijding werd op deze plek bovendien een politieschool gevestigd, zodat het knallen ook toen nog was te horen.

De herinnering aan de afschuwelijke gebeurtenissen waarmee de aan de andere kant van het prikkeldraad spelende kinderen vrijwel dagelijks werden geconfronteerd, heeft Armando nooit verlaten. (Erik Slagter  Ons erfdeel 1987)

Armando Zaun

Het thema van de Tweede Wereldoorlog en zijn ervaringen met Kamp Amersfoort waren zo prominent in zijn werk, dat Armando uiteindelijk zelfs een monument maakte om het Kamp te herinneren. Hij maakt een ladder die herinnerde aan de ladders tegen de wachttorens, maar tegelijk een symbolische betekenis had. De ladder was een weg naar het onbereikbare en toont zo de hoop en de dromen van de gevangen in het kamp.

Armando was een creatieveling die zich niet liet belemmeren door de grenzen van zijn favoriete medium. Naast schilderen en beeldhouwen, dichtte hij en schreef hij boeken. Alles om het verhaal van de agressie en het lijden te kunnen vertellen. (Kunst Vensters Jeroen de Baaij 2018)

Affect versus effect
Het belangrijkste verschil tussen de woorden 'affect' en 'effect' is dat het woord 'affect' betekent handelen naar, veranderen of beïnvloeden. Het effect daarentegen is het resultaat van de verandering of impact die heeft plaatsgevonden. Hoewel het effect als zelfstandig naamwoord wordt gebruikt, wordt affect vaker als werkwoord gebruikt, hoewel uitzonderingen in beide gevallen de overhand hebben.

Je zou ook het effect als onderdeel van een poging tot affect kunnen zien: effecten ontstaan door compositie, montage, belichting, muzikale begeleiding, enz. Een overdaad aan effecten kan voor het affect (gevoelslagen) dodelijk zijn. De boodschap verdrinkt in de effecten zonder dat ze tot het aanvoelen van het kunstwerk bijdraagt, integendeel. Het affect wordt dan tot een steriele boodschap herleid. Er kan dus heel wat bewegen zonder bewogen te worden. Een mooi voorbeeld van weinig effecten en een ruim affect.

Sneeuw

De sneeuw als verfstreek witte
 sneeuw, nauwelijks.
 Ik doe de auto weg
 wordt het dan stiller?
 Leger. Sneeuw opgewaaid
 tegen het hek, voor de auto.
 Weggeveegd, opgeveegd
 met brede kwast. Geblokkeerd.

Remco Ekkers
Harry Callahan
"The difference between the casual impression and the intensified image is about as great as that separating the average business letter from a poem. If you choose your subject selectively – intuitively – the camera can write poetry."  
Harry Callahan

Eerder dan een wetenschap doet het affect beroep op intuïtie, aanvoelen, ervaring. En eenvoudig wil niet zeggen ‘simpel’.

Lezend meisje Peter Vilhelm Ilsted (1901)
Dichtbij het licht, ver van de beschouwer.
Een beetje zon tekent vierkanten op de vloer.
Het voorbije kan nooit meer dichterbij.

Straks kijk je deze kant uit.
Honderd tweeëntwintig jaar
kostbare stilte tussen ons beiden.
eigen foto Gmt

Kies je de woorden, schrap je, herbegin je, laat het blad wit, herbegin je, omschrijf je hoe de naden van de taal het onderwerp plooibaar maken, de verbindingen met veel wit ertussen, gooien hun ankers uit om in jou hoofd aan te meren. Het effect van de rangorde, het schrappen, voortdurend schrappen van overbodig gekronkel rond de eigen kruiwiel-as. Tot er in enkele woorden het ongezegde beetje bij beetje kan bovendrijven. Helderheid. De beweging lokt bewogenheid uit. Kan het nog met minder? Tot de letters alleen nog het beeld overlaten dat je meedraagt als de helderheid van het weinig. Het atelier.

Picking the words, deleting, restarting, leaving the page white, restarting, describing how the seams of language make the subject pliable, the connections with lots of white in between, throwing out their anchors to dock in your head. The effect of ranking, deleting, constantly deleting superfluous squirming around its own creeper axis. Until, in a few words, the unsaid can surface bit by bit. Clarity. Movement provokes movement.  Could it do with less? Until the letters leave only the image you carry with you as the clarity of the little. The studio. 

Het vrij droevige verhaal van een vrolijke vliegeraar: George Robert Fitzgerald

Dit is George. George Robert Fitzgerald. Niet te verwarren met zijn nobele vader met dezelfde eerste voornaam. Vader George was de oudste zoon van Thomas die in 1747 het landgoed Turlough erfde. Hij was kapitein in het Oostenrijkse leger, in dienst van keizerin Maria Theresia. Hij trouwde met Lady Mary Hervey, lid van een belangrijke Suffolkse familie, dochter van Lord Hervey vice kamerheer van George II. Chique volk dus.

Zij trouwden in 1747 tegen de zin van haar familie, die George Fitzgerald ongeschikt achtte omdat hij van een klein landgoed afkomstig was. Ze woonden in Turlough House, waar hun zoon George Robert (1748) en broer Charles Lionel (1750) werden geboren. Ze scheidden in 1754 en Lady Mary keerde met haar twee zonen terug naar Engeland. Kijk maar eens naar het bijna totale plaatje met de vliegeraar, geschilderd door Johann Zoffany, waarschijnlijk rond 1764.

Johann Zoffany: Portrait of George Fitzgerald with his Sons George and Charles (roughly 1764)
National Gallery of Ireland and Crawford Gallery

George junior, bekend als George Robert Fitzgerald, ook wel eens in de kronieken aangeduid als ‘zoon van een beruchte schurk en magistraat die ook George heette, zie je hierboven onder een vrij bewolkte lucht zijn vlieger oplaten terwijl vader George en zoontje Charles samen met de ons onbekende hond minzaam toekijken. Een plaatje waarop toevallig mevrouw ontbreekt?

De moeder van de twee jonge snaken, Lady Mary Hervey had drie broers die elk de titel van Graaf van Bristol hadden. (-de twee eerste stierven zonder zonen-) maar heel gelukkig was ze niet met George Fitzgerald die haar in het openbaar minachtte zoals dat heet. Er volgde een scheiding rond 1750. Lady Mary nam George en zijn jongere broer Charles mee naar Engeland, waar ze als leerling het nog steeds befaamde Eton ‘bezochten’.

George ging op zijn zeventiende in het leger en had het jaar daarvoor zijn eerste duel uitgevochten. Hij maakte deel uit van het 69ste regiment dat in Ierland gelegerd was, en vocht ook daar verschillende duels uit met zowel de lokale bevolking als met zijn collega-officieren. In een van deze duels (naar verluidt om een vrouw) werd hij in het hoofd geschoten en bijna gedood, en alleen een snelle trepanatie (stukje uit de schedel verwijderen) redde zijn leven. Het is mogelijk dat dit hersenletsel zijn agressiviteit op latere leeftijd verklaart. Zijn vader was boos genoeg over het incident om hem uit zijn testament te schrappen.

Wel gehavend, maar zoals blijkt uit bijgaande publicatie uit die tijd, een knappe jonge man. Hoewel hij onder de gemiddelde lengte was voor zijn tijd en vrij lichtgebouwd, maakte hij altijd indruk met zijn gracieuze houding, en “zelfs diegenen die hem haatten verklaarden dat je ‘…een meer gepolijste en elegante heer nergens zou tegenkomen.’

Ilya Repin Eugene Onegin and Vladimir Lensky’s duel.
Duels occupied a strange position in 18th century Britain. They were not legal, nor were they illegal. Killing another person was naturally a crime, but one that carried a lesser penalty than cold-blooded murder. Those who killed their opponent in a duel faced at worst a manslaughter charge, and usually were acquitted outright unless they infringed the rules of duelling through cheating. Over the century pistols displaced swords as the weapon of choice for duelling, leading to a rise in the number of duels, but a surprising reduction in the number of fatalities. 

In the hands of an unskilled marksman, a pistol was far less likely to inflict a serious injury than a sword, and the pistols of the time were both far from accurate and often far from fatal when they struck, with the lead shot moving at a fairly slow velocity. Fighting a few duels became considered a mark of manhood, but the only thing worse for a man’s reputation than refusing to fight a duel was fighting too many duels. And in the ranks of those who went out actively seeking an excuse to put their life (and the life of their opponent) on the line, none stood higher than George Robert, the “Fighting Fitzgerald”.
(Claran Conliffe  Headstuff)

In 1770 trouwde hij met Jane Connolly, dochter van een Ierse politicus. Er was een bruidsschat van 30.000 pond mee gemoeid, een ongelofelijk hoog bedrag in die tijd. Zijn vader die in financiële moeilijkheden verkeerde zou hem, tegen een som van 10.000 pond, elk jaar 1000 pond uitbetalen en de onterving ongedaan maken. Na zijn huwelijk nam George ontslag in het leger en vertrok hij naar Frankrijk, waar hij binnen een jaar de resterende 20.000 pond door gokken verloor. Jane keerde terug naar Engeland, terwijl George nog een tijdje in Parijs bleef. Uiteindelijk kreeg hij echter last van zijn schaamteloze weigering om zijn gokschulden terug te betalen en graaf d’ Artois (de toekomstige koning Karel X van Frankrijk) liet hem uit een gokhal gooien. Het ‘aanzien’ van de Parijse ‘society’ kon hij wel vergeten. Waarom hij Charles niet voor een duel had uitgedaagd? Een gewone burger kon het niet wagen een prins uit te dagen. Hij werd gedwongen het land te verlaten.

Gokschulden zouden hem blijven ruïneren. Met een duel op de renbaan van Ascot als gevolg en daarna zijn terugkeer als paardenhandelaar naar Frankrijk. Een verslag:

De resulterende afkeuring dwong hem de Londense scene te verlaten en een terugkeer naar Frankrijk te proberen als paardenhandelaar, toestand die opnieuw werd beëindigd met een duel. Dit  met ene majoor Baggs genaamd, een voormalige kameraad uit het 69ste. Baggs had een gokhuis, en de twee kregen ruzie over de commissie die George verschuldigd was voor het in de val lokken van een naïeve jonge edelman. De twee vochten hun duel uit buiten de stad, over de grens met Oostenrijk, omdat ze in Frankrijk niet mochten duelleren. Het duel was verre van eervol - Fitzgerald gebruikte zijn favoriete truc om met uitgestrekte arm naar voren te springen en zo een kleiner doelwit te vormen, terwijl Baggs, ondanks het feit dat zijn been was gebroken door George's eerste schot, de andere man aanviel en zijn tweede pistool afvuurde. Geen van beiden werd gedood, maar beiden bleven mank achter.

We vinden hem terug in 1775 in Dublin. Zijn excentrieke gedrag begon hier echt wel op te vallen. Op straat sloeg hij pruiken van vreemden af om hen te dwingen hem uit te dagen, of hij ging midden op het pad staan zodat je door de modder moest stappen om hem te vermijden. Hij adopteerde een beer als huisdier die hij overal mee naar toe nam. Mishandeling of bespotting van het dier was een reden om tot een duel te worden uitgedaagd. Volgens één verhaal uit die tijd vocht Fitzgerald midden op de dag een degen-duel in St Stephen’s Green, tot ontsteltenis van de toeschouwers. Sommigen riepen op om hen uit elkaar te halen, maar de algemene opinie was “laat ze het uitvechten; de een zal waarschijnlijk gedood worden en de ander opgehangen voor de moord, en de maatschappij zal zich ontdoen van twee lastpakken”. Uiteindelijk werd geen van beiden gedood, hoewel één van hen (het is niet bekend wie) een wonde opliep waardoor hij een week lang niet kon zitten. In feite vermeed Fitzgerald zijn tegenstander te doden, hetzij door geluk, hetzij door de wetenschap dat de rechtbank zijn bekende temperament streng zou aanpakken.

An cartoon illustration of a late 18th century British duel. (Image: Library of Congress/LC-DIG-ds-07973 DLC)
In 1770 he married Jane, daughter of William James Conolly and Lady Anne Wentworth, by whom he had a daughter, but the marriage effectively ended as soon as he had spent her dowry. Jane died in 1780. Her widower posed as being inconsolable with grief, which struck most people as absurd, considering how much he had neglected her. He later remarried Sydney Vaughan, only daughter of Matthew Vaughan of Ballina, County Mayo. His daughter was raised by relatives in England; she died in 1794, reputedly from the shock of reading about her father's exploits, of which she had been kept in ignorance, in a magazine. (Wikipedia)

Het uitvoerig verhaal staat bol van herhalingen. En het einde vermoedt de lezer nog voor hij halfweg dit leven van steeds weer uitdagen en uitgedaagd worden heeft doorploegd. George Robert Fitzgerald wordt opgehangen voor samenzwering tot moord op 12 juni 1786.

Bij de eerste poging brak het touw. Hij grapte dat de rechtbanken van Mayo te gemeen waren om zich een touw te veroorloven dat sterk genoeg was om hem op te hangen, maar het vervangende touw bleek meer dan geschikt voor de klus. Zijn lichaam werd naar Turlough House terug gedragen en de woning opnieuw geplunderd door de lokale bevolking. Dat gebeurde zo grondig dat er geen enkele kandelaar was overgebleven, en zijn weduwe gedwongen was kaarsen in flessen te gebruiken om zijn wake te verlichten.

Lees uitvoeriger:

https://nzetc.victoria.ac.nz/tm/scholarly/tei-Stout40-t34-body-d2.html.

Scroll nu even terug naar boven. Naar het jongetje met de vlieger. Het is intussen wetenschappelijk duidelijk geworden dat hersenbeschadiging door val of trauma ernstige veranderingen in het gedrag van de getroffene kan teweegbrengen met persoonlijkheidsveranderingen als gevolg. Talrijke voorbeelden uit de literatuur bevestigen deze stelling. Het is een bedenking. Er is natuurlijk ook de omgeving. Vader George was niet dadelijk een goed voorbeeld. Er is de tijd. De achttiende eeuw waarin de ongelijkheid van bestaansmogelijkheden determinerend kan zijn wat ‘de goede afloop’ betreft. De middenklasse komt pas in de 19de eeuw aan bod.

Hoe sterk is het touw? Hoe geduldig is de lucht? Hoe verwoestend of bevrijdend de wind? Hoe groot het verlangen het touw te lossen? Of zelf de lucht in te gaan? Of aan het touw te bengelen?

a 19th century Tassel carved to represent a boy holding a Kite (Japan) | collection of the Salar Jung Museum, Hyderabad