Je zou bij verjaardagen het beeld hierboven kunnen gebruiken, het wiel van Rosmalen. Ik lees in ‘Historiek’:
"Het Wiel van Rosmalen is een kunstwerk van Armando (pseudoniem van Herman Dirk van Dodeweerd), dat in 1992 vlakbij een zandverstuiving in de Noord-Brabantse plaats Rosmalen werd geplaatst. . Het zwartbronzen kunstwerk staat ook wel bekend als het Wiel van Armando. "
Zelf schreef hij in 1992 over het karrenwiel:
Het wiel van Rosmalen zal geen gaaf wiel zijn Een wiel dat ‘schuldig’ en ‘onschuldige’ voertuigen voortbewogen heeft. Dat kanonnen moest voortslepen, maar thans tot rust is gekomen. Het wiel van het slagveld, maar ook het wiel als rad der geschiedenis. Overwonnen beweging. Gestolde kracht. Een wiel dat wellicht tot inkeer is gekomen.
Deze tekst is ook op de sokkel van het kunstwerk te vinden. Het kunstwerk van Armando vertoont gelijkenissen met het kleinere sculptuur Feldzug dat sinds 1989 bij de ingang van de begraafplaats Rusthof in Leusden staat.
‘Feldzug’, kunstwerk van Armando te zien bij de begraafplaats Rusthof in Leusden (CC BY-SA 3.0 – Willemnabuurs – wiki)
‘Ik heb in mijn werk steeds een voorkeur gehad voor eenvoudige vormen en begrippen: landschap, boom, vlag, ladder, kop. En de laatste jaren het wiel. Maar ik stel me niet tevreden met de simpele, schone vorm. Een kunstenaar put uit jeugdervaringen en die moeten de vorm lading geven. In mijn jeugd stond de wereld in brand. Er was een vijand en zijn strijdwagens denderden over ons land.”
(Armando)
Dus, lotgenote mag ik met jou de stad herinneren waarvan ‘de strijdwagens’ dachten dat het voor duizend jaar hun hoofdstad was? Berlijn. Wij hebben er geleefd en gewerkt. En het wonderlijk wiel dat herinneren heet, draait het voorbije naar de rand van ons leven . Geboren onder hun grootspraak, het jaar nul van Europa, hebben wij er later verbindingen gevonden waarin beelden, verhalen en vertellingen hoor- en zichtbaar werden terwijl de Muur nog de wielen blokkeerde, maar de gedachten hun gangen gingen en je daarna met alles wat wielen had Oost en West kon bereizen. Dachten we. Hoopten we.
Soviet troops at the eastern boundary of Berlin, Germany, near the end of World War II in Europe. Photograph, 22 April 1945.
En tot in de eurolotterij geëerd, al mag de kans tot ‘fortuin” vrijwel minder dan nul zijn, het zit in de genen dit ‘Rad van fortuin’, een vreselijk wiel waarvan het draaien zelfs de politiek kan bepalen. (naar men zegt…)
Uit: Des faits et dits mémorables. 1413 Valerius Maximus.
En dan wordt hij koning en zit op zijn troon, de omwenteling verloopt zo schoon, hoog op het rad der geschiedenis droomt hij dat hij een godje is, hij klapt in zijn handjes maar dat is dom want dan draait het wieletje nog eens om.
(Uit .W. Schulte Nordholt, Contrafacten – gedichten op reis en thuis (Baarn, z.j.) p. 20-21 )
Fresco in Tingsted (Denemarken) – het ‘rad van fortuin’ of het ‘wiel des levens’. wikimedia. De teksten – met de wijzers van de klok mee: regnabo, regno, regnavi, sum sine regno. (ik zal heersen, ik heers, ik heb geheerst, ik ben zonder koninkrijk
Orffs muziekstuk viel goed in de smaak bij iedereen, ook bij de Duitse nazi’s. Dat was volgens sommige historici wellicht zijn redding, want Orff stond binnen nazikringen op dat moment niet erg goed bekend. Integendeel, hij stond bekend als links, en verschillende leden van de nazipartij vonden daarom dat zijn werk niet verder verspreid zou mogen worden. De Carmina Burana bracht daar verandering in: het werd een bekend stuk in de kringen van de nazi’s en ze behandelden het als een kenmerk van ‘jeugdcultuur’ in het Derde Rijk. De krant van de Nazi’s, de Völkischer Beobachter, noemde Orffs cantate ‘het soort heldere, stormachtige en toch altijd gedisciplineerde muziek die onze tijd nodig heeft’. (IsGeschiedenis)
Hij werd na de oorlog wegens zgn. nazi-sympathië voor de rechtbank gebracht maar wist zich voldoende te verdedigen om in eer hersteld te worden.
Werken met film en geluid veranderde wezenlijk tijdens onze levensloop. Waren het eerst nog de ‘wielen’ waarrond pellicule (celluloid) of magneetband was gewikkeld, -monteren betekende vooral ‘knippen en plakken- weldra verschenen de digitale mogelijkheden met de CD als overgang- en daarna de harde schijven die de montage via computer mogelijk maakten waarbij het ‘bewaren’ voor weer andere problemen zorgde omdat programma’s snel verbeterden en nieuwe versies de toegang tot vroegere edities bemoeilijkten.
Bijna dertig jaar geleden (1996) schreef Marcel Cobussen in De Groene Amsterdammer een tekst: ‘De terreur van het oog’. Een fragment:
"De pianist die in de beginjaren van de film, toen nog zonder geluid, de beelden auditief ondersteunde, deed dit volgens de Duitse filosoof Theodor Adorno om de angst bij het publiek weg te nemen. De abnormale stilte - doorgaans associatief verbonden met onbeweeglijkheid - van de stomme film stond in een dreigend contrast met de weergegeven bewegende visuele werkelijkheid. Wanneer het oor niets hoort, lijkt het oog ten prooi aan angst en onzekerheid. De begeleidende (film)muziek diende om gerust te stellen, op dezelfde manier als een kind dat fluit in het donker. Op onderdanige wijze, zich terdege bewust van zijn ondergeschikte positie, is geluid hooguit een medicijn voor het beeld. Ik heb besloten dit de terreur van het oog te noemen."
De terreur van het oog DGA 10 januari 1996 Marcel Cobussen
Titiaan “Cupido met het wiel van de Tijd.” 1515-1520
Die ‘strijd’ hebben wij, denk ik, heel anders aangevoeld. Zocht ik vaak ‘geluidslandschappen’ (soundscapes) op, naar inspiratie van de Canadese componist Murray Schafer, jouw beelden lieten kijkers luisteren en begrijpen naar wat andere mensen als levensbelangrijk hadden ervaren. Een fraaie kruisbestuiving. Vaak verbond muziek de werelden van zien- en luisteren. Tijd om geluid en beeld in een mooie vriendschap te verbinden en je hiermee een gelukkige verjaardag te wensen.
En ‘Helena, de cassettes en de kinderen’, een radioportret uit de vroege jaren tachtig, voor wie -nu het frisser en vroeger donker wordt- knus wil luisteren, de herfst tegemoet.
Mijn zoon Georg Johann is op 4 janauri 1903 in Hermaringen, district Heidelhem, geboren. Hij is de oudste van mijn kinderen.
Mijn moeder woonde toen nog bij haar ouders; die waren wagenmakers en ze hadden ook een klein boerenhof. Een jaar na mijn geboorte zijn ze getrouwd. Ja, toen werd ik wettelijk.
Een volgzame jongen, zorgde nooit voor problemen. Tamelijk rustig - volgens ons te rustig.
Mijn hele jeugd heb ik in Köningsbronn doorgebracht. Met vijven waren we.
Ook op school heeft mijn broer zelden vrienden gehad. Eén keertje maar: de blinde pianospeler van de dansschool. Waarschijnlijk voor de muziek.
Toen Georg nog naar school ging, heeft hij eens een dorsmachine gebouwd en die dan aan de naaimachine van moeder gekoppeld. We hebben er koren in gedaan en echt gedorst.
Ik ben in april naar de Bodensee getrokken. Ik had in de fabriek waar ik eerst werkte een schrijnwerker leren kennen. Leo. Hij speelde klarinet in zijn vrije tijd. In feite wou hij naar Konstanz; daar kon hij dan lid worden van een muziekvereniging. Zo begonnen we in augustus 1925 beiden in de uurwerkfabriek in Konstanz te werken. Als schrijnwerkers natuurlijk. Ik heb toen ook een cither gekocht. Voor 20 Mark. Ik werd lid van de volksdansgroep ‘Obereinthaler’. Elke zaterdag oefenden we in het stamcafé ‘Zum Kratzer”.
In Konstanz leerde hij nogal wat meisjes kennen. Mathilde. Een dienster. Ja, dat had ook gevolgen. Er kwam een kind van. Een jongen. Manfred. Nu 9 jaar. Ik heb altijd gewild dat hij later bij mij zou komen wonen.
Ik heb altijd voor de KP gestemd. Van in het begin had ik niet veel sympathie voor de Nazi’s. Ik dacht, de KP dat is een arbeiderspartij. Op bijeenkomsten die ik meemaakte werd er alleen over loon gesproken- dat het hoger moest zijn, en over betere woningen en van die dingen.
Als Ortsgruppenleiter heb ik meegemaakt dat Elser bij de 1ste mei-parade zich vlakbij de vlag omdraaide en wegliep. Dat zegt nog niet weel maar ik dacht toen al: dat is geen man voor het Derde Rijk.
Sedert de machtsovername door de Nationaalsocialisten liggen de lonen lager. Zo lang ik in de uurwerkfabriek in Konstanz werkte, kreeg ik gemiddeld 50 Mark per week. Van die 50 werden er 5 afgetrokken voor belastingen, ziekenfonds, werklozensteun en het invalidenfonds. Wie in 1938 25 Mark per week verdiende moest echter evenveel inleveren. In 1929 kreeg een schrijnwerker één Mark per uur. Vandaag verdient hij 68 Pfennig per uur.
Over politiek heeft mijn broer Georg nooit gesproken. Maar Hitler kon hij niet verdragen. Als Hitler in de radio sprak, verliet hij de kamer.
Sinds Hitler aan de macht is gekomen staan de arbeiders onder dwang. Zij mogen niet meer van werk veranderen als zij dat willen. Door de Hitlerjugend zijn zij ook geen baas meer over hun kinderen. En ook op godsdienstig vlak doen zij niet wat zij goeddunken. De arbeiders zijn woedend op de regering. In 1938 waren de arbeiders ervan overtuigd dat er een oorlog zou komen. Met de Sudeten-crisis heb ik dat ook gedacht, dit loopt slecht af. Ik was er zeker van dat het niet bij het verdrag van München zou blijven en Hitler tegenover andere landen ook nog eisen zou stellen. Hij wou meer landen inlijven. Een oorlog was dan niet meer te vermijden. Ik heb altijd met die gedachte geleefd. Ik heb er dus over nagedacht hoe men de situatie van de arbeiders zou kunnen verbeteren en hoe we de oorlog zouden kunnen vermijden. Ik ben tot het besluit gekomen dat er alleen iets kan veranderen als het huidige bewind verdwijnt. Hitler, Göring en Goebbels. Hoe er dan plaats is voor een andere regering. Een regering die aan het buitenland geen onmogelijke eisen zou stellen, die geen vreemd land wil inlijven. Een regering die meer bekommerd zou zijn om de sociale situatie van de arbeiders. Ik kon het niet meer uit mijn hoofd zetten. Uiteindelijk besloot ik zelf het driemanschap te liquideren.
Mijn broer heeft zich altijd met problemen beziggehouden die bij een ander nooit zouden opkomen. En hij loste ze ook op, dat wel.
Ik nam mijn beslissing in de herfst van het jaar ’38.
Als Georg iets in zijn hoofd had, dan moest dat ook gebeuren. Of dat moeilijk was kon hem niet schelen. Hij was een keikop.
Ik las in de krant dat de volgende bijeenkomst waar de Führer bij zou zijn in de Bürgerbräukeller plaats vond. Op 8 en 9 november. Een herdenkingsfeest voor de oud-strijders. Daarom reed ik op de 8ste november naar München. Met de trein. ’s Namiddags was er gelegenheid om de Bürgerbräukeller te bezichtigen. Ik ging er naartoe. Ik bekeek de zaal en kreeg te horen waar het spreekgestoelte stond.
Het vaandel hing altijd aan dezelfde zuil waar Hitler zijn toespraak hield. Het zag er al jaren ongewassen uit. Vaak kwamen er vrouwen om bloemen op de vlag te steken of om de vlag te kussen. Wij, diensters, wij stonden er dikwijls mee te lachen. Er zijn ook wel eens vrouwen die het glas wilden kopen waaruit Hitler had gedronken. Ik had er een fortuin mee kunnen verdienen.
In de loop van de volgende weken bedacht ik dat het goed zou zijn springstof te bevestigen in de zuil die achter het spreekgestoelte stond. Die springstof moest ik dan met de hulp van een of andere installatie op het juiste moment tot ontploffing brengen. Toen het ongeveer duidelijk was hoe de constructie van het apparaat er moest uitzien -ik had al een schets gemaakt- wist ik dat ik ook de juiste maten van de zuil moest hebben. Daarom ben ik in april nog eens naar München gereden. Terwijl ik in het Bürgerbrau-restaurantje iets at kwam ik in gesprek met de knecht van de Bürgerbräukeller. Hij vertelde mij dat hij waarschijnlijk zou opgeroepen worden voor zijn militaire dienst. Ik moest niet lang nadenken om te beseffen dat, indien ik zijn job kon overnemen, het mijn plan zou helpen slagen. Daarom heb ik hem meer dan eens gevraagd met mij een biertje te drinken op mijn kosten. Hij zou mij schrijven, zei hij. Maar ik heb nooit nog iets van hem gehoord. Enkele dagen na mijn terugkeer uit München kreeg ik een job in de steengroeven van Köningsbronn.
Het heeft mij verbaasd dat hij, die toch een degelijke stielman was, als gewone arbeider in de steengroeven is gaan werken. En hij had nog net zo'n prachtig naaikastje voor mij gemaakt.
Het was voor mij de plaats waar ik springstof zou kunnen vinden voor de aanslag. Ik wist dat men daar ging dynamiteren.
Mij persoonlijk is het niet opgevallen, maar mijn ploegbazen is het wel opgevallen dat Elser veel interesse had voor het dynamiteren.
De springstof werd in een betonnen huisje vlakbij de steengroeve bewaard. Met een sleutel uit het huis van mijn ouders in Köningsbronn geraakte ik binnen . Ik ben ’s nachts -ik geloof zes keer- springstofpatronen en capsules gaan halen, ze in een rugzak naar huis gedragen. Daar heb ik ze in een houten koffer met dubbele bodem bewaard. Hij stond naast mijn bed en was altijd op slot. De sleutel droeg ik steeds op zak. De zestiende mei had ik in de steengroeve een arbeidsongeval.
Elser stond aan de band. Ik heb gezien dat hij een zware steen optilde en dat hij die op zijn voet liet vallen.
Mijn voet zat tot boven de enkel in het gips maar ik moest niet opgenomen worden. Tijdens mijn herstelperiode heb ik mij vooral beziggehouden met de constructie van mijn apparaat; ik tekende de hele tijd. Ik heb alle mogelijkheden van zo’n ontploffing bestudeerd. Daarna heb ik in een afgelegen boomgaard in Köningsbronn een experiment gedaan en vastgesteld dat ik met de patronen een capsule kon aansteken. Ik heb het experiment regelmatig herhaald. Pas wanneer het drie-vier maal na elkaar lukte, was ik tevreden. De vijfde augustus kwam ik in München aan. Ik huurde een kleine kamer in de Türkenstrasse 94/11. Bij behanger Lehmann. Ik betaalde er 17,50 Reichsmark voor, zonder ontbijt. Ik vertelde de familie Lehman dat ik aan een uitvinding werkte en dat ik daarom naar München was gekomen.
Hij had een paar zware kisten meegebracht. Mijn man heeft hem nog geholpen om ze in de kelder te dragen. Eén houten kist moest naar boven. Maar ze kon niet in zijn kleine kamer, daarom hebben ze wij ze op de overloop gezet.
Ik zei dat er tekeningen voor mijn uitvinding in zaten en dat ik bezig was met een soort uurwerk dat ’s morgens niet alleen wekt maar ook het licht doet aangaan. De derde of vierde nacht na mijn aankomst in München ben ik in de zaal aan het werk gegaan. Tussen 20 en 22u. ging ik naar gelagzaal van de Bürgerbräukeller. Ik gebruikte er mijn avondmaal.
Ja, meneer Elser was een stamgast. Hij at elke avond maar dronk er nooit iets bij. Hij was nogal armoedig gekleed. De dagschotel kostte bij ons 60 reichspfennig. Daar liet hij altijd nog een portie van over. Meestal van het vlees of van de worst. Dat gaf hij dan aan de waakhond Ajax waarmee hij vriendschap had gesloten.
Rond 22 uur betaalde ik meestal en verliet ik de gelagzaal. Ik ging naar de garderobe in de grote zaal die nog niet afgesloten was. Langs de trap achteraan kwam ik op de galerij en daar verstopte ik me in een bergplaats. Ik bleef er zo lang tot de grote zaal gesloten werd. Meestal tussen 22.30 uur. en 23.30 uur. Voordien had de toiletjuffrouw nog de katten eten gegeven maar op de galerij kwam ze nooit. Daarop draaide ze de sleutel drie keer om.
Ik bleef de hele nacht in de zaal. Tussen 7 en 8 werd ze weer opengemaakt. Tussen twee en drie uur stopte ik meestal met mijn werk. Daarna ging ik naar de bergplaats om er op een stoel wat te knikkebollen. Ik was meestal tamelijk moe omdat ik de hele tijd -verstopt onder een tafel- op mijn knieën moest werken.
Op een morgen kon meneer Elser niet opstaan. Ik vroeg of ik een dokter moest halen. Maar hij zei dat zijn knieën alleen maar een beetje ontstoken waren. Dat zou overgaan. Ik heb te veel gelopen, denk ik, zei hij.
Eerst zaagde ik een deel van een plank van de zuilbekleding zodanig uit dat ik er een deurtje van kon maken. Je kon niet zien waar ik had gezaagd. Daar had ik drie nachten voor nodig. Het had echter het voordeel dat ik altijd direct met mijn werk kon beginnen als ik het deurtje had geopend en dat ik bij het einde van mijn nachtelijk werk de deur maar hoefde te sluiten om mijn bezigheden binnen in de zuil volledig te verbergen. Het overige werk voerde ik met de beitel en de beitelboor uit want binnenin was de zuil uit baksteen. Eerst moest ik de bepleistering verwijderen op de bakstenen. Omdat het minste gerucht in de lege zaal ’s nachts geweldig weergalmde, moest ik zeer voorzichtig zijn. Daarom duurde het werk ook zo lang. Wilde ik er een steen uitnemen dan wachtte ik tot ik in het toilet van de Bürgerbräukeller de automatische spoeling hoorde. Dat was ongeveer om de tien minuten het geval en het duurde maar enkele seconden. Daarna moest ik weer wachten tot het spoelsysteem werkte. Pas op het eind van oktober was ik met het uitbreken klaar. Ik kon trouwens maar werken bij het licht van een afgedekte zaklamp. Puin en stenen heb ik opgevangen in een zak die ikzelf had gemaakt van een handdoek. Was de zak vol dan heb ik de inhoud in een kartonnen doos gekieperd die ik altijd in de bergplaats op de galerij liet staan. Die valies maakte ik leeg op een terrein achter het zwembad aan de Isar. Overdag werkte ik aan de definitieve en precieze constructie van mijn machine. Eind oktober kon ik pas de precieze grootte ervan vaststellen na het beëindigen van het breekwerk.. Het was voor mij duidelijk dat ik een klok nodig had om de ontsteking op een vooraf bepaald tijdstip te kunnen vastzetten. Een paar van dergelijke klokken had ik bij mijn weggaan uit de firma in Konstanz in het voorjaar van 1932 mee gekregen.. Eén klok was niet genoeg, dus om het welslagen van mijn plan niet aan het toeval over te laten heb ik nog een tweede klok aangesloten. De twee klokken hadden elk een looptijd van zeven dagen. Ik kon dus 144 uur op voorhand het moment van de explosie vastleggen op een kwartier na. De eerste november bracht ik het ontstekingsmechanisme en de springstofhouder in de zuil aan. De tweede november vulde ik die met springstof. De derde november had ik de twee klokken ingepakt en wou ik ze naar de zuil brengen, maar op die avond was de ingang die ik altijd gebruikte gesloten. Ik bleef dus maar de hele nacht in de tuin van de Bürgerbräukeller onder een afdak waaronder ook biervaten waren opgestapeld. De volgende nacht, het was een zaterdag, vond ik de Bürgerbräukeller een dansavond plaats. Ik kocht een toegangskaartje, ging de zaal in en trok recht naar de galerij waar ik de klokken in de bergplaats verstopte, vlakbij het muziekpodium en vandaar bekeek ik de dansers. Na afloop trok ik mij weer in mijn schuilplaats terug en wachtte ik een half uur tot er zeker niemand nog in de zaal was. Toen ik echter de klokken in de zuil wilde inbouwen stelde ik vast dat de ruimte daarvoor te smal was. Ik heb mijn klokken maar weer ingepakt en gewacht tot het morgen werd. Thuis heb ik de klokken dan afgerond en geveild. Op zondag 5 november terug naar de Bürgerbräukeller waar weer gedanst werd. ’s Nachts plaatste ik de klokken die deze keer pasten. Tot slot moest ik de klokken die bij het transport waren blijven staan weer op gang brengen en juist afstellen. Op 6 november was ik daarmee klaar, ’s morgens om zes uur.
Mijn man en ik hebben Georg gevraagd wat hij eigenlijk van zin was. Hij zei alleen dat hij vlug weg moest zijn. Waarschijnlijk naar Zwitserland. Toen we het hem vroegen waarom, heeft hij alleen maar gezegd:"Ik moet." Dan heeft hij nog gezegd: er is niets aan te doen.
Van het station ben ik regelrecht naar de Bürgerbräukeller gegaan. Ik heb ’s nachts alleen alles nog eens gecontroleerd. De klok werkte. De volgende morgen kocht ik een reiskaartje derde klas naar Friedrichshafen. Ik kon niet langer in Duitsland blijven. Ik wou in Zwitserland zijn voor mijn klokken het ontstekingsmechanisme in gang zouden zetten. Zwitserland. Ik kende de. grensovergangen naar Zwitserland sinds ik in Konstanz had gewerkt. Ik bereikte Konstanz met de stoomboot. Het was acht uur.
Toen Hitler zijn redevoering begon stond ik met een paar collega's buiten aan het toilet een sigaret te roken. We bleven staan ook toen het Deutschlandlied werd gezongen. Pas toen we hoorden dat er stoelen werden verschoven zijn we weer in de zaal gegaan. Vroeger ging Hitler na zijn redevoering naar boven, naar de kleine zaal waar er veel van zijn oud-strijders zaten -ongeveer vijfhonderd- die hadden zijn redevoering alleen via de luidsprekers gehoord en ze hadden hem dus niet direct kunnen zien. De 8ste november 1939 trok Hitler echter niet meer naar boven. Hij verliet direct na de redevoering die veel korter was dan anders de grote zaal door de hoofdingang. Hij had haast, zeiden ze later. Hij moest zo vlug mogelijk met de trein naar Berlijn en dat hij eigenlijk niet naar München had willen komen deze keer omdat de generaals moeite hadden met de aanvalstermijn in het Westen. Daarom was hij ook vroeger met zijn toespraak begonnen en had hij zo snel gesproken. Toen hij met zijn staf weg was, wilde ik net de tafel afruimen, vlak voor Hitler zijn zuil. Toen ik tien kruiken wilde meenemen was er een luchtverplaatsing die mij naar de uitgang smeet. Stenen vlogen boven mijn hoofd, overal puin en een stofwolk liet mij bijna stikken. Achter mij was het hele plafond ingestort. Acht doden waren er en meer dan zestig gewonden.
Dat heb ik niet gewild- dat heb ik niet gewild!
Het was ongeveer 20.45u. We zaten voor het open raam van het Wassenberghuis toen we de man zagen. Mijn collega sprong recht en riep naar de man. Die deed nog een paar stappen van de perelaar tot aan de appelboom en dan bleef hij staan. Mijn collega vroeg wat hij hier te zoeken had. De man zei dat hij verdwaald was.
Ik werd door een ambtenaar die mij eerst alles afnam wat ik bij had naar een dienstvertrek gebracht. Daar werd ik gearresteerd.
In de zakken van de gearresteerde werd het volgende gevonden: 1 nijptang, 1 harde worst, enkele muntstukken, enkele stukjes metaal, spiraalveertjes, bouten en schroeven en ook een onbeschreven prentkaart van de zaal van Bürgerbräukeller in München.
Wat ik toen heb gedaan weet ik niet meer
Hij zat in het midden van de kamer op een stoel. Ik zou hem nauwelijks herkend hebben. Zijn gezicht was gezwollen en bont en blauw geslagen. Ook zijn voeten waren gezwollen en ik denk dat hij daarom op een stoel zat. Hij kon bijna niet meer staan. Een ambtenaar ging achter hem staan en gaf hem voortdurend een stomp in zijn nek of in zijn rug om hem te doen spreken. Ik ben ervan overtuigd dat hij alleen gesproken heeft omdat hij bang was voor slagen.
Ik wou de leiding raken maar dat is mij niet gelukt.
Reeds drie dagen na de aankomst van Elser in het kamp van Dachau bezorgden wij hem een cel die eigenlijk tot een kleine schrijnwerkerij werd omgetoverd. Dat moest zo van hogerhand. Er werd gezegd dat Elser na de 'Endsieg" als kroongetuige zou moeten optreden in een monsterproces tegen de Engelsen. Men wilde niet geloven dat hij de aanslag alleen had gepleegd; ze wilden hoe dan ook de aanslag in de schoenen van de Britse geheime dienst schuiven. Tot dan moest Elser goed geconserveerd worden. Twee dagen na zijn aankomst kreeg hij de cither die hij reeds in Sachsenhausen had gemaakt. Hij bleef de hele dag in zijn cel, sneed figuren maakte poppenkamers voor de kinderen van de bewakers. 's Avonds speelde hij altijd cither. Huiveringwekkend was het als hij speelde. Liederen uit Wenen. " Irgendwo, auf der Welt, gibt's ein kleines bisschen Glück.Ein bisschen Seligkeit."
Ik moet u toch eens iets vragen, meneer Lechner. U zult het zeker weten. Wat is er nu eigenlijk beter: het vergassen, ophangen of een nekschot?
Op een dag toen ik weer dienst had en mijn rondgang deed kwam er een bode aangelopen. Elser moet verhoord worden, en hij knipoogde. Ik wist het direct. Dat is het einde.
Berlijn 5 april 1945. Een schrijven van de Gestapo aan de commandant van het concentratiekamp Dachau. Betreft onze begunstigde gedetineerde Georg Elser. Bij de volgende terreuracties in de omgeving van Dachau is Elser blijkbaar dodelijk verongelukt. Ik verzoek u Elser op een zeer onopvallende wijze te liquideren.
Ik opende de cel van Elser en ik zei: mijnheer Elser, u moet verhoord worden. Hij draaide zich om en vroeg heel onschuldig: moet ik iets meenemen meneer Lechner? Ik zei hem: U hoeft niets mee te nemen, u bent dadelijk weer terug. Ja, zei hij, dat is goed. Zo ging hij weg. Hij nam geen afscheid van mij en ik ook niet van hem want dat zou hem direct opgevallen zijn.
Elser werd langs de elektrisch geladen omheining weggeleid, voorbij de poort van het kamp; hij stak de kampplaats over. Dan kwam er een stenen muur, daarin een kleine ijzeren deur, daarachter bevond zich een crematorium, een heel onopvallende bouw. Als je de ijzeren deur opende kwam je in een kleine bureau, een soort ontvangstkamer zodat de gevangene het gevoel had dat hij voor een verhoor kwam. Hier zat de onderofficier die tegen de gevangene zei: ‘Komt u mee.” En hij leidde hem dan naar een executieruimte. Iedereen die bij ons geëxecuteerd werd, moest zich uitkleden. ‘U moet eerst een bad nemen want u wordt naar een ander kamp gebracht,’ was de uitleg. Als de gevangene dan naakt was en onder de douche ging staan werd hij -zonder het te vermoeden- neergeschoten. Nekschot. Elser zal op deze manier zijn omgebracht.
Georg Johan Elser stierf op 9 april 1945. Twintig dagen voor de bevrijding van Dachau door de Amerikanen.
Georg Johan Elser
Deze tekst is gebaseerd op de Radio-drama productie van Sender Freies Berlin 'Ein Deutsches Schicksal' geschreven door Valerie Stiegele. Marc Colpaert maakte de vertaling van de oorspronkelijke brochure.
Befehl zur Ermordung Georg Elsers, Schreiben des Chefs der Geheimen Staatspolizei Heinrich Müller an den Kommandanten des Konzentrationslagers Dachau, Berlin, 5. April 1945.
Georg Elser wird am 9. April 1945 erschossen. Am selben Tag werden im KZ Flossenbürg Dietrich Bonhoeffer, Wilhelm Canaris, Karl Sack und andere Widerstandskämpfer sowie im KZ Sachsenhausen Hans von Dohnanyi ermordet. Die NS-Führung will nicht, dass ihre schärfsten Gegner überleben und die Zukunft mitgestalten können. Georg Elser wird erschossen, weil er als erster dem Ziel, Hitler zu töten, denkbar nahe gekommen ist.
Quelle: Institut für Zeitgeschichte, München, ZS/A-17/5
In de KVS Brussel gaat morgen 15 november 2023 ‘Ifigeneia’ in premiere, een voorstelling van Maaike Neuville & Tessa Hall.
Maaike Neuville en Tessa Hall gaan aan de slag met het verhaal van Ifigeneia, een van de meest tragische figuren uit de Griekse mythologie. Zij wordt door haar vader geofferd opdat het Griekse leger de wind in de zeilen krijgt en zij de gekaapte Helena terug kunnen halen uit Troje, in een tien jaar durende oorlog. Zo gaat het verhaal. Maar wat als Ifigeneia zelf haar verhaal had kunnen schrijven? Wat als ze zich niét had opgeofferd voor haar vader, voor haar vaderland? Wat als ze vrouw had mogen zijn – een jonge vrouw, met een stem, met woorden. Meer woorden dan: ‘Ik bied mijn lichaam voor mijn vaderstad en voor heel Griekenland vrijwillig aan’. Wat dan? (KVS)
Voor dit blog de gelegenheid om hetzelfde thema te hernemen met een radioproductie uit 1987.
Voor Dora Van der Groen schreef ik drie radio-monologen rondom de menselijke stem. -‘Een dame speelt toneel’, tekst en uitvoering vind je al op dit blog. (titel gewoon intikken in de zoekfunctie) -‘Euredice verbreekt het stilzwijgen‘. En
‘’Ifigeneia contra Euripides’
Euripides, Grieks toneelschrijver, schreef vlak voor zijn dood een toneelstuk (406 voor Chr.) ‘Ifigeneia in Aulis’.
De Griekse vloot wacht in Aulis op gunstige wind om onder leiding van Agamemnon naar Troje te vertrekken. Maar die wind blijft uit en daar zou Agamemnon zelf de schuld van zijn omdat hij een offer aan Artemis verwaarloosd had. Alleen als hij zijn dochter Ifigeneia offert kunnen de troepen naar de oorlog. Het meisje en haar moeder Klytaimnestra worden onder voorwendsel van een huwelijk met Achilles naar Aulis gelokt. In het stuk zal de dochter zich uit intense vaderliefde als offer aanbieden. Hier, in dit radiodrama uit 1987 neemt Ifigeneia het op tegen de Griekse auteur. Ze vertelt het verhaal vanuit haar persoonlijk standpunt. Dora Van der Groen speelt de rol van Ifigeneia. Ze vertelt haar versie met de afstandelijke intensiteit haar eigen. Het blijft voor mij, ook na 36 jaar een mooie herinnering aan een actrice die vanuit de tekst haar eigenzinnigheid durfde tonen zonder ook maar één ogenblik de essentie uit het oog te verliezen. Dora ter ere. Nog steeds.
Je kunt tekst en uitvoering steeds terugvinden bij 'Radiowerk', maar degenen die dadelijk willen luisteren vinden hieronder de tekst.
Druk op pijltje, even wachten en je bent In Griekenland of…
34’16”
-Muziek, dan alleen de zee.-
Ifigeneia:
Euripides heeft mij ten hemel laten varen. Mijn spel is uit. Ik ben Ifigeneia, dochter van Agamemnon en Klytaimnestra. Ik ben geofferd door mijn vader zodat de Grieken de wind in de zeilen kregen van de goden. Over de Egeïsche zee bereikten ze Troje en daar stonden dichters en dramaschrijvers klaar om hun verdere belevenissen te vertellen.
Jaja, ik mocht nog even meespelen in de Krim. Daar moest ik als priesteres van Artemis iedere Griek doden die Taurus bezocht. Toen m’n broer Orestes en zijn vriend voet aan wal zetten, worden ze naar mij gebracht. Ikzelf, geofferd door mijn vader moest nu mijn broer offeren.
Meneer Euripides wat heeft u bezield bij het schrijven van deze stukken?
Ok. U is tweemaal getrouwd, zegt men. Al gaf uw eerste vrouw u drie zonen, nog meer zorgen kreeg u van haar. En de tweede vond vooral de andere mannen heel aantrekkelijk.
Inderdaad, al schreef U tweeënnegentig stukken, slechts vier maal was de eerste prijs voor u. Roddels in de stad bleven beweren dat uw moeder een groentevrouw was, terwijl u uit de upper class geboren werd.
U had de goden niet erg lief. De mens als maat der dingen, schreef uw vriend Protagoras. Het koste hem verbanning net zoals Anaxagoras verbannen werd toen hij de goddelijke zon degradeerde tot een vurige massa “spermata”. Een andere vriend, Sokrates, kreeg enkele jaren later de gifbeker omdat hij de jeugd bederven zou met het oprecht losmaken van de waarheid.
U had een uitgebreide bibliotheek, en kwade tongen fluisterden dat u de boeken meer liefhad dan de vrouwen.
En ook uw levenseinde kwam meer uit een saterspel dan dat het zou afkomstig zijn uit Sofocles’ pen. Wilde honden van uw hoge gastheer koning Archelaos hebben u verslonden, net vijfenzeventig geworden en uit Athene weggevlucht.
Ja, Euripides, wat op papier komt schuwt het leven niet, en vaak overtreft de kleine dramatiek de wildste fantasie. Maar waarom mij dan offeren? Een mooi meisje verruilen voor wind?
-wind hoorbaar-
We zijn bijna tweeduizend vijfhonderd jaar verder. Jij een marmeren buste en leerstof voor uitgegroeide pubers. Ik een naam, een inspiratiebron voor de heren Racine, Goethe, Gluck en goden van minder allooi. Feministen kunnen mij als slachtoffer vereren, en het duurt niet lang of er zal een schrijver zijn die mijn rituele dood als incest weet aan te grijpen. Rechtse rakkers kiezen mij als modelmeid. Zij die het vaderland verkoos boven haar eigen levensdrift. Genoeg daarvan.
Ik vertel mijn verhaal, meneer Euripides. Voor dramaschrijvers is het ongeschikt, maar dat zal mij een zorg zijn Ik gebruik uw eigen woorden, Agamemnon in de mond gelegd:
“Ik wil u eens flink de waarheid zeggen. Met korte woorden en zonder al te driest op u neer te zien, doch met mate, omdat gij mijn broeder zijt: een fatsoenlijk man immers hoeft zich niet te schamen.”
-muziek-
Helena! Mijn tante.
Uitzonderlijke schoonheid verdwaast de mannen. En ze was mooi. De perfectie. Zonder de koelheid van het volmaakte. Verder een domme meid. Maar haar borsten en haar lippen verdreven de vraag naar kunst of wetenschappen. De honger van de man vergeeft de domheid tot op ’t moment dat het bedplezier routine is geworden en ’t lijf de sporen van de hollende tijd vertoont. De leegte die dan overblijft, drijft hen naar kroegen of bordelen, waar hij opnieuw de honger stilt zonder de smaak te proeven. De gulzigheid van een man beent een vrouw uit tot op het bot.
-muziek-
Helena’s vader, Tundareos, wilde niemand voor het hoofd stoten. Gaf hij haar als bruid aan de ene held dan was de andere zwaar beledigd, en schonk hij haar aan de andere dan zwoer de eerste eeuwige vijandschap! Hij besloot dus een club op te richten van al degenen die Helena’s hand en hart bedongen .De vurige hengsten die ieder hun eigen weg wilden gaan, spande hij voor zijn eigen kar! De slimmerik baatte hun hartstochten uit om zijn rijk te verdedigen. Want wie één vinger naar de schone Helena uitstak, kon rekenen op de wraak van ’t vrijersgild.
-muziek-
Nog maar net zijn ze terug van de notaris of Menelaos, vaders broer, mag zijn aanspraak op Helena hard maken. Wat een stel! Hij, een pronkhans, zij een dwaze schoonheid. Als Menelaos naar Kreta moet, laat Tundareos de mooie meid ontvoeren, en verdwijnt met haar naar zijn weide op de Ida. Menelaos roept de bondgenoten bij elkaar. Wapens en schepen, schilden en paarden komen in de nauwe zeestraat van Aulis aan. Om Menelaos te plezieren kozen ze zijn broer , mijn vader dus, Agamemnon tot baas.
-muziek-
Als iedereen klaar is om af te varen, blijft het windstil. Hoe zijn soldaten! Ze willen zo snel mogelijk vechten om de dwingende gedachte aan een spoedige dood te verdringen. Ze beginnen te rumoeren, hebben de mond vol over een teken van de goden en besluiten Kalchas, de ziener te raadplegen. Artemis vraagt een offer, zegt deze. De godin van de jacht wil een meisje als buit. En die buit zou ikzelf zijn, Ifigeneia, de dochter van Agamemnon. Dat was natuurlijk een handige zet om mijn vader in diskrediet te brengen. De goden hebben al wel eens meer gediend om menselijke belangen te verdedigen. Achter de Olympus houdt Menelaos zich schuil. Hij wil de baas zijn. Hij weet dat Agamemnon zijn dochter niet zal slachtofferen. Hij kent het gepeupel. Ze houden aan de goden omdat ze zichzelf niet vertrouwen. Eerst wilde m’n vader het leger naar huis sturen. Maar Menelaos, niet om een woordje verlegen overhaalde hem om het staatsbelang boven zijn privé-geluk te verkiezen. Dus stuurde hij een brief en schreef daarin dat de held Achilles mij wou huwen nog voor hij naar de oorlog zou vertrekken. Mama die wist dat deze held niet alleen zijn goede naam maar ook een flinke bankrekening bezat, aarzelde geen moment. Het werd inpakken en wegwezen geblazen. Familiezaken! Geen enkele staat zou ooit slecht worden gediend als hij met de ijver van kapitaal vergarende clans omgeven werd. Vaders. Hun carrière verslindt hun eenzame kinderen. Nooit thuis dienen zij het hoger belang, en dat alles tot eer en geluk van het eigen kroost. Zo ver gaat hun verblinding dat zij ons offeren want welk kind kan aanspraak maken op een helden—verering?
Moeders. Hun bezorgdheid verlaagt de kinderen tot piepkuikens. In hun bittere angst hen tegen de vaderlijke wereld te beschermen drukken zij ze plat in een comfortabel nest waarin de toekomst tot de aspiraties van een damesblad is teruggebracht. De warmte van hun vleugels verstikt elke drang tot vliegen.
-muziek-
En vader. De martelaar. De schouders geschaafd door het gezag. Nog voor hij de aanvoerder was, ontving hij iedereen op elk moment. De boulevardpers was net zo welkom als de bourgeoiskranten. Maar eens hij benoemd werd, sloot hij zich op en kende hij niemand meer.
Je eigen officieren, vader, wilden iedereen naar huis sturen toen men mij als offer vroeg. Je had je broer niet nodig om je te laten overtuigen, want zonder mij werd je een aanvoerder zonder oorlog, een generaal die alleen nog in de wapenindustrie zijn belangen kon verdedigen. Voor de schone schijn verzon je het huwelijk met Achilles, en wellicht had je slimme plannetjes om mij en je oorlog te redden. Je projecteerde je schuld op Menelaos. Je riep dat hij de troon wilde. Er kwam een heuse broederruzie van die niet op bloedvergieten uitliep omdat men onze komst meldde. Wij dan, de vrouwen en mijn jonger broertje Orestes. Toen we aankwamen begrepen we niets van de bedrukte gezichten. Soldaten houden van feesten, en hier zag ik rijen bekenden die me hoofdschuddend aankeken, sommigen met tranen in de ogen, anderen wendden het hoofd af en keken naar de zee.
Menelaos speelde echter zijn nummertje als een volleerd politicus. Meneer Euripides laat hem spijt hebben van zijn ruzie met mijn vader. In feite echter maakte hij met honing de punt van zijn pijlen zoet zonder dat ze iets aan scherpte zouden inboeten. Wie het opneemt voor de zwakken vindt allicht genade eens de geschiedenis haar koers gelopen heeft en de nakomenden hun oordeel over onze daden vellen. Hij stelde mijn vader voor de ziener Kalchas om te brengen zodat niemand zijn droevige boodschap zou vernemen, terwijl hij natuurlijk wist dat ook Odysseus op de hoogte was. En wie Odysseus zegt, moet niet meer verder spreken want die man kan pas het volk mennen zonder dat het de littekens van de teugels herkent. Hij weet ze zo naar de mond te praten dat de bloedigste striemen als geboortevlekken worden weggewuifd.
De kleine Orestes was in slaap gevallen. Mijn moeder wuifde, vroeg vriendelijk om hulp om ons uit de koets te helpen. Ze liet de geschenken uit de wagens halen, begon heel druk te doen zodat ik niet meer wachten wilde en naar m’n vader liep. Hij was heel lief maar kon zijn verdriet natuurlijk niet verbergen.
Meneer Euripides is een man. In zijn stuk laat hij mijn vader heel listig antwoorden op mijn onschuldige meisjesvragen. Als ik hem smeek om thuis te blijven, laat hij hem zeggen: “Ook jou wacht een reis, kind. Een reis die je aan je vader zal doen denken.” Waarop ik, heel literair, nietwaar meneer Euripides, “Zal ik met moeder meevaren of alleen reizen?” En zijn antwoord: “Alleen, ver verwijderd van je vader en je moeder.” En om het helemaal fraai te maken legt meneer Euripides mijn vader deze zin in de mond eens ik gezegd heb graag bij het te brengen offer aanwezig te willen zijn: “Jij zal het dichtst bij het wijwater staan.”
Men kan de stilte in het theater horen, nietwaar. Iedereen weet immers wat er mij te wachten staat. Als ik dan, bijna een kind nog, mijzelf aanbied en mijn vader wenend de scene verlaat, is het hek van de dam. Slim gedaan, meneer Euripides. Want medelijden bevangt de toeschouwer. Medelijden voor vader EN dochter! Dat is een knap staaltje van mannen—schrijverij. De dochter gebruiken om de misdaden van de oorlog goed te praten. Hier stelt meneer Euripides het onafwendbaar lot ten toon. Mijn vader, een rasechte schurk wordt verheven tot de uitvoerder van bevelen. Heilige bevelen. Innerlijke bevelen. Zou men niet één vrouw kunnen slachten om het vaderland te redden? Laat het dan zijn eigen dochter zijn zodat de vader zichtbaar lijdt en wij als toeschouwers hem troostend op de schouders kunnen kloppen. Gelukkig komt dan mijn moeder binnen. Met haar domme praatjes verstoort ze het mannentafereel. Ze wijt Agamemnon’s verdriet aan het uithuwelijken van zijn geliefde dochter. U kent dat wel: vaders die hun dochters mishandelen en dan in tranen baden als datzelfde kind voor het altaar staat. Hij probeert haar naar huis te sturen en gebruikt daarvoor al zijn mannenmacht. Maar ze weet van geen wijken. Zelfs als ze verneemt dat het feestmaal voor de vrouwen bij de schepen zal plaatshebben, een armoedige bedoening dus, is ze vastbesloten. Ze wil het feest meemaken, zeker nu ze vernomen heeft dat Achilles van goede huize is.
-muziek-
Meneer Euripides! Ik kan begrijpen dat boeken u liever dan vrouwen waren. Maar de waarheid heeft haar rechten. We kwamen aan. Mijn moeder wist onmiddellijk dat er iets fouts ging. Haar druk gedoe was nog niet zo dom. Vaak hebben vrouwen geen andere uitweg voor hun leed dan dagelijkse beslommeringen. Ze speelde het spel van aanstaande schoonmoeder tot ze dicht genoeg bij mijn vader was om hem recht in de ogen te kijken. Weinig mannen spelen zo goed toneel dat ze daaraan kunnen ontkomen. Hij begon te stotteren, had het nog over Achilles, excuseerde zich voor de spoedbestelling, mummelde dat de bruiloft best nog wat kon wachten, informeerde naar onze gezondheid, keuvelde over het weer en liep dan de tent uit.
Achilles, door allerlei geruchten nieuwsgierig gemaakt, botst bijna tegen hem op. Hij begroet ons vriendelijk. Een zachte macho. Stoer gedoe om een marsepeinen hart te camoufleren. Mijn moeder stelt mij voor als zijn toekomstige bruid. Hij glimlacht.
Meneer Euripides laat de man verontwaardigd doen eens hij vernomen heeft dat hij, als man, zo maar is uitgehuwelijkt. Hij begint bijna te razen en neemt het dan heel lankmoedig op voor mij. In feite speelde hij het spelletje mee omdat hij van Odysseus had gehoord dat hij als lokaas dienen moest. Ook laat meneer Euripides mijn moeder Achilles knieën omvatten alsof zij het was die dit slecht scenario had geschreven. Ach, meneer Euripides. Ik weet hoe leuk het is je woede naar papieren tegenstanders om te buigen. Heel hygiënisch voor je eigen geest, maar de toeschouwers krijgen een dwaze vrouw te zien die zich voor een halfzachte superman vernedert. En dan zegt het koor der vrouwen: “Moederschap is iets wonderbaars. Allen bedeelt het gelijk met een liefde zo machtig dat men voor zijn kinderen wil lijden.” Dat ontken ik niet, meneer Euripides, maar lijden is daarom nog niet de mannenspelletjes spelen. De werkelijkheid was heel anders:
“Ik kan haar redden.” zei die slimme Achilles. En hij keek me aan. Wij vroegen hem welk gevaar ons dan wel boven het hoofd hing. Hij legde het hele spelletje uit en herhaalde dan dan hij mij redden kon. Meneer Euripides laat hem meer dan honderd verzen in de mond nemen om zijn moed te bewijzen. Hij wil haar redden, met het zwaard, niet om haar daarna te trouwen want zo zegt de held: “Duizend meisjes willen mij als echtgenoot.” Maar hij komt voor mij op omdat hij notabene beledigd is! Agamemnon heeft niet eens zijn toelating gevraagd om zijn naam te gebruiken. En dat moet gewroken worden.
Horen jullie dat allemaal goed. Al eeuwen hebben jullie de overigens fraaie tekst van meneer Euripides bewierookt en niemand heeft het ooit voor de vrouwen opgenomen en die kakjanus op zijn plaats gezet.
Ten onrechte beschuldig ik meneer Euripides, want hij heeft Achilles ten voeten uit geschilderd. Hij laat hem zelfs verklaren dat hij later nog wel eens een grote god kan worden. Wij kennen zijn lot. Maar is letterkunde dan een plaats voor onkwetsbaarheid zoals de net genoemde held onkwetsbaar was? Of heeft ook meneer Euripides een kwetsbare hiel vrijgelaten omdat hij hoopte dat iemand zijn geschriften zou doorzien? Te veel eer voor deze mooie trukendoos. Want in feite zei Achilles dit: “Ik kan haar redden als ik haar als maîtresse mag hebben. Dan zorg ik voor een fraaie verdwijn-act zodat de soldaten hun amusement hadden en ook Kalchas zijn eer niet is gekrenkt. Want wind komt er toch. Dan hebben mijn kabinetsmedewerkers mij voorspeld. En al vertrouw ik hen niet meer dan een dwaze goochelaar, ik heb al genoeg politieke spelletjes gespeeld om de afloop niet zelf in de hand te houden.”
Mijn moeder schrok. Had ze tegen een wettelijk huwelijk geen bezwaar, het vooruitzicht van een weinig winstgevende relatie redde haar moraal. Ze begon te roepen en te schelden. Achilles kon de pot op! Nog liever zou ze mij, haar oogappel, overleveren aan de ambitieuze plannen van mijn vader.
Aan mij werd niets gevraagd. Nog voor het offeren was ik al offerdier. Zonder één steek was ik al neergestoken. Zonder één klap al doodgeslagen. Mijn broertje kwam binnen en vroeg of ik met hem wilde spelen. Ze spelen nu met mij, zei ik. En hij vroeg lachend welk spel dan wel. Diefje met verlos, zei ik hem. Hij vroeg of hij mee mocht spelen. Liever niet. Het is een ernstig spel. Degene die verliest wordt geslacht. Hij begon te lachen. Tot hij de tranen in de ogen van moeder zag.
Meneer Euripides. In jouw toneelstuk laat u nu de moeder klagen. Ze verwijt haar man alles wat een vrouw een man verwijten kan. Ikzelf doe er nog een schepje boven op en smeek mijn vader als een slaaf. Bang voor de dood heeft u mij gemaakt. Ik die sterven als een verlossing zag. Natuurlijk een vrouw heeft alleen maar haar sentimenten als reddingsboei. Een man kan zich op nobele daden beroepen, of op krijgersfaam. In werkelijkheid droogden beiden hun tranen, trokken ze zich terug en kwamen dan bijna opgewekt mij troosten. Achilles was toch een knappe man, zei vader. Misschien zou hij zich bedenken en mij werkelijk als bruid kiezen, en deed hij dat niet dan bleef ik toch nog vrij om zelf een wettig huwelijk te sluiten dat voor mijn inkomsten zou zorgen Dat was moeders taal. We hebben geen andere keuze, begon mijn vader weer. De Grieken wilden een offer. Of moest hij soms zijn carrière offeren voor een ideaal vaderbeeld? Wie politiek bedrijft, moet zich aan de omstandigheden kunnen aanpassen. En ik kon beter de maîtresse van een held zijn dan de wettige vrouw van een nulliteit. Mijn moeder zei dat liefde hier niet ter sprake kwam. Mijn aandeel was het nu om zonder morren het lot te dragen. Achilles kende een bekwame vuurwerkmaker die voor spektakel zou zorgen. Ik bleef ongedeerd, net als mijn vaders reputatie en het oorlogsdoel
Meneer Euripides, hier laat jij mij kiezen voor de offerdood. Jouw fraaie zin zou nog door menig dictator worden geciteerd: “In zekere zin past het trouwens niet dat ik te veel van het leven houd. Want dit leven dat jullie mij geschonken hebben is niet van mij alleen maar is gemeengoed van alle Grieken.” Einde citaat. Ik koos de dood, inderdaad. Maar niet uit vaderlandsliefde of ouder-eer. Ik zei:”Bespaar mij het vuurwerk. Als ik dan het offer ben, laat me dan ook helemaal het offer zijn. Ik wil dood. Want nog voor de ziener mij doorsteekt ben ik al door mijn ouders geofferd.
Pieter Aertsen. circa 1555-1560
Als kind offert men zijn persoonlijkheid voor melk en liefde. En is men aangepast en ingevuld begint men op zijn beurt zijn eigen kinderen op te offeren. Verbaas je daarom niet, vader, dat je soldaten een offer vragen. Ze weten dat ze op hun beurt een offer voor jouw ambities zijn.
Mijn besluit is geen wraak, noch minder een wanhoopsdaad. Ik wil sterven omdat een leven met deze ouders geen leven is. Mijn toekomst is al opgeofferd, waarom dan niet het lichaam laten volgen? Laat de Grieken geloven dat ik voor het vaderland mijn leven geef. Voor jullie kan mijn motief ouderliefde zijn.
Ze werden boos en jammerden. Heel erg overtuigend klonk het niet. Zoals de storm vlug gaat liggen na de eerste aanval, zo veranderden hun klachten in twijfels, en die gingen over in goedkope sentimenten waardoor tenslotte hun goedkeuring klonk voor mijn besluit.
Meneer Euripides. In uw stuk klinkt de heldhaftigheid van het offer boven het innerlijk verdriet. Men blijft waardig. Ik zeg zelfs: Voedt Orestes op tot een ware man. U zult u nu verdedigen dat u de inhoud van het begrip “ware man” openlaat. Maar ook hier zal stoer gedoe boven persoonlijkheid staan. De buik van de aarde barst open: de dode geofferde mannen kijken ons aan. Ze hebben geen boodschap meer aan een bloemenhulde. Elke siersteen is tevergeefs, meneer Euripides.
-muziek-
De bode komt het verhaal vertellen van mijn wonderlijke redding. Eerst worden mijn schouders gekromd onder nationalistische gevoelens, en sta ik op de dunne lijn die het leven scheidt van de dood dan grijpen de goden in en word ik gered. Ik weet het, meneer Euripides. Dat verlangt het publiek. Iemand die zijn leven voor de staat wil geven, mag niet verdwijnen. Zij moet bij de goden eeuwig verder leven zodat de jonge mannen voor wie zij haar leven veil had zonder schroom de dood kunnen ingaan. Het voorhang valt. Gesterkt voelen de krijgers hun wapens.
–muziek verder-
Toen ik buitenkwam was er van al dat feestgedoe niet veel te zien. Soldaten lopen samen. Een grote stilte. Mijn vader stelt zich rouwend op. Hij heeft gevoel voor pathetiek. Men hoort mijn moeder krijsen in haar tent. Ook haar hysterie dient de goede zaak. Zelfs mijn broertje heeft men in het wit gekleed. Hij kijkt wat nukkig omdat hij zijn speeltjes mist. Achilles schudt zijn krullen. Zoveel heldhaftigheid staat zijn stierenlust in de weg. Odysseus buigt het hoofd. Hij bekent zijn nederlaag. De anderen zijn geil op bloed en wachten. De goden blijken voor hun sadisme een dankbaar alibi. Als Kalchas het ritueel begint, laat ik mijn wit gewaad vallen. Naakt kijk ik de mannen aan. Niemand durft dichter komen. Heel langzaam dan het mes dat ik verborgen hield. Het mes van schitterend metaal, sierlijk van lemmet schuift traagjes in mijn buik. Niet de goden, noch de herinneringen vullen mijn laatste blik Ik zie soldaten braken, net voor het donker m’n ogen bereikt.
-wind is opgestoken over grote droge vlakte-
Wie in Aulis komt, hoort geen schallende klaroenen. Noch zal het koor der dapperen tegen de bergen weerklinken. Het geluid van de oorlog is het braken van bloed. Bloed dat uit de prachtige mannen gulpt: deze steriele poging van het offer om zichzelf te bevruchten. Meneer Euripides.
-wind overstemd door zeegolven op de kust.-
augustus 1987 met Dora van der Groen 7-10 september 1987 opgenomen. Radio-3 Dienst drama