
Maar Moeder Aarde-ingesloten door de Oceaan,
terwijl veel zeeën en rondom geslonken waterstromen
reeds waren terug gekropen in haar donkere moederschoot-
hief dorstig haar tot aan de hals geschroeid gelaat ten hemel,
beschermde met een hand haar blik en deed haar lichaam met
een zware trilling schudden, toen bedarend, lag ze dieper
dan ze normaal lag, en haar stem klonk plechtig, toen ze sprak:
‘Als dit dan moet, als ik dit heb verdiend, waarom dan niet door
uw bliksems, Jupiter? Als ik moet sterven door het vuur,
laat mij dan sterven in uw vuur dat zou mijn dood verzachten.
Maar ik… ik krijg nauwelijks deze klanken uit mijn keel…!”
-haar stem werd door de rook verstikt- ‘zie mijn verschroeide haren,
zie in mijn ogen al die as, as tot in mijn mond!
Is dit de prijs die gij mij gunt, het loon voor al mijn zwoegen
en vruchtbaarheid? Voor ’t feit dat ik voortdurend wonden voel
van en en kromme ploeg, en dat ik ieder jaar bewerkt word,
groenvoer laat groeien voor het vee en voor het mensenras
het milde graan? En dat ik u, de goden wierook lever?
En stel dat ik zo’n ondergang verdiend heb -wat dan nog,
wat heeft de zee, uw broer, misdreven? Waarom wijkt het water
dat hem door’t lot werd toegedacht, steeds verder van de hemel?
Maar als u zich niet om uw broer bekommert noch om mij,
denk dan toch aan uw eigen hemel, kijk toch om u heen!
De beide polen branden al! Als zij door ’t vuur verzwakt zijn,
stort ook uw hemelwoning in! Zie Atlas, hoe hij zwoegt!
Als alles wordt vernietigd, aarde, zee en hemelrijk,
zijn wij weer terug bij Chaos, in de oertijd. Red wat nu nog
uit ’t vuur te redden valt, en denk toch om uw koninkrijk!’
Hier zweeg de Aarde want zij kon de hete lucht niet langer
verdragen en niet verder spreken. Ze verborg haar hoofd
binnen zichzelf, in diepe grotten, dichtbij de doden.

In Gustave Moreau’s schitterende aquarel The Fall of Phaëthon (1878) is alles oranje aan het schroeien. De zonnewagen staat net op het punt neer te storten, Phaëthon is in nood in de strijdwagen, en de paarden trappelen in totale wanorde. Phoebus Apollo, getoond in een van zijn voorstellingen als een leeuw, achtervolgt de strijdwagen in paniek, en een enorme slangachtige basilisk of draak stijgt op van de aarde. Links wordt de maan getoond die net over de horizon gluurt, en de bliksemschicht van Jupiter vliegt naar beneden om Phaëthon te treffen. (Het Eclectische Lichtbedrijf geen AI)
Terwijl ik deze slotaflevering samenstel woeden in eigen land moeilijk blusbare branden in de Hoge Venen. Dichterbij de werkelijkheid kan ik je niet brengen.
Je voelt het bij elke zin. De ‘grote Baas’, Jupiter moet ingrijpen. En zeg nooit meer dat Latijn een ‘dode taal’ zou zijn!
-hij klom naar ’t punt
vanwaar hij altijd wolken uitzendt over wijde landen
vanwaar hij donder dreunen laat en bliksemschichten richt.
Maar nu ontbraken wolken om de aarde te bedekken,
nu kon hij ook geen regen sturen uit de lucht, maar wel
gaf hij een donderslag en met één goedgerichte bliksem,
dicht langs zijn rechteroor, schoot hij de wagenmenner van
zijn wagen af, het leven uit, en deed met felle vuurschicht
het andere vuur vergaan…
Phaëton zelf stort neer, terwijl het vuur nog rondraast in
zijn rosse haardos; in een grote boog , dwars door de lucht,
schiet hij omlaag, zoals een ster uit onbewolkte hemel
niet echt omlaag valt, maar de schijn kan wekken dat zij valt;
en ver van huis vangt de Erdanus, hoofdstroom in’t westen
hem in zijn water op en wast het roet van zijn gezicht.
De waternimfen van het Avondland leggen zijn lichaam,
nog smeulend van de bliksem, in een graf. Het grafschrift luidt:
‘Dit is het graf van Phaëton, de Zonnewagenmenner,
hij was te klein en stortte neer, zijn waagstuk was te groot.

De vader, fel gepijnigd door verdriet, had met een sluier
zijn hoofd bedekt, en als het waar is wat men zegt, dan is
er één dag zonder zon geweest. Die dag hebben de branden
voor licht gezorgd. Zo had de hele ramp nog enig nut.
Nadat zijn moeder Clymene alles wat men bij zulke
rampen kan zeggen had gezegd, ging zij bedroefd, verdwaasd
haar kleed gescheurd in rouwbeklag, de hele wereld door,
eerst zoekend naar het dode lichaam, toen naar beenderen
en vond de beenderen, maar wel op een verre kust begraven.
Zij knielde bij die plek, plengde haar tranen op de steen,
waar zij zijn naam in las en die zij aan haar boezem drukte.

En verder? Vertellen we nog dat de zussen van Phaëton in barnsteen-bomen werden veranderd, een vrij pijnlijk gebeuren. De boomschors overdekte hun laatste woorden en sindsdien vloeien hun tranen als een vocht dat tot barnsteen stolt en als sieraad voor Latijnse meisjes wordt meegenomen.
Zijn vriend Cycnus verandert al rouwend in een soort vogel die zich ver van Jupiters hemel houdt, denkend aan zijn snelle vuur, zijn hals rekt uit en hij kiest zijn nest bij stromen die vuur-vijandig zijn. Een zwaan dus.
Daarna wil de zon niet meer schijnen.
’t Is genoeg, zegt hij van in het begin heb ik geen rust gekend.
Hij biedt de hemel zijn ontslag aan.
En als niemand nog met de zonnewagen wil of durft moet Jupiter het maar zelf doen.
(en je hoeft daarom nog niet te sterven als je de wagen slecht ment!)
Aldus zijn woorden. Alle goden vormen om de zon
een kring en smeken hem om asjeblief niet alles duister
te maken. Jupiter biedt zelf excuus aan voor het werpen
van bliksems, maar als opperheerser weet hij ook te dreigen.
Dan spant de Zon zijn dolle en nog steeds spichtige
paarden weer in en zweept er fel op los, bedroefd en razend
want in zijn razernij verwijt hij hen Phaëtons dood.
Een bekende redenering. Jupiter inspecteert de wereld en als hij ziet dat alles nog stevig en hecht is onderzoekt hij ook de aarde en de bouwsels van de mensen.
…Maar zijn grootste zorg geldt toch zijn eigen landstreek, Arcadië: bronnen, rivieren, zelf nog angstig om te stromen brengt hij weer op gang. En hij geeft het land weer grassen, bomen, loof, het aangetaste bos weer nieuwe kracht. Er komt nog een avontuurtje van Jupiter met Callisto maar zij wordt na het gedoe met ‘de grote dondergod’ door zijn ega in een beer veranderd.
Bijna wordt ze door haar eigen zoon Arcas gedood, maar zo ver laat Jupiter het niet komen. Hij laat hen beiden ‘vervoeren’ door de wind en geeft ze voor altijd een plaats aan de sterrenhemel. De Grote en de Kleine Beer. (Zij kan zich wel nooit meer baden want de Grote Beer gaat nooit onder in de zee!)
Vertaling van Ovidius Metamorphosen, M/ d’Hane-Scheltema. Atheneum Polak A’dam. 27-28ste druk. 2026
Muzikaal ook vertaald door Camille Saint-Saëns Opus 39 Phaéton 8’24”