Reisgezel (6) David Tindle (°1932)

Baltais Dzidrais, 1979 by David Tindle. Photograph: Redfern Gallery, London

“David Tindle, geboren in 1932 in Huddersfield, heeft naam gemaakt met zijn verfijnde schilderijen in eitempera, waarop vaak een glimp te zien is van scènes door open deuren en ramen, die doen denken aan de beklemmende onrust in het werk van Andrew Wyeth en Vilhelm Hammershøi. Tindle heeft over zijn werk geschreven: ‘Misschien zie ik religie bevroren in de tijd, maar klaar om uit alledaagse voorwerpen te breken.’ Daardoor bezitten veel van zijn schilderijen een stille diepgang.” Hij leeft (hopen wij) en werkt in Toscane. (vernamen wij)

“I can remember all my early days, because at 10 years old I chose to be a “boy scout” and look after myself, they even started me painting. This was in the Second World War and I lived in Coventry during the bombing. I was moved around and no family background, education was nil. Art seemed better than the life around me, I painted landscapes on the spot to study the flexibility of nature, with the help of the master Constable.” (Redfern Gallery)

David Tindle; 1985 National Portrait Gallery, London; http://www.artuk.org/artworks/david-tindle-158068

‘Veel belovend’ zou je zijn start in de kunstwereld niet kunnen noemen. Zes maanden aan de kunstschool voor jongeren in Coventry waarna hij op 14-jarige leeftijd werk vond in een commerciële studio. Twee jaar later werd hij aangenomen als assistent door Edward Delaney, een in Londen gevestigde theaterdecoratieschilder – een ervaring die een blijvende invloed zou hebben – en het was dan ook in de hoofdstad waar hij op zijn negentiende zijn eerste tentoonstelling had.

Tindle, een bewonderaar van John Minton, vond diens nummer in het telefoonboek en belde hem op om hem uit te nodigen om zijn tentoonstelling te komen bekijken. De twee raakten bevriend en Minton stelde hem voor aan zijn vriendenkring, waartoe onder meer Francis Bacon, Keith Vaughan en John Craxton behoorden. Zo zag John Minton de jonge kunstenaar.

Minton, John(1917-1957): David Tindle (b.1932), as a Boy 1952; Pallant House Gallery; http://www.artuk.org/artworks/david-tindle-b-1932-as-a-boy-70489

Het feit dat ze ouder en gevestigd waren, gaf hem meer zelfvertrouwen: „Ik nam afstand van mijn directe leeftijdgenoten en leerde op een meer volwassen manier te leven en na te denken over schilderkunst,” herinnerde hij zich in een gesprek met Ian Massey, de curator van de overzichtstentoonstelling in de Huddersfield Art Gallery. Omdat hij zich als kunstenaar wilde ontwikkelen, was hij aan het begin van zijn carrière „erg vatbaar voor invloeden”. Zeker als je in hun nabijheid een atelier had zoals Lucian Freud.

Tindle, David; Tea; Government Art Collection; http://www.artuk.org/artworks/tea-30219

“But look closer. Beyond the flask, the field looms up almost monstrously to meet a blue-black sky. Once you’ve noticed this, the whole thing suddenly tilts, shifting on some invisible axis, the thermos taking on an altogether different quality. How noble it now seems, like a lighthouse in a storm.

This sense of a creeping darkness is developed more fully in Tindle’s mature work, produced after he began painting in egg tempera, an exacting medium he adopted in the early 1970s, and which helped him to achieve a ‘crisper articulation of form’.”

ART UK Rachel Cooke 2017

The Garden 1977

The most perfect expression of this painterly veracity – a quality that plays, in the most delicate and subtle of ways, with the idea of realism – is to be found in the series of gardens (I’ve referred to them elsewhere as ‘verdant rooms’) that he made his primary subject in the late 1970s and beyond: among them Door Slightly Open, Mural (reproduced at the top of this article) and The Garden. (ART UK. Rachel Cooke 2017)

Tindle, David; Balloon Race, Clipston; Government Art Collection; http://www.artuk.org/artworks/balloon-race-clipston-29401

In de verte rechts boven een luchtballon. beneden in de natuur is het herfst. Een late namiddag. Ver weg kunnen? Of net terug thuis zijn? Het raam open zetten, ‘egg on a table’. Je kunt ver kijken., maar ook heel dichtbij: het ei. De kern der dingen.

Tindle, David; Egg on a Table; Kirklees Museums and Galleries; http://www.artuk.org/artworks/egg-on-a-table-22030

Venetian sash window

De tijd. En hoe hij voorbijgaat. Nooit terugkomt tenzij in deze dromen, en wij vergeten dat het dromen waren?

Na een bezoek aan de fresco’s van Masaccio in Florence ging Tindle eiertempera gebruiken voor zijn werk, een arbeidsintensief proces waarbij het beeld wordt opgebouwd uit dunne verflagen. Het is wellicht ironisch dat hij juist voor dit nauwgezette medium koos, want de daaropvolgende onderwerpen – of het nu stillevens of landschappen zijn – zijn in wezen reflecties op de tijd en het verstrijken ervan. Zijn werk wordt door critici vaak omschreven als ‘spookachtig’ en ‘beklemmend’, aangezien de composities doorgaans een lege stoel bevatten, of een deur die op een kier staat, alsof er een menselijke aanwezigheid is, of geweest is. (The Redfern Gallery)

https://www.redfern-gallery.com/artists/63-david-tindle-ra/works/11519

https://artuk.org/discover/stories/time-and-its-passing-the-contemplative-and-tender-works-of-david-tindle

Reflections of Self-Portrait

Reisgezel (5) Carl Wilhelmson 1866-1928

Kerkgangers in een boot (1909) Stockholm National Museum Klik op onderschrift om e vergroten

Leek het even dat hij de weg van de lithografie zou opgaan toen hij in 1881 als leerling-lithograaf begon bij Meyer & Köster in Göteborg waar hij als tekenaar werkte, maar het was met dat salaris dat hij ook nog eens vier semesters lang avond- en weekendlessen kon volgen bij de school voor Design en Ambacht. Later werd Wilhelmson fulltime student aan de Valand Academie onder de vooraanstaande schilder Carl Larsson. Op aanbeveling van Larsson en het bedrijf Meyer & Köster ontving Wilhelmson in 1888 een reisbeurs van de Handels- academie om zijn blik te verruimen. Hij gebruikte deze voor een uitgebreide studiereis naar Leipzig.

Met zijn eigen spaargeld reisde hij vlak voor het Nieuwjaar van 1890 vervolgens naar Parijs, waar hij een aantal jaren woonde en atelier volgde bij Paul Sérusier en Maurice Denis in de Julian Académie. met uitzondering van de zomermaanden, dan keerde hij steevast terug naar zijn ouderlijk dorp, het vissersdorpje Fiskebäckskil.

In de dorpswinkel. 1896

Dat Wilhelmson al op jonge leeftijd artistieke aanleg toonde, was niet zo vreemd, want zijn vader tekende graag boten en kustlandschappen. Hij overleed echter bij een schipbreuk toen Wilhelmson slechts negen was. Zijn moeder opende een winkeltje om in het dagelijks onderhoud te voorzien.

In Parijs werkte hij als reclame-illustrator, zoals blijkt uit enkele bewaard gebleven schetsboeken. Maar er is weinig bekend over zijn jaren tot 1896, toen hij definitief naar Zweden terugkeerde. Nadat hij in 1896 naar Göteborg was verhuisd, werd hij door Pontus Fürstenberg, de financier van de Valand Schilderschool, uitgenodigd om directeur van de school te worden. Hij hield die functie tot 1910, daarna richtte Wilhelmson zijn eigen kunstacademie op in Stockholm en gaf daar zeventien jaar les, van 1911 tot aan zijn dood.
De route die Carl Wilhelmson aflegde, is vergelijkbaar met die van andere artistieke landgenoten. Veel kunstenaars kozen ervoor om Zweden in hun jonge jaren te verlaten om op het continent te studeren, te werken en inspiratie op te doen. Geleidelijk aan nam heimwee de overhand, net als de fascinatie voor alles wat het Zweedse thuisland te bieden had.

”Vermoeid’. 1898. 1898; Oil on canvas; Nationalmuseum, Stockholm; 115 x 90 cm.
In de Studio. 1912. Private Collection. 118 x 128cm

Op de kunstacademie van Carl Wilhelmson werd Mollie Faustman de „massière” van de school, degene die de orde handhaafde, en zij werkte jarenlang nauw samen met Wilhelmson. In de monografie van Axel Romdahl over Carl Wilhelmson beschrijft Mollie Faustman hem als volgt: „ Het meest kenmerkende aan Carl Wilhelmson als docent was misschien wel zijn voorzichtigheid, zijn angst om de leerling in diepere zin te beïnvloeden. Hij was er vast van overtuigd dat ieder mens iets unieks heeft dat hem of haar van alle anderen onderscheidt en dat hij of zij daarom, als hij of zij als kunstenaar in staat is om deze eigenheid tot uitdrukking te brengen, ook iets te bieden heeft dat niemand anders kan bieden.”

Het Paar (1910). 1910;
Oil on canvas; Finnish National Gallery, Helsinki; 80.5 x 54.5 cm.
Herfstdag Fiskebäckskill (1915)

In 1901 huwde hij met kunsrenares-schilder Albertina Kerfstedt. Een van hun kinderen, Ana Wilhelmson-Lagerlan werd ook schilder.

De nationale romantiek was een beweging die tot uiting kwam in de kunsten. Op dat moment maakte Zweden een periode van snelle veranderingen door, die gepaard gingen met industriële en sociale onrust. Tussen 1879 en 1893 zorgden een economische recessie in Zweden en een economische bloei in de VS ervoor dat jaarlijks ongeveer 34 000 Zweden naar Noord-Amerika emigreerden. Rond de eeuwwisseling transformeerde Zweden van een agrarische economie tot een industriële natie. Het aantal arbeidskrachten in de landbouw bereikte rond 1880 een hoogtepunt en werd begin jaren 1930 overtroffen door het aantal arbeidskrachten in de industrie. Landbouw en industrie werden onderling afhankelijk: de landbouw vertrouwde in toenemende mate op machines en kunstmest, terwijl de industrie profiteerde van een instroom van arbeidskrachten . Tegen de achtergrond van deze sociaal-politieke factoren bloeide het nationaal-romantisme in de kunsten op. Tegen het begin van de 20e eeuw werd het de dominante ideologie. In heel Europa wilden nationaal-romantici dat verandering in overeenstemming zou zijn met cultuur, geschiedenis, tradities en waarden; de Zweden promootten echter ook het modernisme. “Het Zweedse’’ werd geassocieerd met een verbondenheid met de natuur, een geloof in gelijkheid en een bereidheid tot compromissen (Oxfard Academic)

Carl Wilhelmson: Portret van Carl Eldh, kunstenaar 1873-1954. P. 1924

Vertrek (1895). Oil on canvas; Private Collection; 90 x 90 cm.

De nationale romantiek was een stroming die in verschillende delen van Europa, zoals Bohemen en Rusland, tot uiting kwam in de kunst en de architectuur. In de muziek van de Noordse landen kwam het nationalisme sterk tot uiting. Grieg, die twee decennia eerder was geboren dan andere Scandinavische nationalistische componisten, was de eerste die volksmuziek en traditionele liederen in zijn composities verwerkte. Andere Scandinavische componisten werden binnen enkele jaren na Wilhelmson geboren. Zo werden Nielsen en Sibelius een jaar vóór Wilhelmson geboren en de Zweedse componisten Stenhammar en Alfvén respectievelijk vijf en zes jaar daarna. Hun muziek is onmiskenbaar Noord-Europees – denk maar aan Griegs Peer Gynt, gebaseerd op het toneelstuk van Ibsen, en Finlandia van Sibelius. Ook kunstenaars brachten hulde aan de cultuur, het land en de bevolking van hun land. De periode tussen ongeveer 1905 en 1920 wordt beschouwd als het ‘zilveren tijdperk van de nationale romantiek’ in Zweden. (Oxfard Academic)

September Evening (1928)
1928; Oil on panel; Private Collection; 41 x 32.5 cm.

Reisgezel(4). J. Ottis Adams (1851-1927)

Schrijf je ‘impressionist’ dan denk je bijna automatisch aan Frankrijk terwijl mijn reisgezel vandaag bekend staat als lid van de Hoosier Group, een groep landschapsschilders uit Indiana USA. In die groep schilderden ook William Forsyth, Richard B. Gruelle, Otto Stark, T. C. Steele en Richard B. Gruelle. Daarnaast behoorde Adams tot de groep die in 1896 de Society of Western Artists oprichtte, en was hij in 1908 en 1909 voorzitter van deze organisatie.

Adams groeide op in centraal Indiana, maar volgde zijn formele kunstopleiding aan de South Kensington School of Art in Londen. Hij verbleef zeven jaar in Duitsland, waar hij studeerde aan de Academie voor Schone Kunsten in München. Adams richtte samen met Forsyth de Muncie Art School op, maar de school sloot na twee jaar haar deuren. Adams hielp ook bij de planning en gaf kunstlessen aan het John Herron Art Institute, dat later het Indianapolis Museum of Art werd en de John Herron School of Art in Indianapolis. Daarnaast gaf hij informele kunstlessen in de Hermitage, zijn woning en atelier nabij Brookville, Indiana. In 2004 werd het gebouw opgenomen in het Nationaal Register van Historische Plaatsen; het maakt ook deel uit van het Brookville Historic District.

The Farm, Prarie Dell [1895]
1894; Oil on canvas; Private Collection; 22 x 29.25 in.
An August Sunset – Prarie Dell [1894]
1894; Oil on canvas; Indianapolis Museum of Art, Indiana; 18 x 28 in.

J. Ottis Adams stond vooral bekend als een natuurminnende kunstenaar. Als landschapsschilder en belangrijk lid van de Hoosier Group, een groep schilders uit Indiana, legde Adams zich, samen met William Forsyth en Theodore Steele, toe op het weergeven van zijn eigen geboortestreek. Hun vroege werk bestond doorgaans uit boeren-genereschilderijen in een donkere toon. In de jaren 1890 werd hun stijl echter veel lichter, in de trant van de impressionisten, en jarenlang waren deze kunstenaars de belangrijkste impressionistische schilders van het Midwesten. Een groot deel van hun onderwerpen speelde zich af langs de rivieren Muscatatuck en Whitewater en rond de gemeenschappen Brookville en Vernon in Indiana.


Spring Landscape [1895]
1895; Oil on canvas; Private Collection; 29 x 22 in.
Hollyhocks and Poppies – The Hermitage [1901]

“Buiten zijn eigen artistieke bezigheden, was Adams zeer toegewijd aan het bevorderen van creativiteit bij anderen. Hij was medeoprichter van de Muncie Art School met William Forsyth en bood aspirant-kunstenaars toegang tot kwaliteitsonderwijs. Hij speelde ook een cruciale rol bij het ontwikkelen van kunstprogramma’s aan het John Herron Art Institute (nu het Indianapolis Museum of Art), waarbij hij de volgende generatie Indiana-kunstenaars vormgaf. Zijn toewijding aan het onderwijs weerspiegelt een geloof in de transformerende kracht van kunst en het vermogen om individuele levens en gemeenschappen te verrijken. De Hermitage, zijn huis in de buurt van Brookville, werd niet alleen een persoonlijk heiligdom, maar ook een verzamelplaats voor collega-kunstenaars en studenten, die een levendige artistieke gemeenschap bevorderden. Het was hier, omringd door de landschappen die hem inspireerden, dat Adams bleef schilderen en onderwijzen tot zijn dood in 1927. Zijn invloed reikte verder dan de formele instructie; hij bood informele lessen aan thuis in The Hermitage, waardoor een inclusieve omgeving ontstond waar creativiteit kon bloeien. Hij geloofde dat kunst voor iedereen toegankelijk moest zijn, en hij moedigde actief experimenten en individuele expressie bij zijn studenten aan.” (WahooArt)

In Poppyland [1901]
1901; Oil on canvas; Ball State University Art Museum, Muncia, Indiana; 22 x 32 in.

‘Zijn toewijding aan het vastleggen van de essentie van de Amerikaanse ervaring – zijn landschappen, zijn mensen en de evoluerende identiteit – maakt hem een belangrijke figuur in de geschiedenis van het Amerikaanse impressionisme. Het verkennen van zijn werk is niet alleen een daad van kunstwaardering; het is een herontdekking van een vergeten stem, een die welsprekend spreekt over schoonheid, rust en de blijvende kracht van artistieke visie. ” aldus een plaatselijke waardering.

Het licht. De zichtbaarheid. Maar ook ‘de tover’, dat ouderwetse begrip waardoor niet uitspreekbare essenties de kern der dingen aanraken. Zichtbaarheid niet alleen als ogentroost maar herkenning dat in het voorbijgaan het wezenlijke zonder waarschuwing ons raakt, kleuren en tonaliteiten woorden overbodig maken en het onuitsprekelijke zich met onze schamelheid verzoent.

The Old Mills of Brookville [1900 – 1902]
1900 – 1902; Oil on canvas; Brookville town-township Library; 28 x 36 in.

Dat je ons liet zien wat wij meestal voorbijlopen
of te vlug de andere kant opkijken;
waar ter wereld ook, en tussen zoet en bitter
dat moment van licht, die bruiloft
van verzoening tussen dag en nacht.

The Glimmerglass of the Mississinewa [1895]
1895; Oil on canvas; Ball State University Art Museum, Muncie, Indiana; 20 x 30 in.

Reisgezel(3) Shinsuke Inoue

Shinsuke Inoue. (De zoon)

Shinsuke Inoue’s reis in de wereld van de houtsnijkunst begon ongeveer tien jaar geleden, toen hij Japans hout aanschafte om een driedimensionale weergave van zijn kind te maken. Deze zeer persoonlijke daad van het vastleggen van een herinnering was de aanleiding voor een blijvende fascinatie voor het beeldhouwen van menselijke figuren uit hout, een praktijk die sindsdien zijn artistieke loopbaan heeft bepaald. Zijn werkwijze blijft uiterst intuïtief — Inoue geeft toe dat hij zelden een beeld heeft van de uiteindelijke vorm voordat hij begint, en laat de inherente eigenschappen van het hout zijn beitel leiden. Hij werkt uitsluitend met handgereedschap en laat het beeld tijdens het bewerkingsproces geleidelijk aan tot uiting komen, waarbij hij zijn oorspronkelijke idee vaak aanpast naarmate het materiaal zijn eigen verhaal dicteert. (Visual Flood. Leandro Lima)

Sinsuke Inoue. Meisjesportret

“De emotionele weerklank van Inoue’s sculpturen komt voort uit hun opmerkelijke terughoudendheid. Hoewel ze fysiek klein van formaat zijn, bezitten deze gesneden figuren een elementair gewicht en ernst die de aandacht opeisen. Hun uitdrukkingen blijven opzettelijk raadselachtig; vaak recht vooruit starend met een stilte die opvallende momenten van verbinding creëert wanneer ze vanuit bepaalde hoeken worden bekeken. De subtiele bewerking van de gelaatstrekken – een nauwelijks waarneembare verschuiving van de mond, een lichte spanning rond de ogen – roept dezelfde diepgaande emotionele communicatie op die te vinden is in de kleinste menselijke gebaren, waardoor deze compacte houten vormen tot dragers van grenzeloze innerlijke werelden worden getransformeerd. (ibidem)

In plaats van letterlijke portretten te maken, put Inoue inspiratie uit een eclectische reeks bronnen: dierbaren, vreemden die hij op straat tegenkomt en gezichten die hij op foto’s opvangt. Zijn artistieke ambitie reikt verder dan de weergave van het individu; hij streeft er veeleer naar iets fundamenteels over het menselijk bestaan zelf te distilleren. De sculpturen hebben grotendeels geen titel, waarmee de nadruk ligt op hun universele in plaats van specifieke kwaliteiten. Door de natuurlijke schoonheid van hout te combineren met weloverwogen vormgeving en kleurgebruik, streeft Inoue ernaar om wat hij omschrijft als „de essentie van het menselijk bestaan“ over te brengen, waarbij de organische aantrekkingskracht van het materiaal de diepgaande menselijkheid versterkt die in elke gebeeldhouwde figuur vervat zit. (ibidem)

Inoue werkt intuïtief en laat zich leiden door de natuurlijke eigenschappen van het materiaal. „Ik heb vrijwel geen idee hoe het voltooide werk eruit zal zien totdat ik daadwerkelijk met het hout aan de slag ga,” zegt hij. „Daardoor ontstaat de vorm vaak pas terwijl ik aan het snijden ben, en pas ik mijn plannen regelmatig halverwege het proces aan. Uiteraard houd ik de vele mislukkingen geheim.” Hij snijdt altijd met handgereedschap en geeft zijn werken zelden een titel. (Kathe Mothes Colossal)

Bronnen:

Reisgezel(2): ‘Les Jardins publiques’ Edouard Vuillard

Les Jardins Publiques. (klik op onderschrift om te vergroten)

De reeks „Jardins publics“ bestaat uit negen panelen die in 1894 door Alexandre Natanson werden besteld voor zijn herenhuis aan de Avenue du Bois in Parijs, tegenwoordig de Avenue Foch. Natanson was directeur van La revue blanche, een kunst- en literair tijdschrift dat onder meer de groep van de Nabis onder zijn vleugels had, waarvan Vuillard deel uitmaakte. De reeks was opgehangen in een grote ruimte, die zowel als salon en als eetkamer diende. Deze voorstelling van spelende kinderen, vergezeld door hun kindermeisjes, paste bijzonder goed bij de familiale sfeer van de opdrachtgevers, die ouders waren van drie kleine meisjes.

La Promenade

Deze panelen zijn in 1929 verspreid geraakt, maar vijf ervan worden bewaard in het Musée d’Orsay. Ze worden in een rechte hoek tentoongesteld, net als in hun oorspronkelijke opstelling. Elke compositie staat op zichzelf en heeft een ondertitel, maar ze zijn allemaal met elkaar verbonden door de continuïteit van de ruimte – aarde en hemel –, het licht en de kleuren: harmonieën van beige, groen en blauw, verlevendigd door enkele rode accenten. Zonder oog voor topografische nauwkeurigheid doen sommige panelen denken aan de Tuilerietuin, andere aan het Bois de Boulogne, dat grenst aan het Hôtel des Natanson.

Sous les arbres

Het plein-air-thema, de natuur in de stad, getuigt van de impressionistische erfenis, met name die van Monet. Het decoratieve aspect doet denken aan de middeleeuwse wandtapijten die Vuillard in het Musée de Cluny bewonderde. De schilder experimenteert hier voor het eerst op deze schaal met de effecten van lijmschilderkunst waardoor dit matte uiterlijk ontstaat, vergelijkbaar met dat van de fresco’s van Piero della Francesca, en dat hij later in al zijn decoratieve werken toepast. Tenslotte is de invloed van de Japanse prentkunst en kamerschermen merkbaar in de opstelling van vormen en leegtes, de decentreringen en de symmetriebreuken.

Jeunes filles jouants

De techniek van lijmschilderen mengt een lijm (in plaats van olie) op basis van konijnenhuid met pigmenten, terwijl ze wordt verwarmd, daarna aangepast op het canvas. 
Het is een techniek dicht bij tempera, gemaakt van eigeel, en verspreid in Europa in de 13de en 14de eeuw, veel gebruikt door Italiaanse renaissanceschilders. 


In de 19de eeuw is het een techniek die vaak wordt gebruikt voor de realisatie van theatersets. Vuillard heeft talloze sets voor Parijse theaters uitgevoerd. Hij gebruikt deze techniek van lijmschilderen om deze panelen hun matte uitstraling te geven, die aan de muurschilderingen van de Renaissance herinnert.

Lijmverf, ook wel lijmtempera genoemd, is een verfsoort die gemaakt wordt uit dierlijke lijm, bijvoorbeeld uit beenderlijm of huidenlijm. De gelatineachtige lijm wordt lang geweekt, vervolgens opgelost in warm water, waarna er pigment doorheen gewreven wordt.(La detrempe) De verf is mat van kleur, en niet watervast. Lijmverf schilderijen op doek werden Tüchlein genoemd. (Wikipedia)

Les deux écoliers Musées royaux des Beaux-Arts de Belgique, Bruxelles

Vuillard se montrera toujours sensible à la perception que les enfants ont de l’espace. Les Petits Écoliers, guetteurs éphémères, témoins d’un ballet fantomatique d’ombres qui peuplent, au loin, les frondaisons de ces Tuileries recomposées en sous-bois symboliste, sont un des panneaux les plus saisissants. (en meer via hieronder aangeduide bronnen)

Bezoek:

Vuillard et le regard intmiste

Het was vooral die ‘regard intime’ die mij aansprak. Helaas is het een beetje behelpen met de digitale reproducties. Is je bibliotheek geabonneerd op ‘Connaissance des Arts’ dan vind je een degelijke bijdrage van Frank Claustrat in de jaargang 2003, oktober nr 609. De stilte in Vuillards werk en de plaats voor het (Japanse) lege maakten deze kunstenaar een boeiende reisgezel. Het wonderlijke zoekt altijd de leegte op. Net zoals de stilte. Daar is veel mogelijk.

(mooie gedetailleerde film (28:56). over deze schilderijen; altijd via youtube terug te vinden: ‘Les allées du souvenir”