Jan Mankes, weemoed van het licht

Jan Mankes. Zelfportret 1912

Mankes (1889-1920) schilderde in de jaren 1909-1920, een periode waarvan in de grote musea vooral de ‘vernieuwers’ te zien zijn. Zoals Jan Toorop, Vincent van Gogh, Kees van Dongen en Jan Sluijters. Abstract werk, impressionistisch, expressionistisch, fauvisten. Minder aandacht was er bij de critici en kunsthistorici voor de Nederlandse schilders die realistisch werk maakten, zoals Floris Verster, Matthijs Maris en Henri Frédéric Boot. En niet te vergeten: Jan Mankes. (Museumkijker 2020)

O laatste, warme dagen van september,
de weemoed van uw licht gloeit ook in mij,
ik laat, als gij, mij met een glimlach glijden
naar dood en vrede, beiden zo nabij. '

Jan van Nijlen (De laatste dagen) 1947
Bomenrij bij Oranjewoud

Een directe kennismaking met deze mooie kortfilm van de Friese Omroep (2020). ‘De stille ferwûndering fan Jan Mankes’ Beelden maken woorden overbodig. Fries met Nederlandse ondertiteling waar nodig. Mooi! Maakte mij toen nieuwsgierig naar de schilder, zijn werk en omgeving.

De magie zit in de verf. Mankes schilderde in eindeloze laagjes dunne olieverf, die hij met puimsteen afschuurde, zodat er ‘een opeenvolging van paarlemoeren tonen’ ontstond, met ‘tot tinten gebluschte kleuren’, ‘doorsprankeld en door-fonkeld van fijne toetsjes in purper en groen’. Ook daar zie je relaties. Met Vermeer, in het vettig wit van een gekalkt muurtje, met Holbein in de klare lijn rond het profiel van zijn Annie op donkergroen, met Piero di Cosimo in het aardse portret van zijn vader, met Japanse schilderkunst en Japanse houtsneden. (Koen Kleijn. De Groene Amsterdammer 5 augustus 2020)

Jonge witte geit

Om Mankes’ persoon hing de zweem van een geniale kluizenaar met een ‘afkeer van luidruchtigheid’. Vast staat wel dat zijn zachte, ingehouden werk ook latere kunstenaars zoals Dick Ket en Wim Schuhmacher inspireerde. Mankes zelf werd beïnvloed door kunsttradities van voorgaande generaties. Als jongen liep hij elke zondag van Delft naar Den Haag om in het Mauritshuis Holbein, Vermeer en Vlaamse primitieven te bekijken, zo gaat het verhaal. (Museum More). Bezoek:

https://www.museummore.nl/jan-mankes/

Jan Mankes. Zelfportret 1915. Collectie Museum More

“Alleen al de hoeveelheid zelfportretten die Mankes schilderde moet opvallen. Zo jong nog en dan je zelf zo vaak portretteren. Wat zit daar achter? Dat het alleen maar om studie ging, lijkt me vreemd. Ik heb de zelfportretten geteld. In de jaren 1909-1915 waren dat 11 à 12 schilderijen, vier tekeningen, zeven etsen, een houtsnede en een litho. Maar een klein aantal daarvan is voorstudie voor ander werk. Opvallend is dat Jan in het jaar 1914 zichzelf niet heeft geportretteerd. Wel maakte hij toen verscheidene portretten van zijn vader, die in de zomer van dat jaar zijn heup had gebroken. (Ongekamde gedachten bij de zelfportretten van Jan Mankes)

Jan Mankes’ vader voor het meer 1914

In maart 1914 begon Jan Mankes een soort kladschrift-dagboek bij te houden. Daarin noteerde hij van alles en nog wat. Ook zijn artistieke twijfels en zelfreflecties. Hij ging daarbij veel verder dan hij deed in de bekende correspondentie met zijn Haagse vriend en weldoener Pauwels. Mijn vermoeden is dat de zekerheid die Jan uitstraalt (wil uitstralen?) in zijn zelfportretten van 1910-1911 complementair is, zo niet vooraf gaat, aan de minder zelfverzekerde Jan Mankes die we leren kennen in zijn kladschrift.

(de moane Poadium foar keunst en kultuer yn Fryslân Yme Kuiper)

Jan Mankes Grote uil op scherm
De uil uit het beroemde schilderij ‘Grote uil op scherm’ uit 1913 woonde bij de familie Mankes in huis. De vogel was opgestuurd door de mecenas van de kunstenaar. Mankes schreef later: “Het is net een verschijning uit een sprookje, iets koninklijk teers, iets waar je nooit aan zou willen raken, ja hij is voor mij door die zilveren borst totaal volmaakt geworden”. Sprookjesachtig en teer zijn inderdaad rake typeringen voor Mankes' magnifieke oeuvre. (More Museum)

Mankes was geen holy fool; hij was erudiet en belezen, goed op de hoogte van de ontwikkelingen in de kunsten, hij was sociaal, vriendelijk, schuchter, en eigenwijs. Hij was plezierig in de omgang, schreef ettelijke fijne brieven, wist wat hij wilde en wat hij niet wilde, maar hij was daarbij wel degelijk puur, en natuurlijk, en eenvoudig. Dingen die Zernike misschien miste. Zij zat barstensvol met de juiste ideeën, sprak goed, schreef goed, las alles, maar zij zag – zo vermoed ik – elke zondag in de ogen van haar gemeente dat ze daar geen werkelijk contact mee maakte. Ze wist wel wie God was, zogezegd, maar niet waar ze hem kon vinden. Mankes wel. Hij had dat merkwaardig diepe gevoel voor de natuur, en leefde naar het doodeenvoudige idee dat God ook in de simpelste voortbrengselen daarvan te vinden was. Het klinkt zoet, misschien, maar de ‘spirituelen’ in de eerste decennia van de twintigste eeuw waren er vol van, die drang naar het zuivere en het ware, de mystieke werkelijkheid achter de gewone werkelijkheid, en ze waren geobsedeerd door ‘Zien’ met een hoofdletter Z. Maar niet iedereen kon dat, zomaar ‘zien’.

(Koen Kleijn. De Groene Amsterdammer 5 augustus 2020)

Jan Mankes. Portret van Annie Mankes-Zernike. 1918. Collectie museum MORE

En toch is het allemaal volkomen eigen. Het is zelfs zo eigen dat het je na honderd jaar nog altijd met stomheid slaat. Om nog eens de criticus van het Handelsblad (maart 1912) te citeren: ‘Deze kunst houdt met niets anders verband. Zij is als een zeldzame kostbaarheid; als een simpele, zoete zang van een bijzonder timbre, zij mist alles wat geniaal beginwerk in den regel onderscheidt: er zijn geen misvattingen, geen onhandigheden; er is niets in van hevigen durf en van groote passie; niets van stuwing naar een ideaal. Zij is een rust. Zij is een vrede.’ (ibidem als hierboven)

Gemberpot met dopheide, 1916. Olieverf op doek, 31 x 25,5 cm © Foto collectie Museum MORE

Opmerkelijk genoeg zat Mankes rond 1911 op ongeveer precies hetzelfde punt waar Mondriaan toen ook was aanbeland. Beiden schilderden toen zo’n bronsgroene gemberpot, met bloemen. Mondriaan zag in die vorm een manier om de natuur los te laten en de compositie in scherven te laten vallen, op zoek naar de onderliggende waarheid. Mankes sloeg precies de tegenovergestelde richting in, maar ook hij abstraheerde: de witte chrysantjes of de blaadjes van de judaspenning in de pot zijn de werkelijkheid ook al voorbij: het zijn een soort stralende figuurtjes geworden, met een innerlijk licht. (ibidem als hierboven)

Jan Mankes. Judaspenning in Japanse Vaas 1915. Collectie Museum MORE

Annie Mankes-Zernike nam na de dood van haar man de prediking weer op. Ze belandde in Rotterdam, waar ze een bloeiende gemeenschap in Tuindorp Vreewijk diende, met een praktijk die vol muziek, literatuur en toneel zat, want ze begreep dat ‘de poëtische, vrome verbeelding’ van de kunsten minstens even belangrijk was als de preek en de kerkgang. Zij had dat zelf ervaren, in Boven-Knijpe. (ibidem De Groene Amsterdammer nr 32 jaargang 2020)

Jan Mankes Bomenrij. 1915. Museum MORE

Met het samenbrengen van verschillende bronnen hoop ik de lezer(es) nieuwsgierig gemaakt te hebben naar deze kunstenaar. Een mooi overzicht van zijn werk vind je tenslotte in de collectie hieronder:


Glas met kleine lelie

Voor even nog
is zij wat ze worden zou
een kleine lelie
Lilium longiflorum

Op het doek
het ritme van je hand
het zachte gloeien,
het donker glas op het paletmes.

Verankering
van het broze bloeien.

Gmt

aan zichzelf gebonden (335)

395_31b22f061b3c2f951fbf50c36c952478

Aan zichzelf gebonden

Een wonderlijk zelfportret is dit, het portret van Dick Ket en zijn vader.
Dick Ket, op de voorgrond is slechts 37 geworden. (1902-1940)
Ik denk niet dat hij, na 1930, zijn geboortedorp Bennekom nog heeft verlaten, zelfs verder dan het tuinhek durfde hij niet.
Hij had een zwakke gezondheid, een ongeneeslijk hartlijden en een pleinvrees zoals dat nu heet, zodat hij aan het ouderlijke huis gebonden bleef.

Zijn vader op de achtergrond wordt met een fles afgebeeld, de man was apothekers-assistent, terwijl de randen van een opgespannen schilderdoek achter Dick op zijn beroep wijzen: kunstenaar.

Dit portret in houtskool en zwart krijt aangevuld met penseel maakte hij twee jaar voor zijn dood.
Landschappen en zelfportretten, werken waarvoor hij het huis niet uit moest, vormen de kern van zijn werk.
Ook de figuur van zijn vader duikt geregeld op terwijl zijn moeder, met wie hij een verstoorde relatie had, afwezig blijft in zijn werk.

Hijzelf gaf allerlei diepere betekenissen aan zijn werk, betekenissen die vaak voor ons niet uit het werk zijn af te lezen.

Hij blijft met de buitenwereld verbonden door briefwisseling.
Zo schrijft hij aan een vriendin:

“Schildersdrift vergt fysieke inspanning, daartoe ben ik niet in staat, moet me dus schikken en dit suggereert (omdat het natuurlijk in het werk merkbaar is) weinig schilder, meer tekenaar, maar in werkelijkheid is het niet zo”.

Door het gebruik van lijnolie en allerlei nieuwe bindmiddelen zijn sommige werken nu na 50 jaar nog altijd niet droog.

In 2002 was er een overzichtstentoonstelling van zijn werk onder de onhollandse naam: “de martelaar van het marterhaar”.

In de late zomer, in de winkeltuin, voel ik me heel dicht bij de wereld van Ket.
Mocht ik kunnen schilderen dan zou ik nu de bijen schilderen die het druk hebben op de late bloesems van de hedera.
Ik werk in de beslotenheid van mijn eigen atelier, koester de schoonheid van de dingen die mij omringen.
Het licht is van een uitzonderlijke zachtheid, beste Theodore.
Het septemberlicht als zelfportret.
Want de dagen korten voelbaar


Intussen, op 22 januari 2024, publiceerden we een bijdrage helemaal aan Dick Ket gewijd.

Kijk en lees: