Massamensen en mensen in de massa: een lijdensverhaal (1)?

Foto door Masi op Pexels.com
intermezzo

(laatste liefdesbrief)

  gisteren nog waren wij geliefden
  p.s.
  waar ben je?


Glenn Sluisdom
Foto door Anya Juu00e1rez Tenorio op Pexels.com

Hij dacht, het is tijd om naar de hoofdstad te gaan.

De intocht van Christus in Brussel. James Ensor. 1888 Klik op ondertitel om te vergroten

De kijker ziet een carnavaleske stoet vol maskers, tronies, clowns en karikaturen op zich afkomen, die hem dreigt te verpletteren. De Christus in het midden van het gewoel, enigszins verdoken tussen de menigte op een ezel, heeft gelaatstrekken die wel sterk op Ensor lijken: de kunstenaar als visionair ingehaald door de massa. Ondanks de fanfare en het gejuich, drukt het volgens Ensors biograaf Eric Min vooral zijn eenzaamheid en miskenning uit. Vooraan staan verwaande rechters, zelfvoldane burgers, vissersvrouwen, een dokter met tovenaarshoed, een stel muzikanten, een bespottelijk verliefd koppeltje en een pompeuze bisschop die tamboer-majoor speelt (met de trekken van Émile Littré). Rechts op het verhoog dragen de burgemeester en zijn schepenen een clownkostuum. De optocht marcheert onder een groot banier met de tekst “Vive la Sociale”. Het is duidelijk dat Kerk noch socialisme worden gespaard. Ensor klaagt de maatschappij aan en zet de bevolking voor gek. (wikipedia)

'Het probleem bij complotdenken is dat je elke norm voor waarheid en waarachtigheid verlaat, terwijl elke speculatie of associatie die je maakt even geldig of nog meer geldig lijkt dan de versie die officieel wordt verteld. Dat is een groot probleem. Zoals ik schets vanuit Machiavelli, maakt argwaan tegenover de overheid deel uit van wat een kritische burger is. Een democratie heeft kritische burgers nodig. Maar als die kritische houding leidt tot een projectie van je eigen fantasie, heb je een immens probleem. En dat is exact onze situatie.’ (Tinneke Beeckman over boek 'Macht en Onmacht in Veto)
Jos De Mey ‘Ingekeepte massa, nr 10/11. 1972 olieverf op doek

Elias Canetti, die beroemd werd met Het Martyrium, schreef in een weergaloze stijl een wetenschappelijk hoofdwerk, Massa en Macht, dat ook buiten de wetenschap iconisch werd. Het geeft in bijzonder beeldende taal en met vele voorbeelden een diepte- en massapsychologische analyse van groepsvorming. Canetti toont hoe uit een schijnbaar heterogene groep mensen één nieuw en onheilspellend brullend wezen kan ontstaan.

Casper Thomas beschreef in nummer 47 (23 november 2022 ) van De Groene Amsterdammer een rake en gecondenseerde samenvatting van het hoofdthema van het boek. (Ik citeer hem graag maar raad de lezer aan zelf met dit maandblad kennis te maken. Het kost je nauwelijks tien euro per maand.)

“De Kaap, Zuid-Afrika, 1857. In de vroege ochtend gaat een jong meisje van het inheemse Xhosa-volk water halen bij de rivier. Daar ziet ze vreemde gedaanten. Geschrokken rent ze door de velden naar huis. Haar oom Umhlakaza maakt de tocht naar de rivier en ziet de gedaanten zelf ook. Ze geven hem een opdracht. Keer terug naar huis, voer rituelen uit en slacht een os ter ere van de doden. Op de vierde dag moet de oom opnieuw naar de rivier komen. Umhlakaza gehoorzaamt. Aan de oever ziet hij nog meer gedaanten. Tot zijn verbazing herkent hij zijn broer, die allang overleden is. Umhlakaza krijgt nadere uitleg en instructies. Hij moet zijn volk uitleggen dat de doden zijn teruggekeerd van overzeese slagvelden om de Xhosa te helpen de gehate Engelse kolonisten te verdrijven. De belangrijkste opdracht die Umhlakaza meekrijgt is de leiders van zijn volk te vertellen dat ze zo veel mogelijk dieren moeten slachten en opeten.

Al snel gaat het verhaal rond binnen de Xhosa. Leider na leider omarmt de opdracht van de gedaanten, de vetste ossen gaan op de slachtbank en het volk viert dagenlang feest. Umhlakaza verkrijgt al gauw de status van profeet. Hij staat met zijn nichtje in de rivier en vertelt de Xhosa die zich langs de oevers verzamelen dat de geesten van de overledenen zich aan het beraadslagen zijn over de toekomst van de mens. Hun honger is onstilbaar. Na het vee moeten ook de graanvoorraden worden aangesproken. Pas als het laatste dier is geslacht en de laatste graankorrel verorberd, zal de dag van verlossing aanbreken. De Britten zullen worden vernietigd door een hemel die op ze neer zal vallen. Nog vetter en melkrijker vee zal de aarde bewandelen en oneindige graanvelden zullen uit de grond omhoogschieten met aren zo groot als geen Xhosa ooit heeft gezien.

“Het eten is snel op. Er breekt hongersnood uit. Met hun laatste krachten leggen de Xhosa graanschuren aan en worden er hekken om veeweiden geplaatst om de toekomstige overvloed te kunnen ontvangen. Soldaten bewapenen zich voor de eindstrijd tegen de Britten. Als de langverwachte dag aanbreekt gebeurt er niets. Het bezeten enthousiasme van de Xhosa slaat om in wanhoop, gevoeld in duizenden lege magen. Hele gezinnen sterven vanwege voedselgebrek. Een exodus van uitgemergelde mannen, vrouwen en kinderen begeeft zich richting de grenzen van de Britste kolonie, bedelend om eten. In minder dan een jaar tijd wordt de Xhosa-bevolking van meer dan honderdduizend zielen gedecimeerd tot minder dan veertigduizend overlevenden van de collectieve zelfbegoocheling.”

(Casper Thomas 23 november 2022. verschenen in nr 47. De Groene Amsterdammer)

Elias Canetti 1973. © Brigitte Friedrich / Sueddeutsche Zeitung / ANP

Maak kennis met De Groene Amsterdammer: https://www.groene.nl/

"Midden in de compacte massa kan men niet omvallen. Het is daarom de ideale plaats voor mensen die niet op eigen benen kunnen staan."
― Antoon Vloemans
Vlaams schrijver en filosoof 1898–1982
Xi’ an Terracotta krijgers

Maar...Vandaag 1 maart 2024. Moskou: De begrafenis van Navalny.  "Mensen blijven toestromen-Politie arresteert prominente aanwezigen" (De Standaard)


Uit ‘Geen gedicht in veertig dagen’ van Borys Hoemenjoek (Oekraïne)

Poëzie zag mensen sterven
Poëzie stopte gebruikte kogelhulzen in haar oren
Poëzie wordt liever blind
Dan dat ze elke dag lijken ziet

Poëzie is de kortste weg naar de hemel
Poëzie tuurt in de leegte
Als je valt
Herinnert ze je aan de weg terug
Poëzie trok naar plaatsen
Waar geen plaats is voor poëzie

Poëzie was getuige van alles
Poëzie was getuige van alles

(De Standaard
Een jaar geleden stuurde de dichter Borys Hoemenjoek een laatste bericht. 24 uur lang hadden hij en twee andere Oekraïense soldaten onder meedogenloos Russisch vuur gelegen. Het regende granaten op hun loopgraaf net buiten de oostelijke stad Bachmoet. “Onze munitie raakt op. Tot de laatste kogel”, sprak Hoemenjoek via een krakende radio. Het waren zijn laatste woorden. (De Standaard 30 december 2023)
Aanhouding bij herdenkingsbijeenkomst Moskou. 18 februari 2024 ANP

Het is de kracht van elke demonstratie, met of zonder rellen of standbeelden die worden omgetrokken, het zit in de optelsom van al die afzonderlijke lichamen. Ze gaan als het ware op in een soort superlichaam dat machtiger is dan een individu ooit kan zijn. De overredingskracht schuilt in de massa, niet alleen voor de toeschouwers of onwillige luisteraars ervan, maar zeker ook voor de deelnemers zelf.

In de massa wordt de mens bevrijd van zijn eigen onbeduidendheid, schreef Gustave Le Bon eind negentiende eeuw. In haar boek Blood Rites omschrijft Barbara Ehrenreich het gevoel als een ‘natural high’. Het opgaan in een massa veroorzaakt een roes, een soort dronkenschap, en geeft een gevoel van euforie dat nog het best te vergelijken is met seks. Omdat we onszelf erin kunnen verliezen.
Dit is waar ieder mens naar verlangt, zegt Ehrenreich, een overgave aan iets wat groter is dan onszelf. Of je dat grotere nu liefde, kunst, god, volk, vaderland of een strijd voor rechtvaardigheid noemt, volgens haar komt het uiteindelijk allemaal op hetzelfde neer: niet meer onbeduidend willen zijn. (…)
Soms moet je gewoon kiezen aan welke kant je staat.
Marian Donner DGA 17 juni 2020.

Beeld: Herman van Borstelen (De Groene A’dammer)

Moet je, zoals Milo Rau zou willen, in Wenen ‘een vrije republiek’ voor kunst en politiek protest oprichten? Ik voel meer voor haar plaats overal waar mensen telkens weer een nieuwe dag (moeten) beginnen. Hoe allerlei kunstvormen jezelf kunnen veranderen, de werkelijkheid op jouw (onze) manier vorm geven, de afstand tussen museum en huiskamer in het dagelijkse verkleinen. Zij zal je niet altijd troosten, maar een beetje meer moed schenken, je blik verdiepen, je zin voor humor aanscherpen. Mensen in de massa onderscheiden als aparte mensen met een verhaal, met een kijk op het alledaagse, met verbindingsmogelijkheden.

Intussen (2024, tien jaar later) aan te vullen met bezette Palestijnse gebieden, Zuid-Soedan, Oekraïne, Sahel, Myanmar, Burkino Faso, Soedan. Je moet niet bijzonder gevoelig zijn om het lijdensverhaal van een mens als Jezus in deze dagen op weg naar Pasen een menselijke vorm te geven. Elkaars nabijheid ten zeerste aanbevolen.

Een schilderij als leidraad

De parabel der blinden
Pieter Bruegel (naar)end 1500s – end 1500s

“Het was waar dat ik niet wilde leren hoe het er in de wereld aan toeging. (…) Ik verzette me tegen het imitatieve leren. Daartegen droeg ik oogkleppen, daar had zij gelijk in. Zodra ik merkte dat mij iets werd aanbevolen, alleen omdat het in de wereld zo te doen gebruikelijk was, verzette ik me en scheen ik niet te begrijpen wat men van mij wilde. Langs andere wegen kwam de wereld mij toch nabij, veel dichter dan zij en misschien ook ikzelf toen vermoedden.”

Want één weg naar de werkelijkheid leidt over schilderijen. Een betere weg bestaat er volgens mij niet. Je houdt je aan hetgeen niet verandert en put daarmee het altijd veranderlijke uit. Schilderijen zijn netten, wat daarop te zien is, is de houdbare vangst. Er ontglipt en verrot wel het een en ander, maar je probeert het opnieuw, je draagt de netten bij je, werpt ze uit en door hun vangsten nemen ze in sterkte toe.

Belangrijk is echter dat die schilderijen ook buiten de mens bestaan, in hem zijn zelfs zij aan veranderlijkheid onderhevig. Er moet een plaats zijn waar hij, en niet hij alleen, ze in ongerepte staat kan vinden, een plaats waar iedereen die onzeker wordt ze vindt. Als hij voelt dat zijn ervaring zich op een hellend vlak bevindt, dan wendt hij zich tot een schilderij. Daar houdt de ervaring stil, daar kijkt hij deze in het gezicht. Daar vindt hij rust in de kennis van de werkelijkheid die zijn eigen werkelijkheid is, hoewel deze hier voor hem werd veraanschouwelijkt. Schijnbaar zou die werkelijkheid ook zonder hem bestaan, maar die schijn bedriegt, het schilderij heeft zijn ervaring nodig om te ontwaken. Zo is het te verklaren dat schilderijen generaties lang sluimeren, omdat niemand ze kan bekijken met de ervaring die ze uit hun slaap wekt.

Sterk voelt zich hij die de schilderijen vindt die zijn ervaring nodig heeft. Dat zijn er meerdere — al te veel kunnen het er niet zijn, want hun betekenis is dat ze de werkelijkheid als één geheel bevatten; verspreid zou deze moeten uiteenspatten en wegsijpelen. Maar het mag ook niet één enkel schilderij zijn dat de bezitter geweld aandoet, hem nooit vrijlaat en hem gedaanteverandering verbiedt. Voor een eigen leven heeft iemand meerdere schilderijen nodig, en als hij ze vroegtijdig vindt, gaat er van hem niet te veel verloren.

Ik had het geluk dat ik in Wenen was toen ik zulke schilderijen het meeste nodig had. Tegen de valse werkelijkheid, waarmee men mij bedreigde, een nuchtere, starre, op profijt gestemde en benepen werkelijkheid, moest ik de andere werkelijkheid zien te vinden die ruim genoeg was om ook haar hardheden meester te worden en daartegen niet het onderspit te delven.”

(Elias Canetti De fakkel in het oor, vertaling Theodoor Duquesnoy)

“De gedachte aan blindheid had me achtervolgd sinds ik in mijn vroege jeugd de mazelen kreeg en enkele dagen het licht uit mijn ogen verloor. Nu waren er zes blinden in een schuine rij, die elkaar aan stokken of bij de schouder vasthielden. De eerste, die hen aanvoerde, lag al in de greppel, de tweede, die op het punt stond hem in zijn val te volgen, keerde zijn volle gezicht naar de kijker: lege oogkassen en een van schrik geopende mond met ontblote tanden.

Tussen hem en de derde was op dit schilderij de grootste afstand, nog hielden ze allebei de stok vast die hen met elkaar verbond, maar de derde had een ruk, een onzekere beweging waargenomen en ging met een lichte aarzeling op de punt van zijn tenen staan; zijn gezicht dat je en profil ziet — alleen zijn ene blinde oog —, verraadt geen angst, maar de aanloop tot een vraag, terwijl achter hem de vierde nog vol vertrouwen zijn hand op zijn schouder laat rusten en zijn gezicht ten hemel richt. Zijn mond staat wijd open, alsof hij van boven daarin iets verwacht te ontvangen dat aan zijn ogen voorbehouden is. De lange stok in zijn rechterhand heeft hij voor zichzelf alleen, zonder erop te steunen. Dat is de gelovigste van de zes, van vertrouwen vervuld tot in het rood van zijn kousen; de twee laatsten achter hem, allebei de trawant van hun voorman, gaan berustend zijn weg. Ook hun mond staat open, maar minder, zij zijn het verst van de greppel verwijderd, verwachten en vrezen niets en hebben niets te vragen. Als het niet zozeer om die blinde ogen ging, zou er wel het een en ander te zeggen zijn over de vingers van het zestal, ze grijpen en raken anders aan dan die van zienden; en hun voeten betasten de grond anders.” (ibidem)

Canetti beschrijft in 'De fakkel in het oor' de periode die het meest van invloed is geweest op zijn schrijverschap. In Frankfurt, Wenen en Berlijn studeert hij, leert hij politici en kunstenaars kennen, leest hij bibliotheken bij elkaar, ontmoet hij meisjes en tenslotte zijn toekomstige vrouw. In 1927 is hij getuige van de arbeidersopstand in Wenen die hem de aanzet geeft tot zijn standaardwerk Massa en Macht. Aan de vooravond van het fascisme heeft Canetti een ongewoon oor voor de geluiden die het onheil aankondigen. Hij heeft een fakkel in het oor.  (Uitgeverij De Arbeiderspers)

Eigentijdse versie van ‘Parable of the Blind’, excerpt van Hertog Nadler

Associërend met het thema zou ik graag een bijna onbekend vrij groot schilderij van Gustave van de Woestyne tonen: ‘De moedwillige blinde en de kreupele die een kindje wil leren lopen.’ (1917-1918) (208cm x 177 cm) in bruikleen gegeven uit de collectie van de Vlaamse Gemeenschap aan het Museum van Deinze en de Leiestreek in 1944.

Dit monumentale doek werd door Van de Woestyne geschilderd tijdens zijn verblijf in Wales en brengt een Bijbelse tekst in relatie met de eigen tijd, het overstijgt de louter religieuze context en brengt een wrange allegorie op de actualiteit.
Het thema van de moedwillige blinde gaat terug op de parabel van de blinden, zoals beschreven in het evangelie volgens Matteus. Bij Van de Woestyne zijn de figuren echter tot één burgerman gereduceerd, die met zijn hoed diep over de ogen, ‘blind’ in een donkere poel stapt. Uit het opschrift op de achterzijde van het doek blijkt dat Van de Woestyne de voorstelling uitdrukkelijk als moderne parabel zag en de tegenstelling tussen beide verhaallijnen sterk wilde benadrukken, met name tussen de ziende die niet wil zien, en de kreupele die, ondanks zijn handicap, anderen wil leren lopen. Door de voorstelling in de eigen tijd te plaatsen alludeerde de kunstenaar op de onbezorgde burgerij van de belle époque die in de jaren voor 1914 blind bleef voor de oorlogsdreiging, en op de door verschrikkingen getekende mens die niettemin aan een nieuwe wereld moest bouwen. 
De introspectie die van de hoofdfiguren uitgaat, weerspiegelt hoogst waarschijnlijk van de Woestynes zielsleven op dat moment. Het werk kwam namelijk tot stand toen hij met zijn gezin tijdens de oorlogsjaren naar Engeland gevlucht was.

(erfgoedinzicht.be)
Pieter van der Heyden (1551-1572)
Caption bottom:
Caecus ducem se praebet alteri caecos; / Quod saepe nunc usuuenire lugendum est. / Quid restat autem? quid? nisi ut uiae ignari, / Qua destinatum consequi scopum detur, / Tandem in patentem uterque corruant foßam?

Caption bottom:
Voÿez comment le pauure aueugle en fin le porte, / Qui sur un autre aueugle ignoramment se fie. / Il ua mal außeure quoÿ que fort il s appuÿe. / Et se tienne a son homme. Ansi par male sorte / Tombent dans le foße et luÿ, et son escorte.

Het mag duidelijk zijn dat de ‘blinde staat’ vooral op de zienden slaat om het rijmend te poneren. Velen die met werkelijk slecht zienden of blinden samenleven delen de ervaring van hun scherpe en doordachte waarnemingspatronen. Of waar Elias Canetti’s ‘leading picture’ ons kan brengen. Misschien een aansporing om zelf op zoek te gaan naar jouw schilderij(en) die je een leven lang bijblijven. Het symbolisch ogen- openend-effect van de kunst mag haar hopelijk een blijvende plaats in alle onderwijzende activiteiten geven. En zoals je lievelingsschilderijen mogen ook je lievelingsgedichten je begeleiden, dus kon Charles Baudelaire niet ontbreken. Ook hier zal het eerder over onze (ziende) blindheid gaan. Tiresias, de blinde ziener weet waarom.

Les aveugles

Contemple-les, mon âme ; ils sont vraiment affreux !
Pareils aux mannequins, vaguement ridicules ;
Terribles, singuliers comme les somnambules,
Dardant on ne sait où leurs globes ténébreux.

Leurs yeux, d'où la divine étincelle est partie,
Comme s'ils regardaient au loin, restent levés
Au ciel ; on ne les voit jamais vers les pavés
Pencher rêveusement leur tête appesantie.

Ils traversent ainsi le noir illimité,
Ce frère du silence éternel. Ô cité !
Pendant qu'autour de nous tu chantes, ris et beugles,

Eprise du plaisir jusqu'à l'atrocité,
Vois, je me traîne aussi ! mais, plus qu'eux hébété,
Je dis : Que cherchent-ils au Ciel, tous ces aveugles ?
En réalité, le poème est une invitation par Baudelaire à réfléchir à la condition du poète, et donc de lui-même. Une analyse poussée est donc nécessaire pour que le lecteur puisse comprendre le message complet de l’auteur à travers ce poème qui peut s’avérer déroutant et cruel au premier abord, puis qui s’avère en réalité ironique et sarcastique, et concerne un poète touché par le spleen. (Le blog Pimido)
L’ art celeste Odilon Redon
Laten we lichtvoetig
hoog genoeg
en met gewicht
de horizon verkennen.

Het vraagt een beetje
moed
met al onze overbodigheid
de lucht
in te gaan,
maar mijn god of goden
heerlijk
is de sprong,
telkens weer:

het soortelijk gewicht 
van dromen
voor wie
de goede trampoline vindt.