
Dadelijk zou AI verwijzen naar ‘hartverwarmende en mooie citaten’, en inderdaad, zelfs Godfried Bomans wordt geciteerd: “Men is wel eens moe van familie.'” Terwijl ik even Homer Simpson als aanvulling gebruik: “Onthoud, voor zover iemand weet, zijn wij een leuke, normale familie.” Zelfs Leo Tolstoj wordt los gelaten: ‘Alle gelukkige gezinnen zijn hetzelfde; elk ongelukkig gezin is ongelukkig op zijn eigen manier.” Maar kijk naar de vijf hierboven, the Budd family. Bekijk hun gezichtjes en de 2O8 jaar tussen hen en ons verdampen tot een aardig wolkje boven onze gemeenschappelijke hoofden. En zie je het vingertje dat de kleinste met het lieftallige poesje op schoot, aanwijst? Daarover schreef P.A. de Génestet in ‘Dichtwerken’ (1869) al een aardig veel betekenend herkenbaar gedicht.
Benjamin–af
Haast ben je niet meer Benjamin,
Dan neemt een ander je plaatsje in,
Mijn lieve, kleine jongen!
Dan zet je moeder je neer op de grond,
Dan zegt je vader: loop heen, loop rond –
Je wordt door een aapje verdrongen.
Haast ben je niet meer Benjamin
Dan krijg je niet altoos meer je zin,
En moogt je fortuin gaan zoeken,
Dan eet er een ander de kaas van je brood,
Dan heerst er een ander op moeders schoot –
Een koninkje in linnen doeken.
Dan sta je gelijk, jij, met je andere broers,
En maak je spektakel, men noemt u jaloers,
Men lacht om uw gramschap, klein wichtje!
Dan, wie er je soms nog beschermen moog –
Een ander heeft ieders hart en oog,
In spijt van je lieve gezichtje!
Ja, haast ben je niet meer Benjamin,
Je rijk heeft uit en een nieuw neemt begin,
Zo gaat het met de aardse rijken!
’t Is goed dat je dit nu maar vroeg ondervindt:
Het loopt in de wereld niet anders, lief kind!
Dat zal je licht later blijken.
Eerst word je vertroeteld, eerst ben je de man!
Maar denk je, dat het lang duren kan?
Wel neen, slechts een poosje, mijn baasje!
Dan komt er een wolkje in ’t verschiet...
Dan komt er een aapje, dat je eerst niet ziet...
Hij schreeuwt en zit op je plaatsje!

Zussen zijn? P.K. Page schets een emotioneel beeld in haar gedicht ‘Sisters’.
Sisters
by P. K. Page (Canadian poet)
They split each other open like nuts,
break and crack in the small house,
are doors slamming;
are gentle for their mother still and take
her simple comfort like a drink of milk.
Fierce on the street,
they own the sun and spin
on separate axes and attract about them
the shrieking neighborhood of little earths.
In violence, hold hatred in their mouths.
With evening their joint gentle laughter leads
them into pastures of each other’s eyes.
Beyond, the world is barren. They contract
tenderness from each other like disease
and talk as if each word had just been born–
a butterfly, and soft from its cocoon.
Source: Poetry (December 1946) © Poetry Foundation

Zussen
Ze breken elkaar open als noten,
breken en kraken in het kleine huis,
zijn dichtslaande deuren;
zijn nog steeds teder voor hun moeder en nemen
haar eenvoudige troost aan als een slok melk.
Woest op straat
zijn ze de baas over de zon en draaien
om afzonderlijke assen en trekken om zich heen
de gillende buurt van kleine aarden wereldjes.
In geweld houden ze haat in hun mond.
Met de avond leidt hun gezamenlijke zachte gelach
hen naar weiden in elkaars ogen.
Daarbuiten is de wereld dor. Ze lopen
tederheid van elkaar op als een ziekte
en praten alsof elk woord net geboren is –
een vlinder, zacht uit zijn cocon.

Vanuit een persoonlijke ervaring schrijft George Eliot, schrijfster en dichteres, zus met broer te zijn.
Brother and Sister
I cannot choose but think upon the time
When our two lives grew like two buds that kiss
At lightest thrill from the bee's swinging chime,
Because the one so near the other is.
He was the elder and a little man
Of forty inches, bound to show no dread,
And I the girl that puppy-like now ran,
Now lagged behind my brother's larger tread.
I held him wise, and when he talked to me
Of snakes and birds, and which God loved the best,
I thought his knowledge marked the boundary
Where men grew blind, though angels knew the rest.
If he said Hush! I tried to hold my breath;
Wherever he said Come! I stepped in faith

Broer en zus
Ik kan niet anders dan terugdenken aan de tijd
Toen onze twee levens groeiden als twee knoppen die elkaar kussen
Bij de lichtste trilling van het zingende bijengeluid,
Omdat de een zo dicht bij de ander is.
Hij was de oudste en een kleine man
Van veertig inch, vastbesloten om geen angst te tonen,
En ik het meisje dat nu als een puppy vooruit rende,
Nu achterbleef bij de grotere passen van mijn broer.
Ik vond hem wijs, en wanneer hij met mij sprak
Over slangen en vogels, en welke
God het meest liefhad,
dacht ik dat zijn kennis de grens markeerde
Waar mensen blind werden, hoewel engelen de rest wisten.
Als hij zei: „Stil!”, probeerde ik mijn adem in te houden;
Waar hij ook zei: „Kom!”, stapte ik vol vertrouwen.
George Eliot

Je neemt hem mee, je broertje. Bleef het in het begin bij kijken en voorzichtig de schommel duwen- niet te hoog, roept je moeder- daarna is het handje geven, speelgoed oprapen en zijn richting uitduwen, tot hij bij jou op de zetel in slaap valt en je ‘ssst!’ zegt als je moeder druk doend binnenkomt en jij ‘hij slaapt’ fluistert, fier op je nieuwe rol waarin je de indringer en je moeder weer als bondgenoten kunt beschouwen. Nu ben jij de oudste, dat klinkt niet zo sterk als de enige maar als troost voor de verlaten troon kan het best dienen. Hij blijft immers niet de jongste, denk je, maar de oudste dat ben jij en voor altijd! (Gmt)







