Licht en lommerte (2)

‘Een rustige middag’ Frans Oerder (Rotterdam 1867-1944 Pretoria)

Le jardin et la maison

Voici l'heure où le pré, les arbres et les fleurs 

Dans l'air dolent et doux soupirent leurs odeurs.

Les baies du lierre obscur où l'ombre se recueille 

Sentant venir le soir se couchent dans leurs feuilles,

Le jet d'eau du jardin, qui monte et redescend, 

Fait dans le bassin clair son bruit rafraîchissant ;

La paisible maison respire au jour qui baisse 

Les petits orangers fleurissant dans leurs caisses.

Le feuillage qui boit les vapeurs de l'étang 

Lassé des feux du jour s'apaise et se détend.

- Peu à peu la maison entr'ouvre ses fenêtres 

Où tout le soir vivant et parfumé pénètre,

Et comme elle, penché sur l'horizon, mon coeur 

S'emplit d'ombre, de paix, de rêve et de fraîcheur…

Anna de Noailles (1876-1933)


Elin Danielson Gambogi Finland 1915 40 x 51 cm, De jonge naaldwerkers (1915)

Oud(er) en jong. In de lommerte, dat mooie antieke woord voor het gefilterd zonlicht. (mon coeur s’emplit d’ombre, de paix, de rêve et de fraîcheur.) Herinner je. Het was dat soort licht dat even na het midden van de 19de eeuw voor het verbeelden van ‘des impressions’ de statige verbeelding ondermijnde en het ogen-blik zichtbaar maakte, de beweging van licht en landschap. Het voortdurend veranderen van het bestaande. En met Hans Lodeizen kunnen zeggen: “Er is niets zo zoet als ’s avonds onder de bloemen te zijn’, probeer het eens…

Er is niets zo zoet als ‘s avonds
onder de bloemen te zijn,

probeer het eens
licht het dak op en
alle sterren komen los te zitten

als de tuinman met
zijn wilde spuit vele bloemen
van hun stelen rukt en
vrolijk een deuntje fluit
denkend aan de avond

ruik de
verlichting juist boven
de aarde, glimlachend
drinkend van het water

natuurlijk zijn wij
onder het dak vandaan
de tuin ingelopen.

Hans Lodeizen
Uit: Verzamelde gedichten
G.A. van Oorschot Amsterdam 1996

garden sprinkler watering lush green lawn
Photo by Sóc Năng Động on Pexels.com

‘Altijd als ik langs de A44 van Amsterdam naar Den Haag reed en ik naderde Oegstgeest keek ik eerst naar links naar de Willebrordkerk met het door geboomte omsingelde kerkhof waar zo langzamerhand een heel cluster van mijn familieleden vredig ligt te wachten tot op de dag der opstanding, hoewel de aanvliegroute voor engelen bemoeilijkt wordt door de oprukkende nieuwbouw. Daarna, als ik het viaduct over het Oegstgeesterkanaal passeerde, ging mijn blik naar rechts. Niet om het landschap dat Monet daar schilderde in ogenschouw te nemen, daar wist ik nog niets van. Maar dwangmatig moest ik het pad langs het kanaal zien en even die zondagse voettochten herbeleven in het vreugdeloze teken van Calvijn.’

Jan Wolkers, De schuimspaan van de tijd. Verzamelde essays (Amsterdam 2001), p. 455.

Maar als Wolkers in zijn werk een bij honderdduizenden lezers bekend monument voor Oegstgeest heeft opgericht, dan heeft Klaas Heeroma (1909-1972) dat in het verborgene op zijn manier gedaan. Deze neerlandicus, geboren op Terschelling en gestorven in zijn woonplaats Groningen, is bij het Groene Kerkje begraven in het graf van zijn zoon die kort na de oorlog op jonge leeftijd in Oegstgeest was overleden.
Als Muus Jacobse schreef Heeroma meer dan eens over het Groene Kerkje. Het gedicht ‘De kinderen’, met als motto ‘Groene Kerkje, Oegstgeest’, gaat indirect in op zijn eigen verlies:

De kinderen liggen zo klein
 Onder hun sprei van gras.
 Zij slapen zo lang en vast
 Achter het dicht gordijn.
 
 De tuinman schoffelt het pad
 En drenkt soms een dorstige plant
 Of strijkt met een zorgzame hand
 Van de bedjes het dorre blad.

Muus Jacobse, Het huisgezin. Gedichten (Kampen 1959), p. 27.
Bron: Jan Paul Hinrichs


Jan Paul Hinrichs (1956) publiceerde onder meer Vader van de slavistiek. Leven en werk van Nicolaas van Wijk (1880-1941) (2005; Engelse vertaling 2006) en C.C. Uhlenbeck (1866-1951): a linguist revisited (2009; bundelredactie met Inge Genee). Dit artikel over Oegstgeest is het tweede deel in een reeks van drie. (Digitale bibliotheek voor Nederlandse letteren. De Parelduiker jrg 18. (2013)

https://www.dbnl.org/tekst/_par009201301_01/_par009201301_01_0008.php

Het Groene Kerkje met begraafplaats in Oegstgeest

De stilte als vindplaats

Kees Verwey, Bloemstilleven met witte kom, jaartal onbekend Olieverf op doek, 68 x 89 cm incl. lijst Collectie Stichting Kees Verwey.

Sommigen zullen bij het horen van zijn naam aan Albert Verwey denken. Dat is de neef van Kees. (Amsterdam, 20 april 1900-Haarlem, 23 juli 1995). Ik kan je allerlei dingen gaan vertellen over Kees Verwey, maar stel dat je daar nieuwsgierig naar bent dan is het een kleine moeite om langs Wikipedia te lopen met diverse andere bronnen in de dichte en iets verdere omtrek. In zijn bloemstilleven hierboven trof mij de stilte. Het grootste gedeelte van Kees Verweys’ werk bestaat uit bloemstillevens, maar het was vooral dit bovenstaande stilleven dat door kleur, opstelling en in combinatie met het lege kommetje het woordeloze nabij bracht. Rust. Het donkere, een vlek rood, wit dat naar mauve tinten uitloopt, de blauw-groene achtergrond, de ronding van het lege kommetje. Stilte.

Drie minuten zestien seconden duurt het mooie gezang hierboven, Voces8 zingt een motet van Anton Brückner: ‘Locus iste’. Vertaald: Dit is de plaats.

'Deze plaats is door God gemaakt, 
tot een sacrament
met niets te vergelijken,
onberispelijk.'

'Locus iste a Deo factus est, inaestimabile
sacramentum irreprehensibilis est.'
Deze Latijnse tekst wordt doorgaans gebruikt bij de wijding van een kerk of kapel, en Anton Brückner componeerde dit motet in 1869  voor de wijding van de votief kapel van de nieuwe kathedraal in het Oostenrijkse Linz, waar hij als organist werkzaam was. 

‘Een filosoof vroeg de Boeddha ‘Kunt u de waarheid vertellen zonder woorden en zonder woordeloosheid ?’ Waarop de Boeddha zweeg. Omdat echte stilte voorbij woorden en woordeloosheid ligt werd de filosoof door dit antwoord bevrijd van zijn illusies. (EoR 13:323)

Yves Klein, Éponge (SE251) (Sponge [SE 251]), 1961 · SFMOMA

Schrift en beeld vond plaats in een tijd van nieuwe stromingen zoals Fluxus, performancekunst, pop art en de ontluikende minimal art. Tegenover die tendensen nam deze tentoonstelling een conservatieve en defensieve positie in. Wat de nieuwe stromingen vooral onhandelbaar maakte, was dat ze geen enkele toegang boden tot een achterliggende betekenis. Eind jaren vijftig had Yves Klein al zijn aversie tegen het lezen van kunst geventileerd: “I can no longer approve of a ‘legible’ picture, my eyes are not made to read a picture but rather to see it. Painting is color, and Van Gogh exclaimed: “I want to be liberated from I don’t know what prison”. I think he subconsciously suffered from seeing color cut up by line and its consequences.”

"Ik kan niet langer een 'leesbaar' schilderij goedkeuren, mijn ogen zijn niet gemaakt om een schilderij te lezen maar om het te zien. Schilderen is kleur, en Van Gogh riep uit: "Ik wil bevrijd worden uit ik weet niet welke gevangenis". Ik denk dat hij onbewust leed onder het feit dat hij kleur versneden zag worden door lijn en de gevolgen daarvan.”

De Witte Raaf: Eenzame beelden: over vormen van taal in kunst, Margriet Schavemaker Editie 104, juli-augustus 2003

Rond dezelfde tijd betoogde Susan Sontag in haar essay Against Interpretation dat in veel van de nieuwe kunst geen sprake was van een diepere betekenis. Daarom was dit soort kunst ook niet geschikt om te analyseren en te interpreteren: “What we decidedly do not need now is further to assimilate Art into Thought.” 

Lees:

Stilleven met strohoed, eind nov.-half december 1881 Vincent Van Gogh Olieverf op papier op doek

Met het stilleven van Kees Verwey bracht ik je naar het begrip ‘stilte’. Niet als betekenis, maar als ervaring. De volgende stap ‘Locus Iste’ gezongen door de voortreffelijke Voces8 voerde ons naar een gewijde plaats, naar een werkelijkheid waarin een contact tussen ‘het totaal andere’ en de beschouwer centraal kwam.
Maar voorbij de woorden en de woordeloosheid zou je bij de bevrijding van je illusies uitkomen, besloten we met de Boeddha. Wat dat dan ook mag zijn.

Odilon Redon ‘L’ Art Céleste tekening Lithographie on paper

En als de cirkel rond is, kom je bij dezelfde kunstenaar, Odilon Redon, bij de stilte uit met dit bekende werk uit 1911. Het kreeg ‘stilte’ als naam. Stilte. Niet met de vermanende wijsvinger op de stoute lippen gedrukt, maar samen met wijs- en middelvinger, zoals je een kusje zou versturen naar de beminde. Vriendelijk verzoekend. Laten we stil zijn.

Odilon Redon ‘Silence ‘ c. 1911




Ik heb mij met moeite alleen gemaakt.

je zou niet zeggen: je zou niet zeggen dat
het zoveel moeite kost alleen te zijn als
een zon rollende over het grasveld

neem dan - vriend!- de mieren waar
wonend in hun paleizen als een mens
in zijn verbeelding -; wachten zij op regen en
graven dan verder: het puur kristal
is hen zand geworden.

in het oog van de nacht woon je als een merel,
of als een prins in zijn boudoir: de kalender
wijst het zeventiende jaar van Venetië en
zachtjes, zachtjes slaan zij het boek dicht.

kijk! je schoenen zijn van perkament

o - mijn vriend - deze wereld is niet de echte.

Hans Lodeizen