
Nog geboren op de rand van de 18de eeuw (1797), op de rand van de januari-maand, 31ste dus, en op de rand van een dozijn kinderen, het twaalfde van Franz Theodor en Maria Elisabeth Katherina Vietz, en dat in een buitenwijk, rand van de hoofdstad Wenen. De bescheiden woonst diende ook als klaslokaal waar zijn vader nauwelijks de kost verdiende met zijn job als muziekleraar.
Bekijk je het fraaie portret geschilderd door Josef Abel en lees je getuigenissen van eigentijdsen die hem gekend hebben, dan is zijn gezette gedrongen gestalte, 1m 52cm, met korte nek en korte dikke vingers (die voor een schitterend pianospel zorgden, dat alvast) en zijn bijnaam ‘Zwammetje ‘(Schwammerl) niet onmiddellijk te rijmen met het portret van een dromerige best wat wereldvreemde, maar uiterst verfijnde jongeman dat je hierboven kunt bekijken. En…dan moet je zijn muziek horen, zoals het trio op. 100, Andante con moto.
Bekijk je dan nog zijn uiterst korte leven, hij stierf op 19 november 1828, werd dus niet eens 32 jaar, met deze zin op zijn grafsteen: “Hier begroef de dood een rijke schat, maar nog mooiere beloften.”
‘Een onvoltooid leven’, Franz Schubert Schmerz en de schaduw van Beethoven, een boek geschreven door Robert Joost Willink.
Dit boek volgt Schubert op de weg naar zijn eigen Kunstmusik, zoals hij deze in zijn strijkkwartetten, pianowerk en symfonieën gestalte gaf, waarbij hij bij alles wat hij schreef onvermijdelijk Beethovens schaduw voelde. Beethoven haalde bij hem het beste naar boven. De jonge componist werd zo door Beethoven geïnspireerd dat hij al zijn “leed” inzette bij het componeren van een nieuwe Kunstmusik. Zonder Beethovens compromisloze opvattingen over muziek was de “Schubert” zoals wij die kennen er niet geweest. (Eburon, Academic Publishers)
Leuk menselijk detail: Bijzondere inspiratie kwam van zijn koffiemolen. Al draaiend om de bonen te vermalen kwam hij onder meer op de thema’s voor het strijkkwartet ‘Der Tod und das Mädchen’. ‘Dagenlang zoek je naar een idee, en dit kleine machientje vindt het in een mum van tijd.’ (Website Het Concert Gebouw)

En dan waren er de “Schubertiades”. Op een rij gezet :
De term ontstond begin 19e eeuw naar aanleiding van de bijeenkomsten waarop Franz Schubert met zijn vriendenkring van collega-componisten en -musici samenkwam. Het waren salonavonden met een huisconcert-achtige opzet.[2]
Deze bijeenkomsten waren soms aan huis bij een van de deelnemers, maar ook in de koffiehuizen van Wenen. De Schubertiades – ook gekscherend "Kanevas"-avonden genoemd (welke hun naam ontleenden aan Schuberts stereotiepe vraag "Kann er was?" bij het voorstellen van een kennis van een van zijn vrienden) – kenmerkten zich doordat er uitbundig werd voorgelezen en gemusiceerd, en soms ook gedanst en gefeest.
Bekende bezoekers van de Schubertiades waren Josef von Spaun, Franz Lachner, Moritz von Schwind, Wilhelm August Rieder, Leopold Kupelwieser, Eduard von Bauernfeld, Franz von Schober, Franz Grillparzer en andere vrienden van Schubert zoals de zanger Johann Michael Vogl, voor wie Schubert talrijke van zijn liederen componeerde. Veel van Schuberts composities (niet enkel liederen) werden tijdens de Schubertiades ten doop gedragen.
De avonden werden financieel vaak gedragen door Schuberts rijkere vrienden, en kenden bezoekersaantallen van een handjevol tot meer dan honderd man. (Wikipedia)

‘In Schuberts tijd heerste bij regeringspersonen een grote angst voor herhaling van de revolutie. De Franse revolutie had, naast chaos en gigantische oorlogen, ook de traditionele standensamenleving in het ongerede gebracht. Schubert maakte mee dat er, net als overal in Europa, een regime opkwam van spionnen die geheime genootschappen moesten melden aan de politie. Daarnaast was er een grote censuur. In de gezelschapjes van Schubert probeerde men de vrije geest hoog te houden, tegen de verdrukking in. Dat was niet zonder gevaar.’
‘Schubert gold in zijn eigen tijd als een soort Geheimtipp. Hij was bekend in beperkte kring, terwijl hij het overgrote deel van zijn muziek – symfonieën en opera’s – niet kreeg uitgevoerd. Hij was vooral geliefd om zijn liederen en zijn kamermuziek. Schubert stierf jong – op zijn 31ste in 1828 – en pas halverwege de 19e eeuw werd zijn grote talent echt onderkend. Pas toen nam zijn populariteit een enorme vlucht.
Schubert groeide uit tot een soort cultfiguur, maar werd ook geclaimd door de Weners van de late negentiende eeuw. Ze omhulden hem met nostalgie, maakten een Weense troetelcomponist van hem, als een porseleinen poppetje in kitscherige Biedermeierstijl. Het is een beeldvorming die nog steeds sterk aan hem kleeft, maar die de lading van de man en zijn muziek totaal niet dekt. Luister naar Schuberts lied “Der Doppelgänger”, en dan hoor je meteen wat we bedoelen.’
Uit: ‘Uit: ‘Der Döppelgänger-Schuberts verhaal volgens twee kenners, Amare met musicologe Saskia Törnqvist en muziekhistoricus Luc Panhuysen
Der Doppelgänger (Heinrich Heine 1823, publ. 1824)
Still ist die Nacht, es ruhen die Gassen,
In diesem Hause wohnte mein Schatz,
Sie hat schon längst die Stadt verlassen,
Doch steht noch das Haus auf demselben Platz.
Da steht auch ein Mensch und starrt in die Höhe
Und ringt die Hände vor Schmerzensgewalt;
Mir graust es, wenn ich sein Antlitz sehe,
Der Mond zeigt mir meine eigne Gestalt.
Du Doppelgänger, du bleicher Geselle,
Was äffst du nach mein Liebesleid,
Das mich gequält auf dieser Stelle
So manche Nacht, in alter Zeit?

The doppelgänger
Part of 13 Lieder nach Gedichten von Rellstab und Heine (“Schwanengesang”), D 957
The night is quiet, the alleyways are at rest,
My treasure used to live in this house;
She left the town long ago,
But the house is still standing in the same place.
There is a man standing there too and he is staring up high,
And he is wringing his hands as a result of overwhelming pain;
I feel terrified when I see his face, –
The moon shows me my own form.
You doppelgänger, you pale guy!
Why are you aping my love agony,
The pain that tormented me on this spot,
So many nights in the old days?
