
De rit van Phaëthon in de zonnewagen van zijn vader Apollo kent een rampzalige afloop. De paarden hebben de aarde in brand gezet. Rivierbeddingen komen droog te liggen en riviernimfen beklagen hun lot. Neptunus met drietand komt uit de zee omhoog en strekt zijn arm ten hemel. Moeder aarde, met stedenkroon verbeeld als Cybele, steekt haar hoofd uit de aarde en beschermt met een hand haar blik. Atlas zwoegt om het hemelgewelf te torsen. Jupiter gooit bliksemschichten en Phaëthon valt met wagen en al uit de hemel. Een gravure bij het verhaal uit ‘Metamorfosen’ van de Romeinse auteur Publius Ovidius Naso .
“Het jaar 762 ab urbe condita (8 v.C). Publius Ovidius Naso staat op het punt zijn omvangrijke “Metamorfosen” af te sluiten. Hij heeft zes jaar gewerkt aan de vijftien boeken die samen meer dan twaalfduizend versregels bevatten. In het lange gedicht verhaalt hij over 231 gedaanteveranderingen van goden en halfgoden, beginnend bij de schepping van de wereld en eindigend bij Caesar, de goddelijke Julius die in een ster veranderde.” (Marc Holthof ‘De Witte Raaf 1995)

“Nog maar net klaar met de “Metamorfosen” of hij wordt verbannen door keizer Augustus. Reden onbekend. Paste hij met zijn frivole Grieks georiënteerde poëzie niet in de hervormingspolitiek van Augustus, of was hij betrokken bij een of andere politieke intrige? Ovidius verbrandde het manuscript van zijn “Metamorfosen”. Maar afschriften ervan waren gelukkig al bij zijn vrienden beland, zodat het werk bewaard bleef. Ovidius werd verbannen naar Tomis (het huidige Constanza in Roemenië) aan de Zwarte Zee. Hij schreef er treurzangen en zijn “Epistulae ex Ponto”, Brieven van aan de Zwarte zee – echte exilliteratuur. Hij stierf er in 17 na Christus, 60 jaar oud. Ook Augustus’ opvolger Tiberius heeft de verbanning van Romes beroemdste dichter nooit ongedaan gemaakt.” (ibidem)

“U kent allemaal de verhalen over Daphne die achtervolgd wordt door Apollo en veranderd wordt in een laurierboom, Echo’s ongelukkige liefde voor Narcissus, die zijn eigen spiegelbeeld prefereert en in een bloem veranderd wordt. De twee ouderlingen Philemon en Baucis, die als enigen in hun streek gastvrij zijn voor Zeus en door hem bij hun dood veranderd worden in in mekaar groeiende bomen. Er is het verhaal van Acteon de jager die per toeval de godin Diana naakt ziet baden en door haar in een hert wordt veranderd, dat dan prompt door zijn eigen honden verslonden wordt. Geniaal is de manier waarop Ovidius het moment beschrijft waarop de jager plots beseft dat hij de prooi geworden is. Er zijn Pygmalion, Midas, Ariadne, Jason en de Argonauten, Orpheus, de Centauren en vele, vele anderen. ” (ibidem)

Tegenover de proteïsche metamorfose plaatste auteur Canetti het masker. Hij meende dat het masker het definitieve einde was van de metamorfose tussen mens en dier, mens en plant: “Een eindtoestand van de metamorfose is het masker (de ‘figuur’). Eén van de eigenschappen ervan is dat het geen verdere metamorfose toelaat. Het masker (de figuur) is in al haar trekken omgrensd en duidelijk. Het is geen product van de natuur, maar een schepping van de mens. Het is een redmiddel uit het eeuwige fluïdum van de metamorfose. (…) Het masker onderscheidt zich door zijn starheid van alle andere eindtoestanden van de metamorfose (…) De betekenis van het masker is (…) juist eindtoestand te zijn. Het in mekaar vloeien van onduidelijke, half uitgeklaarde metamorfosen die eigen zijn aan de wonderlijke uitdrukkingsmogelijkheden die ieder natuurlijk menselijk gezicht bezit, mondt uit in het masker, het eindigt erin.”
Het masker, het vastleggen, vastroesten van de metamorfose is iets zeer negatiefs en gevaarlijks voor Canetti. Het heeft met macht en geweld te maken. “Masse und Macht”, zelf een zeer veelvormig metamorfisch boek, is in de eerste plaats een reflectie over het fascisme. En precies in het verstarren van een bepaald soort rationaliteit ziet Canetti (een beetje zoals Adorno en Horkheimer in hun “Dialectiek der Verlichting”) het ontstaan van het fascisme. Het fascisme, elke vorm van fundamentalisme, is niet metamorfisch, het is één, verstard en onveranderlijk. Het is, kortom, het duizendjarige rijk waar Augustus al van droomde.(ibidem)
Lees de bijdrage:
Andere bronnen:
Publius Ovidius Naso: Teksten in andere boeken/tijdschriften in DBNL
https://www.dbnl.org/auteurs/auteur.php?id=ovid001
https://www.groene.nl/artikel/ontembare-lusten – (vrouwonvriendelijk?)
https://www.rijksmuseum.nl/nl/zien-en-doen/tentoonstellingen/afgelopen/metamorfosen
https://www.koxkollum.nl/ovidius/ovidius.htm: leven en werk van Publius Ovidius Naso (met tekstvoorbeelden)

Wie ik geweest ben, ik, de speelse dichter van de liefde -
luister, dan weet u wie u leest, ook na mijn dood:
Sulmo was mijn geboorteplaats, omringd door koele stromen,
zo'n tienmaal negen mijl verwijderd van de Stad.
Daar zag ik dus het levenslicht en vraagt u naar een jaartal:
dat jaar stierven twee consuls in eenzelfde strijd.
Van ouds behoorde mijn familie tot de ridderklasse,
wat dat ook zegt ... Ik was bepaald geen parvenu,
ook niet de oudste zoon: toen ik verscheen was er een broertje
dat vier kwartalen voor mijn komst geboren was;
onze verjaardag mocht dezelfde Morgenster begroeten
en één dag werd met tweemaal offerkoek gevierd
tijdens de feestweek van de wapendragende Minerva,
en wel de eerste dag met gladiatorenbloed.
Tristia IV, 10; vert. M. d’Hane-Scheltema

Daarom, omdat ik leef en zware moeilijkheden aan kan
en dit mistroostig daglicht mij nog niet benauwt,
ben ik mijn Muze dankbaar: zij komt steeds weer met vertroosting,
zij geeft mijn onrust rust, zij is mijn trouwe arts,
mijn leidsvrouw, mijn vriendin; zij voert mij mee, weg van de Donau
en biedt mij 'n zetel midden op de Helicon.
Zij gaf mij zelfs al bij mijn leven - en dat is vrij zeldzaam! -
verheven roem, zoals vaak opklinkt ná de dood;
en nooit heeft Afgunst, die de werkelijkheid kleineert, haar scherpe
jaloerse tanden in mijn poëzie gezet,
want al mijn levensdagen - toch een tijd van grote dichters -
is geen kwaadaardig woord gezegd over mijn werk.
Ik mag dan opzien tegen velen, maar word zelf niet lager
geschat dan zij: de hele wereld leest mij graag.
Welaan dan, als voorspellingen van zangers waarheid zingen,
zal ik, al sterf ik wel, niet echt begraven zijn
en of ik deze roem nu dank aan dichttalent of goodwill,
de meest verdiende dank geldt, lieve lezer, u!
