Aspecten van de ‘metamorfose’ (1) ‘ Emanuele Coccia

larvae of bombyx mori in factory
Photo by JM Coubart. All images courtesy of Company Furinkaï – Satchie Noro and Théâtre de l’Entrouvert – Elise Vigneron

Als introductie een spektakel, een voorstelling. ‘Mizu’.

“MIZU” is een gezamenlijk project van het Théâtre de L’entrouvert van poppenspeelster en regisseur Élise Vigneron en Companie Furankaï, waarin het werk van choreograaf en circusartiest Satchie Noro is verwerkt. De voorstelling belicht de kwetsbaarheid van ons bestaan, de onmisbaarheid van water en “de overgang van vorm naar vormloosheid, van het individu naar de kosmos”, aldus Vigneron. (Ook te zien in België: Festival international des arts de la rue de Chassepierre. Zaterdag -Zondag 15-16 augustus 2026. 17.00u)

Een fragmentje.

Via YouTube is er een langer fragment te bekijken. (niet voor publicatie toegelaten)

Een waterpartij: de vijvers van Elsene. Op het water: een drijvend podium. Op het podium een trio bestaande uit een danseres en haar dubbelganger: een levensgrote pop van ijs, opgehangen aan een houten frame en tot leven gewekt door een poppenspeler.
Twee wezens die experimenteren met hun onderwerping en emancipatie.
Het smeltende ijs onthult de aard van de dubbelganger.
Achter het ijs schuilt nog een ander materiaal, een raamwerk om te verkennen.
Dansen om zichzelf te ontdekken, om zichzelf te vinden.

‘Het blijft een fascinerend fenomeen: een rups verandert in een vlinder, maar hun lichamen hebben vrijwel niets gemeen. Het silhouet, de anatomie, de manier van voortbewegen, zelfs hun leefomgeving is anders – de rups leeft op de aarde, de vlinder in de lucht. En toch zijn ze deel van eenzelfde leven. Datgene wat bacteriën, planten, dieren en mensen verbindt, is het feit dat eenzelfde leven op andere manieren voortleeft.” (Metamorfosen)

brown and white swallowtail butterfly under white green and brown cocoon in shallow focus lens
Photo by Pixabay on Pexels.com

Emanuele Coccia trekt in zijn boek ‘Metamorfosen’ (Octavo 2024) dit fenomeen breder open. Het leven wordt doorgegeven van lichaam tot lichaam, van soort tot soort, maar hetzelfde geldt voor de relatie tussen wat leeft en de Aarde: het leven is niets anders dan de vlinder van de enorme rups die Gaia heet. Al het leven is de metamorfose van deze planeet.’ (Octavo-Atheneum). Lees hieronder een fragment:

newborn holding parents finger
Photo by SERHAT TUĞ on Pexels.com

“Ieder ik is vergetelheid”

Zoals iedereen ben ik van alles vergeten. Ik ben de smaak en de geur van dat bijzonder moment vergeten, de mensen die rondom mij stonden, de voorwerpen die de kamer vulden. Ik ben de dag en het uur vergeten, de gedachten die ik toen had en de emoties die ik ervoer, de intensiteit waarmee het licht straalde tijdens mijn allereerste ogenblikken. Misschien kon ik niet anders dan vergeten? Toen verscheen alles voor het eerst aan mij; te verschillend, te nieuw, te intens om door mij te kunnen worden opgeslagen Ik moest vergeten, alles vergeten. Tabula rasa maken om ruimte te scheppen voor de rest: voor wat de toekomst me zou brengen, voor wat weldra mijn verleden zou zijn, voor de hele wereld. Tabula rasa maken om ervaringen te kunnen opdoen. Ik moest vergeten, het allemaal vergeten, om mezelf gewaar te kunnen worden.”

close up photo of a newborn baby smiling
Photo by Tom Fisk on Pexels.com

“Onze geboorte vormt de absolute begrenzing van onze herkenning. Ze is de drempel waarachter ‘ik’ zeggen neerkomt op de versmelting met een ander. Het is onmogelijk om te bepalen of de adem die ons in staat stelt deze lettergreep uit te spreken echt aan ons toebehoort, dan wel de voortzetting is van het lichaam van onze moeder. Het is niet duidelijk of deze lettergreep ons eigen lichaam benoemt, of datgene waaruit we te verschijn komen. De geboorte is de kracht die ons koppelt aan het uitwissen van al onze herinneringen: we moeten vergeten waar we vandaan komen, we moeten dat andere lichaam vergeten, dat ons al die tijd een onderkomen bood, we moeten een daarvan te onderscheiden identiteit kunnen vormen.”

tender black and white newborn baby portrait
Photo by Natalia Olivera on Pexels.com

“Zoals iedereen ben ik van alles vergeten. Ik ben mezelf vergeten, maar ik ben ook en vooral alles wat in mij leefde vergeten, en ik blijf het vergeten. Ik ben bijvoorbeeld vergeten dat ik negen maanden lang in het lichaam van mijn moeder zat. Niet allen was ik in haar: ik was haar lichaam, letterlijk. Ik was een deel van haar buik, materieel onafscheidbaar van haar. Vlees van haar vlees, leven van haar leven. De vergetelheid is niet bijkomstig maar vormt de mogelijkheidsvoorwaarde om jezelf te gaan zien als een te onderscheiden wezen. Ze is de cognitieve tegenhanger van de daad die erin bestaat iemand anders dan onze moeder te worden, om haar leven en adem elders dan in haar buik en haar bewustzijn voort te zetten.”

Metamorfosen pagina 21-22 (De vertaling is van Pieter Boulogne)

Emanuele Coccia (1976) voltooide zijn studie filosofie in Florence en was vervolgens verbonden aan universiteiten in Duitsland, Japan, Argentinië en de Verenigde Staten. Hij heeft zich beziggehouden met onderwerpen die uiteenlopen van middeleeuwse filosofie tot hedendaagse architectuur, mode en beeldcultuur. In 2016 publiceerde hij La vie des plantes, dat in tien talen werd vertaald. Sinds 2011 is hij verbonden aan de École des hautes études en sciences sociales in Parijs.

closeup of a millipede in water
Photo by THAI THIEN on Pexels.com

In ‘Boekenkrant formuleert Marnix Verplancke ‘de mannelijke afkeer’ van alles wat met conceptie heeft te maken.

“Tekenend is hoe Martin Heidegger de mens definieerde door zijn sterfelijkheid en hoe zijn leerlinge Hannah Arendt hem erop wees dat de geboorte daarentegen de belangrijkste menselijke ervaring is. Alleen de geboorte van Jezus krijgt een prominente plaats in de westerse cultuur, die dan als een onnatuurlijk fenomeen wordt neergezet, behorend tot een monotheïstische en antropocentrische religie die de mens niet in maar boven de natuur plaatst. Al merkte de Victoriaanse schrijver Samuel Butler in dit verband fijntjes op dat het voor god even makkelijk is om de gedaante van een mens aan te nemen als die van een regenworm.”

man walking in forest in sun
Photo by Rastislav Durica on Pexels.com

Over de term ‘ecologie’ maakte Marnix Verplancke volgende boutade:

“De term ecologie werd in 1866 gemunt door de Duitse zoöloog Ernst Haeckel, lezen we in het op het kruispunt van biologie, filosofie en poëzie te situeren Metamorfosen dat af en toe wat te lijden heeft aan breedsprakerigheid. Haeckel wou er de economie van de natuur mee vatten, los van de mens, als een statisch systeem. De gevolgen daarvan zijn nog steeds zichtbaar, aldus Coccio. Dat er inheemse planten zouden bestaan die beschermd moeten worden tegen indringers, gaat bijvoorbeeld in tegen het beginsel dat in de natuur migratie volstrekt normaal is. En vegetarisme is in dat licht ook volstrekt wereldvreemd. De cyclus van metamorfose en hergeboorte steunt op het principe van eten en gegeten worden, en daar horen een kippetje of een schaap helemaal bij. Meer zelfs, aldus de knipogende filosoof, waarom geen mensenvlees? “

larvae of bombyx mori in factory
Photo by Quang Nguyen Vinh on Pexels.com

“De cocon is niet alleen het paradigma van de techniek, maar ook van het ter-wereld-zijn tout court. De insecten -de meesters van de cocon, de grote transformatiemiurgen hebben ons beetgenomen. Ze hebben ons wijsgemaakt dat de cocon een specifiek, afzonderlijk en vluchtig instrument is in het leven van bepaalde individuen. De cocon moet echter worden opgevat als de transcendentale vorm van ieder levend wezen. Wanneer een levend wezen zich tot het zelf, andere levens of de planeet verhoudt, is er altijd sprake van coconvorming. Ieder ik is een cocon.”

De cocon van de wereld P. 83 Metamorfosen.

a kid holding a spruce cone
Photo by Ron Lach on Pexels.com

Rubens, atelierleider en meester-schilder (1577-1640)

De val van Icarus Olie op hout 27,3 x 27cm

In het Koninklijke Museum voor Schone Kunsten in Brussel kun je naar deze mooie olieverfschets kijken, ‘de val van Icarus’ naar het overbekende verhaal uit Ovidius’ Metamorfosen. Het is niet groter dan 27,3cm x 27cm en duidelijk als schets bedoeld zodat het als uitgangspunt voor de schilders in zijn atelier kon dienen.

In 1636 stuurde Filips IV, koning van Spanje, aan zijn broeder Kardinaal-Infant Ferdinand, Stadhouder van de Zuidelijke Nederlanden, het bevel bij Rubens de bestelling te plaatsen van een groot aantal schilderijen, bestemd voor de versiering van de Torre de la Parada, een jachthuis van de koning in het domein van het Pardo, in de buurt van Madrid. De gehele reeks zou bestaan uit allegorische figuren en mythologische taferelen, voornamelijk ontleend aan de ’Metamorfosen’ van Ovidius.Nog in de loop van hetzelfde jaar 1636 begonnen Rubens en de medewerkers uit zijn atelier aan de uitvoering van deze bestelling. Zij zouden er nog het hele jaar 1637 aan werken. In januari 1638 waren alle schilderijen klaar. Zij werden in maart van hetzelfde jaar per schip, via Engeland, naar Madrid verstuurd waar zij einde april toekwamen. Hoeveel er juist waren weet men niet. De zending omvatte niet minder dan 112 schilderijen en hoewel enkele daarvan waren bestemd voor het kasteel Buen Retiro, blijkt toch voldoende van welke omvang de decoratie van de Torre de la Parada was. Dit wordt overigens bevestigd door de grote sommen — ons uit documenten bekend — die Rubens hiervoor als betaling ontving.(Prof. R. D'Hulst 1917-1996))

Droevig was het lot van het jachtslot. In 1710 zou het voor een groot gedeelte verwoest en geplunderd worden waarbij een groot aantal doeken van Rubens en zijn medewerkers verloren gingen. Wat we erover weten weten we vooral uit de gespaard gebleven schilderijen die in het Prado in Madrid zijn terechtgekomen en uit talrijke bewaard gebleven schetsen. Het was overigens zijn laatste grote opdracht, hij zou immers in 1640 overlijden en had toen al last van zware jichtaanvallen. Het aandeel van de medewerkers moet dus vrij groot zijn geweest. Enkele namen uit het atelier van toen: Erasmus Quilinus, Theodoor van Thulden, Cornelis de Vos, Jan van Eyck, Jacob-Pieter Gouwi (hij werkte vooral aan de val van Icarus), J.B. Borrekens, Jan Cosiers en Thomas Willeboirts. Een heuse firma Rubens & Co.

In een brief van 1621 gericht aan William Trumbull blijkt dat dergelijke gigantische opdrachten helemaal in Rubens’ lijn lagen.

'Chacun a sa grace; mon talent est tel que jamais entreprise encore quelle fust demuserée en quantité et diversité de suggest, a surmonté mon courage.

Prof. Dr. R. D’ Hulst, van wie ik het artikel uit Openbaar Kunstbezit 1965 gebruik in deze bijdrage, corrigeert dan ook dat heden ten dage (1965) de belangstelling eerder uitgaat niet naar de regisseur of de leider van een groot atelier, al is dat te bewonderen, maar wel naar de schilder, zoals hij zich manifesteert in de werken die hijzelf heeft uitgevoerd en waarin men zijn eigen hand kan herkennen.

In ‘De Val van Icarus’ wordt een episode uit de ‘Metamorfosen’ (VIII, verzen 183-235) in beeld gebracht met de vlucht van Daedalus en zijn zoon Icarus uit het eiland waarop zij gevangen zaten. Daedalus had een systeem bedacht van vleugels, uit pluimen met bijenwas aan elkaar gekleefd, die hij en zijn zoon zich aan de schouders zouden vastmaken zodat zij het eiland zouden kunnen ontvliegen. Voor één ding diende evenwel opgelet: men mocht niet te hoog stijgen daar men dan te zeer de zon zou naderen en de was zou smelten met alle gevolgen vandien. Zulks werd Icarus op het hart gedrukt. Doch, in plaats van redelijk te zijn en de woorden van zijn vader in acht te nemen, liet Icarus zich meeslepen door de vervoering en de heerlijkheid zich vrij als een vogel in de lucht te kunnen bewegen. Hij steeg te hoog en zijn vleugels kwamen los. Rubens toont het moment waarop de wanhopige Icarus, met een kreet, voor de ogen van zijn verschrikte en radeloze vader neerstort. (ibidem)

Landschap met de val van Icarus Pieter Brueghel 1595-1600 eerste versie klik op titel om te vergroten
De val van Icarus of Landschap met de val van Icarus is een schilderij van Pieter Bruegel de Oude dat is overgeleverd in twee laat-16e-eeuwse kopieën van anonieme meesters, bewaard te Brussel. Het origineel moet gemaakt zijn rond 1565, toen Bruegel als eerste monumentale werken over het dagelijks leven ging vervaardigen. De boodschap van het moraliserende werk is niet meer eenduidig te achterhalen. Vaak gehoorde thema's zijn overmoed en zelfbedrog, menselijke onverschilligheid, en nuchterheid boven fantasievol streven.(Wikipedia)
Icarus Van Buuren Klik op titel om te vergroten Tweede versie.

Je zou minsten van een zekere ‘onverschilligheid’ kunnen spreken, het citaat ‘en de boer, hij ploegde voort,’ is hier op zijn plaats. Een plons en twee benen die nog net boven het watervlak uitsteken. Bijna een zoekplaatje. Dat is bij het kleine juweeltje van Rubens heel anders. Prof. dr. Roger D’Hulst schrijft vol bewondering in zijn eigen schilderachtige taal:

'Rubens is een levensbeamend kunstenaar; steeds toont hij de mens in de volle heerlijkheid en glorie van zijn kracht en zijn instinct. Voor het drama blijft hij niet ongevoelig, doch nooit zal hij er het weerzinwekkende of het gruwelijke van weergeven. Zoals men in zijn 'Val van Icarus' kan waarnemen, zet hij dit drama om in een 'beweging', een 'gebeurtenis' die door de intensiteit van haar uitdrukkingskracht de toeschouwer niet onbewogen kan laten. Dit vermogen om ons te beroeren realiseert Rubens door zijn feilloos compositievermogen en evenzeer - en in het bijzonder in het kleine paneeltje dat wij hier bespreken - door zijn weergaloos koloriet en de verbazende virtuositeit van zijn toets. 

Op een doorlichtende ivoorkleurige grondlaag brengt hij met speels penseel en in de olie zeer verdunde verf, in licht doorschijnende paarlemoerachtige rozen, murwe roden en zonnige goudbruinen, figuren en landschap in beeld. Met welk een trefzekerheid, welke economie in de middelen! Nergens iets te veel, overal juist voldoende om het tafereel met een maximum aan suggestief vermogen op te roepen en daarbij nog voldoende plaats te laten aan de verbeelding van de toeschouwer. Hier en daar met wat drogere verf, in een zuivere toon, zet hij een accent waardoor aan het geheel meer kracht en aan bepaalde gedeelten meer reliëf wordt verleend.'
Dat Rubens Daedalus en Icarus naakt afbeeldt illustreert hetzelfde teruggrijpen naar de Renaissance en verraadt meteen zijn voorkeur voor de weergave van de schone lichamelijkheid. De beide ontvluchtende gevangenen dragen geen enkel fysisch spoor van het harde lot dat de gevangenschap voor hen had betekend. Het zijn flinkgespierde, krachtige mannen, zoals ook Christus er een is als Rubens hem afbeeldt aan het kruis of in een ander tafereel van de Passie. (ibidem)

De jongeman die met de zonnewagen verongelukte, Phaeton, maakt vrijwel eenzelfde ongelukkige buiteling op deze schets die hij in 1636 op een paneel zou aanbrengen als schilderij.
Peter Paul Rubens
The Fall of Phaeton
Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Brussels

Roger-A. d’Hulst (1917-1996), professor kunstgeschiedenis aan de Universiteit Gent, was mede-oprichter en een tijdlang voorzitter van het Centrum Rubenianum. De documentatie die hij voor zijn onderzoek verzamelde, is na zijn overlijden aan het Rubenianum geschonken.

In 1974 publiceerde d’Hulst een beredeneerde catalogus waarin hij het volledige getekende oeuvre van Jacob Jordaens opnam. Het werkarchief dat hij hiervoor heeft aangelegd bevat onder meer notities, correspondentie en beeldmateriaal met betrekking tot Jordaens. De collectie is thematisch geordend.
Bezoek:

https://www.rubenianum.be/nl

Het “vallen” heeft in de kunsten altijd al een warme belangstelling gekend. Daarom, ter afsluiting, even terug in de tijd naar ‘Zie de mannen vallen’, het openingslied van de voorstelling met die naam van Hauser Orkater. Tekst Alex van Warmerdam, muziek Thijs van der Poll

Zie de Mannen vallen

Zie de mannen vallen
Weten zij dan niet
Dat alleen een vrouw
Kan balanceren op de rand
Van een hoge houten wand

Tussen hemel en aarde
Haar hoofd in de ijle lucht
Denkt ze elke dag
Aan beide zijden van de wand
Spreekt men van de goede kant

Het evenwicht gevonden
En voorgoed bewaard
Alleen een aarzeling
Heeft ooit eens onverwacht
Haar lichaam uit balans gebracht

Soms huilt ze 's avonds
Huiverend van de kou
Als aan beide kanten
Belicht door een bleke maan
Alle mannen huiswaarts gaan

Niemand heeft haar ooit
Eens duidelijk horen praten
Zwijgzaam en neutraal
Leeft ze op de rand
Een smal stukje niemandsland
Daedalus en zijn zoon Icarus. Schilderij van Charles-Paul Landon, 1799.