Op bezoek bij César Franck, fragment uit ‘Spiritus, een familiekroniek’

In 2012-2013 werkte ik aan een familiekroniek ‘Spiritus’ waarin de Belgisch-Franse componist César Franck een belangrijke rol speelt. Ter gelegenheid van zijn tweehonderdste verjaardag een fragment. Onderaan kun je aansluiten voor het vervolg zoals het verscheen in 2012.

In dit fragment bezoekt het hoofdpersonage, Emilie,  familievriend César Franck die met haar vader, nu organist in Lille, gestudeerd heeft aan het conservatorium in Parijs plaats waar Franck nu zelf les geeft.  We zijn in het merkwaardige jaar 1874.

Omdat de constructie van de oranjerie op het landgoed en de herstellingswerken nu ook van start konden gaan en Emile dag en nacht tekende, tussen aannemers, constructeurs en importeurs pendelde, cursussen voorbereidde en scripties begeleidde, was er weinig plaats en tijd voor een ordentelijk gezinsleven. Emilie reisde met Marie en kleine Léon naar Parijs waar ze door toedoen van l’ abbé Pierre-Ambroise Hamelin, deken van de Saint Clotilde, in de rue de Bourgogne een belle étage huurden.

Ze mengde zich anoniem onder het publiek om de opvoering van Franck’ s ‘Rédemption’ bij te wonen, rue de la Victoire, salle Herz, een koude februari-avond, enkele dagen na haar aankomst in Parijs. Het oratorium verraste haar. De kreten van de spreker, Ah! Malheur aux vaincus, de stevige vragen van het koor, ‘Où mènent tes chemins, de symfonische brug tussen de twee delen, de dramatiek, de aandrang tot de Heer om naar beneden te kijken, bien bas, het slotkoor als synthese, seigneur, seigneur! De gevel waarin de deur verborgen blijft, het innerlijke al is prijsgegeven in de ornamenten, maar het geheim, bien loin du port béni, in de teatraliteit onbereikbaar schijnt.

Ze beseft dat ze de taal van het vertoon niet kent, dat haar spraakkunst van de gezongen collectiviteit beperkt blijft tot kerkmuziek. Ze schrijft in haar dagboek: ‘Ik ken een beetje zijn orgel- en pianowerk, maar geconfronteerd met deze symfonische poëzie, ontgaat mij de innerlijkheid, al zal ze best door haar architectuur de nodige indruk maken voor wie het wijde liefheeft. Het zal moeilijk zijn om hem mijn ervaring duidelijk te maken mocht hij daar belang in stellen. Voor een meisje uit het Noorden is het contrastrijke palet vreemd. Ik kom uit de streek waar aardkleuren overheersen onder wolkenkoepels. Dit is een wereldstad. Hier spreken de mensen luider, laten ze vlugger hun afkeuring blijken, zijn ze andere ritmes gewend. Hier is de hemel volgebouwd, de avenues net zo breedsprakerig als de koetsiers die een buitenmeisje bij de eerste oogopslag herkennen.’

De volgende dagen wandelt ze met kind langs de Seine. ‘Ik weet niet of deze stad voor jou iets zal betekenen,’ zegt ze hem. ‘Maar wil je je wel gedragen bij monsieur Franck?’ Het jongetje kijkt haar glimlachend aan, wijst met zijn handjes naar een voorbijvarende aak, en legt zijn hoofdje op haar schouder. Een rustig kind, zeggen de mensen. Maar ogen heeft het, ogen die alles willen zien. Soms denkt zijn moeder dat hij dingen herkent, dat hij in een vorig leven al eens in Parijs heeft rondgelopen. Of gevlogen, dat kan ook. Als musje of merel.
‘Je kijkt als een vogeltje,’ zegt ze. ‘Een vogeltje dat weet dat het kan opvliegen als het beneden te druk wordt. Dat boven op de rand van een dakgoot de ware proporties van onze drukte begrijpt. Kleine mensjes, kleiner nog dan het vogeltje. Maar pas op, kleintje. Ze kunnen niet vliegen, dus gaan ze op hun tenen lopen en met hun armen wieken. Ik denk dat de dakgoot soms vol lachende vogeltjes ligt. Omgevallen van zoveel gekheid daar beneden!’

‘Het was de tijd van de ingesnoerde tailles, de opgeblazen mouwen en de gladde haarlinten, de hoge dotjes, de kleine voetjes, en herinner je Athanasie, Pépina, Elodie, Victorine en het meisje Félicité dat in 1846 ook jouw een lesje mocht leren, cher César.’ Hij knikte, maakte met zijn uitgestoken vinger duidelijk dat zij het toenmalige meisje was waarop de vrouw des huizes terug naar de keuken trok terwijl ze ‘mais oui, mais oui,’ bleef herhalen op een toon waarin ironie en berusting harmonisch samen klonken.

Het zijn de ogen, dacht Emilie, de naïeve ogen in het heldere gezicht dat door de bakkebaarden nog groter leek. Bijbels en tegelijkertijd jongensachtig. Zonder voorbedachte rade keken ze van het blad naar je vingers en vandaar raakten ze even de ogen van de lieftallige leerling. ‘Nauwelijks zes juffrouwen kwamen toen aan huis,’ zei hij. Natuurlijk waren er ook de lessen rue des Martyrs, in het college Rollin waar hij in 1840 Jacques Offenbach als collega had, en de Augustins de l’ Assomption, Faubourg Saint Honoré en later de Jezuieten in Vaugirard. Mademoiselle Félicité Desmousseaux kon hij niet alleen opleiden tot een uitstekende pianiste, ze werd zijn echtgenote. Plus que la musique, l’ amour.

‘Maman en César, chère mademoiselle Emilie, dat was van in het begin innige vriendschap. Joséphine Desmousseaux, ze is nu bijna zeventien jaar dood, een bekende naam van een pure comédienne met een stem als een klok en een hart van goud.’ Ze bleef intens knikken terwijl ze het gebak in plakjes sneed. ‘En nichtje Claire Féréol, een nachtegaal, daar heeft César een bekwame pianiste van gemaakt. Enfin, drie muzikale vrouwen voor de prijs van één.’

Hij gaf toe dat zij zijn tweede familie waren geworden. Papa Féréol, schilder en een van de beste zangers van de Opera Comique animeerde het Institut musical d’ Orléans. Hij wilde dat zijn dochter Claire een goede pianiste zou worden zodat ze zijn zanglessen kon begeleiden. Ze logeerde een jaar lang bij haar nichtjes Desmousseaux, boulevard Montmartre. ‘Ze kreeg zelfs een nieuwe piano van haar vader omdat ik de mijne van ’s morgens tot ’s avonds zelf nodig had, maar voor de rest deelden we onze kamer en zelfs het kleine bed,’ zei Félicité. ‘En in dat maison du Bon Dieu was César-Auguste l’ oracle des dames!’

‘Een vrij streng orakel,’ verbeterde hij. ‘En ongeduldig, chère Emilie! Hij stampte de maat met zijn voet, en liet ons eindeloos opnieuw beginnen. Traantjes! Geen les of een van ons beiden barstte wel eens in snikken uit. ‘Ma fille, “la naïade lacrymale” kreeg ik van maman als bijnaam.’

‘De werkelijkheid gebied mij te zeggen dat ik toen om haar te troosten. “Deux Mélodies pour piano’ heb geschreven, A Félicité, eentje in re bémol majeur en de andere in mi majeur. Maar al die verhalen vervelen wellicht onze gast. Mensen met een verleden staan de jeugd met toekomst wel eens meer in de weg. Geeft je vader nog wel eens een concert, en heb je zelf plannen in die richting?’

Ze haastte zich te zeggen dat hun verhalen voor haar eten en drinken waren, een oprecht bewijs van hun genegenheid. Ze keken naar de slapende baby in het reiswiegje. ‘Hij moet zijn verleden nog verdienen,’ zei ze. ‘Papa is met de Saint Cathérine vergroeid. Hij bezoekt musea zoals wij familie opzoeken. Alsof hij in een andere tijd leeft. Ik herken dat ook bij mezelf. Ik heb niet zo’n hang naar publiek. Misschien is het angst, of schaamte. Maman verovert graag de wereld. Voor papa en mezelf is die wereld vaak te groot, te verwarrend.’

‘Zal ik je dan donderdagavond mogen meenemen naar de salons van de familie Viardot ? Vorig jaar was Pauline Viardot nog de soliste in de Marie Magdalène van Massenet .Ik ben een beetje haar pianist préferré, vooral voor haar Schubert-vertolkingen. Een merkwaardige dame, chère Emilie. Omringd door merkwaardig gezelschap, al heb ik daarover zelf ook niet te klagen.’

Je kunt het vervolg lezen via deze link en daarna onderaan elke aflevering verder gaan naar believe.