Moedertaligheid (een kleine collectie)

Mother and young daughter smiling and embracing on a living room sofa
satisfied ethnic woman resting on bed with adorable son
Photo by Ketut Subiyanto on Pexels.com

“Luisteren, daar komt het toch allemaal op neer, als je moedertaal wil horen.
Mijn moeder zat aan mijn bed als ik niet kon slapen. Elke maandagochtend mocht iedereen iets vertellen over hoe het weekend was geweest, maar omdat ik nooit wat meemaakte in de Vinex-wijk waar we woonden, zei ik nooit de waarheid. Soms had er een begrafenis plaatsgevonden, een reis naar Spanje, een erge ziekte die we in het weekend ternauwernood hadden overleefd. Ik geloof dat ik mezelf in de nesten had gewerkt, dat ik daarom wakker lag. Mijn moeder schreef met een pen, ‘nooit meer liegen’ op de muur, dat stelde me gerust, denk ik, want ik weet dat ik in slaap viel. Ik geloof dat ik er wel vrede mee heb dat dit grandioos is mislukt, op het lachwekkende af. Die nacht, zij en ik samen, een toestand waarin je de waarheid over al je verzinsels kan vertellen, dat zie ik, dat voel ik geloof ik zelfs, als ik het woord moedertaal hoor.”

Rebekka de Wit. De Groene Amsterdammer. 22 april 2026. We zijn gezien (fragment)

tender black and white newborn baby portrait
Photo by Natalia Olivera on Pexels.com
Misschien slaapt er nog iets diep in je hoofd

iets van de taal van je moeder

want taal kan slapen – je probeert te bedenken

wat je droomde terwijl de droom alweer verdwijnt

in een steeds donkerder wordende schemer nog

voor je de woorden ervoor terugvindt

bij het woord moedertaal zie ik een oude foto
een schemerdonkere slaapkamer en in het bed

een jonge vrouw met in haar schoot

een pasgeboren kind – mijn moeder en ik

ze buigt zich over mij en haar gezicht is

nadenkend alsof ze zich afvraagt wie ik ben

mij zoekt en zoekt naar woorden voor mij
ik herinner mij niets van wat ze zei maar

dat is misschien de taal van je moeder

slapende geluiden in je hoofd

Moedertaal Rutger Kopland 

Uit: Over het verlangen naar een sigaret (2001)
silhouette of faces touching with noses
Photo by Dasha on Pexels.com

In “Hedendaags Fetisjisme” schrijft Carry van Bruggen:

“Tegen de collectiviteitsgeest der middeleeuwen, die aan allen dezelfde uniformiteit wilde opdringen, weerde zich het humanistisch individualisme. Tot die uniforme gebruiken behoorde ook het algemeen (“katholiek”) gebruik van het Latijn. De humanist nu wilde noch het algemene dogma, noch de algemene zienswijze, noch de algemene zede, noch de algemene taal. Tegen zede, dogma, zienswijze stelde hij zijn persoonlijke levensbeschouwing en tegenover de gangbare taal zijn persoonlijke taal. Nu kan het individu, althans in eigen schatting, eigen zede, dogma en zienswijze hebben maar geen eigen taal. De taal, die hem als “eigen” aandoet, is uiteraard de taal van zijn eigen omgeving, stam, land. Zo krijgt de strijd voor eigen taal ten onrechte het aanzien van een strijd voor de landstaal en kan aldus door het nationalisme worden uitgebuit. Doch de strijd der humanisten voor het Italiaans en tegen het Latijn was nimmer de strijd tegenover een overheersend Latijns ras – dat immers niet bestond – maar tegen een opgedrongen geestelijke uniformiteit”.

Literatuur: Carry van Bruggen: Hedendaags Fetisjisme, derde druk 1980.

Lees:

https://www.dbnl.org/tekst/_for004198101_01/_for004198101_01_0026.php

https://www.dbnl.org/titels/titel.php?id=brug004hede01 (Hedendaags fetischisme)

Stilleven met een gedicht over de schoenmaker die het werk van Apelles misprijst, eindigend met de zinsnede Finis Coronat Opus.(1665)
Anthonius Leemans – http://www.rijksmuseum.nl/collecti
ABN 1

Het woord is vlees. Zo was het vroeger:
ik liep verloren, zij haalde mij in
aan een draad die de hele wereld snoerde.
Ik hing aan de moedertaal, ik sprak blind.

Nu ben ik alleen. Ik spreek voorzichtig,
leef in een taal die ik zwijgend niet ken.
De draad trekt strak, ik schrijf gedichten,
bewijzen die ik naar de hoofdstad zend,

op zoek naar het oog van de wereld,
waarin ik zwijgend niet kan bestaan.
Het woord is vlees, maar niet vanzelfsprekend.
Ik hang als een teek aan de taal.


© Charles Ducal, 1994/2014
Gustav Klimt Moeder en Kind

Grieks en Latijn, een mooie basis voor kunst en wetenschap en daarnaast Frans en in poësis en retorica twee uurtjes Duits en Engels per week. Eerlijkheid gebied te zeggen dat het, eens in het volle leven, vooral de praktijk was, werk in het buitenland, nieuwsgierigheid naar literatuur die je aanzette om meertaligheid te ervaren.

“Meertaligheid is ook een zegen. Alle talen drukken de werkelijkheid op een andere manier uit en leveren dus een bijdrage tot echte diversiteit, waar pluralisme. Als een taal sterft, verschraalt de wereld. Wie meerdere talen spreekt of begrijpt, leeft meer levens, ontwikkelt meer perspectieven op de werkelijkheid, dringt meer door tot andere culturen en mensen, wordt misschien empathischer.” (Luc Devoldere Knack 2021)

Mijn taalmoeders, ik ervaar hen eerder als oma’s, voelden zich de laatste tijd miskend nu vlotte vertaalprogramma’s de klus al vrij behoorlijk klaren. Die van het territorium krijgt het gevraagde respect maar de wederkerigheid ontbreekt wel eens. Of moet je in je eigen hoofdstad de Britse granny als aanvaardbare middenweg verwelkomen? Ik citeer nog eens Luc Devoldere:

“Fransen hebben het concept van het “Néerlandais de courtoisie“geïntroduceerd: met een set van enkele tientallen woorden en wendingen kun je het ijs breken, zijn goede wil bewijzen. Ik onderschat deze strategie, deze captatio benevolentiae niet, maar het democratisch deficit blijft, en de strategie is hoogstens een opstap.”

Laten we de oma’s even terzijde babbelen, het principe van ‘luistertaal’ -ik begrijp de vreemde taal van een ander maar spreek ze niet- zal door de vergevorderde automatische vertaaltechnieken elke andere taal dan de mijne herleiden tot ‘om te zetten taal’ waardoor het taaldenken, eigen aan elke taal, terra incognita blijft.

De oma’s knikken en schudden daarna het oude hoofd.

elderly women sitting on bench
Photo by Daria Kruchkova on Pexels.com
Boomgaard

 Woorden weten van zichzelf niet waarvoor ze
 gemaakt zijn - en zo is het met alles in de wereld
 niets weet waarvoor het er is
 en ook wij weten het niet
 
 ik kijk door het raam de boomgaard in en zie hoe
 woorden voor vogels bomen gras, voor wat er is daar
 daar niets betekenen en ook de boomgaard zelf
 heeft geen betekenis
 
 in mijn hoofd zoekt iemand naar woorden voor
 iets dat nog geen gevoel is en nog geen gedachte
 
 en langzaam begin ik te voelen en te denken
 dat ook de boomgaard daarnaar zoekt - dat wij
 hetzelfde zoeken, de boomgaard en ik.
 
 
 Rutger Kopland
springtime cherry blossom trees in karlsruhe park
Photo by Xavier Messina on Pexels.com

Het verlangen verbeeld en geletterd (1) Desire depicted and lettered (1)

Omslag van een schrijftablet Frankrijk. 1325-1350 Olifant-ivoor. Met museum NY

Onder klaverblad-bogen zijn er langs beide zijden van dit ivoorkunstwerk scènes te zien die ‘het hof maken’ als thema hebben. Hierboven heeft een man met een roofvogel in de hand -een symbool van zijn status- een kroontje ontvangen van een vrouw en kroont hij haar op zijn beurt (op keerzijde) waarmee hij aangeeft dat zij zijn liefde heeft gewonnen..

Omslag van een schrijftablet Frankrijk. 1325-1350 Olifant-ivoor. Met museum NY
Intended to cover writing tablets, such plaques were among the deluxe products of Paris during the fourteenth century and were possibly made on the rue de la Tabletterie, a name indicating their special use. Poems or messages would have been written on smooth sheets of ivory that had recessed areas filled with wax for the text. Perfect economy of technique and purity of style are clearly evident in these amorous images. In their elegance of form and gesture the courtly couples seem also to convey a moral and spiritual life that appears both mannered and artificial but is infused with joie de vivre.  
(Metmuseum NY. Exhibition: Spectrum of Desire Love, sex, and Gender in the Middle Ages)

Te bezoeken: (tot 29 maart 2026):

https://www.metmuseum.org/exhibitions/spectrum-of-desire-love-sex-and-gender-in-the-middle-ages/exhibition-objects

The Garden of Eden’. British. laatste kwart 16de eeuw The Met Collection Klik op onderschrift om bij bronafbeelding nog eens te klikken om te vergroten. Mooi!

Dieper dan de diepste krocht zou je met letters alleen al ‘het verlangen’ in bestaande en vergane talen kunnen opvullen. Vaak is het achter die letters te doen, in de herberg ‘de be-tekenis’ is het goed toeven, maar bij de deur naar de tuin zou je onderstaand gedicht van Rutger Kopland kunnen vinden:

XIV. Ga nu maar liggen liefste 

Ga nu maar liggen liefste in de tuin,
de lege plekken in het hoge gras, ik heb
altijd gewild dat ik dat was, een lege
plek voor iemand, om te blijven.

Rutger Kopland
In: Een lege plek om te blijven, 1975.
‘The Garden of Eden’. British. laatste kwart 16de eeuw The Met Collection Detail


'De taal geeft niet simpelweg ‘namen’ aan de dingen; ze doet de dingen bestaan, ze geeft ze vaste grenzen en maakt ze tot ‘dingen’. Benoemen is niet dopen (een naam geven aan wat er al is), maar verwekken (een nieuw wezen doen ontstaan). Wat we ‘zien’, zowel fysisch als mentaal, is van meet af aan door woorden gestructureerd. De taal bepaalt ons beeld van de werkelijkheid.' (Philosophische Untersuchungen 371, 373) [pagina 29]

Patricia de Martelaere. 'Een verlangen naar ontroostbaarheid'


Jonge man met boog en grote pijlenkoker en vriend met schild Goivanni Battista Tiepolo ca 1730-50

‘Een ontroostbaar verlangen?’ Sehnsucht? ‘ “Inniges, schmerzliches Verlangen nach jemandem, etwas” (diep, pijnlijk verlangen naar iemand, iets.)

Volgens velen is het eerste deel van het woord ‘sehnsucht’ afgeleid van het Duitse werkwoord ‘sehnen’, wat zoveel betekent als ‘snakken’ of ‘verlangen’. De Duitse Benedictijnerpater Anselm Grün komt met een andere verklaring. Hij stelt dat het woord een samenvoeging is van ‘sehne’ (pees) en ‘sucht’ (zucht of ziekelijke neiging). Dit laatste component van het woord komt dus niet, zoals soms gedacht, van het werkwoord ‘suchen’ (zoeken). De pees zou herinneren aan de pees die gespannen is wanneer iemand zich klaarmaakt om te springen of aan de boogpees voordat een pijl wordt afgeschoten.

“Verlangen heeft dus met innerlijke spanning, met innerlijke concentratie te maken. Met al zijn energie wacht iemand op de sprong om datgene te pakken waar zijn verlangen op is gericht, of op het schot dat doel treft.”

(History: Germany Language History February 2023)

De Boogschutter Henry Moore. 1965 KNSTDWLNGN
De schrijver is de beeldhouwer van het niets, wat hij wil beschrijven is de volle pracht en praal van de nieuwe kleren van de keizer. Hij zegt: Ze zijn van donkerrood fluweel, met gouddraad doorstikt. Hij zegt: Ze zijn met parels en diamanten bezet. Hij zegt: Als het zonlicht erop schijnt geeft het een oogverblindend licht. Zodat je ze werkelijk voor je ziet, die schitterende kleren, zoals hij ze beschrijft. Maar dan, op het eind, zegt hij, met de ontwapenende oprechtheid van een kind: Ze zijn er niet, wat je ziet is er niet.

(Patricia de Martelaere. 'Een verlangen naar ontroostbaarheid'. p.20)

Albrecht Dürer, Vleugel van een scharrelaar, ca. 1512 © Albertina-museum, Wenen

Net zoals auteur Wytske Versteeg die over ‘verlangen naar de verte schreef’ in De Groene Amsterdammer van 7 april 2021 kende ik ‘de scharrelaar’ niet. Deze vogel was ooit wijdverspreid in Europa en broedde tot in Zweden, schreef de auteur. Inmiddels…Je kent het verhaal.

"Albrecht Dürer had geen last van al te grote afstand toen hij de scharrelaar schilderde, hij moet een pas gestorven vogel hebben meegenomen naar zijn atelier. Een ander werk beeldt het hele lichaam af, en dat is vele malen treuriger dan deze losse vleugel. De gevouwen vleugels van de dode scharrelaar zullen nooit meer vliegen, de ogen zullen zich nooit meer openen, de min of meer gestrekte nek is overduidelijk niet meer in staat zich op te richten. Dat schilderij gaat minder over de vogel dan over de dood zelf: de verslagenheid van plotseling gestopte eindeloosheid, dat wat er achterblijft wanneer een leven breekt. ‘Wij zijn niet met de aarde één’, schreef Rilke in zijn vierde elegie, ‘zijn niet als trekvogels begaafd’. Wij mensen stijgen te laat op, begeven ons op ongetemde wind, storten in onverschillige vijvers neer, maar de scharrelaar vliegt zo tienduizend kilometer naar het zuiden. Dürers vogel is waarschijnlijk met een net gevangen, heeft verwoed met zijn vleugels geslagen om te ontkomen aan de lucht die plotseling vijandig was geworden en hem vasthield aan de grond, heeft gevochten tot de uitputting het van hem won. De vlek bij de vleugelaanhechting rechts boven moet bijna wel bloed zijn, een net iets feller, wreder rood dan dat van de vogel zelf. In de afbeelding van de dode scharrelaar ging de tijd vooruit: daar was een leven geëindigd met de dood."

Wytske Versteeg. 'Verlangen naar de verte'. De Groene A'dammer april 2021

In het Duits is deze vogel een Blauracke. Er bestaat ook een schilderij: ‘Tote Blauracke, als ‘Tierstudie Federn.

Joachim Patinir. 1480-1524 ‘Christoffel. ‘Museum Catharijneconvent (onvoltooid)

"Zelden was blauw mooier dan op de schilderijen uit Dürers tijd. Kostbaar ultramarijn – gemaakt van lapis lazuli, ultramarijn betekent overzees – voor de gewaden van Maria, goedkoper pigment voor zeeën en luchten. Het landschap als zelfstandig thema begon zich in Dürers tijd net te ontwikkelen. Joachim Patinir, een van de pioniers in het genre, was een van zijn vrienden. Diens schilderijen fascineren me al sinds ik als kind een boek las waarin de hedendaagse hoofdpersoon zichzelf terugvindt in Patinirs Landschap met de heilige Christoffel. (ibidem)
zegenend kind op Kr’ schouder

De auteur vergelijkt het blauw van de vleugel met het blauw op Patinirs schilderij. “De ‘Vleugel’ bevat precies de tinten die ook Patinirs wereld zo magisch maken,” schrijft zij. Kijk ook naar details, het kindje Jezus op de schouder van Christoffel. Aan de linkerzijde aan de overkant van de rivier is een oude kluizenaar weergegeven die Christoffel het geloof onderwees. Het schilderij bleef onvoltooid.

de oude kluizenaar
"Het is alsof het water, het licht en de lucht zelf hun indruk hebben nagelaten op de vleugels van de scharrelaar, die moeiteloos vloog waar wij nooit zouden komen, onze wereld gracieus ontsteeg. Die stierf, waarschijnlijk door toedoen van mensen, en op Dürers tafel geëindigd is. Maar die in het leven dat daaraan voorafging als een acrobaat door de lucht heeft geduikeld, zich als een blad heeft laten vallen om een vrouwtje te imponeren, want dat is wat scharrelaars doen tijdens de balts.

Opnieuw moet ik denken aan Rilke, die zich afvroeg of de vogels het zouden merken als je de leegte uit je armen weg zou werpen, of zij in hun vlucht zouden voelen dat de lucht om hen heen was verruimd. ‘En wij, die denken aan stijgend/ geluk, ervoeren misschien de ontroering,/ die ons bijna verbijstert,/ als iets wat geluk is, valt’." (Wytske Versteeg)

Wytske Versteeg is politicoloog, schrijver en essayist en kreeg diverse prijzen. In 2020 verscheen bij Querido haar non-fictiewerk Verdwijnpunt, over incest en eenzaamheid

Bezoek haar website:

https://wytskeversteeg.nl

Een collectie van Patinirs werken vind je op:

Een eerste aflevering van ‘het verlangen is uitgewaaierd tot in de prachtige tinten ultramarijn van Dürer en Patinir. Ogentroost en naar wij hopen nieuwsgierigheid.

Om af te sluiten nog een fragment uit “Een verlangen naar ontroostbaarheid” van Patricia de Martelaere waarin een zekere synthese ons genoegzaam denken blijft ondermijnen.

"Doel van de literaire taal is dan geen begrippenapparaat meer te zijn, maar het kleurenpalet van een schilder. Wat de schrijver eigenlijk zou willen is dus niet schrijven, maar schilderen; hij is domweg degene met het verkeerde talent.

(Hoewel: wat de schilder wil is dan weer schrijven, of beeldhouwen, of componeren. Van schilders hoor je vaak dat ze uitgerekend iets zouden willen zeggen in verf. Misschien is de kunstenaar altijd degene met het verkeerde talent. Of misschien is dat het wezen - een van de wezens - van kunst: dat je iets probeert te doen met, voor alles, de verkeerde middelen.)

Hoe dan ook: penseelstreken verwijzen niet, ze betekenen niets. Het schilderij berust niet (of althans niet geheel) op de afwezigheid, het vormt zélf een zelfgenoegzaam ding, het is zelf de slapende poes. De schilder zegt niets, hij toont; schilderkunst is het gebaar.
Wat de schrijver ‘eigenlijk’ zou willen is zwijgen, maar dan in woorden. Datgene waarover niet kan gesproken worden, het naamloze niets onder de taal, dát is zijn eigenlijke object. Het ligt voor de hand er nog maar eens Wittgensteins beroemde (maar stilaan tot de draad versleten) Tractatus 7 bij te halen: ‘Waarover men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen.’

(pagina 22-23)

fragment uit ‘Landschap langs de Styx-rivier. Joachim Patinit 1480 (Dinant) – 1524 Antwerpen

Het is duidelijk dat de tocht over de Styx een verbeeldende benadering is net zoals de filosofische wegen nieuwe vragen blijven oproepen. Bij leven en welzijn zullen we in een volgende bijdrage de lezer(es) meenemen naar vroeger, nu en morgen waar wij telkens dat ‘verlangen’ zien of zagen verschijnen. Wees ook daar weer onze gezel(lin).

Kunst en ontroering, een verkenning

Rik Wouters, Portret van Rik [zonder hoed], [1911], olieverf op doek, 30 x 32 cm, Privéverzameling – Foto: Vincent Everarts Fotografie Brussel

Er is vooreerst de stad. Mechelen. Hendrik Wouters is er geboren. Op 21 augustus 1882.

Rik gaat op twaalfjarige leeftijd in de leer bij zijn vader, die meubelmaker is. Enkele jaren later trekt hij naar de academie van Mechelen. Van 1900 tot 1905 volgt hij de hogere artistieke opleiding aan de academie in Brussel. Hélène of Nel Duerinckx vertelt zelf, in haar “Memoires”, hoe zij op zestienjarige leeftijd de jonge academiestudent verleidt. Rik en Nel trouwen en gedurende meer dan 5 jaar leven zij in moeilijke omstandigheden in Bosvoorde aan de rand van het Brusselse Zoniënwoud. (erfgoedinzicht.be)
Rik Wouters, Dame in het blauw voor een spiegel, [1914], olieverf op doek, 121 x 123 cm Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel, legaat mevr. Delporte-Livrauw en dr. Franz Delporte, 1973-76, Foto: J. Geleyns-Ro scan

Er is zijn andere draden dan de naam van een stad: de innerlijkheid waarmee hij je aankijkt. Niet verwonderd, noch boos, eerder nieuwsgierig. Sinds 1911 heeft hij honderdduizenden aangekeken vanuit dat jaar dat in de nabijheid van de Grote Oorlog in 1914 zijn mobilisatie nodig maakte. Zijn wanhopige brieven aan Nel. Schilderen of beeldhouwen had op dat moment nog weinig betekenis. En de hoofdpijn, de steeds terugkerende hoofdpijn. Hij wordt uiteindelijk in Nederland geïnterneerd.

In het najaar van 1915 werd de oorzaak van zijn fatale ziekte duidelijk geworden: kanker in het bovenkaakbeen. Hij kreeg een - naar hij dacht - 'gratis operatie' aangeboden (betaald door kunstverzamelaar Eppe Roelfs Harkema), op 4 oktober uitgevoerd door de toen beroemde chirurg Prof. Rotgans; een maand later schilderde hij met slechts één oog zijn bekende Zelfportret met de zwarte ooglap, waarin de focus lag op de niet-verminkte kant van zijn gezicht (Wikipedia)
Rik Wouters, Rik met de zwarte ooglap, 1915, KMSKA, olieverf op doek, 102 cm x 85 cm – CC0, beeld artinflanders.be, foto Hugo Maertens

Neen, het wordt geen aflevering rond leven en werk van Rik Wouters al kan ik je lectuur en exploratie rond zijn persoon, liefde voor Nel en werk ten zeerste aanraden. Ik wilde graag op zoek gaan naar mogelijke verbindingen met de vraag: welke onzichtbare draden verbinden de kunstenaar met de kijker-lezer-luisteraar? Wat veroorzaakt die verbinding? Waar en waarom kan hij/zij ons beroeren, vervoeren en ontroeren? En laat ons spaarzaam zijn met moeilijke woorden, we hebben onze lesjes intussen wel geleerd (zie vorige aflevering, de tekst van Verschaffel) Er is dus niet één juist antwoord, maar elke aandachtige kijker zal op zijn (haar) manier die mogelijke verbinding, of de afwezigheid ervan, al dan niet kunnen aanvoelen, zonder woorden. En of het nu om schilderkunst, muziek, of literatuur gaat, bekijk-beluister ze onder dezelfde noemer. Daarom geen wegwijzer maar een verzameling mogelijkheden. Een (voorlopige) verkenning.

Rik Wouters, Zittende vrouw bij het venster / Portret van Nel Duerinckx, de vrouw van de kunstenaar, 1915, MSK Gent, olieverf op doek, 96,2 cm x 74,6 cm – CC0, foto Michel Burez
‘Ontroering heeft iets buitengewoon intrigerends. Wat is het toch dat een grap, een vondst, een gebaar, een foto, een schilderij, een paar regels, dat die iets teweeg kunnen brengen, iets onverhoeds kunnen laten gebeuren dat lijkt op het losspringen van een slot. Een op het eerste gezicht onbetekenende sleutel past op een slot waarvan je niet wist dat je dat in je omdroeg. Ik ben al lang nieuwsgierig naar die sleutels en die sloten, dat mechaniek van de klik.’

Rutger Kopland ‘Het mechaniek van de ontroering’


IK BEN JE VRIEND

Mors nog wat wijn op tafel, veeg de kruimels samen,
steek de tandenstoker in het kaarsvet van de kaars
die flakkert tussen ons. We zijn nog eens bijeen,
je bent nog steeds een vriend en ik verraad je niet.

Je hebt gelijk, elk jaar is minder licht en moeizamer
ontwaken, we drinken minder dan voorheen,
we praten zachter als de nacht ons insluit
in het heden. Maar je bent nog steeds
een vriend voor heel het leven en
vergeet je niet - ik niet.

Luister naar het kraken van de klimboom
in de tuin, grijp het rafeltouw
tussen de takken met beide handen vast
en zwaai over de vijver naar de overkant.

Ik ben je vriend. Ik zal je vangen.

Marc Reugebrink uit 'Om honing gaat het niet' (2023)

Après-midi à Amsterdam. (1915)

De literatuur is niet bij machte ons te verlossen uit ons lijden. Ze is niet bij machte van ons iemand anders te maken, om de wereld te veranderen, om datgene te doen wat schrijvers in het verleden allemaal hebben beweerd dat literatuur zou kunnen doen. Maar literatuur is wél bij machte ons te laten zien wie we zijn, zelfs als we dat niet willen zijn. Ze laat ons de paradox ervaren waarbij we ieder voor zich bestaan. Ze geeft vorm aan het menselijk tekort en stelt zo scherp wat we in onze alledaagse beslommeringen gewoonlijk vergeten.

Uit: Marc Reugebrink, Het geluk van de kunst (2012)
Bezoek:

Poëzie & tranen

Foto door Pixabay op Pexels.com

Sprekend over de directheid, de ‘onmiddellijkheid’ van sommige schilderijen zegt Francis Bacon:

‘One of the things I’ve always tried to analyze is why it is that, if the formation of the image that you want is done irrationally, it seems to come onto the nervous system much more strongly than if you know how you could do it. Why it is possible to make the reality of an appearance more violently in this way than by doing it rationally? Perhaps it’s that, if the making is more instinctive, the image is more immediate.’

Nieuwsgierig om het artikel te lezen?

https://www.dbnl.org/tekst/_tir001199001_01/_tir001199001_01_0047.php

Left: Study after Velazquez’s Portrait of Pope Innocent X, by Bacon 1953. Right: Portrait of Pope Innocent X, by Velazquez 1650
 
WAT ZIJ BEDOELEN

Schilders schilderen wanneer zij
't kunnen 
't engelgezicht van wie zij beminnen

maar ik die niet schilder
wat moet ik beginnen

In lied in muziek klinken tonen van liefde

die 't luisterend oor van beminden bekoren

maar ik die niet speel

kan mij niet laten horen

Anderen zijn er die fijn kunnen spreken

en schalks en levendig wat zij bedoelen

kunnen vertellen

ik kan 't alleen voelen

Want mij werd tot nu toe het lot slechts beschoren
om ver van je weg en in somber verlangen

met onzichtbare draden

aan je beeltenis te hangen

Jan Hanlo (1912-1969)
Foto door pedro18 op Pexels.com

Ook dichter en auteur J. Bernlef schreef in Tirade, jaargang 34 1990, over ‘Ontroeringen’. Je kunt het artikel zelf lezen via de wegwijzer hieronder. Het eindigt zoals het begon, helemaal in stijl:

“Zowel aan de kant van de ontvanger als van de zender van ‘ontroeringen’ zijn de processen dus in neurologische nevelen gehuld.
Ik ben daar niet eens zo rouwig om. Want is ontroering wel het hoogste goed in de kunst? Zijn kunstwerken die in hun geheel een grote, gelijkmatig verdeelde gevoeligheid bij de ontvanger veroorzaken, zonder dat hij precies weet waar het hem nu in zit, niet eigenlijk te prefereren?
Ik weet niet goed waar het ontroerende in Vermeers of Saenredams schilderijen nu precies in schuilt. Als ik aan die schilderijen denk, denk ik aan hen als aan een geheel, nooit als aan een deel dat meer spreekt dan een ander deel. Het is juist deze geheimzinnige som der delen die meer is dan die delen afzonderlijk die het hem doet.
Ja, ik weet eigenlijk wel zeker dat die gelijkmatig verdeelde sensibiliteit het kenmerk van het ware, het misschien wel absolute is.
Ik sta op en zet Bach’s Wohltemperierte Klavier, gespeeld door Sjaroslav Richter, op en vergeet alles.”

https://www.dbnl.org/tekst/_tir001199001_01/_tir001199001_01_0047.php




Pieter Jansz Saenredam. Interior of St. Bavo Haarlem
Studie (Stefan Hertmans)
 
Haar horen spelen in het
 afnemend licht, bedenkend
 dat deze rijen en rijen
 dansende noten op het blad
 de meesters van haar vingers zijn,
 
en opgehouden.
 
Ik hield op - herhaling
is een opmaat voor verdwijnen.
 Alleen het luisteren biedt meer.
 
 Ze speelt. Een zich door muren
heen voortplantend hardop denken,
uitbreidende vlek welluidendheid.
 Haar jeugd gebogen boven
 zwart en wit,
 
 Mendelssohn en Ravel, en dan
steeds weer dat onbekende
dat mij kwelt.
Meisje aan de piano. 1879. Jacob Maris

Voor de fijnproevers: Herman Parret, filosoof, emeritus gewoon hoogleraar aan het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte van Universiteit Leuven,, schreef in 2004 een mooie verhandeling: ‘Beroering en ontroering. Over de zinnelijkheid van het gemoed.’ Een fragment:

“Het gewone, alledaagse leven wordt gekenmerkt door redundantie, herhaling en eentonigheid. Tegen die achtergrond wordt de guizzo ervaren als een fractuur. De alledaagse tijdelijkheid wordt beleefd als een ongeritmeerde lijn waarop het nu-moment ononderbroken en als vanzelf naar een toekomst van verwachtingen toegaat. De guizzo onderbreekt deze tijdslijn en voert spanning en onverwachtheid in. De guizzo is breuk, fractuur: het sostenuto van de banale tijd wordt opgeheven, onrust en spanning kleuren het gemoed, een cataclysme dreigt. Het woord guizzo duidt op plotsheid (denk aan het spartelen van het visje dat uit het water wordt gehaald), op een schoksgewijze ritmering van het tijdsverloop, op een fractuur dus waarvan het momentane het hele zielenleven opslorpt. Het plotse van de guizzo schort de lineaire tijd op en doet de ruimte verstijven. Bij deze culminatie van aisthèsis wordt de blik verblind. Inderdaad, bij een intense esthetische ervaring sluit je de ogen. En die esthetische verblinding (éblouissement) activeert onze andere zintuigen: de geurende jasmijn, de vallende regendruppel, de fluwelen wang zijn niet langer figuren van de zichtbare wereld, maar sensibilia die zich richten op onze intieme zintuiglijkheid die ruikt, luistert, voelt.”

Zestien pagina’s voor fijnproevers vind je als pdf:

…met het mooie slot:

“De sleutel tot het geluk ligt in de ontroering en beroering van het zinnelijke gemoed, in het gegrepen worden door de schoonheid van de aisthèta, binnen de affectieve gemeenschap die ons aller deel is.”

“Een filosofie van het zinnelijke gevoel doet twee dingen: zij onttroont het oog om in dezelfde beweging de hand op te waarderen; zij relativeert de machten van het zien, die in de geschiedenis van de Westerse metafysica steeds bovenaan in het vaandel stonden, en herwaardeert het tactiele, het haptische met zijn rijke variëteit aan synesthesieën. ‘We moeten ons eraan gewennen’, zo schrijft Merleau-Ponty, ‘dat al het zichtbare gesneden is in het tastbare (tout visible est taillé dans le tangible)’. In dit perspectief heeft de hand meer verbeelding dan het oog. Aanwezigheid is dan in de eerste plaats tastbare aanwezigheid.” (Herman Paret, Beroering en ontroering. Over de zinnelijkheid van het gemoed.)