
Herfstdag
Heer: het is tijd. De zomer was zeer groots.
Leg op de zonnewijzers thans uw schaduw,
en stel de velden aan de winden bloot.
Beveel de laatste vruchten rijp te zijn;
verleen hun nog twee zuidelijker dagen,
stuw hen naar de voleinding, Heer, en jaag
de laatste zoetheid in de zware wijn.
Wie nu geen huis heeft, bouwt het ook niet meer.
Wie nu alleen is, zal het nog lang blijven,
zal waken, lezen, lange brieven schrijven,
in lanen rusteloos dwalen, telkens weer,
als op de wind de blaren zullen drijven.
Rainer Maria Rilke/Anton Korteweg
Herbsttag
Herr: es ist Zeit. Der Sommer war sehr gross.
Leg deinen Schatten auf die Sonnenuhren,
und auf den Fluren lass die Winde los.
Befiehl den letzten Früchten voll zu sein;
gib ihnen noch zwei südlichere Tage,
dränge sie zur Vollendung hin und jage
die letzte Süsse in den schweren Wein.
Wer jetzt kein Haus hat, baut sich keines mehr.
Wer jetzt allein ist, wird es lange bleiben,
wird wachen, lesen, lange Briefe schreiben
und wird in den Alleeen hin und her
unruhig wandern, wenn die Blätter treiben.

Bij zoveel schijnbaar verlies, weet dat bij de wat oudere ziel in dit jaarlijks sterven de verzekering van het nieuwe begin, de lente, is ingebouwd. Van verloren naar geboren. In het centrum: het feest van een (goddelijke) geboorte. Of in de donkerste donkerte het nieuwe licht. Dat klinkt troostend, maar voor de dichter J.C. Bloem is november aan ‘altijd’ gelinkt, al kan “Im Herbst from fünf Gesänge” van Brahms de tijd verzachten.
| November Het regent en het is november Weer keert het najaar en belaagt Het hart, dat droef, maar steeds gewender, Zijn heimelijke pijnen draagt. En in de kamer, waar gelaten Het daaglijks leven wordt verricht, schijnt uit de troosteloze straten Een ongekleurd namiddaglicht. De jaren gaan zoals zij gingen, Er is alengs geen onderscheid Meer tussen dove herinneringen En wat geleefd wordt en verbeid. Verloren zijn de prille wegen Om te ontkomen aan de tijd; Altijd november, altijd regen, Altijd dit lege hart, altijd. J.C. Bloem In: Media vita, 1931. |

Zachte tonen der ziel, gewekt door d' adem der liefde, Adem bevend maar uit, zie of zich opent een oor. Wek een liefhebbend hart, en als geen enkel zich opent, Drage 'n nachtwind je zuchtend naar 't mijne terug.
Friedrich Rückert (1788-1866)

Sommige dagen was het nog schemerdonker als je van huis naar school vertrekt en vaak helemaal donker op de terugweg. De drang om tover op te roepen als je in de klas vraagt of het licht aan mocht nog voor het drie uur was. De verlichte etalages in de schemerende straten. Luchten waarin wonderen wachten. De tijd om nooit gedroomde dromen te vertellen, luidop dromen dus. Het zou nog honderd jaar duren eer je bij dat koude begrip ‘grote mens’ ging horen. Kaarslicht in de kerk maar ook thuis bij boom en de zelf gemaakte kerststal van geschilderd en gefrommeld bruin inpakpapier. Er waren zomeravonden waar je naar die wondere herfst- en wintertijden ging verlangen. Makkers staakt uw wild geraas.

November
De nederige dagen van november
zijn weer gekomen, grijze als een emmer;
tevreden met het licht dat minderde
op de gezichten van de kinderen.
De wereld heeft derde dimensie over.
Stakerig staan de bomen zonder lover.
Door iedereen van ver te onderkennen,
moeten wij aan het nieuwe platvlak wennen
en lopen groot voorbij de kale heg.
De fietsen rijden hoog over de weg.
Verwintering gaat zienderogen door.
De eerste kouwe handen komen voor.
Geslachte varkens hangen te besterven;
ontnuchteren de paarse boerenerven.
De protestantse dagen van november
dragen geen heiligen op de kalender.
Een rij weesjongens met gelijke trekken.
In ’t lege land opengebleven hekken.
Weduwen, terend op een schraal pensioen.
Gemeentewoningen die weinig doen;
Toon van november knalt het jagersschot.
Verder en verder valt een deur in ’t slot.
Eerlijke kerken houden voor ’t gewas
dankstonden achter dun, armoedig glas.
Alles wordt enkeling. Een eigen graf
wacht op het kerkhof zijn bewoner af.
Huizen verwijderen zich van elkaar.
Wij kijken in de gaten van het jaar.
Gerrit Achterberg
