Kunst, een speeltuin? Isamu Noguchi, een intro

Sun at Noon (1969)the noguchi museum, photo by nicholas knight © the isamu noguchi foundation and garden museum, new york / ARS

In 1933 stelde Isamu Noguchi voor om een heel blok in New York City te herontwikkelen tot “Play Mountain”, een enorm topografisch project dat ongestructureerd en open zou zijn. In plaats van schommels en snelle metalen glijbanen wilde Noguchi bijvoorbeeld aarden trappen, een muziektent en een grote heuvel om te sleeën en samen te komen. Het idee was dat het in de winter net zo leuk zou zijn als in de zomer en dat het de verbeelding van kinderen meer zou prikkelen dan de voorgeschreven speeltoestellen die typisch zijn voor stadsparken. De toenmalige commissaris voor parken, Robert Moses, verwierp het plan echter en ondanks pogingen om dit en andere ontwerpen van Noguchi in New York te realiseren, werd geen enkel project in de stad uitgevoerd. Maar wel nu, op film. Als eerbewijs aan Noguchi. Ter gelegenheid van de tentoonstelling ‘Noguchi’s New York’. Hoe het in de loop der jaren zou geweest zijn als..

Bekijk de ultra korte filmpjes die hier na elkaar zijn gemonteerd tot YouTube afrondt.

Een feest van beweging en ontdekkingen kon het geweest zijn.

“Ik beschouw speeltuinen als een basis voor vormen en functies; eenvoudig, mysterieus en suggestief; en dus leerzaam”, zei kunstenaar Isamu Noguchi ( in een pamflet over zijn Playscapes). De Japanse kunstenaar en ontwerper, misschien wel het meest bekend om zijn stenen sculpturen en Akari-lampen, had altijd oog voor de ruimtes die de kindertijd bepalen, met name openbare speeltuinen en hun invloed op de jonge geest. (Grace Ebert)

Een reeks korte animaties brengt deze minder bekende geschiedenis tot leven. Met behulp van handgeschilderd celluloid onder een Rostrum-camera verbeeldt Eastend Western hoe deze nooit gebouwde speeltuinen eruit zouden hebben gezien – en hoe telkens kinderen in de loop van jaren zouden hebben omgegaan met de veranderende onconventionele constructies. Er zijn betonnen heuvels met grotachtige openingen, labyrintische zandtuinen en asymmetrische toestellen die gebruikers zouden kunnen leren dat “de snelheid van de schommel wordt bepaald door de lengte van de slinger”, aldus de film. (ibidem). Tot 13 september 2026 in het Noguchi Museum NY USA.

isamu noguchi, ‘contoured playground’ (1941 – 1963), photo © the isamu noguchi foundation and garden museum, new york / ARS
 

https://www.noguchi.org/artworks/collection

Isamu Noguchi (1904–1988), een van de belangrijkste kunstenaars van de 20e eeuw, was een idealist wiens tijdloze werk oude en moderne ideeën combineerde. Als rondreizend cultureel synthesizer verwierp hij consequent categorisering en de valse opdelingen van zijn tijd, omarmde hij globalisme en liep hij enkele decennia vooruit op de sociale praktijk van kunst. Noguchi was in de eerste plaats beeldhouwer, maar zijn uitgebreide, interdisciplinaire praktijk omvatte ook openbare projecten, tuinen, speeltuinen, meubilair, verlichting en decorontwerp, allemaal gebaseerd op een diepgewortelde overtuiging dat de natuur van fundamenteel belang was voor de menselijke conditie en een vastberadenheid om werk te maken dat deze overtuiging aanmoedigde.

(White Cube)

Noguchi Isamu Akari light sculpture (1960s)

Bekijk deze mooie concentratie van zijn werk en wezen in deze kortfilm (6:31):

“Alles is een sculptuur,” heeft Isamu Noguchi gezegd. “Elk materiaal, elk idee dat zonder grenzen is ontstaan in de ruimte, is voor mij een sculptuur.”

https://www.rijksmuseum.nl/nl/stories/10-dingen/story/tien-dingen-over-isamu-noguchi

Isamo Noguchi Black Slide Mantra 1966

Noguchi geloofde dat de taak van de beeldhouwer was om de ruimte vorm te geven, om het orde en betekenis te geven, en dat kunst zou moeten “verdwijnen”, of als één met haar omgeving moet zijn. Misschien was het zijn dubbele afkomst – zijn vader was een Japanse dichter, zijn moeder een Schots-Amerikaanse schrijver – die resulteerde in zijn manier om naar de wereld te kijken met oog voor ‘oneness’. Oguchi wilde en kon zich niet in een hokje laten plaatsen en creëerde sculpturen die zowel abstract konden zijn als die van Henri Moore, of realistisch als die van Leonardo. Hij gebruikte elk medium dat hij maar kon vinden: steen, metaal, hout, klei, bot, papier, of een combinatie daarvan. Hij sneed, giet, hakte, beitelde of blies stukken weg totdat elke vorm vorm kreeg.

“Als je jezelf beperkt tot een bepaalde stijl, word je misschien een expert in dat specifieke standpunt of die specifieke school, maar ik wil niet tot een bepaalde school behoren”, zei hij. “Ik ben altijd aan het leren, altijd aan het ontdekken.” (Herman Miller)

Isamu Noguchi – Red Cube Sculpture, 1968, 140 Broadway Between Cedar and Liberty Streets, Financial District in Lower Manhattan, New York

Heb je je ooit afgevraagd hoe kunstwerken in galeries terechtkomen? Bekijk de beproevingen, frustraties en unieke voldoening die gepaard gaan met het presenteren van kunst aan het publiek. Deze korte documentaire volgt de installatie van Isamu Noguchi’s geliefde sculptuur Water Stone (1986) in galerie 229, waar het nog steeds te zien is, en biedt een unieke kans om te zien hoe een levende kunstenaar met het personeel communiceert terwijl zijn werk wordt voorbereid voor tentoonstelling.

Tot slot neem ik je nog graag mee naar ‘The Noguchi Museum’ in Queens, New York. Het was er stil die dag, ook in de mooie binnentuin. Alsof je als volwassene nog even terug langs de ideale speeltuinen loopt die hij in de dertiger jaren zo graag had gerealiseerd. Maar het spelen met vormen en materialen, de projectie van het zonnelicht op muren en kunstwerken, de werkelijk spelende geest is er aanwezig gebleven en de wisselwerking tussen natuur en vormgever is zowel zacht als grappig maar de weemoed overheerst. Elk spreken in materiaal blijft nazinderen tot in de letterlijke lichtheid van de lampen, de stilte . Of zijn de kinderen naar de oorlogen getrokken?

Omtrent verwondering (2)

close up shot of splashing sea waves
silhouette of person with flare on dark horizon
Photo by Bl∡ke on Pexels.com
Verwondering

Vergeet het wonder niet.
Verwonderen scheurt traagzaam
de duisternis.
De ziel zucht naar wat uit
het eindelijke zichtbaar wordt.

Uiteindelijk
is het laatste woord
net voor de dageraad
close up shot of splashing sea waves
Photo by Mariam Antadze on Pexels.com

‘Uiteindelijk’ heeft een aantal mooie synoniemen:

ultiem (bn) :
uiteindelijk, uiterst, laatste
ten slotte (bw) :
uiteindelijk, eindelijk, tot besluit, tot slot, ter afsluiting, ten langen leste
al met al (bw) :
uiteindelijk, alles bijeengenomen, alles overziend, alles bij elkaar genomen
tenslotte (bw) :
uiteindelijk, immers, welbeschouwd, op de keper beschouwd
eindelijk (bw) :
uiteindelijk, ten slotte, ten langen leste
finaal (bw) :
uiteindelijk, definitief, laatste, ultiem

Je zou kunnen aankomen bij: (dat is) helemaal het einde. Wat zich na dat ‘aangenomen’ einde zou bevinden kan zich van het ‘niets’ tot het wonderlijke (onbekende) alles uitstrekken.

silhouette of tree near body of water during golden hour
Photo by Pixabay on Pexels.com
ZWERVER

Dien avond kwam ik later dan gewoonlijk
naar boven. In de huiskamer was licht
zag ik door de gesloten deur. Een schicht
van vreugde maakte terstond persoonlijk,
al wat zich uit mij had ontsticht
in stad en menigte. Ik stond koninklijk
in het vernieuwde donker van den nacht,
binnen mijzelve opgericht.
‘Ik heb op je gewacht’, zei je aandoenlijk,
en kuste mij de dood van het gezicht.

Gerrit Achterberg (1905-1962)
windows of apartments in evening
Photo by cami on Pexels.com

"Verwondering is het staren in een wereld die tot voor kort een andere wereld was en nu de eigen wereld blijkt te zijn of omgekeerd. Zij ontstaat, zoals men gewoonlijk zegt, uit de tegenstelling tussen het gewone en het ongewone. Zij kan ons overkomen wanneer het ongewone gewoon blijkt te zijn, verklaarbaar en begrijpelijk, maar evenzeer wanneer het gewone zich als iets ongewoons openbaart of zich van een ongewone kant laat zien. Deze schommeling wordt niet alleen veroorzaakt door het ambivalente karakter van de verwondering, maar ook door de twijfelachtige waarde van de noties ‘gewoon’ en ‘ongewoon’."

Hij citeert ook Augustinus:

De verwondering treft het hart zonder het te kwetsen; "Percurit cor meum sine laesione." Het hart hunkert naar het nieuwe dat in de verwondering openbaar wordt.

Dr. Cornelis Verhoeven, Inleiding tot de Verwondering. (1967)


https://www.dbnl.org/tekst/verh039inle01_01/verh039inle01_01_0002.php#:~:text=Verwondering%20is%20het%20staren%20in%20een%20wereld,tegenstelling%20tussen%20het%20gewone%20en%20het%20ongewone.

silhouette of a kid playing with a kite
Photo by Quang Nguyen Vinh on Pexels.com

Lees ook:

De nieuwe kleren, een sprookje?

Dit sprookje (AT 1620, ‘The King’s New Clothes’) dankt zijn bekendheid aan de sprookjesbundel Eventyr fortalde for Børn (1835) van Hans Christian Andersen (1805-1875). Andersen gebruikte als voorbeeld het verhaal uit het veertiende-eeuwse kluchtboek El libro de los exemplos de conde Lucanor et de Patronio van de Spanjaard Juan Manuel. Het motief van het bedrog met de niet bestaande kleding is echter al veel ouder en komt al in een Indiaas verhaal in de Avadânas (Boedda’s wedergeboorten) uit de eerste eeuwen na Christus voor. Hier weeft iemand zo’n fijne draad dat niemand hem kan zien.

Behalve met niet bestaande kleding kan het bedrog ook plaatsvinden met een niet bestaand schilderij. Een verhaal met dit motief komt voor het eerst voor in de veertiende-eeuwse Der Pfaffe Amîs van Der Stricker. Alleen wettig geboren kinderen zouden een schilderij kunnen zien. Het verhaal duikt later op in de Uilenspiegel-cyclus en bij Hans Sachs. Als mondeling verhaal is de ‘Nieuwe kleren van de keizer‘ weinig opgetekend: slechts hier en daar in Europa, Azië en Zuid-Afrika. Wat Nederland betreft is het alleen enkele keren in Friesland door Ype Poortinga in de jaren zeventig opgetekend.

Het verhaal van Andersen is in 1893 gedramatiseerd door Ludwig Fulda in diens Der Talisman.

Pim Marijn Sanders in de Efteling ‘De naakte keizer’

Rembrandt’s tulbanden, Élisabeth Vigée Le brun’s sjaals, Rosa Bonheur’s lange broeken, Balzac’s kamerjas door Rodin, Andy Warhol’s pruik, Niki de Saint Phalle’s slangenjurk… Maken kleren de kunstenaar? Of de ziel van de geportretteerde?

The Artist, the Model and her Lawyer, 1992

In 1992 maakt Marlene Dumas een schilderij getiteld The Artist, the Model and her Lawyer. Midden op het doek staat het naakte model met haar handen afwachtend op haar rug. Aan weerszijden van haar staat een geklede man. Zij zijn druk met elkaar in gesprek. De titel, die boven de hoofden van de drie figuren geschreven staat, geeft aan dat het hier om de kunstenaar en de advocaat van het model gaat. De kunstenaar en het model zijn blijkbaar in een ongelijke strijd verwikkeld, anders had het model geen nood aan een advocaat. Het model is trouwens naakt, terwijl de lichamen van de twee heren verhuld blijven door de kleding die zij dragen. Zo beschouwd is Dumas’ schilderij een uitwerking van Manets Déjeuner sur l’herbe. Ook daar zien we een naakte vrouw temidden van twee zorgvuldig geklede heren. Wordt de ongelijkheid in Dumas’ werk nog enigszins gelegitimeerd door de professionele motieven van de kunstenaar en de context van het atelier, dan neemt ze ronduit groteske vormen aan in Manets Déjeuner. Het groene gazon levert nauwelijks een narratief alibi voor de naakte aanwezigheid van de vrouw. (Ernst van Alphen)

Lees verder:

With regret for the fact that ‘sexy’ also implies something stupid and the fine arts avoid that in favour of the ‘erotic’. I’ve always felt related to those places where the pin-up feels at home. And I thank all those nameless artists who’ve given us the real pin-ups.

Marlene Dumas, in: Sweet Nothings

Manet, Edouard – Le Déjeuner sur l’Herbe (The Picnic)

Er is ook een erg wrede versie van ‘de nieuwe kleren van de keizer’ Auteur, Yeh Shengtao (1894-1988) was leraar, daarnaast schrijver van kinderliteratuur en korte verhalen. Terugkerende onderwerpen daarin zijn het lot van kinderen in het autoritaire onderwijssysteem en de machteloosheid van hervormingsgezinde intellectuelen. Gedurende de jaren twintig en dertig was hij in Shanghai actief als criticus en tijdschriftredacteur. Na de oprichting van de Volksrepubliek China in 1949 was hij een tijd lang vice-minister van onderwijs. Annemie Bonneux maakte een vertaling . (De Tweede Ronde Jrg 27 2006)

Lees:

https://www.dbnl.org/tekst/_twe007200601_01/_twe007200601_01_0074.php

Het verhaal in ‘De Efteling’

Ook Roald Dahl maakte er een moderne berijmde versie van die je terugvindt in zijn verzameling ‘Rijmsoep’ In dit boek figureren heel wat bekende figuren, die hun strepen al lang verdiend hebben in andere verhalen, sprookjes of vertellingen. Wie kent er niet het verhaal van ‘De nieuwe kleren van de keizer’ of ‘Ali Baba en de veertig rovers’? Roald Dahl zou Roald Dahl echter niet zijn als hij niet aan elk verhaal een bijzondere wending gaf. De basiselementen blijven behouden, maar vaak lopen ze net iets anders af of krijg je een heel andere invalshoek voorgeschoteld. In ‘De nieuwe kleren van de keizer’ gaat de keizer in zijn nieuwe pak skiën. Hij is, net zoals in het sprookje, uiteraard helemaal naakt. Al vlug is hij helemaal bevroren en jubelt het hele land blij: “Nu zijn we eindelijk vorstvrij!” Vertaling van Huberte Vriesendorp.

's Keizers kleermaker, mijnheer Grijs,
had zijn zaak naast het paleis.
Zo kon de keizer wel twaalf keer
elke dag naar hem heen en weer.
Want hij was verzot op kleren:
pakken, mantels, hoeden, veren,
gestikte vesten van rode zij,
paarlen knoopjes op een rij...

Het paleis was vol goud en pilaren,
en lakeien en kamerdienaren,
die de hele dag niets anders deden
dan persen, strijken en de keizer kleden.
Maar kleren kunnen gevaarlijk zijn
voor 'n keizer met 'n minibrein…
Bij hem kwamen op de eerste plaats
zijn kleren, en de mensen 't laatst.
Neem nou de lakei die per ongeluk
iets morste op een kledingstuk.
Hij werd dadelijk in het openbaar
opgehangen aan zijn haar.
Een andere lakei, die jammer genoeg
bij het borstelen 'n pluisje oversloeg,
werd levend gekookt, net als een kreeft,
iets wat men maar zelden overleeft.
De dienaar die wat snuif had gemorst
op de gouden mouwrand van de vorst
werd vermalen in een machine
tot eersteklas dieetmargarine.

Verder te lezen via

Een heel andere toonaard in ‘The Emperor’s New Clothes van Sinead O’Connor

You asked for the truth and I told you
Through their own words
They will be exposed
They've got a severe case of
The emperor's new clothes
The emperor's new clothes
The emperor's new clothes
The emperor's new clothes
Keld Moseholm (1936-2023) The Emperors new Clothes

Nog steeds niet voorbij: Tom Duncan, sculptor (1939)

Tom Duncan (b. 1939)
1939-A War Toy for a German Child-1945, 1989
mixed media
15 x 27 x 13

Tom Duncan werd in 1939 in Shotts, Schotland geboren. Zijn jeugd kreeg vorm door het geschreeuw van sirenes, vluchten naar schuilkelders en de ervaring waar zijn moeder door nazi-piloten gedood kon worden. Als toevluchtsoord begon Duncan met het maken van kunst toen hij 4 jaar oud was. In 1947 verhuisde zijn familie naar de Verenigde Staten. Op 20-jarige leeftijd ging hij naar de kunstacademie, maar werd hij ontmoedigd door medestudenten die dachten dat abstract impressionisme “de enige echte kunstvorm” was. Tom werkte als modelbouwer voor de NYC Port Authority, inclusief het maken van de architecturale modellen voor de geplande World Trade Center Towers. Getuige van de instorting van deze torens vanop het dak van zijn studio, 11 september 2001, versterkte deze gebeurtenis voor hem nog meer de onvoorspelbaarheid van het leven. In een interview zegt hij: “I’m not sure if I would say I’m an inventor. But I love to make things and find out how things work. I guess I’d prefer to say I’m a sculptor.”

Tom Duncan (b. 1939)
Portrait of Tom with a Migraine Headache (No. 3), 2020
Found objects, acrylic, graphite, collage and tin cutouts
42.5 x 25.75 x 2 inches
Portrait of Tom with a Migraine (2020), is a double relief, consisting of found objects, collage, and tin cutouts. The work consists of two reliefs– green on the verso and red on the recto. The two busts are placed within a frame with curving embellishments. Considerable open space occurs. Both figures’ bodies incorporate found objects that make their torsos more intricate, even if we don’t really know what these objects symbolize. Their heads, too, are filled with unknowable things–an obvious reference to the migraine Duncan is referring to. The manufacture of the sculpture is fairly rough, yet the overall effect is cultivated in some idiosyncratic, nearly 19th-century manner. Duncan communicates the migraine in subtle ways despite the work’s aura of directness.  (Whitehot Magazine. Jonathan Goodman. 2023)
Tom Duncan (b. 1939), Portrait of Tom with a Migraine Headache, 2013, Mixed media, 128.5 x 61.5 inches
 

Een ander werk, met dezelfde titel als het eerste reliëf dat in de recensie wordt genoemd, “Portrait of Tom with a Migraine“, is gemaakt in 2013. Het toont een robotachtige vorm in het wit, bestaande uit verschillende doosvormige objecten die op elkaar gestapeld zijn. Er is een hoofd bovenaan de kolom, maar het lijkt meer op een dier dan op een persoon. Het hoofd, dat herkenbare gelaatstrekken heeft, geeft enige menselijke zwaarte aan het object, maar het suggereert ook een brute achtergrond: we weten niet of het werk een zelfportret is, of een afschuwelijk wezen met pijn. Een aantal pijplengtes lopen van het middenrif van het beeld naar de sokkel. Deze laatste, onregelmatig gevormd maar met rechte randen, ondersteunt het werk van bijna 130 centimeter hoog. Terwijl de titel duidelijk maakt dat het werk verwijst naar de kunstenaar zelf, is er ook het gevoel dat deze werken emblematisch zijn voor de menselijke conditie in het algemeen. Het ogenschijnlijke gebrek aan academische verfijning in veel van Duncans sculpturen kan de toevallige kunstkijker voor de gek houden door te veronderstellen dat hij directe communicatie wil tussen hem en zijn publiek. Dat is niet echt het geval. In plaats daarvan zou je kunnen veronderstellen dat zijn rauwe benadering van het werk een manier is om contact te maken met een groter publiek dan degenen die zich doorgaans bezighouden met beeldende kunst. (ibidem)

Tom Duncan (b. 1939)
The Blue Madonna and her Friends, 1981
Wood, collage, paris craft, acrylic, lights, found objects
79 x 42 x 12 inches

Duncan cites Flannery O’Connor as an abiding influence. His images evoke the uncanny and can be unsettling, involving viewers in a narrative much like good fiction. Set as they are within seductively theatrical cabinets (that some pieces resemble altars seems no accident), the dramatic scenes possess at once the depth of storytelling as well as the epiphanic flash of poetry. In his recurring depictions of wartime violence as seen through the eyes of a child, history is particularized, personalized, and charged with mystery. The past, as another Southern author, William Faulkner, once said, isn’t dead, it isn’t even past. (Andrew Edlin Gallery. NY)

Bezoek:

https://www.edlingallery.com/artists/tom-duncan

Tom Duncan (b. 1939)
1939-A War Toy for a German Child-1945, 1989
mixed media
15 x 27 x 13

“Een van de eerste herinneringen waar ik bijvoorbeeld een stuk over maakte, was de eerste zomer dat ik in Amerika was toen ik op kamp ging. Ik was nog nooit bij mijn moeder weg geweest. Ik ging twee weken op slaapkamp. Ik kreeg ruzie met kinderen. Er was een stationwagen die ons over een grindpad naar het zwembad bracht. Ze stapten in de stationwagon en ik hing aan de achterkant van de auto en ze sloegen me en sloegen me eraf. Ik hield me vast. Ik ben erg vasthoudend. Plotseling reed de auto weg en de kinderen sloegen me nog steeds op mijn handen om me eraf te krijgen. Uiteindelijk realiseerde ik me dat ik los moest laten. Ik liet los en rende zo snel als ik kon. Ik probeerde mezelf overeind te houden, maar dat lukte niet en ik maakte een buiksprong op het grindpad. Ik sneed mijn hele borst open. Ik kwam terug bij de kleedkamer en een non kwam naar me toe en zei: Ga naar het kampziekenhuis. De non smeerde me in met mercurochrome en ik had een knalrode borst die er de hele tijd dat ik op kamp was niet afwaste. Alle kinderen kwamen naar me toe en vroegen: “Kun je je borst aan mijn vriend laten zien? En dan tilde ik mijn shirt op. Het voelde alsof ik een stigmata had, maar ze behandelden me met ongelooflijk respect. ( Westbeth home tot the arts Terry Stoller)

The Mercurochrome Kid Finally Comes Home. 1988. Mixed media, 16 x 25 x 2½ inches.

Lees:

Kijk naar zijn werk ‘dedicated to Coney Island’ waar hij vijftien jaar aan werkte. (werking zie YouTube)

Tom Duncan (b. 1939)
Dedicated to Coney Island, 1984-2002
Mixed media
96 x 90 x 84 inches

In werking? Kijk naar:

Coney Island, vijftien jaar werkplezier


Dedicated to Coney Island, a giant three-dimensional scene and vivid recreation of the amusement park. This recreation of the New York City landmark is based on Tom Duncan's memories of growing up near Coney Island. The myriad details of the work show, among other things, the beach crowded with bathers, various amusement rides, a balloon, trains... By pushing buttons, the viewer can activate different moving parts of the work such as the Wonder Wheel and the trains. In this video, Andrew Edlin introduces us to the fantastical world of Tom Duncan, who was strongly influenced by his childhood in World War II Scotland and postwar New York. (Vernissage TV)

Tommy and the Scottish Sky. 2007. Mixed media, 47½ inches in diameter, 1½ inches deep.

“I apparently was strafed while I was out in the brandy by a German plane when I was 2 years old. The brandy was a cow pasture that doubled as a playground. My mother heard the siren and came running to get me. I don’t remember the event of the strafing. I know unconsciously I must have seen the bombers. Whether I saw them in Edinburgh or in Shotts, it doesn’t matter. For me it’s an iconic image that reappears in my work.” (Westbeth Home to Arts)

Tom Duncan (b. 1939)
Homage to William Blake, 1982
Mixed media
11 x 14 x 1.5 inches

De kunst van Tom Duncan wordt gekenmerkt door een kinderlijke kijk op zowel trauma als plezier in al zijn vormen. Zijn kunstwerken staan ook vol eerbetoon aan de vele fascinerende en krachtige vrouwen die hij in zijn leven heeft gekend. Duncan maakte een werk als eerbetoon aan zijn tante Meg die Tom voor het eerst boetseerklei gaf. Gekleed in haar uniform van het Woman’s Air Corps herinnert Tom zich hoe tante Meg hem stiekem chocolaatjes van de zwarte markt gaf en hem leerde om miniatuurkelkjes van de wikkels te maken. Nonnen waren ook een vast onderdeel van Duncan’s jeugd en adolescentie. Tom Duncan’s 500 nonnen doneren hun hersenen aan de wetenschap in de iconische Duncan-stijl, het waar gebeurde verhaal van de zusters van de Notre Dame, in de leeftijd van 75-106 jaar, die er moedig voor kozen om deel te nemen aan een historische studie die meerdere decennia duurde. Het onderzoek onder leiding van Dr. David Snowden van de Universiteit van Kentucky in Lexington, naar veroudering, beroerte en de ziekte van Alzheimer. “Ik beschouw mezelf als ex-katholiek nadat Vaticanum II niet ver genoeg ging in het doorvoeren van hervormingen, maar ik heb mijn liefde voor de verhalen uit het Oude en Nieuwe Testament en al mijn spiritualiteit behouden.” (American Visionary Art Museum)

Tom Duncan (b. 1939)
Dream Nun, 2000
Mixed media
13 x 10 x 2.5 inches

Hij zal nu 86 worden. Maar zijn werk blijft het mooie van de kinderlijke inspiratie hebben, aangevuld met de angsten en waarderingen met wat ons allen op allerlei leeftijden overkomt. Zijn werkwijze steunt op ervaringen, op een sterke open kijk waarin eerder een ‘art brut’ het haalt op een modieuze afstandelijkheid. De intensiteit van herinneringen en verwachtingen behoudt juist daardoor haar herkenning die ook vaak de onze mag worden.

My Guardian Angel and My Devil Fighting Over My Soul From My Conception to My Death, 2014
Mixed media
28 x 11 x 11 inches

Bezoek ook:

Hazen en klokken, een paasbrief (met geluid en gelui)

Grote Haas met mandje. 38cm. Atelier Rosa

Het is duidelijk. Anno 2025 hebben de hazen het gehaald. Niet alleen een zinnetje om de aangeblazen H te leren uitspreken, maar tevens een zachte zegekreet uit het land van de zalig zoete Paasverbeelding. Nog maar een leven-lang geleden waren ‘de klokken’ aan de macht. In één geldige uitdrukking te benoemen: de-klokken-van-Rome. De reeds vernoemde haas hoorde toen nog bij het heidense of -minder erg- bij de protestantse drang om de opstanding van Jezus en de natuur te vieren terwijl de Roomsen al op paaszaterdag-morgen de luchten afspeurden om het gevleugelde brons te ontdekken. Vind je nog een chocoladen klok dan lees je tot je verbazing: ‘Kerstklok-uitverkocht-‘. Of: ‘Easter Bells Milk’. ‘This Product is too fragile to ship.’ Maar toch nog dichtbij (2024) deze mooie rij gedecoreerde PAASklokken. Klokken-van-Rome!

2O24. SKWinkel in Sint)Katelijne Waver. ‘Paasklokken Rij’

Ja, in Parijs, Cheval Blanc Paris kun je “La Cloche de Pâques” van Maxime Frédéric, geïnspireerd op de kathedraal Notre-Dame en de Art Nouveau-motieven van het gebouw’ aanschaffen. Ze belt zelfs. Maar is deze afbeelding niet een smartelijk beeld van een ‘ingekapselde’ klok? De-klokken-van-Rome zijn gevleugelde klokken! Ze vertrekken samen met een horde duiven op het Sint-Pietersplein.

Maxime Frédéric. Cheval Blanc. Paris. 2025

"De bel, volledig gemaakt van pure chocolade versierd met arabesken, kan worden geproefd als een verdeler met gedroogd en gekonfijt fruit: sinaasappels, amandelen, hazelnoten en pistachenoten vormen deze elegante, gastronomische finale. Het is een speels, poëtisch eerbetoon aan het Parijse erfgoed, dat herinneringen oproept aan de kindertijd."

De paasklok-van-Rome uit mijn kindertijd kon je ophangen met een lintje. In de klok zat er wel eens parelsnoep (zoals in elk ouderwets paasei) zodat je met enige verbeelding (in ruime mate aanwezig) nog de grote Romeinse moederklok hoorde als je ermee rammelde. Puur hemels handwerk was het!

Uit: Pallieter, Felix Timmermans:

Een eenden-driehoek keerde hoog in de lucht terug uit de warme landen! En ineens sprongen overal, in stad, dorp en begijnenhof, de paaschklokken los en galmden en jubelden over de wereld de Verrijzenis van God en van het leven! Christus is opgestaan!
De klokken kwamen van Rome terug, en ze zwierden een regen van eieren over de wereld. Het land rook van een nieuwe ziel, de jonge Lente stond gereed in de boomen! Alles had knop en bot, het Leven jubelde over den Dood. ’t Was de Verrijzenis, de levengevende Verrijzenis!
En toen, smeltend van ontroering, kuste Pallieter den grond.

Foto door Ehaan Deva op Pexels.com

Het geheim van de lengende dagen. Hoe je als kind het verschuiven van de donkerte ervaarde naar het lichtende van de nieuwe dag. Beetje bij beetje wakker worden met meer morgenlicht. Maar ook naar bed moeten als het nog niet donker zal zijn. Je ervaart de lente omdat je zelf in de lentejaren van je leven woont. Je begint de ritmes van de natuur te herkennen. Pasen is verrijzen uit de kleine kindertijd. Eerst als schoolkind, daarna als jongen die de melodie al herkent en probeert mee te deinen of zich te verzetten tegen de voorbij glijdende kindertijd, of halsreikend uitkijkt naar morgen. Kijken en ook luisteren naar wat je omringt. Luister mee. Bij een beekje, vroeg in de morgen. Toen er nog stilte was.

natuurgeluiden met beekje op achtergrond, begin van de lente (lang geleden)

Foto door Johanna op Pexels.com
‘K EN HORE U NOG NIET

‘k En hore u nog niet,
o nachtegale, en
de paaszunne zit
in ‘t oosten;
waar blijft gij zo lange,
of hebt gij misschien
vergeten van ons
te troosten?

‘t En zomert, ‘t is waar,
‘t en lovert, ‘t en lijdt
geen bladtje nog uit
de hagen;
‘t zit ijs in de wind,
‘t zit sneeuw in de lucht,
‘t is stormen, dat ‘t doet,
en vlagen.

Toch spreeuwt het en vinkt
het luide, overal;
de merelaan lacht
en tatelt;
het must en het meest,
het koekoet, in ‘t hout;
het zwaluwt en ‘t zwiert
en ‘t swatelt.

Waar blijft hij zo lang,
de nachtegale; en
vergeet hij van ons
te troosten?
‘t En zomert nog niet,
maar zomeren zal ‘t:
de Paaschzunne zit
in ‘t oosten.

Guido Gezelle
Foto door Ayyeee Ayyeee op Pexels.com

En hier zijn zij: twee nachtegalen..

Twee nachegalen, een wonderbaar mooie BBC-opname

En jawel, ‘klokken luiden’ in de letterlijke betekenis; de uitvoering van het woord is niet zo eenvoudig als het zou blijken. “Campanalogia or ‘The art of ringing” is een omvangrijk boek dat in Londen verschijnt anno 1677, Improved.
 With plain and easie Rules to guide the Practitioner in the Ringing all kinds of Changes.
to
 Which is added, great variety of
 NEW PEALS.

Je kunt zelfs met enkele klokken een meer dan behoorlijk aantal variaties bereiken zoals blijkt uit de wiskundige berekeningen uit dit boek. Te raadplegen: .

https://www.gutenberg.org/cache/epub/73423/pg73423-images.html

Zo kun je, volgens de auteurs van ‘Campanalogia’ met zes klokken en evenveel luiders makkelijk 124.635 variaties hoorbaar maken! Met ‘The Nightingall’ instelling zijn er 523.641 variaties mogelijk. In ons voorbeeld hierboven: de klokken van de Kapucijnerkerk H. Drievuldigheid in Meersel-Dreef, wordt een aantal variaties hoorbaar. Lees de boeiende geschiedenis van deze klokken onder de YouTube. Met dank aan Leander Schoormans.

In Utrecht is er een heuse klokkenluidersgilde. Bezoek hun boeiende en klankrijke website. Vakwerk!

https://www.klokkenluiders.nl/

En Jesse aan het werk!

Geheim

De lach is heilig en een onverdund geheim,
zij is de vreemde vreugde van de binnenkant,
de kinderlijke moed die ondanks alles danst,
de sterren die in al dat donker helder zijn.

Men zegt dat hij niet lachte, hij die eenzaam stierf
de man die ons gered heeft ooit, op Golgotha,
dat hij voor arm Jeruzalem in zijn verdriet
bepaald niet bang was om een traan te laten.

Verdriet schiet op als gras: zijn pijn was niet gespeeld,
hij was oprecht door de ellende aangedaan –
de dood schuift overal zo duidelijk in beeld,
een man mag net zo vaak zijn tranen laten gaan.

Maar vreugde, die is heilig. Soms ging hij alleen
de berg op om te bidden: misschien klonk daar ’s nachts
alleen onder de strenge sterrenbeelden
daar op die hoge top zijn hartelijke lach.

• G.K. Chesterton, ‘Secrecy’, in de bundel Wayfarer’s Love – Contributions from Living Poets (1904); vertaling Menno van der Beek, juni 2024
Foto door Pixabay op Pexels.com

De dromer gedroomd (George Dance The Younger)


Het zuchtje licht kust je,
verbindt je
uiteindelijk,
dat alles inclusieve woord
waarin wij allen zullen slapen.
Het puntje bij het paaltje.

Het dromen
hoort bij leven
te gebeuren.
‘Man in Hammock’. Albert Gleizes. 1913

Je zou het niet van een Engelse stadsarchitect verwachten, zelfs niet met de nogal bewegelijke naam ‘George Dance the Younger’, net tweehonderd jaar geleden overleden (1741-1825) schepper van innovatieve plannen voor gebouwen die op dit ogenblik in meerderheid zijn geslecht, tekende hij, samen met zijn vriend architect William Daniel, ook voortreffelijk -hoofdzakelijk voor de vriendenkring- grappige scenes uit het alledaagse leven naast fraaie portretjes van huisgenoten en bekenden. Maar, naar goede Britse traditie, ook dit:

George Danse A ghost appearing to a group of figures
Repose & Exertion
George Dance RA

Hoewel de schetsen over het algemeen zwelgen in het absurde, zijn sommige duidelijk beïnvloed door hedendaagse gedachten en historische gebeurtenissen. Dance gaf het album zelfs de titel “The Sublime and the Beautiful”, een luchtige verwijzing naar Edmund Burke's zeer invloedrijke On the Sublime and the Beautiful uit 1756. Een reeks karikaturen van hoogwaardigheidsbekleders satireert ineffectieve buitenlandse overheden en ten minste één kan specifiek in verband worden gebracht met de gebeurtenissen tijdens de Peninsulaire Oorlog, waaraan Dans zoon William deelnam. Een aantal tekeningen is ook verbonden met toneelstukken en opera's die in die periode werden opgevoerd. Dit is misschien niet verwonderlijk gezien de sterke theaterconnecties van de familie Dance. James, de oudste van de gebroeders Dance (gestorven in 1774), was een ietwat guitige acteur en schrijver die een theater runde in Richmond en optrad in Drury Lane en zijn zoon William (gestorven in 1840) was muzikant in het King's Theatre Orchestra.
George Dance. ‘Both Cosey’

Je kunt ze zelf bekijken:

https://www.royalacademy.org.uk/art-artists/search/works-of-art?procedure_id=G383

A skeleton and two figures in a Gothic building
George Dance RA (1741 – 1825)

Deze belangstelling voor spoken en griezels zal een blijvend thema zijn in de Angelsaksische literatuur, kijk maar even bij onze serie ‘The turn of the screw” naar het bekende en vaak gedramatiseerde verhaal van Henry James.

Dance’s profile portraits were well known to his contemporaries but his caricatures seem to have been reserved for his own private entertainment and that of his family and friends. Nevertheless, while staying with Sir George Beaumont at Coleorton, Dance frequently entertained his host and patron by ‘drawing humorous figures’. The album was possibly assembled for Dance’s own family, and the inscription on the first page reminding “Nobody (so well known to Everybody)” to “put their fingers, toes, or elbows &c. upon the Gigs in pensil only” certainly suggests that he anticipated its use by persons perhaps less respectful than Sir George Beaumont. (RA)

George Dance The Younger ‘The Peep Show’. Vergroot door klik op onderschrift

Dance was a sociable man. He played musical instruments and drew for the amusement of others. This included satirical drawings and portraits. Some were published, and over 200 of his portraits survive in various collections, including four at the Soane Museum. Dance’s portraiture style was meticulous, usually depicting the subject seated, at half-length, and produced in short strokes with hatching, usually in pencil and sometimes with colour in wash or chalk. Dance described his portraits as ‘relaxation from the severer studies and more laborious employment of professional life’. Between being widowed in 1791 and left to care for three young sons, and his busy professional activities, Dance’s life may have been onerous, and drawing portraits offered relaxation and sociability. This informal likeness of George Soane (1789-1860), the younger son of John and Eliza Soane, was probably produced at a social gathering: as Soane’s architectural master, Dance became a close family friend. (Sir John Soane's Museum London)

Dance was een gezellige man. Hij bespeelde muziekinstrumenten en tekende voor het vermaak van anderen. Hieronder vielen ook satirische tekeningen en portretten. Sommige werden gepubliceerd en er zijn meer dan 200 van zijn portretten bewaard gebleven in verschillende collecties, waaronder vier in het Soane Museum. Dance’s portretstijl was nauwgezet, meestal zittend, op halve lengte, en uitgevoerd in korte streken met arceringen, meestal in potlood en soms met kleur in was of krijt. Dance beschreef zijn portretten als “ontspanning van de strengere studies en het meer arbeidsintensieve werk van het professionele leven”. Omdat Dance in 1791 weduwnaar werd en de zorg voor drie jonge zonen op zich moest nemen, en zijn drukke professionele activiteiten, kan zijn leven zwaar zijn geweest en het tekenen van portretten bood ontspanning en gezelligheid. Deze informele beeltenis hierboven van George Soane (1789-1860), de jongere zoon van John en Eliza Soane, werd waarschijnlijk gemaakt tijdens een sociale bijeenkomst: als architecturale meester van Soane werd Dance een goede vriend van de familie

George Dance the Younger ‘A Man doing the Splits’

En nu?…NOG STEEDS bang in het donker?





Binnen lig ik in mijn bed
met gedachten aan daarbuiten
waar kabouters vrolijk fluiten,
want die hebben altijd pret.

Binnen in mijn warme hol
hoor ik mijn gedachten lopen,
die tevoorschijn zijn gekropen
en ik voel me boordevol.

Vol verwarring en plezier
om de koude nacht daarbuiten,
klamme handjes op de ruiten
van het een of andere dier.

Vast een soort van chimpansee.
Zal ik hem eens binnenlaten?
Nee, in godsnaam laat maar praten,
ik zit genoeg in de puree.

Lekker is het hier in bed.
'k Heb mijn allermooiste dromen
nu vanavond laten komen
en de wekker afgezet.

Maar des nachts om twaalf uur
komt een kerel van de zolder
met een grote zak vol kolder
en een fles vol apezuur.

Daarvan ben ik toch wel bang,
maar gelukkig gaan mijn kleren
dan elkaar weer mores leren
en ze rennen door de gang.

De zanger en de verteller, beiden in 1944 geboren. Kind in de wederopbouw, vaak in denkpatronen terug naar de jaren dertig eens de overlevenden in de vijftiger jaren weer thuis waren. De oorlog onder de mat geschoven tot de Frankfürter processen (1963-65) een fel ontwaken veroorzaakten.

De grote beeldbak, televisie begon aarzelend de avonden te vullen. Ruimte om te vertellen bij het invallend duister bleef voorradig. Zelfs de ‘acht-uren-moeder’ (Kempische uitspraak “Muiër”) bleek nog wel eens op pad te zijn om kinderen die rond die tijd nog buiten speelden schrik aan te jagen, en naar verteld werd, ja zelfs mee te nemen. Op zijn vraag ‘waar naar toe?’ kreeg hij een onduidelijk antwoord. Het donker echter, vooral de diepe nachtelijke duisternis, bleef op hem wegen. Maar, zei men, er kwam een nieuwe tijd, een tijd waarin de wetenschap die oude angsten zou oplossen. En het zou nooit meer donker worden.

Robert Dickerson (1924-2015). Man sleeping on the steps. (1952)

Lees ook:

Lees: George Dance the Younger Sets Guildhall Alight

Now anonymous artist, A View of the Illuminations and Rejoicing in the City on the Evening of the Jubilee Day Oct 25, 1809, 1809. Engraving, 40 x 67 cm. © London Metropolitan Archives (City of London).

-klik op gravure om te vergroten – daarna terug op titel buiten het blog –

Herfst, de kunst van het vallen

Four Putti flying Anonymus ? Volger van Cambiaso, Luca) XVI century Museo del Prado

Zwaartekracht schijnt voor deze vliegende putti onbestaand. Hun dartele manier van bewegen is eerder tuimelen. Onbevreesd in de diepte vallen waar op aarde Wassily Kandinsky met tinten blauw en groen omgeven, de vrucht- of bloemen dragende boom borstelde, herfst in Murnau. Kijk.

Gravity seems non-existent for these flying putti.  Their frisky way of moving is rather tumbling.  Falling fearlessly into the depths where on earth Wassily Kandinsky surrounded with shades of blue and green, brushed the fruit- or flower-bearing tree, autumn in Murnau.  See.

Vassily Kandinsky, 1908 Herfst in Murnau (klik op onderschrift om te vergroten)

In Arles
wisten twee met kleur doorweekte zielen
dat onvermijdelijk vallen
over de gekwetste tijden
uit te strijken.

In Arles
two colour-soaked souls knew
that inevitable falling
over the hurt times
out.

Paul Gauguin, Landscape in Arles near the Alyscamps, 1888, Musée d’Orsay, Paris, France.

The falling leaves drift by the window
The autumn leaves of red and gold
I see your lips, the summer kisses
The sun-burned hands I used to hold

Since you went away the days grow long
And soon I'll hear old winter's song
But I miss you most of all my darling
When autumn leaves start to fall

Het gevoel van dat noodzakelijke schoolopstel, een wandeling in de herfst, en dan vanuit je kamer dromen verzinnen -buiten is het nog te nat of gevaarlijk- en hoe zeere vallen z’af, de zieke zomerblaren van Gezelle daarna met puberstem op tape achterlaten want ik moet naar het zangkoor, ma- terwijl de lente in je lijf niet weet waar eerst uit te barsten, maar ook verloren lopen in weemoed, het wentelt onder ’t vallen en tenslotte voor levenslang sonnet 73 van de grote meester lezen en het jaren later begrijpen vanaf de eerste zin: ‘Dat jaargetij brengt mij in beeld voor jou.’



Dat jaargetij brengt mij in beeld voor jou,
als een of twee, of geen, geel blad nog hangt
aan takken die zich schudden in de kou-
naakt koorskelet, eens zoet van vogelzang.
Jij ziet in mij de schemer van de dag,
wanneer, ver west, het laatst, veeg licht vertrekt,
al haast vertreden door de zwarte nacht,
Doods schaduwbeeld, die 't al in doodsrust dekt.
Jij ziet in mij het gloeien van de gloed
die jeugdig vuur nog aanhoudt op zijn as
als op het doodsbed waar het sterven moet,
verteerd met dat wat eens zijn voedsel was.
Het sterkt je liefde, zou je daarvan leren
te minnen wat jou weldra zal mankeren.

(vertaling H.J.de Roy van Zuydewijn)

Denk je aan de titel van deze bijdrage: ‘Herfst, de kunst van het vallen’, dan gaat het de opsteller eerder over de diepte dan over het oplopen van kwetsuren. Denk aan Alice in Wonderland, zij valt in een konijnenpijp en komt daardoor in een absurde wereld terecht. Vallen is nieuwe evenwichten verkennen, jezelf bevragen, loslaten dus. De schrik voor de diepte overwinnen.

Wie ben jij?’ vroeg de rups.

Dat was geen bemoedigend begin voor een eerste gesprek. Alice antwoordde, nogal verlegen: ‘Ik… Ik heb geen idee, meneer, wie ik nu ben. Ik wist wie ik was toen ik vanochtend wakker werd, maar ik moet tenminste al wel zes keer veranderd zijn sindsdien.’ ‘Wat bedoel je daarmee?’ vroeg de rups streng. ‘Leg eens uit!’

‘Ik ben bang dat ik het niet zo goed uit kan leggen, meneer…’ stamelde Alice. ‘Omdat ik niet mezelf ben, ziet u.’

Het is maar één voorbeeld, maar in de kortende dagen, het vroege donker, de herdenking van wie ons voorgingen, de innigheid van de kersttijd, de hoop op het nieuwe jaar, spreekt het raadsel van wat, wie en waarom ons voortdurend aan. Je in de diepte toelaten kan voor wonderlijke dagen zorgen.



Herbsttag

Herr: es ist Zeit. Der Sommer war sehr gross.
Leg deinen Schatten auf die Sonnenuhren,
und auf den Fluren lass die Winde los.
Befiehl den letzten Früchten voll zu sein;

gib ihnen noch zwei südlichere Tage,
dränge sie zur Vollendung hin und jage
die letzte Süsse in den schweren Wein.
Wer jetzt kein Haus hat, baut sich keines mehr.

Wer jetzt allein ist, wird es lange bleiben,
wird wachen, lesen, lange Briefe schreiben
und wird in den Alleeen hin und her
unruhig wandern, wenn die Blätter treiben.

Rainer Maria Rilke

Herfstdag

Heer: het is tijd. De zomer was zeer groots.
Leg op de zonnewijzers thans uw schaduw,
en stel de velden aan de winden bloot.
Beveel de laatste vruchten rijp te zijn;

verleen hun nog twee zuidelijker dagen,
stuw hen naar de voleinding, Heer, en jaag
de laatste zoetheid in de zware wijn.
Wie nu geen huis heeft, bouwt het ook niet meer.

Wie nu alleen is, zal het nog lang blijven,
zal waken, lezen, lange brieven schrijven,
in lanen rusteloos dwalen, telkens weer,
als op de wind de blaren zullen drijven.

Anton Korteweg
Foto door Pixabay op Pexels.com

Waar leg je de tijd?

Foto door Alena Darmel op Pexels.com

Luxe van een leeg rek waar, lang geleden, een foto stond van iemand die voor niemand nog iemand was: moeilijk te zeggen, jongen of meisje, meneer of mevrouw, een foto met kijken. Aankijken. En tegelijkertijd je blinddoeken terwijl je dat intense Andante Maestoso tot in je vingertoppen kon reconstrueren. (nu met YouTube onmiddellijk uit de vergetelheid te halen.)

‘Waar leg je de tijd?’ Wakker gemaakt door een verdwenen foto, hoorbaar zelfs en toch onbereikbaar. Samen te zijn zoals we toen waren?


Luxury of an empty shelf where, long ago, there was a picture of someone who was not yet someone to anyone: hard to say, boy or girl, Mr or Mrs, a picture with looking. Looking at. And simultaneously blindfolding you while you could reconstruct that intense Andante Maestoso to your fingertips. (Now with YouTube instantly retrievable from oblivion.)

‘Where do you put the time?’ Awakened by a vanished picture, audible even and yet unattainable. To be together as we were then?
Double Virginal
Lodewijck Grouwels Flemish, active The Netherlands 1600

‘Elk lichaam is een verzamelaar van tijd. Het telt de tijd met verschillende klokken en verwerkt de loop van al die tijden door het hele systeem. De lichamelijke tijd tikt niet overal en altijd hetzelfde. Het hart dat snel of langzaam klopt, de circulatie van het bloed, het ritme van het in- en uitademen, cellen die groeien en afsterven, het knipperen van de ogen. En het geheugen verzamelt tijd in de vorm van herinneringen en beelden, vermaalt ze en vervormt ze, en slaat fragmenten op
 in spiegelzalen en magazijnen tot ze in toevallige constructies in het heden opduiken.
Volgens de alwetende verteller in Virginia Woolfs roman Orlando functioneert de herinnering ‘als verstelnaaister en dan nog een zeer nukkige bovendien. De Herinnering hanteert de naald, stikt op en neer, heen en weer, van achteren
naar voren en van voren naar achteren. […] Zo kan de simpelste beweging die men maar bedenken kan, zoals het gaan zitten aan een tafel en het naar zich toe trekken van een inktpot, duizend vreemde, onsamenhangende fragmenten in be-
weging brengen […]. In plaats van een eenvoudig, eerlijk, gaaf stuk werk te leveren, waarvoor geen mens zich hoeft te schamen, is alles wat wij doen, zelfs het gewoonste, omgeven door het geklapwiek en en gefladder van vleugels, het glanzen en het doven van het licht.”

“De alchemie van de tijd”, Greet Van Thienen p 31-32 (Letterwerk, Borgerhout 2024)

Greet Van Thienen vraagt zich af hoe we vrijheid kunnen vinden in de snellende tijd. Wat is de alchemie van tijd en mens? Want hoewel tijd niet tastbaar is, drukt hij zich uit in alle levende wezens. Hoe werkt de tijd door ons heen? Wat kunnen wij ermee doen? Van Thienen onderneemt deze tijdreis samen met filosofen, schrijvers en wetenschappers die iets van het fenomeen tijd blootleggen. Denkers die aan bod komen zijn onder meer: Hannah Arendt, Simone Weil, Virginia Woolf, Einstein, Blaise Pascal, Jean-Paul Sartre en Byung-Chul Han. Zijn we tovenaarsleerlingen die, gebukt onder het vluchtige en snelle, toch het eeuwige blijven zoeken? 

Greet Van Thienen is auteur. In 2021 publiceerde ze ‘De stuntelende mens’, genomineerd voor de Socratesbeker en voor de Hypatiaprijs. Tot 2022 was ze radiomaker bij VRT Klara, waar ze reeksen en podcasts maakte over filosofen en schrijvers. (Letterwerk.be)
KLEINE MILDE KLAAGZANG

O, tuin bij regen
o, gulzige.
Wat kruipt en vliegt verbergt zich
onder oude varens.
Hoorbaar drinkt de grond.

O, duif bij regen,
o, onzichtbare.
Op weg naar huis, geringd, geroepen
vergeet ze haar beminde.
De katten wachten geduldig.

O, man achter het raam,
o, ouderling.
Duizend regenbuien uit het verleden,
een modderstroom verwoest de tuin
in zijn hoofd..
Geuren  hangen als kinderen in de takken.

Gmt
SMALL GENTLE LAMENT

O, garden by rain
O, greedy one.
What crawls and flies hides
Under old ferns.
Audibly drinks the ground.

O, dove by rain,
O, invisible one.
On her way home, ringed, called
she forgets her lover.
The cats wait patiently.

O, man behind the window,
oh, elder.
A thousand rains from the past,
a mudslide ravages the garden
in his mind.
Scents hang like children in the branches.

Gmt
Foto door Anthony ud83dude42 op Pexels.com

Meermaals hebben wij de Poolse dichter Adam Zagajewski belicht. Greet Van Thienen geeft hem ook een plaats in haar boek. Onder de titel ‘Tijdscapsules in zwart wit’ schrijft zij over de momentele conflicten in de wereld die voor de betrokkenen voor een zekere ’tijdloosheid’ zorgen.

“Het is niet dat ik door de tijd reis — naar het verleden of de toekomst — maar het verleden komt naar mij toe via de objecten. De draden die de punten verbinden, lichten op. Dis 1945 plotseling niet zo ver verwijderd van 2024 en is het vernietigde Berlijn verbonden met Kiev of Bachmoet van nu. Met de verschrikkingen in Israël en de ruïnes van Gaza. Zelfs met de ervaring van mijn moeder als tiener, die aan het begin van de oorlog op een kostschool moest blijven terwijl haar ouders, broers en zussen op de vlucht sloegen voor de Duitsers. Ze werd later op de fiets opgepikt door haar broer. Zij achterop en vermoedelijk een koffer met kleren en schoolboeken tussen hen in geklemd. De Poolse dichter Adam Zagajewski beschrijft in ‘Vluchtelingen’, een gedicht uit 1994, de tijdloosheid van vluchtende mensen, op zoek naar een onbekende bestemming — ‘naar het land van nergens, de stad van niemand’. Ze dragen rugzakken, bundels, praktische spullen en allerlei dingen die ‘thuis’ vertegenwoordigen. ‘Oude vrouwen met gerimpelde gezichten, die iets vasthouden — een zuigeling, een lamp — als herinnering — of een laatste homp brood.’ Waarom zou je een lamp meenemen? Omdat het een erfstuk is of een souvenir van een gelukkige reis. Omdat je hem nog snel van het dressoir kon grissen, en het licht van de lamp een thuis zal scheppen. Ooit, ergens, misschien. Omdat je wordt afgesneden van je verleden en het voorwerp toch enigszins dat verleden symboliseert.”

(Greet Van Thienen, De alchemie van de tijd, p.56-57)

Ramon van Flymen ANP-Foto
Probeer de verminkte wereld te bezingen.


Probeer de verminkte wereld te bezingen.
Denk weer aan de lange junidagen,

aan de rozijnen, de druppels van de rosé.

Aan de distels die de verlaten erven

van ontheemden stelselmatig overwoekerden.

Je moet de verminkte wereld bezingen.

Je hebt sierlijke zeiljachten en schepen gezien;

een ervan had een lange reis voor de boeg, 

een ander wachtte slechts het zoute niets.
Je hebt vluchtelingen gezien die nergens heen gingen, 

beulen gehoord die een lied van vreugde zongen.

Je moet de verminkte wereld bezingen.

Denk aan de momenten waarop jullie samen

in de witte kamer waren en de vitrage bewoog.

Keer terug naar dat concert, toen de muziek losbrak.

In de herfst verzamelde je eikels in het park

en de bladeren wervelden boven de littekens

van de aarde. Bezing de verminkte wereld

en het grijze veertje, dat een lijster heeft verloren,

en het zachte licht dat dwaalt en verdwijnt

en steeds terugkomt.

Try to praise the mutilated world’ , Adam Zagajewski.
 Vertaling Gerard Rasch, in Mystiek voor Beginners, Meulenhoff



Try to Praise the Mutilated World
By Adam Zagajewski
Translated by Clare Cavanagh

Try to praise the mutilated world.
Remember June's long days,
and wild strawberries, drops of rosé wine.
The nettles that methodically overgrow
the abandoned homesteads of exiles.

You must praise the mutilated world.
You watched the stylish yachts and ships;
one of them had a long trip ahead of it,
while salty oblivion awaited others.
You've seen the refugees going nowhere,
you've heard the executioners sing joyfully.
You should praise the mutilated world.

Remember the moments when we were together
in a white room and the curtain fluttered.
Return in thought to the concert where music flared.

You gathered acorns in the park in autumn
and leaves eddied over the earth's scars.
Praise the mutilated world
and the gray feather a thrush lost,
and the gentle light that strays and vanishes
and returns.
 

Leg hem in je handen
de tijd
schrijven kan hij:
uitzweten ook,
of de dagen aftellen
of, terwijl je kind
je ogen bedekt
zalig blind
'Ah, vous dirais-je maman'
voor haar (hem) spelen.
12 variaties.
Twaalf prachtige vindplaatsen
voor voorbije
momentele
en toekomende
tijd.


Put it in your hands
the time
he can write:
sweat it out too,
or counting down the days
or, while your child
covers your eyes
blissfully blind
'Ah, vous dirais-je maman'
playing for her. (him)
12 variations.
Twelve beautiful finds
for past
present
and future
time.

Met de Ziel(s)-genoten



Landschap met vader
 
Languit ben je de heuvels
 geworden hier, de bruine
 hellingen met stoppels van struiken,
 de gladgewaaide breuken
 in je voorhoofd van grijze steen.
 Een okeren dorp in je wang.
 De olijfgaard in je handpalm
 groeit over je vingers heen.
 
 Nu is het een warm seizoen
 boven je voeten. Pluizige
 wolken dragen koelte
 aan voor de avond. Koerend
 verbergen slaperige duiven
 zich in de rand van je haar.
 
 Als de regen komt deze winter
 gaat je oog langzaam open:
 een klare vijver in de droge
 kom van de zomer. Kinderen
 spelend voorovergebogen
 kijken in je binnen.
 
 Wat een verbaasd landschap. Vast
 had je zelf ook niet gedacht
 dat je zo stil was.

Willem van Toorn
Twee Toscaanse gedichten
Afgelopen vrijdag, 31 mei 2024,  is schrijver, dichter en vertaler Willem van Toorn overleden. Hij werd 88 jaar. Dat meldt zijn uitgeverij Querido. Van Toorn, in 1935 geboren in Amsterdam, schreef in totaal ruim veertig romans, verhalenbundels, dichtbundels en essays.

Van Toorn vertaalde ook poëzie van Franco Loi en Cesare Pavese, en proza van Klaus Mann, Franz Kafka, Stefan Zweig, Christopher Isherwood, John Updike en E.L. Doctorow. Zijn eigen werk werd onder meer in het Italiaans, Duits, Engels en Afrikaans vertaald. (De Standaard)
Foto door Vlado Paunovic op Pexels.com

Ook wat niet ademt of wortelt, de zgn. ‘levenloze’ dingen een ziel toekennen, een eigenschap die (sommige) kinderen nog hebben, het bezielen van je knuffel, een gesprek met een stoel, een voor ons onzichtbaar speelkameraadje. Keer even terug naar je kleine kindertijd, probeer je te herinneren.

Van het Latijn 'animus', dat 'geest', of 'ziel', of 'leven' kan betekenen. De term werd verzonnen door Edward Burnett Tylor in 'Primitive Culture', uitgegeven in 1871. Animisme is het idee of de overtuiging dat alles ziel heeft. Een animist gelooft zowel in het bestaan van goede als in die van kwade geesten; geesten, die onder meer in bomen, dieren en gebruiksvoorwerpen kunnen huizen.


Animisme is geen religie op zich, maar maakt deel uit van bijna alle religies ter wereld. Elke religie gebruikt zijn eigen ritueel om de zielen, of geesten, gunstig te stemmen zoals het brengen van offers, een rituele dans of strikte (gemeenschaps)regels. Vooral in het sjamanisme komt animisme sterk aan bod.

Een groot aantal mythologische figuren zijn gebaseerd op animisme, zijnde: het geloof in zielen. In de moderne wereld komt een milde vorm van animisme voor in de filmindustrie, of in sprookjes, waar voorwerpen of dieren tot leven komen.

Kleuters hebben vaak een animistische houding ten opzichte van de wereld om hen heen, vooral in het geïndustrialiseerde deel van de wereld. Voor een kleuter kunnen bomen praten, wonen kabouters in paddenstoelen en kunnen dingen menselijke eigenschappen bezitten. Vanaf ongeveer 6 jaar krijgen kinderen een meer algemeen aanvaard beeld van hun leefwereld. (Spiritualia.be)
Foto door Karolina Grabowska op Pexels.com

Animisme is, binnen de kunstgeschiedenis, een stroming in de Vlaamse schilderkunst van de 20e eeuw

De animisten in de Vlaamse schilderkunst vormden geen echte school. De min of meer willekeurige benaming werd gebruikt door Paul Haesaerts, waarmee deze de houding en de esthetiek van enkele los van elkaar staande kunstenaars omschreef, die werkten tussen de twee wereldoorlogen.

Het ging daarbij onder meer om Henri-Victor WolvensAlbert Van DyckJozef Vinck. Deze kunstschilders reageerden op wat zij als een buitensporige ontwikkeling van het expressionisme aanvoelden, waarbij zij in opvatting en vorm het ‘menselijk-gevoelige’ voorop stelden. Deze kunstenaars richtten zich meer op het introspectieve dan het expressionisme. Poëtische gevoeligheid speelde daarbij een rol. (Wikipedia)

Twee kinderen in een landschap Albert Van Dyck ca 1944 Museum voor Schone Kunsten Gent

Kijk ook:

https://vlaamsekunstcollectie.be/makers/albert-van-dyck

TEAPOT WITH PERSIMMON FRUIT

Those afternoons when the phases of silence
grow longer than the shadows in winter,
that’s when we turn to the idea of still-life.   
 
The room becomes image, and everything in it,
through the open doors the onlooker fades away.
Light moves over the furniture, floors, and rests
on the teapot, the persimmon fruit on the plate,
fixes their contours flawlessly like glue.
It is writing a book about superfluous things.
 
In times when there was nothing going on, the old
Japanese masters would paint only the inanimate:
teacups and folding screens. That was enough.

Durs Grünbein
Paul Gaugain La Théière et les Fruits 1896


THEEPOT MET KAKIKLEURIG FRUIT

Die middagen waarop de fasen van stilte
langer worden dan de schaduwen in de winter,
dan grijpen we naar het idee van het stilleven.

De kamer wordt beeld, en alles wat zich erin bevindt,
door de open deuren vervaagt de toeschouwer.
Licht beweegt over de meubels, vloeren en rust
op de theepot, het kaki fruit op het bord,
en fixeert hun contouren feilloos als lijm.
Het is het schrijven van een boek over overbodige dingen.

In tijden dat er niets aan de hand was, schilderden de oude
Japanse meesters alleen het levenloze:
theekopjes en kamerschermen. Dat was genoeg.

Dürs Grunbein
One of Gauguin’s most treasured possessions was a painting by Cézanne, Still Life with Fruit Dish (1879–80, now Museum of Modern Art, New York ), which he emulates in this picture. Within a similarly compressed space, Gauguin substituted mangoes for Cézanne’s apples and a Tahitian-style printed cloth for a French floral wallpaper design. One significant departure is the human figure at the upper right, glimpsed through a door or window. The year after he completed this work, Gauguin’s finances were so dire that he arranged for the sale of his prized Cézanne.

Een van Gauguins dierbaarste bezittingen was een schilderij van Cézanne, Stilleven met fruitschaal (1879-80, nu Museum of Modern Art, New York), dat hij in dit schilderij heeft nagebootst. Binnen een vergelijkbaar gecomprimeerde ruimte verving Gauguin de appels van Cézanne door mango's en een bedrukte doek in Tahitiaanse stijl door een Frans bloemetjesbehang. Een belangrijke afwijking is de menselijke figuur rechtsboven, gezien door een deur of raam. Het jaar na voltooiing van dit werk waren Gauguin's financiën zo slecht dat hij zijn kostbare Cézanne liet verkopen.
Paul Cézanne Nature Morte au Compotier (MOMA)

Zielsgenoten’ zie je hier samenvloeien, geheel toevallig: het gedicht van Willem van Toorn over zijn overleden vader waarin de verstilling een resultaat is van een versmelting: vader en landschap vormen een ‘verbaasd’ landschap waarin de stilte duidelijk een teken is van die versmelting.
Een andere stilte ontstond door een groepje schilders, voornamelijk uit de Kempen die zich van het expressionisme afkeerden en met een eenvoud van portretteren hun stilte, hun innigheid wilden realiseren, een eenvoud die uitloopt in het schilderij van Gaugain, op zijn beurt een verwijzing naar Cézannes werk met gelijkaardige inhoud.

Een stilleven hoeft zich dus niet te beperken tot een compositie van voorwerpen maar kan ook een landschap voorstellen waarin de concentratie van een nieuwe aanwezigheid duidelijk wordt. Het zichtbaar maken van een ‘animus’, (vrouwelijk; anima) een ziel, de meest directe ervaring van een totale aanwezigheid. (zonder ons in de psychiatrie en aanverwante werelden te storten, mijn beperktheid is groot.). Heel dichtbij kom je als je een klein kind kunt observeren in een gesprek of handeling met pop of knuffel. Het geloof in de aanwezigheid van een ziel, nodig overigens om de eigen ziel te ontdekken. Indien mogelijk: herinner je.

Eigen foto Gmt

Kijk naar de trailer van de video van Antje Van Wichelen ‘Lost and Found’



Animatie, hier de levenloze dingen een ‘animus’ (ziel) geven in zijn mooiste betekenis.

‘Dit is een heel concreet verhaaltje van handschoenen die verloren zijn en in de stad ronddwalen. Het is iets heel tactiels, dat je zo echt met die materies bezig bent, ook al doordat die handschoentjes met hun vingertopjes alle materialen beroeren. Door met die materies bezig te zijn, door het licht dat anders is, doordat  de passerende mensen en auto’s vervaagd zijn en we specifiek niet hebben gefocust op de lichtreclames, krijg je een andere blik op de stad. Terwijl het eigenlijk een heel concrete, reële blik op de stad is.’ (MO) Hieronder zie je hem helemaal: 9′. 34″



A cold winter night in Brussels. Behind a hole in a wall, a woman lies suffering from the cold. Her shivering sounds attract the attention of the lost gloves of the city. They start on an adventurous journey.
The film was entirely shot at night in the city with no extra light; each photo had an aperture time between 4 and 12 seconds, shot with a very small diaphragma.
Tamara de Lempicka (1898-1980). Girl with gloves


Anima/animus

Carl Jung merkt op dat we tijdens het sociale kneden van de persona bepaalde masculiene en feminiene eigenschappen onderdrukken of benadrukken, afhankelijk van onze identificatie als man of vrouw. De anima vertegenwoordigt het vrouwelijke deel, terwijl de animus de mannelijke kant representeert. Het valt Jung op dat we de tegenpool van het deel dat wij ontwikkelen vaak de rug toe keren. Toch blijft dit aanwezig in het onbewuste. Zowel anima als animus weerspiegelen traditionele ideeën die wij hebben geërfd van vorige generaties en die zich kunnen ontwikkelen met de tijd en cultuur, zegt Carl Jung. (Filosofie Magazine)
'Dat ik dan toch blijf wachten
hier bij het poppenspel, en zo volledig toezie,
dat, om ten slotte aan mijn toezien tegenspel
te bieden, een Engel op moet komen, die de poppen
omhoog rukt. Engel en pop: dan is er eindelijk schouwspel.
Dan pas komt samen wat wij steeds, in ons bestaan,
gescheiden houden. Dan pas ontstaat
de kringloop van het eeuwig vernieuwen
uit onze jaargetijden. Boven ons uit
speelt dan de Engel.'

Rainer Maria Rilke, uit 'de 4de Elegie', vertaling Jelema en Blok
‘Hand of Rodin with a Female Figure’ – Auguste Rodin (French, 1840 – 1917), The National Gallery of Art
‘When I feel
like waiting in front of the puppet theatre, no,
rather gazing at it, so intently, that at last,
to balance my gaze, an Angel must come
and take part, dragging the puppets on high.
Angel and Doll: then there’s a play at last.
Then what we endlessly separate,
merely by being, comes together. Then at last
from our seasons here, the orbit
of all change emerges. Over and above us,
then, the Angel plays.’

Rainer Maria Rilke. The fourth Elegy Translated by A.A. Kline
‘Memorial Relief (Hand of a Child)’ – Auguste Rodin (French, 1840 – 1917), The Los Angeles County Museum of Art

In de zomer van 1903 vertelt Rilke aan Salomé hoe hij dit afgrondelijke van de jeugd zelf heeft ervaren. ‘Ver in mijn kindertijd kwamen onbeschrijfelijk grote angsten op. Alles veranderde en ik voelde mij uit de vertrouwde zinvolle en nabije wereld geperst, in een andere, onzekere, naamloze en bange omgeving. Het leek net of ik niemand zou herkennen en ook niemand herkende.’

“De poppen waar het kind een moment daarvoor nog naar hartenlust mee speelde, werden nu kapotgemaakt of gedumpt. Volgens Salomé zijn het zelfs vaak de meest geliefde poppen die hier het slachtoffer van worden. ‘De haat is eigenlijk niet zozeer tegen de pop gericht maar komt uit de angst voor zichzelf voort: geboorteangst en angst om verlaten te worden.’ Kinderen leggen zich met andere woorden niet zomaar bij de afzondering van de wereld neer, maar proberen met geweld hun oude wereld te behouden.”

(Joke J. Hermsen, Heimwee naar de mens, De Arbeiderspers Antwerpen Amsterdam 2003. p.119-120)

Bronzino. Ritrato di ragazzo. 1540-45

En, zucht de auteur, laat hij/zij/wij het verlorene terugvinden in zijn/haar/onze creatieve mogelijkheden of…in de liefde, vult Salomé aan. Zij wist waarover zij sprak. ‘Heimwee naar de mens’ van Joke J. Hermsen, ten zeerste aangeraden. Laten we mooie dingen (s)maken.

Tintoretto Wedstrijd tussen Apollo en Marsyas. (1545)

Leonardo Cremonini (1925-2010) ‘Gelaagdheid en contemplatie’

Zijn naam, Leonardo Cremonini was mij onbekend. Zijn werk intrigeerde mij. Dus ging ik op zoek. Met teksten en illustraties probeerde ik te ontdekken waarom zijn beelden mij aanspraken, emoties losmaakten die ik niet dadelijk kon verklaren. Ziehier dus mijn redactie waarin ik u als bezoek(st)er meeneem naar zijn kijk op de eeuw achter ons die in de 21ste uitliep. Een proeftuin voor nieuwe en gelaagde beelden die ons blijven inspireren, hoop ik, veertien jaar na zijn verdwijnen.

Leonardo Cremonini ‘De indiscrete zon.’

He studied at the Academy of Fine Arts in Bologna and at the end of the war, in 1945, he moved to Milan where he attended Brera Academy and met important figures in the Italian cultural scene. In 1951 he moves to Paris thanks to a bursary, where he installs his main residency. He lived for long periods abroad, in New York, where he exhibited extensively from 1952 to 1960, Florence, Andalusia, Normandy, and the isle of Panarea in Sicily. (Richard Saltoun)

Cremonini kan niet worden gedefinieerd als een impressionist, een surrealist, een metafysicus en andere categorieën van esthetische interpretatie die de late negentiende en het midden van de twintigste eeuw domineerden. Afgezien van de tactiek van de criticus, wiens belangrijkste vaardigheid over het algemeen is dat hij alles en het tegenovergestelde van alles weet te zeggen, was Cremonini juist in de jaren zestig en zeventig, waarin de neo-avant-gardes en hun derivaten woedden, een proeftuin voor interpretatie geworden. Een proeftuin vooral voor schrijvers, academici, filosofen, dichters, die in de picturale “tekst” de mogelijkheid vonden om zijn expressieve technieken opnieuw te evalueren, ver van installaties, deconstructieve experimentalismen, waarvan men in feite alles en het tegenovergestelde van alles kon zeggen. (Zechhi)


'Cremonini cannot be defined as an impressionist, a surrealist, a metaphysician and other categories of aesthetic interpretation that dominated the late nineteenth and mid-twentieth centuries. Beyond critics' tactics, whose main skill is generally knowing how to say everything and the opposite of everything, Cremonini had become a testing ground for interpretation precisely in those sixties and seventies in which the neo-avant-gardes and their derivatives raged. A testing ground especially for writers, academics, philosophers, poets, who in the pictorial "text" found the possibility of re-evaluating his expressive techniques, far from installations, deconstructive experimentalisms, of which, in fact, one could say everything and the opposite of everything.' (Prof. Zecchi)
DONNE ADDORMENTATE ALLA LUNA (Vrouwen ingeslapen bij de maan). 1955-56

Net als die van de Chirico hebben de scènes van Cremonini een zekere surrealistische kwaliteit. Maar waar de Chirico anachronisme en proto-postmodernistische combinaties van kunsthistorische beelden gebruikte om een gevoel van droomachtige plaatsloosheid te creëren, gebruikt Cremonini extreme, bijna perverse banaliteit om te suggereren dat er in zijn taferelen iets meer moet zijn, iets verborgen.

Leonardo Cremonini, I cavalli che urlano (Screaming Horses), 1954-1955, oil on canvas,

Er is een rauwheid, misschien zelfs gewelddadigheid, in de manier waarop voorwerpen worden rondgestrooid in Cremonini’s schilderijen, alsof ze surrogaten zijn die leven in plaats van de mensen die ze bezitten. Soms lijken schaduwen of handen van menselijke figuren die anders niet op de doeken te zien zijn op te doemen rond de objecten. In de heidense en christelijke tradities van Italië, en dus ook in de eeuwenlange kunst, kregen objecten de macht om een religieuze of individualistische betekenis over te brengen; in het werk van Cremonini worden ze gebruikt als een plaatshouder voor de menselijke geest en een dirigent die geladen is met het bizarre mysterie van het bestaan. (Sarah E. Fensom)

Terminus ante quem

Like de Chirico’s, Cremonini’s scenes bear a certain surrealistic quality. But where de Chirico used anachronism and proto-postmodernist combinations of art-historical imagery to create a sense of dreamlike placelessness, Cremonini uses extreme—almost perverse—banality to suggest that there must be something more, something hidden, within his tableaux. His scenes, which picture shirts draped on the backs of chairs, sheets rumpled on beds, pairs of glasses left on tables, showcase the detritus of everyday life. There is a crudeness, perhaps even a violence, to the way objects are strewn about in Cremonini’s paintings, as if they were surrogates living in place of the people who own them. At times shadows or hands of human figures that are otherwise unseen in the canvases seem to loom around the objects. In Italy’s pagan and Christian traditions, and thus in centuries’ worth of its art, objects were given power to communicate religious or individualistic significance; in Cremonini’s work they are used as a placeholder for the human spirit and a conductor charged with the bizarre mystery of existence. (Sarah E. Fensom)

Le Indiscretions d’ une chambre
Untitled

Leonardo Cremonini (1925-2010) was een van de belangrijkste Italiaanse kunstenaars van de late 20e eeuw. De Britse schilder Francis Bacon, een vroege en scherpzinnige bewonderaar, stelde voor de dichter W.H. Auden te vragen om over zijn werk te schrijven. Italiaanse filosoof en cultuurcritici Italo Calvino, Umberto Eco, Alberto Moravia, en Vittorio Sgarbi, en vele anderen, schreven lyrische waarderingen over het werk van de kunstenaar. De laatste waardering kreeg de vorm van een overlijdensbericht gepubliceerd in 2010. Hoewel Cremonini’s bekendheid op dat moment was afgenomen, noemde Sgarbi hem een van de grote figuren in de boog van de Italiaanse schilderkunst en die lofprijzing ging gepaard met een reprimande aan het adres van het establishment in de kunstwereld voor het niet toekennen aan Cremonini van de erkenning die hem toekwam, zowel in zijn latere leven als bij en na zijn dood.

De oervormen, versteende vormen (menselijk en geologisch), donkere, ongetemde beesten, en overdadig gebladerte die kenmerkend zijn voor zijn schilderijen uit de jaren 1950, en de etherische, verstrooide figuren in treinwagons, slaapkamers en terrassen onder een zwoel mediterrane licht die in de jaren 1960 beginnen te verschijnen zijn onmiddellijk herkenbaar. Hoewel zijn stilistische idioom deze diepgaande verschuiving ondergaat, is Cremonini’s meesterlijk en nauwgezet vakmanschap onwrikbaar, net als, vanaf de jaren 1960 de zorgvuldige gelaagdheid en het schrapen van verflagen, en de resulterende gladde, weefselachtige oppervlakken die de bewerkte techniek ontkennen. Contemplatie en overleg, eerder dan snelheid vormen de essentie van Cremonini’s techniek en voorstellingen. (Linda Wolk-Simon)

La Peau et la Pierre, 2005

Volgens Dino Buzzati had zijn schilderkunst het vermogen om die momenten te reconstrueren die in ieders leven, ondanks hun ogenschijnlijke alledaagsheid of banaliteit, de betekenis van een heel bestaan bevatten. Umberto Eco noemde hem “schilder van schrijvers”, waarmee hij het vermogen van de schilder onderstreepte om de werkelijkheid te epifaniseren en tegelijkertijd van de kijker de unieke protagonist van die epifanie te maken, haar als de zijne te maken, haar terug te brengen in de beslotenheid van zijn eigen geheugen, van zijn eigen ervaring.
Dingen, objecten, menselijke figuren die net zijn geschetst, segmenten en geometrische vlakken vormen de visuele tekst waarin Cremonini een ideale wereld uitdrukt waarin de herinnering wordt gevangen door de spiegels, de ruiten en de rechte lijnen van de lege muren.

OBSTACLES, PARCOURS ET REFLETS
1975 -1976
TEMPERA AND OIL ON CANVAS

Alle spalle del desiderio (Behind the Desire), 1966



His father was a railway employee who had a tenacious penchant for painting. When Leonardo was 10, his father was transferred to Calabria, and the dazzling light of the south made a lasting impression on the boy.

In time he studied at the School of Fine Arts of his native Bologna and, at the age of 26 he obtained a grant that allowed him to go to Paris, where he settled and, much later, taught at the Académie des Beaux-Arts.

The view of the world proposed in Cremonini’s paintings is an oddly distanced one, as though everything were seen through the eyes of an observant but emotionally deprived child. It is this very remoteness that eliminates the familiar and merely picturesque connotations of the subject matter, and tends to turn each painting, no matter how innocuous its apparent theme, into a nagging but oddly seductive existential question.

(Michael Gibson. Internationa Herald Tribune April 1, 1995)

GIOCHI SENZA REGOLE 1964

De kijk op de wereld die Cremonini in zijn schilderijen voorstelt is een vreemde afstandelijkheid, alsof alles wordt gezien door de ogen van een oplettend maar emotioneel achtergesteld kind. Het is juist deze afstand die de vertrouwde en louter pittoreske connotaties van het onderwerp wegneemt en elk schilderij, hoe onschuldig het ogenschijnlijke thema ook is, tot een knagende maar vreemd genoeg verleidelijke existentiële vraag maakt.
Je zou kunnen veronderstellen dat de beslissing om alleen de locaties en bevolking van het vakantieseizoen weer te geven, is ingegeven door de wens om elke vorm van sociale indicator te elimineren en een beeld van ervaring te presenteren dat is gereduceerd – of verheven – tot zijn essentie door het enkele feit dat het wordt gepresenteerd in het aparte en quasi-heilige rijk van vakantie vieren. (ibidem)

Hierin bereikt Cremonini iets wat mindere kunstenaars hebben geprobeerd door een algemene stilering die hedendaagse referenties elimineert. Dit is iets wat hij vermijdt: auto’s, bikini’s en snorkels verschijnen in zijn schilderijen en ze zien er net zo hiëratisch en tijdloos uit als de gebouwen of de figuren.

De aanwezigheid van kinderen in deze setting suggereert dat de kijk van het kind op deze wereld de relevante is – en de vakantiescènes doen sommigen van ons misschien denken aan de eigenaardige, ritueel doelgerichte ordening van activiteiten tijdens de feestdagen, strikt geordend rond de verplichtingen van eten, slapen en baden. (ibidem)

Maar (een kind is altijd geneigd te denken) de echt belangrijke dingen zijn die dingen die op de een of andere manier tevoorschijn komen in de kleine spleten van de tijd tussen deze goed geregelde activiteiten. En het is in deze spleten dat hij voortdurend ontsnapt terwijl hij zich vergaapt aan de raadselachtige realiteit van volwassen lichamen, of de tijd en het licht die over de tijdloze zee gaan, of zelfs de vreemde en plechtige parafernalia die vakantiegangers meenemen naar het strand: duikmaskers, zwempakken, tassen en oliën en parasols. (Michael Gibson, International Herald Tribune)

Les temps libres 198°/82

Een mooie brochure in pdf met extra grote afbeeldingen kun je hier bezoeken:

I knew Cremonini well. He was a proud man, sure of himself and sure of what makes up quality in the art world. He had occasion to submit to the superficial envelopes which the art world espouses every now and again, but nothing which might not reflect his views and imagination was acceptable. Once, early in his career, he was solicited by a famous gallery owner in New York who had noticed his work in Italy and proposed to represent him in New York. Cremonini accepted, and the two were about to sign a contract when the gallery owner asked him how many paintings he could do each year. Cremonini explained that the maximum he could get done was five or six. “That won’t do at all,” said the gallery owner. “I need at least double that amount to make it worthwhile entering the marketplace.” Cremonini told me that story – exclaiming to the man that he should sell varieties of socks rather than art works.

bij de mooie muziek van Shostakovich, prelude en fugue nr 22

Il bagno tra gli scogli 1987

De koele kleuren, zorgvuldig aangebracht in brede, rechte banen, vlekken en druppels, creëren een op zichzelf staande, bijna abstracte ordening op het doek. Maar de hardnekkige continuïteit in de onderwerpen door de jaren heen rechtvaardigt de aangename notie die Régis Debray in de catalogus formuleert: schilderen, verklaart hij, is “un muet qui fait causer” – een stomme die anderen aanzet tot praten.

Famille a Lembarcatio

Rubin, standing at the beginning of the current of art criticism devoted to Cremonini’s work, articulated the fundamental idea that his canvases embody a “spirit of timeless monumentality.” Sgarbi, lamenting what he considered to be the confounding demise of that critical attention, anointed him “the painter of interior light.” Bracketing Cremonini’s career, those acute characterizations capture the ethos of his poetic style and haunting,  nigmatic imagery – his arid, light-filled, silent interiors, rendered according to careful perspectival grids; the anemic, psychologically distant and emotionally isolated, inscrutable figures;

Rubin, die aan het begin stond van de kunstkritiek die aan het werk van Cremonini was gewijd, verwoordde het fundamentele idee dat zijn doeken een “geest van tijdloze monumentaliteit” belichamen. Sgarbi, die betreurde wat hij beschouwde als de verwarrende teloorgang van die kritische aandacht, zalfde hem “de schilder van het binnenlicht”. Deze scherpe karakteriseringen, die Cremonini’s carrière omkaderen, vangen het ethos van zijn poëtische stijl en spookachtige, onduidelijke beeldtaal – zijn dorre, met licht gevulde, stille interieurs, weergegeven volgens zorgvuldige perspectivische rasters; de anemische, psychologisch verre en emotioneel geïsoleerde, ondoorgrondelijke figuren;

Het einde van het spelen bij avond

Leonardo Cremonini:

“De kijker maakt het schilderij, op voorwaarde dat het beeld niet overheerst. Als dat wel zo is, is het schilderij anekdotisch en doet de kijker niets; hij herkent het gewoon. Maar als het beeld geïntegreerd is in een psychische complexiteit, moet de kijker deel uitmaken van het schilderij. Zonder deze complexiteit van het lezen, blijven we in het rijk van de illustratie. Zolang de kijker niets te doen heeft, speelt zijn of haar verlangen geen rol. Het is net als met een tekst. Als je je krant leest, heeft de lezer er niets mee te maken.”

(Uit een interview met Régis Debray)

Bij ‘L’ Atelier du Contemporain verscheen dit jaar een fraai album als een bundel waarin schrijver Marc Le Bot de schilder bevraagt, verlucht met zeer mooie afbeeldingen van zijn werk. (334 pagina’s)

In deze bundel, die hem het eerste en het laatste woord geeft (drie teksten zijn van zijn hand, de andere drie zijn geschreven dialogen), begint de schrijver vanaf het begin aan een pad dat de schilder zelf terug lijkt te leiden naar het hart van zijn eigen schilderij van Cremonini. Hij roept beelden en concepten op die de ander opneemt, bijstelt en uitbreidt om ze vervolgens aan hem terug te geven en weer terug te krijgen, enzovoort, in een fusionele uitwisseling die grenst aan het gloeiende in “Les Parenthèses du regard”, een tekst die in 1979 voor het eerst in boekvorm verscheen.

De regels en het spel, het Apollinische en het Dionysische, strengheid en verlangen, het labyrint en de Minotaurus… zoveel dialectische elementen die uit de dialoog naar voren komen om de lezer niet een leessleutel te bieden, maar een middel om op zijn beurt deze schilderijen te ‘spelen’ die de schilder “een ruimte van tegenstrijdigheid en conflict” wilde laten zijn, “een risico dat genomen moet worden”. Het boek is verrijkt met een overvloed aan illustraties en opent met een voorwoord van Germain Viatte, die de ontwikkeling en de kritische ontvangst van Cremonini’s werk in perspectief plaatst. (35 euro verkrijgbaar bij Amazon Belgie)

Voorlezen en verbeelding (Reading aloud and imagination)

Jales Jebusa Shannon (1862-1923) ‘Jungle Tales’ 1895

Shannon studied in London during the 1880s and remained there, enjoying success as a society portraitist and figure painter. (In 1922 he renounced his United States citizenship in order to accept a knighthood.)
"Jungle Tales" portrays the artist’s wife reading to their daughter, Kitty, shown in profile, and another child. The painting’s title and date and its London origin suggest that the little group is captivated by Rudyard Kipling’s Jungle Book, which had appeared in 1894. The intensely realistic faces contrast with the decorative patterns of the dottedmuslin and lace costumes and the elaborate design on the brilliant blue backdrop.

Mother and Child (Lady Shannon and Kitty)-1929

And Yet the Books

And yet the books will be there on the shelves, separate beings,
That appeared once, still wet
As shining chestnuts under a tree in autumn,
And, touched, coddled, began to live
In spite of fires on the horizon, castles blown up,
Tribes on the march, planets in motion.
“We are,” they said, even as their pages
Were being torn out, or a buzzing flame
Licked away their letters. So much more durable
Than we are, whose frail warmth
Cools down with memory, disperses, perishes.
I imagine the earth when I am no more:
Nothing happens, no loss, it’s still a strange pageant,
Women’s dresses, dewy lilacs, a song in the valley.
Yet the books will be there on the shelves, well born,
Derived from people, but also from radiance, heights.
Berkeley, 1986
Czeslaw Milosz, translated by Czeslaw Milosz and Robert Haas

Reading Aloud by Hanna Hirsch-Pauli, public domain

En toch de boeken


En toch zullen de boeken daar op de planken staan, aparte wezens,
Die ooit verschenen, nog nat
Als glanzende kastanjes onder een boom in de herfst,
En, aangeraakt, vertroeteld, begonnen te leven
Ondanks branden aan de horizon, opgeblazen kastelen,
Stammen in opmars, planeten in beweging.
"Wij zijn," zeiden ze, zelfs als hun pagina's
werden uitgescheurd, of een zoemende vlam
hun letters weglikte, zoveel duurzamer
Dan wij, wiens broze warmte
Afkoelt met de herinnering, zich verspreidt, vergaat.
Ik stel me de aarde voor als ik er niet meer ben:
Er gebeurt niets, geen verlies, het blijft een vreemd schouwspel,
Vrouwenjurken, bedauwde seringen, een lied in de vallei.
Toch zullen de boeken daar op de planken staan, welgeboren,
Van mensen afgeleid, maar ook van uitstraling, hoogten.
William Oliphant Hutchison. (1889-1970). Reading Aloud, Margery and the Boys (The Fleming Collection)

En neen, er moeten niet altijd ‘prentjes’ in, hoe fraai en inspirerend ook. Kijk maar. De begeleidende tovenaar echter..

“Reading aloud recaptures the physicality of words. To read with your lungs and diaphragm, with your tongue and lips, is very different than reading with your eyes alone. The language becomes a part of the body, which is why there is always a curious tenderness, almost an erotic quality, in those 18th- and 19th-century literary scenes where a book is being read aloud in mixed company. The words are not mere words. They are the breath and mind, perhaps even the soul, of the person who is reading.

No one understood this better than Jane Austen. One of the late turning points in “Mansfield Park” comes when Henry Crawford picks up a volume of Shakespeare, “which had the air of being very recently closed,” and begins to read aloud to the young Bertrams and their cousin, Fanny Price. Fanny discovers in Crawford’s reading “a variety of excellence beyond what she had ever met with.” And yet his ability to do every part “with equal beauty” is a clear sign to us, if not entirely to Fanny, of his superficiality.”

Verlyn Klinkenborg. The New York Times. May 16, 2009

Albert Anker Voorlezen voor opa

Hardop lezen brengt de lichamelijkheid van woorden terug. Lezen met je longen en middenrif, met je tong en lippen, is heel anders dan lezen met je ogen alleen. De taal wordt een deel van het lichaam en daarom is er altijd een merkwaardige tederheid, bijna een erotische kwaliteit, in die 18e- en 19e-eeuwse literaire scènes waarin een boek wordt voorgelezen in gemengd gezelschap. De woorden zijn niet louter woorden. Ze zijn de adem en de geest, misschien zelfs de ziel, van de persoon die aan het lezen is.

Niemand begreep dit beter dan Jane Austen. Een van de late keerpunten in Mansfield Park is wanneer Henry Crawford een boek van Shakespeare oppakt, “dat eruit zag alsof het zeer recentelijk was gesloten”, en hardop begint voor te lezen aan de jonge Bertrams en hun nichtje Fanny Price. Fanny ontdekt in Crawfords voordracht “een variëteit van uitmuntendheid die ze nog nooit had gezien”. En toch is zijn vermogen om elk deel “met gelijke schoonheid” te doen voor ons een duidelijk teken, zo niet helemaal voor Fanny, van zijn oppervlakkigheid.

Verlyn Klinkenborg. The New York Times. May 16, 2009

Moritz Unna Denemarken ‘A Schoolmaster Reading Aloud a Letter to an Old Couple from Their Son Abroad

De voortreffelijke voorlezer-verteller is bijna uitgestorven. Lezers nemen gretig bezit van een verhaal, je hoort ze gniffelen of zuchten, ze schudden wel eens het moeë hoofd, maar de zeldzame voorlezer-verteller is als een volleerde schenker bereid tot meedelen. Een goede voorlezer houdt van stilte. Hij of zij begint met een leeg theater waar niet alleen de personages maar ook de luisteraar(s) thuis horen. De voorlezer wacht geduldig, kijkt over het boek naar de luisteraars en geeft dan enkele zinnen prijs en zwijgt nog ietsje langer. Dat is een techniek die ‘in de lucht hangen’ heet. Er hangt bijvoorbeeld spanning in de lucht of een raadsel, ook een niet gehouden belofte of een afgesproken handeling. Hij bundelt die onzekerheid met een slecht karakter, een nog onduidelijk gevaar en zwijgt weer even. Tijd voor de mengeling van ingrediënten. Bekwame voorlezers kiezen dan voor de onverwachte hoek, ongeschoolden doen het door met de deur in huis te vallen of moeten het van bliksemschichten en monstergegrol hebben.

Volleerde voorlezers slagen er zelfs in het middelmatige boek te verlaten en het eerder flauwe verhaal tot een heus raadselachtig sprookje om te bouwen.
Toen ik als kind mijn voorleesboeken terugvond, leken het onbekende slappe aftreksels van wat diep in mijn geheugen door de vertellende opa geborgen was.

De voortreffelijke voorlezer laat zich leiden. Niet dat hij op de verwachtingen en goedkope voorstellen van de luisterenden ingaat. Integendeel. Je laten leiden is net het tegenovergestelde van het verwachte debiteren. Op het juiste moment. Voorlezers die dat doen zijn later in menig politiek halfrond terug te vinden. Diep in elke luisteraar is het gemene knulletje thuis. Het ventje denkt op voorhand de afloop van elk verhaal te kennen, en na driehonderd sessies is dat ook niet verwonderlijk. Maar de goede voorlezer geeft er telkens een ferme draai aan. Niet te bruut, integendeel. Het gemene is meestal erg verzorgd. De voorlezer mag dus best zijn afkeuring laten horen maar een grammetje of tien gegniffel om de held die met de smoel in het vervuilde slotwater valt kan zeker nog door de spreekwoordelijke beugel.

Het zal je dus niet verwonderen dat ik na de dood van de heerlijke vertellende opa jaargangen van de Kempische Kippenkweker heb gevonden waar hij prachtige verhalen van had gemaakt die voortdurend van inhoud waren veranderd. De kennis van de succesvolle rassen, de Leghorn en Blue de Landes, heb ik pas op latere leeftijd ontdekt. Net op tijd om een kippenhokje te bouwen en mij van voedzame eieren en vlees te voorzien. Stel je voor dat het oorlog zou worden.

Padua-hen (kun je als schrijver niet bedenken!)

The exquisite read-aloud narrator is almost extinct. Readers eagerly take possession of a story, you can hear them chuckle or sigh, they sometimes shake their tired heads, but the rare pre-reader-teller is ready to share like a consummate giver. A good pre-reader loves silence. He or she starts with an empty theatre where not only the characters but also the listener(s) belong. The pre-reader waits patiently, looks across the book at the listeners and then reveals a few sentences and remains silent a little longer. This is a technique called ‘hanging in the air’. There is tension in the air, for example, or a riddle, also an unkept promise or an agreed action. He bundles that uncertainty with a bad character, a still unclear danger and shuts up again for a while. Time for the mixture of ingredients. Skilled readers then opt for the unexpected angle, unskilled ones do it by being straightforward or have to make do with lightning bolts and monster snarls.

Perfect read-alouds even manage to leave the mediocre book and turn the rather bland story into a real enigmatic fairy tale.
When I retrieved my read-aloud books as a child, they seemed to be unfamiliar bland excerpts of what had been salvaged deep in my memory by the narrating grandfather. Therefore, hide the children’s books you read aloud to avoid trauma and today’s abundant backpacks.

The exquisite pre-reader allows himself to be guided. Not that he acts on the expectations and cheap suggestions of the listeners. On the contrary. Being led is just the opposite of expected debating. At the right time. Readers who do that can later be found in many political arenas. Deep inside every listener is the mean little lad at home. The little guy thinks he knows the outcome of every story in advance, and after three hundred sessions, this is not surprising. But the good pre-reader gives it a firm twist every time. Not too brutal, on the contrary. The nastiness is usually very neat. So the reader may well voice his disapproval but an ounce or ten of chuckle at the hero falling with his mug in the polluted final water can certainly still pass the proverbial test.

So it won’t surprise you to learn that after the death of the delightful storytelling grandfather, I found annual issues of the ‘Kempische Kippenkweker'(Kempen chicken grower) from which he had produced wonderful stories that had constantly changed content. I only discovered the knowledge of the successful breeds, the Leghorn and Blue de Landes, later in life. Just in time to build a chicken coop and provide me with nutritious eggs and meat. Imagine if it went to war.

Gmt (Thank you DeepL)

‘Cautiously Optistic’ (or Chicken|Man) Ron Mueck

Vliegers in de voorjaarslucht

Foto door Quang Nguyen Vinh op Pexels.com


Wat ik zou willen kunnen, zei je mij, en nog niet kan, is dichter bij het licht komen. Kijk, het is de duiven gegeven, de musjes zelfs, en ook de kleinste vliegjes verlaten moeiteloos de aarde. Waarom zijn wij zo zwaar?

In het moderne tijdperk is ‘kunst’ een van de meest actieve metaforen voor het spirituele project. De activiteiten van de schilder, de musicus, de dichter en de danser zijn, toen ze eenmaal samengebracht waren onder die generieke naam (een relatief recente stap), een bijzonder geschikte plek gebleken om de formele drama’s die het bewustzijn teisteren op te voeren, waarbij elk individueel kunstwerk een meer of minder scherpzinnig paradigma is om deze tegenstellingen te reguleren of te verzoenen. Natuurlijk moet de site voortdurend worden opgeknapt. Welk doel er ook voor de kunst wordt gesteld, uiteindelijk blijkt het beperkend te zijn, afgezet tegen de breedste doelen van het bewustzijn. Kunst, zelf een vorm van mystificatie, ondergaat een opeenvolging van demystificatiecrises; oudere artistieke doelen worden aangevallen en ogenschijnlijk vervangen; verouderde kaarten van het bewustzijn worden hertekend. (Susan Sonntag)

In the modern era, one of the most active metaphors for the spiritual project is “art.” The activities of the painter, the musician, the poet, the dancer, once they were grouped together under that generic name (a relatively recent move), have proved a particularly adaptable site on which to stage the formal dramas besetting consciousness, each individual work of art being a more or less astute paradigm for regulating or reconciling these contradictions. Of course, the site needs continual refurbishing. Whatever goal is set for art eventually proves restrictive, matched against the widest goals of consciousness. Art, itself a form of mystification, endures a succession of crises of demystification; older artistic goals are assailed and, ostensibly, replaced; outworn maps of consciousness are redrawn. (Susan Sonntag)
Foto door Quang Nguyen Vinh op Pexels.com
DE VLIEGERS
Het zijn de zielen die je ter aarde bestelt
en de lichamen die ten hemel stijgen
verpakt in hun armzalige houten maatkostuum.
Zo zie je wel eens doodskisten
als grote vliegers door de lucht zweven

(waar ’s nachts verbluft de honden tegen blaffen).

© Vertaling: 2007, John Fenoghen
André Schmitz
Belgie 1929

Foto door Jozef Fehu00e9r op Pexels.com

Draak
 
Ik was de meeuw, ik hing
 aan het touwtje van een jongen,
 die in De Panne van op 't strand,
 mijn vleugeling hield in de hand
 en langs de draad een boodschap zond
 omhoog en 't antwoord niet verstond
 omdat de wind het zelf wou horen.
 
 Gedrieën zijn ze in zee gesprongen,
 Met wind en al, een buiteling,
 De meeuw had beet, een sprieteling,
 de vlieger ging voorgoed verloren.
 
 Ik was de draak, ik was de jongen,
 die heb ik niet teruggevonden,
 het was zijn moeder die hem vond.
 't Touw had zich rond zijn pols gewonden.
 
 Ik ben 't die 't liedje heb gezongen.
 
 uit: Kornoeljebloed. Gedichten (2000)
Hubert van Herreweghen
Foto door Ketan Shekhar op Pexels.com
If I Must Die

If I must die,
you must live
to tell my story
to sell my things
to buy a piece of cloth
and some strings,
(make it white with a long tail)
so that a child, somewhere in Gaza
while looking heaven in the eye
awaiting his dad who left in a blaze —
and bid no one farewell
not even to his flesh
not even to himself —
sees the kite, my kite you made, flying up above,
and thinks for a moment an angel is there
bringing back love.
If I must die
let it bring hope,
let it be a story.
Refaat Alareer (1979–2023) was a professor of world literature and creative writing at the Islamic University of Gaza and the editor of Gaza Writes Back: Short Stories from Young Writers in Gaza, Palestine (2013). He was killed by an IDF airstrike on December 6, 2023, along with his brother, nephew, his sister, and three of her children.

What I would like to be able to do, you told me, and cannot yet do, is get closer to the light. Look, it is given to the pigeons, the sparrows even, and even the smallest flies leave the earth effortlessly. Why are we so heavy?

Saeed Ashraf bought this kite for himself and his younger brother, Murad [Ruwaida Amer/Al Jazeera]

Kleine recepten voor de kortste dagen (2): mistige mysterieuze maanden

Foto door Trace Hudson

‘We kunnen ons verbergen, Jonathan, en wachten tot de mist optrekt.’
‘Ben jij een ridder, Johan of een schijtluis?’
‘Liever een levende schijtluis dan een dode ridder!’
‘Bon. Dan ga ik alleen naar het kasteel.’
‘Grapje, Johan. Maar…je ziet geen hand voor je ogen!’
‘Ik hoef geen hand te zien. Dit zwaard wil een kop!’
‘Daar gaan we dan. Open de poort. Blaas de trompetten.’
‘Geen getoet. Dit is een geheime missie. Daar gaan we.’

Op de achtergrond roept iemand: vergeet je lunchdoos niet!


'We can hide, Jonathan, and wait for the fog to lift.'
'Are you a knight, Johan, or a shit louse?'
'Better a live shit louse than a dead knight!'
'Bon. Then I'll go to the castle alone.'
'Just kidding, Johan. But...you can't see a hand in front of your eyes!'
'I don't need to see a hand. This sword wants a head!'
'There we go, then. Open the gate. Blow the trumpets.'
'No tooting. This is a secret mission. Here we go.'

In the background, someone shouts: don't forget your lunch box!
Foto door Quang Nguyen Vinh

Herinner je.
De twee ridders zijn in dit tafereel tien, elf jaar, op weg naar hun school in een kleine provinciestad (1954). De school ligt (nog steeds) dichtbij een groot jachtslot van de Brabantse hertogen, door water omgeven. Het is december. Dikke morgenmist. Vrieskoud. Een schimmige wereld. Herinner je.

Remember.
In this scene, the two knights are 10-11 years old, on their way to their school in a small provincial town (1954). The school is (still) near a large hunting lodge of the dukes of Brabant, surrounded by water. It is December. Thick morning fog. Freezing cold. A shadowy world.
Remember.


"Mistig. Plotseling zijn we de controle over onze wereld kwijt. Toen ik vanochtend voor zonsopgang naar buiten ging, was de november-duisternis vervangen door iets bijna tastbaars. De lucht was ingevallen. Het was alsof ik door een wolk fietste: een nevel van microregen, het weer manifest gemaakt. Hoe ongemakkelijk dit "weergebeuren" (zoals we het waarschijnlijk moeten noemen) ook is, er is iets heerlijks, wonderlijks transcendent aan het idee dat de elementen onze wereld zo volledig kunnen overnemen. Ik betwijfel of iemand die op het opstijgen van zijn vliegtuig staat te wachten het daarmee eens is, maar er schuilt schoonheid in dit ongeziene herfstbezoek, een gevoel van mysterie dat terugreikt tot in ons collectieve verleden."
(Philip Hoare The Guardian)

“Fog-bound. Suddenly, we have lost control of our world. This morning when I ventured out, before dawn, the November darkness had been replaced by something almost tangible. The sky had fallen in. Cycling was like riding through a cloud: a mist of micro-rain, weather made manifest. As inconvenient as this “weather event” (as I suppose we must call it) is, there is something gloriously, wondrously transcendent in the notion that the elements could so utterly take over our world. I doubt that anyone waiting for their plane to take off would agree, but there is beauty in this unseeing autumnal visitation, a sense of mystery which reaches back into our collective past.” (Philip Hoare. The Guardian)

Foto door Alex Fu

As a child and also as a slightly older child, I found and still find fog mysterious to use an obvious pun. You could recreate the environment in your imagination. The high walls of the Clarissen convent became an impregnable fortress, the streets escaped time, people disappeared in hasty shadows, bushes and hedges seemed to be on the loose, every depth hid dangers, every horizon was closed off from the whole by a light but impenetrable yet hazy curtain. Dimensions took on new meaning.

Als kind en ook als iets ouder kind vond en vind ik mist nog altijd mysterieus om een voor de hand liggende woordspeling te gebruiken. Je kon in je verbeelding de omgeving herscheppen. De hoge muren van het clarissenklooster werden een oninneembare vesting, de straten ontsnapten aan de tijd, de mensen verdwenen in haastige schimmen; struiken en hagen leken los te lopen, elke diepte verborg gevaren, elke einder was door een licht maar ondoordringbaar en toch wazig gordijn afgesloten van het geheel. Dimensies kregen een nieuwe invulling.

Foto door Chanita Sykes

Maybe not to be is to be without you being,
without you cutting through the midday
like a blue flower, without you walking
later through the fog and the bricks,

without that light you carry in your hand
that maybe others won't see golden,
that perhaps no one knew it grew
like the red origin of the rose,

without you being, in the end, without you coming
abrupt, inciting, to know my life,
a gust of rosebush, wheat of the wind,

and since then I am because you are,
and since then you are, I am and we are,
and for love I will be, you will be, we will be.


Pablo Neruda Soneto LXIX (Tal vez no ser es ser sin que tu seas)
Foto door Johannes Plenio

Misschien is er niet zijn zonder dat jij er bent,
zonder dat jij het middaglicht snijdt
als een blauwe bloem, zonder dat jij loopt
later door mist en stenen,

zonder het licht dat je in je hand draagt
dat anderen misschien niet als goud zien,
dat misschien niemand geloofde dat het groeide
als de rode oorsprong van de roos,

zonder dat jij bent, op het einde, zonder dat jij komt
abrupt, inspirerend, om mijn leven te kennen,
een vlaag van de rozenstruik, tarwe van de wind,

en sindsdien ben ik omdat jij bent,
en sindsdien ben jij, ben ik en zijn wij,
en uit liefde zal ik zijn, zal jij zijn, zullen wij zijn.

Pablo Neruda
Foto door Nici Gottstein

Het is tenslotte een mooi beeld: door het mistige kun je op zoek gaan naar de helderheid van het ware: het ontdoen van overbodigheid, valse schijn en verdorrende angsten. In de zachtheid van de mist is de kern van de helderheid aanwezig, worden wellicht essenties zichtbaar.

After all, it is a beautiful image: through the foggy you can look for the clarity of the true: stripping it of superfluity, false appearances and withering fears.  In the softness of the fog, the core of clarity is present, perhaps essences become visible.
Foto door Johannes Plenio

Tal vez no ser es ser sin que tú seas,
sin que vayas cortando el mediodía
como una flor azul, sin que camines
más tarde por la niebla y los ladrillos,

sin esa luz que llevas en la mano
que tal vez otros no verán dorada,
que tal vez nadie supo que crecía
como el origen rojo de la rosa,

sin que seas, en fin, sin que vinieras
brusca, incitante, a conocer mi vida,
ráfaga de rosal, trigo del viento,

y desde entonces soy porque tú eres,
y desde entonces eres, soy y somos,
y por amor seré, serás, seremos.

Pablo Neruda Soneto LXIX (Tal vez no ser es ser sin que tu seas)

Foto door Pixabay

“De Boletus-satanas”, een vervolgverhaal (2)

Wil je graag aansluiten bij onze eerste aflevering?  Dat kan.  Klik hier onder om de eerste aflevering nog even door te nemen voor je aan de tweede begint.

Stel je voor dat ze bestaan, dat is ongeveer de teneur van het geloof in kabouters. In Nederland was er in de zestig-zeventiger jaren een politieke verzameling met die naam; kinderen kun je blijkbaar stilhouden met allerlei vertellingen daaromtrent, terwijl het in werkelijkheid wel eens nare mannetjes (vrouwtjes) zouden zijn. Het feit dat ze miniatuurtjes van de alledaagse mens zijn maakt hen tegelijkertijd aantrekkelijk en roept wantrouwen op. Wij in het klein? Waarom vergroten we dan vooral onze eigen lastige kanten in een vertederende verkleining?

Vroeger liet de boer een pan spek op het veld, naast paard en ploeg. ’s Morgens was de pan leeg en het veld geploegd. Menselijk al te menselijk?
(tenzij je in paarden gelooft die het voor een pan spek doen natuurlijk.)
In sprookjes doen ze hand- en spandiensten, maar ze schrikken ook niet terug voor allerlei plagerijen. Als ‘aardmannetjes’ staan ze dicht bij de natuur, maar gezien onze bestemming in dezelfde materie te vinden is en zij makkelijk twee-driehonderd jaar zouden worden, ligt onze verbinding eerder bij tegelijkertijd warm- en koud blazen dan in een broederlijke hartelijkheid. Of is de kabouter er vooral om in hem te geloven, schreef Paul Biegel.
Het meisje Madelief in het verhaal ‘Het wolkenschip’ zegt het nog eens glashelder: ‘Echte toverdingen gebeuren alleen maar als niemand het ziet. Daarom gelooft niemand dat ze bestaan.’

“Misschien is hij de tegenpool van alles wat je met je verstand kunt beredeneren, van wat je leert op school, waar de schrijver evenmin een gelukkig mens geweest is.” (Bregje Boonstra over Paul Biegel)
Nisse (gnome)’. Un gnome, tel que je l’ai vu dans mon jardin. Il m’a laissé quelques secondes pour le dessiner (vous me croyez ?).

Godfried Bomans schreef een prachtig verhaal over de dood van de sprookjesverteller. Diep treurig realiseert deze zich op zijn sterfbed dat de kruidenier toch gelijk had met zijn bewering dat kabouters niet bestaan. Wanneer de Dood hem aan Gods voeten legt, vraagt God wat de laatste gedachte van de sprookjesverteller was. De Dood antwoordt verlegen dat de man zo graag één keer een kabouter had willen zien. Waarop Bomans aldus eindigt: ‘God glimlachte. Dat is een zeer goede gedachte, zeide hij, laat hem derhalve binnen.’ (ibidem)

John Bauer – Illustration to Alfred Smedberg’s The trolls and the gnome boy in the childrens’ stories collection Among pixies and trolls, 1909
Kabouters worden vaak verward met dwergen. Toch hebben ze veel minder met elkaar te maken dan men op grond van hun lengte zou vermoeden. Dwergen zijn nagenoeg universeel en staan in de mythologie als tegenstelling voor iets groots. Daarmee passen ze in de polariteit van het menselijk denken: wij tegenover de anderen, het grote tegenover het kleine. De kabouter in verhalen is eerder een stijlfiguur van bijgeloof dan een uiting van werkelijkheidsbegrip of waarheidsopvatting.
Het is opvallend dat de kabouter juist in Noord-West Europa wortel heeft geschoten in de volksverhalen. In dat continent vond namelijk ook het protestantisme voedingsbodem. Hierin werd serieus nagedacht over de opvatting dat de mens werd geschapen naar het evenbeeld van God. Als de mens eruit ziet als God, dan kunnen ‘de anderen’ alleen maar klein zijn en steeds kleiner worden. Sommigen beweren dat de kabouter dan wel eens het spiegelbeeld van onze eigen hoogmoed zou kunnen zijn.
(Sandra van Bruinisse. febr. 2002)
Beeld van kabouter in Wroclaw, Polen
En dan vermeld ik ook graag “Gun iedere kabouter zijn eigen muts”, levenslessen waarvan je niet wist dat je ze nodig had.  Auteur:  Aaf Brandt Corstius,  Meulenhoff 
Wil je iets over 'de Kabouterbeweging' weten of alles over het begrip 'kabouter', dan kun je hier terecht

https://nl.wikipedia.org/wiki/Kabouterbeweging

https://nl.wikipedia.org/wiki/Kabouter

In een volgende aflevering gaan we verder met het verhaal; weten we tenminste al een klein beetje over de achtergronden van deze wonderlijke wezens. Maar…

Steeds vroeger donker (3)

Autumn Gold by John Atkinson Grimshaw, 1880

Op tijd was je wel, en geduldig. Zoals het seizoen.
Nu woon je bij de schaduwen, was je antwoord. Zoals Stefan Zweig het in ‘De wereld van gisteren’ zou beschrijven:
‘Elke schaduw is in diepe wezen toch ook maar een kind van het licht.’
Er komt dus een jongetje uit de geelgroene poort . Dat kind uit het huis van de schaduwen en jij neemt het bij de hand op weg naar het licht van de school waar het ook weer een schaduw zou zijn.

Zet nu een stapje achteruit zodat het huis weer een schilderij van John Atkinson Grimshaw zou worden (1880) en neem het kind van toen bij de spreekwoordelijke hand om zwijgend de vroege donkerte in te lopen. Hij zal het later wel vertellen waarom hij zo graag in dat grote huis achter de geelgroene poort woonde.

A moonlit lane (1874)

Hier brengt zij hem ’s avonds weer terug. Hij is nog klein, dat wel. Het groengeel van de poort is door duisternis gezwart. Het was een eindje lopen. Op zo’n avonden vertelde hij haar wel eens een droom. Zijn dromen hadden ook een kamertje in het grote huis. Of hij haar zo’n droom kon bezorgen deze nacht, vroeg zij. Dat kon. Een droom met wolken en maan. Dromen met wolken en maan waren grappige dromen. Zij knikte. Grappige dromen kon ze best gebruiken. Tot morgen, lief kind. Hij bleef wuiven tot de gele poort kreunend dichtdraaide en in nachtslot was gevallen.

John Atkinson Grimshaw, At The Park Gate, 1878 (klik op onderschrift om te vergroten)

Later, veel later toen de dagen weer vlug donkerden, verliet hij het grote huis langs de tuinpoort . Hij is een man geworden. Hij kijkt nog even naar het huis. De vrouw die hem als kind kwam ophalen is bij zijn dromen gaan wonen. Eens een schaduw werd ze later een ziel in het licht. Hij wilde ook best als schaduw de wereld ingaan. Totdat hij het licht zou vinden in zijn duizendvoudige verschijningen en daarin kon opgaan zoals de late zon de harde wereld verzacht tussen het voorbije en het komende.

Het leven van deze merkwaardige schilder kun je vinden in onze bijdrage van 18 december 202O


Just as a painter needs light in order to put the finishing touches to his picture, so I need an inner light, which I feel I never have enough of in the autumn. (Leo Tolstoy)