De ziel gezuiverd of gepijnigd?

Très Riches Heures du Duc de Berry or Très Riches Heures is probably the most important illuminated manuscript of the 15th century, "le roi des manuscrits enluminés" ("the king of illuminated manuscripts"). It is a very richly decorated Book of Hours containing over 200 folios, of which about half are full page illustrations.

It was painted sometime between 1412 and 1416 by the Limbourg brothers for their patron Jean, Duc de Berry . They left it unfinished at their (and the Duke's) death in 1416. Charles I, Duke I of Savoy commissioned Jean Colombe to finish the paintings between 1485-1489.


Als pagina uit het hand geschilderde en beletterde gebedenboek voor de hertog van Berry kan dit tellen. Het vagevuur. De uitgebeelde eeuwige zaligheid, vooral toebedeeld aan personages van vrouwelijke kunne, kwam pas tot stand eens je een tijdje geroosterd was in het vagevuur waaruit een engel des heren je kwam bevrijden, vingertje in de lucht waar de gelukzaligheid op je wachtte.

De versie van Zuster Anna, docente in de ‘bewaarschool van een Kempisch stadje’, enkele jaren na de waar gebeurde hel van de tweede wereldoorlog, liet er geen twijfel over bestaan: ‘Hoe braaf je ook was geweest, voor het gros van de nieuwe lichting bleek de weg naar de hemel slechts via het vagevuur te bereiken tenzij een uiterst heilig leven waarin zelfs denken aan het wegmoffelen van snoepjes, al een ernstig vergrijp bleek te zijn. Zij schilderde beter dan Dante Alighieri deze zacht sputterende vlammenzee waarboven de zondaar zonder enige bescherming een licht kreeften-stadium zou bereiken vooraleer, meisjes eerst, door een wenk van een engel je mocht opstijgen naar de koelte van het uitspansel toen nog als ‘hemel’ bekend.

Purgatory by Sergey Tyukanov

Met oprechte bewondering voor haar meevoelend taalgebruik vroeg hij eerbiedig, nog ontdaan door de levendige schildering: ‘Zuster, wat kunt u dat mooi vertellen. Is u daar al zelf geweest?’ De pedagogische glimlach verdween onmiddellijk en ze wilde wel eens zijn ouders spreken.

Illustration by James Kerr / Scorpion Dagger The New Yorker 2021
The concept of Purgatory was relatively new when Dante was born; it came into currency in the twelfth century, perhaps among French theologians. This invention of a liminal space for sinners who had repented but still had work to do on their souls was a great consolation to the faithful. It was also a boon for the Church. By the late Middle Ages, you could shorten your detention by years, centuries, or even millennia by paying a hefty sum to a “pardoner,” like Chaucer’s pilgrim. A popular ditty captured the cynicism this practice inspired: “As soon as a coin in the coffer rings / The soul from Purgatory springs.” (Judith Turman)

Before Dante, though, the notion of Purgatory was an empty lot waiting for a visionary developer. His blueprint is an invention of exquisite specificity. A ziggurat-like mountain ringed with seven terraces, one for each of the cardinal sins, rises from the sea in the Southern Hemisphere, opposite the globe from Jerusalem, with the Earthly Paradise at its summit. According to Dante, this mountain was formed by the impact of Satan’s fall to Earth. His descent brought grief to the children of Eve—those “seductions of sin and evil” that every godparent must renounce. But it also created a stairway to Heaven.(ibidem)
Sandro Botticelli, Inferno, Canto XVIII, 1480s, coloured drawing on parchment, 320 x 470 mm, Staatliche Museen, Berlin

Dante’s concept van het Vagevuur lijkt opmerkelijk veel op een trainingskamp in de wildernis. Het terrein is afschrikwekkend – meer als een alp dan als een Toscaanse heuvel. Elk van de ruige terrassen is een setting voor groepstherapie, waar bovennatuurlijke begeleiders harde liefde uitdelen. Hun leerlingen zijn zondaars, maar niet onverbeterlijk: ze hebben allemaal Jezus omarmd als hun verlosser. Maar voor hun dood hebben ze anderen en zichzelf kwaad gedaan, dus hun geesten hebben een heropvoeding nodig. Ze zullen promoveren naar het aardse paradijs, en uiteindelijk naar de hemel, na hoeveel tijd ze nodig hebben om hun sterfelijke tekortkomingen te overstijgen door ze te aanvaarden. ( Judith Turman Reading Dante’s Purgatory While the World Hangs in the Balance The New Yorker 2021)

Het vagevuur was in feite al bij leven beïnvloedbaar. Met een flinke aflaat kon je een ziel strafvermindering geven, ja zelfs verlossing met ‘een volle aflaat’. Het verwonderde mij steeds dat protestanten die toch mee aan de basis van het kapitalisme liggen daar nooit toekomst in hebben gezien. Zij vonden die handel ten zeerste verwerpelijk. Je lot lag al voor je geboorte vast, en dat was dat. Kop in kas en hopen dat je bij de uitverkorenen bent. En als er dan toch wat te verdienen was dan liefst met gouden en zilveren munten.

Een specifiek voorbeeld van een aflaatpraktijk die op de overledenen in het vagevuur is gericht is het zogenaamde ‘pesjoenkelen’. Dit is een aflaatpraktijk waarbij men op de dag van Allerzielen de kerk binnengaat en vijf Weesgegroetjes, vijf Onze Vaders en vijf Eer aan de Vaders bidt (ter intentie van de paus). Hiermee verdient men dan een volledige aflaat ten gunste van een overledene, die dan ‘bevrijd’ wordt uit het vagevuur. Na het bidden kon men de kerk verlaten, haar weer binnentreden, en vervolgens de hele serie gebeden herhalen om zodoende nog iemand te bevrijden uit het vagevuur. De term pesjoenkelen duidt nu op de praktijk van het herhaaldelijk binnen- en buitengaan van de kerk, met als doel zoveel mogelijk overledenen te bevrijden uit het vagevuur.
(Lucepedia Digitale Theologische Encyclopedie)
Hieronymus Bosch Christ in Limbo National Musuem Poland

Het is dus duidelijk een apocrief verhaal maar het blijft mij ontroeren: Christus die na zijn kruisdood en voor zijn verrijzenis zou afgedaald zijn naar de hel en daar zou hij de zielen van de rechtvaardigen vanaf Adam hebben bevrijd. De opstanding van Jezus die voorafgegaan wordt door een afdaling is in de Oosterse kerk het centrale motief van deze fresco in de Chorakerk in Istanboel (ca 1320).

Hoorde het jongetje zijn opa vertellen over wat hij had meegemaakt in de Grote Oorlog, hoorde hij de verhalen als oudere jongen waarin mensen in goederentreinen naar de kampen werden gevoerd, dan wist hij dat de hel al sinds mensenheugenis zich niet ondergronds maar in volle dag en diepe nacht zich onder onze ogen afspeelt. Nog steeds.

Hoorde hij nog in zijn geheugen dat de hel de anderen zouden zijn dan wist hij dat we met zijn allen best vaak de ik-vorm kunnen gebruiken, net zoals dat met de hemel mogelijk is. Maar zonder die duivels had hij best even in dat vagevuur willen blijven rondhangen. In goed gezelschap. En daarna aan het handje van die lieve zuster Anna een tiental keer rond de kerk zodat ze met zijn allen nog voor het donker thuis zouden komen. Alvast goed voorverwarmd.

Kunst in koude dagen (1)

Venus Frigida PP Rubens 1614

Net vandaag beschrijft Geert van der Speeten in de Standaard dit fraaie schilderij van Pieter P. Rubens waarop de verkilde liefde te zien is , Venus Frigida, weldra te bekijken in het vernieuwde KMSKA. Het zou een mooi uithangbord zijn bij een artistieke reactie op de huidige waanzinnige tarieven voor gas en elektriciteit. Vertrekpunt immers voor dit beeld waarin de koukleumende Venus en kleine Amor, pijlen doelloos op grond, zichtbaar zijn, is een vers van de Romeinse comedian Terentius (195-185) dat later een spreekwoord werd in de moderne tijd: ‘Sine Cerere et Libero friget Venus.’ Of in duidelijk Duits: ‘Ohne Wein und Brot ist Venus Tod.’ Zonder wijn en brood is Venus niet in goede doen. Je vindt de uitdrukking terug tot in de Adagia van Erasmus. Hoe het dan wel kan (of zou kunnen) zien we op een ‘pen-painting’ van Hendrick Goltzius uit 1600-1603. Uitleg lees je in ons blog van 1 juli 2005: het tekort aan menselijk.

    ... some good lessons
    Are also learnt from Ceres and from Bacchus
    Without whom Venus will not long attack us.
    While Venus fills the heart (without heart really
    Love, though good always, is not quite so good),
    Ceres presents a plate of vermicelli, –
    For love must be sustain'd like flesh and blood, –
    While Bacchus pours out wine, or hands a jelly.
    
Lord Byron— Don Juan Canto II, sections 169–170

Het kan dus net zo goed een bord vermicelli zijn of een lekkere gelei.

Helemaal gerust moet Pieter Pauwel niet geweest zijn want in datzelfde jaar 1613 of een jaartje eerder schilderde hij twee andere versies, nu te zien in Staatliche Museen Kassel. en een versie nu in de Gemäldegalerie der Akademie der Bildende Kunst Wien.

 Rubens employed the motif repeatedly in different ways, including the visibly freezing Venus Frigida, a version with Amor who desperately attempts to start a fire, and one with Venus at the Moment maßvollen Erwärmens und ruhigen Erwachens ('Moment of modestly warming and quietly waking') in which she hesitantly accepts a wine cup from Bacchus. (Wikipedia Article)

Dat het bij Paul Cézanne in de winter van 1865 niet warmer was mag dit schilderijtje duidelijk maken.

Paul Cezanne Stoof in de studio ca 1865

En die kachel speelt dan weer een rol in het mooie liedje van Don Quishocking: De oude school. Tekst van Willem Wilmink.

Ach zou die school er nog wel zijn,
kastanjebomen op het plein;
de zware deur.
Platen van ridders met een kruis
en van Goejanverwellesluis;
Geheel in kleur

Die mooie school daar stond je met
een pas gejatte sigaret
in 't fietsenrek.
Daar nam je bibberig en scheel
en van ellende groen en geel,
opnieuw een trek.

En als de meester jarig was
werd het rumoerig in de klas;
en zat je daar.
En je verwachte zo direct
een uiterst boeiend knaleffect:
de klapsigaar

Je speelde in het schooltoernooi
en het begin was wondermooi;
fijn voetbalweer.
Je kreeg met 10-1 op je smoel
de kleine keeper in zijn doel:
hij weende zeer

De najaarsblaren op de grond
daar stapte je zo fijn in 't rond;
de school voorbij.
En 's winters was de kachel heet
en als je daar dan sneeuw in smeet,
dan siste hij.

Het moet er allemaal nog zijn:
de deur, de bomen en het plein;
de grote heg.
Alleen die mooie lichte plaat,
waarop een kleine desa staat,
is misschien weg.

Bali, Lombok, Soemba, Soembawa,
Flores, Timor enzovoort

Bron: https://muzikum.eu/nl/don-quishocking/de-oude-school-songtekst

Weet je wel, oudje? Later meer hartverwarmende vondsten van ver en dichtbij.

De avonden (van Sinterklaas)

De ketel van het rode treintje bestond uit een blikken talkpoeder-bus. Daaraan was een houten stuurhutje gebouwd met daarachter plaats voor denkbeeldige kolen -de eerste maal een chocolade figuurtje in gekleurd zilverpapier-, het geheel op zes ronde wieltjes. Sinterklaas 1947.
Het beeld van het rode treintje hoort nog niet bij een kamer. Het treintje heeft zich losgemaakt uit de vergeten gebeurtenissen. Het is bijna vijfenzeventig jaar lang in een lege ruimte blijven rijden. Ik kan het van boven- en onderaan bekijken, maar het helaas niet in mijn handen houden.
Nu koop je voor geen geld houten treintjes, pedagogisch verantwoord met toebehoren in alle maten en gewichten, maar mijn eerste trein met de gelakte blikken ketel is met de maker voor altijd in het onbereikbare van de kindertijd verdwenen.

Paul Delvaux (1897-1994), Le vicinal, 1959

De glazen trein, in toenmalige kleutertaal ‘glassen-trein’, is nog steeds in talrijke maten en vormen op het net te bekijken en eventueel aan te schaffen. In de najaren van de tweede wereldoorlog echter bleek dat niet zo eenvoudig, maar als ik nu de foto’s uit eBay en aanverwanten bekijk dan voel ik een duidelijke verwantschap met mijn glazen machine waarin inderdaad ook snoepjes (even) werden bewaard.

De volgende trein, een blikken model met metalen rails, kon je met een sleuteltje opwinden en een tijdje in een cirkel laten rondrijden. De spoorweg uitbreiden (rechte rails onder de kerstboom) en aanvullen met allerlei soorten wagonnetjes was duidelijk op de doos uitgebeeld.
Bij deze trein hoort al het nieuwe huis en een broertje. Net te jong om zo’n locomotief netjes op de sporen te zetten en te oud om hem met een houten speelgoedje af te wimpelen. Het was hoe dan ook samen het treinnet uitbouwen en je leerde snel hoe je hem als kaartjesknipper het vertreksein kon laten geven terwijl jij het spoorwegnet beheerde.

A.L. Reid https://www.1stdibs.com/art/paintings/portrait-paintings/agnes-l-reid-train-set-british-20s-art-interior-oil-portrait-boy-playing-female-artist/id-a_8989892/

Bij deze treinen hoort de maand december. Met lange aanloop. Met het broertje speelde je elke avond in bed heuse dialogen waarin het verlangde speelgoed de hoofdrol kreeg. Ouder geworden, bracht de heilige man voor het broertje een prachtige paardenmolen die net als in de rups op de kermis op en neer gaand ronddraaide en waarop allerlei autootjes en paardjes met kermisklanten bemand konden worden. Uren handwerk om via een onderliggende fietsketting met een metalen zwengel de molen te laten draaien. Omdat ik het geheim al kende was er, na raadpleging, een mooi aquarium met verwarmingselement voor mij, net zoals er eentje in de klas ons liet dromen om nu en dan een visje te zijn terwijl wij met vraagstukken het debiet van pompen en kranen moesten berekenen.
De elektrische trein bleef een droom wegens te duur. Dus heb ik veel tijd doorgebracht voor de ramen van de sjieke confiserie achter de Sint Pieterskerk waar tussen al het lekkers een heus elektrisch treinnet was opgebouwd. Kijk, de koplampjes van de locomotiefjes, de op en neergaande ‘barelen’ als de trein voorbijkwam, kijk, kijk, kijk. En droom. En dat deden we.

David Lindsley

Na de stilte van Allerheiligen kwam het boekje van de Fort-bonnetjes.

Fort Producten werd opgestart door Karel Govaerts in 1928. Hij was oorspronkelijk handelaar in zuivelproducten maar breidde zijn assortiment uit, om nadien met het eigen merk Fort op de markt te komen. Hij richtte zich – met zijn voedingsproducten – vooral op kruidenierswinkels in heel België. Op die manier bouwde hij een eigen Fort-keten uit dat werd gevormd door zelfstandige winkeliers.
Tijdens de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog konden trouwe consumenten via spaarpunten en Fort-zegeltjes allerlei geschenken verzamelen. 

Dat speelgoedboekje werd grondig uitgekamd en van notities voorzien. Voor vele (vooral grote) gezinnen waren fortzegels een spaarpot voor sinterklaas-aankopen, naast de uren eigen werk eens het grut in bed lag. Tijdens de maanden oktober en november bloeide de geheime huisindustrie.
De etalages van de ‘Grand Bazar Nationale’, de speelgoedwinkels in de Gasthuisstraat waar ook de grote magazijnen hun best deden om met bewegende lichtende creaties volk te lokken, het kon niet vlug genoeg donker zijn. Nu en dan mocht je al een ‘sloef’ zetten met daarin een briefje beloften en een wortel voor het paard. Zie de maan schijnt door de bomen. En vooral: makkers staakt uw wild geraas want het heerlijk avondje is gekomen..

In de vroege uren, bij het gelig lamplicht van december kwam al de geur van mandarijntjes en chocolade in de kamers hangen. Een buurman werd ingehuurd om niknakjes over de verbaasde kinderkoppen te gooien en zich dan vlug uit de voeten te maken. Ja, hij was dichtbij de heilige man. Zijn personeel lustte wel een borreltje dat bij de briefjes werd gezet.
En of je je bedrogen voelde? Waarom? Nu hoorde je bij de kant van Klaas. Je wist ‘het’. Ook dat was een levensfase waar duidelijk je leeftijd en ‘wijsheid’ werd erkend. Al zou het nooit meer zo betoverend zijn als tijdens de avonden van toen. Gelukkig wonen we dichtbij het station. Kun je langslopen als het heimwee te groot wordt.

Patrick Rosal (usa): een gedicht

About this poem
"My humble relationship to the earth's history and power has evolved dramatically after several visits to the Philippines and having witnessed Typhoon Ondoy in 2009. Noel Celis' photograph shortly before Typhoon Lupit hit (also in 2009) made me think of the climate, of brown children and their parents, of the Philippines, of America, of ruin, tenderness and grace and making it through-generations and generations and generations of making it through." (Patrick Rosal)
"Mijn nederige relatie tot de geschiedenis en de kracht van de aarde is drastisch geëvolueerd na verschillende bezoeken aan de Filipijnen en na getuige te zijn geweest van de tyfoon Ondoy in 2009. De foto van Noel Celis kort voor de tyfoon Lupit (ook in 2009) deed me denken aan het klimaat, aan bruine kinderen en hun ouders, aan de Filipijnen, aan Amerika, aan verwoesting, tederheid en gratie en aan het doorstaan van generaties en generaties en generaties die het doorstaan."(Patrick Rosal)
Photo: Noel Celis: Filipino elementary school students use chairs to cross a flooded yard inside their school grounds on October 20, 2009 in Taytay, Philippines (Rizal province east of Manila).
Children Walk on Chairs to Cross a Flooded Schoolyard

Hardly anything holds the children up, each poised
mid-air, barely the ball of one small foot
kissing the chair’s wood, so
they don’t just step across, but pause
above the water. I look at that cotton mangle
of a sky, post-typhoon, and presume
it’s holding something back. In this country,
it’s the season of greedy gods
and the several hundred cathedrals
worth of water they spill onto little tropic villages
like this one, where a girl is likely to know
the name of the man who built
every chair in her school by hand,
six of which are now arranged
into a makeshift bridge so that she and her mates
can cross their flooded schoolyard.
Boys in royal blue shorts and red rain boots,
the girls brown and bare-toed
in starch white shirts and pleated skirts.
They hover like bells that can choose
to withhold their one clear, true
bronze note, until all this nonsense
of wind and drizzle dies down.
One boy even reaches forward
into the dark sudden pool below
toward someone we can’t see, and
at the same time, without looking, seems
to offer the tips of his fingers back to the smaller girl 
behind him. I want the children
ferried quickly across so they can get back
to slapping one another on the neck
and cheating each other at checkers.
I’ve said time and time again I don’t believe
in mystery, and then I’m reminded what it’s like
to be in America, to kneel beside
a six-year-old, to slide my left hand
beneath his back and my right under his knees, 
and then carry him up a long flight of stairs
to his bed. I can feel the fine bones,
the little ridges of the spine
with my palm, the tiny smooth stone
of the elbow. I remember I’ve lifted
a sleeping body so slight I thought
the whole catastrophic world could fall away.
I forget how disaster works, how it can turn
a child back into glistening butterfish
or finches. And then they’ll just do
what they do, which is teach the rest of us
how to move with such natural gravity.
Look at these two girls, center frame,
who hold out their arms
as if they’re finally remembering
they were made for other altitudes.
I love them for the peculiar joy
of returning to earth. Not an ounce
of impatience. This simple thrill
of touching ground. 
Photo: Noel Celis: Filipino elementary school students use chairs to cross a flooded yard inside their school grounds on October 20, 2009 in Taytay, Philippines (Rizal province east of Manila).
Kinderen lopen op stoelen om een overstroomd schoolplein over te steken 

Bijna niets houdt de kinderen boven, elk kind
half in de lucht nauwelijks de bal van een kleine voet
die het hout van de stoel kust, dus
ze stappen er niet gewoon over, maar pauzeren
boven het water. Ik kijk naar die katoenen blubber
van een lucht, post-typhoon, en veronderstel
dat ze iets achterhoudt. In dit land,
is dit het seizoen van de hebzuchtige goden
en de honderden kathedralen
het water waard dat ze op kleine tropische dorpen morsen
zoals hier, waar een meisje waarschijnlijk
de naam zal kennen van de man die
elke stoel in haar school met de hand maakte,
waarvan er nu zes staan opgesteld
als een geïmproviseerde brug, zodat zij en haar vriendinnen
hun overstroomde schoolplein kunnen oversteken.
Jongens in koningsblauwe korte broeken en rode regenlaarzen,
de meisjes bruin en blootsvoets
in gesteven witte hemden en plooirokken.
Ze zweven als klokken die hun ene duidelijke, heldere
bronzen noot kunnen kiezen, totdat al deze onzin
van wind en motregen is verdwenen..
Eén jongen reikt zelfs naar voren
naar de donkere plotselinge poel beneden
naar iemand die we niet kunnen zien, 
en op hetzelfde moment, zonder te kijken, lijkt hij
de toppen van zijn vingers terug te geven aan het kleinere meisje 
achter hem. Ik wil dat de kinderen
snel naar de overkant worden gebracht zodat ze weer
elkaar op de nek kunnen klappen
en elkaar bedriegen met dammen.
Ik heb keer op keer gezegd dat ik niet geloof
in mysterie, en dan word ik eraan herinnerd hoe het is
om in Amerika te zijn, om te knielen naast
een zesjarige, om mijn linkerhand te laten glijden
onder zijn rug en mijn rechter onder zijn knieën, 
en hem dan een lange trap op te dragen
naar zijn bed. Ik kan de fijne botten voelen,
de kleine ribbels van de ruggengraat
met mijn handpalm, de kleine gladde steen
van de elleboog. Ik herinner me dat ik 
een slapend lichaam zo licht heb opgetild zodat ik dacht
dat de hele catastrofale wereld weg kon vallen.
Ik vergeet hoe rampspoed werkt, hoe deze een kind kan veranderen
een kind terug kan veranderen in glinsterende botervissen
of vinken. En dan zullen ze gewoon doen
wat ze doen, en dat is de rest van ons leren
hoe te bewegen met zo'n natuurlijke zwaartekracht.
Kijk naar deze twee meisjes, midden het beeld,
die hun armen uitsteken
alsof ze eindelijk beseffen dat ze voor andere hoogtes gemaakt zijn.
Ik hou van hen voor de bijzondere vreugde
terug te keren naar de aarde. Geen greintje
ongeduld. Deze eenvoudige opwinding
Op de grond te staan. 
PR: I grew up with such amazing storytellers. My brother Anthony is a great storyteller, all my cousins who grew up in Balacad and Hawaii, the many family friends and relatives who visited our house were various storytellers, musicians, liars, etc. Story is a way to relate. What we understand as narrative conventions, to me, are tools to orient the poem (or essay or story). We think of lyric as wildness, as a disorienting feature of speech, something approaching pure feeling, almost languageless itself (though—paradoxically—language carries the lyric impulse). I love both those modes. I love good storytelling and I still aspire to be a good storyteller and I love beautiful singing. Rarely in art do they happen fully and equally at the same time. More often than not, we move between story and song. And rarely is one absent from the other. There’s always a little bit of story embedded in song and some singing in the best stories. So all the play and howling and aria-esque growling and smashing and breaking and intricate fractures of lyric bear both the failure of narrative and its potential. The lyric can reveal an informal order and the narrative can reveal a formal lostness.
But you have to remember the name / they gave you first. The one you came with. / My cousin, a younger man than me, / told me: if you manage to escape / any darkness (say a haunted grove / or thick wooded stretch patrolled by enemy / soldiers), right away, you have to turn / toward the dark. You have to shout / your own name back to make sure / your soul follows you into daylight / or at least into some dim street.” -Patrick Rosal .
@bullyandblaze
I’m often going back to John Coltrane just as a fan. I’m sure I learned so much about statement and variation and departure and return from his music. It’s just a lot of fun to take all these pieces of memory and history and research and dream, and, yes, let them orchestrate themselves, some of which make story sense, some of which make lyric sense. Coltrane, among other improvisational artists, has the gift and skill to be so open at any given moment that any idea or motif might enter during the process. You have to relinquish control and that’s terrifying. You might say or play something ugly or violent or painful. But the other part of this skill is the ability, I think, to very swiftly step back from this intrusion, this ghost, outcast fragment and begin to explore how it actually fits into this composition. It’s opening all the doors and windows of this house and letting it all fly in—the birds, the trash, the bugs, the vagrants, the beauty queens, the saints, the yo-yos, the murderers and the murdered. And having enough wits to find a place for them. It’s a dynamic, associative process. You have to train yourself toward it. I’m still working at it.
Patrick Rosal is a multi-disciplinary artist and author of four books, most recently Brooklyn Antediluvian, winner of the Lenore Marshall Prize. He has taught at Princeton University, the University of Texas, Austin, Sarah Lawrence College and has earned fellowships from the John Simon Guggenheim Foundation, the National Endowment for the Arts, and the Fulbright Senior Research Program. A professor at Rutgers-Camden, he has led workshops for youth, incarcerated populations, and many other communities across the U.S.

Landschappen uit de ‘vleugeltijd’ (2)

Het verloren dorp

Verbeelding, en wat die ‘kracht’ in je kindertijd zou kunnen betekenen is een overbevraagd begrip vaak overvloedig gehanteerd in alles behalve fantasierijke tijden. Zelfs de New York Times die meestal niet veel aan de verbeelding wenst over te laten, schreef eergisteren via opinion columnist David Brooks over ‘The Awesome Importance of Imagination’.

'What is imagination? Well, one way of looking at it is that every waking second your brain is bombarded with a buzzing, blooming confusion of colors, shapes and movements. Imagination is the capacity to make associations among all these bits of information and to synthesize them into patterns and concepts.'

'Perception — the fast process of selecting, putting together, interpreting and experiencing facts, thoughts and emotions — is the essential poetic act that makes you you.'
Otto Dettmer Hand taking pages from book inside of man’s head

Als kind, in de oorlog gemaakt en na de eerste babyjaren uit diezelfde oorlog gekropen zou zijn verbeelding best kunnen belast zijn bij de niet zo vrolijke activiteiten van op-en-neer gaand sirene-geloei, haastige verplaatsingen van bedje naar houten draagkist die met inhoud naar de kelder verhuist en daar wacht op de verlossende lang uitgerokken huiltoon van hetzelfde geloei, teken dat het gevaar waarschijnlijk geweken was, waarna de verplaatsingen in omgekeerde volgorde plaatsvinden. Om nog te zwijgen van wat terugtrekkende en aanstormende soldaten teweeg brengen in het dagelijks leven van jonge ouders met baby.

"The imagination, Charles Darwin wrote, “unites former images and ideas, independently of the will, and thus creates brilliant and novel results.” (ibidem)

Van bovenstaande beelden heeft hij nooit last gehad. En op de ‘brilliant and novel results’ was het wel even wachten. De stilte na het oorlogsgeweld met op de achtergrond de verwarring van verdeelde en gedeelde familiegeschiedenissen zou hem pas later duidelijk worden. Maar was het nu door de aangeboren verbeelding of de diep gewortelde angsten die in de voorbije tijd in ruime mate aanwezig waren geweest, de baby werd elke nacht huilend wakker, een verschijnsel dat ook in huidige tijden jonge ouders niet onbekend zal zijn. Voedsel was dan al geen probleem meer. Het kind was duidelijk bang. Dergelijke toestanden zou nu een legertje hulpverleners in gang kunnen zetten, toen volstond een korf met kippeneieren, afgegeven bij de portierster van de Clarissen, en jawel hoor, de angsten verdwenen de eerst volgende nacht. Het kind sliep zoals kinderen van die leeftijd horen te slapen: lang en diep.

Hughes, Jack; Boy Sleeping under the Moon; Leicestershire County Council Artworks Collection; http://www.artuk.org/artworks/boy-sleeping-under-the-moon-82688

Het kinderdonker is alleen al door de uitgroei van de hersenen vaak een angstig landschap. Herinner je het wakker worden midden in de nacht. Waarschijnlijk zijn er heden ten dage allerlei lichtjes aanwezig die dat aardedonker minder afschrikkend maken, maar in de kindertijd van het jongetje was nachtelijk licht een mogelijke plaatsbepaling. Niet alleen de oorlogsschrik, maar ook de opvoedingspraktijken vonden nachtelijke lichtjes niet o.k.
Wakker worden in complete duisternis leverde je onmiddellijk over aan de onmogelijkheid om je eigen plaats te bepalen in de reusachtige overvloed aan zwart. Waar onder en boven was, hoe je te weten kon komen of je inderdaad wakker was, of de donkerte het begin van een akelige droom zou zijn, alleen een hulpkreet zou menselijke aanwezigheid duidelijk maken.
Hij riep dus op zijn vader die na herhaling een zacht gebrom liet horen.
‘Pa, zeg eens heilige Petrus van Rome!’
Er volgde een lange stilte.
‘Pa, zeg eens Heilige Petrus van Rome.’
Keelgeschraap uit de ouderlijke slaapkamer en dan de vertrouwde stem:
‘Heilige Petrus van Rome, bewaar onze –naam van de aanvrager- van al zijn kwade dromen. Heilige Petrus in zijn graf, neem onze –naam van de aanvrager- al zijn kwade dromen af.’
Het hielp onmiddellijk en altijd.

Jezelf wapenen, zelfredzaamheid dus, kwam later aan bod: waar de fantasie vaak de oorzaak van allerlei angsten kon zijn, zou hij ze ook als wapen kunnen gebruiken. Er waren wellicht toverwoorden, bijzondere gebaren, liedjes of gedichten die elk aanstormend monster zouden afschrikken. Lectuur dus, tekeningen en het ontwerpen van gefluisterde spreuken, het vertellen van verhalen aan jezelf of aan je (ook bang) broertje.
Of zoals de NY-Times vertelt:

'A person who feeds his or her imagination with a fuller repertoire of thoughts and experiences has the ability not only to see reality more richly but also — even more rare — to imagine the world through the imaginations of others. This is the skill we see in Shakespeare to such a miraculous degree — his ability to disappear into his characters and inhabit their points of view without ever pretending to explain them.

Different people have different kinds of imagination. Some people mainly focus on the parts of the world that can be quantified. This prosaic form of pattern recognition can be very practical. But it often doesn’t see the subjective way people coat the world with values and emotions and aspirations, which is exactly what we want to see if we want to glimpse how they experience their experience.
Blake and others aspired to the most enchanted form of imagination, which as Mark Vernon writes in Aeon, “bridges the subjective and objective, and perceives the interior vitality of the world as well as its interconnecting exteriors.” This is van Gogh painting starry nights and Einstein imagining himself riding alongside a light beam.'
Van Gogh Vincent Sterrennacht
'Imagination helps you perceive reality, try on other realities, predict possible futures, experience other viewpoints. And yet how much do schools prioritize the cultivation of this essential ability?

What happens to a society that lets so much of its imaginative capacity lie fallow? Perhaps you wind up in a society in which people are strangers to one another and themselves.'

(hieronder kun je je voor geen geld op die degelijke NY Times abonneren en het artikel in zijn geheel lezen)
'Onder de appelboom' - Rutger Kopland

Ik kwam thuis, het was 
een uur of acht en zeldzaam 
zacht voor de tijd van het jaar, 
de tuinbank stond klaar 
onder de appelboom

ik ging zitten en ik zat 
te kijken hoe de buurman 
in zijn tuin nog aan het spitten 
was, de nacht kwam uit de aarde 
een blauwer wordend licht hing 
in de appelboom

toen werd het langzaam weer te mooi 
om waar te zijn, de dingen 
van de dag verdwenen voor de geur 
van hooi, er lag weer speelgoed 
in het gras en verweg in het huis 
lachten de kinderen in het bad 
tot waar ik zat, tot 
onder de appelboom

en later hoorde ik de vleugels 
van ganzen in de hemel 
hoorde ik hoe stil en leeg 
het aan het worden was

gelukkig kwam er iemand naast mij 
zitten, om precies te zijn jij 
was het die naast mij kwam 
onder de appelboom, zeldzaam 
zacht en dichtbij 
voor onze leeftijd.
In de appelboom Berthe Morisot 1890

Landschappen uit de ‘vleugeltijd’ (1)

Gezegende dagen waarin de ‘Bewaarschool’ om een of andere reden haar bewarende activiteiten niet kon uitoefenen en hij bij de juf van het eerste leerjaar, zijn moeder, werd ondergebracht. Hij, het kindje van de juffrouw, zat op de laatste bank en mocht in prentenboeken bladeren of de eendjes op het bord natekenen. Het water wilde nog wel lukken maar de zwemmende eendjes die zijn moeder met één ononderbroken lijn op het zwart van het bord tekende kon hij gelukkig dadelijk tot visjes herleiden terwijl vijfendertig kinderen in alle toonaarden het liedje ‘Alle eendjes zwemmen in het water’ ten gehore brachten.

Alle eendjes zwemmen in het water,
falderalderiere, falderalderare
Alle eendjes zwemmen in het water,
fal, fal, falderalderalderalde, ra, ra, ra

Dat het de visjes waren die IN het water zwommen terwijl eenden zich OP datzelfde water voortbewogen, bleek niet alleen een slimme opmerking te zijn maar ook een aantasting van het gezag. Kon hij thuis best zijn gelijk verdedigen, hier in de klas, was diezelfde vrouw een juffrouw, ja zelfs een mevrouw, titels die in zijn leven niets met de moederlijke verschijningsvormen hadden uit te staan. En omdat het een zonnige julidag was (-het schooljaar eindigde op 15 juli om op 15 september te herbeginnen-) mocht hij best alleen de grote lege speelplaats op en daar op een bankje wachten tot de juf weer in mama was veranderd.

Camera in een drone en je ziet het jongetje op die lege stenen vlakte aarzelen. Tot het aan het einde van de stenen de wilde bloemenweide ontdekte. In afwachting van nog meer tegels en plavuizen bleek die aarden overschot achteraan een verwilderd gras-en bloemenparadijs te zijn.

Hoe beschrijf je deze gevoelens uit je ‘vleugeltijd’? De indruk van veelheid en verscheidenheid waarin het verwilderde, het ongeplande en niet geplante zich baadde? Hoge pluisgrassen en stevige bodembedekkers met daartussen hevige tinten rood, blauw, groen en geel in al hun uitgewaaierde variaties. Een zacht zuidelijk windje beweegt de hoogste toppen en er ontstaat een deining op onhoorbare muziek. Maar het kind hoort hoe bloemen en kruiden spreken, de genade van enkele minuten het onzegbare in te ademen, een alfabet te kennen dat even maar zijn geheimen heeft prijs gegeven en daarna levenslang heimwee diep blijft uitademen in moeilijk beschrijfbare en onzegbare tedere verlangens naar eenheid tussen jezelf en de volkomenheid van het omringende.

De schriftuur van het bevangen worden door schoonheid heeft het moeilijk met letters. Maar ook kleuren en vormen waarin wij proberen schoonheid op te roepen kunnen nooit de intensiteit benaderen van enkele ogenblikken verbondenheid. Het begrip veelheid bezwijmt als het over bezit gaat terwijl je als kind beseft dat het een geschenk is dat je ongevraagd en onverdiend wordt aangeboden en waarin een zoekende ziel zich levenslang zal nestelen.

Een week later kwam de man met de zeis. Het volgend schooljaar lagen er rode tegels waarop kinderen met krijt hun hinkel-parcours tekenden met ‘hemel’ en ‘hel’ helemaal bovenaan.

'Vleugeltijd' is een verzameling indrukken uit de kindertijd. De indruk dat je kunt vliegen levert aardige perspectieven op al is landen ook wel eens pijnlijk. Het geloof dat je ondanks dat toch kunt blijven opstijgen schenkt je wel eens mooie vergezichten, al is klapperen met je vleugels soms al voldoende om minder bang te zijn.'
Volkskunde museum Brugge Vaste collectie

‘I’m capturing the real thing’: Judith Roy Ross fotografe (1946)

Judith Joy Ross Randy Sartori, A.D. Thomas Elementary School, Hazleton, Pennsylvania 1993

Een foto van een jongetje in een klasje. We zijn in haar vroegere lagere school in Hazleton, Pennsylvania, eens een kolenmijn-stad waar ze is geboren en opgegroeide: Judith Roy Ross, fotografe met op dit ogenblik een grote overzichtstentoonstelling in Madrid. Uit een uitstekend artikel in De Witte Raaf van Steven Humblet, docent fotogeschiedenis en fototheorie, citeren we graag:

'De eerste portretten van Judith Joy Ross dateren van 1982 (voordien beoefende ze vooral landschapsfotografie). Ze tonen kinderen en jonge adolescenten in het Eurana Park, Virginia, een stadspark dat de fotografe in haar jeugd zelf frequenteerde. Ze maakte de opnames één jaar na het overlijden van haar vader met wie ze een innige band had. De keuze om op dat moment, op die plaats, portretten te gaan maken, laat zich ook lezen als een poging om de geborgenheid die ze in de relatie met haar vader ervoer terug te vinden: in de zoekende, tastende, maar tegelijkertijd ook fiere en zelfbewuste lichamen van de hier verzamelde jeugd ziet zij dezelfde dromen, angsten, verlangens opduiken die zij als kind reeds had. Via het portret – en dan vooral door de intense dialoog die het veronderstelt tussen maker en onderwerp – hoopt de fotografe het gebroken contact met de wereld te herstellen.'

(Steven Humblet In De Witte Raaf december 2011) 
Judith Joy Ross Untitled from “Eurana Park, Weatherly, Pennsylvania” 1982
Judith Joy Ross Untitled from Eurana Park, Weatherly, Pennsylvania 1982
Judith Joy Ross Untitled from “Eurana Park, Weatherly, Pennsylvania” 1982
'Met deze eerste reeks ligt meteen ook haar werkmethode vast: de opname wordt gemaakt met een grote, logge camera die het gebruik van een statief noodzakelijk maakt. Het opstellen van de camera, het klaarmaken van het negatief, het afstellen van het toestel, vragen heel wat tijd, aandacht en voorbereiding. Dat berooft de opname van een zekere spontaneïteit, maar toch is er nergens enige verkramping te bespeuren. Het model neemt weliswaar een pose aan, maar alles blijft luchtig en (vaak aandoenlijk) eerlijk. Niemand verkruimelt hier onder de genadeloze blik van de camera, niemand verbergt zijn kwetsbaarheid achter een gezochte houding. De geportretteerde behoudt zijn waardigheid, zijn sterkte, zijn onafhankelijkheid. De fotografe gebruikt de camera niet als een voyeuristisch instrument om de geportretteerde allerhande ongewilde confidenties te ontlokken. Haar portretten zijn altijd lovend, nooit bestraffend of ontluisterend.'
(ibidem)
Ibidem
'De verkregen negatieven print de fotografe vervolgens uit in open lucht, op zogeheten ‘printing out paper’. Deze werkwijze geeft de prints hun specifieke, warme, bruine of grijsachtige tint en leidt daarenboven ook tot een relatief klein formaat. Het gebruik van een vergroter is hierbij immers uitgesloten. Daarom hebben de beelden ongeveer hetzelfde formaat als het grootbeeldnegatief – toch nog altijd 20 bij 25 cm. Terwijl het kleine formaat de toeschouwer tot heel dicht bij het beeld lokt (en hem dus heel dicht bij het model brengt), ontzegt de verkleuring hem alsnog een al te gemakkelijke toegang. De nostalgisch aandoende tint verplaatst de geportretteerde in een andere tijd en ruimte, zichtbaar aanwezig en tegelijkertijd onbereikbaar elders. Hoe dicht we het model ook benaderen, nooit raken we aan zijn intimiteit: de soevereine kern waaruit het afgebeelde leven bestaat blijft voor onze nieuwsgierige blik ontoegankelijk. De nabijheid mondt niet uit in vertrouwelijkheid.(ibidem)'
Judith Joy Ross Untitled from “Eurana Park, Weatherly, Pennsylvania” 1982

When I shoot, I am photographing because what is in front of me is really happening, and I want people to know about it. I fall in love with the beauty of an expression or the turn of a collar, a poignant gesture, the light. I don’t know these people, except suddenly with a camera we have an intense relationship… the picture is proof. It’s about paying attention. I have a large beautiful wooden camera. I am a quick talker, I can convince people in a few seconds because I am sincerely interested in them, but I am more interested in capturing what I see in them. It’s not that I want to be their friend, it’s that I see their life and it’s amazing, and I want to put it in an image. It’s a short but deep connection. Then I go back to being alone but have one more lightning bug in a bottle. One more piece of evidence as to who we are.
The 8×10 camera is vital. I use it like a charm, like an attractant. I would not enjoy pointing a camera to a stranger. I would feel like I am doing something to them. With a view camera, we are doing something together. Definitely together. I am fumbling around under a cloth over the camera and myself, and the person is arranging themselves. We work together.’

Judith Joy Ross Untitled, Bethlehem, Pennsylvania, from Bethlehem Public Library 1990
Judith Joy Ross Staff Sargent Richard T. Koch, U.S. Army Reserve on Red Alert, Gulf War 1990
Judith Joy Ross Spanish Teacher, Hazleton High School, Hazleton, Pennsylvania 1992

‘When I go out with a camera, I have an antenna to notice and be drawn into someone’s life. Then, my entire purpose is to notice what’s going on with other people and to record it. Most of my work is in series, and each series has behind it a goal of dealing with an issue, and in each context I explore who people are.

By paying attention, I see things in people that are there but you have to allow yourself to see them. I do not see my friends or family like I see total strangers. I am just enjoying my friends or not, but I am not interested in looking at them to make a picture. I would feel very odd photographing a friend. When I see something in a stranger it is not just an expression but an idea about that person and an understanding. Seeing, on the level I am trying to describe, is for me like making pictures or poems. It’s very thrilling or problematic. You just have to try and see what happens.’

Brian Ellis Presenting a Lecture on the Mafia to his 7th Grade Class, H.F. Grebey Junior High School, Hazleton, Pennsylvania 1992
Tara Schwenk, A.D. Thomas Elementary School, Hazleton, Pennsylvania 1993
Mary Beth Gavio, A.D. Thomas Elementary School, Hazleton, Pennsylvania 1993
From 1992 through 1994, she returned to the same public schools in Hazleton she’d daydreamed through while growing up. Again, the goal was idealistic. “I wanted people to pay their taxes. I wanted people to care about public education,” Ross says. “I certainly didn’t care about mine. I thought school sucked.” Ross’s Hazleton pictures are singular in their acknowledgment that school can indeed suck, and in their eerily personal portrayal of the vastness and discomfort and yearning and angst of adolescence— the pride of a perfectly brushed mullet or a cascade of sprayed hair. “These are their own selves,” she says. In a print displayed in her front room, a boy stares at the camera through glasses so thick you long to tell him they’ll be considered cool in twenty years. But here, he simply is a high schooler briefly showing his vulnerable self. Ross’s framing preserves this, acting as a protective shell. (Rebecca Bengal Aperture)
19th Street, Allentown, Pennsylvania 1996
Muse, Boy with Goatee, Hazleton Area High School, Hazelton, Pennsylvania 1994

Haar ‘verzameling’ mensen van alle slag, leeftijd en beroep doet uiteraard denken aan ‘August Sander’ die het in kaart brengen van de volledige maatschappelijke orde van zijn tijd als doel stelde. We hebben met ‘Bij een foto van August Sander’ op 28 mei 2019 daar een bijdrage aan gewijd. Te lezen als aanvulling op het werk van Judith Roy Ross op:

We hebben het politieke en strijdvaardige werk hier nog niet belicht omdat we ons wilden beperken tot essenties rond het in beeld brengen van het dagelijks gebeuren. In de onderstaande video vertelt ze heel direct wat haar visie op oorlog is en hoe ze daarop met haar werk reageerde.

Klik op haar naam onder een van haar foto’s en je komt bij het MOMA terecht waar er een 106 portretten ook kunnen uitvergroot worden door te klikken op het getoonde formaat. Zeker de moeite waard gezien de grootte van haar negatieven die als contactafdruk hebben gediend. Zo zal de hier getoonde foto van de Kindergarten-klas in groot formaat nog beter tot zijn recht komen.

Judith Joy Ross Mrs. Lo Biano’s Kindergarten Class, A.D. Thomas Elementary School, Hazleton, Pennsylvania 1993
Untitled, Mona Park, Allentown, PA, 1996
'All  my  life  I  wanted  to  be  an  artist,  but  until  I  discovered   photography, I did not have a clear idea of what that meant. With the camera I found a way to connect  to the bigger world. People  became  my  subject—the  lives  of  people!  They  were  all  strangers   but now I could know them.'

Beeld en begrip: tweespalt of synthese (1)

http://www.historien.nl/wp-content/uploads/2015/09/Verheerlijking_van_handel_en_wetenschap_Rijksmuseum.jpeg

Klik even op het onderschrift van dit prachtige schilderij door een anonieme meester geschilderd midden zeventiende eeuw en bekijk in groot formaat ‘de verheerlijking van de wetenschap en de handel’, een toen voor de hand liggende combinatie. Maar ook de kunsten komen aan bod, zie rechts de instrumenten. Kijk naar de ijverig studerende kinderen, de druk overleggende handelaars links boven, ja de goden zijn de gouden eeuw genegen. Maar eens de voeten weer op de begane grond stonden bleek de combinatie ‘beeld’ (kunsten) en ‘begrip’ (wetenschappen) niet dadelijk een succesverhaal. Ook hieronder wordt door de kunsten en de wetenschappen de onwetendheid overwonnen.

Mars omringd door de Kunsten en Wetenschappen, overwint de Onwetendheid (Antonius Claeissens, 1605); collection: Musea Brugge – Groeningemuseum
Mars overmeestert de Onwetendheid een naakte figuur met ezelsoren. De gevleugelde Victoria komt met lauwerkrans en palmtak voor de overwinnaar aangevlogen. De Romeinse oorlogsgod wordt geflankeerd door de Wetenschappen en de Kunsten elk gepersonifieerd door rijk getooide vrouwen. Links staan de Wetenschappen met de Sterrenkunde met hemelsfeer de Welsprekendheid met papegaai de Geschiedenis met sleutel en al schrijvende de Geneeskunde met sleutel en de slangenstaf van Asclepius en de Aardrijkskunde met wereldbol passer en winkelhaak. De Kunsten zijn vertegenwoordigd door de Muziek met luit trompet en hoorn aan haar voeten terwijl ze de basschalmei bespeelt de Dichtkunst schrijft op een wastablet en de Schilderkunst met palet en penselen. Mars wordt nog een tweede keer uitgebeeld als de Romeinse soldaat die de Schilderkunst in bescherming neemt. Traditioneel vertrappelt Mars de Kunsten beschermd door Minerva en worden zo de verschrikkingen van de oorlog gesymboliseerd. De ontvoogdingsstrijd van de kunstschilders tegenover de ambachtslui en de officiële erkenning van de schilderkunst als één van de Artes liberales zijn Claeissens’ uitgangspunt voor de uitvinding van deze nieuwe allegorie. (Art in Flanders)

Je voelt in het verhaal bij dit laatste doek al duidelijk dat de ‘kunsten’ het in bepaalde omstandigheden niet zo makkelijk hadden, en daarmee openen we het onderwerp: kunnen beeld en begrip door dezelfde deur?

De menselijke creativiteit is in dit blog al meermaals het onderwerp geweest net zoals ze voor de Franse wetenschapsfilosoof Gaston Bachelard (1884-1962) de rode draad door zijn studies was.
In een mooie samenvatting van een lezing van dr. Cees Hertogh toen (1995) verbonden aan de faculteit Geneeskunde van de Vrije Universiteit van Amsterdam vond ik een heldere voorstelling waarin Bachelard’s werk een belangrijke rol speelt.
Hij verwijst naar een andere lezing aan de universiteit van Cambridge in 1959:

‘In 1959 hield de romanschrijver en natuurkundige Charles Snow aan de universiteit van Cambridge de vermaard geworden lezing ‘The two cultures and the scientific revolution'. Hierin verdedigt hij dat in de westerse samenleving een te groot gewicht wordt toegekend aan de geesteswetenschappen. Hij meent dat alleen de natuurwetenschappen in staat zijn het menselijk leven werkelijk te verbeteren. De humaniora (toen bedoeld als staande voor ‘geesteswetenschappen’) zouden die vooruitgang slechts afremmen, omdat zij gericht zijn op het behoud van traditioneel denken. Door te spreken over twee culturen scherpte Snow het onderscheid tussen natuur- en geesteswetenschappen bijna tot een dualisme aan en pookte hij het vuur van een al lang smeulende discussie weer op. Een decennium later vindt Nobelprijswinnaar Jacques Monod zelfs dat de kloof zo diep is geworden, dat zij het bewustzijn van ieder mens met enige ontwikkeling en gevoel voor creativiteit obsedeert en verscheurt.

En hier komt Bachelard op onze weg. In zijn werk vind je een intrigerende tweeledigheid: van de studies over de filosofie van de natuurwetenschappen en boeken gewijd aan de literaire verbeelding.

 De eerste indruk is dat hij zonder meer instemt met een scheiding van de twee culturen. ,,Tussen beeld en begrip geen synthese, ook geen samenhang'', schrijft hij. ,,Het beeld kan geen stof voor het begrip leveren; het begrip dat een beeld stabiliseert vernietigt het.''
Ik wil deze eerste indruk in een ander daglicht stellen door de ontwikkeling van Bachelard's filosofie te reconstrueren. In 1938 verschenen van hem twee boeken die raadselachtig overkwamen: 'De vorming van de wetenschappelijke geest; bijdrage aan een psychoanalyse van de objectieve kennis' en 'Psychoanalyse van het vuur'. Deze studies moesten worden opgevat als bijdragen aan de wetenschapsfilosofie en -geschiedenis, maar Bachelard beoefent deze discipline op wel zeer ongebruikelijke wijze.

In zijn studie over het vuur ( La psychanalyse du feu) vraagt Bachelard zich af waarom het vuur eeuwenlang onderwerp van wetenschappelijke dissertaties kon zijn, terwijl men er in de hedendaagse fysica en chemie met geen woord meer over rept.

Sinds mensenheugenis is de mens gefascineerd geweest door het spel van likkende vlammen, maar wat daarvan in de wetenschap nog rest is losgemaakt van elke verwijzing naar de zintuigelijke ervaring en, ontdaan van alle gloed, over diverse wetenschappen verspreid: het vuur is vervangen door abstracte kennis die niet meer brandt.
Deze geschiedenis van de wederwaardigheden van het vuur is voor Bachelard méér dan een curieus aanhangsel bij de officiële wetenschapsgeschiedenis. De onbekendheid ervan roept de vraag op naar de status van die officiële geschiedschrijving: waarover verhaalt zij eigenlijk, als zij slechts een gladgestreken verhaal van wetenschappelijke successen optekent en voorbijgaat aan de mislukkingen en dwaalwegen waarop het menselijk denken zich begaf?

In die vraag stelt Bachelard een belangrijke vooronderstelling van de geschiedschrijving ter discussie, namelijk dat wetenschap een gestage en continue ontwikkelingslijn kent, waarin het wetenschappelijke subject geleidelijk aan steeds meer inzicht verwerft in de objecten die het buiten zich aantreft. Men reconstrueert een verleden dat noodzakelijk uitmondt in het heden en laat weg, wat daarin niet te pas komt.
Om dat schema vol te kunnen houden vindt men de figuur van de voorloper uit: een denker die een stuk aflegt van de weg waarop een later denken voortgaat en die daarmee vooruitloopt op een inzicht dat hij zelf niet heeft bedacht. Zo'n voorloper is als het ware iemand, in wie de hedendaagse mens zichzelf kan herkennen en van wie we verwachten dat hij zich omgekeerd in ons zou kunnen herkennen. De voorloper is een mens van alle tijden en alle culturen.
Stepping Forward (Hanneke Beaumont – 2008) European Quarter Works of Art © visit.brussels – Jean-Paul Remy – 2020

Dit zijn vooronderstellingen waarin Bachelard de fundamenten herkent van de in zijn tijd dominante kennisfilosofie. Wat hier ‘voorloper’ wordt genoemd is slechts een bijzondere verschijning van de onveranderlijke rede. De dingen die gekend worden verwijzen naar een onuitputtelijke maar eveneens onveranderlijke realiteit buiten de kennis. Tegen deze filosofie tekent hij verzet aan in al zijn studies.

De conclusie dat het vuur geen wetenschappelijk object meer is, is een van de vele wijzen waarop Bachelard verwoordt dat de geschiedenis van de wetenschap breuklijnen vertoont, waarin zichtbaar wordt dat de ontwikkeling van wetenschappelijke kennis niet alleen bestaat uit opbouw, maar evenzeer uit afbraak. Sterker nog: zonder afbraak kan er geen opbouw zijn.
Al in zijn proefschrift geeft Bachelard aan waar het hem in zijn wijsbegeerte om te doen is als hij schrijft: ,,Men kan niet uitleggen wat denken is, door de resultaten ervan te inventariseren.'' 
Men zal het denken moeten betrappen, daar waar het werkelijk aan het werk is. Veel filosofen in zijn tijd spraken op afstand over wetenschap - en gingen daarmee aan haar kern voorbij. Anderen keerden er zich vanaf en zagen in de wetenschap een vervreemdende, ja zelfs dehumaniserende factor.

Bachelard bestrijdt die negatieve waardering en buigt de kritiek in haar tegendeel om: dat wetenschap te specialistisch zou zijn, ontoegankelijk en abstract, dat zij niet in overeenstemming is te brengen met de ervaring van alledag, dat zij ingrijpt in de natuur en een artificiële werkelijkheid produceert, dat alles draait hij om tot teken van een in de wetenschap aan de dag tredende creativiteit. Zijn visie is dan ook te kenschetsen als een optimistische en - in zijn tijd ook- als een avant-gardistische.
'Avant d'être le fils du bois, le feu est le fils de l'homme.'  (La Psychanalyse du feu)
Man at fire Teun Hocks 1990

Lees weldra verder in deel 2

Le feu est ainsi un phénomène privilégié qui peut tout expliquer. Si tout ce qui change lentement s'explique par la vie, tout ce qui change vite s'explique par le feu. Le feu est l'ultra-vivant. Le feu est intime et il est universel. Il vit dans notre cœur. Il vit dans le ciel. Il monte des profondeurs de la substance et s'offre comme un amour. Il redescend dans la matière et se cache, latent, contenu comme la haine et la vengeance. (Bachelard)
Samenvatting van een lezing door Dr. Cees Hertogh over het werk van de wetenschapsfilosoof Gaston Bachlard (1884-1962) deel 1  Bewerking Mannus van der Laan en Gmt

De vriend van Federico

De bijna lijfelijk-voelbare veranderingen wanneer je vanuit het heideweggetje het dennenbos inloopt.
Niet te vlug stilstaan, -je moet diep genoeg tussen de lage zwiepende takken- (bukken en rugwaarts eventjes achteruit en dan frontaal verder.) liefst met het hoofd naar beneden zodat je de dikke laag gebruinde naalden onder je voeten ziet, hoort kraken en voelt veren en je -ver genoeg- even je ogen sluit en de vochtigheid van de voorbije morgen, met ondertonen van hars en nat hout kunt rieken en dan -in het schemerdonker- op je rug gaat liggen, en in die houding traagjes je ogen opent.

Dat was de grote bomenwieg.
Gebogen om naar jou te kijken, dacht je als jongetje (handig de rollen van observator doorgeschoven naar de wiegende dennenkruinen, ja.)
‘Wat ligt daar?’
‘Een van het paard getuimelde ridder, heren en dames Dennenboom, maar hij zal zich wreken!’

Denk nu niet dat hij als een vroegrijp overgevoelig zwalpend jongetje het spreekwoordelijke bos invluchtte.
De bende volgde.
‘Wie vond de beste geheime plaats waar de schat kon verborgen worden?’

Maar de jonge ridder keerde later terug naar de plaats waar hij in de bomenwieg had gelegen.
De ontroering die hij voor de collegae-ridders en jonkvrouwen had verborgen kon nu vleugels uit de hoge luchten laten vallen en wie steeg zo dadelijk tot hoog boven het Kempisch bos en verwonderde zich over de kromming van de aarde onder hem?
Wie zou er naar Herentals kunnen vliegen, eventjes bij Nonkel Jos aan het raam tikken en nog voor het donker weer landen in de boomgaard achter de villa?

De schat, twee grote chromo’s uit de serie wielerhelden van Dr. Mann waarop Fred de Buyne en Stan Ockers en een gekreukte kleinere met Federico Bahamontes, de adelaar van Toledo, als toegift.

Bobet won de tour van 1954, Fred De Bruyne de 8ste, 13de en 22ste etappe, Stan Ockers de elfde. Federico Bahamontes won het bergklassement. Hij was een bangerik in het dalen, vertelde nonkel Lowie. Hij liet zich na een solo op de top inlopen om met het peloton aan een stijle afdaling te beginnen, net zoals de jonge ridder telkens hij van de Galgenberg kwam gereden en tot aan de Holleweg duizend angsten uitstond.
‘Bahamontes,’ zei hij als hij zijn fiets in de schuur zette, Federico, we zullen samen nooit meer bang zijn. ‘
Met wie hij aan het praten was wilde zijn moeder weten.
‘Met mezelf, ma.’
En of hij het eens was met zichzelf?
Hij knikte, glimlachte en wuifde naar Bahamontes die graag ’s nachts een ritje maakte, goed tegen de schrik had hij gezegd net voor ze afscheid namen.

In zijn bed keek hij naar de zoldering: doorzichtig werd ze in het donker. Hij zag de bomen die hoog boven hem wiegden. Hij hoorde ze zingen en sliep dadelijk en diep. De vleugels aan een haakje boven zijn bed.
De maand augustus 1954.

Fragment uit 'De Vleugeljaren', geschriften en beelden waarin de vleugels uitslaan belangrijker is dan het bereiken van een doel. (Nog volop in voorbereiding.)
Federico Martin Bahamontes

‘Taller than the trees’, een kortfilm van Megan Mylan

Masami Hayata, Japan is niet dadelijk het beeld van een zorgverstrekker in de Japanse samenleving. Hij heeft een full-time baan, een zesjarige zoon Shion en een dementerende moeder in de laatste fase van haar leven. (en een vrouw die door haar job bijna steeds afwezig is.)

In deze korte documentaire van de New York Times uit 2016, “Taller than the trees”, gemaakt door Megan Mylan, zie je een beeld van hun dagelijks leven.

Japan’s elderly population is surging, and its birthrate is one of the lowest in the world. Concurrently, more women than ever are entering the workforce, making households with two working parents the norm rather than the exception. This confluence of demographic and societal changes has created a crisis of caregiving – a challenge that’s even more pronounced in a culture that practices ‘oya-koko’, or filial piety, and where office culture can be extremely competitive. The Academy Award-winning US director Megan Mylan’s Taller Than the Trees follows the daily life of Masami Hayata, a Tokyo ad executive, who embodies the changes that Japan is undergoing. With his wife frequently out of town for her job as a flight attendant, Hayata takes on the role of domestic caregiver, attending to their six-year-old son, as well as his mother, who is in the late stages of dementia, in addition to his considerable corporate responsibilities. Mylan traces Hayata’s delicate work-life balance with a light and intimate touch, crafting a film that deftly renders the personal as a reflection of broader shifts in society.

Of wij met dezelfde mooie oosterse gelatenheid het leven in balans kunnen brengen laat ik in het midden. Maar de vanzelfsprekendheid waarmee de zorg voor elkaar in de flow van het leven zijn plaats heeft gevonden blijft mijn eerbied en bewondering afdwingen. De problemen van de Japanse samenleving zijn dezelfde problemen waarvoor wij met zijn allen ook dagelijks een oplossing moeten vinden. En hoe schitterend stralend de jonge garde geschiedenis wil schrijven, de ‘gang van het leven’ zal er zijn plaats in moeten krijgen met hetzelfde respect en dezelfde waardigheid die efficiëntie niet uitsluiten maar ook niet als eerste vereiste wil nastreven.

Zo lang de bomen als maateenheid mogen dienen blijft het begrip toekomst een menselijke ondertoon behouden, met de warmte van de eeuwige tango op de achtergrond.

MYSTERIUM MATRIS een apocriefe psalm

boodschap

Nu de dagen korten en de winkellichten vroeger de straten verzachten, duurt het geen weken meer of Kerstmis sluipt in onze oude verlangens binnen.
Onder dat dikke commerciële deken schuilt een verhaal dat mij tot vandaag is blijven ontroeren: de Alwetende stuurt zijn zoon naar de mensen via de meest menselijke weg: de moeder.
Als ik andere goddelijke geneses lees dan kan een bloem of een bliksem bijdragen tot het wonderlijke van de ontologie waarin het goddelijke zich met het menselijke verbindt. In dit oude verhaal is het de meest direkte weg, met inbegrip van wat dit bij de vrouw in kwestie zal teweeg brengen. Zij is geen draagmoeder, als is ze misschien als uitzendkracht begonnen. Zij blijft bij hem tot onder dat slavenkruis waar zij zijn liefste leerling als (pleeg)zoon krijgt toegewezen.
Natuurlijk hou ik van verschillende mythologische verhalen, zeker van de Griekse, maar daar bleven de goden op hun Olympus. Ze trokken zich niets van het menselijk bestaan aan en slechts als het volgens hen de spuigaten uitliep kwamen ze een handje toesteken.

Asamblea-Bodas de Psyche y Eros_1517_RAFFAELLO_Sanzio-VillaFarnesina

Ik hou me dus ver van de theologische consequenties. Ik ben maar een verhalen-verteller. Net zoals ik dat deed bij het radiodrama ‘de schepping volgens Jonas’ zoek ik alleen verhalende elementen die misschien de overbekende inhoud meer vermenselijken.
In het verhaal is er plaats voor verschillende werkelijkheden. Je moet je echter ontdoen van elk vooroordeel. Het is maar een verhaal. Met het nodige respect voor de materie maar ook zonder angst om de cliché’s uit te kleden of een niet voor de hand liggende wending toe te laten.
De logica van het verhaal wijkt voor de suggestie. Oproepen. Niet om iets te doen, maar het voor de geest halen van werkelijkheden die niet onmiddellijk beschikbaar zijn voor de redeneringen van alledag. Zoals je een gestorven geliefde kunt oproepen in de stilte van de nacht. Traagzaam denken, tijd geven aan de opkomende beelden.
Ik hoef geen digitale kijker op te zetten want het woord heeft in zijn mogelijkheden onvoorziene krachten met uitlopers in de muziek.

c6c57-389412184

Daarom wil ik, indien het lukt, enkele kerst-psalmen vertellen. Ik weet het, je kunt met ‘reciteren’ ook dieptebeelden oproepen, maar mijn beelden hoeven niet de herhaling al zal ik ze niet uit de weg gaan.
Het zijn beelden waarin de gewelven van een godsgebouw tot de onze menselijke binnenkamer zijn herleid maar ook van daaruit een eigen diepten kunnen oproepen. Met inbegrip van een glimlach, de mooiste beloning voor een verteld verhaal. al mag in slaap vallen ook voor wie het dromen niet vergeet.
Mysterium Matris, het mysterie van de moeder wil de deur openen.

The_Virgin_with_the_Sleeping_Christ_Child_-_Orazio_Gentileschi_-_orazio gentileschi

MYSTERIUM MATRIS

O moeder van ons, kuddedieren,
seismogram der mensenkaravanen,
bij wie zelfs de God van Abraham
beschutting zocht.

Een zeldzaam woord
schreef hij op portieken,
gaandeweg vervallen
door zijn donderpreken.

Geen ‘mene tekel’ was het,
maar iets op kladpapier
waar Adams naam
bij ‘spraakgebreken’ had gestaan.

Een woord, dun als eierschaal,
een woord
waar engelenzwermen voor weken.

mother-and-child helene schjerfbeck

‘Moeder’,
het spreken kan alleen langs jou,
-God zijn is een hondenbaan-
achter een resem heelallen
was het woord
als hartenkreet bij mij.

Gabriël zei:
‘Het woord was bij God’,
schrijf op, Johan.

Gods goesting kennend
riepen de serafijnen:
‘crêpes suzette’,
‘dierenriemen’,
‘kringgesprek’,
‘ontkiemen’!’

Mooie woorden
uit Gods achtertuin, dat wel,
maar ‘lederwaren’
en ‘kroonjuwelen’
zijn dat ook.

Of ‘rinkelbel’ en
‘luizenkam’.

moeder en kind klimt

‘Moeder’,
sprak hij nu luidop,
sprak
zijn verzwegen vrouwelijk wezen.

En uit de diepten
van zijn rekwisieten
uit zijn eigen keizersnee
kwam een jongen
zachtjes
als een offerlam.

Het sneeuwde kindermeel.

Gods ouderpaar
zond een engel
voor een uitzendkracht.

Zelfs al op weg
zei Gabriël:
‘mens’ zal het woord worden
en wonen onder hen.

Hoofdschuddend.

Als Gods vrouwelijke kant
spreekt
kan men het ergste vrezen.

käthe kollwitz

Voor een wezen met zijn allure
een omweg
die kan tellen.
Voor iemand die een kind
met een vingerknip
uit het niets kon scheppen
een vreemde droom
waarin hij door haar zachte stem gesust,
ontdekt hoe zoet het bij haar
slapen is,
onaangeraakt nog
door het weten
wat hem te wachten staat.

Niets menselijk bleek God vreemd te zijn.
Al zag hij in zijn alwetendheid
niet alleen het geschrokken prille meisje
maar hoorde hij
het Stabat Mater bij haar angstig kijken.

Toch liet hij Gabriël vertrekken.

boodschap2

JOS MARTENS (1919-2017)

Scan 5.jpg

Vader, onze vader?

‘Groots en meeslepend wil ik leven, hoort ge dat, vader, moeder, wereld, knekelhuis?’

Deze legendarische versregel van Hendrik Marsman leek hem wel op het lijf geschreven. In figuurlijke zin heeft hij altijd met een dubbele hartslag geleefd: in elke harteklop van hemzelf klopte ook die van zijn moeder, die kort na zijn geboorte haar leven in hem achterliet. Misschien is hij daarom zo oud mogen worden, ook al herkende hij de laatste jaren zichzelf steeds meer in de woorden van Willem Elsschot:

'Ik word aan 't oud zijn niet gewend, de lichtelaaie  die ik heb gekend 
zit nog die in mijne knoken en blijft mij dag en nacht bestoken..." 

Maar tot zijn laatste dagen gaf vader te kennen: “Dokter, ik zeg het u maar: ik leef nog altijd graag, hé!” Zoals hij ook is blijven herhalen: “Het was geen gemakkelijk leven, maar wel boeiend. En ik heb veel geluk gehad.”

Geen vuur is hem ooit te heet geweest, geen rook die hij niet heeft weten te snijden, geen brandend kooltje dat hij niet wist tegen te houden: vader was onze vonkenvanger. Ook zonder strak pak, onze superman. En altijd op goede voet gestaan met de Eeuwige Secondewijzer. Het tikken van de klok heeft nu zijn hartslag overgenomen. ‘Gouden haantje op de toren, zie de nacht breekt aan, maar boven in het ochtendgloren heeft nooit zo fier een haan gestaan.’ Er is meer tussen hemel & aarde dan men ooit zal kunnen vermoeden? Zo ook tussen u & ons, liefste vader.

foto: Jan Martens tekst: Marie Martens

KLEINE GESCHRIFTEN OMTRENT EEN GROTE OORLOG (3)

298-d7a39d97b7bdc45989f2665be7b40921.jpg

TIJD EN PLAATS

Zijn dorp, Oud Turnhout is bij zijn geboorte twintig jaar een zelfstandige entiteit, los van Turnhout sinds 1 januari 1859. Einde van de jaren tachtig wonen er zo’n 2700 zielen in Oud Turnhout.
Bij het graven van het kanaal Dessel-Schoten (gekend als ‚De Vaart’) ontdekt men in 1846 rijke lagen kleigrond zodat er een industrieel centrum ontstaat met steen-pannen- en cementfabrieken.
Dat bracht een immigratie en huisvesting van mensen uit de meer zuidelijke gemeenten met zich mee en zo ontstond Oosthoven.
Maar ook via dat kanaal werd aanvoer mogelijk van kalk en mest (ook pas ontdekte kunstmest) voor betere exploitatie van de landbouwgrond met een verhoogde productie als gevolg en een immigratie vanuit Nederland (Noord Brabant) meebracht.
Er kwamen tramlijnen richting Turnhout, Arendonk en Mol wat voor de ontsluiting van het centrum zorgde.

feestKanaal1900-Turnhout_G.jpg


Waarschijnlijk deed zich echter ook de landbouwcrisis van 1880-1890 voelen: goedkoop graan overspoelt de Europese markten vanuit de Verenigde Staten waar na de burgeroorlog de mechanisering is ingevoerd.  Aanvoer van kunstmest versterkt nog deze landbouwcrisis: boeren en boerenknechten hebben geen werk meer en trekken naar de grote steden waar ze terechtkomen bij het industriële proletariaat.
De katholieke Partij ‚Féderation des Cercles catholiques et des Associations conservatrices, opgericht in 1884 wint dadelijk de verkiezingen en zal dertig jaar lang alleen of in coalities in de regering blijven.
Onder de katholieke regering van August Beernaert komt er een eerste sociale wetgeving tot stand en 1885 wordt de Belgische Werkliedenpartij opgericht, een jaar later de Antisocialistische Katoenwerkersbond. De verdeling van de arbeiders neemt steeds grotere vormen aan.

Industriëlen en andere welgestelden hebben op dit grondgebied hun buitenverblijf, kasteel of landhuis.

Om in de sfeer van het alledaagse te blijven publiceer ik hier het verhaal dat in het geboortejaar van Augustin werd opgetekend door Pol de Mont: Spoken te Oud Turnhout.

Te Oud-Turnhout woonde een boerenknecht, welke elken maandag zijn lijnwaad naar een ander dorp te wasschen droeg. Als hij het des zaterdaags terughaalde, viel het wel eens voor, dat hij, bij het hooren naderen van andere boeren, een wit hemd over zijne kleederen aantrok, om “spook te spelen.” Meer dan eenen voorbijganger had hij alzoo den dood op het lijf gejaagd, toen eindelijk een andere boer, die den moed niet zoo spoedig in zijn laerzen liet zinken, op zich nam, om “het spook zelf eens bang te maken.”
Wat deed me onze man? Den eerstvolgende zaterdag vatte hij, met een wit laken over het hoofd, op de onderste takken van eenen boom, langswaar de boerenknecht gewoonlijk voorbijging, plaats.
Na eenige tijd zag de man, die in de boom zat, den verwachten gezel in het halfdonker naderen. Wie het was, kon hij wel niet herkennen; maar duidelijk kon hij zien, hoe hij, uit een pak, dat hij in de hand droeg, een wit kleedingstuk te voorschijn haalde, en het aantrok.
Het spook, want nu was er immers een spook, zette zich op weg, in de richting van den boom. Daar werd het onzen moedigen boer zoo bang om het hart, dat hij de naderende verschijning niet eens meer dorst bekijken.
Wat het spook zelf betreft, ook dit zou zijne beurt wel krijgen. Juist toen het onder de boomtakken voorbijging, viel eene witte massa, met een vreeselijk gekraak en gebrul, uit de takken neder: de boer was van schrik naar beneden gestort…!
Doch, het beste komt nog!
Het spook, dat het geheim niet kende, maakte beenen, en liep in eenen adem naar huis…’

L’arroseur arrosé in Kempische toonaard.
Augustin was een joch van zes jaar toen de gebroeders Lumière dit filmpje in Parijs vertoonden.
De besproeier besproeid. Of een mooi voorbeeld van Europese politiek einde 19de eeuw waarin verbanden en verbonden de verbinders niet droog zullen houden
 

30lksog.jpg

 

KLEINE GESCHRIFTEN OMTRENT EEN GROTE OORLOG (2)

Rubifoam-1889-recto-blog.jpg

Een jaartal

Het jaar van de geboorte, de deur van een levensloop. Ken je ook het achterpoortje van de sterfdatum dan kun je met het bijna vergeten hoofdrekenen iemands bestaan in een getal samenvatten. Hij of zij is x jaar oud geworden. Maar tegelijkertijd is die levensloop in een tijd verankerd, in zeden en gewoonten, in doen en laten waarin de geboorteplaats de uitkijktoren kan genoemd worden van waaruit je het kleine en iets grotere gebeuren interpreteert en ondergaat.

Ook al kun je met die twee cijfers, geboorte- en sterfdatum,  een reepje tijd trancheren, het is met honderden zichtbare en vooral onzichtbare worteltjes vergroeid in het bestaan waarin deze twee getallen slechts vage aanduidingen zijn.

De geboortedatum van een ‘ouvrier agricole’ mag dan niet in de geschiedenisboeken te vinden zijn, maar aan de administratie van gemeente, parochie en het leger is hij niet ontsnapt.

Geboren in ‘Vieux Turnhout’ in 1889.  Vier dagen na een jongetje dat in het Ooostenrijk-Hongaarse rijk, op de grens van Beieren in Braunnau het zogenaamde levenslicht zal zien en als Adolf nog een tijdje net zo onopvallend aanwezig zal blijven. Of twee dagen voor het kind Ludwig uit de familie Wittgenstein zijn eerste kreetjes hoorbaar maakt. Graag wil ik in september van dat jaar ook nog het kleine meisje Anna Akmatova vermelden en enkele maanden later het jongetje Martin Heidegger. (vergeet Charlie Chaplin niet want ik vermoed dat hij de enige uit het rijtje zal zijn die Augustin bij leven en welzijn met naam en toenaam heeft gekend.

Het is het jaar dat Vincent van Gogh in de Provence zijn mooie sterrennacht schildert en een kaartje met het ontwerp ervan naar zijn broer stuurt terwijl in Parijs de Eifeltoren de voornaamste bezienswaardigheid van de Exposition Universelle wordt ingehuldigd.

Hij is met nogal wat jongetjes van dat jaar alvast bestemd om live te gaan meedoen in wat nu de spektakel musical 14-18 heet en ook als ‘de groote oorlog’ in zijn leven een speciale plaats zal innemen.

Maar daar weet het kleine boerenzoontje nog niets van. Hij is het kind van Cornélie Vermeulen en Corneille Ferdinand Van N. In 1909 , het laatste jaar van de lotelingen zal hij het lot 89 trekken, zijn geboortejaar, en au service actif het vaderland gaan dienen zoals dat heet.

Ik laat de gezegende sterrennacht over de kleine baby waken. Wat wij nu weten deert hem nog niet.

VanGogh_Sterrennacht.jpg

KLEINE GESCHRIFTEN OMTRENT EEN GROTE OORLOG (1)

weltkarte-29.jpg

De naam van een boerenjongen, bekend als Gust maar in de annalen van de krijgsmacht als Augustin genoteerd.

Een pestliedje was het. Niet om iemand te pesten, maar ontstaan door de gevolgen van de zwarte dood in het Wenen van 1679 te bezingen.
En lieve Augustin die ik de volgende dagen probeer te benaderen, de figuur van het liedje zou een doedelzak-speler zijn geweest die na een stevige avond doordrinken langs de weg in slaap viel, voor dood  werd aanzien door de grafdelvers en met doedelzak in een massagraf terechtkwam waar hij ’s morgens uit zijn roes ontwaakte.  Omdat hij niet uit eigen kracht uit de vrij diepe kuil kon klimmen begon hij  te spelen want hij wilde graag sterven zoals hij had geleefd.
En jawel, hij werd gehoord.  Ondanks zijn slaap met de geïnfecteerde doden bleef hij gezond en zo werd Augustin het symbool van hoop voor het Weense volk.
Ongeveer op deze manier werd het verhaal verteld door prediker Abraham a Sancta Clara (1644-1709) en bleef Augustin voor de Wieners in het liedje ‚Oh du lieber Augustin’  leven.
De zuinige Schotten maakten met de melodie er ‚Did ye ever see a lassie, a lassie, a lassie’ van en in Holland lieten ze op deze wijze Sinterklaas op de deur kloppen (Daar wordt op de deur geklopt, deur geklopt…)
Vergeet ook niet dat Hans Christian Andersen het gebruikte in zijn sprookje ‚De varkenshoeder’ (1841) achtenveertig jaar voor jij zou geboren worden.

O, du lieber Augustin, Augustin, Augustin,
O, du lieber Augustin, alles ist hin.

Geld ist weg, Mensch ist weg,
Alles hin, Augustin.
O, du lieber Augustin,
Alles ist hin.

Rock ist weg, Stock ist weg,
Augustin liegt im Dreck,
O, du lieber Augustin,
Alles ist hin.

Und selbst das reiche Wien,
Hin ist’s wie Augustin;
Weint mit mir im gleichen Sinn,
Alles ist hin!

Jeder Tag war ein Fest,
Und was jetzt? Pest, die Pest!
Nur ein groß’ Leichenfest,
Das ist der Rest.

Augustin, Augustin,
Leg’ nur ins Grab dich hin!
O, du lieber Augustin,
Alles ist hin!

Text and melody: Marx Augustin (1679)

Voor een nauwelijks overlevende van de grote oorlog een toepasselijk liedje.
Goede lezer(es) dit is de tijd dat grootvaders hun eigen grootvader eren. Hij nam deel aan wat nu in een ‚spektakel’ musical ’14-18’ heet maar waarvan de dreun tot in de ziel van het intussen zeventigjarige kleinkind nog niet is uitgestorven.
Volg de gids.

Ach!_due_lieber_Augustin_repetition.png