Nabijheid verbeeld— Proximity portrayed (3)

Gray and Gold, by John Rogers Cox, 1942. Fragmenteel (Roger Cox: 1915-1990)
Cox painted Gray and Gold shortly after the United States joined the Second World War, and its image of amber waves of grain threatened by ominous storm clouds likely has symbolic overtones. The painting's foreground features an intersection of two dirt lanes, as well as a telephone pole emblazoned with political campaign posters. The artist seems to imply that American democracy is at a crossroads during this time of combat against the spread of fascism in Europe and Asia. Interestingly the work was inspired by the landscape around Cox's hometown of Terre Haute, Indiana, a location nicknamed "The Crossroads of America" due to the junction of major north-south and east-west national highways within its city limits. The museum purchased this painting out of a traveling exhibition entitled "Artists for Victory," which consisted of works by artists who wanted to assist in the war effort. The exhibition opened at the Metropolitan Museum of Art in New York on the first anniversary of the bombing at Pearl Harbor. 
(The Cleveland Museum of Art)
Gray and Gold totaal (klik op titel hiernaast om oorspronkelijk werk te bezoeken)

Cox schilderde Gray and Gold kort nadat de Verenigde Staten zich aansloten bij de Tweede Wereldoorlog en de afbeelding van amberkleurige golven graan die worden bedreigd door onheilspellende stormwolken heeft waarschijnlijk een symbolische lading. Op de voorgrond van het schilderij zie je een kruispunt van twee onverharde rijstroken en een telefoonpaal met daarop politieke campagneposters. De kunstenaar lijkt te suggereren dat de Amerikaanse democratie zich op een kruispunt bevindt in deze tijd van strijd tegen de verspreiding van het fascisme in Europa en Azië. Interessant genoeg werd het werk geïnspireerd door het landschap rond de woonplaats van Cox, Terre Haute, Indiana, een locatie die de bijnaam “Het kruispunt van Amerika” kreeg vanwege de kruising van belangrijke nationale snelwegen in noord-zuid en oost-west richting binnen de stadsgrenzen. Het museum kocht dit schilderij van een reizende tentoonstelling getiteld “Artists for Victory”, die bestond uit werken van kunstenaars die wilden helpen bij de oorlogsinspanningen. De tentoonstelling opende in het Metropolitan Museum of Art in New York op de eerste verjaardag van het bombardement op Pearl Harbor. (Cleveland Museum of Art)

John Rogers Cox ‘Summer’ 1950

Deze vormgeving kon schuilen bij de Amerikaanse trend ’towards a new objectivity’.

Art historian John I. H. Baur described Cox's work as an exemplar of "hard, immaculate-related realism" in his 1951 study Revolution and Tradition in Modern American Art for the Library of Congress. Michael D. Hall, describing Cox's work in an essay to accompany the Flint Institute of Arts's exhibition in 2003, Great Lakes Muse: American Scene Painting from the Upper Midwest, 1910 - 1960, said "His own signature landscape vistas are imaginary Midwestern places filled with emptiness-visual contradictions suffused with momentous and ominous signs."
American Scene Painting from the Upper Midwest, 1910 - 1960, zei: "Zijn eigen kenmerkende landschapsvergezichten zijn denkbeeldige Midwesterse plaatsen gevuld met leegte - visuele tegenstellingen doordrenkt met gedenkwaardige en onheilspellende tekens."

En dan kun je beter de kunstenaar zelf aan het woord laten:

Good painting offers a mysterious pleasure that one cannot quite put his finger on because the painter, through honesty and hard work, has actually painted his own personality in a familiar subject; and any person’s personality or character or soul, or whatever your word is for it, is something of an enigma.

— John Rogers Cox, 1951

Gathering Storm over farm 1940

Is in onze levenswijze het landschap nog zo nabij dat je het ervaart als een mogelijk verlengde van de levens die wij leiden of lijden? Ik herinner mij de lange wandelingen met mijn grootvader. Net om de hoek van het grote stadskerkhof was je ‘op den buiten’. Weides, akkers en korenvelden. Of ik de blauwe korenbloemen mocht plukken? Nog een beetje verder en dan kun je drie kerktorens zien. Wolken. Of hij met zijn door de oorlog beschadigde ogen nog de wolken kon zien door zijn donkere brilglazen? Hij haalde zijn schouders op en zei dat ik de wolken mocht vertellen. Van het kleinste onnozelste wolkje maakte ik een drijvende bergketen, en de kuddes schapenwolkjes zouden we naar de bleke maansikkel duwen. Je neus in de kelkjes van de haag- of akkerwinde steken en dan inademen. Ik liet me honderd keer beetnemen. Met plezier. Frambozentijd, en helaas kondigde de rijpe bramen het einde van de vakantie aan.

Schuif de dag toe, kind
en steek de sterren aan.
God is de mensen moe.
Tijd om te slapen:
loop rond in je dromen.
en wacht op de morgenster
om diep zuchtend van plezier 
het nieuwe licht te proeven.

Gmt
Wheat Field John Rogers Cox

In our way of life, is the landscape still so close that you experience it as a possible extension of the lives we lead or suffer? I remember the long walks with my grandfather. Just around the corner from the big city cemetery you were “on the outside”. Meadows, fields and cornfields. Whether I could pick the blue cornflowers? A little further and then you could see three church towers. Clouds. Whether, with his war-damaged eyes, he could still see the clouds through his dark glasses? He shrugged and said I could tell the clouds. From the smallest silly cloud I would make a floating mountain range, and the flocks of sheep clouds we would push toward the pale crescent moon. Sticking your nose into the calyxes of the hedge or field bindweed and then inhaling. I let myself get bit a hundred times. With pleasure. Raspberry time, and unfortunately ripe blackberries announced the end of the vacation.

Shove on the day, child
And light the stars.
God is tired of people.
Time to sleep
Walk around in your dreams.
And wait for the morning star
To sigh deeply with pleasure 
taste the new light.

Gmt
John Rogers Cox (American, 1915–1990), Wheat Field, ca. 1943. Oil on Masonite, 16 × 20 in. The John and Susan Horseman Collection of American Art, St. Louis, Missouri.

Nabijheid verbeeld — Proximity portrayed (2)

De Leie in de ochtend(1905), Valerius de Saedeleer. ’t Gasthuys – Stedelijk Museum Aalst

De nabijheid van een landschap, geschilderd in 1905, een landschap met spiegeling , rust dus. Alsof je de tijd kunt stilzetten met de bedenking dat elke verbeelding vaak zijn deel betaalt aan de droom. Tegelijkertijd de opstap naar de vergelijking om te eindigen met het beeld waarin ’toen’ en ‘nu’ over elkaar worden geschoven. Je kunt dat over elkaar schuiven ook literair beleven. In ‘Theodore the Poet” beschrijft de Amerikaanse dichter Edgar Lee Masters (1868-1950) …

...the poem “talks about a young poet’s fascination with nature and how that later develops into an interest in people’s souls. Mirroring the author’s own poetic dreams, this epigraph charges the poet to tell the heroic story of enduring a difficult, waning life.”

Theodore the Poet

As a boy, Theodore, you sat for long hours
On the shore of the turbid Spoon
With deep-set eye staring at the door of the crawfish’s burrow,
Waiting for him to appear, pushing ahead,
First his waving antennae, like straws of hay,
And soon his body, colored like soap-stone,
Gemmed with eyes of jet.
And you wondered in a trance of thought
What he knew, what he desired, and why he lived at all.
But later your vision watched for men and women
Hiding in burrows of fate amid great cities,
Looking for the souls of them to come out,
So that you could see
How they lived, and for what,
And why they kept crawling so busily
Along the sandy way where water fails
As the summer wanes.

De dichter Theodore

Als jongen, Theodore, zat je lange uren
Aan de oever van de troebele Spoon
Met diepliggende ogen starend naar de deur van het rivierkreeften-hol,
Wachtend tot hij tevoorschijn zou komen,
Eerst zijn wuivende antennes, als strootjes hooi,
En al snel zijn lijf, gekleurd als zeepsteen,
Geglinsterd met ogen van git.
En je vroeg je af in een trance van gedachten
Wat hij wist, wat hij verlangde, en waarom hij überhaupt leefde.
Maar later keek je naar mannen en vrouwen
Verscholen in holen van het lot te midden grote steden,
Op zoek naar hun zielen  om buiten te komen,
Zodat je kon zien
Hoe ze leefden, en waarvoor,
En waarom ze zo druk bleven kruipen
Langs de zanderige weg waar water faalt
Als de zomer afneemt.

(voorlopige vertaling met de hulp van Deepl)

Voor wie in de rivierkreeft is geïnteresseerd kijk bij:

Over de dichter Edgar Lee Masters vind je hier een uitstekende bio:

Nabijheid verbeeld — Proximity portrayed (1)

Eigen foto

En in de meanders van het internet -kiezels en lichtinval, het geschuurde licht- drie onbekende foto’s:

Beach – vintage snapshots Flashbak Beach Noir Robert E. Jackson (?)

Het onderschrift bij de collectie waarvan de foto’s hierboven en -onder een onderdeel waren: A hint of menace and corruption stalks these vintage photos of people on the beach.

Een zweem van dreiging en corruptie hangt rond deze vintage foto's van mensen op het strand.
Beach vintage snapshots 5 kopie
The ever-great Robert E. Jackson once again has opened his superb collection of snapshots and pulled together an album for our entertainment. He calls this gallery of images ‘Beach Noir – The Dark Side Of Summer’. There’s a witty hint of menace, love gone bad and peace in peril in what might be seaside idylls of tranquility and contentment. We wonder what mischief and melancholy lurks in the mind behind the eye behind the camera? The images are stylish and laced with expressionism. Don’t try to understand them; just imagine the stories behind them. (ibidem)

De altijd geweldige Robert E. Jackson heeft zijn prachtige collectie snapshots weer eens opengetrokken en een album voor ons vermaak samengesteld. Hij noemt deze beeldengalerij ‘Beach Noir – The Dark Side Of Summer’. Er is een geestig vleugje dreiging, liefde die verkeerd afliep en vrede in gevaar in wat idylles van rust en tevredenheid aan zee zouden kunnen zijn. Wij vragen ons af wat voor onheil en melancholie er schuilt in het hoofd achter het oog achter de camera? De beelden zijn stijlvol en doorspekt met expressionisme. Probeer ze niet te begrijpen; stel je gewoon de verhalen erachter voor.

ibidem

Vind je nog een paar schoenen, achteloos verlaten, net voor hij zijn werkkamer binnenstapte, de foto’s dan waarvan de eerste het aas was : een sterk beeld, de vrouw op de achtergrond die zich schoort tegen de wind, het kleine kind op de voorgrond, de enige aanwezige op de verlaten strandvlakte. Beweging van een jongen die door een hoepel springt en net hierboven vrouw in mantel tegenover de zee. Drama’s à volonté. Even de andere kant opkijken, ook een reeks snapshots en een intense nabijheid. Yo-Yo Ma, Bachs cello suite nr 1. Iets meer dan drie minuten.

Find another pair of shoes, carelessly abandoned, just before he entered his study, the photographs then of which the first was the bait : a strong image, the woman in the background bracing herself against the wind, the small child in the foreground, the only presence on the deserted beach plain. Movement of a boy jumping through a hoop and just above woman in cloak facing the sea. Dramas à volonté. Looking the other way for a moment, also a series of snapshots and intense closeness. Yo-Yo Ma, Bach's cello suite No 1. Just over three minutes.
Robert E. Jackson
Owns over 15,000 snapshots. The collection was featured in the 2007 exhibition at the National Gallery in D.C.: "The Art of the American Snapshot."

Tussen wat wij zouden weten en wat wij dwingend willen,
-borgtocht voor het exclusieve, chantage à l’ amour-
tussen verscheuren en elkanders honger stillen,
-lenigheid of telkens weer een heksentoer-
tussen schone schijn en wat de ziel laat trillen,
-de jungle in of eindeloos, ’t bekend parcours-
tussen weerloosheid en fraai verpakte grillen,
-de prinsenstoet en ik de schoppenboer-
tussen woordenvloed en het beklemmend stille
-het blijven botsen op de koude vloer-
gebroken glazen in een kast vol roze brillen.

(uit 'Gevallen Woorden')
Gmt

Spreek de wereld uit en verbeeld haar waar zichtbaarheid vervormd of opgeblazen was. Elk beeld heeft zijn zusjes en broertjes nodig, of ook zijn/haar (be)kijker die het zacht zijlicht over harde herinneringen duldt of fluitend de gekheid onderlijnt: er is een overschot aan plaats, er is altijd weer dat andere waar de zee ook na vijftig jaar gelukkig onder je vermoeide voeten het strand verzacht. Nabijheid neemt haar tijd.

Speak out and depict the world where visibility was distorted or inflated. Every image needs its sisters and brothers, or also its (be)viewer who tolerates the soft sidelight over hard memories or whistles underlining the madness: there is a surplus of place, there is always that other where the sea softens the beach happily under your tired feet even after fifty years. Proximity takes its time.
Foto door Ray Bilcliff

De vriend van Federico

Bij de dood van Federico Bahamontes herneem ik graag deze aflevering uit 2020, de adelaar van Toledo gewijd.

De bijna lijfelijk-voelbare veranderingen wanneer je vanuit het heideweggetje het dennenbos inloopt.
Niet te vlug stilstaan, -je moet diep genoeg tussen de lage zwiepende takken- (bukken en rugwaarts eventjes achteruit en dan frontaal verder.) liefst met het hoofd naar beneden zodat je de dikke laag gebruinde naalden onder je voeten ziet, hoort kraken en voelt veren en je -ver genoeg- even je ogen sluit en de vochtigheid van de voorbije morgen, met ondertonen van hars en nat hout kunt ruiken en dan -in het schemerdonker- op je rug gaat liggen, en in die houding traag je ogen opent.

Dat was de grote bomenwieg.
Gebogen om naar jou te kijken, dacht je als jongetje (handig de rollen van observator doorgeschoven naar de wiegende dennenkruinen, ja.)
‘Wat ligt daar?’
‘Een van het paard getuimelde ridder, heren en dames Dennenboom, maar hij zal zich wreken!’

Denk nu niet dat hij als een vroegrijp overgevoelig zwalpend jongetje het spreekwoordelijke bos invluchtte.
De bende volgde.
‘Wie vond de beste geheime plaats waar de schat kon verborgen worden?’

Maar de jonge ridder keerde later terug naar de plaats waar hij in de bomenwieg had gelegen.
De ontroering die hij voor de collegae-ridders en dito jonkvrouwen had verborgen kon nu vleugels uit de hoge luchten laten vallen en wie steeg zo dadelijk tot hoog boven het Kempisch bos en verwonderde zich over de kromming van de aarde onder hem?
Wie zou er naar Herentals kunnen vliegen, eventjes bij Nonkel Jos aan het raam tikken en nog voor het donker weer landen in de boomgaard achter de villa?

De schat, twee grote chromo’s uit de serie wielerhelden van Dr. Mann waarop Fred de Bruyne en Stan Ockers en een gekreukte kleinere met Federico Bahamontes, de adelaar van Toledo, als toegift.

Bobet won de tour van 1954, Fred De Bruyne de 8ste, 13de en 22ste etappe, Stan Ockers de elfde. Federico Bahamontes won het bergklassement. Hij was een bangerik in het dalen, vertelde nonkel Lowie. Hij liet zich na een solo op de top inlopen om met het peloton aan een steile afdaling te beginnen, net zoals de jonge ridder telkens hij van de Galgenberg kwam gereden en tot aan de Holleweg duizend angsten uitstond.
‘Bahamontes,’ zei hij als hij zijn fiets in de schuur zette, Federico, we zullen samen nooit meer bang zijn. ‘
Met wie hij aan het praten was wilde zijn moeder weten.
‘Met mezelf, ma.’
En of hij het eens was met zichzelf?
Hij knikte, glimlachte en wuifde naar Bahamontes die graag ’s nachts een ritje maakte, goed tegen de schrik had hij gefluisterd, net voor ze afscheid namen.

In zijn bed keek hij naar de zoldering: doorzichtig werd ze in het donker. Hij zag de bomen die hoog boven hem wiegden. Hij hoorde ze zingen en sliep dadelijk en diep. De vleugels aan een haakje boven zijn bed.
De maand augustus 1954.

Fragment uit 'De Vleugeljaren', geschriften en beelden waarin de vleugels uitslaan belangrijker is dan het bereiken van een doel. (Nog volop in voorbereiding.)

Federico Martin Bahamontes

Waren wij vroeger nog onsterfelijk?

Eigen foto GMT

Nog voor hij helemaal thuis was in zijn eigen biografisch geheugen -twee-drie jaar oud-, bleek dit plaasteren ‘Heilig-Hart’-beeld op de ouderlijke slaapkamer voor hem, als kleuter, wel degelijk een levend personage. Zijn moeder vertelde later menigmaal de dialoog die zij, nog in bed en geveinsd slapend, had gehoord, die vroege morgen toen hij de kamer binnenkwam en een zelf gemaakt knutselwerk liet zien aan de plaasteren Jezus.
“Is dat van karton?” vroeg het beeld. (met zijn hoog stemmetje)
“Ja natuurlijk is dat van karton.” (met zijn gewone kleuterstem).
“Ja, nu zie ik het. Wel mooi.’ (met zijn hoog stemmetje)
“Dank u.” (met zijn gewone kleuterstem)
Het kind verdween naar de ontbijttafel, moeder volgde. Glimlachend, maar ook hoofdschuddend.

eigen foto GMT
‘Bij de dood laten lichaam en ziel elkaar gaan. Het is een bevrijding en een uiteengaan. Eigenlijk is de bevrijding van de ziel uit het lichaam het doel van elke filosoof. Voor een echte filosoof is sterven zijn vak, want sterven betekent dat de ziel wordt losgemaakt uit de vergankelijke stof om zich te richten op de onvergankelijke eeuwige waarheid. Dat is niet iets om bang voor te zijn, Daar streef je dus naar.’ (uit Phaedo. Plato)

Deze filosofische uitspraak werd samengevat door Bert Keizer, schrijver van ‘Vroeger waren we onsterfelijk’ Maart 2016, uitgave van Lemniscaat. Bert Keizer is arts en filosoof, en is verbonden aan de Levenseindekliniek. Hij schreef o.a. de bestsellers Het refrein is Hein en Onverklaarbaar bewoond. Keizer studeerde filosofie in Oxford

In Vroeger waren we onsterfelijk vertelt Bert Keizer hoe hij als kind van de sixties de kerk uit liep, voor The Beatles viel en na vele omwegen in een Engelse universiteit belandde om filosofie te gaan studeren. Een carrière als academisch filosoof schrikte hem af en hij zocht een goed heenkomen in de medische faculteit, om via die route in het volle leven te belanden. In dit boek reist Keizer weg uit het katholieke Amersfoort, waar hij ooit misdienaar was, naar de goddeloze maar niet minder verwonderlijke wereld waarin wij nu rondtobben. Leven is behelpen, vindt hij, en vanuit die grondhouding heeft hij behartenswaardige dingen te zeggen over geloof en literatuur, filosofie en geneeskunde. Met wat hulp van zijn persoonlijke favorieten – Beckett, Wittgenstein, William Osler – slaagt hij erin om net iets te meer te lachen dan te huilen. Maar het scheelt niet veel. ‘Als jongetje vond ik de kerk niet echt vervelend, geloof ik, maar het werd pas leuk toen ik misdienaar werd. Ik koesterde zelfs vagelijk priesterlijke ambities, waarbij ik aanteken dat ik niet wist wat celibaat was.‘ De vanzelfprekendheid van het christelijke wereldbeeld uit die jaren is mij nog altijd dierbaar. Toen waren we onsterfelijk, maar we wisten het niet.’ – Bert Keizer

Marie Huana besprak in haar allerfraaist blog hetzelfde thema. Met toepasselijke beelden en bondige maar spitse commentaren. Een bezoekje is dan ook een heerlijke verpozing. Klik op ‘Memento Mori?’ hieronder. Wil je heel haar blog bekijken dan klik je Marie Huana onderaan.

Angelus Novus Aquarel Paul Klee

“Er bestaat een schilderij van Paul Klee, dat Angelus Novus heet. De Nieuwe Engel. Er staat een engel op afgebeeld die zo te zien op het punt staat zich te verwijderen van iets waar hij zijn blik strak op gericht houdt. Zijn ogen en zijn mond zijn opengesperd, hij heeft zijn vleugels gespreid. Zo moet de engel van de geschiedenis eruitzien. Zijn gelaat is naar het verleden gewend. Waar wij een reeks gebeurtenissen waarnemen, ziet hij één enkele catastrofe en daarin wordt zonder enig respijt puinhoop op puinhoop gestapeld, die hem voor de voeten geworpen wordt. De engel zou wel willen blijven, de doden tot leven wekken en de brokstukken weer tot een geheel maken. Maar zijn vleugels vangen de wind die uit het paradijs waait, een storm die zo hard is dat hij ze niet kan stuiten. Deze storm stuwt hem onweerstaanbaar voort, de toekomst in die hij de rug heeft toegekeerd, terwijl de stapel puin vóór hem tot aan de hemel groeit. Deze storm is wat wij vooruitgang noemen.”


— Walter Benjamin: Over het concept van de geschiedenis (1940), These IX 1

Foto door Pixabay

Walter Benjamin (1892-1940) heeft de tweede wereldoorlog niet overleefd. Zij, de kinderen die tijdens en net na de oorlog werden geboren wel. Wat nu een beetje smalend de babyboom wordt genoemd, waren de kinderen van een nieuwe toekomst voor wie een ‘nooit-meer-oorlog een statement was, althans in de hoofden van de ouders, ondanks de tegenstellingen tussen wat wit en zwart werd genoemd. De ware verschrikkingen drongen vaak pas veel later door, zekere het lot van de Joodse families. Eens de geallieerde troepen Europa hadden verlaten werd vaak in alle stilte weer aangesloten bij de levenswijze van de dertiger jaren, alvast op religieus en moreel vlak. Het zou tot in de zestiger jaren duren om de volle omvang van de verschrikkingen duidelijk te maken. ( cfr.De Auschwitzprocessen 1963-1965)

For Benjamin, the whole world was material for criticism.
Illustration by Ralph Steadman

Al waren zij met velen, de kinderen op de rand van – en kort na de oorlog, maar noch in de kleuterschool (de bewaarschool) noch bij bij de Broeders in de lagere school had hij ooit het gevoel te verdrinken in klassen die vaak meer dan 55 kinderen telden. Hij denkt dat alles trager ging, dat de betovering van de talrijke (bijbel)verhalen en het vele handwerk hen voortdurend uitnodigden om intens bezig te zijn met nieuwe vaardigheden.

uit ‘Het Bezemklokje’ 2018 Foto bewaarschool-klasje van Truus Van Gestel 1945-46 Kinderen braaf handjes op de rug. Links op de voorste bank in de middenrij zit Truus.


Het leren lezen en schrijven in de laatste kleuterklas gaf je bij het begin van het eerste leerjaar in de lagere school een zekere voorsprong maar die werd deskundig besteed door je maatjes letters en woorden bij te brengen.
Een kind had een drukke dag in de vijftiger jaren. Vroeg opstaan, naar de mis gaan, terug naar huis en ontbijten, met je maatje naar school wandelen, lopen, springen, tot twaalf uur de klas in, terug naar huis om te middagmalen, en met een snoepje uit de Ovomaltine-doos weer naar school, lesjes, speeltijd nog een lesje en eventueel studie zodat het tijdens de eerste maanden van het schooljaar steeds donkerder werd eer je thuiskwam waar het avondeten op je wachtte en je daarna onmiddellijk onder de klassieke wol belandde. Dinsdag- en dondernamiddag was je vrij, maar zaterdag telde als schooldag waar bij thuiskomst het bad – bed de dag afrondde, al mocht je sinds 1953 bij va-va nog even televisie kijken tot het nieuws begon. Met de vakantie ging je naar de vakantieschool, elke dag in het Raadsheren-park rondhossen: water, zavel, bossen en je eigen gangen kunnen gaan.
Aan de horizon verscheen 1956: verhuis naar de kostschool om er Latijn en Grieks te studeren. Het leven met 650 jongens in een tijd die uit zijn voegen gaat barsten. En zij barstten mee. Op de hen toegelaten manier. Maar tot die tijd waren zij onsterfelijk. De oorlogskinderen.

Moeder Gabriel, de overste van de kloostergemeenschap, was ook de directrice van de school en in die functie verwelkomde zij elke morgen en namiddag de kinderen bij het binnenkomen. Je kon toen in de Beekstraat niet blijven eten op school, de kinderen gingen ’s middags naar huis en kwamen daarna weer terug. Moeder Gabriel zat achter een tafeltje op een klein verhoog vooraan in de lange brede gang en kende alle kinderen met voor- en familienaam. Boven haar hoofd hing aan de muur een grote bel met trekkoord om het begin en het einde van de klasactiviteiten in te luiden.

(Truus Van Gestel Het Bezemklokje  2018)
Schoolfoto uit de Bewaarschool. De 2 broertjes in 1949. Niet copiëren aub. Op de vraag waarom het jongste broertje zo lelijk keek, antwoordde hij: “Die fotograaf keek ook heel lelijk!”
En natuurlijk ook allerlei handvaardigheidsoefeningen: lapjes stof pluizen, figuurtjes prikken uit glanzend gekleurd papier met een scherpe priknaald en op een plat kussentje dat wel eens onder het papier wegschoof, scheepjes, bloemvaasjes of kleertjes vouwen eveneens uit glanzend gekleurd papier, matjes weven in, jawel, glanzend gekleurd papier verticaal ingesneden om er met een metalen weef-pen en reepjes glanzend gekleurd papier in een contrasterende kleur een mooi figuurtje mee te maken. Met glanzend gekleurd papier werd ook geknipt en gescheurd, met kleurpotloden moest je leren binnen de lijntjes te kleuren en de lijmpot was ook nooit ver weg, want einde schooljaar moest elke kleuter een "Mijn album" af hebben. In de derde kleuterklas leerde ik ook met een griffel tekenen en letters schrijven op een echte lei met houten kadertje rond de leisteen.  (Truus van Gestel)
bakelieten sponsdoosje

Je kon je lei telkens weer afvegen met dat allerzachtste sponsje dat je in een mooi bakelieten doosje opborg. Je dacht dat het je letters bijhield maar wie kende het geheim om hen weer op je lei te toveren? Je tekende een sterrenhemel waarin elke ster een letter was. Je ontdekte heel vroeg geheimschriften waarmee je toverspreuken bewaarde voor kwade dagen of als je bang was in het donker. Daarna kwamen boeken. En letterdozen waarmee je zelf piepkleine verhaaltjes kon stempelen. En…

Foto door Admiral General M.

En de verhalen hoe God de wereld schiep. Een paradijs. Tot het drama met de fruitboom en een sprekende slang. Het vlammende zwaard van de engel bij de uitgang. Hel, hemel en vagevuur. De zondvloed. De stenen tafelen om maar enkele toppers te noemen, alsof zuster Anna er zelf was bij geweest. Daniël in de leeuwenkuil. Jonas in de walvis. Hij denkt wel eens dat hun manier van vertellen aan de basis van zijn latere eigen verhalen lag.

Na de vertelling mochten zij hun hoofdje op de bank leggen en even slapen terwijl de zuster langs de rijen liep . Hij loerde naar Daniël en hij knipoogde even voor hij in zijn droom tegen een leeuw aan schurkte. Hij sloot zijn ogen en besloot aan een ark te beginnen om later Daniël en zijn leeuwen op te halen voor zij zouden verdrinken.

Vroeger waren we onsterfelijk? Hadden we maar ietsje meer onsterfelijkheid in onze macht om diegenen onder ons te behouden die ons te vroeg ontvallen. Martine Tanghe, moeder aller nieuwsankers, werd zij bij haar pensioen genoemd. De vervlechting van kunde en warme menselijkheid, van taalvaardigheid en stille concentratie, van de glimlach en mateloze inzet. Blijf ons nabij.

Martine met kleinzoon

Teruggevonden liedjes

Foto door Brett Sayles

Een liedje zou ik heel graag zingen
zonder gods lof of 's konings macht te verkondigen.

Zelfs liefdeszucht of onvervuld verlangen
hoort niet thuis in mijn zingend oud hart.

Ik zing een liedje
zoals kinderen hun vliegers oplaten.

Uit liefde voor de lucht.

Foto door Pixabay

We zouden ons bekeren,
de liefde demonstreren, woestijnen irrigeren,
of voor het vaderland
brood en beleg ontberen.

We zouden u adviseren,
uw goedheid te cultiveren, uw driften te couperen,
of voor het latere leven
goed uw les te leren.

We zouden zeker sterk ageren,
tegen onrecht protesteren, de massa’ s alarmeren,
of wie onwetend is
dringend alfabetiseren.

We zouden ons analyseren,
onze fouten annuleren, op wilskracht appeleren,
en voor de nieuwe mens
heel krachtig applaudisseren.

We zouden ons verweren,
onszelf bekritiseren, problemen bestuderen,
en dag na dag
het kwaad in ons bezweren.

Wij zouden nooit capituleren,
elke storm trotseren, onze ikzucht camoufleren,
of voor de zieke mensen
geld en goederen collecteren.

We zouden tirannen contesteren,
een vredeslied componeren, onze roddels controleren,
en voor elke goede zaak
ons honderd procent engageren.

Maar...

Maar het regende, en om goed te functioneren,
succes te garanderen, onszelf te humaniseren
waren wij te moe
en lagen wij de godganse dag in bed te fantaseren.

Luister naar het opkomend onweer en herinner je.

‘Tellen!’
Een kreet na het hevige bliksemlicht. Tot wanneer het gedonder begon.
‘Nog 12 kilometer!’.
Het bleef stil tot de kamer opnieuw een onderdeel van een seconde overbelicht was.
‘Negen!’
‘Niemand nog een schaar of een mes aanraken!’
‘Vier!’
Met de ‘vier’ rolde een dondertrein de kamer binnen.
‘Rustig!’
Wij zaten al onder de tafel.
‘Denk je dat er een vuurbol binnen kan langs de schoorsteen?’
Vuurbollen waren ‘het’ onderwerp bij naderend onweer.
‘Jaja, bij Van Peregem was het prijs vorig jaar. Een reusachtige vuurbol rolde rond de tafel en gelukkig dat Jos de deur kon open stampen of de vuurbol had het huis in de fik gezet.’
Kreeg moe-moe Theresia dit verhaal te horen dan zuchtte ze diep, schudde haar wijze hoofd:
‘De tijd van paternosters en palmtakjes met wijwater is voorbij! Onweer is weer als een ander. Ge moet dat durven bekijken!’
Logeerden wij er tijdens de augustusmaand, dan was een onweer een publieke vertoning.
Ze schoof met een fikse beweging de grote overgordijnen opzij, riep dat iedereen een stoel moest meebrengen en daar zaten we op één rij en riepen we luidop wat we zagen.
‘Als dat niet mooi is, wat dan wel?’
‘Dat is tekenen met heel veel licht op de wolken, moe-moe.’
‘Mooi gezegd, kleine, maar morgen gaan we naar de bibliotheek en dan zoeken we een boek waarin we alles over onweer te weten komen.’
De kreet ‘naar de bibliotheek’ klonk telkens luidop als we serieus van mening verschilden en tenslotte ruzie gingen maken door onze onwetendheid.
Als het nu onweert hoor ik haar lachen zoals ze lachte als we toch nog onder de tafel wilden wegkruipen.
En hoe goed we het na ‘de bibliotheek’ ook begrepen, het bleef een indrukwekkend schouwspel. Ik heb haar handen ook wel eens zien beven bij een alles verdovende ratelslag. Maar zag ze dan mij in de deuropening staan dan klonk zonder aarzeling het bevel: Open met die gordijnen, we gaan samen gezellig bliksem kijken!’

Foto door Frank Cone






Een bloem, een oud wiegeliedje

'Waarom kunnen bloemen niet vliegen, papa?' '
'De lucht is voor vogels, de aarde voor bloemen. 
Slaap, mijn kind.'

'In mijn land groeien er vogels op steeltjes
en vliegen bloemen op vleugels in de avondlucht.
Kom je mee, papa?'

'Eén bloem vliegt met het donker naar de hemel
en wordt er avondster.
Als eerste bloeit ze open en dooft als de morgen
 zijn vingers door de horizon steekt.
Slaap, mijn kind.'

'Domme papa,
alle bloemen verkleden zich 's nachts als sterren.
De vogels pikken ze los
en laten ze 's morgens weer op aarde vallen.
Kom je mee, papa?'

'Slaap, mijn kind.
Jij bent mijn bloem.
De donkere hemel wacht op jou.'

(voor ons kind dat dit jaar vijftig wordt)

Foto door Sindre Fs

Als je het hebt over donder, onweer, storm en regen, ben je bij dit nummer dus aan het verkeerde adres. Rustige muziek die eerder klinkt als stilte voor de storm. Het moment dat je voelt de bui zo kan losbarsten, de donder in de lucht hangt, het moment dat je hoort dat het harder gaat waaien, de eerste regendruppels tegen het raam aantikken en de lucht langzaam donker wordt. Op dat moment stel ik mij deze band voor, die langzamerhand de stilte opvult.  En als dan de klanken wegsterven, begint het te regenen en te waaien. Hoor ik daar de eerste onweersslag?  (Marcel Klein  in Ondergewaardeerde liedjes)

Ga naar: https://ondergewaardeerdeliedjes.nl/2019/09/23/de-onweer-battle/

Foto door Etha

Een gevleugelde ontmoeting

Hans Thoma Kippen voederen. 1870 Neue Pinakothek

Voor ik mij naar het flamboyante werk van kunstenaar Koen Vanmechelen wil begeven, zal ik mijn ontmoeting met een merkwaardig wezen van zijn oorspronkelijke belangstelling niet verzwijgen, al zouden mijn herinneringen best door de aanhoudende hitte enigszins kunnen beïnvloed zijn en zou ook de gevorderde leeftijd het waarheidsgehalte hebben aangetast. Anderzijds is de vertrouwdheid met haar wezen al op vrij jonge leeftijd gedocumenteerd.

eigen foto

Dat de gevorderde versie van dit joch zich graag met dit gevogelte bleef omringen maakt de ontmoeting die ik wil verhalen geloofwaardiger, al moet ik de lezer(es) waarschuwen dat de beschrijving ervan de tochtgaten van het verleden met eigen herinneringen heeft opgevuld. In de rurale omgeving is het inderdaad best mogelijk dat één van de aanwezige kippen haar beperkte vliegcapaciteiten gebruikte om aan het geopende raam van mijn werkkamer te verschijnen. Iedere soort kent haar durvers en nieuwsgierigen. Haar openingszin echter is tot op de dag van vandaag helder en duidelijk blijven nazinderen:

ortrait of the Chicken as a Young Cockerel is a painting by Lesley Spanos

‘Wij hebben nog voor John gewerkt.  John Irving.  Wel?’ 
Er zijn dagen dat niets of niemand je verbaast.  Te warm, te hectisch.  Gewoon ‘te’.
‘Dat is nu toch al een frisse jongen van eenentachtig.’
Alsof ik elke dag met een kip Amerikaanse letterkunde zou bespreken.
‘Ik bedoel maar, verwar ons niet met de eerste de beste leghen, ook al zijn wij, New Hampshire kippen, eerder een symbool van de stevige no nonsens-kip.  Brede bouw, diepe borst, bruinrode ogen, getooide kop met een enkele kam. Niet te veel tralala rond de kippenkont.  Niet zo rustig en tam als de veel gezochte Barnevelders maar net zo sociaal als een fel geprezen Bielefelder en toch ietsje meer présence dan de Welsumer.’ die het van zijn tamheid moet hebben.’

‘New Hampshire,’ probeerde ik terwijl de kip zich tussen de boeken van Elias Canetti en Albert Camus had neergezet.
Ik las luidop het resultaat van mijn zoektocht op het scherm:


‘De New Hampshire kip is een erg vitaal ras dat geen extra verzorging nodig heeft. New Hampshire kippen hebben niet veel ruimte nodig en voelen zich overal thuis. Dit maakt ze ideaal voor in de stadstuin. Ze kunnen zowel in de vrije uitloop als in de ren gehouden worden.Hun prachtige karakter dat rustig, betrouwbaar en ontzettend lief is, maakt ze uiterst geschikt voor beginners en kinderen.’

‘Voor beginners en kinderen’, herlas ik nog eens bij wijze van geruststelling.
‘Weet je dat John ook een kinderboek heeft geschreven:  ‘Een geluid alsof iemand geen geluid  wil maken’? ‘A  Sound Like Someone Trying Not To Make a Sound’.
Dat wist ik niet.
‘Hij weet hoe je met een kip kunt spreken.  Je denkt bijna luidop en dan klinkt het net alsof  het niet is uitgesproken maar toch werd gehoord. Zoals geluiden ’s nachts.  Het zijn misschien muizen tussen muren, maar je moet niet te bang zijn, want wat je hoort klinkt alsof het er niet is.  Begrijp je?’
Ik knikte.
‘Maar jij bent er. Alles goed met jou?’
‘Niet op letten, ik zit zit wat krap tussen Camus en Canetti. Ik kom wel eens terug als het niet zo warm is. ‘
Ze sprong vrij sierlijk op de raamrand.  
‘A sound like someone trying not to make a sound.’ zei ze.   Met de New Hampshire kleur in elke oe- en ai-klank. En daarna, in het mooiste helderste Amerikaans-Engels,  een zin uit ‘de wereld volgens Garp’, John’s boek dat zich bliksemsnel over de hele beschaafde wereld verspreidde: ‘Imaging something is better than remembering something.’  

‘De rol van een haan in een kippencollectie is zwaar overtrokken,’ was de openingszin waarmee zij mij enkele dagen later begroette. Ik had Canetti en Camus een beetje meer uit elkaar geschoven en van ‘History of Art’ een zitje gemaakt zodat zij zich gezellig kon neervlijen. Of ik een bezem had? En of ik hem dan tussen Canetti en Camus wou leggen. ‘Een kip zit graag op stok.
Wilt u kuikentjes?’
Ik legde haar uit dat ik maar tijdelijk deze kamer betrok, ja dat ik zelfs hier bij vrienden logeerde om in deze landelijke omgeving aan een boek te kunnen werken.
‘Zonder haan geen kuikentjes, dat wilde ik duidelijk maken.’
‘Misschien is het wel spannend, zo’n haan,’ probeerde ik.
‘Hij slooft zich graag uit, dat is waar. Denkt dat hij op de uitkijk moet staan, en ons bij gevaar moet waarschuwen.’
‘Dat klinkt erg nobel, niet?’
‘Het is een natuurlijke reflex. Er is nu eenmaal een pikorde in het hok. Wij laten hem dus graag in de waan dat hij het voor het zeggen heeft. Maar eerlijk: hij is galant, komt ons vertellen waar we eten kunnen vinden of schaduw, waar we onze eieren kunnen leggen zodat enkele hennen niet meer zelfstandig kunnen denken, en zich graag tegen hem aanschurken. Mensen beweren dat een haan in het hoenderhok het rendement verhoogt. Rendement. Een verschrikkelijk woord. Zou u niet over ‘rendement’ kunnen schrijven? Ik heb er lang over nagedacht toen we werden opgehokt omdat er vogelgriep rondwaarde. Het is tenslotte de verhouding tussen opbrengst en inleg. De haan die voor rust zou zorgen is de inleg, de rustige kippen die daardoor meer eieren produceren, de opbrengst. Return on investement, afgekort ROI, het Franse woord voor koning. Niet de haan is hier de baas, maar het rendement. Het rendement heerst over ons allen. En beste, hoe is het met jouw rendement? Wie gaat er geloof hechten aan een stuk of een boek over een pratende kip? Een kip met een roeping?’

Volgende afleveringen zullen ten gepaste tijde in dit blog verschijnen.  Wees dus voorzichtig met kippen.  Behandel ze met de nodige eerbied en waardering.  Net zoals wij nemen zij de omringende wereld waar. De Duits-Britse schrijver W.G. Sebald (1944-2001) wiens werk vooral de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust omvat, schreef  in ‘Duizelingen’:

‘Op een gegeven moment vielen me midden in een groen veld een paar kippen op die zich, hoewel de regen nog helemaal niet zo lang geleden was opgehouden, een naar mijn idee voor die kleine witte beestjes enorm stuk hadden verwijderd van de boerderij waar ze thuishoorden. Om een reden die ik nog steeds niet helemaal kan begrijpen heeft de aanblik van dat groepje kippen dat zich zo ver het vrije veld in had gewaagd, mij zeer geraakt. Ik weet hoe dan ook niet wat het aan bepaalde dingen of wezens is dat mij soms zo ontroert.’

(Nieuwsgierig naar W.G. Sebald?  Lees zijn prachtig boek ‘Austerlitz’.)

‘Cautiously Optistic’ (or Chicken|Man) Ron Mueck

Diefje-met-verlos in de Scheldestad? Een brief aan Cecilia.

De zevende engel van de Apocalyps

Lieve Cecilia,

In de nagalm van het laatste voetbalgedruis vroeg ik me af of er wonderen nodig zouden zijn om jouw stad aan de Schelde nog te kunnen redden van de digitale piraten? Kun je iemands bezit eigen maken, erger nog de geslaagde poging om een stad te verlammen door haar digitale keuken af te sluiten. Kon de heerser in vroeger tijden genoegen nemen met een symbolische sleutel, nu volstaat een zwakke plaats in haar digitale werking te vinden en vandaar het doen en laten te verlammen zonder een greintje lijfelijke aanwezigheid.

Het dreigement persoonlijke gegevens van haar burgers op het net rond te strooien bij niet-betaling gijzelt elke bewoner. Inbreken in wat zo mooi ‘de persoonlijke leefsfeer’ wordt genoemd. De beeldende voorstelling van dergelijke grootscheepse diefstal waarbij elke burger op een of andere manier gehinderd kan worden een vrij mens te zijn, beperkt zich tot een duistere figuur achter een berg computerschermen, vaak gehuld in een soort monnikspij. Dat een ordinaire nerd in hemdsmouwen computer op de niet geruimde keukentafel een meer realistisch beeld is, dringt pas langzaam tot ons door. Stel, je nieuwe auto is gestolen. Je kunt hem terugkrijgen door hem nog eens te betalen.

By inserting subliminal images in the videogame, hackers were able to probe the player’s unconscious mental reaction to specific stimuli, such as postal addresses, bank details or human faces. This way, they were able to glean information including a credit card’s PIN number and a place of residence.

Ballarín, who is a telecommunications engineer and a cybersecurity expert, has tested a few devices himself. He hacked a brand-name EEG headset and managed to intercept the neural data sent by the device to a paired cell phone. “If you can process these signals, you can get information regarding disease, cognitive capabilities or even a user’s tastes and preferences, which may be something quite personal, like sexual preferences that you wouldn’t even discuss with a partner,” he warns.(Bruno Martin BBVA Open Mind)
'Eventjes een foto maken', zei de dokter.
Koptelefoon op je hoofd, want zo'n ding maakt hels lawaai.
Commerciële radio als troost?
'Je kunt je goed ontspannen.  Doe de groeten aan je vriend.'
Brain implants known as implantable pulse generators (IPGs) are already used to treat brain disorders such as Parkinson’s disease and depression. They use electrical signals to stimulate or block nerve impulses in the body.

The latest versions of these devices come with management software for both patients and clinicians to access on a smartphone or tablet via Bluetooth.

Research by cybersecurity company Kaspersky Lab and the University of Oxford Functional Neurosurgery Group explored vulnerabilities in these implanted devices and found a number of potential risks, such as an unencrypted data transfer between the implant, software and network.

The Russian company warns that in serious cases this type of brain hacking could be used to inflict pain or paralysis, as well as the theft of personal data.
Kaspersky researchers also note that these devices have weak password security, with physicians needing access to the password in case of an emergency. (Robert Scammel Verdict)

https://www.verdict.co.uk/brain-hacking-memories-safe/

‘De dief’ als dramatis persona kon meestal op bijval rekenen. Dat begint met ‘het stelen van de rijken’, gaat over naar het stelen als personaliteit(en) met het hart al dan niet op de rechte plaats en wordt pas gemeen als het personage kan dienen als aantasting van de volkse levensstandaard.( Robin Hood, Bonny and Clide, en tenslotte een anonieme ‘gemene’ paardendief.)

Hun criminele 'zegetocht' duurde niet lang: op 23 mei 1934 vonden ze de dood, nadat ze door de politie in een hinderlaag waren gelokt. Hoewel ze tot de tanden toe bewapend waren, werden Bonnie en Clyde zodanig overrompeld dat ze niet de kans kregen naar de wapens te grijpen en werden ze volgens de geschiedschrijvers "door een regen van duizend geweerschoten" geveld. Op dat moment werden ze verdacht van 13 moorden en diverse overvallen en inbraken. (Wikipedia)
Boys put on a production of ‘Hanging a Horse Thief’ in Falls Mill.

Kunstdieven zijn een geval apart. We citeren graag het begin van een justitiële publicatie van Boom over dit onderwerp.

Het specifieke karakter van kunstdiefstal, hoe het in elkaar zit, de betrokkenheid van de georganiseerde misdaad, de motieven van de dieven, hun zeer beperkte of zelfs volledig ontbrekende kennis van kunst – het zijn allemaal onderwerpen waarover weinig diepgaande kennis beschikbaar is, zelfs bij de politie. Spannende films over spectaculaire kunstroven spreken enorm tot de publieke verbeelding, maar echte kennis over dit type criminaliteit ontbreekt vaak. Fantasie wordt zelfs vaker voor waar aangenomen dan de echte feiten. Zoals ook in The museum of lost art te lezen valt, is kunstcriminaliteit een van de weinige misdaadtakken waarbij criminelen hun vak ‘leren’ uit boeken en films (Charney 2018)

Het toe-eigenen is een ander verhaal. Jij als maker van fraaie televisiedocumentaires eigende jou de levensverhalen van een aantal mensen en/of plaatsen toe met de bedoeling ze op zo’n intense manier vorm te geven dat er een betrokkenheid ontstond tussen het onderwerp en de kijkers. Je gaf ze dus terug in een vorm eigen aan het medium. Het is een niet makkelijk ingrijpen want jij als eindregisseur bepaalt de teneur van je onderwerp. Diefje-met-verlos?

Ofschoon het onduidelijk is waar het vandaan komt, is ‘Diefje met verlos’ een spel dat al eeuwenlang voor de nodige opwinding gezorgd heeft. Tijdens zijn regering (1327-1377) zag Edward 3e zich genoodzaakt het spel te verbannen uit de tuinen van het Westminster Palace, aangezien de dames en heren met hun gejoel de parlementaire besprekingen verstoorden. Dit decreet deed echter niets af aan de populariteit van het spel en het wordt sindsdien nog steeds met veel plezier door jong en oud gespeeld, zowel in zijn originele vorm als in zijn veel mildere vormen zoals ‘quatre coins’(Kinderwereld NL museum)

De eenvoudigste vorm zoals ik hem mij herinner uit mijn internaatswereld waar je ’s avonds eindelijk niet meer moest voetballen op de speelplaats maar ‘ketting’ mocht spelen, een variatie van diefje-met-verlos. Jagers tikken je, je moet naar de plaats waar alle ‘getikten’ een ketting vormen. Kun je nog als vrije jongen door die ketting lopen dan verlos je meteen alle gevangenen. Heerlijk! Je kunt het dus met dat ‘boeien’ door een ‘kunstproduct’ vergelijken en doordat jij de creatie en dus presentatie ‘boeiend’ hebt gemaakt, ontstaat er een verlossend moment van herkenning! Je bent dus diefje en verlosser samen als kunstenaar(es).

Couple aux têtes pleines de nuages Savador Dali

En er is het personage dat komt ‘als een dief in de nacht’. Dichter Luuk Gruwez schrijft in ‘Advies aan een dief’ dat hij welkom is.

Komt u maar binnen door mijn achterdeur, 
die doe ik bijna nooit op slot. 
Gaat u toch zitten, doe mijn sloffen aan; 
er staat een borrel in de kast. 
Mijn allerliefste dief bent u. 
U zult waarschijnlijk zenuwachtig zijn.
Dit huis is mijn museum. Kijk. De gekste dingen heb ik hier bijeen, 

En na een opsomming van zijn bezit, komt de bezoeker bij een kamer.

Ten slotte komt u bij een kamer. 
Die is potdicht, waarvoor excuus. 
Hier houd ik mijn vriendin gevangen 
in touwen, ketting om de voet. 
Geen mens kent de bezitter van haar lijf.
Of toch: wilt u het waarlijk weten? 
Ik lig al naast haar, twintig jaar. 
Wij zijn er trots op dat wij ouder worden, 
de laatsten die geloven in elkaar. 
En als zij slaapt hou ik haar dromen vast, 
en als zij zucht of kucht haar keel, 
en telkens als zij lacht haar lach 
en telkens als zij weent haar tranen. 
Er is maar één dief die ik vrees: 
de dief die harten steelt.

U moet geweldig van mij houden
dat u mij zozeer wilt beroven. 
Maar ook al neemt u alles mee, 
laat haar bij mij, en mij bij haar.

Uit Dieven en geliefden, De Arbeiderspers 2000

Misschien zie je vanuit je raam boven de Schelde de zevende engel voorbijkomen. Johannes, de leerling die Jezus liefhad beschrijft hem als:

"En de zevende engel blies op de bazuin, en er klonken luide stemmen in de hemel, die zeiden: De koninkrijken van deze wereld zijn van onze Heere en van Zijn Jezus Christus geworden, en Hij zal Koning zijn in alle eeuwigheid." (Openbaring 11:15)

Het afsluiten van de tijd. Al die ‘rijken’ (in meervoudige betekenis) zijn overbodig geworden. Als ‘dieven van de tijd’ is onze buit overbodig. Schud leeg die herinneringen en verwachtingen. Gooi ze niet weg, maar laat ze als sterren in de eeuwige hemel schitteren. We zullen er niet alleen naar kunnen kijken, maar, de mooiste vorm van waarnemen, er als kinderen mee spelen. Zoals de foto’s van die ons voorgingen uit hun kader stappen en ons tijdloos omarmen. De diefjes zijn verlost van gisteren en morgen. Mijn innige kerstwens voor jou en degenen die dit blog hebben mee gelezen. Het mooie nu van elk ogenblik.

Eigen foto
Theft
(Esther Popel)

The moon
Was an old, old woman, tonight,
Hurrying home;
Calling pitifully to her children,
The stars,
Begging them to go home with her
For she was afraid,
But they would not.
They only laughed
While she crept along
Huddling against the dark blue wall of the Night
Stooping low,
Her old black hood wrapped close about her ears,
And only the pale curve of her yellow cheek
With a tear in the hollow of it
Showing through.
And the wind laughed too,
For he was teasing the old woman,
Pelting her with snowballs,
Filling her old eyes with the flakes of them,
Making her cold.
She stumbled along, shivering,
And once she fell,
And the snow buried her;
And all her jewels
Slid from the old bag
Under her arm
And fell to earth,
And the tall trees seized them,
And hung them about their necks,
And filled their bony arms with them.
All their nakedness was covered by her jewels,
And they would not give them back to her.
The old moon-woman moaned piteously, 
Hurrying home;
And the wild wind laughed at her
And her children laughed too,
And the tall trees taunted her
With their glittering plunder.
Esther Popel Shaw, born on July 16, 1896, in Harrisburg, Pennsylvania, was a poet and critic from the Harlem Renaissance. She is the author of Thoughtless Thinks by a Thinkless Thaughter, a volume of poetry that she self-published in 1915 while she was still in high school, as well as A Forest Pool, a collection privately printed in 1934. Her writing also appeared frequently in periodicals such as Opportunity, The Crisis, and The Journal of Negro Education. She died on January 28, 1958.

De ziel gezuiverd of gepijnigd?

Très Riches Heures du Duc de Berry or Très Riches Heures is probably the most important illuminated manuscript of the 15th century, "le roi des manuscrits enluminés" ("the king of illuminated manuscripts"). It is a very richly decorated Book of Hours containing over 200 folios, of which about half are full page illustrations.

It was painted sometime between 1412 and 1416 by the Limbourg brothers for their patron Jean, Duc de Berry . They left it unfinished at their (and the Duke's) death in 1416. Charles I, Duke I of Savoy commissioned Jean Colombe to finish the paintings between 1485-1489.


Als pagina uit het hand geschilderde en beletterde gebedenboek voor de hertog van Berry kan dit tellen. Het vagevuur. De uitgebeelde eeuwige zaligheid, vooral toebedeeld aan personages van vrouwelijke kunne, kwam pas tot stand eens je een tijdje geroosterd was in het vagevuur waaruit een engel des heren je kwam bevrijden, vingertje in de lucht waar de gelukzaligheid op je wachtte.

De versie van Zuster Anna, docente in de ‘bewaarschool van een Kempisch stadje’, enkele jaren na de waar gebeurde hel van de tweede wereldoorlog, liet er geen twijfel over bestaan: ‘Hoe braaf je ook was geweest, voor het gros van de nieuwe lichting bleek de weg naar de hemel slechts via het vagevuur te bereiken tenzij een uiterst heilig leven waarin zelfs denken aan het wegmoffelen van snoepjes, al een ernstig vergrijp bleek te zijn. Zij schilderde beter dan Dante Alighieri deze zacht sputterende vlammenzee waarboven de zondaar zonder enige bescherming een licht kreeften-stadium zou bereiken vooraleer, meisjes eerst, door een wenk van een engel je mocht opstijgen naar de koelte van het uitspansel toen nog als ‘hemel’ bekend.

Purgatory by Sergey Tyukanov

Met oprechte bewondering voor haar meevoelend taalgebruik vroeg hij eerbiedig, nog ontdaan door de levendige schildering: ‘Zuster, wat kunt u dat mooi vertellen. Is u daar al zelf geweest?’ De pedagogische glimlach verdween onmiddellijk en ze wilde wel eens zijn ouders spreken.

Illustration by James Kerr / Scorpion Dagger The New Yorker 2021
The concept of Purgatory was relatively new when Dante was born; it came into currency in the twelfth century, perhaps among French theologians. This invention of a liminal space for sinners who had repented but still had work to do on their souls was a great consolation to the faithful. It was also a boon for the Church. By the late Middle Ages, you could shorten your detention by years, centuries, or even millennia by paying a hefty sum to a “pardoner,” like Chaucer’s pilgrim. A popular ditty captured the cynicism this practice inspired: “As soon as a coin in the coffer rings / The soul from Purgatory springs.” (Judith Turman)

Before Dante, though, the notion of Purgatory was an empty lot waiting for a visionary developer. His blueprint is an invention of exquisite specificity. A ziggurat-like mountain ringed with seven terraces, one for each of the cardinal sins, rises from the sea in the Southern Hemisphere, opposite the globe from Jerusalem, with the Earthly Paradise at its summit. According to Dante, this mountain was formed by the impact of Satan’s fall to Earth. His descent brought grief to the children of Eve—those “seductions of sin and evil” that every godparent must renounce. But it also created a stairway to Heaven.(ibidem)
Sandro Botticelli, Inferno, Canto XVIII, 1480s, coloured drawing on parchment, 320 x 470 mm, Staatliche Museen, Berlin

Dante’s concept van het Vagevuur lijkt opmerkelijk veel op een trainingskamp in de wildernis. Het terrein is afschrikwekkend – meer als een alp dan als een Toscaanse heuvel. Elk van de ruige terrassen is een setting voor groepstherapie, waar bovennatuurlijke begeleiders harde liefde uitdelen. Hun leerlingen zijn zondaars, maar niet onverbeterlijk: ze hebben allemaal Jezus omarmd als hun verlosser. Maar voor hun dood hebben ze anderen en zichzelf kwaad gedaan, dus hun geesten hebben een heropvoeding nodig. Ze zullen promoveren naar het aardse paradijs, en uiteindelijk naar de hemel, na hoeveel tijd ze nodig hebben om hun sterfelijke tekortkomingen te overstijgen door ze te aanvaarden. ( Judith Turman Reading Dante’s Purgatory While the World Hangs in the Balance The New Yorker 2021)

Het vagevuur was in feite al bij leven beïnvloedbaar. Met een flinke aflaat kon je een ziel strafvermindering geven, ja zelfs verlossing met ‘een volle aflaat’. Het verwonderde mij steeds dat protestanten die toch mee aan de basis van het kapitalisme liggen daar nooit toekomst in hebben gezien. Zij vonden die handel ten zeerste verwerpelijk. Je lot lag al voor je geboorte vast, en dat was dat. Kop in kas en hopen dat je bij de uitverkorenen bent. En als er dan toch wat te verdienen was dan liefst met gouden en zilveren munten.

Een specifiek voorbeeld van een aflaatpraktijk die op de overledenen in het vagevuur is gericht is het zogenaamde ‘pesjoenkelen’. Dit is een aflaatpraktijk waarbij men op de dag van Allerzielen de kerk binnengaat en vijf Weesgegroetjes, vijf Onze Vaders en vijf Eer aan de Vaders bidt (ter intentie van de paus). Hiermee verdient men dan een volledige aflaat ten gunste van een overledene, die dan ‘bevrijd’ wordt uit het vagevuur. Na het bidden kon men de kerk verlaten, haar weer binnentreden, en vervolgens de hele serie gebeden herhalen om zodoende nog iemand te bevrijden uit het vagevuur. De term pesjoenkelen duidt nu op de praktijk van het herhaaldelijk binnen- en buitengaan van de kerk, met als doel zoveel mogelijk overledenen te bevrijden uit het vagevuur.
(Lucepedia Digitale Theologische Encyclopedie)
Hieronymus Bosch Christ in Limbo National Musuem Poland

Het is dus duidelijk een apocrief verhaal maar het blijft mij ontroeren: Christus die na zijn kruisdood en voor zijn verrijzenis zou afgedaald zijn naar de hel en daar zou hij de zielen van de rechtvaardigen vanaf Adam hebben bevrijd. De opstanding van Jezus die voorafgegaan wordt door een afdaling is in de Oosterse kerk het centrale motief van deze fresco in de Chorakerk in Istanboel (ca 1320).

Hoorde het jongetje zijn opa vertellen over wat hij had meegemaakt in de Grote Oorlog, hoorde hij de verhalen als oudere jongen waarin mensen in goederentreinen naar de kampen werden gevoerd, dan wist hij dat de hel al sinds mensenheugenis zich niet ondergronds maar in volle dag en diepe nacht zich onder onze ogen afspeelt. Nog steeds.

Hoorde hij nog in zijn geheugen dat de hel de anderen zouden zijn dan wist hij dat we met zijn allen best vaak de ik-vorm kunnen gebruiken, net zoals dat met de hemel mogelijk is. Maar zonder die duivels had hij best even in dat vagevuur willen blijven rondhangen. In goed gezelschap. En daarna aan het handje van die lieve zuster Anna een tiental keer rond de kerk zodat ze met zijn allen nog voor het donker thuis zouden komen. Alvast goed voorverwarmd.

Kunst in koude dagen (1)

Venus Frigida PP Rubens 1614

Net vandaag beschrijft Geert van der Speeten in de Standaard dit fraaie schilderij van Pieter P. Rubens waarop de verkilde liefde te zien is , Venus Frigida, weldra te bekijken in het vernieuwde KMSKA. Het zou een mooi uithangbord zijn bij een artistieke reactie op de huidige waanzinnige tarieven voor gas en elektriciteit. Vertrekpunt immers voor dit beeld waarin de koukleumende Venus en kleine Amor, pijlen doelloos op grond, zichtbaar zijn, is een vers van de Romeinse comedian Terentius (195-185) dat later een spreekwoord werd in de moderne tijd: ‘Sine Cerere et Libero friget Venus.’ Of in duidelijk Duits: ‘Ohne Wein und Brot ist Venus Tod.’ Zonder wijn en brood is Venus niet in goede doen. Je vindt de uitdrukking terug tot in de Adagia van Erasmus. Hoe het dan wel kan (of zou kunnen) zien we op een ‘pen-painting’ van Hendrick Goltzius uit 1600-1603. Uitleg lees je in ons blog van 1 juli 2005: het tekort aan menselijk.

    ... some good lessons
    Are also learnt from Ceres and from Bacchus
    Without whom Venus will not long attack us.
    While Venus fills the heart (without heart really
    Love, though good always, is not quite so good),
    Ceres presents a plate of vermicelli, –
    For love must be sustain'd like flesh and blood, –
    While Bacchus pours out wine, or hands a jelly.
    
Lord Byron— Don Juan Canto II, sections 169–170

Het kan dus net zo goed een bord vermicelli zijn of een lekkere gelei.

Helemaal gerust moet Pieter Pauwel niet geweest zijn want in datzelfde jaar 1613 of een jaartje eerder schilderde hij twee andere versies, nu te zien in Staatliche Museen Kassel. en een versie nu in de Gemäldegalerie der Akademie der Bildende Kunst Wien.

 Rubens employed the motif repeatedly in different ways, including the visibly freezing Venus Frigida, a version with Amor who desperately attempts to start a fire, and one with Venus at the Moment maßvollen Erwärmens und ruhigen Erwachens ('Moment of modestly warming and quietly waking') in which she hesitantly accepts a wine cup from Bacchus. (Wikipedia Article)

Dat het bij Paul Cézanne in de winter van 1865 niet warmer was mag dit schilderijtje duidelijk maken.

Paul Cezanne Stoof in de studio ca 1865

En die kachel speelt dan weer een rol in het mooie liedje van Don Quishocking: De oude school. Tekst van Willem Wilmink.

Ach zou die school er nog wel zijn,
kastanjebomen op het plein;
de zware deur.
Platen van ridders met een kruis
en van Goejanverwellesluis;
Geheel in kleur

Die mooie school daar stond je met
een pas gejatte sigaret
in 't fietsenrek.
Daar nam je bibberig en scheel
en van ellende groen en geel,
opnieuw een trek.

En als de meester jarig was
werd het rumoerig in de klas;
en zat je daar.
En je verwachte zo direct
een uiterst boeiend knaleffect:
de klapsigaar

Je speelde in het schooltoernooi
en het begin was wondermooi;
fijn voetbalweer.
Je kreeg met 10-1 op je smoel
de kleine keeper in zijn doel:
hij weende zeer

De najaarsblaren op de grond
daar stapte je zo fijn in 't rond;
de school voorbij.
En 's winters was de kachel heet
en als je daar dan sneeuw in smeet,
dan siste hij.

Het moet er allemaal nog zijn:
de deur, de bomen en het plein;
de grote heg.
Alleen die mooie lichte plaat,
waarop een kleine desa staat,
is misschien weg.

Bali, Lombok, Soemba, Soembawa,
Flores, Timor enzovoort

Bron: https://muzikum.eu/nl/don-quishocking/de-oude-school-songtekst

Weet je wel, oudje? Later meer hartverwarmende vondsten van ver en dichtbij.

De avonden (van Sinterklaas)

De ketel van het rode treintje bestond uit een blikken talkpoeder-bus. Daaraan was een houten stuurhutje gebouwd met daarachter plaats voor denkbeeldige kolen -de eerste maal een chocolade figuurtje in gekleurd zilverpapier-, het geheel op zes ronde wieltjes. Sinterklaas 1947.
Het beeld van het rode treintje hoort nog niet bij een kamer. Het treintje heeft zich losgemaakt uit de vergeten gebeurtenissen. Het is bijna vijfenzeventig jaar lang in een lege ruimte blijven rijden. Ik kan het van boven- en onderaan bekijken, maar het helaas niet in mijn handen houden.
Nu koop je voor geen geld houten treintjes, pedagogisch verantwoord met toebehoren in alle maten en gewichten, maar mijn eerste trein met de gelakte blikken ketel is met de maker voor altijd in het onbereikbare van de kindertijd verdwenen.

Paul Delvaux (1897-1994), Le vicinal, 1959

De glazen trein, in toenmalige kleutertaal ‘glassen-trein’, is nog steeds in talrijke maten en vormen op het net te bekijken en eventueel aan te schaffen. In de najaren van de tweede wereldoorlog echter bleek dat niet zo eenvoudig, maar als ik nu de foto’s uit eBay en aanverwanten bekijk dan voel ik een duidelijke verwantschap met mijn glazen machine waarin inderdaad ook snoepjes (even) werden bewaard.

De volgende trein, een blikken model met metalen rails, kon je met een sleuteltje opwinden en een tijdje in een cirkel laten rondrijden. De spoorweg uitbreiden (rechte rails onder de kerstboom) en aanvullen met allerlei soorten wagonnetjes was duidelijk op de doos uitgebeeld.
Bij deze trein hoort al het nieuwe huis en een broertje. Net te jong om zo’n locomotief netjes op de sporen te zetten en te oud om hem met een houten speelgoedje af te wimpelen. Het was hoe dan ook samen het treinnet uitbouwen en je leerde snel hoe je hem als kaartjesknipper het vertreksein kon laten geven terwijl jij het spoorwegnet beheerde.

A.L. Reid https://www.1stdibs.com/art/paintings/portrait-paintings/agnes-l-reid-train-set-british-20s-art-interior-oil-portrait-boy-playing-female-artist/id-a_8989892/

Bij deze treinen hoort de maand december. Met lange aanloop. Met het broertje speelde je elke avond in bed heuse dialogen waarin het verlangde speelgoed de hoofdrol kreeg. Ouder geworden, bracht de heilige man voor het broertje een prachtige paardenmolen die net als in de rups op de kermis op en neer gaand ronddraaide en waarop allerlei autootjes en paardjes met kermisklanten bemand konden worden. Uren handwerk om via een onderliggende fietsketting met een metalen zwengel de molen te laten draaien. Omdat ik het geheim al kende was er, na raadpleging, een mooi aquarium met verwarmingselement voor mij, net zoals er eentje in de klas ons liet dromen om nu en dan een visje te zijn terwijl wij met vraagstukken het debiet van pompen en kranen moesten berekenen.
De elektrische trein bleef een droom wegens te duur. Dus heb ik veel tijd doorgebracht voor de ramen van de sjieke confiserie achter de Sint Pieterskerk waar tussen al het lekkers een heus elektrisch treinnet was opgebouwd. Kijk, de koplampjes van de locomotiefjes, de op en neergaande ‘barelen’ als de trein voorbijkwam, kijk, kijk, kijk. En droom. En dat deden we.

David Lindsley

Na de stilte van Allerheiligen kwam het boekje van de Fort-bonnetjes.

Fort Producten werd opgestart door Karel Govaerts in 1928. Hij was oorspronkelijk handelaar in zuivelproducten maar breidde zijn assortiment uit, om nadien met het eigen merk Fort op de markt te komen. Hij richtte zich – met zijn voedingsproducten – vooral op kruidenierswinkels in heel België. Op die manier bouwde hij een eigen Fort-keten uit dat werd gevormd door zelfstandige winkeliers.
Tijdens de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog konden trouwe consumenten via spaarpunten en Fort-zegeltjes allerlei geschenken verzamelen. 

Dat speelgoedboekje werd grondig uitgekamd en van notities voorzien. Voor vele (vooral grote) gezinnen waren fortzegels een spaarpot voor sinterklaas-aankopen, naast de uren eigen werk eens het grut in bed lag. Tijdens de maanden oktober en november bloeide de geheime huisindustrie.
De etalages van de ‘Grand Bazar Nationale’, de speelgoedwinkels in de Gasthuisstraat waar ook de grote magazijnen hun best deden om met bewegende lichtende creaties volk te lokken, het kon niet vlug genoeg donker zijn. Nu en dan mocht je al een ‘sloef’ zetten met daarin een briefje beloften en een wortel voor het paard. Zie de maan schijnt door de bomen. En vooral: makkers staakt uw wild geraas want het heerlijk avondje is gekomen..

In de vroege uren, bij het gelig lamplicht van december kwam al de geur van mandarijntjes en chocolade in de kamers hangen. Een buurman werd ingehuurd om niknakjes over de verbaasde kinderkoppen te gooien en zich dan vlug uit de voeten te maken. Ja, hij was dichtbij de heilige man. Zijn personeel lustte wel een borreltje dat bij de briefjes werd gezet.
En of je je bedrogen voelde? Waarom? Nu hoorde je bij de kant van Klaas. Je wist ‘het’. Ook dat was een levensfase waar duidelijk je leeftijd en ‘wijsheid’ werd erkend. Al zou het nooit meer zo betoverend zijn als tijdens de avonden van toen. Gelukkig wonen we dichtbij het station. Kun je langslopen als het heimwee te groot wordt.

Patrick Rosal (usa): een gedicht

About this poem
"My humble relationship to the earth's history and power has evolved dramatically after several visits to the Philippines and having witnessed Typhoon Ondoy in 2009. Noel Celis' photograph shortly before Typhoon Lupit hit (also in 2009) made me think of the climate, of brown children and their parents, of the Philippines, of America, of ruin, tenderness and grace and making it through-generations and generations and generations of making it through." (Patrick Rosal)
"Mijn nederige relatie tot de geschiedenis en de kracht van de aarde is drastisch geëvolueerd na verschillende bezoeken aan de Filipijnen en na getuige te zijn geweest van de tyfoon Ondoy in 2009. De foto van Noel Celis kort voor de tyfoon Lupit (ook in 2009) deed me denken aan het klimaat, aan bruine kinderen en hun ouders, aan de Filipijnen, aan Amerika, aan verwoesting, tederheid en gratie en aan het doorstaan van generaties en generaties en generaties die het doorstaan."(Patrick Rosal)
Photo: Noel Celis: Filipino elementary school students use chairs to cross a flooded yard inside their school grounds on October 20, 2009 in Taytay, Philippines (Rizal province east of Manila).
Children Walk on Chairs to Cross a Flooded Schoolyard

Hardly anything holds the children up, each poised
mid-air, barely the ball of one small foot
kissing the chair’s wood, so
they don’t just step across, but pause
above the water. I look at that cotton mangle
of a sky, post-typhoon, and presume
it’s holding something back. In this country,
it’s the season of greedy gods
and the several hundred cathedrals
worth of water they spill onto little tropic villages
like this one, where a girl is likely to know
the name of the man who built
every chair in her school by hand,
six of which are now arranged
into a makeshift bridge so that she and her mates
can cross their flooded schoolyard.
Boys in royal blue shorts and red rain boots,
the girls brown and bare-toed
in starch white shirts and pleated skirts.
They hover like bells that can choose
to withhold their one clear, true
bronze note, until all this nonsense
of wind and drizzle dies down.
One boy even reaches forward
into the dark sudden pool below
toward someone we can’t see, and
at the same time, without looking, seems
to offer the tips of his fingers back to the smaller girl 
behind him. I want the children
ferried quickly across so they can get back
to slapping one another on the neck
and cheating each other at checkers.
I’ve said time and time again I don’t believe
in mystery, and then I’m reminded what it’s like
to be in America, to kneel beside
a six-year-old, to slide my left hand
beneath his back and my right under his knees, 
and then carry him up a long flight of stairs
to his bed. I can feel the fine bones,
the little ridges of the spine
with my palm, the tiny smooth stone
of the elbow. I remember I’ve lifted
a sleeping body so slight I thought
the whole catastrophic world could fall away.
I forget how disaster works, how it can turn
a child back into glistening butterfish
or finches. And then they’ll just do
what they do, which is teach the rest of us
how to move with such natural gravity.
Look at these two girls, center frame,
who hold out their arms
as if they’re finally remembering
they were made for other altitudes.
I love them for the peculiar joy
of returning to earth. Not an ounce
of impatience. This simple thrill
of touching ground. 
Photo: Noel Celis: Filipino elementary school students use chairs to cross a flooded yard inside their school grounds on October 20, 2009 in Taytay, Philippines (Rizal province east of Manila).
Kinderen lopen op stoelen om een overstroomd schoolplein over te steken 

Bijna niets houdt de kinderen boven, elk kind
half in de lucht nauwelijks de bal van een kleine voet
die het hout van de stoel kust, dus
ze stappen er niet gewoon over, maar pauzeren
boven het water. Ik kijk naar die katoenen blubber
van een lucht, post-typhoon, en veronderstel
dat ze iets achterhoudt. In dit land,
is dit het seizoen van de hebzuchtige goden
en de honderden kathedralen
het water waard dat ze op kleine tropische dorpen morsen
zoals hier, waar een meisje waarschijnlijk
de naam zal kennen van de man die
elke stoel in haar school met de hand maakte,
waarvan er nu zes staan opgesteld
als een geïmproviseerde brug, zodat zij en haar vriendinnen
hun overstroomde schoolplein kunnen oversteken.
Jongens in koningsblauwe korte broeken en rode regenlaarzen,
de meisjes bruin en blootsvoets
in gesteven witte hemden en plooirokken.
Ze zweven als klokken die hun ene duidelijke, heldere
bronzen noot kunnen kiezen, totdat al deze onzin
van wind en motregen is verdwenen..
Eén jongen reikt zelfs naar voren
naar de donkere plotselinge poel beneden
naar iemand die we niet kunnen zien, 
en op hetzelfde moment, zonder te kijken, lijkt hij
de toppen van zijn vingers terug te geven aan het kleinere meisje 
achter hem. Ik wil dat de kinderen
snel naar de overkant worden gebracht zodat ze weer
elkaar op de nek kunnen klappen
en elkaar bedriegen met dammen.
Ik heb keer op keer gezegd dat ik niet geloof
in mysterie, en dan word ik eraan herinnerd hoe het is
om in Amerika te zijn, om te knielen naast
een zesjarige, om mijn linkerhand te laten glijden
onder zijn rug en mijn rechter onder zijn knieën, 
en hem dan een lange trap op te dragen
naar zijn bed. Ik kan de fijne botten voelen,
de kleine ribbels van de ruggengraat
met mijn handpalm, de kleine gladde steen
van de elleboog. Ik herinner me dat ik 
een slapend lichaam zo licht heb opgetild zodat ik dacht
dat de hele catastrofale wereld weg kon vallen.
Ik vergeet hoe rampspoed werkt, hoe deze een kind kan veranderen
een kind terug kan veranderen in glinsterende botervissen
of vinken. En dan zullen ze gewoon doen
wat ze doen, en dat is de rest van ons leren
hoe te bewegen met zo'n natuurlijke zwaartekracht.
Kijk naar deze twee meisjes, midden het beeld,
die hun armen uitsteken
alsof ze eindelijk beseffen dat ze voor andere hoogtes gemaakt zijn.
Ik hou van hen voor de bijzondere vreugde
terug te keren naar de aarde. Geen greintje
ongeduld. Deze eenvoudige opwinding
Op de grond te staan. 
PR: I grew up with such amazing storytellers. My brother Anthony is a great storyteller, all my cousins who grew up in Balacad and Hawaii, the many family friends and relatives who visited our house were various storytellers, musicians, liars, etc. Story is a way to relate. What we understand as narrative conventions, to me, are tools to orient the poem (or essay or story). We think of lyric as wildness, as a disorienting feature of speech, something approaching pure feeling, almost languageless itself (though—paradoxically—language carries the lyric impulse). I love both those modes. I love good storytelling and I still aspire to be a good storyteller and I love beautiful singing. Rarely in art do they happen fully and equally at the same time. More often than not, we move between story and song. And rarely is one absent from the other. There’s always a little bit of story embedded in song and some singing in the best stories. So all the play and howling and aria-esque growling and smashing and breaking and intricate fractures of lyric bear both the failure of narrative and its potential. The lyric can reveal an informal order and the narrative can reveal a formal lostness.
But you have to remember the name / they gave you first. The one you came with. / My cousin, a younger man than me, / told me: if you manage to escape / any darkness (say a haunted grove / or thick wooded stretch patrolled by enemy / soldiers), right away, you have to turn / toward the dark. You have to shout / your own name back to make sure / your soul follows you into daylight / or at least into some dim street.” -Patrick Rosal .
@bullyandblaze
I’m often going back to John Coltrane just as a fan. I’m sure I learned so much about statement and variation and departure and return from his music. It’s just a lot of fun to take all these pieces of memory and history and research and dream, and, yes, let them orchestrate themselves, some of which make story sense, some of which make lyric sense. Coltrane, among other improvisational artists, has the gift and skill to be so open at any given moment that any idea or motif might enter during the process. You have to relinquish control and that’s terrifying. You might say or play something ugly or violent or painful. But the other part of this skill is the ability, I think, to very swiftly step back from this intrusion, this ghost, outcast fragment and begin to explore how it actually fits into this composition. It’s opening all the doors and windows of this house and letting it all fly in—the birds, the trash, the bugs, the vagrants, the beauty queens, the saints, the yo-yos, the murderers and the murdered. And having enough wits to find a place for them. It’s a dynamic, associative process. You have to train yourself toward it. I’m still working at it.
Patrick Rosal is a multi-disciplinary artist and author of four books, most recently Brooklyn Antediluvian, winner of the Lenore Marshall Prize. He has taught at Princeton University, the University of Texas, Austin, Sarah Lawrence College and has earned fellowships from the John Simon Guggenheim Foundation, the National Endowment for the Arts, and the Fulbright Senior Research Program. A professor at Rutgers-Camden, he has led workshops for youth, incarcerated populations, and many other communities across the U.S.

Landschappen uit de ‘vleugeltijd’ (2)

Het verloren dorp

Verbeelding, en wat die ‘kracht’ in je kindertijd zou kunnen betekenen is een overbevraagd begrip vaak overvloedig gehanteerd in alles behalve fantasierijke tijden. Zelfs de New York Times die meestal niet veel aan de verbeelding wenst over te laten, schreef eergisteren via opinion columnist David Brooks over ‘The Awesome Importance of Imagination’.

'What is imagination? Well, one way of looking at it is that every waking second your brain is bombarded with a buzzing, blooming confusion of colors, shapes and movements. Imagination is the capacity to make associations among all these bits of information and to synthesize them into patterns and concepts.'

'Perception — the fast process of selecting, putting together, interpreting and experiencing facts, thoughts and emotions — is the essential poetic act that makes you you.'
Otto Dettmer Hand taking pages from book inside of man’s head

Als kind, in de oorlog gemaakt en na de eerste babyjaren uit diezelfde oorlog gekropen zou zijn verbeelding best kunnen belast zijn bij de niet zo vrolijke activiteiten van op-en-neer gaand sirene-geloei, haastige verplaatsingen van bedje naar houten draagkist die met inhoud naar de kelder verhuist en daar wacht op de verlossende lang uitgerokken huiltoon van hetzelfde geloei, teken dat het gevaar waarschijnlijk geweken was, waarna de verplaatsingen in omgekeerde volgorde plaatsvinden. Om nog te zwijgen van wat terugtrekkende en aanstormende soldaten teweeg brengen in het dagelijks leven van jonge ouders met baby.

"The imagination, Charles Darwin wrote, “unites former images and ideas, independently of the will, and thus creates brilliant and novel results.” (ibidem)

Van bovenstaande beelden heeft hij nooit last gehad. En op de ‘brilliant and novel results’ was het wel even wachten. De stilte na het oorlogsgeweld met op de achtergrond de verwarring van verdeelde en gedeelde familiegeschiedenissen zou hem pas later duidelijk worden. Maar was het nu door de aangeboren verbeelding of de diep gewortelde angsten die in de voorbije tijd in ruime mate aanwezig waren geweest, de baby werd elke nacht huilend wakker, een verschijnsel dat ook in huidige tijden jonge ouders niet onbekend zal zijn. Voedsel was dan al geen probleem meer. Het kind was duidelijk bang. Dergelijke toestanden zou nu een legertje hulpverleners in gang kunnen zetten, toen volstond een korf met kippeneieren, afgegeven bij de portierster van de Clarissen, en jawel hoor, de angsten verdwenen de eerst volgende nacht. Het kind sliep zoals kinderen van die leeftijd horen te slapen: lang en diep.

Hughes, Jack; Boy Sleeping under the Moon; Leicestershire County Council Artworks Collection; http://www.artuk.org/artworks/boy-sleeping-under-the-moon-82688

Het kinderdonker is alleen al door de uitgroei van de hersenen vaak een angstig landschap. Herinner je het wakker worden midden in de nacht. Waarschijnlijk zijn er heden ten dage allerlei lichtjes aanwezig die dat aardedonker minder afschrikkend maken, maar in de kindertijd van het jongetje was nachtelijk licht een mogelijke plaatsbepaling. Niet alleen de oorlogsschrik, maar ook de opvoedingspraktijken vonden nachtelijke lichtjes niet o.k.
Wakker worden in complete duisternis leverde je onmiddellijk over aan de onmogelijkheid om je eigen plaats te bepalen in de reusachtige overvloed aan zwart. Waar onder en boven was, hoe je te weten kon komen of je inderdaad wakker was, of de donkerte het begin van een akelige droom zou zijn, alleen een hulpkreet zou menselijke aanwezigheid duidelijk maken.
Hij riep dus op zijn vader die na herhaling een zacht gebrom liet horen.
‘Pa, zeg eens heilige Petrus van Rome!’
Er volgde een lange stilte.
‘Pa, zeg eens Heilige Petrus van Rome.’
Keelgeschraap uit de ouderlijke slaapkamer en dan de vertrouwde stem:
‘Heilige Petrus van Rome, bewaar onze –naam van de aanvrager- van al zijn kwade dromen. Heilige Petrus in zijn graf, neem onze –naam van de aanvrager- al zijn kwade dromen af.’
Het hielp onmiddellijk en altijd.

Jezelf wapenen, zelfredzaamheid dus, kwam later aan bod: waar de fantasie vaak de oorzaak van allerlei angsten kon zijn, zou hij ze ook als wapen kunnen gebruiken. Er waren wellicht toverwoorden, bijzondere gebaren, liedjes of gedichten die elk aanstormend monster zouden afschrikken. Lectuur dus, tekeningen en het ontwerpen van gefluisterde spreuken, het vertellen van verhalen aan jezelf of aan je (ook bang) broertje.
Of zoals de NY-Times vertelt:

'A person who feeds his or her imagination with a fuller repertoire of thoughts and experiences has the ability not only to see reality more richly but also — even more rare — to imagine the world through the imaginations of others. This is the skill we see in Shakespeare to such a miraculous degree — his ability to disappear into his characters and inhabit their points of view without ever pretending to explain them.

Different people have different kinds of imagination. Some people mainly focus on the parts of the world that can be quantified. This prosaic form of pattern recognition can be very practical. But it often doesn’t see the subjective way people coat the world with values and emotions and aspirations, which is exactly what we want to see if we want to glimpse how they experience their experience.
Blake and others aspired to the most enchanted form of imagination, which as Mark Vernon writes in Aeon, “bridges the subjective and objective, and perceives the interior vitality of the world as well as its interconnecting exteriors.” This is van Gogh painting starry nights and Einstein imagining himself riding alongside a light beam.'
Van Gogh Vincent Sterrennacht
'Imagination helps you perceive reality, try on other realities, predict possible futures, experience other viewpoints. And yet how much do schools prioritize the cultivation of this essential ability?

What happens to a society that lets so much of its imaginative capacity lie fallow? Perhaps you wind up in a society in which people are strangers to one another and themselves.'

(hieronder kun je je voor geen geld op die degelijke NY Times abonneren en het artikel in zijn geheel lezen)
'Onder de appelboom' - Rutger Kopland

Ik kwam thuis, het was 
een uur of acht en zeldzaam 
zacht voor de tijd van het jaar, 
de tuinbank stond klaar 
onder de appelboom

ik ging zitten en ik zat 
te kijken hoe de buurman 
in zijn tuin nog aan het spitten 
was, de nacht kwam uit de aarde 
een blauwer wordend licht hing 
in de appelboom

toen werd het langzaam weer te mooi 
om waar te zijn, de dingen 
van de dag verdwenen voor de geur 
van hooi, er lag weer speelgoed 
in het gras en verweg in het huis 
lachten de kinderen in het bad 
tot waar ik zat, tot 
onder de appelboom

en later hoorde ik de vleugels 
van ganzen in de hemel 
hoorde ik hoe stil en leeg 
het aan het worden was

gelukkig kwam er iemand naast mij 
zitten, om precies te zijn jij 
was het die naast mij kwam 
onder de appelboom, zeldzaam 
zacht en dichtbij 
voor onze leeftijd.
In de appelboom Berthe Morisot 1890

Landschappen uit de ‘vleugeltijd’ (1)

Gezegende dagen waarin de ‘Bewaarschool’ om een of andere reden haar bewarende activiteiten niet kon uitoefenen en hij bij de juf van het eerste leerjaar, zijn moeder, werd ondergebracht. Hij, het kindje van de juffrouw, zat op de laatste bank en mocht in prentenboeken bladeren of de eendjes op het bord natekenen. Het water wilde nog wel lukken maar de zwemmende eendjes die zijn moeder met één ononderbroken lijn op het zwart van het bord tekende kon hij gelukkig dadelijk tot visjes herleiden terwijl vijfendertig kinderen in alle toonaarden het liedje ‘Alle eendjes zwemmen in het water’ ten gehore brachten.

Alle eendjes zwemmen in het water,
falderalderiere, falderalderare
Alle eendjes zwemmen in het water,
fal, fal, falderalderalderalde, ra, ra, ra

Dat het de visjes waren die IN het water zwommen terwijl eenden zich OP datzelfde water voortbewogen, bleek niet alleen een slimme opmerking te zijn maar ook een aantasting van het gezag. Kon hij thuis best zijn gelijk verdedigen, hier in de klas, was diezelfde vrouw een juffrouw, ja zelfs een mevrouw, titels die in zijn leven niets met de moederlijke verschijningsvormen hadden uit te staan. En omdat het een zonnige julidag was (-het schooljaar eindigde op 15 juli om op 15 september te herbeginnen-) mocht hij best alleen de grote lege speelplaats op en daar op een bankje wachten tot de juf weer in mama was veranderd.

Camera in een drone en je ziet het jongetje op die lege stenen vlakte aarzelen. Tot het aan het einde van de stenen de wilde bloemenweide ontdekte. In afwachting van nog meer tegels en plavuizen bleek die aarden overschot achteraan een verwilderd gras-en bloemenparadijs te zijn.

Hoe beschrijf je deze gevoelens uit je ‘vleugeltijd’? De indruk van veelheid en verscheidenheid waarin het verwilderde, het ongeplande en niet geplante zich baadde? Hoge pluisgrassen en stevige bodembedekkers met daartussen hevige tinten rood, blauw, groen en geel in al hun uitgewaaierde variaties. Een zacht zuidelijk windje beweegt de hoogste toppen en er ontstaat een deining op onhoorbare muziek. Maar het kind hoort hoe bloemen en kruiden spreken, de genade van enkele minuten het onzegbare in te ademen, een alfabet te kennen dat even maar zijn geheimen heeft prijs gegeven en daarna levenslang heimwee diep blijft uitademen in moeilijk beschrijfbare en onzegbare tedere verlangens naar eenheid tussen jezelf en de volkomenheid van het omringende.

De schriftuur van het bevangen worden door schoonheid heeft het moeilijk met letters. Maar ook kleuren en vormen waarin wij proberen schoonheid op te roepen kunnen nooit de intensiteit benaderen van enkele ogenblikken verbondenheid. Het begrip veelheid bezwijmt als het over bezit gaat terwijl je als kind beseft dat het een geschenk is dat je ongevraagd en onverdiend wordt aangeboden en waarin een zoekende ziel zich levenslang zal nestelen.

Een week later kwam de man met de zeis. Het volgend schooljaar lagen er rode tegels waarop kinderen met krijt hun hinkel-parcours tekenden met ‘hemel’ en ‘hel’ helemaal bovenaan.

'Vleugeltijd' is een verzameling indrukken uit de kindertijd. De indruk dat je kunt vliegen levert aardige perspectieven op al is landen ook wel eens pijnlijk. Het geloof dat je ondanks dat toch kunt blijven opstijgen schenkt je wel eens mooie vergezichten, al is klapperen met je vleugels soms al voldoende om minder bang te zijn.'
Volkskunde museum Brugge Vaste collectie

‘I’m capturing the real thing’: Judith Roy Ross fotografe (1946)

Judith Joy Ross Randy Sartori, A.D. Thomas Elementary School, Hazleton, Pennsylvania 1993

Een foto van een jongetje in een klasje. We zijn in haar vroegere lagere school in Hazleton, Pennsylvania, eens een kolenmijn-stad waar ze is geboren en opgegroeide: Judith Roy Ross, fotografe met op dit ogenblik een grote overzichtstentoonstelling in Madrid. Uit een uitstekend artikel in De Witte Raaf van Steven Humblet, docent fotogeschiedenis en fototheorie, citeren we graag:

'De eerste portretten van Judith Joy Ross dateren van 1982 (voordien beoefende ze vooral landschapsfotografie). Ze tonen kinderen en jonge adolescenten in het Eurana Park, Virginia, een stadspark dat de fotografe in haar jeugd zelf frequenteerde. Ze maakte de opnames één jaar na het overlijden van haar vader met wie ze een innige band had. De keuze om op dat moment, op die plaats, portretten te gaan maken, laat zich ook lezen als een poging om de geborgenheid die ze in de relatie met haar vader ervoer terug te vinden: in de zoekende, tastende, maar tegelijkertijd ook fiere en zelfbewuste lichamen van de hier verzamelde jeugd ziet zij dezelfde dromen, angsten, verlangens opduiken die zij als kind reeds had. Via het portret – en dan vooral door de intense dialoog die het veronderstelt tussen maker en onderwerp – hoopt de fotografe het gebroken contact met de wereld te herstellen.'

(Steven Humblet In De Witte Raaf december 2011) 
Judith Joy Ross Untitled from “Eurana Park, Weatherly, Pennsylvania” 1982
Judith Joy Ross Untitled from Eurana Park, Weatherly, Pennsylvania 1982
Judith Joy Ross Untitled from “Eurana Park, Weatherly, Pennsylvania” 1982
'Met deze eerste reeks ligt meteen ook haar werkmethode vast: de opname wordt gemaakt met een grote, logge camera die het gebruik van een statief noodzakelijk maakt. Het opstellen van de camera, het klaarmaken van het negatief, het afstellen van het toestel, vragen heel wat tijd, aandacht en voorbereiding. Dat berooft de opname van een zekere spontaneïteit, maar toch is er nergens enige verkramping te bespeuren. Het model neemt weliswaar een pose aan, maar alles blijft luchtig en (vaak aandoenlijk) eerlijk. Niemand verkruimelt hier onder de genadeloze blik van de camera, niemand verbergt zijn kwetsbaarheid achter een gezochte houding. De geportretteerde behoudt zijn waardigheid, zijn sterkte, zijn onafhankelijkheid. De fotografe gebruikt de camera niet als een voyeuristisch instrument om de geportretteerde allerhande ongewilde confidenties te ontlokken. Haar portretten zijn altijd lovend, nooit bestraffend of ontluisterend.'
(ibidem)
Ibidem
'De verkregen negatieven print de fotografe vervolgens uit in open lucht, op zogeheten ‘printing out paper’. Deze werkwijze geeft de prints hun specifieke, warme, bruine of grijsachtige tint en leidt daarenboven ook tot een relatief klein formaat. Het gebruik van een vergroter is hierbij immers uitgesloten. Daarom hebben de beelden ongeveer hetzelfde formaat als het grootbeeldnegatief – toch nog altijd 20 bij 25 cm. Terwijl het kleine formaat de toeschouwer tot heel dicht bij het beeld lokt (en hem dus heel dicht bij het model brengt), ontzegt de verkleuring hem alsnog een al te gemakkelijke toegang. De nostalgisch aandoende tint verplaatst de geportretteerde in een andere tijd en ruimte, zichtbaar aanwezig en tegelijkertijd onbereikbaar elders. Hoe dicht we het model ook benaderen, nooit raken we aan zijn intimiteit: de soevereine kern waaruit het afgebeelde leven bestaat blijft voor onze nieuwsgierige blik ontoegankelijk. De nabijheid mondt niet uit in vertrouwelijkheid.(ibidem)'
Judith Joy Ross Untitled from “Eurana Park, Weatherly, Pennsylvania” 1982

When I shoot, I am photographing because what is in front of me is really happening, and I want people to know about it. I fall in love with the beauty of an expression or the turn of a collar, a poignant gesture, the light. I don’t know these people, except suddenly with a camera we have an intense relationship… the picture is proof. It’s about paying attention. I have a large beautiful wooden camera. I am a quick talker, I can convince people in a few seconds because I am sincerely interested in them, but I am more interested in capturing what I see in them. It’s not that I want to be their friend, it’s that I see their life and it’s amazing, and I want to put it in an image. It’s a short but deep connection. Then I go back to being alone but have one more lightning bug in a bottle. One more piece of evidence as to who we are.
The 8×10 camera is vital. I use it like a charm, like an attractant. I would not enjoy pointing a camera to a stranger. I would feel like I am doing something to them. With a view camera, we are doing something together. Definitely together. I am fumbling around under a cloth over the camera and myself, and the person is arranging themselves. We work together.’

Judith Joy Ross Untitled, Bethlehem, Pennsylvania, from Bethlehem Public Library 1990
Judith Joy Ross Staff Sargent Richard T. Koch, U.S. Army Reserve on Red Alert, Gulf War 1990
Judith Joy Ross Spanish Teacher, Hazleton High School, Hazleton, Pennsylvania 1992

‘When I go out with a camera, I have an antenna to notice and be drawn into someone’s life. Then, my entire purpose is to notice what’s going on with other people and to record it. Most of my work is in series, and each series has behind it a goal of dealing with an issue, and in each context I explore who people are.

By paying attention, I see things in people that are there but you have to allow yourself to see them. I do not see my friends or family like I see total strangers. I am just enjoying my friends or not, but I am not interested in looking at them to make a picture. I would feel very odd photographing a friend. When I see something in a stranger it is not just an expression but an idea about that person and an understanding. Seeing, on the level I am trying to describe, is for me like making pictures or poems. It’s very thrilling or problematic. You just have to try and see what happens.’

Brian Ellis Presenting a Lecture on the Mafia to his 7th Grade Class, H.F. Grebey Junior High School, Hazleton, Pennsylvania 1992
Tara Schwenk, A.D. Thomas Elementary School, Hazleton, Pennsylvania 1993
Mary Beth Gavio, A.D. Thomas Elementary School, Hazleton, Pennsylvania 1993
From 1992 through 1994, she returned to the same public schools in Hazleton she’d daydreamed through while growing up. Again, the goal was idealistic. “I wanted people to pay their taxes. I wanted people to care about public education,” Ross says. “I certainly didn’t care about mine. I thought school sucked.” Ross’s Hazleton pictures are singular in their acknowledgment that school can indeed suck, and in their eerily personal portrayal of the vastness and discomfort and yearning and angst of adolescence— the pride of a perfectly brushed mullet or a cascade of sprayed hair. “These are their own selves,” she says. In a print displayed in her front room, a boy stares at the camera through glasses so thick you long to tell him they’ll be considered cool in twenty years. But here, he simply is a high schooler briefly showing his vulnerable self. Ross’s framing preserves this, acting as a protective shell. (Rebecca Bengal Aperture)
19th Street, Allentown, Pennsylvania 1996
Muse, Boy with Goatee, Hazleton Area High School, Hazelton, Pennsylvania 1994

Haar ‘verzameling’ mensen van alle slag, leeftijd en beroep doet uiteraard denken aan ‘August Sander’ die het in kaart brengen van de volledige maatschappelijke orde van zijn tijd als doel stelde. We hebben met ‘Bij een foto van August Sander’ op 28 mei 2019 daar een bijdrage aan gewijd. Te lezen als aanvulling op het werk van Judith Roy Ross op:

We hebben het politieke en strijdvaardige werk hier nog niet belicht omdat we ons wilden beperken tot essenties rond het in beeld brengen van het dagelijks gebeuren. In de onderstaande video vertelt ze heel direct wat haar visie op oorlog is en hoe ze daarop met haar werk reageerde.

Klik op haar naam onder een van haar foto’s en je komt bij het MOMA terecht waar er een 106 portretten ook kunnen uitvergroot worden door te klikken op het getoonde formaat. Zeker de moeite waard gezien de grootte van haar negatieven die als contactafdruk hebben gediend. Zo zal de hier getoonde foto van de Kindergarten-klas in groot formaat nog beter tot zijn recht komen.

Judith Joy Ross Mrs. Lo Biano’s Kindergarten Class, A.D. Thomas Elementary School, Hazleton, Pennsylvania 1993
Untitled, Mona Park, Allentown, PA, 1996
'All  my  life  I  wanted  to  be  an  artist,  but  until  I  discovered   photography, I did not have a clear idea of what that meant. With the camera I found a way to connect  to the bigger world. People  became  my  subject—the  lives  of  people!  They  were  all  strangers   but now I could know them.'