Beeld en begrip: tweespalt of synthese (1)

http://www.historien.nl/wp-content/uploads/2015/09/Verheerlijking_van_handel_en_wetenschap_Rijksmuseum.jpeg

Klik even op het onderschrift van dit prachtige schilderij door een anonieme meester geschilderd midden zeventiende eeuw en bekijk in groot formaat ‘de verheerlijking van de wetenschap en de handel’, een toen voor de hand liggende combinatie. Maar ook de kunsten komen aan bod, zie rechts de instrumenten. Kijk naar de ijverig studerende kinderen, de druk overleggende handelaars links boven, ja de goden zijn de gouden eeuw genegen. Maar eens de voeten weer op de begane grond stonden bleek de combinatie ‘beeld’ (kunsten) en ‘begrip’ (wetenschappen) niet dadelijk een succesverhaal. Ook hieronder wordt door de kunsten en de wetenschappen de onwetendheid overwonnen.

Mars omringd door de Kunsten en Wetenschappen, overwint de Onwetendheid (Antonius Claeissens, 1605); collection: Musea Brugge – Groeningemuseum
Mars overmeestert de Onwetendheid een naakte figuur met ezelsoren. De gevleugelde Victoria komt met lauwerkrans en palmtak voor de overwinnaar aangevlogen. De Romeinse oorlogsgod wordt geflankeerd door de Wetenschappen en de Kunsten elk gepersonifieerd door rijk getooide vrouwen. Links staan de Wetenschappen met de Sterrenkunde met hemelsfeer de Welsprekendheid met papegaai de Geschiedenis met sleutel en al schrijvende de Geneeskunde met sleutel en de slangenstaf van Asclepius en de Aardrijkskunde met wereldbol passer en winkelhaak. De Kunsten zijn vertegenwoordigd door de Muziek met luit trompet en hoorn aan haar voeten terwijl ze de basschalmei bespeelt de Dichtkunst schrijft op een wastablet en de Schilderkunst met palet en penselen. Mars wordt nog een tweede keer uitgebeeld als de Romeinse soldaat die de Schilderkunst in bescherming neemt. Traditioneel vertrappelt Mars de Kunsten beschermd door Minerva en worden zo de verschrikkingen van de oorlog gesymboliseerd. De ontvoogdingsstrijd van de kunstschilders tegenover de ambachtslui en de officiële erkenning van de schilderkunst als één van de Artes liberales zijn Claeissens’ uitgangspunt voor de uitvinding van deze nieuwe allegorie. (Art in Flanders)

Je voelt in het verhaal bij dit laatste doek al duidelijk dat de ‘kunsten’ het in bepaalde omstandigheden niet zo makkelijk hadden, en daarmee openen we het onderwerp: kunnen beeld en begrip door dezelfde deur?

De menselijke creativiteit is in dit blog al meermaals het onderwerp geweest net zoals ze voor de Franse wetenschapsfilosoof Gaston Bachelard (1884-1962) de rode draad door zijn studies was.
In een mooie samenvatting van een lezing van dr. Cees Hertogh toen (1995) verbonden aan de faculteit Geneeskunde van de Vrije Universiteit van Amsterdam vond ik een heldere voorstelling waarin Bachelard’s werk een belangrijke rol speelt.
Hij verwijst naar een andere lezing aan de universiteit van Cambridge in 1959:

‘In 1959 hield de romanschrijver en natuurkundige Charles Snow aan de universiteit van Cambridge de vermaard geworden lezing ‘The two cultures and the scientific revolution'. Hierin verdedigt hij dat in de westerse samenleving een te groot gewicht wordt toegekend aan de geesteswetenschappen. Hij meent dat alleen de natuurwetenschappen in staat zijn het menselijk leven werkelijk te verbeteren. De humaniora (toen bedoeld als staande voor ‘geesteswetenschappen’) zouden die vooruitgang slechts afremmen, omdat zij gericht zijn op het behoud van traditioneel denken. Door te spreken over twee culturen scherpte Snow het onderscheid tussen natuur- en geesteswetenschappen bijna tot een dualisme aan en pookte hij het vuur van een al lang smeulende discussie weer op. Een decennium later vindt Nobelprijswinnaar Jacques Monod zelfs dat de kloof zo diep is geworden, dat zij het bewustzijn van ieder mens met enige ontwikkeling en gevoel voor creativiteit obsedeert en verscheurt.

En hier komt Bachelard op onze weg. In zijn werk vind je een intrigerende tweeledigheid: van de studies over de filosofie van de natuurwetenschappen en boeken gewijd aan de literaire verbeelding.

 De eerste indruk is dat hij zonder meer instemt met een scheiding van de twee culturen. ,,Tussen beeld en begrip geen synthese, ook geen samenhang'', schrijft hij. ,,Het beeld kan geen stof voor het begrip leveren; het begrip dat een beeld stabiliseert vernietigt het.''
Ik wil deze eerste indruk in een ander daglicht stellen door de ontwikkeling van Bachelard's filosofie te reconstrueren. In 1938 verschenen van hem twee boeken die raadselachtig overkwamen: 'De vorming van de wetenschappelijke geest; bijdrage aan een psychoanalyse van de objectieve kennis' en 'Psychoanalyse van het vuur'. Deze studies moesten worden opgevat als bijdragen aan de wetenschapsfilosofie en -geschiedenis, maar Bachelard beoefent deze discipline op wel zeer ongebruikelijke wijze.

In zijn studie over het vuur ( La psychanalyse du feu) vraagt Bachelard zich af waarom het vuur eeuwenlang onderwerp van wetenschappelijke dissertaties kon zijn, terwijl men er in de hedendaagse fysica en chemie met geen woord meer over rept.

Sinds mensenheugenis is de mens gefascineerd geweest door het spel van likkende vlammen, maar wat daarvan in de wetenschap nog rest is losgemaakt van elke verwijzing naar de zintuigelijke ervaring en, ontdaan van alle gloed, over diverse wetenschappen verspreid: het vuur is vervangen door abstracte kennis die niet meer brandt.
Deze geschiedenis van de wederwaardigheden van het vuur is voor Bachelard méér dan een curieus aanhangsel bij de officiële wetenschapsgeschiedenis. De onbekendheid ervan roept de vraag op naar de status van die officiële geschiedschrijving: waarover verhaalt zij eigenlijk, als zij slechts een gladgestreken verhaal van wetenschappelijke successen optekent en voorbijgaat aan de mislukkingen en dwaalwegen waarop het menselijk denken zich begaf?

In die vraag stelt Bachelard een belangrijke vooronderstelling van de geschiedschrijving ter discussie, namelijk dat wetenschap een gestage en continue ontwikkelingslijn kent, waarin het wetenschappelijke subject geleidelijk aan steeds meer inzicht verwerft in de objecten die het buiten zich aantreft. Men reconstrueert een verleden dat noodzakelijk uitmondt in het heden en laat weg, wat daarin niet te pas komt.
Om dat schema vol te kunnen houden vindt men de figuur van de voorloper uit: een denker die een stuk aflegt van de weg waarop een later denken voortgaat en die daarmee vooruitloopt op een inzicht dat hij zelf niet heeft bedacht. Zo'n voorloper is als het ware iemand, in wie de hedendaagse mens zichzelf kan herkennen en van wie we verwachten dat hij zich omgekeerd in ons zou kunnen herkennen. De voorloper is een mens van alle tijden en alle culturen.
Stepping Forward (Hanneke Beaumont – 2008) European Quarter Works of Art © visit.brussels – Jean-Paul Remy – 2020

Dit zijn vooronderstellingen waarin Bachelard de fundamenten herkent van de in zijn tijd dominante kennisfilosofie. Wat hier ‘voorloper’ wordt genoemd is slechts een bijzondere verschijning van de onveranderlijke rede. De dingen die gekend worden verwijzen naar een onuitputtelijke maar eveneens onveranderlijke realiteit buiten de kennis. Tegen deze filosofie tekent hij verzet aan in al zijn studies.

De conclusie dat het vuur geen wetenschappelijk object meer is, is een van de vele wijzen waarop Bachelard verwoordt dat de geschiedenis van de wetenschap breuklijnen vertoont, waarin zichtbaar wordt dat de ontwikkeling van wetenschappelijke kennis niet alleen bestaat uit opbouw, maar evenzeer uit afbraak. Sterker nog: zonder afbraak kan er geen opbouw zijn.
Al in zijn proefschrift geeft Bachelard aan waar het hem in zijn wijsbegeerte om te doen is als hij schrijft: ,,Men kan niet uitleggen wat denken is, door de resultaten ervan te inventariseren.'' 
Men zal het denken moeten betrappen, daar waar het werkelijk aan het werk is. Veel filosofen in zijn tijd spraken op afstand over wetenschap - en gingen daarmee aan haar kern voorbij. Anderen keerden er zich vanaf en zagen in de wetenschap een vervreemdende, ja zelfs dehumaniserende factor.

Bachelard bestrijdt die negatieve waardering en buigt de kritiek in haar tegendeel om: dat wetenschap te specialistisch zou zijn, ontoegankelijk en abstract, dat zij niet in overeenstemming is te brengen met de ervaring van alledag, dat zij ingrijpt in de natuur en een artificiële werkelijkheid produceert, dat alles draait hij om tot teken van een in de wetenschap aan de dag tredende creativiteit. Zijn visie is dan ook te kenschetsen als een optimistische en - in zijn tijd ook- als een avant-gardistische.
'Avant d'être le fils du bois, le feu est le fils de l'homme.'  (La Psychanalyse du feu)
Man at fire Teun Hocks 1990

Lees weldra verder in deel 2

Le feu est ainsi un phénomène privilégié qui peut tout expliquer. Si tout ce qui change lentement s'explique par la vie, tout ce qui change vite s'explique par le feu. Le feu est l'ultra-vivant. Le feu est intime et il est universel. Il vit dans notre cœur. Il vit dans le ciel. Il monte des profondeurs de la substance et s'offre comme un amour. Il redescend dans la matière et se cache, latent, contenu comme la haine et la vengeance. (Bachelard)
Samenvatting van een lezing door Dr. Cees Hertogh over het werk van de wetenschapsfilosoof Gaston Bachlard (1884-1962) deel 1  Bewerking Mannus van der Laan en Gmt

De vriend van Federico

De bijna lijfelijk-voelbare veranderingen wanneer je vanuit het heideweggetje het dennenbos inloopt.
Niet te vlug stilstaan, -je moet diep genoeg tussen de lage zwiepende takken- (bukken en rugwaarts eventjes achteruit en dan frontaal verder.) liefst met het hoofd naar beneden zodat je de dikke laag gebruinde naalden onder je voeten ziet, hoort kraken en voelt veren en je -ver genoeg- even je ogen sluit en de vochtigheid van de voorbije morgen, met ondertonen van hars en nat hout kunt rieken en dan -in het schemerdonker- op je rug gaat liggen, en in die houding traagjes je ogen opent.

Dat was de grote bomenwieg.
Gebogen om naar jou te kijken, dacht je als jongetje (handig de rollen van observator doorgeschoven naar de wiegende dennenkruinen, ja.)
‘Wat ligt daar?’
‘Een van het paard getuimelde ridder, heren en dames Dennenboom, maar hij zal zich wreken!’

Denk nu niet dat hij als een vroegrijp overgevoelig zwalpend jongetje het spreekwoordelijke bos invluchtte.
De bende volgde.
‘Wie vond de beste geheime plaats waar de schat kon verborgen worden?’

Maar de jonge ridder keerde later terug naar de plaats waar hij in de bomenwieg had gelegen.
De ontroering die hij voor de collegae-ridders en dito jonkvrouwen had verborgen kon nu vleugels uit de hoge luchten laten vallen en wie steeg zo dadelijk tot hoog boven het Kempisch bos en verwonderde zich over de kromming van de aarde onder hem?
Wie zou er naar Herentals kunnen vliegen, eventjes bij Nonkel Jos aan het raam tikken en nog voor het donker weer landen in de boomgaard achter de villa?

De schat, twee grote chromo’s uit de serie wielerhelden van Dr. Mann waarop Fred de Bruyne en Stan Ockers en een gekreukte kleinere met Federico Bahamontes, de adelaar van Toledo, als toegift.

Bobet won de tour van 1954, Fred De Bruyne de 8ste, 13de en 22ste etappe, Stan Ockers de elfde. Federico Bahamontes won het bergklassement. Hij was een bangerik in het dalen, vertelde nonkel Lowie. Hij liet zich na een solo op de top inlopen om met het peloton aan een stijle afdaling te beginnen, net zoals de jonge ridder telkens hij van de Galgenberg kwam gereden en tot aan de Holleweg duizend angsten uitstond.
‘Bahamontes,’ zei hij als hij zijn fiets in de schuur zette, Federico, we zullen samen nooit meer bang zijn. ‘
Met wie hij aan het praten was wilde zijn moeder weten.
‘Met mezelf, ma.’
En of hij het eens was met zichzelf?
Hij knikte, glimlachte en wuifde naar Bahamontes die graag ’s nachts een ritje maakte, goed tegen de schrik had hij gezegd net voor ze afscheid namen.

In zijn bed keek hij naar de zoldering: doorzichtig werd ze in het donker. Hij zag de bomen die hoog boven hem wiegden. Hij hoorde ze zingen en sliep dadelijk en diep. De vleugels aan een haakje boven zijn bed.
De maand augustus 1954.


Fragment uit 'De Vleugeljaren', geschriften en beelden waarin de vleugels uitslaan belangrijker is dan het bereiken van een doel. (Nog volop in voorbereiding.)

Federico Martin Bahamontes

‘Taller than the trees’, een kortfilm van Megan Mylan

Masami Hayata, Japan is niet dadelijk het beeld van een zorgverstrekker in de Japanse samenleving. Hij heeft een full-time baan, een zesjarige zoon Shion en een dementerende moeder in de laatste fase van haar leven. (en een vrouw die door haar job bijna steeds afwezig is.)

In deze korte documentaire van de New York Times uit 2016, “Taller than the trees”, gemaakt door Megan Mylan, zie je een beeld van hun dagelijks leven.

Japan’s elderly population is surging, and its birthrate is one of the lowest in the world. Concurrently, more women than ever are entering the workforce, making households with two working parents the norm rather than the exception. This confluence of demographic and societal changes has created a crisis of caregiving – a challenge that’s even more pronounced in a culture that practices ‘oya-koko’, or filial piety, and where office culture can be extremely competitive. The Academy Award-winning US director Megan Mylan’s Taller Than the Trees follows the daily life of Masami Hayata, a Tokyo ad executive, who embodies the changes that Japan is undergoing. With his wife frequently out of town for her job as a flight attendant, Hayata takes on the role of domestic caregiver, attending to their six-year-old son, as well as his mother, who is in the late stages of dementia, in addition to his considerable corporate responsibilities. Mylan traces Hayata’s delicate work-life balance with a light and intimate touch, crafting a film that deftly renders the personal as a reflection of broader shifts in society.

Of wij met dezelfde mooie oosterse gelatenheid het leven in balans kunnen brengen laat ik in het midden. Maar de vanzelfsprekendheid waarmee de zorg voor elkaar in de flow van het leven zijn plaats heeft gevonden blijft mijn eerbied en bewondering afdwingen. De problemen van de Japanse samenleving zijn dezelfde problemen waarvoor wij met zijn allen ook dagelijks een oplossing moeten vinden. En hoe schitterend stralend de jonge garde geschiedenis wil schrijven, de ‘gang van het leven’ zal er zijn plaats in moeten krijgen met hetzelfde respect en dezelfde waardigheid die efficiëntie niet uitsluiten maar ook niet als eerste vereiste wil nastreven.

Zo lang de bomen als maateenheid mogen dienen blijft het begrip toekomst een menselijke ondertoon behouden, met de warmte van de eeuwige tango op de achtergrond.

Manège de petit Pierre: l’ art brut in zijn puurste vorm

In France Culture van 1 mei schreef Céline du Chéné:

‘Ça couine, ça grince, ça racle et c’est une véritable merveille visuelle et sonore que le Manège de Pierre Avezard, dit « Petit Pierre ». Fabriqué pendant un demi-siècle, à partir de bouts de tôles, de morceaux de fer blanc récupérés, de boulons, de débris de métaux, ce Manège – ainsi nommé par son créateur- tient plus du spectacle total que de la mécanique foraine. On y pénètre par une sorte de petit sas qui fait aussitôt basculer le visiteur dans un univers parallèle, entièrement animé. Entourés de machines mouvantes et bruyantes qui reconstituent le quotidien de Petit Pierre, on découvre alors un univers campagnard et onirique, réel et rêvé, authentique et farceur, rempli de personnages rigolards et d’animaux facétieux – comme cette vache électrique qui prend un malin plaisir à asperger d’eau le visiteur imprudent- sans oublier des véhicules en tout genre : des voitures, des chars, des tracteurs, mais aussi des tramways qui passent en brinquebalant au-dessus de nos têtes, des bombardiers qui lâchent des billes sur une tôle dans un son d’enfer, peinant à couvrir le bruit du moteur qui fait mouvoir l’ensemble des machines ; le tout étant dominé par une immense tour Eiffel de 23 mètres de haut.’

En nu bekijk je best gewoon dit ouder filmpje waarin je wat hierboven verteld wordt kunt horen en bekijken:

Le manège de Petit Pierre in werking op zijn oorspronelijke plaats

Pierre Avezard. Geboren in 1909 met het syndroom van Treacher-Collins, een zeer zeldzame erfelijke gelaatsziekte waardoor vaak de oorschelpen ontbreken en andere misvormingen van het gezicht kunnen voorkomen. Dat hij met een dergelijk uiterlijk het voorwerp van spot en plagerijen zou worden lag voor de hand. Maar ‘Petit Pierre ‘était né sous ne bonne étoile’. Een warme beschermende familie en zijn zus Thérèse die hem leerde lezen en schrijven.

Geboren en getogen en pleine campagne in Le Loiret werd hij koeherder. Hij kon met de dieren praten, hield van hen en zorgde voor hen. Zo werkte hij in verschillende boerdrijen en zag ’s zondags zijn ouders en Thérèse en Léon, zijn kleine broertje. Hij bracht voor hen allerlei kleine voorweren mee die hij gemaakt had met vindmaterialen: speelgoedjes, windmolentjes, bloemenboeketjes met metalen bloemetjes.
In 1935 werkt hij bij een boerderij op een vijftiental kilometer van thuis. Hij wordt er zonder ophouden met zijn handicap geplaagd terwijl zijn beetje bezit stuk wordt gemaakt. Als oplossing zet Petit Pierre zijn bed op een door hem gemaakt platform dat hij met een zelf gemaakt opplooibaar laddertje kan bereiken zodat hij voor de andere koewachters onbereikbaar wordt.
Enkele jaren later ontwerpt hij zijn eerste machine: ‘ “un système mécanique de distribution de betteraves aux vaches méritantes”, tapis roulant actionné à partir d’un pédalier de vélo.’
Zijn patron, meneer Hareng schenkt hem een lapje grond om er in vrede te kunnen leven en aan zijn uitvindigen te werken.
Zo ontstaat ‘le Manège’ de Petit Pierre waar hij in de loop van zeven jaar ook bij zijn broer Léon, intussen luchtvaart-ingenieur geworden en de wereld rondreizend, inspiratie vindt en er zijn creaties verder uitbouwt.

‘Le bouche à oreille fonctionne. Désormais, les visiteurs viennent de toute la région pour découvrir ce lieu unique. Petit Pierre, sans le vouloir, est devenu une célébrité, et son Manège un endroit festif qui enchante les dimanches campagnards. On y boit et on y danse au son d’un vieux tourne-disque, ou accompagné des notes endiablées de la guimbarde de Petit Pierre. Hélas, en 1974, les belles heures du Manège se grippent. Victime d’une crise d’hémiplégie, Petit Pierre doit se retirer en maison de repos. Cependant, tous les dimanches, un taxi le dépose à La Coinche où il continue d’accueillir les visiteurs dans son Manège. C’est en 1980 que le grand public le découvre grâce au film d’Emmanuel Clot, Petit Pierre, qui reçoit le César du meilleur court-métrage documentaire : “La première fois que j’ai vu ce petit homme de 70 ans avec son visage torturé devant ce Manège qui est l’œuvre de sa vie, j’ai eu un choc… il fallait que j’en fasse un film. C’est maintenant l’être au monde que j’aime le plus, car il a su communiquer avec une société qui le rejetait.”, explique-t-il dans une interview accordée au Matin de Paris, en février 1980. (Céline du Chéné)

Ouder geworden wordt zijn ‘manège gered door Alain Bourbonnais, architect en collectioneur d’ art brut en hergemonteerd waar ze in ‘La Fabuloserie’ nog altijd te zien en te bewonderen is. De mooie film hieronder laat je de opening en de nieuwe werking zien aldaar!
Il meurt en 1992, sans l’avoir revu. Mais trente ans plus tard, le Manège fonctionne toujours. En 2019, Agnès et Sophie Bourbonnais, les filles d’Alain et Caroline organisent une exposition pour raconter l’incroyable destin de Petit Pierre. Le jour du vernissage, tous les enfants de Léon Avezard sont présents, dont une certaine Nicole Avezard, docteure en mécanique des fluides, plus connue sous le nom de Lucienne Beaujon du duo des « Vamps ». (ibidem)

Met bewondering en ontroering , emoties eigen aan het beschouwen van kunst in zijn zuiverste vorm, bekeek ik het werk van deze man met net zo’n grote bewondering voor al degenen die het opnieuw zichtbaar hebben gemaakt in La Fabuloserie, musée art-hors-les-normes, art brut Ontsnappen is dus mogelijk, ook al ben je in je eigen lichaam opgehokt.

‘Dans la panoplie des termes du monde de l’art brut les appellations sont nombreuses. « Art marginal » ou « art hors-les-normes » font partie de celles qui peuvent fonctionner comme des termes génériques. Pourtant l’expression « art hors-les-normes » reste indissociable de la collection réunie par Alain Bourbonnais. Suggéré par Jean Dubuffet à ce dernier parmi d’autres appellations en 1972, l’art hors-les-normes désigne l’art réalisé avec d’autres normes que celles de l’art officiel. Réalisées le plus souvent par nécessité, ces créations sont fabriquées par des autodidactes pour lesquels l’acte créateur peut être pensé comme un travail passionné ou une sorte de « re-création ». Ces créations brouillent les catégories artistiques, dissolvent les frontières en s’inscrivant à la croisée de l’art populaire, l’art naïf, l’art brut, l’art outsider….Hors-les-normes est au-delà des normes.’

Verder: http://www.fabuloserie.com en http://www.avezard.com

MYSTERIUM MATRIS een apocriefe psalm

boodschap

Nu de dagen korten en de winkellichten vroeger de straten verzachten, duurt het geen weken meer of Kerstmis sluipt in onze oude verlangens binnen.
Onder dat dikke commerciële deken schuilt een verhaal dat mij tot vandaag is blijven ontroeren: de Alwetende stuurt zijn zoon naar de mensen via de meest menselijke weg: de moeder.
Als ik andere goddelijke geneses lees dan kan een bloem of een bliksem bijdragen tot het wonderlijke van de ontologie waarin het goddelijke zich met het menselijke verbindt. In dit oude verhaal is het de meest direkte weg, met inbegrip van wat dit bij de vrouw in kwestie zal teweeg brengen. Zij is geen draagmoeder, als is ze misschien als uitzendkracht begonnen. Zij blijft bij hem tot onder dat slavenkruis waar zij zijn liefste leerling als (pleeg)zoon krijgt toegewezen.
Natuurlijk hou ik van verschillende mythologische verhalen, zeker van de Griekse, maar daar bleven de goden op hun Olympus. Ze trokken zich niets van het menselijk bestaan aan en slechts als het volgens hen de spuigaten uitliep kwamen ze een handje toesteken.

Asamblea-Bodas de Psyche y Eros_1517_RAFFAELLO_Sanzio-VillaFarnesina

Ik hou me dus ver van de theologische consequenties. Ik ben maar een verhalen-verteller. Net zoals ik dat deed bij het radiodrama ‘de schepping volgens Jonas’ zoek ik alleen verhalende elementen die misschien de overbekende inhoud meer vermenselijken.
In het verhaal is er plaats voor verschillende werkelijkheden. Je moet je echter ontdoen van elk vooroordeel. Het is maar een verhaal. Met het nodige respect voor de materie maar ook zonder angst om de cliché’s uit te kleden of een niet voor de hand liggende wending toe te laten.
De logica van het verhaal wijkt voor de suggestie. Oproepen. Niet om iets te doen, maar het voor de geest halen van werkelijkheden die niet onmiddellijk beschikbaar zijn voor de redeneringen van alledag. Zoals je een gestorven geliefde kunt oproepen in de stilte van de nacht. Traagzaam denken, tijd geven aan de opkomende beelden.
Ik hoef geen digitale kijker op te zetten want het woord heeft in zijn mogelijkheden onvoorziene krachten met uitlopers in de muziek.

c6c57-389412184

Daarom wil ik, indien het lukt, enkele kerst-psalmen vertellen. Ik weet het, je kunt met ‘reciteren’ ook dieptebeelden oproepen, maar mijn beelden hoeven niet de herhaling al zal ik ze niet uit de weg gaan.
Het zijn beelden waarin de gewelven van een godsgebouw tot de onze menselijke binnenkamer zijn herleid maar ook van daaruit een eigen diepten kunnen oproepen. Met inbegrip van een glimlach, de mooiste beloning voor een verteld verhaal. al mag in slaap vallen ook voor wie het dromen niet vergeet.
Mysterium Matris, het mysterie van de moeder wil de deur openen.

The_Virgin_with_the_Sleeping_Christ_Child_-_Orazio_Gentileschi_-_orazio gentileschi

MYSTERIUM MATRIS

O moeder van ons, kuddedieren,
seismogram der mensenkaravanen,
bij wie zelfs de God van Abraham
beschutting zocht.

Een zeldzaam woord
schreef hij op portieken,
gaandeweg vervallen
door zijn donderpreken.

Geen ‘mene tekel’ was het,
maar iets op kladpapier
waar Adams naam
bij ‘spraakgebreken’ had gestaan.

Een woord, dun als eierschaal,
een woord
waar engelenzwermen voor weken.

mother-and-child helene schjerfbeck

‘Moeder’,
het spreken kan alleen langs jou,
-God zijn is een hondenbaan-
achter een resem heelallen
was het woord
als hartenkreet bij mij.

Gabriël zei:
‘Het woord was bij God’,
schrijf op, Johan.

Gods goesting kennend
riepen de serafijnen:
‘crêpes suzette’,
‘dierenriemen’,
‘kringgesprek’,
‘ontkiemen’!’

Mooie woorden
uit Gods achtertuin, dat wel,
maar ‘lederwaren’
en ‘kroonjuwelen’
zijn dat ook.

Of ‘rinkelbel’ en
‘luizenkam’.

moeder en kind klimt

‘Moeder’,
sprak hij nu luidop,
sprak
zijn verzwegen vrouwelijk wezen.

En uit de diepten
van zijn rekwisieten
uit zijn eigen keizersnee
kwam een jongen
zachtjes
als een offerlam.

Het sneeuwde kindermeel.

Gods ouderpaar
zond een engel
voor een uitzendkracht.

Zelfs al op weg
zei Gabriël:
‘mens’ zal het woord worden
en wonen onder hen.

Hoofdschuddend.

Als Gods vrouwelijke kant
spreekt
kan men het ergste vrezen.

käthe kollwitz

Voor een wezen met zijn allure
een omweg
die kan tellen.
Voor iemand die een kind
met een vingerknip
uit het niets kon scheppen
een vreemde droom
waarin hij door haar zachte stem gesust,
ontdekt hoe zoet het bij haar
slapen is,
onaangeraakt nog
door het weten
wat hem te wachten staat.

Niets menselijk bleek God vreemd te zijn.
Al zag hij in zijn alwetendheid
niet alleen het geschrokken prille meisje
maar hoorde hij
het Stabat Mater bij haar angstig kijken.

Toch liet hij Gabriël vertrekken.

boodschap2

JOS MARTENS (1919-2017)

Scan 5.jpg

Vader, onze vader?

‘Groots en meeslepend wil ik leven, hoort ge dat, vader, moeder, wereld, knekelhuis?’

Deze legendarische versregel van Hendrik Marsman leek hem wel op het lijf geschreven. In figuurlijke zin heeft hij altijd met een dubbele hartslag geleefd: in elke harteklop van hemzelf klopte ook die van zijn moeder, die kort na zijn geboorte haar leven in hem achterliet. Misschien is hij daarom zo oud mogen worden, ook al herkende hij de laatste jaren zichzelf steeds meer in de woorden van Willem Elsschot:

'Ik word aan 't oud zijn niet gewend, de lichtelaaie  die ik heb gekend 
zit nog die in mijne knoken en blijft mij dag en nacht bestoken..." 

Maar tot zijn laatste dagen gaf vader te kennen: “Dokter, ik zeg het u maar: ik leef nog altijd graag, hé!” Zoals hij ook is blijven herhalen: “Het was geen gemakkelijk leven, maar wel boeiend. En ik heb veel geluk gehad.”

Geen vuur is hem ooit te heet geweest, geen rook die hij niet heeft weten te snijden, geen brandend kooltje dat hij niet wist tegen te houden: vader was onze vonkenvanger. Ook zonder strak pak, onze superman. En altijd op goede voet gestaan met de Eeuwige Secondewijzer. Het tikken van de klok heeft nu zijn hartslag overgenomen. ‘Gouden haantje op de toren, zie de nacht breekt aan, maar boven in het ochtendgloren heeft nooit zo fier een haan gestaan.’ Er is meer tussen hemel & aarde dan men ooit zal kunnen vermoeden? Zo ook tussen u & ons, liefste vader.

foto: Jan Martens tekst: Marie Martens

EEN HUIS IN HET HART

06.07_merholz_camera_color.jpg

Met een huis in het hart
-verguld, dat is waar-
vermengen wij de hete melk
met alledaagse koude brokken.
Hier was ik  thuis.
 
Waar ik een kind was,
waar de dagen zondag zijn
of school,
of vakantie zonder eind,
waar moeder zong en vader zweeg.
Daar was ik thuis.
 
Met uitzicht op nergens,
een tuin vol zure kriekenbomen,
maar ook de donkere dagen
voor de komst van een goedheilig man,
wonderen in het schaarse licht
van etalages en kerken
(puer natus est).
Was ik daar thuis?
 
Veel te vroeg in bed
want morgen was er weer een dag,
vlotten vlijt
op de trage rivier zonder verloop.
God zag alles, de familie ook,
en schuld kreeg je gratis
bij geheime pretjes zonder naam.
Hier ben je thuis.
 
Een kuise nacht heel dicht bij jou,
-de meisjes waren vroeg naar huis-
voor het ouderlijk vuur gezeten,
kusten wij elkaar,
en eindelijk, enkele seconden,
was ik thuis.
 

21gray-superJumbo-v2.jpg

HET SPONSDOOSJE

P2160015.jpg


Het jaar dat het jongetje werd geboren stierf de uitvinder van het bakeliet, Leo Hendrik Arthur Baekeland. Het bakeliet echter, voor de bollebozen ‘phenol formaldehyde’ bleef in zijn jonge leventje nog rondzwerven zij het dan in de eenvoudige vorm van het hierboven afgebeelde ‘sponsdoosje’.
Het woord zegt alles zoals een goed woord meestal doet:  een doosje waarin een sponsje zit, sponsje om je lei weer proper te maken.

Het autobiografisch geheugen begint volgens de nieuwste neurowetenschappen pas rond twee en half, drie jaar te werken. De tijden van de kleinste kindertijd kunnen met foto’s en verhalen opgeroepen en vastgelegd worden maar ze behoren niet bij de werkelijke herinneringen, het zijn toegevoegde gebeurtenissen: Het jongetje in het kippenhok, het vriendinnetje van twee huizen verder, hij is de uitvinder van het volkse fototoestel, George Eastman, dankbaar voor zijn ‘kodak’. (zie blog van 14 maart 2015) net zoals hij zijn moeder over de dood heen vriendelijk toeknikt en dankuwel ma zegt als hij de krullenkop op het uitgeleefde speelpaardje ziet, 70 jaar later en toch nog zo aanwezig alsof hij zo dadelijk in de lens zal kijken en het onoverkomelijke met een glimlachje moeiteloos belachelijk maakt.

Maar het sponsdoosje bestaat nergens op foto.  Het doosje hier afgebeeld is tweede- of zesdehands gekocht in Nederland. Als bewijs.  Een bewijs dat het echt bestond, dat doosje in de vroege rimpels van zijn autobiografisch geheugen waarin de werkelijkheid op een verweerde muurschildering lijkt en vage kleuren, gebroken lijnen en bekladde vlekken de schuilplaats zijn voor het overschotje van een lang geleden verloren tijd die naarmate we ouder worden zachtjes weer naar voren komt en ons verzoent met wat was, werd en nooit zal worden.

Het huis in de Gildenstraat, 49, van de voorbije oorlog nog maar twee, drie jaar gescheiden. Kan hij in het volgende (nagelnieuwe) huis nog altijd rondlopen als de slaap uitblijft, het kleine kinderhuis is er alleen dank zij meneer Eastman.  Een slaapkamertje waar winterappels worden bewaard. De geur van een langzaam stervende zomer. Maar ook de herrie toen hij ze over de vloer liet rollen en zijn vader grommend bovenkwam met wat-is-dat-daar-allemaal?
En het sponsdoosje.  Het was een nieuw sponsdoosje.  ’s Avonds met water gevuld en ’s morgens, terwijl zijn vader zich bij  de spiegel in de keuken scheerde, weer opengedraaid.  Het water echter was weg.
‘Het water, zei het jongetje.  Waar is het water?’
Van een jonge onderwijzer kon je verwachten dat hij het over sponsdieren zou hebben of over zweephaartjes die een binnenwaartse stroming veroorzaken, maar blijkbaar dacht hij eerder aan de fietsrit van 13km naar Sint Pieters Lille waar hij les moest geven en zei hij enigzins gespeeld bozig: ‘Ik heb dat water gebruikt om mij te scheren.’
Zijn eigen vader dus steelt het water uit zijn sponsdoosje!
Het jongetje is toen blijkbaar heel boos geworden, maar dat gevoel hoort niet meer bij de verweerde muurschildering. Zijn moeder heeft het daarna meermaals verteld.
Het doosje, de ontzetting bij het verdwenen water en de uitspraak van de bijna geschoren vader, zijn heldere lijnen van de onuitwisbare vroegste herinneringen. Het water in een sponsje dat je langzaam naar buiten knijpt.
Een donker bakeliet sponsdoosje was het, enkele jaren na de dood van de uitvinder gekocht.

Pa, zegt het jongetje. Het doosje is nog leeg. En toch helemaal gevuld. Met dat onzichtbare dat vaak de helderheid van een winterse dag als vandaag uitstraalt. Het doorzichtige van het voorbije waarin het onbelangrijke als een moe kind gekoesterd wordt. Nabijheid.

P2160017.jpg

UITGELICHT (6) VANUIT ‘DE VEELTE’

20131107-17819-1.jpg

Als peuter en kleuter had ik een vrij primitief inzicht in ‘hoeveelheid’, ik noemde het begrip ‘de veelte’, wat je in volwassen termen ‘een verzameling’ zou kunnen noemen. Ik herinner me heel vroege ervaringen van een zeker welbehagen bij het zien van een collectie kleurpotloden die in een mooie (metalen) doos naast elkaar lagen. Een welbehagen dat je net zo goed had bij een half pak chocolade, onderverdeeld in een aantal vast aan elkaar hangende reepjes of een blad dezelfde postzegels om uit te komen bij de drang van de mens om collecties aan te leggen.


Het ging in eerste instantie niet om ‘het bezit’ maar om een leuk gevoel, dat welbehagen, een zekere ordening te ervaren in ‘de veelte’. Dat welbehagen had met ‘schoonheid’ te maken die een geordende ‘veelte’ kon oproepen: zich herhalende patronen die je in de architectuur of binnenhuisinrichting als in een kunstwerk zou kunnen toepassen.
Primitiever was de drang om ‘de veelte’ te kunnen abstraheren door de onderdelen te tellen. Tellen. Een drang die diep tot in het onderbewustzijn kan doordringen zodat bepaalde mensen voortdurend bijna dwangmatig de werkelijkheid willen tellen (bomen, handelingen) als de drang van het kapitalisme om bezit te vergaren, en ‘dat kan tellen’ als lijfspreuk aan te nemen.

dn9436-1_650.jpg


Tellen zou een bijna exclusief menselijke eigenschap zijn.  Al wil ik hier dadelijk het voorbeeld van woestijnmieren (Cataglyphis fortis) vermelden die naast lichtinval en uitgeademde koolstofdioxyde van het nest met het tellen van hun stappen de kortste weg terug naar huis vinden.
De broeders en zusters-primaten kunnen met enige oefeningen tot zes of zeven tellen en ik vermeld H. Kalmus in zijn artikel ‘Animals as Mathematicians’ in Nature:

‘Er bestaat weinig twijfel dat sommige dieren, zoals eekhoorns en papegaaien, kunnen tellen (…) Het vermogen om te tellen is vastgesteld voor eekhoorns, ratten en bestuivende insecten.  Sommige van deze dieren en andere dieren kunnen aantallen herkennen in patronen die verder hetzelfde zijn.  Andere dieren kan worden aangeleerd om reeksen akoestische signalen te herkennen en zelfs te reproduceren.  Een enkeling kan zelfs worden getraind om het aantal elementen (punten) in een visueel patroon met tikken weer te geven (…) Door het ontbreken van het gesproken getal en het geschreven symbool kunnen veel mensen het beeld van dieren als wiskundigen moeilijk accepteren.’

Chimpansees kunnen aantallen op een computer intoetsen die overeenkomen met het aantal bananen in een doos.
Experimenten in Japan leerden chimpansees getallen van 1 tot 6 herkennen door op de juiste toets te drukken als op een computerscherm een bepaald aantal voorwerpen werd getoond.

dn26094-1_1200.jpg


Nu zou je je kunnen afvragen waarom de menselijke soort zo’n grote groep ‘tellende wezens’ kent (waarbij ik mezelf reken) die ook het behagen in het spelen en het begrijpen van ‘de veelte’ bezitten maar verdere wiskundige bekwaamheden missen om door te dringen in de geheimen van de wiskunde.

Dat tellen niet alleen met zichtbare materie heeft te maken maar zeker ook met muziek en dans maakt duidelijk dat de bekwaamheid tot het hanteren van die wiskunde blijkbaar ook op andere manieren kan aangebracht worden dan wat wij in vroegere dagen hebben meegemaakt waarin de vreugde van tellen en aanverwanten verdween in de eindeloze abstracties waarin het verband met het bestaande, met het wezenlijke, totaal verloren was gegaan.
Nog steeds zie ik die splitsing in wiskundige bokken en schapen waardoor het odium dat alleen nerds zich in dit geheime land kunnen bewegen bevestigd zou worden.
Hier en daar waren er gidsen die toch de zware deuren op een kier konden zetten en  de onkundige teller op zijn/haar manier levenslang zin gaf om weer terug te keren naar die schoonheid.
Of zou het toch ook wel een beetje aan die ongelofelijke pretentieuze zekerheid van de wiskunde zelf kunnen liggen als je bijvoorbeeld deze bewering van Sir Michael Atiyah leest:

‘Bij elke belangrijke stap vereist en stimuleert de natuurkunde de introductie van nieuwe wiskundige middelen en concepten. Ons huidig begrip van de natuurkundewetten, met hun extreme precisie en alomvattendheid, is alleen mogelijk in wiskundige bewoordingen.’

Ze willen niet alleen ‘de veelte’ maar bezitten ook de passie voor de volledigheid, zegt Clifford Picover in ‘Het wiskunde boek’ waaruit ik hier heb geput en dat mij ’s avonds weer op mijn plaats zet voor ik de nacht in ga, de plaats van de liefhebber waarmee de wetenschap weinig kan beginnen al kan bewondering toch ook een mooi opstapje zijn op het achterbalkon van de wiskundetrein.

 

71372300.jpg

 

 At home, from early childhood, Jacob was fascinated by patterns—the play of sunlight on ripples in a pond, the march of shadows across a wall. Kristine Barnett ran a daycare in small-town Indiana while her husband, Michael, worked in retail. One day, she saw that Jacob, then three years old, had organized hundreds of crayons into the colours of the rainbow, in order. Michael was slack-jawed. How did he even know the order of the colours? When his father asked the question, Jacob, who was not speaking, turned a nearby water glass until it splashed a rainbow across the tabletop. It was his way of answering.

 

VANDAAG 176 JAAR GELEDEN WAS HET EEN BLIJE DAG

Hartmann_Paris_Catacombs.jpg

Laten we met een omweg beginnen vandaag: de schilderijen van meneer Viktor Hartmann, een kunstenaar die naast de kleur op het doek ook de ruimte van de architect en het volume van de beeldhouwer gebruikte om zich artistiek uit te drukken. Deze druk bezette man stierf jong, nauwelijks 39 in 1873. Zijn vrienden wilden hem met een tentoonstelling eren.  Eén van die vrienden was Modest Moessorgski, en het is deze man die vandaag 176 jaar geleden het levenslicht zag in Sint Petersburg als zoon van een verarmde grootgrondbezitter, een soort die in het Rusland van de negentiende eeuw goed vertegenwoordigd was.

460px-mussorgsky_repin.jpg

Dit portret is door de bekende Ilja Repin geschilderd, enkele dagen voor zijn dood in datzelfde Sint Petersburg toen de componist al in het ziekenhuis verbleef. Het is zelfs voor een leek niet moeilijk om bij het zien van dit portret te vermoeden dat een overmatig drankgebruik de voornaamste reden was voor zijn korte leven dat nauwelijks 42 jaar duurde. Een gebeurtenis die we zaterdag 28 maart kunnen herdenken want dat is, 134 jaar geleden, de sterfdag van componist Modest Moussorgski. (1881)

Bij leven en nog tamelijk welzijn was hij bevriend met Viktor Hartman en ter ere van deze ook vroeg heengegane artiest schreef Modest ‘Schilderijen van een tentoonstelling’, zestien pianostukken die telkens op een schilderij van de aflijvige waren geïnspireerd met tussendoor een promenade-melodie om ze met elkaar te verbinden.

Hartmann_Chicks_sketch_for_Trilby_ballet.jpg

Omstreeks 1958 was er een wereldtentoonstelling in dit kleine land, en in een groot jongensinternaat in de Kempen kon de zware poort toch al een beetje op een kier.  Een grote groep studenten uit de stad waarin deze tekst nu geschreven wordt en het stadje in de Kempen traden onder leiding van de kundige dictie-leraar Jaak Demol en medewerkers in Brussel op met een plezierige caleidoscoop  waarin taferelen uit het studentenbestaan geconfronteerd met kunst en wetenschap in woord en muziek werden verbeeld. De schrijver dezes was toen bijna veertien en zong mee in het samengestelde koor van de twee internaten.

Dat de stabiele vijftigerjaren-wereld begon te kraken in haar voegen is wellicht beter te beschrijven met de termen ‘scheurtjes’, een verschijnsel dat ons nu ook de wenkbrauwen doet fronsen. In het korps van het Kempische internaat waren er jonge leraren die ons niet alleen Latijn en Grieks wilden leren maar ons ook graag met de kunst en cultuur in aanraking wilden brengen. Ere dus aan Jan Verstraelen, toen muziekleraar aan die instelling, later onderpastoor en daarna deken in Essen, die op een dag met zijn zware bandrecorder de klas binnenkwam en ons ‘de schilderijententoonstelling’ liet horen in de orkestratie van Ravel.

De bandrecorder maakte deel uit van het ritueel.  Zijn glanzende crèmekleurige knoppen, het groene oog, de wielen, het gaas voor de luidspreker in gekoperde kleur, het ontrollen van de band die langs de koppen naar het lege spoel liep, ja we waren wel degelijk in 1958.

640px-Hartmann_--_Plan_for_a_City_Gate.jpg

En met de trompetstoot waarmee de eerste promenade opende duurde het niet lang of deze jongen verhuisde naar het Rusland van Moussorgski. Hij zag de kreupele gnoom dansen, de reusachtige letterlijke notenkraker die de componist voor ogen had. Hij verbleef op ‘il vecchio castello’, het oude kasteel waar een minstreel ’s nachts een lied zingt en de saxofoon een voorname plaats krijgt in het oude symfonie-orkest. Eén van de kinderen in de Tuilerieën’ was hij, en hij zag de ossenwagen voorbijkomen om daarna de dans van de kuikens in de dop mee te maken. Hoorde hij niet de ruzie tussen de rijke en de arme Jood, en het getwist van de marktvrouwen op de markt in Limoges? Hij daalde mee af in de catacomben van Parijs zoals door de schilder hierboven uitgewerkt. Cum mortuis in lingua mortua en de Baba-Yaga brachten hem in die schrikwekkende sprookjeswereld om dan langs de grote poort van Kiev (een architectonisch ontwerp van Hartmann) binnen te komen in een wereld die hij nooit meer zou verlaten.

bydlo.jpg

De prentjes -weinig echte beelden van Hartmann hebben de geschiedenis overleefd- waren totaal overbodig. Ik heb ze wel gezien. In mijn verbeelding. Telkens weer in andere samenstellingen. In drie of vier dimensies. Muziek had de grote poort opengeduwd en ik wist dat ik er nooit nog zou van genezen. Er werd wel eens smalend over ‘programma-muziek’ gesproken, maar het ging hier niet over een bepaalde gebeurtenis of een verloop, maar elke beeld van deze tentoonstelling stond voor duizenden andere. Vergeten beelden uit je kinderjaren, beelden van een nog niet uitgegroeid verlangen, beelden die hun eigen werkelijkheid al lang achter zich hadden gelaten.

In dat intussen al lang verdwenen klaslokaal, met de klanken van de eveneens al lang verdwenen recorder en de woorden van de veel te vroeg verdwenen gids openden zich vergezichten die geen enkele wereldtentoonstelling had kunnen bieden.

 

KLEINE GESCHRIFTEN OMTRENT EEN GROTE OORLOG (3)

298-d7a39d97b7bdc45989f2665be7b40921.jpg

TIJD EN PLAATS

Zijn dorp, Oud Turnhout is bij zijn geboorte twintig jaar een zelfstandige entiteit, los van Turnhout sinds 1 januari 1859. Einde van de jaren tachtig wonen er zo’n 2700 zielen in Oud Turnhout.
Bij het graven van het kanaal Dessel-Schoten (gekend als ‚De Vaart’) ontdekt men in 1846 rijke lagen kleigrond zodat er een industrieel centrum ontstaat met steen-pannen- en cementfabrieken.
Dat bracht een immigratie en huisvesting van mensen uit de meer zuidelijke gemeenten met zich mee en zo ontstond Oosthoven.
Maar ook via dat kanaal werd aanvoer mogelijk van kalk en mest (ook pas ontdekte kunstmest) voor betere exploitatie van de landbouwgrond met een verhoogde productie als gevolg en een immigratie vanuit Nederland (Noord Brabant) meebracht.
Er kwamen tramlijnen richting Turnhout, Arendonk en Mol wat voor de ontsluiting van het centrum zorgde.

feestKanaal1900-Turnhout_G.jpg

Waarschijnlijk deed zich echter ook de landbouwcrisis van 1880-1890 voelen: goedkoop graan overspoelt de Europese markten vanuit de Verenigde Staten waar na de burgeroorlog de mechanisering is ingevoerd.  Aanvoer van kunstmest versterkt nog deze landbouwcrisis: boeren en boerenknechten hebben geen werk meer en trekken naar de grote steden waar ze terechtkomen bij het industriële proletariaat.
De katholieke Partij ‚Féderation des Cercles catholiques et des Associations conservatrices‘, opgericht in 1884 wint dadelijk de verkiezingen en zal dertig jaar lang alleen of in coalities in de regering blijven.
Onder de katholieke regering van August Beernaert komt er een eerste sociale wetgeving tot stand en 1885 wordt de Belgische Werkliedenpartij opgericht, een jaar later de Antisocialistische Katoenwerkersbond. De verdeling van de arbeiders neemt steeds grotere vormen aan.

Industriëlen en andere welgestelden hebben op dit grondgebied hun buitenverblijf, kasteel of landhuis.

Om in de sfeer van het alledaagse te blijven publiceer ik hier het verhaal dat in het geboortejaar van Augustin werd opgetekend door Pol de Mont: Spoken te Oud Turnhout.

Te Oud-Turnhout woonde een boerenknecht, welke elken maandag zijn lijnwaad naar een ander dorp te wasschen droeg. Als hij het des zaterdaags terughaalde, viel het wel eens voor, dat hij, bij het hooren naderen van andere boeren, een wit hemd over zijne kleederen aantrok, om “spook te spelen.” Meer dan eenen voorbijganger had hij alzoo den dood op het lijf gejaagd, toen eindelijk een andere boer, die den moed niet zoo spoedig in zijn laerzen liet zinken, op zich nam, om “het spook zelf eens bang te maken.”
Wat deed me onze man? Den eerstvolgende zaterdag vatte hij, met een wit laken over het hoofd, op de onderste takken van eenen boom, langswaar de boerenknecht gewoonlijk voorbijging, plaats.
Na eenige tijd zag de man, die in de boom zat, den verwachten gezel in het halfdonker naderen. Wie het was, kon hij wel niet herkennen; maar duidelijk kon hij zien, hoe hij, uit een pak, dat hij in de hand droeg, een wit kleedingstuk te voorschijn haalde, en het aantrok.
Het spook, want nu was er immers een spook, zette zich op weg, in de richting van den boom. Daar werd het onzen moedigen boer zoo bang om het hart, dat hij de naderende verschijning niet eens meer dorst bekijken.
Wat het spook zelf betreft, ook dit zou zijne beurt wel krijgen. Juist toen het onder de boomtakken voorbijging, viel eene witte massa, met een vreeselijk gekraak en gebrul, uit de takken neder: de boer was van schrik naar beneden gestort…!
Doch, het beste komt nog!
Het spook, dat het geheim niet kende, maakte beenen, en liep in eenen adem naar huis…’

L’arroseur arrosé in Kempische toonaard.
Augustin was een joch van zes jaar toen de gebroeders Lumière dit filmpje in Parijs vertoonden.
De besproeier besproeid. Of een mooi voorbeeld van Europese politiek einde 19de eeuw waarin verbanden en verbonden de verbinders niet droog zullen houden
 

30lksog.jpg

 

KLEINE GESCHRIFTEN OMTRENT EEN GROTE OORLOG (2)

Rubifoam-1889-recto-blog.jpg

Een jaartal

Het jaar van de geboorte, de deur van een levensloop. Ken je ook het achterpoortje van de sterfdatum dan kun je met het bijna vergeten hoofdrekenen iemands bestaan in een getal samenvatten. Hij of zij is x jaar oud geworden. Maar tegelijkertijd is die levensloop in een tijd verankerd, in zeden en gewoonten, in doen en laten waarin de geboorteplaats de uitkijktoren kan genoemd worden van waaruit je het kleine en iets grotere gebeuren interpreteert en ondergaat.

Ook al kun je met die twee cijfers, geboorte- en sterfdatum,  een reepje tijd trancheren, het is met honderden zichtbare en vooral onzichtbare worteltjes vergroeid in het bestaan waarin deze twee getallen slechts vage aanduidingen zijn.

De geboortedatum van een ‘ouvrier agricole’ mag dan niet in de geschiedenisboeken te vinden zijn, maar aan de administratie van gemeente, parochie en het leger is hij niet ontsnapt.

Geboren in ‘Vieux Turnhout’ in 1889.  Vier dagen na een jongetje dat in het Ooostenrijk-Hongaarse rijk, op de grens van Beieren in Braunnau het zogenaamde levenslicht zal zien en als Adolf nog een tijdje net zo onopvallend aanwezig zal blijven. Of twee dagen voor het kind Ludwig uit de familie Wittgenstein zijn eerste kreetjes hoorbaar maakt. Graag wil ik in september van dat jaar ook nog het kleine meisje Anna Akmatova vermelden en enkele maanden later het jongetje Martin Heidegger. (vergeet Charlie Chaplin niet want ik vermoed dat hij de enige uit het rijtje zal zijn die Augustin bij leven en welzijn met naam en toenaam heeft gekend.

Het is het jaar dat Vincent van Gogh in de Provence zijn mooie sterrennacht schildert en een kaartje met het ontwerp ervan naar zijn broer stuurt terwijl in Parijs de Eifeltoren de voornaamste bezienswaardigheid van de Exposition Universelle wordt ingehuldigd.

Hij is met nogal wat jongetjes van dat jaar alvast bestemd om live te gaan meedoen in wat nu de spektakel musical 14-18 heet en ook als ‘de groote oorlog’ in zijn leven een speciale plaats zal innemen.

Maar daar weet het kleine boerenzoontje nog niets van. Hij is het kind van Cornélie Vermeulen en Corneille Ferdinand Van N. In 1909 , het laatste jaar van de lotelingen zal hij het lot 89 trekken, zijn geboortejaar, en au service actif het vaderland gaan dienen zoals dat heet.

Ik laat de gezegende sterrennacht over de kleine baby waken. Wat wij nu weten deert hem nog niet.

VanGogh_Sterrennacht.jpg

KLEINE GESCHRIFTEN OMTRENT EEN GROTE OORLOG (1)

weltkarte-29.jpg

De naam van een boerenjongen, bekend als Gust maar in de annalen van de krijgsmacht als Augustin genoteerd.

Een pestliedje was het. Niet om iemand te pesten, maar ontstaan door de gevolgen van de zwarte dood in het Wenen van 1679 te bezingen.
En lieve Augustin die ik de volgende dagen probeer te benaderen, de figuur van het liedje zou een doedelzak-speler zijn geweest die na een stevige avond doordrinken langs de weg in slaap viel, voor dood  werd aanzien door de grafdelvers en met doedelzak in een massagraf terechtkwam waar hij ’s morgens uit zijn roes ontwaakte.  Omdat hij niet uit eigen kracht uit de vrij diepe kuil kon klimmen begon hij  te spelen want hij wilde graag sterven zoals hij had geleefd.
En jawel, hij werd gehoord.  Ondanks zijn slaap met de geïnfecteerde doden bleef hij gezond en zo werd Augustin het symbool van hoop voor het Weense volk.
Ongeveer op deze manier werd het verhaal verteld door prediker Abraham a Sancta Clara (1644-1709) en bleef Augustin voor de Wieners in het liedje ‚Oh du lieber Augustin’  leven.
De zuinige Schotten maakten met de melodie er ‚Did ye ever see a lassie, a lassie, a lassie’ van en in Holland lieten ze op deze wijze Sinterklaas op de deur kloppen (Daar wordt op de deur geklopt, deur geklopt…)
Vergeet ook niet dat Hans Christian Andersen het gebruikte in zijn sprookje ‚De varkenshoeder’ (1841) achtenveertig jaar voor jij zou geboren worden.

O, du lieber Augustin, Augustin, Augustin,
O, du lieber Augustin, alles ist hin.

Geld ist weg, Mensch ist weg,
Alles hin, Augustin.
O, du lieber Augustin,
Alles ist hin.

Rock ist weg, Stock ist weg,
Augustin liegt im Dreck,
O, du lieber Augustin,
Alles ist hin.

Und selbst das reiche Wien,
Hin ist’s wie Augustin;
Weint mit mir im gleichen Sinn,
Alles ist hin!

Jeder Tag war ein Fest,
Und was jetzt? Pest, die Pest!
Nur ein groß’ Leichenfest,
Das ist der Rest.

Augustin, Augustin,
Leg’ nur ins Grab dich hin!
O, du lieber Augustin,
Alles ist hin!

Text and melody: Marx Augustin (1679)

Voor een nauwelijks overlevende van de grote oorlog een toepasselijk liedje.
Goede lezer(es) dit is de tijd dat grootvaders hun eigen grootvader eren. Hij nam deel aan wat nu in een ‚spektakel’ musical ’14-18’ heet maar waarvan de dreun tot in de ziel van het intussen zeventigjarige kleinkind nog niet is uitgestorven.
Volg de gids.

Ach!_due_lieber_Augustin_repetition.png

DE MANNENZAAL (Turnhout 1955) (slot)

ii103637.jpg

Waar ‚de avonturen van Tom Sawyer’ vandaan kwamen heeft hij zich toen niet afgevraagd. Waarschijnlijk door een kind achtergelaten in de roes van de terugkeer naar het dagelijkse leven want hij kon zich later niet voorstellen dat dit boek uit de bibliotheek van het ziekenhuis zou komen. (het droeg overigens noch stempel, noch andere indicatie, het was er op het juiste moment voor de juiste persoon)
Turnhout was al eens verdwenen in de zorgende wereld van het Sint-Elisabeth-gasthuis, nu werd de ‚mannenzaal’ bevolkt met figuren uit het Amerikaanse St. Petersburg aan de Missisippi.

Er zijn boeken die je neerbliksemen, die de decors van je Kempische jeugd in de fik steken, die, al waren ze toen nog geen honderd jaar geleden geschreven (1877),  bijna met een persoonlijke opdracht voor jou persoonlijk gisteren of eergisteren het levenslicht hadden gezien.
Net zoals ‚de scheepsjongens van Bontekoe’, boek waaruit broeder Alexianus het schooljaar na het ziekenhuis elke zaterdagnamiddag zou voorlezen, hoorde het levenslang bij ‚de onvergetelijken’ (vul aan met ‚Alleen op de wereld’) uit de kindertijd.
Het ouderloze kind Tom dat bij zijn tante Polly woont beleeft met zijn vriend Huckleberry Finn voortdurend de schrik van zijn leven. Hij woont zijn eigen begrafenis bij, is getuige van een moord op het kerkhof en vindt net op tijd een schat zodat het vervolg ‚De lotgevallen van Huckleberry Finn’ nooit dezelfde glans kreeg maar duidelijk een voortborduren was op het succes van Tom Sawyer.

Zoals andere heuse biografieën van een kinderleven (de Witte van Sichem bijvoorbeeld) was ook dit verhaal een brutaal droevig boek.  De hoofdpersonen lijden. Ze moeten tegen een gevestigde orde opboksen en hebben alleen hun eigen fantasie als redmiddel.
De Witte en Tom Sawyer hebben dat begrepen.  Als Tom de schutting moet witten en daardoor een vrije dag zal missen, maakt hij van die opdracht een ogenschijnlijk feest.  Schilderen wordt een voorrecht dat alleen tegen betaling in natura kan verworven worden terwijl de eigenlijke schilder geen klap uitsteekt.
Mark Twain, de auteur, kreeg het niet over zijn nochtans Amerikaans hart om het boek met moralistische lessen te bevolken. Dat was hoe dan ook nieuw in 1877 en zeker ook nog in 1955 in en rond het provinciestadje Turnhout.
Zelfmedelijden was de hoofdpersonen onbekend tenzij het hun zaak kon dienen.  Hun motieven waren vooral eigenbelang.  Trouwe vriendschap bleek het enige medicijn, ook al was je vriend een zwerver en een nietsnut in de ogen van de gemeenschap.
Natuurlijk droomde de aan het bed gekluisterde jongen van Injun Joe, de moordenaar, en riep hij ’s nachts in zijn droom om hulp.
De nachtzuster voelde zijn voorhoofd en zei dat het maar een droom was. Ze leek stevig genoeg gebouwd om elke Injun Joe aan te kunnen dus sliep hij gerustgesteld weer in en begon hij de volgende dag het boek aan de mannenzaal te vertellen. Het was er nog nooit zo stil geweest. ’s Avonds was hij hees en doodmoe.

Toen de drie verplichte rustdagen voorbij waren was ook het boek uit en kwam de dokter vertellen dat hij de volgende dag naar huis mocht en de week daarop weer naar school kon.
Het boek mocht hij houden.  Als beloning voor zijn werk.
Terug in zijn jongenskleren was hij niet meer dezelfde.  Hier, op de mannenzaal was een hij een elfjarige man geworden.
Hij deelde de overgebleven appelen en sinaasappelen uit, fluisterde dat Jean zijn deel van de illegale verkoop mocht houden om voor zijn vrouw een cadeautje te kopen en beloofde iedereen te schrijven.

Thuis voelde hij zich de eerste dagen helemaal verloren.  Hij weende enkele uren uit heimwee naar een wereld die hij aan niemand kon vertellen. Nog altijd wilde hij graag een gasthuis-zuster zijn maar eentje die er nu en dan mocht uittrekken om op de Aa een vlot te gaan bouwen en vuurke-stook te doen.
Hij begon te beseffen dat zijn hart uit verschillende grondstoffen was samengesteld die het wel eens moeilijk met elkaar hadden. Hij was toen al oud en wist nog niet dat hij op zijn zeventigste eindelijk een kind kon zijn.

tmp_7e4a93be4522c9e6930f8e88296479df.gif

DE MANNENZAAL (Turnhout 1955) (1)

gasthuis.jpg

Op zijn elfde wilde hij het liefst gasthuiszuster worden.  Het feit dat hij een jongen was,veranderde daar niets aan. Met een witte jurk en een specifieke kap op je kop was iedereen een zuster.
Hij lag met een vage voetwonde op de mannenzaal, groot voor zijn leeftijd en kon zich nuttig maken door voor de patiënten limonade en koekjes te gaan halen in de plaatselijke kantine. Vaak hielp hij een oude man rechtop in bed zitten, luisterde hij aandachtig naar vijftien verledens en kon hij begrijpelijk knikken als ze ‘verstaat ge?’ zegden, liep hij naar de badkamer voor fris water en vertelde hij een verhaaltje als ze de volgende dag geopereerd moesten worden en van schrik de slaap niet konden vatten.
‘Gij zijt nog maar een kind, maar ge kunt goed luisteren, ‘ zei Lukske in het verste bed van de zaal.
‘Zeg dat maar tegen ons ma,’ had hij geantwoord, maar zijn ma zei dat ze niet tegen de ziekenhuisgeuren kon en daarom kwam alleen zijn pa hem elke dag bezoeken en de jongens van het vijfde leerjaar die om te vlugst naar boven stormden om een goede plaats in het klassement van de ‘gasthuis-ronde’ te krijgen.
Hij hield een lijstje bij en gaf de dag-winnaar en de winnaar van het algemeen klassement een snoepje of een glaasje geneeskrachtig (kraantjes)water.
‘Niet te druk, hé jongens,’ zei de hoofdzuster.  Haar woord was wet, dus siste hij als een goed ontwikkelde slang als Fons van den Berg zijn paardenlach de mannenzaal injoeg of Joske Geerts zijn aangebrande moppen met veel te luide stem begon te vertellen en midden in het verhaal niet meer wist hoe ze eindigden waarop de paardenlach met gefluit op zijn vingers en het puber-ahoe van Ronny Bekkers voor een duidelijke meerstemmigheid zorgden.

Zijn vader zat op de enige stoel bij zijn bed en praatte over voetbal met een oudere patiënt wiens bed met het hoofdeinde aan het bed van zijn zoon grensde.
Waren de jongens naar huis dan knikte hij vriendelijk en vroeg hij of hij niet te moe was van al die drukte.  Hij schudde zijn krullenhoofd en zei dat dit het enige uur was dat hij in bed lag, het bezoek-uur, en o ja, ‘s zondags als de radio-mis werd uitgezonden, dan mocht er ook niemand rondlopen.
‘Kom maar eens mee pa.’
Hij sprong uit zijn witte bed en begon aan een rondleiding waarbij hij elke patiënt met naam en toenaam aan hem voorstelde aangevuld met het ziektebeeld of de vooruitzichten al dan niet op een spoedig vertrek.
‘Dat is een echte schat,’ zei de piraat, een bakker op leeftijd die van een oogletsel herstelde en zich als zeerover op rust had gepresenteerd. ‘Hij loopt de benen van onder zijn lijf om iedereen helpen.’
‘Jaja,’ zei zijn vader. ‘Het is een goeie jongen maar ge moogt dat niet te dikwijls zeggen want daar zou hij een dikke nek van kunnen krijgen.’
Of ze zijn bakkersnek als een gezien hadden, dat was pas een dikke nek.
Bij Lukske Lenders bleven ze achter zijn bed staan.
‘Hij is heel ziek, pa.  Iets met de longen, hé Lukske?’
Lukske knikte.  Je zag alleen zijn klein appelhoofdje boven de dekens uitsteken.
‘Lukske droomt slecht, pa. Over de oorlog.  Een Duitser blijft hem achternazitten tot hij zwetend van de koorts wakker wordt. Ik heb hem al eens gezegd dat hij zich in zijn droom moet durven omdraaien.  Niet bang zijn, maar recht op de Duitser afgaan.  Dat zei vava.  Hij had ook zo’n droom, maar dan met een kolonel van het Belgisch leger.  Faut retourner.  Faut retourner, riep die want vava’s fort in Namen was ontploft. Degenen die nog leefden probeerden in de velden weg te komen maar die spookkolonel zat hem elke nacht achterna totdat vava zich omdraaide en de bullebak in elkaar zakte en er alleen nog een hoopje stof op de grond overbleef. En nu gaat Lukske deze nacht hetzelfde doen.  Spijtig dat ik van de nachtzuster niet bij hem mag gaan zitten om zijn hand vast te houden.’
‘Een jongetje moet ‘s nachts slapen,’ zei het appelhoofdje met een hese stem die in een droog hoestje oversloeg. Zijn vader gaf hem uiteraard groot gelijk.

Jean was timmerman en had last van zijn rug gekregen.
‘Krom staan, hé meneer.  Daar wordt ge krom van.’
Zijn vrouw bracht kilo’s sinaasappelen mee voor de vitamines en een vlotte stoelgang.
‘En dan persen wij die uit, nietwaar jongen?’
Dat deden ze met zo’n handpersje waarop je een halve sinaasappel zo lang heen en weer moest draaien tot er geen druppeltje meer uitkwam.
‘Nogal wat anders dan die Sinalco-limonade!’
Voor een halve frank kon je een glas vers geperst sap leegdrinken.  Betalen moest stiekem gebeuren want handeldrijven was onder de patiënten van het Sint Elisabeth-ziekenhuis niet toegestaan.
‘We hebben al bijna veertien frank, maar zwijgen hé pa?’

(vervolgt)

Gasthuiszusters_Augustinessen-Boom.jpg