KLEINE GESCHRIFTEN OMTRENT EEN GROTE OORLOG (1)

weltkarte-29.jpg

De naam van een boerenjongen, bekend als Gust maar in de annalen van de krijgsmacht als Augustin genoteerd.

Een pestliedje was het. Niet om iemand te pesten, maar ontstaan door de gevolgen van de zwarte dood in het Wenen van 1679 te bezingen.
En lieve Augustin die ik de volgende dagen probeer te benaderen, de figuur van het liedje zou een doedelzak-speler zijn geweest die na een stevige avond doordrinken langs de weg in slaap viel, voor dood  werd aanzien door de grafdelvers en met doedelzak in een massagraf terechtkwam waar hij ’s morgens uit zijn roes ontwaakte.  Omdat hij niet uit eigen kracht uit de vrij diepe kuil kon klimmen begon hij  te spelen want hij wilde graag sterven zoals hij had geleefd.
En jawel, hij werd gehoord.  Ondanks zijn slaap met de geïnfecteerde doden bleef hij gezond en zo werd Augustin het symbool van hoop voor het Weense volk.
Ongeveer op deze manier werd het verhaal verteld door prediker Abraham a Sancta Clara (1644-1709) en bleef Augustin voor de Wieners in het liedje ‚Oh du lieber Augustin’  leven.
De zuinige Schotten maakten met de melodie er ‚Did ye ever see a lassie, a lassie, a lassie’ van en in Holland lieten ze op deze wijze Sinterklaas op de deur kloppen (Daar wordt op de deur geklopt, deur geklopt…)
Vergeet ook niet dat Hans Christian Andersen het gebruikte in zijn sprookje ‚De varkenshoeder’ (1841) achtenveertig jaar voor jij zou geboren worden.

O, du lieber Augustin, Augustin, Augustin,
O, du lieber Augustin, alles ist hin.

Geld ist weg, Mensch ist weg,
Alles hin, Augustin.
O, du lieber Augustin,
Alles ist hin.

Rock ist weg, Stock ist weg,
Augustin liegt im Dreck,
O, du lieber Augustin,
Alles ist hin.

Und selbst das reiche Wien,
Hin ist’s wie Augustin;
Weint mit mir im gleichen Sinn,
Alles ist hin!

Jeder Tag war ein Fest,
Und was jetzt? Pest, die Pest!
Nur ein groß’ Leichenfest,
Das ist der Rest.

Augustin, Augustin,
Leg’ nur ins Grab dich hin!
O, du lieber Augustin,
Alles ist hin!

Text and melody: Marx Augustin (1679)

Voor een nauwelijks overlevende van de grote oorlog een toepasselijk liedje.
Goede lezer(es) dit is de tijd dat grootvaders hun eigen grootvader eren. Hij nam deel aan wat nu in een ‚spektakel’ musical ’14-18’ heet maar waarvan de dreun tot in de ziel van het intussen zeventigjarige kleinkind nog niet is uitgestorven.
Volg de gids.

Ach!_due_lieber_Augustin_repetition.png

DE MANNENZAAL (Turnhout 1955) (slot)

ii103637.jpg

Waar ‚de avonturen van Tom Sawyer’ vandaan kwamen heeft hij zich toen niet afgevraagd. Waarschijnlijk door een kind achtergelaten in de roes van de terugkeer naar het dagelijkse leven want hij kon zich later niet voorstellen dat dit boek uit de bibliotheek van het ziekenhuis zou komen. (het droeg overigens noch stempel, noch andere indicatie, het was er op het juiste moment voor de juiste persoon)
Turnhout was al eens verdwenen in de zorgende wereld van het Sint-Elisabeth-gasthuis, nu werd de ‚mannenzaal’ bevolkt met figuren uit het Amerikaanse St. Petersburg aan de Missisippi.

Er zijn boeken die je neerbliksemen, die de decors van je Kempische jeugd in de fik steken, die, al waren ze toen nog geen honderd jaar geleden geschreven (1877),  bijna met een persoonlijke opdracht voor jou persoonlijk gisteren of eergisteren het levenslicht hadden gezien.
Net zoals ‚de scheepsjongens van Bontekoe’, boek waaruit broeder Alexianus het schooljaar na het ziekenhuis elke zaterdagnamiddag zou voorlezen, hoorde het levenslang bij ‚de onvergetelijken’ (vul aan met ‚Alleen op de wereld’) uit de kindertijd.
Het ouderloze kind Tom dat bij zijn tante Polly woont beleeft met zijn vriend Huckleberry Finn voortdurend de schrik van zijn leven. Hij woont zijn eigen begrafenis bij, is getuige van een moord op het kerkhof en vindt net op tijd een schat zodat het vervolg ‚De lotgevallen van Huckleberry Finn’ nooit dezelfde glans kreeg maar duidelijk een voortborduren was op het succes van Tom Sawyer.

Zoals andere heuse biografieën van een kinderleven (de Witte van Sichem bijvoorbeeld) was ook dit verhaal een brutaal droevig boek.  De hoofdpersonen lijden. Ze moeten tegen een gevestigde orde opboksen en hebben alleen hun eigen fantasie als redmiddel.
De Witte en Tom Sawyer hebben dat begrepen.  Als Tom de schutting moet witten en daardoor een vrije dag zal missen, maakt hij van die opdracht een ogenschijnlijk feest.  Schilderen wordt een voorrecht dat alleen tegen betaling in natura kan verworven worden terwijl de eigenlijke schilder geen klap uitsteekt.
Mark Twain, de auteur, kreeg het niet over zijn nochtans Amerikaans hart om het boek met moralistische lessen te bevolken. Dat was hoe dan ook nieuw in 1877 en zeker ook nog in 1955 in en rond het provinciestadje Turnhout.
Zelfmedelijden was de hoofdpersonen onbekend tenzij het hun zaak kon dienen.  Hun motieven waren vooral eigenbelang.  Trouwe vriendschap bleek het enige medicijn, ook al was je vriend een zwerver en een nietsnut in de ogen van de gemeenschap.
Natuurlijk droomde de aan het bed gekluisterde jongen van Injun Joe, de moordenaar, en riep hij ’s nachts in zijn droom om hulp.
De nachtzuster voelde zijn voorhoofd en zei dat het maar een droom was. Ze leek stevig genoeg gebouwd om elke Injun Joe aan te kunnen dus sliep hij gerustgesteld weer in en begon hij de volgende dag het boek aan de mannenzaal te vertellen. Het was er nog nooit zo stil geweest. ’s Avonds was hij hees en doodmoe.

Toen de drie verplichte rustdagen voorbij waren was ook het boek uit en kwam de dokter vertellen dat hij de volgende dag naar huis mocht en de week daarop weer naar school kon.
Het boek mocht hij houden.  Als beloning voor zijn werk.
Terug in zijn jongenskleren was hij niet meer dezelfde.  Hier, op de mannenzaal was een hij een elfjarige man geworden.
Hij deelde de overgebleven appelen en sinaasappelen uit, fluisterde dat Jean zijn deel van de illegale verkoop mocht houden om voor zijn vrouw een cadeautje te kopen en beloofde iedereen te schrijven.

Thuis voelde hij zich de eerste dagen helemaal verloren.  Hij weende enkele uren uit heimwee naar een wereld die hij aan niemand kon vertellen. Nog altijd wilde hij graag een gasthuis-zuster zijn maar eentje die er nu en dan mocht uittrekken om op de Aa een vlot te gaan bouwen en vuurke-stook te doen.
Hij begon te beseffen dat zijn hart uit verschillende grondstoffen was samengesteld die het wel eens moeilijk met elkaar hadden. Hij was toen al oud en wist nog niet dat hij op zijn zeventigste eindelijk een kind kon zijn.

tmp_7e4a93be4522c9e6930f8e88296479df.gif

DE MANNENZAAL (Turnhout 1955) (1)

gasthuis.jpg

Op zijn elfde wilde hij het liefst gasthuiszuster worden.  Het feit dat hij een jongen was,veranderde daar niets aan. Met een witte jurk en een specifieke kap op je kop was iedereen een zuster.
Hij lag met een vage voetwonde op de mannenzaal, groot voor zijn leeftijd en kon zich nuttig maken door voor de patiënten limonade en koekjes te gaan halen in de plaatselijke kantine. Vaak hielp hij een oude man rechtop in bed zitten, luisterde hij aandachtig naar vijftien verledens en kon hij begrijpelijk knikken als ze ‘verstaat ge?’ zegden, liep hij naar de badkamer voor fris water en vertelde hij een verhaaltje als ze de volgende dag geopereerd moesten worden en van schrik de slaap niet konden vatten.
‘Gij zijt nog maar een kind, maar ge kunt goed luisteren, ‘ zei Lukske in het verste bed van de zaal.
‘Zeg dat maar tegen ons ma,’ had hij geantwoord, maar zijn ma zei dat ze niet tegen de ziekenhuisgeuren kon en daarom kwam alleen zijn pa hem elke dag bezoeken en de jongens van het vijfde leerjaar die om te vlugst naar boven stormden om een goede plaats in het klassement van de ‘gasthuis-ronde’ te krijgen.
Hij hield een lijstje bij en gaf de dag-winnaar en de winnaar van het algemeen klassement een snoepje of een glaasje geneeskrachtig (kraantjes)water.
‘Niet te druk, hé jongens,’ zei de hoofdzuster.  Haar woord was wet, dus siste hij als een goed ontwikkelde slang als Fons van den Berg zijn paardenlach de mannenzaal injoeg of Joske Geerts zijn aangebrande moppen met veel te luide stem begon te vertellen en midden in het verhaal niet meer wist hoe ze eindigden waarop de paardenlach met gefluit op zijn vingers en het puber-ahoe van Ronny Bekkers voor een duidelijke meerstemmigheid zorgden.

Zijn vader zat op de enige stoel bij zijn bed en praatte over voetbal met een oudere patiënt wiens bed met het hoofdeinde aan het bed van zijn zoon grensde.
Waren de jongens naar huis dan knikte hij vriendelijk en vroeg hij of hij niet te moe was van al die drukte.  Hij schudde zijn krullenhoofd en zei dat dit het enige uur was dat hij in bed lag, het bezoek-uur, en o ja, ‘s zondags als de radio-mis werd uitgezonden, dan mocht er ook niemand rondlopen.
‘Kom maar eens mee pa.’
Hij sprong uit zijn witte bed en begon aan een rondleiding waarbij hij elke patiënt met naam en toenaam aan hem voorstelde aangevuld met het ziektebeeld of de vooruitzichten al dan niet op een spoedig vertrek.
‘Dat is een echte schat,’ zei de piraat, een bakker op leeftijd die van een oogletsel herstelde en zich als zeerover op rust had gepresenteerd. ‘Hij loopt de benen van onder zijn lijf om iedereen helpen.’
‘Jaja,’ zei zijn vader. ‘Het is een goeie jongen maar ge moogt dat niet te dikwijls zeggen want daar zou hij een dikke nek van kunnen krijgen.’
Of ze zijn bakkersnek als een gezien hadden, dat was pas een dikke nek.
Bij Lukske Lenders bleven ze achter zijn bed staan.
‘Hij is heel ziek, pa.  Iets met de longen, hé Lukske?’
Lukske knikte.  Je zag alleen zijn klein appelhoofdje boven de dekens uitsteken.
‘Lukske droomt slecht, pa. Over de oorlog.  Een Duitser blijft hem achternazitten tot hij zwetend van de koorts wakker wordt. Ik heb hem al eens gezegd dat hij zich in zijn droom moet durven omdraaien.  Niet bang zijn, maar recht op de Duitser afgaan.  Dat zei vava.  Hij had ook zo’n droom, maar dan met een kolonel van het Belgisch leger.  Faut retourner.  Faut retourner, riep die want vava’s fort in Namen was ontploft. Degenen die nog leefden probeerden in de velden weg te komen maar die spookkolonel zat hem elke nacht achterna totdat vava zich omdraaide en de bullebak in elkaar zakte en er alleen nog een hoopje stof op de grond overbleef. En nu gaat Lukske deze nacht hetzelfde doen.  Spijtig dat ik van de nachtzuster niet bij hem mag gaan zitten om zijn hand vast te houden.’
‘Een jongetje moet ‘s nachts slapen,’ zei het appelhoofdje met een hese stem die in een droog hoestje oversloeg. Zijn vader gaf hem uiteraard groot gelijk.

Jean was timmerman en had last van zijn rug gekregen.
‘Krom staan, hé meneer.  Daar wordt ge krom van.’
Zijn vrouw bracht kilo’s sinaasappelen mee voor de vitamines en een vlotte stoelgang.
‘En dan persen wij die uit, nietwaar jongen?’
Dat deden ze met zo’n handpersje waarop je een halve sinaasappel zo lang heen en weer moest draaien tot er geen druppeltje meer uitkwam.
‘Nogal wat anders dan die Sinalco-limonade!’
Voor een halve frank kon je een glas vers geperst sap leegdrinken.  Betalen moest stiekem gebeuren want handeldrijven was onder de patiënten van het Sint Elisabeth-ziekenhuis niet toegestaan.
‘We hebben al bijna veertien frank, maar zwijgen hé pa?’

(vervolgt)

Gasthuiszusters_Augustinessen-Boom.jpg

TOETSEN AAN DE HERINNERING

auto

Het boek uit ‘de koekenstad’ hangt met de klassieke haken en ogen aan elkaar, is meermaals geplakt en bijgewerkt, heeft geen voorblad en kaft meer, mist een aantal pagina’ s, kortom het is oud en heeft mijn broer en ik en daarna de twee meisjes doorstaan.

We woonden al in het nieuwe huis, het was dus 1947-48, een tijdperk waarin ik als drie- vierjarige zonder besef van de net voorbije oorlogstijden, bij de nonnetjes van de Beekstraat papschool liep en de geur van uitgestreken kalk nog uit de muren van het pas gebouwde huis wasemde.

Uithuizig waren mijn ouders zelden.
Maar ‘het boek’ kwam wel degelijk uit de ‘koekenstad’, een zoete naam waarachter Antwerpen schuil ging, een heuse stad die je vanuit het kleine provinciestadje met tram 42 kon bereiken, een reis van zo’n twee uur, waardoor het woord ‘expeditie’ beter op zijn plaats zou zijn.

Als ouders naar die koekenstad reisden, brachten ze iets mee voor de wachtenden thuis.
Dat was die keer ‘het boek’.
Aandachtige lezers zullen ontdekken dat het nog in de oude spelling van voor 1947 is gedrukt.
De tweekleurendruk (groen-rood) werd afgewisseld met wit zwarte platen waaronder “versjes” stonden afgedrukt.

Elke avond voor het slapengaan las mijn moeder mij en later ook mijn broertje voor uit het boek zodat ik maar even de dreun van de eerste regel moest horen om daarna zelf het vers te kunnen verder ‘lezen’, want doordat de zinnen zo vertrouwd waren, dacht ik dat van buiten kennen met lezen gelijk stond.

dyn001_original_364_342_jpeg__119e7660bd6a6d4fb96f64e23120a6a2

Ik kan me niet herinneren dat de teksten enige indruk op mij maakten, laat staan dat ze enige vorm van mededogen in mij zouden losmaken tenzij nu met de auteur van toen.

dyn001_original_364_452_jpeg__59bb8206b06c0fb4d9678f0340470444

Wie de tekst over de straat schuren leest overigens zal al vlug ontdekken dat de moderne opvattingen over de vrouwenemancipatie nog ver weg waren en de toenmalige jongens nog weinig van de nieuwe man in zich hadden.
De laatste zin ‘Zie, hoe mooi mijn treintje rijdt’ heb ik als zevenjarige zelf opnieuw aangevuld op het papiertje waar de pagina is weggescheurd

Het waren vooral de tekeningen, samen met de stem van mijn moeder die de tijd overleefd hebben.
Tekeningen van kinderen uit een welstellend burgerlijk milieu van voor de tweede oorlog.
Tekeningen van een fantasiewereld die nergens de mijne raakte, net zoals die ‘rijke’ kinderen totaal vreemden voor me waren.

Ik heb nog wel mijn eerste communie in zo’n matrozenpakje gedaan, maar dat was nog een uitloper van een tijd die even later voor goed tot het verre verleden behoorde.

Maar het was nu net dat totaal vreemde dat me zo aantrok.De grote speelgoed-auto bijvoorbeeld.
Ik had op foto’s uit mijn eerste kinderjaren mezelf ook in een autootje zien zitten waarop mijn vader een witte Amerikaans ster had geschilderd, maar die leek in niets op dit prachtmodel waarmee je meisjes met een strik in hun haar kon rondvoeren.

Ook de tirolerkleding en het vuurtje van ‘voor den kleinen lekkerbek’ opende een vreemde wereld om van het jongetje met zijn trein maar te zwijgen, een jongetje dat ik niet alleen om zijn slimmigheidjes aardig vond maar waaruit een zekere ‘prinselijke waardigheid’ straalde.

Ik begon te beseffen dat er naast de alledaagsheid ook nog een paralelle wereld bestond, een wereld die in alles anders was dan de mijne.
Een wereld waarin je net zo goed kon verdwalen als thuiskomen.
Een wereld die me later zou helpen om de alledaagsheid te verdragen of te verdiepen.
Maar dat besefte ik toen nog niet.


WETENSCHAP EN MORAAL

mamasboy

Natuurlijk is Foucault niet blind voor wat er werkelijk gebeurde:

Tevens was zij de wetenschap die in wezen onderworpen was aan de geboden van een moraal waarvan zij de indelingen in de vorm van medische normen herhaalde.
Onder het mom de waarheid te spreken wakkerde zij allerwegen angsten aan; aan de geringste oscilliaties van de seksualiteit dichtte zij een denkbeeldige stamboom van kwalen toe, die van generatie op generatie zouden doorwerken; zij verklaarde de steelse gewoonten van de bedeesden en de kleine, meest eenzelvige manieën tot gevaren voor de maatschappij als geheel, aan buitensporige lusten stelde zij niets minder dan de dood in het vooruitzicht: de dood van de individuen, de generaties, de soort.

Op deze wijze heeft zij zich verbonden met een opdringerige en indiscrete medische praktijk die er als de kippen bij was haar afschuw uit te bazuinen, bereid was de wet en de openbare mening te hulp te snellen, eerder dienstbaar aan de machten van de orde dan dat zij aan de eisen van de waarheid gehoor gaf.
Ongewild naïef in het gunstigste geval, maar meestal opzettelijk leugenachtig, medeplichtig aan wat zij aan de kaak stelde, arrogant en flikflooiend, heeft zij een hele collectie morbide schunnigheden aangelegd die kenmerkend was voor he einde van de negentiende eeuw.

Artsen als Garnier, Pouillet en Ladoucette zijn in Frankrijk haar roemloze klerken geweest, en Rollinat haar voorzanger.

Maar los van deze troebele genietingen eiste zij andere bevoegdheden op; zij wierp zich op tot de souvereine autoriteit over de geboden der hygiëne, door de oude angst voor geslachtsziekte te verbinden met de nieuwe thema’ s van de asepsie, en de grote mythen van de evolutieleer met de recent in het leven geroepen instellingen van de gezondheidszorg; zij gaf voor de fysieke kracht en de morele zuiveheid van het maatschappelijk lichaam veilig te stellen; zij stelde in het vooruitzicht de dragers van smetten, de gedegenereerden en de ontaarde bevolkingsgroepen uit te roeien.
In naam van een historische en biologische noodzaak rechtvaardigde zij de toen dreigend op hand zijnde staatsracismen. Zij fundeerde ze in ‘waarheid’.(p56)

Die verbinding met de gezondheidszorg, denk aan de strijd tegen de masturbatie die zo’n twee eeuwen heeft geduurd, zorgde einde negentiende eeuw voor regelmatige opstoten en hysterische golven in de media, te vergelijken met de zedenangst die het einde van de 20ste eeuw en het begin van de 21ste kenmerkte en kenmerkt.

De pureté dangereuse blijkt een niet uit te roeien objectief, en haar te verbinden met bepaalde categoriën van ‘gedegenereerden’ zorgt voor een wetten-kakkerij waarmee blijkbaar de publieke opinie moet gesust worden en kreten als ‘de veiligheid van onze kinderen’ en andere nobele doelen dienen steeds weer opnieuw om de analytische zin die ons toch als mensen eigen is het zwijgen op te leggen.

Maar laat ik niet vooruitlopen en nog even stilstaan bij de negentiende eeuw, deze kweekvijver van ons hedendaags gedachtengoed.

De vraagt blijft of de stelligheid waarmee Foucault de drang naar waarheid omschrijft zo wezenlijk is in de vertogen als hij dat poneert.

‘Miskenningen, terugtrekkende bewegingen en ontwijkingsmanoeuvres waren slechts mogelijk en hadden slechts effect tegen de achtergrond van deze opmerkelijke onderneming: de waarheid van de seks te zeggen.
Deze onderneming dateert niet van de negentiende eeuw, ook al heeft het project van een ‘wetenschap’ haar een specifieke vorm gegeven.
Zij is de sokkel van alle -naïeve of listige- ronddolende vertogen waarin het weten omtrent seks zo lang verdwaald schijnt te zijn geweest.’

Of zijn we opnieuw in het labirint terechtgekomen?
Sokkels immers hebben al wel eens meer gediend om onbestaande heiligen of zogenaamde heilige principes te vereren.


De prent is van de Amerikaanse kunstenaar Anthony Goicolea, “Mama’s boy”


POEZEN EN MUSSEN

musje

Haar eigen versie van ‘jeux interdites’ toen ze vorige week het musje begroef dat de kat mee naar binnen had gebracht, een geschenk wellicht, maar eentje dat niet in de menselijke smaak viel.

Ze maakte onmiddellijk doodsbrieven en ik tikte de tekst, een wat slappere versie van de wondermooie song van Robert Long ‘Gisteren vloog ze nog.’

Met haar acht jaar stond ze voor een raadsel: de aaibaarheid van de poes, de schoonheid van het kleine (dode) musje, en voeg dat maar eens samen tot een boodschap waarin verdraagzaamheid en respect voor het kwetsbare samengingen.

Neurotische mensen houden er een navel-moraal op na, wat hen niet heeft gesmaakt is ook voor de anderen verboden.
Zelfs dat ‘niet smaken’ kan je makkelijk aangepraat worden, maar ligt aan de kern van een neurose die uitgroeit tot ‘ik ben de wereld’, ‘ik ben Jerusalem’, ‘mijn navel is de kern van het heelal’.

Zo stonden we hier ook voor de vraag hoe je en van poezen kunt houden en kunt opkomen voor het uitstervende musjes-ras.
Je kon al de katten de nek omwringen -er zijn er toch genoeg als excuus- je kon ze van belletjes voorzien zodat elke mus op tijd kon wegwezen, maar telkens kwam je voor het feit te staan dat je hoe dan ook de eigenheid, het wezen van de poes aantastte.

Je kon de musjes in gouden volières opsluiten, ze de status van ‘poezen-slachtoffer’ toekennen, maar ook hier was de uitkomst dan je een musje best een musje kon laten zijn.

Ik probeerde haar duidelijk te maken dat de poezen-identiteit en de musjes-identiteit verschillende belangen in zich hielden.
Wellicht overgeërfde, atavistische trekjes en dat we makkelijk zowel de ene als de andere identiteit konden vervalsen zodat de poes een crimineel werd en het musje een onschuldig wezentje.

vogels

Zo steken we onze vuist op naar de eksters die nesten leegrooft maar we vergeten dat uilen ook nogal vraatzuchtig zijn maar vooral ’s nachts -dus ongezien- opereren.

Je zou van de kat een staatsvijand kunnen maken als je al de anderen tot musjes kon benoemen.
Die scherpe klauwen, de felle tanden, kortom er was genoeg onder de zachte poezenhuid om haar tot ‘killer-monster’ om te toveren.

Je zou die waarheid zo ver kunnen drijven dat je alle poezen de oorlog verklaart en de musjes tot de altaren verheft.

De identiteit vernauwen noem ik dat, ze terugbrengen tot eigenschappen en niet tot een wezen.
Dat doen mensen heel vaak, legde ik haar uit.
Ze zien je niet staan als mens, maar ze evalueren je op allerlei eigenschappen zoals steeds goed geluimd, vriendelijkheid, behulpzaam, enz.

Ook in het vijandbeeld doen we dat.
We brengen de mens terug tot dat wat ons stoort, zijn huidskleur, zijn geaardheid, minder leuke momenten uit het verleden, en we vernauwen die zo sterk dat alleen nog de J op het paspoort nodig is om een vernietiging goed te praten.

Ze is nog te jong om het woord demoniseren uit te leggen, maar ze begreep heel goed wat ik bedoelde.

Te veel poezen in te weinig tuinen, en veel te weinig musjes, daar zijn mensen verantwoordelijk voor.
Dat was el een stap in de goede richting.
Nu nog erkennen dat wij tot die menselijke diersoort behoren en we weten wat ons te doen staat.

Weigeren een slachtoffer te zijn zoals de dichter Brodsky dat zo prachtig aan zijn studenten voorhield.
Al draait het heelal rond je navel, er zijn nog navels in je onmiddellijke geburen.

We besloten het musjeseten in de bomen te hangen en zo lang die kat geen vleugeltjes uitvond konden beide partijen in meer of mindere mate hun gangen gaan.


HET MEISJE MET DE PERZIKEN (Valentin Serov)

pessegos
serov17

Beste Psych,

Ik had je gisteren al beloofd je mijn meisje met de perziken te presenteren, maar het levendige hedendaagse model van dat meisje in haar achtjarige staat van genade was hier op bezoek en vroeg de nodige aandacht.
Als grootvaders moeten kiezen tussen de kunst en het kleinkind dan besef je dat de keuze voor het kind de enige ware dienst aan de kunst bewijst.

Bij mijn veertig kilogram boeken uit de USA-erfenis zat een prachtig boek dat werken toont uit de Moskouse Tretyakov Gallerij.
Die Pavel Tretyakov was een welstellend koopman die vanaf 1856 hedendaagse Russische kunst verzamelde en in de jaren negentig zijn collectie aan de stad Moskou schonk.

Op de stofwikkel van dat boek lachte de mooie Vera Mamontova mij toe, en met haar kwamen de prachtige lentedagen het land binnen.

De Mamontova’s hadden een groot buitenhuis net buiten Moskou, Abramtsevo, en al wat een beetje aan kunst deed die dagen verzamelde zich in en om dat huis.
Dochter Vera werd door de tweeëntwintigjarige Valentin SEROV in 1887 geschilderd.
Hij werkte meer dan een maand aan het doek, en als ik je de naam REPIN noem, zijn leermeester overigens dan zie je meer dan één touch die naar hem verwijst.

Valentin Serov zelf was zo’n gelukskind dat je alleen in verhalen zou aantreffen, al bleek dat niet in zijn jongste kindertijd.
Zijn vader Alexander was een bekend componist die echter al in 1871 stierf toen Valentin nauwelijks zes was.

Moeder en kind verhuisden van Sint Petersburg naar Munchen waar het jongetje al tekenles kreeg van K. Kepping.
Als ze in 1874 naar Parijs trekken is de negenjarige Serov een geregelde bezoeker in het atelier van de grote Ilya Repin.
De meester was erg in zijn schik met het jochie en stond toen al verbaasd van zijn technische mogelijkheden en zijn inventiviteit.

Vanuit Parijs gaat het naar het Moskouse landgoed van de Mamontova’ s, Abramtsevo waar alle grote kunstenaars kind aan huis waren.
De jonge schilder verbaasde menig ouder collega met de snelheid waarmee hij de ziel van zijn model begreep en kon uitdrukken.

Op zijn vijftiende komt hij in de academie bij meester Pavel Tchistykov terecht en ontmoet hij zijn vriend voor het leven Vladimir Derviz.

Het meisje met de perziken vestigt al dadelijk zijn reputatie, en een zekere verwantschap met Renoir’s licht en kleurentoetsen is inderdaad merkbaar.

Ik wil je verder niets vertellen over het schilderij zelf.
Je hebt ogen in je hoofd en een ziel waarin de tocht van de schoonheid de overbodige woorden zou wegblazen.

Kijk naar het meisje en kijk dan naar buiten. Er is niets gebeurd tussen 1887 en 2008.


Valentin Serov. Zelfportret

ENTR’ ACTE: KLEINE BIJDRAGE OVER HET PERSPECTIEF

1119871774_2fa1fc939a_o

Het verdronken land van het verleden.
In de literatuur is het vaak een symbool voor een paralelle wereld, maar het feit dat je het verdronkene op het droge van het heden moet bekijken, maakt het perspectief moeilijk en onduidelijk.

Er is niet alleen het beeld van de gebroken rechte lijn uit de fysica, maar de onveranderlijkheid die het afsterven met zich meebrengt, zet ons meer dan eens op een verkeerd been, omdat wij denken dat er een onzichtbare muur tussen het nu en het vroegere staat waarvan alleen de doorkijk (wie is van glas?) de isolatie aanbrengt.

Laten we dus vol deemoed (nog zo’n mooi ouderwets woord) moeite doen om aan de andere kant van dat glas te willen staan, en al zullen wij vanuit het verleden met dezelfde onzekerheid naar de onbekende toekomst moeten leren kijken (ook al zijn we er nu maar al te goed van op de hoogte) we zullen met de optelsom van die twee onzekerheden dichter bij de kern komen omdat wij geprobeerd hebben die ijzige wanden te doorbreken zonder ze te ontkennen.

Met dat voorbehoud zie ik me op deze mooie afbeelding zitten, de verbinding tussen boeken en werkelijkheid en mijn eigen verleden maken me iets minder bang om over de personages van die voorbij tijd te schrijven.

As_We_Age_by_EvilxElf

De status van ons eigen (wel)zijn ontwikkelt zich in diezelfde dynamiek: een balans vinden waarin wij het verleden (als dat al zou bestaan in zijn geïsoleerde vorm) proberen te verbinden met het nu en onze verwachtingen.

De documenten uit onze kindertijd zoals foto’s en mondelinge verhalen van onze ouders, verwarren ons omdat we er niet steeds in slagen de linken te leggen met het wezen op het prentje of in de vertelling, vaak bij tekort aan verbeelding of door ons bewustzijn te weinig ademruimte te geven en ons leven te focussen op de behoeften van het onmiddellijke zodat de verbinding met het voorbije afsterft.

Dat daardoor valse perspectieven ontstaan, spreekt voor zichzelf.
We zijn geneigd het verleden als pasmunt te gebruiken om het tekort dat we nu ervaren, daarmee te kunnen aflossen, een vergissing die ons door verkeerde analyses is aangepraat waardoor we zowel in dat verleden en in het heden van schuld worden vrijgepleit. (denken we)

Historische training bestaat dus niet in het verzamelen van feiten en gebeurtenissen uit het verleden, maar wel in het ontdekken van verbanden en breuken in het grote – als in ons eigen verleden.

En anders dan sommigen menen en zullen poneren dient het verleden niet om het heden te veroordelen of goed te praten, ook die visie getuigt van diepvries historiciteit, maar wel om met de verbanden en breuken lijnen door te trekken, te corrigeren, of in volumes om te zetten zodat we niet telkens het warm water opnieuw moeten uitvinden, een eigenschap waarin we met zijn allen uitblinken.

Morgen keren we terug naar de Gides.


WOORDENBOEKJE VOOR EEN LANGSLAPER

dyn004_original_527_580_jpeg_20344_0155bb38f6b441e7bae3aa1bf06b98f7

AVOND

Druppelsgewijze loop je langs mijn vingers,
vederlicht liefje,
vroeg gevangen vosje.
Water geworden
nu de dag dicht regent.

Straks ben je het eerste duister,
maar nooit meer mijn kind.


 

BESNEEUWD

Uitgestulpt, de aarde boven je lijf:
de heuvels van de laatste misgeboorte.
Nu valt de sneeuw. terwijl ik je schrijf,
dacht ik heel even dat ik je hoorde.

Ingepakt, bij ’t stollen van de tijd
in een houten scheepje, onder witte aarde
verrimpel je, word je verwijd
tot water, de moeder die je baarde.

Doorgegeven de naam die je bewaarde,
het vleselijk vlies van elf korte jaren.
De sneeuw bedekt het traag vergaarde
geluidloos, nu wij uit elkander varen.

banc


 

CLAIR-OBSCUR

Een overvloed van sappen loopt
uit de schemering naar  wortels
van de pasgeboren dag.
Gorgelend licht in elke schreeuw
kraaien hanen de nacht uiteen.

Je bed is nog gedekt, en je kleren
ademen je uit. Aan de muur
loopt een jongetje op papieren voeten
door papieren botergras.

Een zangschool vogels groeit
in de bomen open.

Alles is er
om duizend-en-een dag te beginnen.

Wie heeft jou ingeruild?
Wie heeft jou verborgen?

dyn004_original_235_580_jpeg_20344_e302f0d2e297de385ca119334042ec7c


DOORSNEDE

De eerste laag, licht-geel, de foto’ s
gestreeld door Davids jonge jaren:
de elfenkoning,
een pas ontloken lentetuin,
grootogig lachen,
een zomerslaapje in het gras.

De tweede laag, oranje-oker, een kalfje
en een paaslam, een boefje
of gewoon een jongetje omtrent negen:
de bergbeklimmer
de bundel bewogen water
panter-kruiper,
vriendjes vergroeid aan elkanders armen.

De derde laag, siënna-rood, de mist
is motregen geworden, een kind
verliest zijn soortelijk gewicht:
de druiveneter,
in kleren verpakte sneeuwjongen,
verjaardagsgebed,
een gepolijste slaap tenslotte.

De schil, de korst, pijnstillend groen, het huis
waar kleuren in elkaar versmelten:
een uitverkochte duiventil,
het lege slakkenhuis,
een uitgezogen vliegje,
een jongen die elf wordt, een leven lang.

 


dyn004_original_500_500_jpeg_20344_cec70e903cb72907b09030d64703ec7f

 

ENGELENLIED

Ik leg de weide achter ’t huis vol
witte doeken, je lievelingskleur.

Zal ik je zo vangen, een maanronde nacht
als je met al je vriendjes, op straat gestorven,
je uit het sparrenbos laat rollen, tot
aan de tuin? Engelen in jeans.
Papieren vliegers over je naakte schouders.

Flamingo-kereltjes zingen met hese stem:
gloria, gloria, gloria in excelsis.
Dan smoezen meisjes in de zwakke wind.

En als een jojo rolt de maan de hemel langs,
tot de zon aankomt op een hooiwagen
door paarden met vuurstenen hoeven getrokken.

Ik schuif de gordijnen open.
Mist lekt uit de kerselaars.

De schommel beweegt lichtjes,
toch is er nog geen zuchtje wind.

Op de dauwnatte lakens staan
sporen van een jonge ree.


dyn004_original_394_568_jpeg_20344_341a8975f55cd2413248493518783b7e

FOTO’ S

Midden in de kamer zit ik,
de wanden heten jij en jou
en zelfs de vloer heb ik bezaaid
met verhuisde prenten.

Een broederschap is dit, de band
van brutale fossielen houdt ons samen.

De bomen, hun takken almachtig hoog
staan roerloos in de winterkou.
Hun kleine blaadjes rottend onder zich.

dyn004_original_580_450_jpeg_20344_09b020f68c1b46dedaaab251f38506eb


GEVRAAGD

Jongetje van elf, met hazenhart
en reeënoogjes,
een mond vol morgen,
in zijn rechterhand
een aangebeten appel,
zijn linkerhand
in de mijne.

Jongetje van elf, met apensnuit
en kalverliefdes,
een hart uit kerselaar,
in zijn hoofd ballonnetjes
om mij voorbij
te vliegen, een touwtje
tederheid tussen ons beiden.

Jongetje van elf gevraagd,
tijdelijke hulp
voor achtergebleven vader.


dyn004_original_550_367_jpeg_20344_65895cd948e2e55cb4979433481d11fa

INVOCABIT ME

Hij roept mij:
Ik heb dorst, papa.
Het water loopt langs zijn lippen terug
in mijn hand.

Hij roept mij:
Zing iets, papa.
Het lied hangt gebarsten
in mijn keel.

Hij roept mij:
Vertel iets, papa.
De woorden liggen gescheurd
op mijn mond.

Hij roept mij:
Hou me vast, papa.

Mijn handen houden zijn handen.
Wij haken in elkander.

Alle ankers gooien wij uit.

Ik roep hem na.
Wie blijft er achter?

564_9353cbfed16abe707b0a370e3db8600f


JIJ

Heb jij de deur opengelaten?
Was jij het hoge stemmetje?
Schreef jij: I love you, Carla?
Liep jij juichend in zee?
Stond jij bij het speelgoed?
Huilde jij om een ongekend verdriet?

Heeft elke jongen een beetje David
in zijn mager lenig lijf?

Ben jij zachtjes opgelost
in hun boordkartonnen ziel?


dyn004_original_419_420_jpeg_20344_e1fe0a235640e55b562c9a923300c121

LAMMETJESTIJD

Op hun scheve poten
veranderen zij de winterweide
tot een tedere landingsbaan
voor nieuwste tijden.

Op je fiets met vlaggetjes versierd,
reed je langs de volkstuintjes.

Klokken geselden
de laatste morgenkou.

Lammetjestijd.

Je speelmakkertjes
lopen achter de meisjes aan.

273_043d2f1b211aeb572580a46447f2a400


NERGENSHUIZEN

Nergenshuizen, waar noorderlicht en
zuiderkruis in lange hemdjes
hun voeten in de natte melkweg,
bazuinen blazen, bij wijze van oefening
voor de laatste dag, als de tijden
eindelijk vol zijn en de wijzerplaten
als pottendeksels naar beneden rollen.

Nergenshuizen, oude rot van
alle diepgevroren mensendromen:
productiegoed van bangeriken en
koopjesjagers, fabriek waar
blik- en lamgeslagen hoop in
koekjesdozen de deur uitgaat. Zeven
maal zevenzeventig opgeblazen regenboog.

Nergenshuizen, schoonschrijfkunst en
korenzolder voor de magere jaren.
Vallen en Opstaan zijn er neef en nicht,
Immer en Nooit elkanders ouder.

Ik ben een buikspreker geworden
om je zwijgend dicht te schrijven: een
overvolle pen verraadt een evengroot verdriet.


dyn005_original_454_600_jpeg__a4e1f3bdc66a7f5657e566c04215f875

ONGEVAL

Het brood over de straat gezaaid.
Dan een fiets tegen het asfalt.
tenslotte jij.

Hij kwam van de bakkerij.
Hij kwam uit de straat.
Hij kwam voor de auto, slipte.
Hij kwam op de grond.

Als ik na een lange nacht
uit het ziekenhuis kom,
zie ik de mussen kruimels pikken
in de berm.
Zelfs als ik nader,
vluchten zij niet.

503_286f8e0c4dfd1e70f74784064b7ecd15


PLAATS VAN HANDELING

De stad begint met zinnen huizen
in het land te spreken, dan hangen
ze in elkander, in hun smalle
aderen rijden auto’ s in en uit.

Soms klemmen zij een kind.
Zoals een vliegje ligt het
platgedrukt. Als de stukken
opgeborgen zijn, rijden weer de auto’ s.

dyn004_original_580_158_jpeg_20344_55fbfaa8421b38bb49fbb215a8ee817f


SLAAP

Lange slaap geneest de tijd.
Waar is het wolvenkind, beschut
voor immer tegen de herinnering?

Lange slaap geneest de tijd.
Catalogus van de breekbaarheid.

De kopergieters overvallen
de verleden tijd. Lange slaap
ademt zijn groene gassen
in het
kijkgat van vroeger.



dyn004_original_452_600_jpeg_20344_f3f4094a55277e9472589068c7a8084f

WIT

Dat ben jij niet, een wit week jongetje,
roerloos, een bloemenhoofd,
de ogen dicht zonder wimpers
die trillen. Verpakt voor de aarde
ben jij het niet meer. Een grote witheid
veegt schaamteloos ons spreken uit.

Dat ben jij niet, een versteend jongetje
in het overbelichte van mijn dromen.
Door de aarde verteerd ben jij het niet meer.

Mijn ziel, mijn wit verharde vlakte.
De sporen die jij achterliet, stipjes
naar de einder, waarboven
een witte zon.

Nog hoger, de ogen al gesmolten,
het vlees weer wortel,
de ziel pure kracht,
groeien wij wit in elkander.

De dood is een kortstondige dwaasheid,
mijn wit week kind.

dyn002_original_405_574_jpeg_20344_4b65252068e826197df92706878acb17


X EN Y

Een jongetje tussen x en y:
een oneindige rechte
als scherpe plooi
doorheen het vlak
van dit ontekenbare leven.

Een jongetje tussen x en y:
de functie van mijn verleden.
De hyperbool van gras en grond
in de kromming van zijn elleboog.

Een jongetje tussen x en y.
Nooit begint het nog,
en zijn einde snelt mij voorbij.

De snijlijn zelf gesneden,
de dood lijdend aan het leven.

Een jongetje tussen x en y.


dyn005_original_580_419_jpeg__d03622ebb9fbad937dc7c589309d8ffe

ZO

De bloesems sneeuwen traag, en breed
bedekken zij de grond. Voorbij.
De wind schudt ze nog even in zijn vaderhand,
dan drijven ze op het water en
diep doordrenkt zinken zij naar de schoot
vanwaar zij lang geleden kwamen.

Zo vullen duizenden seizoenen bloesems
nooit de vijver.

Zo vullen drieduizend voorbije kinderen
nooit het leven.

De kiemkracht, het onstelpbaar groeien,
het enige en het alles.

Kinderen laten hun papieren vliegers op.

Zo zwijg ik zijn leven verder open.

Zo.

dyn010_original_580_430_jpeg_20344_ace1a4ea7360df75377c970dda3693c3


Lieve vriend,

Omdat ik tijdens de stille week naar het landhuis vertrek, laat ik je deze bundel als een poging om iets van verlies en winst te benaderen.

Ik schreef en publiceerde hem in 1977.
Ik denk dat het de enige teksten zijn die ik wil achterlaten.
Ik heb ze geduldig overgetypt als een soort gebed.

Tot volgende week maandag.


HET VREEMDE KIND (5)

Soms is het goed langs het verleden het heden te benaderen.
Begin deze maand werd in Parijs een erg mooi jongensportret geveild.
het stond in de catalogus geschat voor 1500 euro en werd tenslotte verkocht voor 48.000 euro, kosten inbegrepen.

Ik werd dus erg nieuwsgierig.
Eerst en vooral omdat ik het portretje erg mooi vond en ik het graag zelf had gekocht voor mijn collectie, maar daarna -48.000 euro is eerder een droombedrag voor mij- ging mijn nieuwsgierigheid naar de schilder van het werk, zeker toen ik las dat jij in je bijdrages over het vreemde kind kinderbeelden en beelden van de kindertijd onder de loep nam.

Het is een slechte scan, maar de andere prenten zullen je zeker helpen om een beeld te vormen van deze meester.
Zijn naam: Albert ANKER (1831-1910) Zwitser.

Ik zorg hier voor een kijkverhaal dat je kunt aanklikken om te vergroten en dan kun je vanuit je eigen ervaringen morgen een volgende stap zetten

<img

Kijk goed, en onthou de datum 1831-1910, en bewonder of heb medelijden.


HET VREEMDE KIND (4)

Ik zal niet zo vlug een Disney-executive citeren, maar vandaag is het een mooi begin.
Een dergelijk personage legt in 1997 uit hoe door de media in de familie een beeld van een ‘sophisticated’ kind ontstaat, dat op zijn beurt de media creëert, dat dus de familie verandert, die op hun beurt weer het kindbeeld maken…en de slang gaat sneller en sneller in eigen staart bijten.

‘Kinderen van acht van nu zijn de kinderen van twaalf uit 1950. We kunnen dus niet doen of al deze kinderen nog in 1950 leven en gelukkig zijn, dat is belachelijk.’

Ik citeer verder een onderzoek uit 1970 (nog voor MTV en dergelijke) waarin aan 3200 lagere schoolkinderen werd gevraagd waarom zij niet naar X en R rated filmen mochten kijken, wat er dus aan verboden stuff in deze filmen zou zitten.

Hier kreeg je heel duidelijke antwoorden dat ze dat allemaal heel goed wisten maar verondersteld waren dit niet te weten.
Samuel Janus en Barbara Bess die het onderzoek leidden schreven:

‘One learns that what the adult world has established is an adult psychic censor that will not admit of children’s growth and experience.
Selective perception may becloud and avoid awareness of childhood sexuality, but it does not eliminate that sexuality.”


Latency: Fact or Fiction, American Journal of Psychoanalysis 36, nr 4 (1976) 345-46.

Maakte de heer Freud ons bekend met iets als het bestaan van deze seksualiteit, hij zorgde er tegelijkertijd voor dat er een soort ‘latentie’ bleef waarin al deze commoties niet meer ter sprake kwamen.

Natuurlijk was dat al een hele verandering in tegenstelling met het kindbeeld uit de Victoriaanse tijd.
In de 19de eeuw immers ontstond het ambigue beeld van het onschuldige maar tegelijkertijd aantrekkelijke kind, en voor die gespletenheid ontstond die dubbele morele standaard die op dit ogenblik weer opgeld maakt.

Toch even aanduiden dat Eva en met haar Adam en wij allen met de erfzonde belast werden niet door ‘seks’ maar door ‘verboden kennis’.
Gelukkig dat we door de Verlichting opnieuw kennis als beschermer zijn gaan zien, als genezer en bevrijder.
Een mooi werk daaromtrent:
Roger Shattuck Forbidden Knowledge: From Prometheus to Pornography , St. Martins Press, 1996, New York.

Bij jonge kinderen zien we nieuwsgierigheid als een deugd, de drang om de wereld te ontdekken.
Midden de 20ste eeuw vonden we de nieuwsgierigheid naar je eigen lichaam en het maken van baby’s normaal en mooi.
“In a child’s mind, this investigation (of the body) is much the same as, say, tinkering with toys to see how they operate or watching birds build a nest.”
(Nicole Wise, A curious time, Parenting, maart 1994, 110)

En de commentaar op dit artikel gaat verder:
‘This explanation washes when Junior is reaching onto his training pants, but it is harder to countenance when he’ s unzipping hig baggy men’ s sized Tommy Hilfigers; now it is a “risk” behavior.
“If curiosity is cute in the kitten, we suspect it could kill the cat.”
Judith Levine, Harmfull to Minors, University ofd Minnesota Press Minnesota, London, 2002.

De dubbelzinnigheid van ons hedendaags kindbeeld is enerzijds de ‘te beschermen onschuld’ en anderzijds deze niet bestaande onschuld in goede banen te leiden als ze dreigt te ontsporen in allerlei vormen van geweld.

Anderzijds probeer je door te censureren te beschermen wat je nalaat te onderwijzen.
Een pijnlijke vaststelling!

Dus laten we de dichter aan het woord:

I do not know-it is without name-it is a word unsaid,
It is not in any dictionary, utterance, symbol.

Something it swings on more than the earth I swing on
To it the creation is the friend whose embracing awakes me.

Walt Whitman, Song of Myself.

Het is een eerste voorzichtige stap om een facet van een hedendaags kindbeeld te beschrijven.
Want door onwetendheid dringt de geur van brandstapels vlug tot in de veilige huizen door.


kost en inwoning (294)


Kastanjes

Als we de steen mogen geloven
Dan rust jij, Wim, vier lentes net,
Hier haast een halve eeuw al met
Je broertje Joris, dat van boven

Boem! op je buikje werd geschoven
Als veel te groot verjaarspakket -
Geen toetertje deed rettettet,
Geen wimpeltje werd rondgewoven.

Er is sindsdien maar weinig leven
Behalve soms die doffe ploffen
Zo'n zes voet boven jullie bol.

Als jullie samen nu eens even
Naar buiten kwamen, zou je boffen:
Kastanjes, kerels! 't Ligt hier vol!

Hendrik van Teylingen

485_20e40a4dbc00f40e98e7bfc10e906053

“Kost en inwoning” heet een recent boek van Gerrit Komrij, De Nederlandse poëzie in enige nagekomen gedichten, Bert Bakker, Amsterdam 2005.

“Poëzie is geen tijdelijk onderdak, poëzie is kost en inwoning.’
Aan die zin is de titel van dit boek ontleend. Er zullen in dit boek voornamelijk recente gedichten aan bod komen. En ook wel eens de gebreken van die gedichten.
Na de befaamde 11 september is er geen andere troost dan poëzie.
Je leest daar gek genoeg weinig over.
Waarschijnlijk omdat het voor die datum ook gold.”
Tot daar de inleiding.

Net als vele andere stervelingen huiver ik steeds bij het “uitleggen” van gedichten en menig middelbaarschooltrauma vond zijn oorsprong in deze activiteit waardoor de kandidaat-lezer(es) voor altijd overliep naar het voetbal en zich haastig repte als het nog maar in de verte over poëzie zou gaan. (alhoewel voor de “echten” voetbal ook poëzie kan zijn, geef ik toe.)

Gerrit Komrij zal je voor altijd van dit trauma genezen.
Al is het meer zijn gewoonte wonden toe te brengen en/of open te rijten in zijn onovertroffen opstellen en besprekingen (allemaal in bibliotheek en boekhandel te verkrijgen!) hier wordt helend opgetreden al geldt dat niet altijd voor de besproken dichterlijke geesten die meer dan eens (meestal terecht) meesterlijk in het poëtische hemd of negligé worden gezet.

Met helend bedoel ik eerder dat althans mijn honger naar smaken van het schone voortdurend gestild wordt terwijl ik juist door de nasmaak honger krijg naar meer.
Het geheim van de echte fijnproeverij.
De taal en de manier waarop Komrij poëzie benadert is op zijn beurt een unieke vorm van poëzie, en laat toch de lezer(es) toe zijn/haar eigen gangen te gaan.

Op 6 augustus, Hiroshima in het achterhoofd, kon ik niet anders dan dit prachtige gedicht van Hendrik van Teylingen (1938-1998) naar jullie doorsturen.
Zoals de meesten had ik voordien nog niets van deze dode Nederlandse dichter gehoord.
Er zijn er wel meer waar ik nooit van gehoord heb of zal horen, maar eens je het gedicht “kastanjes” hebt gelezen, zal het een schande zijn deze naam niet minstens één keer per week in de herinnering te koesteren.

Komrij ‘s commentaar bij deze tekst is op hetzelfde niveau. Net zo meesterlijk.
Best gaat u vandaag dat boek nog kopen of in de bibliotheek halen.

Om het gedicht niet met mijn teksten te beschadigen druk ik het hierboven af, samen met een mooi schilderij van Jean Frederic Schall (1752-1825)
Als zijn oudste dochtertje Palmyre op prille leeftijd sterft (1804) maakt hij dit schilderij.
Nauwelijks uit de wieg leunt het kind tegen het graf aan.
Hoog tijd dus om elkaar te koesteren.

Boven deze tekst een masker van ene Auguste Preault.


alles wordt zo dun en licht (40)

Beste Psych,

De jongen op je schilderij is Leon-Pierre Suys (1823-1887), zoon van de bekende Belgische architect Tilman Suys (1783-1861). Het schilderij is in 1831 gemaakt, Belgïe was nog jong, net zoals de 19de eeuw.

D’après Jacobs (1998), le modèle serait le jeune Léon-Pierre Suys (1823-1887), fils de l’architecte belge Tilman Suys (1783-1861), ami de Navez, identification reposant sur une comparaison avec le portrait des trois enfants Suys peint aussi en 1831 par Navez (collection particulière, Belgique, cf. Coekelberghs, Jacobs, Loze, n° 160 p. 103, avec reproduction).

Ik vertel je wat de jongen droomt:

Onzichtbaar is het uur, onhoorbaar
de tred der dunne vogels
onmerkbaar de voorspelling
van de dood die zijn schaatsen
al heeft aangetrokken.

J.W. Oerlemans uit: De tuinen van de Dodeman – Bert Bakker, Amsterdam 2002


BAL7197 Leon Suys and his two sisters by Navez, Francois Joseph (1787-1869) Roy Miles Fine Paintings Belgian, out of copyright

En om te dedramatiseren hierboven nog een portretje van het hetzelfde jaar (1831) waarop die dromerige jongen, Leon Suys is geportretteerd in gezelschap van zijn zusjes. Het mooie portret met hoed is heel toevallig ontstaan in het atelier van Navez. Er lag een hoed en een mantel uit de kostumekoffer, en zoals kinderen zich graag verkleden werd hij in de ruim bemeten kleren het onderwerp van het schilderij, nu in het Louvre te bewonderen. Hij zou 64 worden maar blijft voor altijd het kind met de dromerige blik.

schijn en werkelijkheid (19)

997_1093463956

Beste heer Dumortier,

Toen ik terugkwam van een wandeling, hing de lucht vol purperen wolken.
Ik ben er zeker van dat er een natuurkundige verklaring is voor dergelijk verschijnsel.
Maar het gevoel dat ik toen had, een gevoel van mateloze verlatenheid, mag U misschien kunnen duiden als de crisis van een teleurgestelde ziel, als de frustratie van een sociaal onkundig mens, en waarschijnlijk heeft u nog een handboek vol theorieën, maar net zo min als de natuurkundige verklaring voor de purperen lucht, zal het mij verder niets bijbrengen dan een knikje in de aard van “best mogelijk”, of “goed gevonden”, maar noch de luchtkleur, noch uw deskundige uitleg heeft iets met de werkelijkheid van dat moment te maken.

Met andere woorden: uw wetenschap kan best de oorzaak en gevolgen de baas, maar ze schiet schromelijk te kort in het deelnemen aan het leven. Uw wetenschap is een verklaring en ik ben op zoek naar een daad. (de fenomenologen zouden het een “intentie” noemen!)

De purperen lucht herinnerde mij aan een moment uit mijn vroege kindertijd. Een volkomen onbelangrijk moment nog wel toen ik de slaap niet kon vatten en ik naar buiten keek.
Mijn vader zegde dat de wolken zich mooi maakten voor het feest van morgen en dat ik best zou gaan slapen om morgen ook mooi te zijn.
Groot was mijn verbazing toen ik ’s morgens voor de spiegel stond en alleen maar een nauwelijks uitgeslapen jongetje van drie en een half zag met een wat blekerige huid. Zelfs mijn wit krullend haar bleek onbesmet door purperen neerslag.
Ik hoor u zeggen dat dit het moment was waaraan ik de eerste keer twijfelde aan mijn vaders kunde en ik daardoor gisteren mij die lucht herinnerde.
Helaas, ik was gewoon teleurgesteld dat ik niet net zo paars als die wolken was en de uitleg van mijn pa dat die kleur aan avondwolken was voorbehouden, voldeed mij in hoge mate.

Ik bedoel maar: welke verklaringen er ook van oorzaak en gevolg gegeven worden, ze gaan aan het leven voorbij.
En daar begint mijn onzichtbaarheid weer de kop op te steken: we moeten gewoon een andere taal leren spreken, een nieuwe syntaxis opdoen en daarmee vegen we dan beetje bij beetje de kilte uit die mij nu overvalt als ik de nieuwe gelovigen van de feiten en niets dan de feiten onder ogen krijg.
Ik hoor je al uitroepen: mooi, zo, maar wie zal je die taal leren, en hoe kun je weten dat je nieuwe syntaxis je iets meer over het leven vertelt dan wat de wetenschap in al haar objectiviteit kan doen?
Waarde psychiater, ik blijf U het antwoord schuldig. Ik kijk naar de lucht, en misschien word ik morgen wakker met paarse ogen. Het is al een begin, nietwaar?

Uw monkelende Silverstein Theodore