997_1093463956

Beste heer Dumortier,

Toen ik terugkwam van een wandeling, hing de lucht vol purperen wolken.
Ik ben er zeker van dat er een natuurkundige verklaring is voor dergelijk verschijnsel.
Maar het gevoel dat ik toen had, een gevoel van mateloze verlatenheid, mag U misschien kunnen duiden als de crisis van een teleurgestelde ziel, als de frustratie van een sociaal onkundig mens, en waarschijnlijk heeft u nog een handboek vol theorieën, maar net zo min als de natuurkundige verklaring voor de purperen lucht, zal het mij verder niets bijbrengen dan een knikje in de aard van “best mogelijk”, of “goed gevonden”, maar noch de luchtkleur, noch uw deskundige uitleg heeft iets met de werkelijkheid van dat moment te maken.

Met andere woorden: uw wetenschap kan best de oorzaak en gevolgen de baas, maar ze schiet schromelijk te kort in het deelnemen aan het leven. Uw wetenschap is een verklaring en ik ben op zoek naar een daad. (de fenomenologen zouden het een “intentie” noemen!)

De purperen lucht herinnerde mij aan een moment uit mijn vroege kindertijd. Een volkomen onbelangrijk moment nog wel toen ik de slaap niet kon vatten en ik naar buiten keek.
Mijn vader zegde dat de wolken zich mooi maakten voor het feest van morgen en dat ik best zou gaan slapen om morgen ook mooi te zijn.
Groot was mijn verbazing toen ik ’s morgens voor de spiegel stond en alleen maar een nauwelijks uitgeslapen jongetje van drie en een half zag met een wat blekerige huid. Zelfs mijn wit krullend haar bleek onbesmet door purperen neerslag.
Ik hoor u zeggen dat dit het moment was waaraan ik de eerste keer twijfelde aan mijn vaders kunde en ik daardoor gisteren mij die lucht herinnerde.
Helaas, ik was gewoon teleurgesteld dat ik niet net zo paars als die wolken was en de uitleg van mijn pa dat die kleur aan avondwolken was voorbehouden, voldeed mij in hoge mate.

Ik bedoel maar: welke verklaringen er ook van oorzaak en gevolg gegeven worden, ze gaan aan het leven voorbij.
En daar begint mijn onzichtbaarheid weer de kop op te steken: we moeten gewoon een andere taal leren spreken, een nieuwe syntaxis opdoen en daarmee vegen we dan beetje bij beetje de kilte uit die mij nu overvalt als ik de nieuwe gelovigen van de feiten en niets dan de feiten onder ogen krijg.
Ik hoor je al uitroepen: mooi, zo, maar wie zal je die taal leren, en hoe kun je weten dat je nieuwe syntaxis je iets meer over het leven vertelt dan wat de wetenschap in al haar objectiviteit kan doen?
Waarde psychiater, ik blijf U het antwoord schuldig. Ik kijk naar de lucht, en misschien word ik morgen wakker met paarse ogen. Het is al een begin, nietwaar?

Uw monkelende Silverstein Theodore