The battle-painter, Jørgen Sonne, in his studio, by Ditlev Blunck, circa 1826.
Boven zie je een schilderij van de Duits-Deense schilder Ditlev Blunk (1798_1854) omstreeks 1826 gemaakt. Hij schilderde hier een voor zijn tijd bekende ‘battle-painter’, Jørgen Sonne, (1801-1890) een Deense schilder van genrestukken, veldslagen en militaire geplogenheden dus. Tot meerdere eer van de overwinnaars. (meestal) Jørgen was zelf even militair geweest maar verkoos vanuit die ervaring het soldatenleven en de veldslagen van het Deense leger als militair-schilder in beeld te brengen, vaak aanwezig midden in de actie of onderaan, de morgen na de veldslag.
In hoe ver kun je naast het krijgshaftig geraamte, de mens invullen die menselijkheid blijft hanteren ook in de atmosfeer van een hybride oorlog?
Wat is hybride oorlog?
Een militaire strategie die de conventionele oorlogsvoering mengt met niet-militaire middelen zoals desinformatie, propaganda en politieke intimidatie.
Jeanron 1830 “les petits patriots” Let op de achtergrond.
Martijn Kitzen, bijzonder hoogleraar Krijgswetenschappen, waarschuwt dat Europa niet langer te maken heeft met afzonderlijke hybride dreigingen, maar met een hybride oorlog. Volgens hem passen sabotage, cyberaanvallen, verstoringen van vliegverkeer en andere moeilijk herleidbare acties in een bredere campagne tegen het Westen.
Kitzen benadrukt dat moderne militaire middelen hierdoor kwetsbaarder zijn geworden en dat Europese landen zich daarop moeten voorbereiden. Tegelijkertijd pleit hij voor een zorgvuldige reactie, waarbij diplomatieke en economische maatregelen vooropstaan. (BNR Universiteit Nijmegen)
Kun je al vroeg leren ‘onderhandelen’?
Rembrandt van Rijn ‘Oude man in een militair kostuum’. 1630-31
De kunst van het oorlogvoeren (Sūn Zǐ Bīng Fǎ) is het klassieke Chinese strategische werk uit de 5e eeuw v.Chr. van generaal Sun Tzu, waarin de nadruk ligt op winnen zonder te vechten en het kennen van jezelf en de tegenstander. Daarnaast verwijst de titel naar het gelijknamige werk van Niccolò Machiavelli uit 1520, dat via dialogen pleit voor een gedisciplineerd staatsleger in plaats van huurlingen. Beide invloedrijke klassiekers worden nog steeds geprezen om hun strategische inzichten.
In dertien korte hoofdstukken worden de verschillende factoren in het oorlog voeren beschreven, op een manier die nog steeds actueel is. Het boek heeft een grote invloed gehad op militaire strategieën zowel in het Azië als in Europa. De principes zijn ook op andere gebieden van toepassing, zoals in het management en de advocatuur.
I saw two old white horses in a field,
in the corner of a field,
in the shade,
who had sought the shade,
thoughtfully.
glancing not quite at each other but past,
holding their heads close, their heads aligned,
standing
as they had stood many times,
a thousand times,
standing so,
weak moments, strong moments,
shivering slightly,
a cool breeze sliding down the apple branches or All this—
you tore a hole, pushed your arm through, hit the switch.
‘Sappho rijdt de stad uit
Ik zag twee oude witte paarden op een veld,
in de hoek van een veld,
in de schaduw,
die de schaduw hadden opgezocht,
bedachtzaam.
niet dadelijk naar maar langs elkaar kijkend,
hun hoofden dichtbij elkaar, hun hoofden in dezelfde lijn,
staande
zoals ze vaak stonden,
een duizend keer,
zo staande,
zwakke momenten, sterke momenten,
lichtelijk rillend,
een koel briesje daalt langs de de appel -takken of Dit alles –
je maakte een holte, stak er je arm door, drukte op de schakelaar.
Anne Carson (1950-) is a Canadian poet, essayist, translator and professor of Classics. She is the recipient of a Guggenheim Fellowship, a MacArthur Fellowship, and the PEN Award for Poetry in Translation. Her most recent book is Iphigenia among the Taurians.
A professor of the classics, with background in classical languages, comparative literature, anthropology, history, and commercial art, Carson blends ideas and themes from many fields in her writing. She is influenced by Ancient Greek literature, Sappho, Simone Weil, Homer, Virginia Woolf, Emily Brontë, and Thucydides. She frequently references, modernizes, and translates Ancient Greek literature. She has published twenty books as of 2016, most of which blend the forms of poetry, essay, prose, criticism, translation, dramatic dialogue, fiction, and non-fiction.
In 1986, Carson published her first book, Eros the Bittersweet. Named one of the 100 best nonfiction books of all time by the Modern Library, the book traces the concept of “eros” in ancient Greece through its representations in poetry of the time. Carson considers seriously how triangular and mimetic desires have been represented in the poetry of Sappho, as well as the relationship of eros to solitude. Famously, Carson analyzes Sappho’s Fragment 31 as representing “eros as deferred, defied, obstructed, hungry, organized around a radiant absence – to represent eros as lack.”
‘Autobiography of red‘, verschenen in 1998, is een uit zevenenveertig episodes bestaande roman in verzen. Voor haar hoofdpersoon liet Carson zich inspireren door een Griekse mythe: Geryon was een gevleugeld rood monster, hij hoedde een kudde rood vee en werd door Herakles gedood. In de roman is Geryon een jongen met een rode huid, een rode schaduw en vleugels op zijn rug, en is Herakles zijn minnaar. Vertaald ook naar het Nederlands. Een fragment als kennismaking: de woordzetting is van de auteur.
‘Geryon vond het als kind fijn om te slapen maar wakker worden vond hij nog fijner.
Dan rende hij in pyjama
naar buiten. De ochtendwind bestormde de lucht met levensflitsen zo blauw dat
elk een eigen wereld beginnen kon.
Het woord elk waaide zijn kant op en viel op de wind uiteen. Geryon had daar altijd
moeite mee – een woord als elk
viel, als hij ernaar staarde, in aparte letters uiteen en was dan weg. De ruimte voor
betekenis bleef maar was leeg.
Je kon de losse letters zien hangen aan takken of meubels in de buurt.
Wat betekent elk?
had Geryon aan zijn moeder gevraagd. Ze loog nooit tegen hem. Als zij de betekenis zei
ging die niet weg.
Ze antwoordde: Het betekent dat jij en je broer elk een eigen kamer hebben bijvoorbeeld.
Hij hulde zich in dit sterke woord elk.
Hij schreef het op school met rood zijdezacht krijt (foutloos) op het bord.
Hij dacht zachtjes aan andere
woorden die hij nu bij zich kon houden zoals kelk en welk. Toen moest Geryon
verhuizen naar de kamer van zijn broer.
Een ongelukkige samenloop. Geryons oma kwam op bezoek en viel van de treeplank
van de bus. De dokters maakten haar weer
met een grote zilveren pen aan elkaar. Erna moesten zij en haar pen vele maanden stil
in Geryons kamer liggen. Zo begon zijn nachtbestaan.
Voordien had Geryon ’s nachts niet geleefd alleen overdag en in de rode tijden ertussen.
Wat stinkt er hier in je kamer zo? vroeg Geryon.
Geryon en zijn broer lagen in het donker in hun stapelbed Geryon boven.
Als Geryon zijn armen of benen bewoog
klonk uit de veren een prettig ge-PING TJONK-TJONK PING dat hem van beneden omsloot als een dik schoon verband.
Het stinkt hier niet, zei Geryons broer. Misschien zijn het je sokken,
of de kikker heb je
de kikker mee naar binnen genomen? vroeg Geryon. Jij stinkt hier zo Geryon.
Geryon zweeg.
Hij eerbiedigde feiten misschien was dit er één. Hij hoorde nu van beneden
een ander geluid.
(vertaling Marijke Emeis, het boek verscheen in 2000 Autobiografie van rood, Meulenhoff Boekerij)
Apostle Town – Poem by Anne Carson
After your death.
It was windy every day.
Every day.
Opposed us like a wall.
We went.
Shouting sideways at one another.
Along the road.
It was useless.
The spaces between us.
Got hard.
They are empty spaces.
And yet they are solid.
And black and grievous.
As gaps between the teeth.
Of an old woman.
You knew years ago.
When she was.
Beautiful the nerves pouring around in her like palace fire.
Short Talk on Major and Minor
Major things are wind, evil, a good fighting horse,
prepositions, inexhaustible love, the way people
choose their king. Minor things include dirt,
the names of schools of philosophy, mood and
not having a mood, the correct time. There
are more major things than minor things
overall, yet there are more minor things
than I have written here, but it is
disheartening to list them. When I
think of you reading this I do not
want you to be taken captive,
separated by a wire mesh lined with glass
from your life itself, like some Elektra.
“We know from childhood that play can be serious. And it requires the freedom to play. Writing, like play, is an exercise of the imagination, and as such an exercise of desire that, Carson writes, teaches us “something about edges.” As does her work, which peers over precipices into error with error’s breath also on the back of its neck. Her brinkmanship addresses the point at which language’s tools are no longer adequate to the job—to death, heartbreak, betrayal, physical and mental trauma, absence, untranslatability—yet remain “an unfortunate necessity.” In the work’s desire to analyze what it knows defies analysis, to use its logic on the illogical, is felt the life force of curiosity. Curiosity and its procedures do not allow contingency to harden into a last word, and so are not much appreciated by systems that prefer power remain stable. As Ilhan Inan has noted, curiosity “can only take place in the absence of certainty.” (Karen Solie)
Deze aflevering publiceerden we in 2019, even dus vooruit gelopen. Zij was al enkele jaren kandidaat. Terecht!
“De dichteres krijgt de Nobelprijs “voor haar gedurfde en inventieve oeuvre dat, in speelse dialoog met de klassieke traditie, nieuwe vormen voor de hedendaagse literatuur heeft gecreëerd”.
O Small Sad Ectasy of Love
I like being with you all night with closed eyes.
What luck—here you are
coming
along the stars!
I did a roadtrip
all over my mind and heart
and
there you were
kneeling by the roadside
with your little toolkit
fixing something.
Give me a world, you have taken the world I was.
Anne Carson
O kleine trieste extase van liefde
Zalig om de hele nacht bij jou te zijn met gesloten ogen.
Wat een geluk-hier
kom jij
langs de sterren!
Ik maakte een roadtrip
dwars doorheen mijn hart en ziel
en
daar was jij
knielend langs de wegkant
met je kleine werkkist
een klus aan 't klaren.
Geef mij een wereld, jij hebt de wereld genomen die ik was.
Mijn Anne Carson bibliotheekje:
-Eros, the bittersweet, Dalkey Archive Press McLean/Dublin 7de uitgave 2014 -Eros, Bitterzoet, vertaald door Jip Lemmens, Octavo publicaties Amsterdam 2022 -Autobiografie van Rood, vertaald door Marijke Emeis Meulenhof editie 2000 -The beauty of the Husband, a fictional essay in 29 tangos Jonathan Cape 2001 (Cape poetry) -Decreation, Poetry, Essays, Opera Jonathan Cape, London 2006 -Nox, een lang uitvouwblad (in box) nagedachtenis bij de dood van haar broer (an epitaph in the form of a book, this is a replica.) Nw Direction New York 2010
Dit overzicht wordt begeleid door een ‘automatische Nederlands sprekende stem’ die de begeleidende tekst leest op een afschuwelijke automatische gecomputeriseerde wijze. Zet dus de klank af, de Nederlandse tekst immers wordt volledig onder het beeld geprojecteerd. Draai zelf zachte muziek indien nodig.
Maar dan tot slot, Anne Carson zelf. Je kunt hier een mooie lezing meemaken met als onderwerp ‘Stillness’. Zit op de eerste rij van het ‘Centre for Comperative Literature University of Toronto 2020 met Northrop Fry Professor Anne Carson , duurtijd een uurtje.
Ver moet je haar niet zoeken, de zon. Zij is deze dagen duidelijk aanwezig. (geweest)
In het Nederlands is zij vrouwelijk: De zomerzon is in het Nederlands een vrouwelijk zelfstandig naamwoord. Het is een de-woord, en hoewel het in het dagelijks spraakgebruik vaak wordt verward of onzijdig lijkt, wordt het traditioneel en in woordenboeken aangeduid als vrouwelijk. ANW (Algemeen Nederlands Woordenboek)
In Ovidius’ verhaal is de zon mannelijk. Hij is een God. Helios. En zijn zoon Phaëton wil hoe dan ook met de zonnewagen rijden die dagelijks gemend zijn pa Helios van de morgen naar de avond brengt. De gevleugelde paarden wachten ongeduldig onwetend dat Phaëton de zonnewagen zal besturen.
Intussen blazen Pyroïs en Eoüs en Aethon, de vleugelpaarden van de Zon met Phlegon, nummer vier, vlammend gehinnik uit, hun hoeven beuken aan het hek. Als Thetys dat geopend heeft -niets wetend van het lot van Phaëthon, haar kleinzoon -, als het wijde luchtruim lokt kiezen zij snel hun pad; hun benen trappend door de lucht en dwars door ’t hangend wolkendek, omhoog gevoerd op vleugels jagen ze langs de wind die uit hetzelfde oosten blaast. Maar het gewicht was licht. Het Zonnespan kon niet herkennen wat het gewoonlijk voelde en het juk kreeg minder druk. Zoals gewelfde schepen zonder juist gestuwde ballast onzeker over zee gaan bij gebrek aan stevigheid, zo mist de wagen zijn gewoon gewicht en gaat met sprongen de lucht door, schokte omhoog, omlaag en lijkt wel onbemand. Het vierspan voelt het, maar stuift voort, het laat de karrensporen voor wat zij zijn, en loopt niet met de oude regelmaat. De jongen schrikt, niet wetend wat hij met de teugels aan moet noch waar de weg loopt, en dan nog…hoe stuwt hij hen daarheen? Dit was nog nooit gebeurd.
Ovidius heeft niet dadelijk een extra breed filmscherm nodig om ongeziene rampen in beeld te brengen. Het is ons allen bekend: ach was ik maar…En had ik maar nooit…Ook tweeduizend jaar geleden beseften stervelingen dat tussen willen en kunnen vaak onoverbrugbare afstanden liggen. Dat wat ons moet gidsen spookgestalten blijken en wat wij vreesden gebeurt: ‘Ook de aarde brandt, grasvlakten worden as, geboomte vlamt met loof en al, het droge veldgewas zorgt brandend voor zijn eigen brandstof.’
Ja toen…had hij maar nooit de Zonnepaarden aangeraakt, nooit naar zijn afkomst willen vragen, nooit zijn zin gekregen! Hij wil weer Menops zoon zijn, maar nu wordt hij meegesleurd gelijk bij snelle noorderstorm een schip waarvan de stuurman het roer laat gaan; goden en bidden zijn zijn laatste hoop… Wat moet hij doen? Een groot stuk lucht ligt achter hem, maar voor hem ligt nog veel meer.
Hij schat de afstand van elk werelddeel, kijkt naar het westen voor zich uit- hij zal het door het noodlot niet meer bereiken-, kijkt ook naar het oosten achter zich. Verlamd , niet wetend wat te doen, kan hij geen teugels vieren noch strakker houden en de paardennamen kent hij niet. Ook ziet hij rondom in de sterrennacht vreemde gestalten, angstig ontwaart hij diergedaanten van enorm formaat.
Hij komt vlak langs de Schorpioen die daar zijn beide scharen in holle bochten uitzet om met kromme armen én zijn staart een breedte van twee sterrenbeelden in te nemen. De jongen ziet hoe hij een sap met donker gif uitzweet en zich gereedmaakt met zijn kromme angel toe te steken, en laat, verstijfd van angst, geheel van streek, de teugels gaan. Als die de paardenruggen raken en daar blijven liggen, schieten de dieren opzij; nu zonder mensenhand, gaan ze door onbekende luchtstreek, stuiven zonder richtlijn waarlangs hun vaart hen meeneemt, botsend tegen de sterren aan, hoog aan het hemeldak, sleuren de wagen waar geen weg is, rennen nu eens omhoog, storten zich dan weer steil omlaag, afgronden in die steeds meer dichter bij de aarde liggen, zodat de Maan verbaasd is dat de paarden van haar broer onder de hare langsgaan, en de wolken zwart geschroeid gaan roken. Ook de aarde brandt, althans haar hoogste toppen, de grond splijt scheurend open, door dat het vocht verdampt, grasvlakten worden as, geboomte vlamt met loof en al, het droge veldgewas zorgt brandend voor zijn eigen brandstof.
John Gibson Reliëf van Phaëton die de zonnewagen bestuurt. (marmer)
En, schrijft Ovidius, dit zijn dan nog de kleine klachten. ‘Grote steden gaan met muur en al teloor. Het vuur doet landen met hun volken geheel tot as vergaan. Bergen met bossen branden kaal.’ Hij noemt ze dan met naam, zelfs de berg der Muzen, de wieg van Orpheus.
Zo ziet Phaëton een aarde die langs alle kanten in brand staat. Tegen zoveel hitte is hij niet bestand. En zelfs de rivieren waren niet veilig, want de rook steeg uit de Don omhoog, en ook zij worden met naam en/of toenaam genoemd. ‘De Nijl was in paniek en is naar ’t eind der wereld weggevlucht, waar hij zijn hoofd tot heden toe verborgen houdt;’ (de bronnen van de Nijl bleven tot in de 19de eeuw onvindbaar) Ook de zeeën trekken zich terug, een vlakte van droog zand vervangt wat water was.
‘Het hele aardvlak splijt uiteen, het licht dringt door de spleten de Hades binnen en verschrikt het koningspaar der doden.’
Tijd voor moeder Aarde! Lees haar tussenkomst in een volgende aflevering om deze metamorfose af te ronden.
De zonnewagen van Trundholm (CC BY-SA 3.0 – Nationalmuseet – wiki)
In de luwte, dat wel, de tweede metamorfose van Publius Ovidius Naso (43 voor Chr.-17 na Chr.) gelezen, “Het huis van de Zon”.
“De heerserswoning van de Zon stond op gestrekte zuilen, hoog, schitterend door goud en vuuruitstralend koperwerk. glanzend ivoor bedekte tot de top de gevelvelden en dubbele zilveren deurpanelen straalden in het licht..”
…volgt dan de beschrijving van wat de goden-smid Vulcanus in zijn vurige smidse had gehamerd tot na al dat moois de zoon van de Zon (Helios) thuiskomt, Phaëton. Niet te dichtbij want daar was de lichtgloed niet te verdragen.
“…Daar, gehuld in purperrode mantel en op een zetel stralend van smaragden zat de Zon. En links en rechts stonden de Dag, de Maand, het Jaar, de Eeuwen, de Uren met gelijke tussenruimten opgesteld.’
Ja, Phaëton was een beetje bang, schrijft Ovidius, een vader met allesziende ogen en op de vraag wat hij kwam doen brengt de sluwe jongen dadelijk zijn afkomst in het midden. Hij wil een bewijs van Helios’ vaderschap., Verlos mij asjeblief van elke twijfel. Dus mag hij vragen wat hij wil, en inderdaad, het kind vraagt een ritje met vaders Zonnewagen te mogen rijden.
Helios en zijn zonnewagen (CC BY-SA 4.0 – British Museum – wiki)
Helios kan niet weigeren, maar wel waarschuwen.
‘Je bent een mens maar wat jij wenst in niet meer menselijk. Je reikt in je onnozelheid naar meer dan wat zelfs goden ooit kunnen krijgen. Iedereen mag doen naar eigen dunk, maar niemand heeft de kracht de Zonnewagen te besturen behalve ik! Zelfs onze heerser op de Olympus berg, die zo vervaarlijk woest met bliksems slingert, kan mijn wagen niet mennen, en wie is nu machtiger dan Jupiter?”
De bezorgde vader beschrijft zelfs het traject, het eerste stuk, dan het midden en tenslotte het laatste dat snel daalt.
Bedenk ook dat hemel in constante wenteling rondjaagt en hoge sterren meevoert naar een snelle draaiing. Ik zwoeg daarentegen , die maalstroom overheerst mij niet gelijk de rest, ik rijd mijn baan dwars door hun snelle omgang. Nu stel, jij krijgt mijn wagen. Wat te doen ? Kun jij de draai der polen langsgaan zonder dat de snelle as je meesleurt? Dacht je dat daar het lustoord van de goden is en heilig bosgebied met tempels rijk aan offeranden? Het is een weg vol hinderlagen tussen monsters door en zelfs al blijf je in de baan en hou je goede richting toch zul je een gehoornd tegenstander als de Stier ontmoeten, en de Schutter, en de Leeuw met felle kaken; en ook de Schorpioen die wijd zijn scherpe scharen kromt; daarna de Kreeft, heel anders maar met even scherpe scharen… En dan mijn snelle dravers, vurig door die vlammengloed die ze vanbinnen kweken en uit mond en neusgat blazen, kun jij nooit teugelen: wanneer hun fel gemoed echt kookt, dulden ze mij al niet en rukken koppig aan de teugels.
Helios op zijn zonnewagen – Hans Adam Weissenkircher
En ja, Phaëton krijgt de zonnewagen. Elk uitstel is tevergeefs, elke vaderlijke raad nutteloos. De wagen door Vulcanus zelf gemaakt, met gouden as en gouden distel, en rondom de wielen velgen van goud waarin een rij van zilveren spaken blinkt, topazen langs het juk en lange rijen edelstenen. Mooi hoe dan de noodlottige morgen wordt beschreven.
Als Phaëton heel zelf verzekerd, vol bewondering dit pronkstuk aanziet, heeft Aurora -altijd vroeg ontwaakt- de purperen poorten van de rozenzaal in’t lichtend oosten opengezet. De sterren vluchten heen, met Lucifer als achterhoededrijver, als ook hij, de laatste ster, naar de aarde afdaalt en de zon hem ziet , en ziet hoe rood de wereld kleurt en hoe de bleke Maan haar sikkel kwijtraakt -zo lijkt het- , geeft hij aan de snelle Horae opdracht om de paarden in te spannen. De godinnen halen schielijk de vuurspuwende dieren, die zich bij de hoge ruif voeden met ambrozijn, en doen het rinkelende tuig om. De vader heeft zijn zoons gelaat met goddelijke zalf bestreken om het te beschermen tegen felle hitte, heeft hem de stralenkrans op’t hoofd gezet en diep bezorgd met zuchten die verdriet voorspellen, eenmaal nog gesproken. ‘Misschien dat je nu toch luistert naar dit wederwoord… Wees zuinig met de zweep, gebruik je krachten voor de teugels
Shinsuke Inoue’s reis in de wereld van de houtsnijkunst begon ongeveer tien jaar geleden, toen hij Japans hout aanschafte om een driedimensionale weergave van zijn kind te maken. Deze zeer persoonlijke daad van het vastleggen van een herinnering was de aanleiding voor een blijvende fascinatie voor het beeldhouwen van menselijke figuren uit hout, een praktijk die sindsdien zijn artistieke loopbaan heeft bepaald. Zijn werkwijze blijft uiterst intuïtief — Inoue geeft toe dat hij zelden een beeld heeft van de uiteindelijke vorm voordat hij begint, en laat de inherente eigenschappen van het hout zijn beitel leiden. Hij werkt uitsluitend met handgereedschap en laat het beeld tijdens het bewerkingsproces geleidelijk aan tot uiting komen, waarbij hij zijn oorspronkelijke idee vaak aanpast naarmate het materiaal zijn eigen verhaal dicteert. (Visual Flood. Leandro Lima)
Sinsuke Inoue. Meisjesportret
“De emotionele weerklank van Inoue’s sculpturen komt voort uit hun opmerkelijke terughoudendheid. Hoewel ze fysiek klein van formaat zijn, bezitten deze gesneden figuren een elementair gewicht en ernst die de aandacht opeisen. Hun uitdrukkingen blijven opzettelijk raadselachtig; vaak recht vooruit starend met een stilte die opvallende momenten van verbinding creëert wanneer ze vanuit bepaalde hoeken worden bekeken. De subtiele bewerking van de gelaatstrekken – een nauwelijks waarneembare verschuiving van de mond, een lichte spanning rond de ogen – roept dezelfde diepgaande emotionele communicatie op die te vinden is in de kleinste menselijke gebaren, waardoor deze compacte houten vormen tot dragers van grenzeloze innerlijke werelden worden getransformeerd. (ibidem)
In plaats van letterlijke portretten te maken, put Inoue inspiratie uit een eclectische reeks bronnen: dierbaren, vreemden die hij op straat tegenkomt en gezichten die hij op foto’s opvangt. Zijn artistieke ambitie reikt verder dan de weergave van het individu; hij streeft er veeleer naar iets fundamenteels over het menselijk bestaan zelf te distilleren. De sculpturen hebben grotendeels geen titel, waarmee de nadruk ligt op hun universele in plaats van specifieke kwaliteiten. Door de natuurlijke schoonheid van hout te combineren met weloverwogen vormgeving en kleurgebruik, streeft Inoue ernaar om wat hij omschrijft als „de essentie van het menselijk bestaan“ over te brengen, waarbij de organische aantrekkingskracht van het materiaal de diepgaande menselijkheid versterkt die in elke gebeeldhouwde figuur vervat zit. (ibidem)
Inoue werkt intuïtief en laat zich leiden door de natuurlijke eigenschappen van het materiaal. „Ik heb vrijwel geen idee hoe het voltooide werk eruit zal zien totdat ik daadwerkelijk met het hout aan de slag ga,” zegt hij. „Daardoor ontstaat de vorm vaak pas terwijl ik aan het snijden ben, en pas ik mijn plannen regelmatig halverwege het proces aan. Uiteraard houd ik de vele mislukkingen geheim.” Hij snijdt altijd met handgereedschap en geeft zijn werken zelden een titel. (Kathe Mothes Colossal)
De rit van Phaëthon in de zonnewagen van zijn vader Apollo kent een rampzalige afloop. De paarden hebben de aarde in brand gezet. Rivierbeddingen komen droog te liggen en riviernimfen beklagen hun lot. Neptunus met drietand komt uit de zee omhoog en strekt zijn arm ten hemel. Moeder aarde, met stedenkroon verbeeld als Cybele, steekt haar hoofd uit de aarde en beschermt met een hand haar blik. Atlas zwoegt om het hemelgewelf te torsen. Jupiter gooit bliksemschichten en Phaëthon valt met wagen en al uit de hemel. Een gravure bij het verhaal uit ‘Metamorfosen’ van de Romeinse auteur Publius Ovidius Naso .
“Het jaar 762 ab urbe condita (8 v.C). Publius Ovidius Naso staat op het punt zijn omvangrijke “Metamorfosen” af te sluiten. Hij heeft zes jaar gewerkt aan de vijftien boeken die samen meer dan twaalfduizend versregels bevatten. In het lange gedicht verhaalt hij over 231 gedaanteveranderingen van goden en halfgoden, beginnend bij de schepping van de wereld en eindigend bij Caesar, de goddelijke Julius die in een ster veranderde.” (Marc Holthof ‘De Witte Raaf 1995)
De ontvoering van Europa
“Nog maar net klaar met de “Metamorfosen” of hij wordt verbannen door keizer Augustus. Reden onbekend. Paste hij met zijn frivole Grieks georiënteerde poëzie niet in de hervormingspolitiek van Augustus, of was hij betrokken bij een of andere politieke intrige? Ovidius verbrandde het manuscript van zijn “Metamorfosen”. Maar afschriften ervan waren gelukkig al bij zijn vrienden beland, zodat het werk bewaard bleef. Ovidius werd verbannen naar Tomis (het huidige Constanza in Roemenië) aan de Zwarte Zee. Hij schreef er treurzangen en zijn “Epistulae ex Ponto”, Brieven van aan de Zwarte zee – echte exilliteratuur. Hij stierf er in 17 na Christus, 60 jaar oud. Ook Augustus’ opvolger Tiberius heeft de verbanning van Romes beroemdste dichter nooit ongedaan gemaakt.” (ibidem)
“U kent allemaal de verhalen over Daphne die achtervolgd wordt door Apollo en veranderd wordt in een laurierboom, Echo’s ongelukkige liefde voor Narcissus, die zijn eigen spiegelbeeld prefereert en in een bloem veranderd wordt. De twee ouderlingen Philemon en Baucis, die als enigen in hun streek gastvrij zijn voor Zeus en door hem bij hun dood veranderd worden in in mekaar groeiende bomen. Er is het verhaal van Acteon de jager die per toeval de godin Diana naakt ziet baden en door haar in een hert wordt veranderd, dat dan prompt door zijn eigen honden verslonden wordt. Geniaal is de manier waarop Ovidius het moment beschrijft waarop de jager plots beseft dat hij de prooi geworden is. Er zijn Pygmalion, Midas, Ariadne, Jason en de Argonauten, Orpheus, de Centauren en vele, vele anderen. ” (ibidem)
Franz von Stuck Orpheus
Tegenover de proteïsche metamorfose plaatste auteur Canetti het masker. Hij meende dat het masker het definitieve einde was van de metamorfose tussen mens en dier, mens en plant: “Een eindtoestand van de metamorfose is het masker (de ‘figuur’). Eén van de eigenschappen ervan is dat het geen verdere metamorfose toelaat. Het masker (de figuur) is in al haar trekken omgrensd en duidelijk. Het is geen product van de natuur, maar een schepping van de mens. Het is een redmiddel uit het eeuwige fluïdum van de metamorfose. (…) Het masker onderscheidt zich door zijn starheid van alle andere eindtoestanden van de metamorfose (…) De betekenis van het masker is (…) juist eindtoestand te zijn. Het in mekaar vloeien van onduidelijke, half uitgeklaarde metamorfosen die eigen zijn aan de wonderlijke uitdrukkingsmogelijkheden die ieder natuurlijk menselijk gezicht bezit, mondt uit in het masker, het eindigt erin.” Het masker, het vastleggen, vastroesten van de metamorfose is iets zeer negatiefs en gevaarlijks voor Canetti. Het heeft met macht en geweld te maken. “Masse und Macht”, zelf een zeer veelvormig metamorfisch boek, is in de eerste plaats een reflectie over het fascisme. En precies in het verstarren van een bepaald soort rationaliteit ziet Canetti (een beetje zoals Adorno en Horkheimer in hun “Dialectiek der Verlichting”) het ontstaan van het fascisme. Het fascisme, elke vorm van fundamentalisme, is niet metamorfisch, het is één, verstard en onveranderlijk. Het is, kortom, het duizendjarige rijk waar Augustus al van droomde.(ibidem)
Wie ik geweest ben, ik, de speelse dichter van de liefde - luister, dan weet u wie u leest, ook na mijn dood: Sulmo was mijn geboorteplaats, omringd door koele stromen, zo'n tienmaal negen mijl verwijderd van de Stad. Daar zag ik dus het levenslicht en vraagt u naar een jaartal: dat jaar stierven twee consuls in eenzelfde strijd. Van ouds behoorde mijn familie tot de ridderklasse, wat dat ook zegt ... Ik was bepaald geen parvenu, ook niet de oudste zoon: toen ik verscheen was er een broertje dat vier kwartalen voor mijn komst geboren was; onze verjaardag mocht dezelfde Morgenster begroeten en één dag werd met tweemaal offerkoek gevierd tijdens de feestweek van de wapendragende Minerva, en wel de eerste dag met gladiatorenbloed.
Tristia IV, 10; vert. M. d’Hane-Scheltema
Michele Tosini, Leda, ca. 1560–70. Galleria Borghese, Rome.
Daarom, omdat ik leef en zware moeilijkheden aan kan en dit mistroostig daglicht mij nog niet benauwt, ben ik mijn Muze dankbaar: zij komt steeds weer met vertroosting, zij geeft mijn onrust rust, zij is mijn trouwe arts, mijn leidsvrouw, mijn vriendin; zij voert mij mee, weg van de Donau en biedt mij 'n zetel midden op de Helicon. Zij gaf mij zelfs al bij mijn leven - en dat is vrij zeldzaam! - verheven roem, zoals vaak opklinkt ná de dood; en nooit heeft Afgunst, die de werkelijkheid kleineert, haar scherpe jaloerse tanden in mijn poëzie gezet, want al mijn levensdagen - toch een tijd van grote dichters - is geen kwaadaardig woord gezegd over mijn werk. Ik mag dan opzien tegen velen, maar word zelf niet lager geschat dan zij: de hele wereld leest mij graag.
Welaan dan, als voorspellingen van zangers waarheid zingen, zal ik, al sterf ik wel, niet echt begraven zijn en of ik deze roem nu dank aan dichttalent of goodwill, de meest verdiende dank geldt, lieve lezer, u!
Photo by JM Coubart. All images courtesy of Company Furinkaï – Satchie Noro and Théâtre de l’Entrouvert – Elise Vigneron
Als introductie een spektakel, een voorstelling. ‘Mizu’.
“MIZU” is een gezamenlijk project van het Théâtre de L’entrouvert van poppenspeelster en regisseur Élise Vigneron en Companie Furankaï, waarin het werk van choreograaf en circusartiest Satchie Noro is verwerkt. De voorstelling belicht de kwetsbaarheid van ons bestaan, de onmisbaarheid van water en “de overgang van vorm naar vormloosheid, van het individu naar de kosmos”, aldus Vigneron. (Ook te zien in België: Festival international des arts de la rue de Chassepierre. Zaterdag -Zondag 15-16 augustus 2026. 17.00u)
Een fragmentje.
Via YouTube is er een langer fragment te bekijken. (niet voor publicatie toegelaten)
Een waterpartij: de vijvers van Elsene. Op het water: een drijvend podium. Op het podium een trio bestaande uit een danseres en haar dubbelganger: een levensgrote pop van ijs, opgehangen aan een houten frame en tot leven gewekt door een poppenspeler. Twee wezens die experimenteren met hun onderwerping en emancipatie. Het smeltende ijs onthult de aard van de dubbelganger. Achter het ijs schuilt nog een ander materiaal, een raamwerk om te verkennen. Dansen om zichzelf te ontdekken, om zichzelf te vinden.
‘Het blijft een fascinerend fenomeen: een rups verandert in een vlinder, maar hun lichamen hebben vrijwel niets gemeen. Het silhouet, de anatomie, de manier van voortbewegen, zelfs hun leefomgeving is anders – de rups leeft op de aarde, de vlinder in de lucht. En toch zijn ze deel van eenzelfde leven. Datgene wat bacteriën, planten, dieren en mensen verbindt, is het feit dat eenzelfde leven op andere manieren voortleeft.” (Metamorfosen)
Emanuele Coccia trekt in zijn boek ‘Metamorfosen’ (Octavo 2024) dit fenomeen breder open. Het leven wordt doorgegeven van lichaam tot lichaam, van soort tot soort, maar hetzelfde geldt voor de relatie tussen wat leeft en de Aarde: het leven is niets anders dan de vlinder van de enorme rups die Gaia heet. Al het leven is de metamorfose van deze planeet.’ (Octavo-Atheneum). Lees hieronder een fragment:
Zoals iedereen ben ik van alles vergeten. Ik ben de smaak en de geur van dat bijzonder moment vergeten, de mensen die rondom mij stonden, de voorwerpen die de kamer vulden. Ik ben de dag en het uur vergeten, de gedachten die ik toen had en de emoties die ik ervoer, de intensiteit waarmee het licht straalde tijdens mijn allereerste ogenblikken. Misschien kon ik niet anders dan vergeten? Toen verscheen alles voor het eerst aan mij; te verschillend, te nieuw, te intens om door mij te kunnen worden opgeslagen Ik moest vergeten, alles vergeten. Tabula rasa maken om ruimte te scheppen voor de rest: voor wat de toekomst me zou brengen, voor wat weldra mijn verleden zou zijn, voor de hele wereld. Tabula rasa maken om ervaringen te kunnen opdoen. Ik moest vergeten, het allemaal vergeten, om mezelf gewaar te kunnen worden.”
“Onze geboorte vormt de absolute begrenzing van onze herkenning. Ze is de drempel waarachter ‘ik’ zeggen neerkomt op de versmelting met een ander. Het is onmogelijk om te bepalen of de adem die ons in staat stelt deze lettergreep uit te spreken echt aan ons toebehoort, dan wel de voortzetting is van het lichaam van onze moeder. Het is niet duidelijk of deze lettergreep ons eigen lichaam benoemt, of datgene waaruit we te verschijn komen. De geboorte is de kracht die ons koppelt aan het uitwissen van al onze herinneringen: we moeten vergeten waar we vandaan komen, we moeten dat andere lichaam vergeten, dat ons al die tijd een onderkomen bood, we moeten een daarvan te onderscheiden identiteit kunnen vormen.”
“Zoals iedereen ben ik van alles vergeten. Ik ben mezelf vergeten, maar ik ben ook en vooral alles wat in mij leefde vergeten, en ik blijf het vergeten. Ik ben bijvoorbeeld vergeten dat ik negen maanden lang in het lichaam van mijn moeder zat. Niet allen was ik in haar: ik was haar lichaam, letterlijk. Ik was een deel van haar buik, materieel onafscheidbaar van haar. Vlees van haar vlees, leven van haar leven. De vergetelheid is niet bijkomstig maar vormt de mogelijkheidsvoorwaarde om jezelf te gaan zien als een te onderscheiden wezen. Ze is de cognitieve tegenhanger van de daad die erin bestaat iemand anders dan onze moeder te worden, om haar leven en adem elders dan in haar buik en haar bewustzijn voort te zetten.”
Metamorfosen pagina 21-22 (De vertaling is van Pieter Boulogne)
Emanuele Coccia (1976) voltooide zijn studie filosofie in Florence en was vervolgens verbonden aan universiteiten in Duitsland, Japan, Argentinië en de Verenigde Staten. Hij heeft zich beziggehouden met onderwerpen die uiteenlopen van middeleeuwse filosofie tot hedendaagse architectuur, mode en beeldcultuur. In 2016 publiceerde hij La vie des plantes, dat in tien talen werd vertaald. Sinds 2011 is hij verbonden aan de École des hautes études en sciences sociales in Parijs.
In ‘Boekenkrant formuleert Marnix Verplancke ‘de mannelijke afkeer’ van alles wat met conceptie heeft te maken.
“Tekenend is hoe Martin Heidegger de mens definieerde door zijn sterfelijkheid en hoe zijn leerlinge Hannah Arendt hem erop wees dat de geboorte daarentegen de belangrijkste menselijke ervaring is. Alleen de geboorte van Jezus krijgt een prominente plaats in de westerse cultuur, die dan als een onnatuurlijk fenomeen wordt neergezet, behorend tot een monotheïstische en antropocentrische religie die de mens niet in maar boven de natuur plaatst. Al merkte de Victoriaanse schrijver Samuel Butler in dit verband fijntjes op dat het voor god even makkelijk is om de gedaante van een mens aan te nemen als die van een regenworm.”
Over de term ‘ecologie’ maakte Marnix Verplancke volgende boutade:
“De term ecologie werd in 1866 gemunt door de Duitse zoöloog Ernst Haeckel, lezen we in het op het kruispunt van biologie, filosofie en poëzie te situeren Metamorfosen dat af en toe wat te lijden heeft aan breedsprakerigheid. Haeckel wou er de economie van de natuur mee vatten, los van de mens, als een statisch systeem. De gevolgen daarvan zijn nog steeds zichtbaar, aldus Coccio. Dat er inheemse planten zouden bestaan die beschermd moeten worden tegen indringers, gaat bijvoorbeeld in tegen het beginsel dat in de natuur migratie volstrekt normaal is. En vegetarisme is in dat licht ook volstrekt wereldvreemd. De cyclus van metamorfose en hergeboorte steunt op het principe van eten en gegeten worden, en daar horen een kippetje of een schaap helemaal bij. Meer zelfs, aldus de knipogende filosoof, waarom geen mensenvlees? “
“De cocon is niet alleen het paradigma van de techniek, maar ook van het ter-wereld-zijn tout court. De insecten -de meesters van de cocon, de grote transformatiemiurgen hebben ons beetgenomen. Ze hebben ons wijsgemaakt dat de cocon een specifiek, afzonderlijk en vluchtig instrument is in het leven van bepaalde individuen. De cocon moet echter worden opgevat als de transcendentale vorm van ieder levend wezen. Wanneer een levend wezen zich tot het zelf, andere levens of de planeet verhoudt, is er altijd sprake van coconvorming. Ieder ik is een cocon.”
“Lommerte is een sfeervol en voornamelijk Zuid-Nederlands en Vlaams dialectwoord voor ‘schaduw’, vaak specifiek verwijzend naar de koele schaduw die bladeren en bomen werpen (ook wel lommer genoemd). Het wordt gebruikt om een aangename, beschutte en schaduwrijke plek aan te duiden.’ (Vlaams Woordenboek)
Tommi Viitale uit ‘Hunting Shadows)
“Met schaduw staat er veel op het spel : de effekten binnen het beeld zijn enorm, maar ook de affekten die schaduw in de gedachten en het gemoed van de toeschouwer teweegbrengt zijn complex. De schaduw is tegelijk het schijnbeeld (de grot-parabel van Plato) maar ook de onmisbare begeleider van het bestaan (het verhaal van de man die zijn schaduw verliest : hij bestaat niet meer, want het licht ondervindt geen hinder van hem).”
“Wat in de luwte gebeurt, is vaak het belangrijkste. Voor een denker is dat niet anders. De mooiste dagen zijn heel gewoon: lezen, schrijven, rondlopen zonder dat iemand weet waar je bent. Als ik spreek in de publieke ruimte, dan denk ik daarover na. Ik vraag me af: Wat zijn mijn motieven? Wat wil ik zeggen? En heb ik wel iets te zeggen? Zwijgen is altijd een optie. Alleen al daarvoor is Socrates zo’n geschenk: zeggen ‘ik weet het niet’ is soms inderdaad het verstandigst.
Pijn is fascinerend – hoe je daarmee omgaat, zegt veel over hoe je met het leven zelf omgaat. Vandaag de dag staat verdoving centraal. En dat begrijp ik natuurlijk. Ik pleit niet voor méér pijn. Alleen moet je opletten: dat je om geen pijn meer te voelen, uiteindelijk niets meer wil voelen, zodat je niets meer kan voelen. Dat je afgesneden bent, verdoofd. Depressieve gevoelens lijken me zo’n ervaring. Daarom moet je ook de negativiteit kunnen ervaren. Luisteren naar je lichaam als het ‘neen’ zegt. Ruimte maken voor het niet-kunnen, het niet-zijn en het niet-weten. Je beleeft niet alleen maar positieve, leuke gevoelens. En dat is geen nederlaag.”
Tineke Beeckman. in gesprek met Jeroen De Preter over haar boek ‘Ken Jezelf. Focus 2024
Renée Demeester, Walsende elementen, 1972
“Alles is ver weg en tegelijk dichtbij. Alles beweegt, en alles is immobiel. Dit is geen paradox, het is het mysterie waarmee we moeten leven.” (Renée Demeester 1973)
In de loemmerte van 't bos tusse kreupelout en mos zedde veilig vör de nijd van de mediocriteit onder varen en jasmijn kunde zelf ne schaduw zijn lak de giêsten iêwenoud in de stilte van et woud
Als kind al was ik gefascineerd door de vurige tongen boven het hoofd van de apostelen.
Niet door het verschijnsel zoals de heer Lucas het zou uitbeelden in een starwars-film, maar door de mogelijkheden, de transformatie van bange wezens in ontstekers van allerlei andere heilige vuren, niet in het minst door het spreken van allerlei talen zonder avondschool te hebben gevolgd.
Er waren vooreerst de bange wezens die zich hadden opgesloten in het wonderlijke cenakel, een woord dat bij mij telkens ronde vormen opriep, waar je dus in geen hoekje kon wegkruipen, en ondanks dat hij aan hun vrienden in Emmaus had duidelijk gemaakt dat hij bij hen was, ondanks Thomas en zijn anatomisch vingergepeuter in het lichaam van de Heer, zaten ze daar te rillen, want als er in mijn kinderlijke verbeelding angst optrad dan ging die gepaard met klappertanden en takke-tak van knikkende knieën en sidderende ledematen.
Daarbij kende ik mezelf als bang wezentje.
Wellicht is volwassenheid gewoon het genezen van de angsten die wij als klein wezen hebben gekend.
Als je geen voetballer bent, geen vechtjas (tenzij als kruisvaarder tegen de bende van de aangrenzende straat) geen brave hendrik of primus, maar een fantast die bij elke draai van de straat een draak verwacht, bij de schaduwen van de kastanjelaar de knoestige vingers om zijn kinderkeel voelt, een verhalenverteller kortom, dan ben je in het cenakel van de Boudewijn de Grote’s ‘o mijn kindertijd’ gevangen.
Ik kon mijzelf dus de luxe van een vurige tong boven mijn kinderhoofd best veroorloven, en toen de firma For You koude ijstongen op de markt bracht, frisco genoemd, werden in mijn verbeelding de vurige tongen werkelijk brandende frisco’ s waarvan het stokje zich in het hoofd van de apostel vast had gezet. Ik vraag de heilige Geest vergiffenis, maar ik was nog ver van de Pardes Rimonim* van de Kabalist Moses Cordovero waaruit mijn grootvader vaak vertelde, maar misschien ben ik nooit zo dichtbij heiligheid geweest als toen, want de zuiverheid van beelden laat zich niet door de esthetica of theologie bepalen, maar ontspruit uit de mooie zin dat de geest waait waar hij wil, een geliefde uitspraak van mijn grootmoeder als mijn grootvader dronken was thuis gekomen.
*(Pardes Rimomim: Rabbi Simon ben Jochai verbindt Malchut, het mannelijk element in de kosmos met Tifireth, het vrouwelijk element in de echt in de ‘Pardes Rimmmonim, in de granaatappelboomgaard, een verhaal van de Joodse mysticus Ben Jacob Cordovero een oertekst uit de Kabbalah 1548)
Als ik uit mijn slaapkamer klom, stond ik ook op een plat dak, net zoals de bangeriken met hun brandende tongen op het dak waren geklommen, maar hoe ik ook mijn best deed om in het Frans of Hebreeuws, het Engels of Jiddisch te zeggen dat er mij iets goddelijks was overkomen, de woorden bleven in mijn mond steken toen ik mijn grootvader in zijn blootje in de grote witbuik-kerselaar zag zitten, waaronder mijn grootmoeder stond te roepen dat hij dringend naar beneden moest komen want dat de witbuiken van de kersen al genoeg aan de verbeelding overlieten zonder dat hij dat door zijn naakte transformatie moest benadrukken.
En hij sprak wel alle talen ter wereld (volgens mijn weten toen) al bleef het in werkelijkheid beperkt tot een scheldtirade in slecht Duits, dat ze niet moesten denken dat nu de forten rond Namen gevallen waren ze het zouden opgeven, en dat hij de architect van die forten (terecht) een proces zou aandoen, hoe konden ze jongens van zijn leeftijd zoiets aandoen, enz.
Later las ik in de schrift dat de mensen zich beneden op de straat hadden afgevraagd of die vurige polyglotten misschien dronken waren, en jawel, ik begreep het dadelijk, de vurige tongen kregen een lucht van Kempisch gebrouwen (De Keersmaeker) bier en Gentse jenever (Hertekamp), inderdaad ontvlambare materies, zeker toen ik aan een broeder van Liefde die mij onderwijs verstrekte, zei dat ze inderdaad dronken waren geweest, die schijtlijsters, want ik hoorde ook mijn opa alle talen spreken toen hij in een gelijkaardige toestand verkeerde.
De brave broeder, die zelf graag een glaasje lustte, antwoordde dat Gods wegen wonderlijk waren maar dat voor ons, zondige mensen, een Assimil-boekje een betere methode waarborgde om een vreemde taal te bemeesteren.
Toch bleef Pinksteren zijn aantrekkingskracht behouden en de heilige Geest heb ik levenslang geëerd door alle duiven tegen gemeentebelangen in van graan en brokjes brood te voorzien, een taak door de geliefde nog steeds in praktijk gebracht.
Want de geest waait waar hij wil, en zijn bange kinderen kunnen er van meespreken al zijn ze intussen de tachtig voorbij.
Carl Jung noemde het ‘de geur van de Heilige Geest’, en met mijn dikke neus kan ik dat beamen.
De Heilige Geest mag dan al naar geestrijke drank hebben geroken, naar de witte drank uit de mooie Hertekamp-fles, hij troostte mij ook door mij beetje bij beetje met woorden te wapenen om het woordeloze voortdurend te belagen en te belegeren.
Hij verlokte mij tot het “hierosgamos”, letterlijk ‘het heilige spel’, mooier dan het mystieke huwelijk, met andere lagen van het denken en het gewaarworden, en al vluchtte ik voortdurend, laf als we zijn, de walvis in, telkens weer was hij daar met zijn vurige For You en dreef hij mij, als verteller, het schamele dak op om te stamelen in de talen die hij nodig achtte, liet hij me als heel klein zangertje meezingen in het verhalen-koor waarin tremendum et fasciosum, een element van het dagelijks bestaan ging uitmaken. (tremendum et faciosum: bibberen en bewonderen!)
Is het daarom dat er zich houtduiven in de atlasceder hebben genesteld?
Of weten ze gewoon dat de liefste hen van fruit en granen voorziet en op tijd de katten weghoudt als ze het op de Pinkstervleugels hebben gemunt.
Laat het aardse zich voortdurend met het hemelse vermengen en vice versa, al dan niet in homeopatische verhoudingen.
(De bovenste wandschildering van Mikhail Vrubel komt uit de St. Cyril-kerk (aan de buitenkant in mooie pistachekleuren geschilderd) uit Kiev, Oekraine. Niet alleen de fraaie compositie trof mij maar ook het menselijke: kijk hoe elke heilige figuur zijn voeten op een tapijtje mag warm houden!)
“Luisteren, daar komt het toch allemaal op neer, als je moedertaal wil horen. Mijn moeder zat aan mijn bed als ik niet kon slapen. Elke maandagochtend mocht iedereen iets vertellen over hoe het weekend was geweest, maar omdat ik nooit wat meemaakte in de Vinex-wijk waar we woonden, zei ik nooit de waarheid. Soms had er een begrafenis plaatsgevonden, een reis naar Spanje, een erge ziekte die we in het weekend ternauwernood hadden overleefd. Ik geloof dat ik mezelf in de nesten had gewerkt, dat ik daarom wakker lag. Mijn moeder schreef met een pen, ‘nooit meer liegen’ op de muur, dat stelde me gerust, denk ik, want ik weet dat ik in slaap viel. Ik geloof dat ik er wel vrede mee heb dat dit grandioos is mislukt, op het lachwekkende af. Die nacht, zij en ik samen, een toestand waarin je de waarheid over al je verzinsels kan vertellen, dat zie ik, dat voel ik geloof ik zelfs, als ik het woord moedertaal hoor.”
Rebekka de Wit. De Groene Amsterdammer. 22 april 2026. We zijn gezien (fragment)
Misschien slaapt er nog iets diep in je hoofd iets van de taal van je moeder
want taal kan slapen – je probeert te bedenken wat je droomde terwijl de droom alweer verdwijnt in een steeds donkerder wordende schemer nog voor je de woorden ervoor terugvindt
bij het woord moedertaal zie ik een oude foto een schemerdonkere slaapkamer en in het bed een jonge vrouw met in haar schoot een pasgeboren kind – mijn moeder en ik
ze buigt zich over mij en haar gezicht is nadenkend alsof ze zich afvraagt wie ik ben mij zoekt en zoekt naar woorden voor mij ik herinner mij niets van wat ze zei maar dat is misschien de taal van je moeder slapende geluiden in je hoofd
Moedertaal Rutger Kopland Uit: Over het verlangen naar een sigaret (2001)
In “Hedendaags Fetisjisme” schrijft Carry van Bruggen:
“Tegen de collectiviteitsgeest der middeleeuwen, die aan allen dezelfde uniformiteit wilde opdringen, weerde zich het humanistisch individualisme. Tot die uniforme gebruiken behoorde ook het algemeen (“katholiek”) gebruik van het Latijn. De humanist nu wilde noch het algemene dogma, noch de algemene zienswijze, noch de algemene zede, noch de algemene taal. Tegen zede, dogma, zienswijze stelde hij zijn persoonlijke levensbeschouwing en tegenover de gangbare taal zijn persoonlijke taal. Nu kan het individu, althans in eigen schatting, eigen zede, dogma en zienswijze hebben maar geen eigen taal. De taal, die hem als “eigen” aandoet, is uiteraard de taal van zijn eigen omgeving, stam, land. Zo krijgt de strijd voor eigen taal ten onrechte het aanzien van een strijd voor de landstaal en kan aldus door het nationalisme worden uitgebuit. Doch de strijd der humanisten voor het Italiaans en tegen het Latijn was nimmer de strijd tegenover een overheersend Latijns ras – dat immers niet bestond – maar tegen een opgedrongen geestelijke uniformiteit”.
Literatuur: Carry van Bruggen: Hedendaags Fetisjisme, derde druk 1980.
Stilleven met een gedicht over de schoenmaker die het werk van Apelles misprijst, eindigend met de zinsnede Finis Coronat Opus.(1665) Anthonius Leemans – http://www.rijksmuseum.nl/collecti
ABN 1
Het woord is vlees. Zo was het vroeger: ik liep verloren, zij haalde mij in aan een draad die de hele wereld snoerde. Ik hing aan de moedertaal, ik sprak blind.
Nu ben ik alleen. Ik spreek voorzichtig, leef in een taal die ik zwijgend niet ken. De draad trekt strak, ik schrijf gedichten, bewijzen die ik naar de hoofdstad zend,
op zoek naar het oog van de wereld, waarin ik zwijgend niet kan bestaan. Het woord is vlees, maar niet vanzelfsprekend. Ik hang als een teek aan de taal.
Grieks en Latijn, een mooie basis voor kunst en wetenschap en daarnaast Frans en in poësis en retorica twee uurtjes Duits en Engels per week. Eerlijkheid gebied te zeggen dat het, eens in het volle leven, vooral de praktijk was, werk in het buitenland, nieuwsgierigheid naar literatuur die je aanzette om meertaligheid te ervaren.
“Meertaligheid is ook een zegen. Alle talen drukken de werkelijkheid op een andere manier uit en leveren dus een bijdrage tot echte diversiteit, waar pluralisme. Als een taal sterft, verschraalt de wereld. Wie meerdere talen spreekt of begrijpt, leeft meer levens, ontwikkelt meer perspectieven op de werkelijkheid, dringt meer door tot andere culturen en mensen, wordt misschien empathischer.” (Luc Devoldere Knack 2021)
Mijn taalmoeders, ik ervaar hen eerder als oma’s, voelden zich de laatste tijd miskend nu vlotte vertaalprogramma’s de klus al vrij behoorlijk klaren. Die van het territorium krijgt het gevraagde respect maar de wederkerigheid ontbreekt wel eens. Of moet je in je eigen hoofdstad de Britse granny als aanvaardbare middenweg verwelkomen? Ik citeer nog eens Luc Devoldere:
“Fransen hebben het concept van het “Néerlandais de courtoisie“geïntroduceerd: met een set van enkele tientallen woorden en wendingen kun je het ijs breken, zijn goede wil bewijzen. Ik onderschat deze strategie, deze captatio benevolentiae niet, maar het democratisch deficit blijft, en de strategie is hoogstens een opstap.”
Laten we de oma’s even terzijde babbelen, het principe van ‘luistertaal’ -ik begrijp de vreemde taal van een ander maar spreek ze niet- zal door de vergevorderde automatische vertaaltechnieken elke andere taal dan de mijne herleiden tot ‘om te zetten taal’ waardoor het taaldenken, eigen aan elke taal, terra incognita blijft.
De oma’s knikken en schudden daarna het oude hoofd.
Woorden weten van zichzelf niet waarvoor ze gemaakt zijn - en zo is het met alles in de wereld niets weet waarvoor het er is en ook wij weten het niet
ik kijk door het raam de boomgaard in en zie hoe woorden voor vogels bomen gras, voor wat er is daar daar niets betekenen en ook de boomgaard zelf heeft geen betekenis
in mijn hoofd zoekt iemand naar woorden voor iets dat nog geen gevoel is en nog geen gedachte
en langzaam begin ik te voelen en te denken dat ook de boomgaard daarnaar zoekt - dat wij hetzelfde zoeken, de boomgaard en ik.
“De wind voert ieders lot mee”, luidt de korte samenvatting van de kortfilm getiteld “Jour de Vent”, oftewel “Winderige dag”. Deze indrukwekkende animatiefilm werd in 2024 gemaakt door een team van zes afgestudeerden – Martin Chailloux, Ai Kim Crespin, Élise Golfouse, Chloé Lab, Hugo Taillez en Camille Truding – van de École des Nouvelles Images in Avignon, Frankrijk. En zoals blijkt: eind goed enz. Maar eer het zo ver was, bekijk (op groot scherm) het winderige avontuur ‘boven de wolken!’
Vierhoog in de wolken, ja daar leefden wij In een stad die niemand beter kende dan wij Met planten en een kat die 't behangpapier opkroop En achter vliegen joeg, de muizen waren lang dood
't Was een steile trap die leidde naar vierhoog 'k Beklaag nog de verhuizers, maar het was er zo mooi Een parasol uit China, een poster van James Dean Een venster van waaruit je over daken kon zien
Vierhoog in de wolken, ja daar woonden wij Onder ons de wereld heel ver maar dichtbij Met een kast vol platen die weemoed binnenhoudt En een bed dat danste zoveel als je wou
Leven van de liefde, leven van de dauw Een sprookje dat niet duurt begint met ik hou van jou Dag parasol uit China, dag poster van James Dean waarop staat te lezen "Boulevard of Broken Dreams"
Johan Verminnen
Keer ik terug naar ‘de vroegste dagen’ dan hoor ik
‘Hoor de wind waait door de bomen. Makkers staakt uw wild geraas!’
En meteen was het stil om ‘het heerlijk avondje’ waardig te worden. ‘’t Avondje van Sinterklaas!’ ‘Het wild geraas’ is momenteel langs alle kanten waarneembaar. En het prachtige gedicht van Adriaan Roland Holst ‘Zwerversliefde’ een poging tot troost.
.Laten wij zacht zijn voor elkander, kind – want o, de maatloze verlatenheden, die over onze moegezworven leden onder de sterren waaie’ in de oude wind. . O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet het trotse hoge woord van liefde spreken, want hoeveel harten moesten daarom breken onder den wind in hulpeloos verdriet. . Wij zijn maar als de blaren in den wind ritselend langs de zoom van oude wouden, en alles is onzeker, en hoe zouden wij weten wat alleen de wind weet, kind – . En laten wij omdat wij eenzaam zijn nu onze hoofden bij elkander neigen, en wijl wij same’ in ’t oude waaien zwijgen binnen één laatste droom gemeenzaam zijn. . Veel liefde ging verloren in de wind, en wat de wind wil zullen wij nooit weten; en daarom – voor we elkander weer vergeten – laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
‘Als je tegen de storm in moet trappen, als je tent is weggefladderd, als de vrachtwagen is gekanteld en je baas je uitfoetert aan de telefoon, als je nu al weet dat je te laat zult komen voor het enige sollicitatiegesprek waar je dit jaar voor bent uitgenodigd omdat de bovenleiding geknapt is, als je oogst geknakt is, als je dak is opgestegen in één enorme vogelvleugelslag, als je naast je motor ligt op een verlaten landweg terwijl het hard regent, het tot je doordringt dat je je geliefden nooit mee zult zien, dan ben ik bij je, ik blijf bij je, ik strijk zacht door je haar, verkoel je bezwete voorhoofd, wees niet bang, ik ben hier.’
“Een labberkoelte is een flauwe wind, waarbij de zeilen van een schip niet gespannen staan, maar zachtjes heen en weer bewegen, of zoals Mirck het zelf noemt: ‘een aarzelaar die eraan twijfelt of hij het waard is om onderwerp van twijfel te zijn’. Hij legt deze woorden in de mond van de wind, want in deze bundel is de wind aan het woord” (Meander Literair E-magazine voor Nederlandstalige Poëzie)
Waar heeft rondom het huis de wind het over? Achter geloken oogen gaat het huis teloor en wandel ik weer langs een oever van het verleden, en er is geruis van water en van riet, vooral van water. Een blij kind roept mijn naam – werd ik ooit oud? Ver van de kudde staat een schaap te blaten als vele jaren her, en ik werd oud. De wind gaat liggen en de lucht betrekken: sterven brengt ander weer, ik wist het wel. Weldra kan ook geen blij kind mij meer wekken. Dan gaat de dood sneeuwen, en het wordt stil.
Bioloog Andreas Weber: ‘Zelfs de wind heeft een innerlijk’
Volgens filosoof en bioloog Andreas Weber schiet de moderne wetenschap tekort om leven te beschrijven. ‘We begrijpen het leven poëtisch.’ “Ik zie de realiteit als een ervaring, een web van relaties dat steeds op zichzelf reageert. Dat gaat in tegen de gangbare wetenschappelijk opvatting, die de te onderzoeken werkelijkheid tot materie reduceert. Deze wetenschap ziet de wereld, elk organisme, zelfs ons eigen lichaam, als een object, een ding, een soort machine. Maar machines zijn statisch, en leven is dat allerminst. Terwijl ik dit zeg hebben er tienduizenden DNA-defecten in mijn cellen plaatsgevonden, die ook alweer gerepareerd zijn. Levende wezens zijn continu bezig met uit elkaar vallen en zichzelf weer genezen. De wens te blijven bestaan verraadt het bestaan van een zelf, een innerlijk dat zichzelf in zekere zin waarneemt en keuzes maakt. Zo’n zelf heeft een eigen lichaam, met eigen gevoelens, en een eigen perspectief, maar valt niet te herleiden tot pure materie.’
Maar iets levenloos zoals de wind is toch geen individu? ‘Ook de wind, die we als een levenloos element zien, is relationeel en wordt waargenomen. Bijvoorbeeld wanneer een briesje zacht langs onze huid strijkt. De wind neemt zichzelf misschien niet waar zoals een kikker dat doet – die lijkt daarin veel meer op ons – maar zelfs de wind heeft een zekere innerlijke ervaring.’ ‘Elke innerlijke ervaring uit zichzelf op een zintuigelijke manier. Denk bijvoorbeeld aan de katjes van de hazelaar: die zijn een uiting van leven. Ze roepen: “We zitten barstensvol leven en de vreugde van de voortplanting!” Ze zeggen dat niet in een talige formulering – ze doen het gewoon. En wij begrijpen dat vanuit onze eigen belichaamde ervaring, als een poëtische gewaarwording. Alles in de werkelijkheid staat in een dergelijke poëtische verhouding tot elkaar: alles praat over zichzelf, maar niet op een rationele, beschrijvende wijze.’
Eén van de lessen die we als maatschappij kunnen leren is dat we niet zo zwaar moeten tillen aan de dood. Ik zie de dood als een transformatie, van een individueel perspectief naar het perspectief van het geheel. Als je denkt dat de dood een definitief einde is, legt dat enorme druk op onze korte levensduur. Met zoveel druk kun je geen tedere relatie met de wereld opbouwen. Je verliest jezelf in de dreiging van het einde.’
Om drie uur begon de sirene op het stadhuis luid te loeien. Dat was dus het uur. Meestal nog op school kon meester of broeder ons wijzen op dat heilig moment waarop Jezus aan het kruis was gestorven. Wij waren enkele minuten werkelijk stil. Goede Vrijdag 1952. Ik was dat jaar in februari acht geworden. En overmorgen zou het Pasen zijn, de dertiende april. Was dat geen ongeluksgetal, die dertien? Churchill liet op de radio horen dat zij, de Engelsen, ook een atoombom hadden. En de Russen al een tijdje daarvoor hun atoomwapen, ‘Eerste Bliksem’ gedoopt. Pasen 1952 bleef de wereld stil. De gekruisigde was verrezen. Op stille zaterdag waren de klokken terug uit Rome. Mijn broertje en ik vonden kleine en enkele grote chocolade eieren in de tuin. Het was helemaal geen ongeluksdag. Half bewolkt was het en het bleef droog.
Het dagelijks gebeuren heeft -soms weinig zichtbaar- de geschiedenis in of achter de rug. De betekenis van ‘achter de rug’ lijkt op het voorbije te duiden, maar al wordt geschiedenis meestal na afloop zichtbaar, haar aanwezigheid in het heden, al dan niet verdrongen, is, vooral na afloop, zichtbaar te maken door de verhalen van getuigen, documenten en beeld- en klankmateriaal. De verteller herinnert zich zijn eigen kleine maar ook elementen van de wezenlijke geschiedenis. Geboren in de uitlopers van de tweede wereldoorlog is hij als baby, peuter en kleuter aanwezig in de weinig ordelijke natijd van de tweede wereldoorlog. Het jaar na de beschreven paastijd zal ook de televisie een rol gaan spelen in het dagelijks leven.(1953)
Zo zal het tot 1963 duren, het begin van de Frankfürter-Auschwitz processen, de gruwelmachine van de kampen door getuigenissen zal doordringen tot in de huiskamer al was tijdens het Eichmann proces in Jerusalem 1961 al een beklemmend beeld ontstaan van het mechanisme, de banaliteit van het kwaad, om Hanna Arendt te citeren. Toch moet je die banaliteit niet als excuus beschouwen, de misdaden van Eichmann vloeiden rechtstreeks voort uit de extremistische ideeën van het nationaal-socialisme, waar hij vol overtuiging in geloofde. Arendt heeft van een extreme SS’er een gehoorzame ambtenaar gemaakt.’ (ik citeer Tom Bouwmeester in ‘Het kwaad: banaal of demonisch?’ in Filosofie Magazine 4 december 2012). Een middenweg?
Steeds gedwongen tot ‘verlaten’ is heimwee niet uit te sluiten. Wil je leven dan komt er een moment dat je je moeder ‘letterlijk’ verlaat. Je wordt geboren. Je blijft mogelijk levenslang in haar innerlijk, maar het uitstappen hoort bij het wezenlijke. Op stap naar/met de anderen. Het verlaten of verlaten worden door geliefden, denkbeelden of het tekort aan inzichten, elementen die een mens tot mens maken. Begrijp dus de ontroering en de wanhoop bij de woorden van een liefhebbend mens op het slavenkruis: “Mijn God waarom heb je mij verlaten?”
Het is een fragment uit psalm 22:
Mijn God, mijn God waarom hebt U mij verlaten? U blijft ver weg en redt mij niet, ook al schreeuw ik het uit.
In het Hebreeuws klinkt de eerste regel ongeveer als dit: ‘Eli, Eli, lama sabachtani?’
Een wondermooie uitvoering Psalm 22 Felix Mendelssohn ‘Mein Gott, warum hast du mich verlassen SWR Vokalensemble
Mendelssohn schreef het werk “Mein Gott, warum hast du mich verlassen” (opus 78 nr 3) in een turbulente fase van zijn leven. Een van de beroemdste musici van die tijd 1843-1844 maar verscheurd tussen verschillende verantwoordelijkheden.
-Conflict met Berlijn: Mendelssohn was door de Pruisische koning Friedrich Wilhelm IV aangesteld als Generalmusikdirektor voor kerkmuziek. Hoewel hij deze psalm specifiek voor het koor van de Berliner Dom schreef, was hij diep gefrustreerd door de bureaucratie en de starre houding van de geestelijkheid in Berlijn. -In 1843 en 1844 pendelde hij voortdurend tussen Berlijn (voor zijn koninklijke verplichtingen) en Leipzig (waar hij het Gewandhausorchester leidde en het conservatorium had opgericht). Deze periode was fysiek en mentaal uitputtend voor hem.
Hoewel Mendelssohn lutheraan was gedoopt, bleef hij trots op zijn joodse afkomst. Zijn werk met de psalmen was een poging om de protestantse liturgie te vernieuwen door terug te grijpen naar de wortels van de bijbelteksten en de polyfonie van Johann Sebastian Bach. Een mengeling van succes en tragiek, zo zou je deze periode tot aan zijn dood in 1847 kunnen noemen. Succes in 1846 met zijn oratorium ‘Elijah’ in 1846, (premiere in Birmingham Engeland) maar als het jaar daarop in 1847 zijn geliefde zus Fanny sterft zal hij niet lang daarna een beroerte krijgen en datzelfde jaar overlijden. Zijn laatste grote werk, het Strijkkwartet nr. 6 in f-mineur, schreef hij als een rauw en emotioneel eerbetoon aan zijn zus.
(samengesteld met hulp van AI Google)
Christusdoorn
De Christusdoorn
In mijn toren van vergaan ivoor Staat een oude Christusdoorn; hij bouwt Met zijn stekels bars een wenteltrap Naar de hemel; daaglijks, voet voor voet, Volg ik hem, soms met het blote oog Bijna rakend aan zijn pantsertuig: Zwaarden worden dan zijn stekeldoornen, Zwaardviszwaarden, lemmeten van wilden, Messen van nomaden, Moorse dolken; Maar naarmate, hoger in de hemel, Klimmend, kleiner wordend, klauterende Ik hem volg, verschraalt geheel, verschrompelt 't Wapenarsenaal en 'k zie de bloem Als een spijker in de top geslagen, Als een rode spijker die hij kleurt Met zijn bloed: o raadsel der genade.
‘Ik ben omdat wij zijn’ Dat is een gezegde van de Zuid Afrikaanse filosoof Mogebe Ramose.(1950) Denk je vanuit het wij dan komt het ik pas echt tot zijn recht. Dat klinkt wonderlijk zo: Umuntu ngmuntu ngabantu: Ik ben omdat wij zijn.
umuntu = een persoon umuntu ngmuntu = een persoon is een persoon ngbantu = door mensen
Luidop kun je er makkelijk een vinnig ritme van maken. Met begeleiding allerhande. Vanuit het hart. Zalige paasdagen gewenst.
Aankondiging, paneelschildering – Meester van Seitenstetten, ca. 1490
Het fraaie woord voor het bezoek van een engel met meestal ‘een boodschap’ heet annunciatie. Boodschap of aankondiging. Vandaag, 25 maart, negen maanden voor kerstmis viert de Kerk zo’n bezoek. De aartsengel Gabriël visiteert het vrij jonge meisje Marie. Dat was voor kunstenaars een mooie gelegenheid om te ‘ver-beelden’.
Want, hoe moest dat? In mijn kinderlijke verbeelding dacht ik eerder aan donder en bliksem, -bij menig onweer heb ik wel eens innerlijk geroepen: ‘Neen, neen, God, nu niet. Ik zal mijn leven beteren.’ (bliksem-bliksem). Aanrollende donder. Ogen openen. Mijn moeder in de deuropening die vroeg of ik iets mankeerde. ‘Slecht gedroomd, ma.’ was een bekend antwoord. Of de stem van mijn vader vanuit de slaapkamer die alle kwade dromen kon oplossen vanuit zijn half slapende gemummelde bezwering:
“Heilige Petrus van Rome bewaar onze (voornaam van de angstige) van al zijn kwade dromen. Heilige Petrus in zijn graf neem onze (voornaam van de angstige) al zijn kwade dromen af.”
Bekijk ik nu de talrijke ‘Boodschappen’ door de eeuwen heen dan begrijp ik best die kunstenaars die Maria duidelijk laten schrikken. Het bezoek vanuit een totaal andere dimensie is niet zo vanzelfsprekend. Daarom begint meestal de boodschapper met de tekst ‘Vrees niet.’ Of in mensentaal: ‘Niet bang zijn, meisje.’ Bekijk vanuit die angst de talrijke verbeelders. Hierboven draait de toekomstige moeder zich weg van de engel, de linkerhand aan haar hoofdsluier om zich te bedekken. Wegkruipen voor zoveel heilig licht.
Nederlanders proberen het met een hartelijke engel. Hij knielt voor haar, zij legt haar gebedenboekje op tafel, de andere hand klaar om beiden weldra te vouwen, al blijft haar blik toch aan beetje wantrouwen uitstralen bij het (al te) vriendelijk aanbod van de uitgestoken hand.
Annunciatie, Gijsbert van Veen, naar Federico Barocci, 1588. (Collectie Rijksmuseum Amsterdam)
Merkwaardig is zeker het werk van Antoniazzo Romano. Gabriël met lelie (maagdelijke geboorte-symbool) Het merkwaardige aan deze afbeelding is echter dat Maria zakjes overhandigt aan drie in het wit geklede meisjes die in gezelschap van de dominicaanse kardinaal Juan de Torquemada, ook bekend onder zijn Latijnse naam Johannes de Turrecremat (1388-1468) (de oom van de beruchte grootinquisiteur Tomás de Torquemada) voor haar neerknielen. De kardinaal heeft zijn kardinaalshoed tegen zijn geknielde been gezet. Rond 1460 had deze kardinaal de Confraternita dell’Annunziata gesticht met als doel arme meisjes een maritagio, een soort bruidsschat, te geven om hen aan een man te helpen en te behoeden voor prostitutie. De Broederschap deelde de bruidsschat uit tijdens een plechtige ceremonie op het feest van Maria Boodschap (25 maart) in aanwezigheid van de paus. De broederschap selecteerde arme meisjes vanaf 15 jaar via een lijst. Na drie jaar proeftijd kregen ze de bruidsschat als ze ‘verdienstelijk’ werden bevonden. (Paul Verheijen)
Antoniazzo Romano (1430/35-1508/12) Annunziata (1499-1500) Tempera op paneel, 130 x 185 cm Rome – Santa Maria sopra Minerva
Toch iets verder van huis maar dichter bij onze tijd, werk van de Amerikaanse schilder George Hitchcock, 1887. ‘De annunciatie’ Vrij groot: 158,8 × 204,5 centimeter. Het zou, naar Wikipedia, een Hollands boerenmeisje zijn weergegeven als madonna in een bloementuin met lelies, in afwachting van de annunciatie. (collectie Art Institute of Chicago) Met de woorden van Wikipedia: “Hiermee geeft Hitchcock uitdrukking aan zijn gevoel dat de Christelijke geloofsbeleving onder de eenvoudige Hollandse plattelandsbevolking veel vitaler en authentieker was dan in de grote steden, niet verdorven door afleidende modernite.”
George Hitchcock-Annunciation
Artemissia Gentilleschi verbeeldde de boodschap alsof ze ‘nachts had plaats gevonden. waarbij er nog wel een straal hemels licht binnenvalt. Rechts op de voorgrond ligt een brief met daarop de naam van de kunstenaar en “F[acit]: 1630”. Het was haar eerste betaalde opdracht waarschijnlijk voor een kerk in Napels. De aartsengel vertelt haar dat ze weldra moeder zou worden, de manier waarop wordt gesymboliseerd door de duif, symbool van de Heilige Geest.
Nog even terug naar de stilte van de late middeleeuwen. Toegeschreven aan Rogier van der Weyden is het werk waarschijnlijk door zijn atelier gemaakt als middenpaneel van een drieluik. “Kenners maken dat op uit de rommelige compositie van het middenpaneel en de minder sterke detaillering van bijvoorbeeld de gouden mantel van de engel.” (Bijbelse Kunst) Zou dit tafereel zich dus rond de dag van vandaag hebben afgespeeld, 25 maart, dan zie je al dat de haard uit is en het is blijkbaar warm genoeg om met open luikjes een boek te lezen. De lelies vooraan staan voor de puurheid van de Maagd.
Rogier van der Weyden 1399/1400 – 1464 Annunciatie
Laat ik deze mooie keuze afronden met een hedendaags beeld. Een meisje met een schort voor, op haar knieën met emmer en dweil bezig de vloer schoon te maken. Bezig. En in die bezigheid kijkt ze op, heel gewoon. De deur in de kamer staat open. Er is een minieme aanduiding van de heilige Geest achter haar door het geopende raam. Ze luistert en kijkt aandachtig.
Beate Heinen,Annunciatie, 1987, Maria Laach, Duitsland.
Beate Heinen werd op in 1944 in Essen geboren en heeft tegenwoordig haar grafische werkplaats in Wassenbach vlakbij de Laacher See. Zij is zowel actief als schilderes als grafica en ontwerpster van kunst voor kerken. Beate voelt zich sterk met het katholieke geloof verbonden. Zelf trad zij ooit in als Benediktijner non in de Abdij St. Hildegard als zuster Felicitas, maar na 10 jaar verliet ze op dertigjarige leeftijd de orde weer. In het klooster studeerde zij kunst. Daarna ging zij aan de slag als professioneel kunstenaar. Ze maakt schilderijen met bijbelse thema’s en ontvangt veel opdrachten van kerken. In 2020 huwde zij een voormalige monnik, die uittrad om met haar te kunnen trouwen. (Artway )
Annunciation / Botticelli / 1489
Aangeraakt door de schoonheid? Een moeilijk begrip in deze rumoerige tijden. Het mooie verhaal van een mogelijke menswording waar zachtheid en moed zich mogen verenigen.
er is niet meer bij weinig noch is er minder nog is onzeker wat er was wat wordt wordt willoos eerst als het is is het ernst het herinnert zich heilloos en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos wordt van aanraakbaarheid rijk en aan alles gelijk
als het hart van de tijd als het hart van de tijd
Lucebert (uit het gedicht ‘De zeer oude zingt” (1974)
Een jonge vrouw, met haar rug naar ons toe, leunt met één knie op een bank die tegen het grote, halfopen raam van een Londens herenhuis staat. Ze staart naar buiten, haar handen gespreid over de rugleuning van de bank, en ze baadt in een zacht, vroeg avondlicht dat de schoorstenen van de gebouwen rechts van het raam een krijtachtig grijze tint geeft, en die aan de linkerkant een lichtroze.
Kijk je naar de datum van het schilderij, 1917 dan begin je te beseffen dat de stipjes hoog in de lucht geen vogels zijn maar zoals de titel zegt, een raid van vliegtuigen net voor het donker wordt. Zij bekijkt vanuit het schildersatelier de avondlucht.
Het licht valt op voorwerpen in de kamer: flessen op de diepe vensterbank en een pot vol met penselen. Deze pot staat tegen een kleine, ronde spiegel die tegen bleke houten luiken leunt, opgevouwen aan één kant van de vensterbank. De spiegel is helderwit waar het licht erop valt. Het licht valt ook op het rode, krullende haar van de vrouw, dat tot aan haar kaak reikt, en op de kanten rok van haar geel-crèmekleurige jurk, die lange, strakke mouwen heeft, een nauwsluitend bovenstuk en een smalle, crèmekleurige sjerp in haar taille. Haar roze satijnen schoenen nemen de dieproze, rode en oranje kleuren over van het dikke tapijt waarop één voet rust. Het roze sluit ook aan bij de kleuren van de bank en een groot fluwelen kussen rechts, waaronder een opgevouwen krant tevoorschijn komt, wat zorgt voor nog een witte accenten.
“Verhalen geven het leven niet alleen een mate van bestendigheid, ze zijn ook helend. ‘Al het leed wordt draaglijk als je het inpast in een verhaal, of er een verhaal over vertelt’, aldus het motto dat Hannah Arendt aan een van haar hoofdstukken in The Human Condition meegeeft. De pijn die is ingebed in een verhaal krijgt de kans zich te hechten aan een specifieke levensgang. Dat maakt de pijn niet minder, maar kan er op z’n minst voor zorgen dat zij niet sprakeloos blijft en dus zonder betekenis. Sprakeloos leed zal het individu blijvend verteren als een ‘niets zonder einde’, verhalend leed heeft een begin en een einde.
Zodra we de kindertijd achter ons laten, een tijd waarin we nog op onmiddellijke wijze konden samensmelten met de wereld en nog geen weet hadden van onze sterfelijkheid, worden we melancholische wezens. Het verlies van deze oorspronkelijke eenheid is, tezamen met het besef van vergankelijkheid, een traumatische gebeurtenis. Oftewel: de mens hoeft geen persoonlijk verlies te ervaren of oorlog te ondergaan om pijn te lijden. We zijn van huis uit getraumatiseerde dieren; verhalen verzachten onze existentiële pijn.
Het is aan de kunst om ons hieraan blijvend te herinneren en ons thuis te laten komen in het trauma dat leven heet.”
Hans Schnitzler ‘Melancholische wezens’ verschenen in A Tale of Hidden Histories (De Groene Amsterdammer 12 maart 2019)
Alberto Giacometti, The Walking Man I, 1960. Bronze, 72” high. Guggenheim, Bilbao.
The sculptures of Swiss artist Alberto Giacometti (1901-1966) perhaps best express the existentialist spirit. Although Giacometti never claimed that he pursued existentialist ideas in his art, his works brilliantly capture the spirit of that philosophy. Indeed, Sartre, Giacometti’s friend, saw the artist’s figurative sculptures as the personification of existentialist humanity – alienated, solitary, and lost in the world’s immensity. Giacometti’s sculptures of the 1940s are thin, nearly featureless figures with rough, agitated surfaces. Rather than conveying the solidity and mass of conventional bronze sculpture, these thin and elongated figures seem swallowed up by the space surrounding them, imparting a sense of isolation and fragility. Giacometti’s evocative sculptures spoke to the pervasive despair that emerged in the aftermath of world war.
Fred S. Kleiner, Gardner’s Art Through the Ages: The Western Perspective, vol. 1, 15th ed., (Boston: Cengage Learning, 2010), 831.
“De sculpturen van de Zwitserse kunstenaar Alberto Giacometti (1901-1966) geven misschien wel het beste uitdrukking aan de existentialistische geest. Hoewel Giacometti nooit heeft beweerd dat hij in zijn kunst existentialistische ideeën nastreefde, geven zijn werken op briljante wijze de geest van die filosofie weer. Sartre, een vriend van Giacometti, zag de figuratieve sculpturen van de kunstenaar zelfs als de personificatie van de existentialistische mensheid – vervreemd, eenzaam en verloren in de onmetelijkheid van de wereld. Giacometti’s sculpturen uit de jaren 40 zijn dunne, bijna karakterloze figuren met ruwe, onrustige oppervlakken. In plaats van de stevigheid en massa van conventionele bronzen sculpturen uit te stralen, lijken deze dunne en langgerekte figuren opgeslokt te worden door de ruimte om hen heen, wat een gevoel van isolatie en kwetsbaarheid geeft. Giacometti’s suggestieve sculpturen spraken de alomtegenwoordige wanhoop aan die ontstond in de nasleep van de wereldoorlog.”
Fred S. Kleiner, Gardner’s Art Through the Ages: The Western Perspective, vol. 1, 15th ed., (Boston: Cengage Learning, 2010), 831.
We begonnen het ‘kijken en bekeken’ met de niet zo bekende schilderij van de Ierse schilder John Lavery, 1917: ‘Daylight raid from my studio window’. Je zou een gelijklopend slotbeeld kunnen vinden tussen de talrijke foto’s van de aan gang zijnde oorlogen, maart 2026. Bekeken vanuit de oorlog zelf. Onze machteloosheid. Of schiet zelfs onze verbeelding tekort bij een ruim overschot aan dagelijkse werkelijkheid?
Alexandr Gera – “Laatste adem #5”, 2024. Acryl op canvas. 80 x 80 cm.
Daylight Raid from my Studio Window records the afternoon of 7 July 1917, when twenty-one German biplanes appeared in the skies above London and were engaged by British aircraft. The ensuing combat could be seen from the large window of Lavery’s studio in Cromwell Place, London. The artist’s wife Hazel, her head outlined against a blackout curtain, is watching the scene, worry evident in the tension of her body. Lavery seems to have originally painted a statuette of the Virgin Mary, in front of which Hazel kneeled. Before he donated the painting to Belfast, he painted it out, possibly to erase the memory of his wife’s worry. (Ulster Museum)
Schrikken, of ontroerd zijn, of het loslaten van meningen, bedoel je misschien ‘het stellen van vragen, of moet je de gedachte loslaten dat je iets zou vinden? Het is nog iets anders dan nieuwsgierigheid en verbazing. Even filosoof Cornelis Verhoeven erbij halen: ‘
‘In de verwondering ervaren wij ons zelf op grond van een ontmoeting met een werkelijkheid.’
‘Het is een avontuur waarvan hij [de mens] de afloop niet kan voorzien, een oefening in de vrije val.’
Deze drie wonderen a) dat ik denk b) te begrijpen c) wat ik zie kan ik niet verklaren.
Waarom is het ware wonder dan wat we ervaren zonder een van die drie?
Leo Vroman
Door de eigenzinnige kijk op het menselijk leven waar de dood vanzelfsprekend toe behoort en de heldere en indringende formulering van het wonder van het menselijk bestaan dat niet gereduceerd wordt tot zijn fysieke verschijning en verdwijning, bezit Vromans poëzie een filosofische diepgang die humor en taalplezier echter nooit uitsluit. (Joris Gerits Streven 2015)
‘De verwondering brengt een moment van stilstand in het denken. Trefzeker zegt onze taal dat iemand verwonderd ‘staat’. Dat is veelbetekenend. Het staan als stil-staan is het ophouden met bewegen, ontwerpen, ingrijpen. De uitdrukking ‘verwonderd staan’ veronderstelt dus een actief leven, dat plotseling wordt onderbroken en afgeremd. De verwondering wordt gesitueerd temidden van een beweging. Voor en na de bewondering is er de beweging, die de ‘gewone’ toestand is. Mensen zijn, zo lijkt het dus, op de eerste plaats bewegers en werkers. Het stilstaan is ook ophouden met spreken; in de stilte komt het anders-zijn van de dingen aan. Het moet worden beluisterd om te worden vernomen en er bestaat dus een mogelijkheid om het niet te vernemen door het zelf te overstemmen. Zonder een minimum aan aandacht heeft het gebeuren van de verwondering niet plaats. Zij heeft dat gemeen met elke openbaring.’
Dr. Cornelis Verhoeven. Inleiding tot de verwondering (1967)
Omzien in verwondering is de titel van de autobiografie die de historica Annie Romein-Verschoor (1895-1972) schreef na de voltooiing – met haar man Jan Romein – van historische meesterwerken als De lage landen bij de zee, Erflaters van onze beschaving en Op het breukvlak van twee eeuwen. Het boek verscheen in twee delen, in 1970 en 1971. De titel van de autobiografie van Annie Romein-Verschoor sprak kennelijk tot de verbeelding, want omzien in verwondering wortelde zich al snel in onze taal in de betekenis van ‘verbaasd terugblikken’. (Ton den Boon 31 dec. 2016 in 'Taalbank)
In "Nederduitsche synonymen" (1836), band 1, blz. 126: verslagenheid, ontzetting, ontsteltenis, ontroering, verbazing, bevreemding, verwondering, verbijstering
Zeg niets, maar kun je een aantal situaties uit je eigen leven oproepen waar de ‘Nederduitsche synonymen’ van toepassing waren.? Een aantal beelden als intro, of het kan ook muziek zijn die herinneringen losmaakt uit het bevroren ’toen’. Je kunt op die manier ’tinten van herinneren’ oproepen en overdenken. Het zal nooit één beeld zijn, maar een dynamiek al dan niet met nawerking.
Evenwicht tussen lucht, aarde en water net voor de dag eindigde of begon. Cirkels.
En dan opeens Staat alles stil Terwijl de wereld verder draait Opeens… staat alles stil Luister:
Je raapt jezelf weer bij elkaar Staat op en gaat weer door Niet bang om te vallen Ook al dans je op een koord
De bel gaat voor een nieuwe ronde Je staat nog altijd in de ring Vechtend met een tegenstander Die zich meestal niet laat zien
Want opeens Staat alles stil Terwijl de wereld verder draait Opeens… staat alles stil
Op draden waarmee mensen met elkaar communiceren, of licht en warmte mogelijk maken zit het vol duiven, dat notenschrift van vrede en vriendschap voor diegenen die van goede wille zijn.