Shinsuke Inoue’s reis in de wereld van de houtsnijkunst begon ongeveer tien jaar geleden, toen hij Japans hout aanschafte om een driedimensionale weergave van zijn kind te maken. Deze zeer persoonlijke daad van het vastleggen van een herinnering was de aanleiding voor een blijvende fascinatie voor het beeldhouwen van menselijke figuren uit hout, een praktijk die sindsdien zijn artistieke loopbaan heeft bepaald. Zijn werkwijze blijft uiterst intuïtief — Inoue geeft toe dat hij zelden een beeld heeft van de uiteindelijke vorm voordat hij begint, en laat de inherente eigenschappen van het hout zijn beitel leiden. Hij werkt uitsluitend met handgereedschap en laat het beeld tijdens het bewerkingsproces geleidelijk aan tot uiting komen, waarbij hij zijn oorspronkelijke idee vaak aanpast naarmate het materiaal zijn eigen verhaal dicteert. (Visual Flood. Leandro Lima)
Sinsuke Inoue. Meisjesportret
“De emotionele weerklank van Inoue’s sculpturen komt voort uit hun opmerkelijke terughoudendheid. Hoewel ze fysiek klein van formaat zijn, bezitten deze gesneden figuren een elementair gewicht en ernst die de aandacht opeisen. Hun uitdrukkingen blijven opzettelijk raadselachtig; vaak recht vooruit starend met een stilte die opvallende momenten van verbinding creëert wanneer ze vanuit bepaalde hoeken worden bekeken. De subtiele bewerking van de gelaatstrekken – een nauwelijks waarneembare verschuiving van de mond, een lichte spanning rond de ogen – roept dezelfde diepgaande emotionele communicatie op die te vinden is in de kleinste menselijke gebaren, waardoor deze compacte houten vormen tot dragers van grenzeloze innerlijke werelden worden getransformeerd. (ibidem)
In plaats van letterlijke portretten te maken, put Inoue inspiratie uit een eclectische reeks bronnen: dierbaren, vreemden die hij op straat tegenkomt en gezichten die hij op foto’s opvangt. Zijn artistieke ambitie reikt verder dan de weergave van het individu; hij streeft er veeleer naar iets fundamenteels over het menselijk bestaan zelf te distilleren. De sculpturen hebben grotendeels geen titel, waarmee de nadruk ligt op hun universele in plaats van specifieke kwaliteiten. Door de natuurlijke schoonheid van hout te combineren met weloverwogen vormgeving en kleurgebruik, streeft Inoue ernaar om wat hij omschrijft als „de essentie van het menselijk bestaan“ over te brengen, waarbij de organische aantrekkingskracht van het materiaal de diepgaande menselijkheid versterkt die in elke gebeeldhouwde figuur vervat zit. (ibidem)
Inoue werkt intuïtief en laat zich leiden door de natuurlijke eigenschappen van het materiaal. „Ik heb vrijwel geen idee hoe het voltooide werk eruit zal zien totdat ik daadwerkelijk met het hout aan de slag ga,” zegt hij. „Daardoor ontstaat de vorm vaak pas terwijl ik aan het snijden ben, en pas ik mijn plannen regelmatig halverwege het proces aan. Uiteraard houd ik de vele mislukkingen geheim.” Hij snijdt altijd met handgereedschap en geeft zijn werken zelden een titel. (Kathe Mothes Colossal)
De rit van Phaëthon in de zonnewagen van zijn vader Apollo kent een rampzalige afloop. De paarden hebben de aarde in brand gezet. Rivierbeddingen komen droog te liggen en riviernimfen beklagen hun lot. Neptunus met drietand komt uit de zee omhoog en strekt zijn arm ten hemel. Moeder aarde, met stedenkroon verbeeld als Cybele, steekt haar hoofd uit de aarde en beschermt met een hand haar blik. Atlas zwoegt om het hemelgewelf te torsen. Jupiter gooit bliksemschichten en Phaëthon valt met wagen en al uit de hemel. Een gravure bij het verhaal uit ‘Metamorfosen’ van de Romeinse auteur Publius Ovidius Naso .
“Het jaar 762 ab urbe condita (8 v.C). Publius Ovidius Naso staat op het punt zijn omvangrijke “Metamorfosen” af te sluiten. Hij heeft zes jaar gewerkt aan de vijftien boeken die samen meer dan twaalfduizend versregels bevatten. In het lange gedicht verhaalt hij over 231 gedaanteveranderingen van goden en halfgoden, beginnend bij de schepping van de wereld en eindigend bij Caesar, de goddelijke Julius die in een ster veranderde.” (Marc Holthof ‘De Witte Raaf 1995)
De ontvoering van Europa
“Nog maar net klaar met de “Metamorfosen” of hij wordt verbannen door keizer Augustus. Reden onbekend. Paste hij met zijn frivole Grieks georiënteerde poëzie niet in de hervormingspolitiek van Augustus, of was hij betrokken bij een of andere politieke intrige? Ovidius verbrandde het manuscript van zijn “Metamorfosen”. Maar afschriften ervan waren gelukkig al bij zijn vrienden beland, zodat het werk bewaard bleef. Ovidius werd verbannen naar Tomis (het huidige Constanza in Roemenië) aan de Zwarte Zee. Hij schreef er treurzangen en zijn “Epistulae ex Ponto”, Brieven van aan de Zwarte zee – echte exilliteratuur. Hij stierf er in 17 na Christus, 60 jaar oud. Ook Augustus’ opvolger Tiberius heeft de verbanning van Romes beroemdste dichter nooit ongedaan gemaakt.” (ibidem)
“U kent allemaal de verhalen over Daphne die achtervolgd wordt door Apollo en veranderd wordt in een laurierboom, Echo’s ongelukkige liefde voor Narcissus, die zijn eigen spiegelbeeld prefereert en in een bloem veranderd wordt. De twee ouderlingen Philemon en Baucis, die als enigen in hun streek gastvrij zijn voor Zeus en door hem bij hun dood veranderd worden in in mekaar groeiende bomen. Er is het verhaal van Acteon de jager die per toeval de godin Diana naakt ziet baden en door haar in een hert wordt veranderd, dat dan prompt door zijn eigen honden verslonden wordt. Geniaal is de manier waarop Ovidius het moment beschrijft waarop de jager plots beseft dat hij de prooi geworden is. Er zijn Pygmalion, Midas, Ariadne, Jason en de Argonauten, Orpheus, de Centauren en vele, vele anderen. ” (ibidem)
Franz von Stuck Orpheus
Tegenover de proteïsche metamorfose plaatste auteur Canetti het masker. Hij meende dat het masker het definitieve einde was van de metamorfose tussen mens en dier, mens en plant: “Een eindtoestand van de metamorfose is het masker (de ‘figuur’). Eén van de eigenschappen ervan is dat het geen verdere metamorfose toelaat. Het masker (de figuur) is in al haar trekken omgrensd en duidelijk. Het is geen product van de natuur, maar een schepping van de mens. Het is een redmiddel uit het eeuwige fluïdum van de metamorfose. (…) Het masker onderscheidt zich door zijn starheid van alle andere eindtoestanden van de metamorfose (…) De betekenis van het masker is (…) juist eindtoestand te zijn. Het in mekaar vloeien van onduidelijke, half uitgeklaarde metamorfosen die eigen zijn aan de wonderlijke uitdrukkingsmogelijkheden die ieder natuurlijk menselijk gezicht bezit, mondt uit in het masker, het eindigt erin.” Het masker, het vastleggen, vastroesten van de metamorfose is iets zeer negatiefs en gevaarlijks voor Canetti. Het heeft met macht en geweld te maken. “Masse und Macht”, zelf een zeer veelvormig metamorfisch boek, is in de eerste plaats een reflectie over het fascisme. En precies in het verstarren van een bepaald soort rationaliteit ziet Canetti (een beetje zoals Adorno en Horkheimer in hun “Dialectiek der Verlichting”) het ontstaan van het fascisme. Het fascisme, elke vorm van fundamentalisme, is niet metamorfisch, het is één, verstard en onveranderlijk. Het is, kortom, het duizendjarige rijk waar Augustus al van droomde.(ibidem)
Wie ik geweest ben, ik, de speelse dichter van de liefde - luister, dan weet u wie u leest, ook na mijn dood: Sulmo was mijn geboorteplaats, omringd door koele stromen, zo'n tienmaal negen mijl verwijderd van de Stad. Daar zag ik dus het levenslicht en vraagt u naar een jaartal: dat jaar stierven twee consuls in eenzelfde strijd. Van ouds behoorde mijn familie tot de ridderklasse, wat dat ook zegt ... Ik was bepaald geen parvenu, ook niet de oudste zoon: toen ik verscheen was er een broertje dat vier kwartalen voor mijn komst geboren was; onze verjaardag mocht dezelfde Morgenster begroeten en één dag werd met tweemaal offerkoek gevierd tijdens de feestweek van de wapendragende Minerva, en wel de eerste dag met gladiatorenbloed.
Tristia IV, 10; vert. M. d’Hane-Scheltema
Michele Tosini, Leda, ca. 1560–70. Galleria Borghese, Rome.
Daarom, omdat ik leef en zware moeilijkheden aan kan en dit mistroostig daglicht mij nog niet benauwt, ben ik mijn Muze dankbaar: zij komt steeds weer met vertroosting, zij geeft mijn onrust rust, zij is mijn trouwe arts, mijn leidsvrouw, mijn vriendin; zij voert mij mee, weg van de Donau en biedt mij 'n zetel midden op de Helicon. Zij gaf mij zelfs al bij mijn leven - en dat is vrij zeldzaam! - verheven roem, zoals vaak opklinkt ná de dood; en nooit heeft Afgunst, die de werkelijkheid kleineert, haar scherpe jaloerse tanden in mijn poëzie gezet, want al mijn levensdagen - toch een tijd van grote dichters - is geen kwaadaardig woord gezegd over mijn werk. Ik mag dan opzien tegen velen, maar word zelf niet lager geschat dan zij: de hele wereld leest mij graag.
Welaan dan, als voorspellingen van zangers waarheid zingen, zal ik, al sterf ik wel, niet echt begraven zijn en of ik deze roem nu dank aan dichttalent of goodwill, de meest verdiende dank geldt, lieve lezer, u!
Photo by JM Coubart. All images courtesy of Company Furinkaï – Satchie Noro and Théâtre de l’Entrouvert – Elise Vigneron
Als introductie een spektakel, een voorstelling. ‘Mizu’.
“MIZU” is een gezamenlijk project van het Théâtre de L’entrouvert van poppenspeelster en regisseur Élise Vigneron en Companie Furankaï, waarin het werk van choreograaf en circusartiest Satchie Noro is verwerkt. De voorstelling belicht de kwetsbaarheid van ons bestaan, de onmisbaarheid van water en “de overgang van vorm naar vormloosheid, van het individu naar de kosmos”, aldus Vigneron. (Ook te zien in België: Festival international des arts de la rue de Chassepierre. Zaterdag -Zondag 15-16 augustus 2026. 17.00u)
Een fragmentje.
Via YouTube is er een langer fragment te bekijken. (niet voor publicatie toegelaten)
Een waterpartij: de vijvers van Elsene. Op het water: een drijvend podium. Op het podium een trio bestaande uit een danseres en haar dubbelganger: een levensgrote pop van ijs, opgehangen aan een houten frame en tot leven gewekt door een poppenspeler. Twee wezens die experimenteren met hun onderwerping en emancipatie. Het smeltende ijs onthult de aard van de dubbelganger. Achter het ijs schuilt nog een ander materiaal, een raamwerk om te verkennen. Dansen om zichzelf te ontdekken, om zichzelf te vinden.
‘Het blijft een fascinerend fenomeen: een rups verandert in een vlinder, maar hun lichamen hebben vrijwel niets gemeen. Het silhouet, de anatomie, de manier van voortbewegen, zelfs hun leefomgeving is anders – de rups leeft op de aarde, de vlinder in de lucht. En toch zijn ze deel van eenzelfde leven. Datgene wat bacteriën, planten, dieren en mensen verbindt, is het feit dat eenzelfde leven op andere manieren voortleeft.” (Metamorfosen)
Emanuele Coccia trekt in zijn boek ‘Metamorfosen’ (Octavo 2024) dit fenomeen breder open. Het leven wordt doorgegeven van lichaam tot lichaam, van soort tot soort, maar hetzelfde geldt voor de relatie tussen wat leeft en de Aarde: het leven is niets anders dan de vlinder van de enorme rups die Gaia heet. Al het leven is de metamorfose van deze planeet.’ (Octavo-Atheneum). Lees hieronder een fragment:
Zoals iedereen ben ik van alles vergeten. Ik ben de smaak en de geur van dat bijzonder moment vergeten, de mensen die rondom mij stonden, de voorwerpen die de kamer vulden. Ik ben de dag en het uur vergeten, de gedachten die ik toen had en de emoties die ik ervoer, de intensiteit waarmee het licht straalde tijdens mijn allereerste ogenblikken. Misschien kon ik niet anders dan vergeten? Toen verscheen alles voor het eerst aan mij; te verschillend, te nieuw, te intens om door mij te kunnen worden opgeslagen Ik moest vergeten, alles vergeten. Tabula rasa maken om ruimte te scheppen voor de rest: voor wat de toekomst me zou brengen, voor wat weldra mijn verleden zou zijn, voor de hele wereld. Tabula rasa maken om ervaringen te kunnen opdoen. Ik moest vergeten, het allemaal vergeten, om mezelf gewaar te kunnen worden.”
“Onze geboorte vormt de absolute begrenzing van onze herkenning. Ze is de drempel waarachter ‘ik’ zeggen neerkomt op de versmelting met een ander. Het is onmogelijk om te bepalen of de adem die ons in staat stelt deze lettergreep uit te spreken echt aan ons toebehoort, dan wel de voortzetting is van het lichaam van onze moeder. Het is niet duidelijk of deze lettergreep ons eigen lichaam benoemt, of datgene waaruit we te verschijn komen. De geboorte is de kracht die ons koppelt aan het uitwissen van al onze herinneringen: we moeten vergeten waar we vandaan komen, we moeten dat andere lichaam vergeten, dat ons al die tijd een onderkomen bood, we moeten een daarvan te onderscheiden identiteit kunnen vormen.”
“Zoals iedereen ben ik van alles vergeten. Ik ben mezelf vergeten, maar ik ben ook en vooral alles wat in mij leefde vergeten, en ik blijf het vergeten. Ik ben bijvoorbeeld vergeten dat ik negen maanden lang in het lichaam van mijn moeder zat. Niet allen was ik in haar: ik was haar lichaam, letterlijk. Ik was een deel van haar buik, materieel onafscheidbaar van haar. Vlees van haar vlees, leven van haar leven. De vergetelheid is niet bijkomstig maar vormt de mogelijkheidsvoorwaarde om jezelf te gaan zien als een te onderscheiden wezen. Ze is de cognitieve tegenhanger van de daad die erin bestaat iemand anders dan onze moeder te worden, om haar leven en adem elders dan in haar buik en haar bewustzijn voort te zetten.”
Metamorfosen pagina 21-22 (De vertaling is van Pieter Boulogne)
Emanuele Coccia (1976) voltooide zijn studie filosofie in Florence en was vervolgens verbonden aan universiteiten in Duitsland, Japan, Argentinië en de Verenigde Staten. Hij heeft zich beziggehouden met onderwerpen die uiteenlopen van middeleeuwse filosofie tot hedendaagse architectuur, mode en beeldcultuur. In 2016 publiceerde hij La vie des plantes, dat in tien talen werd vertaald. Sinds 2011 is hij verbonden aan de École des hautes études en sciences sociales in Parijs.
In ‘Boekenkrant formuleert Marnix Verplancke ‘de mannelijke afkeer’ van alles wat met conceptie heeft te maken.
“Tekenend is hoe Martin Heidegger de mens definieerde door zijn sterfelijkheid en hoe zijn leerlinge Hannah Arendt hem erop wees dat de geboorte daarentegen de belangrijkste menselijke ervaring is. Alleen de geboorte van Jezus krijgt een prominente plaats in de westerse cultuur, die dan als een onnatuurlijk fenomeen wordt neergezet, behorend tot een monotheïstische en antropocentrische religie die de mens niet in maar boven de natuur plaatst. Al merkte de Victoriaanse schrijver Samuel Butler in dit verband fijntjes op dat het voor god even makkelijk is om de gedaante van een mens aan te nemen als die van een regenworm.”
Over de term ‘ecologie’ maakte Marnix Verplancke volgende boutade:
“De term ecologie werd in 1866 gemunt door de Duitse zoöloog Ernst Haeckel, lezen we in het op het kruispunt van biologie, filosofie en poëzie te situeren Metamorfosen dat af en toe wat te lijden heeft aan breedsprakerigheid. Haeckel wou er de economie van de natuur mee vatten, los van de mens, als een statisch systeem. De gevolgen daarvan zijn nog steeds zichtbaar, aldus Coccio. Dat er inheemse planten zouden bestaan die beschermd moeten worden tegen indringers, gaat bijvoorbeeld in tegen het beginsel dat in de natuur migratie volstrekt normaal is. En vegetarisme is in dat licht ook volstrekt wereldvreemd. De cyclus van metamorfose en hergeboorte steunt op het principe van eten en gegeten worden, en daar horen een kippetje of een schaap helemaal bij. Meer zelfs, aldus de knipogende filosoof, waarom geen mensenvlees? “
“De cocon is niet alleen het paradigma van de techniek, maar ook van het ter-wereld-zijn tout court. De insecten -de meesters van de cocon, de grote transformatiemiurgen hebben ons beetgenomen. Ze hebben ons wijsgemaakt dat de cocon een specifiek, afzonderlijk en vluchtig instrument is in het leven van bepaalde individuen. De cocon moet echter worden opgevat als de transcendentale vorm van ieder levend wezen. Wanneer een levend wezen zich tot het zelf, andere levens of de planeet verhoudt, is er altijd sprake van coconvorming. Ieder ik is een cocon.”
“Lommerte is een sfeervol en voornamelijk Zuid-Nederlands en Vlaams dialectwoord voor ‘schaduw’, vaak specifiek verwijzend naar de koele schaduw die bladeren en bomen werpen (ook wel lommer genoemd). Het wordt gebruikt om een aangename, beschutte en schaduwrijke plek aan te duiden.’ (Vlaams Woordenboek)
Tommi Viitale uit ‘Hunting Shadows)
“Met schaduw staat er veel op het spel : de effekten binnen het beeld zijn enorm, maar ook de affekten die schaduw in de gedachten en het gemoed van de toeschouwer teweegbrengt zijn complex. De schaduw is tegelijk het schijnbeeld (de grot-parabel van Plato) maar ook de onmisbare begeleider van het bestaan (het verhaal van de man die zijn schaduw verliest : hij bestaat niet meer, want het licht ondervindt geen hinder van hem).”
“Wat in de luwte gebeurt, is vaak het belangrijkste. Voor een denker is dat niet anders. De mooiste dagen zijn heel gewoon: lezen, schrijven, rondlopen zonder dat iemand weet waar je bent. Als ik spreek in de publieke ruimte, dan denk ik daarover na. Ik vraag me af: Wat zijn mijn motieven? Wat wil ik zeggen? En heb ik wel iets te zeggen? Zwijgen is altijd een optie. Alleen al daarvoor is Socrates zo’n geschenk: zeggen ‘ik weet het niet’ is soms inderdaad het verstandigst.
Pijn is fascinerend – hoe je daarmee omgaat, zegt veel over hoe je met het leven zelf omgaat. Vandaag de dag staat verdoving centraal. En dat begrijp ik natuurlijk. Ik pleit niet voor méér pijn. Alleen moet je opletten: dat je om geen pijn meer te voelen, uiteindelijk niets meer wil voelen, zodat je niets meer kan voelen. Dat je afgesneden bent, verdoofd. Depressieve gevoelens lijken me zo’n ervaring. Daarom moet je ook de negativiteit kunnen ervaren. Luisteren naar je lichaam als het ‘neen’ zegt. Ruimte maken voor het niet-kunnen, het niet-zijn en het niet-weten. Je beleeft niet alleen maar positieve, leuke gevoelens. En dat is geen nederlaag.”
Tineke Beeckman. in gesprek met Jeroen De Preter over haar boek ‘Ken Jezelf. Focus 2024
Renée Demeester, Walsende elementen, 1972
“Alles is ver weg en tegelijk dichtbij. Alles beweegt, en alles is immobiel. Dit is geen paradox, het is het mysterie waarmee we moeten leven.” (Renée Demeester 1973)
In de loemmerte van 't bos tusse kreupelout en mos zedde veilig vör de nijd van de mediocriteit onder varen en jasmijn kunde zelf ne schaduw zijn lak de giêsten iêwenoud in de stilte van et woud
Als kind al was ik gefascineerd door de vurige tongen boven het hoofd van de apostelen.
Niet door het verschijnsel zoals de heer Lucas het zou uitbeelden in een starwars-film, maar door de mogelijkheden, de transformatie van bange wezens in ontstekers van allerlei andere heilige vuren, niet in het minst door het spreken van allerlei talen zonder avondschool te hebben gevolgd.
Er waren vooreerst de bange wezens die zich hadden opgesloten in het wonderlijke cenakel, een woord dat bij mij telkens ronde vormen opriep, waar je dus in geen hoekje kon wegkruipen, en ondanks dat hij aan hun vrienden in Emmaus had duidelijk gemaakt dat hij bij hen was, ondanks Thomas en zijn anatomisch vingergepeuter in het lichaam van de Heer, zaten ze daar te rillen, want als er in mijn kinderlijke verbeelding angst optrad dan ging die gepaard met klappertanden en takke-tak van knikkende knieën en sidderende ledematen.
Daarbij kende ik mezelf als bang wezentje.
Wellicht is volwassenheid gewoon het genezen van de angsten die wij als klein wezen hebben gekend.
Als je geen voetballer bent, geen vechtjas (tenzij als kruisvaarder tegen de bende van de aangrenzende straat) geen brave hendrik of primus, maar een fantast die bij elke draai van de straat een draak verwacht, bij de schaduwen van de kastanjelaar de knoestige vingers om zijn kinderkeel voelt, een verhalenverteller kortom, dan ben je in het cenakel van de Boudewijn de Grote’s ‘o mijn kindertijd’ gevangen.
Ik kon mijzelf dus de luxe van een vurige tong boven mijn kinderhoofd best veroorloven, en toen de firma For You koude ijstongen op de markt bracht, frisco genoemd, werden in mijn verbeelding de vurige tongen werkelijk brandende frisco’ s waarvan het stokje zich in het hoofd van de apostel vast had gezet. Ik vraag de heilige Geest vergiffenis, maar ik was nog ver van de Pardes Rimonim* van de Kabalist Moses Cordovero waaruit mijn grootvader vaak vertelde, maar misschien ben ik nooit zo dichtbij heiligheid geweest als toen, want de zuiverheid van beelden laat zich niet door de esthetica of theologie bepalen, maar ontspruit uit de mooie zin dat de geest waait waar hij wil, een geliefde uitspraak van mijn grootmoeder als mijn grootvader dronken was thuis gekomen.
*(Pardes Rimomim: Rabbi Simon ben Jochai verbindt Malchut, het mannelijk element in de kosmos met Tifireth, het vrouwelijk element in de echt in de ‘Pardes Rimmmonim, in de granaatappelboomgaard, een verhaal van de Joodse mysticus Ben Jacob Cordovero een oertekst uit de Kabbalah 1548)
Als ik uit mijn slaapkamer klom, stond ik ook op een plat dak, net zoals de bangeriken met hun brandende tongen op het dak waren geklommen, maar hoe ik ook mijn best deed om in het Frans of Hebreeuws, het Engels of Jiddisch te zeggen dat er mij iets goddelijks was overkomen, de woorden bleven in mijn mond steken toen ik mijn grootvader in zijn blootje in de grote witbuik-kerselaar zag zitten, waaronder mijn grootmoeder stond te roepen dat hij dringend naar beneden moest komen want dat de witbuiken van de kersen al genoeg aan de verbeelding overlieten zonder dat hij dat door zijn naakte transformatie moest benadrukken.
En hij sprak wel alle talen ter wereld (volgens mijn weten toen) al bleef het in werkelijkheid beperkt tot een scheldtirade in slecht Duits, dat ze niet moesten denken dat nu de forten rond Namen gevallen waren ze het zouden opgeven, en dat hij de architect van die forten (terecht) een proces zou aandoen, hoe konden ze jongens van zijn leeftijd zoiets aandoen, enz.
Later las ik in de schrift dat de mensen zich beneden op de straat hadden afgevraagd of die vurige polyglotten misschien dronken waren, en jawel, ik begreep het dadelijk, de vurige tongen kregen een lucht van Kempisch gebrouwen (De Keersmaeker) bier en Gentse jenever (Hertekamp), inderdaad ontvlambare materies, zeker toen ik aan een broeder van Liefde die mij onderwijs verstrekte, zei dat ze inderdaad dronken waren geweest, die schijtlijsters, want ik hoorde ook mijn opa alle talen spreken toen hij in een gelijkaardige toestand verkeerde.
De brave broeder, die zelf graag een glaasje lustte, antwoordde dat Gods wegen wonderlijk waren maar dat voor ons, zondige mensen, een Assimil-boekje een betere methode waarborgde om een vreemde taal te bemeesteren.
Toch bleef Pinksteren zijn aantrekkingskracht behouden en de heilige Geest heb ik levenslang geëerd door alle duiven tegen gemeentebelangen in van graan en brokjes brood te voorzien, een taak door de geliefde nog steeds in praktijk gebracht.
Want de geest waait waar hij wil, en zijn bange kinderen kunnen er van meespreken al zijn ze intussen de tachtig voorbij.
Carl Jung noemde het ‘de geur van de Heilige Geest’, en met mijn dikke neus kan ik dat beamen.
De Heilige Geest mag dan al naar geestrijke drank hebben geroken, naar de witte drank uit de mooie Hertekamp-fles, hij troostte mij ook door mij beetje bij beetje met woorden te wapenen om het woordeloze voortdurend te belagen en te belegeren.
Hij verlokte mij tot het “hierosgamos”, letterlijk ‘het heilige spel’, mooier dan het mystieke huwelijk, met andere lagen van het denken en het gewaarworden, en al vluchtte ik voortdurend, laf als we zijn, de walvis in, telkens weer was hij daar met zijn vurige For You en dreef hij mij, als verteller, het schamele dak op om te stamelen in de talen die hij nodig achtte, liet hij me als heel klein zangertje meezingen in het verhalen-koor waarin tremendum et fasciosum, een element van het dagelijks bestaan ging uitmaken. (tremendum et faciosum: bibberen en bewonderen!)
Is het daarom dat er zich houtduiven in de atlasceder hebben genesteld?
Of weten ze gewoon dat de liefste hen van fruit en granen voorziet en op tijd de katten weghoudt als ze het op de Pinkstervleugels hebben gemunt.
Laat het aardse zich voortdurend met het hemelse vermengen en vice versa, al dan niet in homeopatische verhoudingen.
(De bovenste wandschildering van Mikhail Vrubel komt uit de St. Cyril-kerk (aan de buitenkant in mooie pistachekleuren geschilderd) uit Kiev, Oekraine. Niet alleen de fraaie compositie trof mij maar ook het menselijke: kijk hoe elke heilige figuur zijn voeten op een tapijtje mag warm houden!)
“Luisteren, daar komt het toch allemaal op neer, als je moedertaal wil horen. Mijn moeder zat aan mijn bed als ik niet kon slapen. Elke maandagochtend mocht iedereen iets vertellen over hoe het weekend was geweest, maar omdat ik nooit wat meemaakte in de Vinex-wijk waar we woonden, zei ik nooit de waarheid. Soms had er een begrafenis plaatsgevonden, een reis naar Spanje, een erge ziekte die we in het weekend ternauwernood hadden overleefd. Ik geloof dat ik mezelf in de nesten had gewerkt, dat ik daarom wakker lag. Mijn moeder schreef met een pen, ‘nooit meer liegen’ op de muur, dat stelde me gerust, denk ik, want ik weet dat ik in slaap viel. Ik geloof dat ik er wel vrede mee heb dat dit grandioos is mislukt, op het lachwekkende af. Die nacht, zij en ik samen, een toestand waarin je de waarheid over al je verzinsels kan vertellen, dat zie ik, dat voel ik geloof ik zelfs, als ik het woord moedertaal hoor.”
Rebekka de Wit. De Groene Amsterdammer. 22 april 2026. We zijn gezien (fragment)
Misschien slaapt er nog iets diep in je hoofd iets van de taal van je moeder
want taal kan slapen – je probeert te bedenken wat je droomde terwijl de droom alweer verdwijnt in een steeds donkerder wordende schemer nog voor je de woorden ervoor terugvindt
bij het woord moedertaal zie ik een oude foto een schemerdonkere slaapkamer en in het bed een jonge vrouw met in haar schoot een pasgeboren kind – mijn moeder en ik
ze buigt zich over mij en haar gezicht is nadenkend alsof ze zich afvraagt wie ik ben mij zoekt en zoekt naar woorden voor mij ik herinner mij niets van wat ze zei maar dat is misschien de taal van je moeder slapende geluiden in je hoofd
Moedertaal Rutger Kopland Uit: Over het verlangen naar een sigaret (2001)
In “Hedendaags Fetisjisme” schrijft Carry van Bruggen:
“Tegen de collectiviteitsgeest der middeleeuwen, die aan allen dezelfde uniformiteit wilde opdringen, weerde zich het humanistisch individualisme. Tot die uniforme gebruiken behoorde ook het algemeen (“katholiek”) gebruik van het Latijn. De humanist nu wilde noch het algemene dogma, noch de algemene zienswijze, noch de algemene zede, noch de algemene taal. Tegen zede, dogma, zienswijze stelde hij zijn persoonlijke levensbeschouwing en tegenover de gangbare taal zijn persoonlijke taal. Nu kan het individu, althans in eigen schatting, eigen zede, dogma en zienswijze hebben maar geen eigen taal. De taal, die hem als “eigen” aandoet, is uiteraard de taal van zijn eigen omgeving, stam, land. Zo krijgt de strijd voor eigen taal ten onrechte het aanzien van een strijd voor de landstaal en kan aldus door het nationalisme worden uitgebuit. Doch de strijd der humanisten voor het Italiaans en tegen het Latijn was nimmer de strijd tegenover een overheersend Latijns ras – dat immers niet bestond – maar tegen een opgedrongen geestelijke uniformiteit”.
Literatuur: Carry van Bruggen: Hedendaags Fetisjisme, derde druk 1980.
Stilleven met een gedicht over de schoenmaker die het werk van Apelles misprijst, eindigend met de zinsnede Finis Coronat Opus.(1665) Anthonius Leemans – http://www.rijksmuseum.nl/collecti
ABN 1
Het woord is vlees. Zo was het vroeger: ik liep verloren, zij haalde mij in aan een draad die de hele wereld snoerde. Ik hing aan de moedertaal, ik sprak blind.
Nu ben ik alleen. Ik spreek voorzichtig, leef in een taal die ik zwijgend niet ken. De draad trekt strak, ik schrijf gedichten, bewijzen die ik naar de hoofdstad zend,
op zoek naar het oog van de wereld, waarin ik zwijgend niet kan bestaan. Het woord is vlees, maar niet vanzelfsprekend. Ik hang als een teek aan de taal.
Grieks en Latijn, een mooie basis voor kunst en wetenschap en daarnaast Frans en in poësis en retorica twee uurtjes Duits en Engels per week. Eerlijkheid gebied te zeggen dat het, eens in het volle leven, vooral de praktijk was, werk in het buitenland, nieuwsgierigheid naar literatuur die je aanzette om meertaligheid te ervaren.
“Meertaligheid is ook een zegen. Alle talen drukken de werkelijkheid op een andere manier uit en leveren dus een bijdrage tot echte diversiteit, waar pluralisme. Als een taal sterft, verschraalt de wereld. Wie meerdere talen spreekt of begrijpt, leeft meer levens, ontwikkelt meer perspectieven op de werkelijkheid, dringt meer door tot andere culturen en mensen, wordt misschien empathischer.” (Luc Devoldere Knack 2021)
Mijn taalmoeders, ik ervaar hen eerder als oma’s, voelden zich de laatste tijd miskend nu vlotte vertaalprogramma’s de klus al vrij behoorlijk klaren. Die van het territorium krijgt het gevraagde respect maar de wederkerigheid ontbreekt wel eens. Of moet je in je eigen hoofdstad de Britse granny als aanvaardbare middenweg verwelkomen? Ik citeer nog eens Luc Devoldere:
“Fransen hebben het concept van het “Néerlandais de courtoisie“geïntroduceerd: met een set van enkele tientallen woorden en wendingen kun je het ijs breken, zijn goede wil bewijzen. Ik onderschat deze strategie, deze captatio benevolentiae niet, maar het democratisch deficit blijft, en de strategie is hoogstens een opstap.”
Laten we de oma’s even terzijde babbelen, het principe van ‘luistertaal’ -ik begrijp de vreemde taal van een ander maar spreek ze niet- zal door de vergevorderde automatische vertaaltechnieken elke andere taal dan de mijne herleiden tot ‘om te zetten taal’ waardoor het taaldenken, eigen aan elke taal, terra incognita blijft.
De oma’s knikken en schudden daarna het oude hoofd.
Woorden weten van zichzelf niet waarvoor ze gemaakt zijn - en zo is het met alles in de wereld niets weet waarvoor het er is en ook wij weten het niet
ik kijk door het raam de boomgaard in en zie hoe woorden voor vogels bomen gras, voor wat er is daar daar niets betekenen en ook de boomgaard zelf heeft geen betekenis
in mijn hoofd zoekt iemand naar woorden voor iets dat nog geen gevoel is en nog geen gedachte
en langzaam begin ik te voelen en te denken dat ook de boomgaard daarnaar zoekt - dat wij hetzelfde zoeken, de boomgaard en ik.
“De wind voert ieders lot mee”, luidt de korte samenvatting van de kortfilm getiteld “Jour de Vent”, oftewel “Winderige dag”. Deze indrukwekkende animatiefilm werd in 2024 gemaakt door een team van zes afgestudeerden – Martin Chailloux, Ai Kim Crespin, Élise Golfouse, Chloé Lab, Hugo Taillez en Camille Truding – van de École des Nouvelles Images in Avignon, Frankrijk. En zoals blijkt: eind goed enz. Maar eer het zo ver was, bekijk (op groot scherm) het winderige avontuur ‘boven de wolken!’
Vierhoog in de wolken, ja daar leefden wij In een stad die niemand beter kende dan wij Met planten en een kat die 't behangpapier opkroop En achter vliegen joeg, de muizen waren lang dood
't Was een steile trap die leidde naar vierhoog 'k Beklaag nog de verhuizers, maar het was er zo mooi Een parasol uit China, een poster van James Dean Een venster van waaruit je over daken kon zien
Vierhoog in de wolken, ja daar woonden wij Onder ons de wereld heel ver maar dichtbij Met een kast vol platen die weemoed binnenhoudt En een bed dat danste zoveel als je wou
Leven van de liefde, leven van de dauw Een sprookje dat niet duurt begint met ik hou van jou Dag parasol uit China, dag poster van James Dean waarop staat te lezen "Boulevard of Broken Dreams"
Johan Verminnen
Keer ik terug naar ‘de vroegste dagen’ dan hoor ik
‘Hoor de wind waait door de bomen. Makkers staakt uw wild geraas!’
En meteen was het stil om ‘het heerlijk avondje’ waardig te worden. ‘’t Avondje van Sinterklaas!’ ‘Het wild geraas’ is momenteel langs alle kanten waarneembaar. En het prachtige gedicht van Adriaan Roland Holst ‘Zwerversliefde’ een poging tot troost.
.Laten wij zacht zijn voor elkander, kind – want o, de maatloze verlatenheden, die over onze moegezworven leden onder de sterren waaie’ in de oude wind. . O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet het trotse hoge woord van liefde spreken, want hoeveel harten moesten daarom breken onder den wind in hulpeloos verdriet. . Wij zijn maar als de blaren in den wind ritselend langs de zoom van oude wouden, en alles is onzeker, en hoe zouden wij weten wat alleen de wind weet, kind – . En laten wij omdat wij eenzaam zijn nu onze hoofden bij elkander neigen, en wijl wij same’ in ’t oude waaien zwijgen binnen één laatste droom gemeenzaam zijn. . Veel liefde ging verloren in de wind, en wat de wind wil zullen wij nooit weten; en daarom – voor we elkander weer vergeten – laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
‘Als je tegen de storm in moet trappen, als je tent is weggefladderd, als de vrachtwagen is gekanteld en je baas je uitfoetert aan de telefoon, als je nu al weet dat je te laat zult komen voor het enige sollicitatiegesprek waar je dit jaar voor bent uitgenodigd omdat de bovenleiding geknapt is, als je oogst geknakt is, als je dak is opgestegen in één enorme vogelvleugelslag, als je naast je motor ligt op een verlaten landweg terwijl het hard regent, het tot je doordringt dat je je geliefden nooit mee zult zien, dan ben ik bij je, ik blijf bij je, ik strijk zacht door je haar, verkoel je bezwete voorhoofd, wees niet bang, ik ben hier.’
“Een labberkoelte is een flauwe wind, waarbij de zeilen van een schip niet gespannen staan, maar zachtjes heen en weer bewegen, of zoals Mirck het zelf noemt: ‘een aarzelaar die eraan twijfelt of hij het waard is om onderwerp van twijfel te zijn’. Hij legt deze woorden in de mond van de wind, want in deze bundel is de wind aan het woord” (Meander Literair E-magazine voor Nederlandstalige Poëzie)
Waar heeft rondom het huis de wind het over? Achter geloken oogen gaat het huis teloor en wandel ik weer langs een oever van het verleden, en er is geruis van water en van riet, vooral van water. Een blij kind roept mijn naam – werd ik ooit oud? Ver van de kudde staat een schaap te blaten als vele jaren her, en ik werd oud. De wind gaat liggen en de lucht betrekken: sterven brengt ander weer, ik wist het wel. Weldra kan ook geen blij kind mij meer wekken. Dan gaat de dood sneeuwen, en het wordt stil.
Bioloog Andreas Weber: ‘Zelfs de wind heeft een innerlijk’
Volgens filosoof en bioloog Andreas Weber schiet de moderne wetenschap tekort om leven te beschrijven. ‘We begrijpen het leven poëtisch.’ “Ik zie de realiteit als een ervaring, een web van relaties dat steeds op zichzelf reageert. Dat gaat in tegen de gangbare wetenschappelijk opvatting, die de te onderzoeken werkelijkheid tot materie reduceert. Deze wetenschap ziet de wereld, elk organisme, zelfs ons eigen lichaam, als een object, een ding, een soort machine. Maar machines zijn statisch, en leven is dat allerminst. Terwijl ik dit zeg hebben er tienduizenden DNA-defecten in mijn cellen plaatsgevonden, die ook alweer gerepareerd zijn. Levende wezens zijn continu bezig met uit elkaar vallen en zichzelf weer genezen. De wens te blijven bestaan verraadt het bestaan van een zelf, een innerlijk dat zichzelf in zekere zin waarneemt en keuzes maakt. Zo’n zelf heeft een eigen lichaam, met eigen gevoelens, en een eigen perspectief, maar valt niet te herleiden tot pure materie.’
Maar iets levenloos zoals de wind is toch geen individu? ‘Ook de wind, die we als een levenloos element zien, is relationeel en wordt waargenomen. Bijvoorbeeld wanneer een briesje zacht langs onze huid strijkt. De wind neemt zichzelf misschien niet waar zoals een kikker dat doet – die lijkt daarin veel meer op ons – maar zelfs de wind heeft een zekere innerlijke ervaring.’ ‘Elke innerlijke ervaring uit zichzelf op een zintuigelijke manier. Denk bijvoorbeeld aan de katjes van de hazelaar: die zijn een uiting van leven. Ze roepen: “We zitten barstensvol leven en de vreugde van de voortplanting!” Ze zeggen dat niet in een talige formulering – ze doen het gewoon. En wij begrijpen dat vanuit onze eigen belichaamde ervaring, als een poëtische gewaarwording. Alles in de werkelijkheid staat in een dergelijke poëtische verhouding tot elkaar: alles praat over zichzelf, maar niet op een rationele, beschrijvende wijze.’
Eén van de lessen die we als maatschappij kunnen leren is dat we niet zo zwaar moeten tillen aan de dood. Ik zie de dood als een transformatie, van een individueel perspectief naar het perspectief van het geheel. Als je denkt dat de dood een definitief einde is, legt dat enorme druk op onze korte levensduur. Met zoveel druk kun je geen tedere relatie met de wereld opbouwen. Je verliest jezelf in de dreiging van het einde.’
Om drie uur begon de sirene op het stadhuis luid te loeien. Dat was dus het uur. Meestal nog op school kon meester of broeder ons wijzen op dat heilig moment waarop Jezus aan het kruis was gestorven. Wij waren enkele minuten werkelijk stil. Goede Vrijdag 1952. Ik was dat jaar in februari acht geworden. En overmorgen zou het Pasen zijn, de dertiende april. Was dat geen ongeluksgetal, die dertien? Churchill liet op de radio horen dat zij, de Engelsen, ook een atoombom hadden. En de Russen al een tijdje daarvoor hun atoomwapen, ‘Eerste Bliksem’ gedoopt. Pasen 1952 bleef de wereld stil. De gekruisigde was verrezen. Op stille zaterdag waren de klokken terug uit Rome. Mijn broertje en ik vonden kleine en enkele grote chocolade eieren in de tuin. Het was helemaal geen ongeluksdag. Half bewolkt was het en het bleef droog.
Het dagelijks gebeuren heeft -soms weinig zichtbaar- de geschiedenis in of achter de rug. De betekenis van ‘achter de rug’ lijkt op het voorbije te duiden, maar al wordt geschiedenis meestal na afloop zichtbaar, haar aanwezigheid in het heden, al dan niet verdrongen, is, vooral na afloop, zichtbaar te maken door de verhalen van getuigen, documenten en beeld- en klankmateriaal. De verteller herinnert zich zijn eigen kleine maar ook elementen van de wezenlijke geschiedenis. Geboren in de uitlopers van de tweede wereldoorlog is hij als baby, peuter en kleuter aanwezig in de weinig ordelijke natijd van de tweede wereldoorlog. Het jaar na de beschreven paastijd zal ook de televisie een rol gaan spelen in het dagelijks leven.(1953)
Zo zal het tot 1963 duren, het begin van de Frankfürter-Auschwitz processen, de gruwelmachine van de kampen door getuigenissen zal doordringen tot in de huiskamer al was tijdens het Eichmann proces in Jerusalem 1961 al een beklemmend beeld ontstaan van het mechanisme, de banaliteit van het kwaad, om Hanna Arendt te citeren. Toch moet je die banaliteit niet als excuus beschouwen, de misdaden van Eichmann vloeiden rechtstreeks voort uit de extremistische ideeën van het nationaal-socialisme, waar hij vol overtuiging in geloofde. Arendt heeft van een extreme SS’er een gehoorzame ambtenaar gemaakt.’ (ik citeer Tom Bouwmeester in ‘Het kwaad: banaal of demonisch?’ in Filosofie Magazine 4 december 2012). Een middenweg?
Steeds gedwongen tot ‘verlaten’ is heimwee niet uit te sluiten. Wil je leven dan komt er een moment dat je je moeder ‘letterlijk’ verlaat. Je wordt geboren. Je blijft mogelijk levenslang in haar innerlijk, maar het uitstappen hoort bij het wezenlijke. Op stap naar/met de anderen. Het verlaten of verlaten worden door geliefden, denkbeelden of het tekort aan inzichten, elementen die een mens tot mens maken. Begrijp dus de ontroering en de wanhoop bij de woorden van een liefhebbend mens op het slavenkruis: “Mijn God waarom heb je mij verlaten?”
Het is een fragment uit psalm 22:
Mijn God, mijn God waarom hebt U mij verlaten? U blijft ver weg en redt mij niet, ook al schreeuw ik het uit.
In het Hebreeuws klinkt de eerste regel ongeveer als dit: ‘Eli, Eli, lama sabachtani?’
Een wondermooie uitvoering Psalm 22 Felix Mendelssohn ‘Mein Gott, warum hast du mich verlassen SWR Vokalensemble
Mendelssohn schreef het werk “Mein Gott, warum hast du mich verlassen” (opus 78 nr 3) in een turbulente fase van zijn leven. Een van de beroemdste musici van die tijd 1843-1844 maar verscheurd tussen verschillende verantwoordelijkheden.
-Conflict met Berlijn: Mendelssohn was door de Pruisische koning Friedrich Wilhelm IV aangesteld als Generalmusikdirektor voor kerkmuziek. Hoewel hij deze psalm specifiek voor het koor van de Berliner Dom schreef, was hij diep gefrustreerd door de bureaucratie en de starre houding van de geestelijkheid in Berlijn. -In 1843 en 1844 pendelde hij voortdurend tussen Berlijn (voor zijn koninklijke verplichtingen) en Leipzig (waar hij het Gewandhausorchester leidde en het conservatorium had opgericht). Deze periode was fysiek en mentaal uitputtend voor hem.
Hoewel Mendelssohn lutheraan was gedoopt, bleef hij trots op zijn joodse afkomst. Zijn werk met de psalmen was een poging om de protestantse liturgie te vernieuwen door terug te grijpen naar de wortels van de bijbelteksten en de polyfonie van Johann Sebastian Bach. Een mengeling van succes en tragiek, zo zou je deze periode tot aan zijn dood in 1847 kunnen noemen. Succes in 1846 met zijn oratorium ‘Elijah’ in 1846, (premiere in Birmingham Engeland) maar als het jaar daarop in 1847 zijn geliefde zus Fanny sterft zal hij niet lang daarna een beroerte krijgen en datzelfde jaar overlijden. Zijn laatste grote werk, het Strijkkwartet nr. 6 in f-mineur, schreef hij als een rauw en emotioneel eerbetoon aan zijn zus.
(samengesteld met hulp van AI Google)
Christusdoorn
De Christusdoorn
In mijn toren van vergaan ivoor Staat een oude Christusdoorn; hij bouwt Met zijn stekels bars een wenteltrap Naar de hemel; daaglijks, voet voor voet, Volg ik hem, soms met het blote oog Bijna rakend aan zijn pantsertuig: Zwaarden worden dan zijn stekeldoornen, Zwaardviszwaarden, lemmeten van wilden, Messen van nomaden, Moorse dolken; Maar naarmate, hoger in de hemel, Klimmend, kleiner wordend, klauterende Ik hem volg, verschraalt geheel, verschrompelt 't Wapenarsenaal en 'k zie de bloem Als een spijker in de top geslagen, Als een rode spijker die hij kleurt Met zijn bloed: o raadsel der genade.
‘Ik ben omdat wij zijn’ Dat is een gezegde van de Zuid Afrikaanse filosoof Mogebe Ramose.(1950) Denk je vanuit het wij dan komt het ik pas echt tot zijn recht. Dat klinkt wonderlijk zo: Umuntu ngmuntu ngabantu: Ik ben omdat wij zijn.
umuntu = een persoon umuntu ngmuntu = een persoon is een persoon ngbantu = door mensen
Luidop kun je er makkelijk een vinnig ritme van maken. Met begeleiding allerhande. Vanuit het hart. Zalige paasdagen gewenst.
Aankondiging, paneelschildering – Meester van Seitenstetten, ca. 1490
Het fraaie woord voor het bezoek van een engel met meestal ‘een boodschap’ heet annunciatie. Boodschap of aankondiging. Vandaag, 25 maart, negen maanden voor kerstmis viert de Kerk zo’n bezoek. De aartsengel Gabriël visiteert het vrij jonge meisje Marie. Dat was voor kunstenaars een mooie gelegenheid om te ‘ver-beelden’.
Want, hoe moest dat? In mijn kinderlijke verbeelding dacht ik eerder aan donder en bliksem, -bij menig onweer heb ik wel eens innerlijk geroepen: ‘Neen, neen, God, nu niet. Ik zal mijn leven beteren.’ (bliksem-bliksem). Aanrollende donder. Ogen openen. Mijn moeder in de deuropening die vroeg of ik iets mankeerde. ‘Slecht gedroomd, ma.’ was een bekend antwoord. Of de stem van mijn vader vanuit de slaapkamer die alle kwade dromen kon oplossen vanuit zijn half slapende gemummelde bezwering:
“Heilige Petrus van Rome bewaar onze (voornaam van de angstige) van al zijn kwade dromen. Heilige Petrus in zijn graf neem onze (voornaam van de angstige) al zijn kwade dromen af.”
Bekijk ik nu de talrijke ‘Boodschappen’ door de eeuwen heen dan begrijp ik best die kunstenaars die Maria duidelijk laten schrikken. Het bezoek vanuit een totaal andere dimensie is niet zo vanzelfsprekend. Daarom begint meestal de boodschapper met de tekst ‘Vrees niet.’ Of in mensentaal: ‘Niet bang zijn, meisje.’ Bekijk vanuit die angst de talrijke verbeelders. Hierboven draait de toekomstige moeder zich weg van de engel, de linkerhand aan haar hoofdsluier om zich te bedekken. Wegkruipen voor zoveel heilig licht.
Nederlanders proberen het met een hartelijke engel. Hij knielt voor haar, zij legt haar gebedenboekje op tafel, de andere hand klaar om beiden weldra te vouwen, al blijft haar blik toch aan beetje wantrouwen uitstralen bij het (al te) vriendelijk aanbod van de uitgestoken hand.
Annunciatie, Gijsbert van Veen, naar Federico Barocci, 1588. (Collectie Rijksmuseum Amsterdam)
Merkwaardig is zeker het werk van Antoniazzo Romano. Gabriël met lelie (maagdelijke geboorte-symbool) Het merkwaardige aan deze afbeelding is echter dat Maria zakjes overhandigt aan drie in het wit geklede meisjes die in gezelschap van de dominicaanse kardinaal Juan de Torquemada, ook bekend onder zijn Latijnse naam Johannes de Turrecremat (1388-1468) (de oom van de beruchte grootinquisiteur Tomás de Torquemada) voor haar neerknielen. De kardinaal heeft zijn kardinaalshoed tegen zijn geknielde been gezet. Rond 1460 had deze kardinaal de Confraternita dell’Annunziata gesticht met als doel arme meisjes een maritagio, een soort bruidsschat, te geven om hen aan een man te helpen en te behoeden voor prostitutie. De Broederschap deelde de bruidsschat uit tijdens een plechtige ceremonie op het feest van Maria Boodschap (25 maart) in aanwezigheid van de paus. De broederschap selecteerde arme meisjes vanaf 15 jaar via een lijst. Na drie jaar proeftijd kregen ze de bruidsschat als ze ‘verdienstelijk’ werden bevonden. (Paul Verheijen)
Antoniazzo Romano (1430/35-1508/12) Annunziata (1499-1500) Tempera op paneel, 130 x 185 cm Rome – Santa Maria sopra Minerva
Toch iets verder van huis maar dichter bij onze tijd, werk van de Amerikaanse schilder George Hitchcock, 1887. ‘De annunciatie’ Vrij groot: 158,8 × 204,5 centimeter. Het zou, naar Wikipedia, een Hollands boerenmeisje zijn weergegeven als madonna in een bloementuin met lelies, in afwachting van de annunciatie. (collectie Art Institute of Chicago) Met de woorden van Wikipedia: “Hiermee geeft Hitchcock uitdrukking aan zijn gevoel dat de Christelijke geloofsbeleving onder de eenvoudige Hollandse plattelandsbevolking veel vitaler en authentieker was dan in de grote steden, niet verdorven door afleidende modernite.”
George Hitchcock-Annunciation
Artemissia Gentilleschi verbeeldde de boodschap alsof ze ‘nachts had plaats gevonden. waarbij er nog wel een straal hemels licht binnenvalt. Rechts op de voorgrond ligt een brief met daarop de naam van de kunstenaar en “F[acit]: 1630”. Het was haar eerste betaalde opdracht waarschijnlijk voor een kerk in Napels. De aartsengel vertelt haar dat ze weldra moeder zou worden, de manier waarop wordt gesymboliseerd door de duif, symbool van de Heilige Geest.
Nog even terug naar de stilte van de late middeleeuwen. Toegeschreven aan Rogier van der Weyden is het werk waarschijnlijk door zijn atelier gemaakt als middenpaneel van een drieluik. “Kenners maken dat op uit de rommelige compositie van het middenpaneel en de minder sterke detaillering van bijvoorbeeld de gouden mantel van de engel.” (Bijbelse Kunst) Zou dit tafereel zich dus rond de dag van vandaag hebben afgespeeld, 25 maart, dan zie je al dat de haard uit is en het is blijkbaar warm genoeg om met open luikjes een boek te lezen. De lelies vooraan staan voor de puurheid van de Maagd.
Rogier van der Weyden 1399/1400 – 1464 Annunciatie
Laat ik deze mooie keuze afronden met een hedendaags beeld. Een meisje met een schort voor, op haar knieën met emmer en dweil bezig de vloer schoon te maken. Bezig. En in die bezigheid kijkt ze op, heel gewoon. De deur in de kamer staat open. Er is een minieme aanduiding van de heilige Geest achter haar door het geopende raam. Ze luistert en kijkt aandachtig.
Beate Heinen,Annunciatie, 1987, Maria Laach, Duitsland.
Beate Heinen werd op in 1944 in Essen geboren en heeft tegenwoordig haar grafische werkplaats in Wassenbach vlakbij de Laacher See. Zij is zowel actief als schilderes als grafica en ontwerpster van kunst voor kerken. Beate voelt zich sterk met het katholieke geloof verbonden. Zelf trad zij ooit in als Benediktijner non in de Abdij St. Hildegard als zuster Felicitas, maar na 10 jaar verliet ze op dertigjarige leeftijd de orde weer. In het klooster studeerde zij kunst. Daarna ging zij aan de slag als professioneel kunstenaar. Ze maakt schilderijen met bijbelse thema’s en ontvangt veel opdrachten van kerken. In 2020 huwde zij een voormalige monnik, die uittrad om met haar te kunnen trouwen. (Artway )
Annunciation / Botticelli / 1489
Aangeraakt door de schoonheid? Een moeilijk begrip in deze rumoerige tijden. Het mooie verhaal van een mogelijke menswording waar zachtheid en moed zich mogen verenigen.
er is niet meer bij weinig noch is er minder nog is onzeker wat er was wat wordt wordt willoos eerst als het is is het ernst het herinnert zich heilloos en blijft ijlings
alles van waarde is weerloos wordt van aanraakbaarheid rijk en aan alles gelijk
als het hart van de tijd als het hart van de tijd
Lucebert (uit het gedicht ‘De zeer oude zingt” (1974)
Een jonge vrouw, met haar rug naar ons toe, leunt met één knie op een bank die tegen het grote, halfopen raam van een Londens herenhuis staat. Ze staart naar buiten, haar handen gespreid over de rugleuning van de bank, en ze baadt in een zacht, vroeg avondlicht dat de schoorstenen van de gebouwen rechts van het raam een krijtachtig grijze tint geeft, en die aan de linkerkant een lichtroze.
Kijk je naar de datum van het schilderij, 1917 dan begin je te beseffen dat de stipjes hoog in de lucht geen vogels zijn maar zoals de titel zegt, een raid van vliegtuigen net voor het donker wordt. Zij bekijkt vanuit het schildersatelier de avondlucht.
Het licht valt op voorwerpen in de kamer: flessen op de diepe vensterbank en een pot vol met penselen. Deze pot staat tegen een kleine, ronde spiegel die tegen bleke houten luiken leunt, opgevouwen aan één kant van de vensterbank. De spiegel is helderwit waar het licht erop valt. Het licht valt ook op het rode, krullende haar van de vrouw, dat tot aan haar kaak reikt, en op de kanten rok van haar geel-crèmekleurige jurk, die lange, strakke mouwen heeft, een nauwsluitend bovenstuk en een smalle, crèmekleurige sjerp in haar taille. Haar roze satijnen schoenen nemen de dieproze, rode en oranje kleuren over van het dikke tapijt waarop één voet rust. Het roze sluit ook aan bij de kleuren van de bank en een groot fluwelen kussen rechts, waaronder een opgevouwen krant tevoorschijn komt, wat zorgt voor nog een witte accenten.
“Verhalen geven het leven niet alleen een mate van bestendigheid, ze zijn ook helend. ‘Al het leed wordt draaglijk als je het inpast in een verhaal, of er een verhaal over vertelt’, aldus het motto dat Hannah Arendt aan een van haar hoofdstukken in The Human Condition meegeeft. De pijn die is ingebed in een verhaal krijgt de kans zich te hechten aan een specifieke levensgang. Dat maakt de pijn niet minder, maar kan er op z’n minst voor zorgen dat zij niet sprakeloos blijft en dus zonder betekenis. Sprakeloos leed zal het individu blijvend verteren als een ‘niets zonder einde’, verhalend leed heeft een begin en een einde.
Zodra we de kindertijd achter ons laten, een tijd waarin we nog op onmiddellijke wijze konden samensmelten met de wereld en nog geen weet hadden van onze sterfelijkheid, worden we melancholische wezens. Het verlies van deze oorspronkelijke eenheid is, tezamen met het besef van vergankelijkheid, een traumatische gebeurtenis. Oftewel: de mens hoeft geen persoonlijk verlies te ervaren of oorlog te ondergaan om pijn te lijden. We zijn van huis uit getraumatiseerde dieren; verhalen verzachten onze existentiële pijn.
Het is aan de kunst om ons hieraan blijvend te herinneren en ons thuis te laten komen in het trauma dat leven heet.”
Hans Schnitzler ‘Melancholische wezens’ verschenen in A Tale of Hidden Histories (De Groene Amsterdammer 12 maart 2019)
Alberto Giacometti, The Walking Man I, 1960. Bronze, 72” high. Guggenheim, Bilbao.
The sculptures of Swiss artist Alberto Giacometti (1901-1966) perhaps best express the existentialist spirit. Although Giacometti never claimed that he pursued existentialist ideas in his art, his works brilliantly capture the spirit of that philosophy. Indeed, Sartre, Giacometti’s friend, saw the artist’s figurative sculptures as the personification of existentialist humanity – alienated, solitary, and lost in the world’s immensity. Giacometti’s sculptures of the 1940s are thin, nearly featureless figures with rough, agitated surfaces. Rather than conveying the solidity and mass of conventional bronze sculpture, these thin and elongated figures seem swallowed up by the space surrounding them, imparting a sense of isolation and fragility. Giacometti’s evocative sculptures spoke to the pervasive despair that emerged in the aftermath of world war.
Fred S. Kleiner, Gardner’s Art Through the Ages: The Western Perspective, vol. 1, 15th ed., (Boston: Cengage Learning, 2010), 831.
“De sculpturen van de Zwitserse kunstenaar Alberto Giacometti (1901-1966) geven misschien wel het beste uitdrukking aan de existentialistische geest. Hoewel Giacometti nooit heeft beweerd dat hij in zijn kunst existentialistische ideeën nastreefde, geven zijn werken op briljante wijze de geest van die filosofie weer. Sartre, een vriend van Giacometti, zag de figuratieve sculpturen van de kunstenaar zelfs als de personificatie van de existentialistische mensheid – vervreemd, eenzaam en verloren in de onmetelijkheid van de wereld. Giacometti’s sculpturen uit de jaren 40 zijn dunne, bijna karakterloze figuren met ruwe, onrustige oppervlakken. In plaats van de stevigheid en massa van conventionele bronzen sculpturen uit te stralen, lijken deze dunne en langgerekte figuren opgeslokt te worden door de ruimte om hen heen, wat een gevoel van isolatie en kwetsbaarheid geeft. Giacometti’s suggestieve sculpturen spraken de alomtegenwoordige wanhoop aan die ontstond in de nasleep van de wereldoorlog.”
Fred S. Kleiner, Gardner’s Art Through the Ages: The Western Perspective, vol. 1, 15th ed., (Boston: Cengage Learning, 2010), 831.
We begonnen het ‘kijken en bekeken’ met de niet zo bekende schilderij van de Ierse schilder John Lavery, 1917: ‘Daylight raid from my studio window’. Je zou een gelijklopend slotbeeld kunnen vinden tussen de talrijke foto’s van de aan gang zijnde oorlogen, maart 2026. Bekeken vanuit de oorlog zelf. Onze machteloosheid. Of schiet zelfs onze verbeelding tekort bij een ruim overschot aan dagelijkse werkelijkheid?
Alexandr Gera – “Laatste adem #5”, 2024. Acryl op canvas. 80 x 80 cm.
Daylight Raid from my Studio Window records the afternoon of 7 July 1917, when twenty-one German biplanes appeared in the skies above London and were engaged by British aircraft. The ensuing combat could be seen from the large window of Lavery’s studio in Cromwell Place, London. The artist’s wife Hazel, her head outlined against a blackout curtain, is watching the scene, worry evident in the tension of her body. Lavery seems to have originally painted a statuette of the Virgin Mary, in front of which Hazel kneeled. Before he donated the painting to Belfast, he painted it out, possibly to erase the memory of his wife’s worry. (Ulster Museum)
Schrikken, of ontroerd zijn, of het loslaten van meningen, bedoel je misschien ‘het stellen van vragen, of moet je de gedachte loslaten dat je iets zou vinden? Het is nog iets anders dan nieuwsgierigheid en verbazing. Even filosoof Cornelis Verhoeven erbij halen: ‘
‘In de verwondering ervaren wij ons zelf op grond van een ontmoeting met een werkelijkheid.’
‘Het is een avontuur waarvan hij [de mens] de afloop niet kan voorzien, een oefening in de vrije val.’
Deze drie wonderen a) dat ik denk b) te begrijpen c) wat ik zie kan ik niet verklaren.
Waarom is het ware wonder dan wat we ervaren zonder een van die drie?
Leo Vroman
Door de eigenzinnige kijk op het menselijk leven waar de dood vanzelfsprekend toe behoort en de heldere en indringende formulering van het wonder van het menselijk bestaan dat niet gereduceerd wordt tot zijn fysieke verschijning en verdwijning, bezit Vromans poëzie een filosofische diepgang die humor en taalplezier echter nooit uitsluit. (Joris Gerits Streven 2015)
‘De verwondering brengt een moment van stilstand in het denken. Trefzeker zegt onze taal dat iemand verwonderd ‘staat’. Dat is veelbetekenend. Het staan als stil-staan is het ophouden met bewegen, ontwerpen, ingrijpen. De uitdrukking ‘verwonderd staan’ veronderstelt dus een actief leven, dat plotseling wordt onderbroken en afgeremd. De verwondering wordt gesitueerd temidden van een beweging. Voor en na de bewondering is er de beweging, die de ‘gewone’ toestand is. Mensen zijn, zo lijkt het dus, op de eerste plaats bewegers en werkers. Het stilstaan is ook ophouden met spreken; in de stilte komt het anders-zijn van de dingen aan. Het moet worden beluisterd om te worden vernomen en er bestaat dus een mogelijkheid om het niet te vernemen door het zelf te overstemmen. Zonder een minimum aan aandacht heeft het gebeuren van de verwondering niet plaats. Zij heeft dat gemeen met elke openbaring.’
Dr. Cornelis Verhoeven. Inleiding tot de verwondering (1967)
Omzien in verwondering is de titel van de autobiografie die de historica Annie Romein-Verschoor (1895-1972) schreef na de voltooiing – met haar man Jan Romein – van historische meesterwerken als De lage landen bij de zee, Erflaters van onze beschaving en Op het breukvlak van twee eeuwen. Het boek verscheen in twee delen, in 1970 en 1971. De titel van de autobiografie van Annie Romein-Verschoor sprak kennelijk tot de verbeelding, want omzien in verwondering wortelde zich al snel in onze taal in de betekenis van ‘verbaasd terugblikken’. (Ton den Boon 31 dec. 2016 in 'Taalbank)
In "Nederduitsche synonymen" (1836), band 1, blz. 126: verslagenheid, ontzetting, ontsteltenis, ontroering, verbazing, bevreemding, verwondering, verbijstering
Zeg niets, maar kun je een aantal situaties uit je eigen leven oproepen waar de ‘Nederduitsche synonymen’ van toepassing waren.? Een aantal beelden als intro, of het kan ook muziek zijn die herinneringen losmaakt uit het bevroren ’toen’. Je kunt op die manier ’tinten van herinneren’ oproepen en overdenken. Het zal nooit één beeld zijn, maar een dynamiek al dan niet met nawerking.
Evenwicht tussen lucht, aarde en water net voor de dag eindigde of begon. Cirkels.
En dan opeens Staat alles stil Terwijl de wereld verder draait Opeens… staat alles stil Luister:
Je raapt jezelf weer bij elkaar Staat op en gaat weer door Niet bang om te vallen Ook al dans je op een koord
De bel gaat voor een nieuwe ronde Je staat nog altijd in de ring Vechtend met een tegenstander Die zich meestal niet laat zien
Want opeens Staat alles stil Terwijl de wereld verder draait Opeens… staat alles stil
Op draden waarmee mensen met elkaar communiceren, of licht en warmte mogelijk maken zit het vol duiven, dat notenschrift van vrede en vriendschap voor diegenen die van goede wille zijn.
Moonassi “Light we prepared” (2024), meok and acrylic on hanji, 93 x 119 centimeters
Moonassi (Kim Daehyun) is een illustrator uit Seoul, Korea. Hij maakt zwart-wit tekeningen die emotie, innerlijke dialoog en de menselijke psyche verkennen. Identiteit is een terugkerend thema; over illustratie, schilderkunst, beeldhouwkunst en nieuwe media; elk stuk vertegenwoordigt een emotie of een woord dat Moonassi kiest om zich door middel van eenvoudige personages uit te drukken, de kijker aan te moedigen om te pauzeren en het gewicht te overwegen dat een enkele gedachte kan dragen. (hugoandmarie.com)
In black-and-white ink and acrylic, the Seoul-based artist Kim Daehyun (Moonassi) cross-hatches figurative scenes onto Korean hanji paper, portraying deep contrasts, dualities, and tensions. Rich, black shadows reveal glowing hands and faces, exploring relationships between light and dark, awareness and the unconscious, presence and absence, and the known and unknown. (Colossal 23 febr 2026)
De tekeningen in zwarte inkt van Kim Daehyun (Moonassi) tonen twee personages met strakke silhouetten en precieze trekken. In een choreografie van vertrouwde maar raadselachtige gebaren bewegen ze zich door een leeg, maanachtig landschap, het stille decor van de persoonlijke mythologie van de kunstenaar/schepper.
Door de herhaling van de tekeningen en de terugkerende personages kan Kim Daehyun op een speelse en katharsische manier zijn diepste gedachten en emoties uitdrukken en tegelijkertijd een breed publiek aanspreken. Want net als de weergave van leegte in de oosterse schilderkunst (de oorspronkelijke opleiding van Kim Daehyun) biedt het ontbreken van referentiepunten in de tekeningen van moonassi de toeschouwers een ruimte die openstaat voor oneindig veel interpretaties. (cahier de seoul)
Remains When We Were Anybody
"In 2006 publiceerde ik een klein essay dat ik verkocht in een café dat ik op dat moment bezocht. De eigenaar van het café noemde me ‘Moonassi’. Sindsdien is het mijn bijnaam geworden. Oorspronkelijk komt ‘moona’ van het boeddhistische woord moo-a (wat betekent dat ik de ‘ik’ vergeet), maar het kan ook ‘amouna’ betekenen (wat ‘iedereen’ betekent in het Koreaans”). Mijn eerste tekenboek heette ook ‘amoudo’ (wat “persoon” betekent)." (Seoul Notebook)
나의 탄생 / Birth of me 45.5 x 53, 종이에 잉크와 아크릴 ink and acrylic on p2021
Daarentegen legde het licht zijn zachtste vingers over de voorbije winter; zingt als een kind nog met verdroogde lippen, opgeborgen in zijn eenzaamheid, -het roze in zijn stem schildert bloesems- verdund verlangen, aquarel doorzichtig: het land heet Felix en Wolfgang in één ademtocht.
Zelfs mijn ogen luisteren.
Gmt
불구 / Crippled Op. 0041P – 42 x 29.7 cm, 종이에 펜, 마커 / Pigment liner and marker on paper, 2010
Spring
In contrast, the light laid its softest fingers over the past winter; singing like a child still with parched lips, tucked away in its solitude, -the pink in its voice paints blossoms- diluted intensity, watercolour transparent: the land is called Felix and Wolfgang in one breath.
Even my eyes are listening
자연스러움 / Natural, 2009 Op. 0022P – 42 x 29.7 cm, 종이에 펜, 마커 / Pigment liner and marker on paper, 2009
Moonassi gebruikt meok, een soort traditionele Koreaanse inktstaaf die met water tegen een steen wordt gewreven om een vloeibaar medium te verkrijgen. Het meditatieve proces van het bereiden van de inkt helpt de kunstenaar zich te concentreren op de taak die hij moet uitvoeren en zich op elke stap te focussen.
Moonassi omschrijft zijn werk als ‘mind illustration’ en richt zich in zijn werken op paren of tweelingen in vreemde situaties, zoals het verzorgen van een vlam in een van hun hoofden, staren in een leegte of hun armen aan elkaar binden met touw. Zijn onderwerpen vertegenwoordigen psychologische en spirituele dichotomieën die zowel binnen individuen als in relaties bestaan, waardoor een droomachtige wereld ontstaat die tot talloze interpretaties uitnodigt. (Colossal 23 fbr 2026)
(Een dichotomie is een strikte tweedeling of splitsing van een begrip, groep of structuur in twee uitsluitende, niet-overlappende delen (bijv. goed/fout, ja/nee, man/vrouw). Het komt van het Griekse dichotomia (halvering) en wordt gebruikt in filosofie, wetenschap en statistiek om complexe zaken te versimpelen tot twee tegengestelde polen.). Wikipedia
ultiem (bn) : uiteindelijk, uiterst, laatste ten slotte (bw) : uiteindelijk, eindelijk, tot besluit, tot slot, ter afsluiting, ten langen leste al met al (bw) : uiteindelijk, alles bijeengenomen, alles overziend, alles bij elkaar genomen tenslotte (bw) : uiteindelijk, immers, welbeschouwd, op de keper beschouwd eindelijk (bw) : uiteindelijk, ten slotte, ten langen leste finaal (bw) : uiteindelijk, definitief, laatste, ultiem
Je zou kunnen aankomen bij: (dat is) helemaal het einde. Wat zich na dat ‘aangenomen’ einde zou bevinden kan zich van het ‘niets’ tot het wonderlijke (onbekende) alles uitstrekken.
Dien avond kwam ik later dan gewoonlijk naar boven. In de huiskamer was licht zag ik door de gesloten deur. Een schicht van vreugde maakte terstond persoonlijk, al wat zich uit mij had ontsticht in stad en menigte. Ik stond koninklijk in het vernieuwde donker van den nacht, binnen mijzelve opgericht. ‘Ik heb op je gewacht’, zei je aandoenlijk, en kuste mij de dood van het gezicht.
"Verwondering is het staren in een wereld die tot voor kort een andere wereld was en nu de eigen wereld blijkt te zijn of omgekeerd. Zij ontstaat, zoals men gewoonlijk zegt, uit de tegenstelling tussen het gewone en het ongewone. Zij kan ons overkomen wanneer het ongewone gewoon blijkt te zijn, verklaarbaar en begrijpelijk, maar evenzeer wanneer het gewone zich als iets ongewoons openbaart of zich van een ongewone kant laat zien. Deze schommeling wordt niet alleen veroorzaakt door het ambivalente karakter van de verwondering, maar ook door de twijfelachtige waarde van de noties ‘gewoon’ en ‘ongewoon’."
Hij citeert ook Augustinus:
De verwondering treft het hart zonder het te kwetsen; "Percurit cor meum sine laesione." Het hart hunkert naar het nieuwe dat in de verwondering openbaar wordt.
Dr. Cornelis Verhoeven, Inleiding tot de Verwondering. (1967)
Filosoof Helen De Cruz schreef in 2024 Wonderstruck: een boek over de manier waarop verwondering en ontzag onze manier van denken vormgeven. Ze omschrijft hedendaagse wetenschappelijke feiten accuraat en mooi. Over de infraroodbeelden van de Webb-telescoop uit 2022, waarop sterrenstelsels te zien zijn van dertien miljard jaar geleden, zegt ze bijvoorbeeld dat deze beelden een deel van ons gezichtsveld beslaan dat correspondeert met een zandkorrel op armlengte. Andere voorbeelden van verwondering zijn een insect onder een microscoop, een ongewoon fossiel of een vreemdvormig kristal. (Sylvia Wenmackers Eos Wetenschap. 23 juni 2025)
Het Kwintet van Stephan, een groep sterrenstelsels in het sterrenbeeld Pegasus. (c) JWST [grote versie | diverse formaten] Astronomie. nl (afstand ongeveer 30-39 miljoen lichtjaar)
Spinoza
Ik, Benedictus de Spinoza, wil op geometrische wijze de natuur of God bewijzen en licht in duister laten blozen.
Eens openbaart de naamloze Substantie zich mystieksgewijze in het bewustzijn van de wijze en bloeit, de roos van alle rozen.
Behoedzaam, daar iets wonderbaars al zo onbegrijpbaar is als schaars, omschrijf ik u godzalig gloren.
dat in het licht der eeuwigheid mijn liefde tot de waarheid leidt, o enige roos zonder doorn.
Paul Claes, Ziel van mijn ziel, Elegieën De Bezige Bij 2015
Het wonderbare noemt de dichter ongrijpbaar en schaars. Als twee nevenstaande eigenschappen te lezen: en ongrijpbaar en schaars. Met de liefde als weg tot de waarheid.
Zowel de nabijheid van het microscopische (Leibniz en Newton spraken over ‘infinitesmaal’) als de onbereikbaarheid van beschreven sterrenstelsels, intussen zichtbaar gemaakt, vergroten de bewondering.
Als je één deelt door duizend dan krijg je een duizendste. De uitgang -ste geeft in het Nederlands aan dat je de stambreuk neemt. In het middeleeuwse Latijn gebruik je daarvoor de uitgang -esimalis. Ons woord ‘decimaal’ komt bijvoorbeeld van het Latijnse woord voor ‘tiende’ (decimalis). Leibniz plakte deze uitgang aan het Latijnse woord voor oneindig (infinitus) en verkreeg zo: infinitesimalis. In diverse talen werd dit woord overgenomen, met een lichtjes aangepaste uitgang. In het Nederlands werd het infinitesimaal. Een infinitesimaal is dus letterlijk ‘een oneindigste’. (Eos wetenschap. Sylvia Wenmackers 22 augustus 2019)
Hanneke De Munck. ‘De gegeven tijd’ lindenhout, perehout, bladgoud, kistje ABK thema expositie in Sijpesteijn (Moderne Altaarstukken) 2007
Zij neemt de maat niet, de verwondering, zij komt op meisjesvoeten dichterbij; boven je hoofd, onder je voeten vergroot en verkleint zij wat 'gegeven' is en verlicht het verborgene, speelt met het onverwachte, ontbladert camouflage, verliest niet vlug het onbelangrijke, weerloos als zij is bij opengevallen monden en dicht geklapte 'ja-maar's.' hoor je 'de wonde' in haar hart dat bloedt wanneer zij vergeten wordt, (of voor 30 zilverlingen verkocht, kus inbegrepen). de verwondering.
-psalm in voorbereiding-
7th-century representation of consciousness by Robert Fludd, an English Paracelsian physician
Robert Fludd, Utriusque cosmi maioris scilicet et minoris […] historia, tomus II (1619), tractatus I, sectio I, liber X, De triplici animae in corpore visione.
‘On learning to dissect fetal pigs, een gedicht van Nicole Maclin Good
Nicole Maclin Good was een alumnus van de Old Dominion University, in Norfolk, Virginia. Zij volgde een cursus creatief schrijven aan de universiteit en studeerde in 2020 af. Good was een productieve dichter en had verschillende bekroonde publicaties op haar naam staan. In 2020 schreef ze een gedicht met de titel “On Learning to Dissect Fetal Pigs” dat de Academy of American Poets Prize van dat jaar won. Het gedicht is openbaar te lezen op de website van poets.org – de officiële website van de Academy of American Poets. Het gedicht worstelt met de spanning tussen geloof, verwondering en wetenschappelijke kennis. Met name won het gedicht ook de 2020 ODU undergraduate poëzieprijs. De voorzitter van de wedstrijd vermeldde dat in het gedicht,“…het oog van de dichter beweegt in en buiten het geheugen door associaties die verbindingen maken, laag na laag, of meer toepasselijk, streng na streng.”
Mummified Fetal Pig
“On learning to Dissect Fetal Pigs” by Renée Nicole MacklinGood
i want back my rocking chairs,
solipsist sunsets,
& coastal jungle sounds that are tercets from cicadas and pentameter from the hairy legs of cockroaches.
i’ve donated bibles to thrift stores
(mashed them in plastic trash bags with an acidic himalayan salt lamp—
the post-baptism bibles, the ones plucked from street corners from the meaty hands of zealots, the dumbed-down, easy-to-read, parasitic kind):
remember more the slick rubber smell of high gloss biology textbook pictures; they burned the hairs inside my nostrils,
& salt & ink that rubbed off on my palms.
under clippings of the moon at two forty five AM I study&repeat
ribosome
endoplasmic—
lactic acid
stamen
at the IHOP on the corner of powers and stetson hills—
i repeated & scribbled until it picked its way & stagnated somewhere i can’t point to anymore, maybe my gut—
maybe there in-between my pancreas & large intestine is the piddly brook of my soul.
it’s the ruler by which i reduce all things now; hard-edged & splintering from knowledge that used to sit, a cloth against fevered forehead.
can i let them both be? this fickle faith and this college science that heckles from the back of the classroom
now i can’t believe—
that the bible and qur’an and bhagavad gita are sliding long hairs behind my ear like mom used to & exhaling from their mouths “make room for wonder”—
all my understanding dribbles down the chin onto the chest & is summarized as:
life is merely
to ovum and sperm
and where those two meet
and how often and how well
and what dies there.
Over het leren ontleden van foetale varkens door Renée Nicole Macklin GOOD
Ik wil mijn schommelstoelen terug,
solipsistische zonsondergangen,
& de geluiden van de kustjungle die bestaan uit terzinen van krekels en pentameters van de harige poten van kakkerlakken.
ik heb bijbels gedoneerd aan kringloopwinkels
(ze verpulverd in plastic vuilniszakken met een verzuurde Himalaya-zoutlamp –
de bijbels van na de doop, die van straathoeken geplukt uit de vlezige handen van fanatiekelingen, het versimpelde, gemakkelijk te lezen, parasitaire soort):
herinner me meer de gladde rubbergeur van hoogglanzende biologieboek-foto’s; ze verbrandden de haartjes in mijn neusgaten, & zout & inkt die het op mijn handpalmen hadden gemunt. onder knipsels van de maan om twee uur vijfenveertig ’s nachts bestudeer ik & herhaal ik
ribosoom
endoplasmatisch—
melkzuur
meeldraad
bij de IHOP op de hoek van Powers en Stetson Hills—
herhaalde en krabbelde ik totdat het zijn weg vond en ergens vastliep waar ik er niet meer naar kan wijzen, misschien mijn onderbuik –
misschien zit daar tussen mijn alvleesklier en dikke darm het miezerige beekje van mijn ziel.
het is de maatstaf waarmee ik nu alle dingen reduceer; hard en versplinterd door kennis die vroeger rustte, een doek tegen een koortsig voorhoofd.
kan ik ze allebei laten zijn? dit wispelturige geloof en deze universiteitswetenschap die vanuit de achterste bank van het klaslokaal wordt uitgejouwd?
nu kan ik niet geloven-
dat de bijbel en de koran en de bhagavad gita lange haren achter mijn oor schuiven zoals mama dat vroeger deed & via hun monden uitademen “maak plaats voor verwondering”
al mijn begrip druppelt langs mijn kin op mijn borst en kan worden samengevat als:
het leven is slechts eicel en sperma en waar die twee elkaar ontmoeten en hoe vaak en hoe goed en wat daar sterft.
The woman shot dead by a federal immigration agent in the US city of Minneapolis has been identified as Renee Nicole Good, a 37-year-old mother of three who had just moved to the city. She was a prize-winning poet and a hobby guitarist, who city leaders have said was there as a legal observer of Immigration and Customs Enforcement (ICE) activities. But the Trump administration has called her a "domestic terrorist". Good's death has sparked protests across the country, with many people holding signs that read "Justice for Renee". Her mother, Donna Ganger, told the Minnesota Star Tribune that her daughter was "probably terrified" during the confrontation with officers that saw her fatally shot and that she was "one of the kindest people I've ever known". "She was extremely compassionate," Ganger told the daily newspaper. "She's taken care of people all her life. She was loving, forgiving and affectionate. She was an amazing human being." Her father, Tim Ganger, told the Washington Post that "she had a good life, but a hard life". Good studied creative writing at Old Dominion University in Norfolk, Virginia, and in 2020 she won an undergraduate prize from the Academy of American Poets for her piece entitled On Learning to Dissect Fetal Pigs.
(BBC)
Renee Nicole Good
Lees deze bijdrage in Reader of via blog. Wij zoeken naar de oorzaak van een foute email-vorm. Onze excuses.
-een solipsist is iemand die de filosofische overtuiging (solipsisme) aanhangt dat alleen het eigen bewustzijn zeker bestaat. Alles buiten de eigen geest – de buitenwereld en andere mensen – wordt beschouwd als een constructie van de eigen waarneming of is onbewijsbaar. Het is een radicale vorm van scepticisme waarbij de realiteit wordt gereduceerd tot het 'ik'. Kernaspecten van het solipsisme: Definitie: Afgeleid van het Latijnse solus (alleen) en ipse (zelf).