Menselijk, al te menselijk!

Onbekende meester circa 1420 Portret van het meisje met de dode vogel

Om Nietzsche te parafraseren met ‘Menselijk al te menselijk’, al dadelijk een correctie in onze kerstgedachten om de tijd van ‘die van goeden wille zijn‘ te duiden. De menselijke kentrekjes die schuld en onschuld benoemen. Te beginnen met een slecht belichte foto van een fraai portretje uit circa 1520 maar nog helemaal mooi te bekijken in het prachtige boek: ‘Portretkunst in Vlaanderen van 1420 tot nu: Hoofd en bijzaak van Katlijne Van der Sighelen, (Waanders Uitgevers, en Het Davidsfonds Zwolle/Leuven 2008) In 1942, oorlogstijd dus, dichtte P.C. Boutens dit vers ‘Meisje met dood vogeltje‘:

Weet. je nog van den anderen keer,
Van de pijn die onbekend was:
Hoe diep doorschrijnde ’t eerste zeer
Toen je aan geen zeer gewend was?

Nu stak opeens een vreemde kou
Tot heel in je hartje lijf door,
Die ’t vogeltje dat je troosten wou,
In je bevende vingertjes stijf vroor…

Wij deden ons best met woord en daad.
Ook ons ging ’t net als het jou ging:
Een mensch gaat slecht met zichzelf te raad
Van zijn eersten stap tot zijn trouwring.

Wij werden gewaarschuwd voor en na
Tegen leed dat meer dan een traan nam-
Wij leerden alleen bij eigen schâ
De dingen waar het op aankwam.

Want leven is overleven, kind:
Opkomen uit slaap, leed, doodspijn.
En pas ervaring bate vindt
Bij ’t even flikkerend  noodsein…

Doe maar als had je niets gehoord!
En leef naar eigen wijsheid.
Daar is niets erger dan kindermoord
Op den langen weg naar de grijsheid.
Mancini Boy with Toy Soldiers Circa 1876 Philadelphia Museum of Art

Naar ‘eigen wijsheid leven’ zoals Boutens het kind met het dode vogeltje aanraadde mag hier bij dit portretje van Mancini (1852-1930) duidelijk als oorlogje spelen geïnterpreteerd worden, een eerder mannelijke neiging zoals blijkt uit hedendaagse wereldconflicten. Merkwaardig dat het ene leger door de zwart gehandschoende hand wordt geleid terwijl het andere door de naakte hand wordt aangedreven.

Vulgariteit is vaak de dochter van armoede, en armoede is altijd mijn naaste verwant geweest," schreef Antonio Mancini ooit. "Sinds ik een jongen was nam ze me bij de hand en begeleidde me van zolder naar zolder om alle zorgen van de wereld te ondergaan." 
Ondanks verpletterende armoede en geestesziekte steeg Mancini naar de hoogten van de laat-negentiende-eeuwse kunstwereld, waardoor collega-kunstenaar John Singer Sargent hem de grootste levende schilder van die tijd noemde. Helaas verdween Mancini na zijn dood in 1930 weer in de schaduw van de kunstgeschiedenis, alleen bekend bij specialisten en trouwe fans.  In zijn meesterlijk erudiete tekst illustreert Hiesinger hoe Mancini nooit ophield die arme jongen te zijn, omringd door vulgariteit en armoede, door met gevoeligheid en inzicht beelden van andere arme jongens te schilderen, zoals Boy with Toy Soldiers (hierboven). Het verlangen in de ogen van Luigiello, een van Mancini's favoriete modellen en een echte wees uit de straten van Mancini's geboortestad Napels, vertegenwoordigt het verlangen dat in al Mancini's werken te vinden is. (Artblog by Bob)
Mancini De verjaardag
In de wirwar van verfstreken bij de Verjaardag moet het oog even zoeken. De jarige bekijkt met trots een zojuist uitgepakt geschenk: een zwaard. Links achter een bosje bloemen en een staande spiegel, waarin het vaasje gereflecteerd wordt, schilderde Mancini een trompet. Over een stoel in de voorgrond hangt een roze kledingstuk en ik meen twee schietwapens te ontdekken. Terwijl ik me afvraag of kinderen toen ook al met pistolen speelden dringt de geur van afgevuurde klappertjes in mijn geurgeheugen binnen.(Uit de kunst  2020  Bij de Mancini-)tentoonstelling in Den haag)

Tussen de onschuld van het kind dat met de dood van het vogeltje wordt geconfronteerd en de jongen die zijn verjaardagsgeschenk bewondert blijft nog steeds de droom dat wij indien alles meezit het nog niet zo slecht doen tijdens dit bestaan als we maar…En dan kijken we beschuldigend naar de anderen terwijl een blik naar binnen tot betere conclusies kan leiden. Menselijk, al te menselijk.

Uit ‘Menselijk al te menselijk’:

270. Het eeuwige kind

Wij denken dat het sprookje en het spel tot de kinderjaren behoren: wij kortzichtigen! Alsof wij in enig levenstijd­perk zonder sprookjes en spel zouden willen leven! Wij noemen en voelen het weliswaar anders, maar juist dat pleit voor de veronder­stelling dat het hetzelfde is -want ook het kind vat het spel als zijn werk op en het sprookje als zijn waarheid. De korte duur van het leven zou ons voor het pedante onderscheiden van levensstadia moeten behoeden-alsof zij stuk voor stuk iets nieuws zouden brengen ­en een dichter zou eens een tweehonderdjarige ten tonele moeten voeren, iemand die werkelijk zonder sprookjes en spel leeft.

Léon Spilliaert 1881-1946 Silhouet van de schilder 1907 MSK Gent

Zo mooi dit werk van Léon Spilliaert. Wachtend? Deze morgen hoorde ik op Klara een nieuwe versie van ‘Liebster Jesu, wo bleibt du so lange?’ J.S. Bach BWV 484, nauwelijks 2:46. Hier zingt Peter Schreier, orgel: Karl Richter. Zo menselijk, al te menselijk mooi. Het ‘wachten’ als feest. Maar zelfs met menselijk ongeduld. “Waar blijf je nu, zeg?”

Tussen de ‘voorlopigheid’ en het ‘eeuwige’

Abbott Handerson Thayer Landscape at Fontainebleau Forest

Zie je het woord ‘tussen’ in de titel dan weet je dat de werkwoorden ‘vergelijken’ en ‘kiezen’ van de schrijfstal worden gehaald. Het ene en/of het andere. Het ene is een fragment uit een tekst van de Nederlandse auteur P.F. Thomése, het andere zou in het werk van de Amerikaanse schilder Abbott Handerson Thayer kunnen schuilen. Merk op dat beide begrippen tussen de bekende haakjes zijn gezet zodat je al bestuivingen uit de vermeende tegenstellingen kunt verwachten. Beginnen we met een fragment uit het opstel ‘De werkelijkheidsverbeteraar, Over de Scheppende Blik’:

"Het onaangename, het lelijke, het verachtelijke, het weerzinwekkende enzovoort zijn ‘opbrengsten’ die een maker niet uit de weg kan gaan.  Het begrip esthetica is ontleend aan het Griekse woord aisthèsis, dat zintuigelijke waarneming betekent.  Het kan niet zo zijn dat onze ogen, oren, neus, mond en vingertoppen het gore en onaanzienlijke, het verderfelijke en het afzichtelijke, het stinkende en het krijsende qualitate qua negeren en alleen bij machte zijn het schone, goede en ware waar te nemen.
Lang zijn de zaken in de kunst zo voorgesteld, en kon de Kunst de mensen als lichtend voorbeeld dienen, waardoor zij een instrument werd van allerhande moralisme en ‘levenskunst’, Kunst inzetten om van mensen betere mensen te maken, het is eeuwenlang de norm geweest, en ook tegenwoordig zijn er nog onbegrijpelijk veel mensen die denken dat het zo werkt."
Angel Abott Handerson Thayer 1887

De engel hierboven is een portret van de schilders dochter Mary, elf jaar, en volgens teksten ‘…A allegory of hope and spirituality’. Of in door mij verzamelde commentaren is dit de samenvatting van zijn werk:

Abbott Handerson Thayer, is recognized today for his ethereal angels, portraits of women and children, landscapes, and delicate flower paintings. A New Englander who expressed the spiritual in much of his work, he was known as a “soul painter”. In his own time, his work was praised by critics even as it was popular with the public and sought after by collectors. 

The spiritual and idealist aspects of German philosophy, and its American counterpart in New England, transcendentalism, provided consolation. This idealism also prompted him to paint extraordinary figures that seemed to embody the perfection of beauty.
Boy and Angel, 1918
"Natuurlijk herken ook ik deze neiging om de werkelijkheid steeds terug te brengen tot wat je al wist.  Zo werkt het nu eenmaal, ook als je voortjaagt over de ongebaande paden van het eigen schrijven. Ook literatuur is, net als alle kunsten en wetenschappen, een code die steeds verkokerd dreigt te raken.  Dus als ik aan een boek werk - of een vertoog zoals dit- probeer ik daaraan te ontsnappen.  Als ik iets heb geschreven, en het is weer eens literatuur geworden, moet ik concluderen dat de onderneming is mislukt. Met plezier stel ik dan ook vast dat critici, literatuurhistorici en de gewone verdwaalde lezers zich met een aantal van mijn boeken geen raad weten en ze niet goed kunnen ‘plaatsen’.  Missie geslaagd, zeg ik dan.  Het is zaak de onzekerheid in stand te houden.  Zekerheden zijn er te over, daar moet je de kunst niet voor willen gebruiken.  Wat ik zoek is het open terrein, waar de woorden de weg niet kennen. 

Voor de moralist, mijn onzichtbare tegenstrever op het wit papier, liggen de betekenissen vast.  Hij eist althans dat ze vastliggen.  Dat gebeurt omdat hij is opgehouden met denken.  Hij is precies daar opgehouden waar het onbegrijpelijk wordt. Maar juist daar, in het opschorten van het voorgevormde oordeel, kan er iets ontstaan.  Pas buiten de begrenzing van het voorgevormde begrip kan ontvankelijkheid ontluiken, gevoeligheid voor het over het hoofd geziene, voor wat al die tijd al ongeweten aanwezig moet zijn geweest.  In de esthetische benadering van de werkelijkheid stel je conclusie uit, in plaats van haar steeds paraat te hebben.  Je wordt iemand zonder meningen, een ‘Man ohne Eigenschaften’." (P.F. Thomése vervolg)
ABBOTT HANDERSON THAYER | Study for “Harry Whiting, Nephew of the Artist”

“Doubtless my lifelong passion for birds has helped to incline me to work wings into my pictures; but primarily I have put on wings probably more to symbolize an exalted atmosphere (above the realm of genre painting) where one need not explain the action of the figures.”

It is difficult to categorize Thayer simply as an artist. He was often described in first-person accounts as eccentric and mercurial, and there is a parallel contradictory mixture of academic tradition, spontaneity and improvisation in his artistic methods. For example, he is largely known as a painter of "ideal figures", in which he portrayed women as embodiments of virtue, adorned in flowing white tunics and equipped with feathered angel's wings. At the same time, he did this using methods that were surprisingly unorthodox, such as purposely mixing dirt into the paint, or (in one instance at least, according to Rockwell Kent) using a broom instead of a brush to lessen the sense of rigidity in a newly finished, still-wet painting. (Wikipedia)
Oil Sketch of a Young Boy 1895 (copy)

“Zo mondt dit vertoog uit in een ode aan de voorlopigheid. Kom je daar nu pas mee, had je ons dat niet meteen kunnen vertellen? Nee, zo werkt het schrijven niet. In de esthetische denkruimte worden de vormen afgetast. je volgt er de lijnen, de patronen, je probeert er eens een betekenis op uit, die je vervolgens verwerpt. Het evidente bestaat hier niet, evenmin als een normale gang van zaken. Er heerst nog het onredelijke, het onbeheersbare, het wrede en het onverdraaglijke. Het is een sadistisch universum waar Hermans het over had maar het is ook het verloren paradijs van de herinneringen waarvan wij de toegangscode vergeten zijn en dat, zoals Proust ons liet zien, alleen te bereiken valt dankzij de onvoorspelbare grillen van de mémoire involontaire, het onvrijwillige geheugen. Het is de mogelijkheidszin van de man zonder eigenschappen. Het is kortom precies waar ik heen wil.


Niets is vluchtiger dan de esthetische ervaring. Ze verdwijnt en ze ontstaat, ze wordt vernietigd en je vindt haar weer terug. Juist die kwetsbaarheid zorgt voor ontroering. Het trotseren van de vergankelijkheid.
Dit is een pleidooi voor onaf kijken, voor de scheppende blik. Je niet afvragen: wat is de werkelijkheid, maar: hoe doet de werkelijkheid zich aan ons voor? Niet: hoe moeten we kijken? Maar: hoe kunnen we kijken? Werkelijkheid als mogelijkheid, niet als voldongen feit. Je kunt overal naar binnen. Je moet alleen de ingang even zien te vinden.
Het esthetische is een ervaringswijze die in de kunst, de muziek en de literatuur wordt geoefend en verfijnd, maar die niet alleen daar thuishoort, in dat museale domein, waar zij met haar monumentale grafzerk-formaat de werkelijkheid algauw verplettert tot bijschrift. Juist buiten de vaste kunstroutes kan het esthetische zintuig zijn diensten bewijzen. Werkelijkheid ervaren alsof het een kunstwerk is. Daar zou de wereld een heel stuk van opknappen. En de kunst ook, trouwens.” (P.F. Thomése vervolg)

Abbott H. Thayer ‘Brother and Sister (Mary and Gerald Thayer)’ 1889
Hij hertrouwde met zijn oude vriendin Emma Beach, en met zijn drie kinderen woonden en werkten ze in een complex van studio's, schuren, huizen, tuinen en onverwarmde slaaphutten. In deze tijd richtte hij zich op meer contemplatieve en zelfs raadselachtige onderwerpen: portretten van goede vrienden en familie, meditatieve uitzichten op Mount Monadnock en een serie engelen.
Thayer was een amateur-natuurliefhebber en een gepassioneerd vogelliefhebber. Hij geloofde dat zijn professionele training in kleur, waarde en ontwerp, gecombineerd met observatie van de natuur, hem het gereedschap gaf om te begrijpen hoe dieren zich vermommen voor roofdieren. Hij besteedde veel tijd en energie aan het definiëren, promoten en verdedigen van zijn ideeën over dit onderwerp.
Thayer ontwikkelde een liefde voor de berg die over zijn atelier uitkijkt. Door zijn inspanningen om de bossen op de hellingen van Mount Monadnock te beschermen werd hij een overtuigd natuurbeschermer. Ter ondersteuning van dat werk richtte hij het Thayer Fund op, dat via de National Audubon Society bewakers betaalde om vogelreservaten langs de oostkust te beschermen.
Het verlies van Kate bleef een bron van verdriet en hij zocht kracht in zijn kinderen, die hij schilderde als allegorische en religieuze figuren. Het gezin verhuisde naar Dublin, New Hampshire, waar Thayer buiten schilderde en artikelen schreef voor vakbladen over zijn theorieën over dierlijke camouflage.
In 1909 schreef hij samen met zijn zoon Gerald een boek dat een belangrijke bron werd voor camouflagetechnieken tijdens de Eerste Wereldoorlog. 'Concealing Coloration in the Animal Kingdom' (1909), the basis for camouflage techniques in World War I.
Below Mount Monadnock 1913

“Weg met de doelmatigheid en met het angstige moralisme, dat steeds uitsluit en buitensluit. Maak het speelveld weer zo groot als de kunst. Het zijn de mogelijkheden die de grootte van de wereld bepalen, niet de conclusies.
Kunst betekent het aanraken van het onbereikbare. Onze mogelijkheden bestaan niet, als je de kunst mag geloven. Het onmogelijke is een mogelijkheid op zoek naar een vorm.
Waar het in de kunst, dat vreemde geloof waar we zelf de god van zijn, om gaat is niet het onthullen van de werkelijkheid, maar juist het protest daartegen, tegen de gedeeltelijke voorstelling van zaken. Tegen alles waar ‘we’ hetzelfde over denken -en dus niet meer over denken.

(…) De onaffe blik, zo noemde ik het. Niet alleen de wereld, ook de werkelijkheid mag wel eens verbeterd worden. Laat de moralisten in hun blinde ijver de wereld maar vervolmaken, dan wijden wij, estheten ons aan de werkelijkheid en de mogelijkheden die zij biedt.”

Uit: De werkelijkheidsverbeteraar, Over de Scheppende Blik (fragment) P.F. Thomese. Verzameld nachtwerk, 2016. Uitgeverij Atlas Contact Amsterdam/Antwerpen

Virgin Enthroned 1891 Abbott Thaye

Bij Wikipedia Engelse versie kun je Abbot Handerson Thayer’s levensloop lezen. Een zoektocht met veel verlies. Maar ook een bijzondere drive waarin natuur, kunst en dagelijks leven combinaties proberen te maken. De boeiende tekst van P.F. Thomése zul je niet zo maar op dit levensverhaal kunnen enten denk ik. Het is ook in de kunst schipperen, net zoals dat in het dagelijks leven gebeurt. Ik betrapte mezelf erop dat ik bij het bekijken van de gevleugelden al dadelijk het werk bij de dromers catalogeerde. Aan de bezoeker van dit blog om zijn/haar bevindingen omtrent de stellingen van de tekst met het voorbije leven en het nog aanwezige werk van Abbot Handerson Thayer te confronteren, een oefening die mij nog een tijdje zal bezighouden. ‘Het Verzameld Nachtwerk’ van de auteur is nog steeds een aanrader, ook als (late) kennismaking met een boeiende denker.

Abbott Handerson Thayer Children

Schuilplaatsen voor een ziel?

Ba – vogel uit het Oude Egypte

Een van zijn talrijke grootmoeders benoemde de lijdende medemens met de uitdrukking ‘Arme Ziel…’, uitspraak door zacht hoofdschudden begeleid. Als klein kind werd het begrip ‘ziel’ daardoor met pijn of tegenslag verbonden. Kon hij zijn klein kinderhart nog waarnemen, de plaats waar de ziel zou huizen was waarschijnlijk het hoofd, tenzij ze zo volatiel was dat ze zich naar eigen inzicht en vermogen kon verplaatsen, ja tot zelfs buiten zijn aards omhulsel, en zoals de kleine Egyptische Ba-vogel eventueel op zijn schouder zou neerstrijken of -onzichtbaar natuurlijk- boven zijn hoofd zwevend hem op weg naar school begeleidde. Wislawa Szymborska beschreef die ziel met deze wondere woorden:

Enige woorden over de ziel – 

Een ziel heb je nu en dan.
Niemand heeft haar ononderbroken 
en voor altijd.

Dagen en dagen,
jaren en jaren
kunnen zonder haar voorbij gaan.

Soms verwijlt ze alleen in het vuur
en de vrees van de kinderjaren
wat langer bij ons.
Soms alleen in de verbazing
dat we oud zijn.

Zelden staat ze ons bij
tijdens slopende bezigheden
als meubels verplaatsen
en koffers tillen
of een weg afleggen op knellende schoenen.

Bij het invullen van formulieren
en het hakken van vlees
heeft ze doorgaans vrij.

Aan een op de duizend gesprekken
neemt ze deel,
maar zelfs dat is niet zeker,
want ze zwijgt liever.

Wanneer ons lichaam begint te lijden en lijden,
verlaat ze stilletjes haar post.

Ze is kieskeurig:
ze ziet ons liever niet in de massa,
walgt van onze strijd om maar te winnen
en van ons wapengekletter.

Vreugde en verdriet
zijn voor haar geen twee verschillende gevoelens.
Alleen als die twee zijn verbonden,
is ze bij ons.

We kunnen op haar rekenen
wanneer we nergens zeker van zijn,
maar alles willen weten.

Wat materiële zaken betreft
houdt ze van klokken met een slinger
en van spiegels, die vlijtig hun werk doen,
ook wanneer niemand kijkt.

Ze vertelt niet waar ze vandaan komt
en wanneer ze weer van ons verdwijnt,
maar lijkt zulke vragen beslist te verwachten.

Het ziet er naar uit
dat net als wij haar
zij ons ook
ergens voor nodig heeft.
 
Dit mozaïek in de scheppingskoepel (ca. 1220) van de San Marco laat zien dat voorstelling van de ziel met vlindervleugels in de 13de eeuw nog niet was vergeten. God schept een op hem gelijkend beeld uit klei. Daarna bezielt hij het beeld door het levensadem in te blazen. Dat wordt in beeld gebracht door hem een kleine menselijke gestalte met vlindervleugels aan te reiken. (Paul Bröker De menselijke ziel verbeeld)
‘Meer dan eens vergelijkt Aristoteles de verstrengeling van ziel en lichaam met die van de ambachtsman en zijn werktuig: de eerste bedenkt iets en wil iets, maar heeft een zaag nodig om het hout te snijden, een hamer om het ijzer te pletten, een tang om het ijzer in het vuur te houden. Uiteindelijk ontstaat er dan iets moois, dat structuur heeft omdat er een plan achter schuilgaat. Het lichaam heet ‘werktuiglijk’ ten opzichte van de ziel, omdat de ziel zich ervan bedient zodat ze dat wat ze met dat lichaam (eigenlijk met het geheel dat zij met het lichaam vormt) voorheeft, te realiseren. Of liever: te verwerkelijken.’ (BS) Ben Schomakers, Aristoteles, de ziel)

Maar, zegt Schomakers, dit is niet allemaal de ziel van Aristoteles: in het Grieks is ‘psuchè’ dus op de allereerste plaats datgene waarvan de aanwezigheid een lichaam levend maakt.
‘Vandaar zweeft de ziel van Aristoteles, keurig in overeenstemming met het Griekse taalgebruik, ook in het ‘domein van de innerlijkheid’, die actief en passief is, vluchtend en verlangend, waarnemend en initiatief nemend, voelend en verward rakend, denkend en beslissend.’ (BS)
Prometheus modelleert een mensen en Athena wekt het beeld tot leven en geeft het een ziel, overgeleverd detail van een Romeinse Sarcofaag, marmer: hoogte: 60 cm, lengte: 104 cm, 185 n.Chr. Museo Nacional del Prado, Madrid

Volgens de Griekse filosoof Aristoteles (384-322 voor Christus) en zijn leermeester Plato (427-347 voor Christus) bestonden er drie soorten ziel. Planten hadden alleen een vegetatieve ziel. Deze zorgde dat het organisme zichzelf voedde en voortplantte. Dieren hadden naast een vegetatieve ziel ook een sensitieve ziel. Die maakte dat ze konden voelen, bewegen en waarnemen. De laatste ziel was alleen weggelegd voor mensen. Dit was de zogeheten rationele ziel, verantwoordelijk voor al het hogere denkwerk van de mens.
De rationele ziel zat volgens Aristoteles niet in de hersenen, zoals Plato hem had doen geloven, maar in het hart. Dat was immers ons belangrijkste orgaan. Het had een centrale plek in het lichaam, en het was het eerste orgaan dat tijdens de embryonale fase zijn vorm aannam, zo had Aristoteles ontdekt. Destijds werd ook geloofd dat alle lichaamswarmte door het hart werd opgewekt. En Aristoteles zag een verband tussen de ‘hoeveelheid’ ziel die een dier bezat en zijn warmte. Vissen en salamanders hadden bijvoorbeeld minder ziel dan konijnen of herten, en waren ook een stuk minder warm.
De hersenen maakten destijds weinig indruk. Zonder conserveringstechnieken, zoals vriezers en formaldehyde, zakken ze in als een pudding. Geen orgaan waar je het hoge denkwerk aan toeschrijft. (Ben Schomakers, Aristoteles, de ziel)

Plato vergelijkt de ziel met een gevleugeld span paarden en zijn menner. (FOTO MUSEO ARCHEOLOGICO TARQUINIA)
De ziel

De ziel is in diepste wezen zielig. Op ieders lip slaagt zij
er maar niet in substantie te verwerven.
Begrensd door ene begrip dat loos is, zonder materie
is zij niet meer dan het woord dat haar benoemt
zielsveel, met hart en ziel, zieltogend: niets dan taal.

Daarom raakt dit gedicht aan niets en
slaat bij iedere regel de plank steeds verder mis.
Toch wil ik haar niet missen: meer dan
de som der delen waaruit zij bestaat
verspreid in de oplichtende banen van het brein

Op de monitor van de intensive care
zien wij haar ten slotte wegvluchten in een punt.
Wat achterblijft: het zielloos lichaam
en de zekerheid dat iets verdwenen is
dat niet bestaan kon maar er toch was.

J. Bernlef (pseudoniem van Hendrik Jan Marsman 1937-2012)
De heilige Liudger geneest de blinde zanger Bernlef (afbeelding uit ‘Neerlands heiligen in vroeger eeuwen’ van J.A.F. Kronenburg, 1904)

En dus gebruikte dichter Hendrik Jan Marsman (1937-2012) later het pseudoniem J. Bernlef, naam van de blinde zanger die door de heilige Liudger werd genezen. Marsman is in de literatuurgeschiedenis bekend als auteur van onder meer de roman Hersenschimmen (1984), die in 2017 zijn 61e druk beleefde. Deze roman beschrijft het proces van dementering vanuit het perspectief van een dementerende man. In 2008 schreef Marsman het Boekenweekgeschenk, getiteld De pianoman.

Zwervend tussen beelden in taal en kunstwerken, op zoek naar allerlei bepalingen van ons “aller-zielen” kwam ik bij een fraai gezegde uit een rede van prof. dr. Frans AJ. de Haas bij zijn aanvaarding van het ambt van hoogleraar op het gebied van de Antieke en Middeleeuwse wijsbegeerte (Universiteit Leiden) november 2003:

'Geen mens is intelligent genoeg om zijn eigen domheid te begrijpen.' (maar dat valt bij nader inzien wel mee en kan een nieuwe stelling gelanceerd worden:  Geen mens is dom genoeg om zijn eigen intelligentie over het hoofd te zien'. - en er zal nog een hoop filosofie de revue passeren voor we daarmee in het reine zijn gekomen.'
Noordbrabants Museum in ’s-Hertogenbosch:Bezoekers bij een replica in leer van een Sovjettank door He Xiangyu. Foto Joep Jacobs

Vanuit het Chinese kunstwerk hierboven is het maar een klein stapje naar de werkelijkheid in Oekraïne. In een klein gedicht verwondert de Oekraïense dichteres Lyuba Yakimchuk zich over de productie van huisraad en wordt een haarborstel uit Kharkiv een herkenning, een verlangen naar het voorbije dagelijkse leven. Ook daar huist de ziel.

The Making of Tenderness

at the shelf of hair products
I grab a hairbrush, marked
“Made in Kharkiv”
this one ought to last awhile
as “Kharkiv” means “enduring”
some might say: “eternal”


Het maken van tederheid

bij het schap met haarproducten
Ik pak een haarborstel, gemarkeerd
"Made in Kharkiv"
deze zou een tijdje mee moeten gaan
want "Kharkiv" betekent "duurzaam".
sommigen zouden zeggen: "eeuwig".
Створення ніжності

біля полиці з засобами для волосся
Беру гребінець для волосся з написом
"Зроблено в Харкові".
ця має прослужити довго.
адже "харківський" означає "витривалий".
Хтось скаже: "вічний".
Verschuilt ze zich in bloemen, hoe thuis is zij in muziek, de ziel.
Refrain:
Sous le dôme épais
Où le blanc jasmin
À la rose s'assemble
Sur la rive en fleurs,
Riant au matin
Viens, descendons ensemble.

In de stilte van de mooie leegte

Zo stil, zo in zichzelf gekeerd, 
spiegelend zich in eigen eenzaamheid. 
Schaduwen glijden door haar heen. 
Er is avond op til. 

Uh Chin 'Vuurdoorn'
Maanzilvernetten over zee.
Bladgouden glinsteringen
-de door de wind verstrooide-
blinkende aan het strand.
Brengt deze golf
-van alle golven de ene-
brengt deze golf je het ene
van alle bladeren alleen
voor jou bestemde blad.

Din San  'Perzikbloesem'
En zoveel mensen leefden aan dit water.Zie hoe zijn spiegel onbeschreven is.
Een schip gleed langs de groene oeverweide,
een vogel gleed de verre wolken binnen.
Zie hoe geen spoor van hen gebleven is.
Diep in het meer houdt zich de vis verscholen.
Geen zal de hengelaar ontkomen.
Onpeilbaar, onbestendig is alleen
de diepte van het menselijk hart
waarvan de dromen schaduwloos vergaan.

Chang Ta Ch' ien  'Hengelaar en oeverweide'
En het een zal worden tot het ander
en uit doornen zullen bloesems breken.

Uh Chin  'Het ongelijke bloeien'
Schoonheid onaangeraakt.
Tederheids adem alleen
zal haar volledig ontvouwen.

Xang Shi Tze  'Wilde narcis'
Regen.  De bloesems sluiten zich.
Ik wacht de vreugde van het ogenblik
waarop het leven, glanzend en gedrenkt,
opnieuw ontluikt.
En ik de tuin inga.

Chang Ta Ch' ien  'Abrikozentak'
Voorbij deze dingen
en de bergen voorbij
en de wegen voorbij,
ligt de plek
waar je rust zult vinden.

Fu Jü  'Landschap'

Waarschijnlijk zal ik niet de enige zijn die deze nachten moeilijk de slaap kon vatten: de warmte, de oorlog, de komende winter, de centen…Bij de oude bewaarde gekoesterde boeken en geschriften vond ik ‘Het bloeiend penseel’ Chinese pentekeningen in kleur, een uitgave van Kruseman Den Haag, oorspronkelijk ‘Chinesische Blüten’ Georg Westerman Verlag, Braunschweig. Nederlandse uitgave van Kruseman’s Uitgeversmij. n.v. 1967. De poëzievertaling is van Harriet Laurey, tekst van Walter Feng. De enkele voorbeelden hierbij hebben al die jaren vaak de stilte hoorbaar gemaakt waarin ondanks het rumoer de schoonheid de weg naar de kern der dingen blijft wijzen. Amen.

Chang Ta Ch’ ien Pioenroos
De Chinese schilderkunst is niet, zoals de Europese, bestemd om als wandversiering te dienen. De met inkt en penseel op papier of zijde geschilderde tekeningen worden gewoonlijk gevouwen of opgerold in kisten en kasten bewaard.
Slechts nu en dan, bijvoorbeeld bij feestelijke gelegenheden, wordt er een tevoorschijn gehaald, om met indringende aandacht beschouwd te worden. De op houtstaven horizontaal opgerolde prenten worden op tafel gelegd en geleidelijk ontrold en detail voor detail bekeken. Er zijn landschappen, die verschillende meters lang, maar slechts enkele centimeters hoog zijn, zodat oog en geest er geleidelijk in thuis raken en, langzaam vorderend, tot een dieper inzicht gedwongen worden. Het eigenlijke thema van de tekening ligt niet in het afgebeelde onderwerp. Het schuilt in de stemmingsinhoud, die evenzeer uit een weids landschap met bergen, wolken, meren en mensen voelbaar wordt als uit een enkele bloesemtak, een kleine vogel op een dunne twijg. 
Een van de bijzondere middelen, waarvan de Chinese schilder zich bij zijn kunst bedient, is de beheersing van de ruimte. Juist de ”leegte” van de tekening is zijn kracht. Men kent er zelfs een aan vaste regels gebonden éénhoeks-compositie, een vlakverdeling waarbij slechts enkele fijne penseelstreken de witte ruimte van het papier breken. Die uiterst beheerste, tot het minimale ingehouden wijze van uitdrukking vindt men bij tekening en vers  terug. Pruimen- en perzikbloesems, de meeste motieven van deze bladen, zijn zinnebeelden van de ontwakende natuur in de lente en van de overvloed in de volle zomer. Nevels, wolken en sneeuw tonen de mens zijn eigen kleinheid en zwakte en voeren hem tot inkeer in de eigen ziel, die een deel van de kosmos is.
Vogel die schreeuwt, waarom,
die zingt, waarom zing je, vogel?

Chi Pai Shih  'Kleine herfstvogel'

De kwetsbare kortstondigheid

Andries van Bochoven Zelfportret met familie 1629

De twintigjarige schilder Andries van Bochoven ( 1609-1634) zag zijn zelfportret liefst in familieverband. Zij poseren aan een gedekte tafel. Zijn vader Rutger houdt een bijbel vast, zijn dochters waarschijnlijk catechismusboekjes. Op het schilderij staan de namen en geboortedata van elke figuur. Binnen vier jaar na de voltooiing van dit werk waren Andries, zijn stiefmoeder, zijn broer Herman en zijn zus Josina allen overleden. Het portret bleef in het bezit van zijn vader tot aan zijn eigen dood, een herinnering aan gelukkiger tijden. (De schilder werd niet ouder dan vierendertig.)

Here the twenty-year-old Andries van Bochoven has shown himself as a painter surrounded by his family, all awaiting dinner at a laid table. His father Rutger holds a Bible; his daughters probably hold catechisms. The painting bears the names and date of birth of each figure. Within four years of the completion of this work, Andries, his stepmother, his brother Herman, and his sister Josina had all died. The portrait remained in his father’s possession until his own death (1644), a reminder of happier times. 

Je kunt allerlei dingen gaan opzoeken, stijl, betekenis, maar dat zijn gegevens, nuttig bij studie, hier echter niet zo belangrijk. Je bent als kijker verbonden met elf levens op een moment dat het hen allen goed gaat. Het kleine meisje rechts aan tafel gezeten, Petra, zal negentig worden, tweemaal huwen en tien kinderen krijgen. De anderen is een korter tot zeer kort leven toebedeeld. De schilder zelf zal het portret vijf jaar overleven. Hij zal, vijf jaar na dit portret, sterven aan ‘de plaag’, de pest die 15% van de inwoners van Utrecht zal opeisen. Maar hier in 1629 zijn ze een gezin. Bij elkaar horend. Even toch. Kortstondig.

Leon Wyczółkowski, Spring: The Interior of an Artist’s Atelier, 1933,  National Museum in Bydgoszcz, Bydgoszcz, Poland.

Dat prachtige ‘gouden uur’. Nog maar net vandaag ontdekt en tegelijkertijd groeiden met dit beeld allerlei reminiscenties naar tal van naamloze eigen ervaringen met licht en schaduw die op allerlei manieren ruimten binnendringen of de muren betoveren. Vaak kortstondig, soms in woorden gevangen zoals in dit gedicht waarin de in juni van dit jaar overleden dichter, Peter Scupham, het zonlicht uit zijn ogen wrijft. ‘Reflection’.

Reflection

Looking at blue, looking through blue,
he watched slow floaters rise and die;
flowers were talkative that high summer,
their fluid crimsons bedded on his retina
as he twisted sunlight from his eyes,

took a steady breath to ease the skin
soaped on a clay pipe bowl, watched
a perfect globe imprison his reflection:
his charmed soul, perfect in its wandering,

to float it all away: the trill of voices,
the dog’s gruff coat, the cradled branches,
and all that curvature of space and time
which held him briefly, as life holds him,
carried through iridescence to his vanishing.

Peter Scupham (1933-2022) from 'Invitation to View'
Wolk irisatie Wiki
Reflectie 

Kijkend naar blauw, kijkend door blauw,
keek hij hoe trage  drijvenden  opstegen en stierven;
bloemen waren spraakzaam die hoogzomer,
hun karmozijn vloeibare  rustend op zijn netvlies
terwijl hij het zonlicht uit zijn ogen wreef,

haalde rustig adem om de huid te kalmeren
gezeept op een kleipijp-kop, bekeken hoe
een perfecte bol zijn spiegelbeeld gevangen hield:
zijn betoverde ziel, perfect in haar omzwervingen,

om het allemaal weg te laten drijven: de trilling van stemmen,
de ruwe vacht van de hond, de wiegende takken,
en al die krommingen van ruimte en tijd
die hem kort vasthielden, zoals het leven hem vasthoudt,
gedragen door irisaties (kleurenspel) tot zijn verdwijnen.

Peter Scupham GB
https://stringfixer.com/nl/Iridescent

Thomas Couture (1815-1879) schilderde ca. 1859 zijn versie van dit geliefde thema. De uitleg van The Met museum, ook al is het werk voorlopig niet in de collectie te bekijken:

A schoolboy, identifiable by the books on the desk, contemplates soap bubbles, traditional symbols of the transience of life. A wilting laurel wreath on the wall behind him suggests the fleeting nature of praise and honors. The word "immortalité," inscribed on the paper inserted in the mirror, reinforces the painting’s allegorical content.
Couture was an influential teacher known for his opposition to strict academic instruction. Among his pupils was Manet, who in 1867 painted his own, more naturalistic, version of this subject (Museu Calouste Gulbenkian, Lisbon). 
Edouard Manet Le Garçon à la bulle de savon

Waarschijnlijk zijner weinigen die nooit de kunst van het bellenblazen hebben beoefend. Uiteraard een geliefkoosd onderwerp voor degenen die het over ‘kortstondigheid’ hebben. De versie van Rembrandt’s leerling, Gerrit of Gerard Dou (1613-1675) wil ik je niet onthouden. Met enig wantrouwen kijkt het kind naar de omgevallen zandloper, de omgekeerde schedel en de luit op, deze memento mori .

Stilleven met een bellenblazende jongen Gerrit Dou (Gerard Douw)
The soap-bubbles, skull, hourglass, feathered cap and gourd and other still-life elements shown in this work indicate that its subject is vanitas, the emptiness and ephemeral quality of man's existence. This work differs slightly from standard vanitas images as the boy blowing soap-bubbles has been fitted with the wings of angel. This motif indicates the layering of a religious theme over the standard vanitas imagery. 

Een boeiende YouTube omtrent dit onderwerp, met veel zorg en kennis gemaakt, neem je tijd!

    Al mijn vaarwels zijn gezegd.
  Zoveel keer vertrekken heeft mij langzaam
maar zeker gevormd sinds ik kind was.
Maar ik kom weer terug,
    ik begin opnieuw,
 mijn blik wordt bevrijd
 door de ongedwongen terugkeer.

       Wat mij rest is die blik te vervullen,
  en mijn vreugde
altijd zonder berouw
 te hebben gehouden van de dingen die
  lijken op de afwezigheden die ons
  tot handelen aanzetten. 

(Rainer Maria Rilke)

Papieren bootjes (5) Het nut van het nutteloze

Eigen foto

Twee jonge vissen zwemmen een eindje. Een oudere vis komt hen tegemoet die hen begroet: ‘Dag jongens. Hoe is het water?’ De twee jonge vissen zwemmen verder, kijken elkaar aan en zeggen: ‘Wat is in godsnaam water?’

(naar David Foster Wallace, geciteerd in: Het nut van het nutteloze, een manifest van Nuccio Ordine. Uitgeverij Erven J. Bijleveld 2016 )

In hetzelfde boek vertelt de auteur een fragment uit de Decamerone van Boccaccio.

In de derde vertelling van de eerste dag waarover de Decamerone verhaalt, roept de beroemde Saladin, sultan van Cairo, de rijke, geleerde jood Melchisedek naar het hof. Hij legt hem de vraag voor welke van de drie grote religies de ware is: de joodse, de christelijke of de islamitische. De jood begrijpt onmiddellijk dat de vraag een hinderlaag is en als wijs man beantwoordt hij het zeer lastige probleem met een verhaal. Melchisedek vertelt de geschiedenis van de vaders die heimelijk een gouden ring nalaten, bestemd voor de meest verdienstelijke erfgenaam. Volgens de traditie kiest elke vader generatie na generatie een zoon die de eer te beurt valt, totdat een vader in de problemen raakt omdat hij drie jonge nakomelingen heeft van wie hij evenveel houdt. Hoe kan hij ze alle drie belonen met één enkele ring?  Hij bestelt in het geheim bij een goudsmid twee volmaakte kopieën van het origineel en wanneer hij zijn dood voelt naderen, schenkt hij iedere zoon een ring:

“En toen de ringen zo volmaakt op elkaar bleken te lijken dat geen mens er nog de oorspronkelijke kon uithalen, bleef de vraag wie de ware erfgenaam van de vader was onopgelost, en dat is ze tot op heden gebleven. En dit geldt ook, heer, voor de drie wetten die God de Vadér aan de drie volkeren gaf en waarover u mijn mening vroeg: elk volk is er heilig van overtuigd dat het Zijn nalatenschap heeft geërfd en dus volgens Zijn wet en Zijn geboden leeft. Maar wie het uiteindelijk bij het rechte eind heeft, blijft, zoals bij de ringen, een open vraag.”

En als het heel concreet over ‘wiskunde’ mag gaan dan graag nog dit citaat uit dat mooie boek, een citaat van de Franse wetenschapper Poincaré naar de verdiensten van dit vak:

"De wiskunde heeft een drievoudig doel.  Ze moet een instrument bieden voor het bestuderen van de natuur.  Maar dat is niet alles:  ze heeft een filosofisch doel en ik waag zelfs te zeggen een esthetisch doel.  Ze dient om de filosoof te helpen de noties van getal, ruimte en tijd te verdiepen.  En boven alles scheppen de liefhebbers van wiskunde een genoegen in haar op een wijze die vergelijkbaar is met het genoegen dat de schilderkunst en de muziek bieden." (p. 123)

Stel je voor dat het onderwijs filosofisch mocht zijn. Wat als…?

«Het nut van het nutteloze» is een even ophefmakende als hartstochtelijke verdediging van de waarde van kennis, kunst en cultuur in een tijd van rendementsdenken, management-ideologie en nuttigheidsmanie. Het gevolg is een zelf toegebrachte culturele en intellectuele kaalslag die de samenleving fundamenteel aantast. 

Nuccio Ordine (1958) is filosoof, literatuurwetenschapper en wereldwijd gelauwerd deskundige op het gebied van de Renaissance in het algemeen en Giordano Bruno in het bijzonder. Hij is hoogleraar Italiaanse Literatuur aan de Universiteit van Calabrië, Fellow van Harvard University, en als gasthoogleraar verbonden aan Yale, de Alexander von Humboldt Stiftung, New York University, de Ecole Normale Supérieure te Parijs, de Sorbonne, het Institut des Études Avancées de Paris, het Max Planck Institut en het Warburg Institute. Zijn boeken zijn over de gehele wereld in vertaling verschenen.

Between this and that, balance and siege

Kauffmann, Angelica; Self Portrait of the Artist Hesitating between the Arts of Music and Painting; National Trust, Nostell Priory; http://www.artuk.org/artworks/self-portrait-of-the-artist-hesitating-between-the-arts-of-music-and-painting-170660 (klik op ondertiteling om te vergroten)

In het Nederlands klinkt het mooier: Tussen dit en dat, balans en belegering. Een programma, een bedenking, vooral ook een vraag. Hier dwingend gesteld door de Zwitserse artieste Angelica Kauffmann (1741-1807) die zichzelf door twee gepersonaliseerde kunsten belegerd voelt: zal het muziek worden of eerder de schilderkunst? De titel van mijn bijdrage brengt de keuze tussen een balans of een belegering al een beetje dichter bij een mogelijk compromis. Terwijl je deze tekst leest heb je wellicht jezelf herkend of herken je nu wel een situatie waar je voor een keuze werd geplaatst al hoeft ze niet zo dramatisch te zijn als die van Angelica. Het ‘kiezen is verliezen’ of het ‘in medio vir’ (de deugd in het midden) als samenvatting. Bekijk je de gezichten van de twee kunsten dan zie je dat de muziek zich van een ander wapen bedient dan de schilderkunst. Het wordt iets tussen wekerige maar o zo verlangende blik en een overtuigd wijzen naar de hoogten van het succes. Een mannelijk schilder zou dit nooit zo fraai en doordringend in beeld kunnen brengen! Kijk ook naar de blikken: wie kijkt naar wie, en hoe? De linkerhand van Angelica wijst al naar een keuze al houdt ze de linkerhand van de muziek nog stevig omklemd. (Angelica had een prachtige zangstem!)

In Dutch it sounds nicer: Tussen dit en dat, ballans en belegering. A programme, a reflection, and above all a question.  Compellingly posed here by the Swiss artist Angelica Kauffmann (1741-1807), who finds herself besieged by two personalised arts: will it be music or rather painting? The title of my contribution already brings the choice between a balance or a siege a little closer to a possible compromise. As you read this text, you may have recognised yourself or you may now recognise a situation where you were confronted with a choice, although it need not be as dramatic as Angelica's. The 'to choose is to lose' or the 'in medio vir' (the virtue in the middle) summary. If you look at the faces of the two arts, you see that music uses a different weapon than painting.  It becomes something between a wary but oh so longing glance and a convinced pointing to the heights of success.  A male painter would never be able to depict this so beautifully and so penetratingly! Look at the looks: who is looking at whom, and how? Angelica's left hand is already pointing to a choice, although she is still holding the left hand of the music firmly. (Angelica had a beautiful singing voice!)
Distant Thoughts Walter Langley (1852-1922)

Eén van de meest menselijke mogelijkheden bestaat erin ons in gedachten te verplaatsen zoals mensen uit het onderwijs elke dag ervaren als ze hun leerlingen met een gebiedende stem terughalen uit de meest verre en onwaarschijnlijke gebieden. Het is een mooie oefening ’s avonds, op de rand van de nacht, je af te vragen waar je ‘in gedachten’ die dag hebt uitgehangen. Bekwame leermeesters maken gebruik van deze mogelijkheid door hun toehoorders mee te nemen naar die terra incognita en ze nieuwsgierig-naar-meer achter te laten, gesteld dat intussen Netflix en aanverwanten al die terreinen nog niet hebben ingenomen. ‘Zit-niet-te-dromen’ duidt eerder op een tekort aan fantasie bij de leermeester die de vaardigheid mist van het gedroomde leven gebruik te maken om de realiteit niet alleen dragelijk maar ook uitnodigend te maken. Geen enkele serieuze wetenschap kan iets bereiken zonder deze ‘verplaatsingen-in-de-geest’. Zeg maar dat Einstein het gezegd heeft.

Paxton Maroney
One of the most human possibilities is to move in our minds, as educationalists experience every day when they recall their students in a commanding voice from the most distant and unlikely places. It is a great exercise in the evening, at the edge of the night, to ask yourself where you have been 'in thought' that day. Skilled teachers make use of this opportunity by taking their listeners to that terra incognita and leaving them curious-to-more, assuming that Netflix and the like have not already taken over all those terrains. Don't-sit-dreaming' rather points to a lack of imagination on the part of the teacher who lacks the ability to use the dreamed life to make reality not only bearable but also inviting. No serious science can achieve anything without these 'displacements-in-the-mind'.-
Paxton Maroney

Hier laat ik Joshua Rottman van The New Yorker aan het woord:

‘In July of 1838, Charles Darwin was twenty-nine years old and single. Two years earlier, he had returned from his voyage aboard H.M.S. Beagle with the observations that would eventually form the basis of “On the Origin of Species.” In the meantime, he faced a more pressing analytical problem. Darwin was considering proposing to his cousin Emma Wedgwood, but he worried that marriage and children might impede his scientific career. To figure out what to do, he made two lists. “Loss of time,” he wrote on the first. “Perhaps quarreling. . . . Cannot read in the evenings. . . . Anxiety and responsibility. Perhaps my wife won’t like London; then the sentence is banishment and degradation into indolent, idle fool.” On the second, he wrote, “Children (if it Please God). Constant companion (and friend in old age). . . . Home, & someone to take care of house.” He noted that it was “intolerable to think of spending one’s whole life, like a neuter bee, working, working. . . . Only picture to yourself a nice soft wife on a sofa with good fire and books and music perhaps.” (The New Yorker)

Onder zijn lijsten krabbelde Darwin, "Trouwen, Trouwen, Trouwen QED." En toch, schrijft Steven Johnson in "Farsighted: How We Make the Decisions That Matter the Most," "we hebben geen bewijs van hoe hij werkelijk deze concurrerende argumenten tegen elkaar heeft afgewogen." Johnson, de auteur van "How We Got to Now" en andere populaire werken over intellectuele geschiedenis, kan niet anders dan de middelmatigheid van Darwins besluitvormingsproces opmerken. Hij wijst erop dat Benjamin Franklin een meer geavanceerde pro-en-con techniek gebruikte: in wat Franklin "Prudential Algebra" noemde, wordt aan elk opgesomd item een numeriek gewicht toegekend, en tegenstrijdige items worden dan geëlimineerd. ("Als ik een reden pro gelijk aan sommige twee redenen con vind, schrap ik de drie ... en zo ga ik te werk om te ontdekken waar de Balans ligt," verklaarde Franklin aan een vriend). Zelfs deze benadering, schrijft Johnson, is slordig en afhankelijk van intuïtie. "De kunst van het maken van vooruitziende keuzes - beslissingen die lange periodes van overleg vereisen, beslissingen waarvan de gevolgen jaren kunnen duren," concludeert hij, "is een vreemd genoeg ondergewaardeerde vaardigheid." (ibidem)

Lees of luister via de podcast naar deze boeiende bijdrage: The Art of Decision-Making
Your life choices aren’t just about what you want to do; they’re about who you want to be.

https://www.newyorker.com/magazine/2019/01/21/the-art-of-decision-making

Paxton Maroney

Bij allerlei ‘vernieuwingen’ of correcties daarop, worden de mogelijkheden van de ‘zwervende geest’, zeg maar fantasie rijkelijk onderschat. Inlevingsvermogen, om maar één gebied te vermelden, kan niet zonder. Op deze gewone dag, 25 juni, zijn we tussen twee kerstmissen beland: die van zes maanden geleden en de kerst van 2022. Net voorbij de langste dag, midzomer, beginnen de dagen te korten. En wat je ook plant (in de grond of in het hoofd) de zo bekende onvoorziene omstandigheden steken hun klassieke stokken in de wielen waarop we naar het toekomende rollen. Ook zijn wij niet meer de mensen van zes maanden terug en zullen we over zes maanden ook weer andere schepsels zijn. En de schoonheid?

Kunst

Wat we willen:
Momenten
Van helderheid
Of beter nog: van grote
Klaarheid

Schaars zijn die momenten
En ook nog goed verborgen
Zoeken heeft dus
Nauwelijks zin, maar
Vinden wel

De kunst is zo te leven
Dat het je overkomt

Die klaarheid, af en toe

Dit gedicht van Martin Bril komt uit zijn bundel 'Verzameld werk’ - Uitgeverij 521, Amsterdam 2002.

Wassily Kandinsky

Of je keuzes beredeneert zoals in het voorbeeld uit de New Yorker of gebruik maakt van associaties waarin de mogelijkheden zich vaak uit onverwachte hoek aanbieden zullen we in volgende bijdrages vanuit diverse creatieve processen proberen te belichten. Hoe ontstaat een kunstwerk, in hoeverre is de tijd waarin het gemaakt is belangrijk. Bestaat er een kunstgeschiedenis of had Frans Reijnders gelijk toen hij in 1984 ‘Kunst’ en ‘Geschiedenis’ liet verdwijnen. Bestaan er ‘supermarkten van de cultuur’ zoals toen Beaubourg, Documenta en de Biennale werden bestempeld. (om maar te zwijgen van de Veilinghuizen.) Baudrillard om af te sluiten:

'De hypertrofie van het historisch onderzoek, het delirium om alles te verklaren, alles iets toe te schrijven, alles een referentie te geven...Dit alles leidt tot een fantastische overvoering, waarbij de referenties allemaal voor en van elkaar leven.  Ook daar ontstaat een overontwikkeld interpretatiesysteem zonder enige relatie met zijn doelstelling.  Dit alles verheft zich in een vlucht naar voren tegen de achtergrond van het doodbloeden van de objectieve oorzaken.' 
Nou moe...

Kleine recepten omtrent de leegte, een aanloop (4)

Sumi-e- werk van Marjon de Jong

Een eerste stap:

Een gedachte die ik onthou uit de film, hieronder met een simpel klikje te bereiken, is dat het niet-tekenen belangrijker kan zijn dan wat je met inkt (Sumi = inkt) aanbrengt, het respect voor de leegte. Het wit.

Marjon de Jong ontdekte Sumi-e, een oorspronkelijk Chinese, traditionele schilderkunst die rond 1200 naar Japan was overgewaaid. Sumi-e betekent letterlijk: met zwarte inkt schilderen. In deze traditie worden voorstellingen als landschappen met enkele penseelstreken tot de essentie teruggebracht. Bij het aanbrengen van de streek moet je nergens naar streven. De streek zelf is de essentie, de weg naar het uiteindelijke werk. We spreken haar over haar leven. Hoe haar jeugd haar leven heeft bepaald en hoe het schilderen haar helpt om met haar verleden om te gaan.

En dat zie je in deze mooie, ontroerende documentaire (33:00) waarin kunst en het niet zo rooskleurige leven elkaar raken. Bekijk hem op een stil moment waarin je niet gestoord kunt worden.  Hij, de documentaire en zij, de kunstenares zullen je lang bijblijven. Kijk hier:

https://www.npostart.nl/de-boeddhistische-blik/24-10-2021/KN_1727631

Zen- en Sumi-e meester Beppe Mokuza

In de documentaire ervaar je het ongemakkelijke, pijnlijke leven van de kunstenares en hoe haar werk, haar kunst haar hielp, bijna als therapie. Het wondere, maar vooral het reële. De leegte als een voortdurend zoeken naar de essentie.

Haar website:

https://www.marjondejong.eu/nl/

Marjon de Jong Acryl op doek, The quantum leap

Vervolgens:

Probeer wat je gezien hebt te toetsen aan jezelf, aan je omgeving. Dus wandel je, fototoestel in de hand, op deze woensdagnamiddag door het huis, net voor het feest van hemelvaart, en je kijkt naar onbedoelde combinaties die je iets van dezelfde tegenstelling ‘verlies en essentie’ meegeven.

eigen foto

Niet gerangschikt, gewoon een hoekje uit een werkkamer. Gevuld met foto’s en herinneringen aan geliefde wezens waarvan de meesten helaas voor altijd lijfelijk afwezig, met uitzondering van mijn twee beminde vrouwen. Een klein hemeltje, een ‘blijf bij ons want het wordt het al donker buiten.’

eigen foto

De zelf gekweekte Kaapse viooltjes, kwetsbaar en kortstondig. Niet te veel in de zon, zeker niet in de regen. De rug van de dame uit de Jugendstil-tijd. De veranda spiegelt in het glas van de eetkamer. Niet van marmer helaas voelen we ons ook verbonden met de viooltjes. Niet te veel van dit maar ook niet te weinig van dat. Je herkent het gezochte evenwicht. Essences en essenties in handbereik.

eigen foto

De gedroogde granaatappelen. Punica Granatum. Deze vruchten hebben talloze referenties in de literatuur en de kunst geïnspireerd, en de vrucht van de granaatappel wordt al lang beschouwd als een symbool van schoonheid en vruchtbaarheid. Alleen de pitten van de vrucht zijn eetbaar en bevinden zich in kamertjes in het vruchtvlees. De pitten zijn sappig en zitten boordevol vitaminen. Als een rijpe vrucht op de grond valt en opengaat springen de zaden alle kanten op, vandaar de naam granaatappel.

De kleur van granaatappels: Sobere, symbolische film over de  legendarische dichter-musicus Sayat Nova (1712-1795) uit Armenië. Kort na het uitbrengen ervan in 1969 werd de film door de Russische autoriteiten in beslag genomen. Paradjanov kwam na jaren van gedwongen werkloosheid uiteindelijk in een werkkamp terecht. Sinds 1981 is de film vrijgegeven, hoewel het naar alle waarschijnlijkheid om een bewerkte versie gaat. Scenario van de regisseur. Camerawerk van Suren Schachbasjan. Een fragment.(11:20) 
Gerrit Achterberg - Merel

De morgenmerel gorgelt

bekers bittere wijn:

droom, die tot pijn verkorrelt

In vogelkelen

omdat het dag moet zijn;

omdat het grote hele

donker niet langer dicht kan zijn.

(Uit: Verzamelde gedichten (1979)

Het lieve grote hele donker, als het heimwee van een merel, of hoe de vormeloosheid van de nacht ons naar de scherpte van de dag dwingt. Maar dan is er zijn troostend gezang. Wij zorgen ervoor dat hij zijn dagelijkse appel krijgt die hij vaak met ekster en kauwen moet delen. Maar zijn prachtig gezang versiert de tuinen tot het donker wordt en bij het eerste licht hoor je hem al. (tot begin juli als de rui begint). Voor degenen die ver van de open natuur wonen hebben we nog een half uur lang merelzang en bosgeluiden in het allermooiste van wat natuur heet, nu overal te kijk. Een prachtige video als troost voor wie moet thuisblijven.

Nog later ontdekt, een mooi gedicht over de granaatappel van Kahlil Gibran. (1883-1931) Het mocht hier nog graag een schuilplaats vinden.

Eens, toen ik in het hart van een granaatappel woonde, hoorde ik een zaadje
zeggen: "Op een dag zal ik een boom worden, en de wind zal zingen in
mijn takken, en de zon zal dansen op mijn bladeren, en ik zal
sterk en mooi zijn door alle seizoenen heen."
 
Toen sprak een ander zaadje en zei: "Toen ik zo jong was als jij 
dacht ik dat ook, maar nu ik de dingen kan wegen en meten,
zie ik dat mijn hoop ijdel was."
 
En een derde zaadje sprak ook: "Ik zie in ons niets dat zo'n
grote toekomst belooft."
 
En een vierde zei: "Maar wat een aanfluiting zou ons leven zijn, zonder
een grotere toekomst!"
 
Een vijfde zei: "Waarom zouden we twisten over wat we zullen worden, als we niet eens weten wat we zijn."
 
Maar een zesde antwoordde: "Wat we ook zijn,
dat zullen we blijven zijn."
 
En een zevende zei: "Ik heb zo'n duidelijk idee hoe alles zal zijn, 
maar ik kan het niet onder woorden brengen."
 
Toen sprak een achtste, en een negende, en een tiende, en toen vele, 
totdat allen spraken, en ik de vele stemmen niet uit elkaar kon houden. 

En zo verhuisde ik nog diezelfde dag naar het hart van een kweepeer, waar de
zaden schaars zijn en bijna altijd stil. 
Madonna of the Pomegranate Alessandro Botticelli 1445-1510
Daar zit je dan vol jaloezie in die kweepeer terwijl de 'zagers' het toch maar voor elkaar hebben gekregen bij Botticelli. Abonneren kan ook hier, geheel gratis en naar eigen 'goesting' wat de duur betreft.

 

Kleine recepten omtrent de leegte, een aanloop (3)

Johannes Hevelius (left) and an assistant observe a partial solar eclipse in 1673.

Die mooie observatie van een gedeeltelijke zonsverduistering in 1673 had blijkbaar al heel wat voeten in de aarde als ik de uitgestalde onderdelen van de kijker bestudeer. Maar deze Duits-Poolse geleerde, Johannes Hevelius, tevens uitstekend bierbrouwer, deinsde ook niet terug om een privé observatorium met de mooie naam Sternenburg boven zijn drie gekoppelde huizen te bouwen met daarbij een zelf ontworpen en uitgevoerde Kepler-telescoop die zo maar eventjes een brandpuntafstand had van 46 meter.

The Large Astronomical Telescope Of Johannes Hevelius 1611-1687 Illustration From Machina Coelestis

Wil je in een klassieke notendop kennismaken met zijn boeiend leven dan verwijs ik je graag o.a. naar:

https://stringfixer.com/nl/Johannes_Hevelius

Hevelius en tweede vrouw Elisabeth observeren de hemel met een koperen sextant (1673)

Hij was mijn vertrekpunt bij mijn kleine zoektochten naar ideeën rondom de leegte. Het leven van een hemelkundige immers maakt gebruik van de grote leegte, en zelfs zijn onderzoek naar de nabije zon vindt best plaats als dit hemellichaam door onderlinge combinaties met bv. de maan onzichtbaar werd. (in feite is het niet de zon maar wel een gedeelte van de aarde dat verduisterd wordt!)

Een ander aspect van dit kijken naar een zogenaamde leegte is het feit dat door uitdijing er steeds ruimte wordt bijgemaakt. Tegelijkertijd kunnen wij in die vroegere ruimte , het verleden, terugkijken. Ruimte en tijd. Dat zijn vier dimensies. Wij staan stil maar de ruimte deint uit in de tijd. (en steeds sneller!)

Het feit dat we in waarnemingen ook het verleden kunnen blijven zien vond ik een boeiende idee om de werkelijkheid te onderzoeken, net zoals de nieuwe ruimte die door uitdijing ontstaat.

De aanwezigheid zoals wij ze ervaren is duidelijk door merkstenen van geboorte en dood afgeboord, wij ervaren onszelf als tijdelijk terwijl wij via voorouders en nazaten in de tijd zijn, die dimensie waarin we het begrip verlies naar het begrip stroming kunnen vertalen.

'Bergson maakt een onderscheid tussen een bewust binnen de kloktijd handelend ‘ik’ en een in de innerlijke tijd ingebed ‘dieper gelegen zelf’. In dit moi profond ligt onze grotendeels vergeten geraakte geschiedenis opgeslagen, inclusief onze pretalige, vroege kindertijd. Want niets van de innerlijk beleefde tijd gaat verloren. Juist omdat het verleden altijd mee blijft resoneren, is geen enkel ogenblik ooit gelijk aan het voorgaande. We stappen dus nooit tweemaal in dezelfde rivier, zoals Heraclitus schreef. Elk nieuw moment komt voort uit alle voorgaande keren en voegt er het specifieke van de nieuwe ervaring aan toe. Tijd baart tijd.' 

(uit: Als het pijn doet gaan we terug naar zekere rivieren  Joke J. Hermsen)
'Ja, de tijd is stromend water, dacht ze, maar haar herinneringen vormden de bodem, met de kleine en grote kiezels, waarlangs het water zijn weg zocht. Elke druppel die aan haar voorbijschoot, had over de bodem van dat verleden geschraapt, over de zachte en de scherp uitstekende stenen en had daar iets losgewoeld en opgenomen in zijn stroom: een stukje mos, een korrel zand, en dit alles bepaalde het moment waarin ze zich nu bevond.' (ibidem)
Geen afloop

nu praat ik tegen u, bij uw bron
in een uithoek van het eiland.

nu ziet u mij tekeergaan met mijn vuisten
tegen de patrijspoort van mijn isolement
en ik roep iets.

nu ziet u mijn behuizing
door de liederlijke uitgestrektheid tollen.
een dobbelsteentje, al hoe kleiner

en nu ziet u mij niet langer maar u weet
dat ik nog altijd op datzelfde raampje bons.

mooi hoor, al dat oude sterrenlicht en geen
planeten, zo ver weg, zo dichtbij.
Alfred Schaffer (1973) is dichter en werkzaam als docent aan de vakgroep Afrikaans en Nederlands van de Universiteit Stellenbosch in Zuid-Afrika. In 2021 ontving hij de P.C. Hooft-prijs voor poëzie en verscheen, zo heb ik u lief. alle gedichten tot nu.

https://www.de-gids.nl/artikelen/ik-sprak-met-de-rivier-en-de-rivier-die-sprak-terug

De bedding. De leegte waardoor de rivier haar weg naar zee vindt. Bestaan er ook beddingen voor begrippen? Of voor ideeën-stromingen? Heb je een ‘stevige bedding’ nodig om je in deze wereld recht te houden? Zit een te nauwe of te brede bedding de durf om je in vraag te stellen in de weg? En in hoeverre vormt het zoeken naar het uiteindelijke doel, de zee, de bedding? Enkele stenen in het water gooien.

Men spreekt over het geweld van de wassende rivier. Maar wie spreekt er over het geweld van de bedding die de rivier insluit?’ (Bertolt Brecht)
 “Het idee van autonoom functionerende individuen is simpelweg een illusie, met als de waanzinnige variant van het westelijke hokjesdenken, van aparte mentale stoornissen tot afzonderlijke gendercategorieën. Leven is versmelting. Dood is ontbinding”.(Uit: 'Intieme Vrienden, Paul Verhaege)
Oude Meander van de Durme (Vilda/Yves Adams)

“Het idee dat de mens maakbaar is, klopt. Maar dat we onszelf maken is een illusie.” “Het dwingende ideaal is steeds meer produceren en consumeren … ‘Als we erin slagen onze kinderen te laten excelleren, dan zal ons kapitaal nog exponentieel groeien’, zo lees ik in de recente Beleidsnota Onderwijs van de Vlaamse onderwijsminister. Wat er vooral groeit is het aantal kinderen én leerkrachten dat uitvalt. Groei is het laatste wat we nodig hebben en kinderen tot kapitaal reduceren is de hedendaagse versie van de negentiende-eeuwse kinderarbeid.” (Intieme Vrienden, Paul Verhaege)

Van Gogh Brug over de Seine in Asnieres
Ik kijk naar het water- en of het stil is
en zwart, of rimpelt, en glinstert, het doet maar
ik denk: zo is het, dit is hoe het moet

er drijven eenden tegen het riet, die eenden
daar, in dat riet, er staan wat wilgen en elzen
die daar, in de bocht van de rivier
alles heeft zijn eigen moment, zijn eigen plek

er waren oneindig veel mogelijkheden om
een landschap met een rivier te zijn
er is gekozen voor deze ene en deze is,goed

Rutger Kopland Verzamelde Gedichten. G.A. van Oorschot, 2006

Hannah Arendt over Wystan Hugh Auden

Hannah en Wystan Hugh, of gewoon Arendt en Auden. Ze zijn beiden in dit blog aanwezig. Tik hun namen bij de zoekfunctie en lees.

In ‘Thinking without a Banister’, -essays in understanding 1953-1975- beschrijft Hannah Arendt haar ontmoetingen met Auden. Een filosofe, politiek denker weegt en wikt liefdevol haar woorden die een dichter pure sang benaderen. In tijden waarin wij nu leven was dit opstel helder licht in een vrij schemerige omgeving. Ik besloot het te vertalen en het in zijn geheel in dit blog op te nemen, met bewondering en gehechtheid aan beiden die in de meest rumoerige tijden van de twintigste eeuw hun weg hebben uitgetekend. Tot bij ons.

Remembering Wystan H. Auden, Who Died in the Night of the Twenty-eighth of
September, 1973

Original English text :

Ik ontmoette Auden laat in zijn leven en in het mijne – op een leeftijd waarop de gemakkelijke, op de hoogte zijnde intimiteit van vriendschappen die in iemands jeugd zijn ontstaan, niet langer kan worden bereikt, omdat er niet genoeg leven over is, of verwacht wordt over te zullen blijven, om met een ander te delen. Wij waren dus zeer goede vrienden, maar geen intieme vrienden. Bovendien had hij een terughoudendheid die vertrouwdheid ontmoedigde – niet dat ik die ooit op de proef stelde. Ik respecteerde het liever als de noodzakelijke geheimzinnigheid van een groot dichter, iemand die zichzelf al vroeg geleerd moet hebben om niet in proza te praten, losjes en willekeurig, over dingen die hij veel bevredigender wist te zeggen in de gecondenseerde concentratie van de poëzie. Terughoudendheid kan de déformation professionnelle van de dichter zijn. In het geval van Auden leek dit des te waarschijnlijker omdat veel van zijn werk, in volstrekte eenvoud, voortkwam uit het gesproken woord, uit idiomen van de omgangstaal, zoals “Lay your sleeping head, my love, Human on my faithless arm.” Dit soort perfectie is zeer zeldzaam; we vinden ze in enkele van de grootste gedichten van Goethe, en ze moet bestaan in de meeste werken van Poesjkin, want hun kenmerk is dat ze onvertaalbaar zijn. Op het moment dat dit soort gedichten uit hun oorspronkelijke verblijfplaats worden gerukt, verdwijnen ze in een wolk van banaliteit. Hier hangt alles af van de “fluent gestures” in “elevating facts from the prosaic to the poetic” – een punt dat de criticus Clive James benadrukte in zijn essay over Auden in Commentary van december 1973. Waar een dergelijke vloeiendheid wordt bereikt, zijn we er op magische wijze van overtuigd dat alledaagse spraak latent poëtisch is, en, onderwezen door de dichters, openen onze oren zich voor de ware mysteries van taal. De onvertaalbaarheid van een gedicht van Auden heeft mij vele jaren geleden overtuigd van zijn grootheid. Drie Duitse vertalers hadden hun geluk beproefd en een van mijn favoriete gedichten genadeloos om zeep geholpen: “If I Could Tell You” (Collected Shorter Poems 1927-1957), gedicht dat op natuurlijke wijze voortkomt uit twee spreektaalwoorden (two colloquial idioms) – “Time will tell” and “I told you so”:

Time will say nothing but I told you so,
Time only knows the price we have to pay;
If I could tell you I would let you know.

If we should weep when clowns put on their show,
If we should stumble when musicians play,
Time will say nothing but I told you so. . . .

The winds must come from somewhere when they blow,
There must be reasons why the leaves decay;
Time will say nothing but I told you so. . . .

Suppose the lions all get up and go,
And all the brooks and soldiers run away;
Will Time say nothing but I told you so?
If I could tell you I would let you know.
In het filmpje hierbij het gehele gedicht, niet alleen de citaten die Arendt gebruikte om een werkwijze duidelijk te maken.

Ik ontmoette Auden in de herfst van 1958, maar ik had hem al eerder gezien, eind jaren veertig, op een feestje van een uitgever. Hoewel we toen geen woord met elkaar wisselden, herinnerde ik me hem heel goed: een goed uitziende, goed geklede, zeer Engelse heer, vriendelijk en ontspannen. Tien jaar later herkende ik hem niet meer, want zijn gezicht was nu getekend door die beroemde diepe rimpels, alsof het leven zelf een soort gezichtsbedekking had gemaakt om “de onzichtbare woede van het hart” (‘the heart’s invisible furies) zichtbaar te maken. Als je naar hem luisterde, leek niets bedrieglijker dan deze verschijning. Keer op keer, wanneer hij het, naar het leek, niet meer aankon, wanneer zijn krotwoning zo koud was dat het sanitair niet meer functioneerde en hij gebruik moest maken van het toilet in de slijterij op de hoek, wanneer zijn pak – niemand kon hem ervan overtuigen dat een man minstens twee pakken nodig had, zodat er één naar de stomerij kon, of twee paar schoenen, zodat één paar gerepareerd kon worden: een onderwerp van een eindeloze discussie tussen ons door de jaren heen – bedekt was met vlekken of zo dun was versleten dat zijn broek plotseling van boven naar beneden scheurde – kortom, wanneer het noodlot voor je ogen toesloeg, begon hij min of meer een volkomen idiosyncratische versie van “Tel uw zegeningen. ” Omdat hij nooit onzin uitkraamde of iets overduidelijk onnozels zei – en omdat ik me er altijd van bewust bleef dat dit de stem van een zeer groot dichter was – had ik jaren nodig om te beseffen dat het in zijn geval niet het uiterlijk was dat bedrieglijk was, en dat het een fatale vergissing was om wat ik van zijn levenswijze zag toe te schrijven aan de onschuldige excentriciteit van een typische Engelse gentleman.

Eindelijk zag ik de ellende, en op de een of andere manier begreep ik vaag zijn dwingende behoefte om die te verbergen achter de litanie “Tel uw zegeningen”, maar toch vond ik het moeilijk om volledig te begrijpen waarom hij zo ellendig was en niet in staat was om iets te doen aan de absurde omstandigheden die het dagelijks leven zo ondraaglijk voor hem maakten. Het kon zeker geen gebrek aan erkenning zijn. Hij was redelijk beroemd, en een dergelijke ambitie kon bij hem hoe dan ook nooit veel hebben betekend, want hij was de minst ijdele van alle auteurs die ik ooit heb ontmoet – volkomen immuun voor de ontelbare kwetsbaarheden van gewone ijdelheid. Niet dat hij nederig was; in zijn geval was het zelfvertrouwen dat hem tegen vleierij beschermde, en dit zelfvertrouwen bestond vóór erkenning en roem, ook vóór prestatie. Geoffrey Grigson, in de Times Literary Supplement, meldt de volgende dialoog tussen de zeer jonge Auden en zijn tutor in Oxford.

“Tutor: ‘And what are you going to do, Mr. Auden, when you leave the university?’ 
Auden: ‘I am going to be a poet.’ 
Tutor: ‘Well—in that case you should find it very useful to have read English.’ 
Auden: ‘You don’t understand. I am going to be a great poet.’”

Zijn zelfvertrouwen heeft hem nooit verlaten, omdat het niet werd verworven door vergelijkingen met anderen, of door het winnen van een wedstrijd; het was natuurlijk – verbonden, maar niet identiek, met zijn enorme vermogen om met taal te doen, en snel te doen, wat hij maar wilde. Wanneer vrienden hem vroegen een verjaardagsgedicht te produceren voor de volgende avond om zes uur, konden ze er zeker van zijn dat ze het kregen; dit is duidelijk alleen mogelijk in de afwezigheid van zelftwijfel. Maar zelfs dit steeg hem niet naar het hoofd, want hij maakte geen aanspraak op, of streefde misschien zelfs naar, uiteindelijke perfectie. Hij herzag zijn eigen gedichten voortdurend en was het met Valéry eens dat een gedicht nooit af is, maar alleen wordt losgelaten. Met andere woorden, hij was gezegend met dat zeldzame zelfvertrouwen dat geen bewondering en de goede mening van anderen nodig heeft, en dat zelfs zelfkritiek en zelfonderzoek kan doorstaan zonder in de val van zelftwijfel te lopen.

Dit heeft niets te maken met arrogantie, maar wordt er gemakkelijk voor aangezien. Auden was nooit arrogant, behalve wanneer hij werd geprovoceerd door een of andere vulgariteit; dan beschermde hij zichzelf met de nogal abrupte grofheid die kenmerkend is voor het Engelse intellectuele leven.

Stephen Spender, de vriend die hem zo goed kende, heeft benadrukt dat “gedurende de hele ontwikkeling van [Auden’s] poëzie . . . zijn thema de liefde was geweest” – was het niet bij Auden opgekomen om Descartes’ “Cogito ergo sum” te veranderen door de mens te definiëren als het “bubbelachtige schepsel” dat zei: “Ik ben geliefd, dus ik ben”? -en aan het eind van de toespraak die Spender hield ter nagedachtenis van zijn overleden vriend in Christ Church in Oxford vertelde hij over het vragen aan Auden over een lezing die hij had gegeven in Amerika: “Zijn gezicht lichtte op met een glimlach die de lijnen veranderde, en hij zei: ‘Ze hielden van me!'” Ze bewonderden hem niet, ze hielden van hem: hier ligt, denk ik, de sleutel tot zowel zijn buitengewoon ongelukkig voelen als tot de buitengewone grootsheid-intensiteit van zijn poëzie. Nu, met de droevige wijsheid van de herinnering, zie ik hem als een expert in de oneindige variëteiten van onbeantwoorde liefde, waaronder de woedende verwisseling van bewondering voor liefde zeker moet hebben opgedoemd. En onder deze emoties moet er vanaf het begin een zekere dierlijke tristesse zijn geweest die geen rede en geen geloof kon overwinnen:

The desires of the heart are as crooked as corkscrews,
Not to be born is the best for man;
The second-best is a formal order,
The dance’s pattern; dance while you can.

Zo schreef hij in “Death’s Echo,” in Collected Shorter Poems. Toen ik hem kende, zou hij het niet meer over het beste hebben gehad, zo vastberaden had hij gekozen voor het op één na beste, de “formele orde”, en het resultaat was wat Chester Kallman zo treffend “het meest verfomfaaide kind van alle disciplinairen” (“the most dishevelled child of all disciplinarians.”) heeft genoemd. Ik denk dat het deze tristesse en zijn “dans zolang je kunt” waren waardoor Auden zich zo aangetrokken voelde tot en zich bijna thuis voelde in het Berlijn van de twintiger jaren waar carpe diem voortdurend in vele variaties werd beoefend. Hij noemde eens als een “ziekte” zijn vroege “verslaving aan Duitse gebruiken,” maar veel prominenter dan deze, en minder gemakkelijk om er vanaf te komen, was de duidelijke invloed van Bertolt Brecht, met wie hij denk ik meer gemeen had dan hij ooit wilde toegeven. Aan het eind van de jaren vijftig vertaalde hij samen met Chester Kallman Brechts Rise and Fall of the City of Mahagonny – een vertaling die nooit werd gepubliceerd, vermoedelijk vanwege problemen met auteursrechten. Tot op de dag van vandaag ken ik geen andere adequate vertaling van Brecht in het Engels.

Auden and Isherwood in 1938 (Berlin)

In zuiver literaire termen kan de invloed van Brecht gemakkelijk worden getraceerd in de ballades van Auden – bijvoorbeeld in de late, wonderbaarlijke “Ballad of Barnaby,” het verhaal van de tuimelaar die, oud en vroom geworden, “de Moeder Gods eerde” door voor haar te tuimelen; of in het vroege “kleine verhaaltje / Over Miss Edith Gee; / Zij woonde in Clevedon Terrace / Op nummer 83.” Wat deze invloed mogelijk maakte, was dat zij beiden behoorden tot de generatie van na de Eerste Wereldoorlog, met haar merkwaardige mengeling van wanhoop en levensvreugde, haar minachting voor conventionele gedragscodes en haar voorliefde voor “playing it cool,” die zich in Engeland, vermoed ik, uitte in het dragen van het masker van de snob, terwijl zij zich in Duitsland uitte in een wijdverbreide pretentie van goddeloosheid, enigszins in de trant van Brechts The Threepenny Opera. In Berlijn maakte men grapjes over deze modieuze omgekeerde hypocrisie, zoals men over alles grapjes maakte: “Er geht böse über den Kurfürstendamm” – wat betekent: “Dat is waarschijnlijk alle slechtheid waartoe hij in staat is.” Na 1933, denk ik, maakte niemand meer grapjes over slechtheid.

In het geval van Auden, net als in het geval van Brecht, diende omgekeerde hypocrisie om een onweerstaanbare neiging tot goed zijn en goed doen te verbergen – iets waarvoor beiden zich schaamden om het toe te geven, laat staan te verkondigen. Dit lijkt plausibel voor Auden, omdat hij uiteindelijk christen werd, maar het kan in eerste instantie een schok zijn om het over Brecht te horen. Toch lijkt een nauwkeurige lezing van zijn gedichten en toneelstukken het bijna te bewijzen. Niet alleen zijn er de stukken Der Gute Mensch von Sezuan en Die Heilige Johanna der Schlachthöfe, maar, misschien nog overtuigender, zijn er deze regels midden in het cynisme van The Threepenny Opera:

Ein guter Mensch sein! Ja, wer wär’s nicht gern?
Sein Gut den Armen geben, warum nicht?
Wenn alle gut sind, ist Sein Reich nicht fern.
Wer sässe nicht sehr gern in Seinem Licht?

Om goed te zijn! Ja, wie zou dat niet willen?
Alles wat je hebt aan de armen geven, waarom niet?
Als iedereen goed is, is Zijn koninkrijk niet ver weg.
Wie zou niet graag in Zijn licht zitten?

[[Cf. H. Arendt, Men in Dark Times
(New York, 1968), 235-36 N47. [-Ed.]
L. N. E. R tourism poster for Berlin, 1920s

Wat deze diep apolitieke dichters in de chaotische politieke scène van onze eeuw dreef was Robespierre’s “zèle compatissant”, de krachtige drang naar “les malheureux”, te onderscheiden van enige behoefte aan actie naar publiek geluk, of enig verlangen om de wereld te veranderen.

Auden, zoveel wijzer – maar zeker niet slimmer – dan Brecht, wist al vroeg dat “poëzie niets doet gebeuren”. Voor hem was het klinkklare onzin dat de dichter aanspraak maakte op speciale privileges of vroeg om de toegeeflijkheid die wij zo graag verlenen uit pure dankbaarheid. Er was niets meer bewonderenswaardig in Auden dan zijn volledige geestelijke gezondheid en zijn rotsvaste geloof in geestelijke gezondheid; in zijn ogen waren alle vormen van waanzin gebrek aan discipline – “Naughty, naughty”, zoals hij placht te zeggen. Het belangrijkste was om geen illusies te hebben en geen gedachten te accepteren – geen theoretische systemen – die je zouden verblinden voor de werkelijkheid. Hij keerde zich tegen zijn vroege linkse overtuigingen omdat gebeurtenissen (de processen in Moskou, het pact tussen Hitler en Stalin, en ervaringen tijdens de Spaanse burgeroorlog) hadden bewezen dat ze “oneerlijk” waren – “schandelijk”, zoals hij zei in zijn voorwoord bij de Verzamelde Kortere Gedichten, waarin hij vertelde hoe hij weggooide wat hij ooit had geschreven:

History to the defeated
may say alas but cannot help nor pardon.

Geschiedenis tegen de verslagenen
kan helaas zeggen, maar kan niet helpen, noch vergeven.

Dit te zeggen, merkte hij op, was “goedheid gelijk te stellen aan succes.” Hij protesteerde dat hij nooit geloofd had in “deze verdorven leer” – een uitspraak die ik betwijfel, niet alleen omdat de regels te goed en te precies zijn om geproduceerd te zijn om “retorisch effectief” te zijn, maar ook omdat dit de doctrine was waarin iedereen geloofde in de jaren twintig en dertig. Toen kwam de tijd dat…

In the nightmare of the dark
All the dogs of Europe bark . . .

Intellectual disgrace
Stares from every human face—

…de tijd waarin het er een hele tijd naar uitzag dat het ergste kon gebeuren en het pure kwaad een succes kon worden. Het pact tussen Hitler en Stalin was het keerpunt voor links, nu moest men alle geloof in de geschiedenis als ultieme rechter over menselijke aangelegenheden opgeven.

In de jaren 1940 waren er velen die zich tegen hun oude overtuigingen keerden, maar er waren er maar weinigen die begrepen wat er mis was met die overtuigingen. Verre van hun geloof in de geschiedenis en succes op te geven, veranderden zij als het ware gewoon van trein; de trein van het socialisme en communisme was verkeerd geweest, en zij stapten over op de trein van het kapitalisme of het freudianisme of een of ander verfijnd marxisme, of een geraffineerd mengsel van alle drie. Auden, in plaats daarvan, werd een christen; dat wil zeggen, hij verliet de trein van de Geschiedenis helemaal. Ik weet niet of Stephen Spender gelijk heeft met zijn bewering dat “het gebed beantwoordde aan zijn diepste behoefte” – ik vermoed dat zijn diepste behoefte gewoon het schrijven van verzen was – maar ik ben er redelijk zeker van dat zijn geestelijke gezondheid, het grote gezonde verstand dat al zijn prozageschriften (zijn essays en boekbesprekingen) verlichtte, in niet geringe mate te danken was aan het beschermende schild van de orthodoxie. De aloude coherente betekenis ervan, die door de rede bewezen noch weerlegd kon worden, bood hem, net als Chesterton, een intellectueel bevredigend en emotioneel nogal comfortabel toevluchtsoord tegen de aanval van wat hij “rommel” noemde; dat wil zeggen, de ontelbare dwaasheden van de tijd.

Nu ik de gedichten van Auden in chronologische volgorde herlees en aan hem terugdenk in de laatste jaren van zijn leven, toen de ellende en het ongeluk steeds ondraaglijker waren geworden, zonder echter ook maar in het minst te raken aan de goddelijke gave of de gezegende faciliteit van het talent, ben ik er zekerder dan ooit van geworden dat hij nog meer dan Yeats “in de poëzie gekwetst” was: “Gek Ierland doet je pijn in de poëzie. (“Mad Ireland hurt you into poetry.”) Ondanks Auden’s gevoeligheid voor medelijden, waren publieke politieke omstandigheden niet nodig om hem tot poëzie te kwetsen. Wat hem tot een dichter maakte was zijn buitengewone vaardigheid met en liefde voor woorden, maar wat hem tot een groot dichter maakte was de niet te testen bereidheid waarmee hij toegaf aan de “vloek” van kwetsbaarheid voor “menselijk falen” (“human unsucces”) op alle niveaus van het menselijk bestaan – kwetsbaarheid voor de kromheid van de verlangens, voor de ontrouw van het hart, voor de onrechtvaardigheden van de wereld.

Follow, poet, follow right
To the bottom of the night,
With your unconstraining voice
Still persuade us to rejoice;

With the farming of a verse
Make a vineyard of the curse,
Sing of human unsuccess
In a rapture of distress;

In the deserts of the heart
Let the healing fountain start,
In the prison of his days
Teach the free man how to praise.

Lof is het sleutelwoord van deze regels, geen lofzang op “de beste van alle mogelijke werelden” – alsof het aan de dichter (of de filosoof) is om Gods schepping te rechtvaardigen – maar lofzang die zich afzet tegen alles wat het meest onbevredigend is in de toestand van de mens op deze aarde en zijn eigen kracht uit de wond zuigt: op de een of andere manier ervan overtuigd, zoals de barden in het oude Griekenland waren, dat de goden ongeluk en kwade dingen naar de stervelingen spinnen, zodat zij de verhalen kunnen vertellen en de liederen kunnen zingen.

I could (which you cannot)
Find reasons fast enough
To face the sky and roarIn anger and despair
At what is going on,
Demanding that it name
Whoever is to blame:
The sky would only wait
Till all my breath was gone
And then reiterate
As if I wasn’t there
That singular commandI do not understand,
Bless what there is for being,
Which has to be obeyed, for
What else am I made for,
Agreeing or disagreeing?

En de triomf van de privé-persoon was dat de stem van de grote dichter nooit de kleine maar doordringende stem van het zuiver gezonde gezond verstand tot zwijgen heeft gebracht, waarvan het verlies zo vaak de prijs is geweest die voor goddelijke gaven is betaald. Auden stond zichzelf nooit toe zijn verstand te verliezen – dat wil zeggen, de “nood” te verliezen in de “verrukking” die er uit opsteeg:

No metaphor, remember, can express
A real historical unhappiness;
Your tears have value if they make us gay;
O Happy Grief! is all sad verse can say.

–This is Wystan and older brother John, probably about 1912-13. Notice the square cut shirts and the matching outfits.

Het lijkt natuurlijk zeer onwaarschijnlijk dat de jonge Auden, toen hij besloot dat hij een groot dichter zou worden, wist welke prijs hij zou moeten betalen, en ik denk dat het heel goed mogelijk is dat hij op het einde – toen niet de intensiteit van zijn gevoelens en niet de gave om ze in lof om te zetten, maar de pure fysieke kracht van het hart om ze te dragen en ermee te leven geleidelijk vervaagden – de prijs te hoog vond. Wij, in ieder geval, zijn publiek, lezers en luisteraars, kunnen alleen maar dankbaar zijn dat hij zijn prijs tot de laatste cent heeft betaald voor de eeuwige glorie van de Engelse taal. En zijn vrienden kunnen enige troost vinden in zijn mooie grap aan gene zijde van het graf – dat, om meer dan één reden, zoals Spender zei, “zijn wijze onbewuste zelf een goede dag koos om te sterven”. De wijsheid om te weten “wanneer te leven en wanneer te sterven” is niet aan stervelingen gegeven, maar Wystan, zou men graag denken, heeft het misschien ontvangen als de hoogste beloning die de wrede goden van de poëzie schonken aan de meest gehoorzame van hun dienaren.

From Thinking Without a Banister: Essays in Understanding, 1953 – 1975 by Hannah Arendt, Edited by Jerome Kohn.
Auden and Kallman, photo via Stamford University archive

Remind people of our spirituel essence: Jeffrey Maron (°1949)

Birth of Joy, 2021 etched copper with polychrome oxides

Met New York als thuishaven is Jeffrey Maron (1949) een gelauwerd en veel gevraagd kunstenaar. Door de tweejarige Fulbright-Hayes Grant voor beeldhouwkunst kon hij twee jaar in Japan wonen en werken, waar hij beïnvloed bleef door allerlei culturen in de wereld, gewijd aan het animisme, en ook daar de verering van een inclusieve natuurlijke orde kon ervaren en verder onderzoeken.

Carlos, 2018, 32 x 28 x 6, etched copper alloy with polychrome oxides
A two year Fulbright-Hayes Grant for sculpture allowed the artist to live and work in Japan, where he continued to be influenced by cultures of the world dedicated to animism, the worship of an inclusive natural order. Maron's art has a definite connection to our spiritual identity and is not directly derived from any of the main currents of contemporary art. His work is characterized by paradoxes. It is both tough and beautiful, religious and sensual, reminiscent of familiar symbols but clearly unique.
Planetree Spirits, The Robert Wood Johnson University Hospital, Hamilton, NJ
Hippocrates taught his young doctors under a Planetree (Sycamore). There, he emphasized compassion, patient rights, and observed that the environment was an important factor in their healing. Planetree Spirits was created to help energize this space with these qualities.

Maron’s kunst heeft een duidelijke band met onze spirituele identiteit en is niet rechtstreeks afgeleid van een van de belangrijkste stromingen van de hedendaagse kunst. Zijn werk wordt gekenmerkt door paradoxen. Het is zowel stoer als mooi, religieus als sensueel, doet denken aan bekende symbolen maar is duidelijk uniek.

Ark of the Ancestors, 1992, 33 x 16 x 8, unique, etched copper alloy with polychrome oxides [ private collection ]

Je vindt deze tekst op zijn blog, later door ons aangeduid, en ik geef toe dat ik de onderschriften vaak best kan missen omdat ze het werk enigszins dwingen naar een bepaalde begrensde inhoud waar het, naar mijn mening, sterk genoeg is om ook zonder die richtinggevende benamingen mooi en eerlijk werk te zijn dat de kijker zelf met of zonder concrete betekenis kan smaken.

Sea of the Spirit, Oliver Carr Corporation, Washington, DC
In a wall sculpture for the Lobby of Oliver Carr, visual medicine, and a story of grace.
"Cultures that see themselves as part of a greater natural order usually create compelling art to which we are all drawn. I see my art as contemporary animism and feel it is attached to the metaphors of this neglected paradigm. I try to create art that will remind people of our spiritual essence. By creating art that communicates this without words, I am participating in an important ongoing spiritual transformation happening in the world today." 

From this Moment On, 2009, 5 x 5 x 2, unique maquette, etched copper alloy with polychrome oxides [ private collection ]

“Culturen die zichzelf als onderdeel van een grotere natuurlijke orde zien, maken meestal meeslepende kunst waartoe we ons allemaal aangetrokken voelen. Ik zie mijn kunst als hedendaags animisme en voel me verbonden met de metaforen van dit verwaarloosde paradigma. Ik probeer kunst te maken die mensen herinnert aan onze spirituele essentie. Door kunst te maken die dit zonder woorden communiceert, neem ik deel aan een belangrijke spirituele transformatie die momenteel in de wereld plaatsvindt.”

Installation View, Devotion: a survey of thirty six years of sculpture, Affirmation Arts, NYC, NY, Oct. 11 – Dec. 9, 2012 (photos by shootart.com)
"The activities of my hands are transformative to the materials involved in the creation of my art. My hands know how to change an image or form, into something more than just the reformed material. This necessitates the metamorphosis of the material with a specific energy and intent. This process is difficult to delegate to others, it imbues a unique character to the art, that allows it to speaks to the viewer’s heart without the need for subsequent explanation.”

e Miracle, 2005, 30 x 22, unique, mixed mediums on paper

“De activiteiten van mijn handen zijn transformerend voor de materialen die betrokken zijn bij de creatie van mijn kunst. Mijn handen weten hoe ze een beeld of vorm kunnen veranderen in iets meer dan alleen het hervormde materiaal. Dit vereist de metamorfose van het materiaal met een specifieke energie en bedoeling. Dit proces is moeilijk te delegeren aan anderen, het geeft een uniek karakter aan de kunst, waardoor het tot het hart van de toeschouwer kan spreken zonder dat er verdere uitleg nodig is.”

River Run / First Emergence, 1989, 59 x 29, etched copper alloy with polychrome oxides
Emergence, 2019, 38 x 27 x 5, etched copper alloy with polychrome oxides
Maron is also involved in transforming the environment of healthcare. "Healing and art work together well. As Hippocrates taught, it is important for the environment of healthcare to aid and assist those present. It can make a fundamental difference."
Maron is ook betrokken bij het transformeren van de omgeving van de gezondheidszorg. "Genezing en kunst werken goed samen. Zoals Hippocrates leerde, is het belangrijk dat de omgeving van de gezondheidszorg de aanwezigen helpt en bijstaat. Het kan een fundamenteel verschil maken.
Spirits’ Flight, The Hillman Cancer Center, Pittsburgh, PA
In the Hillman Cancer Center, there was a desire to create a space that would help treat the body with the more ephemeral qualities of healing. This entailed creating an environment full of beauty with a transcendent nature and an area for meditation.

Het animistische in zijn werk, eigen ook aan de Oosterse en vooral de Afrikaanse kunsten, komt het mooist tot zijn recht in de kleinere werken die ruimte, materiaal en kleur als compositie-elementen gebruiken zonder dat ze steeds weer op westerse interpretatiemodellen terugvallen. De ziel van het ding, van de compositie of installatie is een zelfstandigheid geworden. Het werk ademt zonder dat wij er een bekende symbolische waarde in moeten herkennen. Het onderstaand werk draagt ‘joy’ als titel, maar zijn vormelijkheid overstijgt het interpretatieve om het een eigen evenwicht, een eigen lijfelijkheid heeft verworven die voor iedere beschouwer heel anders kan zijn.

Joy, 2012, 48 x 38 x 10, etched copper alloy with polychrome oxides

Bezoek zijn werk op de website van de kunstenaar:

https://www.jeffreymaron.com/index.html

Spiral of Hope [ private collection ], 1985, 33 x 14 x 3, unique, etched copper alloy with polychrome oxides

Landschappen uit de ‘vleugeltijd’ (2)

Het verloren dorp

Verbeelding, en wat die ‘kracht’ in je kindertijd zou kunnen betekenen is een overbevraagd begrip vaak overvloedig gehanteerd in alles behalve fantasierijke tijden. Zelfs de New York Times die meestal niet veel aan de verbeelding wenst over te laten, schreef eergisteren via opinion columnist David Brooks over ‘The Awesome Importance of Imagination’.

'What is imagination? Well, one way of looking at it is that every waking second your brain is bombarded with a buzzing, blooming confusion of colors, shapes and movements. Imagination is the capacity to make associations among all these bits of information and to synthesize them into patterns and concepts.'

'Perception — the fast process of selecting, putting together, interpreting and experiencing facts, thoughts and emotions — is the essential poetic act that makes you you.'
Otto Dettmer Hand taking pages from book inside of man’s head

Als kind, in de oorlog gemaakt en na de eerste babyjaren uit diezelfde oorlog gekropen zou zijn verbeelding best kunnen belast zijn bij de niet zo vrolijke activiteiten van op-en-neer gaand sirene-geloei, haastige verplaatsingen van bedje naar houten draagkist die met inhoud naar de kelder verhuist en daar wacht op de verlossende lang uitgerokken huiltoon van hetzelfde geloei, teken dat het gevaar waarschijnlijk geweken was, waarna de verplaatsingen in omgekeerde volgorde plaatsvinden. Om nog te zwijgen van wat terugtrekkende en aanstormende soldaten teweeg brengen in het dagelijks leven van jonge ouders met baby.

"The imagination, Charles Darwin wrote, “unites former images and ideas, independently of the will, and thus creates brilliant and novel results.” (ibidem)

Van bovenstaande beelden heeft hij nooit last gehad. En op de ‘brilliant and novel results’ was het wel even wachten. De stilte na het oorlogsgeweld met op de achtergrond de verwarring van verdeelde en gedeelde familiegeschiedenissen zou hem pas later duidelijk worden. Maar was het nu door de aangeboren verbeelding of de diep gewortelde angsten die in de voorbije tijd in ruime mate aanwezig waren geweest, de baby werd elke nacht huilend wakker, een verschijnsel dat ook in huidige tijden jonge ouders niet onbekend zal zijn. Voedsel was dan al geen probleem meer. Het kind was duidelijk bang. Dergelijke toestanden zou nu een legertje hulpverleners in gang kunnen zetten, toen volstond een korf met kippeneieren, afgegeven bij de portierster van de Clarissen, en jawel hoor, de angsten verdwenen de eerst volgende nacht. Het kind sliep zoals kinderen van die leeftijd horen te slapen: lang en diep.

Hughes, Jack; Boy Sleeping under the Moon; Leicestershire County Council Artworks Collection; http://www.artuk.org/artworks/boy-sleeping-under-the-moon-82688

Het kinderdonker is alleen al door de uitgroei van de hersenen vaak een angstig landschap. Herinner je het wakker worden midden in de nacht. Waarschijnlijk zijn er heden ten dage allerlei lichtjes aanwezig die dat aardedonker minder afschrikkend maken, maar in de kindertijd van het jongetje was nachtelijk licht een mogelijke plaatsbepaling. Niet alleen de oorlogsschrik, maar ook de opvoedingspraktijken vonden nachtelijke lichtjes niet o.k.
Wakker worden in complete duisternis leverde je onmiddellijk over aan de onmogelijkheid om je eigen plaats te bepalen in de reusachtige overvloed aan zwart. Waar onder en boven was, hoe je te weten kon komen of je inderdaad wakker was, of de donkerte het begin van een akelige droom zou zijn, alleen een hulpkreet zou menselijke aanwezigheid duidelijk maken.
Hij riep dus op zijn vader die na herhaling een zacht gebrom liet horen.
‘Pa, zeg eens heilige Petrus van Rome!’
Er volgde een lange stilte.
‘Pa, zeg eens Heilige Petrus van Rome.’
Keelgeschraap uit de ouderlijke slaapkamer en dan de vertrouwde stem:
‘Heilige Petrus van Rome, bewaar onze –naam van de aanvrager- van al zijn kwade dromen. Heilige Petrus in zijn graf, neem onze –naam van de aanvrager- al zijn kwade dromen af.’
Het hielp onmiddellijk en altijd.

Jezelf wapenen, zelfredzaamheid dus, kwam later aan bod: waar de fantasie vaak de oorzaak van allerlei angsten kon zijn, zou hij ze ook als wapen kunnen gebruiken. Er waren wellicht toverwoorden, bijzondere gebaren, liedjes of gedichten die elk aanstormend monster zouden afschrikken. Lectuur dus, tekeningen en het ontwerpen van gefluisterde spreuken, het vertellen van verhalen aan jezelf of aan je (ook bang) broertje.
Of zoals de NY-Times vertelt:

'A person who feeds his or her imagination with a fuller repertoire of thoughts and experiences has the ability not only to see reality more richly but also — even more rare — to imagine the world through the imaginations of others. This is the skill we see in Shakespeare to such a miraculous degree — his ability to disappear into his characters and inhabit their points of view without ever pretending to explain them.

Different people have different kinds of imagination. Some people mainly focus on the parts of the world that can be quantified. This prosaic form of pattern recognition can be very practical. But it often doesn’t see the subjective way people coat the world with values and emotions and aspirations, which is exactly what we want to see if we want to glimpse how they experience their experience.
Blake and others aspired to the most enchanted form of imagination, which as Mark Vernon writes in Aeon, “bridges the subjective and objective, and perceives the interior vitality of the world as well as its interconnecting exteriors.” This is van Gogh painting starry nights and Einstein imagining himself riding alongside a light beam.'
Van Gogh Vincent Sterrennacht
'Imagination helps you perceive reality, try on other realities, predict possible futures, experience other viewpoints. And yet how much do schools prioritize the cultivation of this essential ability?

What happens to a society that lets so much of its imaginative capacity lie fallow? Perhaps you wind up in a society in which people are strangers to one another and themselves.'

(hieronder kun je je voor geen geld op die degelijke NY Times abonneren en het artikel in zijn geheel lezen)
'Onder de appelboom' - Rutger Kopland

Ik kwam thuis, het was 
een uur of acht en zeldzaam 
zacht voor de tijd van het jaar, 
de tuinbank stond klaar 
onder de appelboom

ik ging zitten en ik zat 
te kijken hoe de buurman 
in zijn tuin nog aan het spitten 
was, de nacht kwam uit de aarde 
een blauwer wordend licht hing 
in de appelboom

toen werd het langzaam weer te mooi 
om waar te zijn, de dingen 
van de dag verdwenen voor de geur 
van hooi, er lag weer speelgoed 
in het gras en verweg in het huis 
lachten de kinderen in het bad 
tot waar ik zat, tot 
onder de appelboom

en later hoorde ik de vleugels 
van ganzen in de hemel 
hoorde ik hoe stil en leeg 
het aan het worden was

gelukkig kwam er iemand naast mij 
zitten, om precies te zijn jij 
was het die naast mij kwam 
onder de appelboom, zeldzaam 
zacht en dichtbij 
voor onze leeftijd.
In de appelboom Berthe Morisot 1890

Landschappen uit de ‘vleugeltijd’ (1)

Gezegende dagen waarin de ‘Bewaarschool’ om een of andere reden haar bewarende activiteiten niet kon uitoefenen en hij bij de juf van het eerste leerjaar, zijn moeder, werd ondergebracht. Hij, het kindje van de juffrouw, zat op de laatste bank en mocht in prentenboeken bladeren of de eendjes op het bord natekenen. Het water wilde nog wel lukken maar de zwemmende eendjes die zijn moeder met één ononderbroken lijn op het zwart van het bord tekende kon hij gelukkig dadelijk tot visjes herleiden terwijl vijfendertig kinderen in alle toonaarden het liedje ‘Alle eendjes zwemmen in het water’ ten gehore brachten.

Alle eendjes zwemmen in het water,
falderalderiere, falderalderare
Alle eendjes zwemmen in het water,
fal, fal, falderalderalderalde, ra, ra, ra

Dat het de visjes waren die IN het water zwommen terwijl eenden zich OP datzelfde water voortbewogen, bleek niet alleen een slimme opmerking te zijn maar ook een aantasting van het gezag. Kon hij thuis best zijn gelijk verdedigen, hier in de klas, was diezelfde vrouw een juffrouw, ja zelfs een mevrouw, titels die in zijn leven niets met de moederlijke verschijningsvormen hadden uit te staan. En omdat het een zonnige julidag was (-het schooljaar eindigde op 15 juli om op 15 september te herbeginnen-) mocht hij best alleen de grote lege speelplaats op en daar op een bankje wachten tot de juf weer in mama was veranderd.

Camera in een drone en je ziet het jongetje op die lege stenen vlakte aarzelen. Tot het aan het einde van de stenen de wilde bloemenweide ontdekte. In afwachting van nog meer tegels en plavuizen bleek die aarden overschot achteraan een verwilderd gras-en bloemenparadijs te zijn.

Hoe beschrijf je deze gevoelens uit je ‘vleugeltijd’? De indruk van veelheid en verscheidenheid waarin het verwilderde, het ongeplande en niet geplante zich baadde? Hoge pluisgrassen en stevige bodembedekkers met daartussen hevige tinten rood, blauw, groen en geel in al hun uitgewaaierde variaties. Een zacht zuidelijk windje beweegt de hoogste toppen en er ontstaat een deining op onhoorbare muziek. Maar het kind hoort hoe bloemen en kruiden spreken, de genade van enkele minuten het onzegbare in te ademen, een alfabet te kennen dat even maar zijn geheimen heeft prijs gegeven en daarna levenslang heimwee diep blijft uitademen in moeilijk beschrijfbare en onzegbare tedere verlangens naar eenheid tussen jezelf en de volkomenheid van het omringende.

De schriftuur van het bevangen worden door schoonheid heeft het moeilijk met letters. Maar ook kleuren en vormen waarin wij proberen schoonheid op te roepen kunnen nooit de intensiteit benaderen van enkele ogenblikken verbondenheid. Het begrip veelheid bezwijmt als het over bezit gaat terwijl je als kind beseft dat het een geschenk is dat je ongevraagd en onverdiend wordt aangeboden en waarin een zoekende ziel zich levenslang zal nestelen.

Een week later kwam de man met de zeis. Het volgend schooljaar lagen er rode tegels waarop kinderen met krijt hun hinkel-parcours tekenden met ‘hemel’ en ‘hel’ helemaal bovenaan.

'Vleugeltijd' is een verzameling indrukken uit de kindertijd. De indruk dat je kunt vliegen levert aardige perspectieven op al is landen ook wel eens pijnlijk. Het geloof dat je ondanks dat toch kunt blijven opstijgen schenkt je wel eens mooie vergezichten, al is klapperen met je vleugels soms al voldoende om minder bang te zijn.'
Volkskunde museum Brugge Vaste collectie

Beelden als boodschapper

‘Sinking House’ architecture firm ‘Stride Tereglown’

Dit ‘zinkende huis’ is deze dagen te bekijken in de Engelse stad ‘Bath’, in het midden van de Avon-rivier, dichtbij de Pultney Bridge. Het is een installatie van de ‘Stride Treglown’ architectuur-studio.

Sinking House is a small wooden house painted red that seems to sink into the river. Sitting on the roof is a human figure who is trying to save the house from almost certain destruction by tugging on a rope tied to the bridge. On this rope we can see an unmistakable white writing on red signs: COP26. (Collater.al Guido Giulia)

Het is een duidelijke boodschap van de architectengroep van Stride Treglown aan het adres van de klimaatverandering en toont met een beeld de inclusieve gevaren voor ons allen ervan enkele dagen voor COP26, the United Climate Change Conference. In eigen land hebben we duidelijke voorbeelden gehad van ‘zinkende’ huizen. De rode kleur was niet toevallig want ze stelt daarmee alle huizen en hotels van Monopoly voor. The Stride Treglown studio wilde hiermee onderlijnen dat staten vaak beslissingen nemen die vooral of alleen rondom de economische aspecten van het gebeuren draaien.

In datzelfde tijdschrift ‘Collatter.al toont de Israëlische fotograaf Alexander Bronfer zijn foto’s over ”The dead Sea’, de Dode zee. Een vreemde en inderdaad mysterieuze plaats waar je dichtbij de bijbelse teksten en gebeurtenissen (met o.a. de vervloekte steden Sodoma en Gomorrah) juist NIET kunt zinken door het hoog zoutgehalte in het water.

In addition to being an important archaeological site, where, for example, the remains of a cosmetic and therapeutic mud factory dating back to the time of Herod have been found, Ein Bokek today represents a destination frequented mainly by tourists from different countries. 

It is precisely in this place, located on the western shore of the lower basin of the Dead Sea and where the water depth never exceeds 2 meters, that photographer Alexander Bronfer has returned almost every week for about two years, capturing its truest and deepest soul. 
(Collater.al  Guido Giuilia)
Alexander Bronfer The Dead Sea

Recente studies tonen aan dat ‘the lower basin of the Dead sea’ gedoemd is om verdampend te verdwijnen.

Alexander Bronfer was born in Ukraine and studied in Russia, in St. Petersburg. Once he finished his studies he moved to Israel, first in Tel Aviv and then lived in several Kibutz in the south of the country. 
Alexander Bronfer The Dead Sea

Het is een beetje surreëel maar toevallig had ik enkele conceptuele illustraties van kunstenares Chiara Ghigliazza bij de hand. We blijven beleefd en voorkomend, ook in noodsituaties.

Bezoek alvast haar website: https://chiaraghigliazza.com/

Can ‘women’s work’ be a feminist act?
I want my daughter to love whatever she wants to love. I want my daughter to fully own her own desires and joys, and I hope her generation is far less consumed with questioning the validity of whatever makes them happy than mine is. (Chiara Ghigliazza)
A Half-Century of Economics at EPA
Illustration about the use of economic research in designing environmental policies, for Resources, magazine of the environmental nonprofit organization Resources for the Future.

Het zijn maar enkele voorbeelden van ‘beeldend’ denken omtrent ‘de toekomst’, een kleine aanvulling van onze vorige bijdrage.

Follow the leaders London Isaac Cordal

enzovoorts

En wat als je je afvraagt wat er met die kunst en zijn beoefenaars moet gebeuren in de toekomst? Een video van zes jaar geleden maar de vragen blijven nog steeds gesteld.Een museum met plezierige zelfkritiek?

De hedendaagse kunstenaar kan o.a. met treffende beelden wel degelijk een verhelderende aanzet tot dagelijkse participatie geven. Dat kunst zich bekommert om de planeet en haar (toekomstige) bewoners zou vanzelfsprekend mogen zijn. De manier waarop is een kwestie van kunde, mensenkennis en samenwerking. Beeldentaal kan zich tot een breed publiek richten.

Chiara Ghigliazza

De toekomst voorstellen, een denk-probleem?

Hoe komt het dat we ons zo moeilijk de toekomst kunnen voorstellen? Waarom zijn we zo gehecht aan het hier en nu? Eerst dus de vraag: ‘Hoe denken we?’ En om dat wetenschappelijk te duiden is ‘Harvard University’ een goede graadmeter, er wordt daar aan denken met hoofdletters gedaan.

In 2017 ondernam Elinor Amit, verbonden aan het departement Psychologie aldaar een onderzoek naar die vraag.

Human thought generally can be divided into two modes, the visual and the verbal. When you think about your next vacation and imagine sitting under a palm tree and sipping a cold drink, you’re probably thinking visually. If you’re thinking what you’ll say when you make a presentation at work, you’re likely thinking in words and sentences, creating inner speech.

De klaarheid van het Harvardiaanse klontje kun je toch nog belegeren met de vraag of die twee, het visuele en het verbale, altijd los van elkaar staan? Kun je het ene gebruiken zonder dat het andere opduikt? Dat was alvast een vraag die proefondervindelijk kon benaderd worden. Elinor Armit, departement Psychologie en Evelina Fedorenko, Harvard Medical school ontdekten in die studie dat zelfs wanneer mensen gevraagd werd om verbaal te denken, ze toch visuele beelden creëerden om hun ‘inner speech’ te begeleiden. Dat zou betekenen dat visueel denken diepgeworteld is in de hersenen. De studie is beschreven in het tijdschrift NeuroImage.

“The question we wanted to answer was: Can you engage in one without the other modality popping up?” Amit said. “Can you use one without invoking the other unintentionally?”

Er werden dus een reeks experimenten ontworpen door Amit en collega’s die in het lab begonnen en later overgingen naar de MRI-scanners.

In het eerste experiment werd vrijwilligers gevraagd om ofwel beelden ofwel zinnen te creëren op basis van woordparen. Het eerste woord was altijd een beroep, zoals ballerina, politieagent of leraar. In de helft van de gevallen was het tweede woord een voorwerp, in de andere helft een plaats.

Na het maken van een beeld of zin met de woorden, werden de deelnemers een van de vier vragen gesteld: Hoe duidelijk waren de beelden of zinnen die ze moesten maken, of hoe duidelijk waren de beelden of zinnen die ze onbedoeld hadden gemaakt?

“So in one trial you might be asked to create an image, and we would ask you how clear that image was,” Amit explained. “In the next trial, we might ask you to create an image again, but then ask you how clear was the sentence you unintentionally created.”

Zoals goede wetenschappers werd het experiment twee maal herhaald, een keer met lab-vrijwilligers, een andere keer met vrijwilligers gerecruteerd uit ‘the internet labor market Amazon Mechanical Turk‘. In beide gevallen, zei Amid, waren de resultaten dezelfde.

“What we found was there was no difference in the vividness of images,” Amit said. “The subjects didn’t care if we asked them to create an image or not; it was vivid regardless of what we asked them to do.” However, the clarity of the sentence was affected by instructions." 
The inner speech produced by the subjects was clearer when the participants intended to create sentences than when they did not.

Dat waren al significante resultaten maar ze bleven beperkt tot zelfrapportage van de deelnemers over de levendigheid van beelden of innerlijke spraak. Daarom werd daarna om die beperking te kunnen ondervangen gebruik gemaakt van resonantie-beeldvorming, of fMRI waarmee de hersenactiviteit van de proefpersonen kon worden gevolgd.

Voor de fMRI-test trainden de onderzoekers de deelnemers eerst met behulp van een reeks boeiende zinnen en beelden, die elk konden worden opgeroepen met behulp van een “cue”. Terwijl ze de zinnen of beelden opriepen, gebruikten Amit en collega’s fMRI om het taalnetwerk van de hersenen te monitoren, evenals hersengebieden waarvan bekend is dat ze betrokken zijn bij het herkennen van gezichten en lichamen.

“We found that people generated more robust verbal representations during deliberate inner speech … but they generated visual images regardless of whether their intent was to visualize something or to think verbally.” “This raises an interesting question,” Amit said. “It suggests that even though we visualize things all the time, it may be that they are relatively impoverished and not like a movie that runs in our heads.” 

Amit zei dat de studie intrigerende vragen oproept over de vraag of mensen gebonden moeten zijn aan het hier en nu. In eerder onderzoek ontdekten Amit en collega’s dat mensen de neiging hebben om visueel na te denken over dingen die dicht bij hen staan (in de tijd, sociaal of geografisch), maar gebruik maken van innerlijke spraak wanneer ze over verre dingen nadenken.

“So if you think about Harvard Square versus San Francisco, you’re probably visualizing the former, but thinking verbally about the latter,” Amit said. “The same goes for whether you think about yourself or someone else, or in-group versus outgroup, or tomorrow versus 10 years from now.”
Foto door Magda Ehlers

Haar nieuwe studie toont echter aan dat zelfs wanneer mensen bewust verbaal proberen te denken, het visuele denken bijna altijd binnendringt, wat suggereert dat mensen in het heden geaard zijn, zelfs wanneer ze proberen een denkmanier te gebruiken die typisch is om het over de toekomst te hebben.

“This suggests that we can’t really go beyond the here and now and think in abstract ways about other people, places, or times,” Amit said. “This is the way our brains are wired, and there may be an evolutionary reason for this [because] we haven’t always been verbalizers. For a long time, we understood our world visually, so maybe language is an add-on.

That has important implications because if we are truly grounded in the here and now, what does that mean about how we develop public policy?. Do we need to help people overcome their bias to focusing on the here and now? This is something we may need to be aware of.”

Een boeiende vraag die ons alvast met de vraag confronteert waarom wij ons zo moeilijk de toekomstige problemen kunnen voorstellen die op dit ogenblik in de klimaatconferentie in Glasgow aan bod komen. Of we mensen kunnen helpen hun vooringenomenheid te overwinnen door zich vooral op het hier en nu te richten en daardoor problemen hebben zich de toekomst voor te stellen..

De manier waarop we het beeld van de toekomst dichterbij kunnen brengen, haar met dezelfde intensiteit van het hier en nu te ervaren zal onderwerp zijn van nieuw onderzoek. Misschien dat beelden van die toekomst meer overtuigen dan alleen studies en documenten? Niet een of-of, maar een en-en verhaal. Gebruiken we dus de kracht van het visuele ook om de toekomstige wereld voortijdig bekend te maken. Het hier-en-nu kan immers vlug van geruststellende gedaan te veranderen.

Artikel: The power of picturing thoughts
'Hoe komt het dat we ons zo moeilijk de toekomst kunnen voorstellen? Waarom zijn we zo gehecht aan het hier en nu?

Uit: A new study led by Elinor Amit, an affiliate of the Psychology Department, shows that people create visual images to accompany their inner speech even when they are prompted to use verbal thinking, suggesting that visual thinking is deeply ingrained in the human brain while speech is a relatively recent evolutionary development. (Redactie Peter Ruell Harvard Gazette)

Thinking Man Rhodes Rumsey