Het verlangen verbeeld en geletterd (2): “The shadow of Desire”

Louis Ducis, The Invention of Painting, ca. 1808.

De minnaar is dus een kunstenaar; en [haar] wereld is in feite een omgekeerde wereld, aangezien elk beeld daarin een doel op zich is.
— Roland Barthes, A Lover’s Discourse

 In zijn Naturalis Historia vertelt Plinius de Oudere het verhaal van Butades, een pottenbakker uit Sicyon, wiens dochter verliefd wordt op een naamloze jongeman aan de vooravond van zijn verblijf in het buitenland. De diepte van haar passie heeft haar overrompeld, en de dreigende scheiding nog meer. Kora (ook wel Butades, Dibutades of De Korinthische Maagd genoemd) wil een spoor bewaren van de mooie gelaatstrekken van haar geliefde, die zulke gevoelens bij haar opwekt. Ze tekent het silhouet van zijn schaduw,  door het warme licht van een olielamp op de muur geworpen. Hij vertrekt zoals voorzien en laat Kora achter, zo leeg als die omtrek op de muur. Haar vader grijpt in. Met behulp van de klei waarmee hij zijn potten maakt, vormt Butades een gezicht uit de contouren, dat hij hard maakt “door het samen met de rest van zijn aardewerk aan vuur bloot te stellen”.  
En in dit ontwerp, zegt Plinius, vinden we het begin van de beeldende kunst die de oorsprong van tekenen en schilderen kruist. Alles komt voort uit de schaduwen van het leven.

(Hunter Dukes The Public Domain Review)

Joseph Wright, The Corinthian Maid, ca. 1782–84.

Het is op zijn zachtst gezegd een vreemd verhaal. Zit hier een moraal in met betrekking tot verlangen en verdriet? Een proto-psychoanalytische parabel over hoe de contouren van onze geliefden worden ingevuld – en verhard – met modellen die door onze ouders zijn vastgesteld? Of is dit een verhaal over eros en kunst, de manier waarop verlangen klei en schaduw transformeert in een weelderige esthetische ervaring? Om Rousseau’s bewering in het Essay over de oorsprong van de talen uit te breiden: liefde was niet alleen ‘de uitvinder van het tekenen’, maar ook onze drijfveer voor mimesis (imitatie) in drie dimensies.‘ Het verhaal van Plinius presenteert dat mythische moment waarop dreigend verlies de impuls om vast te leggen en te onthouden aanwakkert’, schrijft Liza Saltzman. (ibidem)


Joseph Benoît Suvée, The Invention of the Art of Drawing, ca. 1791.
En misschien is er nog een andere betekenis van het hiernamaals en overleven achter de schermen aan het werk. George Didi-Huberman heeft aangetoond hoe deze seculiere afbeeldingen een voorganger hebben in christelijke iconen die bekend staan als acheiropoieton (zonder handen gemaakt), zoals het Manoppelo-beeld en de Heilige Lijkwade van Turijn, waarop op miraculeuze wijze het gezicht van Jezus Christus is afgebeeld, alsof zijn schaduw een vlek achterliet. 

“Wat de god heeft aangeraakt, wordt vaak bij uitstek onaanraakbaar”, schrijft hij, “ het trekt zich terug in de schaduw van het mysterie (en wordt voor altijd een object van verlangen).”

Een soortgelijk proces lijkt zich af te spelen in de hier verzamelde beelden, die zelf bestaan uit wat Aby Warburg ‘overblijfselen’ noemde: de “knoop van anachronismen” die voortleven in beelden en hun heterogene schulden aan oude culturele werelden. De mannelijke minnaar ziet misschien een voorgevoel van zijn eigen schimmige lot op de muur geworpen, maar hij is ook getuige van de creatie van een beeld dat hem niet langer zal volgen, zoals zijn schaduw dat doet, maar een uniek eigen leven zal leiden.

(Volgens Plinius werd het kleimodel van Butades eeuwenlang bewaard in een nymphaeum in Korinthe, totdat het in de tweede eeuw v.Chr. tijdens een oorlog werd vernietigd.)

Basistekst: Hunter Dukes

Jean-Baptiste Regnault, Butades or the Origin of Painting, ca. 1785–86 .Château de Versailles, salon des nobles (Wikipedia)

Het geheel: ‘The Public Domain Review-The shadow of Desire: Painting the Origins of Art (ca. 1625-1850)

https://publicdomainreview.org/collection/origins-of-painting

Die Erfindung der Zeichenkunst Jean Erdmann Hummel ca 1834 Credit: Staatliche Museen zu Berlin, Kupferstichkabinett / Dietmar Katz
1834

‘De mannelijke minnaar ziet misschien een voorgevoel van zijn eigen schimmige lot op de muur geworpen, maar hij is ook getuige van de creatie van een beeld dat hem niet langer zal volgen, zoals zijn schaduw dat doet, maar een uniek eigen leven zal leiden. ‘

En hoe waar dat werd!
Want in de uitlopers van deze mooie odes aan Plinius de Oudere verschenen de eerste proeven van de fotografie: De eerste was Joseph Nicephore Niépce, een Fransman. In 1826 smeerde hij een koperen plaat in met lichtgevoelig Syrisch asfalt (bitumen), stak die in een camera obscura en liet het licht uit zijn zonnige achtertuin acht uur lang op de plaat schijnen. (nieuwe bronnen spreken van ‘verschillende dagen’) Het resultaat was de eerste foto.

De eerste foto van Nicéphore Niépce

Tussen deze poging en wat de meeste zelfs zeer jeugdige fotografen in een onderdeel van een seconde vastleggen ligt een wereld van verschil. Maar kijk je naar de oudere mens die terugkijkt naar zijn jonge jaren foto’s dan voel je weer de onmacht van de schaduw op de muur die wel figuratiever geworden is, maar eens te meer de afwezigheid van het toenmalige kind duidelijk maakt.

DE kunst denkt dat zij die schaduw van het verleden en ja, zelfs van de toekomst verduidelijkt (vernieuwt?) door telkens weer de afbeelding of het volume te abstraheren maar iedere nieuwe ‘spraak’-kunst van het beeld komt bij het missen van de geliefde terecht, al dan niet een mens maar net zo goed een levenswijze of houding. Heimwee naar een werkelijkheid, een gedroomde, vergane of toekomstige?

“De schaduw bewijst dat ze ‘al liefheeft in nostalgie’, schrijft Jacques Derrida, want ‘los van het heden van de waarneming, gevallen van het ding zelf – dat zo verdeeld is – is een schaduw tegelijkertijd herinnering, en [haar] stok (waarmee ze tekent) is een stok voor blinden” (zie het bovenste schilderij van Jean-Baptiste Regnault)

Alexander Runciman, The Origin of Painting, ca. 1773.


Misschien wel het eerste werk uit deze periode dat dit thema oppikte, was Alexander Runcimans The Origin of Painting (1773). Hier schildert Kora de schaduw van haar geliefde met een hand die door Cupido wordt geleid. De man knikt in slaap of kijkt met samengeknepen ogen naar de cherubijn; Kora is verdiept in een wederzijdse uitwisseling met haar kunstwerk, dat tot stand komt waar schaduw en licht elkaar ontmoeten. De geliefden lijken elkaar, hoewel ze elkaar bijna kunnen aanraken, volledig te missen, omdat kunst en verlangen, weergegeven in goddelijke vorm, tussenbeide komen.

Cupido draagt niet zijn traditionele blinddoek, maar toch lijkt het paar verblind. Kora's geliefde is al een herinnering, ook al zit hij daar vlak voor haar. De schaduw bewijst dat ze “al liefheeft in nostalgie”, schrijft Jacques Derrida, want “los van het heden van de waarneming, gevallen van het ding zelf – dat dus verdeeld is – is een schaduw tegelijkertijd herinnering, en [haar] stok is een stok van de blinde.” (Hunter Dukes)

Marie-Pauline Soyer after Jeanne-Élisabeth Chaudet, Dibutade Coming to Visit Her Lover’s Portrait, ca. 1810.
Jeanne-Élisabeth Chaudets interpretatie van Plinius' verhaal uit 1810. Hierboven is de minnaar al vertrokken en is de vader nergens te bekennen. In plaats daarvan is er alleen een vage schets, geschilderd op een muur die meer op een grafsteen dan op een doek lijkt. Kora is zalig tevreden. Ze staart naar haar oogloze afbeelding en lijkt zich voorover te buigen voor een kus. De bron van haar verlangen zal nooit meer weggaan. (Hunter Dukes)

Verzameling beelden ook bij:

‘De schaduw van verlangen’ Een thema uit de 18de-19de eeuwse minder bekende schilderkunst waarbij de historische achtergrond ons hielp bij het hedendaags denken over kunst en haar mogelijke functies. ‘Het verlangen’ was er duidelijk aanwezig en bleef ook voor de 21-eeuwse kijker het overdenken waard.. We maakten een redactie van bestaande studies met verwijzingen naar de oorspronkelijke bronnen. Het is duidelijk dat de oorsprong van de kunst een vrouwelijk initiatief was. Meneer liet zich graag ‘aftekenen’. Hoe hij de beminde zou herinneren eens hij op reis was, vertelt Plinius niet.

Jean Raoux, The Origin of Painting, ca. 1714–17. –

Om bij de kortende dagen nog eens te bekijken:

Het verlangen verbeeld en geletterd (1) Desire depicted and lettered (1)

Omslag van een schrijftablet Frankrijk. 1325-1350 Olifant-ivoor. Met museum NY

Onder klaverblad-bogen zijn er langs beide zijden van dit ivoorkunstwerk scènes te zien die ‘het hof maken’ als thema hebben. Hierboven heeft een man met een roofvogel in de hand -een symbool van zijn status- een kroontje ontvangen van een vrouw en kroont hij haar op zijn beurt (op keerzijde) waarmee hij aangeeft dat zij zijn liefde heeft gewonnen..

Omslag van een schrijftablet Frankrijk. 1325-1350 Olifant-ivoor. Met museum NY
Intended to cover writing tablets, such plaques were among the deluxe products of Paris during the fourteenth century and were possibly made on the rue de la Tabletterie, a name indicating their special use. Poems or messages would have been written on smooth sheets of ivory that had recessed areas filled with wax for the text. Perfect economy of technique and purity of style are clearly evident in these amorous images. In their elegance of form and gesture the courtly couples seem also to convey a moral and spiritual life that appears both mannered and artificial but is infused with joie de vivre.  
(Metmuseum NY. Exhibition: Spectrum of Desire Love, sex, and Gender in the Middle Ages)

Te bezoeken: (tot 29 maart 2026):

https://www.metmuseum.org/exhibitions/spectrum-of-desire-love-sex-and-gender-in-the-middle-ages/exhibition-objects

The Garden of Eden’. British. laatste kwart 16de eeuw The Met Collection Klik op onderschrift om bij bronafbeelding nog eens te klikken om te vergroten. Mooi!

Dieper dan de diepste krocht zou je met letters alleen al ‘het verlangen’ in bestaande en vergane talen kunnen opvullen. Vaak is het achter die letters te doen, in de herberg ‘de be-tekenis’ is het goed toeven, maar bij de deur naar de tuin zou je onderstaand gedicht van Rutger Kopland kunnen vinden:

XIV. Ga nu maar liggen liefste 

Ga nu maar liggen liefste in de tuin,
de lege plekken in het hoge gras, ik heb
altijd gewild dat ik dat was, een lege
plek voor iemand, om te blijven.

Rutger Kopland
In: Een lege plek om te blijven, 1975.
‘The Garden of Eden’. British. laatste kwart 16de eeuw The Met Collection Detail


'De taal geeft niet simpelweg ‘namen’ aan de dingen; ze doet de dingen bestaan, ze geeft ze vaste grenzen en maakt ze tot ‘dingen’. Benoemen is niet dopen (een naam geven aan wat er al is), maar verwekken (een nieuw wezen doen ontstaan). Wat we ‘zien’, zowel fysisch als mentaal, is van meet af aan door woorden gestructureerd. De taal bepaalt ons beeld van de werkelijkheid.' (Philosophische Untersuchungen 371, 373) [pagina 29]

Patricia de Martelaere. 'Een verlangen naar ontroostbaarheid'


Jonge man met boog en grote pijlenkoker en vriend met schild Goivanni Battista Tiepolo ca 1730-50

‘Een ontroostbaar verlangen?’ Sehnsucht? ‘ “Inniges, schmerzliches Verlangen nach jemandem, etwas” (diep, pijnlijk verlangen naar iemand, iets.)

Volgens velen is het eerste deel van het woord ‘sehnsucht’ afgeleid van het Duitse werkwoord ‘sehnen’, wat zoveel betekent als ‘snakken’ of ‘verlangen’. De Duitse Benedictijnerpater Anselm Grün komt met een andere verklaring. Hij stelt dat het woord een samenvoeging is van ‘sehne’ (pees) en ‘sucht’ (zucht of ziekelijke neiging). Dit laatste component van het woord komt dus niet, zoals soms gedacht, van het werkwoord ‘suchen’ (zoeken). De pees zou herinneren aan de pees die gespannen is wanneer iemand zich klaarmaakt om te springen of aan de boogpees voordat een pijl wordt afgeschoten.

“Verlangen heeft dus met innerlijke spanning, met innerlijke concentratie te maken. Met al zijn energie wacht iemand op de sprong om datgene te pakken waar zijn verlangen op is gericht, of op het schot dat doel treft.”

(History: Germany Language History February 2023)

De Boogschutter Henry Moore. 1965 KNSTDWLNGN
De schrijver is de beeldhouwer van het niets, wat hij wil beschrijven is de volle pracht en praal van de nieuwe kleren van de keizer. Hij zegt: Ze zijn van donkerrood fluweel, met gouddraad doorstikt. Hij zegt: Ze zijn met parels en diamanten bezet. Hij zegt: Als het zonlicht erop schijnt geeft het een oogverblindend licht. Zodat je ze werkelijk voor je ziet, die schitterende kleren, zoals hij ze beschrijft. Maar dan, op het eind, zegt hij, met de ontwapenende oprechtheid van een kind: Ze zijn er niet, wat je ziet is er niet.

(Patricia de Martelaere. 'Een verlangen naar ontroostbaarheid'. p.20)

Albrecht Dürer, Vleugel van een scharrelaar, ca. 1512 © Albertina-museum, Wenen

Net zoals auteur Wytske Versteeg die over ‘verlangen naar de verte schreef’ in De Groene Amsterdammer van 7 april 2021 kende ik ‘de scharrelaar’ niet. Deze vogel was ooit wijdverspreid in Europa en broedde tot in Zweden, schreef de auteur. Inmiddels…Je kent het verhaal.

"Albrecht Dürer had geen last van al te grote afstand toen hij de scharrelaar schilderde, hij moet een pas gestorven vogel hebben meegenomen naar zijn atelier. Een ander werk beeldt het hele lichaam af, en dat is vele malen treuriger dan deze losse vleugel. De gevouwen vleugels van de dode scharrelaar zullen nooit meer vliegen, de ogen zullen zich nooit meer openen, de min of meer gestrekte nek is overduidelijk niet meer in staat zich op te richten. Dat schilderij gaat minder over de vogel dan over de dood zelf: de verslagenheid van plotseling gestopte eindeloosheid, dat wat er achterblijft wanneer een leven breekt. ‘Wij zijn niet met de aarde één’, schreef Rilke in zijn vierde elegie, ‘zijn niet als trekvogels begaafd’. Wij mensen stijgen te laat op, begeven ons op ongetemde wind, storten in onverschillige vijvers neer, maar de scharrelaar vliegt zo tienduizend kilometer naar het zuiden. Dürers vogel is waarschijnlijk met een net gevangen, heeft verwoed met zijn vleugels geslagen om te ontkomen aan de lucht die plotseling vijandig was geworden en hem vasthield aan de grond, heeft gevochten tot de uitputting het van hem won. De vlek bij de vleugelaanhechting rechts boven moet bijna wel bloed zijn, een net iets feller, wreder rood dan dat van de vogel zelf. In de afbeelding van de dode scharrelaar ging de tijd vooruit: daar was een leven geëindigd met de dood."

Wytske Versteeg. 'Verlangen naar de verte'. De Groene A'dammer april 2021

In het Duits is deze vogel een Blauracke. Er bestaat ook een schilderij: ‘Tote Blauracke, als ‘Tierstudie Federn.

Joachim Patinir. 1480-1524 ‘Christoffel. ‘Museum Catharijneconvent (onvoltooid)

"Zelden was blauw mooier dan op de schilderijen uit Dürers tijd. Kostbaar ultramarijn – gemaakt van lapis lazuli, ultramarijn betekent overzees – voor de gewaden van Maria, goedkoper pigment voor zeeën en luchten. Het landschap als zelfstandig thema begon zich in Dürers tijd net te ontwikkelen. Joachim Patinir, een van de pioniers in het genre, was een van zijn vrienden. Diens schilderijen fascineren me al sinds ik als kind een boek las waarin de hedendaagse hoofdpersoon zichzelf terugvindt in Patinirs Landschap met de heilige Christoffel. (ibidem)
zegenend kind op Kr’ schouder

De auteur vergelijkt het blauw van de vleugel met het blauw op Patinirs schilderij. “De ‘Vleugel’ bevat precies de tinten die ook Patinirs wereld zo magisch maken,” schrijft zij. Kijk ook naar details, het kindje Jezus op de schouder van Christoffel. Aan de linkerzijde aan de overkant van de rivier is een oude kluizenaar weergegeven die Christoffel het geloof onderwees. Het schilderij bleef onvoltooid.

de oude kluizenaar
"Het is alsof het water, het licht en de lucht zelf hun indruk hebben nagelaten op de vleugels van de scharrelaar, die moeiteloos vloog waar wij nooit zouden komen, onze wereld gracieus ontsteeg. Die stierf, waarschijnlijk door toedoen van mensen, en op Dürers tafel geëindigd is. Maar die in het leven dat daaraan voorafging als een acrobaat door de lucht heeft geduikeld, zich als een blad heeft laten vallen om een vrouwtje te imponeren, want dat is wat scharrelaars doen tijdens de balts.

Opnieuw moet ik denken aan Rilke, die zich afvroeg of de vogels het zouden merken als je de leegte uit je armen weg zou werpen, of zij in hun vlucht zouden voelen dat de lucht om hen heen was verruimd. ‘En wij, die denken aan stijgend/ geluk, ervoeren misschien de ontroering,/ die ons bijna verbijstert,/ als iets wat geluk is, valt’." (Wytske Versteeg)

Wytske Versteeg is politicoloog, schrijver en essayist en kreeg diverse prijzen. In 2020 verscheen bij Querido haar non-fictiewerk Verdwijnpunt, over incest en eenzaamheid

Bezoek haar website:

https://wytskeversteeg.nl

Een collectie van Patinirs werken vind je op:

Een eerste aflevering van ‘het verlangen is uitgewaaierd tot in de prachtige tinten ultramarijn van Dürer en Patinir. Ogentroost en naar wij hopen nieuwsgierigheid.

Om af te sluiten nog een fragment uit “Een verlangen naar ontroostbaarheid” van Patricia de Martelaere waarin een zekere synthese ons genoegzaam denken blijft ondermijnen.

"Doel van de literaire taal is dan geen begrippenapparaat meer te zijn, maar het kleurenpalet van een schilder. Wat de schrijver eigenlijk zou willen is dus niet schrijven, maar schilderen; hij is domweg degene met het verkeerde talent.

(Hoewel: wat de schilder wil is dan weer schrijven, of beeldhouwen, of componeren. Van schilders hoor je vaak dat ze uitgerekend iets zouden willen zeggen in verf. Misschien is de kunstenaar altijd degene met het verkeerde talent. Of misschien is dat het wezen - een van de wezens - van kunst: dat je iets probeert te doen met, voor alles, de verkeerde middelen.)

Hoe dan ook: penseelstreken verwijzen niet, ze betekenen niets. Het schilderij berust niet (of althans niet geheel) op de afwezigheid, het vormt zélf een zelfgenoegzaam ding, het is zelf de slapende poes. De schilder zegt niets, hij toont; schilderkunst is het gebaar.
Wat de schrijver ‘eigenlijk’ zou willen is zwijgen, maar dan in woorden. Datgene waarover niet kan gesproken worden, het naamloze niets onder de taal, dát is zijn eigenlijke object. Het ligt voor de hand er nog maar eens Wittgensteins beroemde (maar stilaan tot de draad versleten) Tractatus 7 bij te halen: ‘Waarover men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen.’

(pagina 22-23)

fragment uit ‘Landschap langs de Styx-rivier. Joachim Patinit 1480 (Dinant) – 1524 Antwerpen

Het is duidelijk dat de tocht over de Styx een verbeeldende benadering is net zoals de filosofische wegen nieuwe vragen blijven oproepen. Bij leven en welzijn zullen we in een volgende bijdrage de lezer(es) meenemen naar vroeger, nu en morgen waar wij telkens dat ‘verlangen’ zien of zagen verschijnen. Wees ook daar weer onze gezel(lin).

Woede als oudste inspiratiebron

Homerus, marmer door Philippe-Laurent Roland. 1812 (Louvre)

Mag hij dan al uit marmer zijn gehouwen, heel vastvoetig is hij hier niet, deze (blinde) ‘Homerus’ verbeeld door de Franse beeldhouwer met drie voornamen, werk nog in het Louvre te bewonderen. .Homerus’ versvoeten daarentegen doen al zo’n drieduizend jaar dienst en teisterden menig klassiek geschoolde leerling of student, al dan niet in het originele(?) Grieks, te vertalen naar de eigen moederspraak. De ‘Odyssee‘ en de ‘Ilias‘ klinken wellicht bekend in de oren of iets dieper in het geheugen terug te vinden.

De vertaler Patrick Lateur weet die oude verzen in een hedendaags Nederlands te vertalen. Illias: zang 11, 155-163. (Met dank aan Leen Huet)

Zoals verdelgend vuur op een dicht woud

valt: wind vol wervelingen voert het vuur

naar overal, ontworteld vallen struiken

neer, door de vaart van vlammen aangevallen –

zo vielen door de vuisten van de zoon

van Atreus, Agamemnon, ook de hoofden

van vluchtende Trojanen, vele paarden
met sterke nekken lieten op de paden

van strijd en oorlog het geratel horen

van lege wagens, want zij misten toen

hun flinke menners. Dezen lagen neer

ter aarde en aan hen hadden de gieren

veel meer genoegen dan hun eigen vrouwen.'

Μῆνιν ἄειδε, θεά, Πηληιάδεω Ἀχιλῆος (Bezing de woede, godin, van Peleus zoon Achilleus.)

“Het allereerste woord in de geschiedenis van de westerse literatuur is ‘woede’ of ‘toorn’. Zo begint namelijk Homerus’ ‘Ilias’. Dit werk, dat ergens in de achtste eeuw voor Christus werd geschreven, begint met een oproep aan de Muze, de godin van de inspiratie, om te helpen het verhaal te vertellen van de ‘woede’ van Achilles (mènin-Μῆνιν) in het oorspronkelijke Grieks) – en van het onmetelijke leed en de verschrikkelijke dood van zoveel dappere krijgers die deze woede veroorzaakte. Het epos van Homerus, dat zich afspeelt tijdens de mythische oorlog tussen de Grieken en de Trojanen, gaat evenzeer over woede, persoonlijke wraak en de fatale gevolgen daarvan als over heroïsche gevechten en de botsing tussen twee oude supermachten. Wat gebeurt er, zo vraagt het gedicht, als je beste krijger zo woedend is over een persoonlijke belediging dat hij zich terugtrekt uit de oorlog en gewoon weigert te vechten? Wat zijn de kosten, om het in moderne bewoordingen te zeggen, van ‘Achilles die mokkend in zijn tent zit’?”

Mary Beard NY Times 7 sep 2017

In haar boek Enraged: Why Violent Times Need Ancient Greek Myths (22 augustus 2017) onthult classica Emily Katz Anhalt hoe deze drie meesterwerken uit de klassieke Griekse literatuur ons kunnen leren, net zoals ze de oude Grieken leerden, om gewelddadige wraak te herkennen als een teken van onlogisch denken en slecht leiderschap. Woede kan een natuurlijke reactie zijn op beledigingen, verwondingen of onrechtvaardigheid, maar Homerus, Euripides en Sophocles laten zien hoe dwaas het is om mensen te verheerlijken die zich overgeven aan gewelddadige woede. Deze aloude teksten benadrukken de kosten van onze gevaarlijke neiging om gewelddadige woede en degenen die zich daaraan overgeven te verheerlijken. Door mededogen, rationeel denken en debat te bevorderen, helpen Griekse mythen ons wapenen tegen de tirannen die we zouden kunnen dienen en de tirannen die we zouden kunnen worden.



In haar laatste boek ‘Embattled’ ‘How Ancient Greek Myths Empower Us to Resist Tyranny Stanford University Press (2021) werkt ze dat thema verder uit:

“In an era of political polarization, Embattled demonstrates that if we seek to eradicate tyranny in all its toxic forms, ancient Greek epics and tragedies can point the way.
As tyrannical passions increasingly plague twenty-first-century politics, tales told in ancient Greek epics and tragedies provide a vital antidote. Democracy as a concept did not exist until the Greeks coined the term and tried the experiment, but the idea can be traced to stories that the ancient Greeks told and retold. From the eighth through the fifth centuries BCE, Homeric epics and Athenian tragedies exposed the tyrannical potential of individuals and groups large and small. These stories identified abuses of power as self-defeating. They initiated and fostered a movement away from despotism and toward broader forms of political participation.”

Nu tirannieke passies de politiek van de eenentwintigste eeuw steeds meer teisteren, bieden de verhalen uit de oude Griekse epen en tragedies een essentieel tegengif. Het concept democratie bestond niet totdat de Grieken de term bedachten en het experiment uitvoerden, maar het idee is terug te voeren op verhalen die de oude Grieken vertelden en hervertelden. Van de achtste tot de vijfde eeuw v.Chr. legden Homerische epen en Atheense tragedies het tirannieke potentieel van individuen en grote en kleine groepen bloot. Deze verhalen identificeerden machtsmisbruik als zelfvernietigend. Ze initieerden en bevorderden een beweging weg van despotisme en naar bredere vormen van politieke participatie.

Lees:

https://www.sup.org/books/literary-studies-and-literature/embattled/excerpt/table-contents

The Euphronios Krater, on display in the National Archaeological Museum of Cerveteri. Credit: Wikimedia Commons / CC-4

De Euphronios Krater is, zoals de naam al doet vermoeden, een krater, een soort vaas die in de oudheid werd gebruikt om wijn met water te mengen. Deze krater is het werk van Euphronios, een vaasschilder en pottenbakker die in de 6de tot 5de eeuw v.Chr. in Athene leefde. Hij is een belangrijke kunstenaar uit de oudheid die in zijn vazen werkte met de rode-figurentechniek.

Op de Euphronios Krater heeft de kunstenaar twee scènes uit de Griekse mythologie afgebeeld. De scène aan de voorkant komt uit de Trojaanse oorlog. Deze illustreert de dood van Sarpedon, een jonge zoon van Zeus die dapper vocht aan de kant van Troje en een vroegtijdig einde vond. In een moment van verdriet dragen de goden Hypnos (Slaap) en Thanatos (Dood) zijn levenloze lichaam weg, terwijl Hermes, de boodschapper van de goden, de stoet gadeslaat.

Bezoek:

https://www.emilykatzanhalt.com/home

Uit de film ‘Iwans’ jeugd’. Andrei Tarkovsky)


oorlog

de oorlog slaapt al jaren naast me in bed houdt me vast in zijn slaap
ik ben minstens vijftienhonderd nachten gestorven
hij zet ’s ochtends vroeg sterke koffie met veel suiker
draagt manchetknopen en paradeert graag op hoge hakken

ik deel onbevangen mijn zout wijn en dromen met hem
hij zwaait met zijn sigarettenhouder en turquoise vingers
drinkt uit gouden glazen eet delicaat met zilveren lepels
leunt in de deurpost en loert uit zijn glanzende khol ogen

in het hart van de nacht beraamt en tekent hij zijn offensief
ik zie zijn ambitieuze plannen en snijd onmiddellijk m’n tong af
zachte stemmen mesten het wapenarsenaal in zijn lichaam
hij spint taal tot stalen strengen in zijn verfijnde handen

rondom mijn keel plant ik geurende jasmijn als omheining
ik borduur met zilverdraad een harnas aan mijn zachte armen
op de bruine flanken van mijn rug galopperen wilde paarden
in de schaduw van mijn borsten bouw ik een noodhospitaal

ik heb het oorlogsrecht nageleefd en dwaas gewacht op de strijd
hij wekt me in alle vroegte en leidt me de trap af naar de keuken
staat stil achter me en steekt een fors vleesmes tussen mijn ribben
’t gif en de immense zege verspreiden zich in mijn romp

hij fluistert karmozijnzacht in mijn haar
‘kijk de eerste sneeuw’
het tellen van de slachtoffers en het graven mag beginnen

Nisrine Mbarki Ben-Ayad
Nisrine Mbarki Ben-Ayad is een Nederlandse schrijfster van Marokkaanse afkomst. Ze is dichteres, columniste en vertaalster van Arabische poëzie naar het Nederlands. Ze is auteur van de dichtbundel Oeverloos (Pluim, 2022) en haar debuutroman Kookpunt verscheen in 2025. Ze woont in Amsterdam.

“Het schrijven van poëzie is mijn manier om optimaal met de wereld te communiceren. Ik onderzoek beelden, woorden, talen en werelden die mij fascineren en diep raken. Poëzie is ook een manier om zowel mijn verbeelding als mijn innerlijke wereld te ordenen. In dit gedicht probeer ik op een intieme manier over geweld te schrijven – oorlog als een minnaar of als iemand die in je huis woont. Ik verken het fenomeen oorlog als een vorm van geweld dat zich in het dagelijks leven nestelt – niet als een abstract concept, maar als iets echts, in al zijn extravagantie en absurditeit.”

Bekijk dit eerste werk van Andrei Tarkovsky ‘De jeugd van Ivan’ (1962) De praktijk van al de theorie die we hier hebben belicht. Nieuwe digitale versie. Met Engelse onderschriften. Groot scherm aangeraden, en …tijd, ook na het bekijken. (1h 36)

Ik ontdekte enkele dagen na de publicatie ook nog dit mooie schilderij van Edgard Tytgat. ‘De verovering van Troje’. (1950)

“Het schilderij van Edgard Tytgat dat wij behandelen, en dat tijdelijk tentoongesteld is in het Groeninge-museum te Brugge, telt drie taferelen binnen één decor van strand en zee. Op de voorgrond worden jonge vrouwen van alles beroofd, op vreemde wijze met linten gekneveld en neergelegd in een open bootje. Een geharnast ruiter geeft bevelen. Dieper in zee worden de gevangenen aan boord gehesen van een schip met gereefde zeilen, om te worden overgebracht naar een hoge rots van waarop zij in het water worden gestort. Vóór het eiland van de terechtstelling is een eenzame figuur in de golven begonnen met de bevrijding van het eerste slachtoffer.”

Tytgat heeft dit werk geschilderd in 1950. Hij gaf het als titel ‘De verovering van Troje’. De tragische lotgevallen van die stad zijn ons uit tal van bronnen bekend. De Grieken ondernamen daarheen een strafexpeditie om de door Paris geschaakte Helena terug te halen. De strijd zou tien jaar hebben geduurd. Troje viel in handen van de belegeraars dank zij de list met het houten paard. Het garnizoen werd uitgeroeid. De overwinnaars voerden de vrouwen en de kostbaarheden mee als oorlogsbuit.” (OKV Archief)

Grappig vond ik de pedagogische opmerking bij het verhaal, in grote dikke letters tussen aanhalingstekens:

“Wat de schilder zich voorstelt van het gedrag van de winnaar is bepaald niet stichtend.”

De hele bijdrage is te lezen:

https://www.okv.be/archief/edgard-tytgat-de-verovering-van-troje

(Uit de collectie Mu Zee Museum by the sea) Let op:  Muzee renoveert en verhuist tijdelijk naar de Venetiaanse gaanderijen Oostende, daar dus tot 22/2/2026

Het momentele als waan of essentie (1)

“Chemin montant dans les hautes herbes”_(1873)-Pierre_Auguste_Renoir (1841-1919) (klik op afbeelding om te vergroten)
“Chemin montant dans les hautes herbes”_(1873)-Pierre_Auguste_Renoir (1841-1919) (klik op afbeelding om te vergroten en nog eens eens je in d’ Orsay bent beland.

Inderdaad, samen zijn dit 5 digitale versies van een en hetzelfde schilderij, niet eens groot 60 x 74cm zonder kader, origineel te bewonderen in het Musée d’ Orsay, Paris. Bovenste foto is een versie van Wikipedia via Google, de laatste komt uit het museum zelf, en dan heb ik het nog niet over de diverse kopieën die in de zgn. ‘kunsthandel’ te koop zijn. We zullen moeten gaan kijken, inderdaad en dan zullen we nog een aantal andere versies moeten verwerken al blijkt bij het kleuren zien de hersenwerking bij elke waarnemer identiek. maar de persoonlijke ervaring ervan is weer een ander hoofdstuk.

Maak ik een schermafbeelding van Googles opzoekingen dan zie je ongeveer dit:

In een nog recentere versie , februari 2024 resultaat van een opname in de tentoonstelling Colour & Light – The legacy of impressionism, Atheneum, 20 October 2023 – 25 February 2024 kan je een sterke rood-beklemtonende opname bekijken:

https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Chemin_montant_dans_les_hautes_herbes.png

…en terwijl je daar bent, daarnaast onderaan een erg getrouwe kopie uit het museum, en dan zijn we terug bij een mengeling van de opnames bovenaan.

Maar…er is slechts één verhaal.. De plaats: Essoyes. Of niet? Gaat het eerder over een ‘impressie’? Herinneringen? Maak een keuze tussen de eerste twee doeken bij het begin van deze bijdrage.

Het verhaal van "Chemin montant dans les hautes herbes":

Twee silhouetten bijna in het midden van het doek, het kleinere silhouet is van een kind, het andere van een vrouw. Loopt het kind voorop, bloemen in een van zijn handen terwijl de vrouw een rode parasol draagt. Zij lopen beiden naar een houten poortje, rechtsonder het schilderij. Mogelijk heeft Renoir Jean, zoon en Camille, vrouw van zijn vriend Monet verbeeld.
Voel je de zomerwarmte? Hoor je de krekels? De wind brengt een zoete geur van wilde bloemen mee. In de verte, op het pad achter het kind en de vrouw met de rode parasol zie je nog een stel, een man en een vrouw, in het zwart gekleed. Ook die vrouw beschermt zich met haar parasol.
De tuin zal meermaals in zijn werk verschijnen.

Pierre-Auguste Renoir Femme avec parasol dans un jardin 1875

Is het een herinnering van de schilder P.A. Renoir in Essoyes en beschrijving van de route “Chemin montant dans les hautes herbes”?

Auguste Renoir en Aline Charigot, afkomstig uit Essoyes, ontmoetten elkaar in Parijs. In de Rue Saint Georges, in een crémerie waar men in die tijd ook kon eten, charmeerde de jonge naaister uit de provincie Renoir. Hij was onder de indruk van de charme van deze 21-jarige vrouw en vroeg haar om in zijn atelier te komen poseren. Aline stemt toe en zo vindt de kunstenaar, die zich niet op zijn gemak voelt in de salons van de Parijse bourgeoisie, maar zich aangetrokken voelt tot de natuur en het gezonde leven van de plattelandsbevolking, de weg naar Essoyes. Maar dan zijn we de rumoerige jaren 1872-1877 net voorbij.

Renoir a 39 ans. Il est alors dans une période critique. Et comme ses amis Monet, Pissarro et Sisley, il traverse une période où le mouvement impressionniste s’essouffle. Comme eux, il la résoudra à sa façon. Contrairement à Monet, Cézanne et Degas, il ne peut vivre que de sa peinture. Voilà pourquoi il s’est lancé dans le portrait et ainsi s’est acquis la bourgeoisie parisienne. Mais c’est à Essoyes qu’il va retrouver l’ambiance, le cadre, les couleurs et la lumière de sa peinture. “Essoyes avait vraiment tout ce qu’il faut pour enchanter un peintre et lui faire découvrir des motifs à chaque pas ; un village où les toits étaient d’une belle couleur raisin de Corinthe, une rivière coulant paresseusement au pied des bouquets de saules argentés, un sol d’un ton cuivré et au-delà une épaisse forêt” 

(François Fosca / Editions Aimery Somogy).

Renoir Grand Vent (Le coup de vent) 1872

Dit werk hing ook op de eerste tentoonstelling van ‘de impressionisten’ in 1874 en zorgde voor de nodige negatieve commentaar. Stel je voor, een schilderij zonder figuratie, met de wind als onderwerp. Wind ja! En rond dezelfde tijd 1874-1876 dit portret: ‘Femme à l’ ombrelle et enfant’

Pierre-Auguste Renoir – Femme à l’ombrelle et enfant.jpg. (1874-76)

En of dit niet Camille Monet was? Maar vooral de mooie belichting, licht en schaduw zijn belangrijker dan de details van het kleed en de zomerse omgeving. Zijn we hier bij personages van de ‘Chemin montant?’ Alvast in dezelfde innigheid en atmosfeer. Het moment. Even maar en het is voorbij. Kunstenaars als Claude Monet, Pierre August Renoir, Edgar Degas, Camille Pissaro, Berthe Morisot stelden voor de eerste maal hun (vaak geweigerde) werken tentoon in 1874. Het statische beeld verdampte in de pijnlijke schoonheid van ‘let op, het duurt maar even en het is voorbij…’ En of je die momenten kon vastleggen; was dat geen contradictio in terminis? Zelfs het reproduceren van hun werken is geen makkelijke opgave zoals duidelijk bleek bij het begin van deze bijdrage. Een museum is een oplossing, of met de feestdagen in het achterhoofd geef en krijg mooie geïllustreerde kunstboeken.

Berthe Morisot painting entitled: Eugène Manet and his Daughter in the Garden

Voor mij bestaat een landschap nauwelijks als landschap, omdat het voortdurend van uiterlijk verandert; maar het leeft dankzij zijn omgeving, de lucht en het licht, die voortdurend variëren.
Claude Monet

Het Klaprozenveld in Argenteuil, 1873. Claude Monet
Neen. Het moment
is geen bevroren onderdeel
van een beweging.
Het moment suggereert
wat zichtbaar was of wordt,
maar
zonder nu
bestaat er geen verleden
noch toekomst.

(wordt dus vervolgd)

Renoir. Vrouw in de tuin

Aanvullend:

Is de mens een zachte machine? Een intro.

3e-eeuws reliëf van Prometheus die de mens schept (Louvre, Parijs)

“Dat ik geboren ben en niet gemaakt”, zei Mens. “Verwekt. Hoor je het ‘kwekkende’ in dat woord, -zie je ons bezig- Verwekt om geboren te moeten worden na negen maanden mogelijk gesukkel. Kijk naar de glanzende machines die mij omringen. Ontworpen, geoptimaliseerd, afgewerkt. Mama, het spijt mij. Maar wij zijn achterhaald door ons eigen technische kunnen. Als mens zijn wij kleiner dan onszelf. Draai de ratelaars, haal de klokken uit de lucht. ” (Gmt)

In zijn dagboek zou hij het ‘Prometheïsche schaamte’ noemen. (Über prometheische Scham) onderdeel van zijn filosofisch hoofdwerk Die Antiquiertheit des Menschen (De gedateerdheid van mensen), dat verscheen in 1956.

“Laat je broer nooit een opdracht van de glorierijke Zeus uitvoeren. Mijn broer Epimetheus moest voor elk levend wezen een vermogen bedenken. Ga je gang, zei ik vriendelijk. De antilope gaf hij snelheid, een dikke huid voor de olifant, ogen als een verrekijker voor de arend, scherpe klauwen voor de tijger, enz. Tenslotte bij de mens aangekomen…Inderdaad zijn mandje was leeg.’

Wat nu? Het idee was dat elke soort zich zou kunnen redden op aarde, niet in zijn geheel vernietigd zou worden. Maar daar stond de mens: naakt, ongeschoeid, onbedekt, ongewapend, onaangepast, onaf. Het was, in de woorden van een andere Duitse filosoof uit de twintigste eeuw, Arnold Gehlen, een nauwelijks levensvatbaar biologisch misbaksel.   (Tom Grosfeld DGA)

Een bekend verhaal. Prometheus steelt het vuur van de goden en dank zij dat vuur zou de mens zelf dingen kunnen creëren. Een wezen dus dat zichzelf moet maken. En juist nu, in deze ‘moderne’ tijden wil de mens gemaakt zijn, een product worden. Trots is zelfverachting geworden. De mens wordt vernederd door de machine.

Door AI gemaakte afbeelding

‘De triomf van Prometheus is in zekere zin te overweldigend geweest. De trots begint om te slaan in minderwaardigheid en zelfverachting. De wens van vandaag is om een product te worden. De mens wil gemaakt zijn.’ 

Is de werkelijkheid in data te vatten? In hoeverre zijn we met het internet, smartphone, laptop, diensten als ChatGPT vergroeid vraagt de auteur Tom Grosfeld zich af in ‘Een miezerig, gebrekkig omhulsel’.

(Een profiel van Günther Anders) De Groene Amsterdammer. 3 september 2025 nr 36) Aan te raden!

"Prometheïsche schaamte heeft zich in de mens genesteld. En zo bezien is het te begrijpen dat we graag op algoritmen leunen die keuzes voor ons maken en bepalen wat onze ‘persoonlijke’ smaak is. Waarom we creatieve processen uitbesteden aan kunstmatige intelligentie en zo druk zijn met protocolleren, standaardiseren en kwantificeren. We zoeken voor elk maatschappelijk probleem een technologische oplossing. We zijn heilig gaan geloven dat we de werkelijkheid kunnen vangen in data en durven het niet meer op te nemen tegen de machine. We vertrouwen nauwelijks meer op onze menselijke kwaliteiten." (ibidem)
Gemaakt door Jean Tinguely. Cercle et carré éclates (Cirkel en ontploft plein), 1981. Pirelli HangarBicocca, Milaan, 2024. MAH, Musée d’art et d’histoire, Ville de Geneve. Met dank aan Pirelli HangarBicocca, Milaan. Jean Tinguely – SIAE, 2024. Foto van Agostino Osio.

Mens

Mens is een zachte machine,
een buigbaar zuiltje met gaatjes,
propvol tengere draadjes
en slangetjes die dienen
voor niets dan tederheid
en om warmer te zijn dan lucht,
Och, hij heeft ademzucht
en hartarbeid.

Heeft hij een welvig lijfje,
hier en daar wat vetjes,
dan vindt hij iets niet netjes
en noemt zichzelf een wijfje;
bovenin zijn haarkleedje
draait hij dan vaak springveren.
Daar kan hij niet mee leren;
ze dansen alleen een beetje.

Het leren gebeurt in een kastje;
je mag dat niet openmaken,
wel teder, teder aanraken,
maar de rest van het zotte bastje
blijft ingepakt en bewaard,
want als het zich bepoedert,
ontwatert en ontvoedert,
ontroert, ontstemt, onthaart,
dan kruipt het een hokje in.
Een deurtje gaat op slot,
en het loopt niet naar buiten tot
het kleertjes heeft, kalmte en zin.

Maar soms voelt het zich zoet;
het bekje prevelt: ‘trouwen’,
het gladde buikje moet
een klein machientje bouwen.

God behoede de mens
en geve hem een zoen:
er is verder niets met hem te doen.
Streel zijn zoete pens,
want mens is een zachte machine,
een ingewikkeld liefje.
Verzilver zijn statiefje,
leidt hem in een vitrine,
doe bij hem een lichtje aan.

Loop zachtjes om hem heen en
ga elders om hem wenen,
maar laat hem staan.


LEO VROMAN
Dat hij de ‘ziekte van de sterfelijkheid’, een ziekte waar we allemaal aan lijden, zo licht opvatte, had vast ook van doen met zijn wetenschappelijke nieuwsgierigheid. Leo Vroman was behalve dichter ook hematoloog; zijn ontdekking dat stollend bloed op een oppervlak telkens nieuwe eiwitten afzet leeft voort als het ‘Vroman-effect’. Hij had een fascinatie voor biologische processen, ook voor het mysterie van de dood. Van het leven begrijpen we nog maar een heel klein beetje, stelde hij vaak, maar van de dood niets.

(Xandra Schutte. DGA. 26 februari 2014

Ben Tolman Detail uit “Apartments’. Inkttekening

“Die gevoelens van schaamte zijn alleen maar geïntensiveerd in de 21ste eeuw, onder meer door de komst van het internet, de smartphone, de zelfrijdende auto en de ontwikkeling van kunstmatige intelligentie. En zullen blijven intensiveren, aangezien we vastzitten in een vicieuze cirkel: hoe beter machines worden, hoe minder bekwaam mensen hoeven zijn en hoe minder ze zich dus zullen inspannen om bepaalde vaardigheden te verwerven. De mens zal aftakelen, steeds kleiner worden ten opzichte van de machine die grenzeloos lijkt in zijn mogelijkheden.” (Tom Grosfeld: Een miezerig, gebrekkig omhulsel)

Luister naar de oorspronkelijke tekst: Tom Grosfeld over de filosoof Günther Anders

Sources matérielles © CC BY 2.0/Carolyn P Speranza/Flickr

Brieven aan Cecilia: ‘Het wiel belicht en beladen’

Het wiel van Rosmalen – Armando (Foto Historiek)

Je zou bij verjaardagen het beeld hierboven kunnen gebruiken, het wiel van Rosmalen. Ik lees in ‘Historiek’:

"Het Wiel van Rosmalen is een kunstwerk van Armando (pseudoniem van Herman Dirk van Dodeweerd), dat in 1992 vlakbij een zandverstuiving in de Noord-Brabantse plaats Rosmalen werd geplaatst. . Het zwartbronzen kunstwerk staat ook wel bekend als het Wiel van Armando. " 


Zelf schreef hij in 1992 over het karrenwiel:

Het wiel van Rosmalen zal geen gaaf wiel zijn
Een wiel dat ‘schuldig’ en ‘onschuldige’
voertuigen voortbewogen heeft.
Dat kanonnen moest voortslepen,
maar thans tot rust is gekomen.
Het wiel van het slagveld,
maar ook het wiel als rad der geschiedenis.
Overwonnen beweging. Gestolde kracht.
Een wiel dat wellicht tot inkeer is gekomen.

Deze tekst is ook op de sokkel van het kunstwerk te vinden. Het kunstwerk van Armando vertoont gelijkenissen met het kleinere sculptuur Feldzug dat sinds 1989 bij de ingang van de begraafplaats Rusthof in Leusden staat.

‘Feldzug’, kunstwerk van Armando te zien bij de begraafplaats Rusthof in Leusden (CC BY-SA 3.0 – Willemnabuurs – wiki)

‘Ik heb in mijn werk steeds een voorkeur gehad voor eenvoudige vormen en begrippen: landschap, boom, vlag, ladder, kop. En de laatste jaren het wiel. Maar ik stel me niet tevreden met de simpele, schone vorm.
Een kunstenaar put uit jeugdervaringen en die moeten de vorm lading geven. In mijn jeugd stond de wereld in brand. Er was een vijand en zijn strijdwagens denderden over ons land.”

(Armando)

Dus, lotgenote mag ik met jou de stad herinneren waarvan ‘de strijdwagens’ dachten dat het voor duizend jaar hun hoofdstad was? Berlijn. Wij hebben er geleefd en gewerkt. En het wonderlijk wiel dat herinneren heet, draait het voorbije naar de rand van ons leven . Geboren onder hun grootspraak, het jaar nul van Europa, hebben wij er later verbindingen gevonden waarin beelden, verhalen en vertellingen hoor- en zichtbaar werden terwijl de Muur nog de wielen blokkeerde, maar de gedachten hun gangen gingen en je daarna met alles wat wielen had Oost en West kon bereizen. Dachten we. Hoopten we.

Soviet troops at the eastern boundary of Berlin, Germany, near the end of World War II in Europe. Photograph, 22 April 1945.

En tot in de eurolotterij geëerd, al mag de kans tot ‘fortuin” vrijwel minder dan nul zijn, het zit in de genen dit ‘Rad van fortuin’, een vreselijk wiel waarvan het draaien zelfs de politiek kan bepalen. (naar men zegt…)

Uit: Des faits et dits mémorables. 1413 Valerius Maximus.
En dan wordt hij koning en zit op zijn troon,
de omwenteling verloopt zo schoon,
hoog op het rad der geschiedenis
droomt hij dat hij een godje is,
hij klapt in zijn handjes maar dat is dom
want dan draait het wieletje nog eens om.

(Uit .W. Schulte Nordholt, Contrafacten – gedichten op reis en thuis (Baarn, z.j.) p. 20-21 )
Fresco in Tingsted (Denemarken) – het ‘rad van fortuin’ of het ‘wiel des levens’. wikimedia. De teksten – met de wijzers van de klok mee: regnabo, regno, regnavi, sum sine regno. (ik zal heersen, ik heers, ik heb geheerst, ik ben zonder koninkrijk

Orffs muziekstuk viel goed in de smaak bij iedereen, ook bij de Duitse nazi’s. Dat was volgens sommige historici wellicht zijn redding, want Orff stond binnen nazikringen op dat moment niet erg goed bekend. Integendeel, hij stond bekend als links, en verschillende leden van de nazipartij vonden daarom dat zijn werk niet verder verspreid zou mogen worden. De Carmina Burana bracht daar verandering in: het werd een bekend stuk in de kringen van de nazi’s en ze behandelden het als een kenmerk van ‘jeugdcultuur’ in het Derde Rijk. De krant van de Nazi’s, de Völkischer Beobachter, noemde Orffs cantate ‘het soort heldere, stormachtige en toch altijd gedisciplineerde muziek die onze tijd nodig heeft’.  (IsGeschiedenis)

Hij werd na de oorlog wegens zgn. nazi-sympathië voor de rechtbank gebracht maar wist zich voldoende te verdedigen om in eer hersteld te worden.

Lees zijn bio in “Klassiek in de Kapel”

Carl Orff ten tijde van de Carmina Burana

Werken met film en geluid veranderde wezenlijk tijdens onze levensloop. Waren het eerst nog de ‘wielen’ waarrond pellicule (celluloid) of magneetband was gewikkeld, -monteren betekende vooral ‘knippen en plakken- weldra verschenen de digitale mogelijkheden met de CD als overgang- en daarna de harde schijven die de montage via computer mogelijk maakten waarbij het ‘bewaren’ voor weer andere problemen zorgde omdat programma’s snel verbeterden en nieuwe versies de toegang tot vroegere edities bemoeilijkten.

Bijna dertig jaar geleden (1996) schreef Marcel Cobussen in De Groene Amsterdammer een tekst: ‘De terreur van het oog’. Een fragment:

"De pianist die in de beginjaren van de film, toen nog zonder geluid, de beelden auditief ondersteunde, deed dit volgens de Duitse filosoof Theodor Adorno om de angst bij het publiek weg te nemen. De abnormale stilte - doorgaans associatief verbonden met onbeweeglijkheid - van de stomme film stond in een dreigend contrast met de weergegeven bewegende visuele werkelijkheid. Wanneer het oor niets hoort, lijkt het oog ten prooi aan angst en onzekerheid. De begeleidende (film)muziek diende om gerust te stellen, op dezelfde manier als een kind dat fluit in het donker. Op onderdanige wijze, zich terdege bewust van zijn ondergeschikte positie, is geluid hooguit een medicijn voor het beeld.
Ik heb besloten dit de terreur van het oog te noemen."

De terreur van het oog DGA 10 januari 1996 Marcel Cobussen

Titiaan “Cupido met het wiel van de Tijd.” 1515-1520

Die ‘strijd’ hebben wij, denk ik, heel anders aangevoeld. Zocht ik vaak ‘geluidslandschappen’ (soundscapes) op, naar inspiratie van de Canadese componist Murray Schafer, jouw beelden lieten kijkers luisteren en begrijpen naar wat andere mensen als levensbelangrijk hadden ervaren. Een fraaie kruisbestuiving. Vaak verbond muziek de werelden van zien- en luisteren. Tijd om geluid en beeld in een mooie vriendschap te verbinden en je hiermee een gelukkige verjaardag te wensen.

En ‘Helena, de cassettes en de kinderen’, een radioportret uit de vroege jaren tachtig, voor wie -nu het frisser en vroeger donker wordt- knus wil luisteren, de herfst tegemoet.

Wat hang ik aan de muren van de kamer?

Walt Whitman (1819-1892). Library of Congress

Het was deze historische foto van de Amerikaanse dichter Walt Whitman die het artikel van Elisa New in de New York Times van 6 juli ll. opende. (‘Walt Whitman would have hated this’). Onder de foto een vers uit 1865 van de dichter uit “When Lilacs last in the Dooryard Bloom’d “

 "O what shall I hang on the chamber walls?
And what shall the pictures be that I hang on the walls,
To adorn the burial-house of him I love?"
"Wat zal ik aan de muren van de kamer hangen?
En welke schilderijen zal ik aan de muren hangen?
Om het graf van hem die ik liefheb te versieren?"
"Ik moest dit voorjaar aan Whitman denken toen we zagen hoe de regering Trump en haar ministerie van Overheidsefficiëntie de culturele infrastructuur van de natie afbraken. Deze roekeloze en kortzichtige bezuinigingen hebben onze bibliotheken en musea getroffen, onze publieke media-instellingen, onze lokale raden voor de kunsten en geesteswetenschappen en de langdurige schenkingen - waaronder de National Endowment for the Arts en de National Endowment for the Humanities - die de afgelopen 60 jaar voor financiering hebben gezorgd. 

Deze instellingen zijn de entiteiten die we hebben belast met het ophangen van foto's aan de muren van de nationale vergaderzaal; ze zijn opgericht om het principe te vertegenwoordigen en uit te voeren dat een groot land en een grote beschaving zelfbegrip nodig heeft en dat een dergelijk begrip niet voortkomt uit politici of toewijzingen van het Congres, maar uit blijvende werken van reflectie die verleden, heden en toekomst met elkaar verbinden."
(NY Times ibidem)

Als alternatief voor de brede financiering voor de kunsten en geesteswetenschappen heeft de heer Trump opdracht gegeven om een project te financieren, een beeldentuin uit te voeren , “Garden of Heroes” waarbij hij de namen van 250 mensen die hij levensgroot afgebeeld wil zien, evenals de materialen waarin ze mogen gegoten worden en de uitvoeringsstijlen die realistisch of klassiek maar niet abstract mogen zijn. Ook Walt Whitman komt in aanmerking. (NY Times ibidem)

Walt Whitman

Whitman werkte als verpleeghulp in Washington tijdens de Burgeroorlog en nadat hij ’s avonds laat de ziekenzalen had verlaten, liep hij soms achter de koets waarin een slapeloze Abraham Lincoln langzaam door de straten reed. De dichter hield van Lincoln en toch onthielden de “foto’s” die hij aanbood in antwoord op zijn eigen verzoek zich van schetsen of zelfs maar het noemen van Lincoln en vermeden ze elke vorm van heldenverering of portrettering. Whitman gaf de voorkeur aan een breder panorama en schreef over “foto’s” van groeiende lente en boerderijen en huizen” en “alle scènes van het leven en de werkplaatsen en de werklieden die huiswaarts keerden”.(ibidem)

Abrham Lincoln. 1865
The poet argued, above all, for American memory, and he knew that in the many years hence we would need songs and pictures of our history in all its variety, in all its ups and downs, its eras of heroism and its lesser moments, too. “What shall I hang on the chamber walls?” leads toward a beautiful abstraction, the ideal of a more perfect union. It’s an ideal that has always informed our greatest cultural institutions, the ones now being hobbled and slashed — an ideal for which many of the heroes who might reside in the proposed sculpture garden struggled, and for which we must continue to struggle together." (NY Times ibidem)

Foto door Mark Direen op Pexels.com
Lied van mezelf
(Vertaling: Jules Grandgagnage)

1.

Ik vier mezelf, bejubel mezelf,
en wat ik ontvang, ontvang jij ook,
want elk atoom in mij is ook van jou.

Ik slenter, en nodig mijn ziel uit,
Ik buig over een halm zomergras die ik op mijn gemak observeer.

Mijn tong, al de atomen van mijn bloed, gevormd door de aarde hier,
de lucht hier, mijn geboorte, hier, van ouders die hier zelf zijn geboren,
zoals de ouders van hun ouders voor hen,
Zevenendertig op deze dag, volmaakt gezond, begin ik,
In de hoop pas op te houden tot ik sterf.

Alle geloof verworpen, de scholen verworpen,
Afgezonderd van hen, ken ik nu hun juiste waarde, zonder te vergeten,
Ik verwelkom al het goede en het slechte,
laat het zich uiten, onbeperkt in pure energie.

Walt Whitman (uit de bundel 'Leaves of Grass', 1855)

Foto door Alex P op Pexels.com

De dichter pleitte bovenal voor het Amerikaanse geheugen, en hij wist dat we in de vele jaren daarna liederen en beelden nodig zouden hebben van onze geschiedenis in al haar verscheidenheid, in al haar ups en downs, haar heroïsche tijdperken en ook haar mindere momenten. “Wat zal ik aan de muren van de kamer hangen?” leidt naar een prachtige abstractie, het ideaal van een meer perfecte unie. (Elisa New NY Times)
Toen ik luisterde naar de geleerde astronoom

Toen ik luisterde naar de geleerde astronoom,
Toen de bewijzen, grafieken, tabellen voor mijn neus verschenen,
Toen hij me z’n kaarten, diagrammen toonde om ze te plussen, te minnen en te waarderen,
Toen ik daar zat te luisteren naar de astronoom terwijl hij onder veel applaus sprak achter zijn spreekgestoelte,
Werd ik al snel zo ellendig, moe en afwezig,
Dat ik ten slotte afgemat opstond en wegliep
In de mystieke, klamme nacht, en zo nu en dan
Opkeek in volmaakte stilte naar de sterren
Foto door brenoanp op Pexels.com

Lees ook: (en volgenden)





Foto door Pixabay op Pexels.com

Vlinderzucht

Foto door Sue Rickhuss op Pexels.com
Vlinder

De zomerwei des
ochtends vroeg

En op een zuchtje
dat hem droeg

vliegt een geel
vlindertje voorbij

Heer, had het
hierbij maar gelaten.

M. Vasalis. Op een muur: Sint Janskerkhof 8, 's-Hertogenbosch, Nederland
Foto door Sue Rickhuss

Als kind herinner ik mij een zomermorgen, zittend op een schommel, wachtend op een stevige duw in de rug toen ‘het gele vlindertje’ voorbij kwam gedanst. “Pa, een flikketeer!’ Nog luid genoeg om het als iets oudere aardbewoner levendig te herinneren. Daarna de hand en de bijna zesjarige beseft wat vliegen is, los van de zwaartekracht. ‘Hoger, papa!’

Een vroege ervaring van ‘vlinderzucht’. Kijk hoe de streek zijn naamgeving heeft bepaald.

Uit het woordenboek van de Vlaamse dialecten. Universiteit Gent.

Meer gedetailleerd? Kijk bij:

https://www.mijnwoordenboek.nl/dialect-vertaler.php?woord=vlinder

Eens op een dag droomde ik, Zhuang Zi, dat ik een vlinder was, een vlinder die fladderend rondvloog, tevreden met zichzelf, en zich niet bewust dat hij mij was. Plotseling werd ik wakker en begon me er rekenschap van te geven dat ik nog altijd Zhuang Zi was. Nu is de vraag of ik Zhuang Zi ben die droomde dat hij een vlinder was, ofwel een vlinder die droomde dat hij mij was.

Zhuang Zi

Foto Sazzad Shihab

Beeldend kunstenaar Carlos Amorales (Mexico-Stad, 1970) worstelt met de grote vragen van deze tijd. Zoals: hoe verhoudt zich het private tot het publieke domein? Wat is de betekenis van ‘identiteit’, zowel persoonlijk als collectief? Wat zijn de gevolgen van de kolonisatie van internet en de media door de grote technische bedrijven? Hoe oefent kunstmatige intelligentie controle uit over de schijnbaar chaotische wereld van internet en wat is de invloed van de poppenspelers die hier aan de touwtjes trekken – waarbij de algoritmen de touwtjes zijn? (NRC Janneke Wesseling. 11/12 2019)

Hij voorzag gangen en kamers van de Fondazione Adolfo Pini in Milaan van een opvallend kunstwerk met 15.000 papieren vlinders, onderdeel van de solo tentoonstelling L’ Ora Dannata ( het beschadigde uur)

De installatie met de zwarte vlinders van papier draagt de naam Black Cloud. Wie de vlinders volgt door het gebouw van de Fondazione Adolfo Pini komt vanzelf bij de andere werken van Amorales uit. Centraal hierbij staat het werk Life in the folds. Deze bestaat uit een tafel met daarop uitgeknipte mensfiguren en bomen. Het werk is een aanklacht tegen het geweld dat mensen elkaar aandoen.

De Mexicaanse kunstenaar, Carlos Amorales, zal zijn Black Cloud in zijn thuisland zeker in het echt hebben gezien: in het najaar trekt de Monarch- vlinder met miljoenen tegelijk van Noord-Amerika naar Mexico om daar te overwinteren, en in de lente trekken ze in massale vlinderwolken weer terug.

Deze installatie is een goede illustratie van zijn kunst: nooit beperkt hij zijn werk tot een individueel stuk, de herhaling, de massaliteit is zijn kracht. Je kijkt niet naar één paneel van 1×2 m, maar naar wanden vol, niet één ocarina maar honderden, het geheel, het totaal vormt het kunstwerk.(Kunst op de klapstoel 24 dececmber 2019)

Het idee voor de installatie kreeg de kunstenaar in een droom. Hij droomde over een kamer vol motten en vond dat een dusdanig sterk beeld dat hij de droom zelf uit liet komen. Hij knipte duizenden zwarte nachtvlinders uit papier en behing er zijn atelier mee. Ze volgen hem inmiddels overal waar hij komt en ‘vlogen’ zo al diverse musea over de hele wereld binnen. (digitale kunstkrant nl)

Het Stedelijk Museum in Amsterdam bestelde bij de Mexicaanse kunstenaar Carlos Amorales een ‘special edition’-mondkapje. Hij leverde, naar zijn beroemde installatie Black cloud, het motief van een zwarte ­vlinder. De opbrengst gaat naar Amorales’ eigen solidariteitsfonds. (De Standaard 2020)
Foto door SweeMing YOUNG op Pexels.com

Symbool van de ziel? De transformatie van rups naar vlinder is vaak een metafoor voor de reis van de ziel, van leven naar dood en wedergeboorte.

Sneeuwwitte vlinder van den dood,
sinds ik u heb zien dansen
is elke bloei te groot
en elk ontwaken hinder;
dat ik zooveel verminder'
aan wil en zwaart',
om nog het woord te vinden
- o wankelende kansen -
dat vederlicht en onvervaard
uw vluchten evenaart.

Gerrit Achterberg (1940)

Foto door Nandhu Kumar op Pexels.com

Te warm om buiten de vlinders in levende lijve te ontdekken? Maak het je gemakkelijk, luie zetel en dan dit mooie concerto van Gang Chen, Zhanhao: The Butterfly Lovers (1959).

Herinneringen als toekomstvisie?

Das in der Lufft seglende Schiff, Detail, Illustration aus: Eberhard Werner Happel: Vierter Theil Grösseste Denkwürdigkeiten der Welt Oder so genandte Relationes Curiosae, Hamburg 1689, Kupferstich © Staatsbibliothek zu Berlin, Abteilung Handschriften und Historische Drucke

Op 8 april 1665, om 14.00 uur, zien volgens contemporaine verslagen zes vissers die voor de kust van Stralsund op haring vissen en  hoe zwermen vogels in de lucht  in oorlogsschepen veranderen die in een daverend luchtgevecht verwikkeld zijn. Op het dek wemelt het van de spookachtige figuren. Als er tegen de avond “een platte, ronde vorm als een bord” boven de Sint-Nicolaaskerk verschijnt, slaan de vissers op de vlucht. De volgende dag - zo wordt gemeld - trillen ze helemaal en klagen ze over pijn. Toen vijf jaar daarna op dezelfde kerk de bliksem insloeg werd dat als een teken van Gods toorn gezien.  Beschrijvingen en afbeeldingen van de gebeurtenis riepen een mysterieus verband op met de verwoesting van Babylon door een gigantische molensteen, zoals beschreven in het Boek Openbaring van de evangelist Johannes..

Dit fenomeen, dat in de 17e eeuw werd vastgelegd, vormde de basis voor talrijke historische illustraties. (zie hierboven)
Optische verschijnselen zoals de breking van zonlicht komen in tekeningen en gravures voor als hemelse wonderbaarlijke tekenen. Afbeeldingen van fenomenen die buiten de wetten van de natuurkunde vallen, dateren al van het einde van de 17e eeuw
Schiffstreit in der Lufft/ bey Stralsund, Illustration aus: Erasmus Francisci: Der Wunder-reiche Uberzug unserer Nider-Welt/ Oder Erd-umgebende Lufft-Kreys/ […], Nürnberg 1680, Kupferstich, © Staatsbibliothek zu Berlin, Abteilung Handschriften und Historische Drucke

Het collectieve beeld van de luchtslag boven Stralsund wordt echter niet alleen geduid door de media, overtuigingen, ontwerpen en mythen uit de barokperiode. Het onthult ook wat in die tijd niet voorstelbaar was. Geen enkele 17de-eeuwse bron maakt bijvoorbeeld melding van buitenaardsen in verband met onverklaarbare hemelverschijnselen. Toch was de menselijke verbeelding al lang zover dat men zich expedities naar bewoonde planeten en bijbehorende voortstuwingssystemen kon voorstellen. Waarom niemand er ooit aan gedacht heeft dat buitenaardsen met vliegende machines in ons luchtruim zouden kunnen verschijnen, is een van de vele mysteries die de tentoonstelling “UFO 1665 ‘Die Luftschlacht von Stralsund’ (Kunstbibliothek Berlin 2023) probeerde op te lossen.”

So sehr war nie erzürnet Gott, Detail, emblematische Darstellung aus: Daniel Meisner: Politica – Politica, Newes Emblematisches Büchlein, I–VIII, Nürnberg 1700, Kupferstich © Staatliche Museen zu Berlin, Kunstbibliothek


Nicht nur das religiöse Weltbild, sondern auch das Bilddesign hatte einen maßgeblichen Einfluss auf die mediale Transformation der Luftschlacht. Eine besondere Rolle spielten futuristische Visionen von Luftschiffen, für welche sich die Menschen des 17. Jahrhunderts begeisterten. Mehr als 100 Jahre vor dem ersten bemannten Ballonflug hatte Francesco Lana Terzi (1631–1687) den Entwurf eines von Vakuumkugeln getragenen Flugboots publiziert, der europaweit Furore machte. Dass das Vorhaben nie realisiert werden konnte, tat der Euphorie keinen Abbruch. Die Menschen träumten von der Eroberung des Luftraums.

Entwurf einer schwimmenden Untertasse, Detail, Illustration aus: Gaspar Schott, Technica Curiosa, Nürnberg/Würzburg, 1664, Tafel XXX © Staatliche Museen zu Berlin, Kunstbibliothek

Niet alleen het religieuze wereldbeeld, maar ook het beeldontwerp had een belangrijke invloed op de mediale transformatie van het luchtgevecht. Futuristische visioenen van luchtschepen, waar mensen in de 17de eeuw enthousiast over waren, speelden een speciale rol. Meer dan 100 jaar voor de eerste bemande ballonvlucht had Francesco Lana Terzi (1631-1687) een ontwerp gepubliceerd voor een vliegende boot gedragen door vacuüm bollen, die furore maakte in heel Europa. (zie bovenste afbeelding) Het feit dat het project nooit gerealiseerd kon worden, temperde de euforie niet. Mensen droomden ervan het luchtruim te veroveren. SF uit de Baroktijd?

Darstellung eines fantastischen Luftschiffs aus dem Hochzeitsfest Kaiser Leopolds I., Detail, Illustration aus: Sieg-Streit deß Lufft und Wassers Freuden-Fest, Wien, 1667 © Staatliche Museen zu Berlin, Kunstbibliothek

De wereld als AI

De Franse auteur Hervé Le Tellier speelt met een soortgelijk idee in zijn roman “Anomaly”, gepubliceerd in 2020. Op weg van Parijs naar New York vliegt een Boeing 787 door een elektromagnetische orkaan, maar komt ondanks zware turbulentie veilig neer. Na de landing in maart landt hetzelfde vliegtuig opnieuw in juni met dezelfde passagiers: de personages in dit verraderlijk geconstrueerde verhaal bestaan twee keer. Hoe kan dit? Aan de ronde tafel discussiëren wetenschappers ook over de mogelijkheid dat de wereld een algoritme is, een harde schijf van onpeilbare datagrootte, bestuurd door wezens op een hoger niveau – en wiens proefkonijn, de mensheid, aan een stresstest zou kunnen worden onderworpen door de anomalie van de dubbele Boeing. (Jens Hinrichsen Monopol M+)

Wonderbaarlijke tekenen boven Neurenberg en Bayreuth, Anno 1630. 19 Aprilis Het ongewone teken rond de zon is hier in Neurenberg ’s morgens vroeg rond 7 en 8 uur de hele dag onbeschermd gezien door Jeterman. […], Neurenberg 1630, koperplaatgravure, Staatsbibliotheek Berlijn, afdeling Handschriften en Historische prenten

Hoe kunnen we het tegendeel bewijzen als de wereld, inclusief alles wat kruipt, vliegt, denkt, poëzie schrijft en ufologenconferenties bijwoont, slechts een AI is? Dan zou de Chinese kunstenaar Cao Fei zowel gelijk als ongelijk hebben: “Alle menselijke en niet-menselijke zintuigen en ruimtes vormen de werkelijkheid. Het zou verkeerd zijn om de virtuele wereld te zien als een ruimte die tegenover deze conventionele werkelijkheid staat, ze bestaan naast elkaar,” legt de mediakunstenaar uit in het Monopol-interview. Maar in een algoritme bestaan de zintuigen en ruimtes niet naast elkaar, ze bestaan gewoon - of bestaan niet, in de zin van het liedje “We are data, data, data” van Peter Weibel met het Hotel Morphila Orchestra. (ibidem)


ster

Ik zag vanavond voor het eerst een ster.
Hij stond alleen, hij trilde niet.
Ik was ineens van hem doordrongen,
ik zag een ster, hij stond alleen,
hij was van licht, hij leek zo jong en
van vóór verdriet.

(M. Vasalis uit Vergezichten en gezichten)
Foto door Ahmet Yu00fcksek u272a op Pexels.com

Astronomen nemen al tientallen jaren aan dat het universum aan dezelfde snelheid uitzet in alle richtingen. Een nieuwe studie gebaseerd op gegevens van röntgen-observatoria doet nu veronderstellen dat deze uiterst belangrijke vooronderstelling van de kosmologie verkeerd zou kunnen zijn. Clusters van sterrenstelsels blijken zich verschillend te gedragen afhankelijk van de richting waarin men kijkt.

Luc De Roy. De Standaard 10 april 2020

Lees en bekijk:

https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2020/04/09/moet-kosmologie-herdacht-worden-expansie-van-het-universum-is-m/

We willen hier geen discussies uitlokken omtrent de stand van de wetenschap, de toekomst van SF of AI maar zoals de 18de-eeuwers hun SF voorstelden beseffen wij ook dat onze hedendaagse pogingen ten zeerste aan hedendaagse voorstellingen (vorm en inhoud) van het heelal zijn gebonden en in de verre toekomst wel eens met dezelfde glimlach zouden kunnen bekeken worden zoals wij de voorstellingen van de barokkunstenaars bekijken, verondersteld dat er nog iemand deze rumoerige tijden heeft overleefd. Een boeiend initiatief daaromtrent brengt de tentoonstelling ‘Parallax’ in het Hollands College (Leuven) tot eind 2025. De rode draad doorheen de tentoonstelling zijn ‘herinneringen’. ‘Zowel onze eigen herinneringen als die van onze ouders en grootouders, beïnvloeden ons nu en in de toekomst.’

Lees:Kunst en wetenschap in dialoog met elkaar: ‘Beide groepen zijn pioniers van de verandering en van de revolutie’

https://www.veto.be/cultuur/kunst-en-wetenschap-in-dialoog-met-elkaar-beide-groepen-zijn-pioniers-van-de-verandering-en-van-de-revolutie/356047

Een goed voorbeeld daarvan is het werk van de Iraanse kunstenaar Mahmoud Saleh Mohammadi, die zich liet inspireren door de figuur van Georges Lemaître – de Belgische priester en kosmoloog achter de oerknaltheorie. Mohammadis werk, gebaseerd op tapijtstructuren uit Noord-Iran, hangt in de kapel van het College. 'Die plek vond mijn werk', zegt Mohammadi. 'De stilte, het hout, de geur, de akoestiek – alles draagt bij tot de ervaring. De ruimte en het werk versmelten.'

De sculptuur van Mohammadi, vervaardigd uit traditionele Iraanse tapijten in plaats van uit marmer, verenigt het aardse met het verhevene. De vorm, een monumentale trechter­structuur, is geïnspireerd op de parallelle assenstelling, een wiskundig resultaat dat beschrijft hoe massa zich rond verschillende assen beweegt. Door die abstracte formule om te zetten in een tastbare vorm, verweeft de kunstenaar wetenschap met poëzie.

(Veto, onafhankelijk studentenblad)

Foto door Pixabay op Pexels.com

Pinksteren

O Geest, toen Gij ternederkwaamt
En voor hun oog gestalte naamt,
Doorzonk de hemel ademloos
Een stille witte vlammenhoos.

Boven hun lichaams donkre zuil
Verscheen een zacht bewogen tuil
Van licht, en glinsterende gleed
Het neder langs hun schamel kleed.

Hun mengelmoes van woorden vaal
Klonk ieder als zijn moedertaal.
In mensenwoord, op mensenwijs
Geeft God zijn heilgeheimen prijs.

Geen is zo druk, geen leeft zo snel,
Of hij hoort Uw vermaning wel:
De storm steekt op, de noodklok luidt,
De wereld wijkt, o mens, trek uit!

Die U in vlammen openbaart,
Wiens adem door de wereld vaart,
Die 't al bezielt, doordringt ons 't meest,
Ken ons, dat wij U kennen, Geest!

De steile tocht (1924-1928)
Schrijver: Willem de Merode
Foto door Jaxon Castellan op Pexels.com

Stil en ander leven, een verkenning (2)

Anne Redpath.(1895-1965). Scottish ‘The Worcester Jug’. (ingezoomd)

“Dit is een van een aantal stillevens en interieurs die Anne Redpath in de jaren 1940 schilderde in haar huis in Beaconsfield Terrace, Hawick. In 1947 beschreef een verslaggever de zitkamer van de kunstenares:

'Onmiddellijk bij binnenkomst… voelde ik me alsof ik in een van haar schilderijen was binnengestapt. Er stond een theebakje op een tafeltje zoals ik het zo vaak had gezien en, net als op de geschilderde tafeltjes, pasten de kopjes niet bij elkaar! Op de schoorsteenmantel stonden bekende stukken servies - een roze en witte theepot, een petuniakleurige kom, een Worcester kan met een felle blauwe band eromheen.' In de traditie van kunstenaars als Matisse en Vuillard zijn Redpaths schilderijen vaak intieme portretten van haar eigen huiselijke omgeving." (National Galleries)

bekijk:

https://www.nationalgalleries.org/art-and-artists/artists/anne-redpath

Anne Redpath TULIPS IN A WHITE JUG. (ingezoomd)

Stillevens hebben wij in verschillende bijdragen belicht, tot in eigen huis waar wij allen alledaagse stillevens herbergen, al dan niet gewild. De vraag blijft waarom beeldende en schrijvende kunstenaars van alle tijden hen een belangrijke plaats in hun oeuvre blijven geven. Raadpleeg onze eerste aflevering over dit onderwerp:

Stilleven

In een zwijgzame zondagmorgen ligt
op tafel het stilleven, een archipel van
dingen waaraan ik hecht, een werelddeel.
een samenraapsel, maaksel van makers, die
niet meer kunnen worden voortgetroost,
toegesproken of gestreeld.
Hartvormige koperen onderzetter, goedig bol
glas, een bord voor knoflook en tamme
kastanjes; twee spitse appelmesjes liggen ook.
Het buikig boekje dat ik weer een week niet las.
De bloemenkan is leeg en heeft iets
kookgraags als een aarden pot. En dan
het drietal vroege krokussen – niet uit -,
waaraan nog voortgewerkt wordt door
een erg verlegen maar een vastbesloten god,
tegen de botte doodsdrift in, waarin wat
stil wil leven twijfelt tot het rot.

Ed Leeflang 1929-2008
uit: De hazen en andere gedichten 1979
Riebo Riebema
Stilleven met kweeperen en kurkentrekker, olieverf op paneel, 36,5 x 51,5 cm (met lijst), 2019, particuliere collectie.

Overvloed

Ze noemen mij stilleven.
Dat is een vergissing.
Iets beweegt in alle dingen.
Zie hoe zelfs een vin
zindert aan een dode vis.

Bernard Dewulf (1960-2021)

Vis en Vis. Marc Terstroet

„Een hedendaagse, originele benadering van het traditionele stilleven”, noemt de vakjury van Nederland Fotografeert de foto Vis en Vis van Marc Terstroet. „Met slechts twee eierdopjes en een vis, gevoel voor humor en oog voor compositie schetst hij een heel prikkelend en bevreemdend tafereel.” (NRC en Nikon 2015)
Anne Redpath Het kanten tafellaken (c) BRIDGEMAN; Supplied by The Public Catalogue Foundation

Je zou het een beredeneerde verzameling van levenloze dingen kunnen noemen, natura morte, op een bijzondere manier geordend, belicht en al. dan niet betekend. Saskia de Bodt noemt het in folio ‘een reis naar de grote stilte’.

De verregaand impressionistisch werkende Kees Verwey (1900-1995) ontdekte op zijn zeventigste opeens zijn atelier als bron. Hij had er dertig jaar geschilderd, maar ineens veranderde de onbeschrijflijke bende die er organisch was gegroeid, in ‘een stilleven van adembenemende schoonheid’, aldus Max van Rooy in 2005.  (ibidem)

Kees Verwey. (1972). Atelier Interieur 180cm x 200cm

Boeiende lectuur: Het stilleven: een reis naar de grote stilte.

https://www.foliomagazines.be/artikels/het-stilleven-een-reis-naar-de-grote-stilte

“C’est une consolation que l’idée qu’on ne possède rien, qu’on n’est rien; la consolation suprême réside dans la victoire sur cette idée même.”

Cioran

Adriaen Coorte (1683-1707) .Stilleven met Asperges. 1697
Still Life

A purple crocus
its stamen creme-egg yellow;
northern light
a shiver glaze
on the white enamel mug.

You're my Dutch painting:
the place the light gets in,
making everything strange
seem ordinary.

Elin Ap Hywell (°1962)
(vertaald uit het Welsh)


Stilleven

Een paarse krokus
zijn meeldraden crème-ei geel;
noorderlicht
een gerild glazuur
op de witte geëmailleerde mok.

Jij bent mijn Hollandse schilderij:
de plek waar het licht binnenkomt,
waardoor alles wat vreemd is
gewoon lijkt.

Elin Ap Hywel (°1962)
(vertaald uit het Welsh)

From: The Bloodaxe Book of Modern Welsh Poetry: 20th century Welsh-language poetry in translation
Publisher: Bloodaxe Books, , 2003

Het witte blad, een poging.

Karla Ortiz, of het ontstaan van een kunstwerk.

This video was filmed within a span of 3 days and a half. The piece is called "Second Omen", 5x8 graphite on paper.
Karla is an award winning artist who enjoys working on a diverse and wide variety of projects.

Karla loves good music, good stories, good laughs and good food. She paints her days away with her cat Keedy Bady , and that's how she likes it.


https://www.karlaortizart.com/about

‘Second Omen’. Karla Ortiz
'De angst voor het witte blad'.

Had ik de wereld geschreven, ik had haar
direct weer geschrapt. Niet uit hypochondrie

maar uit vakmanschap. De wereld is samen
te vatten in de witheid van één blad en dan
moet je dat doen ook, geen gezeur. Maar omdat
je daar niet van kunt leven, schrijf ik meestal
om het even wat en maak mijn lezers wijs
dat daarin de wereld ligt vervat. Ik schrijf

bijvoorbeeld: ‘Wit is waarheid. Woorden
bedrog.’ Of: ‘Zo is het toch?’ Of nog:

‘Maar ik hou niet van wat waar is! Geef
mij maar notaris Van der Leugen. Die
legt alles in een officieel geheugen vast
en, door de kracht van zijn pen, wordt
wat hij heeft beschreven voorgoed van
onbestaand naar onvergankelijk verheven.’

Is dat niet mooi
omschreven?

Tom Lanoye (1958). Uit: ‘De meeste gedichten’

Hagelwit. Zo zag het iconische Gentse Graffitistraatje er vandaag heel even uit. Het GUM (Gents Universiteitsmuseum) schildert samen met Gentse street art-kunstenaars dit straatje wit als ode aan het witte blad en kondigt zo ook een bijzonder boek aan: ‘Welkom in het hoofd van de wetenschapper’, een boek van Marjan Doom. Zij is directeur van het GUM. Dat nieuwe wetenschapsmuseum opende op 21 en 22 maart 2020 de deuren.  

Het boek van Marjan Doom is niet zomaar een boek: het is een leeg boek, met enkel een inleiding en het statement: “Soms moet je van een wit blad beginnen om tot nieuwe inzichten te komen.” (Gum: Gents Universiteits Museum en Plantentuin. 2020)

"Het 'GUM' is een museale vertaling van het Durf Denken-ideé.  Het is een wetenschapsmuseum dat de klemtoon legt op de zoektocht naar kennis.  Wetenschap geïllustreerd als een creatief, steeds evoluerend en pluralistisch concept.  De schoonheid van dat proces wilden we naar buiten brengen.  Het witte Graffitistraatje en de witte boeken leken ons de perfecte manier om dat te doen."   (Marjan Doom, directeur GUM. 

https://www.gum.gent/nl/nieuws/soms-moet-je-met-een-wit-blad-beginnen-om-tot-nieuwe-inzichten-te-komen

Foto door Lukas op Pexels.com

In de onderstaande video vertellen acht schrijvers hoe ze de confrontatie met het witte blad aangaan of doorstaan. Met: Jonathan Franzen, Lydia Davis, Joyce Carol Oates, Margaret Atwood en David Mitchell. Je kunt onderschriften activeren. (5’04”)

Margaret Atwood:

‘It’s a bit like skiing: if you’re skiing downhill and you stop in the middle to think ‘How am I doing this?’, you’ll fall over.’
Foto door Anna Nekrashevich op Pexels.com

Het witte blad klinkt vernieuwend, maar grijpt in feite terug naar een verleden dat nooit heeft bestaan. Het roept een wereld op waar belangen ondergeschikt zijn aan logische regels die iedereen erkent, ook als ze hem of haar niet goed uitkomen. Maar de mens heeft de politiek juist bedacht omdat zijn natuur anders in elkaar steekt. We hebben zelf het beste met de gemeenschap voor, maar we vermoeden dat anderen niet zo zijn. En dus stellen we grenzen aan ons altruïsme. Het gemeenschappelijke doel waarover we het eens moeten zijn voor we het witte blad bovenhalen, bestaat niet. We beweren van wel, maar we weten dat het niet zo is. En daarnaar gedragen we ons.

(Uit: De paradox van het witte blad, Bart Sturtewagen in ‘De Standaard’ van 12 juni 2015)

Foto door Eva Bronzini op Pexels.com

‘Ik wilde het eindelijk weleens weten. Hoe vals, hoe bescheiden of hoogmoedig, hoe nederig of hovaardig ben ik? Kortom, wie denk ik eigenlijk dat ik ben? Uiteraard kwam ik er niet uit. Nog nooit ben ik al denkend ergens uitgekomen.’ (Bernard Dewulf)

René Magritte, La Page blanche (Het onbeschreven blad), 1967, olie op doek, 54 x 65 cm

Volgens Georgette Magritte is dit het laatste werk van de kunstenaar voor zijn overlijden in augustus 1967. Enkele weken eerder had Magritte aan een bezoekend journalist gevraagd om het werk te beschrijven. Toen de journalist een halve maan achter bladeren zag, veranderde Magritte het werk: het werd een volle maan op het gebladerte. Daarna zagen nog twee andere bezoekers het werk en telkens hield Magritte rekening met hun commentaar en paste het aan.

Syndrome de la page blanche

Sneeuw

Wij hebben niets meer dan het witte blad van noode,
waar – zooals zuiver sneeuwen op de aarde dwaalt
de overluchtsche vlucht van de gedachte daalt,
door ééne wenk der wimpers tot dit uur ontboden.

Wij waagden éénmaal ons, het overvele ontvloden,
in ’t hart der stilte, wit van een volstrekt gemis.
Waar aanvang nam wat thans dit levend sneeuwen is,
hebben wij niets meer dan het witte blad van noode.

Ida Gerhardt (ca. 1950)
‘Sneeuw’, een ongepubliceerd gedicht van Ida Gerhardt, is op 31 januari 2002 verschenen in het eerste nummer van het poëzietijdschrift Awater

Foto door Brad op Pexels.com
DE VOGELS

De vogels in het stedelijk luchtruim schrijven
een winterbrief aan de mensen in de straten.

Cirkelend op het witte blad van de hemel
zijn zij hun eigen letters, veren en kraakbeen.

Al hun zinnen beginnen met uitroeptekens.
De taal der vogels is vol gevleugelde woorden.

Weinigen kunnen hun kraaienpoten lezen.
Weinigen worden wijs uit hun verhaal.

Maar de kinderen spellen het spelenderwijze
en de dichters schrijven het blindelings na.

uit: Gedichten 1950-1980 van Bert Voeten (1918-1992)

Foto door Soner Arkan op Pexels.com

Verdampt, verdwenen, gesmolten, uitgeveegd?
Eens woorden of kleuren in hoofden en in open zielen zijn gaan wonen beginnen ze hun eigen levens te leiden.
Ze vermengen zich met dromen van de ontvanger, worden wel eens fluisterend herhaald of schieten wortel in een zoekende ziel.

Het volgende witte veld wacht als een moeder op de thuiskomst van haar kinderen.

(Gmt)

Foto door Pixabay op Pexels.com

Een nar, of de wijsheid van het ongerijmde?

Maître de 1537, Portrait of a fool looking through his fingers. Former Netherlands, c. 1548.rs, circa 1548 (fragment)

“De figuur van de dwaas liep van de marge van middeleeuwse manuscripten naar de wereldse hoven van de Renaissance en keerde vervolgens terug op papier als Yorick van Hamlet,” schrijft Dominic Green van de Wall Street Journal. “ Later, in het tijdperk van rede en democratie, werd de parodist van koninklijke waardigheid een spiegel van de universele conditie: Dostojevski’s ‘heilige dwaas’ en Picasso’s groezelige clowns; Stan Laurel en Oliver Hardy om Buster Keaton niet te vergeten.”

In medieval times, the definition of the fool was derived from the Scriptures, particularly the first verse of Psalm 52: ‘Dixit insipiens…’ (The fool has said in his heart, ‘There is no God’). Madness was primarily seen as ignorance and an absence of love for God, but there were religious fanatics too, such as Saint Francis. So in the thirteenth century, the idea of madness was inextricably linked to love and its measure or excess in the spiritual, then the earthly realm. (Codart)

Jheronimus Bosch (ca. 1450-1516), The Ship of Fools (detail), ca. 1500-10
Musée du Louvre, Paris

De status van de nar verschoof van mystiek en symbolisch naar politiek en sociaal: in de veertiende eeuw werd de hofnar de geïnstitutionaliseerde antithese van koninklijke wijsheid en zijn ironische of kritische observaties werden steeds meer geaccepteerd. Er ontstonden nieuwe beelden waarin de nar werd afgebeeld met een opvallend kostuum: een bauble (schijnscepter), een gestreepte of ‘half en half’ outfit, een pet en bellen. (ibidem)

Lucas van Leyden (Netherlandish, ca. 1494–1533). A Fool and a Woman, 1520. Etching and engraving,

A kind of mirror, it was also a reminder of the vice of vanity. The fool could as easily succumb to narcissism as anyone else.

Jacquemart de Hesdin, The Fool (detail) from Psalter of the Duke of Berry, ca. 1386
Ontworpen als illustratie bij psalm 52 van het psalter van de hertog van Berry, toont deze afbeelding de dwaas gedeeltelijk ontkleed, knuppel in de hand, terwijl hij in een brood of een wiel kaas bijt. Deze afbeelding, een van de vroegste die te zien is, is gebaseerd op het gevestigde archetype van de “arme stakker” met een knuppel. De Hesdin ontleende deze compositie aan het eerdere getijdenboek van Jeanne d'Évreux (1324-28), maar hij plaatste zijn nar in een bos met een achtergrond met rode patronen. Er is ook iets bijna adelijks aan deze man op blote voeten; zijn gedrapeerde witte doek is smetteloos, waardoor hij er elegant uitziet. De lange wandelstok op zijn schouder lijkt nauwelijks op een wapen, maar eerder op een sportstok, zoals de stokken die Franse aristocraten zouden hebben gebruikt bij veel 14e-eeuwse bowl games. (ARTnews)

Photo : Photo A.Gossens/Museum Kurhaus Kleve – Ewald Mataré-Sammlung,

Volgens de Nederlandse kunsthistoricus Guido de Werd diende dit beeld als morele waarschuwing: pas op voor de vrouw die van het rechte pad afdwaalt, ze zal uiteindelijk haar verstand verliezen. Geleerden weten nog steeds niet zeker of dit werk bedoeld was voor een patriciërsinterieur of een herberg; het laatste zou logischer zijn aangezien de vrouwelijke figuur hetzelfde gezicht heeft als Van Trichts voorstelling van Maria Magdalena, de beschermheilige van boetvaardige zondaars en seksuele verleiding, die hij maakte voor het altaarstuk van de Sint-Nicolaaskerk in Kalkar, Duitsland. (ibidem)

Naar Hiëronimus Bosch ‘Concert in een ei”. Midden 16de eeuw.

In de Middeleeuwen was de figuur van de nar nauw verbonden met religieuze en morele kwesties. De nar, symbool van de ‘goddelozen’, leefde in de marge van de maatschappij en tartte de goddelijke en sociale orde. Zijn toestand werd als besmettelijk beschouwd, vooral wanneer er liefde en passie in het spel waren – twee overweldigende en oncontroleerbare krachten. Net als in epische cycli, de Arthur- en Karolingische legenden, waar hoofdpersonen ver verwijderd van de codes van hoofse liefde werden meegesleurd in een draaikolk van verlangen, lust en verderf.

Sociaal gedefinieerd door zijn verschil, verwerpt en fascineert de dwaas tegelijkertijd, waardoor hij al snel niet alleen de rol van een moreel symbool aanneemt, maar ook een specifieke sociale functie. Met zijn bellen, gestreepte mantel en kap betreedt de nar het hof en wordt hij de onmisbare tegenhanger van de koninklijke macht: een satirisch en subversief personage, de enige die het gezag in twijfel mag trekken. (Domus Giorgia Aprosio)

Quinten Metsys ‘Hou je mond dicht’. Rond 1528

In de Vlaamse traditie is de nar de figuur van de dwaas als een spiegel van menselijke tegenstrijdigheden vaak met een ironische en visionaire benadering. Kijk ook maar eens naar de Vlaamse Spreekwoorden (1607) van Pieter Brueghel, een visionaire encyclopedie van alledaagse dwaasheden waarbij populaire gezegden en spreekwoorden vertaald worden in surrealistische en satirische beelden. ‘Het schip der dwazen’ van Jheronimus Bosch is een ander voorbeeld. Van de minder bekende Marx Reichlich ‘ een fraai portret van ‘Een Nar’, begin zestiende eeuw.

‘Het Schip der Dwazen’ (ca. 1500), van Jheronimus Bosch. RMN-GRAND PALAIS (MUS-E DU LOUVRE)/FRANCK RAUX
In de vastelavondliteratuur (vastelavondviering) is het narrenschip het vervoermiddel bij uitstek van allerlei "buitenmaatschappelijken'; dronkelappen, overspelige vrouwen, hoerenlopers en ander maatschappelijk wrakhout worden uitgenodigd aan boord te komen. Door omkering van de moraal en door middel van felle satire benadrukt men dat allen die niet aan de eisen van de geordende samenleving voldoen, zich moeten aanpassen of verdwijnen. (DBNL 2012 'nar')
Marx Reichlich, A Jester. Tyrol (ca. 1519-1520). © Yale University Art Gallery.

De hofnar

Een der beroemdste narren was Triboulet, de nar van Frans I. Gewoonlijk droeg deze tabletten bij zich, op welke hij den naam der hovelingen schreef, die zich, volgens hem, door gekke daden onderscheidden. Eens vernam hij dat Karel V door Parijs komen zou en zich dus als het ware aan zijnen mededinger overleverde.
‘Die prins,’ zeide Triboulet, ‘is gek en verdient op mijne lijst te staan!’
‘Maar,’ vroeg de koning, ‘als ik hem laat doorgaan, wat zult gij dan zeggen?’
‘In dat geval, Sire, zal ik zijnen naam van mijne tabletten vegen, en er den uwe op schrijven.’

Uit ‘De Belgische Illustratie’ Jaargang 6. (1873-1874)

Aquamanile (waterkan) : Aristotle and Phyllis. South Netherlandish, (ca. 1380). © The Metropolitan Museum of Art.

Wat er in de 18de-19de eeuw met de nar gebeurde, de verwarde mens die zorg nodig had, is een ander verhaal. Waan en/of waanzin was geen straf van God, maar ging namen krijgen die -hoopten wij- voor zorg, troost en/of heling zouden zorgen. De titel van het boek ‘De waan van de waanzin. De psychiatrie als voortzetting van de inquisitie” (Thomas S. Szasz) voorspelde alvast niet veel goeds, maar dat boek is intussen vijfenvijftig jaar oud. Toch? Dat enkele hofnarren intussen koningsgewaden hebben aangetrokken waarborgt ook niet dadelijk de vrijheid van het menselijk denken. Hoe de moderne nar in de twintigste en eenentwintigste eeuw theaters en schermen ging bevolken kun je alvast in diverse media zelf nog dagelijks in levende lijve meemaken.

Hierbij nog een zeldzame foto van Buster Keaton, acteur, regisseur. (1895-1966). The Great Stone Face. Virtuoos in de visuele komedie. En daaronder een suite van fragmenten waarin hijzelf duidelijk aanwezig is, en er ook zelf elke halsbrekende stunt uitvoerde. Een heuse nar uit de twintigste eeuw. De weemoedige verliezer die steeds weer opnieuw wil beginnen.

Buster Keaton met zijn zoontjes James en Robert 1928

‘De natuurlijke standen der Troniën’

Willem Goeree, Jan Luyken, Maet-redige tronie-stellingh, (Drawing heads according measuring), Four Natural positions of Heads.1682.
In Goeree’s General Art of Painting the importance of philosophers, mathematics, geometry, symmetry,Liberal Arts and Cesare Ripa’s Iconologia is mentioned, in the Art of Drawing, the use of ovals, of a grid, diagonals and a lead-line as an axis of symmetry while drawing after plaster statue, is recommended. This practice is in the 18 th century also used by artists, like Gerard De Laraisse and Abraham Bosse. (The hart of Rembrandt Symbolism and geometry in the Dutch 17th century. by Theo Elsing)

In 1670 publiceerde Willem Goeree (1635-1711) een kleine verhandeling getiteld: Inleyding tot de practijck der algemeene schilder-konst Acht jaar later publiceerde Samuel van Hoogstraten (1627-1678) zijn langere Inleyding tot de hooge schoole der schilderkonst . Hun interesses waren zeker niet beperkt tot de beeldende kunst. Na het publiceren van verschillende titels over kunst, richtte Goeree zijn aandacht op andere kennisgebieden, zoals theologie en wereldgeschiedenis. Van Hoogstraten schreef, naast zijn verhandeling over schilderkunst, als ondertitel: De zichtbaere werelt, een pendant getiteld: De onzichtbare werelt.
De exacte inhoud blijft onbekend, omdat het boek nooit gepubliceerd is, maar experts vermoeden dat het over filosofische zaken ging.

Uit: ‘Willem Goeree versus Samuel van Hoogstraten ‘ (Gijsbert M. van de Roemer)

Dit om duidelijk te maken dat de theorieën die beide heren kunstenaars verspreidden niet alleen over maten en gewichten handelden, kennis omtrent het in beeld brengen van de werkelijkheid, (de natuurlijke uitzichten van de tronies) maar de werkelijkheid zelf in haar filosofische en technische gedaantes als onderwerp kreeg.

"As a prolific author, publisher and bookseller operating between Middelburg and Amsterdam, Goeree represents a remarkable case study through which to investigate the processes of producing, printing and publishing knowledge in the Dutch Republic. As his early biographer David van Hoogstraten remarked, Goeree demonstrated “eene grote genegenheit voor allerhande kunsten en wetenschappen” – an affection for knowledge in the widest sense, as understood at a time when disciplinary boundaries were still in flux. Goeree’s diverse interests and vast erudition are reflected in his own books, in which he discusses topics ranging from the art of painting to the history of the Jews, from cosmological theories to the ideas of Descartes. Similarly, his library suggests a learned owner conversant with natural history and ancient civilisations, curious about the latest philosophical debates and recent developments in the field of medicine." (Workshop Willem Goeree and the production of knowledge in the early Modern Netherlands)
Syrian Sheep Or Ram, Jan Luyken, Willem Goeree is a drawing by Jan Luyken And Willem Goeree

Als productieve auteur, uitgever en boekverkoper die opereerde tussen Middelburg en Amsterdam, vormt Goeree een opmerkelijke casestudy aan de hand waarvan de processen van het produceren, drukken en uitgeven van kennis in de Nederlandse Republiek kunnen worden onderzocht. Zoals zijn vroege biograaf David van Hoogstraten opmerkte, gaf Goeree blijk van “eene grote genegenheit voor allerhande kunsten en wetenschappen” – een genegenheid voor kennis in de breedste zin van het woord, zoals begrepen in een tijd waarin disciplinaire grenzen nog in beweging waren. Goeree’s uiteenlopende interesses en enorme eruditie worden weerspiegeld in zijn eigen boeken, waarin hij onderwerpen bespreekt die variëren van schilderkunst tot de geschiedenis van de Joden, van kosmologische theorieën tot de ideeën van Descartes. Ook zijn bibliotheek suggereert een geleerde eigenaar die vertrouwd is met natuurlijke historie en oude beschavingen, nieuwsgierig naar de laatste filosofische debatten en recente ontwikkelingen op het gebied van geneeskunde.” (Werkplaats Willem Goeree en de productie van kennis in de vroegmoderne Nederlanden)

In het biografisch woordenboek der Nederlanden deel 7 wil ik je graag de samenvatting van zijn bio meegeven:

GOEREE (Willem), zoon van den voorgaande, werd te Middelburg den 11den December 1635 geboren. Hij toonde van zijne jeugd af aan eene groote neiging voor de beoefening van kunsten en wetenschappen, en vond, meer tot jaren gekomen, zijn grootste vermaak in den omgang met geleerde mannen. Tot zijn ongeluk verloor hij vroeg zijn vader, en geraakte daardoor onder de tucht van een onkundigen en strengen stiefvader, die hem, niet willende toestaan dat hij zich aan de studie toewijdde, noodzaakte eene andere werkkring te zoeken. Hij koos hierop den boekhandel, doch vergat daarbij echter de kunsten en wetenschappen niet

A.J. Van der Aa. 1862

In 2004 schrijft Inger Leemans in ‘Nederlandse Letterkunde Jaargang 9: “De weg naar de hel is geplaveid met boeken over de bijbel
Vrijgeest en veelschrijver Willem Goeree (1635-1711)”.

Of hoe je ook nog in deze eeuw op de brandstapel kunt belanden. Vandaar de aandacht van universiteiten om geschiedenis, wetenschap en letterkunde vanuit de tijd waarin ze ontstonden te onderzoeken zoals Weststeijn, T dat deed in 2013 met “The universal art of Samuel van Hoogstraten (1627-1678): painter, writer, and courtier. (University of Amsterdam) en te raadplegen:

Samuel van Hoogstraten
Self-Portrait
c. 1643 and 1650
170 x 135 mm
Pen and brush in brown with red and black chalk
Institut Néerlandais, Frits Lugt Collection, Paris

En bezoek ook:

Hanneke Grootenboer schrijft in ‘De Witte Raaf’, editie 217 van mei-juni 2022 een heel mooie tekst over een ook door mezelf gekoesterd schilderijtje van Rembrandt. ‘Inrtieme ruimtes. Denken in de zeventiende-eeuwse kunst.’ Een fragment.

Rembrandt. ‘De filosoof mediterend’ Klik op onderschrift om te vergroten

“Rembrandt is een schilder van denkers. In 1632 maakte hij een paneeltje van een filosoof die met de handen over de buik gevouwen in een kamer zit. Goud licht valt door het raam. Met het hoofd iets naar voren geleund neemt hij een typerend peinzende pose aan. Het grote folio dat opengeslagen op tafel ligt is wellicht de aanzet geweest tot de mijmeringen waaraan hij ten prooi is gevallen. Terwijl hij niets doet dan denken, als het vleesgeworden vita contemplativa, staat rechtsonder de tegenhanger: de vrouwelijke belichaming van het vita activa, het actieve leven, die met een pook het vuur onder een kookpot opstookt. De twee figuren, hun rol en de verschillende ruimtes rondom hen (de private ruimte van het huishouden en de intieme ruimte van het innerlijk) worden gescheiden door een opvallende s-vormige wenteltrap die beschouwers al kijkend kunnen betreden, tot ze blijven steken in de duistere bocht halverwege, en hun ogen de spiraal naar boven afronden via de onderkant van de trap. De binnen- en buitenzijde van de trap zijn als een DNA-streng helemaal verwikkeld geraakt. Moeten vita contemplativa en vita activa als twee gescheiden leefwijzen gezien worden, of vormen ze samen een wenteltrap, als twee in elkaar gedraaide vormen die elkaar volledig aanvullen?”

Dit kleine paneeltje van 28 bij 34 centimeter – de afmetingen van een iPad – zit vol met gedachten, die zich niet alleen in het hoofd van de oude man afspelen, maar ook de binnenruimte lijken te vullen. Als dit vertrek een metafoor is voor zijn denkruimte, dan speelt de opvallende wenteltrap een grote rol, als een denkfiguur waarmee de filosoof hoger of dieper in zichzelf kan spiralen. Wenteltrappen werden vaker afgebeeld in combinatie met filosofen, zoals in een tafereel van Salomon Koninck – ongeveer een decennium later gemaakt, en met bijna dezelfde afmetingen – dat lang als een pendant is gezien van Rembrandts paneel.

Hanneke Grootenboer “Intieme Ruimtes. Denken in de zeventiende-eeuwse kunst” (fragment) De witte raaf. editie 217. mei-juni 2022

Een versie van deze tekst is uitgesproken op 13 mei als oratie van de auteur als hoogleraar kunstgeschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

Lees:

Rembrandt. De filosoof mediterend. Klik op afbeelding om te vergroten

Er is dus meer dan ‘de natuurlijke stand der troniën’. Er is nieuwsgierigheid. Aanvoelen. Kiezen. Nieuwsgierig zijn en blijven. Soms vragen stellen, twijfel uitdrukken, vooral: waar-nemen. Je toont niet alleen het denken, je zet aan tot denken. Nog even Hanneke aan het woord:

“Rembrandts paneeltje kan bekeken worden met de definities van Van Hoogstraten of Goeree in het achterhoofd, maar het roept, als verbeelding van het denken, ook de fundamentele vraag op die door Hannah Arendt zo helder is geformuleerd in haar meesterwerk The Life of the Mind uit 1971. Ze vraagt zich af wat we precies doen als we denken. Wat is het dat ons aanzet tot denken, en waar en wanneer grijpt het denken plaats? Arendt laat zien dat we ons moeten afsluiten van de wereld om ons heen vooraleer een denkproces te kunnen starten. We moeten ons terugtrekken uit de publieke sfeer en de private sfeer betreden – of juister nog: een domein binnen die private sfeer, een intieme ruimte waarin een denker slechts van gedachten vergezeld wordt, en zo met zichzelf in gesprek kan gaan. Denken valt altijd buiten de gewone bezigheden en staat daarmee in contrast, schrijft Arendt:
‘Het onderbreekt telkens weer de gewone levensprocessen, juist zoals het gewone leven telkens weer het denken onderbreekt.’
Een denker heeft altijd een object nodig: hij of zij denkt niet ‘iets’, maar denkt na over iets. Zo’n object noemt Arendt een thought-object, een ‘denkding’. Kunstwerken zijn voor Arendt denkdingen bij uitstek, en betrokkenheid bij kunstwerken leidt niet zozeer tot kennis (of tot waarheid), maar gaat juist voorbij aan de grenzen van kennis en leidt tot betekenisgeving. “(ibidem)

In het zeventiende eeuwse Parijs werd Aristoteles’ filosofie op onderstaande manier verbeeld. Het zal dus eerder bij tuinieren dan bij diep zuchten te zoeken zijn.

Meurisse and Gaultier’s Artificiosa totius logices descriptio, 1614 — Source.

Lees en bekijk:

https://publicdomainreview.org/essay/the-art-of-philosophy-visualising-aristotle-in-early-17th-century-paris/

The will to change begins in the body not in the mind! Adrienne Rich (1929-2012)



Aunt  Jennifer’s  Tigers  by  Adrienne  Rich 

Aunt  Jennifer’s  tigers  prance  across  a  screen , 
Bright  topaz  denizens  of  a  world  of  green . 
They  do  not  fear  the  men  beneath  the  tree ; 
They  pace  in  sleek  chivalric  certainty . 

Aunt  Jennifer’s  fingers  fluttering  through  her  wool 
Find  even  the  ivory  needle  hard  to  pull . 
The  massive  weight  of  Uncle’s  wedding  band 
Sits  heavily  upon  Aunt  Jennifer’s  hand . 

When  Aunt  is  dead ,  her  terrified  hands  will  lie 
Still  ringed  with  ordeals  she  was  mastered  by . 
The  tigers  in  the  panel  that  she  made 
Will  go  on  prancing ,  proud  and  unafraid . 

Het is een gedicht over een kunstenaar-een vrouw- die een afbeelding van ’tijgers in de jungle’ borduurt. In het verloop van het gedicht verschuift de aandacht tussen de tijgers en glimpen van leven en dood van hun schepper (NY Times). Het gedicht is moeilijk naar het Nederlands te vertalen wil je rekening houden met rijmen en typisch Engelse uitdrukkingen. Letterlijk gaat het deze richting uit, een werktekst dus:

Tante Jennifer's tijgers door Adrienne Rich 

Tante Jennifer's tijgers paraderen over een scherm ,
Heldere topaas bewoners van een wereld van groen .
Ze zijn niet bang voor de mannen onder de boom ;
Ze lopen in slanke ridderlijke zekerheid .

Tante Jennifer's vingers fladderen door haar wol
Vinden zelfs de ivoren naald moeilijk te trekken .
Het massieve gewicht van de trouwring van oom
Zit zwaar op tante Jennifer's hand .

Als tante dood is , zullen haar bange handen liggen
Nog steeds omringd door beproevingen waar ze meester over was .
De tijgers in het paneel dat ze maakte
Zullen blijven steigeren , trots en zonder angst .

De bespreker in de NY Times merkt op dat het wel Aunt Jennifers tijgers zijn:

‘The big cats are the apex predators here, dominating the world with serene ferocity. They don’t need to growl or show their fangs and claws. They know how dangerous they are.”

En al horen die tijgers bij haar, zijzelf ‘belongs to other people”. Het is duidelijk dat we ‘Uncle’ moeten vrezen maar al was ze door beproevingen omringd, zij bleef er meester over zodat de tijgers blijven steigeren, trots en zonder angst.

Isabella Cotier NY Times

In ‘Biografieportaal’ schrijft Marian Janssen over ‘Het raadsel Adrienne Rich’: (1929-2012)

Ze was de eerste van twee dochters van een prominente arts aan de befaamde Johns Hopkins Medical School, Arnold Rich, en Helen Jones, een musicus, die haar loopbaan opgaf toen ze trouwde. Adrienne groeide op in een rijke wijk in Baltimore in een huis dat zo op de filmset van Gone with the Wind paste. Ze was een wonderkind en haar vader stimuleerde haar vanaf jongs af aan: zij moest en zou een gevierd schrijver worden. Adrienne voldeed aan zijn hooggespannen verwachtingen. Als 21-jarige student werd ze door W.H. Auden verkozen tot winnaar van de prestigieuze Yale Series of Younger Poets Award. Ze verwierf een van de felbegeerde Guggenheim Fellowships-die gewoonlijk werden toegekend aan artiesten die al veel meer gepresteerd hadden dan zij–om een jaar in Oxford te studeren. Na terugkeer in Amerika trouwde ze met Alfred Conrad, een hoogleraar economie aan Harvard—samen kregen ze drie zonen. Zij volgde Conrads carrière en de familie verhuisde van Cambridge naar het bruisende, politiek bewuste New York City. Haar eigen loopbaan nam tegelijkertijd een vlucht: ze publiceerde een aantal goed ontvangen dichtbundels en doceerde aan verschillende universiteiten. Nobelprijswinnaar Louise Glück vond haar een mislukte mentor. Holladay citeert haar: ‘If she liked a poem, Rich would say, “I dig it.” If not: “I don’t dig it.” De biograaf vervolgt: ‘Glück didn’t dig the class or her professor. She wanted to talk poetry in depth; she didn’t feel comfortable in the artificially relaxed setting, nor did she share her professor’s interest in the unrest afflicting Columbia.’

bettye-lane photographs.

Zoals veel critici over haar werk opmerkten: de ontwikkeling van haar poëzie weerspiegelde de verandering van vrouwenlevens in de twintigste eeuw. Maaike Meijer, die in de jaren tachtig een mooi stuk over Rich’s poëzie schreef, zag ook de transformatie van een meisje dat zich netjes aan de regels hield naar een ‘eigenzinnige heks’, die tovert met de taal en in de oude voorraadkamers van de cultuur zoekt naar eigen woorden en beelden om de vrouwelijke ervaring te kunnen vatten.
Maar voor het zo ver was trouwde Rich met Alfred Conrad, hoogleraar economie aan Harvard, en kreeg ze drie zonen. Langzaam maar zeker radicaliseerde ze. In haar bundel uit 1963, Snapshots of a Daughter-in-Law, sprak al onomwonden het feministische onbehagen. In haar persoonlijk leven begon ze zich steeds meer in te zetten voor de burgerrechtenbeweging en het feminisme. Ze organiseerde thuis soirées voor de Black Panthers en tegen Vietnam. De afstand tot haar man groeide en in 1970 volgde een scheiding. In hetzelfde jaar schoot hij zichzelf door het hoofd.

(Adrienne Rich. Xandra Schitte. De Groene Amsterdammer 2012)

Rich wierp zich in de vrouwenliefde en ontmoette de in Jamaica geboren schrijfster Michelle Cliff, met wie ze vanaf 1976 tot haar dood zou samenleven. ‘De onderdrukte ­lesbienne die ik sinds mijn adolescentie met mij meedroeg begon haar ledematen te strekken’, schreef ze. De persoonlijke, politieke en ­seksuele revolutie in haar leven uitte zich ook in haar dichtwerk, in bundels als The Will to Change (1971), Diving Into the Wreck (1973) en vooral in TwentyOne Love Poems (1976). Daarin dichtte ze: ‘The rules break like a thermometer,/ quicksilver spills across the charted systems/ we’re out in a country that has no language/ …whatever we do together is pure invention/ the maps they gave us were out of date/ by years…’. (ibidem DG-Amsterdammer)


Tonight No Poetry Will Serve


Saw you walking barefoot
taking a long look
at the new moon's eyelid

later spread
sleep-fallen, naked in your dark hair
asleep but not oblivious
of the unslept unsleeping
elsewhere

Tonight I think
no poetry
will serve

Syntax of rendition:

verb pilots the plane
adverb modifies action

verb force-feeds noun
submerges the subject
noun is choking
verb disgraced goes on doing

now diagram the sentence

(This is a late Adrienne Rich poem, from 2007)

Vanavond zal geen poëzie helpen

Zag je op blote voeten lopen
een lange blik werpend
naar het ooglid van de nieuwe maan

later gespreid
in slaap gevallen, naakt in je donkere haar
slapend maar niet vergeetachtig
van de niet-slapende niet-slapende
elders

Vannacht denk ik
geen poëzie
zal helpen.

Syntaxis van vertolking:

werkwoord bestuurt het vliegtuig
bijwoord wijzigt actie

werkwoord voedt zelfstandig naamwoord
dompelt het onderwerp onder
zelfstandig naamwoord stikt
werkwoord onteerd gaat door met doen

schets nu de zin.
Félix Vallotton, 1899 – Femme couchée dormant.jpg

Dat is wat Adrienne Rich in haar poëzie vanaf de jaren zeventig zou doen: regels breken, de grenzen opzoeken en die overschrijden, en telkens zoeken naar nieuwe taal en nieuwe mythen om de vrouwelijke identiteit in woorden te vangen. Zoals ze in het gedicht Tear Gas schreef: ‘The will to change begins in the body not in the mind/ My politics is in my body, accruing and expanding with every/ act of resistance and each of my failures/ Locked in the closet at 4 years old I beat the wall with my body/ that act is in me still’. (Xandra Schutte)


Power

Living in the earth-deposits of our history
 
Today a backhoe divulged out of a crumbling flank of eart
h
one bottle amber perfect a hundred-year-old

cure for fever or melancholy a tonic

for living on this earth in the winters of this climate.
 
Today I was reading about Marie Curie:

she must have known she suffered from radiation sickness

her body bombarded for years by the element
she had purified

It seems she denied to the end
the source of the cataracts on her eyes

the cracked and suppurating skin of her finger-end
s
till she could no longer hold a test-tube or a pencil

 
She died a famous woman denying

her wounds

denying

her wounds came from the same source as her power.


What Kind of Times Are These
By Adrienne Rich


There's a place between two stands of trees where the grass grows uphill
and the old revolutionary road breaks off into shadows
near a meeting-house abandoned by the persecuted
who disappeared into those shadows.

I've walked there picking mushrooms at the edge of dread, but don't be fooled
this isn't a Russian poem, this is not somewhere else but here,
our country moving closer to its own truth and dread,
its own ways of making people disappear.

I won't tell you where the place is, the dark mesh of the woods
meeting the unmarked strip of light—
ghost-ridden crossroads, leafmold paradise:
I know already who wants to buy it, sell it, make it disappear.

And I won't tell you where it is, so why do I tell you
anything? Because you still listen, because in times like these
to have you listen at all, it's necessary
to talk about trees.
Foto door jonas mohamadi op Pexels.com

De tijd waar-nemen?



FORLORN


Ik kan niet vinden waar gij zijt.

Langs uw gelaat gaat noodweer aan;

de bittere branding zie ik slaan,

met zilt dat in de ogen bijt.

Ik kan niet vinden waar gij zijt,

noch waar ik zelf ben in mijn pijn.

O onmacht van dit samenzijn,

verholen riffen, blind ravijn

en dieplood van het zelfverwijt –

Ik kan niet vinden waar gij zijt.


Ida Gerhardt. Verzamelde gedichten (A'dam 1999)

Eighteenth century Katabira (summer kimono) with patterns of dry hedges, carnations, and swallows. Achttiende-eeuwse Katabira (zomerkimono) met patronen van droge hagen, anjers en zwaluwen.

The word is split into two terms: kyo (経) which means Buddhist sutra, and katabira (帷子) which is a light, unlined kimono worn on informal occasions, such as rising in your own house in the morning. Katabira were traditionally made from hemp and came into fashion around the Heian period (794 to 1185).
Het woord is opgesplitst in twee termen: kyo (経) wat boeddhistische soetra betekent, en katabira (帷子) wat een lichte, ongevoerde kimono is die gedragen wordt bij informele gelegenheden, zoals 's ochtends opstaan in je eigen huis. Katabira's werden traditioneel gemaakt van hennep en kwamen in de mode rond de Heian periode (794 tot 1185)
Heggen
waarin het goddelijk vuur ontspringt.
Uit de as
rood gevlamd nog:
anjers
en daaruit losgekomen
de terugkeer naar het licht:
zwaluwen in de morgenlucht.

Hedges
In which the divine fire springs.
From the ashes
flamed red still
carnations
and from them released
the return to the light:
swallows in the morning sky.

Gmt
Daughter of Nefertiti & Akhenaten. Amarna Princess

De ‘Amarna-revolutie‘ was niet alleen een religieuze maar ook een artistieke revolutie. De kunst van dit tijdperk is herkenbaar aan de onmiskenbare kronkelige vormen en de bijzondere expressiviteit van gezichten en gebaren, die uiteindelijk, zij het op een minder uitgesproken manier, in het volgende tijdperk overeind blijven.
De Amarna-periode duurde minder dan twintig jaar: met de komst van het nog jonge kind Toetanchaten (‘levend beeld van Aton’), dat weldra Toetanchamon (‘levend beeld van Amon’) zou heten, werden de traditionele culten hersteld.
Akhetaten werd verlaten en werd een steengroeve voor bouwmateriaal. Het intermezzo van Amarna markeerde echter de overgang naar een nieuwe politieke, culturele en artistieke fase. (Egypt Museum)





https://egypt-museum.com/daughter-of-nefertiti-akhenaten/

Limestone head of a princess
New Kingdom, 18th Dynasty, reign of Akhenaten, c. 1353–1336 B.C.
Museum of Fine Arts, Boston. 1976.602

Ongelukken bij het waarnemen van de tijd

Wijze van waarneming: tussen de kanalen.
Woordloze dagen, jaren, perioden.
Eeuwenlang tekenen met inkt of gebrande sienna op de rots.
Onrustige krassen. Silhouetten van onhandige figuren.
Wirwar van lijnen (dieren in beweging).
Millennialang woorden die het lichaam omwikkelen, geselen,
silhouetten van onhandige zinnen. De ruimte erachter.
Verstilling – en dwang van drukke beelden. Ontwarren. Overbruggen.
Begrip tonen, doen alsof.
Hand voor plezier: tekenen.
Een hand.
Hand: overleven, doden.
Mond voor de stem (spelen, bedriegen). Openen. Voor een ander.
Gelijke bij gelijke (Picasso in de grot). En bruggen!
Voor zichzelf. Voor een ander.

Mária Ferenčuhová (Czechoslovakia, 1975)
© Vertaling: 2017, Jana Beranová
From: Princíp neistoty
Publisher: 2008, Ars Poetica, Bratislava

Prehistorische schildering in de grot van Altamira in Cantabrië, Spanje © World History Archive / Alamy Stock Photo
"De grot was dus niet alleen maar een museum. Het was een kunstacademie waar mensen leerden schilderen van degenen die hun waren voorgegaan en vervolgens hun vaardigheden toepasten in de volgende geschikte grot die ze tegenkwamen. Al doende, en met de hulp van flikkerend licht, schiepen zij animatie. De beweging van groepen mensen door het landschap leidde tot de schijnbare beweging van de dieren op de wanden van de grotten. Naarmate mensen over ouder schilderwerk heen schilderden, verder trokken en weer gingen schilderen, werd grotkunst – of, bij ontstentenis van grotten, rotskunst – in de loop van tienduizenden jaren een mondiale meme."

(Hier zijn wij, wezens zoals jullie--Barbara Ehrenreich. De Groene A'dammer 18 december 2019 (51-52)

Tijd

Tijd – het is vreemd, het is vreemd mooi ook
nooit te zullen weten wat het is

en toch, hoeveel van wat er in ons leeft is ouder
dan wij, hoeveel daarvan zal ons overleven

zoals een pasgeboren kind kijkt alsof het kijkt
naar iets in zichzelf, iets ziet daar
wat het meekreeg

zoals Rembrandt kijkt op de laatste portretten
van zichzelf alsof hij ziet waar hij heengaat
een verte voorbij onze ogen

het is vreemd maar ook vreemd mooi te bedenken
dat ooit niemand meer zal weten
dat we hebben geleefd

te bedenken hoe nu we leven, hoe hier
maar ook hoe niets ons leven zou zijn zonder
de echo’s van de onbekende diepten in ons hoofd

niet de tijd gaat voorbij, maar jij, en ik
buiten onze gedachte is geen tijd

we stonden deze zomer op de rand van een dal
om ons heen alleen wind

Rutger Kopland (1934-2012)