Een nar, of de wijsheid van het ongerijmde?

Maître de 1537, Portrait of a fool looking through his fingers. Former Netherlands, c. 1548.rs, circa 1548 (fragment)

“De figuur van de dwaas liep van de marge van middeleeuwse manuscripten naar de wereldse hoven van de Renaissance en keerde vervolgens terug op papier als Yorick van Hamlet,” schrijft Dominic Green van de Wall Street Journal. “ Later, in het tijdperk van rede en democratie, werd de parodist van koninklijke waardigheid een spiegel van de universele conditie: Dostojevski’s ‘heilige dwaas’ en Picasso’s groezelige clowns; Stan Laurel en Oliver Hardy om Buster Keaton niet te vergeten.”

In medieval times, the definition of the fool was derived from the Scriptures, particularly the first verse of Psalm 52: ‘Dixit insipiens…’ (The fool has said in his heart, ‘There is no God’). Madness was primarily seen as ignorance and an absence of love for God, but there were religious fanatics too, such as Saint Francis. So in the thirteenth century, the idea of madness was inextricably linked to love and its measure or excess in the spiritual, then the earthly realm. (Codart)

Jheronimus Bosch (ca. 1450-1516), The Ship of Fools (detail), ca. 1500-10
Musée du Louvre, Paris

De status van de nar verschoof van mystiek en symbolisch naar politiek en sociaal: in de veertiende eeuw werd de hofnar de geïnstitutionaliseerde antithese van koninklijke wijsheid en zijn ironische of kritische observaties werden steeds meer geaccepteerd. Er ontstonden nieuwe beelden waarin de nar werd afgebeeld met een opvallend kostuum: een bauble (schijnscepter), een gestreepte of ‘half en half’ outfit, een pet en bellen. (ibidem)

Lucas van Leyden (Netherlandish, ca. 1494–1533). A Fool and a Woman, 1520. Etching and engraving,

A kind of mirror, it was also a reminder of the vice of vanity. The fool could as easily succumb to narcissism as anyone else.

Jacquemart de Hesdin, The Fool (detail) from Psalter of the Duke of Berry, ca. 1386
Ontworpen als illustratie bij psalm 52 van het psalter van de hertog van Berry, toont deze afbeelding de dwaas gedeeltelijk ontkleed, knuppel in de hand, terwijl hij in een brood of een wiel kaas bijt. Deze afbeelding, een van de vroegste die te zien is, is gebaseerd op het gevestigde archetype van de “arme stakker” met een knuppel. De Hesdin ontleende deze compositie aan het eerdere getijdenboek van Jeanne d'Évreux (1324-28), maar hij plaatste zijn nar in een bos met een achtergrond met rode patronen. Er is ook iets bijna adelijks aan deze man op blote voeten; zijn gedrapeerde witte doek is smetteloos, waardoor hij er elegant uitziet. De lange wandelstok op zijn schouder lijkt nauwelijks op een wapen, maar eerder op een sportstok, zoals de stokken die Franse aristocraten zouden hebben gebruikt bij veel 14e-eeuwse bowl games. (ARTnews)

Photo : Photo A.Gossens/Museum Kurhaus Kleve – Ewald Mataré-Sammlung,

Volgens de Nederlandse kunsthistoricus Guido de Werd diende dit beeld als morele waarschuwing: pas op voor de vrouw die van het rechte pad afdwaalt, ze zal uiteindelijk haar verstand verliezen. Geleerden weten nog steeds niet zeker of dit werk bedoeld was voor een patriciërsinterieur of een herberg; het laatste zou logischer zijn aangezien de vrouwelijke figuur hetzelfde gezicht heeft als Van Trichts voorstelling van Maria Magdalena, de beschermheilige van boetvaardige zondaars en seksuele verleiding, die hij maakte voor het altaarstuk van de Sint-Nicolaaskerk in Kalkar, Duitsland. (ibidem)

Naar Hiëronimus Bosch ‘Concert in een ei”. Midden 16de eeuw.

In de Middeleeuwen was de figuur van de nar nauw verbonden met religieuze en morele kwesties. De nar, symbool van de ‘goddelozen’, leefde in de marge van de maatschappij en tartte de goddelijke en sociale orde. Zijn toestand werd als besmettelijk beschouwd, vooral wanneer er liefde en passie in het spel waren – twee overweldigende en oncontroleerbare krachten. Net als in epische cycli, de Arthur- en Karolingische legenden, waar hoofdpersonen ver verwijderd van de codes van hoofse liefde werden meegesleurd in een draaikolk van verlangen, lust en verderf.

Sociaal gedefinieerd door zijn verschil, verwerpt en fascineert de dwaas tegelijkertijd, waardoor hij al snel niet alleen de rol van een moreel symbool aanneemt, maar ook een specifieke sociale functie. Met zijn bellen, gestreepte mantel en kap betreedt de nar het hof en wordt hij de onmisbare tegenhanger van de koninklijke macht: een satirisch en subversief personage, de enige die het gezag in twijfel mag trekken. (Domus Giorgia Aprosio)

Quinten Metsys ‘Hou je mond dicht’. Rond 1528

In de Vlaamse traditie is de nar de figuur van de dwaas als een spiegel van menselijke tegenstrijdigheden vaak met een ironische en visionaire benadering. Kijk ook maar eens naar de Vlaamse Spreekwoorden (1607) van Pieter Brueghel, een visionaire encyclopedie van alledaagse dwaasheden waarbij populaire gezegden en spreekwoorden vertaald worden in surrealistische en satirische beelden. ‘Het schip der dwazen’ van Jheronimus Bosch is een ander voorbeeld. Van de minder bekende Marx Reichlich ‘ een fraai portret van ‘Een Nar’, begin zestiende eeuw.

‘Het Schip der Dwazen’ (ca. 1500), van Jheronimus Bosch. RMN-GRAND PALAIS (MUS-E DU LOUVRE)/FRANCK RAUX
In de vastelavondliteratuur (vastelavondviering) is het narrenschip het vervoermiddel bij uitstek van allerlei "buitenmaatschappelijken'; dronkelappen, overspelige vrouwen, hoerenlopers en ander maatschappelijk wrakhout worden uitgenodigd aan boord te komen. Door omkering van de moraal en door middel van felle satire benadrukt men dat allen die niet aan de eisen van de geordende samenleving voldoen, zich moeten aanpassen of verdwijnen. (DBNL 2012 'nar')
Marx Reichlich, A Jester. Tyrol (ca. 1519-1520). © Yale University Art Gallery.

De hofnar

Een der beroemdste narren was Triboulet, de nar van Frans I. Gewoonlijk droeg deze tabletten bij zich, op welke hij den naam der hovelingen schreef, die zich, volgens hem, door gekke daden onderscheidden. Eens vernam hij dat Karel V door Parijs komen zou en zich dus als het ware aan zijnen mededinger overleverde.
‘Die prins,’ zeide Triboulet, ‘is gek en verdient op mijne lijst te staan!’
‘Maar,’ vroeg de koning, ‘als ik hem laat doorgaan, wat zult gij dan zeggen?’
‘In dat geval, Sire, zal ik zijnen naam van mijne tabletten vegen, en er den uwe op schrijven.’

Uit ‘De Belgische Illustratie’ Jaargang 6. (1873-1874)

Aquamanile (waterkan) : Aristotle and Phyllis. South Netherlandish, (ca. 1380). © The Metropolitan Museum of Art.

Wat er in de 18de-19de eeuw met de nar gebeurde, de verwarde mens die zorg nodig had, is een ander verhaal. Waan en/of waanzin was geen straf van God, maar ging namen krijgen die -hoopten wij- voor zorg, troost en/of heling zouden zorgen. De titel van het boek ‘De waan van de waanzin. De psychiatrie als voortzetting van de inquisitie” (Thomas S. Szasz) voorspelde alvast niet veel goeds, maar dat boek is intussen vijfenvijftig jaar oud. Toch? Dat enkele hofnarren intussen koningsgewaden hebben aangetrokken waarborgt ook niet dadelijk de vrijheid van het menselijk denken. Hoe de moderne nar in de twintigste en eenentwintigste eeuw theaters en schermen ging bevolken kun je alvast in diverse media zelf nog dagelijks in levende lijve meemaken.

Hierbij nog een zeldzame foto van Buster Keaton, acteur, regisseur. (1895-1966). The Great Stone Face. Virtuoos in de visuele komedie. En daaronder een suite van fragmenten waarin hijzelf duidelijk aanwezig is, en er ook zelf elke halsbrekende stunt uitvoerde. Een heuse nar uit de twintigste eeuw. De weemoedige verliezer die steeds weer opnieuw wil beginnen.

Buster Keaton met zijn zoontjes James en Robert 1928

‘De natuurlijke standen der Troniën’

Willem Goeree, Jan Luyken, Maet-redige tronie-stellingh, (Drawing heads according measuring), Four Natural positions of Heads.1682.
In Goeree’s General Art of Painting the importance of philosophers, mathematics, geometry, symmetry,Liberal Arts and Cesare Ripa’s Iconologia is mentioned, in the Art of Drawing, the use of ovals, of a grid, diagonals and a lead-line as an axis of symmetry while drawing after plaster statue, is recommended. This practice is in the 18 th century also used by artists, like Gerard De Laraisse and Abraham Bosse. (The hart of Rembrandt Symbolism and geometry in the Dutch 17th century. by Theo Elsing)

In 1670 publiceerde Willem Goeree (1635-1711) een kleine verhandeling getiteld: Inleyding tot de practijck der algemeene schilder-konst Acht jaar later publiceerde Samuel van Hoogstraten (1627-1678) zijn langere Inleyding tot de hooge schoole der schilderkonst . Hun interesses waren zeker niet beperkt tot de beeldende kunst. Na het publiceren van verschillende titels over kunst, richtte Goeree zijn aandacht op andere kennisgebieden, zoals theologie en wereldgeschiedenis. Van Hoogstraten schreef, naast zijn verhandeling over schilderkunst, als ondertitel: De zichtbaere werelt, een pendant getiteld: De onzichtbare werelt.
De exacte inhoud blijft onbekend, omdat het boek nooit gepubliceerd is, maar experts vermoeden dat het over filosofische zaken ging.

Uit: ‘Willem Goeree versus Samuel van Hoogstraten ‘ (Gijsbert M. van de Roemer)

Dit om duidelijk te maken dat de theorieën die beide heren kunstenaars verspreidden niet alleen over maten en gewichten handelden, kennis omtrent het in beeld brengen van de werkelijkheid, (de natuurlijke uitzichten van de tronies) maar de werkelijkheid zelf in haar filosofische en technische gedaantes als onderwerp kreeg.

"As a prolific author, publisher and bookseller operating between Middelburg and Amsterdam, Goeree represents a remarkable case study through which to investigate the processes of producing, printing and publishing knowledge in the Dutch Republic. As his early biographer David van Hoogstraten remarked, Goeree demonstrated “eene grote genegenheit voor allerhande kunsten en wetenschappen” – an affection for knowledge in the widest sense, as understood at a time when disciplinary boundaries were still in flux. Goeree’s diverse interests and vast erudition are reflected in his own books, in which he discusses topics ranging from the art of painting to the history of the Jews, from cosmological theories to the ideas of Descartes. Similarly, his library suggests a learned owner conversant with natural history and ancient civilisations, curious about the latest philosophical debates and recent developments in the field of medicine." (Workshop Willem Goeree and the production of knowledge in the early Modern Netherlands)
Syrian Sheep Or Ram, Jan Luyken, Willem Goeree is a drawing by Jan Luyken And Willem Goeree

Als productieve auteur, uitgever en boekverkoper die opereerde tussen Middelburg en Amsterdam, vormt Goeree een opmerkelijke casestudy aan de hand waarvan de processen van het produceren, drukken en uitgeven van kennis in de Nederlandse Republiek kunnen worden onderzocht. Zoals zijn vroege biograaf David van Hoogstraten opmerkte, gaf Goeree blijk van “eene grote genegenheit voor allerhande kunsten en wetenschappen” – een genegenheid voor kennis in de breedste zin van het woord, zoals begrepen in een tijd waarin disciplinaire grenzen nog in beweging waren. Goeree’s uiteenlopende interesses en enorme eruditie worden weerspiegeld in zijn eigen boeken, waarin hij onderwerpen bespreekt die variëren van schilderkunst tot de geschiedenis van de Joden, van kosmologische theorieën tot de ideeën van Descartes. Ook zijn bibliotheek suggereert een geleerde eigenaar die vertrouwd is met natuurlijke historie en oude beschavingen, nieuwsgierig naar de laatste filosofische debatten en recente ontwikkelingen op het gebied van geneeskunde.” (Werkplaats Willem Goeree en de productie van kennis in de vroegmoderne Nederlanden)

In het biografisch woordenboek der Nederlanden deel 7 wil ik je graag de samenvatting van zijn bio meegeven:

GOEREE (Willem), zoon van den voorgaande, werd te Middelburg den 11den December 1635 geboren. Hij toonde van zijne jeugd af aan eene groote neiging voor de beoefening van kunsten en wetenschappen, en vond, meer tot jaren gekomen, zijn grootste vermaak in den omgang met geleerde mannen. Tot zijn ongeluk verloor hij vroeg zijn vader, en geraakte daardoor onder de tucht van een onkundigen en strengen stiefvader, die hem, niet willende toestaan dat hij zich aan de studie toewijdde, noodzaakte eene andere werkkring te zoeken. Hij koos hierop den boekhandel, doch vergat daarbij echter de kunsten en wetenschappen niet

A.J. Van der Aa. 1862

In 2004 schrijft Inger Leemans in ‘Nederlandse Letterkunde Jaargang 9: “De weg naar de hel is geplaveid met boeken over de bijbel
Vrijgeest en veelschrijver Willem Goeree (1635-1711)”.

Of hoe je ook nog in deze eeuw op de brandstapel kunt belanden. Vandaar de aandacht van universiteiten om geschiedenis, wetenschap en letterkunde vanuit de tijd waarin ze ontstonden te onderzoeken zoals Weststeijn, T dat deed in 2013 met “The universal art of Samuel van Hoogstraten (1627-1678): painter, writer, and courtier. (University of Amsterdam) en te raadplegen:

Samuel van Hoogstraten
Self-Portrait
c. 1643 and 1650
170 x 135 mm
Pen and brush in brown with red and black chalk
Institut Néerlandais, Frits Lugt Collection, Paris

En bezoek ook:

Hanneke Grootenboer schrijft in ‘De Witte Raaf’, editie 217 van mei-juni 2022 een heel mooie tekst over een ook door mezelf gekoesterd schilderijtje van Rembrandt. ‘Inrtieme ruimtes. Denken in de zeventiende-eeuwse kunst.’ Een fragment.

Rembrandt. ‘De filosoof mediterend’ Klik op onderschrift om te vergroten

“Rembrandt is een schilder van denkers. In 1632 maakte hij een paneeltje van een filosoof die met de handen over de buik gevouwen in een kamer zit. Goud licht valt door het raam. Met het hoofd iets naar voren geleund neemt hij een typerend peinzende pose aan. Het grote folio dat opengeslagen op tafel ligt is wellicht de aanzet geweest tot de mijmeringen waaraan hij ten prooi is gevallen. Terwijl hij niets doet dan denken, als het vleesgeworden vita contemplativa, staat rechtsonder de tegenhanger: de vrouwelijke belichaming van het vita activa, het actieve leven, die met een pook het vuur onder een kookpot opstookt. De twee figuren, hun rol en de verschillende ruimtes rondom hen (de private ruimte van het huishouden en de intieme ruimte van het innerlijk) worden gescheiden door een opvallende s-vormige wenteltrap die beschouwers al kijkend kunnen betreden, tot ze blijven steken in de duistere bocht halverwege, en hun ogen de spiraal naar boven afronden via de onderkant van de trap. De binnen- en buitenzijde van de trap zijn als een DNA-streng helemaal verwikkeld geraakt. Moeten vita contemplativa en vita activa als twee gescheiden leefwijzen gezien worden, of vormen ze samen een wenteltrap, als twee in elkaar gedraaide vormen die elkaar volledig aanvullen?”

Dit kleine paneeltje van 28 bij 34 centimeter – de afmetingen van een iPad – zit vol met gedachten, die zich niet alleen in het hoofd van de oude man afspelen, maar ook de binnenruimte lijken te vullen. Als dit vertrek een metafoor is voor zijn denkruimte, dan speelt de opvallende wenteltrap een grote rol, als een denkfiguur waarmee de filosoof hoger of dieper in zichzelf kan spiralen. Wenteltrappen werden vaker afgebeeld in combinatie met filosofen, zoals in een tafereel van Salomon Koninck – ongeveer een decennium later gemaakt, en met bijna dezelfde afmetingen – dat lang als een pendant is gezien van Rembrandts paneel.

Hanneke Grootenboer “Intieme Ruimtes. Denken in de zeventiende-eeuwse kunst” (fragment) De witte raaf. editie 217. mei-juni 2022

Een versie van deze tekst is uitgesproken op 13 mei als oratie van de auteur als hoogleraar kunstgeschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

Lees:

Rembrandt. De filosoof mediterend. Klik op afbeelding om te vergroten

Er is dus meer dan ‘de natuurlijke stand der troniën’. Er is nieuwsgierigheid. Aanvoelen. Kiezen. Nieuwsgierig zijn en blijven. Soms vragen stellen, twijfel uitdrukken, vooral: waar-nemen. Je toont niet alleen het denken, je zet aan tot denken. Nog even Hanneke aan het woord:

“Rembrandts paneeltje kan bekeken worden met de definities van Van Hoogstraten of Goeree in het achterhoofd, maar het roept, als verbeelding van het denken, ook de fundamentele vraag op die door Hannah Arendt zo helder is geformuleerd in haar meesterwerk The Life of the Mind uit 1971. Ze vraagt zich af wat we precies doen als we denken. Wat is het dat ons aanzet tot denken, en waar en wanneer grijpt het denken plaats? Arendt laat zien dat we ons moeten afsluiten van de wereld om ons heen vooraleer een denkproces te kunnen starten. We moeten ons terugtrekken uit de publieke sfeer en de private sfeer betreden – of juister nog: een domein binnen die private sfeer, een intieme ruimte waarin een denker slechts van gedachten vergezeld wordt, en zo met zichzelf in gesprek kan gaan. Denken valt altijd buiten de gewone bezigheden en staat daarmee in contrast, schrijft Arendt:
‘Het onderbreekt telkens weer de gewone levensprocessen, juist zoals het gewone leven telkens weer het denken onderbreekt.’
Een denker heeft altijd een object nodig: hij of zij denkt niet ‘iets’, maar denkt na over iets. Zo’n object noemt Arendt een thought-object, een ‘denkding’. Kunstwerken zijn voor Arendt denkdingen bij uitstek, en betrokkenheid bij kunstwerken leidt niet zozeer tot kennis (of tot waarheid), maar gaat juist voorbij aan de grenzen van kennis en leidt tot betekenisgeving. “(ibidem)

In het zeventiende eeuwse Parijs werd Aristoteles’ filosofie op onderstaande manier verbeeld. Het zal dus eerder bij tuinieren dan bij diep zuchten te zoeken zijn.

Meurisse and Gaultier’s Artificiosa totius logices descriptio, 1614 — Source.

Lees en bekijk:

https://publicdomainreview.org/essay/the-art-of-philosophy-visualising-aristotle-in-early-17th-century-paris/

The will to change begins in the body not in the mind! Adrienne Rich (1929-2012)



Aunt  Jennifer’s  Tigers  by  Adrienne  Rich 

Aunt  Jennifer’s  tigers  prance  across  a  screen , 
Bright  topaz  denizens  of  a  world  of  green . 
They  do  not  fear  the  men  beneath  the  tree ; 
They  pace  in  sleek  chivalric  certainty . 

Aunt  Jennifer’s  fingers  fluttering  through  her  wool 
Find  even  the  ivory  needle  hard  to  pull . 
The  massive  weight  of  Uncle’s  wedding  band 
Sits  heavily  upon  Aunt  Jennifer’s  hand . 

When  Aunt  is  dead ,  her  terrified  hands  will  lie 
Still  ringed  with  ordeals  she  was  mastered  by . 
The  tigers  in  the  panel  that  she  made 
Will  go  on  prancing ,  proud  and  unafraid . 

Het is een gedicht over een kunstenaar-een vrouw- die een afbeelding van ’tijgers in de jungle’ borduurt. In het verloop van het gedicht verschuift de aandacht tussen de tijgers en glimpen van leven en dood van hun schepper (NY Times). Het gedicht is moeilijk naar het Nederlands te vertalen wil je rekening houden met rijmen en typisch Engelse uitdrukkingen. Letterlijk gaat het deze richting uit, een werktekst dus:

Tante Jennifer's tijgers door Adrienne Rich 

Tante Jennifer's tijgers paraderen over een scherm ,
Heldere topaas bewoners van een wereld van groen .
Ze zijn niet bang voor de mannen onder de boom ;
Ze lopen in slanke ridderlijke zekerheid .

Tante Jennifer's vingers fladderen door haar wol
Vinden zelfs de ivoren naald moeilijk te trekken .
Het massieve gewicht van de trouwring van oom
Zit zwaar op tante Jennifer's hand .

Als tante dood is , zullen haar bange handen liggen
Nog steeds omringd door beproevingen waar ze meester over was .
De tijgers in het paneel dat ze maakte
Zullen blijven steigeren , trots en zonder angst .

De bespreker in de NY Times merkt op dat het wel Aunt Jennifers tijgers zijn:

‘The big cats are the apex predators here, dominating the world with serene ferocity. They don’t need to growl or show their fangs and claws. They know how dangerous they are.”

En al horen die tijgers bij haar, zijzelf ‘belongs to other people”. Het is duidelijk dat we ‘Uncle’ moeten vrezen maar al was ze door beproevingen omringd, zij bleef er meester over zodat de tijgers blijven steigeren, trots en zonder angst.

Isabella Cotier NY Times

In ‘Biografieportaal’ schrijft Marian Janssen over ‘Het raadsel Adrienne Rich’: (1929-2012)

Ze was de eerste van twee dochters van een prominente arts aan de befaamde Johns Hopkins Medical School, Arnold Rich, en Helen Jones, een musicus, die haar loopbaan opgaf toen ze trouwde. Adrienne groeide op in een rijke wijk in Baltimore in een huis dat zo op de filmset van Gone with the Wind paste. Ze was een wonderkind en haar vader stimuleerde haar vanaf jongs af aan: zij moest en zou een gevierd schrijver worden. Adrienne voldeed aan zijn hooggespannen verwachtingen. Als 21-jarige student werd ze door W.H. Auden verkozen tot winnaar van de prestigieuze Yale Series of Younger Poets Award. Ze verwierf een van de felbegeerde Guggenheim Fellowships-die gewoonlijk werden toegekend aan artiesten die al veel meer gepresteerd hadden dan zij–om een jaar in Oxford te studeren. Na terugkeer in Amerika trouwde ze met Alfred Conrad, een hoogleraar economie aan Harvard—samen kregen ze drie zonen. Zij volgde Conrads carrière en de familie verhuisde van Cambridge naar het bruisende, politiek bewuste New York City. Haar eigen loopbaan nam tegelijkertijd een vlucht: ze publiceerde een aantal goed ontvangen dichtbundels en doceerde aan verschillende universiteiten. Nobelprijswinnaar Louise Glück vond haar een mislukte mentor. Holladay citeert haar: ‘If she liked a poem, Rich would say, “I dig it.” If not: “I don’t dig it.” De biograaf vervolgt: ‘Glück didn’t dig the class or her professor. She wanted to talk poetry in depth; she didn’t feel comfortable in the artificially relaxed setting, nor did she share her professor’s interest in the unrest afflicting Columbia.’

bettye-lane photographs.

Zoals veel critici over haar werk opmerkten: de ontwikkeling van haar poëzie weerspiegelde de verandering van vrouwenlevens in de twintigste eeuw. Maaike Meijer, die in de jaren tachtig een mooi stuk over Rich’s poëzie schreef, zag ook de transformatie van een meisje dat zich netjes aan de regels hield naar een ‘eigenzinnige heks’, die tovert met de taal en in de oude voorraadkamers van de cultuur zoekt naar eigen woorden en beelden om de vrouwelijke ervaring te kunnen vatten.
Maar voor het zo ver was trouwde Rich met Alfred Conrad, hoogleraar economie aan Harvard, en kreeg ze drie zonen. Langzaam maar zeker radicaliseerde ze. In haar bundel uit 1963, Snapshots of a Daughter-in-Law, sprak al onomwonden het feministische onbehagen. In haar persoonlijk leven begon ze zich steeds meer in te zetten voor de burgerrechtenbeweging en het feminisme. Ze organiseerde thuis soirées voor de Black Panthers en tegen Vietnam. De afstand tot haar man groeide en in 1970 volgde een scheiding. In hetzelfde jaar schoot hij zichzelf door het hoofd.

(Adrienne Rich. Xandra Schitte. De Groene Amsterdammer 2012)

Rich wierp zich in de vrouwenliefde en ontmoette de in Jamaica geboren schrijfster Michelle Cliff, met wie ze vanaf 1976 tot haar dood zou samenleven. ‘De onderdrukte ­lesbienne die ik sinds mijn adolescentie met mij meedroeg begon haar ledematen te strekken’, schreef ze. De persoonlijke, politieke en ­seksuele revolutie in haar leven uitte zich ook in haar dichtwerk, in bundels als The Will to Change (1971), Diving Into the Wreck (1973) en vooral in Twenty–One Love Poems (1976). Daarin dichtte ze: ‘The rules break like a thermometer,/ quicksilver spills across the charted systems/ we’re out in a country that has no language/ …whatever we do together is pure invention/ the maps they gave us were out of date/ by years…’. (ibidem DG-Amsterdammer)


Tonight No Poetry Will Serve


Saw you walking barefoot
taking a long look
at the new moon's eyelid

later spread
sleep-fallen, naked in your dark hair
asleep but not oblivious
of the unslept unsleeping
elsewhere

Tonight I think
no poetry
will serve

Syntax of rendition:

verb pilots the plane
adverb modifies action

verb force-feeds noun
submerges the subject
noun is choking
verb disgraced goes on doing

now diagram the sentence

(This is a late Adrienne Rich poem, from 2007)

Vanavond zal geen poëzie helpen

Zag je op blote voeten lopen
een lange blik werpend
naar het ooglid van de nieuwe maan

later gespreid
in slaap gevallen, naakt in je donkere haar
slapend maar niet vergeetachtig
van de niet-slapende niet-slapende
elders

Vannacht denk ik
geen poëzie
zal helpen.

Syntaxis van vertolking:

werkwoord bestuurt het vliegtuig
bijwoord wijzigt actie

werkwoord voedt zelfstandig naamwoord
dompelt het onderwerp onder
zelfstandig naamwoord stikt
werkwoord onteerd gaat door met doen

schets nu de zin.
Félix Vallotton, 1899 – Femme couchée dormant.jpg

Dat is wat Adrienne Rich in haar poëzie vanaf de jaren zeventig zou doen: regels breken, de grenzen opzoeken en die overschrijden, en telkens zoeken naar nieuwe taal en nieuwe mythen om de vrouwelijke identiteit in woorden te vangen. Zoals ze in het gedicht Tear Gas schreef: ‘The will to change begins in the body not in the mind/ My politics is in my body, accruing and expanding with every/ act of resistance and each of my failures/ Locked in the closet at 4 years old I beat the wall with my body/ that act is in me still’. (Xandra Schutte)


Power

Living in the earth-deposits of our history
 
Today a backhoe divulged out of a crumbling flank of eart
h
one bottle amber perfect a hundred-year-old

cure for fever or melancholy a tonic

for living on this earth in the winters of this climate.
 
Today I was reading about Marie Curie:

she must have known she suffered from radiation sickness

her body bombarded for years by the element
she had purified

It seems she denied to the end
the source of the cataracts on her eyes

the cracked and suppurating skin of her finger-end
s
till she could no longer hold a test-tube or a pencil

 
She died a famous woman denying

her wounds

denying

her wounds came from the same source as her power.


What Kind of Times Are These
By Adrienne Rich


There's a place between two stands of trees where the grass grows uphill
and the old revolutionary road breaks off into shadows
near a meeting-house abandoned by the persecuted
who disappeared into those shadows.

I've walked there picking mushrooms at the edge of dread, but don't be fooled
this isn't a Russian poem, this is not somewhere else but here,
our country moving closer to its own truth and dread,
its own ways of making people disappear.

I won't tell you where the place is, the dark mesh of the woods
meeting the unmarked strip of light—
ghost-ridden crossroads, leafmold paradise:
I know already who wants to buy it, sell it, make it disappear.

And I won't tell you where it is, so why do I tell you
anything? Because you still listen, because in times like these
to have you listen at all, it's necessary
to talk about trees.
Foto door jonas mohamadi op Pexels.com

De tijd waar-nemen?



FORLORN


Ik kan niet vinden waar gij zijt.

Langs uw gelaat gaat noodweer aan;

de bittere branding zie ik slaan,

met zilt dat in de ogen bijt.

Ik kan niet vinden waar gij zijt,

noch waar ik zelf ben in mijn pijn.

O onmacht van dit samenzijn,

verholen riffen, blind ravijn

en dieplood van het zelfverwijt –

Ik kan niet vinden waar gij zijt.


Ida Gerhardt. Verzamelde gedichten (A'dam 1999)

Eighteenth century Katabira (summer kimono) with patterns of dry hedges, carnations, and swallows. Achttiende-eeuwse Katabira (zomerkimono) met patronen van droge hagen, anjers en zwaluwen.

The word is split into two terms: kyo (経) which means Buddhist sutra, and katabira (帷子) which is a light, unlined kimono worn on informal occasions, such as rising in your own house in the morning. Katabira were traditionally made from hemp and came into fashion around the Heian period (794 to 1185).
Het woord is opgesplitst in twee termen: kyo (経) wat boeddhistische soetra betekent, en katabira (帷子) wat een lichte, ongevoerde kimono is die gedragen wordt bij informele gelegenheden, zoals 's ochtends opstaan in je eigen huis. Katabira's werden traditioneel gemaakt van hennep en kwamen in de mode rond de Heian periode (794 tot 1185)
Heggen
waarin het goddelijk vuur ontspringt.
Uit de as
rood gevlamd nog:
anjers
en daaruit losgekomen
de terugkeer naar het licht:
zwaluwen in de morgenlucht.

Hedges
In which the divine fire springs.
From the ashes
flamed red still
carnations
and from them released
the return to the light:
swallows in the morning sky.

Gmt
Daughter of Nefertiti & Akhenaten. Amarna Princess

De ‘Amarna-revolutie‘ was niet alleen een religieuze maar ook een artistieke revolutie. De kunst van dit tijdperk is herkenbaar aan de onmiskenbare kronkelige vormen en de bijzondere expressiviteit van gezichten en gebaren, die uiteindelijk, zij het op een minder uitgesproken manier, in het volgende tijdperk overeind blijven.
De Amarna-periode duurde minder dan twintig jaar: met de komst van het nog jonge kind Toetanchaten (‘levend beeld van Aton’), dat weldra Toetanchamon (‘levend beeld van Amon’) zou heten, werden de traditionele culten hersteld.
Akhetaten werd verlaten en werd een steengroeve voor bouwmateriaal. Het intermezzo van Amarna markeerde echter de overgang naar een nieuwe politieke, culturele en artistieke fase. (Egypt Museum)





https://egypt-museum.com/daughter-of-nefertiti-akhenaten/

Limestone head of a princess
New Kingdom, 18th Dynasty, reign of Akhenaten, c. 1353–1336 B.C.
Museum of Fine Arts, Boston. 1976.602

Ongelukken bij het waarnemen van de tijd

Wijze van waarneming: tussen de kanalen.
Woordloze dagen, jaren, perioden.
Eeuwenlang tekenen met inkt of gebrande sienna op de rots.
Onrustige krassen. Silhouetten van onhandige figuren.
Wirwar van lijnen (dieren in beweging).
Millennialang woorden die het lichaam omwikkelen, geselen,
silhouetten van onhandige zinnen. De ruimte erachter.
Verstilling – en dwang van drukke beelden. Ontwarren. Overbruggen.
Begrip tonen, doen alsof.
Hand voor plezier: tekenen.
Een hand.
Hand: overleven, doden.
Mond voor de stem (spelen, bedriegen). Openen. Voor een ander.
Gelijke bij gelijke (Picasso in de grot). En bruggen!
Voor zichzelf. Voor een ander.

Mária Ferenčuhová (Czechoslovakia, 1975)
© Vertaling: 2017, Jana Beranová
From: Princíp neistoty
Publisher: 2008, Ars Poetica, Bratislava

Prehistorische schildering in de grot van Altamira in Cantabrië, Spanje © World History Archive / Alamy Stock Photo
"De grot was dus niet alleen maar een museum. Het was een kunstacademie waar mensen leerden schilderen van degenen die hun waren voorgegaan en vervolgens hun vaardigheden toepasten in de volgende geschikte grot die ze tegenkwamen. Al doende, en met de hulp van flikkerend licht, schiepen zij animatie. De beweging van groepen mensen door het landschap leidde tot de schijnbare beweging van de dieren op de wanden van de grotten. Naarmate mensen over ouder schilderwerk heen schilderden, verder trokken en weer gingen schilderen, werd grotkunst – of, bij ontstentenis van grotten, rotskunst – in de loop van tienduizenden jaren een mondiale meme."

(Hier zijn wij, wezens zoals jullie--Barbara Ehrenreich. De Groene A'dammer 18 december 2019 (51-52)

Tijd

Tijd – het is vreemd, het is vreemd mooi ook
nooit te zullen weten wat het is

en toch, hoeveel van wat er in ons leeft is ouder
dan wij, hoeveel daarvan zal ons overleven

zoals een pasgeboren kind kijkt alsof het kijkt
naar iets in zichzelf, iets ziet daar
wat het meekreeg

zoals Rembrandt kijkt op de laatste portretten
van zichzelf alsof hij ziet waar hij heengaat
een verte voorbij onze ogen

het is vreemd maar ook vreemd mooi te bedenken
dat ooit niemand meer zal weten
dat we hebben geleefd

te bedenken hoe nu we leven, hoe hier
maar ook hoe niets ons leven zou zijn zonder
de echo’s van de onbekende diepten in ons hoofd

niet de tijd gaat voorbij, maar jij, en ik
buiten onze gedachte is geen tijd

we stonden deze zomer op de rand van een dal
om ons heen alleen wind

Rutger Kopland (1934-2012)

Het kijken bekeken

Schreef Gerrit Komrij dat kijken bekeken worden is, -het werd de titel van een tentoonstelling in het Stedelijk Museum A’dam, waarin de smakelijke uitdrukking ‘de gulzigheid van de spiegel’ en de formulering van Komrij dat de meeste cultuurpessimisten alleen maar bezorgd ‘lijken’. In feite waren ze jaloers. ‘Wat ze jaloers maakt is de populariteit waarin het beeld zich mag verheugen ten koste van het woord.’

Tommi Viitale uit ‘Hunting Shadows)

Bezoek:

https://tommiviitala.com/images

Bekijk de prachtige foto’s van de Finse fotograaf Tommi Vititale waarin het licht de schaduw mogelijk maakt, of…omgekeerd. Bestaat het volle licht of het complete donker?

“Stel nu dat we weten te voorkomen dat het abstracte denken en de begrippen van de rede het bewustzijn in beslag gaan nemen, en dat we in plaats daarvan heel onze geesteskracht wijden aan de aanschouwing, dat we daar vervolgens helemaal in opgaan en ons hele bewustzijn laten vullen door de rustige contemplatie van het toevallig aanwezige natuurlijke object, zij het een landschap, een boom, een rots, een gebouw, of wat dan ook, zodat we ons, om een veelzeggende uitdrukking te gebruiken, helemaal in dit onderwerp verliezen, hetgeen betekent dat we onze individualiteit, onze wil, vergeten en alleen nog maar als zuiver subject, als een heldere spiegel van het object blijven bestaan, zodat de indruk ontstaat dat alleen het onderwerp existeert, zonder iemand die het waarneemt, en dat men dus de aanschouwer niet meer los kan maken van de aanschouwing, maar dat beide één zijn geworden, doordat het hele bewustzijn door één enkel aanschouwelijk beeld volledig is gevuld en in beslag genomen -gesteld dus dat het object zich, op die manier heeft ontdaan van elke mogelijke relatie tot iets buiten hem, dan is datgene wat aldus wordt gekend niet meer het afzonderlijke ding als zodanig, maar de Idee, de eeuwige vorm, [en dan ] is daardoor de in deze aanschouwing betrokkene ook geen individu meer, want het individu heeft zich in een dergelijke aanschouwing verloren: het is nu een zuiver, willoos, pijnloos, tijdloos subject van het kennen.” (Schopenhauer WWV1. Par. 34)
Tommi Viitale uit ‘Hunting Shadows)

‘Pour vivre heureux, vivons cachés’, luidt een gezegde dat zijn oorsprong zou hebben in een achttiende-eeuwse fabel van de Franse schrijver Jean-Pierre Claris de Florian. Het verhaal begint met een jaloerse krekel die ziet hoe een vlinder bewonderd wordt om zijn felle kleuren en elegante vlucht. De vlinder wordt achternagezeten door een groepje kinderen, gevangen en verbrand. De krekel is niet langer jaloers en bezingt nu de voordelen van een verborgen leven. Die voordelen zijn door eenzame denkers uitgebreid in de verf gezet, maar het verborgen leven dat zij verdedigen is doorgaans geen leven zonder circus. Het is een leven waarin men van tijd tot tijd de voorstellingen opschort om zich op te laden voor nieuwe. Verstoppertje spelen is alleen leuk als je gezocht en liefst ook ooit gevonden wordt. (Benjamin De Mesel, Schaamte: een circus van kijken en bekeken worden. Streven 4 december 2019)

Tommi Viitale uit ‘Hunting Shadows)

Soms wordt de kijker niet door een ander bekeken, maar door zichzelf: hij ziet zichzelf en schaamt zich. Misschien is dit wel de meest voorkomende vorm van schaamte. Hoewel we hier geen actuele ander hebben, kunnen we van een imaginaire of geïnternaliseerde ander spreken: we zijn zo verslaafd aan de blik van anderen dat we in hun afwezigheid iets soortgelijks creëren. Het gaat om een stukje van ons dat een standpunt inneemt ten opzichte van de rest, dat verwachtingen en idealen heeft (uiteraard vaak geïnspireerd op idealen die uit de buitenwereld komen) waaraan op straffe van schaamte moet worden voldaan. Bij gebrek aan publiek gaan we zelf in de tribune zitten, wat het risico om voor clown te worden aangezien niet altijd kleiner maakt. (Benjamin De Mesel)
Tommi Viitale uit ‘Hunting Shadows)


Dromen zijn waar omdat ze gebeuren,
onwaar omdat niemand ze ziet
behalve de eenzame dromer,
in zijn ogen alleen van hemzelf.


Niemand droomt ons terwijl wij het weten.
Het hart van de dromer blijft kloppen,
zijn ogen schrijven zijn droom, hij is nu
niet in de wereld. Hij slaapt binnen en buiten
de tijd.


De ziel heeft twee ogen, dat droomt hij.
Het ene kijkt naar de uren, het andere
ziet er doorheen,
tot waar de duur nooit meer ophoudt,
het kijken vergaat in het zien.


CeesNooteboom
Het gezicht van het oog
De Arbeiderspers,

Tommi Viitala Street Photography People and Places

Macht en onmacht verbeeld en beletterd (1)

Ambrogio Lorenzetti. Allegory of Good Governement detail Romulus and Remus. 1338-40

Toen Freud begon aan zijn zoektocht om de menselijke psyche in kaart te brengen met De interpretatie van dromen (1899), richtte hij zich vooral op het individu. Als mensen leden aan geestelijke problemen zoals hysterie, zo was het argument, dan was dat waarschijnlijk te wijten aan onderdrukte persoonlijke trauma’s, die psychologen konden blootleggen en genezen door middel van één-op-één gesprekken. Naarmate de tijd verstreek, vroeg Freud zich echter steeds meer af wat zijn nieuwe “wetenschap” van de psychoanalyse betekende voor bredere sociale vraagstukken. Na het geweld van de Eerste Wereldoorlog en de omwentelingen die daarop volgden, leek het duidelijk dat de psychologie van mensen verbonden was met collectieve oorzaken: Hun hoop en zorgen, geluk en wanhoop, waren onlosmakelijk verbonden met hun denken over religie, politiek of economie. Met “Das Unbehagen in der Kultur” (Civilization and Its Discontents) begon Freud daarom te onderzoeken hoe beschaving – waarmee hij de wetten en informele normen bedoelde die de samenleving aan haar leden oplegde, evenals de cultuur en technologieën die zij voortbracht – zowel de menselijke psyche weerspiegelde als vormde. Zou de sociale structuur kunnen helpen om veelvoorkomende psychologische ellende te verlichten? Of was de beschaving er verantwoordelijk voor?

Sumerische beschaving Mesopotamië


Volgens Freud was de rusteloosheid die mensen leek te bezitten inherent aan het leven in de maatschappij. Het was het product van een paradox: juist de regels en instellingen die de samenleving bij elkaar hielden en het menselijk bestaan veilig stelden, maakten mensen ongelukkig. In Freuds formulering vereiste het leven in een gemeenschap de onderdrukking van de menselijke driften. Het vereiste in het bijzonder de onderwerping van de krachtigste krachten van de mens: het verlangen naar seksuele bevrediging (dat Freud Eros noemde, naar de Griekse god van de liefde) en naar vernietiging (Thanatos genoemd, de mythische personificatie van de dood). Omdat het alternatief chaos was, besteedde de samenleving het grootste deel van haar energie aan het controleren van haar leden, het verbieden van bepaalde handelingen en het stevig straffen van overtreders. Freud beweerde dat beschaving ontstond in een prehistorisch gebeuren, toen een groep broers hun vader doodde omdat ze zijn heerschappij over de vrouwen van hun stam kwalijk namen. Ze werden toen overmand door schuldgevoelens, waardoor ze zowel moord als incest taboe verklaarden. Beschaving was dus niet het product van een bewuste overeenkomst. Ze was gebaseerd op de ontkenning van oerverlangens, die onder de dunne korst van rationaliteit van de mensen bleven borrelen en hen voor altijd ontevreden hielden.


Udi Greenberg. 3 februari 2022
Udi Greenberg teaches at Dartmouth College and is the author of The Weimar Century: German Émigrés and the Ideological Foundations of the Cold War (2015).

Lees:

https://newrepublic.com/article/165265/freud-miseries-politics-samuel-moyn-civilizations-discontents-review

Eerder dan een politiek traktaat kan "Das Unbehagen in der Kultur" dus begrepen worden als een bemiddeling over de onvermijdelijkheid van tegenstrijdigheden, paradoxen en verwarringen. Mens zijn, leek Freud te beweren, is accepteren dat ons begrip van de wereld altijd gedeeltelijk en misleidend is, met alle ellende van dien: We kunnen nooit weten of sociale omstandigheden of individuele eigenaardigheden de bron van ons ongeluk zijn, of dat onze acties, individueel of collectief, ons lijden vergroten of verkleinen. Sociale theoretici, of ze nu progressief, centristisch of conservatief zijn, kunnen ernaar streven om duidelijke categorieën voor analyse te produceren en nette oplossingen voor menselijke dilemma's te bieden. Maar zoals Freuds twijfels over zijn eigen ideeën laten zien, was dit in zijn ogen net zo zinloos als een onderscheid maken tussen beschaving en haar ongemakken.  (ibidem)

Een voorbeeld.
Het is de dag dat hij, Donald Trump, als 47ste president van de Verenigde Staten wordt ingezworen.. De morgen van de grote dag is er een traditie dat de betrokkenen een kerkdienst bijwonen dichtbij het Capitool. Rev. Mariann Edgar Budde leidt de dienst en in de homilie spreekt zij de nieuwe president toe:

“In the name of our God, I ask you to have mercy upon the people in our country. We’re scared now. The people who pick our crops and clean our office buildings, who labor in poultry farms and meatpacking plants, who wash the dishes after we eat in restaurants and work the night shifts in hospitals. They may not be citizens or have the proper documentation, but the vast majority of immigrants are not criminals. They pay taxes, and are good neighbors. They are faithful members of our churches and mosques, synagogues, gurdwara, and temples. I ask you to have mercy, Mr. President, on those in our communities whose children fear that their parents will be taken away, and that you help those who are fleeing war zones and persecution in their own lands to find compassion and welcome here.”

"In de naam van onze God vraag ik u om genade te hebben voor de mensen in ons land. We zijn nu bang. De mensen die onze gewassen plukken en onze kantoorgebouwen schoonmaken, die werken in pluimveebedrijven en vleesverwerkende fabrieken, die de afwas doen nadat we gegeten hebben in restaurants en die nachtdiensten draaien in ziekenhuizen. Ze zijn misschien geen burgers of hebben niet de juiste papieren, maar de overgrote meerderheid van de immigranten zijn geen criminelen. Ze betalen belasting en zijn goede buren. Ze zijn trouwe leden van onze kerken en moskeeën, synagogen, gurdwara en tempels. Ik vraag u, mijnheer de President, om medelijden te hebben met diegenen in onze gemeenschappen van wie de kinderen vrezen dat hun ouders zullen worden weggenomen, en dat u diegenen helpt die oorlogsgebieden en vervolging in hun eigen land ontvluchten om hier mededogen en welkom te vinden."

De president heeft ontstemd gereageerd en om haar excuses gevraagd. Bekijk aandachtig de verschillende vaak minieme reacties van de luisteraars. Is dit één van de ongemakken van de ‘beschaving’ en/of een voorbeeld van grote morele moed? Ook de macht kan aangesproken worden. De machteloze heeft een stem. En durf.

"Nu gaat de Amerikaanse president nog verder en noemt de bisschop op zijn platform Truth Social “een radicaal linkse keiharde Trump-hater”. “Haar toon was gemeen en ze was niet overtuigend of slim. (...) Afgezien van haar ongepaste opmerkingen, was haar dienst erg saai en niet inspirerend. Ze is niet goed in haar job!”. Trump vindt nu dat Budde “de mensen excuses verschuldigd is”.(de Standaard)
Bishop Mariann E. Budde delivering a sermon at a prayer service on Tuesday at Washington National Cathedral. Credit…Doug Mills/The New York Times

More than 14,000 people signed an online petition thanking Bishop Budde within four hours. Episcopalians around Washington proudly posted online in gratitude that Bishop Budde was their spiritual leader, representing their Christianity.

For her part, Bishop Budde felt her sermon was “a perspective that wasn’t getting a lot of airtime right now, and it was a perspective of Christianity that has been kind of muted in the public arena,” she said.

She knew she did not have a lot of authority in the room, she said, “because I am not a part of the spiritual circles that have surrounded the president and his party.”

NY Times 23 jan. 2025

Dr. Martin Luther King Jr. preekt zijn laatste zondagpreek vanaf de Canterbury-preekstoel in de Washington National Cathedral. Hij werd enkele dagen later vermoord. Credit … John Rous/Associated Press. (NY Times 230125)

“De waarheid achter dit alles, die men liever verloochent, is dat de mens geen zachtaardig wezen is dat liefde nodig heeft en zich hoogstens weet te verdedigen als het wordt aangevallen; in zijn driftleven is hij juist begiftigd met een enorme dosis agressie. Bijgevolg is zijn naaste voor hem niet alleen een potentiële helper en seksueel object, maar ook iemand die hem ertoe verleidt zijn agressie op hem uit te leven, zonder vergoeding te profiteren van zijn werkkracht, hem zonder zijn instemming seksueel te gebruiken, zich van zijn bezittingen meester te maken, hem te vernederen, pijn te doen, te martelen en te doden.”

Sigmund Freud, Het onbehagen in de cultuur (1930)

Jean Simon Chardin Het kaartenhuisje. kopie

“Mocht Freud nu nog leven dan zou hij zeggen dat de politici die met wezenlijke oplossingen denken te komen – banen, economie, klimaat, oorlog en vrede, etcetera- er op een bepaalde manier ook toe doen. We gaan er niet gelukkiger van worden, want dat staat de cultuur de mens niet toe. Aan het einde van Het Onbehagen biedt hij er bijna zijn excuses voor aan. Hij schrijft dat hem de moed ontzinkt om voor zijn medemens als profeet op te staan, “en ik buig mij voor het verwijt dat ik hem geen troost kan bieden, want dat is wat zij eigenlijk allemaal verlangen, de ontstuimigste revolutionair niet minder dan de braafste, vroomste gelovige’. De wereld biedt geen troost.”

(Ik ben een mens, godverdomme!’ Joost de Vries in 18 klassiekers om het heden te begrijpen, samengesteld door Jaap Tielbeke. Aup. A’dam De Groene Amsterdammer)

Jean Frederic Bazille. De toekomst-voorspelster. 1869
natuurlijk is er veel meer
dan enkel het lichaam

er is het oog dat alle
lichamen omsingelt en
een overwinnaar is voor de
spelende handen

alles is maar spel tenslotte
waar maak je je druk over
en waarom dans je niet

de lente maakt deuren
de wind is een open hand
wij moeten nog beginnen te leven

als ik in de gele nacht sta
op het blauwe tapijt van mijn hart

Hans Lodeizen (1924-1950)

(wordt vervolgt)

“Verwondering” op de drempel van een nieuw jaar?

Auditory circuitry, Christa Baker

De video’s onder deze tekst en bijgaande afbeeldingen tonen beelden van het grootste en meest complexe brein dat ooit volledig in kaart is gebracht door wetenschappers – dat van een volwassen fruitvlieg. Om deze gedetailleerde beelden tot leven te brengen, waren wetenschappers van 146 laboratoria en 122 instellingen nodig in een project dat bekend staat als FlyWire, geleid door Princeton University. Als het in kaart brengen van de hersenen van dit kleine wezen klinkt als iets minder dan een buitengewone doorbraak, bedenk dan dat de 140.000 neuronen en de vele miljoenen synapsen die het project in detail beschrijft een buitengewone sprong betekenen ten opzichte van de hersenen van een worm (302 neuronen) en de larvale hersenen van een fruitvlieg (3000 neuronen) die wetenschappers eerder in kaart hebben gebracht. En hoewel het volledig in kaart brengen van een menselijk brein van ruwweg 86 miljard neuronen waarschijnlijk nog vele jaren op zich laat wachten, gelooft het team achter FlyWire dat hun project een formidabele stap kan zijn naar een beter begrip van hersenziekten zoals dementie, Alzheimer en Parkinson. Een gelukkig nieuw jaar 2025 gewenst.

This video features images of the largest and most complex brain ever fully mapped by scientists – that of an adult fruit fly. To bring these detailed images to life, it took scientists from 146 labs and 122 institutions in a project known as FlyWire, led by Princeton University. If charting the brain of this small creature sounds like anything less than an extraordinary breakthrough, consider that the 140,000 neurons and the many millions of synapses the project details mark an extraordinary leap from the worm brain (302 neurons) and the larval fruit fly brain (3,000 neurons) that scientists have previously mapped. And, while fully mapping a human brain of roughly 86 billion neurons is likely still many years from fruition, the team behind FlyWire believes that their project could represent a formidable step towards better understanding brain diseases such as dementia, Alzheimer’s and Parkinson’s.  (Aeon)

Nieuwsgierig? Bezoek flywire.au

https://flywire.ai/

FlyWire is a human-AI collaboration for reconstructing the full brain connectome of Drosophila. It is made possible by contributions from hundreds of scientists around the globe. The potential benefits of such a resource are immense - we can now make significant advances in our understanding of how the brain works by ultimately linking neuronal wiring with brain function. 
OA-AL2i1 neurons identified by Greg Jefferis and proofread through a combined 746 edits from members of Jefferis, Murthy, Seung Labs + citizen scientist Krzystof Kruk and Nseraf. Rendered by Amy Sterling for FlyWire.

En bezoek bijvoorbeeld:

https://www.nature.com/immersive/d42859-024-00053-4/index.html

As beautiful as it is complex, the fly’s brain has more than 130,000 wires with 50 million intricate connections (MRC Nature)

Wat begon in België na een bijeenkomst van fruitvliegspecialisten in Leuven eind 2017, leidde tot een wereldwijde samenwerking en de eerste volledige atlas van de fruitvlieg, een insect dat onmisbaar is geworden in het biomedisch onderzoek. De wetenschappelijke primeur verschijnt deze week in het vakblad Science. Professor bio-informatica Stein Aerts van VIB-KU Leuven was een van de leiders van het project. (Luc De Roy VRT Nws)

bezoek:

https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2022/03/03/de-fruitvlieg-eerste-volledige-blauwdruk-van-alle-cellen-van-de/

De fruitvlieg, Drosophila melanogaster, speelt een hoofdrol in heel wat biologisch onderzoek. Fir0002/Flagstaffotos/Wikimedia Commons/CC BY-SA 3.0

Pure verwondering, nadrukkelijke bewondering, ze bevangt je als je, als volslagen leek langs de wetenschappers het fruitvliegje als hoopvol studieobject wil signaleren bij het begin van een nieuw jaar. De nabijheid van hoop en dan kan liefde, of noem het vriendschap, ook niet ver weg zijn. Maar tegelijkertijd vermoed je dat joie de vivre toch eerder wortel schiet bij de zekerheid van een soort ‘welbevinden’ en ‘welstand’ en je hoort de echo’s van de Amerikaanse beurs en wie dan wel die nieuwe geneesmiddelen zal monopoliseren, kortom filosofie zonder bankkaart is nog steeds een eerder poëtische dan een geloofwaardige emotie, maar je bent maar een mens, nauw met het fruitvliegje verbonden wat lichamelijk wel en wee betreft.

PICASSO Pablo (1881-1973), La Joie de vivre, octobre 1946, Antibes,
 Ripolin sur fibrociment, 120×250 cm, Antibes, musée Picasso.


Dans la Joie de vivre (1946) de Picasso, la figure de la danseuse au tambourin, par exemple, devient ainsi tour à tour une figure allégorique de la Paix et du Bonheur, une bacchante antique, une figure fantasmée de la femme aimée, une représentation de Françoise Gilot, un exemple de la quête artistique insistante chez Picasso de la représentation du corps (la femme dénudée, la figure aux bras levés, le corps en mouvement), une forme contournée, déstructurée et bleuie, une danseuse inspirée d’un tableau de Poussin, une réponse aux femmes de Matisse … (ArtPlastoc)

POUSSIN Nicolas (194-1665), Le triomphe de Pan, 1635, huile sur toile, 134×145 cm, Londres, National Gallery

Probeer ik de begrippen nieuwjaar en Brussel te verenigen dan verandert de ‘joie de vivre’ al vlug in het wilde tafereel hierboven: Nicolas Poussin: ‘La triomphe de Pan’, al was dit tafereel blijkbaar toch ook de inspiratie voor Pablo’s ‘Bacchanale’ gemaakt in een nog niet zo vrolijke augustusmaand 1944.

PICASSO Pablo, Bacchanale, aquarelle et gouache, août 1944 (second état).

Dus noem een oorlog een oorlog, een begrip dat je helaas op diverse plaatsen in de praktijk kunt beschouwen, gruwelijke randverschijnselen inbegrepen. Hoop ik dus dat bij het verder bestuderen van het fruitvliegje er wegen onder het kleine schedeldakje worden gevonden waarin een vredevol bestaan bij mensen gestimuleerd zou kunnen worden, of kanalen die het primitieve denken ontwikkelen tot overleg en vredevolle gemeenschappelijke emoties.

Cheval caparaçonné et chevalier en armure. 1951. Musee Nat Picasso

Massacre en Corée. 1951 Musée national Picasso.

Het is een moeilijk mengsel. Verwondering en wanhoop. Het dubbelzinnige ook van ‘vuurwerk’. Je kunt ze makkelijk symboliseren, terugbrengen naar hun essenties. Maar de alledaagse praktijk vraagt meer. De onmacht van het woord als poging om te zeggen wat vrijwel niet te zeggen is.

HET WOORD

O moeder
van ons, kuddedieren,
seismogram
der mensenkaravanen,
bij wie zelfs
de god van abraham
beschutting zocht.

Een zeldzaam woord
schreef hij
op portieken
gaandeweg vervallen
door zijn donderpreken.

Geen mene tekel was het,
maar iets op kladpapier
waar adams naam
bij 'spraakgebreken' had gestaan:

een woord zo dun als eierschaal,
een woord
waar engelenzwermen
voor weken.

'Moeder,
het spreken
kan alleen langs jou,
-god zijn is een hondenbaan-
achter een resem heelallen
was het woord
als hartenkreet.

Gabriël zei:
het woord was bij god,
schrijf op, johan.

Gods goesting kennend
riepen de serafijnen:
'crêpe suzette,
dierenriemen,
kringgesprek,
ontkiemen!'

Mooie woorden
uit gods achtertuin, dat wel.
maar lederwaren
en kroonjuwelen
zijn dat ook.

of rinkelbel en
luizenkam.

'Moeder',
sprak hij nu luidop,
sprak
zijn verzwegen vrouwelijk wezen.

En
uit de diepten
van zijn rekwisieten
uit zijn eigen keizersnee
kwam
een jongen
zachtjes
als een offerlam:

het sneeuwde kindermeel.

Gods ouderpaar
zond een engel
voor een uitzendkracht;

zelfs al op weg
zei gabriël:
en het woord zal mens worden
en bij hen wonen.

Hoofdschuddend.

Als gods vrouwelijke kant
spreekt
kan men het ergste
maar vaak het beste vrezen.

Gmt

“Allegorie, de lijfelijkheid van een idee

Allegorie van de Dag. Jan van den Hoecke 1645-1655

Jan van den Hoecke is een Antwerpse schilder, tekenaar en ontwerper van wandtapijten. Mogelijk krijgt hij zijn eerste lessen van zijn vader Caspar van der Hoecke II (1595-1648). In het begin van zijn carrière is van den Hoecke een leerling van Peter Paul Rubens (1577-1640). Stilistisch is hij verwant met de grootmeester. Van den Hoecke zal de verworvenheden van de kunst van Rubens verbinden met het zeventiende-eeuwse Italiaanse classicisme.

(Barok in Vlaanderen)

Begin je onderaan links te tellen dan heb je, eens helemaal rond, twaalf putti geteld, de uren van de dag die zich rond de god Apollo bewegen op een stijgende, hangende en dalende manier. De tegenhanger, een allegorie van de nacht rondom Diana of Selene, (de maan) van dezelfde schilder.

Misschien een kopie van Pieter Thijs van een werk van Van den Hoecke (Beide schilders waren hofschilders in Wenen bij Leopold Wilhelm

De moderne combinatie van dag en nacht zou je bij M.C. Escher kunnen vinden.

Met Dag en Nacht laat Escher zijn unieke artistieke visie op het Nederlandse polderlandschap zien. Het is een van zijn eerste op vlakvulling gebaseerde houtsneden; een compositie waarbij figuren zich herhalen en transformeren tot nieuwe vormen. Akkers worden vogels, dag wordt nacht. (Fries Museum)
M.C. Escher ‘Dag en Nacht’ (klik op onderschrift om te vergroten)

Neem ik je mee naar Gent, MSK, naar een schilderij van Léon Frederic (1856-1940) ‘Allegorie van de nacht’. Olieverf op doek. 70cm x 54,5cm

De allegorie van de nacht is geïnspireerd op de Griekse mythologie waarin de Nacht voorgesteld wordt als een gesluierde vrouw. Zij is de moeder van een tweeling, de Slaap en de Dood, hier weergegeven door twee naakte kinderen. Mogelijk zinspeelde Léon Frédéric ook op een andere traditie in de West-Europese kunst. De slapende kinderen verbeelden dan de Ochtend en de Avond, nog niet gewekt uit de intense verbondenheid met hun moeder, de Nacht. Frédéric wist hier zijn belangstelling voor de weergave van droombeelden te verbinden met de kunst van de door hem zo bewonderde Italiaanse renaissance. Zowel de scherpte van de uitvoering als het raffinement waarmee hij de transparante stoffen schilderde, herinneren aan schilderijen van Botticelli, wiens werk hij leerde kennen op zijn studiereizen naar Italië. (Museum voor Schone Kunsten Gent)

Van deze schilder vind je drie afleveringen in ‘In de stilte’, te beginnen met:

“De mens is deze nacht, dit lege niets, dat alles in zijn ongescheiden eenvoud bevat: een rijkdom van een oneindig aantal voorstellingen, beelden, waarvan geen enkele hem klaar voor de geest komt, of die er niet zijn als iets werkelijk tegenwoordigs. Het is de nacht, de innerlijkheid van de natuur, die hier bestaat: het pure persoonlijke Ik. In fantasmagorische voorstellingen is het overal nacht: hier duikt plotseling een bloedend hoofd op, daar een witte gestalte; even plotseling verdwijnen ze. Het is deze nacht die men ontwaart wanneer men een mens in de ogen kijkt: dan dompelt men zijn blik onder in een nacht die ontzettend is; het is de nacht van de wereld die tegen ons aan hangt.”

G.W.F. Hegel

Allegorie van de nacht. Annibale Carracci.

En of wij dan echt in een ‘spektakelmaatschappij’ leven? We hebben het onderwerp al meer dan één keer geciteerd, Guy Debords ‘spektakelmaatschappij en hier doet Frank Vande Veire het in ‘De nacht straalt in een meisjesoog’ (Over Hegels’ einde van de kunst in de Witte Raaf van sept-okt 1995, editie 57.)

"De tweede zin van “La société du spectacle”, Guy Debords kritische analyse van de spektakelmaatschappij, is exemplarisch voor deze avant-gardistische kritiek op de voorstelling. Ze luidt: “Al wat direct werd geleefd, heeft zich in een voorstelling verwijderd”. Dit suggereert dat er ooit een tijd was waarin de mens het leven werkelijk leefde en dat hij zich nadien ervan heeft vervreemd in allerlei levenloze voorstellingen waarin hij nu afgescheiden van zichzelf leeft; tevens dat het de bedoeling is van elke revolutionaire praxis, politiek of esthetisch, dat de mens zich zijn ontstolen leven weer zou toeëigenen. Als consequent marxist en hegeliaan ziet Debord uiteindelijk slechts heil in de (zelf)opheffing van de kunst, die in deze optiek het domein is waar de voorstelling, zich bewust wordend van haar valsheid, zichzelf tenietdoet."

Lees zelf verder:

L’Aurore Schilderij door Jean Baptiste Champaigne (1631-1684) (ec.flam.) 1668

allegorie

Etym: Gr. allos = anders, oneigenlijk; allègoria = beeldspraak < allègoreein = in beelden spreken.

Vorm van beeldspraak die een hele zin of meerdere zinnen wordt volgehouden, in tegenstelling tot de metafoor, waarbij één woord door een beeld wordt vervangen. In de lyriek bijv. kunnen metaforen en vergelijkingen op elkaar voortbouwen en daardoor in elkaar vloeien tot één beeld. Vandaar ook de benaming uitgewerkte metafoor (Fr. métaphore filée, métaphore continuée; Du. durchgeführte Metapher; Eng. extended metaphor). Een dergelijke allegorische beeldspraak betreft gewoonlijk slechts een onderdeel van een tekst, maar kan ook door een heel gedicht heen aangehouden worden. Een voorbeeld is het uitgewerkte natuurbeeld in het gedicht ‘Ic was in mijn hoofkijn om cruit gegaen’ van Zuster Bertken (1426 of 1427 – 1514), waar het hofken staat voor de ziel; de distels, doornen en een opgeschoten boom voor de zonden, de tuinier voor Jezus, de lelie voor onschuld en zuiverheid, en de rode roos voor de goddelijke liefde.

Wanneer de allegorische beeldspraak in het hele werk wordt volgehouden, wordt ook het complete werk een allegorie genoemd. De term kan dus zowel een stijlmiddel als een genre aanduiden. Het interpreteren van een allegorie of van een allegorische tekst noemt men allegorese. (algemeen letterkundig lexicon 2012-…)

Allegorie op der zeven standen Onbekende Meester. 17de eeuw Klik om onderschrift om te vergroten.

Allegorie op de zeven standen

Van links naar rechts staan opeenvolgend de paus, de keizer, de edelman, de jurist, de boer, de handelaar, de dokter en de dood uitgebeeld. Onder elke figuur staat een inscriptie die hen in de mond wordt gelegd. Ze staan of zitten bij een open graf. Dergelijke allegorieën illustreren dat alle standen gelijk zijn voor de dood. Doorgaans worden slechts vier standen voorgesteld waardoor ze vaak aangeduid worden als De Vier Standen of De Vier Waarheden. Het thema knoopt aan bij de traditie van de Memento Mori en de laat-middeleeuwse Dodendans, waar men vertegenwoordigers van verschillende standen en leeftijden met de dood confronteerde. Naast de moraliserende strekking wordt hier ook op schertsende wijze de maatschappelijke verhoudingen en de handelswijze van bepaalde mensen in beeld gebracht waardoor het schilderij een sociaal-politieke betekenis krijgt. Baron P. Frédéricq legateerde op 23 maart 1921 dit schilderij aan het museum.
(STAM Museum Gent City Museum. )
Allegorie van de ijdelheid. 1654 Antonio de Perada y Salgado

“Je kunt ‘de Allegorie’ fraai en esthetisch noemen, maar in Frankrijk was er al tijdens het leven van de bekende schilder Eugène Delacroix (1798-1863) toch enig protest te horen. In haar artikel ‘Allegorie als kritiek -De allegorische werken van Eugène Delacroix schrijft Marijke Jonker:

De allegorie was in Delacroix’ tijd een omstreden genre. Het zeventien-de-eeuwse Franse classicisme had de allegorie in de genre hiërarchie nog boven de historieschilderkunst geplaatst.
Achttiende-eeuwse theoretici veroordeelden de allegorie omdat die teveel een beroep deed op het intellect, in plaats van op het oog en het gevoel van de beschouwer. Het begrip symbool werd geïntroduceerd als tegenhanger van allegorie. Goethe is de belangrijkste theoreticus van dit nieuwe symbool begrip. Voortbouwend op de door onder anderen Lessing en Winckelmann gewekte aandacht voor de esthetische waarde van de klassieke beeldhouwkunst, stelde Goethe dat bij een symbolische voorstelling schoonheidservaring en intellectueel begrip niet te scheiden zijn. Reynolds bleef, als een der weinigen, de allegorie verdedigen, maar meer vanwege haar decoratieve dan vanwege haar intellectuele waarde. “

Marijke Jonker studeerde kunstgescbiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Zij promoveerde daar in 1994 op het proefschrift Diderot’s shade, the discussion on ‘ut pictura poesis’ and expression
in French art criticism, 1819-1840 (Ann Arbor,UMI, 1999). Zij is werkzaam bij het Tropenmuseum.)
La Liberté guidant le peuple, 1830, olieverf op doek, 260 x 325 cm, Louvre, Parijs Klik op onderschrift om t vergroten.

“Delacroix’ onderwerpskeuze is van het begin af aan gedurfd: een scène uit Dantes Divina Commedia, het lot van de slachtoffers van de massamoorden die de Turken tijdens de Griekse Vrijheidsoorlog aanrichtten op het eiland Chios, de dood van de Perzische tiran Sardanapalus, de executie van de doge Marino Faliero. In deze vroege werken zien we al zijn neiging om zich niet vast te leggen op één stijl, maar bij ieder onderwerp terug te grijpen op de trant van een kunstenaar of school die naar zijn mening het beste bij het onderwerp paste.

Vanaf het begin van Delacroix ’ carrière zien we ook belangstelling voor de allegorische voorstelling. Deze bood de schilder meer dan de historie-schilderkunst de gelegenheid om problemen en ideeën die hem sterk bezighielden met zijn publiek te delen zonder dat hij zijn toevlucht tot sentiment en overduidelijke didactiek hoefde te nemen. (ibidem)

De mannelijke metgezellen van de Vrijheid, haar geweer en haar muts met driekleurige kokarde benadrukken haar eigentijdse en volkse karakter. Weer verbindt Delacroix allegorie en contemporaine geschiedenis naadloos met elkaar. Zijn gebruik van de allegorie is sinds Het stervende Griekenland gewaagder geworden en zijn kritiek op de school van David duidelijker. Hij stelt het onbetamelijke naakt van een volksmeisje tegenover de verbloemde erotiek van de op Griekse godinnen-beelden gebaseerde, onbereikbare vrouwen die de school van David afbeeldt.

Het artikel is te raadplegen via:

Eugène Delacroix, Women of Algiers, c. 1832–34, oil on canvas, 46 x 37.8 cm (Musée du Louvre, Paris, photo: Steven Zucker, CC BY-NC-SA 2.0)

En hier is dan het onderwerp een heuse portret van drie vrouwen uit Algiers in hun dagelijks doen en laten, weg van de symboliek, dichtbij de werkelijkheid van alledag. Een alledag in Algiers uiteraard.

Zelfs met muziek tot in detail te bekijken:

En deskundig gerestaureerd is het te bewonderen (met vakkundige toelichting) via onderstaande link:

https://www.louvre.fr/expositions-et-evenements/evenements-activites/les-femmes-d-alger-d-eugene-delacroix

Een minnares en muze van Picasso, Françoise Gilot, vertelde later dat Picasso werkelijk geobsedeerd was door het werk van Delacroix en vooral dan door ‘Les femmes d’Alger’. Ook Picasso’s bekende ‘Les demoiselles d’Avignon’ werd erdoor geïnspireerd. Gilot: ‘Haast een keer per maand gingen we samen naar het Louvre waar hij het doek van Delacroix kon bestuderen. Ik vroeg hem toen wat hij van Delacroix dacht. Zijn ogen vernauwden tot fijne spleetjes. “De smeerlap. Hij was echt goed,” zei Picasso toen.’

Het doek werd (11 mei 2015) geveild voor 179,3 miljoen dollar (160,8 miljoen euro). In 1997 was het doek ook geveild. Toen bracht het ‘slechts’ 32 miljoen dollar op. De eerste eigenaars waren de Amerikaanse verzamelaars Victor en Sally Ganz, die het werk in 1956 kochten van Picasso’s galerijhouder Daniel Kahnweiler. Zij telden 212.500 dollar neer.

(Bart Dobbelaere De Standaard 12 mei 2015)

Eugène Delacroix, Self-portrait in a green vest (detail), 1837, oil on canvas, image CCØ

Het lag voor de menselijke hand dat een allegorie, met enig deskundig ingrijpen, het makkelijk tot ‘spotprent’ brengt.

Allegorie op Oliver Cromwell. Spotprent op Cromwell, 1652. Uytbeeldinge van de Hoogmoedige Republijk van Engelandt, Mitsgaders een Prognosticatie van den wijt vermaerden D. Nosterdamus, al over de 60. Jaren van hem voorseydt, noopende den Oorlog tusschen Engelandt en Hollandt (titel op object)
Spotprent op Cromwell en de Engelsen in de Eerste Engelse Oorlog, 1652. Oliver Cromwell wordt door een geldstukken schijtende griffioen of roofvogel gekroond met een kroon met pauwenveren. Hij houdt de Fransman in bedwang onder de arm, en haalt met de andere hand de ingewanden uit de buik van een vermoorde Hollander, tussen zijn benen smeken de Schot en de Ier om genade. Op de achtergrond kleine voorstellingen van aanleidingen tot de oorlog: het verkopen van geroofde goederen, de onthoofding van koning Karel I en twee voorspellingen: de vernietigng van de Engelse vloot door branders en de aanval op de Engelsman door de Hollandse Leeuw met behulp van de Schot, de Fransman en de Ier. Op het blad onder de plaat een vers in 4 kolommen en de legenda A-L. (wikimedia)
Apodichtische Waaren, allegorie op de filosofie van Kant (1774-1833). Jacob Smies (Nederlander 1785-1833)
Spotprent op de filosofie van Kant. In een drukke apotheek wordt rechts een menselijk geraamte onderzocht en uiteengenomen; in het midden worden in een grote kolf filosofie-boeken omgekookt tot `abrakadra'.

bezoek:

https://www.rijksmuseum.nl/en/collection/RP-T-1897-A-3489

En tenslotte een Allegorie op het zondige leven, onbekend kunstenaar. Zeg niet dat we je niet gewaarschuwd hadden. Gelukkig nieuw jaar, met veel schoonheid, goed gezelschap en deugddoende stilte.

Allegorie op het zondige leven 1530

Kopprent: 5. August 1772 - Polen-Litauen wird im Petersburger Vertrag erstmals geteilt

“We zullen de Europese beschaving naar de arme Irokezen brengen.” In zijn brieven aan Rusland en Oostenrijk bouwt Frederik II het propagandabeeld op van een hoognodige missie tegen Polen-Litouwen - door middel van een kleinerende vergelijking met de zogenaamde Indianen van Noord-Amerika. Voor de Pruisische koning zijn de Polen “een onbegrijpelijk volk” dat “diep in barbarij en domheid ligt”.

Tegelijkertijd pleitte hij in zijn diplomatieke correspondentie met Sint-Petersburg en Wenen voor een nieuwe strategie om oorlog te vermijden. De grootmachten zouden hun onderlinge conflicten niet langer op het slagveld moeten beslechten, maar over de ruggen van zwakkere landen.

Geschiedenis, zei u?

De kleur van het verleden met het oog op het ons toekomende

Vliegtuig 1916

“Zodra we de kindertijd achter ons laten, een tijd waarin we nog op onmiddellijke wijze konden samensmelten met de wereld en nog geen weet hadden van onze sterfelijkheid, worden we melancholische wezens. Het verlies van deze oorspronkelijke eenheid is, tezamen met het besef van vergankelijkheid, een traumatische gebeurtenis. Oftewel: de mens hoeft geen persoonlijk verlies te ervaren of oorlog te ondergaan om pijn te lijden. We zijn van huis uit getraumatiseerde dieren; verhalen verzachten onze existentiële pijn.”

(Hans Schnitzler in ‘a Tale of Hidden Histories‘ van De Groene A’dammer 12 maart 2019)

Je kunt dan inderdaad met Marcuse de favoriete wijsgerige oneliner citeren: ‘Individuele gestoordheden weerspiegelen de gestoordheid van het geheel’, en verwijzen naar het gros van wat nu mentale aandoeningen wordt genoemd zoals burnouts en depressies,:

Voor menig tijdsdiagnosticus is dat aanleiding om Marcuse’s stelregel in praktijk te brengen, wat zoveel betekent dat men ter verklaring van persoonlijke pathologieën verwijst naar bovenpersoonlijke pathologieën, zoals daar zijn: het meritocratische maakbaarheidsideaal, de doorgeslagen individualisering, de tirannie van het altijd-gelukkig-moeten-zijn of de hyperactiverende logica van het online leven." (ibidem)


Wat bij dergelijke verklaringen meestal onderbelicht blijft, is het gegeven dat de mens een verhalen vertellend dier is. Hoe wezenlijk dit aspect voor ons mens-zijn is, is door de filosoof Hannah Arendt kernachtig onder woorden gebracht. Op de vraag ‘wie ben je?’ achtte zij maar één antwoord mogelijk: ‘Sta mij toe een verhaal te vertellen.’ (uit: De Groene A’dammer ‘Melancholische wezens’)

Hans C. Schnitzler (Den Haag, 2 juli 1968) is een Nederlandse filosoof, schrijver en columnist. In zijn werk staat de invloed van de digitalisering op de alledaagse leefwereld centraal. Andere thema’s waarmee hij zich bezighoudt zijn ethiek, onderwijs en burgerschap. (2024: De mens, de machine & de therapeut (essay voor De maand van de geschiedenis), Bot Uitgevers, ISBN 9789083384849)
British Troops ( England, September 20, 1939) klik op foto om te vergroten Colorized by: BenAfleckIsAnOkActor
A Boy with stuffed toy | London 1945 klik op beeld om te vergroten Colorized by: HansLucifer

Bezoek:

Neem ik je mee naar Berlijn, twintiger jaren, 1927. Kleurfilm 4K, 60 beelden per seconde. Dankjewel AI. Aangepaste klankband. Drie minuten lang terug in de tijd.

Nog een beetje verder terug. Zes minuten Parijs late 1890’s.


⚠ Please, be aware that colorization colors are not real and fake, colorization was made only for the ambiance and do not represent real historical data.

Arbeiders, soms van erg jonge leeftijd, in het Victoriaans Engeland 1901. Neen, het is geen fragment uit een ‘spektakelmusical’. Een fantastisch document. Mis het niet. En laat het aan je kinderen zien.

Upscaled with neural networks footage from the dawn of film taken by Mitchell and Kenyon in North England, 1901. In the video various films have taken in 1900-1901 displaying some of the grittier nature of work in those days. As you can see, source quality is really important to make a decent upscale video.

Enkele reacties op de laatste video:

-I can’t help but wonder how many of the boys in the video perished in the trenches of France and Belgium.

-Imagine for a moment that someone in these videos could have an email address. My great grandfather was born in 1901 and when he passed in 2002 he was on the internet.

-Just realise the fact that all young people in this footage with a curious look looks exactly like we all watching this video.

-The profundity of this footage, for me at least, is how recognisable all the faces are – the reactions, the expressions, the stares. “Victorian England” feels so alien as a concept, like a different world. But no, it’s the same world, with the same people feeling the same things as I do. People are the same as ever.

-Something stuck out to me. The children don’t carry the aura of children. They all look like smaller adults. You can imagine the crushing challenges of life at that time rested on children as much as adults, where as today, for the most part, kids are safeguarded (child protection services, the state, foster system). Like looking into the actual face of history itself, I feel out of place, as if I wasn’t supposed to see this. These are so fascinating.

-My brain is having a genuinely hard time convincing itself that these aren’t just actors in costumes on a movie set.


The Parkgate Ironworks was founded in 1823, and renamed Parkgate Iron and Steel Co. in 1888. By 1901 it employed over 6,000 people, making it one of the largest employers in the Rotherham area. Its workforce included many children as half-time workers, which accounts for their numbers here. The works closed in 1982 and the site is now occupied by Parkgate Shopping centre. This film is thought to have been shown at the annual Rotherham Statis, the local Wakes fair, where the Parkgate workers would have had the opportunity of seeing themselves on screen.


Kleur overbodig (eindigt vrij abrupt)

Ik denk dat ik mijn verhaal verteld heb. Met en zonder beelden. Zwart-wit en in kleur. Het verleden mag ons niet vreemd zijn, net zo min als de hoop op het mooie, ‘het ons toekomende’. Dat zullen we ook van elkaar mogen krijgen. Geven en nemen, maar laten we het dan als begrip over wederzijdsheid hebben. Er is in hoge mate immers ook ver-geven mogelijk, een mooie vorm van schenken. (en van ontvangen). De dagen vol vlammetjes kunnen ons ook in bange tijden intens verwarmen, ons de moed schenken met elkaar de geschiedenis van het volgende jaar te schrijven. En van het voorbije het mooie te koesteren.

Albert Einstein, zomer 1939. Nassau Point. Long Island NY Klik op onderschrift om te vergroten.

Het ’toekomende’ kun je dubbelzinnig opvatten: hetgeen ieder mens toekomt, een waardig leven, beschikking over jezelf maar ook het onbekende ‘wat op ons toe komt’, dat wat ons te wachten zou staan.





Het lijkt een beetje op het voortdurend moeten corrigeren van wat nog niet eens helemaal verzonnen is. Dat is historisch een vreemd standpunt. We hebben geprobeerd met alle mogelijke technische middelen het beschadigde verleden weer kleur te geven die het verdient, waardoor wij het beter begrijpen en leren hanteren, maar wat met het toekomstplan?


"Zodra we de kindertijd achter ons laten, een tijd waarin we nog op onmiddellijke wijze konden samensmelten met de wereld en nog geen weet hadden van onze sterfelijkheid, worden we melancholische wezens. Het verlies van deze oorspronkelijke eenheid is, tezamen met het besef van vergankelijkheid, een traumatische gebeurtenis. Oftewel: de mens hoeft geen persoonlijk verlies te ervaren of oorlog te ondergaan om pijn te lijden. We zijn van huis uit getraumatiseerde dieren; verhalen verzachten onze existentiële pijn.

Het is aan de kunst om ons hieraan blijvend te herinneren en ons thuis te laten komen in het trauma dat leven heet." (ibidem). Maar...
Lucas Crnach De Melancholie

Leerden we de kleuren van het verleden te restaureren, hun ware betekenis dichterbij te brengen dan zou het mooi zijn met deze werkwijze stappen naar het dragelijk maken van het toekomstige waar te maken. Onze verhalen van vroeger nu met later te laten doorstromen, om nieuwe beddingen uit te graven, kortom het voorbije nauwer met morgen te verbinden, al zal de melancholie wellicht daarmee niet opdrogen. Ik citeer Arja Van Den Bergh in ‘Een radicaal argument voor de hoop.’ (VPRO Tegenlicht)

Geheugenverlies leidt tot wanhoop, kort gezegd. Als je vergeet hoe een eerste aanzet tot verandering ooit begon, met wie, en hoe, en hoe dat uitgroeide en extrapoleerde tot iets dat ons leven ten goede heeft veranderd – dan is wanhopig raken niet moeilijk. 

Er zijn tijden dat het lijkt alsof niet alleen de toekomst, maar het heden donker is, schrijft historica Rebecca Solnit in haar boek ‘Hope in the Dark’. Weinig mensen herkennen de radicaal getransformeerde wereld waarin we leven, één die niet alleen is getransformeerd door nachtmerries als de opwarming van de aarde en mondiaal kapitaal, maar evengoed door onze dromen over vrijheid en rechtvaardigheid, en andere transformaties waar we niet eens van hadden kunnen dromen.

Kritisch of cynisch zijn: het mag. Angstig zijn ook, zegt psychiater Damiaan Denys. Wie kritisch of cynisch is, heeft het begrepen. Wie droomt en hoop houdt, is naïef. Maar: om te overleven in donkere tijden, moet dat wijdverspreide idee radicaal op de schop, betoogt historica Rebecca Solnit.

Het is, benadrukt de historica in het in 2016 toegevoegde voorwoord, wel belangrijk om te zeggen wat hoop níet is. Hoop, schrijft ze, is niet de overtuiging dat alles goed was, of goed zal zijn. We zien immers genoeg bewijs om ons heen van verwoesting, lijden en afbreuk. Hoop is interessant, zegt ze, als het eist dat we handelen. 
Wie de wereld omschrijft als ‘turbulent’ of ‘gedoemd’, weet uiteraard dat er genoeg is dat handeling vereist: de toename van economische ongelijkheid, aanval op burgelijke vrijheden – inclusief het recht op privacy – en komst van klimaatverandering, sneller, harder en verwoestender dan wetenschappers hadden verwacht.
Hoop is de omarming van het onbekende en ondenkbare, niet het negeren van al deze realiteiten, schrijft Solnit. ‘It means facing them and addressing them by remembering what else the 21st century has brought, including the movements, heroes and shifts in consciousness that address these things now.’


Geheugenverlies leidt tot wanhoop, kort gezegd. Als je vergeet hoe een eerste aanzet tot verandering ooit begon, met wie, en hoe, en hoe dat uitgroeide en extrapoleerde tot iets dat ons leven ten goede heeft veranderd – dan is wanhopig raken niet moeilijk. 
Wat als we geloven in Solnits 'definitie' van hoop: dat het gewoon een ander woord is voor mogelijkheid – niet beloofd of gegarandeerd. Hoop roept op tot actie, schrijft ze. En actie is onmogelijk zonder hoop. 
Actie kan voortkomen uit één persoon die een beweging start, wiens woorden pas jaren later navolging krijgen. Soms veranderen enkele gepassioneerde mensen de wereld, beginnen ze een massabeweging die miljoenen anderen aanspreekt op hetzelfde ideaal en dezelfde overtuiging.
Het enige dat deze transformaties gemeen hebben, zegt Solnit trefzeker, is dat ze beginnen in de verbeelding. Juist: in hoop. 

Wie kritisch of cynisch is, heeft het begrepen. Wie droomt en hoop houdt, is naïef. Maar: om te overleven in donkere tijden, moet dat wijdverspreide idee radicaal op de schop, betoogt historica Rebecca Solnit.

(Een radicaal argument voor de hoop VPRO. Arja Van Den Bergh)

Op zoek naar onze plaats in de wereld: Tinneke Beeckman “Ken jezelf’

Kuo Jean Tzeng

‘Er is nogal wat om verontwaardigd over te zijn. Ervaren we.’ Tinneke Beeckman (Antwerpen 1976), filosofe, docente en columniste studeerde moraalwetenschappen en filosofie aan de VUB en de ULB. In een gesprek over haar laatste boek ‘Ken jezelf’ in een voorpublicatie sprak ze in Knack met Jeroen De Preter. Hij vroeg haar of we onszelf toch liever niet kennen gezien we er alles aan doen de stem in ons hoofd niet te horen.

‘Ja, we zijn erg op onszelf gericht, en op de vraag of we ons wel goed voelen. Moeilijke momenten proberen we te bannen, terwijl die niet altijd een last of nederlaag hoeven te zijn. Ze kunnen ook een gelegenheid zijn, een signaal dat je stil moet staan. Verder zijn we ook erg gericht op hoe anderen ons zien. Of ze wel zien wie wij willen dat ze zien. Daar kruipt veel energie in, die niets met zelfkennis te maken heeft.

Neen, ‘Ken Jezelf’ is geen zelfhulpboek. Voor mij is het een reflectie op jezelf, op hoe je denkt en voelt, op je blinde vlekken, maar ook op je plaats in de wereld. En of je wel voldoende je verantwoordelijkheid neemt. Dat betekent ook dat je plaats maakt voor het minder fraaie in jezelf – snobisme, luiheid, ijdelheid, kwetsbaarheid. En dat je dat mindere niet alleen bij de ander waarneemt, als iets dat je kan afwijzen. Alsof jij er niets mee te maken hebt.’

Patricia Broothaers

"Door te handelen ontdek je wie je bent. Laat dus die obsessie met je beeld los, met wat anderen van je denken of wat je wilt dat ze denken, en richt je op het handelen en waarachtig zijn. Iets doen waarin je gelooft, ondanks mogelijke kritiek, is een manier om zelfrespect te krijgen. Dat je soms alleen staat als je je niet wilt conformeren, moet je er maar bij nemen. In zekere zin is dat een teken van vrijheid. In je innerlijke gesprek met jezelf heb je immers je eigen ijkpunten vastgelegd."

Waarom klinken de kreten van verontwaardiging vandaag zo oorverdovend luid? Ongetwijfeld zitten de sociale media en hun op grote emoties afgestemde ­algoritmes daar voor iets tussen. ‘Sociale media zorgen ervoor dat het lijkt alsof er een soort epidemie van ­verontwaardiging woedt’, stelt sociaal psycholoog Alain Van Hiel (Universiteit Gent). Of die ‘epidemie’ ook wijst op een toegenomen rechtvaardigheidsgevoel of empathie, dat is weer een andere vraag.

Van Hiel ziet eerder de tegenovergestelde tendens. ‘Er is ook sprake van een algemene onverschilligheid en gevoelsmatige afstomping. In kranten lees je geregeld over mensen die op straat sterven zonder dat iemand zich om hen bekommert. Een dakloze die ons aanspreekt, bezorgt ons in de eerste plaats een ­gevoel van paniek. Met wat geluk wijzen we hem nog net de weg naar de avondopvang. Verder reikt onze hulpvaardigheid niet. De dapperen die zelf een vluchteling opvangen zijn relatief zeldzaam, of toch minder talrijk dan degenen die vurig vinden dat de maatschappij het maar moet oplossen.’

‘Mensen dragen steeds minder het leed van de wereld op hun schouders’, stelt Van Hiel. ‘De ellende wordt dagelijks met emmers ­tegelijk via televisie- en computerschermen over ons heen gekapt maar doet ons nauwelijks nog iets. Ellende heeft een impact als we er een eerste keer getuige van zijn, niet als er elke dag opnieuw een lading over ons heen wordt gekieperd. We zijn emotioneel te uitgeput en niet meer in staat tot medeleven. In plaats daarvan maakt een mengeling van verveling en ­negatieve emoties zich van ons meester. Die spijtige evolutie heeft auteurs ertoe verleid om te schrijven dat ons collectieve gebrek aan medeleven het belangrijkste probleem van onze tijd vormt.’ 

Kort samengevat: de golven van verontwaardiging die ons via sociale media overspoelen, lijken niet te ontstaan uit een toegenomen rechtvaardigheidsgevoel. Enige scepsis is dus wel gepast.'

(Focus weekend Knack)

kunstwerk van Sophie Favre

Voor een goed begrip: Beeckman houdt geen ­pleidooi tégen verontwaardiging, integendeel. In haar boek beschrijft ze hoe Plato zich tot de filosofie wendde uit verontwaardiging over de terdoodveroordeling van Socrates, ‘de rechtvaardigste onder zijn tijdgenoten’. Die ‘oprechte, verbindende, menselijke verontwaardiging’ is nog altijd fundamenteel, stelt Beeckman.

‘Als je dat verliest, ben je ook een deel van je ­menselijkheid kwijt’, zegt Beeckman. ‘Dan word je een cynicus. Dan kijk je nergens meer van op. Niets verrast, niets is nog nieuw of anders. Terwijl verontwaardiging een soort verwondering is. Je zegt: “Dit hoort niet.” Je ervaart een breuk met de wereld zoals jij vindt dat die moet zijn. Je ziet een mateloosheid die je wilt herstellen. “Ken jezelf” bij de Grieken betekende trouwens: ken je beperkingen, je plaats in de wereld, respecteer de maat der dingen. Daarbij hoort een intuïtieve reactie op mateloosheid, op onrecht, geweld of haat. Voor mij verliest die reactie nooit haar kracht.’

(ibidem Knack-Focus)

Droeve passie

Beeckman laat in Ken jezelf zien hoe de grote filosofen, al lang voor er sprake was van sociale media, de verontwaardiging met enige scepsis tegemoet traden. Ze verwijst onder meer naar Baruch Spinoza (1632-1677), een van haar favoriete denkers, die verontwaardiging ‘een droeve passie’ noemde. Verontwaardiging kan volgens Spinoza zelfs een vorm van haat zijn. ‘De ­context waarin hij dat schrijft, verduidelijkt veel’, vertelt Beeckman.

‘Strenge calvinisten proberen in het Amsterdam van de 17e eeuw hun geloof tot staatsgeloof te maken. Ze willen de vrijheid van denken afschaffen. Ze gaan verontwaardigd tekeer tegen de goddeloosheid van vrijdenkers of wetenschappers, ze bestrijden ­zogezegd de duivel. Daarmee legitimeren ze hun aanspraak op macht: ze doen alsof zijzelf zuiver zijn en zij ieders zuiverheid beschermen. Onder hun vermeende morele superioriteit gaan dus haat en een verlangen naar macht schuil, en geen verlangen naar maat en menselijkheid. In zulke gevallen wordt verontwaardiging het omgekeerde van wat het pretendeert te zijn. Als verontwaardiging een politiek instrument wordt tégen bepaalde mensen, dan maakt ze nieuwe ­slachtoffers. Verontwaardiging werkt ook aanstekelijk: iemand is het, en je vraagt je meteen af of jij het ook niet moet zijn. In die zin kan verontwaardiging ook ophitsend en gevaarlijk zijn.’

Beeckman: Vernedering is een vaak over het hoofd gezien gevoel. Ik heb aan collega’s gevraagd welke filosoof iets zegt over vernedering, en niemand had een naam klaar. Dat siert dan weer de literatuur: een schrijver als Tom Wolfe is fantastisch in het beschrijven van sociale situaties waarin mensen zich vernederd of gekrenkt voelen. Kleine dingen, zoals iemand die je zonder te groeten voorbijloopt, waarbij je vanbinnen even zo’n piek van vernedering voelt. In de politiek staat dat gevoel centraal, ook in de politieke retoriek. Denk aan Donald Trump en hoe die inspeelt op het gevoel van vernedering bij mensen. Vernedering is een enorm onderschatte emotie, die heel veel woede kan opwekken. (ibidem)

Glenys Barton, Felix IV, 2000. Artist’s website.

Beeckman: Ik vind schroom een vergeten deugd. Sociale media zijn ofwel een arena van schaamteloosheid, van het niet erkennen van grenzen, ofwel van schaamte, doordat je het doelwit van aanvallen en beledigingen wordt. Schroom is iets willen doen – soms wil ik ook een leuke foto posten van mijn dochter – maar toch terughoudend zijn, in mijn geval omdat ik vind dat zij daar zelf over moet beslissen. In die terughoudendheid zit een poging tot generositeit. Schroom kan ook betekenen dat je geen schaamte wilt veroorzaken bij de ander. Dat vind ik mooi. Dat je dus níét een impertinente vraag stelt of een botte opmerking maakt, omdat je de ander niet in verlegenheid wilt brengen. Maar dat zijn natuurlijk persoonlijke beslissingen. Als mensen dat zelf niet zo aanvoelen, kun je dat heel moeilijk afdwingen. (ibidem)

Karin Anette Meincke-Nagy. Sculptor.

In ‘de Standaard’ vroeg Lieve Sioen aan Tinneke Beeckman waarom de zoektocht van Socrates naar tevredenheid vandaag zo moeilijk was.

‘Omdat Socrates een ander idee van “ken jezelf” in gedachten had dan vandaag vaak gangbaar is. Hij had het niet over de romantische gedachte van een soort zuivere, unieke ik die je kan vinden als je alle kwalijke invloeden van buitenaf uitschakelt. Die illusie had ook Rousseau, in zijn beeld van Le mythe du bon sauvage; dat er een puur en oorspronkelijk zelf terug te vinden valt. Volgens Socrates daarentegen leer je jezelf pas kennen in verbondenheid met de wereld en de anderen. Het gaat goed met jou als het goed gaat met de mensen rondom jou. Dat zegt ook Spinoza: inzicht krijg je pas als je het ik-gerichte perspectief loslaat.’

‘Maar ook die verbondenheid wordt vandaag verkeerd begrepen, omdat we ons zelfbeeld nu wel heel erg door het oordeel van anderen laten bepalen. Het antwoord op de vraag “wie ben ik?” vind je niet in een selfie. Of in vind-ik-leuks op Instagram. Je ontdekt jezelf niet door een identiteit te creëren op sociale media, of door de manier waarop anderen daar al dan niet op reageren.’

De selfiewereld is niet die van Socrates?

‘Een selfie is volledig gericht op de reactie van de ander, waarbij het aantal likes bepaalt hoe positief of negatief je jouw zelfbeeld ervaart. Socrates zegt nochtans dat het belangrijker is dat je in harmonie bent met jezelf dan dat je met anderen overeenkomt. Waar voel ik me goed bij? Wat zijn mijn waarden in verhouding tot de wereld? Dat is veel belangrijker dan je zelfbeeld te laten afhangen van beelden van buitenaf.’

Hoe kan je jezelf dan wel vinden?

‘Door een innerlijk gesprek te voeren met jezelf, los van de publieke opinie. Mijn boek is een persoonlijke poging om dat te voeren. Toen ik jonger was, had ik last van een permanent schaamtegevoel. Dat had niet zozeer te maken met iets wat ik had gedaan, maar met een existentiële vraag: heb ik wel het recht om hier te zijn? Ik heb het geluk dat ik dankzij mijn moeder al heel jong de weg naar de literatuur heb gevonden, en de filosofie. Zo heb ik bij Spinoza de idee van “conatus” ontdekt, het fundamentele recht om te zijn. Dat was zo bevrijdend, het verloste me van mijn schaamte.’

De fundamentele vraag van de filosofie blijft wel: lukt harmonie met jezelf als er zoveel leed is in de wereld?

‘Ik denk het wel, omdat dat deel uitmaakt van jouw beperking. Je bent God niet. Het ligt niet in jouw macht om het leed van de wereld te herstellen. In het boek stel ik de vraag of je moreel bent als je verontwaardigd bent. We worden voortdurend aan de mouw getrokken om ons boos te maken. Neem het drama in Israël en Gaza. Het zou erg zijn om daar niet verontwaardigd over te zijn, maar tegelijk word je meegezogen in een opbod dat polariseert: je wordt gedwongen om kamp te kiezen. Elke partij roept: de ander is slecht, dus ik ben goed. Maar daarmee is de weg naar zelfreflectie en zelfkennis meteen afgesloten. Want misschien moet ik ook wel kijken naar wat ik zelf fout doe. Ik vind die dynamiek van verontwaardiging enorm uitputtend en deprimerend, ze brengt ons geen stap verder.’

(Fragment uit: De Standaard, Lieven Sioen. zaterdag 28 oktober 2023)

Het boek:

Tekst achterflap

‘Tinneke Beeckman is niet alleen erudiet en intelligent – dat wisten we al – maar met deze fijnzinnige essays getuigt ze ook van wijsheid en kwetsbaarheid. Grote klasse.’

– David Van Reybrouck

Wat kan je troosten? Is je verlangen gevaarlijk? Waarvoor kun je dankbaar zijn?

In een moedige zoektocht naar zelfkennis leidt Tinneke Beeckman de lezer langs de grootste geesten uit de filosofie en wereldliteratuur: van Socrates, Hannah Arendt en Albert Camus tot Marcel Proust en Virginia Woolf. Vertrekkend vanuit persoonlijke vragen ontdekt ze hoe hun ideeën je blik op jezelf en het leven kunnen verrijken. Beeckman wekt klassieke denkers tot leven en laat overtuigend zien hoe de filosofie juist vandaag de dag van grote waarde kan zijn.

Tinneke Beeckman (1976) is een van de meest vooraanstaande filosofen in het Nederlandse taalgebied. Ze schreef onder andere het bekroonde Door Spinoza’s lens (2012) en Macht en onmacht (2015). In 2020 verscheen haar bestseller Machiavelli’s lef, waarmee ze de Hypatia-prijs won. Naast haar boeken schrijft Beeckman columns voor De Standaard.

werk van Sophie Favre

Inhoud

  • Wie ben je
  • Wat voel je?
  • Wie wil je zijn?
  • Hoe leef je en hoe sterf je

“U ben zo jong in het leven nog en onervaren, dat ik u, mijn beste, zo goed ik kan, zou willen vragen geduld te hebben met alles wat in uw hart nog niet tot een oplossing is gekomen en te proberen de vragen zelf lief te hebben als voor u niet toegankelijke kamers en als boeken die in een volkomen onbekende taal zijn geschreven. Zoek nu niet naar de antwoorden die u niet gegeven kunnen worden, omdat u niet in staat zou zijn te leven. En het gaat erom alles te leven. Leef uw vragen. Misschien leeft u dan gaandeweg, ongemerkt, op een dag in een ver verschiet het antwoord binnen.

Rainer Marie Rilke, Brieven aan een jonge dichter, 16 juli 1903

Untitled
Patricia Broothaers

Kleine en grote bezieling voor donkere dagen (2)

Two Moons, 2023
Gouache on panel
121.9 x 121.9 cm (48 x 48 inches)

© Anne Buckwalter – Photo: Thomas Lannes
Courtesy MASSIMODECARLO

Nog even te zien in New York ‘Reins on a rocking horse‘ van Anne Buckwalter (°1987) in de Rachel Uffner Gallery. Bezoek:

https://racheluffnergallery.com/artists/37-anne-buckwalter/

Anne Buckwalter’s creative practice explores female identity and the coexistence of contradictory elements. Inspired by the folk art traditions of her Pennsylvania Dutch heritage, her work arranges disparate objects in mysterious domestic interiors and ambiguous spaces. By imagining obscure narratives that embrace paradoxes, her paintings delve into questions about the body, femininity, sexuality, and desire. 

Anne Buckwalter
Empty Bathroom, 2023
gouache on panel
18 x 14 in
(45.7 x 35.6 cm)

Buckwalter utilizes a perspective that blends miniature painting with a commercial fisheye lens. All-encompassing frames generously span large kitchens with outside vistas, staircases reach to upstairs floors, and living rooms connect to dining nooks. Secrets, fantasies, and gossips, however, linger into the domestic sterility. The viewer’s omnipresent outlook is challenged by the hints the artist seeds about the unseen; settings reserved for domestic labor host carnal rituals, mostly captured in their aftermaths.

Anne Buckwalter
The Moon’s Too Bright/The Chain’s Too Tight, 2023
gouache on panel
36 x 48 in
(91.4 x 121.9 cm)


Buckwalter gebruikt een perspectief dat miniatuurschilderijen combineert met een commerciële fisheye lens. Allesomvattende kaders overspannen royaal grote keukens met uitzicht naar buiten, trappen reiken naar boven en woonkamers sluiten aan op eethoeken. Geheimen, fantasieën en roddels blijven echter hangen in de huiselijke steriliteit. De alomtegenwoordige blik van de kijker wordt uitgedaagd door de hints die de kunstenaar geeft over het ongeziene; instellingen die gereserveerd zijn voor huishoudelijke arbeid herbergen vleselijke rituelen, meestal vastgelegd in hun nasleep.

bezoek:

https://www.annebuckwalter.com/

Anne Buckwalter
Horse Girl, 2022
gouache on panel
24 x 36 in
61 x 91.4 cm

Ook de (pogingen tot) alledaagse bezieling, speels verbeeld door Anne Buckwalter horen bij ons perspectief. ‘De veelkantige werkelijkheid’.

Photo by Lyla Duey

Zal ik er eens even Sint Augustinus bijhalen? Uit zijn De Magistro (over de Meester) heb ik een mooie uitspraak genoteerd:

"Gij zult het mij dus niet kwalijk nemen, wanneer ik met u een inleidend spel speel, niet omwille van het spel, doch om onze krachten en de blik van onze geest te oefenen, opdat wij daardoor in staat gesteld worden, de gloed en het licht van dat land, waar het gelukzalige leven is, niet alleen te kunnen verdragen, doch zelfs te kunnen beminnen. "  (Augustinus De Magistro)

De schilder Benozzo Gozzoli (1420-1497). maakte een reeks van zeventien fresco’s met het levensverhaal van de kerkvader, naamgever van de orde van de Augustijnen en patroonheilige van hun kerk in San Gimignano. Hier een mooi voorbeeld:

Benozzo Gozzoli, Monica (links in witte kleding) brengt Augustinus naar de school van Thagaste

Links op het fresco brengt de moeder van Augustinus haar zoon(tje) naar school. De leraar ontvangt zijn nieuwe leerling allervriendelijkst door hem onder de kin te strelen. Rechts daarvan zien we een leerling met een boek. Rechts achter hem hebben we een kijkje in een klaslokaal. Daar is een aantal leerlingen bezig met een schrijfplankje en een schrijfstift. Er heerst blijkbaar orde en tucht op de school. De leraar die Augustinus nog zo vriendelijk ontving slaat rechts een jongetje, dat blijkbaar niet goed zijn best gedaan, met een soort roede op zijn blote billen. Het jongetje wordt door een andere jongen op zijn rug vast gehouden en kijkt angstig achterom.

(Kunstblikken Paul Bröker. 2023).

In detail:

Detail: Benozzo Gozzoli, Monica brengt Augustinus naar de school in Thagaste

bezoek: (een mooie bijdrage)

https://www.kunstblikken.com/post/augustinus-loopt-wat-over-het-strand-te-mijmeren-en-dan-komt-hij-plotseling-tot-inzicht

oegeschreven aan Gerard Seghers, Augustinus van Hippo, olieverf op doek: 114,5 x 142, ca. 1620-1651, Kingston Lacy, Dorset, Engeland

Iemand die het wereldse gebeuren vaak zelf met eigen ogen heeft gezien is de nu onbekende maar ooit zeer gelezen Duitse auteur Hans Wachenhusen (1823-1898). Eerst reisde hij naar Scandinavië, Noorwegen, Lapland en IJsland en maakte hij ‘literaire aantekeningen’ bij deze reizen. (met vertalingen uit het Deens, zelfs een bundel sprookjes publiceerde hij in 1854)

Zijn belangrijkste activiteit viel echter samen met de avonturen, gevaren en indrukken die hij beleefde en documenteerde als oorlogscorrespondent voor grote kranten sinds de Krimoorlog (1853-1856) en in latere conflicten. En vandaar reisde hij naar Rome, later met Garibaldi naar Napels om dan weer te verhuizen naar de Pruisische oorlogen. (1866)

Na 1866 woonde hij weer in Parijs, schreef een verslag tijdens de Wereldtentoonstelling in 1867 en was aanwezig bij de openingsceremonie van het Suezkanaal in Egypte in 1869. Tijdens de Frans-Pruisische oorlog van 1870 was hij weer actief als correspondent voor de Kölnische Zeitung. Zijn verslagen – gepubliceerd in twee delen onder de titel Tagebuch vom französischen Kriegsschauplatz 1870-71 – trokken de aandacht in vele kringen.

Na nog een verblijf in Parijs woonde hij in Wiesbaden, waar hij van 1857 tot 1865 het tijdschrift Der Hausfreund publiceerde. Naast zijn talrijke oorlogs- en reisbeschrijvingen schreef hij ook verschillende romans en korte verhalen. Veel van zijn werken verschenen als zogenaamde spoorwegliteratuur bij uitgeverijen die gespecialiseerd waren in conversatie- en reisliteratuur en werden in kleine formaten van 50 tot 100 pagina’s, die ook rijk geïllustreerd waren, voor weinig geld (een stuiver, ein Groschen) aan reizigers verkocht. (vandaar de naam: Groschenroman, bij ons: Stationsroman)

Tot mijn verbazing vond ik zelfs talrijke reprints van zijn boek ‘Eva in Paris’ dat na verschijnen in 1869 hier ten lande kritisch werd onthaald en in ‘Vaderlandsche Letteroefeningen. 1870’ door Johannes van Gogh werd besproken:

"Als moeder ‘Eva’ in het tegenwoordige ‘Parijs’ hare oogen opsloeg, zou zij ze met nog dieper schaamte nederslaan over de ongeloofelijke lichtzinnigheid en diepgezonken zedeloosheid harer dochteren, dan zij gevoelde toen ‘hare oogen geopend werden’ na den noodlottigen appelbeet. 't Is eene chronique scandaleuse, die hier wordt opgelezen! De voorstelling is vrij realistisch; wel niet zoo, dat de welvoegelijkheid aan de waarheid wordt opgeofferd, maar toch....wel een weinigje los, vooral omdat de schrijver ons wat veel badineert. Zoo kwam het ons reeds voor, toen wij fragmenten uit het boekje in het tijdschrift Europa aantroffen. Het wordt aldus verontschuldigd: ‘Wanneer een onzer moderne Raphaëls de schoonste vrouwen der aarde naar de natuur schildert, dan staat de gansche wereld van bewondering opgetogen en allen noemen hem een groot kunstenaar. Maar kom ik op mijne beurt en verhaal ik de wereld, volgens de meest evidente bewijzen en met de innigste oprechtheid, de levensgeschiedenis dier schoone vrouw, dan zeggen zij: dat is realistisch! foei! dat is...onzedelijk.’ Het eene staat met het andere niet gelijk. Doch daarover willen we nu niet twisten. ‘Onzedelijk’ is wel het meeste, dat in dit boekje verhaald wordt, maar de wijze waarop dit geschiedt, noemen we meer loszinnig dan onzedelijk. "

(Digitale bibliotheek voor de Nederlandse Letteren: Binnenlandse letterkunde en Bibliographie p. 236)
Eerste oorlogsfotograaf van de Londense krant the Times in de Krimoorlog

We namen je mee op een drievoudige reis waarin het bezielen telkens weer een andere invalshoek kreeg. Anne Buckwalter’s plezierige kijk op het alledaagse en de sporen van ontsnappingspogingen daaruit , het inleidende spel niet voor het spel maar om krachten en de blik van onze geest te oefenen volgens Augustinus, en leven en geschriften van Hans Wachenhusen waarin de harde werkelijkheid en het dagelijks dromen in geschriften ‘loszinnige’ bedenkingen teweeg brachten bij de toenmalige literatuur-besprekers. De donkere dagen zijn inderdaad uitstekende uitdagingen om oplichtende geesten te bezoeken.

Werk van Anne Buckwalter

Oliver Sacks: ‘Wij zijn niet elegant ontworpen…’

‘Mag ik iets over de dood zeggen? (Wacht, stem van interviewer zegt na enige stilte: ) ‘Ja..’ (wacht glimlachend) ‘Ik wil zeggen dat de keerzijde en de tragiek van het prachtige uniek-zijn van ieder mens, de andere kant dus..is…dat wij allen sterfelijk zijn. Ik ga morgen naar de begrafenis van een oude vriend. Nu hij dood is, zal zijn plaats in ’t heelal nooit meer gevuld worden…Er was nooit een schepsel zoals hij, en dat zal er ook nooit meer zijn. Soms gaat m’n horloge kapot of houdt de computer er mee op…maar dat raakt mij natuurlijk veel minder. Ik wil zeggen dat de keerzijde van ’t uniek-zijn van ’t leven de onopvulbare leegte is die iemands dood achterlaat. Kierkegaards laatste woorden waren: veeg me op. Maar wat de biologische dood ook mag inhouden, we hebben allen een zekere betekenis in ons leven gevonden. En dat geven we door. Zelfs in biologisch opzicht. Dieren worden leem, ze verrijken de aarde, en dat doen mensen ook. Misschien is dat de enige vorm van onsterfelijkheid.’

Aan het woord was Oliver Sacks (1933-2015), eminent neuroloog en publicist in de al even eminente serie van Nederlander Wim Kayzer met als titel: 'Een schitterend ongeluk'. Het jaartal 1993. Beide heren zijn intussen overleden. Wil je het hele gesprek volgen, dan hebben wij dat hier al netjes voor je klaargezet. (1:44:27). Onvergetelijk. Neem je tijd. Ook beetje bij beetje te bekijken en te beluisteren. De eerste minuut worden de overige deelnemers voorgesteld.  Maar daarna alle ruimte voor Oliver Sachs in New York. Lange winteravonden, zei u?

Voor zijn 75e verjaardag gaven vrienden van de schrijver en neuroloog Oliver Sacks hem een afdruk van zijn hersenscan met daarop gelukswensen. Ernaast stond een schijnwetenschappelijke tekst die een nieuw geïdentificeerde aandoening beschreef: “Brilliant Bi-Hemispheric Cortical Balance syndrome.”

Deze “chronische aandoening” maakte niet alleen buitengewone intellectuele bijdragen tussen wetenschap en kunst mogelijk. “Verdere longitudinale observaties,” zei de tekst, ”suggereren dat zijn ongewone neurale activering verantwoordelijk is geweest voor een supra-persoonlijke verheffing van miljoenen andere mensen die geboeid, geïnformeerd en verrijkt zijn door zijn verhalen over het menselijk brein en de menselijke geest.”

(NY Times Jennifer Schuessler 0ct 4. 2024. Olive Sacks Archive Heads to the New York Public Library)

Muziek betekende veel voor Oliver Sacks. Ik verwijs naar zijn boek: Musicophilia: Tales of Music and the Brain. Een mooie associatie met het werk van een schilder uit eigen land:

Edouard Jean Conrad Hamman was een Belgische schilder en graveur die gespecialiseerd was in het uitbeelden van scènes uit het leven van beroemde kunstenaars, geleerden en lieden van adel.

Hij groeide op in een welgestelde familie. Zijn vader was stadsontvanger en secretaris van de Kamer van Koophandel in Oostende en richtte een fonds op ten voordele van behoeftige vissers en hun gezinnen. Er is weinig bekend over deze periode in zijn leven, maar hij werd blijkbaar al op jonge leeftijd een leerling van François-Antoine Bossuet. In het schooljaar 1837/38 werd hij ingeschreven aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten (Antwerpen). Een van zijn nu nog bekende doeken vind je hieronder . De kleine ‘Michel de Montaigne’ ontwaakt. En hoe!

Het ontwaken van Michel de Montaigne. Eduard Hamman. 1819-1888. 1847

In zijn essays schrijft Michel de Montaigne (1533-1592) :

“Omdat het volgens sommigen schadelijk is voor de tere kinderziel om ’s ochtends vroeg en met geweld ontrukt te worden aan de slaap (waarin kinderen veel dieper zijn verzonken dan wij) liet hij mij ’s ochtends wekken met de klanken van een muziekinstrument en er was altijd wel iemand die voor mij speelde.”  (bron: Kunstdwalingen). 

Wel? Ja, ik weet het, er is Radio Klara, maar een mooi ouderlijk duo om de dag te beginnen? Of met vrienden en vriendinnen? Voces8. Shall we gather at the River?


Shall we gather at the river,
Where bright angel feet have trod;
With its crystal tide forever
Flowing by the throne of God?

Ere we reach the shining river,
Lay we ev'ry burden down;
Grace our spirits will deliver,
And provide a robe and crown.

Yes, we will gather at the river,
The beautiful, the beautiful river;
Gather with the saints at the river
That flows by the throne of God.

Landscape with Charon Crossing the Styx was painted by Joachim Patinir in 1520 Prado museum


“Anatomists today would be hard put to identify the brain of a visual artist, a writer or a mathematician – but they would recognize the brain of a professional musician without moment’s hesitation.” — Oliver Sacks
Vasily Kandinsky Composition 8
Ook de Kunst heeft mensen uit verschillende disciplines samengebracht.

In 1922 Kandinsky joined the faculty of the Weimar Bauhaus, where he discovered a more sympathetic environment in which to pursue his art. Originally premised on a Germanic, expressionistic approach to artmaking, the Bauhaus aesthetic came to reflect Constructivist concerns and styles, which by the mid-1920s had become international in scope. While there, Kandinsky furthered his investigations into the correspondence between colors and forms and their psychological and spiritual effects

In Compositie 8 creëren de kleurrijke, interactieve geometrische vormen een pulserend oppervlak dat afwisselend dynamisch en rustig, agressief en stil is. Het belang van cirkels in dit schilderij is een voorbode van de dominante rol die ze zouden spelen in veel volgende werken, met als hoogtepunt zijn kosmische en harmonieuze beeld Meerdere cirkels. “De cirkel,” beweerde Kandinsky, ”is de synthese van de grootste tegenstellingen. Hij combineert het concentrische en het excentrische in één enkele vorm en in evenwicht. Van de drie primaire vormen wijst hij het duidelijkst naar de vierde dimensie.”

Nancy Spector. Guggenheim

Het was Wenen dat voor Kandinsky misschien wel zijn meest opmerkelijke artistieke vriendschap opleverde, met de componist Arnold Schönberg. In 1911 hoorde Kandinsky een concert met muziek van Schönberg en realiseerde hij zich dat hij een medestander had gevonden. De twee begonnen een lange en vaak stormachtige vriendschap met felle kritiek op elkaars werk en het intens delen van ideeën en invloeden. Schönberg, die ook schilder en schrijver was, was net zo betrokken bij de muziek als hijzelf.

The Guardian. Gerard Mc Burney 2006

Circles in a Circle, 1923 by Vasily Kandinsky – Paper and Canvas Print – Philadelphia Museum of Art – Custom

Oliver Sacks:

“Wij zijn niet elegant ontworpen. We zijn geïmproviseerd, er zijn dingen over. En dat blijkt toch erg efficiënt te zijn. Hoewel niet elegant. Volgens mij romantiseren we het aangeborene in de mens. Schopenhauer zegt precies ’t omgekeerde als Rousseau: ‘De mens is vrij geboren, maar overal geketend.’ Deze citaten geven aan waarom er in 1800 zo’n belangstelling was toen Victor, ’t wilde kind van Avyron, naar Parijs gebracht werd. De vereniging der mensen, ‘les philosophes…’. wilde weten hoe ’n puur natuurkind was…en natuurlijk had iedereen het mis. Hij was noch verachterlijk, zoals Schopenhauer dacht, noch vrij, zoals Rousseau dacht. En hij was ook geen tabula rasa, zoals Locke dacht. Hij had alleen een vreselijke handicap. Inderdaad, de natuur is inderdaad amoreel. Ik moet bekennen dat dat een van de redenen is waarom ik van de natuur houd, omdat het mij bevrijdt van het morele bewustzijn dat soms zo’n last is.
Gould zegt: aangezien de natuur amoreel of immoreel is , moeten we de moraliteit in onszelf zoeken. Moraliteit bestaat niet zonder vrije wil zelfs al is vrije wil een fictie .”

Uit de film ‘L’ enfant sauvage’. François Truffaut. 1970

“Naarmate ons gedrag gecompliceerder wordt, worden we met meer tweesprongen en beslissingen geconfronteerd. Het interessante van nieuwe theorieën over het bewustzijn is dat ze ook theorieën over het geweten kunnen worden.
(denkt lang na). Ik denk dat we moeten doen alsof we over vrije wil beschikken en verantwoordelijke keuzes kunnen maken en alsof anderen dat ook kunnen. Of ze nu in werkelijkheid alleen uitdrukkingen zijn van de wil of de geest of de oplossingen die een organisme vindt voor een enorm ingewikkelde vergelijking, weet ik niet zeker. Soms denk ik het een, soms het ander. Maar het leven is inderdaad vol van wat je ‘daden van de wil’ zou kunnen noemen. En het is interessant om te zien wat er met een leven gebeurt dat die daden mist.’

(Fragmenten uit de serie ‘Een schitterend ongeluk’ van Wim Kayzer waarin hij Oliver Sacks interviewde in 1993)

Oliver Sacks foundation:



“I hope I may enjoy to the end this beautiful world — I recognize no other — that I retain consciousness and lucidity, and that I may think and write till the pen falls out of my fingers.” (Oliver Sacks)

Ontsloten en genoten (1) Luc Devoldere



Heimwee naar huis,
vreemd genoeg
het gevoel dat deze maanden
ontkennend en negerend, -dat wel-,
door menig reiziger wordt weggedrukt
en het zuchten in de trant van
‘we-gingen-weer-eens-wat-doen!’
is bij vertrekkenden ingebouwd.

Wij zijn de thuiswacht.
Wij slaan boeken en tijdschriften open
en strooien volgaarne troost
bij regen- en stormweer.

Ook de geest
verlangt naar verten,
de sleur voorbij.
En wat zingt de merel
nog even zalig in de tuin
net voor de grote rui.
Merelgezang 1′ 52″

In deze bijdrage teksten uit het prachtige boek van Luc Devoldere ‘Lucifers bij de brand Notities‘ Uitgeverij Atlas-A’dam Antwerpen. 2009

“Er zijn twee soorten steden: de stad waar men woont, en alle andere. In alle andere kijkt men in de straten op naar de verlichte ramen en beeldt men zich in hoe daar onder de lampen wordt geleefd, en hoe het zou zijn als men er zelf leefde. In de stad waar men woont, verplaatst men zich. Men heeft er al een plek, dus kan men er niet dromen. Tenzij van de andere steden. Soms zeg ik wel eens tegen mijn vrouw als de kinderen het huis uit zijn, gaan we in de grote stad wonen. Alsof ik de kinderen echt het huis uit wil. Alsof ik er echt ooit zal terechtkomen. Ik heb de stad waar ik zou willen wonen nodig. Ik houd 
niet-geverfde kamers aan, niet- afgewerkte ruimtes om mij zelf ervan te overtuigen dat ik er toch niet blijf, dat ik ‘voorlopig’ woon. Ik woon er omdat ik nu eenmaal ergens moet wonen.
 Misschien wil ik gewoon in de tot staan gekomen beweging die een huis is, de tent blijven vasthouden; iets behouden van het atavistisch geloof dat men elk moment kan opbreken om een kudde of een windrichting te volgen.” (Pagina 11)

Sasha Drutskoy.

Perceptie


Esse est percipi was ooit de kreet van het Idealisme: zijn is waargenomen worden. Tot Nietzsche kwam. Wie had ooit gedacht dat zijn ontdekking dat alles perceptie is, waarneming, interpretatie vanuit één punt, en dat interpretatie dus een machtsgreep is, zou leiden tot de terreur die vandaag het gedrag van iedereen in de openbare ruimte conditioneert: het komt niet meer op de werkelijkheid aan van wat men is, denkt, maar op het beeld dat ervan verschijnt in de openbaarheid. ]e zou er opnieuw heimwee naar de werkelijkheid van gaan krijgen.

(‘Lucifers bij de brand’, Luc Devoldere Uitgeverij Atlas-A’dam Antwerpen. 2009, p.20)

“Het fenomeen is bekend: hoe ouder men wordt, hoe meer
 jeugdherinneringen er opduiken. De slang rekt zich uit en bijt zich in zijn staart. Ik heb vandaag veel aan de tijd gedacht toen ik nog geen twintig was, maar dat was omdat ik C. in de trein heb gezien, de naam en foto van G. in een tijdschrift, R. in de universiteitsbibliotheek (waar zij nog altijd werkt) en omdat L. mij een prospectus heeft gestuurd met haar schilderijen. Zij wordt vandaag tweeënvijftig. Het was zesendertig jaar geleden dat wij aarzelend en schichtig elkaars lippen zochten, speeksel
 uitwisselden, elkaar proefden. Het was voor ons beiden de eerste keer, en daarom blijft het onvergetelijk.”

(Luc Devoldere. ‘Lucifers bij de brand’. p 144)

The Dinner Horn by Winslow Homer. 1870

“Wij leven in een wereld van gekakel, die te weinig schrik heeft van woorden, en te veel het woord ‘waarden’ van stal haalt. ]e zou er heimwee van gaan krijgen naar het scheermes van Ockham of naar Wittgenstein. Maar het is niet anders.
 We trachten overeind te blijven in leeuwenkuilen. Het kiezende volk is een schip vol zeezieke passagiers. De redenaars van gisteren, nu en altijd, zijn voedsters die voor het kind dat ze verzorgen hapjes voorkauwen, maar de hapjes doorslikken en dan de zuigeling… speeksel om de mond smeren. Dit zijn metaforen van Demosthenes.
 Wij waden met ons allen door de brij van kreten en rouwregisters. We verzuipen in een oceaan van meningen, maar meningen zijn nog geen ideeën.”

(Luc Devoldere. ‘Lucifers bij de brand’. p 157)

Tingletangle by Edvard Munch, 1895 – Postcard


Dit is een atypisch, verbrokkeld boek. Een essay in scherven, waarin genres en stijlen worden uitgeprobeerd. Het wordt alleen bijeengehouden door de man die het schrijft. Beschouw het als een werkplaats, als een verzameling aantekeningen, aanzetten, anekdotes en bedenkingen; als parerga kai paralipomena: bijzaken, accessoires, alles wat men aan de kant laat liggen. Zwerfhout. Achtergelaten bagage langs de wegen als men op de vlucht is voor de vijand. Alles moest erin kunnen en mogen. Het was de bedoeling een beeld op te hangen van wat de auteur beweegt en treft. De fragmenten zouden het geheel vervangen. Het wil geen dagboek zijn, maar een commentaar. Op het leven, de dingen en de boeken. Ook op de waan van de dag. De auteur wilde op een afstand gaan staan van die waan, en dan zijn lucifertje afstrijken bij de brand.

Luc Devoldere (Kortrijk, 1956) studeerde oude talen en wijsbegeerte en was lange tijd werkzaam als leraar. Sinds 2002 is hij hoofdredacteur van de culturele instelling Ons Erfdeel vzw. Hij publiceerde eerder onder meer De verloren weg Van Canterbury naar Rome en Mijn Italië.

(Hebban voor lezers door lezers)
the James Ensor Exhibition at the Salon des Cent in Paris), 1898

“Niets zo mooi als een jongen die zich zijn adolescentie bij elkaar aarzelt, een houding aanneemt, bewegingen uitprobeert, mompelend een taal zoekt, proeft op lippen, zijn te lage, lome en gestaalde lichaam afzet tegen spiegels, om het binnen afzienbare tijd te gaan inzetten op de vrije markt van andere lichamen.
 Niets zo hartverscheurend als een zoon.”

(Luc Devoldere. ‘Lucifers bij de brand’. p.210)

Dick Ket Zelfportret

Fragment uit kleine verhandeling over retorica

Wie de teloorgang van de klassieke welsprekendheid heeft betreurd, moet weten dat ze ook tot Goebbels heeft geleid. Met overdrijving zou je kunnen zeggen dat de klassieke retorica die dag in februari 1943 in het Berlijnse sportpaleis is gestorven. Met minder overdrijving: zich voor altijd heeft gecompromitteerd.
Hoe moet het met de retorica na Goebbels nu verder? We weten sinds Nietzsche dat we in een universum leven waarin alles en iedereen zijn macht wil uitbreiden. Nietzsche haalde die intuïtie overigens al bij (weer dezelfde) Gorgias, die in de vijfde eeuw voor Christus al goed had gezien dat we in
 een retorisch universum leven, waar iedereen iedereen wil overtuigen, verleiden, bezweren. We zitten gevangen in de netten van de taal, en we kunnen niet buiten de taal gaan staan: er is geen hors-langage (R. Barthes). Er lijkt geen ontsnappen aan de macht en het geweld van het woord. Zodra taal wordt geuit, zelfs in de diepste intimiteit van het ik, treedt ze in dienst van
 een macht, stelde dezelfde Barthes in zijn inaugurale rede voor het College de France in I977 vast: ‘Des qu’elle est proferée, fût-ce dans l’intimité la plus profonde du sujet, la langue entre au service d’un pouvoir.’


Zolang dat in een open samenleving gebeurt, valt daarmee te leven: op de verschillende fora, de publieke plaatsen (van parlement tot opiniepagina, van televisiestudio tot internet) bouwen wij aan ‘waarheden’ die tot stand komen in overleg en discussie. Zolang we spreken, vechten we niet. We bek-vechten wel, maar er vallen geen doden. Zolang we met dezelfde wapens aan de start verschijnen, is er hoop dat de confrontatie fair verloopt. Maar dan moet men wel met de wapens leren omgaan. Een echte debatcultuur veronderstelt mondigheid: niet alleen het vermogen zijn mond te openen, maar vooral het vermogen iets zinnigs te zeggen.

(fragment ui:t Kleine verhandeling over retorica. p. 158)

De twee laatste fragmenten uit het boek ‘Lucifers bij de brand’ van Luc Devoldere wil ik je niet onthouden.

“Cesare Pavese schreef op 5 november 1941 – het Afrikakorps van Rommel en drie Italiaanse divisies waren op dat ogenblik bij El Alamein net door Montgommery verslagen- in zijn dagboek deze verschrikkelijke zinnen die je één keer per dag zou moeten prevelen: “Voor de Romantiek bestond de intellectueel niet, omdat er geen tegenstelling bestond tussen leven en kennis. (Dit verband heb je al eens geconstateerd.) Wanneer iemand zich op een gegeven ogenblik ervan bewust wordt dat het leven belangrijker is dan de gedachte, dan betekent dat dat hij een literator is, een intellectueel: het betekent dat zijn eigen gedachtenwereld niet tot leven is gekomen.”

en tenslotte de laatste bijdrage uit het boek:

“Maar elke zin, elk boek is ook een bewijs van iets wat men aan het leven ontstolen heeft. Het gestolen leven. Dat men aan het leven zelf teruggeeft.”

Luc Devoldere ‘Lucifers bij de brand’ Notities.

The Garden of Earthly Delights (detail 5) By Hieronymus Bosch, c.1500 –

Waar leg je de tijd?

Foto door Alena Darmel op Pexels.com

Luxe van een leeg rek waar, lang geleden, een foto stond van iemand die voor niemand nog iemand was: moeilijk te zeggen, jongen of meisje, meneer of mevrouw, een foto met kijken. Aankijken. En tegelijkertijd je blinddoeken terwijl je dat intense Andante Maestoso tot in je vingertoppen kon reconstrueren. (nu met YouTube onmiddellijk uit de vergetelheid te halen.)

‘Waar leg je de tijd?’ Wakker gemaakt door een verdwenen foto, hoorbaar zelfs en toch onbereikbaar. Samen te zijn zoals we toen waren?


Luxury of an empty shelf where, long ago, there was a picture of someone who was not yet someone to anyone: hard to say, boy or girl, Mr or Mrs, a picture with looking. Looking at. And simultaneously blindfolding you while you could reconstruct that intense Andante Maestoso to your fingertips. (Now with YouTube instantly retrievable from oblivion.)

‘Where do you put the time?’ Awakened by a vanished picture, audible even and yet unattainable. To be together as we were then?
Double Virginal
Lodewijck Grouwels Flemish, active The Netherlands 1600

‘Elk lichaam is een verzamelaar van tijd. Het telt de tijd met verschillende klokken en verwerkt de loop van al die tijden door het hele systeem. De lichamelijke tijd tikt niet overal en altijd hetzelfde. Het hart dat snel of langzaam klopt, de circulatie van het bloed, het ritme van het in- en uitademen, cellen die groeien en afsterven, het knipperen van de ogen. En het geheugen verzamelt tijd in de vorm van herinneringen en beelden, vermaalt ze en vervormt ze, en slaat fragmenten op
 in spiegelzalen en magazijnen tot ze in toevallige constructies in het heden opduiken.
Volgens de alwetende verteller in Virginia Woolfs roman Orlando functioneert de herinnering ‘als verstelnaaister en dan nog een zeer nukkige bovendien. De Herinnering hanteert de naald, stikt op en neer, heen en weer, van achteren
naar voren en van voren naar achteren. […] Zo kan de simpelste beweging die men maar bedenken kan, zoals het gaan zitten aan een tafel en het naar zich toe trekken van een inktpot, duizend vreemde, onsamenhangende fragmenten in be-
weging brengen […]. In plaats van een eenvoudig, eerlijk, gaaf stuk werk te leveren, waarvoor geen mens zich hoeft te schamen, is alles wat wij doen, zelfs het gewoonste, omgeven door het geklapwiek en en gefladder van vleugels, het glanzen en het doven van het licht.”

“De alchemie van de tijd”, Greet Van Thienen p 31-32 (Letterwerk, Borgerhout 2024)

Greet Van Thienen vraagt zich af hoe we vrijheid kunnen vinden in de snellende tijd. Wat is de alchemie van tijd en mens? Want hoewel tijd niet tastbaar is, drukt hij zich uit in alle levende wezens. Hoe werkt de tijd door ons heen? Wat kunnen wij ermee doen? Van Thienen onderneemt deze tijdreis samen met filosofen, schrijvers en wetenschappers die iets van het fenomeen tijd blootleggen. Denkers die aan bod komen zijn onder meer: Hannah Arendt, Simone Weil, Virginia Woolf, Einstein, Blaise Pascal, Jean-Paul Sartre en Byung-Chul Han. Zijn we tovenaarsleerlingen die, gebukt onder het vluchtige en snelle, toch het eeuwige blijven zoeken? 

Greet Van Thienen is auteur. In 2021 publiceerde ze ‘De stuntelende mens’, genomineerd voor de Socratesbeker en voor de Hypatiaprijs. Tot 2022 was ze radiomaker bij VRT Klara, waar ze reeksen en podcasts maakte over filosofen en schrijvers. (Letterwerk.be)
KLEINE MILDE KLAAGZANG

O, tuin bij regen
o, gulzige.
Wat kruipt en vliegt verbergt zich
onder oude varens.
Hoorbaar drinkt de grond.

O, duif bij regen,
o, onzichtbare.
Op weg naar huis, geringd, geroepen
vergeet ze haar beminde.
De katten wachten geduldig.

O, man achter het raam,
o, ouderling.
Duizend regenbuien uit het verleden,
een modderstroom verwoest de tuin
in zijn hoofd..
Geuren  hangen als kinderen in de takken.

Gmt
SMALL GENTLE LAMENT

O, garden by rain
O, greedy one.
What crawls and flies hides
Under old ferns.
Audibly drinks the ground.

O, dove by rain,
O, invisible one.
On her way home, ringed, called
she forgets her lover.
The cats wait patiently.

O, man behind the window,
oh, elder.
A thousand rains from the past,
a mudslide ravages the garden
in his mind.
Scents hang like children in the branches.

Gmt
Foto door Anthony ud83dude42 op Pexels.com

Meermaals hebben wij de Poolse dichter Adam Zagajewski belicht. Greet Van Thienen geeft hem ook een plaats in haar boek. Onder de titel ‘Tijdscapsules in zwart wit’ schrijft zij over de momentele conflicten in de wereld die voor de betrokkenen voor een zekere ’tijdloosheid’ zorgen.

“Het is niet dat ik door de tijd reis — naar het verleden of de toekomst — maar het verleden komt naar mij toe via de objecten. De draden die de punten verbinden, lichten op. Dis 1945 plotseling niet zo ver verwijderd van 2024 en is het vernietigde Berlijn verbonden met Kiev of Bachmoet van nu. Met de verschrikkingen in Israël en de ruïnes van Gaza. Zelfs met de ervaring van mijn moeder als tiener, die aan het begin van de oorlog op een kostschool moest blijven terwijl haar ouders, broers en zussen op de vlucht sloegen voor de Duitsers. Ze werd later op de fiets opgepikt door haar broer. Zij achterop en vermoedelijk een koffer met kleren en schoolboeken tussen hen in geklemd. De Poolse dichter Adam Zagajewski beschrijft in ‘Vluchtelingen’, een gedicht uit 1994, de tijdloosheid van vluchtende mensen, op zoek naar een onbekende bestemming — ‘naar het land van nergens, de stad van niemand’. Ze dragen rugzakken, bundels, praktische spullen en allerlei dingen die ‘thuis’ vertegenwoordigen. ‘Oude vrouwen met gerimpelde gezichten, die iets vasthouden — een zuigeling, een lamp — als herinnering — of een laatste homp brood.’ Waarom zou je een lamp meenemen? Omdat het een erfstuk is of een souvenir van een gelukkige reis. Omdat je hem nog snel van het dressoir kon grissen, en het licht van de lamp een thuis zal scheppen. Ooit, ergens, misschien. Omdat je wordt afgesneden van je verleden en het voorwerp toch enigszins dat verleden symboliseert.”

(Greet Van Thienen, De alchemie van de tijd, p.56-57)

Ramon van Flymen ANP-Foto
Probeer de verminkte wereld te bezingen.


Probeer de verminkte wereld te bezingen.
Denk weer aan de lange junidagen,

aan de rozijnen, de druppels van de rosé.

Aan de distels die de verlaten erven

van ontheemden stelselmatig overwoekerden.

Je moet de verminkte wereld bezingen.

Je hebt sierlijke zeiljachten en schepen gezien;

een ervan had een lange reis voor de boeg, 

een ander wachtte slechts het zoute niets.
Je hebt vluchtelingen gezien die nergens heen gingen, 

beulen gehoord die een lied van vreugde zongen.

Je moet de verminkte wereld bezingen.

Denk aan de momenten waarop jullie samen

in de witte kamer waren en de vitrage bewoog.

Keer terug naar dat concert, toen de muziek losbrak.

In de herfst verzamelde je eikels in het park

en de bladeren wervelden boven de littekens

van de aarde. Bezing de verminkte wereld

en het grijze veertje, dat een lijster heeft verloren,

en het zachte licht dat dwaalt en verdwijnt

en steeds terugkomt.

‘Try to praise the mutilated world’ , Adam Zagajewski.
 Vertaling Gerard Rasch, in Mystiek voor Beginners, Meulenhoff



Try to Praise the Mutilated World
By Adam Zagajewski
Translated by Clare Cavanagh

Try to praise the mutilated world.
Remember June's long days,
and wild strawberries, drops of rosé wine.
The nettles that methodically overgrow
the abandoned homesteads of exiles.

You must praise the mutilated world.
You watched the stylish yachts and ships;
one of them had a long trip ahead of it,
while salty oblivion awaited others.
You've seen the refugees going nowhere,
you've heard the executioners sing joyfully.
You should praise the mutilated world.

Remember the moments when we were together
in a white room and the curtain fluttered.
Return in thought to the concert where music flared.

You gathered acorns in the park in autumn
and leaves eddied over the earth's scars.
Praise the mutilated world
and the gray feather a thrush lost,
and the gentle light that strays and vanishes
and returns.
 

Leg hem in je handen
de tijd
schrijven kan hij:
uitzweten ook,
of de dagen aftellen
of, terwijl je kind
je ogen bedekt
zalig blind
'Ah, vous dirais-je maman'
voor haar (hem) spelen.
12 variaties.
Twaalf prachtige vindplaatsen
voor voorbije
momentele
en toekomende
tijd.


Put it in your hands
the time
he can write:
sweat it out too,
or counting down the days
or, while your child
covers your eyes
blissfully blind
'Ah, vous dirais-je maman'
playing for her. (him)
12 variations.
Twelve beautiful finds
for past
present
and future
time.

Met de Ziel(s)-genoten



Landschap met vader
 
Languit ben je de heuvels
 geworden hier, de bruine
 hellingen met stoppels van struiken,
 de gladgewaaide breuken
 in je voorhoofd van grijze steen.
 Een okeren dorp in je wang.
 De olijfgaard in je handpalm
 groeit over je vingers heen.
 
 Nu is het een warm seizoen
 boven je voeten. Pluizige
 wolken dragen koelte
 aan voor de avond. Koerend
 verbergen slaperige duiven
 zich in de rand van je haar.
 
 Als de regen komt deze winter
 gaat je oog langzaam open:
 een klare vijver in de droge
 kom van de zomer. Kinderen
 spelend voorovergebogen
 kijken in je binnen.
 
 Wat een verbaasd landschap. Vast
 had je zelf ook niet gedacht
 dat je zo stil was.

Willem van Toorn
Twee Toscaanse gedichten
Afgelopen vrijdag, 31 mei 2024,  is schrijver, dichter en vertaler Willem van Toorn overleden. Hij werd 88 jaar. Dat meldt zijn uitgeverij Querido. Van Toorn, in 1935 geboren in Amsterdam, schreef in totaal ruim veertig romans, verhalenbundels, dichtbundels en essays.

Van Toorn vertaalde ook poëzie van Franco Loi en Cesare Pavese, en proza van Klaus Mann, Franz Kafka, Stefan Zweig, Christopher Isherwood, John Updike en E.L. Doctorow. Zijn eigen werk werd onder meer in het Italiaans, Duits, Engels en Afrikaans vertaald. (De Standaard)
Foto door Vlado Paunovic op Pexels.com

Ook wat niet ademt of wortelt, de zgn. ‘levenloze’ dingen een ziel toekennen, een eigenschap die (sommige) kinderen nog hebben, het bezielen van je knuffel, een gesprek met een stoel, een voor ons onzichtbaar speelkameraadje. Keer even terug naar je kleine kindertijd, probeer je te herinneren.

Van het Latijn 'animus', dat 'geest', of 'ziel', of 'leven' kan betekenen. De term werd verzonnen door Edward Burnett Tylor in 'Primitive Culture', uitgegeven in 1871. Animisme is het idee of de overtuiging dat alles ziel heeft. Een animist gelooft zowel in het bestaan van goede als in die van kwade geesten; geesten, die onder meer in bomen, dieren en gebruiksvoorwerpen kunnen huizen.


Animisme is geen religie op zich, maar maakt deel uit van bijna alle religies ter wereld. Elke religie gebruikt zijn eigen ritueel om de zielen, of geesten, gunstig te stemmen zoals het brengen van offers, een rituele dans of strikte (gemeenschaps)regels. Vooral in het sjamanisme komt animisme sterk aan bod.

Een groot aantal mythologische figuren zijn gebaseerd op animisme, zijnde: het geloof in zielen. In de moderne wereld komt een milde vorm van animisme voor in de filmindustrie, of in sprookjes, waar voorwerpen of dieren tot leven komen.

Kleuters hebben vaak een animistische houding ten opzichte van de wereld om hen heen, vooral in het geïndustrialiseerde deel van de wereld. Voor een kleuter kunnen bomen praten, wonen kabouters in paddenstoelen en kunnen dingen menselijke eigenschappen bezitten. Vanaf ongeveer 6 jaar krijgen kinderen een meer algemeen aanvaard beeld van hun leefwereld. (Spiritualia.be)
Foto door Karolina Grabowska op Pexels.com

Animisme is, binnen de kunstgeschiedenis, een stroming in de Vlaamse schilderkunst van de 20e eeuw. 

De animisten in de Vlaamse schilderkunst vormden geen echte school. De min of meer willekeurige benaming werd gebruikt door Paul Haesaerts, waarmee deze de houding en de esthetiek van enkele los van elkaar staande kunstenaars omschreef, die werkten tussen de twee wereldoorlogen.

Het ging daarbij onder meer om Henri-Victor Wolvens, Albert Van Dyck, Jozef Vinck. Deze kunstschilders reageerden op wat zij als een buitensporige ontwikkeling van het expressionisme aanvoelden, waarbij zij in opvatting en vorm het ‘menselijk-gevoelige’ voorop stelden. Deze kunstenaars richtten zich meer op het introspectieve dan het expressionisme. Poëtische gevoeligheid speelde daarbij een rol. (Wikipedia)

Twee kinderen in een landschap Albert Van Dyck ca 1944 Museum voor Schone Kunsten Gent

Kijk ook:

https://vlaamsekunstcollectie.be/makers/albert-van-dyck

TEAPOT WITH PERSIMMON FRUIT

Those afternoons when the phases of silence
grow longer than the shadows in winter,
that’s when we turn to the idea of still-life.   
 
The room becomes image, and everything in it,
through the open doors the onlooker fades away.
Light moves over the furniture, floors, and rests
on the teapot, the persimmon fruit on the plate,
fixes their contours flawlessly like glue.
It is writing a book about superfluous things.
 
In times when there was nothing going on, the old
Japanese masters would paint only the inanimate:
teacups and folding screens. That was enough.

Durs Grünbein
Paul Gaugain La Théière et les Fruits 1896


THEEPOT MET KAKIKLEURIG FRUIT

Die middagen waarop de fasen van stilte
langer worden dan de schaduwen in de winter,
dan grijpen we naar het idee van het stilleven.

De kamer wordt beeld, en alles wat zich erin bevindt,
door de open deuren vervaagt de toeschouwer.
Licht beweegt over de meubels, vloeren en rust
op de theepot, het kaki fruit op het bord,
en fixeert hun contouren feilloos als lijm.
Het is het schrijven van een boek over overbodige dingen.

In tijden dat er niets aan de hand was, schilderden de oude
Japanse meesters alleen het levenloze:
theekopjes en kamerschermen. Dat was genoeg.

Dürs Grunbein
One of Gauguin’s most treasured possessions was a painting by Cézanne, Still Life with Fruit Dish (1879–80, now Museum of Modern Art, New York ), which he emulates in this picture. Within a similarly compressed space, Gauguin substituted mangoes for Cézanne’s apples and a Tahitian-style printed cloth for a French floral wallpaper design. One significant departure is the human figure at the upper right, glimpsed through a door or window. The year after he completed this work, Gauguin’s finances were so dire that he arranged for the sale of his prized Cézanne.

Een van Gauguins dierbaarste bezittingen was een schilderij van Cézanne, Stilleven met fruitschaal (1879-80, nu Museum of Modern Art, New York), dat hij in dit schilderij heeft nagebootst. Binnen een vergelijkbaar gecomprimeerde ruimte verving Gauguin de appels van Cézanne door mango's en een bedrukte doek in Tahitiaanse stijl door een Frans bloemetjesbehang. Een belangrijke afwijking is de menselijke figuur rechtsboven, gezien door een deur of raam. Het jaar na voltooiing van dit werk waren Gauguin's financiën zo slecht dat hij zijn kostbare Cézanne liet verkopen.
Paul Cézanne Nature Morte au Compotier (MOMA)

‘Zielsgenoten’ zie je hier samenvloeien, geheel toevallig: het gedicht van Willem van Toorn over zijn overleden vader waarin de verstilling een resultaat is van een versmelting: vader en landschap vormen een ‘verbaasd’ landschap waarin de stilte duidelijk een teken is van die versmelting.
Een andere stilte ontstond door een groepje schilders, voornamelijk uit de Kempen die zich van het expressionisme afkeerden en met een eenvoud van portretteren hun stilte, hun innigheid wilden realiseren, een eenvoud die uitloopt in het schilderij van Gaugain, op zijn beurt een verwijzing naar Cézannes werk met gelijkaardige inhoud.

Een stilleven hoeft zich dus niet te beperken tot een compositie van voorwerpen maar kan ook een landschap voorstellen waarin de concentratie van een nieuwe aanwezigheid duidelijk wordt. Het zichtbaar maken van een ‘animus’, (vrouwelijk; anima) een ziel, de meest directe ervaring van een totale aanwezigheid. (zonder ons in de psychiatrie en aanverwante werelden te storten, mijn beperktheid is groot.). Heel dichtbij kom je als je een klein kind kunt observeren in een gesprek of handeling met pop of knuffel. Het geloof in de aanwezigheid van een ziel, nodig overigens om de eigen ziel te ontdekken. Indien mogelijk: herinner je.

Eigen foto Gmt

Kijk naar de trailer van de video van Antje Van Wichelen ‘Lost and Found’



Animatie, hier de levenloze dingen een ‘animus’ (ziel) geven in zijn mooiste betekenis.

‘Dit is een heel concreet verhaaltje van handschoenen die verloren zijn en in de stad ronddwalen. Het is iets heel tactiels, dat je zo echt met die materies bezig bent, ook al doordat die handschoentjes met hun vingertopjes alle materialen beroeren. Door met die materies bezig te zijn, door het licht dat anders is, doordat  de passerende mensen en auto’s vervaagd zijn en we specifiek niet hebben gefocust op de lichtreclames, krijg je een andere blik op de stad. Terwijl het eigenlijk een heel concrete, reële blik op de stad is.’ (MO) Hieronder zie je hem helemaal: 9′. 34″



A cold winter night in Brussels. Behind a hole in a wall, a woman lies suffering from the cold. Her shivering sounds attract the attention of the lost gloves of the city. They start on an adventurous journey.
The film was entirely shot at night in the city with no extra light; each photo had an aperture time between 4 and 12 seconds, shot with a very small diaphragma.
Tamara de Lempicka (1898-1980). Girl with gloves


Anima/animus

Carl Jung merkt op dat we tijdens het sociale kneden van de persona bepaalde masculiene en feminiene eigenschappen onderdrukken of benadrukken, afhankelijk van onze identificatie als man of vrouw. De anima vertegenwoordigt het vrouwelijke deel, terwijl de animus de mannelijke kant representeert. Het valt Jung op dat we de tegenpool van het deel dat wij ontwikkelen vaak de rug toe keren. Toch blijft dit aanwezig in het onbewuste. Zowel anima als animus weerspiegelen traditionele ideeën die wij hebben geërfd van vorige generaties en die zich kunnen ontwikkelen met de tijd en cultuur, zegt Carl Jung. (Filosofie Magazine)
'Dat ik dan toch blijf wachten
hier bij het poppenspel, en zo volledig toezie,
dat, om ten slotte aan mijn toezien tegenspel
te bieden, een Engel op moet komen, die de poppen
omhoog rukt. Engel en pop: dan is er eindelijk schouwspel.
Dan pas komt samen wat wij steeds, in ons bestaan,
gescheiden houden. Dan pas ontstaat
de kringloop van het eeuwig vernieuwen
uit onze jaargetijden. Boven ons uit
speelt dan de Engel.'

Rainer Maria Rilke, uit 'de 4de Elegie', vertaling Jelema en Blok
‘Hand of Rodin with a Female Figure’ – Auguste Rodin (French, 1840 – 1917), The National Gallery of Art
‘When I feel
like waiting in front of the puppet theatre, no,
rather gazing at it, so intently, that at last,
to balance my gaze, an Angel must come
and take part, dragging the puppets on high.
Angel and Doll: then there’s a play at last.
Then what we endlessly separate,
merely by being, comes together. Then at last
from our seasons here, the orbit
of all change emerges. Over and above us,
then, the Angel plays.’

Rainer Maria Rilke. The fourth Elegy Translated by A.A. Kline
‘Memorial Relief (Hand of a Child)’ – Auguste Rodin (French, 1840 – 1917), The Los Angeles County Museum of Art

In de zomer van 1903 vertelt Rilke aan Salomé hoe hij dit afgrondelijke van de jeugd zelf heeft ervaren. ‘Ver in mijn kindertijd kwamen onbeschrijfelijk grote angsten op. Alles veranderde en ik voelde mij uit de vertrouwde zinvolle en nabije wereld geperst, in een andere, onzekere, naamloze en bange omgeving. Het leek net of ik niemand zou herkennen en ook niemand herkende.’

“De poppen waar het kind een moment daarvoor nog naar hartenlust mee speelde, werden nu kapotgemaakt of gedumpt. Volgens Salomé zijn het zelfs vaak de meest geliefde poppen die hier het slachtoffer van worden. ‘De haat is eigenlijk niet zozeer tegen de pop gericht maar komt uit de angst voor zichzelf voort: geboorteangst en angst om verlaten te worden.’ Kinderen leggen zich met andere woorden niet zomaar bij de afzondering van de wereld neer, maar proberen met geweld hun oude wereld te behouden.”

(Joke J. Hermsen, Heimwee naar de mens, De Arbeiderspers Antwerpen Amsterdam 2003. p.119-120)

Bronzino. Ritrato di ragazzo. 1540-45

En, zucht de auteur, laat hij/zij/wij het verlorene terugvinden in zijn/haar/onze creatieve mogelijkheden of…in de liefde, vult Salomé aan. Zij wist waarover zij sprak. ‘Heimwee naar de mens’ van Joke J. Hermsen, ten zeerste aangeraden. Laten we mooie dingen (s)maken.

Tintoretto Wedstrijd tussen Apollo en Marsyas. (1545)