P2160015.jpg


Het jaar dat het jongetje werd geboren stierf de uitvinder van het bakeliet, Leo Hendrik Arthur Baekeland. Het bakeliet echter, voor de bollebozen ‘phenol formaldehyde’ bleef in zijn jonge leventje nog rondzwerven zij het dan in de eenvoudige vorm van het hierboven afgebeelde ‘sponsdoosje’.
Het woord zegt alles zoals een goed woord meestal doet:  een doosje waarin een sponsje zit, sponsje om je lei weer proper te maken.

Het autobiografisch geheugen begint volgens de nieuwste neurowetenschappen pas rond twee en half, drie jaar te werken. De tijden van de kleinste kindertijd kunnen met foto’s en verhalen opgeroepen en vastgelegd worden maar ze behoren niet bij de werkelijke herinneringen, het zijn toegevoegde gebeurtenissen: Het jongetje in het kippenhok, het vriendinnetje van twee huizen verder, hij is de uitvinder van het volkse fototoestel, George Eastman, dankbaar voor zijn ‘kodak’. (zie blog van 14 maart 2015) net zoals hij zijn moeder over de dood heen vriendelijk toeknikt en dankuwel ma zegt als hij de krullenkop op het uitgeleefde speelpaardje ziet, 70 jaar later en toch nog zo aanwezig alsof hij zo dadelijk in de lens zal kijken en het onoverkomelijke met een glimlachje moeiteloos belachelijk maakt.

Maar het sponsdoosje bestaat nergens op foto.  Het doosje hier afgebeeld is tweede- of zesdehands gekocht in Nederland. Als bewijs.  Een bewijs dat het echt bestond, dat doosje in de vroege rimpels van zijn autobiografisch geheugen waarin de werkelijkheid op een verweerde muurschildering lijkt en vage kleuren, gebroken lijnen en bekladde vlekken de schuilplaats zijn voor het overschotje van een lang geleden verloren tijd die naarmate we ouder worden zachtjes weer naar voren komt en ons verzoent met wat was, werd en nooit zal worden.

Het huis in de Gildenstraat, 49, van de voorbije oorlog nog maar twee, drie jaar gescheiden. Kan hij in het volgende (nagelnieuwe) huis nog altijd rondlopen als de slaap uitblijft, het kleine kinderhuis is er alleen dank zij meneer Eastman.  Een slaapkamertje waar winterappels worden bewaard. De geur van een langzaam stervende zomer. Maar ook de herrie toen hij ze over de vloer liet rollen en zijn vader grommend bovenkwam met wat-is-dat-daar-allemaal?
En het sponsdoosje.  Het was een nieuw sponsdoosje.  ’s Avonds met water gevuld en ’s morgens, terwijl zijn vader zich bij  de spiegel in de keuken scheerde, weer opengedraaid.  Het water echter was weg.
‘Het water, zei het jongetje.  Waar is het water?’
Van een jonge onderwijzer kon je verwachten dat hij het over sponsdieren zou hebben of over zweephaartjes die een binnenwaartse stroming veroorzaken, maar blijkbaar dacht hij eerder aan de fietsrit van 13km naar Sint Pieters Lille waar hij les moest geven en zei hij enigzins gespeeld bozig: ‘Ik heb dat water gebruikt om mij te scheren.’
Zijn eigen vader dus steelt het water uit zijn sponsdoosje!
Het jongetje is toen blijkbaar heel boos geworden, maar dat gevoel hoort niet meer bij de verweerde muurschildering. Zijn moeder heeft het daarna meermaals verteld.
Het doosje, de ontzetting bij het verdwenen water en de uitspraak van de bijna geschoren vader, zijn heldere lijnen van de onuitwisbare vroegste herinneringen. Het water in een sponsje dat je langzaam naar buiten knijpt.
Een donker bakeliet sponsdoosje was het, enkele jaren na de dood van de uitvinder gekocht.

Pa, zegt het jongetje. Het doosje is nog leeg. En toch helemaal gevuld. Met dat onzichtbare dat vaak de helderheid van een winterse dag als vandaag uitstraalt. Het doorzichtige van het voorbije waarin het onbelangrijke als een moe kind gekoesterd wordt. Nabijheid.

P2160017.jpg