The battle-painter, Jørgen Sonne, in his studio, by Ditlev Blunck, circa 1826.
Boven zie je een schilderij van de Duits-Deense schilder Ditlev Blunk (1798_1854) omstreeks 1826 gemaakt. Hij schilderde hier een voor zijn tijd bekende ‘battle-painter’, Jørgen Sonne, (1801-1890) een Deense schilder van genrestukken, veldslagen en militaire geplogenheden dus. Tot meerdere eer van de overwinnaars. (meestal) Jørgen was zelf even militair geweest maar verkoos vanuit die ervaring het soldatenleven en de veldslagen van het Deense leger als militair-schilder in beeld te brengen, vaak aanwezig midden in de actie of onderaan, de morgen na de veldslag.
In hoe ver kun je naast het krijgshaftig geraamte, de mens invullen die menselijkheid blijft hanteren ook in de atmosfeer van een hybride oorlog?
Wat is hybride oorlog?
Een militaire strategie die de conventionele oorlogsvoering mengt met niet-militaire middelen zoals desinformatie, propaganda en politieke intimidatie.
Jeanron 1830 “les petits patriots” Let op de achtergrond.
Martijn Kitzen, bijzonder hoogleraar Krijgswetenschappen, waarschuwt dat Europa niet langer te maken heeft met afzonderlijke hybride dreigingen, maar met een hybride oorlog. Volgens hem passen sabotage, cyberaanvallen, verstoringen van vliegverkeer en andere moeilijk herleidbare acties in een bredere campagne tegen het Westen.
Kitzen benadrukt dat moderne militaire middelen hierdoor kwetsbaarder zijn geworden en dat Europese landen zich daarop moeten voorbereiden. Tegelijkertijd pleit hij voor een zorgvuldige reactie, waarbij diplomatieke en economische maatregelen vooropstaan. (BNR Universiteit Nijmegen)
Kun je al vroeg leren ‘onderhandelen’?
Rembrandt van Rijn ‘Oude man in een militair kostuum’. 1630-31
De kunst van het oorlogvoeren (Sūn Zǐ Bīng Fǎ) is het klassieke Chinese strategische werk uit de 5e eeuw v.Chr. van generaal Sun Tzu, waarin de nadruk ligt op winnen zonder te vechten en het kennen van jezelf en de tegenstander. Daarnaast verwijst de titel naar het gelijknamige werk van Niccolò Machiavelli uit 1520, dat via dialogen pleit voor een gedisciplineerd staatsleger in plaats van huurlingen. Beide invloedrijke klassiekers worden nog steeds geprezen om hun strategische inzichten.
In dertien korte hoofdstukken worden de verschillende factoren in het oorlog voeren beschreven, op een manier die nog steeds actueel is. Het boek heeft een grote invloed gehad op militaire strategieën zowel in het Azië als in Europa. De principes zijn ook op andere gebieden van toepassing, zoals in het management en de advocatuur.
I saw two old white horses in a field,
in the corner of a field,
in the shade,
who had sought the shade,
thoughtfully.
glancing not quite at each other but past,
holding their heads close, their heads aligned,
standing
as they had stood many times,
a thousand times,
standing so,
weak moments, strong moments,
shivering slightly,
a cool breeze sliding down the apple branches or All this—
you tore a hole, pushed your arm through, hit the switch.
‘Sappho rijdt de stad uit
Ik zag twee oude witte paarden op een veld,
in de hoek van een veld,
in de schaduw,
die de schaduw hadden opgezocht,
bedachtzaam.
niet dadelijk naar maar langs elkaar kijkend,
hun hoofden dichtbij elkaar, hun hoofden in dezelfde lijn,
staande
zoals ze vaak stonden,
een duizend keer,
zo staande,
zwakke momenten, sterke momenten,
lichtelijk rillend,
een koel briesje daalt langs de de appel -takken of Dit alles –
je maakte een holte, stak er je arm door, drukte op de schakelaar.
Anne Carson (1950-) is a Canadian poet, essayist, translator and professor of Classics. She is the recipient of a Guggenheim Fellowship, a MacArthur Fellowship, and the PEN Award for Poetry in Translation. Her most recent book is Iphigenia among the Taurians.
A professor of the classics, with background in classical languages, comparative literature, anthropology, history, and commercial art, Carson blends ideas and themes from many fields in her writing. She is influenced by Ancient Greek literature, Sappho, Simone Weil, Homer, Virginia Woolf, Emily Brontë, and Thucydides. She frequently references, modernizes, and translates Ancient Greek literature. She has published twenty books as of 2016, most of which blend the forms of poetry, essay, prose, criticism, translation, dramatic dialogue, fiction, and non-fiction.
In 1986, Carson published her first book, Eros the Bittersweet. Named one of the 100 best nonfiction books of all time by the Modern Library, the book traces the concept of “eros” in ancient Greece through its representations in poetry of the time. Carson considers seriously how triangular and mimetic desires have been represented in the poetry of Sappho, as well as the relationship of eros to solitude. Famously, Carson analyzes Sappho’s Fragment 31 as representing “eros as deferred, defied, obstructed, hungry, organized around a radiant absence – to represent eros as lack.”
‘Autobiography of red‘, verschenen in 1998, is een uit zevenenveertig episodes bestaande roman in verzen. Voor haar hoofdpersoon liet Carson zich inspireren door een Griekse mythe: Geryon was een gevleugeld rood monster, hij hoedde een kudde rood vee en werd door Herakles gedood. In de roman is Geryon een jongen met een rode huid, een rode schaduw en vleugels op zijn rug, en is Herakles zijn minnaar. Vertaald ook naar het Nederlands. Een fragment als kennismaking: de woordzetting is van de auteur.
‘Geryon vond het als kind fijn om te slapen maar wakker worden vond hij nog fijner.
Dan rende hij in pyjama
naar buiten. De ochtendwind bestormde de lucht met levensflitsen zo blauw dat
elk een eigen wereld beginnen kon.
Het woord elk waaide zijn kant op en viel op de wind uiteen. Geryon had daar altijd
moeite mee – een woord als elk
viel, als hij ernaar staarde, in aparte letters uiteen en was dan weg. De ruimte voor
betekenis bleef maar was leeg.
Je kon de losse letters zien hangen aan takken of meubels in de buurt.
Wat betekent elk?
had Geryon aan zijn moeder gevraagd. Ze loog nooit tegen hem. Als zij de betekenis zei
ging die niet weg.
Ze antwoordde: Het betekent dat jij en je broer elk een eigen kamer hebben bijvoorbeeld.
Hij hulde zich in dit sterke woord elk.
Hij schreef het op school met rood zijdezacht krijt (foutloos) op het bord.
Hij dacht zachtjes aan andere
woorden die hij nu bij zich kon houden zoals kelk en welk. Toen moest Geryon
verhuizen naar de kamer van zijn broer.
Een ongelukkige samenloop. Geryons oma kwam op bezoek en viel van de treeplank
van de bus. De dokters maakten haar weer
met een grote zilveren pen aan elkaar. Erna moesten zij en haar pen vele maanden stil
in Geryons kamer liggen. Zo begon zijn nachtbestaan.
Voordien had Geryon ’s nachts niet geleefd alleen overdag en in de rode tijden ertussen.
Wat stinkt er hier in je kamer zo? vroeg Geryon.
Geryon en zijn broer lagen in het donker in hun stapelbed Geryon boven.
Als Geryon zijn armen of benen bewoog
klonk uit de veren een prettig ge-PING TJONK-TJONK PING dat hem van beneden omsloot als een dik schoon verband.
Het stinkt hier niet, zei Geryons broer. Misschien zijn het je sokken,
of de kikker heb je
de kikker mee naar binnen genomen? vroeg Geryon. Jij stinkt hier zo Geryon.
Geryon zweeg.
Hij eerbiedigde feiten misschien was dit er één. Hij hoorde nu van beneden
een ander geluid.
(vertaling Marijke Emeis, het boek verscheen in 2000 Autobiografie van rood, Meulenhoff Boekerij)
Apostle Town – Poem by Anne Carson
After your death.
It was windy every day.
Every day.
Opposed us like a wall.
We went.
Shouting sideways at one another.
Along the road.
It was useless.
The spaces between us.
Got hard.
They are empty spaces.
And yet they are solid.
And black and grievous.
As gaps between the teeth.
Of an old woman.
You knew years ago.
When she was.
Beautiful the nerves pouring around in her like palace fire.
Short Talk on Major and Minor
Major things are wind, evil, a good fighting horse,
prepositions, inexhaustible love, the way people
choose their king. Minor things include dirt,
the names of schools of philosophy, mood and
not having a mood, the correct time. There
are more major things than minor things
overall, yet there are more minor things
than I have written here, but it is
disheartening to list them. When I
think of you reading this I do not
want you to be taken captive,
separated by a wire mesh lined with glass
from your life itself, like some Elektra.
“We know from childhood that play can be serious. And it requires the freedom to play. Writing, like play, is an exercise of the imagination, and as such an exercise of desire that, Carson writes, teaches us “something about edges.” As does her work, which peers over precipices into error with error’s breath also on the back of its neck. Her brinkmanship addresses the point at which language’s tools are no longer adequate to the job—to death, heartbreak, betrayal, physical and mental trauma, absence, untranslatability—yet remain “an unfortunate necessity.” In the work’s desire to analyze what it knows defies analysis, to use its logic on the illogical, is felt the life force of curiosity. Curiosity and its procedures do not allow contingency to harden into a last word, and so are not much appreciated by systems that prefer power remain stable. As Ilhan Inan has noted, curiosity “can only take place in the absence of certainty.” (Karen Solie)
Deze aflevering publiceerden we in 2019, even dus vooruit gelopen. Zij was al enkele jaren kandidaat. Terecht!
“De dichteres krijgt de Nobelprijs “voor haar gedurfde en inventieve oeuvre dat, in speelse dialoog met de klassieke traditie, nieuwe vormen voor de hedendaagse literatuur heeft gecreëerd”.
O Small Sad Ectasy of Love
I like being with you all night with closed eyes.
What luck—here you are
coming
along the stars!
I did a roadtrip
all over my mind and heart
and
there you were
kneeling by the roadside
with your little toolkit
fixing something.
Give me a world, you have taken the world I was.
Anne Carson
O kleine trieste extase van liefde
Zalig om de hele nacht bij jou te zijn met gesloten ogen.
Wat een geluk-hier
kom jij
langs de sterren!
Ik maakte een roadtrip
dwars doorheen mijn hart en ziel
en
daar was jij
knielend langs de wegkant
met je kleine werkkist
een klus aan 't klaren.
Geef mij een wereld, jij hebt de wereld genomen die ik was.
Mijn Anne Carson bibliotheekje:
-Eros, the bittersweet, Dalkey Archive Press McLean/Dublin 7de uitgave 2014 -Eros, Bitterzoet, vertaald door Jip Lemmens, Octavo publicaties Amsterdam 2022 -Autobiografie van Rood, vertaald door Marijke Emeis Meulenhof editie 2000 -The beauty of the Husband, a fictional essay in 29 tangos Jonathan Cape 2001 (Cape poetry) -Decreation, Poetry, Essays, Opera Jonathan Cape, London 2006 -Nox, een lang uitvouwblad (in box) nagedachtenis bij de dood van haar broer (an epitaph in the form of a book, this is a replica.) Nw Direction New York 2010
Dit overzicht wordt begeleid door een ‘automatische Nederlands sprekende stem’ die de begeleidende tekst leest op een afschuwelijke automatische gecomputeriseerde wijze. Zet dus de klank af, de Nederlandse tekst immers wordt volledig onder het beeld geprojecteerd. Draai zelf zachte muziek indien nodig.
Maar dan tot slot, Anne Carson zelf. Je kunt hier een mooie lezing meemaken met als onderwerp ‘Stillness’. Zit op de eerste rij van het ‘Centre for Comperative Literature University of Toronto 2020 met Northrop Fry Professor Anne Carson , duurtijd een uurtje.
Enigszins verbaasd toen ik dit mooi uiterst kort gedicht van een befaamd Amerikaans dichter, Ezra Pound (1885-1972), in de New York Times las (24 augustus 2026) en het een volle pagina kreeg met langzaam verschijnende en verdwijnende verklarende teksten over de dichter en de reden waarom deze twee lijntjes een heus gedicht zouden zijn.
People-watchers, trainspotters and A.O. Scott agree: Ezra Pound’s “In a Station of the Metro” is one of the shortest great poems in English. (A.O. Scott en Alisa Aufrichtig)
“Ezra Pound (1885-1972) was een scherpzinnige en eigenzinnige voorvechter van het literaire modernisme, vastbesloten om de poëzie los te wrikken van haar romantische en Victoriaanse gewoontes. Hij had tal van uitgesproken, excentrieke ideeën over hoe dit moest gebeuren, waarvan hij sommige in de jaren 1910 en 1920 in essays en brieven vastlegde. Later zou hij berucht worden vanwege enkele van zijn extreme, buitenliteraire opvattingen. Hij was een voorstander van bizarre economische theorieën, verspreidde antisemitische ideeën en omarmde het fascisme, waarbij hij tijdens de Tweede Wereldoorlog pro-Mussolini-propaganda uitzond op de Italiaanse staatsradio. Na de oorlog werd hij beschuldigd van verraad en opgesloten in een psychiatrisch ziekenhuis in Washington, D.C.”
“Poëzie,” zo verklaarde Pound, “moet minstens even goed geschreven zijn als proza.” Dit hield in dat men zich moest ontdoen van overbodige woorden, afgezaagde retoriek en ouderwetse conventies op het gebied van metrum en rijm. In het maartnummer van 1913 van het tijdschrift Poetry legde Pound de volgende beeldvormende axioma’s vast:
Een directe benadering van het “ding”, of dit nu subjectief of objectief is.
Absoluut geen enkel woord gebruiken dat niet bijdraagt aan de weergave.
Wat het ritme betreft: componeren volgens de volgorde van de muzikale frase, niet volgens de volgorde van een metronoom.
In plaats van vage noties van lyrische schoonheid dringt Pound aan op directheid en efficiëntie.
Het metro-vers van Pound is uiteraard door Japanse poëtische genres beïnvloed zoals de haiku en de tanka, korte vormen waarin levendige, onverwachte beeldspraak samengaat met taalkundige precisie. Je zou kunnen zeggen dat ze een beeld schetsen maar dat is niet helemaal waar. Het is eerder een versmelting: één uit de moderne, gemechaniseerde wereld en één uit de natuur, tot één idee. Die versmelting is niet dadelijk de reële fotografische ervaring van gezichten in de metro met een natuurbeeld, maar een ‘innerlijke’ versmelting. Het is een dubbele ervaring tot één nieuwe innerlijke emotie herleid. (De combinatie verbaast, maar die verbazing is net het ‘aha’-gevoel, de verwondering.)
“In a Station of the Metro” sluit nauw aan bij de geest van Matsuo Basho, de 17e-eeuwse haiku-meester wiens gedichten vaak thema’s als reizen behandelen en bloemenbeelden bevatten.” (En elementen uit het reeds geciteerde artikel NY Times)
In raptures over Chapman’s Homer, Keats forgets who discovered the Pacific—not stout Cortez with eagle eyes but Balboa upon a peak in Darien.
Where he withdrew his handkerchief and saw the death warrant drop of arterial blood, a fate too deep for tears. Years, I was afraid
someone would refer to you in past tense, and I’d sink like an animal past the dream of evolution clean into disrepair. You lived—
this wasn’t that sort of tragedy. More like a fairground after rain where heavy tents had gauged large crevices. Franz said the silences
need to be loved, perhaps more than the words that describe them in time. The dog cries because it sets the human world in motion,
and I rise to stop the wailing, accusative at times.
Maya C. Popa (from the collection If You Love that Lady)
Excerpted fromIf You Love That Lady: Poems. Copyright (c) 2026 by Maya C. Popa. Used with permission of the publisher, W. W. Norton & Company, Inc. All rights reserved.
Eerste Europeaan aan de kust:Vasco Núñez de Balboa bereikte in 1513 als eerste Europeaan de Stille Oceaan. Hij stak te voet de landengte van Panama over en noemde het water de Mar del Sur (Zuidzee)Conquistador Hernan Cortez eiste echter de eer op de eerste zijn. De eigenlijke ontdekker, Vasco Nunez de Balboa werd later op verdenking van verraad onthoofd (1519)
In vervoering over Chapmans Homerus vergeet Keats wie de Stille Oceaan ontdekte – niet de stoere Cortez met arendsogen, maar Balboa op een bergtop in Darien.
Waar hij zijn zakdoek tevoorschijn haalde en zag hoe het doodsvonnis in de vorm van arteriële bloeddruppels viel, een lot te diep voor tranen. Jaren was ik bang
dat iemand in de verleden tijd over jou zou spreken, en dat ik als een dier zou wegzinken, voorbij de droom van evolutie, rechtstreeks in verval. Jij leefde –
dit was niet dat soort tragedie. Eerder een kermis na de regen waar zware tenten grote scheuren hadden achtergelaten. Franz zei dat de stiltes
bemind moeten worden, misschien wel meer dan woorden die hen in de tijd beschrijven. De hond huilt omdat het de mensenwereld in beweging brengt,
en ik sta op om het gejammer te stoppen, soms beschuldigend.
Maya C.Popa
Photo by L’oeil à deux Vanessa et cédric on Pexels.com
Lief leven, Ik kan niet ongedaan maken wat ik mezelf heb aangedaan, wat ik heb laten gebeuren door mijn honger naar liefde. Ik heb de hele wereld gewild, met al haar schoonheid en al haar pijn; op sommige dagen denk ik dat zoiets straf genoeg is. Vaak kreeg ik meer dan ik had gevraagd, zo werkt het nu eenmaal – je vist in open water, bereid om gekwetst te worden door wat je binnenhaalt. Het teruggooien was een nachtmerrie. Het teruggooien en mijn eigen gezicht zien terwijl het in het donkere water verdween. Mijn tong plotseling aan metaal vastgehaakt, de haak in mijn open handpalm spugend. Lief leven: vandaag voel ik die haak des te scherper. Zou je de lijn wat losser willen maken – je zult luisteren als ik het je vraag, als je het soort leven bent dat ik denk dat je bent.
Dear Life I can’t undo all I have done to myself, what I have let an appetite for love do to me.
I have wanted all the world, its beauties and its injuries; some days, I think that is punishment enough. Often, I received more than I’d asked, which is how this works – you fish in open water ready to be wounded on what you reel in. Throwing it back was a nightmare. Throwing it back and seeing my own face
as it disappeared into the dark water. Catching my tongue suddenly on metal, spitting the hook into my open palm. Dear life: I feel that hook today most keenly. Would you loosen the line – you’ll listen if I ask you, if you are the sort of life I think you are.
Maya C. Popa (°1989) is the author of IfYou Love That Lady (W.W. Norton, 2026), Wound is the Origin of Wonder (W.W. Norton, 2022), and American Faith (Sarabande Books, 2019), as well as three chapbooks. She is the poetry reviews editor at Publishers Weekly and teaches poetry at NYU.
Popa holds a PhD in Creative Writing from Goldsmiths, University of London; an MA from Oxford University, where she was a Clarendon Scholar; and an MFA from NYU. She graduated Summa Cum Laude from Barnard College, where she worked closely with the late Saskia Hamilton. In 2015, Popa received The Editors Prize from the Poetry Foundation for her essay “Forever Writing From Ireland.”
She is the founder of Conscious Writers Collective, a global online writing platform and community providing ongoing literary education and support outside formal academia.
Maya C. Popa
What are you hopeful for?
“I am full of hope in the widest sense. It’s a choice that I make each day to look for evidence that there’s as much reason to feel hope as apprehension amidst the endless reports of calamities and struggle. I see examples of basic and extraordinary generosity, ingenuity, and kindness each day. I am especially aware of the urgency of addressing the climate crisis, but I have hope that duress can put pressure on human resourcefulness in positive ways, and that people across the ages have felt those oscillations of trust in life’s continuity and anxiety over the same. I take hope seriously. I write with and from that hope. “(Maya C. Popa)
Any day now, autumn. Winter any day. I’ve shot my arrow and lived by its arc and still, the hours won’t acquit. The first time we met we said goodbye, then we never stopped saying it.
(Uit ‘Year’)
Het kan elk moment herfst worden. Wnter elk moment. Ik heb mijn pijl afgeschoten en heb geleefd volgens zijn baan, en toch willen de uren me niet vrijspreken. De eerste keer dat we elkaar ontmoetten, zegden we tot ziens, toen stopten we nooit meer dit te zeggen.
Een verhelderend, knap geschreven artikel uit Streven jaargang 26 (1972-73) van Paul Claes: ‘Erza Pound Apologie voor ‘a poets’ poet ‘is ook nog in 2026 erg actueel.
“Pound wordt wel eens ‘a poets’ poet’, een dichter voor dichters, genoemd. Waarmee hem wordt verweten dat hij te esoterisch, te moeilijk, te veeleisend voor de gewone lezer zou zijn. Maar het verwijt kan ook omgekeerd worden. Waarom zouden wij een dichter vragen zich tot ons peil te verlagen? Vooral als het een dichter is die zo tegen vooroordelen en sjabloondenken gereageerd heeft als Pound. Is er trouwens een vleiender uitnodiging denkbaar dan die van een dichter die zijn lezers vraagt mee dichters te worden?” (Paul Claes)
Die Erzählungen der Ameisen auf ihren Pheromon Gleisen, die Erzählungen der Bienen in ihren Schwänzeltänzen, die Erzählungen der abgeknickten Zweige eines Wildwechsels, die Erzählung der Entwurzelten, der morschen, der von Kerfe durchfurchten Buchenstämme, die Erzählung der Wolken und des Lichts, die Erzählung der wandernden Schatten im Sand, die Erzählung des Nieselregens im Wasser, die Erzählung der Falten, meiner Hand, der Tonlage meiner Stimme, die Erzählung des Blicks, mit dem du die Welt betrachtet, die Erzählung der Welt, ohne dass du sie anschaust. Weiter und weiter erzählt sich die Welt noch lange, nachdem du und ich und keiner, den wir kannten, mehr zuhört.
Daniela Danz. “Wildnis”
Mythe
De verhalen van de mieren op hun feromoonpaden, de verhalen van de bijen in hun kwispeldansen, de verhalen van de afgebroken takken langs een wildpad, het verhaal van de ontwortelde, de verrotte, de met inkepingen doorboorde beukenstammen, het verhaal van de wolken en van het licht, het verhaal van de ronddwalende schaduwen in het zand, het verhaal van de motregen in het water, het verhaal van de rimpels, van mijn hand, de toon van mijn stem, het verhaal van de blik waarmee je naar de wereld kijkt, het verhaal van de wereld, zonder dat je ernaar kijkt. De wereld blijft zich maar doorvertellen, lang nadat jij en ik en niemand die we kenden- er nog naar luistert.
De lindeboom heeft al zijn bladeren verloren en van de zomer is niets meer over dan de wens om het hoofd van het Oude Duitsland nog één keer de kop te kroelen en te beloven dat zijn kleinkinderen het beter zullen onthouden – wat heb je aan een gedicht wanneer de steeds hoger wordende berg van dingen ons dwingt om een signaal te geven door te jodelen.
Zero Hour: Loop The linden tree has lost all its leaves and nothing is left of the summer but the wish to stroke Old Germany’s head one more time and to promise that its grandchildren will remember better—what is the use of a poem when the increasing mountain of things compels us to signal by yodeling.
Wie geht anfangen wie geht erinnern ohne zu vergessen vor mir im Schnee ein Mann sein Rücken einsam düster wie geht anfangen nicht erinnern Lichtblitze die ihm als Junge Bilder zeigten kurz und grell sieh im Licht die Schatten wie geht nicht erinnern horch das Zischen sieh das Licht und Deutschlands Leichtigkeit wie hell ist Deutschland wie Ruß wie Bilder kurz und grell wie geht Anfangen riech den Schnee er ist neu gefallen in der Nacht im Dunkeln geht vergessen in Bildern kurz horch den Schnee ganz leicht liegt er wie Leinen etwas brennt ein Zischen düster wie Bilder nachts an Wänden horch das Zischen riech den Brandgeruch sieh das Ruß auf weißem Grund
Hoe is beginnen, hoe is herinneren zonder te vergeten voor mij in de sneeuw een man zijn rug eenzaam donker hoe is beginnen niet herinneren Lichtflitsen die hem als jongen beelden toonden kort en fel zie in ’t licht de schaduwen hoe is dat niet herinneren hoor het gesis zie het licht en Duitslands lichtheid hoe licht is Duitsland als roet als beelden kort en fel hoe is beginnen riek de sneeuw hij is ’s nachts vers gevallen in het donker gaat vergeten in beelden vlug luister naar de sneeuw heel licht ligt hij als linnen iets brandt een duister sissen als beelden ’s nachts op muren hoor het sissen riek de brandlucht zie het roet op witte achtergrond.
Als je dan staat waar het stil is, zodat je het merkt wanneer het denken ophoudt en het horen begint, wanneer het horen ophoudt en het zien begint, wanneer een vogel vliegt, wanneer je als een zwarte vogel zweeft en schreeuwt, wanneer je begint te spreken in de heldere lucht en over niets anders kunt spreken dan over het licht, alsof dit het eerste licht was, wanneer je een schaduw op de rots werpt en zegt: mijn schaduw blijft en de rots verdwijnt, wanneer het voor nu waar is dat het goed is om alles op het spel te zetten, dan kun je de woestijn bij naam noemen.
Masada
Wenn du dann stehst wo es still ist dass du
es merkst, wenn das Denken aufhört und
das Hören anfängt wenn das Hören aufhört
und das Sehen anfängt wenn ein Vogel
fliegt wenn du als schwarzer Vogel gleitest
und schreist wenn du zu sprechen ansetzt
in der klaren Luft und von nichts sprechen
kannst als dem Licht so als wäre es das erste
Licht wenn du einen Schatten auf den Fels
wirfst und sagst mein Schatten bleibt
und der Fels vergeht wenn für jetzt wahr ist
dass es gut ist den ganzen Einsatz zu wagen
kannst du die Wüste mit Namen nennen
``
Masada komt van het Hebreeuwse woord metsada en betekent "vesting" of "burcht". Het verwijst naar een historische rotsfort in Israël bij de Dode Zee, dat bekend staat als symbool van moed en de laatste Joodse opstand tegen de Romeinen.
Zij werd in 1976 in Eisenach geboren en woont in Kranichfeld. Ze studeerde kunstgeschiedenis en Duitse taal- en letterkunde in Tübingen, Praag, Berlijn, Leipzig en Halle en promoveerde op een proefschrift over de bouw van ziekenhuiskerken tijdens de Weimarrepubliek. Sinds 2002 is ze freelance schrijfster en kunsthistorica. Ze werkte meerdere jaren als inventarisatrice van kunstcollecties voor de Evangelische Kerk in Midden-Duitsland. Van 2013 tot 2020 stond zij aan het hoofd van het Schillerhaus in Rudolstadt. Sinds 2021 is zij directeur van de nationale wedstrijd „Demokratisch Handeln“, vicevoorzitter van de Academie voor Wetenschappen en Literatuur in Mainz en sinds 2022 lid van de Beierse Academie voor Schone Kunsten.
“Mijn inspiratiebron is nog steeds de fundamentele vraag die ik als tiener had: in welke samenleving wil ik leven en in welke samenleving leef ik? Daaruit vloeien alle vragen voort die mij echt bezighouden. Dat is voor mij ook het meest persoonlijke. Niet zozeer liefdesgedichten, waarvan ik er nauwelijks heb geschreven, maar echt deze vraag over de samenleving en hoe die zou moeten zijn; daaruit komen alle thema’s voort. In mijn eerste bundel (= Serimunt, 2004) ging het over Oost- en West-Duitsland, in de tweede bundel (= Pontus, 2009) ging het over Europa, waar de grenzen van Europa eigenlijk liggen en wat dit Europa nu is. In de derde (= V., 2014) ging het om wat thuis, vaderland en grenzen überhaupt betekenen en in de vierde (= Wildniß, 2020) om hoe een samenleving zowel met haar natuur omgaat – met wat ze daar aan natuurlijke omgeving heeft – als met zichzelf. In Wildniß rijst ook de vraag hoe de samenleving omgaat met de wildernis tussen de mensen, met de spanning tussen beschaving en wildernis. In het proza heeft het meer te maken met politieke zaken.” (Rezensöhnchen 2024)
“Alexius” is een gedicht van Daniela Danz uit haar dichtbundel Portolan. Het is gewijd aan de legendarische figuur van de heilige Alexius (Alexius van Edessa) uit het oude Turkije en belicht zijn radicale vervreemding van de wereld en zijn pijnlijke terugkeer naar huis.
Hier staat de ‘drift’ symbool voor de drukte van het leven binnen de conventies, in overvloed en in blindheid. De rondrennende ‘bewoners’ – dat zijn de familie van Alexius en zijn vrouw – lopen dwars door hem heen.
Daarna gaat de zin zonder komma en als het ware ademloos verder. Alexius wil snel verder. Want op dit punt loert een pijn die zelfs de heilige niet zomaar wegstopt. Zijn vroegere dierbaren herkennen hem niet meer. En dat niet alleen vanwege zijn baard of de bedelaarskleren. Ze kunnen hem niet herkennen, de heilige die uit hun wereld is verdwenen.
En zo raakt de heilige Alexius, die 17 jaar in eenzaamheid heeft doorgebracht, in een onrustige overpeinzing. Hij is terug en toch niet echt aanwezig. Was hij er dan überhaupt ooit? Heeft hij er misschien nog nooit echt bij gehoord? Of is hij vandaag de dag iemand anders dan degene die hier ooit opgroeide? Hoe dan ook, de thuisgekomen man is hier niet thuis, want de heilige is niet de zoon, erfgenaam en bruidegom, en hij kan dat ook niet ‘nog eens worden’. Of dit toch de stille hoop was die Alexius terugbracht, blijft in het gedicht even open als in de verschillende versies van zijn legende.
Alexius
op de muur nog een restje zon van gisteren en vandaag al sneeuw ik was zo lang niet thuis en toen ik eindelijk terugkwam kraakte de deur alsof zij het mij niet vergeven kon
de vork viel op de grond de wind bladerde de boeken alleen door het kussen droomde zich de wereld uit
in de stroom van de dag lopen de bewoners door mij heen, ik moet verder misschien was ik nooit daar misschien moet er tijd verstrijken voordat ik weer word wie ik was
Maar Moeder Aarde-ingesloten door de Oceaan, terwijl veel zeeën en rondom geslonken waterstromen reeds waren terug gekropen in haar donkere moederschoot- hief dorstig haar tot aan de hals geschroeid gelaat ten hemel, beschermde met een hand haar blik en deed haar lichaam met een zware trilling schudden, toen bedarend, lag ze dieper dan ze normaal lag, en haar stem klonk plechtig, toen ze sprak:
‘Als dit dan moet, als ik dit heb verdiend, waarom dan niet door uw bliksems, Jupiter? Als ik moet sterven door het vuur, laat mij dan sterven in uw vuur dat zou mijn dood verzachten. Maar ik… ik krijg nauwelijks deze klanken uit mijn keel…!” -haar stem werd door de rook verstikt- ‘zie mijn verschroeide haren, zie in mijn ogen al die as, as tot in mijn mond! Is dit de prijs die gij mij gunt, het loon voor al mijn zwoegen en vruchtbaarheid? Voor ’t feit dat ik voortdurend wonden voel van en en kromme ploeg, en dat ik ieder jaar bewerkt word, groenvoer laat groeien voor het vee en voor het mensenras het milde graan? En dat ik u, de goden wierook lever? En stel dat ik zo’n ondergang verdiend heb -wat dan nog, wat heeft de zee, uw broer, misdreven? Waarom wijkt het water dat hem door’t lot werd toegedacht, steeds verder van de hemel? Maar als u zich niet om uw broer bekommert noch om mij, denk dan toch aan uw eigen hemel, kijk toch om u heen! De beide polen branden al! Als zij door ’t vuur verzwakt zijn, stort ook uw hemelwoning in! Zie Atlas, hoe hij zwoegt! Als alles wordt vernietigd, aarde, zee en hemelrijk, zijn wij weer terug bij Chaos, in de oertijd. Red wat nu nog uit ’t vuur te redden valt, en denk toch om uw koninkrijk!’
Hier zweeg de Aarde want zij kon de hete lucht niet langer verdragen en niet verder spreken. Ze verborg haar hoofd binnen zichzelf, in diepe grotten, dichtbij de doden.
Gustave Moreau (1826-1898), De val van Phaëthon (1878), aquarel, hoogtepunt en potlood op papier, 99 x 65 cm, Musée du Louvre, Parijs. Wikimedia Commons.
In Gustave Moreau’s schitterende aquarel The Fall of Phaëthon (1878) is alles oranje aan het schroeien. De zonnewagen staat net op het punt neer te storten, Phaëthon is in nood in de strijdwagen, en de paarden trappelen in totale wanorde. Phoebus Apollo, getoond in een van zijn voorstellingen als een leeuw, achtervolgt de strijdwagen in paniek, en een enorme slangachtige basilisk of draak stijgt op van de aarde. Links wordt de maan getoond die net over de horizon gluurt, en de bliksemschicht van Jupiter vliegt naar beneden om Phaëthon te treffen. (Het Eclectische Lichtbedrijf geen AI)
Terwijl ik deze slotaflevering samenstel woeden in eigen land moeilijk blusbare branden in de Hoge Venen. Dichterbij de werkelijkheid kan ik je niet brengen.
Je voelt het bij elke zin. De ‘grote Baas’, Jupiter moet ingrijpen. En zeg nooit meer dat Latijn een ‘dode taal’ zou zijn!
-hij klom naar ’t punt vanwaar hij altijd wolken uitzendt over wijde landen vanwaar hij donder dreunen laat en bliksemschichten richt. Maar nu ontbraken wolken om de aarde te bedekken, nu kon hij ook geen regen sturen uit de lucht, maar wel gaf hij een donderslag en met één goedgerichte bliksem, dicht langs zijn rechteroor, schoot hij de wagenmenner van zijn wagen af, het leven uit, en deed met felle vuurschicht het andere vuur vergaan…
Phaëton zelf stort neer, terwijl het vuur nog rondraast in zijn rosse haardos; in een grote boog , dwars door de lucht, schiet hij omlaag, zoals een ster uit onbewolkte hemel niet echt omlaag valt, maar de schijn kan wekken dat zij valt; en ver van huis vangt de Erdanus, hoofdstroom in’t westen hem in zijn water op en wast het roet van zijn gezicht. De waternimfen van het Avondland leggen zijn lichaam, nog smeulend van de bliksem, in een graf. Het grafschrift luidt: ‘Dit is het graf van Phaëton, de Zonnewagenmenner, hij was te klein en stortte neer, zijn waagstuk was te groot.
Jacopo Tintoretto (c 1518-1594), Fall of Phaëthon (1541-42) (E&I 18), olieverf op paneel, afmetingen niet bekend, Galleria Estense, Modena, Italië. Afbeelding door Sailko, via Wikimedia Commons.
De vader, fel gepijnigd door verdriet, had met een sluier zijn hoofd bedekt, en als het waar is wat men zegt, dan is er één dag zonder zon geweest. Die dag hebben de branden voor licht gezorgd. Zo had de hele ramp nog enig nut. Nadat zijn moeder Clymene alles wat men bij zulke rampen kan zeggen had gezegd, ging zij bedroefd, verdwaasd haar kleed gescheurd in rouwbeklag, de hele wereld door, eerst zoekend naar het dode lichaam, toen naar beenderen en vond de beenderen, maar wel op een verre kust begraven. Zij knielde bij die plek, plengde haar tranen op de steen, waar zij zijn naam in las en die zij aan haar boezem drukte.
Wood Engraving, 19Th Century, After The Painting By Cornelisz Van Haarlem.
En verder? Vertellen we nog dat de zussen van Phaëton in barnsteen-bomen werden veranderd, een vrij pijnlijk gebeuren. De boomschors overdekte hun laatste woorden en sindsdien vloeien hun tranen als een vocht dat tot barnsteen stolt en als sieraad voor Latijnse meisjes wordt meegenomen. Zijn vriend Cycnus verandert al rouwend in een soort vogel die zich ver van Jupiters hemel houdt, denkend aan zijn snelle vuur, zijn hals rekt uit en hij kiest zijn nest bij stromen die vuur-vijandig zijn. Een zwaan dus. Daarna wil de zon niet meer schijnen. ’t Is genoeg, zegt hij van in het begin heb ik geen rust gekend. Hij biedt de hemel zijn ontslag aan. En als niemand nog met de zonnewagen wil of durft moet Jupiter het maar zelf doen. (en je hoeft daarom nog niet te sterven als je de wagen slecht ment!)
Aldus zijn woorden. Alle goden vormen om de zon een kring en smeken hem om asjeblief niet alles duister te maken. Jupiter biedt zelf excuus aan voor het werpen van bliksems, maar als opperheerser weet hij ook te dreigen. Dan spant de Zon zijn dolle en nog steeds spichtige paarden weer in en zweept er fel op los, bedroefd en razend want in zijn razernij verwijt hij hen Phaëtons dood.
Een bekende redenering. Jupiter inspecteert de wereld en als hij ziet dat alles nog stevig en hecht is onderzoekt hij ook de aarde en de bouwsels van de mensen.
…Maar zijn grootste zorg geldt toch zijn eigen landstreek, Arcadië: bronnen, rivieren, zelf nog angstig om te stromen brengt hij weer op gang. En hij geeft het land weer grassen, bomen, loof, het aangetaste bos weer nieuwe kracht. Er komt nog een avontuurtje van Jupiter met Callisto maar zij wordt na het gedoe met ‘de grote dondergod’ door zijn ega in een beer veranderd. Bijna wordt ze door haar eigen zoon Arcas gedood, maar zo ver laat Jupiter het niet komen. Hij laat hen beiden ‘vervoeren’ door de wind en geeft ze voor altijd een plaats aan de sterrenhemel. De Grote en de Kleine Beer. (Zij kan zich wel nooit meer baden want de Grote Beer gaat nooit onder in de zee!)
Ver moet je haar niet zoeken, de zon. Zij is deze dagen duidelijk aanwezig. (geweest)
In het Nederlands is zij vrouwelijk: De zomerzon is in het Nederlands een vrouwelijk zelfstandig naamwoord. Het is een de-woord, en hoewel het in het dagelijks spraakgebruik vaak wordt verward of onzijdig lijkt, wordt het traditioneel en in woordenboeken aangeduid als vrouwelijk. ANW (Algemeen Nederlands Woordenboek)
In Ovidius’ verhaal is de zon mannelijk. Hij is een God. Helios. En zijn zoon Phaëton wil hoe dan ook met de zonnewagen rijden die dagelijks gemend zijn pa Helios van de morgen naar de avond brengt. De gevleugelde paarden wachten ongeduldig onwetend dat Phaëton de zonnewagen zal besturen.
Intussen blazen Pyroïs en Eoüs en Aethon, de vleugelpaarden van de Zon met Phlegon, nummer vier, vlammend gehinnik uit, hun hoeven beuken aan het hek. Als Thetys dat geopend heeft -niets wetend van het lot van Phaëthon, haar kleinzoon -, als het wijde luchtruim lokt kiezen zij snel hun pad; hun benen trappend door de lucht en dwars door ’t hangend wolkendek, omhoog gevoerd op vleugels jagen ze langs de wind die uit hetzelfde oosten blaast. Maar het gewicht was licht. Het Zonnespan kon niet herkennen wat het gewoonlijk voelde en het juk kreeg minder druk. Zoals gewelfde schepen zonder juist gestuwde ballast onzeker over zee gaan bij gebrek aan stevigheid, zo mist de wagen zijn gewoon gewicht en gaat met sprongen de lucht door, schokte omhoog, omlaag en lijkt wel onbemand. Het vierspan voelt het, maar stuift voort, het laat de karrensporen voor wat zij zijn, en loopt niet met de oude regelmaat. De jongen schrikt, niet wetend wat hij met de teugels aan moet noch waar de weg loopt, en dan nog…hoe stuwt hij hen daarheen? Dit was nog nooit gebeurd.
Ovidius heeft niet dadelijk een extra breed filmscherm nodig om ongeziene rampen in beeld te brengen. Het is ons allen bekend: ach was ik maar…En had ik maar nooit…Ook tweeduizend jaar geleden beseften stervelingen dat tussen willen en kunnen vaak onoverbrugbare afstanden liggen. Dat wat ons moet gidsen spookgestalten blijken en wat wij vreesden gebeurt: ‘Ook de aarde brandt, grasvlakten worden as, geboomte vlamt met loof en al, het droge veldgewas zorgt brandend voor zijn eigen brandstof.’
Ja toen…had hij maar nooit de Zonnepaarden aangeraakt, nooit naar zijn afkomst willen vragen, nooit zijn zin gekregen! Hij wil weer Menops zoon zijn, maar nu wordt hij meegesleurd gelijk bij snelle noorderstorm een schip waarvan de stuurman het roer laat gaan; goden en bidden zijn zijn laatste hoop… Wat moet hij doen? Een groot stuk lucht ligt achter hem, maar voor hem ligt nog veel meer.
Hij schat de afstand van elk werelddeel, kijkt naar het westen voor zich uit- hij zal het door het noodlot niet meer bereiken-, kijkt ook naar het oosten achter zich. Verlamd , niet wetend wat te doen, kan hij geen teugels vieren noch strakker houden en de paardennamen kent hij niet. Ook ziet hij rondom in de sterrennacht vreemde gestalten, angstig ontwaart hij diergedaanten van enorm formaat.
Hij komt vlak langs de Schorpioen die daar zijn beide scharen in holle bochten uitzet om met kromme armen én zijn staart een breedte van twee sterrenbeelden in te nemen. De jongen ziet hoe hij een sap met donker gif uitzweet en zich gereedmaakt met zijn kromme angel toe te steken, en laat, verstijfd van angst, geheel van streek, de teugels gaan. Als die de paardenruggen raken en daar blijven liggen, schieten de dieren opzij; nu zonder mensenhand, gaan ze door onbekende luchtstreek, stuiven zonder richtlijn waarlangs hun vaart hen meeneemt, botsend tegen de sterren aan, hoog aan het hemeldak, sleuren de wagen waar geen weg is, rennen nu eens omhoog, storten zich dan weer steil omlaag, afgronden in die steeds meer dichter bij de aarde liggen, zodat de Maan verbaasd is dat de paarden van haar broer onder de hare langsgaan, en de wolken zwart geschroeid gaan roken. Ook de aarde brandt, althans haar hoogste toppen, de grond splijt scheurend open, door dat het vocht verdampt, grasvlakten worden as, geboomte vlamt met loof en al, het droge veldgewas zorgt brandend voor zijn eigen brandstof.
John Gibson Reliëf van Phaëton die de zonnewagen bestuurt. (marmer)
En, schrijft Ovidius, dit zijn dan nog de kleine klachten. ‘Grote steden gaan met muur en al teloor. Het vuur doet landen met hun volken geheel tot as vergaan. Bergen met bossen branden kaal.’ Hij noemt ze dan met naam, zelfs de berg der Muzen, de wieg van Orpheus.
Zo ziet Phaëton een aarde die langs alle kanten in brand staat. Tegen zoveel hitte is hij niet bestand. En zelfs de rivieren waren niet veilig, want de rook steeg uit de Don omhoog, en ook zij worden met naam en/of toenaam genoemd. ‘De Nijl was in paniek en is naar ’t eind der wereld weggevlucht, waar hij zijn hoofd tot heden toe verborgen houdt;’ (de bronnen van de Nijl bleven tot in de 19de eeuw onvindbaar) Ook de zeeën trekken zich terug, een vlakte van droog zand vervangt wat water was.
‘Het hele aardvlak splijt uiteen, het licht dringt door de spleten de Hades binnen en verschrikt het koningspaar der doden.’
Tijd voor moeder Aarde! Lees haar tussenkomst in een volgende aflevering om deze metamorfose af te ronden.
De zonnewagen van Trundholm (CC BY-SA 3.0 – Nationalmuseet – wiki)
I’ve watched the Seasons passing slow, so slow, In the fields between La Bassée and Bethune; Primroses and the first warm day of Spring, Red poppy floods of June, August, and yellowing Autumn, so To Winter nights knee-deep in mud or snow, And you’ve been everything.
Dear, you’ve been everything that I most lack In these soul-deadening trenches—pictures, books, Music, the quiet of an English wood, Beautiful comrade-looks, The narrow, bouldered mountain-track, The broad, full-bosomed ocean, green and black, And Peace, and all that’s good.
Ik heb de seizoenen langzaam voorbij zien gaan, zo langzaam, In de velden tussen La Bassée en Bethune; Sleutelbloemen en de eerste warme lentedag, Rode papavers in juni, Augustus en de vergelende herfst, tot De winternachten, kniediep in modder of sneeuw, En jij was alles.
Liefste, je was alles wat ik het meest mis In deze zielsdodende loopgraven – foto’s, boeken, Muziek, de stilte van een Engels bos, Vriendelijke blikken van kameraden, Het smalle, met rotsblokken bezaaide bergpad, De brede, weelderige oceaan, groen en zwart, En vrede, en al het goede.
Het gedicht „1915“, dat door wetenschappers wordt beschouwd als gericht aan Robert Graves’ jeugdliefde, G. H. „Peter“ Johnstone, verscheen in de bundel Fairies and Fusiliers (William Heinemann, 1917), die Graves schreef tijdens zijn diensttijd in de Eerste Wereldoorlog. Over de dichter schrijft Dustan Ward, een gepensioneerd hoogleraar Engels aan het University of London Institute in Parijs, in zijn essay ‘Poetic Correspondence: The Verse Letters of Robert Graves’, gepubliceerd in The Robert Graves Review, nummer 3: ‘Graves’ romantische visie op Johnstone had hem door alle verschrikkingen van de oorlog heen geholpen: ‘Lieve schat, je bent alles geweest wat ik het meest mis / in deze zielsdodende loopgraven,’ schreef hij. In oktober 1915 had hij [Johnstone] in idealistische bewoordingen beschreven als ‘mijn beste vriend, een dichter lang voordat ik er ooit een zal zijn, een stralend en ongewoon wezen.’”
Nog te koop bij veschillende boeken-antiquariaten
“De problemen van Graves’ problematische leven begonnen, zoals zo vaak, op kostschool waar hij gepest werd omdat hij anders was, een dichter en een Duitse naam had (Robert von Ranke Graves). Vijftig jaar later had hij er nog nachtmerries van. De Eerste Wereldoorlog komt aanvankelijk als een welkome onderbreking, maar de andere officieren aan het front blijken al net zulke xenofobische, lompe barbaren te zijn als de jongens die hij op school had meegemaakt. Bovendien was de oorlog niet, zoals verwacht was, voor Kerstmis afgelopen. Graves werd gewond en bleef vierentwintig uur op het slagveld liggen omdat men dacht dat hij dood was (op zijn eenentwintigste verjaardag). Het verslag dat hij in Goodbye to All That (Dat hebben we gehad) van deze ervaring en de rest van zijn jonge jaren geeft, is nog steeds het beste dat er over de Graves van toen verschenen is, vooral als men het leest met de door Paul O’Prey uitgezochte brieven bij de hand. Martin Seymour-Smith vertelt ons over deze periode nauwelijks meer dan we uit Graves’ autobiografie al wisten, maar over de jaren na 1918 is hij uitvoeriger. Graves, die zijn autobiografie in 1929 schreef, was nogal terughoudend over zijn kort daarvoor mislukte huwelijk, een leemte die met dit nieuwe boek is opgevuld.”
Vrij Nederland Boekenbijlage 1982. ‘Afgrijselijk boeiend Het leven en werk van Robert Graves. Antony Paul’ (1982 ) Lees dit bio helemaal via Vrij Nederland 1982:
In “Reisgezel” stellen we u graag boeiende persoonlijkheden voor, zoals Robert Graves. Zijn levensloop en werk als reisgids. ‘Careers’ maakt de bedoelingen (of pogingen) duidelijk:
Graves’ carrière besloeg het grootste deel van de 20e eeuw. Hij was als jongeman getuige van de ontwikkeling van het zelfbewuste begrip dat deze eeuw van haar eigen moderniteit had. Hij kwam bijna om het leven terwijl hij vocht voor zijn geloof in de natie en Engeland, in een tijd waarin moderne idealen het motto ‘voor koning en vaderland’ verdrongen door soms tegenstrijdige sociaal-politieke idealen. Hij was getuige van dezelfde omwentelingen en onderging veel van dezelfde beproevingen als zijn avant-gardistische tijdgenoten (zoals Breton, Soupault en Apollinaire in Frankrijk en T.E. Hulme, David Jones en Wyndham Lewis in Groot-Brittannië) tijdens de Eerste Wereldoorlog, maar schreef er, samen met andere dichters zoals Edward Thomas, Wilfred Owen en Siegfried Sassoon, heel anders over. Hij zag dat het weer de verkeerde kant op ging en besloot toen „Goodbye to All That“ te zeggen en het leven op zijn eigen voorwaarden te proberen.
Careers
Father is quite the greatest poet That ever lived anywhere. You say you’re going to write great music— I chose that first: it’s unfair. Besides, now I can’t be the greatest painter and do Christ and angels, or lovely pears and apples and grapes on a green dish, or storms at sea, or anything lovely, Because that’s been taken by Claire.
It’s stupid to be an engine-driver, And soldiers are horrible men. I won’t be a tailor, I won’t be a sailor, And gardener’s taken by Ben. It’s unfair if you say that you’ll write great music, you horrid, you unkind (I sim- ply loathe you, though you are my sister), you beast, cad, coward, cheat, bully, liar! Well? Say what’s left for me then!
But we won’t go to your ugly music. (Listen!) Ben will garden and dig, And Claire will finish her wondrous pictures All flaming and splendid and big. And I’ll be a perfectly marvellous carpenter, and I’ll make cupboards and benches and tables and … and baths, and nice wooden boxes for studs and money, And you’ll be jealous, you pig!
Robert Graves
Geboren in 1895; Anglo-Ierse vader, Duitse moeder. Soldaat-dichter in WOI met zijn vrienden Sassoon en Owen. Na een mislukt eerste huwelijk en vier kinderen schreef hij afscheid van All That en trok zich terug in Mallorca met dichter Laura Riding (1929). Daar schreef hij zijn best verkopende I, Claudius (1934). Zelden behandelend hetzelfde onderwerp twee keer, leidde zijn roman Het Gouden Vlies hem naar zijn baanbrekende stelling over oude religies De Witte Godin (1948) en naar zijn Griekse Mythen. Hij was een bijbelgeleerde, biograaf, vertaler, maar vooral een dichter. Hij publiceerde meer dan 1200 gedichten. Hij werd verkozen tot hoogleraar poëzie aan Oxford (1961) en kreeg de Queen’s Medal for Poetry (1968). Hij ligt begraven in Deià, Mallorca.
De rit van Phaëthon in de zonnewagen van zijn vader Apollo kent een rampzalige afloop. De paarden hebben de aarde in brand gezet. Rivierbeddingen komen droog te liggen en riviernimfen beklagen hun lot. Neptunus met drietand komt uit de zee omhoog en strekt zijn arm ten hemel. Moeder aarde, met stedenkroon verbeeld als Cybele, steekt haar hoofd uit de aarde en beschermt met een hand haar blik. Atlas zwoegt om het hemelgewelf te torsen. Jupiter gooit bliksemschichten en Phaëthon valt met wagen en al uit de hemel. Een gravure bij het verhaal uit ‘Metamorfosen’ van de Romeinse auteur Publius Ovidius Naso .
“Het jaar 762 ab urbe condita (8 v.C). Publius Ovidius Naso staat op het punt zijn omvangrijke “Metamorfosen” af te sluiten. Hij heeft zes jaar gewerkt aan de vijftien boeken die samen meer dan twaalfduizend versregels bevatten. In het lange gedicht verhaalt hij over 231 gedaanteveranderingen van goden en halfgoden, beginnend bij de schepping van de wereld en eindigend bij Caesar, de goddelijke Julius die in een ster veranderde.” (Marc Holthof ‘De Witte Raaf 1995)
De ontvoering van Europa
“Nog maar net klaar met de “Metamorfosen” of hij wordt verbannen door keizer Augustus. Reden onbekend. Paste hij met zijn frivole Grieks georiënteerde poëzie niet in de hervormingspolitiek van Augustus, of was hij betrokken bij een of andere politieke intrige? Ovidius verbrandde het manuscript van zijn “Metamorfosen”. Maar afschriften ervan waren gelukkig al bij zijn vrienden beland, zodat het werk bewaard bleef. Ovidius werd verbannen naar Tomis (het huidige Constanza in Roemenië) aan de Zwarte Zee. Hij schreef er treurzangen en zijn “Epistulae ex Ponto”, Brieven van aan de Zwarte zee – echte exilliteratuur. Hij stierf er in 17 na Christus, 60 jaar oud. Ook Augustus’ opvolger Tiberius heeft de verbanning van Romes beroemdste dichter nooit ongedaan gemaakt.” (ibidem)
“U kent allemaal de verhalen over Daphne die achtervolgd wordt door Apollo en veranderd wordt in een laurierboom, Echo’s ongelukkige liefde voor Narcissus, die zijn eigen spiegelbeeld prefereert en in een bloem veranderd wordt. De twee ouderlingen Philemon en Baucis, die als enigen in hun streek gastvrij zijn voor Zeus en door hem bij hun dood veranderd worden in in mekaar groeiende bomen. Er is het verhaal van Acteon de jager die per toeval de godin Diana naakt ziet baden en door haar in een hert wordt veranderd, dat dan prompt door zijn eigen honden verslonden wordt. Geniaal is de manier waarop Ovidius het moment beschrijft waarop de jager plots beseft dat hij de prooi geworden is. Er zijn Pygmalion, Midas, Ariadne, Jason en de Argonauten, Orpheus, de Centauren en vele, vele anderen. ” (ibidem)
Franz von Stuck Orpheus
Tegenover de proteïsche metamorfose plaatste auteur Canetti het masker. Hij meende dat het masker het definitieve einde was van de metamorfose tussen mens en dier, mens en plant: “Een eindtoestand van de metamorfose is het masker (de ‘figuur’). Eén van de eigenschappen ervan is dat het geen verdere metamorfose toelaat. Het masker (de figuur) is in al haar trekken omgrensd en duidelijk. Het is geen product van de natuur, maar een schepping van de mens. Het is een redmiddel uit het eeuwige fluïdum van de metamorfose. (…) Het masker onderscheidt zich door zijn starheid van alle andere eindtoestanden van de metamorfose (…) De betekenis van het masker is (…) juist eindtoestand te zijn. Het in mekaar vloeien van onduidelijke, half uitgeklaarde metamorfosen die eigen zijn aan de wonderlijke uitdrukkingsmogelijkheden die ieder natuurlijk menselijk gezicht bezit, mondt uit in het masker, het eindigt erin.” Het masker, het vastleggen, vastroesten van de metamorfose is iets zeer negatiefs en gevaarlijks voor Canetti. Het heeft met macht en geweld te maken. “Masse und Macht”, zelf een zeer veelvormig metamorfisch boek, is in de eerste plaats een reflectie over het fascisme. En precies in het verstarren van een bepaald soort rationaliteit ziet Canetti (een beetje zoals Adorno en Horkheimer in hun “Dialectiek der Verlichting”) het ontstaan van het fascisme. Het fascisme, elke vorm van fundamentalisme, is niet metamorfisch, het is één, verstard en onveranderlijk. Het is, kortom, het duizendjarige rijk waar Augustus al van droomde.(ibidem)
Wie ik geweest ben, ik, de speelse dichter van de liefde - luister, dan weet u wie u leest, ook na mijn dood: Sulmo was mijn geboorteplaats, omringd door koele stromen, zo'n tienmaal negen mijl verwijderd van de Stad. Daar zag ik dus het levenslicht en vraagt u naar een jaartal: dat jaar stierven twee consuls in eenzelfde strijd. Van ouds behoorde mijn familie tot de ridderklasse, wat dat ook zegt ... Ik was bepaald geen parvenu, ook niet de oudste zoon: toen ik verscheen was er een broertje dat vier kwartalen voor mijn komst geboren was; onze verjaardag mocht dezelfde Morgenster begroeten en één dag werd met tweemaal offerkoek gevierd tijdens de feestweek van de wapendragende Minerva, en wel de eerste dag met gladiatorenbloed.
Tristia IV, 10; vert. M. d’Hane-Scheltema
Michele Tosini, Leda, ca. 1560–70. Galleria Borghese, Rome.
Daarom, omdat ik leef en zware moeilijkheden aan kan en dit mistroostig daglicht mij nog niet benauwt, ben ik mijn Muze dankbaar: zij komt steeds weer met vertroosting, zij geeft mijn onrust rust, zij is mijn trouwe arts, mijn leidsvrouw, mijn vriendin; zij voert mij mee, weg van de Donau en biedt mij 'n zetel midden op de Helicon. Zij gaf mij zelfs al bij mijn leven - en dat is vrij zeldzaam! - verheven roem, zoals vaak opklinkt ná de dood; en nooit heeft Afgunst, die de werkelijkheid kleineert, haar scherpe jaloerse tanden in mijn poëzie gezet, want al mijn levensdagen - toch een tijd van grote dichters - is geen kwaadaardig woord gezegd over mijn werk. Ik mag dan opzien tegen velen, maar word zelf niet lager geschat dan zij: de hele wereld leest mij graag.
Welaan dan, als voorspellingen van zangers waarheid zingen, zal ik, al sterf ik wel, niet echt begraven zijn en of ik deze roem nu dank aan dichttalent of goodwill, de meest verdiende dank geldt, lieve lezer, u!
‘Een rustige middag’ Frans Oerder (Rotterdam 1867-1944 Pretoria)
Le jardin et la maison
Voici l'heure où le pré, les arbres et les fleurs Dans l'air dolent et doux soupirent leurs odeurs.
Les baies du lierre obscur où l'ombre se recueille Sentant venir le soir se couchent dans leurs feuilles,
Le jet d'eau du jardin, qui monte et redescend, Fait dans le bassin clair son bruit rafraîchissant ;
La paisible maison respire au jour qui baisse Les petits orangers fleurissant dans leurs caisses.
Le feuillage qui boit les vapeurs de l'étang Lassé des feux du jour s'apaise et se détend.
- Peu à peu la maison entr'ouvre ses fenêtres Où tout le soir vivant et parfumé pénètre,
Et comme elle, penché sur l'horizon, mon coeur S'emplit d'ombre, de paix, de rêve et de fraîcheur…
Anna de Noailles (1876-1933)
Elin Danielson Gambogi Finland 1915 40 x 51 cm, De jonge naaldwerkers (1915)
Oud(er) en jong. In de lommerte, dat mooie antieke woord voor het gefilterd zonlicht. (mon coeur s’emplit d’ombre, de paix, de rêve et de fraîcheur.) Herinner je. Het was dat soort licht dat even na het midden van de 19de eeuw voor het verbeelden van ‘des impressions’ de statige verbeelding ondermijnde en het ogen-blik zichtbaar maakte, de beweging van licht en landschap. Het voortdurend veranderen van het bestaande. En met Hans Lodeizen kunnen zeggen: “Er is niets zo zoet als ’s avonds onder de bloemen te zijn’, probeer het eens…
Er is niets zo zoet als ‘s avonds onder de bloemen te zijn,
probeer het eens licht het dak op en alle sterren komen los te zitten
als de tuinman met zijn wilde spuit vele bloemen van hun stelen rukt en vrolijk een deuntje fluit denkend aan de avond
ruik de verlichting juist boven de aarde, glimlachend drinkend van het water
natuurlijk zijn wij onder het dak vandaan de tuin ingelopen.
Hans Lodeizen Uit: Verzamelde gedichten G.A. van Oorschot Amsterdam 1996
‘Altijd als ik langs de A44 van Amsterdam naar Den Haag reed en ik naderde Oegstgeest keek ik eerst naar links naar de Willebrordkerk met het door geboomte omsingelde kerkhof waar zo langzamerhand een heel cluster van mijn familieleden vredig ligt te wachten tot op de dag der opstanding, hoewel de aanvliegroute voor engelen bemoeilijkt wordt door de oprukkende nieuwbouw. Daarna, als ik het viaduct over het Oegstgeesterkanaal passeerde, ging mijn blik naar rechts. Niet om het landschap dat Monet daar schilderde in ogenschouw te nemen, daar wist ik nog niets van. Maar dwangmatig moest ik het pad langs het kanaal zien en even die zondagse voettochten herbeleven in het vreugdeloze teken van Calvijn.’
Jan Wolkers, De schuimspaan van de tijd. Verzamelde essays (Amsterdam 2001), p. 455.
Maar als Wolkers in zijn werk een bij honderdduizenden lezers bekend monument voor Oegstgeest heeft opgericht, dan heeft Klaas Heeroma (1909-1972) dat in het verborgene op zijn manier gedaan. Deze neerlandicus, geboren op Terschelling en gestorven in zijn woonplaats Groningen, is bij het Groene Kerkje begraven in het graf van zijn zoon die kort na de oorlog op jonge leeftijd in Oegstgeest was overleden. Als Muus Jacobse schreef Heeroma meer dan eens over het Groene Kerkje. Het gedicht ‘De kinderen’, met als motto ‘Groene Kerkje, Oegstgeest’, gaat indirect in op zijn eigen verlies:
De kinderen liggen zo klein Onder hun sprei van gras. Zij slapen zo lang en vast Achter het dicht gordijn.
De tuinman schoffelt het pad En drenkt soms een dorstige plant Of strijkt met een zorgzame hand Van de bedjes het dorre blad.
Muus Jacobse, Het huisgezin. Gedichten (Kampen 1959), p. 27. Bron: Jan Paul Hinrichs
Jan Paul Hinrichs (1956) publiceerde onder meer Vader van de slavistiek. Leven en werk van Nicolaas van Wijk (1880-1941) (2005; Engelse vertaling 2006) en C.C. Uhlenbeck (1866-1951): a linguist revisited (2009; bundelredactie met Inge Genee). Dit artikel over Oegstgeest is het tweede deel in een reeks van drie. (Digitale bibliotheek voor Nederlandse letteren. De Parelduiker jrg 18. (2013)
Als kind al was ik gefascineerd door de vurige tongen boven het hoofd van de apostelen.
Niet door het verschijnsel zoals de heer Lucas het zou uitbeelden in een starwars-film, maar door de mogelijkheden, de transformatie van bange wezens in ontstekers van allerlei andere heilige vuren, niet in het minst door het spreken van allerlei talen zonder avondschool te hebben gevolgd.
Er waren vooreerst de bange wezens die zich hadden opgesloten in het wonderlijke cenakel, een woord dat bij mij telkens ronde vormen opriep, waar je dus in geen hoekje kon wegkruipen, en ondanks dat hij aan hun vrienden in Emmaus had duidelijk gemaakt dat hij bij hen was, ondanks Thomas en zijn anatomisch vingergepeuter in het lichaam van de Heer, zaten ze daar te rillen, want als er in mijn kinderlijke verbeelding angst optrad dan ging die gepaard met klappertanden en takke-tak van knikkende knieën en sidderende ledematen.
Daarbij kende ik mezelf als bang wezentje.
Wellicht is volwassenheid gewoon het genezen van de angsten die wij als klein wezen hebben gekend.
Als je geen voetballer bent, geen vechtjas (tenzij als kruisvaarder tegen de bende van de aangrenzende straat) geen brave hendrik of primus, maar een fantast die bij elke draai van de straat een draak verwacht, bij de schaduwen van de kastanjelaar de knoestige vingers om zijn kinderkeel voelt, een verhalenverteller kortom, dan ben je in het cenakel van de Boudewijn de Grote’s ‘o mijn kindertijd’ gevangen.
Ik kon mijzelf dus de luxe van een vurige tong boven mijn kinderhoofd best veroorloven, en toen de firma For You koude ijstongen op de markt bracht, frisco genoemd, werden in mijn verbeelding de vurige tongen werkelijk brandende frisco’ s waarvan het stokje zich in het hoofd van de apostel vast had gezet. Ik vraag de heilige Geest vergiffenis, maar ik was nog ver van de Pardes Rimonim* van de Kabalist Moses Cordovero waaruit mijn grootvader vaak vertelde, maar misschien ben ik nooit zo dichtbij heiligheid geweest als toen, want de zuiverheid van beelden laat zich niet door de esthetica of theologie bepalen, maar ontspruit uit de mooie zin dat de geest waait waar hij wil, een geliefde uitspraak van mijn grootmoeder als mijn grootvader dronken was thuis gekomen.
*(Pardes Rimomim: Rabbi Simon ben Jochai verbindt Malchut, het mannelijk element in de kosmos met Tifireth, het vrouwelijk element in de echt in de ‘Pardes Rimmmonim, in de granaatappelboomgaard, een verhaal van de Joodse mysticus Ben Jacob Cordovero een oertekst uit de Kabbalah 1548)
Als ik uit mijn slaapkamer klom, stond ik ook op een plat dak, net zoals de bangeriken met hun brandende tongen op het dak waren geklommen, maar hoe ik ook mijn best deed om in het Frans of Hebreeuws, het Engels of Jiddisch te zeggen dat er mij iets goddelijks was overkomen, de woorden bleven in mijn mond steken toen ik mijn grootvader in zijn blootje in de grote witbuik-kerselaar zag zitten, waaronder mijn grootmoeder stond te roepen dat hij dringend naar beneden moest komen want dat de witbuiken van de kersen al genoeg aan de verbeelding overlieten zonder dat hij dat door zijn naakte transformatie moest benadrukken.
En hij sprak wel alle talen ter wereld (volgens mijn weten toen) al bleef het in werkelijkheid beperkt tot een scheldtirade in slecht Duits, dat ze niet moesten denken dat nu de forten rond Namen gevallen waren ze het zouden opgeven, en dat hij de architect van die forten (terecht) een proces zou aandoen, hoe konden ze jongens van zijn leeftijd zoiets aandoen, enz.
Later las ik in de schrift dat de mensen zich beneden op de straat hadden afgevraagd of die vurige polyglotten misschien dronken waren, en jawel, ik begreep het dadelijk, de vurige tongen kregen een lucht van Kempisch gebrouwen (De Keersmaeker) bier en Gentse jenever (Hertekamp), inderdaad ontvlambare materies, zeker toen ik aan een broeder van Liefde die mij onderwijs verstrekte, zei dat ze inderdaad dronken waren geweest, die schijtlijsters, want ik hoorde ook mijn opa alle talen spreken toen hij in een gelijkaardige toestand verkeerde.
De brave broeder, die zelf graag een glaasje lustte, antwoordde dat Gods wegen wonderlijk waren maar dat voor ons, zondige mensen, een Assimil-boekje een betere methode waarborgde om een vreemde taal te bemeesteren.
Toch bleef Pinksteren zijn aantrekkingskracht behouden en de heilige Geest heb ik levenslang geëerd door alle duiven tegen gemeentebelangen in van graan en brokjes brood te voorzien, een taak door de geliefde nog steeds in praktijk gebracht.
Want de geest waait waar hij wil, en zijn bange kinderen kunnen er van meespreken al zijn ze intussen de tachtig voorbij.
Carl Jung noemde het ‘de geur van de Heilige Geest’, en met mijn dikke neus kan ik dat beamen.
De Heilige Geest mag dan al naar geestrijke drank hebben geroken, naar de witte drank uit de mooie Hertekamp-fles, hij troostte mij ook door mij beetje bij beetje met woorden te wapenen om het woordeloze voortdurend te belagen en te belegeren.
Hij verlokte mij tot het “hierosgamos”, letterlijk ‘het heilige spel’, mooier dan het mystieke huwelijk, met andere lagen van het denken en het gewaarworden, en al vluchtte ik voortdurend, laf als we zijn, de walvis in, telkens weer was hij daar met zijn vurige For You en dreef hij mij, als verteller, het schamele dak op om te stamelen in de talen die hij nodig achtte, liet hij me als heel klein zangertje meezingen in het verhalen-koor waarin tremendum et fasciosum, een element van het dagelijks bestaan ging uitmaken. (tremendum et faciosum: bibberen en bewonderen!)
Is het daarom dat er zich houtduiven in de atlasceder hebben genesteld?
Of weten ze gewoon dat de liefste hen van fruit en granen voorziet en op tijd de katten weghoudt als ze het op de Pinkstervleugels hebben gemunt.
Laat het aardse zich voortdurend met het hemelse vermengen en vice versa, al dan niet in homeopatische verhoudingen.
(De bovenste wandschildering van Mikhail Vrubel komt uit de St. Cyril-kerk (aan de buitenkant in mooie pistachekleuren geschilderd) uit Kiev, Oekraine. Niet alleen de fraaie compositie trof mij maar ook het menselijke: kijk hoe elke heilige figuur zijn voeten op een tapijtje mag warm houden!)
“Une cellule individuelle” (2016), terracotta and wood, 15 x 15 x 5 centimeters
Of ze nu in een doos zijn gevouwen, gebonden door koorden, of gefragmenteerd en gestapeld, deze reeksen naamloze figuren die door de in Parijs gevestigde Syrische kunstenaar Khaled DAWWA (°1985) zijn gemaakt, tonen duidelijk een vorm van opsluiting. Hun lichamen worden verwrongen in kooien of in elkaars armen geperst. Iedereen kijkt weg of naar beneden, een positie waardoor ze de macht missen om zich te bevrijden. Gegoten in dichte blokken, weerspiegelen de introspectieve sculpturen de voorkeur van de kunstenaar voor terracotta en brons. “Alles wat we uit de oude geschiedenis hebben ontvangen, is met deze twee materialen vorm gegeven.” verklaart hij.
Liberté” (2019), terracotta, 35 x 16 x 13 centimeters
Deze serie beelden noemde hij de Compressed serie. Ontstaan uit eigen ervaringen. In het Amerikaanse tijdschrift ‘Colossal vertelt hij: “Dit project werd geïnspireerd door mijn verblijf op verschillende plaatsen tijdens een korte periode: detentie en verplichte militaire dienst in Damascus voor vier maanden, dan naar Libanon voor een jaar en uiteindelijk aankomen in Parijs.
“Bij aankomst in Frankrijk voelde ik me in eerste instantie bevrijd van dit alles. Toen realiseerde ik me dat de Fransen hun leven leiden in een complex systeem dat hen verandert in “gecomprimeerde mensen” en dat we dit gemeen hadden. Dit is de eerste serie waarin ik kijk naar mensen buiten Syrië.” (Colossal)
Vorig jaar, 2025, presenteerde het museum ‘Beelden aan zee’ zijn installatie ‘Voici mon coeur!’ (Ziehier mijn hart.) Dit zes meter lange, hedendaagse oorlogsmonument uit de collectie van het Mucem heeft de vorm van een ruïneuze gevelwand in een door geweld geteisterd Damascus. Khaled Dawwa maakte het werk van ongebakken klei, waardoor het een extra kwetsbare uitstraling krijgt.
Je begint aan de ruïnes te wennen, maar stel je voor dat jouw woonplaats, jouw straat, jouw huis…
In onze bijdrages bespraken we meermaals gedichten van de Poolse dichter Adam Zagajewski. Dit gedicht verscheen in The New Yorker bij de aanslagen op de Twin Towers maar werd een jaar eerder geschreven. Een mooie vertaling van Gerard Rasch in Mystiek voor Beginners Meulenhoff 2003.
Probeer de verminkte wereld te bezingen
Probeer de verminkte wereld te bezingen Denk weer aan die lange junidagen, aan de rozijnen, de druppels van de rosé. Aan de distels die de verlaten erven van ontheemden stelselmatig overwoekerden. Je moet de verminkte wereld bezingen. Je hebt sierlijke zeiljachten en schepen gezien; een ervan had een lange reis voor de boeg, een ander wachtte slechts het zoute niets. Je hebt vluchtelingen gezien die nergens heen gingen, beulen gehoord die een lied van vreugde zongen. Je moet de verminkte wereld bezingen. Denk aan de momenten waarop jullie samen in de witte kamer waren en de vitrage bewoog. Keer terug naar dat concert, toen de muziek losbrak. In de herfst verzamelde je eikels in het park en de bladeren wervelden boven de littekens van de aarde. Bezing de verminkte wereld en het grijze veertje, dat een lijster heeft verloren, en het zachte licht dat dwaalt en verdwijnt en steeds terugkomt.
Conservator Dick van Broekhuizen van museum Beelden aan Zee, bezocht de kunstenaar in Parijs toen hij dit project bijna had voltooid. Een mooie documentaire door Studio Gerrit Schreurs, toont je opzet en uitvoering. Gebruik groot scherm.
Geboren in 1985 in Syrië, behaalde Khaled Dawwa in 2007 het diploma van de School voor Schone Kunsten in Damascus, beeldhouwsectie. Sindsdien verwees het werk van Khaled Dawwa naar een universum vol verwachting. Maar waar hij nog in miniatuur zijn gekwetste vaderland liet zien worden we nu dagelijks geconfronteerd met een levensgrote versie op diverse plaatsen; Gaza, Midden Oosten, Libanon, Oekraïne, Myanmar, Soedan, DR Congo, Jemen…Het werk van een kunstenaar verbindt die werelden en vraagt luidop naar het hoe en waarom. Het visualiseert deze wereld in een menselijk bevattelijk formaat en verbindt daardoor de grote wereld met ons dagelijks bestaan.
“Luisteren, daar komt het toch allemaal op neer, als je moedertaal wil horen. Mijn moeder zat aan mijn bed als ik niet kon slapen. Elke maandagochtend mocht iedereen iets vertellen over hoe het weekend was geweest, maar omdat ik nooit wat meemaakte in de Vinex-wijk waar we woonden, zei ik nooit de waarheid. Soms had er een begrafenis plaatsgevonden, een reis naar Spanje, een erge ziekte die we in het weekend ternauwernood hadden overleefd. Ik geloof dat ik mezelf in de nesten had gewerkt, dat ik daarom wakker lag. Mijn moeder schreef met een pen, ‘nooit meer liegen’ op de muur, dat stelde me gerust, denk ik, want ik weet dat ik in slaap viel. Ik geloof dat ik er wel vrede mee heb dat dit grandioos is mislukt, op het lachwekkende af. Die nacht, zij en ik samen, een toestand waarin je de waarheid over al je verzinsels kan vertellen, dat zie ik, dat voel ik geloof ik zelfs, als ik het woord moedertaal hoor.”
Rebekka de Wit. De Groene Amsterdammer. 22 april 2026. We zijn gezien (fragment)
Misschien slaapt er nog iets diep in je hoofd iets van de taal van je moeder
want taal kan slapen – je probeert te bedenken wat je droomde terwijl de droom alweer verdwijnt in een steeds donkerder wordende schemer nog voor je de woorden ervoor terugvindt
bij het woord moedertaal zie ik een oude foto een schemerdonkere slaapkamer en in het bed een jonge vrouw met in haar schoot een pasgeboren kind – mijn moeder en ik
ze buigt zich over mij en haar gezicht is nadenkend alsof ze zich afvraagt wie ik ben mij zoekt en zoekt naar woorden voor mij ik herinner mij niets van wat ze zei maar dat is misschien de taal van je moeder slapende geluiden in je hoofd
Moedertaal Rutger Kopland Uit: Over het verlangen naar een sigaret (2001)
In “Hedendaags Fetisjisme” schrijft Carry van Bruggen:
“Tegen de collectiviteitsgeest der middeleeuwen, die aan allen dezelfde uniformiteit wilde opdringen, weerde zich het humanistisch individualisme. Tot die uniforme gebruiken behoorde ook het algemeen (“katholiek”) gebruik van het Latijn. De humanist nu wilde noch het algemene dogma, noch de algemene zienswijze, noch de algemene zede, noch de algemene taal. Tegen zede, dogma, zienswijze stelde hij zijn persoonlijke levensbeschouwing en tegenover de gangbare taal zijn persoonlijke taal. Nu kan het individu, althans in eigen schatting, eigen zede, dogma en zienswijze hebben maar geen eigen taal. De taal, die hem als “eigen” aandoet, is uiteraard de taal van zijn eigen omgeving, stam, land. Zo krijgt de strijd voor eigen taal ten onrechte het aanzien van een strijd voor de landstaal en kan aldus door het nationalisme worden uitgebuit. Doch de strijd der humanisten voor het Italiaans en tegen het Latijn was nimmer de strijd tegenover een overheersend Latijns ras – dat immers niet bestond – maar tegen een opgedrongen geestelijke uniformiteit”.
Literatuur: Carry van Bruggen: Hedendaags Fetisjisme, derde druk 1980.
Stilleven met een gedicht over de schoenmaker die het werk van Apelles misprijst, eindigend met de zinsnede Finis Coronat Opus.(1665) Anthonius Leemans – http://www.rijksmuseum.nl/collecti
ABN 1
Het woord is vlees. Zo was het vroeger: ik liep verloren, zij haalde mij in aan een draad die de hele wereld snoerde. Ik hing aan de moedertaal, ik sprak blind.
Nu ben ik alleen. Ik spreek voorzichtig, leef in een taal die ik zwijgend niet ken. De draad trekt strak, ik schrijf gedichten, bewijzen die ik naar de hoofdstad zend,
op zoek naar het oog van de wereld, waarin ik zwijgend niet kan bestaan. Het woord is vlees, maar niet vanzelfsprekend. Ik hang als een teek aan de taal.
Grieks en Latijn, een mooie basis voor kunst en wetenschap en daarnaast Frans en in poësis en retorica twee uurtjes Duits en Engels per week. Eerlijkheid gebied te zeggen dat het, eens in het volle leven, vooral de praktijk was, werk in het buitenland, nieuwsgierigheid naar literatuur die je aanzette om meertaligheid te ervaren.
“Meertaligheid is ook een zegen. Alle talen drukken de werkelijkheid op een andere manier uit en leveren dus een bijdrage tot echte diversiteit, waar pluralisme. Als een taal sterft, verschraalt de wereld. Wie meerdere talen spreekt of begrijpt, leeft meer levens, ontwikkelt meer perspectieven op de werkelijkheid, dringt meer door tot andere culturen en mensen, wordt misschien empathischer.” (Luc Devoldere Knack 2021)
Mijn taalmoeders, ik ervaar hen eerder als oma’s, voelden zich de laatste tijd miskend nu vlotte vertaalprogramma’s de klus al vrij behoorlijk klaren. Die van het territorium krijgt het gevraagde respect maar de wederkerigheid ontbreekt wel eens. Of moet je in je eigen hoofdstad de Britse granny als aanvaardbare middenweg verwelkomen? Ik citeer nog eens Luc Devoldere:
“Fransen hebben het concept van het “Néerlandais de courtoisie“geïntroduceerd: met een set van enkele tientallen woorden en wendingen kun je het ijs breken, zijn goede wil bewijzen. Ik onderschat deze strategie, deze captatio benevolentiae niet, maar het democratisch deficit blijft, en de strategie is hoogstens een opstap.”
Laten we de oma’s even terzijde babbelen, het principe van ‘luistertaal’ -ik begrijp de vreemde taal van een ander maar spreek ze niet- zal door de vergevorderde automatische vertaaltechnieken elke andere taal dan de mijne herleiden tot ‘om te zetten taal’ waardoor het taaldenken, eigen aan elke taal, terra incognita blijft.
De oma’s knikken en schudden daarna het oude hoofd.
Woorden weten van zichzelf niet waarvoor ze gemaakt zijn - en zo is het met alles in de wereld niets weet waarvoor het er is en ook wij weten het niet
ik kijk door het raam de boomgaard in en zie hoe woorden voor vogels bomen gras, voor wat er is daar daar niets betekenen en ook de boomgaard zelf heeft geen betekenis
in mijn hoofd zoekt iemand naar woorden voor iets dat nog geen gevoel is en nog geen gedachte
en langzaam begin ik te voelen en te denken dat ook de boomgaard daarnaar zoekt - dat wij hetzelfde zoeken, de boomgaard en ik.
“De wind voert ieders lot mee”, luidt de korte samenvatting van de kortfilm getiteld “Jour de Vent”, oftewel “Winderige dag”. Deze indrukwekkende animatiefilm werd in 2024 gemaakt door een team van zes afgestudeerden – Martin Chailloux, Ai Kim Crespin, Élise Golfouse, Chloé Lab, Hugo Taillez en Camille Truding – van de École des Nouvelles Images in Avignon, Frankrijk. En zoals blijkt: eind goed enz. Maar eer het zo ver was, bekijk (op groot scherm) het winderige avontuur ‘boven de wolken!’
Vierhoog in de wolken, ja daar leefden wij In een stad die niemand beter kende dan wij Met planten en een kat die 't behangpapier opkroop En achter vliegen joeg, de muizen waren lang dood
't Was een steile trap die leidde naar vierhoog 'k Beklaag nog de verhuizers, maar het was er zo mooi Een parasol uit China, een poster van James Dean Een venster van waaruit je over daken kon zien
Vierhoog in de wolken, ja daar woonden wij Onder ons de wereld heel ver maar dichtbij Met een kast vol platen die weemoed binnenhoudt En een bed dat danste zoveel als je wou
Leven van de liefde, leven van de dauw Een sprookje dat niet duurt begint met ik hou van jou Dag parasol uit China, dag poster van James Dean waarop staat te lezen "Boulevard of Broken Dreams"
Johan Verminnen
Keer ik terug naar ‘de vroegste dagen’ dan hoor ik
‘Hoor de wind waait door de bomen. Makkers staakt uw wild geraas!’
En meteen was het stil om ‘het heerlijk avondje’ waardig te worden. ‘’t Avondje van Sinterklaas!’ ‘Het wild geraas’ is momenteel langs alle kanten waarneembaar. En het prachtige gedicht van Adriaan Roland Holst ‘Zwerversliefde’ een poging tot troost.
.Laten wij zacht zijn voor elkander, kind – want o, de maatloze verlatenheden, die over onze moegezworven leden onder de sterren waaie’ in de oude wind. . O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet het trotse hoge woord van liefde spreken, want hoeveel harten moesten daarom breken onder den wind in hulpeloos verdriet. . Wij zijn maar als de blaren in den wind ritselend langs de zoom van oude wouden, en alles is onzeker, en hoe zouden wij weten wat alleen de wind weet, kind – . En laten wij omdat wij eenzaam zijn nu onze hoofden bij elkander neigen, en wijl wij same’ in ’t oude waaien zwijgen binnen één laatste droom gemeenzaam zijn. . Veel liefde ging verloren in de wind, en wat de wind wil zullen wij nooit weten; en daarom – voor we elkander weer vergeten – laten wij zacht zijn voor elkander, kind.
‘Als je tegen de storm in moet trappen, als je tent is weggefladderd, als de vrachtwagen is gekanteld en je baas je uitfoetert aan de telefoon, als je nu al weet dat je te laat zult komen voor het enige sollicitatiegesprek waar je dit jaar voor bent uitgenodigd omdat de bovenleiding geknapt is, als je oogst geknakt is, als je dak is opgestegen in één enorme vogelvleugelslag, als je naast je motor ligt op een verlaten landweg terwijl het hard regent, het tot je doordringt dat je je geliefden nooit mee zult zien, dan ben ik bij je, ik blijf bij je, ik strijk zacht door je haar, verkoel je bezwete voorhoofd, wees niet bang, ik ben hier.’
“Een labberkoelte is een flauwe wind, waarbij de zeilen van een schip niet gespannen staan, maar zachtjes heen en weer bewegen, of zoals Mirck het zelf noemt: ‘een aarzelaar die eraan twijfelt of hij het waard is om onderwerp van twijfel te zijn’. Hij legt deze woorden in de mond van de wind, want in deze bundel is de wind aan het woord” (Meander Literair E-magazine voor Nederlandstalige Poëzie)
Waar heeft rondom het huis de wind het over? Achter geloken oogen gaat het huis teloor en wandel ik weer langs een oever van het verleden, en er is geruis van water en van riet, vooral van water. Een blij kind roept mijn naam – werd ik ooit oud? Ver van de kudde staat een schaap te blaten als vele jaren her, en ik werd oud. De wind gaat liggen en de lucht betrekken: sterven brengt ander weer, ik wist het wel. Weldra kan ook geen blij kind mij meer wekken. Dan gaat de dood sneeuwen, en het wordt stil.
Bioloog Andreas Weber: ‘Zelfs de wind heeft een innerlijk’
Volgens filosoof en bioloog Andreas Weber schiet de moderne wetenschap tekort om leven te beschrijven. ‘We begrijpen het leven poëtisch.’ “Ik zie de realiteit als een ervaring, een web van relaties dat steeds op zichzelf reageert. Dat gaat in tegen de gangbare wetenschappelijk opvatting, die de te onderzoeken werkelijkheid tot materie reduceert. Deze wetenschap ziet de wereld, elk organisme, zelfs ons eigen lichaam, als een object, een ding, een soort machine. Maar machines zijn statisch, en leven is dat allerminst. Terwijl ik dit zeg hebben er tienduizenden DNA-defecten in mijn cellen plaatsgevonden, die ook alweer gerepareerd zijn. Levende wezens zijn continu bezig met uit elkaar vallen en zichzelf weer genezen. De wens te blijven bestaan verraadt het bestaan van een zelf, een innerlijk dat zichzelf in zekere zin waarneemt en keuzes maakt. Zo’n zelf heeft een eigen lichaam, met eigen gevoelens, en een eigen perspectief, maar valt niet te herleiden tot pure materie.’
Maar iets levenloos zoals de wind is toch geen individu? ‘Ook de wind, die we als een levenloos element zien, is relationeel en wordt waargenomen. Bijvoorbeeld wanneer een briesje zacht langs onze huid strijkt. De wind neemt zichzelf misschien niet waar zoals een kikker dat doet – die lijkt daarin veel meer op ons – maar zelfs de wind heeft een zekere innerlijke ervaring.’ ‘Elke innerlijke ervaring uit zichzelf op een zintuigelijke manier. Denk bijvoorbeeld aan de katjes van de hazelaar: die zijn een uiting van leven. Ze roepen: “We zitten barstensvol leven en de vreugde van de voortplanting!” Ze zeggen dat niet in een talige formulering – ze doen het gewoon. En wij begrijpen dat vanuit onze eigen belichaamde ervaring, als een poëtische gewaarwording. Alles in de werkelijkheid staat in een dergelijke poëtische verhouding tot elkaar: alles praat over zichzelf, maar niet op een rationele, beschrijvende wijze.’
Eén van de lessen die we als maatschappij kunnen leren is dat we niet zo zwaar moeten tillen aan de dood. Ik zie de dood als een transformatie, van een individueel perspectief naar het perspectief van het geheel. Als je denkt dat de dood een definitief einde is, legt dat enorme druk op onze korte levensduur. Met zoveel druk kun je geen tedere relatie met de wereld opbouwen. Je verliest jezelf in de dreiging van het einde.’
Om drie uur begon de sirene op het stadhuis luid te loeien. Dat was dus het uur. Meestal nog op school kon meester of broeder ons wijzen op dat heilig moment waarop Jezus aan het kruis was gestorven. Wij waren enkele minuten werkelijk stil. Goede Vrijdag 1952. Ik was dat jaar in februari acht geworden. En overmorgen zou het Pasen zijn, de dertiende april. Was dat geen ongeluksgetal, die dertien? Churchill liet op de radio horen dat zij, de Engelsen, ook een atoombom hadden. En de Russen al een tijdje daarvoor hun atoomwapen, ‘Eerste Bliksem’ gedoopt. Pasen 1952 bleef de wereld stil. De gekruisigde was verrezen. Op stille zaterdag waren de klokken terug uit Rome. Mijn broertje en ik vonden kleine en enkele grote chocolade eieren in de tuin. Het was helemaal geen ongeluksdag. Half bewolkt was het en het bleef droog.
Het dagelijks gebeuren heeft -soms weinig zichtbaar- de geschiedenis in of achter de rug. De betekenis van ‘achter de rug’ lijkt op het voorbije te duiden, maar al wordt geschiedenis meestal na afloop zichtbaar, haar aanwezigheid in het heden, al dan niet verdrongen, is, vooral na afloop, zichtbaar te maken door de verhalen van getuigen, documenten en beeld- en klankmateriaal. De verteller herinnert zich zijn eigen kleine maar ook elementen van de wezenlijke geschiedenis. Geboren in de uitlopers van de tweede wereldoorlog is hij als baby, peuter en kleuter aanwezig in de weinig ordelijke natijd van de tweede wereldoorlog. Het jaar na de beschreven paastijd zal ook de televisie een rol gaan spelen in het dagelijks leven.(1953)
Zo zal het tot 1963 duren, het begin van de Frankfürter-Auschwitz processen, de gruwelmachine van de kampen door getuigenissen zal doordringen tot in de huiskamer al was tijdens het Eichmann proces in Jerusalem 1961 al een beklemmend beeld ontstaan van het mechanisme, de banaliteit van het kwaad, om Hanna Arendt te citeren. Toch moet je die banaliteit niet als excuus beschouwen, de misdaden van Eichmann vloeiden rechtstreeks voort uit de extremistische ideeën van het nationaal-socialisme, waar hij vol overtuiging in geloofde. Arendt heeft van een extreme SS’er een gehoorzame ambtenaar gemaakt.’ (ik citeer Tom Bouwmeester in ‘Het kwaad: banaal of demonisch?’ in Filosofie Magazine 4 december 2012). Een middenweg?
Steeds gedwongen tot ‘verlaten’ is heimwee niet uit te sluiten. Wil je leven dan komt er een moment dat je je moeder ‘letterlijk’ verlaat. Je wordt geboren. Je blijft mogelijk levenslang in haar innerlijk, maar het uitstappen hoort bij het wezenlijke. Op stap naar/met de anderen. Het verlaten of verlaten worden door geliefden, denkbeelden of het tekort aan inzichten, elementen die een mens tot mens maken. Begrijp dus de ontroering en de wanhoop bij de woorden van een liefhebbend mens op het slavenkruis: “Mijn God waarom heb je mij verlaten?”
Het is een fragment uit psalm 22:
Mijn God, mijn God waarom hebt U mij verlaten? U blijft ver weg en redt mij niet, ook al schreeuw ik het uit.
In het Hebreeuws klinkt de eerste regel ongeveer als dit: ‘Eli, Eli, lama sabachtani?’
Een wondermooie uitvoering Psalm 22 Felix Mendelssohn ‘Mein Gott, warum hast du mich verlassen SWR Vokalensemble
Mendelssohn schreef het werk “Mein Gott, warum hast du mich verlassen” (opus 78 nr 3) in een turbulente fase van zijn leven. Een van de beroemdste musici van die tijd 1843-1844 maar verscheurd tussen verschillende verantwoordelijkheden.
-Conflict met Berlijn: Mendelssohn was door de Pruisische koning Friedrich Wilhelm IV aangesteld als Generalmusikdirektor voor kerkmuziek. Hoewel hij deze psalm specifiek voor het koor van de Berliner Dom schreef, was hij diep gefrustreerd door de bureaucratie en de starre houding van de geestelijkheid in Berlijn. -In 1843 en 1844 pendelde hij voortdurend tussen Berlijn (voor zijn koninklijke verplichtingen) en Leipzig (waar hij het Gewandhausorchester leidde en het conservatorium had opgericht). Deze periode was fysiek en mentaal uitputtend voor hem.
Hoewel Mendelssohn lutheraan was gedoopt, bleef hij trots op zijn joodse afkomst. Zijn werk met de psalmen was een poging om de protestantse liturgie te vernieuwen door terug te grijpen naar de wortels van de bijbelteksten en de polyfonie van Johann Sebastian Bach. Een mengeling van succes en tragiek, zo zou je deze periode tot aan zijn dood in 1847 kunnen noemen. Succes in 1846 met zijn oratorium ‘Elijah’ in 1846, (premiere in Birmingham Engeland) maar als het jaar daarop in 1847 zijn geliefde zus Fanny sterft zal hij niet lang daarna een beroerte krijgen en datzelfde jaar overlijden. Zijn laatste grote werk, het Strijkkwartet nr. 6 in f-mineur, schreef hij als een rauw en emotioneel eerbetoon aan zijn zus.
(samengesteld met hulp van AI Google)
Christusdoorn
De Christusdoorn
In mijn toren van vergaan ivoor Staat een oude Christusdoorn; hij bouwt Met zijn stekels bars een wenteltrap Naar de hemel; daaglijks, voet voor voet, Volg ik hem, soms met het blote oog Bijna rakend aan zijn pantsertuig: Zwaarden worden dan zijn stekeldoornen, Zwaardviszwaarden, lemmeten van wilden, Messen van nomaden, Moorse dolken; Maar naarmate, hoger in de hemel, Klimmend, kleiner wordend, klauterende Ik hem volg, verschraalt geheel, verschrompelt 't Wapenarsenaal en 'k zie de bloem Als een spijker in de top geslagen, Als een rode spijker die hij kleurt Met zijn bloed: o raadsel der genade.
‘Ik ben omdat wij zijn’ Dat is een gezegde van de Zuid Afrikaanse filosoof Mogebe Ramose.(1950) Denk je vanuit het wij dan komt het ik pas echt tot zijn recht. Dat klinkt wonderlijk zo: Umuntu ngmuntu ngabantu: Ik ben omdat wij zijn.
umuntu = een persoon umuntu ngmuntu = een persoon is een persoon ngbantu = door mensen
Luidop kun je er makkelijk een vinnig ritme van maken. Met begeleiding allerhande. Vanuit het hart. Zalige paasdagen gewenst.
Bij de herdenking van de aanslagen tien jaar geleden, met de moeilijke tijden wereldwijd dezer dagen, het gedicht ‘Vita Nova’ en andere gedichten van de Amerikaanse dichteres, Nobelprijs-winnares(2020) Louise Glück (1943-2023) met verwijzingen naar haar leven en werk.
Het voorjaar; jonge mannen die kaartjes kopen voor de veerboten. Gelach, omdat de lucht vol appelbloesem hangt.
Toen ik wakker werd, besefte ik dat ik hetzelfde gevoel kon ervaren.
Ik herinner me zulke geluiden uit mijn kindertijd, gelach zonder reden, simpelweg omdat de wereld mooi is, zoiets.
Lugano. Tafels onder de appelbomen. Matrozen die de gekleurde vlaggen hijsen en strijken. En aan de oever van het meer gooit een jonge man zijn hoed in het water; misschien heeft zijn geliefde hem aanvaard.
Cruciale geluiden of gebaren als een raamwerk dat is neergelegd vóór de grotere thema’s
en vervolgens ongebruikt, begraven.
Eilanden in de verte. Mijn moeder die een schaal met kleine cakejes voorhoudt—
voor zover ik me herinner, onveranderd tot in het kleinste detail, het moment levendig, intact, nooit aan het licht blootgesteld, zodat ik opgetogen wakker werd, op mijn leeftijd hongerig naar het leven, volkomen zelfverzekerd—
Bij de tafels, plekken nieuw gras, het lichtgroen dat zich in de donkere bestaande grond nestelt.
Lente is zeker naar mij teruggekeerd, deze keer niet als een minnaar maar als een boodschapper van de dood, toch is het nog steeds lente, is het nog steeds teder bedoeld.
Louise Glück, born on April 22, 1943, in New York City, is the author of numerous books of poetry, including Faithful and Virtuous Night (Farrar, Straus, and Giroux, 2014), which won the 2014 National Book Award in Poetry. Glück served as a Chancellor for the Academy of American Poets from 1999 to 2004. She was the recipient of the 2020 Nobel Prize in Literature, and was the Library of Congress’s twelfth poet laureate consultant in poetry. Glück died on October 13, 2023, in Cambridge, Massachusetts.
The spring of the year; young men buying tickets for the ferryboats. Laughter, because the air is full of apple blossoms.
When I woke up, I realized I was capable of the same feeling.
I remember sounds like that from my childhood, laughter for no cause, simply because the world is beautiful, something like that.
Lugano. Tables under the apple trees. Deckhands raising and lowering the colored flags. And by the lake’s edge, a young man throws his hat into the water; perhaps his sweetheart has accepted him.
Crucial sounds or gestures like a rack laid down before the larger themes
and then unused, buried.
Islands in the distance. My mother holding out a plate of little cakes—
as far as I remember, changed in no detail, the moment vivid, intact, having never been exposed to light, so that I woke elated, at my age hungry for life, utterly confident—
By the tables, patches of new grass, the pale green pieced into the dark existing ground.
Surely spring has been returned to me, this time not as a lover but a messenger of death, yet it is still spring, it is still meant tenderly.
Toen ik jullie maakte, hield ik van jullie. Nu heb ik medelijden met jullie.
Ik gaf jullie alles wat jullie nodig hadden: bed van aarde, dek van blauwe lucht -
naarmate ik verder van jullie vandaan raak zie ik jullie steeds duidelijker.
Jullie zielen hadden al lang immens moeten zijn, niet wat ze bleven, kleine kletsende dingen -
ik gaf jullie ieder geschenk, blauw van de lenteochtend, tijd waarvan jullie het gebruik niet begrepen - jullie wilden meer, dat ene geschenk bestemd voor een andere schepping.
Wat jullie ook hoopten, jullie gaan jezelf niet vinden in de tuin, tussen de groeiende planten. Jullie levens zijn geen kringloop als die van hen:
jullie levens zijn een vogelvlucht die begint en eindigt in stilte - die begint en eindigt, een echo in vorm van deze boog tussen de witte berk en de appelboom.
De beste typering van Glücks poëzie die ik hoorde, was dat ‘alles wat ze aanraakt, verandert in muziek en legende’. Inderdaad, Glück hoort bij die club van dichters van wie het werk uit zichzelf zingt, waar de nadrukken liggen waar zij ze heeft bedacht (haar afbrekingen! let maar op), en een verhaal te vertellen heeft: een verhaal van compassie, van verwondering, van afkeer, soms, ook – en van lyrische woede: haar trefzekere, vrij recente gedichten over Persephone, gevangen gehouden door Hades, kunnen worden gelezen als een directe aanval op het patriarchaat: ‘She does know the earth/ is run by mothers; this much/ is certain. She also knows/ she is not what is called/ a girl any longer. Regarding/ incarceration, she believes// she has been a prisoner since she has been a daughter.’
Philip Huff De Groene Amsterdammer 14 oktober 2020
Avondrood
Mijn grootste vreugde is het geluid van jouw stem als die me roept zelfs in wanhoop; mijn verdriet dat ik je niet kan antwoorden in een spraak die je als de mijne aanvaardt.
Je hebt geen vertrouwen in je eigen taal. Dus hecht je gezag aan tekens die je niet nauwkeurig kunt lezen.
En toch bereikt je stem me altijd. En ik antwoord aanhoudend, terwijl mijn woede luwt naarmate de winter vergaat. Mijn tederheid zou je duidelijk moeten zijn in de koelte van de zomeravond en in de woorden die uitgroeien tot je eigen antwoord.
Niet alleen de zon maar de aarde zelf schijnt, wit vuur danst van de opzichtige bergen en de vlakke weg schittert in de vroege ochtend: is dit alleen voor ons, om een reactie uit te lokken, of ben jij ook ontroerd, niet in staat je te bedwingen in bijzijn van de aarde - ik schaam me voor wat ik dacht dat je was, ver weg van ons, dat je ons zag als een experiment: het is bitter om het wegwerpdier te zijn, bitter. Lieve vriend, lieve, huiverende bondgenoot, wat verrast jou het meest in wat je voelt, het stralen van de aarde of je eigen gevoel van verrukking? Zelf blijf ik me verbazen over die verrukking.