De zonnewagen, verteld door Ovidius Naso (slot)

close up of wheat at sunset
Photo by Viktoria Emilia on Pexels.com

Maar Moeder Aarde-ingesloten door de Oceaan,
terwijl veel zeeën en rondom geslonken waterstromen
reeds waren terug gekropen in haar donkere moederschoot-
hief dorstig haar tot aan de hals geschroeid gelaat ten hemel,
beschermde met een hand haar blik en deed haar lichaam met
een zware trilling schudden, toen bedarend, lag ze dieper
dan ze normaal lag, en haar stem klonk plechtig, toen ze sprak:

Als dit dan moet, als ik dit heb verdiend, waarom dan niet door
uw bliksems, Jupiter? Als ik moet sterven door het vuur,
laat mij dan sterven in uw vuur dat zou mijn dood verzachten.
Maar ik… ik krijg nauwelijks deze klanken uit mijn keel…!”
-haar stem werd door de rook verstikt- ‘zie mijn verschroeide haren,
zie in mijn ogen al die as, as tot in mijn mond!
Is dit de prijs die gij mij gunt, het loon voor al mijn zwoegen
en vruchtbaarheid? Voor ’t feit dat ik voortdurend wonden voel
van en en kromme ploeg, en dat ik ieder jaar bewerkt word,
groenvoer laat groeien voor het vee en voor het mensenras
het milde graan? En dat ik u, de goden wierook lever?
En stel dat ik zo’n ondergang verdiend heb -wat dan nog,
wat heeft de zee, uw broer, misdreven? Waarom wijkt het water
dat hem door’t lot werd toegedacht, steeds verder van de hemel?
Maar als u zich niet om uw broer bekommert noch om mij,
denk dan toch aan uw eigen hemel, kijk toch om u heen!
De beide polen branden al! Als zij door ’t vuur verzwakt zijn,
stort ook uw hemelwoning in! Zie Atlas, hoe hij zwoegt!
Als alles wordt vernietigd, aarde, zee en hemelrijk,
zijn wij weer terug bij Chaos, in de oertijd. Red wat nu nog
uit ’t vuur te redden valt, en denk toch om uw koninkrijk!’

Hier zweeg de Aarde want zij kon de hete lucht niet langer
verdragen en niet verder spreken. Ze verborg haar hoofd
binnen zichzelf, in diepe grotten, dichtbij de doden.

Gustave Moreau (1826-1898), De val van Phaëthon (1878), aquarel, hoogtepunt en potlood op papier, 99 x 65 cm, Musée du Louvre, Parijs. Wikimedia Commons.

In Gustave Moreau’s schitterende aquarel The Fall of Phaëthon (1878) is alles oranje aan het schroeien. De zonnewagen staat net op het punt neer te storten, Phaëthon is in nood in de strijdwagen, en de paarden trappelen in totale wanorde. Phoebus Apollo, getoond in een van zijn voorstellingen als een leeuw, achtervolgt de strijdwagen in paniek, en een enorme slangachtige basilisk of draak stijgt op van de aarde. Links wordt de maan getoond die net over de horizon gluurt, en de bliksemschicht van Jupiter vliegt naar beneden om Phaëthon te treffen. (Het Eclectische Lichtbedrijf geen AI)

Terwijl ik deze slotaflevering samenstel woeden in eigen land moeilijk blusbare branden in de Hoge Venen. Dichterbij de werkelijkheid kan ik je niet brengen.

Je voelt het bij elke zin. De ‘grote Baas’, Jupiter moet ingrijpen. En zeg nooit meer dat Latijn een ‘dode taal’ zou zijn!

-hij klom naar ’t punt
vanwaar hij altijd wolken uitzendt over wijde landen
vanwaar hij donder dreunen laat en bliksemschichten richt.
Maar nu ontbraken wolken om de aarde te bedekken,
nu kon hij ook geen regen sturen uit de lucht, maar wel
gaf hij een donderslag en met één goedgerichte bliksem,
dicht langs zijn rechteroor, schoot hij de wagenmenner van
zijn wagen af, het leven uit, en deed met felle vuurschicht
het andere vuur vergaan…

Phaëton zelf stort neer, terwijl het vuur nog rondraast in
zijn rosse haardos; in een grote boog , dwars door de lucht,
schiet hij omlaag, zoals een ster uit onbewolkte hemel
niet echt omlaag valt, maar de schijn kan wekken dat zij valt;
en ver van huis vangt de Erdanus, hoofdstroom in’t westen
hem in zijn water op en wast het roet van zijn gezicht.
De waternimfen van het Avondland leggen zijn lichaam,
nog smeulend van de bliksem, in een graf. Het grafschrift luidt:
‘Dit is het graf van Phaëton, de Zonnewagenmenner,
hij was te klein en stortte neer, zijn waagstuk was te groot.

Jacopo Tintoretto (c 1518-1594), Fall of Phaëthon (1541-42) (E&I 18), olieverf op paneel, afmetingen niet bekend, Galleria Estense, Modena, Italië. Afbeelding door Sailko, via Wikimedia Commons.

De vader, fel gepijnigd door verdriet, had met een sluier
zijn hoofd bedekt, en als het waar is wat men zegt, dan is
er één dag zonder zon geweest. Die dag hebben de branden
voor licht gezorgd. Zo had de hele ramp nog enig nut.
Nadat zijn moeder Clymene alles wat men bij zulke
rampen kan zeggen had gezegd, ging zij bedroefd, verdwaasd
haar kleed gescheurd in rouwbeklag, de hele wereld door,
eerst zoekend naar het dode lichaam, toen naar beenderen
en vond de beenderen, maar wel op een verre kust begraven.
Zij knielde bij die plek, plengde haar tranen op de steen,
waar zij zijn naam in las en die zij aan haar boezem drukte.

Wood Engraving, 19Th Century, After The Painting By Cornelisz Van Haarlem.

En verder? Vertellen we nog dat de zussen van Phaëton in barnsteen-bomen werden veranderd, een vrij pijnlijk gebeuren. De boomschors overdekte hun laatste woorden en sindsdien vloeien hun tranen als een vocht dat tot barnsteen stolt en als sieraad voor Latijnse meisjes wordt meegenomen.
Zijn vriend Cycnus verandert al rouwend in een soort vogel die zich ver van Jupiters hemel houdt, denkend aan zijn snelle vuur, zijn hals rekt uit en hij kiest zijn nest bij stromen die vuur-vijandig zijn. Een zwaan dus.
Daarna wil de zon niet meer schijnen.
’t Is genoeg, zegt hij van in het begin heb ik geen rust gekend.
Hij biedt de hemel zijn ontslag aan.
En als niemand nog met de zonnewagen wil of durft moet Jupiter het maar zelf doen.
(en je hoeft daarom nog niet te sterven als je de wagen slecht ment!)

Aldus zijn woorden. Alle goden vormen om de zon
een kring en smeken hem om asjeblief niet alles duister
te maken. Jupiter biedt zelf excuus aan voor het werpen
van bliksems, maar als opperheerser weet hij ook te dreigen.
Dan spant de Zon zijn dolle en nog steeds spichtige
paarden weer in en zweept er fel op los, bedroefd en razend
want in zijn razernij verwijt hij hen Phaëtons dood.

Een bekende redenering. Jupiter inspecteert de wereld en als hij ziet dat alles nog stevig en hecht is onderzoekt hij ook de aarde en de bouwsels van de mensen.

…Maar zijn grootste zorg geldt toch zijn eigen landstreek, Arcadië: bronnen, rivieren, zelf nog angstig om te stromen brengt hij weer op gang. En hij geeft het land weer grassen, bomen, loof, het aangetaste bos weer nieuwe kracht. Er komt nog een avontuurtje van Jupiter met Callisto maar zij wordt na het gedoe met ‘de grote dondergod’ door zijn ega in een beer veranderd.
Bijna wordt ze door haar eigen zoon Arcas gedood, maar zo ver laat Jupiter het niet komen. Hij laat hen beiden ‘vervoeren’ door de wind en geeft ze voor altijd een plaats aan de sterrenhemel. De Grote en de Kleine Beer. (Zij kan zich wel nooit meer baden want de Grote Beer gaat nooit onder in de zee!)

Vertaling van Ovidius Metamorphosen, M/ d’Hane-Scheltema. Atheneum Polak A’dam. 27-28ste druk. 2026

Muzikaal ook vertaald door Camille Saint-Saëns Opus 39 Phaéton 8’24”

De zonnewagen, verteld door Ovidius Naso (2)

golden sunset with silhouetted grass blades
Photo by Alban Mehmeti on Pexels.com

Ver moet je haar niet zoeken, de zon. Zij is deze dagen duidelijk aanwezig. (geweest)

In het Nederlands is zij vrouwelijk: De zomerzon is in het Nederlands een vrouwelijk zelfstandig naamwoord. Het is een de-woord, en hoewel het in het dagelijks spraakgebruik vaak wordt verward of onzijdig lijkt, wordt het traditioneel en in woordenboeken aangeduid als vrouwelijk. ANW (Algemeen Nederlands Woordenboek)

In Ovidius’ verhaal is de zon mannelijk. Hij is een God. Helios. En zijn zoon Phaëton wil hoe dan ook met de zonnewagen rijden die dagelijks gemend zijn pa Helios van de morgen naar de avond brengt. De gevleugelde paarden wachten ongeduldig onwetend dat Phaëton de zonnewagen zal besturen.

Intussen blazen Pyroïs en Eoüs en Aethon,
de vleugelpaarden van de Zon met Phlegon, nummer vier,
vlammend gehinnik uit, hun hoeven beuken aan het hek.
Als Thetys dat geopend heeft -niets wetend van het lot
van Phaëthon, haar kleinzoon -, als het wijde luchtruim lokt
kiezen zij snel hun pad; hun benen trappend door de lucht
en dwars door ’t hangend wolkendek, omhoog gevoerd op vleugels
jagen ze langs de wind die uit hetzelfde oosten blaast.
Maar het gewicht was licht. Het Zonnespan kon niet herkennen
wat het gewoonlijk voelde en het juk kreeg minder druk.
Zoals gewelfde schepen zonder juist gestuwde ballast
onzeker over zee gaan bij gebrek aan stevigheid,
zo mist de wagen zijn gewoon gewicht en gaat met sprongen
de lucht door, schokte omhoog, omlaag en lijkt wel onbemand.
Het vierspan voelt het, maar stuift voort, het laat de karrensporen
voor wat zij zijn, en loopt niet met de oude regelmaat.
De jongen schrikt, niet wetend wat hij met de teugels aan moet
noch waar de weg loopt, en dan nog…hoe stuwt hij hen daarheen?
Dit was nog nooit gebeurd
.

Phaeton
Agostino Veneziano (Agostino dei Musi) Italian
Designed(?) by Raphael (Raffaello Sanzio or Santi) Italian
ca. 1514–36

Ovidius heeft niet dadelijk een extra breed filmscherm nodig om ongeziene rampen in beeld te brengen. Het is ons allen bekend: ach was ik maar…En had ik maar nooit…Ook tweeduizend jaar geleden beseften stervelingen dat tussen willen en kunnen vaak onoverbrugbare afstanden liggen. Dat wat ons moet gidsen spookgestalten blijken en wat wij vreesden gebeurt: ‘Ook de aarde brandt, grasvlakten worden as, geboomte vlamt met loof en al, het droge veldgewas zorgt brandend voor zijn eigen brandstof.’

Ja toen…had hij maar nooit de Zonnepaarden aangeraakt,
nooit naar zijn afkomst willen vragen, nooit zijn zin gekregen!
Hij wil weer Menops zoon zijn, maar nu wordt hij meegesleurd
gelijk bij snelle noorderstorm een schip waarvan de stuurman
het roer laat gaan; goden en bidden zijn zijn laatste hoop…
Wat moet hij doen? Een groot stuk lucht ligt achter hem, maar voor hem ligt nog veel meer.

Hij schat de afstand van elk werelddeel,
kijkt naar het westen voor zich uit- hij zal het door het noodlot
niet meer bereiken-, kijkt ook naar het oosten achter zich.
Verlamd , niet wetend wat te doen, kan hij geen teugels vieren
noch strakker houden en de paardennamen kent hij niet.
Ook ziet hij rondom in de sterrennacht vreemde gestalten,
angstig ontwaart hij diergedaanten van enorm formaat.

Hij komt vlak langs de Schorpioen die daar zijn beide scharen
in holle bochten uitzet om met kromme armen én
zijn staart een breedte van twee sterrenbeelden in te nemen.
De jongen ziet hoe hij een sap met donker gif uitzweet
en zich gereedmaakt met zijn kromme angel toe te steken,
en laat, verstijfd van angst, geheel van streek, de teugels gaan.
Als die de paardenruggen raken en daar blijven liggen,
schieten de dieren opzij; nu zonder mensenhand,
gaan ze door onbekende luchtstreek, stuiven zonder richtlijn
waarlangs hun vaart hen meeneemt, botsend tegen de sterren aan,
hoog aan het hemeldak, sleuren de wagen waar geen weg is,
rennen nu eens omhoog, storten zich dan weer steil omlaag,
afgronden in die steeds meer dichter bij de aarde liggen,
zodat de Maan verbaasd is dat de paarden van haar broer
onder de hare langsgaan, en de wolken zwart geschroeid
gaan roken. Ook de aarde brandt, althans haar hoogste toppen,
de grond splijt scheurend open, door dat het vocht verdampt,
grasvlakten worden as, geboomte vlamt met loof en al,
het droge veldgewas zorgt brandend voor zijn eigen brandstof.

John Gibson Reliëf van Phaëton die de zonnewagen bestuurt. (marmer)

En, schrijft Ovidius, dit zijn dan nog de kleine klachten.
‘Grote steden gaan met muur en al teloor.
Het vuur doet landen met hun volken geheel tot as vergaan.
Bergen met bossen branden kaal.’

Hij noemt ze dan met naam, zelfs de berg der Muzen, de wieg van Orpheus.

Zo ziet Phaëton een aarde die langs alle kanten in brand staat. Tegen zoveel hitte is hij niet bestand. En zelfs de rivieren waren niet veilig, want de rook steeg uit de Don omhoog, en ook zij worden met naam en/of toenaam genoemd.
‘De Nijl was in paniek en is naar ’t eind der wereld weggevlucht, waar hij zijn hoofd tot heden toe verborgen houdt;’ (de bronnen van de Nijl bleven tot in de 19de eeuw onvindbaar)
Ook de zeeën trekken zich terug, een vlakte van droog zand vervangt wat water was.

‘Het hele aardvlak splijt uiteen, het licht dringt door de spleten
de Hades binnen en verschrikt het koningspaar der doden.’

Tijd voor moeder Aarde! Lees haar tussenkomst in een volgende aflevering om deze metamorfose af te ronden.

De zonnewagen van Trundholm (CC BY-SA 3.0 – Nationalmuseet – wiki)

Reisgezel (1): Robert Graves (1895-1985)

teenager looking through camera lens
Photo by Gizem Gökce on Pexels.com

1915

I’ve watched the Seasons passing slow, so slow,
In the fields between La Bassée and Bethune;
Primroses and the first warm day of Spring,
Red poppy floods of June,
August, and yellowing Autumn, so
To Winter nights knee-deep in mud or snow,
And you’ve been everything.

Dear, you’ve been everything that I most lack
In these soul-deadening trenches—pictures, books,
Music, the quiet of an English wood,
Beautiful comrade-looks,
The narrow, bouldered mountain-track,
The broad, full-bosomed ocean, green and black,
And Peace, and all that’s good.

Robert Graves (1895-1985)

vibrant red poppies in a sunny field
Photo by Yakup Tuğ on Pexels.com

1915

Ik heb de seizoenen langzaam voorbij zien gaan, zo langzaam,
In de velden tussen La Bassée en Bethune;
Sleutelbloemen en de eerste warme lentedag,
Rode papavers in juni,
Augustus en de vergelende herfst, tot
De winternachten, kniediep in modder of sneeuw,
En jij was alles.

Liefste, je was alles wat ik het meest mis
In deze zielsdodende loopgraven – foto’s, boeken,
Muziek, de stilte van een Engels bos,
Vriendelijke blikken van kameraden,
Het smalle, met rotsblokken bezaaide bergpad,
De brede, weelderige oceaan, groen en zwart,
En vrede, en al het goede.

Robert Graves

sunlight between trees in forest
Photo by Bart Ros on Pexels.com

Het gedicht „1915“, dat door wetenschappers wordt beschouwd als gericht aan Robert Graves’ jeugdliefde, G. H. „Peter“ Johnstone, verscheen in de bundel Fairies and Fusiliers (William Heinemann, 1917), die Graves schreef tijdens zijn diensttijd in de Eerste Wereldoorlog. Over de dichter schrijft Dustan Ward, een gepensioneerd hoogleraar Engels aan het University of London Institute in Parijs, in zijn essay ‘Poetic Correspondence: The Verse Letters of Robert Graves’, gepubliceerd in The Robert Graves Review, nummer 3: ‘Graves’ romantische visie op Johnstone had hem door alle verschrikkingen van de oorlog heen geholpen: ‘Lieve schat, je bent alles geweest wat ik het meest mis / in deze zielsdodende loopgraven,’ schreef hij. In oktober 1915 had hij [Johnstone] in idealistische bewoordingen beschreven als ‘mijn beste vriend, een dichter lang voordat ik er ooit een zal zijn, een stralend en ongewoon wezen.’”

Nog te koop bij veschillende boeken-antiquariaten

“De problemen van Graves’ problematische leven begonnen, zoals zo vaak, op kostschool waar hij gepest werd omdat hij anders was, een dichter en een Duitse naam had (Robert von Ranke Graves). Vijftig jaar later had hij er nog nachtmerries van. De Eerste Wereldoorlog komt aanvankelijk als een welkome onderbreking, maar de andere officieren aan het front blijken al net zulke xenofobische, lompe barbaren te zijn als de jongens die hij op school had meegemaakt. Bovendien was de oorlog niet, zoals verwacht was, voor Kerstmis afgelopen. Graves werd gewond en bleef vierentwintig uur op het slagveld liggen omdat men dacht dat hij dood was (op zijn eenentwintigste verjaardag). Het verslag dat hij in Goodbye to All That (Dat hebben we gehad) van deze ervaring en de rest van zijn jonge jaren geeft, is nog steeds het beste dat er over de Graves van toen verschenen is, vooral als men het leest met de door Paul O’Prey uitgezochte brieven bij de hand. Martin Seymour-Smith vertelt ons over deze periode nauwelijks meer dan we uit Graves’ autobiografie al wisten, maar over de jaren na 1918 is hij uitvoeriger. Graves, die zijn autobiografie in 1929 schreef, was nogal terughoudend over zijn kort daarvoor mislukte huwelijk, een leemte die met dit nieuwe boek is opgevuld.”

Vrij Nederland Boekenbijlage 1982. ‘Afgrijselijk boeiend Het leven en werk van Robert Graves. Antony Paul’ (1982 ) Lees dit bio helemaal via Vrij Nederland 1982:

https://www.dbnl.org/tekst/_vri013boek02_01/_vri013boek02_01_0227.php

Robert Graves, boeiende website:

https://robertgraves.org/galleries

In “Reisgezel” stellen we u graag boeiende persoonlijkheden voor, zoals Robert Graves. Zijn levensloop en werk als reisgids. ‘Careers’ maakt de bedoelingen (of pogingen) duidelijk:

Graves’ carrière besloeg het grootste deel van de 20e eeuw. Hij was als jongeman getuige van de ontwikkeling van het zelfbewuste begrip dat deze eeuw van haar eigen moderniteit had. Hij kwam bijna om het leven terwijl hij vocht voor zijn geloof in de natie en Engeland, in een tijd waarin moderne idealen het motto ‘voor koning en vaderland’ verdrongen door soms tegenstrijdige sociaal-politieke idealen. Hij was getuige van dezelfde omwentelingen en onderging veel van dezelfde beproevingen als zijn avant-gardistische tijdgenoten (zoals Breton, Soupault en Apollinaire in Frankrijk en T.E. Hulme, David Jones en Wyndham Lewis in Groot-Brittannië) tijdens de Eerste Wereldoorlog, maar schreef er, samen met andere dichters zoals Edward Thomas, Wilfred Owen en Siegfried Sassoon, heel anders over. Hij zag dat het weer de verkeerde kant op ging en besloot toen „Goodbye to All That“ te zeggen en het leven op zijn eigen voorwaarden te proberen.

Careers

Father is quite the greatest poet
    That ever lived anywhere.
You say you’re going to write great music—
    I chose that first: it’s unfair.
Besides, now I can’t be the greatest painter and
        do Christ and angels, or lovely pears
        and apples and grapes on a green dish,
        or storms at sea, or anything lovely,
Because that’s been taken by Claire.

It’s stupid to be an engine-driver,
    And soldiers are horrible men.
I won’t be a tailor, I won’t be a sailor,
    And gardener’s taken by Ben.
It’s unfair if you say that you’ll write great
        music, you horrid, you unkind (I sim-
        ply loathe you, though you are my
        sister), you beast, cad, coward, cheat,
        bully, liar!
Well? Say what’s left for me then!

But we won’t go to your ugly music.
    (Listen!) Ben will garden and dig,
And Claire will finish her wondrous pictures
    All flaming and splendid and big.
And I’ll be a perfectly marvellous carpenter,
        and I’ll make cupboards and benches
        and tables and … and baths, and
        nice wooden boxes for studs and
        money,
And you’ll be jealous, you pig!

Robert Graves

Geboren in 1895; Anglo-Ierse vader, Duitse moeder. Soldaat-dichter in WOI met zijn vrienden Sassoon en Owen. Na een mislukt eerste huwelijk en vier kinderen schreef hij afscheid van All That en trok zich terug in Mallorca met dichter Laura Riding (1929). Daar schreef hij zijn best verkopende I, Claudius (1934). Zelden behandelend hetzelfde onderwerp twee keer, leidde zijn roman Het Gouden Vlies hem naar zijn baanbrekende stelling over oude religies De Witte Godin (1948) en naar zijn Griekse Mythen. Hij was een bijbelgeleerde, biograaf, vertaler, maar vooral een dichter. Hij publiceerde meer dan 1200 gedichten. Hij werd verkozen tot hoogleraar poëzie aan Oxford (1961) en kreeg de Queen’s Medal for Poetry (1968). Hij ligt begraven in Deià, Mallorca.

Aspecten van de ‘metamorfose’(3) ‘Ovidius Naso’

De val van Phaëthon naar de Metamorfosen van Ovidius. 1590 (klik op de ondertitel en daarna op prent voor vergroting)

De rit van Phaëthon in de zonnewagen van zijn vader Apollo kent een rampzalige afloop. De paarden hebben de aarde in brand gezet. Rivierbeddingen komen droog te liggen en riviernimfen beklagen hun lot. Neptunus met drietand komt uit de zee omhoog en strekt zijn arm ten hemel. Moeder aarde, met stedenkroon verbeeld als Cybele, steekt haar hoofd uit de aarde en beschermt met een hand haar blik. Atlas zwoegt om het hemelgewelf te torsen. Jupiter gooit bliksemschichten en Phaëthon valt met wagen en al uit de hemel. Een gravure bij het verhaal uit ‘Metamorfosen’ van de Romeinse auteur Publius Ovidius Naso .

“Het jaar 762 ab urbe condita (8 v.C). Publius Ovidius Naso staat op het punt zijn omvangrijke “Metamorfosen” af te sluiten. Hij heeft zes jaar gewerkt aan de vijftien boeken die samen meer dan twaalfduizend versregels bevatten. In het lange gedicht verhaalt hij over 231 gedaanteveranderingen van goden en halfgoden, beginnend bij de schepping van de wereld en eindigend bij Caesar, de goddelijke Julius die in een ster veranderde.” (Marc Holthof ‘De Witte Raaf 1995)

De ontvoering van Europa

“Nog maar net klaar met de “Metamorfosen” of hij wordt verbannen door keizer Augustus. Reden onbekend. Paste hij met zijn frivole Grieks georiënteerde poëzie niet in de hervormingspolitiek van Augustus, of was hij betrokken bij een of andere politieke intrige? Ovidius verbrandde het manuscript van zijn “Metamorfosen”. Maar afschriften ervan waren gelukkig al bij zijn vrienden beland, zodat het werk bewaard bleef. Ovidius werd verbannen naar Tomis (het huidige Constanza in Roemenië) aan de Zwarte Zee. Hij schreef er treurzangen en zijn “Epistulae ex Ponto”, Brieven van aan de Zwarte zee – echte exilliteratuur. Hij stierf er in 17 na Christus, 60 jaar oud. Ook Augustus’ opvolger Tiberius heeft de verbanning van Romes beroemdste dichter nooit ongedaan gemaakt.” (ibidem)

Giambattista Tiepolo, Apollo en Daphne,1 74 3­1 74 5 . Het Louvre, Parijs © Fine Art Images/Heritage Images via Getty Images

“U kent allemaal de verhalen over Daphne die achtervolgd wordt door Apollo en veranderd wordt in een laurierboom, Echo’s ongelukkige liefde voor Narcissus, die zijn eigen spiegelbeeld prefereert en in een bloem veranderd wordt. De twee ouderlingen Philemon en Baucis, die als enigen in hun streek gastvrij zijn voor Zeus en door hem bij hun dood veranderd worden in in mekaar groeiende bomen. Er is het verhaal van Acteon de jager die per toeval de godin Diana naakt ziet baden en door haar in een hert wordt veranderd, dat dan prompt door zijn eigen honden verslonden wordt. Geniaal is de manier waarop Ovidius het moment beschrijft waarop de jager plots beseft dat hij de prooi geworden is. Er zijn Pygmalion, Midas, Ariadne, Jason en de Argonauten, Orpheus, de Centauren en vele, vele anderen. ” (ibidem)

Franz von Stuck Orpheus

Tegenover de proteïsche metamorfose plaatste auteur Canetti het masker. Hij meende dat het masker het definitieve einde was van de metamorfose tussen mens en dier, mens en plant: “Een eindtoestand van de metamorfose is het masker (de ‘figuur’). Eén van de eigenschappen ervan is dat het geen verdere metamorfose toelaat. Het masker (de figuur) is in al haar trekken omgrensd en duidelijk. Het is geen product van de natuur, maar een schepping van de mens. Het is een redmiddel uit het eeuwige fluïdum van de metamorfose. (…) Het masker onderscheidt zich door zijn starheid van alle andere eindtoestanden van de metamorfose (…) De betekenis van het masker is (…) juist eindtoestand te zijn. Het in mekaar vloeien van onduidelijke, half uitgeklaarde metamorfosen die eigen zijn aan de wonderlijke uitdrukkingsmogelijkheden die ieder natuurlijk menselijk gezicht bezit, mondt uit in het masker, het eindigt erin.”
Het masker, het vastleggen, vastroesten van de metamorfose is iets zeer negatiefs en gevaarlijks voor Canetti. Het heeft met macht en geweld te maken. “Masse und Macht”, zelf een zeer veelvormig metamorfisch boek, is in de eerste plaats een reflectie over het fascisme. En precies in het verstarren van een bepaald soort rationaliteit ziet Canetti (een beetje zoals Adorno en Horkheimer in hun “Dialectiek der Verlichting”) het ontstaan van het fascisme. Het fascisme, elke vorm van fundamentalisme, is niet metamorfisch, het is één, verstard en onveranderlijk. Het is, kortom, het duizendjarige rijk waar Augustus al van droomde.(ibidem)

Lees de bijdrage:

Andere bronnen:

Publius Ovidius Naso: Teksten in andere boeken/tijdschriften in DBNL

https://www.dbnl.org/auteurs/auteur.php?id=ovid001

https://www.groene.nl/artikel/ontembare-lusten – (vrouwonvriendelijk?)

https://www.rijksmuseum.nl/nl/zien-en-doen/tentoonstellingen/afgelopen/metamorfosen

https://www.koxkollum.nl/ovidius/ovidius.htm: leven en werk van Publius Ovidius Naso (met tekstvoorbeelden)

Wie ik geweest ben, ik, de speelse dichter van de liefde -
luister, dan weet u wie u leest, ook na mijn dood:
Sulmo was mijn geboorteplaats, omringd door koele stromen,
zo'n tienmaal negen mijl verwijderd van de Stad.
Daar zag ik dus het levenslicht en vraagt u naar een jaartal:
dat jaar stierven twee consuls in eenzelfde strijd.
Van ouds behoorde mijn familie tot de ridderklasse,
wat dat ook zegt ... Ik was bepaald geen parvenu,
ook niet de oudste zoon: toen ik verscheen was er een broertje
dat vier kwartalen voor mijn komst geboren was;
onze verjaardag mocht dezelfde Morgenster begroeten
en één dag werd met tweemaal offerkoek gevierd
tijdens de feestweek van de wapendragende Minerva,
en wel de eerste dag met gladiatorenbloed.

Tristia IV, 10; vert. M. d’Hane-Scheltema

Michele Tosini, Leda, ca. 1560–70. Galleria Borghese, Rome.
Daarom, omdat ik leef en zware moeilijkheden aan kan
en dit mistroostig daglicht mij nog niet benauwt,
ben ik mijn Muze dankbaar: zij komt steeds weer met vertroosting,
zij geeft mijn onrust rust, zij is mijn trouwe arts,
mijn leidsvrouw, mijn vriendin; zij voert mij mee, weg van de Donau
en biedt mij 'n zetel midden op de Helicon.
Zij gaf mij zelfs al bij mijn leven - en dat is vrij zeldzaam! -
verheven roem, zoals vaak opklinkt ná de dood;
en nooit heeft Afgunst, die de werkelijkheid kleineert, haar scherpe
jaloerse tanden in mijn poëzie gezet,
want al mijn levensdagen - toch een tijd van grote dichters -
is geen kwaadaardig woord gezegd over mijn werk.
Ik mag dan opzien tegen velen, maar word zelf niet lager
geschat dan zij: de hele wereld leest mij graag.

Welaan dan, als voorspellingen van zangers waarheid zingen,
zal ik, al sterf ik wel, niet echt begraven zijn
en of ik deze roem nu dank aan dichttalent of goodwill,
de meest verdiende dank geldt, lieve lezer, u!

Licht en lommerte (2)

‘Een rustige middag’ Frans Oerder (Rotterdam 1867-1944 Pretoria)

Le jardin et la maison

Voici l'heure où le pré, les arbres et les fleurs 

Dans l'air dolent et doux soupirent leurs odeurs.

Les baies du lierre obscur où l'ombre se recueille 

Sentant venir le soir se couchent dans leurs feuilles,

Le jet d'eau du jardin, qui monte et redescend, 

Fait dans le bassin clair son bruit rafraîchissant ;

La paisible maison respire au jour qui baisse 

Les petits orangers fleurissant dans leurs caisses.

Le feuillage qui boit les vapeurs de l'étang 

Lassé des feux du jour s'apaise et se détend.

- Peu à peu la maison entr'ouvre ses fenêtres 

Où tout le soir vivant et parfumé pénètre,

Et comme elle, penché sur l'horizon, mon coeur 

S'emplit d'ombre, de paix, de rêve et de fraîcheur…

Anna de Noailles (1876-1933)


Elin Danielson Gambogi Finland 1915 40 x 51 cm, De jonge naaldwerkers (1915)

Oud(er) en jong. In de lommerte, dat mooie antieke woord voor het gefilterd zonlicht. (mon coeur s’emplit d’ombre, de paix, de rêve et de fraîcheur.) Herinner je. Het was dat soort licht dat even na het midden van de 19de eeuw voor het verbeelden van ‘des impressions’ de statige verbeelding ondermijnde en het ogen-blik zichtbaar maakte, de beweging van licht en landschap. Het voortdurend veranderen van het bestaande. En met Hans Lodeizen kunnen zeggen: “Er is niets zo zoet als ’s avonds onder de bloemen te zijn’, probeer het eens…

Er is niets zo zoet als ‘s avonds
onder de bloemen te zijn,

probeer het eens
licht het dak op en
alle sterren komen los te zitten

als de tuinman met
zijn wilde spuit vele bloemen
van hun stelen rukt en
vrolijk een deuntje fluit
denkend aan de avond

ruik de
verlichting juist boven
de aarde, glimlachend
drinkend van het water

natuurlijk zijn wij
onder het dak vandaan
de tuin ingelopen.

Hans Lodeizen
Uit: Verzamelde gedichten
G.A. van Oorschot Amsterdam 1996

garden sprinkler watering lush green lawn
Photo by Sóc Năng Động on Pexels.com

‘Altijd als ik langs de A44 van Amsterdam naar Den Haag reed en ik naderde Oegstgeest keek ik eerst naar links naar de Willebrordkerk met het door geboomte omsingelde kerkhof waar zo langzamerhand een heel cluster van mijn familieleden vredig ligt te wachten tot op de dag der opstanding, hoewel de aanvliegroute voor engelen bemoeilijkt wordt door de oprukkende nieuwbouw. Daarna, als ik het viaduct over het Oegstgeesterkanaal passeerde, ging mijn blik naar rechts. Niet om het landschap dat Monet daar schilderde in ogenschouw te nemen, daar wist ik nog niets van. Maar dwangmatig moest ik het pad langs het kanaal zien en even die zondagse voettochten herbeleven in het vreugdeloze teken van Calvijn.’

Jan Wolkers, De schuimspaan van de tijd. Verzamelde essays (Amsterdam 2001), p. 455.

Maar als Wolkers in zijn werk een bij honderdduizenden lezers bekend monument voor Oegstgeest heeft opgericht, dan heeft Klaas Heeroma (1909-1972) dat in het verborgene op zijn manier gedaan. Deze neerlandicus, geboren op Terschelling en gestorven in zijn woonplaats Groningen, is bij het Groene Kerkje begraven in het graf van zijn zoon die kort na de oorlog op jonge leeftijd in Oegstgeest was overleden.
Als Muus Jacobse schreef Heeroma meer dan eens over het Groene Kerkje. Het gedicht ‘De kinderen’, met als motto ‘Groene Kerkje, Oegstgeest’, gaat indirect in op zijn eigen verlies:

De kinderen liggen zo klein
 Onder hun sprei van gras.
 Zij slapen zo lang en vast
 Achter het dicht gordijn.
 
 De tuinman schoffelt het pad
 En drenkt soms een dorstige plant
 Of strijkt met een zorgzame hand
 Van de bedjes het dorre blad.

Muus Jacobse, Het huisgezin. Gedichten (Kampen 1959), p. 27.
Bron: Jan Paul Hinrichs


Jan Paul Hinrichs (1956) publiceerde onder meer Vader van de slavistiek. Leven en werk van Nicolaas van Wijk (1880-1941) (2005; Engelse vertaling 2006) en C.C. Uhlenbeck (1866-1951): a linguist revisited (2009; bundelredactie met Inge Genee). Dit artikel over Oegstgeest is het tweede deel in een reeks van drie. (Digitale bibliotheek voor Nederlandse letteren. De Parelduiker jrg 18. (2013)

https://www.dbnl.org/tekst/_par009201301_01/_par009201301_01_0008.php

Het Groene Kerkje met begraafplaats in Oegstgeest

Hemelse hulp verbeeld en beletterd

Врубель_-_зішестя_святого_духа

Als kind al was ik gefascineerd door de vurige tongen boven het hoofd van de apostelen.

Niet door het verschijnsel zoals de heer Lucas het zou uitbeelden in een starwars-film, maar door de mogelijkheden, de transformatie van bange wezens in ontstekers van allerlei andere heilige vuren, niet in het minst door het spreken van allerlei talen zonder avondschool te hebben gevolgd.

Er waren vooreerst de bange wezens die zich hadden opgesloten in het wonderlijke cenakel, een woord dat bij mij telkens ronde vormen opriep, waar je dus in geen hoekje kon wegkruipen, en ondanks dat hij aan hun vrienden in Emmaus had duidelijk gemaakt dat hij bij hen was, ondanks Thomas en zijn anatomisch vingergepeuter in het lichaam van de Heer, zaten ze daar te rillen, want als er in mijn kinderlijke verbeelding angst optrad dan ging die gepaard met klappertanden en takke-tak van knikkende knieën en sidderende ledematen.

die_ausgiessung_des_heiligen_g

Daarbij kende ik mezelf als bang wezentje.
Wellicht is volwassenheid gewoon het genezen van de angsten die wij als klein wezen hebben gekend.
Als je geen voetballer bent, geen vechtjas (tenzij als kruisvaarder tegen de bende van de aangrenzende straat) geen brave hendrik of primus, maar een fantast die bij elke draai van de straat een draak verwacht, bij de schaduwen van de kastanjelaar de knoestige vingers om zijn kinderkeel voelt, een verhalenverteller kortom, dan ben je in het cenakel van de Boudewijn de Grote’s ‘o mijn kindertijd’ gevangen.

Ik kon mijzelf dus de luxe van een vurige tong boven mijn kinderhoofd best veroorloven, en toen de firma For You koude ijstongen op de markt bracht, frisco genoemd, werden in mijn verbeelding de vurige tongen werkelijk brandende frisco’ s waarvan het stokje zich in het hoofd van de apostel vast had gezet.
Ik vraag de heilige Geest vergiffenis, maar ik was nog ver van de Pardes Rimonim* van de Kabalist Moses Cordovero waaruit mijn grootvader vaak vertelde, maar misschien ben ik nooit zo dichtbij heiligheid geweest als toen, want de zuiverheid van beelden laat zich niet door de esthetica of theologie bepalen, maar ontspruit uit de mooie zin dat de geest waait waar hij wil, een geliefde uitspraak van mijn grootmoeder als mijn grootvader dronken was thuis gekomen.

pardes rimomim

*(Pardes Rimomim: Rabbi Simon ben Jochai verbindt Malchut, het mannelijk element in de kosmos met Tifireth, het vrouwelijk element in de echt in de ‘Pardes Rimmmonim, in de granaatappelboomgaard, een verhaal van de Joodse mysticus Ben Jacob Cordovero een oertekst uit de Kabbalah 1548)

Hortus_Deliciarum_Pfingsten_und_die_Aussendung_des_Heiligen_Geistes_auf_die_Apostel

Als ik uit mijn slaapkamer klom, stond ik ook op een plat dak, net zoals de bangeriken met hun brandende tongen op het dak waren geklommen, maar hoe ik ook mijn best deed om in het Frans of Hebreeuws, het Engels of Jiddisch te zeggen dat er mij iets goddelijks was overkomen, de woorden bleven in mijn mond steken toen ik mijn grootvader in zijn blootje in de grote witbuik-kerselaar zag zitten, waaronder mijn grootmoeder stond te roepen dat hij dringend naar beneden moest komen want dat de witbuiken van de kersen al genoeg aan de verbeelding overlieten zonder dat hij dat door zijn naakte transformatie moest benadrukken.

En hij sprak wel alle talen ter wereld (volgens mijn weten toen) al bleef het in werkelijkheid beperkt tot een scheldtirade in slecht Duits, dat ze niet moesten denken dat nu de forten rond Namen gevallen waren ze het zouden opgeven, en dat hij de architect van die forten (terecht) een proces zou aandoen, hoe konden ze jongens van zijn leeftijd zoiets aandoen, enz.

El Greco, Ausgiessung des Hl.Geistes

Later las ik in de schrift dat de mensen zich beneden op de straat hadden afgevraagd of die vurige polyglotten misschien dronken waren, en jawel, ik begreep het dadelijk, de vurige tongen kregen een lucht van Kempisch gebrouwen (De Keersmaeker) bier en Gentse jenever (Hertekamp), inderdaad ontvlambare materies, zeker toen ik aan een broeder van Liefde die mij onderwijs verstrekte, zei dat ze inderdaad dronken waren geweest, die schijtlijsters, want ik hoorde ook mijn opa alle talen spreken toen hij in een gelijkaardige toestand verkeerde.

De brave broeder, die zelf graag een glaasje lustte, antwoordde dat Gods wegen wonderlijk waren maar dat voor ons, zondige mensen, een Assimil-boekje een betere methode waarborgde om een vreemde taal te bemeesteren.

Botticelli, Sandro, 1444/1445-1510; The Descent of the Holy Ghost

Toch bleef Pinksteren zijn aantrekkingskracht behouden en de heilige Geest heb ik levenslang geëerd door alle duiven tegen gemeentebelangen in van graan en brokjes brood te voorzien, een taak door de geliefde nog steeds in praktijk gebracht.

Want de geest waait waar hij wil, en zijn bange kinderen kunnen er van meespreken al zijn ze intussen de tachtig voorbij.

Carl Jung noemde het ‘de geur van de Heilige Geest’, en met mijn dikke neus kan ik dat beamen.

De Heilige Geest mag dan al naar geestrijke drank hebben geroken, naar de witte drank uit de mooie Hertekamp-fles, hij troostte mij ook door mij beetje bij beetje met woorden  te wapenen om het woordeloze voortdurend te belagen en te belegeren.

Hij verlokte mij tot het “hierosgamos”, letterlijk ‘het heilige spel’, mooier dan het mystieke huwelijk, met andere lagen van het denken en het gewaarworden, en al vluchtte ik voortdurend, laf als we zijn, de walvis in, telkens weer was hij daar met zijn vurige For You en dreef hij mij, als verteller,  het schamele dak op om te stamelen in de talen die hij nodig achtte, liet hij me als heel klein zangertje meezingen in het verhalen-koor waarin tremendum et fasciosum, een element van het dagelijks bestaan ging uitmaken. (tremendum et faciosum:  bibberen en bewonderen!)

Hochfest-Pfingsten-Gottesdienste-und-besondere-Wallfahrten

Is het daarom dat er zich houtduiven in de atlasceder hebben genesteld?

Of weten ze gewoon dat de liefste hen van fruit en granen voorziet en op tijd de katten weghoudt als ze het op de Pinkstervleugels hebben gemunt.

Laat het aardse zich voortdurend met het hemelse vermengen en vice versa, al dan niet in homeopatische verhoudingen.

2-3_Pfingsten_1906__780x500_

(De bovenste wandschildering van Mikhail Vrubel komt uit de St. Cyril-kerk (aan de buitenkant in mooie pistachekleuren geschilderd) uit Kiev, Oekraine. Niet alleen de fraaie compositie trof mij maar ook het menselijke: kijk hoe elke heilige figuur zijn voeten op een tapijtje mag warm houden!)

169a3027e254dd6676988c57af13efd2v1_max_755x425_b3535db83dc50e27c1bb1392364c95a2

Klei en brons als teken van leven : Khaled Dawwa (°1985)

“Une cellule individuelle” (2016), terracotta and wood, 15 x 15 x 5 centimeters

Of ze nu in een doos zijn gevouwen, gebonden door koorden, of gefragmenteerd en gestapeld, deze reeksen naamloze figuren die door de in Parijs gevestigde Syrische kunstenaar Khaled DAWWA (°1985) zijn gemaakt, tonen duidelijk een vorm van opsluiting. Hun lichamen worden verwrongen in kooien of in elkaars armen geperst. Iedereen kijkt weg of naar beneden, een positie waardoor ze de macht missen om zich te bevrijden. Gegoten in dichte blokken, weerspiegelen de introspectieve sculpturen de voorkeur van de kunstenaar voor terracotta en brons. “Alles wat we uit de oude geschiedenis hebben ontvangen, is met deze twee materialen vorm gegeven.” verklaart hij.

Liberté” (2019), terracotta, 35 x 16 x 13 centimeters

Deze serie beelden noemde hij de Compressed serie. Ontstaan uit eigen ervaringen. In het Amerikaanse tijdschrift ‘Colossal vertelt hij: “Dit project werd geïnspireerd door mijn verblijf op verschillende plaatsen tijdens een korte periode: detentie en verplichte militaire dienst in Damascus voor vier maanden, dan naar Libanon voor een jaar en uiteindelijk aankomen in Parijs.

“Bij aankomst in Frankrijk voelde ik me in eerste instantie bevrijd van dit alles. Toen realiseerde ik me dat de Fransen hun leven leiden in een complex systeem dat hen verandert in “gecomprimeerde mensen” en dat we dit gemeen hadden. Dit is de eerste serie waarin ik kijk naar mensen buiten Syrië.” (Colossal)

Vorig jaar, 2025, presenteerde het museum ‘Beelden aan zee’ zijn installatie ‘Voici mon coeur!’ (Ziehier mijn hart.) Dit zes meter lange, hedendaagse oorlogsmonument uit de collectie van het Mucem heeft de vorm van een ruïneuze gevelwand in een door geweld geteisterd Damascus. Khaled Dawwa maakte het werk van ongebakken klei, waardoor het een extra kwetsbare uitstraling krijgt.

Je begint aan de ruïnes te wennen, maar stel je voor dat jouw woonplaats, jouw straat, jouw huis…

In onze bijdrages bespraken we meermaals gedichten van de Poolse dichter Adam Zagajewski. Dit gedicht verscheen in The New Yorker bij de aanslagen op de Twin Towers maar werd een jaar eerder geschreven. Een mooie vertaling van Gerard Rasch in Mystiek voor Beginners Meulenhoff 2003.

Probeer de verminkte wereld te bezingen

Probeer de verminkte wereld te bezingen
Denk weer aan die lange junidagen,
aan de rozijnen, de druppels van de rosé.
Aan de distels die de verlaten erven
van ontheemden stelselmatig overwoekerden.
Je moet de verminkte wereld bezingen.
Je hebt sierlijke zeiljachten en schepen gezien;
een ervan had een lange reis voor de boeg,
een ander wachtte slechts het zoute niets.
Je hebt vluchtelingen gezien die nergens heen gingen,
beulen gehoord die een lied van vreugde zongen.
Je moet de verminkte wereld bezingen.
Denk aan de momenten waarop jullie samen
in de witte kamer waren en de vitrage bewoog.
Keer terug naar dat concert, toen de muziek losbrak.
In de herfst verzamelde je eikels in het park
en de bladeren wervelden boven de littekens
van de aarde. Bezing de verminkte wereld
en het grijze veertje, dat een lijster heeft verloren,
en het zachte licht dat dwaalt en verdwijnt
en steeds terugkomt.

Conservator Dick van Broekhuizen van museum Beelden aan Zee, bezocht de kunstenaar in Parijs toen hij dit project bijna had voltooid. Een mooie documentaire door Studio Gerrit Schreurs, toont je opzet en uitvoering. Gebruik groot scherm.

Geboren in 1985 in Syrië, behaalde Khaled Dawwa in 2007 het diploma van de School voor Schone Kunsten in Damascus, beeldhouwsectie. Sindsdien verwees het werk van Khaled Dawwa naar een universum vol verwachting. Maar waar hij nog in miniatuur zijn gekwetste vaderland liet zien worden we nu dagelijks geconfronteerd met een levensgrote versie op diverse plaatsen; Gaza, Midden Oosten, Libanon, Oekraïne, Myanmar, Soedan, DR Congo, Jemen…Het werk van een kunstenaar verbindt die werelden en vraagt luidop naar het hoe en waarom. Het visualiseert deze wereld in een menselijk bevattelijk formaat en verbindt daardoor de grote wereld met ons dagelijks bestaan.

‘Uwe excellenties’. Khaled. Dawwa (Deborah Rakers)

Moedertaligheid (een kleine collectie)

Mother and young daughter smiling and embracing on a living room sofa
satisfied ethnic woman resting on bed with adorable son
Photo by Ketut Subiyanto on Pexels.com

“Luisteren, daar komt het toch allemaal op neer, als je moedertaal wil horen.
Mijn moeder zat aan mijn bed als ik niet kon slapen. Elke maandagochtend mocht iedereen iets vertellen over hoe het weekend was geweest, maar omdat ik nooit wat meemaakte in de Vinex-wijk waar we woonden, zei ik nooit de waarheid. Soms had er een begrafenis plaatsgevonden, een reis naar Spanje, een erge ziekte die we in het weekend ternauwernood hadden overleefd. Ik geloof dat ik mezelf in de nesten had gewerkt, dat ik daarom wakker lag. Mijn moeder schreef met een pen, ‘nooit meer liegen’ op de muur, dat stelde me gerust, denk ik, want ik weet dat ik in slaap viel. Ik geloof dat ik er wel vrede mee heb dat dit grandioos is mislukt, op het lachwekkende af. Die nacht, zij en ik samen, een toestand waarin je de waarheid over al je verzinsels kan vertellen, dat zie ik, dat voel ik geloof ik zelfs, als ik het woord moedertaal hoor.”

Rebekka de Wit. De Groene Amsterdammer. 22 april 2026. We zijn gezien (fragment)

tender black and white newborn baby portrait
Photo by Natalia Olivera on Pexels.com
Misschien slaapt er nog iets diep in je hoofd

iets van de taal van je moeder

want taal kan slapen – je probeert te bedenken

wat je droomde terwijl de droom alweer verdwijnt

in een steeds donkerder wordende schemer nog

voor je de woorden ervoor terugvindt

bij het woord moedertaal zie ik een oude foto
een schemerdonkere slaapkamer en in het bed

een jonge vrouw met in haar schoot

een pasgeboren kind – mijn moeder en ik

ze buigt zich over mij en haar gezicht is

nadenkend alsof ze zich afvraagt wie ik ben

mij zoekt en zoekt naar woorden voor mij
ik herinner mij niets van wat ze zei maar

dat is misschien de taal van je moeder

slapende geluiden in je hoofd

Moedertaal Rutger Kopland 

Uit: Over het verlangen naar een sigaret (2001)
silhouette of faces touching with noses
Photo by Dasha on Pexels.com

In “Hedendaags Fetisjisme” schrijft Carry van Bruggen:

“Tegen de collectiviteitsgeest der middeleeuwen, die aan allen dezelfde uniformiteit wilde opdringen, weerde zich het humanistisch individualisme. Tot die uniforme gebruiken behoorde ook het algemeen (“katholiek”) gebruik van het Latijn. De humanist nu wilde noch het algemene dogma, noch de algemene zienswijze, noch de algemene zede, noch de algemene taal. Tegen zede, dogma, zienswijze stelde hij zijn persoonlijke levensbeschouwing en tegenover de gangbare taal zijn persoonlijke taal. Nu kan het individu, althans in eigen schatting, eigen zede, dogma en zienswijze hebben maar geen eigen taal. De taal, die hem als “eigen” aandoet, is uiteraard de taal van zijn eigen omgeving, stam, land. Zo krijgt de strijd voor eigen taal ten onrechte het aanzien van een strijd voor de landstaal en kan aldus door het nationalisme worden uitgebuit. Doch de strijd der humanisten voor het Italiaans en tegen het Latijn was nimmer de strijd tegenover een overheersend Latijns ras – dat immers niet bestond – maar tegen een opgedrongen geestelijke uniformiteit”.

Literatuur: Carry van Bruggen: Hedendaags Fetisjisme, derde druk 1980.

Lees:

https://www.dbnl.org/tekst/_for004198101_01/_for004198101_01_0026.php

https://www.dbnl.org/titels/titel.php?id=brug004hede01 (Hedendaags fetischisme)

Stilleven met een gedicht over de schoenmaker die het werk van Apelles misprijst, eindigend met de zinsnede Finis Coronat Opus.(1665)
Anthonius Leemans – http://www.rijksmuseum.nl/collecti
ABN 1

Het woord is vlees. Zo was het vroeger:
ik liep verloren, zij haalde mij in
aan een draad die de hele wereld snoerde.
Ik hing aan de moedertaal, ik sprak blind.

Nu ben ik alleen. Ik spreek voorzichtig,
leef in een taal die ik zwijgend niet ken.
De draad trekt strak, ik schrijf gedichten,
bewijzen die ik naar de hoofdstad zend,

op zoek naar het oog van de wereld,
waarin ik zwijgend niet kan bestaan.
Het woord is vlees, maar niet vanzelfsprekend.
Ik hang als een teek aan de taal.


© Charles Ducal, 1994/2014
Gustav Klimt Moeder en Kind

Grieks en Latijn, een mooie basis voor kunst en wetenschap en daarnaast Frans en in poësis en retorica twee uurtjes Duits en Engels per week. Eerlijkheid gebied te zeggen dat het, eens in het volle leven, vooral de praktijk was, werk in het buitenland, nieuwsgierigheid naar literatuur die je aanzette om meertaligheid te ervaren.

“Meertaligheid is ook een zegen. Alle talen drukken de werkelijkheid op een andere manier uit en leveren dus een bijdrage tot echte diversiteit, waar pluralisme. Als een taal sterft, verschraalt de wereld. Wie meerdere talen spreekt of begrijpt, leeft meer levens, ontwikkelt meer perspectieven op de werkelijkheid, dringt meer door tot andere culturen en mensen, wordt misschien empathischer.” (Luc Devoldere Knack 2021)

Mijn taalmoeders, ik ervaar hen eerder als oma’s, voelden zich de laatste tijd miskend nu vlotte vertaalprogramma’s de klus al vrij behoorlijk klaren. Die van het territorium krijgt het gevraagde respect maar de wederkerigheid ontbreekt wel eens. Of moet je in je eigen hoofdstad de Britse granny als aanvaardbare middenweg verwelkomen? Ik citeer nog eens Luc Devoldere:

“Fransen hebben het concept van het “Néerlandais de courtoisie“geïntroduceerd: met een set van enkele tientallen woorden en wendingen kun je het ijs breken, zijn goede wil bewijzen. Ik onderschat deze strategie, deze captatio benevolentiae niet, maar het democratisch deficit blijft, en de strategie is hoogstens een opstap.”

Laten we de oma’s even terzijde babbelen, het principe van ‘luistertaal’ -ik begrijp de vreemde taal van een ander maar spreek ze niet- zal door de vergevorderde automatische vertaaltechnieken elke andere taal dan de mijne herleiden tot ‘om te zetten taal’ waardoor het taaldenken, eigen aan elke taal, terra incognita blijft.

De oma’s knikken en schudden daarna het oude hoofd.

elderly women sitting on bench
Photo by Daria Kruchkova on Pexels.com
Boomgaard

 Woorden weten van zichzelf niet waarvoor ze
 gemaakt zijn - en zo is het met alles in de wereld
 niets weet waarvoor het er is
 en ook wij weten het niet
 
 ik kijk door het raam de boomgaard in en zie hoe
 woorden voor vogels bomen gras, voor wat er is daar
 daar niets betekenen en ook de boomgaard zelf
 heeft geen betekenis
 
 in mijn hoofd zoekt iemand naar woorden voor
 iets dat nog geen gevoel is en nog geen gedachte
 
 en langzaam begin ik te voelen en te denken
 dat ook de boomgaard daarnaar zoekt - dat wij
 hetzelfde zoeken, de boomgaard en ik.
 
 
 Rutger Kopland
springtime cherry blossom trees in karlsruhe park
Photo by Xavier Messina on Pexels.com

Waar de wind waait? Een collectie

“De wind voert ieders lot mee”, luidt de korte samenvatting van de kortfilm getiteld “Jour de Vent”, oftewel “Winderige dag”. Deze indrukwekkende animatiefilm werd in 2024 gemaakt door een team van zes afgestudeerden – Martin Chailloux, Ai Kim Crespin, Élise Golfouse, Chloé Lab, Hugo Taillez en Camille Truding – van de École des Nouvelles Images in Avignon, Frankrijk. En zoals blijkt: eind goed enz. Maar eer het zo ver was, bekijk (op groot scherm) het winderige avontuur ‘boven de wolken!’

Vierhoog in de wolken, ja daar leefden wij
In een stad die niemand beter kende dan wij
Met planten en een kat die 't behangpapier opkroop
En achter vliegen joeg, de muizen waren lang dood

't Was een steile trap die leidde naar vierhoog
'k Beklaag nog de verhuizers, maar het was er zo mooi
Een parasol uit China, een poster van James Dean
Een venster van waaruit je over daken kon zien

Vierhoog in de wolken, ja daar woonden wij
Onder ons de wereld heel ver maar dichtbij
Met een kast vol platen die weemoed binnenhoudt
En een bed dat danste zoveel als je wou

Leven van de liefde, leven van de dauw
Een sprookje dat niet duurt begint met ik hou van jou
Dag parasol uit China, dag poster van James Dean
waarop staat te lezen "Boulevard of Broken Dreams"

Johan Verminnen

Keer ik terug naar ‘de vroegste dagen’ dan hoor ik

‘Hoor de wind waait door de bomen.
Makkers staakt uw wild geraas!’

En meteen was het stil om ‘het heerlijk avondje’ waardig te worden. ‘’t Avondje van Sinterklaas!’
‘Het wild geraas’ is momenteel langs alle kanten waarneembaar. En het prachtige gedicht van Adriaan Roland Holst ‘Zwerversliefde’ een poging tot troost.

fallen maple leaves on the ground
Photo by Brendan Rühli on Pexels.com
Zwerversliefde

.Laten wij zacht zijn voor elkander, kind –
want o, de maatloze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie’ in de oude wind.
.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotse hoge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind –
.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same’ in ’t oude waaien zwijgen
binnen één laatste droom gemeenzaam zijn.
.
Veel liefde ging verloren in de wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom – voor we elkander weer vergeten –
laten wij zacht zijn voor elkander, kind.


Adriaan Roland Holst (Verzamelde Gedichten 1948)
wind sculpted sand dunes on norderney beach
Photo by Dirk Pothen on Pexels.com
‘Als je tegen de storm in moet trappen, als je tent is weggefladderd,
als de vrachtwagen is gekanteld en je baas je uitfoetert aan de
telefoon, als je nu al weet dat je te laat zult komen voor het enige
sollicitatiegesprek waar je dit jaar voor bent uitgenodigd omdat
de bovenleiding geknapt is, als je oogst geknakt is, als je dak is
opgestegen in één enorme vogelvleugelslag, als je naast je motor
ligt op een verlaten landweg terwijl het hard regent, het tot je
doordringt dat je je geliefden nooit mee zult zien, dan ben ik
bij je, ik blijf bij je, ik strijk zacht door je haar, verkoel je bezwete
voorhoofd, wees niet bang, ik ben hier.’

Hanz Mirck (2025. Labberkoeltje. Uitgeverij Magonia, 118 blz. € 22,95. ISBN 9789492241856

“Een labberkoelte is een flauwe wind, waarbij de zeilen van een schip niet gespannen staan, maar zachtjes heen en weer bewegen, of zoals Mirck het zelf noemt: ‘een aarzelaar die eraan twijfelt of hij het waard is om onderwerp van twijfel te zijn’. Hij legt deze woorden in de mond van de wind, want in deze bundel is de wind aan het woord”
(Meander Literair E-magazine voor Nederlandstalige Poëzie)

sailboat against cityscape at dusk
Photo by Bráulio jardim on Pexels.com
De wind om het huis

Waar heeft rondom het huis de wind het over?
Achter geloken oogen gaat het huis teloor
en wandel ik weer langs een oever
van het verleden, en er is geruis
van water en van riet, vooral van water.
Een blij kind roept mijn naam – werd ik ooit oud?
Ver van de kudde staat een schaap te blaten
als vele jaren her, en ik werd oud.
De wind gaat liggen en de lucht betrekken:
sterven brengt ander weer, ik wist het wel.
Weldra kan ook geen blij kind mij meer wekken.
Dan gaat de dood sneeuwen, en het wordt stil.

A. Roland Holst (1888-1976)
serene winter sunrise with snow covered landscape
Photo by Johanna on Pexels.com

Bioloog Andreas Weber: ‘Zelfs de wind heeft een innerlijk’


Volgens filosoof en bioloog Andreas Weber schiet de moderne wetenschap tekort om leven te beschrijven. ‘We begrijpen het leven poëtisch.’
“Ik zie de realiteit als een ervaring, een web van relaties dat steeds op zichzelf reageert. Dat gaat in tegen de gangbare wetenschappelijk opvatting, die de te onderzoeken werkelijkheid tot materie reduceert. Deze wetenschap ziet de wereld, elk organisme, zelfs ons eigen lichaam, als een object, een ding, een soort machine. Maar machines zijn statisch, en leven is dat allerminst. Terwijl ik dit zeg hebben er tienduizenden DNA-defecten in mijn cellen plaatsgevonden, die ook alweer gerepareerd zijn. Levende wezens zijn continu bezig met uit elkaar vallen en zichzelf weer genezen. De wens te blijven bestaan verraadt het bestaan van een zelf, een innerlijk dat zichzelf in zekere zin waarneemt en keuzes maakt. Zo’n zelf heeft een eigen lichaam, met eigen gevoelens, en een eigen perspectief, maar valt niet te herleiden tot pure materie.’


Maar iets levenloos zoals de wind is toch geen individu?
‘Ook de wind, die we als een levenloos element zien, is relationeel en wordt waargenomen. Bijvoorbeeld wanneer een briesje zacht langs onze huid strijkt. De wind neemt zichzelf misschien niet waar zoals een kikker dat doet – die lijkt daarin veel meer op ons – maar zelfs de wind heeft een zekere innerlijke ervaring.’
‘Elke innerlijke ervaring uit zichzelf op een zintuigelijke manier. Denk bijvoorbeeld aan de katjes van de hazelaar: die zijn een uiting van leven. Ze roepen: “We zitten barstensvol leven en de vreugde van de voortplanting!” Ze zeggen dat niet in een talige formulering – ze doen het gewoon. En wij begrijpen dat vanuit onze eigen belichaamde ervaring, als een poëtische gewaarwording. Alles in de werkelijkheid staat in een dergelijke poëtische verhouding tot elkaar: alles praat over zichzelf, maar niet op een rationele, beschrijvende wijze.’

Eén van de lessen die we als maatschappij kunnen leren is dat we niet zo zwaar moeten tillen aan de dood. Ik zie de dood als een transformatie, van een individueel perspectief naar het perspectief van het geheel. Als je denkt dat de dood een definitief einde is, legt dat enorme druk op onze korte levensduur. Met zoveel druk kun je geen tedere relatie met de wereld opbouwen. Je verliest jezelf in de dreiging van het einde.’


(Filosofie Magazine Robin Atia 13 maart 2024)
https://www.filosofie.nl/bioloog-andreas-weber-zelfs-de-wind-heeft-een-innerlijk/

close up of yellow and white pussy willow buds
Photo by Roman Biernacki on Pexels.com

Kleine en grote geschiedenis? Een paasbrief.

bright yellow daffodils under blue sky
daffodil close up
Photo by Mariya Muschard on Pexels.com

Om drie uur begon de sirene op het stadhuis luid te loeien. Dat was dus het uur. Meestal nog op school kon meester of broeder ons wijzen op dat heilig moment waarop Jezus aan het kruis was gestorven. Wij waren enkele minuten werkelijk stil.
Goede Vrijdag 1952. Ik was dat jaar in februari acht geworden. En overmorgen zou het Pasen zijn, de dertiende april. Was dat geen ongeluksgetal, die dertien? Churchill liet op de radio horen dat zij, de Engelsen, ook een atoombom hadden. En de Russen al een tijdje daarvoor hun atoomwapen, ‘Eerste Bliksem’ gedoopt. Pasen 1952 bleef de wereld stil. De gekruisigde was verrezen. Op stille zaterdag waren de klokken terug uit Rome. Mijn broertje en ik vonden kleine en enkele grote chocolade eieren in de tuin. Het was helemaal geen ongeluksdag. Half bewolkt was het en het bleef droog.

bright yellow daffodils under blue sky
Photo by Michael on Pexels.com

Het dagelijks gebeuren heeft -soms weinig zichtbaar- de geschiedenis in of achter de rug. De betekenis van ‘achter de rug’ lijkt op het voorbije te duiden, maar al wordt geschiedenis meestal na afloop zichtbaar, haar aanwezigheid in het heden, al dan niet verdrongen, is, vooral na afloop, zichtbaar te maken door de verhalen van getuigen, documenten en beeld- en klankmateriaal.
De verteller herinnert zich zijn eigen kleine maar ook elementen van de wezenlijke geschiedenis. Geboren in de uitlopers van de tweede wereldoorlog is hij als baby, peuter en kleuter aanwezig in de weinig ordelijke natijd van de tweede wereldoorlog. Het jaar na de beschreven paastijd zal ook de televisie een rol gaan spelen in het dagelijks leven.(1953)

Zo zal het tot 1963 duren, het begin van de Frankfürter-Auschwitz processen, de gruwelmachine van de kampen door getuigenissen zal doordringen tot in de huiskamer al was tijdens het Eichmann proces in Jerusalem 1961 al een beklemmend beeld ontstaan van het mechanisme, de banaliteit van het kwaad, om Hanna Arendt te citeren. Toch moet je die banaliteit niet als excuus beschouwen, de misdaden van Eichmann vloeiden rechtstreeks voort uit de extremistische ideeën van het nationaal-socialisme, waar hij vol overtuiging in geloofde. Arendt heeft van een extreme SS’er een gehoorzame ambtenaar gemaakt.’ (ik citeer Tom Bouwmeester in ‘Het kwaad: banaal of demonisch?’ in Filosofie Magazine 4 december 2012). Een middenweg?

Michelangelo Buonarroti (Caprese 1475-Rome 1564) Archers Shooting at a Herm c.1530
Red chalk (two shades) | 21.9 x 32.3 cm (sheet of paper)
(vergroot door op onderschrift te klikken.)

Steeds gedwongen tot ‘verlaten’ is heimwee niet uit te sluiten.
Wil je leven dan komt er een moment dat je je moeder ‘letterlijk’ verlaat. Je wordt geboren. Je blijft mogelijk levenslang in haar innerlijk, maar het uitstappen hoort bij het wezenlijke. Op stap naar/met de anderen. Het verlaten of verlaten worden door geliefden, denkbeelden of het tekort aan inzichten, elementen die een mens tot mens maken. Begrijp dus de ontroering en de wanhoop bij de woorden van een liefhebbend mens op het slavenkruis: “Mijn God waarom heb je mij verlaten?”

Het is een fragment uit psalm 22:

Mijn God, mijn God
waarom hebt U mij verlaten?
U blijft ver weg en redt mij niet,
ook al schreeuw ik het uit.

In het Hebreeuws klinkt de eerste regel ongeveer als dit: ‘Eli, Eli, lama sabachtani?’ 

Een wondermooie uitvoering Psalm 22 Felix Mendelssohn ‘Mein Gott, warum hast du mich verlassen SWR Vokalensemble



Mendelssohn schreef het werk “Mein Gott, warum hast du mich verlassen” (opus 78 nr 3) in een turbulente fase van zijn leven. Een van de beroemdste musici van die tijd 1843-1844 maar verscheurd tussen verschillende verantwoordelijkheden.

-Conflict met Berlijn: Mendelssohn was door de Pruisische koning Friedrich Wilhelm IV aangesteld als Generalmusikdirektor voor kerkmuziek. Hoewel hij deze psalm specifiek voor het koor van de Berliner Dom schreef, was hij diep gefrustreerd door de bureaucratie en de starre houding van de geestelijkheid in Berlijn.
-In 1843 en 1844 pendelde hij voortdurend tussen Berlijn (voor zijn koninklijke verplichtingen) en Leipzig (waar hij het Gewandhausorchester leidde en het conservatorium had opgericht). Deze periode was fysiek en mentaal uitputtend voor hem.

Hoewel Mendelssohn lutheraan was gedoopt, bleef hij trots op zijn joodse afkomst. Zijn werk met de psalmen was een poging om de protestantse liturgie te vernieuwen door terug te grijpen naar de wortels van de bijbelteksten en de polyfonie van Johann Sebastian Bach.
Een mengeling van succes en tragiek, zo zou je deze periode tot aan zijn dood in 1847 kunnen noemen. Succes in 1846 met zijn oratorium ‘Elijah’ in 1846, (premiere in Birmingham Engeland) maar als het jaar daarop in 1847 zijn geliefde zus Fanny sterft zal hij niet lang daarna een beroerte krijgen en datzelfde jaar overlijden. Zijn laatste grote werk, het Strijkkwartet nr. 6 in f-mineur, schreef hij als een rauw en emotioneel eerbetoon aan zijn zus.

(samengesteld met hulp van AI Google)

Christusdoorn

De Christusdoorn



In mijn toren van vergaan ivoor

Staat een oude Christusdoorn; hij bouwt

Met zijn stekels bars een wenteltrap

Naar de hemel; daaglijks, voet voor voet,

Volg ik hem, soms met het blote oog

Bijna rakend aan zijn pantsertuig:

Zwaarden worden dan zijn stekeldoornen,

Zwaardviszwaarden, lemmeten van wilden,

Messen van nomaden, Moorse dolken;

Maar naarmate, hoger in de hemel,

Klimmend, kleiner wordend, klauterende

Ik hem volg, verschraalt geheel, verschrompelt

't Wapenarsenaal en 'k zie de bloem

Als een spijker in de top geslagen,

Als een rode spijker die hij kleurt

Met zijn bloed: o raadsel der genade.




Bertus Aafjes (1914-1993)
monochrome stairs leading to sky
Photo by Rino Adamo on Pexels.com

Ik ben omdat wij zijn’
Dat is een gezegde van de Zuid Afrikaanse filosoof Mogebe Ramose.(1950)
Denk je vanuit het wij dan komt het ik pas echt tot zijn recht.
Dat klinkt wonderlijk zo:
Umuntu ngmuntu ngabantu: Ik ben omdat wij zijn.

umuntu = een persoon
umuntu ngmuntu = een persoon is een persoon
ngbantu = door mensen

Luidop kun je er makkelijk een vinnig ritme van maken.
Met begeleiding allerhande. Vanuit het hart.
Zalige paasdagen gewenst.

Kijken en bekeken (2) Louise Glück gedichten

green trees during golden hour

Bij de herdenking van de aanslagen tien jaar geleden, met de moeilijke tijden wereldwijd dezer dagen, het gedicht ‘Vita Nova’ en andere gedichten van de Amerikaanse dichteres, Nobelprijs-winnares(2020) Louise Glück (1943-2023) met verwijzingen naar haar leven en werk.

close up shot of pink cherry blossoms in bloom
Photo by Ralph on Pexels.com

Vita Nova
Louise Glück

Je hebt me gered, je zou me moeten herinneren.

Het voorjaar; jonge mannen die kaartjes kopen voor de veerboten.
Gelach, omdat de lucht vol appelbloesem hangt.

Toen ik wakker werd, besefte ik dat ik hetzelfde gevoel kon ervaren.

Ik herinner me zulke geluiden uit mijn kindertijd,
gelach zonder reden, simpelweg omdat de wereld mooi is,
zoiets.

Lugano. Tafels onder de appelbomen.
Matrozen die de gekleurde vlaggen hijsen en strijken.
En aan de oever van het meer gooit een jonge man zijn hoed in het water;
misschien heeft zijn geliefde hem aanvaard.

Cruciale
geluiden of gebaren als
een raamwerk dat is neergelegd vóór de grotere thema’s

en vervolgens ongebruikt, begraven.

Eilanden in de verte. Mijn moeder
die een schaal met kleine cakejes voorhoudt—

voor zover ik me herinner, onveranderd
tot in het kleinste detail, het moment
levendig, intact, nooit
aan het licht blootgesteld, zodat ik opgetogen wakker werd, op mijn leeftijd
hongerig naar het leven, volkomen zelfverzekerd—

Bij de tafels, plekken nieuw gras, het lichtgroen
dat zich in de donkere bestaande grond nestelt.

Lente is zeker naar mij teruggekeerd, deze keer
niet als een minnaar maar als een boodschapper van de dood,
toch is het nog steeds lente, is het nog steeds teder bedoeld.

(Vita Nova Ecco Press 1999)

cherry blossom flower on tree branch
Photo by Alexandru Taradaciuc on Pexels.com

Louise Glück, born on April 22, 1943, in New York City, is the author of numerous books of poetry, including Faithful and Virtuous Night (Farrar, Straus, and Giroux, 2014), which won the 2014 National Book Award in Poetry. Glück served as a Chancellor for the Academy of American Poets from 1999 to 2004. She was the recipient of the 2020 Nobel Prize in Literature, and was the Library of Congress’s twelfth poet laureate consultant in poetry. Glück died on October 13, 2023, in Cambridge, Massachusetts.

a close up shot of a white cherry blossom
Photo by Pexels User on Pexels.com
Vita Nova
Louise Glück


You saved me, you should remember me.

The spring of the year; young men buying tickets for the ferryboats.

Laughter, because the air is full of apple blossoms.

When I woke up, I realized I was capable of the same feeling.

I remember sounds like that from my childhood,   

laughter for no cause, simply because the world is beautiful,

something like that.

Lugano. Tables under the apple trees.

Deckhands raising and lowering the colored flags.

And by the lake’s edge, a young man throws his hat into the water;

perhaps his sweetheart has accepted him.

Crucial

sounds or gestures like

a rack laid down before the larger themes

and then unused, buried.

Islands in the distance. My mother   

holding out a plate of little cakes—

as far as I remember, changed

in no detail, the moment

vivid, intact, having never been

exposed to light, so that I woke elated, at my age   

hungry for life, utterly confident—

By the tables, patches of new grass, the pale green 
pieced into the dark existing ground.

Surely spring has been returned to me, this time   

not as a lover but a messenger of death,
yet   
it is still spring, it is still meant tenderly.
close up shot of pink cherry blossoms in bloom
Photo by Cosmin on Pexels.com

Lees over leven en werk van Louise Glück:


Afnemende wind

Toen ik jullie maakte, hield ik van jullie.
Nu heb ik medelijden met jullie.

Ik gaf jullie alles wat jullie nodig hadden:
bed van aarde, dek van blauwe lucht -

naarmate ik verder van jullie vandaan raak
zie ik jullie steeds duidelijker.

Jullie zielen hadden al lang immens moeten zijn,
niet wat ze bleven,
kleine kletsende dingen -

ik gaf jullie ieder geschenk,
blauw van de lenteochtend,
tijd waarvan jullie het gebruik niet begrepen -
jullie wilden meer, dat ene geschenk
bestemd voor een andere schepping.

Wat jullie ook hoopten,
jullie gaan jezelf niet vinden in de tuin,
tussen de groeiende planten.
Jullie levens zijn geen kringloop als die van hen:

jullie levens zijn een vogelvlucht
die begint en eindigt in stilte -
die begint en eindigt, een echo in vorm
van deze boog tussen de witte berk
en de appelboom.

(vertaling Erik Menkveld)
close up of white apple
Photo by Léa Crochard on Pexels.com

De beste typering van Glücks poëzie die ik hoorde, was dat ‘alles wat ze aanraakt, verandert in muziek en legende’. Inderdaad, Glück hoort bij die club van dichters van wie het werk uit zichzelf zingt, waar de nadrukken liggen waar zij ze heeft bedacht (haar afbrekingen! let maar op), en een verhaal te vertellen heeft: een verhaal van compassie, van verwondering, van afkeer, soms, ook – en van lyrische woede: haar trefzekere, vrij recente gedichten over Persephone, gevangen gehouden door Hades, kunnen worden gelezen als een directe aanval op het patriarchaat: ‘She does know the earth/ is run by mothers; this much/ is certain. She also knows/ she is not what is called/ a girl any longer. Regarding/ incarceration, she believes// she has been a prisoner since she has been a daughter.’

Philip Huff De Groene Amsterdammer 14 oktober 2020

Avondrood
 
Mijn grootste vreugde
 is het geluid van jouw stem
 als die me roept zelfs in wanhoop; mijn verdriet 
dat ik je niet kan antwoorden
 in een spraak die je als de mijne aanvaardt.
 
 Je hebt geen vertrouwen in je eigen taal.
 Dus hecht je
 gezag aan tekens
 die je niet nauwkeurig kunt lezen.
 
 En toch bereikt je stem me altijd.
 En ik antwoord aanhoudend,
 terwijl mijn woede luwt
 naarmate de winter vergaat. Mijn tederheid
 zou je duidelijk moeten zijn
 in de koelte van de zomeravond
 en in de woorden die uitgroeien
 tot je eigen antwoord.

(vertaling Erik Menkveld)
green trees during golden hour
Photo by Werner Redlich on Pexels.com
Ochtendgebed
 
Niet alleen de zon maar de aarde
 zelf schijnt, wit vuur
 danst van de opzichtige bergen
 en de vlakke weg
 schittert in de vroege ochtend: is dit
 alleen voor ons, om een reactie
 uit te lokken, of ben jij
 ook ontroerd, niet in staat
 je te bedwingen
 in bijzijn van de aarde - ik schaam me
 voor wat ik dacht dat je was,
 ver weg van ons, dat je ons zag
 als een experiment: het is bitter
 om het wegwerpdier te zijn,
 bitter. Lieve vriend,
 lieve, huiverende bondgenoot, wat
 verrast jou het meest in wat je voelt,
 het stralen van de aarde of je eigen gevoel van verrukking?
 Zelf blijf ik me verbazen
 over die verrukking.

vertaling: Liesbeth Goedbloed
village in front of the mountains
Photo by Quang Nguyen Vinh on Pexels.com

Omtrent Verwondering (4) ‘Verkenningen’

pigeons on power lines

Schrikken, of ontroerd zijn, of het loslaten van meningen, bedoel je misschien ‘het stellen van vragen, of moet je de gedachte loslaten dat je iets zou vinden? Het is nog iets anders dan nieuwsgierigheid en verbazing. Even filosoof Cornelis Verhoeven erbij halen: ‘

‘In de verwondering ervaren wij ons zelf op grond van een ontmoeting met een werkelijkheid.’

‘Het is een avontuur waarvan hij [de mens] de afloop niet kan voorzien, een oefening in de vrije val.’

scenic view of neretva river in mostar
Photo by Mario Zovko on Pexels.com
Uit de bundel: 'Gewone wonderen'

Deze drie
wonderen
a) dat ik denk
b) te begrijpen
c) wat ik zie
kan ik niet verklaren.

Waarom is het ware
wonder dan wat
we ervaren
zonder
een van die
drie?

Leo Vroman
Door de eigenzinnige kijk op het menselijk leven waar de dood vanzelfsprekend toe behoort en de heldere en indringende formulering van het wonder van het menselijk bestaan dat niet gereduceerd wordt tot zijn fysieke verschijning en verdwijning, bezit Vromans poëzie een filosofische diepgang die humor en taalplezier echter nooit uitsluit. (Joris Gerits Streven 2015)
photo of tent during evening
Photo by Suleyman Seykan on Pexels.com

‘De verwondering brengt een moment van stilstand in het denken. Trefzeker zegt onze taal dat iemand verwonderd ‘staat’. Dat is veelbetekenend. Het staan als stil-staan is het ophouden met bewegen, ontwerpen, ingrijpen. De uitdrukking ‘verwonderd staan’ veronderstelt dus een actief leven, dat plotseling wordt onderbroken en afgeremd. De verwondering wordt gesitueerd temidden van een beweging. Voor en na de bewondering is er de beweging, die de ‘gewone’ toestand is. Mensen zijn, zo lijkt het dus, op de eerste plaats bewegers en werkers. Het stilstaan is ook ophouden met spreken; in de stilte komt het anders-zijn van de dingen aan. Het moet worden beluisterd om te worden vernomen en er bestaat dus een mogelijkheid om het niet te vernemen door het zelf te overstemmen. Zonder een minimum aan aandacht heeft het gebeuren van de verwondering niet plaats. Zij heeft dat gemeen met elke openbaring.’

Dr. Cornelis Verhoeven. Inleiding tot de verwondering (1967)

https://www.dbnl.org/tekst/verh039inle01_01/verh039inle01_01_0002.php

water drop at the tip of a leaf
Photo by Pixabay on Pexels.com
Omzien in verwondering is de titel van de autobiografie die de historica Annie Romein-Verschoor (1895-1972) schreef na de voltooiing – met haar man Jan Romein – van historische meesterwerken als De lage landen bij de zee, Erflaters van onze beschaving en Op het breukvlak van twee eeuwen. Het boek verscheen in twee delen, in 1970 en 1971. De titel van de autobiografie van Annie Romein-Verschoor sprak kennelijk tot de verbeelding, want omzien in verwondering wortelde zich al snel in onze taal in de betekenis van ‘verbaasd terugblikken’.  (Ton den Boon 31 dec. 2016 in 'Taalbank)
In "Nederduitsche synonymen" (1836), band 1, blz. 126:
verslagenheid, ontzetting, ontsteltenis, ontroering, verbazing, bevreemding, verwondering, verbijstering

Zeg niets, maar kun je een aantal situaties uit je eigen leven oproepen waar de ‘Nederduitsche synonymen’ van toepassing waren.? Een aantal beelden als intro, of het kan ook muziek zijn die herinneringen losmaakt uit het bevroren ’toen’. Je kunt op die manier ’tinten van herinneren’ oproepen en overdenken. Het zal nooit één beeld zijn, maar een dynamiek al dan niet met nawerking.

reflection of silhouette trees in lake against sky at sunset
Evenwicht tussen lucht, aarde en water net voor de dag eindigde of begon. Cirkels.

En dan opeens
Staat alles stil
Terwijl de wereld verder draait
Opeens… staat alles stil
Luister:


Je raapt jezelf weer bij elkaar
Staat op en gaat weer door
Niet bang om te vallen
Ook al dans je op een koord

De bel gaat voor een nieuwe ronde
Je staat nog altijd in de ring
Vechtend met een tegenstander
Die zich meestal niet laat zien

Want opeens
Staat alles stil
Terwijl de wereld verder draait
Opeens… staat alles stil
silhouette of a person watching fish in an aquarium
Photo by Margarita on Pexels.com

Op draden waarmee mensen met elkaar communiceren,
of licht en warmte mogelijk maken
zit het vol duiven,
dat notenschrift van vrede en vriendschap
voor diegenen die van goede wille zijn.

pigeons on power lines
Photo by Thắng-Nhật Trần on Pexels.com

Lees ook:

Omtrent verwondering (3). “Moonassi” (°1980)

Moonassi “Light we prepared” (2024), meok and acrylic on hanji, 93 x 119 centimeters

Moonassi (Kim Daehyun) is een illustrator uit Seoul, Korea. Hij maakt zwart-wit tekeningen die emotie, innerlijke dialoog en de menselijke psyche verkennen. Identiteit is een terugkerend thema; over illustratie, schilderkunst, beeldhouwkunst en nieuwe media; elk stuk vertegenwoordigt een emotie of een woord dat Moonassi kiest om zich door middel van eenvoudige personages uit te drukken, de kijker aan te moedigen om te pauzeren en het gewicht te overwegen dat een enkele gedachte kan dragen. (hugoandmarie.com)

“Light we found” (2024), meok and acrylic on hanji, 142 x 102 centimeters. All images © Moonassi,
In black-and-white ink and acrylic, the Seoul-based artist Kim Daehyun (Moonassi) cross-hatches figurative scenes onto Korean hanji paper, portraying deep contrasts, dualities, and tensions. Rich, black shadows reveal glowing hands and faces, exploring relationships between light and dark, awareness and the unconscious, presence and absence, and the known and unknown. (Colossal 23 febr 2026)

De tekeningen in zwarte inkt van Kim Daehyun (Moonassi) tonen twee personages met strakke silhouetten en precieze trekken. In een choreografie van vertrouwde maar raadselachtige gebaren bewegen ze zich door een leeg, maanachtig landschap, het stille decor van de persoonlijke mythologie van de kunstenaar/schepper.

Door de herhaling van de tekeningen en de terugkerende personages kan Kim Daehyun op een speelse en katharsische manier zijn diepste gedachten en emoties uitdrukken en tegelijkertijd een breed publiek aanspreken. Want net als de weergave van leegte in de oosterse schilderkunst (de oorspronkelijke opleiding van Kim Daehyun) biedt het ontbreken van referentiepunten in de tekeningen van moonassi de toeschouwers een ruimte die openstaat voor oneindig veel interpretaties. (cahier de seoul)

Remains When We Were Anybody
"In 2006 publiceerde ik een klein essay dat ik verkocht in een café dat ik op dat moment bezocht. De eigenaar van het café noemde me ‘Moonassi’. Sindsdien is het mijn bijnaam geworden. Oorspronkelijk komt ‘moona’ van het boeddhistische woord moo-a (wat betekent dat ik de ‘ik’ vergeet), maar het kan ook ‘amouna’ betekenen (wat ‘iedereen’ betekent in het Koreaans”). Mijn eerste tekenboek heette ook ‘amoudo’ (wat “persoon” betekent)."
(Seoul Notebook)
나의 탄생 / Birth of me
45.5 x 53, 종이에 잉크와 아크릴 ink and acrylic on p2021

bezoek website van de kunstenaar

https://www.moonassi.com

나는 너를 본다, I see you in the sea of you
June 2013
Lente

Daarentegen
legde het licht zijn zachtste vingers
over de voorbije winter;
zingt als een kind
nog met verdroogde lippen,
opgeborgen in zijn eenzaamheid,
-het roze in zijn stem schildert bloesems-
verdund verlangen, aquarel doorzichtig:
het land heet Felix en Wolfgang in één ademtocht.

Zelfs mijn ogen luisteren.

Gmt
불구 / Crippled
Op. 0041P – 42 x 29.7 cm, 종이에 펜, 마커 / Pigment liner and marker on paper, 2010
Spring

In contrast,
the light laid its softest fingers
over the past winter;
singing like a child
still with parched lips,
tucked away in its solitude,
-the pink in its voice paints blossoms-
diluted intensity, watercolour transparent:
the land is called Felix and Wolfgang in one breath.

Even my eyes are listening
자연스러움 / Natural, 2009
Op. 0022P – 42 x 29.7 cm, 종이에 펜, 마커 / Pigment liner and marker on paper, 2009

Moonassi gebruikt meok, een soort traditionele Koreaanse inktstaaf die met water tegen een steen wordt gewreven om een vloeibaar medium te verkrijgen. Het meditatieve proces van het bereiden van de inkt helpt de kunstenaar zich te concentreren op de taak die hij moet uitvoeren en zich op elke stap te focussen.

Moonassi omschrijft zijn werk als ‘mind illustration’ en richt zich in zijn werken op paren of tweelingen in vreemde situaties, zoals het verzorgen van een vlam in een van hun hoofden, staren in een leegte of hun armen aan elkaar binden met touw. Zijn onderwerpen vertegenwoordigen psychologische en spirituele dichotomieën die zowel binnen individuen als in relaties bestaan, waardoor een droomachtige wereld ontstaat die tot talloze interpretaties uitnodigt. (Colossal 23 fbr 2026)

(Een dichotomie is een strikte tweedeling of splitsing van een begrip, groep of structuur in twee uitsluitende, niet-overlappende delen (bijv. goed/fout, ja/nee, man/vrouw). Het komt van het Griekse dichotomia (halvering) en wordt gebruikt in filosofie, wetenschap en statistiek om complexe zaken te versimpelen tot twee tegengestelde polen.). Wikipedia

시간의 직면 / Face the whole (Martini)

Lees ook:

A stammerer. (Een Stotteraar) Pigment liner, market, and ink on paper, 2012

Omtrent verwondering (2)

close up shot of splashing sea waves
silhouette of person with flare on dark horizon
Photo by Bl∡ke on Pexels.com
Verwondering

Vergeet het wonder niet.
Verwonderen scheurt traagzaam
de duisternis.
De ziel zucht naar wat uit
het eindelijke zichtbaar wordt.

Uiteindelijk
is het laatste woord
net voor de dageraad
close up shot of splashing sea waves
Photo by Mariam Antadze on Pexels.com

‘Uiteindelijk’ heeft een aantal mooie synoniemen:

ultiem (bn) :
uiteindelijk, uiterst, laatste
ten slotte (bw) :
uiteindelijk, eindelijk, tot besluit, tot slot, ter afsluiting, ten langen leste
al met al (bw) :
uiteindelijk, alles bijeengenomen, alles overziend, alles bij elkaar genomen
tenslotte (bw) :
uiteindelijk, immers, welbeschouwd, op de keper beschouwd
eindelijk (bw) :
uiteindelijk, ten slotte, ten langen leste
finaal (bw) :
uiteindelijk, definitief, laatste, ultiem

Je zou kunnen aankomen bij: (dat is) helemaal het einde. Wat zich na dat ‘aangenomen’ einde zou bevinden kan zich van het ‘niets’ tot het wonderlijke (onbekende) alles uitstrekken.

silhouette of tree near body of water during golden hour
Photo by Pixabay on Pexels.com
ZWERVER

Dien avond kwam ik later dan gewoonlijk
naar boven. In de huiskamer was licht
zag ik door de gesloten deur. Een schicht
van vreugde maakte terstond persoonlijk,
al wat zich uit mij had ontsticht
in stad en menigte. Ik stond koninklijk
in het vernieuwde donker van den nacht,
binnen mijzelve opgericht.
‘Ik heb op je gewacht’, zei je aandoenlijk,
en kuste mij de dood van het gezicht.

Gerrit Achterberg (1905-1962)
windows of apartments in evening
Photo by cami on Pexels.com

"Verwondering is het staren in een wereld die tot voor kort een andere wereld was en nu de eigen wereld blijkt te zijn of omgekeerd. Zij ontstaat, zoals men gewoonlijk zegt, uit de tegenstelling tussen het gewone en het ongewone. Zij kan ons overkomen wanneer het ongewone gewoon blijkt te zijn, verklaarbaar en begrijpelijk, maar evenzeer wanneer het gewone zich als iets ongewoons openbaart of zich van een ongewone kant laat zien. Deze schommeling wordt niet alleen veroorzaakt door het ambivalente karakter van de verwondering, maar ook door de twijfelachtige waarde van de noties ‘gewoon’ en ‘ongewoon’."

Hij citeert ook Augustinus:

De verwondering treft het hart zonder het te kwetsen; "Percurit cor meum sine laesione." Het hart hunkert naar het nieuwe dat in de verwondering openbaar wordt.

Dr. Cornelis Verhoeven, Inleiding tot de Verwondering. (1967)


https://www.dbnl.org/tekst/verh039inle01_01/verh039inle01_01_0002.php#:~:text=Verwondering%20is%20het%20staren%20in%20een%20wereld,tegenstelling%20tussen%20het%20gewone%20en%20het%20ongewone.

silhouette of a kid playing with a kite
Photo by Quang Nguyen Vinh on Pexels.com

Lees ook:

“On learning to dissect fetal pigs”, a poem

‘On learning to dissect fetal pigs, een gedicht van Nicole Maclin Good

Nicole Maclin Good was een alumnus van de Old Dominion University, in Norfolk, Virginia. Zij volgde een cursus creatief schrijven aan de universiteit en studeerde in 2020 af. Good was een productieve dichter en had verschillende bekroonde publicaties op haar naam staan.
In 2020 schreef ze een gedicht met de titel “On Learning to Dissect Fetal Pigs” dat de Academy of American Poets Prize van dat jaar won. Het gedicht is openbaar te lezen op de website van poets.org – de officiële website van de Academy of American Poets.
Het gedicht worstelt met de spanning tussen geloof, verwondering en wetenschappelijke kennis. Met name won het gedicht ook de 2020 ODU undergraduate poëzieprijs. De voorzitter van de wedstrijd vermeldde dat in het gedicht,“…het oog van de dichter beweegt in en buiten het geheugen door associaties die verbindingen maken, laag na laag, of meer toepasselijk, streng na streng.”

Mummified Fetal Pig

“On learning to Dissect Fetal Pigs” by Renée Nicole Macklin Good

i want back my rocking chairs,

solipsist sunsets,

& coastal jungle sounds that are tercets from cicadas and pentameter from the hairy legs of cockroaches.

i’ve donated bibles to thrift stores

(mashed them in plastic trash bags with an acidic himalayan salt lamp—

the post-baptism bibles, the ones plucked from street corners from the meaty hands of zealots, the dumbed-down, easy-to-read, parasitic kind):

remember more the slick rubber smell of high gloss biology textbook pictures; they burned the hairs inside my nostrils,

& salt & ink that rubbed off on my palms.

under clippings of the moon at two forty five AM I study&repeat

               ribosome

               endoplasmic—

               lactic acid

               stamen

at the IHOP on the corner of powers and stetson hills—

i repeated & scribbled until it picked its way & stagnated somewhere i can’t point to anymore, maybe my gut—

maybe there in-between my pancreas & large intestine is the piddly brook of my soul.

it’s the ruler by which i reduce all things now; hard-edged & splintering from knowledge that used to sit, a cloth against fevered forehead.

can i let them both be? this fickle faith and this college science that heckles from the back of the classroom

               now i can’t believe—

               that the bible and qur’an and bhagavad gita are sliding long hairs behind my ear like mom used to & exhaling from their mouths “make room for wonder”

all my understanding dribbles down the chin onto the chest & is summarized as:

life is merely

to ovum and sperm

and where those two meet

and how often and how well

and what dies there.

Over het leren ontleden van foetale varkens
door Renée Nicole Macklin GOOD

Ik wil mijn schommelstoelen terug,

solipsistische zonsondergangen,


& de geluiden van de kustjungle die bestaan uit terzinen van krekels en pentameters van de harige poten van kakkerlakken.

ik heb bijbels gedoneerd aan kringloopwinkels

(ze verpulverd in plastic vuilniszakken met een verzuurde Himalaya-zoutlamp –


de bijbels van na de doop, die van straathoeken geplukt uit de vlezige handen van fanatiekelingen, het versimpelde, gemakkelijk te lezen, parasitaire soort):

herinner me meer de gladde rubbergeur van hoogglanzende biologieboek-foto’s; ze verbrandden de haartjes in mijn neusgaten,
& zout & inkt die het op mijn handpalmen hadden gemunt.
onder knipsels van de maan om twee uur vijfenveertig ’s nachts bestudeer ik & herhaal ik

ribosoom

endoplasmatisch—

melkzuur

meeldraad

bij de IHOP op de hoek van Powers en Stetson Hills—

herhaalde en krabbelde ik totdat het zijn weg vond en ergens vastliep waar ik er niet meer naar kan wijzen, misschien mijn onderbuik –


misschien zit daar tussen mijn alvleesklier en dikke darm het miezerige beekje van mijn ziel.

het is de maatstaf waarmee ik nu alle dingen reduceer; hard en versplinterd door kennis die vroeger rustte, een doek tegen een koortsig voorhoofd.


kan ik ze allebei laten zijn? dit wispelturige geloof en deze universiteitswetenschap die vanuit de achterste bank van het klaslokaal wordt uitgejouwd?


nu kan ik niet geloven-


dat de bijbel en de koran en de bhagavad gita lange haren achter mijn oor schuiven zoals mama dat vroeger deed & via hun monden uitademen “maak plaats voor verwondering


al mijn begrip druppelt langs mijn kin op mijn borst en kan worden samengevat als:


het leven is slechts
eicel en sperma
en waar die twee elkaar ontmoeten
en hoe vaak en hoe goed
en wat daar sterft.

https://poets.org/2020-on-learning-to-dissect-fetal-pigs


The woman shot dead by a federal immigration agent in the US city of Minneapolis has been identified as Renee Nicole Good, a 37-year-old mother of three who had just moved to the city.
She was a prize-winning poet and a hobby guitarist, who city leaders have said was there as a legal observer of Immigration and Customs Enforcement (ICE) activities.
But the Trump administration has called her a "domestic terrorist".
Good's death has sparked protests across the country, with many people holding signs that read "Justice for Renee".
Her mother, Donna Ganger, told the Minnesota Star Tribune that her daughter was "probably terrified" during the confrontation with officers that saw her fatally shot and that she was "one of the kindest people I've ever known".
"She was extremely compassionate," Ganger told the daily newspaper. "She's taken care of people all her life. She was loving, forgiving and affectionate. She was an amazing human being."
Her father, Tim Ganger, told the Washington Post that "she had a good life, but a hard life".
Good studied creative writing at Old Dominion University in Norfolk, Virginia, and in 2020 she won an undergraduate prize from the Academy of American Poets for her piece entitled On Learning to Dissect Fetal Pigs.

(BBC)

Renee Nicole Good

Lees deze bijdrage in Reader of via blog. Wij zoeken naar de oorzaak van een foute email-vorm. Onze excuses.

-een solipsist is iemand die de filosofische overtuiging (solipsisme) aanhangt dat alleen het eigen bewustzijn zeker bestaat. Alles buiten de eigen geest – de buitenwereld en andere mensen – wordt beschouwd als een constructie van de eigen waarneming of is onbewijsbaar. Het is een radicale vorm van scepticisme waarbij de realiteit wordt gereduceerd tot het 'ik'. 
Kernaspecten van het solipsisme:
Definitie: Afgeleid van het Latijnse solus (alleen) en ipse (zelf).