Kleine recepten omtrent het lege, een aanloop(2)

eigen foto 2022 3030168 Gmt

Gewend als wij zijn aan het zichtbare, -in bredere betekenis ‘het waarneembare’- is de bron van het zichtbare, het lentelicht, wel te situeren in zijn oorsprong, maar in wezen (mama, waar is licht van gemaakt?) niet dadelijk te ervaren.

Schept het de aanwezigheid van een ruimte waarin je deze tekst leest, het landschap waar je zo dadelijk naar kunt kijken, of de herinneringen aan de gestalte van een geliefd wezen, hoe minder het licht zelf in evidentie komt. In een lege, nachtelijke kamer echter is het kleinste kaarsvlammetje het centrum. De leegte als noodzakelijkheid om essenties waar te nemen zou je met dit beeld kunnen omschrijven. Lao-tse zei het zo:

De leegte

De band van een wiel wordt vastgehouden door de spaken,
maar de leegte tussen hen is wat zin geeft voor het gebruik.
Vaten worden gevormd uit natte klei,
maar de leegte binnenin maakt het mogelijk om de kruiken te vullen.
Hout wordt gebruikt om deuren en ramen te maken,
maar de leegte tussen hen maakt het huis bewoonbaar.
Dus het zichtbare is van nut,
maar het essentiële blijft onzichtbaar.

Lao-tse
Rene Magritte The human Condition
The void

The tyre of a wheel is held by the spokes,
but the emptiness between them is what makes sense in use.
Vessels are formed from wet clay,
but the emptiness within them makes it possible to fill the jars.
Wood is used to make doors and windows,
but the emptiness in them makes the house habitable.
Thus the visible is of use,
but the essential remains invisible.

Lao-tse

We zijn vlug geneigd om die ‘leegte’ tot iets mysterieus of zelfs heiligs te verheffen, maar ze is gewoon de (denk)ruimte waarin we waarnemingen en ideeën tot hun recht laten komen. Luister maar naar deze kleine BBC-soundscape waarin een bezige koekoek hoorbaar is. Sluit je ogen en je bent 1’39” in een landschap waar de roep van de vogel de diepte hoorbaar maakt. Met je volumeknop je kun je dichterbij of verder weg zijn.

Common Cuckoo (Cuculus Canorus) – territorial calls with reed warbler, etc

Camille Saint Saëns heeft er in zijn dierencarnaval een muzikale aanwezigheid van gemaakt. De diepte van het woud laat zijn roep ver weg klinken en schept een onzichtbare maar hoorbare ruimte. Je kunt zelfs de twee klankbeelden proberen samen af te spelen, dat zorgt hier en daar voor wonderlijke combinaties.

Het zou mooi zijn al die landschappen die je je als luisteraar verbeeld hebt bij elkaar te brengen en ze met je eigen ervaringen te verbinden. Het mag duidelijk zijn dat je de leegte nodig hebt om de wereld van anderen toe te laten. Leegte schept ruimte voor het andere en anderen. Dat kan ook met letters. Zijn brieven voor velen al verschijnselen uit een ver verleden, dan blijven verhalen en gedichten een andere mogelijkheid om bv. vanuit het jaar 1837 een juni-nacht te proeven. Nuits de juin. Geschreven door Victor Hugo. Beetje zachtjes luidop meelezen maakt de muzikaliteit hoorbaarder, inderdaad. Daaronder kun je Jupiter volgen bij zijn reis door de zomernacht terwijl een heuse nachtegaal zijn mooiste muziek maakt voor degenen die wakker zijn gebleven. Les yeux fermés, l’ oreille aux rumeurs entrouverte.

Nuits de juin

L’été, lorsque le jour a fui, de fleurs couverte
La plaine verse au loin un parfum enivrant ;
Les yeux fermés, l’oreille aux rumeurs entrouverte,
On ne dort qu’à demi d’un sommeil transparent.

Les astres sont plus purs, l’ombre paraît meilleure ;
Un vague demi-jour teint le dôme éternel ;
Et l’aube douce et pâle, en attendant son heure,
Semble toute la nuit errer au bas du ciel.

Victor Hugo 28 septembre 1837

En terwijl ik deze reis uitstippel hoor ik dat auteur Jeroen Brouwers is overleden. Laat de diepte van de sterrennachten een waardige slaapplaats zijn terwijl wij, achterblijvers, zijn woorden lezen en herlezen voorbij de langste nacht in de geduldige duur van de ons gegunde dagen in geheime kamers en bezonken rood. On ne dort qu’a demi d’un sommeil transparant.

De oorlog in Oekraïne is ook een taal-oorlog

Odessa Potemkin-Stairs

De oorlog in Oekraïne vecht ook tegen of voor een taal. Vladimir Poetin voerde de verdediging van de ‘Russisch sprekenden’ aan ter rechtvaardiging voor een campagne van culturele en politieke overheersing, aldus Amelia Glaser, Associate Professor for Russian and Comparative Literature aan U.C. San Diego USA. In een artikel op de Kremlin-website van vorig jaar juli vergeleek hij het institutionaliseren van de Oekraïense taal en cultuur zelfs met “massavernietigingswapens”. De metafoor uitbreidend, vervolgt hij: “Zo’n ruwe, kunstmatige tweedeling tussen Russen en Oekraïners kan de totale Russische bevolking met honderdduizenden, of zelfs miljoenen, hebben doen afnemen.”

In one very real sense, the current war in Ukraine is about language. Vladimir Putin has presented the defense of Russian-speakers in Ukraine as justification for a campaign of cultural and political domination. In an article posted to the Kremlin website last July, he went so far as to compare the institutionalizing of Ukrainian language and culture to “weapons of mass destruction.” Extending the metaphor, he continues: “Such a crude, artificial dichotomy between Russians and Ukrainians may have caused the total Russian population to decrease by hundreds of thousands, or even millions.”

This accusation is no less chilling for its absurdity: Ukraine, the argument goes, has robbed Russia of ethnic Russians by compelling them to speak Ukrainian. This cultural shift from Russian towards Ukrainian is what Putin seems to mean when he evokes the term genocide, as a perverse pretext for the mass killing of Ukrainian civilians. (Literary Hub April 8  2022)

‘Niets heeft het Oekraïense volk zo verenigd rond een enkele taal als de aanval van Rusland op zijn soevereiniteit. In een in 2017 gepubliceerd artikel stelde de politicoloog Volodymyr Kulyk vast dat na de annexatie van de Krim in 2014 en het uitbreken van de Donbas-oorlog meer mensen in heel Oekraïne “willen dat de staat helpt de Oekraïense taal op grotere schaal te gebruiken, in overeenstemming met zowel zijn wettelijke status als zijn symbolische rol als de nationale taal.” Afgelopen januari 2022, toen Russische troepen zich opmaakten voor een invasie, nam Oekraïne een taalwet aan die verplichtte Oekraïens te gebruiken in officiële contexten, waaronder scholen.’ (ibidem)

Aan het eind van de 19e eeuw was het vrijwel onmogelijk geworden Oekraïense literatuur te publiceren. De Valuev Doctrine van 1863 en de daaropvolgende Ems Ukase van 1873 verboden de publicatie van de meeste literatuur in het Oekraïens. Dichters als Lesia Ukrainka moesten in Galicië worden gepubliceerd, toen nog in het Habsburgse Rijk, en hun werk moest naar het tsaristische Rusland worden gesmokkeld. Veel schrijvers en geleerden in West-Oekraïne legden volksliederen en toespraken van boeren vast als een manier om de taal en cultuur te behouden.

Laten we de taal eren, zij het dan in vertaling, door op de mooie teksten van de dichteres Kateryna Kalytko in te zoemen. Haar teksten lezen vaak als liefdeslyriek aan de Oekraïense taal. Ongeneerd roepen ze de liefde op om de passie van het geheugen uit te leggen, het verkennen van de cultuur, aldus Amelia Glaser.

Kateryna Kalytko is a poet, prose writer, and translator. She has published nine collections of poetry and books of short stories. She has received many literary awards and fellowships, among them the Central European Initiative Fellowship for Writers in Residence, KulturKontakt Austria, Reading Balkans, Vilenica Crystal Award, Joseph Conrad-Korzeniowski Literary Prize, BBC Book of the year and Women in Arts Award from UN Women. Striking imagery emerges in her recent poetry like puzzle pieces that create a violent and shocking picture of war, conveying the loss and pain that is experienced during a search for safety and identity amidst the war.
To love in a time of war is
to wear earrings in spite of everything,
so the holes don’t close,
the ones you pierced with Grandma
at the old beauty parlor.

The darning needle punctures
the pink baby flesh still
untouched by trauma.
The sound with which the needle slowly
breaks through
is too soft to call
a crunch or a crack,
but it’s there.
Why isn’t she crying?—The hairdresser
looks at Grandma.
—She isn’t going to cry,—
Grandma answers
Liefhebben in een tijd van oorlog is
oorbellen te dragen ondanks alles,
zodat de gaatjes niet dichtgroeien,
die je met oma hebt gepierced
in het oude schoonheidssalon.

De stopnaald prikt
het roze baby-vlees nog steeds
onaangetast door trauma.
Het geluid waarmee de naald langzaam
doorbreekt
is te zacht om het een
een knak of een krak te noemen,
maar het is er.
Waarom huilt ze niet? De kapster
kijkt naar oma.
-Ze gaat niet huilen,-
antwoordt oma 

“Ondanks de hele prachtige erfenis van de Oekraïense literatuur, hebben we nog steeds niet genoeg woorden om te beschrijven wat er nu met ons gebeurt
In addition to her original poetry of war, Kalytko has translated Croatian and Bosnian poets of the Balkan war. At thirty-nine, she has published nine books of poetry of fiction, which have won prizes in Ukraine and internationally. The language of her poetry informs her prose. Her 2019 collection, Nobody knows us here and we are nobody, for example, combines poems and poetic vignettes, many of which describe the disorienting feeling of internal displacement.(Amelia Glaser)
Here, take this language, woman,
Use it to shoot.
Defend yourself to your last breath—and whatever you do
don’t let them near you. Use
the radio interception system
and the night vision riflescope.
These are included. And don’t pretend you don’t know how to use it.
Keep your eye trained
on the enemy’s location and on his slightest advance.
Let him come within shooting range—then strike the target and
don’t hesitate.
There are plenty of bullets, don’t spare them,
if they run out—
make new ones out of words,
only slender feminine fingers are suited to such maneuvers.
And come what may, don’t let them near
the old border, where father’s plums lie ripe and heavy.
When they cross it—you must confront them, hand to hand.
Then pierce them with your bayonet, slit them ear to ear,
slash, smash, and scalp them
until the light dims before your eyes.
When you wake up, you’ll stroke the prickly nape
of your recruit-son, hand your husband his crutches,
and then, you’ll start over.
Who said we left you to your fate?
We’ve armed you as best we could.

(–Translated from the Ukrainian by Amelia Glaser and Yuliya Ilchuk. )

But these things happen:
heroes have died, enemies survive,
and people, regular people, neither one nor the other,
string and scatter the beads of happiness—
celebrating love, somebody’s birthday,
A house-warming party,
while you’ve filled an earth pie with your flesh.
The planets haven’t ceased their orbit,
even the trams haven’t changed their schedules.
Outside the hospital window there’s a construction site,
hammering stakes, knocking like distant artillery,
and a boy, grasping a piece of rebar, hits it against the asphalt,
the way a night rail worker hits the wheels of the train,
that you ride in oblivion across the whole country,
falling hard, your belly sticking in the earth pie,
that’s been stuffed to the brim with people.

–Translated from the Ukrainian by Amelia Glaser and Yuliya Ilchuk. 
Maar deze dingen gebeuren:
helden zijn gestorven, vijanden overleven,
en mensen, gewone mensen, noch het een, noch het ander,
rijgen en strooien de kralen van geluk-
de liefde vieren, iemands verjaardag,
Een house-warming party,
terwijl je een aardse taart hebt gevuld met je vlees.
De planeten zijn niet gestopt met hun baan,
zelfs de trams hebben hun dienstregeling niet veranderd.
Buiten het ziekenhuis raam is er een bouwplaats,
hamerende palen, kloppend als verre artillerie,
en een jongen, grijpt een stuk betonijzer, slaat het tegen het asfalt,
zoals een nachtspoorwegwerker tegen de wielen van de trein slaat,
die je in vergetelheid door het hele land rijdt,
hard vallend, je buik stekend in de aarde-taart,
die tot de rand toe gevuld is met mensen
They asked Passiflora for her passport at the entrance to the garden,
but she didn’t have one.
What she had was a thorny and knotted stalk of sorrow,
and a flower with a full array of passions, nails in stigmata,
a crown of thorns, but no passport.
Where are you taking all this pain, it’s contraband,—
they ask with jeering smiles;
They’re probably mocking me,—she thinks quietly.
The fog lifts from the river channel, making it so homeless.
In the garden sturdy apple trees are weighed down, resting their branches on the earth,
like runners at the starting line.
You can hear the delicate peony dropping its flower, petal by petal, to the grass.
A bit further, an intrepid army of currants, raspberries,
And a stray ivy, having crept in through the backdoor, pushes them from the wall.
But she was seeking a gate that barred access to her alone.
Well what can I do, she says, I’m sorry, I’ll just wait here;
She clutched a stone and has held on for five years,
her blue eyes blossoming, bearing heart-shaped fruits.

–Translated, from the Ukrainian by Amelia Glaser and Yilia Ilchuk-
Ze vroegen Passiflora om haar paspoort bij de ingang van de tuin,
maar dat had ze niet.
Wat ze had was een doornige en geknoopte stengel van verdriet,
en een bloem met een hele reeks passies, nagels in stigmata,
een doornenkroon, maar geen paspoort.
Waar haal je al die pijn vandaan, het is smokkelwaar,-
vragen ze met een spottende glimlach;
Ze bespotten me waarschijnlijk,- denkt ze stilletjes.
De mist trekt op uit het rivierkanaal, waardoor het zo dakloos wordt.
In de tuin staan stevige appelbomen, hun takken rustend op de aarde,
als hardlopers aan de startlijn.
Je hoort de tere pioenroos haar bloem, bloemblaadje voor bloemblaadje, op het gras laten vallen.
Een beetje verder, een onverschrokken leger van aalbessen, frambozen,
En een verdwaalde klimop, die door de achterdeur naar binnen is geslopen, duwt ze van de muur.
Maar ze was op zoek naar een poort die alleen voor haar de toegang versperde.
Nu wat kan ik doen, zegt ze, het spijt me, ik zal hier gewoon wachten;
Ze greep een steen vast en heeft het vijf jaar volgehouden,
haar blauwe ogen bloeiden, hartvormige vruchten dragend.
Kateryna Kalytko is a poet, prose writer, and translator. She has published nine collections of poetry and books of short stories. She has received many literary awards and fellowships, among them the Central European Initiative Fellowship for Writers in Residence, KulturKontakt Austria, Reading Balkans, Vilenica Crystal Award, Joseph Conrad-Korzeniowski Literary Prize, BBC Book of the year and Women in Arts Award from UN Women. Striking imagery emerges in her recent poetry like puzzle pieces that create a violent and shocking picture of war, conveying the loss and pain that is experienced during a search for safety and identity amidst the war.

Amelia Glaser is Associate Professor of Russian and Comparative Literature at U.C. San Diego. She is the author of Jews and Ukrainians in Russia’s Literary Borderlands (2012) and Songs in Dark Times: Yiddish Poetry of Struggle from Scottsboro to Palestine (2020). She is currently a fellow at the Radcliffe Institute for Advanced Study.

Yuliya Ilchuk is Assistant Professor of Slavic Languages and Literatures at Stanford University. She is the author of Nikolai Gogol: Performing Hybrid Identity (2021). She is currently researching memory and identity in post-Soviet Russian and Ukrainian literature.

Oorspronkelijke versie in het boeiende magazine: Literary Hub, ten zeerste aan te raden.

“The Mushrooms of Donbas’ a poem by Serhiy Zhadan, Oekraïne

We publiceerden eerder gedichten van deze bekende Oekraïense dichter (1974) die ook al bij de eerste oorlogen in zijn land van zich liet horen. Tijdens de Oranje-revolutie van 2004 organiseerde hij een tentenstad in Kharkiv waar demonstranten twee maanden verbleven. Zhadan, die zichzelf beschouwt als een vreedzame anarchist, is trots op de Oekraïense anarchistische traditie, die zich uitstrekt van de Oekraïense Kozakken uit de zestiende en zeventiende eeuw tot Makhnovia, een semi-officiële anarchistische republiek die van 1918 tot 1921 bestond in een regio net ten noorden van de Krim. (Een van Zhadans reisverslagen, “Anarchie in de UKR”, documenteert een reis van Kharkiv naar Makhnovia).

“Donbass Mushrooms,” describes the regrets of a macho pump-factory worker (“We were the élite of the proletariat”) about his post-Communist career growing hallucinogenic mushrooms. “He sees himself as a voice of the underprivileged,” said Chernetsky.
THE MUSHROOMS OF DONBAS

In spring Donbas disappears in the fog, and the sun hides behind heaps of earth.
So you need to know where you’re going,
you need to know the man who can make the arrangements.

This man was a worker in the former pumping station
worn down by alcohol.
When we met, he said, “We, the workers of the pumping station,
were always considered the elite of the proletariat, yeah, the elite.
When everything fell the f___ apart, many
just put their hands down. But not the workers
of the pumping station, not us.
We organized an independent mining union,
we took over three buildings of the former plant
and started to grow mushrooms there.”

“Mushrooms?” I couldn’t believe it.
“Yes. Mushrooms. We wanted to grow cactus with mescaline, but
cactus won’t grow here in Donbas.

You know what’s important when you grow mushrooms?
It’s important to get high, that’s right, friend – it’s important to get high.
We get high, believe me, even now we have to get high, maybe it’s because
we are the elite of the proletariat.

And so – we take over three buildings and start our mushrooms.
Well, there’s – the joy of work, elbow grease,
you know – the heady feeling of work and accomplishment.
And what’s more important – everyone gets high! Everyone’s high even without mushrooms!

The problems began a few months later. This is gangland
territory, you know, recently a gas station was burnt down,
they were so eager to burn it down, they didn’t even manage to
fill up, so of course the police caught them.
And so, one gang decides to take us on, decides to take away
our mushrooms, can you believe it? I think in our place anyone else
would have bent over, that’s the way it is – everyone bends over here,
according to the social hierarchy.

But we get together and think – well, mushrooms – this is a good thing,
it’s not a matter of mushrooms, or elbow grease,
or even the pumping station, although this was one of the arguments.
We just thought – they are coming up, they will grow
our mushrooms will grow, you could say they’ll ripen to harvest
and what are we going to tell our children, how are we going to look them in the eye?
There are just things you have to answer for, things
you can’t just let go.
You are responsible for your penicillin,
and I am responsible for mine.

In a word, we just fought for our mushroom plantations. There we
beat them. And when they fell on the warm hearts of the mushrooms
we thought:

Everything that you make with your hands, works for you.
Everything that reaches your conscience beats
in rhythm with your heart.
We stayed on this land, so that it wouldn’t be far
for our children to visit our graves.
This is our island of freedom
our expanded
village consciousness.
Penicillin and Kalashnikovs – two symbols of struggle,
the Castro of Donbas leads the partisans
through the fog-covered mushroom plantations
to the Azov Sea.

“You know,” he told me, “at night, when everyone falls asleep
and the dark land sucks up the fog,
I feel how the earth moves around the sun, even in my dreams
I listen, listen to how they grow –

the mushrooms of Donbas, silent chimeras of the night,
emerging out of the emptiness, growing out of hard coal,
till hearts stand still, like elevators in buildings at night,
the mushrooms of Donbas grow and grow, never letting the discouraged
and condemned die of grief,
because, man, as long as we’re together,
there’s someone to dig up this earth,
and find in its warm innards
the black stuff of death
the black stuff of life.


© Translation: 2011, Virlana Tkacz and Wanda Phipps
Publisher: First published on PIW, , 2011
Bodies of civilians that Ukrainian authorities say were killed by Russian forces lay in a mass grave outside St. Andrew’s Church in Bucha on April 3. NY Times Daniel Berehulak
De paddenstoelen van Donbas

In de lente verdwijnt Donbas in de mist, en de zon verbergt zich achter hopen aarde.
Dus je moet weten waarheen je gaat,
je moet de man kennen die alles kan arrangeren.

Deze man was een arbeider in het voormalig pompstation
versleten door alcohol.
Toen we elkaar ontmoetten, zei hij: "Wij, de arbeiders van het pompstation,
werden altijd beschouwd als de elite van het proletariaat, ja, de elite.
Toen alles in duigen viel...
gewoon hun handen naar beneden. Maar niet de arbeiders...
van het pompstation, wij niet.
We organiseerden een onafhankelijke mijnwerkersvakbond,
we namen drie gebouwen van de voormalige fabriek over
en begonnen daar champignons te kweken."

"Paddenstoelen?" Ik kon het niet geloven.
"Ja. Paddenstoelen. We wilden cactussen met mescaline kweken, maar
 hier in Donbas groeien cactussen niet.

Weet je wat belangrijk is als je paddo's kweekt?
Het is belangrijk om high te worden, dat klopt, vriend - het is belangrijk om high te worden.
We worden high, geloof me, zelfs nu moeten we high worden, misschien is het omdat we de elite zijn van het proletariaat.

En dus - we nemen drie gebouwen over en beginnen met onze paddenstoelen.
Nou, er is - de vreugde van het werk, elleboogvet,
weet je - het bedwelmende gevoel van werk en prestatie.
En wat nog belangrijker is, iedereen wordt high! Iedereen high, zelfs zonder paddo's!

De problemen begonnen een paar maanden later. Dit is gangland-gebied
weet je, onlangs is er een benzinestation afgebrand,
ze wilden het zo graag platbranden dat ze niet eens konden tanken,
dus natuurlijk heeft de politie ze gepakt.
En dus besluit een bende om ons aan te pakken, besluit ze 
onze paddenstoelen af te pakken,
kun je dat geloven? Ik denk dat in onze plaats ieder ander
zou gebogen hebben, zo is het nu eenmaal - iedereen buigt hier,
volgens de sociale hiërarchie.

Maar we komen samen en denken, nou, champignons, dit is een goede zaak,
het is geen kwestie van champignons, of elleboog vet,
of zelfs van het pompstation, hoewel dat een van de argumenten was.
We dachten gewoon - ze komen op, ze zullen groeien,
onze champignons zullen groeien, je zou kunnen zeggen dat ze zullen rijpen om te geoogst te worden en wat gaan we onze kinderen vertellen, hoe gaan we ze in de ogen kijken?
Er zijn gewoon dingen die je moet verantwoorden, dingen
die je niet zomaar kunt laten gaan.
Jij bent verantwoordelijk voor jouw penicilline,
en ik ben verantwoordelijk voor de mijne.

In één woord, we hebben net gevochten voor onze champignonplantages. Daar nekken we hen.
En toen ze op de warme harten van de champignons vielen
dachten we:

Alles wat je met je handen maakt, werkt voor jou.
Alles wat je geweten bereikt, slaat
op het ritme van je hart.
We bleven in dit land, zodat het niet ver zou zijn
voor onze kinderen om onze graven te bezoeken.
Dit is ons eiland van vrijheid
ons uitgebreide
dorpsbewustzijn.
Penicilline en Kalashnikovs - twee symbolen van strijd,
de Castro van Donbas leidt de partizanen
door de met mist bedekte champignonplantages
naar de Azov Zee.


"Weet je," vertelde hij me, "'s nachts, als iedereen in slaap valt
en het donkere land de mist opzuigt,
voel ik hoe de aarde rond de zon beweegt, zelfs in mijn dromen
Ik luister, luister naar hoe ze groeien -

de paddenstoelen van Donbas, stille hersenschimmen van de nacht,
oprijzend uit de leegte, groeiend uit harde steenkool,
tot harten stilstaan, zoals liften in gebouwen 's nachts,
de paddenstoelen van Donbas groeien en groeien, laten nooit de ontmoedigden
en veroordeelden sterven van verdriet,
want, man, zolang we samen zijn,
is er iemand om deze aarde op te graven,
en in zijn warme ingewanden
het zwarte spul te vinden van de dood
het zwarte spul van het leven.
Four freshly dug graves, for an early-morning funeral, at a cemetery in Irpin on April 16. David Guttenfelder/The New York Times
Serhiy Zhadan’s poem ‘The Mushrooms of Donbas’ sounds so contemporary that it could have been written just yesterday. It tells the story of a worker at a former mining pumping station in Donbas (the coal-rich region in eastern Ukraine, which is now the center of armed hostilities), who starts to grow psychedelic mushrooms after the collapse of the Ukrainian economy post-1991. A local gang (Donbas was and still is notorious for its criminal networks) wants to take the protagonist’s new business away, but he fights back, because ‘There are just things you have to answer for, things / you can’t just let go’. This little mushroom enterprise, this little ‘island of freedom’, becomes the true homeland: not some theoretical nationalist idea of a country or an imagined community, but a specific plot of land that one owns and works daily. It is, to paraphrase John Locke, property that becomes private through one’s own investment of labor into it. And this property, this personal plot of land, is the only land worth fighting for.

Dichtbij een donker Paasfeest, een kleine kruisweg

Zie je deze foto's
dan is de moeder onder de vernederde gekruisigde dichtbij.
Goede-Vrijdag.
Mannen in Moskou en waar ook ter aarde,
de donkere hemel
als triomf?
In de nacht van dit bestaan
zie onze zielen:
bevende lichtjes .
Pasen
is door Vladimir opgeëist
Welke zaak ter wereld
kan dit ontelbare sterven
verdragen?
Nooit meer thuiskomen
terwijl een man met zijn gevolg
de passie preekt.

En de hemel werd donker
Na zijn dood
was er zelfs geen graf voor hem.
Kom vanavond met verhalen 
hoe de oorlog is verdwenen 
en herhaal ze honderd malen 
alle malen zal ik wenen..  

( uit Vrede van Leo Vroman)

'Kijk, zei Merkel,
ik begrijp waarom hij dit doen moest:
Om te bewijzen dat hij een man was.'

"I understand why he has to do this", Merkel said.  "To prove he's a man."

Bij een bezoek van Merkel bracht Putin zijn hond mee 
omdat hij wist dat zij het niet voor honden had.
During one of Merkel's visits, Putin brought his dog along 
because he knew she did not like dogs.
Elkanders jeugd dragen wij ten grave.
Nooit zal het voor ons nog Pasen zijn.

Only one thing remained reachable, close and secure amid all losses: language. Yes, language. In spite of everything, it remained secure against loss. But it had to go through its own lack of answers, through terrifying silence, through the thousand darknesses of murderous speech. It went through. It gave me no words for what was happening, but went through it. Went through and could resurface, “enriched” by it all.’
(Paul Celan)

Slechts één ding bleef bereikbaar, dichtbij en veilig te midden van alle verliezen: taal. Ja, taal. En ondanks alles, bleef het veilig tegen verlies. Maar het moest door zijn eigen gebrek aan antwoorden, door angstaanjagend zwijgen, door de duizend duisternissen van moorddadige spraak. Het ging… door. Het gaf me geen woorden voor wat er gebeurde, maar ging er doorheen. Ging er doorheen en kon weer opduiken, “verrijkt” door dit alles. (Paul Celan)

Dit citaat is een onderdeel van de speech die Paul Celan gaf bij het ontvangen van de Literature Prize of the Free Hanseatic City of Bremen, in 1958.

After “song of songs”, een hedendaagse foto-collage

Onder het lawaai van sirenes en gedreun van vliegtuigeskaders heb ik onbewust de eerste jaren op deze planeet doorgebracht. Mijn jonge ouders hadden een kist klaarstaan die in het dagelijkse leven voor schoolboeken was bestemd, en daarin werd de baby kelderwaarts een verdieping lager in vermeende veiligheid gebracht. Eens de jaren van het biografisch geheugen begonnen, was die oorlog al even voorbij en alleen waarneembaar in de schaarse verhalen van volwassenen, vooral bij gezeur wanneer de jochies een duidelijke afkeer voor een bepaald gerecht lieten horen.

In de zogenoemde laatste levensfase (wie bepaalt waar die begint?) beleef ik die taferelen in de dagelijkse berichten helemaal niet onbewust en zie ik mezelf aan de hand van mijn moeder op de vlucht gaan. Dagelijks.

Opgroeiend dacht je dat zo’n oorlog nooit meer zou plaatsvinden. Op schoolreis naar Aken stonden we als knaapjes te gapen naar de anti-tank-bouwsels, de laatste ruïnes, en de begeleidende onderwijzende zei ons: ‘…alsof zo’n dingen de oorlog konden tegenhouden.’ Dat er weinig was dat een oorlog kon tegenhouden kon ik dagelijks bij mijn grootvader observeren. Waren de forten rond Namen bedoeld om de vijand op enige afstand te houden, een stevige obus van dezelfde makers als de wapens waarmee die forten waren uitgerust liet de boel ontploffen. Zijn zwarte bril verborg zijn voor altijd beschadigde ogen en zijn kromme hand met stramme vingers was voor mij een warme vertrouwde hand als we samen naar het stadspark wandelden waar een helikopter van Sabena de post kwam ophalen. Maar als we thuiskwamen waren onze huizen er nog. Binnen brandde een gezellig licht.

Toch duurde het lang eer de voorbije tweede wereldoorlog tot de werkelijkheid van het dagelijks leven, begon door te dringen. Eerst na de Frankfürter Auschwitz-processen tussen 1963-1965 begonnen de ware verschikkingen zichtbaar te worden. De processtukken die Peter Weiss in zijn toneelstuk ‘Die Ermittlung’ gebruikte waren duidelijk. Ze zijn mij levenslang bijgebleven. Dit zou nooit meer gebeuren!

Het verhaal vertelt zichzelf deze dagen. Wij zien ze voor onze eigen ogen gebeuren of horen hun verhaal vertellen. Ik verzamelde foto’s van grote internationale nieuwsagentschappen en de foto’s die eerder in dit blog verschenen, foto’s van Nadia Sablin en Lida Suchy, fotografen geboren in Rusland en Oekraine en later uitgeweken naar de Verenigde Staten. Daar woont en werkt ook fotografe Sarah Blesener die Russisch leerde om foto’s te maken in jeugdkampen in Rusland en Oekraine en ook in eigen land, USA waar het patriotisme een leidraad was. Te herlezen en te bekijken in dit blog. Met die foto’s, aangevuld met landschappen uit Oekraine, heb ik een week gewerkt, ze geschikt en herschikt om ze als collage te gebruiken op de bezwerende muziek en tekst van David Lang (USA) naar de Song of Songs, het Hooglied, te vinden in het Oude Testament waarin op een erg zinnelijke wijze de liefde tussen een man een vrouw wordt beschreven.

Song of Songs Marc Chagall
De Hebreeuwse naam שִׁיר הַשִּׁירִים, Sjir ha-Sjirim betekent letterlijk "lied der liederen". De uitdrukking is een voorbeeld van een Hebreeuwse genitief, waarmee een overtreffende trap aangeduid wordt: 'het mooiste van alle liederen'. Deze betekenis zette zich voort in de Griekse Septuaginta Ἄσμα Ἀσμάτων, ásma asmátōn en in de Latijnse Vulgaat Canticum canticorum, wat beide ook "lied der liederen" betekent.

Maarten Luther vertaalde de titel als Hohes Lied en daaruit ontstond de gebruikelijke Nederlandse naam "Hooglied". 

Met die tekst ging Lang aan het werk. Zijn compositie duurt ongeveer 12″, ik heb er de eerste acht minuten en enkele seconden van gebruikt. De betekenis echter van de woorden ‘beloved one’ en andere tedere benamingen verandert duidelijk door ze te mengen met de beelden waarover ik hierboven sprak. De woorden krijgen iets bezwerend, ze roepen herinneringen op, zoeken naar het duiden van verlangens, naar onzegbaar spijt, pijn en verlangen.Verlatenheid. Op YouTube is de beeldkwaliteit natuurlijk een stuk minder dan de hoge resolutie van de computermontage, maar die was praktisch in een blog niet te gebruiken om niet in één klap al mijn geheugen-reserves te verliezen. Ik hoop dat ze nog even blijft staan en zichtbaar is. Hier vind je ze, ook via kijken op You Tube zelf in iets groter formaat nog kwalitatief te bekijken.

"Just (After Song of Songs)" is a 2014 song written by composer David Lang. The song was performed by the Norwegian vocal group Trio Mediaeval, violist Garth Knox, cellist Agnes Vèsterman, percussionist Sylvain Lemêtre. In 2015, it was adapted for use in the soundtrack for the comedy-drama film Youth, directed by Paolo Sorrentino.

The song is based on language from the Song of Songs in the Old Testament. It has received widespread acclaim from various news sources and music review websites, including The New York Times, The Guardian, and New York Public Radio.

Bij Apple music te koop voor…1,49 euro!

Dromen in de schuilkelder-Dreaming in the shelter

In tijden van oorlog is dromen moeilijk maar begrijpbaar. De ‘Surreal Photography’ van Erik Johansson inspireerde mij tot enkele teksten om even aan die oorlog te ontkomen. De Engelse vertalingen zijn voorlopige pogingen om deelname aan de inhoud te bevorderen.

Erik Johansson ‘Cumulus & Thunder 2017
Je vader,
de schapenwolken-scheerder
-cirrocumuli-
schoor het gekrulde schapenwit
de hoge hemel in.
'Het wordt kouder, kind.'
Zwart broertje 'Donder'
heeft zijn tijd gehad.

Voor het donker
moet de kudde de luchten leeg eten.
Je moeders manen
willen 
in heldere hemelnachten.
schitteren.
Erik Johansson Ful lMoon Service 2017
Your father,
the sheep-shearer
-cirrocumuli-
sheared the curly white sheep
into the high heavens.
'It is getting colder, child.'
Black brother 'Thunder'
has had his time.

Before dark
the herd must eat the skies dry.
Your mother's moons
want sparkle
in bright sky nights.
Erik Johansson The reset 2020 ‘Something that could just make things go back to normal
Reset.
Nog net voor hij zal drukken
vraagt hij haar
of het terug naar vroeger moet:
het rennen
tegen het rukken van de tijd.
Of spijt:
dat grijs normale
dat alle dromen
splijt.
Eerst betalen
voor enkele scherven gespiegelde
eeuwigheid.
Erik Johansson Impact 2016
Reset.
Just before he will press
he asks her
if it has to go back to the old days:
the running
against the tug of time.
Or regret:
that grey normal
that splits all dreams
First pay
for a few shards of mirrored
eternity.
Erik Johansson Second Attic 2021
Toch is er boven de zolder
nog een tweede 
zoals in het hoofd
het denken
een trapje hoger
zingen wordt
en nog een zolder daarboven
met onzegbare dromen
is gestapeld.

Door dat laatste zolderraam
ontsnap je,
vleugels overbodig.

Een beetje schrik voor het donker
vertraagt
het vallen.
Erik Johansson Falling Asleep 2018
Yet above the attic
another one 
as in the head
thinking
a step higher
becomes singing
and another attic above
with unspeakable dreams
is piled up.

Through that last attic window
you escape,
wings superfluous.

A little fear of the dark
slows down
the fall.
Erik Johansson Leap of Faith 2018

WHO IS ERIK JOHANSSON?

Erik Johansson (born 1985) is a photographer and visual artist from Sweden based in Prague, Czech Republic. His work can be described as surreal world created by combining photographs. Erik mainly works on personal projects and doing exhibitions around the world. In contrast to traditional photography he doesn’t capture moments, he captures ideas with the help of his camera and imagination. The goal is to capture a story in a single frame and to make it look as realistic as possible even if the scene itself contains impossible elements. In the end it all comes down to problem solving, finding a way to capture the impossible. (website)

Website:

https://www.erikjo.com/

Erik Johansson Office Escape 2019

‘Beste Telemakje’: Een na-oorlogsgedicht van Joseph Brodsky.

A Taube C-R-W Nevinson 1915

‘Oorlog is slechts een laffe vlucht uit de problemen van de vrede.’ Het citaat is van Thomas Mann. Waarom verlaten wij de onderhandelingen, besprekingen, overlegorganen? En, schrijft Victor Hugo al in de negentiende eeuw: ‘Een oorlog tussen Europeanen is een burgeroorlog.’ Hoe graag de huidige Russische leider(s) ook van de Aziatische steppevolkeren wil afstammen, de werkelijke geschiedenis van dat boeiende land is hoe dan ook voor een belangrijk deel een Europese geschiedenis. Of…? Moet nu het grote rijk ‘gezuiverd’ worden van die a-patriotische Europese invloeden?

Lang geleden in die Europese geschiedenis, in mythische tijden, werd er al oorlog gevoerd na de ontvoering van een mooie vrouw.

Telemachus, het zoontje van Odysseus blijft bij zijn moeder Penelope terwijl zijn vader naar Troje ten oorlog trekt. De reden?  Een vrouw. De Russische dichter Joseph Brodsky (1940-1996) schreef er in 1972 een mooi gedicht over:Одиссей Телемаку, Odysseus aan Telemakje. De Engelse vertaling:

My dear Telemachus,                                  
The Trojan War
is over now; I don’t recall who won it.
The Greeks, no doubt, for only they would leave
so many dead so far from their own homeland.
But still, my homeward way has proved too long.
While we were wasting time there, old Poseidon,
it almost seems, stretched and extended space.

I don’t know where I am or what this place
can be. It would appear some filthy island,
with bushes, buildings, and great grunting pigs.
A garden choked with weeds; some queen or other.
Grass and huge stones . . . Telemachus, my son!
To a wanderer the faces of all islands
resemble one another. And the mind
trips, numbering waves; eyes, sore from sea horizons,
run; and the flesh of water stuffs the ears.
I can’t remember how the war came out;
even how old you are — I can’t remember.

Grow up, then, my Telemachus, grow strong.
Only the gods know if we’ll see each other
again. You’ve long since ceased to be that babe
before whom I reined in the plowing bullocks.
Had it not been for Palamedes trick
we two would still be living in one household.
But maybe he was right; away from me
you are quite safe from all Oedipal passions,
and your dreams, my Telemachus, are blameless.

(Translated by George L. Kline)
C.R.W. Nevinson 1914
Mijn Telemakje, 
de Trojaanse oorlog 
is voorbij. Ik weet niet meer wie er gewonnen heeft.
Het moeten de Grieken geweest zijn: 
alleen Grieken kunnen zoveel doden  
ver van hun eigen land buiten laten liggen... 
En toch was de weg naar huis te lang, 
alsof Poseidon, terwijl wij daar tijd aan 't verspillen waren, 
de ruimte had opgerekt.

Ik weet niet waar ik ben, wat er voor me ligt. 
Een of ander vies eiland, 
met struiken, gebouwen, geknor van varkens, 
een overwoekerde tuin, wat koningin, 
gras en stenen...Telemachus, mijn zoon,
alle eilanden lijken op elkaar, 
als je zo lang ronddwaalt 
en hersenen verward van het golven tellen,
o oog, verstopt met horizon, 
kreten en vlees van water verduisteren het gehoor.
Ik weet niet meer hoe de oorlog eindigde, 
en hoe oud je nu bent, weet ik ook niet meer.

Word groot, mijn Telemachus, word groot.
Alleen de goden weten of we elkaar terug zullen zien.
Zelfs nu ben je niet meer het jochie 
voor wie ik de stieren in bedwang heb gehouden.
Als Palamedes' truc er niet was geweest, 
hadden wij twee nog steeds in één huis gewoond.
Maar misschien heeft hij gelijk: ver van mij 
ben je vrij van Oedipale passies, 
en je dromen, mijn Telemakje, zijn zondeloos.

(noot: Palamedes (Grieks: Παλαμήδης) was in de Griekse mythologie de zoon van Nauplius en Clymene, en broer van Oeax. Hij was een van de Griekse aanvoerders bij de Trojaanse Oorlog.  In het verhaal werd beschreven hoe Palamedes het plan opvatte Odysseus te ontmaskeren toen deze veinsde krankzinnig te zijn om zo niet mee te hoeven doen aan de oorlog tegen Troje. Hij werd door Odysseus vals beschuldigd van verraad en door de Grieken ter dood gebracht. )
C.R.W.Nevinson The return of the Trenches 1917
Иосиф Бродский Одиссей Телемаку

Мой Телемак,                      
 Троянская война
окончена. Кто победил — не помню.
Должно быть, греки: столько мертвецов
вне дома бросить могут только греки…
И все-таки ведущая домой
дорога оказалась слишком длинной,
как будто Посейдон, пока мы там
теряли время, растянул пространство.

Мне неизвестно, где я нахожусь,
что предо мной. Какой-то грязный остров,
кусты, постройки, хрюканье свиней,
заросший сад, какая-то царица,
трава да камни… Милый Телемак,
все острова похожи друг на друга,
когда так долго странствуешь, и мозг
уже сбивается, считая волны,
глаз, засоренный горизонтом, плачет,
и водяное мясо застит слух.
Не помню я, чем кончилась война,
и сколько лет тебе сейчас, не помню.

Расти большой, мой Телемак, расти.
Лишь боги знают, свидимся ли снова.
Ты и сейчас уже не тот младенец,
перед которым я сдержал быков.
Когда б не Паламед, мы жили вместе.
Но может быть и прав он: без меня
ты от страстей Эдиповых избавлен,
и сны твои, мой Телемак, безгрешны.

Иосиф Бродский
(de Nederlandse voorlopige vertaling werd vanuit de Russische tekst gemaakt)
La Mitrailleuse 1915 Christopher Richard Wynne Nevinson 1889-1946 Presented by the Contemporary Art Society 1917 http://www.tate.org.uk/art/work/N03177
Josif Brodski (Joseph Brodsky) (1940-1996)
Russisch dichter, vertaler en essayist. Hij kreeg in 1987 de Nobelprijs voor de literatuur. Hij werd geboren in Leningrad, het huidige Sint-Petersburg. Maakte de middelbare school niet af, nam achtereenvolgens verschillende banen aan terwijl hij zichzelf onderwees in de wereldliteratuur. Hij werd in 1964 veroordeeld wegens ‘sociaal parasitisme’ en gedurende ruim een jaar verplicht tewerkgesteld op een kolchoze in het hoge noorden. In 1972 werd hij uit de Sovjetunie verbannen en bracht de rest van zijn leven in Amerika door waar hij literatuur doceerde aan de universiteit. In zijn werk overheerst een nostalgische toon. Zijn belangrijkste thema is het afscheid, het vertrek. Kort na zijn aankomst in het Westen, waar hij te gast was bij W.H. Auden, zei hij: ‘Dichters keren altijd naar hun land terug, hetzij in eigen persoon, hetzij op papier’
Joseph Brodsky: Tyranny will make an entire population into readers of poetry.
Painter C.R.W. Nevinson:  With the flair of a journalist, Nevinson was quick to grasp the greatness of the opportunity offered by the war. He was one of the first British artists to go on active service in the autumn of 1914, volunteering with a Red Cross unit, based at Dunkirk. The unit served in the rear of the French forces in the early months of the war when the worst slaughter occurred (almost half of French war losses came in the first 18 months of the war).  Nevinson’s health broke down under the stress, but back in Britain he painted a series of pictures reflecting his experiences. (gerryco23.wordpress.com)

In his autobiography, Paint and Prejudice, Nevinson described the scene that had inspired the first painting:
Dunkirk was one of the first towns to suffer aerial bombardment, and I was one of the first men to see a child who had been killed by it. There the small boy lay before me, a symbol of all that was to come. (zie bovenste afbeelding)
Christopher Nevinson 1940

‘Waar ze jou begrijpen, dat is thuis’: gedichten uit Oekraine van Serhiy Zhadan(3)

A family fleeing the invasion arrive at the Polish-Ukrainian border in Medyka, Poland
How did we build our homes?

How did we build our homes?
When you stand under a winter sky
where clouds turn and float away,
you know you must live where you’re not afraid to die.

Build walls out of reeds and grass,
dig great pits, hollow out trenches.
Get used to living shoulder to shoulder, day after day.
Home is where they understand you, even when you talk in your sleep.

Put stone next to stone, build your home
on this hard dark dirt,
dig coal and salt out of the pockets of earth.
We all need a roof for our weddings and funerals.

Everyone needs a place they’ll miss—that matters.
Water matters more when you miss it.
If you want someone to blame, it’s not us.
All we did all our lives was build our homes.

Brick by brick, nail by nail, wall by wall.
If you can stop me, then stop me.
But if you don’t want me here,
then you have to tear down my home.

In the sun, far from the emptiness
trees and children will grow.
Dew appears on the leaves after a long night.
We only built to raise the sky higher and higher.

Determining the height,
we filled the language of space with words.
Giving names again to everything,
We called brick brick, nail nail, wall wall.

The voice is given to the strong for singing and to the weak for praying,
A language disappears when no one speaks of love.
Nights are not nights without darkness
Shine over us, black sun, shine on.

Serhiy Zhadan
Translated from the Ukrainian by Virlana Tkacz and Wanda Phipps
Hoe hebben wij onze huizen gebouwd?

Hoe hebben wij onze huizen gebouwd?
Als je onder een winterhemel staat
waar wolken draaien en wegdrijven,
weet je dat je moet leven waar je niet bang bent om te sterven.

Muren bouwen van riet en gras,
graaf grote kuilen, hol loopgraven uit.
Raak eraan gewend om schouder aan schouder te leven, dag na dag.
Thuis is waar ze je begrijpen, zelfs als je praat in je slaap.

Zet steen naast steen, bouw je huis
op deze harde donkere aarde,
Graaf steenkool en zout uit de zakken aarde.
We hebben allemaal een dak nodig voor onze bruiloften en begrafenissen.

Iedereen heeft een plek nodig die ze zullen missen, dat doet er toe.
Water is belangrijker als je het mist.
Als je iemand de schuld wilt geven, zijn wij het niet.
Alles wat we ons hele leven deden was het bouwen van onze huizen.

Steen voor steen, nagel voor nagel, muur na muur.
Als je me kunt stoppen, stop me dan.
Maar als je me hier niet wilt,
dan moet je mijn huis afbreken.

In de zon, ver van de leegte
zullen bomen en kinderen groeien.
Dauw verschijnt op de bladeren na een lange nacht.
We hebben alleen gebouwd om de hemel hoger en hoger te maken.

De hoogte bepalend,
vulden we de taal van de ruimte met woorden.
Alles weer namen gevend,
We noemden baksteen baksteen, spijker spijker, muur muur.

De stem wordt gegeven aan de sterken om te zingen en aan de zwakken om te bidden,
Een taal verdwijnt als niemand meer spreekt van liefde.
Nachten zijn geen nachten zonder duisternis
Schijn over ons, zwarte zon, schijn.

Serhiy Zhadan Oekraine
Як ми будували свої доми?

Як ми будували свої доми?
Коли стоїш під небесами зими,
і небеса розвертаються й відпливають геть,
розумієш, що жити потрібно там, де тебе не лякає смерть.

Будуй стіни з водоростей і трави,
рий вовчі ями й рови.
Звикай жити разом з усіма день при дні.
Батьківщина—це там, де тебе розуміють, коли ти говориш вві сні.

Клади камінь при камені, будуй свій дім,
на глині, на чорноземі твердім,
вибирай у землі з кишень вугілля й сіль.
Кожен повинен мати дах для поминків і весіль.

Потрібно мати місце, якого буде шкода.
Вода чогось варта, якщо це питна вода.
Коли справді шукаєш винних, то це не ми.
Все життя ми будували свої доми.

Брила до брили, цвях по цвяху, стіна до стіни.
Якщо можеш мене спинити, ну то спини.
Але якщо хочеш, щоби мене тут не було,
доведеться крім мене забрати й моє житло.

Поближче до сонця, подалі від пустоти.
Дерева будуть рости, діти будуть рости.
На тютюновому листі виступає роса.
Ми будували так, ніби вивершували небеса.

Мов упорядковували висоту.
Ніби словами наповнювали мову пусту.
Ніби повертали речам імена.
До брили брила, по цвяху цвях, до стіни стіна.

Голос сильним дається для співу, слабким для молитов.
Мова зникає, коли нею не говориться про любов.
Ночі не мають сенсу без темноти.
Світи наді мною, чорне сонце, світи.
HISTORY OF CULTURE AT THE TURN OF THIS CENTURY - Serhiy Zhadan

You will reply today, touching warm letters,
leafing through them in the dark, confusing vowels with consonants,
like a typewriter in an old Warsaw office.
The heavy honeycombs
glisten with gold from which language is spun.
Don't stop, just write,
type over the empty white space, stamp through the black silent trail.
No one will return from ramblings through the long night,
and forgotten snails will die on wet grass.

Central Europe lies under tissue white snow.
I always believed in the lazy movements of Gypsies,
not everyone has inherited this worn coin.
If you look at their passports,
which smell of mustard and saffron,
if you hear their worn-out accordions,
which reek of leather and Arabic spices -
you'd hear them say that when you leave - no matter where you go -
you only create more distance and will never be any closer than you are now;
when the songs of old gramophones die,
a residue seeps out
like tomatoes
from damaged cans.

The overburdened heart of the epoch bursts every morning,
but not behind these doors, not in cities burnt by the sun.
Time passes, but it passes so near that if you
look closely, you can see its heavy warp,
and you whisper overheard sentences
and want someone someday to recognize your voice and say -
this is how the era began,
this is how it turned - awkward, heavy like a munitions truck,
leaving behind dead planets and burnt-out transmitters,
scattering wild ducks in the pond,
that fly off and call louder
than the truckers,
god,
barges.

When choosing your course of studies you should find out
among other things -
if the culture at the turn of this century
has already pressed itself into the veins of your slow arm,
rooted itself in the whorls of your thick hair,
carelessly blown by the wind,
and tousled by fingers
like streams of warm water in a basin,
like colored clay beads over cups and ashtrays,
like a vast autumn sky
over a cornfield. 
The storm at sunset over Drobyshevo village, Chernigov region, Ukraine
GESCHIEDENIS VAN DE CULTUUR AAN HET BEGIN VAN DEZE EEUW Serhiy Zhadan
Je zult vandaag antwoorden, warme brieven aanraken,
ze doorbladeren in het donker, klinkers verwarren met medeklinkers,
zoals een typemachine in een oud Warschau's kantoor.
De zware honingraten
glinsteren van goud waaruit taal wordt gesponnen.
Niet stoppen, gewoon schrijven,
typ over de lege witte ruimte, stamp door het zwarte stille spoor.
Niemand zal terugkeren van de omzwervingen door de lange nacht,
en vergeten slakken zullen sterven op nat gras.
Midden-Europa ligt onder weefselwitte sneeuw.
Ik heb altijd geloofd in de luie bewegingen van zigeuners,
maar niet iedereen heeft deze versleten munt geërfd.
Als je naar hun paspoorten kijkt,
die ruiken naar mosterd en saffraan,
als je hun versleten accordeons hoort,
die ruiken naar leer en Arabische kruiden…
zou je ze horen zeggen dat als je weggaat - waar je ook heen gaat -
je alleen maar meer afstand creëert en nooit dichterbij zult zijn dan je nu bent;
wanneer de liedjes van oude grammofoons sterven,
sijpelt er een residu uit
zoals tomaten
uit beschadigde blikken.
Het overbelaste hart van het tijdperk barst elke morgen,
maar niet achter deze deuren, niet in steden verbrand door de zon.
De tijd gaat voorbij, maar zo dichtbij dat als je
goed kijkt, je zijn zware kromming kunt zien,
en je fluistert afgeluisterde zinnen
en wil dat iemand op een dag je stem herkent en zegt -
dit is hoe het tijdperk begon,
dit is hoe het veranderde - onhandig, zwaar als een vrachtwagen met munitie,
dode planeten en uitgebrande zenders achterlatend,
verstrooiing van wilde eenden in de vijver,
die wegvliegen en luider roepen
dan de truckers,
god,
aken.
Bij het kiezen van je studie moet je uitvinden
onder andere -
of de cultuur van het begin van deze eeuw
zich al in de aderen van je trage arm heeft geperst,
zich heeft geworteld in de krullen van je dikke haar,
achteloos geblazen door de wind,
en door de vingers gekamd
als stromen warm water in een bekken,
als gekleurde kleikralen over kopjes en asbakken,
als een uitgestrekte herfstlucht
boven een korenveld.
A wheat field is pictured near the village of Zhovtneve, Ukraine, July 14, 2016. REUTERS/Valentyn Ogirenko

FUNERAL ORCHESTRA

Stories connected with murders, knife wounds,
suicides, botched abortions, in general –
stories connected with crimes interest
people because they’re parables, in these stories
men are manly and dutiful while children
braid roses of the lord’s omniscience
into their hair. In these stories
death always runs ahead, wanting to see
how it all ends, many people like the fact
that in these stories death begins in life
so you can glance into its adolescent
face.

In such stories sooner or later there appear musicians
who play funeral marches, they jump out of a dilapidated
bus onto the grounds of the cemetery and pull out
bagpipes, trombones and hunter’s horns from under their coats, roll out
drums and hurdy-gurdies and blow great cemetery jazz
over the deceased, the bloody unrestrained music of despair
and disobedience, heart-wrenching gangster melodies, melodies of old
tunes popular with sailors and prostitutes,
and then everyone who came to see the deceased on his last
journey starts to breathe easier, because these are the rules,
this is the ritual, or something like that, in a word
they’re not afraid of the dead – but of becoming one of them.

Also, as a rule, there are women in these stories,
they deserve a separate discussion – those
forty-year-old women who still display
the passion and indecisiveness of seventeen-year-old girls,
they cry about every senseless life spent on such
trivialities as love and faith, they remember how
the great depression began in our country
and still whisper the words
that were said to them in parting:

 everything is OK, girl, drugs won’t help me now
    I want to love you more than you want to have children
    life has not stopped, as we assumed, see – in the morning
    couriers will arrive from the train station and lovers will part on the stairs as usual,
    I will stay with you, watch
    when praying mantises sit in your palm and move over your
    sleeping body, send them patience, heavens,
    on their journey without end.
BEGRAFENISORKEST

Verhalen in verband met moorden, messteken,
zelfmoorden, mislukte abortussen, in het algemeen -
verhalen die verband houden met misdaden interesseren
mensen omdat het parabels zijn, in deze verhalen
zijn mannen mannelijk en plichtsgetrouw terwijl kinderen
rozen vlechten van de alwetendheid van de Heer
in hun haar. In deze verhalen
loopt de dood altijd vooruit, om te zien
hoe het allemaal afloopt, veel mensen houden van het feit
dat in deze verhalen de dood begint in het leven
zodat je een blik kunt werpen op zijn adolescenten-
gezicht.

In zulke verhalen verschijnen vroeg of laat muzikanten
die begrafenismarsen spelen, ze springen uit een aftandse
bus op het terrein van de begraafplaats en trekken
doedelzakken, trombones en jachthoorns onder hun jassen vandaan, rollen
trommels en draailieren en blazen grote kerkhof jazz
over de overledenen, de bloedige ongeremde muziek van wanhoop
en ongehoorzaamheid, hartverscheurende gangstermelodieën, melodieën van oude
melodieën populair bij zeelieden en prostituees,
en dan iedereen die kwam om de overledene te zien op zijn laatste
dag begint makkelijker te ademen, want dit zijn de regels,
dit is het ritueel, of iets dergelijks, in één woord
ze zijn niet bang voor de doden - maar wel om één van hen te worden.

In de regel zijn er ook vrouwen in deze verhalen,
ze verdienen een aparte discussie - die
veertig jaar oude vrouwen die nog steeds
de passie en besluiteloosheid van zeventienjarige meisjes vertonen,
ze huilen over elk zinloos leven besteed aan zulke
trivialiteiten als liefde en geloof, ze herinneren zich hoe
de grote depressie in ons land begon
en fluisteren nog steeds de woorden
die tegen hen werden gezegd bij het afscheid:

    alles is in orde, meisje, drugs zullen me nu niet helpen
    ik wil meer van je houden dan dat jij kinderen wilt krijgen
    het leven is niet gestopt, zoals we veronderstelden, zie - in de ochtend
    zullen koeriers aankomen van het treinstation en geliefden zullen vertrekken op de         
    trappen zoals gewoonlijk,
    Ik zal bij je blijven, kijken
    wanneer bidsprinkhanen in je handpalm zitten en over je
    slapend lichaam bewegen, stuur ze geduld, hemel,
    op hun reis zonder einde.

‘Hoe de vogels het zien’, gedichten van Serhiy Zhadan, Oekraine.(2)

I imagine how birds see it:
the black branch of a river,
rooftops in winter,
perplexed pedestrians on the sidewalk.

I imagine it’s scary for birds to fly over the river.

Still, they look at the city from above.
At the depot beyond the station,
the backyards,
the library on the other side of the river,
the full pages of the streets.

They repeat this February poem,
knowing it from gates to attics,
knowing where it’s going to stop finally,
and they know, by the way, how it’s going to end.

The soil emerges
the way facial features become clear,
fish will arrive in the floodplains of the Dinets river,
a bit of blackness will appear on the horizon,
there will be happiness,
there will be cattails.

The point is to warm up among people,
to love this artel work of winter,
this inaudible breath of soil,
its seal.

You have to scream about it.
And so they scream. 
Ik stel me voor hoe vogels het zien:
de zwarte tak van een rivier,
daken in de winter,
verbijsterde voetgangers op de stoep.

Ik stel me voor dat het eng is voor vogels om over de rivier te vliegen.

Toch kijken ze van bovenaf naar de stad.
Bij het depot achter het station,
de achtertuinen,
de bibliotheek aan de andere kant van de rivier,
de volle pagina's van de straten.

Ze herhalen dit februari gedicht,
ze kennen het van de poorten tot de zolders,
wetend waar het uiteindelijk zal stoppen,
en ze weten, tussen haakjes, hoe het gaat eindigen.

De grond komt tevoorschijn
zoals gelaatstrekken duidelijk worden,
vissen zullen arriveren in de overloopbekkens van de Dinets rivier,
een beetje zwartheid zal aan de horizon verschijnen,
er zal geluk zijn,
er zullen kattenstaarten zijn.

Het punt is om op te warmen onder de mensen,
om van dit kunstwerk van de winter te houden,
deze onhoorbare adem van de bodem,
zijn zegel.

Je moet er om schreeuwen.
En dus schreeuwen ze
As if this winter never happened,
as if we had no expectations, no worries,
hadn’t listened carefully
to the loudspeakers of December,
hadn’t halted motionless
before the orchestral truth of blizzards.

As if it wasn’t us who prepared
for the power of ice
born out of lovelessness.

As soon as the damp cursive of thaw
appears in the air,
the world explodes
like a crowd shown
the severed head of a tyrant.

Eternal the fire above the meadows.
Eternal our devotion to
the open heart of the river.

And the first to wake up are always
the booksellers at street markets,
and they lay out their treasures along
the city’s bridge.

And poets are already looking around
in the wind from their old wet anthologies
swollen like pillows,

chucked out of the school program,
but not banished from life,

they react to the laughter,
to the farewell rustle
of snow under boots,

they adjust their ties,
warm up between
covers.

Poets whom no one trusts,
poets from the history of literature.

Betrayed by lawyers,
left by wives,
those who drowned, hanged themselves, suicides:

they tell their biographies,
cultivate in us the love
of life.

(translated from the Ukrainian by John Hennessy and Ostap Kin)
Alsof deze winter nooit gebeurd is,
alsof we geen verwachtingen hadden, geen zorgen,
niet goed hadden geluisterd
naar de luidsprekers van december,
niet roerloos hadden stilgestaan
voor de orkestrale waarheid van de sneeuwstormen.

Alsof wij het niet waren die ons voorbereidden
op de kracht van ijs
geboren uit liefdeloosheid.

Zodra het vochtige cursief van dooi
in de lucht verschijnt,
explodeert de wereld
als een menigte die
het afgehakte hoofd van een tiran toont.

Eeuwig het vuur boven de weiden.
Eeuwig onze toewijding aan
het open hart van de rivier.

En de eersten die wakker worden zijn altijd
de boekverkopers op de straatmarkten,
en zij leggen hun schatten uit langs
de brug van de stad.

En dichters kijken al rond
in de wind van hun oude natte bloemlezingen
opgezwollen als kussens,

uit het schoolprogramma gegooid,
maar niet verbannen uit het leven,

ze reageren op het gelach,
op het afscheids-geritsel
van sneeuw onder laarzen,

ze passen hun dassen aan,
warmen zich op tussen
dekens.

Dichters die niemand vertrouwt,
dichters uit de geschiedenis van de literatuur.

Verraden door advocaten,
verlaten door vrouwen,
zij die verdronken, zichzelf ophingen, zelfmoordenaars:

zij vertellen hun biografieën,
cultiveren in ons de liefde
van het leven.
Headphones
By Serhiy Zhadan
Translated by Virlana Tkacz and Wanda Phipps from the Ukrainian

Sasha, a quiet drunk, an esoteric, a poet,
spent the entire summer in the city.
When the shooting began, he was surprised —
started watching the news, then stopped.
He walks around the city with headphones on,
listening to golden oldies,
as he stumbles into burned-out cars,
blown-up bodies.

What will survive from the history 
of the world in which we lived
will be the words and music of a few geniuses
who desperately tried to warn us,
tried to explain, but failed to explain anything
or save anyone; 
these geniuses lie in cemeteries
and out of their ribcages
grow flowers and grass.
Nothing else will remain —
only their music and songs, a voice
that forces you to love.

You can choose to never turn off this music.
Listen to the cosmos, shut your eyes.
Think about whales in the ocean at night.
Hear nothing else.
See nothing else.
Feel nothing else.
Except, of course, for the smell, 
the smell of corpses.

https://www.nytimes.com/2021/08/26/magazine/poem-headphones.html
Koptelefoon

Sasha, een stille dronkaard, een esotericus, een dichter,
bracht de hele zomer door in de stad.
Toen de schietpartij begon, was hij verrast -
begon naar het nieuws te kijken, en stopte toen.
Hij loopt door de stad met een koptelefoon op,
luisterend naar golden oldies,
terwijl hij struikelt over uitgebrande auto's,
opgeblazen lichamen.

Wat zal er overblijven van de geschiedenis 
van de wereld waarin we leefden
zullen de woorden en muziek zijn van een paar genieën
die wanhopig probeerden ons te waarschuwen,
probeerden uit te leggen, maar er niet in slaagden iets uit te leggen
of iemand te redden; 
deze genieën liggen op begraafplaatsen
en uit hun ribbenkast
groeien bloemen en gras.
Niets anders zal overblijven -
alleen hun muziek en liedjes, een stem
die je dwingt lief te hebben.

Je kunt ervoor kiezen om deze muziek nooit uit te zetten.
Luister naar de kosmos, sluit je ogen.
Denk aan walvissen in de oceaan 's nachts.
Hoor niets anders.
Zie niets anders.
Voel niets anders.
Behalve, natuurlijk, de geur, 
de geur van lijken.

Street art in KYIV Ivana Frankastraat, 5 Alex Maksikov, Oekraine

‘So I’ll talk about it’: poëzie uit Oekraïne

Lviv

‘A Rock-Star’-Poet wordt hij genoemd, Serhiy Zhadan, (geboren 23 augustus 1974) is een Oekraïense schrijver, vertaler en musicus. Asymptote, het tijdschrift voor literatuur in vertaling, noemde hem de ‘Rock-Star Poet’, als erkenning voor zijn productie – meer dan twee dozijn romans en dichtbundels – en zijn weigering om te knielen en de Russische vlag te kussen tijdens een pro-Kyiv demonstratie op het Vrijheidsplein in de stad Kharkiv. Vanuit de Engelse vertaling van John Hennessy en Ostap Kin, een voorlopige vertaling in het Nederlands.

Alexandra Ekster Drie Vrouwen
So I'll Talk About it- Serhiy Zhadan
    So I’ll talk about it:
    about the green eye of a demon in the colorful sky.
    An eye that watches from the sidelines of a child’s sleep.
    The eye of a misfit whose excitement replaces fear.

    Everything started with music,
    with scars left by songs
    heard at fall weddings with other kids my age.

    The adults who made music.
    Adulthood defined by this—the ability to play music.
    As if some new note, responsible for happiness,
    appears in the voice,
    as if this knack is innate in men:
    to be both hunter and singer.

    Music is the caramel breath of women,
    tobacco-scented hair of men who gloomily
    prepare for a knife-fight with the demon
    who has just crashed the wedding.

    Music beyond the cemetery wall.
    Flowers that grow from women’s pockets,
    schoolchildren who peek into the chambers of death.

    The most beaten paths lead to the cemetery and water.
    You hide only the most precious things in the soil—
    the weapon that ripens with wrath,
    porcelain hearts of parents that will chime
    like the songs of a school choir.

    I’ll talk about it—
    about the wind instruments of anxiety,
    about the wedding ceremony as memorable
    as entering Jerusalem.

    Set the broken psalmic rhythm of rain
    beneath your heart.
    Men that dance the way they quench
    steppe-fire with their boots.
    Women that hold onto their men in dance
    like they don’t want to let them go to war.

    Eastern Ukraine, the end of the second millennium.
    The world is brimming with music and fire.
    In the darkness flying fish and singing animals give voice.

    In the meantime, almost everyone who got married then has died.
    In the meantime, the parents of people my age have died.
    In the meantime, most heroes have died.
    The sky unfolds, as bitter as it is in Gogol’s novellas.
    Echoing, the singing of people who gather the harvest.
    Echoing, the music of those who cart stones from the field.
    Echoing, it doesn’t stop.
Alexander Bozomazov Begrafenis
Dus zal ik erover praten  Serhiy Zhadan

Dus ik zal er over praten:
    over het groene oog van een demon in de kleurrijke lucht.
    Een oog dat toekijkt vanaf de zijlijn van een kinderslaap.
    Het oog van een buitenbeentje wiens opwinding de angst vervangt.

    Alles begon met muziek,
    met littekens achtergelaten door liedjes
    gehoord op herfst bruiloften met andere kinderen van mijn leeftijd.

    De volwassenen die muziek maakten.
    Volwassenheid gedefinieerd door dit - het vermogen muziek te spelen.
    Alsof een nieuwe noot, verantwoordelijk voor geluk,
    verschijnt in de stem,
    alsof deze vaardigheid aangeboren is bij mannen:
    om zowel jager als zanger te zijn.

    Muziek is de karamel-adem van vrouwen,
    naar tabak ruikend haar van mannen die zich somber
    voorbereiden op een messengevecht met de demon
    die net de bruiloft heeft verpest.

    Muziek voorbij de kerkhofmuur.
    Bloemen die groeien uit de zakken van vrouwen,
    schoolkinderen die gluren in de kamers van de dood.

    De meest platgetreden paden leiden naar het kerkhof en water.
    Je verbergt alleen de meest kostbare dingen in de grond-
    het wapen dat rijpt met toorn,
    porseleinen harten van ouders die zullen klinken
    als de liederen van een schoolkoor.

    Ik zal er over praten-
    over de blaasinstrumenten van angst,
    over de huwelijksceremonie zo gedenkwaardig
    als het binnengaan in Jeruzalem.

    Zet het gebroken psalmische ritme van regen
    onder je hart.
    Mannen die dansen zoals ze blussen
    steppevuur doven met hun laarzen.
    Vrouwen die hun mannen vasthouden in de dans
    alsof ze hen niet ten oorlog willen laten gaan.

    Oost Oekraïne, het einde van het tweede millennium.
    De wereld bruist van muziek en vuur.
    In de duisternis geven vliegende vissen en zingende dieren een stem.

    Intussen is bijna iedereen die toen trouwde gestorven.
    Intussen zijn de ouders van mensen van mijn leeftijd gestorven.
    Intussen zijn de meeste helden gestorven.
    De hemel ontvouwt zich, net zo bitter als in Gogol's novellen.
    Echoënd, het gezang van mensen die de oogst binnenhalen.
    Echoënd, de muziek van hen die stenen van het veld karren.
    Echoënd, het houdt niet op.
Aleksandra Ekster ‘Ville’
In Kiev was het atelier van Aleksandra Ekster een verzamelplaats voor schilders, dichters en intellectuelen. Ekster was in Parijs geweest waar ze Picasso en Braque ontmoette. Ze volgde de laatste trends in kubisme en futurisme. Haar schilderijen kenmerken zich door felle kleuren en versimpelde vormen.(Kunstvensters)
"They buried their son last winter"  Serhiy Zhadan
They buried their son last winter.
Strange weather for winter—rain, thunder.
They buried him quietly—everybody’s busy.
Who did he fight for? I asked. We don’t know, they say.
He fought for someone, they say, but who—who knows?
Will it change anything, they say, what’s the point now?
I would have asked him myself, but now—there’s no need.
And he wouldn’t reply—he was buried without his head.

It’s the third year of war; they’re repairing the bridges.
I know so many things about you, but who’d listen?
I know, for example, the song you used to sing.
I know your sister. I always had a thing for her.
I know what you were afraid of, and why, even.
Who you met that winter, what you told him.
The sky gleams, full of ashes, every night now.
You always played for a neighboring school.
But who did you fight for?

To come here every year, to weed dry grass.
To dig the earth every year—heavy, lifeless.
To see the calm after tragedy every year.
To insist you didn’t shoot at us, at your people.
The birds disappear behind waves of rain.
To ask forgiveness for your sins.
But what do I know about your sins?
To beg the rain to finally stop.
It’s easier for birds, who know nothing of salvation, the soul. 
Alexander Bozomazov De wagen
"Afgelopen winter hebben ze hun zoon begraven"  Serhiy Zhadan

Ze hebben afgelopen winter hun zoon begraven.
Raar weer voor een winter, regen, donder.
Ze begroeven hem stilletjes - iedereen heeft het druk.
Voor wie heeft hij gevochten? vroeg ik. Dat weten we niet, zeggen ze.
Hij vocht voor iemand, zeggen ze, maar wie - wie weet?
Zal het iets veranderen, zeggen ze, wat is het punt nu?
Ik zou het hem zelf gevraagd hebben, maar nu - is dat niet nodig.
En hij zou niet antwoorden, hij was zonder hoofd begraven.

Het is het derde oorlogsjaar, ze repareren de bruggen.
Ik weet zoveel over je, maar wie luistert er?
Ik ken, bijvoorbeeld, het liedje dat je altijd zong.
Ik ken je zus. Ik heb altijd iets voor haar gehad.
Ik weet waar je bang voor was, en zelfs waarom.
Wie je die winter ontmoette, wat je hem vertelde.
De hemel schittert, vol as, elke nacht nu.
Je speelde altijd voor een naburige school.
Maar voor wie heb je gevochten?

Om hier elk jaar te komen, om droog gras te wieden.
Om elk jaar de aarde om te spitten - zwaar, levenloos.
Om de rust te zien na een tragedie, elk jaar.
Om vol te houden dat je niet op ons schoot, op je volk.
De vogels verdwijnen achter golven van regen.
Om vergeving te vragen voor je zonden.
Maar wat weet ik van je zonden?
Om te smeken dat de regen eindelijk ophoudt.
Het is makkelijker voor vogels, die niets weten van verlossing, de ziel. 
Kiriak Konstantinovich Kostandi – Heilige Donderdag in het noordelijke dorp

Meer over de dichter:

https://www.newyorker.com/books/page-turner/the-bard-of-eastern-ukraine-where-things-are-falling-apart

Letterbreed en letterlievend: Charles Boyle (1951)

Foto door Ravi Kant
Charles Boyle was born in Leeds, and worked in for a long time in publishing, including fourteen years at Faber and Faber. He is the author of six collections of poetry: Affinities (1977), House of Cards (1983), Sleeping Rough (1987), The Very Man (1993; all Carcanet), Paleface (1996), and The Age of Cardboard and String (2001; both Faber), the last of which he is probably best known for. Reviewing in the Guardian, Nicholas Lezard called the book “quite beguiling: completely unpretentious yet still resonant and lyrical; linguistically precise and emotionally evasive, often at the same time.” 

Boyle has also published a novella, 24 for 3 (Bloomsbury, 2008) under the pseudonym Jennie Walker, and a book of photographs and brief texts, Days and Nights in W12, under the pseudonym Jack Robinson. The Manet Girl, a collection of stories, was published under his own name in 2013 by Salt Publishing. In 2007, as a result of his difficulty in getting 24 for 3 published, Boyle established CB Editions, a small press dedicated to novellas, translations, and writing in other genres often neglected by mainstream publishers. (The poetry archive, John Green)

Merkwaardig in deze staat van dienst is wel dat hij na zes dichtbundels (1977-2001) ophield met poëzie schrijven. Sinds het eerste jaar van dit nieuwe millenium heeft hij dus geen versregel meer geschreven. (Poems can be written in the little gaps of time that 9-to-5 jobs allow. Especially after I had children, I considered earning a living more important than writing poems.) Met daarbij de vrees hetzelfde gedicht te schrijven dat eerder al door hem geschreven is. Hij noemt het: “een vriendschappelijke scheiding” van de Muze. Als founder-editor van zijn kleine CB-editions had hij ook wel de handen vol om van het hoofd nog te zwijgen.

'I wasn’t good enough. I wanted to get a new tone and a new range of material into the work, and I didn’t have the technique, the ability. Writing more of what I’d already written, variations on poems already in print, was pointless – firstly because there was no thrill in this, secondly because it wasn’t as if this was an income-generating activity that I needed to sustain to keep myself in cigarettes.'
Foto door Negative Space

Vorig jaar, 2021, verscheen ‘The Disguise’ Poems 1977-2001, een selectie uit de zes bundels door Christopher Reid , Carcanet. Manchester. In enkele dagen van Amazon NL naar je thuisadres voor iets meer dan 20 euro. Enkele gedichten hier met poging tot vertaling als kennismaking. Ook uit mijn persoonlijke collectie.

Charles Boyle established a reputation as a sharp, wry, disabused observer of social mores. Paleface, published by Faber, was shortlisted for the Forward Prize, and The Age of Cardboard and String, also from Faber, was shortlisted for the T.S. Eliot Prize and the Whitbread Award. But in 2001 the well ran dry. Since the first year of the twenty-first century he has not put poetic pen to paper even once. 

The poems remain vital and fascinating, but they have about them also a kind of archaic cast: here we find the quintessential white male Englishness from the late twentieth century on display as if in a museum. Here too is the excitement of abroad (North Africa especially), and there are ghosts, absences, exile and evasions: in hindsight, these poems offer clues to their own disappearance after thirty notable years spent partly in the sun. (aldus de uitgever)
Foto door Charlotte May
Moving in

The shape of the key is still strange in my hand.

Inside, all’s silent in shadow: a sense
of violating stillness as in a tomb.

We wander through, touching dust, pausing
to look, to listen, to watch each other’s faces.

On the south side we find, as promised, the balcony,
you open the shutters, letting daylight in

on faded chairs, the worn carpet, a magazine.
There are pictures of flowers and eastern girls.

All this will have to go, you say.  Less sure
than you, I fear displacing the old echoes.
eigen foto Gmt
Naar binnen

De vorm van de sleutel is nog steeds vreemd in mijn hand.

Binnen is alles stil in schaduw: een gevoel
van gewelddadige stilte als in een tombe.

We dwalen rond, raken stof aan, pauzeren
om te kijken, om te luisteren, om elkaars gezichten te bekijken.

Aan de zuidkant vinden we, zoals beloofd, het balkon,
je opent de luiken, laat het daglicht binnen

op verschoten stoelen, het versleten tapijt, een tijdschrift.
Er zijn foto's van bloemen en oosterse meisjes.

Dit moet allemaal weg, zeg je.  Minder zeker
dan jij, vrees ik de oude echo's te verplaatsen.
Arlington Mansions

Towards midnight on my 30th birthday
I was teasing a 5-amp fuse wire
between a pair of recalcitrant screws,
remembering in the dark
April 1961: Yuri Gagarin, first man alive
to see the whole blue ball in space,
and myself aged 10 in the back of a car
being driven east.

A dog came scratching for food.
A bowl of cold chicken curry later,
I half-led, half-pushed it back home
to the gaga lady upstairs –
the Flower Girl, the Millionairess,
former star of the silent screen- 
who lived on chocolate and cigarettes.

Sshhh, she whispered, one finger on her lips,
the same sound of the sea
I could hear beyond Flamborough Head.
Foto door Julia Volk
Arlington Mansions

Tegen middernacht op mijn 30ste verjaardag
was ik een 5-amp zekering aan ’t trekken
tussen een paar recalcitrante schroeven,
en herinnerde ik mij in het donker
april 1961: Yuri Gagarin, de eerste levende man
die de hele blauwe bol in de ruimte zag,
en ikzelf 10 jaar oud, achterin een auto
die naar het oosten reed.

Een hond kwam scharrelen naar eten.
Een kom koude kip curry later,
ik half geleid, half geduwd
naar de gaga-dame boven-
de Flower Girl, the Millionairess,
voormalige ster van het stille scherm-
die van chocolade en van sigaretten leefde.

Sshhh, fluisterde ze, een vinger op haar lippen,
hetzelfde geluid van de zee
dat ik voorbij Flamborough Head kon horen.
Foto door cottonbro
Fault Line

There was so much right on both sides,
Ken said, we could each found a church,
and the people who stuck by whichever holy writ
would be people he wouldn’t mind meeting.

At the time, I was kneeling on the floor
with a self-assembly bookshelves kit,
wondering why they’d given me only nine nuts
for ten bolts, and just when he’d said that,

about the two churches, I realised
that the alarm bell on the used-car garage
which had been ringing since Friday night
had stopped. For the first time for years

I felt a shiver run through me
and into the ground. Then Ken was saying,
in his seen-it-all, done-it-all voice,
Have you ever watched a priest, a priest

in full regalia, in tears? Weeping’s
the word, not crying, and the snotty grey handkerchief
he keeps up the sleeve of his vestment
can’t stem the waters of Babylon.
Waters of Babylon Ninth Taboo
Breuklijn

Er was zoveel goeds aan beide kanten,
zei Ken, dat we elk een kerk konden stichten,
en de mensen die zich aan de heilige schriften hielden
zouden mensen zijn die hij  best wilde ontmoeten.

Op dat moment zat ik geknield op de vloer
met een doe-het-zelf bouwpakket boekenplanken,
verwonderd waarom zij mij maar negen moeren
voor tien bouten hadden gegeven, en net toen hij dat had gezegd,

over de twee kerken, realiseerde ik mij
dat de alarmbel van de tweedehands autogarage
die al rinkelde sinds vrijdagnacht
gestopt was. Voor de eerste keer sinds jaren

voelde ik een rilling door me heen gaan
tot in de grond. Toen zei Ken
met zijn alles-gezien, alles-gedaan stem:
Heb je ooit een priester, een priester

in vol ornaat in tranen gezien? Huilen is
het woord, niet wenen, en de snotterige grijze zakdoek
die hij in de mouw van zijn gewaad bewaart
kan het water van Babylon niet tegenhouden.
Blossom

I’m in Waterstones, where they know about these things,
I’m trying to buy a book with the word Tree
in its title, I forget the author, it’s something
I’ve been told I must read by someone I trust,
over a week ago now, and the girl at the desk,
the cashier, pretty, brunette, is on the phone
to a friend, who is making some difficulty about tonight’s
arrangements, nine o’clock in the Yorkshire Grey,
and while nestling the phone to her cheek, between her ear
and left shoulder, a trick I could never manage,
is taking money from the person, woman, in front of me,
giving one pound and five pee change, then dropping the book,
six hundred pages at least, with a palm tree, black
palm tree, not the same tree at all, and embossed
gold letters on its cover, into a purple plastic bag,
adding bookmark, receipt, a smile, a frank
and beautiful smile, still insisting that Stephen and Julia
are leaving tomorrow, it could be their last chance ever.
Bloesem

Ik ben in Waterstones, waar ze van die dingen afweten,
ik probeer een boek te kopen met het woord Tree
in zijn titel,  ik vergat de auteur, het is iets werd er gezegd
door iemand die ik vertrouw dat ik moet lezen, 
nu een week geleden, en het meisje aan de balie,
de kassière, mooi, brunette, is aan de telefoon
met een vriend, die wat moeilijk doet over  over de afspraken
van vanavond , negen uur in de Yorkshire Grey,
en terwijl ze de telefoon tegen haar wang nestelt, tussen haar oor
en linkerschouder, een truk die ik nooit zou kunnen flikken,
is geld aannemen van die persoon, vrouw voor mij,
een pond en vijf pence wisselgeld geven, dan het boek
minstens zeshonderd pagina’s, met een palmboom , zwarte
palmboom, helemaal niet dezelfde boom, goudkleurige
letters in reliëf op de kaft, in een paarse plastic zak laten vallen,
bladwijzer erbij, ontvangstbewijs, een glimlach, een open
en mooie glimlach, nog steeds volhoudend dat Stephen en Julia
morgen vertrekken, het zou hun laatste kans kunnen zijn.

The Age of Cardboard and String, gepubliceerd in 2001, is het titelgedicht voor Charles Boyle’s laatste bundel tot nu toe. Na wat hij “een minnelijke scheiding” van de Muse noemt, werd hij de oprichter en uitgever van CB Editions en blijft hij in andere genres schrijven.

In feite zijn het drie kleine gedichten onder dezelfde noemer. Het wordt uitvoerig besproken in The Guardian door Carol Ruimen’s ‘Poem of the week’ van 27/12/2021 Te raadplegen:

https://www.theguardian.com/books/booksblog/2021/dec/27/poem-of-the-week-the-age-of-cardboard-and-string-by-charles-boyle

The Age of Cardboard and String

It is a machine for eating oranges.
It is a machine for humming new tunes.
It is a rocket bound for the moon.
It is, whatever string you pull, the same machine.

When it breaks we apply more sellotape,
and when it breaks again we sulk, mixing our tears
Into the glue. When it works

we set off for the moon,
scattering orange peel on the floor
and singing songs not yet written down –
hot, fierce songs

that almost burn our mouths with their newness.

*

Faster! Faster! We want to overtake
Anna, who is seven. We want

gears, automatic transmission, wings, clouds
to fly through, flags, fuel injection,
solar panels, stabilisers, sometimes just
to be left alone.

And no,
it wasn’t us (with crumbs on our lips)
who stole the cookies from the cookie jar.

Maybe God
Maybe God was hungry.

*

The moon was OK.
There were holes in it,
We saw biscuits and things at the bottom.

It was raining, the cardboard melted.
Tomorrow can we build a boat?

Wait! We brought you back a secret,
but we’re going to tell it to the zebras first –
the black one with stripes painted white,
the white one with stripes painted black,

who sleep on the landing,
leaving just enough room to squeeze by.
on the wings of a dream by Vince Pezzaniti
Het tijdperk van karton en touw

Het is een machine om sinaasappels te eten.
Het is een machine om nieuwe deuntjes te neuriën.
Het is een raket op weg naar de maan.
Het is, aan welk touw je ook trekt, dezelfde machine.

Als ze breekt, gebruiken we meer sellotape,
en als ze weer breekt mokken we, terwijl we onze tranen mengen
met de lijm.  Lukte het

dan gingen we op weg we naar de maan,
appelsienschillen strooiend over de vloer
En songs zingend die nog niet niet geschreven zijn-
Hete felle songs

die bijna onze monden verbranden met hun nieuwigheid.

*

Sneller! Sneller! We willen Anna
inhalen, die zeven is.   We willen

Versnellingen, automatische transmissie, vleugels, wolken
om er door te vliegen, vlaggen, brandstofinjectie,
zonnepanelen, stabilisatoren, soms gewoon
om met rust te worden gelaten.

En neen, 
wij waren het niet (met kruimels op onze lippen)
die de koekjes stalen uit de koekjestrommel.

Mischien God
Misschien had God honger.

*

De maan was OK.
Er zaten gaten in,
We zagen koekjes en dingen op de bodem.

Het regende, ’t karton gesmolten.
Morgen kunnen we dan een boot bouwen?

Wacht! We brachten je een geheim terug,
Maar we gaan het eerst aan de zebra’s vertellen-
de zwarte met wit geschilderde strepen,
de witte met strepen zwart geschilderd,

die op de overloop slapen,
net genoeg plaats overlatend om er langs te kunnen.

Charles Boyle is een scherpe observator. Niet het verhaal, maar degene die het vertelt of er zijdelings bij betrokken is wordt belangrijk. De fragmentarische observaties doen mij aan filmbeelden denken; ze hebben door hun koele beeldrijkdom een zekere afstandelijkheid waardoor ze aan geloofwaardigheid winnen. Een verre herinnering, een ogenschijnlijk onbelangrijke gebeurtenis, de ‘vrees om oude echo’s te verplaatsen’, de mogelijkheid om langs kinderlijke dromen essenties terug te vinden, de aandachtige observatie in een winkelruimte, ze getuigen van een koele intensiteit waarmee de warme belangstelling voor ons ingewikkeld bestaan met een zekere afstand wordt opgediend met genoeg leegte die de lezer(es) zelf zal mogen aanvullen. Er is plaats voor de lezer, een eigenschap die een uitgever naar waarde weet te schatten. Zoals in dit gedicht ter afsluiting het observeren zijn eigenzinnige draai krijgt.

FIGURINE

I like too 
the shape you make
when you're trying on a new little something,
when facing away
from the full-length mirror
you hollow your back,
make a half-turn
so that the heel of one foot's lifted up,
and look appraisingly down
to observe the effect
from behind-
as if you're following yourself
home
incognito.

(Uit de bundel Paleface 1996)
Vrouw voor de spiegel Erwin Mackowiak S.M.A.K.

Hannah Arendt over Wystan Hugh Auden

Hannah en Wystan Hugh, of gewoon Arendt en Auden. Ze zijn beiden in dit blog aanwezig. Tik hun namen bij de zoekfunctie en lees.

In ‘Thinking without a Banister’, -essays in understanding 1953-1975- beschrijft Hannah Arendt haar ontmoetingen met Auden. Een filosofe, politiek denker weegt en wikt liefdevol haar woorden die een dichter pure sang benaderen. In tijden waarin wij nu leven was dit opstel helder licht in een vrij schemerige omgeving. Ik besloot het te vertalen en het in zijn geheel in dit blog op te nemen, met bewondering en gehechtheid aan beiden die in de meest rumoerige tijden van de twintigste eeuw hun weg hebben uitgetekend. Tot bij ons.

Remembering Wystan H. Auden, Who Died in the Night of the Twenty-eighth of
September, 1973

Original English text :

Ik ontmoette Auden laat in zijn leven en in het mijne – op een leeftijd waarop de gemakkelijke, op de hoogte zijnde intimiteit van vriendschappen die in iemands jeugd zijn ontstaan, niet langer kan worden bereikt, omdat er niet genoeg leven over is, of verwacht wordt over te zullen blijven, om met een ander te delen. Wij waren dus zeer goede vrienden, maar geen intieme vrienden. Bovendien had hij een terughoudendheid die vertrouwdheid ontmoedigde – niet dat ik die ooit op de proef stelde. Ik respecteerde het liever als de noodzakelijke geheimzinnigheid van een groot dichter, iemand die zichzelf al vroeg geleerd moet hebben om niet in proza te praten, losjes en willekeurig, over dingen die hij veel bevredigender wist te zeggen in de gecondenseerde concentratie van de poëzie. Terughoudendheid kan de déformation professionnelle van de dichter zijn. In het geval van Auden leek dit des te waarschijnlijker omdat veel van zijn werk, in volstrekte eenvoud, voortkwam uit het gesproken woord, uit idiomen van de omgangstaal, zoals “Lay your sleeping head, my love, Human on my faithless arm.” Dit soort perfectie is zeer zeldzaam; we vinden ze in enkele van de grootste gedichten van Goethe, en ze moet bestaan in de meeste werken van Poesjkin, want hun kenmerk is dat ze onvertaalbaar zijn. Op het moment dat dit soort gedichten uit hun oorspronkelijke verblijfplaats worden gerukt, verdwijnen ze in een wolk van banaliteit. Hier hangt alles af van de “fluent gestures” in “elevating facts from the prosaic to the poetic” – een punt dat de criticus Clive James benadrukte in zijn essay over Auden in Commentary van december 1973. Waar een dergelijke vloeiendheid wordt bereikt, zijn we er op magische wijze van overtuigd dat alledaagse spraak latent poëtisch is, en, onderwezen door de dichters, openen onze oren zich voor de ware mysteries van taal. De onvertaalbaarheid van een gedicht van Auden heeft mij vele jaren geleden overtuigd van zijn grootheid. Drie Duitse vertalers hadden hun geluk beproefd en een van mijn favoriete gedichten genadeloos om zeep geholpen: “If I Could Tell You” (Collected Shorter Poems 1927-1957), gedicht dat op natuurlijke wijze voortkomt uit twee spreektaalwoorden (two colloquial idioms) – “Time will tell” and “I told you so”:

Time will say nothing but I told you so,
Time only knows the price we have to pay;
If I could tell you I would let you know.

If we should weep when clowns put on their show,
If we should stumble when musicians play,
Time will say nothing but I told you so. . . .

The winds must come from somewhere when they blow,
There must be reasons why the leaves decay;
Time will say nothing but I told you so. . . .

Suppose the lions all get up and go,
And all the brooks and soldiers run away;
Will Time say nothing but I told you so?
If I could tell you I would let you know.
In het filmpje hierbij het gehele gedicht, niet alleen de citaten die Arendt gebruikte om een werkwijze duidelijk te maken.

Ik ontmoette Auden in de herfst van 1958, maar ik had hem al eerder gezien, eind jaren veertig, op een feestje van een uitgever. Hoewel we toen geen woord met elkaar wisselden, herinnerde ik me hem heel goed: een goed uitziende, goed geklede, zeer Engelse heer, vriendelijk en ontspannen. Tien jaar later herkende ik hem niet meer, want zijn gezicht was nu getekend door die beroemde diepe rimpels, alsof het leven zelf een soort gezichtsbedekking had gemaakt om “de onzichtbare woede van het hart” (‘the heart’s invisible furies) zichtbaar te maken. Als je naar hem luisterde, leek niets bedrieglijker dan deze verschijning. Keer op keer, wanneer hij het, naar het leek, niet meer aankon, wanneer zijn krotwoning zo koud was dat het sanitair niet meer functioneerde en hij gebruik moest maken van het toilet in de slijterij op de hoek, wanneer zijn pak – niemand kon hem ervan overtuigen dat een man minstens twee pakken nodig had, zodat er één naar de stomerij kon, of twee paar schoenen, zodat één paar gerepareerd kon worden: een onderwerp van een eindeloze discussie tussen ons door de jaren heen – bedekt was met vlekken of zo dun was versleten dat zijn broek plotseling van boven naar beneden scheurde – kortom, wanneer het noodlot voor je ogen toesloeg, begon hij min of meer een volkomen idiosyncratische versie van “Tel uw zegeningen. ” Omdat hij nooit onzin uitkraamde of iets overduidelijk onnozels zei – en omdat ik me er altijd van bewust bleef dat dit de stem van een zeer groot dichter was – had ik jaren nodig om te beseffen dat het in zijn geval niet het uiterlijk was dat bedrieglijk was, en dat het een fatale vergissing was om wat ik van zijn levenswijze zag toe te schrijven aan de onschuldige excentriciteit van een typische Engelse gentleman.

Eindelijk zag ik de ellende, en op de een of andere manier begreep ik vaag zijn dwingende behoefte om die te verbergen achter de litanie “Tel uw zegeningen”, maar toch vond ik het moeilijk om volledig te begrijpen waarom hij zo ellendig was en niet in staat was om iets te doen aan de absurde omstandigheden die het dagelijks leven zo ondraaglijk voor hem maakten. Het kon zeker geen gebrek aan erkenning zijn. Hij was redelijk beroemd, en een dergelijke ambitie kon bij hem hoe dan ook nooit veel hebben betekend, want hij was de minst ijdele van alle auteurs die ik ooit heb ontmoet – volkomen immuun voor de ontelbare kwetsbaarheden van gewone ijdelheid. Niet dat hij nederig was; in zijn geval was het zelfvertrouwen dat hem tegen vleierij beschermde, en dit zelfvertrouwen bestond vóór erkenning en roem, ook vóór prestatie. Geoffrey Grigson, in de Times Literary Supplement, meldt de volgende dialoog tussen de zeer jonge Auden en zijn tutor in Oxford.

“Tutor: ‘And what are you going to do, Mr. Auden, when you leave the university?’ 
Auden: ‘I am going to be a poet.’ 
Tutor: ‘Well—in that case you should find it very useful to have read English.’ 
Auden: ‘You don’t understand. I am going to be a great poet.’”

Zijn zelfvertrouwen heeft hem nooit verlaten, omdat het niet werd verworven door vergelijkingen met anderen, of door het winnen van een wedstrijd; het was natuurlijk – verbonden, maar niet identiek, met zijn enorme vermogen om met taal te doen, en snel te doen, wat hij maar wilde. Wanneer vrienden hem vroegen een verjaardagsgedicht te produceren voor de volgende avond om zes uur, konden ze er zeker van zijn dat ze het kregen; dit is duidelijk alleen mogelijk in de afwezigheid van zelftwijfel. Maar zelfs dit steeg hem niet naar het hoofd, want hij maakte geen aanspraak op, of streefde misschien zelfs naar, uiteindelijke perfectie. Hij herzag zijn eigen gedichten voortdurend en was het met Valéry eens dat een gedicht nooit af is, maar alleen wordt losgelaten. Met andere woorden, hij was gezegend met dat zeldzame zelfvertrouwen dat geen bewondering en de goede mening van anderen nodig heeft, en dat zelfs zelfkritiek en zelfonderzoek kan doorstaan zonder in de val van zelftwijfel te lopen.

Dit heeft niets te maken met arrogantie, maar wordt er gemakkelijk voor aangezien. Auden was nooit arrogant, behalve wanneer hij werd geprovoceerd door een of andere vulgariteit; dan beschermde hij zichzelf met de nogal abrupte grofheid die kenmerkend is voor het Engelse intellectuele leven.

Stephen Spender, de vriend die hem zo goed kende, heeft benadrukt dat “gedurende de hele ontwikkeling van [Auden’s] poëzie . . . zijn thema de liefde was geweest” – was het niet bij Auden opgekomen om Descartes’ “Cogito ergo sum” te veranderen door de mens te definiëren als het “bubbelachtige schepsel” dat zei: “Ik ben geliefd, dus ik ben”? -en aan het eind van de toespraak die Spender hield ter nagedachtenis van zijn overleden vriend in Christ Church in Oxford vertelde hij over het vragen aan Auden over een lezing die hij had gegeven in Amerika: “Zijn gezicht lichtte op met een glimlach die de lijnen veranderde, en hij zei: ‘Ze hielden van me!'” Ze bewonderden hem niet, ze hielden van hem: hier ligt, denk ik, de sleutel tot zowel zijn buitengewoon ongelukkig voelen als tot de buitengewone grootsheid-intensiteit van zijn poëzie. Nu, met de droevige wijsheid van de herinnering, zie ik hem als een expert in de oneindige variëteiten van onbeantwoorde liefde, waaronder de woedende verwisseling van bewondering voor liefde zeker moet hebben opgedoemd. En onder deze emoties moet er vanaf het begin een zekere dierlijke tristesse zijn geweest die geen rede en geen geloof kon overwinnen:

The desires of the heart are as crooked as corkscrews,
Not to be born is the best for man;
The second-best is a formal order,
The dance’s pattern; dance while you can.

Zo schreef hij in “Death’s Echo,” in Collected Shorter Poems. Toen ik hem kende, zou hij het niet meer over het beste hebben gehad, zo vastberaden had hij gekozen voor het op één na beste, de “formele orde”, en het resultaat was wat Chester Kallman zo treffend “het meest verfomfaaide kind van alle disciplinairen” (“the most dishevelled child of all disciplinarians.”) heeft genoemd. Ik denk dat het deze tristesse en zijn “dans zolang je kunt” waren waardoor Auden zich zo aangetrokken voelde tot en zich bijna thuis voelde in het Berlijn van de twintiger jaren waar carpe diem voortdurend in vele variaties werd beoefend. Hij noemde eens als een “ziekte” zijn vroege “verslaving aan Duitse gebruiken,” maar veel prominenter dan deze, en minder gemakkelijk om er vanaf te komen, was de duidelijke invloed van Bertolt Brecht, met wie hij denk ik meer gemeen had dan hij ooit wilde toegeven. Aan het eind van de jaren vijftig vertaalde hij samen met Chester Kallman Brechts Rise and Fall of the City of Mahagonny – een vertaling die nooit werd gepubliceerd, vermoedelijk vanwege problemen met auteursrechten. Tot op de dag van vandaag ken ik geen andere adequate vertaling van Brecht in het Engels.

Auden and Isherwood in 1938 (Berlin)

In zuiver literaire termen kan de invloed van Brecht gemakkelijk worden getraceerd in de ballades van Auden – bijvoorbeeld in de late, wonderbaarlijke “Ballad of Barnaby,” het verhaal van de tuimelaar die, oud en vroom geworden, “de Moeder Gods eerde” door voor haar te tuimelen; of in het vroege “kleine verhaaltje / Over Miss Edith Gee; / Zij woonde in Clevedon Terrace / Op nummer 83.” Wat deze invloed mogelijk maakte, was dat zij beiden behoorden tot de generatie van na de Eerste Wereldoorlog, met haar merkwaardige mengeling van wanhoop en levensvreugde, haar minachting voor conventionele gedragscodes en haar voorliefde voor “playing it cool,” die zich in Engeland, vermoed ik, uitte in het dragen van het masker van de snob, terwijl zij zich in Duitsland uitte in een wijdverbreide pretentie van goddeloosheid, enigszins in de trant van Brechts The Threepenny Opera. In Berlijn maakte men grapjes over deze modieuze omgekeerde hypocrisie, zoals men over alles grapjes maakte: “Er geht böse über den Kurfürstendamm” – wat betekent: “Dat is waarschijnlijk alle slechtheid waartoe hij in staat is.” Na 1933, denk ik, maakte niemand meer grapjes over slechtheid.

In het geval van Auden, net als in het geval van Brecht, diende omgekeerde hypocrisie om een onweerstaanbare neiging tot goed zijn en goed doen te verbergen – iets waarvoor beiden zich schaamden om het toe te geven, laat staan te verkondigen. Dit lijkt plausibel voor Auden, omdat hij uiteindelijk christen werd, maar het kan in eerste instantie een schok zijn om het over Brecht te horen. Toch lijkt een nauwkeurige lezing van zijn gedichten en toneelstukken het bijna te bewijzen. Niet alleen zijn er de stukken Der Gute Mensch von Sezuan en Die Heilige Johanna der Schlachthöfe, maar, misschien nog overtuigender, zijn er deze regels midden in het cynisme van The Threepenny Opera:

Ein guter Mensch sein! Ja, wer wär’s nicht gern?
Sein Gut den Armen geben, warum nicht?
Wenn alle gut sind, ist Sein Reich nicht fern.
Wer sässe nicht sehr gern in Seinem Licht?

Om goed te zijn! Ja, wie zou dat niet willen?
Alles wat je hebt aan de armen geven, waarom niet?
Als iedereen goed is, is Zijn koninkrijk niet ver weg.
Wie zou niet graag in Zijn licht zitten?

[[Cf. H. Arendt, Men in Dark Times
(New York, 1968), 235-36 N47. [-Ed.]
L. N. E. R tourism poster for Berlin, 1920s

Wat deze diep apolitieke dichters in de chaotische politieke scène van onze eeuw dreef was Robespierre’s “zèle compatissant”, de krachtige drang naar “les malheureux”, te onderscheiden van enige behoefte aan actie naar publiek geluk, of enig verlangen om de wereld te veranderen.

Auden, zoveel wijzer – maar zeker niet slimmer – dan Brecht, wist al vroeg dat “poëzie niets doet gebeuren”. Voor hem was het klinkklare onzin dat de dichter aanspraak maakte op speciale privileges of vroeg om de toegeeflijkheid die wij zo graag verlenen uit pure dankbaarheid. Er was niets meer bewonderenswaardig in Auden dan zijn volledige geestelijke gezondheid en zijn rotsvaste geloof in geestelijke gezondheid; in zijn ogen waren alle vormen van waanzin gebrek aan discipline – “Naughty, naughty”, zoals hij placht te zeggen. Het belangrijkste was om geen illusies te hebben en geen gedachten te accepteren – geen theoretische systemen – die je zouden verblinden voor de werkelijkheid. Hij keerde zich tegen zijn vroege linkse overtuigingen omdat gebeurtenissen (de processen in Moskou, het pact tussen Hitler en Stalin, en ervaringen tijdens de Spaanse burgeroorlog) hadden bewezen dat ze “oneerlijk” waren – “schandelijk”, zoals hij zei in zijn voorwoord bij de Verzamelde Kortere Gedichten, waarin hij vertelde hoe hij weggooide wat hij ooit had geschreven:

History to the defeated
may say alas but cannot help nor pardon.

Geschiedenis tegen de verslagenen
kan helaas zeggen, maar kan niet helpen, noch vergeven.

Dit te zeggen, merkte hij op, was “goedheid gelijk te stellen aan succes.” Hij protesteerde dat hij nooit geloofd had in “deze verdorven leer” – een uitspraak die ik betwijfel, niet alleen omdat de regels te goed en te precies zijn om geproduceerd te zijn om “retorisch effectief” te zijn, maar ook omdat dit de doctrine was waarin iedereen geloofde in de jaren twintig en dertig. Toen kwam de tijd dat…

In the nightmare of the dark
All the dogs of Europe bark . . .

Intellectual disgrace
Stares from every human face—

…de tijd waarin het er een hele tijd naar uitzag dat het ergste kon gebeuren en het pure kwaad een succes kon worden. Het pact tussen Hitler en Stalin was het keerpunt voor links, nu moest men alle geloof in de geschiedenis als ultieme rechter over menselijke aangelegenheden opgeven.

In de jaren 1940 waren er velen die zich tegen hun oude overtuigingen keerden, maar er waren er maar weinigen die begrepen wat er mis was met die overtuigingen. Verre van hun geloof in de geschiedenis en succes op te geven, veranderden zij als het ware gewoon van trein; de trein van het socialisme en communisme was verkeerd geweest, en zij stapten over op de trein van het kapitalisme of het freudianisme of een of ander verfijnd marxisme, of een geraffineerd mengsel van alle drie. Auden, in plaats daarvan, werd een christen; dat wil zeggen, hij verliet de trein van de Geschiedenis helemaal. Ik weet niet of Stephen Spender gelijk heeft met zijn bewering dat “het gebed beantwoordde aan zijn diepste behoefte” – ik vermoed dat zijn diepste behoefte gewoon het schrijven van verzen was – maar ik ben er redelijk zeker van dat zijn geestelijke gezondheid, het grote gezonde verstand dat al zijn prozageschriften (zijn essays en boekbesprekingen) verlichtte, in niet geringe mate te danken was aan het beschermende schild van de orthodoxie. De aloude coherente betekenis ervan, die door de rede bewezen noch weerlegd kon worden, bood hem, net als Chesterton, een intellectueel bevredigend en emotioneel nogal comfortabel toevluchtsoord tegen de aanval van wat hij “rommel” noemde; dat wil zeggen, de ontelbare dwaasheden van de tijd.

Nu ik de gedichten van Auden in chronologische volgorde herlees en aan hem terugdenk in de laatste jaren van zijn leven, toen de ellende en het ongeluk steeds ondraaglijker waren geworden, zonder echter ook maar in het minst te raken aan de goddelijke gave of de gezegende faciliteit van het talent, ben ik er zekerder dan ooit van geworden dat hij nog meer dan Yeats “in de poëzie gekwetst” was: “Gek Ierland doet je pijn in de poëzie. (“Mad Ireland hurt you into poetry.”) Ondanks Auden’s gevoeligheid voor medelijden, waren publieke politieke omstandigheden niet nodig om hem tot poëzie te kwetsen. Wat hem tot een dichter maakte was zijn buitengewone vaardigheid met en liefde voor woorden, maar wat hem tot een groot dichter maakte was de niet te testen bereidheid waarmee hij toegaf aan de “vloek” van kwetsbaarheid voor “menselijk falen” (“human unsucces”) op alle niveaus van het menselijk bestaan – kwetsbaarheid voor de kromheid van de verlangens, voor de ontrouw van het hart, voor de onrechtvaardigheden van de wereld.

Follow, poet, follow right
To the bottom of the night,
With your unconstraining voice
Still persuade us to rejoice;

With the farming of a verse
Make a vineyard of the curse,
Sing of human unsuccess
In a rapture of distress;

In the deserts of the heart
Let the healing fountain start,
In the prison of his days
Teach the free man how to praise.

Lof is het sleutelwoord van deze regels, geen lofzang op “de beste van alle mogelijke werelden” – alsof het aan de dichter (of de filosoof) is om Gods schepping te rechtvaardigen – maar lofzang die zich afzet tegen alles wat het meest onbevredigend is in de toestand van de mens op deze aarde en zijn eigen kracht uit de wond zuigt: op de een of andere manier ervan overtuigd, zoals de barden in het oude Griekenland waren, dat de goden ongeluk en kwade dingen naar de stervelingen spinnen, zodat zij de verhalen kunnen vertellen en de liederen kunnen zingen.

I could (which you cannot)
Find reasons fast enough
To face the sky and roarIn anger and despair
At what is going on,
Demanding that it name
Whoever is to blame:
The sky would only wait
Till all my breath was gone
And then reiterate
As if I wasn’t there
That singular commandI do not understand,
Bless what there is for being,
Which has to be obeyed, for
What else am I made for,
Agreeing or disagreeing?

En de triomf van de privé-persoon was dat de stem van de grote dichter nooit de kleine maar doordringende stem van het zuiver gezonde gezond verstand tot zwijgen heeft gebracht, waarvan het verlies zo vaak de prijs is geweest die voor goddelijke gaven is betaald. Auden stond zichzelf nooit toe zijn verstand te verliezen – dat wil zeggen, de “nood” te verliezen in de “verrukking” die er uit opsteeg:

No metaphor, remember, can express
A real historical unhappiness;
Your tears have value if they make us gay;
O Happy Grief! is all sad verse can say.

–This is Wystan and older brother John, probably about 1912-13. Notice the square cut shirts and the matching outfits.

Het lijkt natuurlijk zeer onwaarschijnlijk dat de jonge Auden, toen hij besloot dat hij een groot dichter zou worden, wist welke prijs hij zou moeten betalen, en ik denk dat het heel goed mogelijk is dat hij op het einde – toen niet de intensiteit van zijn gevoelens en niet de gave om ze in lof om te zetten, maar de pure fysieke kracht van het hart om ze te dragen en ermee te leven geleidelijk vervaagden – de prijs te hoog vond. Wij, in ieder geval, zijn publiek, lezers en luisteraars, kunnen alleen maar dankbaar zijn dat hij zijn prijs tot de laatste cent heeft betaald voor de eeuwige glorie van de Engelse taal. En zijn vrienden kunnen enige troost vinden in zijn mooie grap aan gene zijde van het graf – dat, om meer dan één reden, zoals Spender zei, “zijn wijze onbewuste zelf een goede dag koos om te sterven”. De wijsheid om te weten “wanneer te leven en wanneer te sterven” is niet aan stervelingen gegeven, maar Wystan, zou men graag denken, heeft het misschien ontvangen als de hoogste beloning die de wrede goden van de poëzie schonken aan de meest gehoorzame van hun dienaren.

From Thinking Without a Banister: Essays in Understanding, 1953 – 1975 by Hannah Arendt, Edited by Jerome Kohn.
Auden and Kallman, photo via Stamford University archive

Musée des Beaux Arts, een gedicht van W.H. Auden

Lorenzo di Credi De aanbidding
Musée des Beaux Arts
By W. H. Auden


About suffering they were never wrong,
The Old Masters: how well they understood
Its human position: how it takes place
While someone else is eating or opening a window or just walking dully along;
How, when the aged are reverently, passionately waiting
For the miraculous birth, there always must be
Children who did not specially want it to happen, skating
On a pond at the edge of the wood:
They never forgot
That even the dreadful martyrdom must run its course
Anyhow in a corner, some untidy spot
Where the dogs go on with their doggy life and the torturer’s horse
Scratches its innocent behind on a tree.
In Breughel’s Icarus, for instance: how everything turns away
Quite leisurely from the disaster; the ploughman may
Have heard the splash, the forsaken cry,
But for him it was not an important failure; the sun shone
As it had to on the white legs disappearing into the green
Water; and the expensive delicate ship that must have seen
Something amazing, a boy falling out of the sky,
Had somewhere to get to and sailed calmly on.
Lorenzo di Credi De onthoofding van Johannes de Doper
Musée des Beaux Arts
door W.H. Auden

Over het lijden hadden ze het nooit mis,
De oude meesters: hoe goed zij
De menselijke positie ervan begrepen: hoe het gebeurt
Terwijl iemand anders eet of een raam opent of gewoon duf langsloopt;
Hoe, wanneer de ouderen eerbiedig, hartstochtelijk wachten
Op de wonderbaarlijke geboorte, er altijd
Kinderen die niet speciaal wilden dat het gebeurde, schaatsen
op een vijver aan de rand van het bos:
Ze vergaten nooit
dat zelfs het vreselijkste martelaarschap zijn beloop moet hebben
Hoe dan ook in een hoek, een rommelige plek
Waar de honden verder gaan met hun hondenleven en het paard van de beul
zijn onschuldige achterste aan een boom schuurt.

In Breughels Icarus, bijvoorbeeld: hoe alles wegdraait
Rustig weg van de ramp; de ploeger kan
De plons gehoord hebben, de verlaten schreeuw,
Maar voor hem was het geen belangrijk falen; de zon scheen
Zoals het moest op de witte benen die verdwenen in het groene
Water; en het dure tere schip dat iets verbazingwekkends
Gezien moet hebben, een jongen die uit de lucht viel,
Had ergens naar toe te gaan en voer rustig verder.

Dit mooie gedicht van W.H. Auden verscheen gisteren in ‘The New York Times Magazine’. In de bijlage van Reginald Dwayne Betts lezen we dat Auden zelf het schilderij van Breughel ‘Icarus’val’ als zijn lievelingsschilderij beschouwde, en hij was blijkbaar niet alleen zoals hijzelf aanhaalt:

'A friend tells me he spent three weeks in college cleaning dorms to earn enough money to travel to Europe. Once he got there, he traveled to Belgium by train to see the painting that inspired this, Auden’s masterpiece. Wild — Nicky says he sat before that piece with wrinkled pages that he’d probably been carrying around from country to country. He had read and read and read, not stopping until he knew it all by heart. Carrying away the memory of more than suffering.' (W.H. Auden)
Oorlogsschip met val van Icarus, ca. 1561-1562 (gravure naar een tekening van Bruegel)

Een kerk, 3 schilderijen en een gedicht

Neen, het is niet de bedoeling de lezer(es) een zijkapel van de San Luigi del Francesi-kerk in Rome voor te stellen om je dan mee te nemen naar de zogenaamde Contarelli-kapel en je te verbazen met drie reusachtige schilderijen van de overbekende Caravaggio, allen met de evangelist Matteüs als hoofdpersoon, daar gebruiken we liever de Poolse dichter Adam Zagajewski voor. (1945-2021) We hebben zijn persoon en werk het voorbije jaar voorgesteld in een bijdrage: ‘Maar de woorden zwijgen niet’. (zie onderaan) In een mooie net verschenen antologie vonden we de Engelse vertaling van zijn gedicht: ‘The calling of St. Matthew’, een ervaring bij zo’n bezoek aan het meesterwerk met die naam.

De roeping van de heilige Mattheüs Caraveggio
De roeping van Matteüs (Vocazione di san Matteo), circa 1599-1600, is een olieverfschilderij van Caravaggio. Samen met Matteüs en de Engel en Het martelaarschap van Matteüs vormt het één geheel in de Contarellikapel in de San Luigi dei Francesi in Rome.

Het werk is een voorbeeld van clair-obscur. De scène, ontleend aan Matteüs 9:9, speelt zich af in een donkere kelder. Links zit de groep rond Matteüs, gekleed in barokke kledij. En rechts staan Jezus en Petrus. (Wikipedia)
fragment

Het is een prachtig doek. Sta je in de zijkapel dan hangt het links van het altaar, recht tegenover ‘het martelaarschap van de heilige Matteüs’ en centraal ‘Matteüs en de engel.’ De foto hieronder geeft een idee van plaatsing en omvang.

Het lijkt dat je bij daglicht de kunstwerken kunt bewonderen, maar dat is een illusie . Het is er donker. Je moet een 1 euro-stuk in een gleuf steken en…even flitst het licht aan zodat de drie schilderijen in hun volle pracht te bekijken zijn. Tijd voor de poezië van Adam Zagajewski vertaald door Clare Cavanagh.

"The Calling of St. Matthew"

that priest looks just like Belmondo–Wislawa  Szymborska, Funeral (II)

—Look at his hand, his palm. Like a pianist’s 
—But that old guy can’t see a thing
—What next, paying in a church
—Mom, my head aches
—Sharply individuated human figures
—Keep it down please, we can’t focus
—The coins on the table, how much are they worth
—His operation’s just three weeks away
—I’d say silver, definitely silver, but not pure
—Lord, how lovely—To adorn the Contarelli Chapel
—Which one is Matthew, the young guy or the old?
—We almost got robbed on the subway today
—Two generations of European artists took it as their model
—Look, there’s a cross in the window
—The light went out again
—The wall on the left is so black, like the world’s end 
—Have you got another euro or fifty cents?
—Can’t be the young guy
—They’re closing soon, hurry up
—He saw a man collecting taxes
—How much are these paintings insured for
—Jesus is in shadow but his face is light
—I’m leaving now, I’ll wait outside
—Why don’t they have a guard?
—They live in semi-darkness and suddenly there’s light 
—It’s going out
Excerpted from The FSG Poetry Anthology, Edited by Jonathan Galassi and Robyn Creswell. Published by Farrar, Straus and Giroux. Copyright © 2021 by Farrar, Straus and Giroux. All rights reserved.

Adam Zagajewski was born in Lvov in 1945. His previous books include Tremor; Canvas; Mysticism for Beginners; Without End; Solidarity, Solitude; Two Cities; Another Beauty; A Defense of Ardor; Eternal Enemies; and Unseen Hand—all published by FSG. Zagajewski died on 21 March 2021 at the age of 75 in Krakow, Poland.
De roeping van Sint-Matteüs

die priester lijkt precies op Belmondo -Wislawa Szymborska, Funeral (II)

-Kijk naar zijn hand, zijn handpalm.Net als die van een pianist. 
-Maar die oude man kan niets zien.
-Wat nu, betalen in een kerk?
-Mam, mijn hoofd doet pijn.
-Scherpe menselijke figuren.
-Doe rustig alsjeblieft, we kunnen ons niet concentreren.
-De munten op de tafel, hoeveel zijn ze waard?
-Zijn operatie is over drie weken.
-Ik zou zeggen zilver, zeker zilver, maar niet zuiver.
-Heer, wat mooi.
-Om de Contarelli kapel te versieren.
-Wie is Matteüs, de jonge of de oude?
-We werden vandaag bijna beroofd in de metro.
-Twee generaties Europese kunstenaars namen dit als model. 
-Kijk, er staat een kruis in het raam.
-Het licht ging weer uit.
-De muur aan de linkerkant is zo zwart, alsof de wereld vergaat. 
-Heb je nog een euro of vijftig cent?
-Dat kan de jongeman niet zijn. Ze gaan zo sluiten, schiet op.
-Hij zag een man belasting innen.
-Voor hoeveel zijn deze schilderijen verzekerd?
-Jezus is in de schaduw maar zijn gezicht is licht.
-Ik ga nu weg, ik wacht buiten.
-Waarom hebben ze geen bewaker?
-Ze leven in halfduister en plotseling is er licht. 
-Het gaat uit.

Bezoek onze bijdrage over leven en werk van Adam Zagajewski: ‘De woorden zwijgen niet.’

“POEM” Louise Glück (2021)

“Poem”

Day and night come
hand in hand like a boy and a girl
pausing only to eat wild berries out of a dish
painted with pictures of birds.

They climb the high ice-covered mountain,
then they fly away. But you and I
don’t do such things—

We climb the same mountain;
I say a prayer for the wind to lift us
but it does no good;
you hide your head so as not
to see the end—
Downward and downward and downward and downward
is where the wind is taking us;

I try to comfort you
but words are not the answer;
I sing to you as mother sang to me—

Your eyes are closed. We pass
the boy and girl we saw at the beginning;
now they are standing on a wooden bridge;
I can see their house behind them;

How fast you go they call to us,
but no, the wind is in our ears,
that is what we hear—

And then we are simply falling—

And the world goes by,
all the worlds, each more beautiful than the last;

I touch your cheek to protect you—
Excerpted from 'Winter Recipes from the Collective': 
Poems by Louise Glück. Published by Farrar, Straus and Giroux. Copyright © 2021 by Louise Glück. All rights reserved.
“GEDICHT”

Dag en nacht gaan
hand in hand als een jongen en een meisje
alleen pauzerend om wilde bessen te eten uit een schaal
beschilderd met prenten van vogels.

Ze beklimmen de hoge, ijs-bedekte berg,
dan vliegen ze weg. Maar jij en ik
doen zulke dingen niet—

Wij beklimmen dezelfde berg;
Ik zeg een gebed voor de wind om ons op te tillen
maar het heeft geen zin;
jij verbergt je hoofd om niet
het einde te zien—

Neerwaarts en neerwaarts en neerwaarts en neerwaarts
is waar de wind ons brengt;

Ik probeer je te troosten
maar woorden zijn het antwoord niet;
Ik zing voor jou zoals moeder voor mij zong—

Je ogen zijn gesloten. We passeren
de jongen en het meisje die we in het begin zagen;
nu staan ze op een houten brug;
Ik kan hun huis zien achter hen;

Hoe snel je gaat roepen ze naar ons,
maar nee, de wind zit in onze oren,
dat is wat we horen—

En dan vallen we gewoon—

En de wereld gaat voorbij,
alle werelden, de een mooier dan de ander;

Ik raak je wang aan om je te beschermen—
Uit Louise Glück's nieuwe collectie, 'Winter Recepten van het Collectief'
Louise Glück is the author of two collections of essays and more than a dozen books of poems. Her many awards include the 2020 Nobel Prize in Literature, the 2015 National Humanities Medal, the 1993 Pulitzer Prize for The Wild Iris, the 2014 National Book Award for Faithful and Virtuous Night, the 1985 National Book Critics Circle Award for The Triumph of Achilles, the 2001 Bollingen Prize, the 2012 Los Angeles Times Book Prize for Poems 1962–2012, and the 2008 Wallace Stevens Award from the Academy of American Poets. She teaches at Yale University and Stanford University and lives in Cambridge, Massachusetts.
Winterrecepten uit het collectief is kamermuziek, een uitnodiging in dat bevoorrechte rijk dat klein genoeg is voor het individuele instrument om zich te laten horen, dolente, zijn lijn volgehouden, gedragen, en dan overgenomen door het volgende instrument, bezield, animoso, terwijl het tegelijkertijd groot genoeg is om een heel leven te bevatten, de onvoorstelbare giften en verliezen van de ouderdom, de kleine prinsesjes die achterin een auto rommelen, een achtergelaten paspoort, de ingrediënten van een verkwikkend winters broodje, de dood van een zus, de vreugdevolle aanwezigheid van de zon, haar helderheid afgemeten aan de duisternis die zij afwerpt.(Carcanet))
Illustration from William Blake’s Songs of Innocence and of Experience, circa 1825