Ik brabbel en probeer de taal te eren: Stanley Moss (1925)

Marc Chagall De dichter

Dichters van bijna honderd zou je eerder als zwijgzaam of ingekeerd willen catalogeren, maar als ik aan de Amerikaanse dichter Stanley Moss denk, jaargang 1925, dan ervaar je wel het uitzicht op bijna vier generaties, weet je dat hij de tweede wereldoorlog heeft meegemaakt, hoor je zijn Joodse achtergrond –“Ik schrijf Joods in een Christelijke taal”– en voel je zijn drang naar ‘openbaring’ die vaak botst met de afwezigheid van diezelfde openbaring. Met het onderstaande gedicht ‘The Ferryman’ (De Veerman) leerde ik hem kennen en ten zeerste waarderen.

Camille Corot The Ferryman

The Ferryman

I wanted to speak to the Ferryman.
I called directory inquiry, information,
on my smartphone. I was given a number,
a revelation. I swore to Hermes,
Gods’ messenger, not to show or share
that sacred number with any human, king or serf.
I called, digital ladies’ voices answered:
“He’s busy.” “Unavailable.” “Occupied.”

I remember the bloody and high voltage occasions
when the Ferryman was so close
I could smell and taste his breath.
After he came close to me
cat scans of my head showed I had an artifact,
a souvenir, a presence in an inoperable place,
camped under my hippocampus.

I’ve seen the Ferryman in paintings
and poetry, but never man’s face to man’s face.
Yes, I’ve known him all my life.
Death fathers everyone. I am his child.
Many in my neighborhood thought I was
an arrogant “black prince” and bugger.
Arrogant? I’m ashamed to tell the truth.
A!er World War II, I often wore black,
I limped like Richard III. Talk about the Styx,
my heart called for a horse, a horse.

I try to sing a hymn made out of holy facts.
Every sparrow knows Christ walked on water.
The Ferryman poled his ferry on dry land.
Dead drunk, I’ve seen him and his ferry in the sky
along the shoreline of Paradise.

Right now I see his ferry in the pond below my window,
the Ferryman in a rocking chair is bored with me.
He’s waiting, yawning, smoking a cigar.
He blows clouds of smoke rings
across the lawn over a great red oak.
I call him respectfully. He won’t speak to me.
Margie, my last dog, barks,
“Get the hell out of here!”
Does he ever ferry dogs, loving cats?
Rocking seems to entertain him.

I’m caught not saved, even though I praise
King David, Santa Teresa de Ávila
San Juan de la Cruz, the Ferryman who has
no name I know will eventually take me
by pole and his demon wings,
to an island where skeletons dance.
Now I think his accented Greek voice
is loud and clear. He’s poling. He shouts my name,
I’m hiding. Clear across the Hudson Valley
I hear “Repent, repent.” He’s the double
of the statue of the murdered Commendatore
in Don Giovanni. I answer, “Your excellence,
Ferryman, statue, I invite you to dinner.”
I’ve set the table with wine glasses,
New York State, Dutchess County red wine,
Hudson blue linen napkins,
knives, knives, knives, knives, no forks or spoons.
I know in a little while the Ferryman
will take me across the Styx in the company
of the four seasons, made human:
winter, spring, summer and autumn.
Summer wears a wreath of roses crowned with laurel,
Spring wears a waistcoat of budding dandelions,
Autumn, a coat of fallen maple leaves and grapevines,
wrinkled Winter has snowflakes in his hair and beard.
He wears ice snowshoes. I pretend to sleep.

From 'Not Yet ' by Stanley Moss. Seven Stories Press. Copyright © 2021 by Stanley Moss.
Joanna Karpowicz „Anubis w łódce”, 53 x 65 cm, akryl na płótnie, 2013
De Veerman
Een gedicht van Stanley Moss

Ik wilde de Veerman spreken.
Ik belde afdeling inlichtingen, informatie,
op mijn smartphone. Ik kreeg een nummer,
een openbaring. Ik bezwoer Hermes,
Gods boodschapper, dit heilige nummer 
met geen enkel mens, koning of horige, te delen.
Ik belde, "digitale damesstemmen" antwoordde:
"Hij is bezig." "Niet beschikbaar." "Bezet."

Ik herinner me de bloedige gebeurtenissen onder hoogspanning
toen de Veerman zo dichtbij was
dat ik zijn adem kon ruiken en proeven.
Nadat hij dicht bij me kwam
toonden cat-scans van mijn hoofd dat ik een artefact had,
een souvenir, een aanwezigheid op een niet te opereren plaats,
gekampeerd onder mijn hippocampus.

Ik heb de Veerman gezien in schilderijen
en poëzie, maar nooit van mens tot mens.
Ja, ik ken hem al mijn hele leven.
Dode vaders van iedereen. Ik ben zijn kind.
Velen in mijn buurt dachten dat ik
een arrogante "zwarte prins"  en een klootzak was.
Arrogant? Ik schaam me om de waarheid te zeggen.
Na de Tweede Wereldoorlog, droeg ik vaak zwart,
Ik hinkte als Richard III. Over de Styx gesproken,
mijn hart riep om een paard, een paard.

Ik probeer een hymne te zingen, gemaakt van heilige feiten.
Elke mus weet dat Christus over water liep.
De Veerman zette zijn veerboot op het droge.
Stomdronken heb ik hem en zijn veerboot in de lucht gezien.
langs de kustlijn van het paradijs.

Op dit moment zie ik zijn veerboot in de vijver onder mijn raam,
de Veerman in een schommelstoel verveelt zich met mij.
Hij wacht, geeuwt en rookt een sigaar.
Hij blaast wolken van rookringen
over het gazon over een grote rode eik.
Ik roep hem eerbiedig. Hij wil niet met me praten.
Margie, mijn laatste hond, blaft,
"Maak dat je wegkomt!"
Heeft hij ooit honden overgezet, liefhebbende katten?
Schommelen schijnt hem te vermaken.

Ik ben gevangen niet gered, ook al prijs ik
Koning David, Santa Teresa de Ávila
San Juan de la Cruz, de Veerman die geen naam heeft, 
waarvan ik weet dat hij me uiteindelijk zal meenemen
met zijn hand en zijn duivelse vleugels,
naar een eiland waar skeletten dansen.
Nu denk ik dat zijn stem met een Grieks accent
luid en duidelijk is. Hij polst mij. Hij roept mijn naam,
ik verberg mij. Duidelijk over de Hudson Vallei
hoor ik "Heb berouw, heb berouw." Hij is de dubbelganger
van het standbeeld van de vermoorde Commendatore
in Don Giovanni. Ik antwoord: "Uwe excellentie,
Veerman, standbeeld, ik nodig u uit voor het diner."
Ik heb de tafel gedekt met wijnglazen,
rode wijn uit de staat New York, Dutchess County,
Hudson blauwe linnen servetten,
messen, messen, messen, messen, geen vorken noch lepels.
Ik weet dat over een poosje de Veerman
mij over de Styx zal brengen in het gezelschap
van de vier seizoenen, door mensen gemaakt:
winter, lente, zomer en herfst.
Zomer draagt een krans van rozen, gekroond met laurier,
Lente draagt een jas van ontluikende paardenbloemen,
Herfst, een mantel van gevallen esdoorn-bladeren en wijnranken,
de gerimpelde winter heeft sneeuwvlokken in zijn haar en baard.
Hij draagt ijs-sneeuwschoenen. Ik doe alsof ik slaap.
The Ferryman of the Moselle Dominique-Paul Peyronnet
Stanley Moss was born in Woodhaven, New York, in 1925 and studied at Trinity College and Yale University. In 1969, he published his first poetry collection, The Wrong Angel (Anvil Poetry Press). Eight years later, he founded the nonprofit poetry publisher The Sheep Meadow Press. According to John Ashbery, “Stanley Moss is American poetry’s best-kept secret, better known as the innovative publisher of other poets than for his own highly charged, stingingly beautiful lyrics.”

Bibliography

It's About Time (Carcanet Press, 2015)
God Breaketh Not All Men’s Hearts Alike: New & Later Collected Poems (Seven Stories Press, 2011)
Rejoicing: New and Collected Poems (Anvil Press Poetry, 2009)
New & Selected Poems 2006 (Seven Stories Press, 2006)
Songs of Imperfection (Anvil Press Poetry, 2005)
A History of Color: New and Collected Poems (Seven Stories Press, 2003)
Asleep in the Garden: New and Selected Poems (Seven Stories Press, 1997)
The Intelligence of Clouds (Harcourt, 1989)
Skull of Adam (Horizon Press, 1979)
The Wrong Angel (Anvil Poetry Press, 1969)
Not Yet: Poems on China etc. (Seven Stories Press.) 2021
I write Jewish in a Christian language. Also, I write Christian, Buddhist, Taoist, atheist, baby talk and dying-old-man talk.” Moss’s grim comedy (“I am a lie-down comedian”) and his morbid asides owe something not only to Jewish talk and writing, but also to his generation, which knew World War II. An early poem addresses, simultaneously and shockingly, slaves, death camp survivors and “unhappy lovers”: “You who are free, / relax, your stomachs will soon settle./ Isn’t it May? Aren’t you happy as larks?” The wish for revelation, the tone and the posture of a teacher or prophet, collide in Moss’s best moments with the absence of revelation, the lack of clear answers. Other poems offer eager, or overeager, advice: “Laughter is human, so is weeping.” “I babble, trying to honor the language.”
Foto door Kat Jayne
PSALM

God of paper and writing, God of first and last drafts,
God of dislikes, god of everyday occasions—
He is not my servant, does not work for tips.
Under the dome of the roman Pantheon,
God in three persons carries a cross on his back
as an aging centaur, hands bound behind his back, carries Eros.
Chinese God of examinations: bloodwork, biopsy,
urine analysis, grant me the grade of fair in the study of dark holes,
fair in anus, self-knowledge, and the leaves of the vagina
like the pages of a book in the vision of Ezekiel.
May I also open my mouth and read the book by eating it,
swallow its meaning. My Shepherd, let me continue to just pass
in the army of the living,
keep me from the ranks of the excellent dead.
It’s true I worshiped Aphrodite
who has driven me off with her slipper
after my worst ways pleased her.
I make noise for the Lord.
My Shepherd, I want, I want, I want.
Foto door Pixabay
Psalm

God van papier en schrijven, God van eerste en laatste schetsen,
God van antipathieën, God van alledaagse gelegenheden...
Hij is niet mijn dienaar, werkt niet voor fooien.
Onder de koepel van het Romeinse Pantheon,
draagt God in drie personen een kruis op zijn rug
zoals een ouder wordende centaur, handen gebonden op zijn rug, Eros draagt.
Chinese God van onderzoeken: bloedonderzoek, biopsie,
urine-analyse, geef me de graad van eerlijk in de studie van donkere gaten,
eerlijk in anus, zelfkennis, en de bladeren van de vagina
zoals de bladzijden van een boek in het visioen van Ezechiël.
Moge ik ook mijn mond openen en het boek lezen door het te eten,
de betekenis ervan doorslikken. Mijn Herder, laat mij gewoon doorgaan
in het leger van de levenden,
houd mij uit de rangen van de voortreffelijke doden.
Het is waar dat ik Aphrodite aanbad
die mij verdreven heeft met haar pantoffel
nadat mijn slechtste manieren haar behaagden.
Ik maak lawaai voor de Heer.
Mijn Herder, ik wil, ik wil, ik wil.
Foto door Kosygin Leishangthem

Despite his sometimes portentous tones, Moss’s alter egos are gritty or playful: circus clowns, a satyr, a centaur. One of the earliest, “Scarecrow,” amounts to a modest self-portrait: “I should be grateful if my poems / Keep some shape, out in the open field.” Those shapes can incorporate rhyme and meter, sometimes comically or self-consciously (Donald Trump’s “golden hair” has “the gold dust dandruff of a billionaire”), though Moss’s calmer poems use an ambling free verse. He sees himself repeatedly in dogs, who cannot lie, as he looks upward for God, who would not lie, and then back at other human beings, who lie all the time. “I think I lived between always and never,” he muses. “I wanted to forget that. I was like a dog, / chin on a rock, looking up at the sky.”

He is also a poet of family, one lucky enough to see four generations: his parents, his own cohort, his children and the generation after that. Moss devotes several poems to the Chinese-American children of family friends; he has tried earnestly to show his affection, though he might have tried harder to avoid clichés about things Chinese (“An ancient story is told in calligraphy”). A lament for his mother ends arrestingly: “Now the world’s poor are before me./ How can I lift them one by one in my arms?” His versions of his father are more frequent, stranger and far more distressing: “I never thought I’d dig your grave with laughter.”

Now as in decades past, Moss shows the real, uninhibited gift of creation, the drive to set down what he discovers and envisions. He does not often entertain the judging, shaping spirit that comes later, that does not write but rewrites, challenges and removes, rejecting a good phrase in order to find something better. When that spirit does visit him, Moss writes work that could keep. When it does not, he offers an honest, determinedly literary record of a passionate, fortunate, well-traveled life.

(Stephen Burt NY Times Feb 26 2017)

Joost Langeveld Origami 800 x 600
Paper Swallow

Francisco Goya y Lucientes,
I dedicate this paper swallow to you and fly it
from the balcony of San Antonio de la Florida
past the empty chapels of the Four Doctors of the Church.
My praying hands are fish fins again,
one eye a lump of tar, the other hard blood,
my flapping lids sewed down to my cheekbones.
Time, the invisible snake, keeps its head
and fangs deep in the vagina of space.
Reason blinded me, banished me.
I fight the liar in me, selective desire,
my calling nightmares ‘dreamless sleep.’
Blind, coño, I made a musical watch,
the image of Don Quixote points the hours,
Sancho the minute hand. I hear the right time
when I listen to my watch play church bells.
Mystery this, mystery that.
I have another watch—wolves howling and dogs barking.
Now the invisible snake swims in the Ebro.
I look out of my window to see time
as if it were not in my mouth
and all my other two-timing orifices.
Don Francisco, I swear at the feet of the dead who maim me
and the living who heal me that the least sound,
a page turning, whips me. I owe my blindness,
this paper swallow, to you, because I lived
most of my life, a marrano, in your deaf house.
I pull open one of my eyes like the jaws of a beast.

Goya y Lucientes, Francisco de (1746-1828) A Way of flying

Papieren bootjes (4) Bevlogen

Flight of the Muse Paul Bond
In de uitgeregende zomer drijven ze.  Een beetje stuurloos. Zinken zullen zij niet. Kleine bootjes van enkele zinnen.  Ze meren graag bij jou aan. Papieren bootjes.
De jonge Leonardo

Liep langs het verloren land
en gehoorzaamde
het avontuur.
Bad de hemel
dat zij zijn vleugels zou gebruiken
om voor het donker thuis te zijn.
Wachtte dan geduldig
op de rand van het bed
om dadelijk met haar 
de nacht te verkennen.

De dag liep leeg
in het aanrollend donker.
Hij herkende het geluid:
zuidelijke wind liet
lover beven.

Lindenbomen laten bij nacht
hun geuren vrij en wie droomloos blijft
ademt graag hun woorden in.

Ook nu zij als vlinder vloog
zag hij haar aarzeling.

Vlieg jij maar
terwijl ik je huiswerk maak.
Niet dat ik bang ben, maar of dit wel toekomst had?
Kusje?
Een drone als dichter

Uitgegraven kronkelstraten.
Lichtvlekken: antieke pleinen;
het geheel
met toerisme bepoederd,
vliegt hij 
boven versuikerde wandelpaden,
 erfgoed en nagelaten bekentenissen.

Een schoot van velden,
heuse bossen
met kobolden in staatsdienst.

Het geheel voorzien
van gesegmenteerde blokkendozen
die als ‘wooneenheden’
de mensen met een rijk verleden
een rustige oude dag bezorgen.

Verlaten abdijen
voor cultureel begaafden
verzwijgen hun honger naar God.

De zee is niet ver.
Ook zij kent haar getijden.
Day dreams Anup Sarma
Young Leonardo

Walked along the lost land
and obeyed
the adventure.
Prayed to the heavens
that she would use his wings
To be home before dark.
Then waited patiently
on the edge of the bed
To join her immediately 
the night with her.

The day ran out
in the rolling darkness.
He recognised the sound:
Southern wind made
lover tremble.

Linden trees release their fragrances 
and those who remain dreamless
gladly breathes in their words.

Even as she flew like a butterfly
he saw her hesitation.

'You fly
while I do your homework.
Not that I'm scared, but whether this had any future?
Kiss?'

Papieren bootjes (3) Spiegelingen

Wat werkelijk is, zou zijn:

in spiegelend glas:  een vrouw.
Wolken in traagzaam water gevat.

'Wat is' weerkaatst zich in 'wat was'.
Glans als troost, geur van 't gemaaide gras.

Vrouw en meisje aan zee:  waterpas.
Heleen van Lynden ‘Kijk naar Scheveningen’ https://heleensoilpaintings.com/nl/
Voor de spiegel

Tot je ontdekt dat in de spiegel
 de diepte achter jou
zich prijsgeeft  zonder je hoofd te draaien 
en je alleen jezelf bekijkend
 achteruit lopend
de donkerte kunt binnendringen 

Twee extra ogen in je achterhoofd
zouden je veel nekpijn
besparen.
Om van wantrouwen nog te zwijgen.

Gebruik van vier tegelijkertijd is uitgesloten.
Dat lukt alleen spionnen
na een lange training.
Gulzigheid
wordt met zware hoofdpijnen bestraft.
En heimwee is een oude mensen kwaal.
Alfred Stevens Voor de Spiegel
In front of the mirror

Until you discover that in the mirror
 the depths behind you
reveals itself without turning your head 
and you only looking at yourself
 walking backwards
can penetrate the darkness 

Two extra eyes in the back of your head
would save you a lot of neck pain.
Not to mention distrust.

Using four at a time is out of the question.
Only spies can do that
after long training.
Gluttony
is punished with severe headaches.
And homesickness is an old people's disease
Royal Tailors Illustration of Man Looking in Mirror

Papieren bootjes (2) ‘Vroege Morgen’

‘Early Morning’ Samuel Palmer
In de uitgeregende zomer drijven ze.  Een beetje stuurloos. Zinken zullen zij niet. Kleine bootjes van enkele zinnen.  Ze meren graag bij jou aan. Papieren bootjes.
Vroege morgen

Toch komt eerst een vinger licht
door de donkere rand van de horizon.
Daarna twee.
Een handvol tenslotte,
mild tussen schemer gestoken.

Uit gescheurde nacht
druipt het mooiste licht.
Pleister op de wonde.
Duiven op het dak.
In een zorgeloze formatie
trekken zij een handtekening
in de oplichtende luchten.

Gezien en goedgekeurd.
Foto door Claire Thibault
Early morning

Yet first comes a finger of light
Through the dark edge of the horizon.
Then two.
A handful finally,
Stung mildly between twilight.

From torn night
The most beautiful light drips.
Band-aid on the wound.

Pigeons on the roof.
In a carefree formation
they draw a signature
In the glowing skies.

Seen and approved.
Foto door Ivars

Papieren bootjes(1)

Eugène Boudin, (1824-1898), Un grain, 1886, huile sur toile, 117 x 160 x 3 cm, Musée de Morlaix • Crédits : © Musée de Morlaix, Musée de France
In de uitgeregende zomer drijven ze.  Een beetje stuurloos. Zinken zullen zij niet. Kleine bootjes van enkele woorden.  Ze meren graag bij jou aan.  
Foto door Aenic Visuals
Zoals zij de luchten beschrijven:
het kleinste vliegje,
het zacht oranje vlindertje,
om maar te zwijgen van musjes en mezen,
of opstuivende duiven.

Allen tot in het verste vlies- of verenpuntje
het vliegen toegewijd.

Ons vleugelvermogen:
het soortelijk gewicht van ijle dromen.

Papieren bootjes.
Foto door Rachel Xiao

Kwetsbare ruimtes: ‘Espèces d’ Espace’

J’aimerais qu’il existe des lieux stables, immobiles, intangibles, intouchés et presque intouchables, immuables, enracinés ; des lieux qui seraient des références, des points de départ, des sources : 

Mon pays natal, le berceau de ma famille, la maison où je serais né, l’arbre que j’aurais vu grandir (que mon père aurait planté le jour de ma naissance), le grenier de mon enfance empli de souvenirs intacts…

De tels lieux n’existent pas, et c’est parce qu’ils n’existent pas que l’espace devient question, cesse d’être évidence, cesse d’être incorporé, cesse d’être approprié. L’espace est un doute : il me faut sans cesse le marquer, le désigner ; il n’est jamais à moi, il ne m’est jamais donné, il faut que j’en fasse la conquête.

Mes espaces sont fragiles : le temps va les user, va les détruire : rien ne ressemblera plus à ce qui était, mes souvenirs me trahiront, l’oubli s’infiltrera dans ma mémoire, je regarderai sans les reconnaître quelques photos jaunies aux bords tout cassés. Il n’y aura plus écrit en lettres de porcelaine blanche collées en arc de cercle sur la glace du petit café de la rue Coquillière : « Ici, on consulte le Bottin » et « Casse-croûte à toute heure ». 

L’espace fond comme le sable coule entre les doigts. Le temps l’emporte et ne m’en laisse que des lambeaux informes : 

Écrire : essayer méticuleusement de retenir quelque chose, de faire survivre quelque chose : arracher quelques bribes précises au vide qui se creuse, laisser, quelque part, un sillon, une trace, une marque ou quelques signes.

Perec, Espèces d’Espace, in « Œuvres I », [1974], Gallimard Pléiade, 2017.

eigen foto

Ik zou willen dat er stabiele, onbeweeglijke, ongrijpbare, onaangeroerde en bijna onaantastbare, onveranderlijke, gewortelde plaatsen zijn; plaatsen die referenties zouden zijn, vertrekpunten, bronnen:

Mijn geboorteland, de bakermat van mijn familie, het huis waar ik geboren ben, de boom die ik zou hebben gezien toen ik opgroeide (en die mijn vader zou hebben geplant op de dag dat ik geboren werd), de zolder van mijn jeugd vol onaangeroerde herinneringen…

Zulke plaatsen bestaan niet, en juist omdat ze niet bestaan wordt ruimte een vraag, is ze niet meer vanzelfsprekend, wordt ze niet meer opgenomen, wordt ze niet meer toegeëigend. De ruimte is een twijfel: ik moet haar voortdurend markeren, haar aanwijzen; zij is nooit van mij, zij is mij nooit gegeven, ik moet haar veroveren.

Mijn ruimtes zijn kwetsbaar: de tijd zal ze slijten, zal ze vernietigen: niets zal lijken op wat was, mijn herinneringen zullen me verraden, vergetelheid zal mijn geheugen binnendringen, ik zal naar een paar vergeelde foto’s met gebroken randen kijken zonder ze te herkennen. Op de spiegel van het kleine café in de rue Coquillière zullen niet langer in witte porseleinen letters in een boog geschreven staan: “Ici, on consulte le Bottin” en “Casse-croûte à toute heure”.

De ruimte smelt als zand tussen de vingers. De tijd neemt haar weg en laat me alleen met vormloze flarden achter:

Schrijven: nauwgezet proberen iets te behouden, iets te laten overleven: een paar precieze snippers afscheuren uit de leegte die wordt uitgegraven, ergens een groef achterlaten, een spoor, een teken of een paar tekens.

Perec, Espèces d’Espace, in « Œuvres I », [1974], Gallimard Pléiade, 2017.

eigen foto

Bij elke lezing verandert het beeld, naargelang de lezer(es) herinneringen visualiseert die naarmate de leeftijd dichter of verder van het herinnerde verwijderd zijn. Hun kwetsbaarheid vind je ook in het persoonlijke karakter van elk beeld, de betrokkenheid bij het beeld, de rol die jij bij dit beeld hebt gespeeld. (of dacht gespeeld te hebben, want herinneringen…) De gewenste stabiliteit of waarheidswaarde zal de werkelijkheid eerder vervalsen, haar waardes toekennen die ze nooit heeft gehad, een bekende vervalsing bij het verheffen van deze herinneringen tot canon. Een natuurlijk verschijnsel ook, het terugduwen van zovele verschillende herinneringen in één en dezelfde bedding. De geschiedenis toonde meermaals wat daar de pijnlijke gevolgen van waren.

Ekaterina Panikanova

Maar het woord vooruitschuiven om wat zo diep in ons verborgen is hoor- en zichtbaar te maken. De onderdelen tot een nieuw beeld oproepen waarin jouw ervaring de beperking maar ook de verpersoonlijking is van dat fragment verleden. Je haalt het uit zijn tijdelijk jasje, de verschijningsvorm is immers erg met een tijdperk verbonden, en je probeert het een plaats te geven in de huidige tijdsruimte waarin bepaalde onderdelen in het licht van nu een totaal andere reflectie kunnen krijgen. Het tijdelijke terug ‘in de tijd’ brengen. Dat is op allerlei vlakken een moeilijke operatie. Naarmate je ouder wordt kan net daardoor een gevoel van vereenzaming optreden:

Het kind dat wij waren

Wij leven ’t heerlijkst in ons vèrst verleden:
de rand van het domein van ons geheugen,
de leugen van de kindertijd, de leugen
van wat wij zouden doen en nimmer deden.

Tijd van tinnen soldaatjes en gebeden,
van moeder’s nachtzoen en parfums in vleugen,
zuiverste bron van weemoed en verheugen,
verwondering en teêrste vriendelijkheden.

Het is het liefst portret aan onze wanden,
dit kind in diepe schoot of wijde handen,
met reeds die donkre blik van vreemd wantrouwen.

’t Eenzame, kleine kind, zelf lang verdwenen,
dat wij zo fel en reedloos soms bewenen,
tussen de dode heren en mevrouwen.

E. du Perron (1899-1940)
uit: Parlando (1930)
Ekaterina Panikanova

Er zijn zeker nog lezers(essen) die de voorwerpen op het prentje hieronder herinneren. Bij de vijftig en meer kinderen uit het laatste kleuterklasje van even na de tweede wereldoorlog waren het kostbare bekertjes waaruit je, na lang oefenen met potlood en griffel-op-de-lei- je de eerste letters, met de pen -in-inkt-gedoopt, op het bijzonder gelijnd papier mocht zetten. Twee lijntjes dicht bij elkaar en daarboven en daaronder een lijn die de grens van de lussen aanduidde. (Herinner je de prachtige doosjes vol kroontjespennen.)

Aapjes aten uit hun poot
en bakkers bakten voor ons brood
maar Charlotte met haar 'chocolaad'
drentelde daarna met een dame op de straat.
En er was de ezel, de fruitvrouw, Gijs met zijn geitje, en zelfs een held met houwer(!) op zij.  Ik vond Isaac met zijn inktpot niet zo goed bezig, en of ik ook een neef had die mij een jasje zou schenken? Of rook ik de koffie die koopman verzond? De landman die leeuweriken vond en de molen die maalt door de wind was voor Nicolaas heel gewoon tot hij een nestje vond. Maar een otter en een papje (? papegaai) en een rover die appelen steelt, om maar te zwijgen van het scheepje waar Steven mee speelt en de trommel die tante mij schonk terwijl het uiltje zit op zijn tronk en V een visser was met vis in zijn schuit, w de wagen en dan die rare x (zeg ken je die wel?) terwijl IJ een ijsbeer introduceerde die wit is van vel en tenslotte Z een zeeman, die zegt u vaarwel.

Een ABC-boek waarin de personages (meestal nog in 19de eeuwse klederdracht want oorspronkelijk uit 1845) mij al vlug intrigeerden. Je kon de bakker en Charlotte samenbrengen, en met het geitje de stoere held-met-zijn-houwer een stevige stoot toedienen, om met de brief van Isaac bij de koopman koffie te bestellen, enz. Om met je eigen verhaal te eindigen: ‘al wie dit leest, is zot, een eerste street-art-creatie op de muur van de nijdige buurman achter te laten, en dat was nog maar een begin.

En met dat schrijven zou het mogelijk zijn…

Schrijven: nauwgezet proberen iets te behouden, iets te laten overleven: een paar precieze snippers afscheuren uit de leegte die wordt uitgegraven, ergens een groef achterlaten, een spoor, een teken of een paar tekens. (Perec)
Plensa
Later, veel later
flink geoefend en honderd- of duizendmaal
opnieuw begonnen,
kon je het kind dat je tenslotte levenslang  meedraagt
onder letters brengen:

-komt thuis van school, 
de aardbeien wachten op de gedekte tafel
en moeder zingt zonder woorden
een melodietje. van de radio.

Het is zomer.
Een miljoen dagen vakantie
voor de boeg
die overmorgen
voorbij blijken te zijn.

Maar dat mooie zingen-zonder-woorden.
De geur van aardbeien.
op de tafel in de veranda.

Je vader met de koffie
neuriet haar liedje mee.

En jij bent zeven.
Tot je zevenenzeventig bent.
Henri Matisse, Harmonie in het rood, 1908

‘Thuiskomen’ verbeeld en beletterd (2)

Rembrandt Thuiskomst van de Verloren Zoon

‘Het huis is ons hoekje van de wereld. Het is (…) ons eerste universum. Het is echt een kosmos. Een kosmos in de volle betekenis van het woord. Is het nederigste huis, van dichtbij gezien, niet mooi? Schrijvers van de eenvoudige woning beroepen zich vaak op het element van de poëtica van de ruimte. Maar deze evocatie is veel te beknopt. Omdat ze weinig te beschrijven hebben bij de eenvoudige woning, verblijven ze er bijna nooit. Zij karakteriseren de eenvoudige woning in haar actualiteit, zonder werkelijk haar primitiviteit te beleven, een primitiviteit die bij iedereen hoort, rijk of arm, als hij aanvaardt te dromen. (…) Door dromen raken de verschillende woningen van ons leven met elkaar vervlochten en bewaren zij de schatten van vroeger.

Wanneer in het nieuwe huis de herinneringen aan de oude woningen terugkeren, gaan wij naar het land van de onbeweeglijke kinderjaren, onbeweeglijk als van oudsher. We ervaren fixaties, fixaties van geluk. We putten troost uit het herbeleven van herinneringen aan bescherming. Iets gesloten zal de herinneringen bewaren door ze hun beeldwaarden te laten behouden. Herinneringen aan de buitenwereld zullen nooit dezelfde tonaliteit hebben als herinneringen aan thuis. Door de herinneringen aan het huis op te roepen, tellen wij droomwaarden bij elkaar op; wij zijn nooit echte historici, wij zijn altijd een beetje dichters en onze emotie kan alleen maar verloren poëzie vertalen.’

Gaston Bachelard, De poëtica van de ruimte, [1957], PUF, 1974. P.24-25

Norman Rockwell The homecoming
'La maison est notre coin du monde. Elle est (…) notre premier univers. Elle est vraiment un cosmos. Un cosmos dans toute l'acception du terme. Vue intimement, la plus humble demeure n'est-elle pas belle ? Les écrivains de l'humble logis évoquent souvent cet élément de la poétique de l'espace. Mais cette évocation est bien trop succincte. Ayant peu à décrire dans l'humble logis, ils n'y séjournent guère. Ils caractérisent l'humble logis en son actualité, sans en vivre vraiment la primitivité, une primitivité qui appartient à tous, riches ou pauvres, s'ils acceptent de rêver. (…) Par les songes, les diverses demeures de notre vie se compénètrent et gardent les trésors des jours anciens. 

Quand, dans la nouvelle maison, reviennent les souvenirs des anciennes demeures, nous allons au pays de l'Enfance Immobile, immobile comme l'Immémorial. Nous vivons des fixations, des fixations de bonheur. Nous nous réconfortons en revivant des souvenirs de protection. Quelque chose de fermé doit garder les souvenirs en leur laissant leurs valeurs d'images. Les souvenirs du monde extérieur n'auront jamais la même tonalité que les souvenirs de la maison. En évoquant les souvenirs de la maison, nous additionnons des valeurs de songe ; nous ne sommes jamais de vrais historiens, nous sommes toujours un peu poètes et notre émotion ne traduit peut-être que de la poésie perdue.'

Gaston Bachelard, La Poétique de l’espace, [1957], PUF, 1974. P.24-25

Eigen foto

Niet alleen helden en heiligen komen tenslotte thuis. Ook verdwaalden en zelfs zij die van huis zijn weggelopen zoals blijkt uit de parabel van de verloren zoon vinden om diverse redenen hun weg terug. Een korte samenvatting van de evangelietekst (Lukas 15:11-32):

Het verhaal gaat over een vader met twee zoons. De jongste zoon eist zijn erfenis op van zijn vader. Zodra hij deze ontvangt, trekt hij weg en verkwist het geld in het buitenland. Hij wordt een bedelaar, werkt als varkenshoeder en heeft zo'n honger dat hij spijtig terug verlangt naar het huis van zijn vader en besluit zijn zonden aan zijn vader te belijden en hem om een baan als dagloner te vragen. Als hij daadwerkelijk naar huis terugkeert, is de vader zo blij met de terugkeer van zijn zoon dat hij hem nauwelijks laat uitpraten en hem meteen weer terugbrengt. Hij kleedt hem feestelijk aan en geeft een groot feest.(Wikipedia)
De terugkeer van de verloren zoon door Rembrandt circa 1662

Het verhaal kent talloze bewerkingen en interpretaties maar in mijn ver voorbije Roomse jeugd liet het toch ook een vreemde smaak na. Die oudste broer die thuisgebleven was, -je ziet hem op de achtergrond achter een pilaar komen loeren- wat moest hij met die barmhartige vader? Hijzelf, altijd een brave jongen geweest, familiebedrijf overgenomen, personeelsbeheer onder zijn hoede, nooit gedaan met werken, en dan vraagt de jongste zijn erfdeel, verkwist dat deel met wat ze een ‘liederlijk’ leven noemen en komt jankend naar huis om door de overgelukkige papa als een teruggevonden schat te worden begroet, het vetste kalf wordt geslacht, feest alom enz. enz. Je hoort ons samen zeggen: ‘Jaja, ik zal mij wel uit de naad werken!’ Anderzijds hebben wij, zeker op ‘hogere’ leeftijd uiteraard ook genoeg ‘verloren-zoon (dochter)-ervaring’ om de zaligheid van vergeving en barmhartigheid te kunnen smaken. Een toekomst als ‘varkenshoeder’ -hoe slim en sympathiek deze dieren ook mogen wezen-is dan ook wat ze ‘beperkt-houdbaar’ noemen.

Het verloren-zoon-thema is door de eeuwen een dankbaar onderwerp geweest voor verschillende kunstvormen. Met beelden en geschriften drukte de kunstenaar zijn/haar eigen verhouding uit tegenover die zo geprezen vaderlijke vergevingsgezindheid of was het gewoon de aanleiding om de weinig vertrouwde lijfelijkheid tussen twee manspersonen uit te drukken. De vragen of er ook ‘verloren dochters’ bij dit onderwerp konden betrokken worden, en waar ‘de moeder’ in het hele verhaal te vinden was, kun je benaderen met zeden en gewoonten rond de ontologie van de tekst, maar ook ruimtes voor heel andere interpretaties kwamen in de loop der eeuwen aan bod, vaak ver buiten de religieuze interpretaties. J.F.M. Kat publiceerde daarover in 1952 een omvangrijke studie: ‘De verloren zoon als letterkundig motief’. Als pdf hier te ddownladen:

https://www.dbnl.org/tekst/kat_004verl01_01/kat_004verl01_01_0004.php

De verloren zoon -Chagall
Surgens venit ad Padrem

Als de bladeren in het gras zijn weggerot,
de lucht als glas en de vijvers bevroren,
als steenhard 't land is waar ooit het koren
stond kom ik als naar de lamp de mot

in de afgelegen hoeven schuilen.
Ik krijg er als de zwijnen mijn voeder.
Soms sterft een kind er of een boerenmoeder
stikt er in haar etterbuilen.

Dan vlucht ik hijgend in het moeras.
Geen seizoen kan mijn wonden helen.
Nooit wordt mijn hongerende ziel tot as

van berouw of medelijden. Zo blijf
ik vagebond en schooier spelen
tot ooit de Vader bergt mijn ziel en lijf.


Hugo Claus
In: Kleine reeks, 1947
(gedichtencyclus 'De verloren zoon').
The prodigal son Giorgio de Chirico 1924

Het was vooral de figuur van de ‘vader’, hij die zijn nakomeling in dezelfde levensstijl als de zijne wil dringen, die door allerlei kunstenaars in vraag werd gesteld. ‘Die Aufzeichnungen des Malte Laurids Bridge’ (1910) van Rainer Maria Rilke en Le retour de l’ enfant prodigue (1907) van André Gide binden de vaderlijke kat de bel aan. De auteur van de site ‘verboden geschriften’ geeft een duidelijke inleiding en laat je daarna in vertaling beide teksten lezen.

https://verbodengeschriften.nl/html/de-verloren-zoon-rilke-en-gide.html

Huybrecht Beuckeleer De (verkwistende) verloren zoon
Fragmenten uit de bijdrage 'Verboden geschriften

'Vanzelfsprekend heeft het christendom in het vaderhuis uit de parabel de kerk gezien en beschouwen ouders een kind dat afstand van hen heeft genomen als 'verloren zoon of dochter' dat gewoon weer thuis moet komen. Maar de evangelisten zijn daar heel duidelijk over. Lucas 14:26: 'Indien iemand tot Mij komt, en niet haat zijn vader en moeder en vrouw en kinderen en broeders en zusters, ja zelfs zijn eigen leven, die kan mijn discipel niet zijn.' Matth 10:37: Want Ik ben gekomen om tweedracht te brengen tussen een man en zijn vader en tussen een dochter en haar moeder en tussen een schoondochter en haar schoonmoeder; en iemands huisgenoten zullen zijn vijanden zijn. Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mij niet waardig; en wie zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mij niet waardig.' En in het Evangelie van Thomas, logion 55: 'Wie zijn vader niet haat en zijn moeder, kan bij mij geen leerling zijn. En wie zijn broeders niet zal haten en zijn zusters en zijn kruis niet zal dragen op mijn wijze, zal mij niet waardig zijn.' 

Nou klinkt dat 'haten' nogal fors, maar het wil alleen maar zeggen dat je, als je de Logos, je geweten wilt volgen, als je Plato's grot wilt verlaten, op zoek wilt gaan naar de uitgang, je moet ontdoen van alles waarmee je door je opvoeders bent opgezadeld, dat je (figuurlijk) afstand van hen moet nemen, zoals Hendrik Marsman schrijft in De grijsaard en de jongeling:
Groots en meeslepend wil ik leven!
hoort ge dat, vader, moeder, wereld, knekelhuis!

'ga dan niet ver van huis,
en weer vooral ook het gespuis van vrouwen
buiten uw hart, weer het al uit uw kamer;
laat alles wat tot u komt
onder grote en oorlogszuchtige namen
buiten uw raam in den regen staan:
het is slecht te vertrouwen en niets gedaan.

alleen het geruis
van uw bloed en van uw hart het gehamer
vervulle uw lichaam, verstaat ge, uw leven, uw kluis.
zwicht nooit voor lippen:
samenzijn is een leugen en alle kussen verraad;
alleen een hart dat tegen eigen ribben slaat
is een zuiver hart op een zuivere maat.

zie naar mijzelf.
Ik heb in mijn jeugd
mijn leven verslingerd aan duizend dingen
van felle en vurige namen, oproeren, liefdes
en wat is het alles tezamen nu nog geweest?
over hoeveel zal ik mij niet blijven schamen
en hoeveel is er dat misschien nooit geneest ?'

de jongen kijkt door de geopende ramen
waarlangs de wereld slaat; zonder zich te beraden
stapt hij de deur uit, helder en zonder vrees.
The return of the prodigal Son 1. Duane Michals

En daar gaan dus de verhalen van Rilke en Gide over. Met als voorbeeld uit beiden een fragment.

In die jaren vonden er grote veranderingen in hem plaats. Bijna vergat hij God door de grote inspanningen die het vergde hem te kunnen naderen en alles wat hij mettertijd misschien bij hem hoopte te bereiken was sa patience de supporter une âme. De grilligheden van het lot, waarop de mensen zo gesteld zijn, waren al lang van hem afgevallen, maar hij verloor zelfs wat voor zinnelijke lust en pijn nodig was, de kruidige bijsmaak en dat werd voor hem zuiver en voedzaam. Uit de wortels van zijn zijn ontwikkelde zich de stevige, wintervaste plant van een vruchtbare vreugde. Hij ging helemaal op in de baas worden over wat zijn innerlijk leven vormde, hij wilde niets overslaan want hij twijfelde er niet aan dat in dat alles zijn liefde aanwezig was en toenam. Ja, zijn innerlijke kalmte ging zo ver dat hij besloot het belangrijkste van wat hij vroeger niet had kunnen opbrengen, wat hij gewoon had afgewacht, in te halen. 

Hij dacht vooral aan zijn kindertijd die hem, naarmate hij daar rustiger over nadacht, des te ongeleefder voorkwam; al die herinneringen hadden het vage van vermoedens en dat ze als voorbij beschouwd werden, maakten ze haast toekomstig. Dit allemaal nog eenmaal en dan echt op zich nemen, was de reden, waarom de vervreemde huiswaarts keerde. Wij weten niet of hij bleef; we weten alleen dat hij terugkwam.

Zij die het verhaal verteld hebben, proberen ons hier te herinneren aan het huis, zoals het was; want daar is weinig tijd voorbijgegaan, weinig bijgehouden tijd en iedereen in het huis zou kunnen zeggen hoeveel. De honden zijn oud geworden, maar ze leven nog. Er wordt verteld dat er een begon te huilen. Het hele dagelijks werk wordt onderbroken. Gezichten verschijnen achter de ramen, ouder en volwassen geworden gezichten die aandoenlijk op elkaar lijken. En in een heel oud gezicht breekt heel plotseling een flauwe herkenning door. Herkennen? Echt alleen herkennen? - Vergeven? Wat vergeven? - Liefde. Mijn God: liefde.

Uit: Die Aufzeichnungen des Malte Laurids Brigge, 1910 Rainer Maria Rilke


The Return of the Prodigal Son (1773) by Pompeo Batoni

In Le Retour de l’ enfant prodigue van André Gide zijn er drie broers : hijzelf, de oudste broer maar ook nog een jonger broertje. In dit fragment spreekt de teruggekeerde met zijn jongste broertje.

De verloren zoon vleit zijn broertje tegen zich aan en meteen laat de jongen zich gaan:

- De avond toen je weer thuiskwam heb ik niet kunnen slapen. De hele nacht dacht ik: Ik had nog een broer, en ik kende hem niet eens... Daarom klopte mijn hart zo snel, toen ik je op de binnenplaats aan zag komen lopen, met roem bedekt.

- Ik was helaas bedekt met lompen.

- Ja, ik heb je gezien; maar je was wel al indrukwekkend. En ik heb ook gezien wat onze vader deed: hij stak een ring aan je vinger, een ring, zoals onze broer niet eens heeft. Ik wilde niemand over je uitvragen; ik wist alleen dat je van heel ver teruggekomen was en je blik, aan tafel...

- Was je bij het feestmaal?

- O! Ik weet wel, dat je mij niet gezien hebt; tijdens de maaltijd keek je in de verte, zonder iets te zien. En ik vond het best dat je de tweede avond met vader moest praten, maar de derde avond....

- Hou op.

- Ach, je had best een enkel vriendelijk woord tegen me kunnen zeggen!

- Verwachtte je me dan?

- En hoe! Dacht je dat ik mijn broer zo zou haten, als jij die avond niet zo lang met hem had gepraat? Wat hadden jullie elkaar eigenlijk te zeggen? Als je op mij lijkt weet je best, dat je niets met hem gemeen kunt hebben.

- Ik zou hem ernstig tekort hebben gedaan.

- Kan dat?

- In ieder geval onze moeder en vader. Je weet dat ik van huis ben weggelopen.

- Ja, dat weet ik. Dat is al lang geleden, ja toch?

- Toen ik ongeveer zo oud was als jij.

- O! ... En noem je dat je verkeerd? 

- Ja, dat was mijn fout, mijn zonde.

- Toen je wegliep, voelde je toen ook, dat je iets verkeerds deed?

- Nee; ik voelde weggaan als een plicht.

- Wat is er dan sindsdien gebeurd? dat je van je waarheid van toen een vergissing hebt gemaakt.

- Ik heb het zwaar gehad.

- En zeg je daarom: ik heb er verkeerd aan gedaan?

- Nee, niet helemaal: maar daardoor ben ik gaan nadenken.

- Had je dan van te voren niet nagedacht?

- Jawel, maar mijn zwakke verstand liet zich ompraten door alles wat ik wilde.

- Zoals later door je ellende. Zodat je nu weer thuis bent... overwonnen.

- Nee, niet helemaal; ik heb me erbij neergelegd.

- Nou ja, je hebt er van afgezien, te zijn, wat je wilde zijn.

- Wat mijn hoogmoed mij deed geloven dat ik wilde zijn.

Het kind zwijgt even, dan begint het plotseling te snikken en roept uit:

- Broer! Ik ben die jij was toen je wegging. O! vertel: ben je onderweg dan alleen teleurstellingen tegengekomen? Is dan alles wat ik mij hier buiten zo anders voorstel, alleen maar zinsbedrog? Al het nieuwe, dat ik in mij voel alleen maar onzin? Vertel, waardoor ben je onderweg zo wanhopig geworden? O, waarom ben je teruggekomen?

- Ik was op zoek naar vrijheid en die heb ik verloren; als een gevangene heb ik moeten dienen.

- Ik zit hier gevangen.

- Ja, maar ik moest slechte meesters dienen; hier zijn het je ouders. 

-O! de ene dienst is de ander waard; heb je dan niet eens de vrijheid om te kiezen aan wie je onderdanig bent?

- Dat hoopte ik. Zover mijn voeten mij konden dragen, heb ik achter mijn verlangens aan gelopen, zoals Saul achter zijn ezelinnen; maar waar hem een koninkrijk wachtte, heb ik ellende gevonden. En toch...

- Heb je je niet in de weg vergist?

- Ik heb recht voor me uit gelopen.

- Weet je het zeker? En toch zijn er nog andere koninkrijken en landen zonder koning te ontdekken.

- Wie heeft je dat verteld?

- Ik weet het. Ik voel het. Ik heb het gevoel, dat ik er al regeer.

- Hoogmoedige!

- Ho! ho! dat heeft onze broer tegen je gezegd. Waarom zeg je het nu tegen mij? Waarom heb je die hoogmoed niet bewaard? Dan was je niet teruggekomen.

- Dan had ik ook jou niet leren kennen.

- Ja, ja, daarginds, waar ik me bij jou gevoegd zou hebben, had je me wel herkend als je broer; ik heb zelfs nog steeds het gevoel dat ik wegga om jou terug te vinden.

- Wegga?

- Heb je het dan niet begrepen? Moedig jij zelf me niet aan om te vertrekken?

- Ik zou je de terugkeer willen besparen door je het vertrek te besparen.

- Nee, nee, dat moet je niet zeggen; dat wilde je me ook niet zeggen. Jij bent er toch ook als een veroveraar op uit getrokken?

- En daarom leek mijn slavernij des te zwaarder.

- Waarom heb je je dan onderworpen? Was je al zo moe?

- Nee, nog niet; maar ik twijfelde.

- Wat bedoel je?

- Twijfel aan alles, aan mezelf; ik heb willen stoppen, mij eindelijk ergens vestigen; de luxe, die de meester me beloofde heeft me verleid.... ja, nu voel ik het best; ik ben te kort geschoten.

De verloren zoon buigt het hoofd en verbergt het gezicht in zijn handen.

- Maar in het begin?

- Ik was een hele tijd door een groot, woest gebied getrokken.

- De woestijn?

- Het was niet altijd woestijn.

- Wat zocht je daar?

- Ik begrijp het zelf niet meer.

- Ga eens van mijn bed af. Kijk, daar op tafel, aan het hoofdeind van mijn bed, daar, naast dat gescheurde boek.

- Ik zie een opengemaakte granaatappel.

- Die heeft de zwijnenhoeder mij onlangs op een avond gebracht, nadat hij drie dagen niet thuisgekomen was.

- Ja, dat is een wilde granaatappel. Ik weet het; die is afschuwelijk bitter; toch voel ik, dat ik er in zou bijten, als ik genoeg dorst had.

- O! Nu weet ik het weer: het was die dorst, die ik zocht in de woestijn.

- Dorst, die alleen deze ongesuikerde vrucht kan lessen....

- Nee; maar daarom ga je juist van die dorst houden.

- Weet jij waar je die kan plukken?

- Het is een kleine, verlaten boomgaard, waar je vóór de avond aankomt. Geen muur scheidt haar nog van de woestijn. Er stroomde een beekje; een paar half rijpe vruchten hingen aan de takken.

- Wat voor vruchten?

- Dezelfde als uit onze tuin; maar dan wild. Het was die hele dag heel warm geweest.

- Luister; weet je waarom ik vanavond op je heb gewacht? Nog voor het eind van de nacht ga ik weg. Vannacht; vannacht, zodra de hemel bleek wordt.. ..Ik heb mijn lendenen omgord, ik heb deze nacht mijn sandalen aangehouden (Hand.12:8.)

- Wat! Ga jij doen wat mij niet gelukt is?...

- Jij hebt de weg voor mij gebaand, en de gedachte aan jou zal mij steunen.

- Integendeel, ik moet jou bewonderen, jij mij vergeten. Wat neem je mee?

- Je weet best dat ik, als jongste, niet deel in de erfenis. Ik vertrek zonder iets.

- Dat is het beste.

- Wat zie je daar door het raam?

- De tuin, waar onze gestorven voorouders rusten.

- Broer... (en het kind, dat nu opgestaan is uit zijn bed, legt zijn arm om de hals van de verloren zoon, zijn arm die even teder is als zijn stem) - Ga met me mee.

- Laat me met rust! Laat me! Ik blijf om moeder te troosten. Zonder mij zal je dapperder zijn. Het is nu tijd. De hemel verbleekt. Vertrek geluidloos. Laten we gaan! Omhels me, broertje; je draagt al mijn hoop met je mee. Wees sterk; vergeet ons; vergeet mij. Ik hoop dat je niet terugkomt... Loop zachtjes naar beneden. Ik houd de lamp vast... Kom! Geef me de hand tot aan de deur. Pas op de treden van het bordes.

(Uit Le Retour de l' enfant prodigue Andre Gide 1907  Vertaling: verboden geschriften.nl)
Rodin The Prodigal Son

Vertrekken om thuis te komen, deze schijnbare tegenstelling zoals de bittere vrucht die de dorst laaft zet ons telkens weer op weg. Vreemd dat teksten uit het begin van de twintigste eeuw ook nu nog thuiskomen in dit drukke digitale leven. Deze meerkantigheid mag ons hoeden voor cancel-engheid, het zelf be-denken (be– duidt steeds een duur aan) ligt aan de basis van elke zelfstandigheid. Of hoort dit beeld bij de vijftig-zestigerjaren uit de 20ste eeuw en heeft een nieuwe jeugd dat mannelijke overwicht alvast verlaten en kunnen we heden ten dage van een andere emancipatie-spreken waarin haar erkenning minder op een conflictmodel berust terwijl toch ook bij een belangrijke groep het ‘onder moeders- en vadersvleugels-blijven’ tot in hun dertiger jaren zou blijven gelden? Boeiende vragen met een zich net zo boeiend ontwikkelende reeks antwoorden.

Ik citeer graag de naamloze auteur uit ‘de verboden geschriften’.

'Dat de parabel nog steeds een rol speelt in onze moderne cultuur – zelfs The Rolling Stones hebben op hun elpee Beggars Banquet (1968) een song aan dit motief gewijd – kan men verhelderen vanuit het gegeven dat Lucas’ vertelling de schrijver als het ware een sjabloon biedt dat hij vrij kan invullen: het verhaal is gestructureerd rond een fantasierijk motief, maar plaats, tijd, namen en een specifieke invulling van de personages ontbreken. Daarnaast speelt de parabel vanaf de negentiende eeuw nauwelijks meer een rol in religieuze kwesties, maar kunnen eigentijdse existentiële motieven wel een plaats in de literaire verwerkingen van de verloren zoon krijgen.'

Marie Huana: ‘The glacier knocks in the cupboard?’

Gisteren geprobeerd om deze mooie bijdrage van ‘Woordproeverij Marie Huana’ te herbloggen, maar dat mislukte jammerlijk. Dus gebruiken we vandaag ‘handwerk’ om haar inspiratie te eren.

Alwéér iemand waarvan wordt omgeroepen: “She has left the Blue Planet…”
Ik lees er Auden op na, en ik hoor hem inderdaad ook kraken in mijn eigen kast, die gletsjer van koelbloedigheid. Hij smelt en brokkelt steeds verder af. Om nog maar te zwijgen van die gebarsten schone schijn. Of van die zuchtende woestijn.

The glacier knocks in the cupboard,
The desert sighs in the bed,
An the crack in the tea-cup opens
A lane to the land of the dead.

Lang gewacht & stil gezwegen, nooit gedacht & toch gekregen? Daar mag ik alleszins blij om zijn: gehad & geweest is niet per se een lelijk beest. Maar het ‘voorbij-gaan’ houdt mij bezig als een bij die door een wesp wordt gestoken. Al dat -nu reeds!- vergetene in het huis om mij heen, terwijl ik het nog bewoon. In de verdrukking geraakt onder het besef, dat het uiteindelijk voor iedereen op til is, om vroeg of laat niet meer van tel te zijn. Dat nietsontziende niets-blijft-duren, wie zou er geen rusteloze benen van krijgen, en diepe voren ervan onder de bles.

Vroeger, ja vroeger, wie vroeg er mij wat, toen rolschaatste ik mij door de dagen tot het donker werd. Oorverdovend, want op ijzeren wielen, en uiteraard, rond de kerk. Neerkijkend op die nieuwe met rubberen wieltjes, onmachtig als die waren om nog van zich te laten horen. Die van ijzer schraapten de stoepen zuiver, er sloegen soms prachtige gensters uit. Ijzeren rolschaatsen waren & bleven de beste, dat wist (en hoorde!) iedereen. Kortom: er waren toen nog zekerheden.

Op ijzeren wielen? Zo hoorbaar aanwezig wens ik al lang niet meer te zijn. Het kind in mij is haar rolschaatsen kwijtgeraakt. Tussen toen & nu zijn die zogenaamde zekerheden grotendeels weg gemaaid, als kwetsbare nesten tussen stugge gewassen voor de niets ontziende oogst ten behoeve van later.

Altijd geschreven met dubbel krijt, maar ineens raak je één van die krijtjes kwijt? Ondanks ‘horen-zien-en-zwijgen’ is er op de duur geen speld meer tussen te krijgen: je geraakt niet meer op je uitkijkpost, en ook het zomeruur krijgt niet alles opgelost. Het begint je te dagen onder de klamme lappen, dat je niet twee keer in dezelfde rivier kunt stappen. Geen bakerrijm, geen Wolkenkoekoeksheim.

Panta Rhei, alles gaat voorbij!
Staakt-het-vuren, niets blijft duren!
Bij elke wens, gedenk, o mens!
En al waakt hij over huis & haard,
Ouroboros bijt zich in eigen staart!

Maar kent – althans te gelegener tijd – niet elk leven zijn eigen eeuwigheid?

Het sijpelt niet meer, het stroomt inmiddels dwars door mij heen, als een rivier van voortdurende verandering. Elk verhaal raakt uitgelezen: je geeft je kinderen niet alleen het leven, maar ook de dood. Indachtig de hint ‘wees de verandering die je in de wereld wilt zien‘ denk ik aan dat veelzeggende anonieme zinnetje, dat ik noteerde in één van mijn schriftjes: ‘Terwijl ik peins, passeert mij een slak.’

‘Naar wat de dennen fluist’ren, die buigen kruin aan kruin, zit ik zo vaak te luist’ren, in ’t buntgras van het duin, hoe zon en zomer pralen, in ’t purper van de hei, wat toverkleur zij malen, maar alles gaat voorbij.. ‘ Ook al voelde ik mij in het vroeger van toen nog ‘onsterfelijk’ zoals Bert Kijzer dat stelt, ik wist er zelfs als kind al weg mee, met dit soort weemoed van fluisterende dennen, van zangen uit de oude toren, en van dat schrijnende ‘maar-alles-gaat-voorbij.’ Vader! Moeder! Dat jullie er zomaar niet meer zijn! Jaja, het is nu aan mij, ik weet het, Panta Rhei..

Heimwee doet ons hart verlangen? Nog zo’n lied waar door de Hogere Orde graag op neergekeken werd. Maar net zoals van een uitgebloeide pisbloem blaas ik de zaadjes ervan nog eens met veel plezier de vier windstreken in, zoals ik dat vroeger zo vaak heb gedaan. Want na de bloei zijn er gelukkig ook weer de zaden, even mooi & fascinerend als de bloem zelf. Zaadjes met vleugeltjes aan, zaadjes met al het geduld van de wereld, wederom op zoek naar de verloren tijd.

Dag bronzen
klokkenzangen, dag weiden mistomhangen,
dag geur van brem en hei!

En dag pluizige hemelzaadjes
voor nog lang na mij!

Meer mooie bijdrages vind je in het blog van MARIE HUANA WOORDPROEVERIJ

https://mariehuana.blog/

3 kleine gezangen bij het slapengaan

Victor Koulbak. Tulip. 1996. Silverpoint - watercolor. 12 3/4 x 10 in.
Victor Koulbak Tulip Silvepoint -watercolor 13 3/4 x 10 inch.
Maar de zeeëngte
tussen je ogen,
de smalfilm van je glimlach.
Als je bij me loopt,
verenkelt de voering
van je buitenhuid.
Mijn kus is een egelboterbloem.
Achter Duinkeken vinden we jouw hertogdom.
De avonden zijn er zo roze
dat jonge patrijzen
er nooit vermommingen dragen.
félix vallotton | marée montante le soir | 1915
huile sur toile | 61 x 73  | winterthur, stiftung für kunst, kultur und geschichte

Het krassen
van de zilverstift
- de pleisterplaats waar jij ontscheepte -
Blauweregen ontsliep vredig op je huid.
Het krassen
van de zilverstift
- een vlinder, dubbel gevouwen godsvertrouwen -
Lippen scholen samen bij zoveel dagdieverij.
Het krassen
van de zilverstift
- bij de sterrenwacht wordt de tweeling herontdekt -
de honing van je ogen op de slijpsteen van de nacht.

Herleid mij
tot wat de bloemen zijn
als duizenden seizoenen
hen zijn voorbijgegaan.
Herleid mij
tot verharde bloemengeur
die in uitgewoonde harten
overwintert.
Het smeltpunt
van je thuiskomst
overleeft de tijd.

1981 Gmt
Of op deze manier:  'As steals the morn' 
As steals the morn upon the night,
And melts the shades away:
So Truth does Fancy's charm dissolve,
And rising Reason puts to flight
The fumes that did the mind involve,
Restoring intellectual day.
Tja...'Restoring intellectual day'?
From the oratorio "L’Allegro, Il Penseroso, ed Il Moderato" ("The Cheerful, the Thoughtful, and the Moderate Man") HWV 55. It is a pastoral ode by George Frideric Handel based on the poetry of John Milton. However, "As Steals the Morn" (featured here) is adapted from Shakespeare's Tempest, V.i.65–68.
Eugene Jansson – Sunrise over the Rooftops. Motif from Stockholm 1903

Gesprekken met sprookjes: “de kunst van het vallen”

‘In tegenstelling met de vertrouwde geplogenheden willen de meeste mensenlijke wezens vliegen eens de zwaartekracht van de alledaagse gewoonten hen hindert,’ zei Alice. ‘Dat is een oud misverstand. Wil je naar het wonder dan moet je “vallen”. Niet weg van de aarde, maar er net dieper in doordringen. Ook engelen vliegen niet. Ze vallen uit de hemel om een boodschap te brengen. Eens hun opdracht volbracht is laten ze zich weer naar de hemel vallen. Dat is net een eigenschap van engelen die mensen niet gegeven is. Mensen kunnen zonder hulpmiddelen met moeite de lucht in omdat ze maar niet begrijpen wat de kern van ‘vallen’ is.

How long is forever? vroeg ik het Witte Konijn. 'Sometimes, just one second,' antwoordde hij.

De heer Einstein was ervan overtuigd dat alle objecten op dezelfde manier vallen, ongeacht hun massa of samenstelling. Zelfs de aarde en de maan vallen op dezelfde manier naar de zon toe. Ook objecten met geringe of extreem sterke zwaartekracht.

Gierzwaluwen laten zich eerst vallen om te kunnen opstijgen. Vanuit de diepte van de val kun je klimmen. Dat is een mooi filosofisch idee.

Ook in de taal kun je met vallen en opstijgen een zekere ‘onirische’ atmosfeer bereiken, de taal van de ‘dromende verbeelding’, en dan zijn we weer thuis bij de Franse filosoof Gaston Bachelard.

 De verbeeldende krachten van onze geest ontwikkelen zich langs twee zeer verschillende assen.

Sommige vinden hun ontplooiing in het nieuwe; ze vermaken zich met het pittoreske, met de afwisseling, met de onverwachte gebeurtenis. Zij inspireren de verbeelding die altijd een lente heeft te beschrijven. In de natuur, ver van ons, brengen ze als levende krachten al bloemen voort.

Andere verbeeldende krachten graven diep in de dingen. waarin ze zowel het oorspronkelijke als het eeuwige willen vinden. Ze beheersen de jaargetijden en de geschiedenis. In de natuur, in ons en buiten ons, brengen ze kiemen voort; kiemen waarin de vorm besloten ligt in een substantie, waarin de vorm inwendig is.(Verbeelding en materie.  Inleiding bij 'Het water en de dromen' Gaston Bachelard, vertaling Piet Meeuse)
“Alice laughed: “There’s no use trying,” she said; “one can’t believe impossible things.”
“I daresay you haven’t had much practice,” said the Queen. 
“When I was younger, I always did it for half an hour a day. Why, sometimes I’ve believed as many as six impossible things before breakfast.”

"Alice lachte: "Het heeft geen zin het te proberen," zei ze; "je kunt geen onmogelijke dingen geloven."
"Ik durf te zeggen dat je niet veel oefening hebt gehad," zei de Koningin. 
"Toen ik jonger was, deed ik het altijd een half uur per dag. Wel, soms geloofde ik wel zes onmogelijke dingen voor het ontbijt."

De associatie van ‘vallen’ met ‘onderuit-gaan’ in alle betekenissen van het woord mag duidelijk zijn. Er zijn ‘gevallen’ engelen, van hun voetstuk gevallen mensen, gevallen vrouwen, en dan is het duidelijk dat het werkwoord een morele negatieve kwalificatie uitdrukt. Maar de schoonheid uit ‘het zwerk’ kan soms ook op aarde verschijnen zoals in het mooie gedicht ‘Zonnebeeldjes’ van Pierre Kemp (1886-1967)

Zonnebeeldjes

De Melkweg is tussen de bomen gevallen
en iedere ster danst er met een blad.
Op de parkgrond ligt ’t zongeld in grote getallen,
of een kind zijn spaarpot gebroken had.

Soms komen er vogels en op hun veren
vallen guldens der zon, maar zij hupplen voort.
Ook hen kan het uitzicht van ’t geld niet deren,
zij zien het en blijven onbekoord.

Maar nu begin ik ermee te spelen
en mijn handen scheppen volop het licht
uit het lover om het weer uit te delen
aan wie nog wil kijken met kindergezicht.

Pierre Kemp
Uit: Het regent in de trompetten. De mooiste gedichten van Pierre Kemp.
Gekozen door Wiel Kusters en Ingrid Wijk, 2017 
eigen foto

En klonk dat bovenste gedicht iets te zoeterig? Ach dat kijken als een kindergezicht, en… Maar ik wil het graag aanvullen met Lucebert’s tekst: Ik draai een kleine revolutie af. …en ik val en ik ruis en ik zing.

ik draai een kleine revolutie af…

ik draai een kleine revolutie af
ik draai een kleine mooie revolutie af
ik ben niet langer van land
ik ben weer water
ik draag schuimende koppen op mijn hoofd
ik draag schietende schimmen in mijn hoofd
op mijn rug rust een zeemeermin
op mijn rug rust de wind
de wind en de zeemeermin zingen
de schuimende koppen ruisen
de schietende schimmen vallen

ik draai een kleine mooie ritselende revolutie af
en ik val en ik ruis en ik zing

“But I don’t want to go among mad people," Alice remarked.
"Oh, you can’t help that," said the Cat: "we’re all mad here. I’m mad. You’re mad."
"How do you know I’m mad?" said Alice.
"You must be," said the Cat, "or you wouldn’t have come here.”
― Lewis Carroll, Alice in Wonderland 

Het verhaal tussen be- en ont-vallen, tussen af- en vervallen, het roerloos vallen van de sneeuw en het invallen van de duisternis, steeds is ‘verandering’ aan de orde. Het roerloze leven fixeren we in klanken en beelden maar net door het verschuiven van evenwichten krijgt het zijn betekenis. Wij vallen elkaar graag in de rede, vallen voor elkaar, vallen in elkaars handen, vallen op, uit, in, neer. Het is een drukke bedoening, dat vallen. We vallen door de mand, uit de lucht, in zwijm. Zelfs een regering kan vallen. Maar de verzameling is meestal te herleiden tot vallen en opstaan. De manier waarop is in Alice in Wonderland de weg van het absurde. De logica vanuit ‘de valler’ gezien, een mogelijkheid om de harde landingen te overleven en de werkelijkheid dapper met een glimlach tegemoet te treden.

Would you tell me, please, which way I ought to go from here?”
“That depends a good deal on where you want to get to,” said the Cat.
“I don’t much care where–” said Alice.
“Then it doesn’t matter which way you go,” said the Cat.
“–so long as I get SOMEWHERE,” Alice added as an explanation.
“Oh, you’re sure to do that,” said the Cat, “if you only walk long enough.”
Arthur Rackham A mad tea party

‘Des Menschen Seele gleicht dem Wasser’ a rain day collage .

Met Goethe’s woorden uit ‘Gesang der Geister über den Wassern’ open ik graag deze regenachtige collage opgevat als hulpmiddel om deze opstapeling van natte winderige dagen te overleven. De combinatie van Irving Berlin en Johann Wolfgang von Goethe is al dadelijk een aanwijzing dat het niet alleen ons is overkomen. Een vroege troost alvast. Het refrein meezingen mag!

Call me up some rainy afternoon
I'll arrange for a quiet little spoon
Think of all the joy and bliss
We can hug and we can talk about the weather
We can have a quiet little talk
I will see that my mother takes a walk
Mum's the word when we meet
Be a mason, don't repeat
Angel eyes, are you wise?

Goodbye

Een prent uit 1857 waarin de spot werd gedreven met de ‘crinoline’ mode van die dagen getekend door ene Hoops. De tekst van het wondermooie Gesang der Geister über den Wassern wil ik je niet onthouden.

Gesang der Geister über den Wassern

Johann Wolfgang von Goethe (1749 - 1832)

Des Menschen Seele
Gleicht dem Wasser:
Vom Himmel kommt es,
Zum Himmel steigt es,
Und wieder nieder
Zur Erde muss es,
Ewig wechselnd.

Strömt von der hohen,
Steilen Felswand
Der reine Strahl,
Dann stäubt er lieblich
In Wolkenwellen
Zum glatten Fels,
Und leicht empfangen
Wallt er verschleiernd,
Leisrauschend
Zur Tiefe nieder.

Ragen Klippen
Dem Sturz entgegen,
Schäumt er unmutig
Stufenweise
Zum Abgrund.

Im flachen Bette
Schleicht er das Wiesental hin,
Und in dem glatten See
Weiden ihr Antlitz
Alle Gestirne.

Wind ist der Welle
Lieblicher Buhler;
Wind mischt vom Grund aus
Schäumende Wogen.

Seele des Menschen,
Wie gleichst du dem Wasser!
Schicksal des Menschen,
Wie gleichst du dem Wind! 

En als je een prachtige uitvoering van dit lied wilt beluisteren op een stil moment dan is deze uitvoering getoonzet door Schubert met het Noorse Solistenkoor onder leiding van Grete Pedersen een must. Bijna 12 minuten schoonheid.

Hiroshiige Heavy rain on a pine tree

In 1914 verscheen de bundel ‘Verzen’ van J.H. Leopold. Zijn woorden volgen het ritme van de regen in wat hij zo mooi noemt: ‘…het verward beweeg van menschen, die naar buiten komen’. De bui is afgedreven maar het licht blijft schitteren ‘in dit klein trilkristal’.

Regen


De bui is afgedreven;
aan den gezonken horizont
trekt weg het opgestapelde, de rond-
gewelfde wolken; over is gebleven
het blauw, het kille blauw, waaruit gebannen
een elke kreuk, blank en opnieuw gespannen.

En hier nog aan het vensterglas
aan de bedroefde ruiten
beeft in wat nu weer buiten
van winderigs in opstand was
een druppel van den regen,
kleeft aangedrukt er tegen,
rilt in het kille licht...

en al de blinking en het vergezicht,
van hemel en van aarde, akkerzwart,
stralende waters, heggen, het verward
beweeg van menschen, die naar buiten komen,
ploegpaarden langs den weg, de oude boomen
voor huis en hof en over hen de glans
der daggeboort, de diepe hemeltrans
met schitterzon, wereld en ruim heelal:
het is bevat in dit klein trilkristal.
After the rain Gloucester Paul Cornoyer

Herinner je. Het jongetje. Stevig onder de indruk van het bijbelse verhaal waarin ‘de zondvloed’ wordt verteld: Noah die een ark bouwt waarin alle bestaande dieren in tweevoud een onderkomen vinden. Het tafereel kreeg met de grote watersnoodramp van 1953 in Nederland een concrete invulling voor het toenmalig negenjarig kind. Regende het drie dagen na elkaar dan begon hij zich ernstig vragen te stellen of zijn handige vader niet aan de constructie van een ark zou beginnen in de achtertuin. Een buurtproject.

Het laden van de ark, Edward Hicks

In 1675 schetste ene Athanasius Kircher oa. deze prent in zijn boek ‘Arca Noe’. Je kunt ze vergroten door op het onderschrift te klikken.

Huisvesting van de dieren in de ark, Athanasius Kircher, Arca Noe 1675

Dat zag er allemaal heel mooi uit, netjes verdeeld met de nodige voorraad eten en drinken. Je kon naar eigen fantasie deze prent in de diepte uitwerken zodat de hele fauna aan bod zou komen. Wel vroeg hij zich luidop af of de tekst uit het verhaal waarin God zei dat hij spijt had van zijn schepping wel klopte. Hij , de Schepper, had het kunnen weten voor hij aan die schepping begon, gezien zijn alwetendheid.

“Ik zal de mensen die ik geschapen heb van de aarde wegvagen, dacht hij, en met de mensen ook het vee, de kruipende dieren en de vogels, want ik heb er spijt van dat ik ze heb gemaakt." 

Broeder Alexianus fronste bij die uitspraak het voorhoofd. ‘Ja, hoe is dat,’ zei de wijze man. Je kunt iets of iemand zo graag zien dat je dat idee over al die mogelijke slechtheid vergeet. ’t Zal wel meevallen’ had hij gedacht. ‘

Later, als het water weer gezakt is en er een regenboog verschijnt, wordt hij toch een beetje gerustgesteld, maar helemaal zeker kun je dat niet noemen.

“Deze belofte doe ik jullie: nooit weer zal alles wat leeft door het water van een vloed worden uitgeroeid, nooit weer zal er een zondvloed komen om de aarde te vernietigen. En dit,’ zei God, ‘zal voor alle komende generaties het teken zijn van het verbond tussen mij en jullie en alle levende wezens bij jullie: ik plaats mijn boog in de wolken; die zal het teken zijn van het verbond tussen mij en de aarde.”

Met die ogen bekeek hij nu de onophoudende regendagen. De regenboog kreeg later een heel andere betekenis in zijn leven, en of de god die het vatikaan zei te vertegenwoordigen daar gelukkig mee was bleek niet zijn grootste zorg. En ‘water’ bekeek hij liefst op veilige afstand.

Augsburger Wunderzeichenbuch Folio 1 (genesis 7, 11-14)
Regen regen

Regen regen
allerwegen
rechte stralen
water water
langs de muren
langs de palen
vallen vallen
langs de bomen
natte auto’s
gaan en komen
loodrecht op de
druppelzegen
Overal is regen regen

Jan Hanlo (1912-1969)
The bookshelf for boys and girls Little Journeys into Bookland 1912
La pluie

Pierre Louÿs    (1870-1925)

La pluie fine a mouillé toutes choses, très doucement, et en 
silence. Il pleut encore un peu. Je vais sortir sous les arbres. 
Pieds nus, pour ne pas tacher mes chaussures.

La pluie au printemps est délicieuse. Les branches chargées 
de fleurs mouillées ont un parfum qui m'étourdit. On voit briller 
au soleil la peau délicate des écorces.

Hélas ! que de fleurs sur la terre ! Ayez pitié des fleurs 
tombées. Il ne faut pas les balayer et les mêler dans la boue ; 
mais les conserver aux abeilles.

Les scarabées et les limaces traversent le chemin entre les 
flaques d'eau ; je ne veux pas marcher sur eux, ni effrayer ce 
lézard doré qui s'étire et cligne des paupières.
Regendag in de tuin (eigen foto)

En nu tijd voor muziek! Meezingen kan. Lyrics onder deze Youtube.

Someone told me long ago
There's a calm before the storm, I know
It's been coming for some time
When it's over so they say
It'll rain on a sunny day, I know
Shining down like water

I wanna know
Have you ever seen the rain?
I wanna know
Have you ever seen the rain?
Coming down on a sunny day

Yesterday and days before
Sun is cold and rain is hard, I know
It's been that way for all my time
Till forever on it goes
Through the circle fast and slow, I know
it can't stop,I wonder
Someone told me long ago
There's a calm before the storm, I know
It's been coming for some time
When it's over so they say
It'll rain on a sunny day, I know
Shining down like water

I wanna know
Have you ever seen the rain?
I wanna know
Have you ever seen the rain?
Coming down on a sunny day

Yesterday and days before
Sun is cold and rain is hard, I know
It's been that way for all my time
Till forever on it goes
Through the circle fast and slow, I know
it can't stop,I wonder.
Regendag in de tuin 2 Eigen foto
Souls And Rain-Drops

Sidney Lanier (1842 – 1881)

Light rain-drops fall and wrinkle the sea,
Then vanish, and die utterly.
One would not know that rain-drops fell
If the round sea-wrinkles did not tell.

So souls come down and wrinkle life
And vanish in the flesh-sea strife.
One might not know that souls had place
Were't not for the wrinkles in life's face.
Plaça del Nord Festa major de Gracia 2019

En toch nog even naar dat kleine jongetje in de wondermooie tekst ‘When that I was and a little tiny boy’ uit een van Shakespeare’ s meest populaire komedies, gezongen door het Clown- of Fool-personage Feste op het einde van de Twelfth Night. Sommige critici denken dat de tekst niet van Shakespeare is maar dat hij door Robert Armin zou geschreven zijn die meestal de ‘fool characters’ speelde in de origninele producties van de meeste Shakespeare-stukken.

It uses wind and rain as symbols of life’s hardships, and thus concludes the poem on a somewhat bittersweet note. All revels and festivities – such as those enjoyed at Twelfth Night – are short-lived intervals in life’s daily grind (‘the rain it raineth every day’, after all). The song is also the only good poem we know that features the word ‘toss-pots’.

Hier gebracht door Elvis Costello op een onnavolgbare wijze.

When that I was and a little tiny boy

William Shakespeare (1564-1616)

When that I was and a little tiny boy
With hey, ho, the wind and the rain,
A foolish thing was but a toy,
For the rain it raineth every day.

But when I came to man's estate,
With hey, ho, the wind and the rain,
'Gainst knaves and thieves men shut their gate,
For the rain it raineth every day.

But when I came, alas, to wive,
With hey, ho, the wind and the rain,
By swaggering could I never thrive,
For the rain it raineth every day.

But when I came unto my beds,
With hey, ho, the wind and the rain,
With toss-pots still 'had drunken heads,
For the rain it raineth every day.

A great while ago the world began,
With hey, ho, the wind and the rain,
But that's all one, our play is done,
And we'll strive to please you every day.
Heubner Spaziergang im Regen

Volop zon op dit ogenblik, alsof ik met mijn werk de regen heb verdreven. Alvast de regen in mijn hoofd. Robert Louis Stevenson (1850-1894) heeft het laatste woord met dit kleine versje. En voor wie nog meer wil…ga op zoek. Het net barst van rommel, roddel en dies meer, maar je vindt ook resonanties van de mooiste prenten en teksten en…Leg voor de donkere dagen lichtende collecties aan en geniet.

Rain

Robert Louis Stevenson (1850-1894)

The rain is raining all around,
It falls on field and tree,
It rains on the umbrellas here,
And on the ships at sea. 
Rain Imps, Grinding Up the Rain in April. 1863 by UNKNOWN, . Missouri History Museum Photograph and Prints collection. Prints, Genre and General Topics. Image number: 45867

Op weg naar de teruggevonden tijd (2)

De wolken
 
Ik droeg nog kleine kleeren, en ik lag
 Lang-uit met moeder in de warme hei,
 De wolken schoven boven ons voorbij
 En moeder vroeg wat 'k in de wolken zag.
 
 En ik riep: Scandinavië, en: eenden,
 Daar gaat een dame, schapen met een herder -
 De wond'ren werden woord en dreven verder,
 Maar 'k zag dat moeder met een glimlach weende.

Toen kwam de tijd dat 'k niet naar boven keek,
 Ofschoon de hemel vol van wolken hing,
 Ik greep niet naar de vlucht van 't vreemde ding
 Dat met zijn schaduw langs mijn leven streek.
 
 - Nu ligt mijn jongen naast mij in de heide
 En wijst me wat hij in de wolken ziet,
 Nu schrei ik zelf, en zie in het verschiet
 De verre wolken waarom moeder schreide -

Martinus Nijhoff (1894-1953)
in Vormen (1924)

De tijd waarin ik ‘in kleine kleren’ naar de wolken keek, strekt zich al twee generaties uit nu het kleinkind, wel eens aanwezig in dit blog, vandaag 21 wordt en op haar beurt dat kijken kan doorgeven aan de volgende kleine-klerendrager. Kun je in kind en kleinkind het terugvinden van je eigen kindertijd vergemakkelijken, toch zal iedere ‘iets oudere’ lezer(es) ook de vervreemding begrijpen die er met die steeds groter wordende afstand is ontstaan. De tijd terugvinden wordt er niet makkelijker om. De droom opgeven? Marcel Proust denkt daar anders over:

Si un peu de rêve est dangereux, ce qui en guérit, ce n'est pas moins de rêve, mais plus de rêve, mais tout le rêve. Il importe qu'on connaisse entièrement ses rêves pour n'en plus souffrir ; il y a une certaine séparation du rêve et de la vie qu'il est si souvent utile de faire que je me demande si on ne devrait pas à tout hasard la pratiquer préventivement comme certains chirurgiens prétendent qu'il faudrait, pour éviter la possibilité d'une appendicite future, enlever l'appendice chez tous les enfants. » (Marcel Proust A la recherche du temps perdu)
Ekaterina Panikanova

Zijn onze eigen herinneringen beperkt door de werking van ons autobiografisch geheugen dat rond het 3de-4de levensjaar in werking treedt, toch blijven er verhalen van de eerste kinderjaren meespelen, vaak menigmaal verteld door zeer nabije betrokkenen. Hoe hij als eenjarige van een Canadese soldaat (zijn eenheid logeeerde in de school waar zijn moeder les gaf) een reep chocolade cadeu kreeg en die na enige studie met een zekere walg op de grond smeet, totaal onbekend met het luxe-product ‘chocolade’. Die houding veranderde toen die luxe even later bereikbaar werd en in allerlei merken werd aangeprezen. Herinner je!

De klassieke benaming ‘Minerva’ van het merk ‘Martougin’ werd in Antwerpen geproduceerd in verschillende smaken. Hij herinnert zich dat een dergelijke reep bij uitzonderlijke gebeurtenissen hoorde: na een moedig doktersbezoek, de vooravond van een verjaardag, of als geschenk van een tante ‘voor wie het beste niet goed genoeg was’. (de uitspraak was van zijn moeder) Democratischer was een reepje ‘Meurisse-chocolade’ of de meer gekende Jacques-repen.

Bij deze repen hoorde een chromo, netjes op de binnenwikkel van de reep geplooid. Daarmee kon je diverse albums vullen: treinen, koninklijke familie, Congo om er enkele te noemen. Het leven van kinderen uit de vijftiger jaren was gevuld met het verzamelen van punten allerlei. Historia-prenten, Artis-afbeeldingen in prachtige boeken te verzamelen, Liebig-kaarten met fraaie grafiek, Soubry-punten voor mooi verzorgde kunst-reproducties, Historia-punten voor illustraties bij de vaderlandse geschiedenis, Kwatta-soldaatjes, Havermout-lettertjes die je als je de juiste letters bij elkaar kreeg een heuse lederen voetbal opleverden, Fort-bonnen voor speelgoed (dank u sinterklaasje) In elk gezin was er wel een lade waarin die punten en prentjes een onderkomen vonden en nu en dan in dikke omslagen naar diverse adressen werden verzonden om daarna regendagen-lang prentjes te kleven. (Hij heeft met La vache qui rit een heus Congolees dorp verzameld of hoe smeerkaas eten de koloniale ‘verdiensten’ kon verduidelijken.) De opbrengsten van zijn ‘missie-tentoonstelling’ werden tot de laatste centiem aan lepra-bestrijding overgemaakt.

Ekaterina Panikanova
 Quand je m'éveillai, de mon lit par ces matins tôt levés du printemps, j'entendais les tramways cheminer, à travers les parfums, dans l'air auquel la chaleur se mélangeait de plus en plus jusqu'à ce qu'il arrivât à la solidification et à la densité de midi. Plus frais au contraire dans ma chambre, quand l'air onctueux avait achevé d'y vernir et d'y isoler l'odeur du lavabo, l'odeur de l'armoire, l'odeur du canapé, rien qu'à la netteté avec laquelle, verticales et debout, elles se tenaient en tranches juxtaposées et distinctes, dans un clair-obscur nacré qui ajoutait un glacé plus doux au reflet des rideaux et des fauteuils de satin bleu, je me voyais, non par un simple caprice de mon imagination, mais parce que c'était effectivement possible, suivant dans quelque quartier neuf de la banlieue, pareil à celui où à Balbec habitait Bloch, les rues aveuglées de soleil, et voyant non les fades boucheries et la blanche pierre de taille, mais la salle à manger de campagne où je pourrais arriver tout à l'heure, et les odeurs que j'y trouverais en arrivant, l'odeur du compotier de cerises et d'abricots, du cidre, du fromage de gruyère, tenues en suspens dans la lumineuse congélation de l'ombre qu'elles veinent délicatement comme l'intérieur d'une agate, tandis que les porte-couteaux en verre prismatique y irisent des arcs-en-ciel ou piquent çà et là sur la toile cirée des ocellures de paon. (ibidem)
Clara Peeters
Still Life with Cheeses, Artichoke, and Cherries, ca. 1625
Los Angeles County Museum of Art

O, de geuren. Herinner je. Dit oude zo verwaarloosde waarnemen waar je als kind bijna vanzelfsprekend mee omging. Nog voor je de eetkamer binnenkwam kende je het avondmenu, de eenden en kippen die je van ei-rond tot volwassen dieren opvoedde. Van het zachte dons naar de harde pluimen, ieder met hun eigen geur. De geur van groene zeep, Singer-machine-olie, vers gebakken brood, de tuin-bij-avond, de andere mens, eens het dichtbije bij de verlangens ging horen. Maar ook de geuren van bederf en vergaan. Hoe mooi broeder Alexianus kon vertellen over de opwekking van Jezus’ vriend Lazarus. Al enkele dagen dood werd zijn graf geopend en verscheen hij even later nog met de lijkwindels ingepakt. De schilder was niet beschroomd om de reactie op de geur van vergaan op de gezichten van de toeschouwers, rechts in beeld, te tonen. De zeer heiligen en deftige opdrachtgevers toonden iets meer karakter. Maar wie in het verloren land wil binnendringen mag ‘het boeket’ niet ontwijken.

Picardie ou Bourgogne, seconde partie du XVe siècle La Résurrection de Lazare, avec un donateurHuile sur panneau de chêne, trois planches, parqueté(Restaurations et soulèvements) 60,50 x 80 cm
Allerzielen
Soms loopt er door een drukke straat
ineens een oude kameraad
of reisgenoot.
Je weet zodra je hem begroet:
het kan niet dat ik hem ontmoet,
want hij is dood.
Eerst ben je nog een tijd verbaasd
omdat die levende toch haast
die dode was.
Heb je de zaak dan afgedaan,
dan komt er weer zo`n dode aan,
met flinke pas.
Thuis van het dodencarnaval
zie je de spiegel in de hal,
je schrik is groot:
die man daar in het spiegelglas,
met die bekende regenjas,
was die niet dood?
 
Willem Wilmink (1936-2003)
Gepubliceerd in:
Het kind is vader van de man
Bert Bakker (1989)
En moi aussi bien des choses ont été détruites que je croyais devoir durer toujours et de nouvelles se sont édifiées donnant naissance à des peines et à des joies nouvelles que je n’aurais pu prévoir alors, de même que les anciennes me sont devenues difficiles à comprendre. Il y a bien longtemps aussi que mon père a cessé de pouvoir dire à maman : « Va avec le petit. » La possibilité de telles heures ne renaîtra jamais pour moi. Mais depuis peu de temps, je recommence à très bien percevoir si je prête l’oreille, les sanglots que j’eus la force de contenir devant mon père et qui n’éclatèrent que quand je me retrouvai seul avec maman. En réalité ils n’ont jamais cessé ; et c’est seulement parce que la vie se tait maintenant davantage autour de moi que je les entends de nouveau, comme ces cloches de couvents que couvrent si bien les bruits de la ville pendant le jour qu’on les croirait arrêtées mais qui se remettent à sonner dans le silence du soir. (ibidem)
Ekaterina Panikanova
(wordt vervolgd)
Du musst das Leben nicht verstehen

Du musst das Leben nicht verstehen,
dann wird es werden wie ein Fest.
Und lass dir jeden Tag geschehen
so wie ein Kind im Weitergehen von jedem Wehen
sich viele Blüten schenken lässt.

Sie aufzusammeln und zu sparen,
das kommt dem Kind nicht in den Sinn.
Es löst sie leise aus den Haaren,
drin sie so gern gefangen waren,
und hält den lieben jungen Jahren
nach neuen seine Hände hin.


Rainer Maria Rilke, 8.1.1898, Berlin-Wilmersdorf 

Op weg naar de teruggevonden tijd (1)

De goochelaar

De goochelaar zegt:
neem één dag in je gedachten,
het geeft niet welke

en ik neem één dag in mijn gedachten,
een willekeurige dag,
geen wereldschokkende dag,
en ook geen zwaarwichtige of lichtzinnige dag,
zomaar een dag

ik knijp mijn ogen dicht
en herinner me die dag,
de zon schijnt,
ik bel aan

en de goochelaar noemt die dag, 
beschrijft hem, elke minuut er van.

Toon Tellegen uit 'Hemels en vergeefs', 2008

Het hoeft niet altijd een koekje à la madeleine te zijn, een uitstekend middel voor de heer Proust om terug te keren naar de schijnbaar verloren tijd, het kan ook via de onuitputtelijke beeldbanken van het net, een hedendaagse manier om bij het zien van beelden het kind terug te vinden van weleer. Zo maar een dag, of een avond van zo’n dag, een late namiddag in de zomer, een sneeuwmorgen of een slapeloze nacht. ‘Het geeft niet welke.’ Het is even zoeken, dat wel. Maar je zult ze vinden, de beeldende magie die het vergeten verdwijnen laat. Wees geduldig. Verzamel ze, ook als je nog niet dadelijk weet waarom een beeld je aanspreekt. Ook teksten, poëzie, verloren zinnen, zullen je helpen om het analytische denken waarin we zijn opgevoed te ontwijken en het wondere associëren te ervaren zoals het briesje dat de gorijnen doet wijken, de zachte avondwind binnenlaat met de eerste uitlopers van het donker.

'Mais c'est quelquefois au moment où tout nous semble perdu que l'avertissement arrive qui peut nous sauver, on a frappé à toutes les portes qui ne donnent sur rien, et la seule par où on peut entrer et qu'on aurait cherchée en vain pendant cent ans, on y heurte sans le savoir, et elle s'ouvre.' (Marcel Proust A la recherche du temps perdu)
Gus Fine Arts World of Puppets
Rien qu'un moment du passé ? Beaucoup plus, peut-être ; quelque chose qui, commun à la fois au passé et au présent, est beaucoup plus essentiel qu'eux deux. Tant de fois, au cours de ma vie, la réalité m'avait déçu parce qu'au moment où je la percevais mon imagination, qui était mon seul organe pour jouir de la beauté, ne pouvait s'appliquer à elle, en vertu de la loi inévitable qui veut qu'on ne puisse imaginer que ce qui est absent. (ibidem)

‘Ze lagen te netjes op een rij zoals appelen zelf nooit zouden liggen. Anderzijds werd hij aangetrokken door het geordende van een verzameling: een kistje sigaren, een half pak chocolade dat met zo’n twaalf dezelfde reepjes onuitputtelijk leek, de tegels op de speelplaats, het ritme van een bakstenen muur. een doosje lucifers. Wel kon je van deze verboden vruchten winterfruit proeven en ze netjes met de aangebeten kant naar achter schijnbaar ongeschonden achterlaten. De herinnering zou met de vervlogen beelden uit zijn vroege kindertijd verdampt zijn als hij ze niet na zijn namiddagslaapje met een nog ongecontroleerde beweging had aangestoten en de wet van actie en reactie ervoor zorgde dat het netjes gerangschikte fruit naar alle richtingen van zijn slaapkamertje rolde. Deze misdaad was niet meer te camoufleren voor de vadermens verscheen en met een ‘maar-jongen-toch’ als een teleurgesteld opperhoofd het prutswerk van zijn driejarige nakomeling trachtte te verwerken.’

Maar als hij later, hij was negen, tien jaar met diezelfde vader appelen recht uit de boomgaard ging kopen op de boerderij en ze in die prachtige koperen schaal werden gewogen met aan de andere kant de stevige sierlijke gewichten en hij, nog voor hij achter op de fiets kroop, al een avant-première mocht proeven, combineeerde hij de smaak van appelen met het intense genoegen van het boeken-lezen in de grote sofa. Hij betreurde dat in het verhaal van het aards paradijs een appel voor de noodlottige afloop zorgde, maar gezien zijn eigen vroege zwakheid daaromtrent wilde hij Eva onmiddellijk de zondeval vergeven. Bij Judas lag dat anders. Hij verried zijn meester met een kus. Stel dat hij zijn vader met een kus zou overleveren aan het gespuis? Hem die ik zal kussen is de appelen-dief zou hij de soldaten zeggen.

Neen. Het verhaal was te droevig om er lang over te piekeren. Tenslotte moest iemand het doen. Toen Judas een jongetje was, wist god al dat hij Jezus zou verraden. Hij hoorde bij het verhaal. Heel eerlijk was dat niet. Hij bekeek alle afbeeldingen waarin Judas ‘zijn werk deed’. Hij had zijn broertje niet verraden toen ze op de pistolees hadden geplast als wraak omdat ze niet bij de grote mensen aan tafel mochten zitten. ‘Ik heb het gedaan! Helemaal alleen.’ Straf uitzitten in het kippenhok was best te doen. Niemand begreep beter wat onrechtvaardigheid was dan een kip. Het begrip ‘vrije wil’ had toen al een aardige deuk gekregen.

Nord de la France, probablement seconde moitié du XIVe siècle L’ Arrestation du Christ Relief en applique en bois de noyer avec traces de polychromie ; élément probable d’un retable figurant la Passion du Christ 47,50 x 43,50 cm
'Certes nous sommes obligé de revivre notre souffrance particulière avec le courage du médecin qui recommence sur lui-même la dangereuse piqûre. Mais en même temps il nous faut la penser sous une forme générale qui nous fait dans une certaine mesure échapper à son étreinte, qui fait de tous les copartageants de notre peine, et qui n'est même pas exempte d'une certaine joie. Là où la vie emmure, l'intelligence perce une issue, car s'il n'est pas de remède à un amour non partagé, on sort de la constatation d'une souffrance, ne fût-ce qu'en en tirant les conséquences qu'elle comporte. L'intelligence ne connaît pas ces situations fermées de la vie sans issue.'(ibidem)
Foto Alain Nogues
Weet je nog
hoe we allemaal dansten en lachten
op dat grote feest in die tuin
die geurde naar pas gewassen gras
het was een heldere sterrennacht
simpel, zoals je het zegt
we waren jong als de muziek
even bestonden we voor eeuwig

Remco Campert

I’m nobody! Who are you? Emily Dickinson (1830-1886)

Ik ben niemand! Wie ben jij?
ben jij ook - niemand-?
dan zijn er een paar van ons!
Zeg het niet! Ze zouden ons verbannen-weet je!

Hoe saai - om iemand- te zijn!
Hoe openbaar - als een Kikker -
Je naam te vertellen - de levenslange dag -
Aan een bewonderend Moeras!

Als trouwe bezoeker van The Morgan Library & Museum in New York wil ik graag hun tentoonstelling met de bovenstaande titel en aangevuld met ‘The Life and Poetry of Emily Dickinson’ gebruiken om vooral met enkele van de gedichten uit hun tentoongestelde handschrift-collectie belangstelling voor deze wonderbare vrouw te wekken.

One of the most popular and enigmatic American writers of the nineteenth century, Emily Dickinson (1830–1886) wrote almost 1,800 poems. Nevertheless, her work was essentially unknown to contemporary readers since only a handful of poems were published during her lifetime and a vast trove of her manuscripts was not discovered until after her death in 1886. 
Otis Allen Bullard (1816–1853), Emily Elizabeth, Austin, and Lavinia Dickinson, Oil on canvas, ca. 1840. Houghton Library, Harvard University.

Dit zijn de drie kinderen uit een Amerikaans welstellend advocaten-gezin. Emily links laat niet vermoeden dat ze een erg teruggetrokken leven zou leiden dat zich in de laatste jaren zou beperken tot de leefruimte in haar slaapkamer waarvan hierboven het fraaie rozen-behang dat ook in de tentoonstelling als achtergrond dient. Vergis je niet, ook dat teruggetrokken leven betekende niet dat ze geen contacten had met de buitenwereld. Integendeel. Ze correspondeerde met talrijke vrienden en vriendinnen, besprak open en direct wat er in de toenmalige wereld gebeurde maar mengde zich steeds minder in het openbare leven.

She was a deeply sensitive woman who questioned the puritanical background of her Calvinist family and soulfully explored her own spirituality, often in poignant, deeply personal poetry. She admired the works of John Keats and Elizabeth Barrett Browning, but avoided the florid and romantic style of her time, creating poems of pure and concise imagery, at times witty and sardonic, often boldly frank and illuminating the keen insight she had into the human condition. At times characterised as a semi-invalid, a hermit, a heartbroken introvert, or a neurotic agoraphobic, her poetry is sometimes brooding and sometimes joyous and celebratory. Her sophistication and profound intellect has been lauded by laymen and scholars alike and influenced many other authors and poets into the 21st Century.(Online-literature.com/dickinson)
Emily Dickinson, Daguerreotype, ca. 1847. Amherst College Archives & Special Collections. Gift of Millicent Todd Bingham, 1956, 1956.002.
I heard a Fly buzz – when I died –
The Stillness in the Room
Was like the Stillness in the Air –
Between the Heaves of Storm –

The Eyes around – had wrung them dry –
And Breaths were gathering firm
For that last Onset – when the King
Be witnessed – in the Room –

I willed my Keepsakes – Signed away
What portion of me be
Assignable – and then it was
There interposed a Fly –

With Blue – uncertain – stumbling Buzz –
Between the light – and me –
And then the Windows failed – and then
I could not see to see –
This poem—one of Dickinson’s most famous—exists in no other drafts; it is included in a in a fascicle, or hand-sewn manuscript booklet, which she probably began in the summer of 1863 and which was not discovered until after her death.
Blazing in Gold – and
Quenching – in Purple!
Leaping – like Leopards the sky –
Then – at the feet of the old Horizon –
Laying it's spotted face – to die!

Stooping as low as the kitchen window –
Touching the Roof –
And tinting the Barn –
Kissing it's Bonnet to the Meadow –
And the Juggler of Day – is gone!


Vlammend in Goud - en
blakend - in paars!
Springend - als luipaarden de hemel -
Dan - aan de voeten van de oude Horizon -
Legt het zijn gevlekte gezicht - om te sterven!

Bukkend zo laag als het keukenraam -
Raakt het dak -
en de schuur kleurt...
Kust het zijn hoed naar de weide...
En de jongleur van de dag - is weg!
Of our deepest delights there is a solemn shyness
The appetite for silence is seldom an acquired taste

Van onze diepste genoegens is er een plechtige verlegenheid
De honger naar stilte is zelden een aangeleerde smaak

***

Hope is the Thing with Feathers

Hope is the thing with feathers
That perches in the soul,
And sings the tune without the words,
And never stops at all,

And sweetest in the gale is heard;
And sore must be the storm
That could abash the little bird
That kept so many warm.

I've heard it in the chillest land
And on the strangest sea;
Yet, never, in extremity,
It asked a crumb of me.
foto Ivan Sjögren
This is one of 295 poems Dickinson wrote in 1863, her most productive year. She kept this copy, along with a later draft from 1865.
Light is sufficient to itself –
If others want to see
It can be had on Window panes
Some hours of the day –

But not for Compensation –
It holds as large a Glow
To Squirrel in the Himmaleh
Precisely – as to me –

****


Dat haar leven ook de hedendaagse bewoner van deze planeet aanspreekt, bewijst de televisieserie op Apple-TV (Dickinson') die nu haar tweede jaar ingaat. 
 This Is My Letter To The World

    This is my letter to the world,
    That never wrote to me,--
    The simple news that Nature told,
    With tender majesty.
    Her message is committed
    To hands I cannot see;
    For love of her, sweet countrymen,
    Judge tenderly of me!

bezoek: https://www.themorgan.org/exhibitions/emily-dickinson

Some keep the Sabbath going to church,
I keep it staying at home,
With a bobolink for a chorister,
And an orchard for a dome.

Some keep the Sabbath in surplice,
I just wear my wings,
And instead of tolling the bell for church,
Our little sexton sings.

God preachesa noted clergyman,
And the sermon is never long;
So instead of going to heaven at last,
I'm going all along

Schrijven om thuis te komen: Ivana Bodrožić (1982)

Vukovar 1991-1992

In 1982 geboren in het Kroatische Vukovar dan weet je dat ze als kind de Servisch-Kroatische oorlog iheeft meegemaakt. Dat ze, naar eigen zeggen het verhaal van de displaced-persons wil vertellen maar dan vanuit de kinderen zelf. Haar vader is nog steeds ‘vermist’, een mooi woord om te weten dat hij een van de slachtoffers was, weggevoerd uit de stad door de Servische milities, en nooit meer thuisgekomen. Die ervaring blijft aanwezig in haar gedichten, is het onderwerp van haar roman ‘Tito Hotel’.

NOVEMBER 20th, every year, Vukovar)

 I particularly like imagining
the wreaths of flowers on the Danube…

 Sometimes you can even see them on television.

 What you will never see is,
how people throw those flowers;
from the banks, or they come to the middle of the river,
in wooden or motor-powered rowboats.

 For all those who lost their lives on the Danube.

 I don’t try to imagine how, but I nevertheless wonder…
Was it from the banks, or did they bring them to the middle of the river?
20 NOVEMBER, elk jaar, Vukovar)

 Ik hou er vooral van mij 
de bloemenkransen op de Donau
voor te stellen...
 
Soms zie je ze zelfs op de televisie.

 Wat je nooit zult zien is,
hoe mensen die bloemen gooien;
vanaf de oevers, of ze komen naar het midden van de rivier,
in houten of gemotoriseerde roeiboten.

 Voor al diegenen die hun leven verloren op de Donau.

Ik probeer me niet voor te stellen hoe, maar ik vraag me toch af...
Kwamen ze van de oevers, of brachten ze hen naar het midden van de rivier?
Foto Adam Bokor
Ivana Bodrožić (1982) lives in Zagreb, Croatia. In 2005, she published her first poetry collection, Prvi korak u tamu (The First Step Into Darkness) as part of the Goran Award for Young Poets. Her first novel Hotel Zagorje (Hotel Tito) was published in 2010 and went on to be a Croatian best-seller; the French edition won the prestigious Prix Ulysse for best debut novel. She has also published the poetry collection Prijelaz za divlje zivotinje (A Road for Wild Animals) and the short story collection 100% Pamuk (100% Cotton). Her novel The Pit was awarded the Balkan Noir Prize for best crime novel. Bodrozic's work has been translated into English, German, French, Czech, Danish, Slovenian, Hungarian, Spanish, Italian, and Macedonian. 

Her first novel Hotel Zagorje is a coming-of-age-novel. It's a book about the girl's life as a refugee, sharing a few squremetres with her mother and her brother, all of them waiting for a message of the lost father.
“Breath of Brief Syllables” 
(From Her Collection, In a Sentimental Mood)


Do that in language
Betray
Look long into the sky punctured by the tips of poplars

Give up on words
Retreat into self and remain so in silence
vibrate inside

Despise all versions,
stay indifferent to variants
do not decline, do not quarrel,
pack your mouth with sand

You don’t need it
Everything ends, anyway, in silence

The voice is simple, the verb imbalances,
usually it leads to violence,
the subject hopes it matters
and the period at the end seems naive

There is more, there is always more
and there will be more when I’m gone
Say it right, speak distinctly
speak in our language, take a stand

I walk through the cemetery with Mother,
plot no. IV, row III
her words split me in half
they always split me in half
—with me worked two women,
the last name of one was Mijatović, and the other Mijaaaatović
(and she leans on that “a” to the breaking point)
after a pause she adds,
—that’s not the same

Though none of them would know to ascertain
the position of the accent
the length, rising or falling,
or even whether this is a four-accent system
more than 900 of them fit in the pit

A totally minute mark above the letters
stands like that between life and death

Skip it, it’s not dignified
quiet
be quiet

–Translated by Ellen Elias-Bursać
Adem van korte lettergrepen
(Uit haar collectie, In a sentimental Mood.)


Doe dat in taal
Verraad
Kijk lang in de lucht doorboord door de toppen van populieren

Geef woorden op
Trek je terug in jezelf en blijf zo in stilte
trillen van binnen

Veracht alle versies
blijf onverschillig tegenover varianten
weiger niet, maak geen ruzie
pak je mond in met zand

Je hebt het niet nodig
Alles eindigt, hoe dan ook, in stilte

De stem is eenvoudig, het werkwoord uit balans,
meestal leidt het tot geweld,
het onderwerp hoopt dat het ertoe doet
en het punt aan het eind lijkt naïef

Er is meer, er is altijd meer
en er zal meer zijn als ik weg ben
Zeg het goed, spreek duidelijk
spreek in onze taal, neem een standpunt in

Ik loop over het kerkhof met moeder,
perceel nr. IV, rij III
haar woorden splijten me in tweeën
ze splitsen me altijd in tweeën
-met mij werkten twee vrouwen,
de achternaam van de ene was Mijatović, en de andere Mijaaaatović
(en ze leunt op die "a" tot het breekpunt)
na een pauze voegt ze eraan toe,
-dat is niet hetzelfde.

Hoewel geen van hen de plaats van het accent
zou weten te achterhalen
de lengte, stijgend of dalend,
of zelfs of dit een vier-accent systeem is
meer dan 900 van hen passen in de put

Een totaal miniem teken boven de letters
staat zo tussen leven en dood

sla het over, het is niet waardig
rustig
stil nu
REMIND ME

All I can do,
is to write about the night air.

When I take off my jacket in the hallway,
it seeps out of my sleeves and pockets…
So fragrant and Christmas Eve-like,
sticking to my hair and face,
and I quickly run over to you,
to press my cheek against yours,
so you can feel its coldness,
as you smile and duck,
pretending not to like it.

All I can do,
is to write about a snowball.

Or rather, write about one
before it’s formed, in the early morning,
when it suddenly appears and I contemplate
how to bring it to you,
without ruining it,
bring it to you, or you to it…

All I have left to do, is write about
the Danube in the summer
and the time when I thought everything was possible.

Because I was seven,
and had a blue pail,
with a fish on it,
that I would fill up and drag home,
to rinse it out under the faucet and drink.

These are the things worth remembering.

HERINNER MIJ 

 Alles wat ik kan doen,
is schrijven over de nachtlucht.

 Als ik mijn jas uittrek in de gang,
sijpelt het uit mijn mouwen en zakken...
Zo geurig en kerstavond-achtig,
kleeft aan mijn haar en gezicht,
en ik ren snel naar je toe,
om mijn wang tegen de jouwe te drukken,
zodat je de kou kunt  voelen,
terwijl je lacht en bukt,
en doet alsof je het niet leuk vindt.

 Het enige wat ik kan doen,
is schrijven over een sneeuwbal.

 Of liever, schrijven over een
voordat hij gevormd is, in de vroege ochtend,
wanneer hij plotseling verschijnt en ik overweeg
hoe ik hem naar jou kan brengen,
zonder het te verpesten,
hem naar jou te brengen, of jij naar hem...

 Het enige wat ik nog kan doen, is schrijven over
de Donau in de zomer
en de tijd dat ik dacht dat alles mogelijk was.

 Omdat ik zeven was,
en een blauwe emmer had,
met een vis erop,
die ik zou vullen en naar huis zou slepen,
om het onder de kraan uit te spoelen en te drinken.

 Dit zijn de dingen die het waard zijn om te onthouden.
Eigen foto GMT
I was born in 1982 in Vukovar, where I lived until the summer of 1991, when I went on a holiday with my brother, not knowing that we would never return because of the war. I finished elementary school in Kumrovec and high school in Zagreb. The news and the books that I borrowed and sometimes stole, were the constant of my life in exile. I attained a master’s degree in philosophy and Croatian studies at the Faculty of Humanities and Social Sciences in Zagreb. For the first collection of poetry First step into the darkness, published in 2005, I received the Goran Award for young poets and the Kvirin Award of Matica hrvatska for the best poet under 35 years of age. Five years later, I published my first novel, The Hotel Tito, which greatly marked my life and professional path, directing me exclusively towards literature. Shortly after the publication of the novel, I began to work in the status of an independent artist, within which I am still engaged in literary and cultural work.
Foto door Aleksey Kuprikov
I was ten thousand times dead
suffering all that pain that death brings.

 Here, words like “epiphany”, “miracles”, “messages”
have the meaning of all too human
testimonials.

 I don’t want to prejudice the judgment of the Church
to which here I absolutely submit.

 Wrote the author on the cover of the book
that the woman next to me was reading.

 Pope Urban VIII was also mentioned.

 I sat next to her reading a poem
by Charles Bukowski
about his first visit to a brothel.

 He mostly talked about whores
and some of his friends.

 At that time I started publishing poetry,
wanting to write something about life.

Ik was tienduizend keer dood
lijdend aan al die pijn die de dood meebrengt.

 Hier, woorden als "epifanie", "wonderen", "boodschappen"
hebben de betekenis van al te menselijke
getuigenissen.

 Ik wil niet vooruitlopen op het oordeel van de Kerk
waaraan ik me hier absoluut onderwerp.

 Schreef de auteur op de omslag van het boek
dat de vrouw naast mij las.

 Paus Urbanus VIII werd ook genoemd.

 Ik zat naast haar en las een gedicht
van Charles Bukowski
over zijn eerste bezoek aan een bordeel.

 Hij had het vooral over hoeren
en enkele van zijn vrienden.

 In die tijd begon ik poëzie te publiceren,
en wilde iets over het leven schrijven.
Foto door Matthias Groeneveld
Extension is God’s attribute,
or in other words, God is something extendable.

 I’m standing at that particular Zagreb public transport counter
where there’s never a queue.

The one for the children of those killed / imprisoned /
abducted / disappeared /
taken in an unknown direction /

Croatian defenders.

It’s all written on the application form
and I have a discount pass every year.
It’s two thousand and three,
you say that to yourself slowly,
and there are still those who think that
I’ve jumped the queue without reason
and that’s what bothers me the most.

Aside from that
I have no trauma.

 The more the spirit understands things as necessary,
the more power it has over emotions
and suffers less from them.

***
Verlenging is Gods attribuut,
of met andere woorden, God is iets verlengbaar.

 Ik sta bij dat bepaalde loket van het openbaar vervoer in Zagreb
waar nooit een rij staat.

De rij voor de kinderen van degenen die vermoord / gevangen /
ontvoerd / verdwenen /
meegenomen werden naar een onbekende richting /

Kroatische verdedigers.

Het staat allemaal geschreven op het aanvraagformulier
en ik heb elk jaar een kortingspas.
Het is tweeduizend en drie,
dat zeg je langzaam tegen jezelf,
en er zijn er nog steeds die denken dat
ik zonder reden ben voorgestoken
en dat is wat me het meest stoort.

Afgezien daarvan
heb ik geen trauma.

 Hoe meer de geest de dingen als noodzakelijk begrijpt,
hoe meer macht heeft hij over emoties
en daaronder minder lijdt.
The world is happening outside me.

I live in a hotel
and every day, on my way
to school I leave my key
in cubby-hole
number 325,
slightly smaller than
The room in which we live
my mother, my brother, and I,
and the television that will
maybe, one day
reveal where my father is.
Until then, everything in threes;
beds, cups, spoons,
the Father, the Son and the Holy Ghost,
and we cowardly buy
everything in threes
as if we’re not counting on him
anymore.
Even the pillow we sit on
is made out of the fur lining of his jacket
that Auntie saved from Vukovar,
and that's pretty much it,
but no one can save my mother,
no one.
She will spend years in the small
bathroom of room 325
writing letters to my father
who DISAPPEARED.

 That's the official term.


****

De wereld gebeurt buiten mij.

 Ik woon in een hotel
en elke dag, op weg
naar school laat ik mijn sleutel
in het hokje
nummer 325,
iets kleiner dan
de kamer waarin we wonen
mijn moeder, mijn broer en ik,
en de televisie die
misschien, op een dag
zal onthullen waar mijn vader is.
Tot dan, alles in drieën;
bedden, kopjes, lepels,
de Vader, de Zoon en de Heilige Geest,
en wij lafaards kopen
alles in drieën
alsof we niet meer op Hem rekenen
niet meer.
Zelfs het kussen waar we op zitten
is gemaakt van de bontvoering van zijn jas
die tante gered heeft uit Vukovar,
en dat is het zo'n beetje,
maar niemand kan mijn moeder redden,
niemand.
Ze zal jaren doorbrengen in de kleine
badkamer van kamer 325
brieven schrijven naar mijn vader
die VERMIST is.

 Dat is de officiële term.
I knew I wanted to tell the story of the children who grew up in displaced-persons housing, but in such a way that the story would come from them, the story of a family which fell apart and how even though the war ended, nobody won. I had as my overall framework the six years I spent displaced, but many of the episodes surfaced as I went along, while I was writing. I knew I didn’t want to fall back on the wisdom of hindsight, I tried to set aside my adult perspective. I also didn’t want to spare anybody, including myself, in terms of treating with honesty the emotions I’d felt and my memories. What surprised me, and what I hadn’t been planning to write about, was the episode in which the protagonist, when she’s drunk, allows herself to imagine how her father, who disappeared during the siege of the city, was killed. I had to face that the narrative was taking me there. Sometimes there’s a subterranean logic to a novel which the writer should listen to, and there was a moment when I feared I might not be able to do it justice. The ferocity of such terrible events is sometimes difficult to convey on the page, but I’m glad now that I did.