Kwetsbare ruimtes: ‘Espèces d’ Espace’

J’aimerais qu’il existe des lieux stables, immobiles, intangibles, intouchés et presque intouchables, immuables, enracinés ; des lieux qui seraient des références, des points de départ, des sources : 

Mon pays natal, le berceau de ma famille, la maison où je serais né, l’arbre que j’aurais vu grandir (que mon père aurait planté le jour de ma naissance), le grenier de mon enfance empli de souvenirs intacts…

De tels lieux n’existent pas, et c’est parce qu’ils n’existent pas que l’espace devient question, cesse d’être évidence, cesse d’être incorporé, cesse d’être approprié. L’espace est un doute : il me faut sans cesse le marquer, le désigner ; il n’est jamais à moi, il ne m’est jamais donné, il faut que j’en fasse la conquête.

Mes espaces sont fragiles : le temps va les user, va les détruire : rien ne ressemblera plus à ce qui était, mes souvenirs me trahiront, l’oubli s’infiltrera dans ma mémoire, je regarderai sans les reconnaître quelques photos jaunies aux bords tout cassés. Il n’y aura plus écrit en lettres de porcelaine blanche collées en arc de cercle sur la glace du petit café de la rue Coquillière : « Ici, on consulte le Bottin » et « Casse-croûte à toute heure ». 

L’espace fond comme le sable coule entre les doigts. Le temps l’emporte et ne m’en laisse que des lambeaux informes : 

Écrire : essayer méticuleusement de retenir quelque chose, de faire survivre quelque chose : arracher quelques bribes précises au vide qui se creuse, laisser, quelque part, un sillon, une trace, une marque ou quelques signes.

Perec, Espèces d’Espace, in « Œuvres I », [1974], Gallimard Pléiade, 2017.

eigen foto

Ik zou willen dat er stabiele, onbeweeglijke, ongrijpbare, onaangeroerde en bijna onaantastbare, onveranderlijke, gewortelde plaatsen zijn; plaatsen die referenties zouden zijn, vertrekpunten, bronnen:

Mijn geboorteland, de bakermat van mijn familie, het huis waar ik geboren ben, de boom die ik zou hebben gezien toen ik opgroeide (en die mijn vader zou hebben geplant op de dag dat ik geboren werd), de zolder van mijn jeugd vol onaangeroerde herinneringen…

Zulke plaatsen bestaan niet, en juist omdat ze niet bestaan wordt ruimte een vraag, is ze niet meer vanzelfsprekend, wordt ze niet meer opgenomen, wordt ze niet meer toegeëigend. De ruimte is een twijfel: ik moet haar voortdurend markeren, haar aanwijzen; zij is nooit van mij, zij is mij nooit gegeven, ik moet haar veroveren.

Mijn ruimtes zijn kwetsbaar: de tijd zal ze slijten, zal ze vernietigen: niets zal lijken op wat was, mijn herinneringen zullen me verraden, vergetelheid zal mijn geheugen binnendringen, ik zal naar een paar vergeelde foto’s met gebroken randen kijken zonder ze te herkennen. Op de spiegel van het kleine café in de rue Coquillière zullen niet langer in witte porseleinen letters in een boog geschreven staan: “Ici, on consulte le Bottin” en “Casse-croûte à toute heure”.

De ruimte smelt als zand tussen de vingers. De tijd neemt haar weg en laat me alleen met vormloze flarden achter:

Schrijven: nauwgezet proberen iets te behouden, iets te laten overleven: een paar precieze snippers afscheuren uit de leegte die wordt uitgegraven, ergens een groef achterlaten, een spoor, een teken of een paar tekens.

Perec, Espèces d’Espace, in « Œuvres I », [1974], Gallimard Pléiade, 2017.

eigen foto

Bij elke lezing verandert het beeld, naargelang de lezer(es) herinneringen visualiseert die naarmate de leeftijd dichter of verder van het herinnerde verwijderd zijn. Hun kwetsbaarheid vind je ook in het persoonlijke karakter van elk beeld, de betrokkenheid bij het beeld, de rol die jij bij dit beeld hebt gespeeld. (of dacht gespeeld te hebben, want herinneringen…) De gewenste stabiliteit of waarheidswaarde zal de werkelijkheid eerder vervalsen, haar waardes toekennen die ze nooit heeft gehad, een bekende vervalsing bij het verheffen van deze herinneringen tot canon. Een natuurlijk verschijnsel ook, het terugduwen van zovele verschillende herinneringen in één en dezelfde bedding. De geschiedenis toonde meermaals wat daar de pijnlijke gevolgen van waren.

Ekaterina Panikanova

Maar het woord vooruitschuiven om wat zo diep in ons verborgen is hoor- en zichtbaar te maken. De onderdelen tot een nieuw beeld oproepen waarin jouw ervaring de beperking maar ook de verpersoonlijking is van dat fragment verleden. Je haalt het uit zijn tijdelijk jasje, de verschijningsvorm is immers erg met een tijdperk verbonden, en je probeert het een plaats te geven in de huidige tijdsruimte waarin bepaalde onderdelen in het licht van nu een totaal andere reflectie kunnen krijgen. Het tijdelijke terug ‘in de tijd’ brengen. Dat is op allerlei vlakken een moeilijke operatie. Naarmate je ouder wordt kan net daardoor een gevoel van vereenzaming optreden:

Het kind dat wij waren

Wij leven ’t heerlijkst in ons vèrst verleden:
de rand van het domein van ons geheugen,
de leugen van de kindertijd, de leugen
van wat wij zouden doen en nimmer deden.

Tijd van tinnen soldaatjes en gebeden,
van moeder’s nachtzoen en parfums in vleugen,
zuiverste bron van weemoed en verheugen,
verwondering en teêrste vriendelijkheden.

Het is het liefst portret aan onze wanden,
dit kind in diepe schoot of wijde handen,
met reeds die donkre blik van vreemd wantrouwen.

’t Eenzame, kleine kind, zelf lang verdwenen,
dat wij zo fel en reedloos soms bewenen,
tussen de dode heren en mevrouwen.

E. du Perron (1899-1940)
uit: Parlando (1930)
Ekaterina Panikanova

Er zijn zeker nog lezers(essen) die de voorwerpen op het prentje hieronder herinneren. Bij de vijftig en meer kinderen uit het laatste kleuterklasje van even na de tweede wereldoorlog waren het kostbare bekertjes waaruit je, na lang oefenen met potlood en griffel-op-de-lei- je de eerste letters, met de pen -in-inkt-gedoopt, op het bijzonder gelijnd papier mocht zetten. Twee lijntjes dicht bij elkaar en daarboven en daaronder een lijn die de grens van de lussen aanduidde. (Herinner je de prachtige doosjes vol kroontjespennen.)

Aapjes aten uit hun poot
en bakkers bakten voor ons brood
maar Charlotte met haar 'chocolaad'
drentelde daarna met een dame op de straat.
En er was de ezel, de fruitvrouw, Gijs met zijn geitje, en zelfs een held met houwer(!) op zij.  Ik vond Isaac met zijn inktpot niet zo goed bezig, en of ik ook een neef had die mij een jasje zou schenken? Of rook ik de koffie die koopman verzond? De landman die leeuweriken vond en de molen die maalt door de wind was voor Nicolaas heel gewoon tot hij een nestje vond. Maar een otter en een papje (? papegaai) en een rover die appelen steelt, om maar te zwijgen van het scheepje waar Steven mee speelt en de trommel die tante mij schonk terwijl het uiltje zit op zijn tronk en V een visser was met vis in zijn schuit, w de wagen en dan die rare x (zeg ken je die wel?) terwijl IJ een ijsbeer introduceerde die wit is van vel en tenslotte Z een zeeman, die zegt u vaarwel.

Een ABC-boek waarin de personages (meestal nog in 19de eeuwse klederdracht want oorspronkelijk uit 1845) mij al vlug intrigeerden. Je kon de bakker en Charlotte samenbrengen, en met het geitje de stoere held-met-zijn-houwer een stevige stoot toedienen, om met de brief van Isaac bij de koopman koffie te bestellen, enz. Om met je eigen verhaal te eindigen: ‘al wie dit leest, is zot, een eerste street-art-creatie op de muur van de nijdige buurman achter te laten, en dat was nog maar een begin.

En met dat schrijven zou het mogelijk zijn…

Schrijven: nauwgezet proberen iets te behouden, iets te laten overleven: een paar precieze snippers afscheuren uit de leegte die wordt uitgegraven, ergens een groef achterlaten, een spoor, een teken of een paar tekens. (Perec)
Plensa
Later, veel later
flink geoefend en honderd- of duizendmaal
opnieuw begonnen,
kon je het kind dat je tenslotte levenslang  meedraagt
onder letters brengen:

-komt thuis van school, 
de aardbeien wachten op de gedekte tafel
en moeder zingt zonder woorden
een melodietje. van de radio.

Het is zomer.
Een miljoen dagen vakantie
voor de boeg
die overmorgen
voorbij blijken te zijn.

Maar dat mooie zingen-zonder-woorden.
De geur van aardbeien.
op de tafel in de veranda.

Je vader met de koffie
neuriet haar liedje mee.

En jij bent zeven.
Tot je zevenenzeventig bent.
Henri Matisse, Harmonie in het rood, 1908

‘Thuiskomen’ verbeeld en beletterd (2)

Rembrandt Thuiskomst van de Verloren Zoon

‘Het huis is ons hoekje van de wereld. Het is (…) ons eerste universum. Het is echt een kosmos. Een kosmos in de volle betekenis van het woord. Is het nederigste huis, van dichtbij gezien, niet mooi? Schrijvers van de eenvoudige woning beroepen zich vaak op het element van de poëtica van de ruimte. Maar deze evocatie is veel te beknopt. Omdat ze weinig te beschrijven hebben bij de eenvoudige woning, verblijven ze er bijna nooit. Zij karakteriseren de eenvoudige woning in haar actualiteit, zonder werkelijk haar primitiviteit te beleven, een primitiviteit die bij iedereen hoort, rijk of arm, als hij aanvaardt te dromen. (…) Door dromen raken de verschillende woningen van ons leven met elkaar vervlochten en bewaren zij de schatten van vroeger.

Wanneer in het nieuwe huis de herinneringen aan de oude woningen terugkeren, gaan wij naar het land van de onbeweeglijke kinderjaren, onbeweeglijk als van oudsher. We ervaren fixaties, fixaties van geluk. We putten troost uit het herbeleven van herinneringen aan bescherming. Iets gesloten zal de herinneringen bewaren door ze hun beeldwaarden te laten behouden. Herinneringen aan de buitenwereld zullen nooit dezelfde tonaliteit hebben als herinneringen aan thuis. Door de herinneringen aan het huis op te roepen, tellen wij droomwaarden bij elkaar op; wij zijn nooit echte historici, wij zijn altijd een beetje dichters en onze emotie kan alleen maar verloren poëzie vertalen.’

Gaston Bachelard, De poëtica van de ruimte, [1957], PUF, 1974. P.24-25

Norman Rockwell The homecoming
'La maison est notre coin du monde. Elle est (…) notre premier univers. Elle est vraiment un cosmos. Un cosmos dans toute l'acception du terme. Vue intimement, la plus humble demeure n'est-elle pas belle ? Les écrivains de l'humble logis évoquent souvent cet élément de la poétique de l'espace. Mais cette évocation est bien trop succincte. Ayant peu à décrire dans l'humble logis, ils n'y séjournent guère. Ils caractérisent l'humble logis en son actualité, sans en vivre vraiment la primitivité, une primitivité qui appartient à tous, riches ou pauvres, s'ils acceptent de rêver. (…) Par les songes, les diverses demeures de notre vie se compénètrent et gardent les trésors des jours anciens. 

Quand, dans la nouvelle maison, reviennent les souvenirs des anciennes demeures, nous allons au pays de l'Enfance Immobile, immobile comme l'Immémorial. Nous vivons des fixations, des fixations de bonheur. Nous nous réconfortons en revivant des souvenirs de protection. Quelque chose de fermé doit garder les souvenirs en leur laissant leurs valeurs d'images. Les souvenirs du monde extérieur n'auront jamais la même tonalité que les souvenirs de la maison. En évoquant les souvenirs de la maison, nous additionnons des valeurs de songe ; nous ne sommes jamais de vrais historiens, nous sommes toujours un peu poètes et notre émotion ne traduit peut-être que de la poésie perdue.'

Gaston Bachelard, La Poétique de l’espace, [1957], PUF, 1974. P.24-25

Eigen foto

Niet alleen helden en heiligen komen tenslotte thuis. Ook verdwaalden en zelfs zij die van huis zijn weggelopen zoals blijkt uit de parabel van de verloren zoon vinden om diverse redenen hun weg terug. Een korte samenvatting van de evangelietekst (Lukas 15:11-32):

Het verhaal gaat over een vader met twee zoons. De jongste zoon eist zijn erfenis op van zijn vader. Zodra hij deze ontvangt, trekt hij weg en verkwist het geld in het buitenland. Hij wordt een bedelaar, werkt als varkenshoeder en heeft zo'n honger dat hij spijtig terug verlangt naar het huis van zijn vader en besluit zijn zonden aan zijn vader te belijden en hem om een baan als dagloner te vragen. Als hij daadwerkelijk naar huis terugkeert, is de vader zo blij met de terugkeer van zijn zoon dat hij hem nauwelijks laat uitpraten en hem meteen weer terugbrengt. Hij kleedt hem feestelijk aan en geeft een groot feest.(Wikipedia)
De terugkeer van de verloren zoon door Rembrandt circa 1662

Het verhaal kent talloze bewerkingen en interpretaties maar in mijn ver voorbije Roomse jeugd liet het toch ook een vreemde smaak na. Die oudste broer die thuisgebleven was, -je ziet hem op de achtergrond achter een pilaar komen loeren- wat moest hij met die barmhartige vader? Hijzelf, altijd een brave jongen geweest, familiebedrijf overgenomen, personeelsbeheer onder zijn hoede, nooit gedaan met werken, en dan vraagt de jongste zijn erfdeel, verkwist dat deel met wat ze een ‘liederlijk’ leven noemen en komt jankend naar huis om door de overgelukkige papa als een teruggevonden schat te worden begroet, het vetste kalf wordt geslacht, feest alom enz. enz. Je hoort ons samen zeggen: ‘Jaja, ik zal mij wel uit de naad werken!’ Anderzijds hebben wij, zeker op ‘hogere’ leeftijd uiteraard ook genoeg ‘verloren-zoon (dochter)-ervaring’ om de zaligheid van vergeving en barmhartigheid te kunnen smaken. Een toekomst als ‘varkenshoeder’ -hoe slim en sympathiek deze dieren ook mogen wezen-is dan ook wat ze ‘beperkt-houdbaar’ noemen.

Het verloren-zoon-thema is door de eeuwen een dankbaar onderwerp geweest voor verschillende kunstvormen. Met beelden en geschriften drukte de kunstenaar zijn/haar eigen verhouding uit tegenover die zo geprezen vaderlijke vergevingsgezindheid of was het gewoon de aanleiding om de weinig vertrouwde lijfelijkheid tussen twee manspersonen uit te drukken. De vragen of er ook ‘verloren dochters’ bij dit onderwerp konden betrokken worden, en waar ‘de moeder’ in het hele verhaal te vinden was, kun je benaderen met zeden en gewoonten rond de ontologie van de tekst, maar ook ruimtes voor heel andere interpretaties kwamen in de loop der eeuwen aan bod, vaak ver buiten de religieuze interpretaties. J.F.M. Kat publiceerde daarover in 1952 een omvangrijke studie: ‘De verloren zoon als letterkundig motief’. Als pdf hier te ddownladen:

https://www.dbnl.org/tekst/kat_004verl01_01/kat_004verl01_01_0004.php

De verloren zoon -Chagall
Surgens venit ad Padrem

Als de bladeren in het gras zijn weggerot,
de lucht als glas en de vijvers bevroren,
als steenhard 't land is waar ooit het koren
stond kom ik als naar de lamp de mot

in de afgelegen hoeven schuilen.
Ik krijg er als de zwijnen mijn voeder.
Soms sterft een kind er of een boerenmoeder
stikt er in haar etterbuilen.

Dan vlucht ik hijgend in het moeras.
Geen seizoen kan mijn wonden helen.
Nooit wordt mijn hongerende ziel tot as

van berouw of medelijden. Zo blijf
ik vagebond en schooier spelen
tot ooit de Vader bergt mijn ziel en lijf.


Hugo Claus
In: Kleine reeks, 1947
(gedichtencyclus 'De verloren zoon').
The prodigal son Giorgio de Chirico 1924

Het was vooral de figuur van de ‘vader’, hij die zijn nakomeling in dezelfde levensstijl als de zijne wil dringen, die door allerlei kunstenaars in vraag werd gesteld. ‘Die Aufzeichnungen des Malte Laurids Bridge’ (1910) van Rainer Maria Rilke en Le retour de l’ enfant prodigue (1907) van André Gide binden de vaderlijke kat de bel aan. De auteur van de site ‘verboden geschriften’ geeft een duidelijke inleiding en laat je daarna in vertaling beide teksten lezen.

https://verbodengeschriften.nl/html/de-verloren-zoon-rilke-en-gide.html

Huybrecht Beuckeleer De (verkwistende) verloren zoon
Fragmenten uit de bijdrage 'Verboden geschriften

'Vanzelfsprekend heeft het christendom in het vaderhuis uit de parabel de kerk gezien en beschouwen ouders een kind dat afstand van hen heeft genomen als 'verloren zoon of dochter' dat gewoon weer thuis moet komen. Maar de evangelisten zijn daar heel duidelijk over. Lucas 14:26: 'Indien iemand tot Mij komt, en niet haat zijn vader en moeder en vrouw en kinderen en broeders en zusters, ja zelfs zijn eigen leven, die kan mijn discipel niet zijn.' Matth 10:37: Want Ik ben gekomen om tweedracht te brengen tussen een man en zijn vader en tussen een dochter en haar moeder en tussen een schoondochter en haar schoonmoeder; en iemands huisgenoten zullen zijn vijanden zijn. Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mij niet waardig; en wie zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mij niet waardig.' En in het Evangelie van Thomas, logion 55: 'Wie zijn vader niet haat en zijn moeder, kan bij mij geen leerling zijn. En wie zijn broeders niet zal haten en zijn zusters en zijn kruis niet zal dragen op mijn wijze, zal mij niet waardig zijn.' 

Nou klinkt dat 'haten' nogal fors, maar het wil alleen maar zeggen dat je, als je de Logos, je geweten wilt volgen, als je Plato's grot wilt verlaten, op zoek wilt gaan naar de uitgang, je moet ontdoen van alles waarmee je door je opvoeders bent opgezadeld, dat je (figuurlijk) afstand van hen moet nemen, zoals Hendrik Marsman schrijft in De grijsaard en de jongeling:
Groots en meeslepend wil ik leven!
hoort ge dat, vader, moeder, wereld, knekelhuis!

'ga dan niet ver van huis,
en weer vooral ook het gespuis van vrouwen
buiten uw hart, weer het al uit uw kamer;
laat alles wat tot u komt
onder grote en oorlogszuchtige namen
buiten uw raam in den regen staan:
het is slecht te vertrouwen en niets gedaan.

alleen het geruis
van uw bloed en van uw hart het gehamer
vervulle uw lichaam, verstaat ge, uw leven, uw kluis.
zwicht nooit voor lippen:
samenzijn is een leugen en alle kussen verraad;
alleen een hart dat tegen eigen ribben slaat
is een zuiver hart op een zuivere maat.

zie naar mijzelf.
Ik heb in mijn jeugd
mijn leven verslingerd aan duizend dingen
van felle en vurige namen, oproeren, liefdes
en wat is het alles tezamen nu nog geweest?
over hoeveel zal ik mij niet blijven schamen
en hoeveel is er dat misschien nooit geneest ?'

de jongen kijkt door de geopende ramen
waarlangs de wereld slaat; zonder zich te beraden
stapt hij de deur uit, helder en zonder vrees.
The return of the prodigal Son 1. Duane Michals

En daar gaan dus de verhalen van Rilke en Gide over. Met als voorbeeld uit beiden een fragment.

In die jaren vonden er grote veranderingen in hem plaats. Bijna vergat hij God door de grote inspanningen die het vergde hem te kunnen naderen en alles wat hij mettertijd misschien bij hem hoopte te bereiken was sa patience de supporter une âme. De grilligheden van het lot, waarop de mensen zo gesteld zijn, waren al lang van hem afgevallen, maar hij verloor zelfs wat voor zinnelijke lust en pijn nodig was, de kruidige bijsmaak en dat werd voor hem zuiver en voedzaam. Uit de wortels van zijn zijn ontwikkelde zich de stevige, wintervaste plant van een vruchtbare vreugde. Hij ging helemaal op in de baas worden over wat zijn innerlijk leven vormde, hij wilde niets overslaan want hij twijfelde er niet aan dat in dat alles zijn liefde aanwezig was en toenam. Ja, zijn innerlijke kalmte ging zo ver dat hij besloot het belangrijkste van wat hij vroeger niet had kunnen opbrengen, wat hij gewoon had afgewacht, in te halen. 

Hij dacht vooral aan zijn kindertijd die hem, naarmate hij daar rustiger over nadacht, des te ongeleefder voorkwam; al die herinneringen hadden het vage van vermoedens en dat ze als voorbij beschouwd werden, maakten ze haast toekomstig. Dit allemaal nog eenmaal en dan echt op zich nemen, was de reden, waarom de vervreemde huiswaarts keerde. Wij weten niet of hij bleef; we weten alleen dat hij terugkwam.

Zij die het verhaal verteld hebben, proberen ons hier te herinneren aan het huis, zoals het was; want daar is weinig tijd voorbijgegaan, weinig bijgehouden tijd en iedereen in het huis zou kunnen zeggen hoeveel. De honden zijn oud geworden, maar ze leven nog. Er wordt verteld dat er een begon te huilen. Het hele dagelijks werk wordt onderbroken. Gezichten verschijnen achter de ramen, ouder en volwassen geworden gezichten die aandoenlijk op elkaar lijken. En in een heel oud gezicht breekt heel plotseling een flauwe herkenning door. Herkennen? Echt alleen herkennen? - Vergeven? Wat vergeven? - Liefde. Mijn God: liefde.

Uit: Die Aufzeichnungen des Malte Laurids Brigge, 1910 Rainer Maria Rilke


The Return of the Prodigal Son (1773) by Pompeo Batoni

In Le Retour de l’ enfant prodigue van André Gide zijn er drie broers : hijzelf, de oudste broer maar ook nog een jonger broertje. In dit fragment spreekt de teruggekeerde met zijn jongste broertje.

De verloren zoon vleit zijn broertje tegen zich aan en meteen laat de jongen zich gaan:

- De avond toen je weer thuiskwam heb ik niet kunnen slapen. De hele nacht dacht ik: Ik had nog een broer, en ik kende hem niet eens... Daarom klopte mijn hart zo snel, toen ik je op de binnenplaats aan zag komen lopen, met roem bedekt.

- Ik was helaas bedekt met lompen.

- Ja, ik heb je gezien; maar je was wel al indrukwekkend. En ik heb ook gezien wat onze vader deed: hij stak een ring aan je vinger, een ring, zoals onze broer niet eens heeft. Ik wilde niemand over je uitvragen; ik wist alleen dat je van heel ver teruggekomen was en je blik, aan tafel...

- Was je bij het feestmaal?

- O! Ik weet wel, dat je mij niet gezien hebt; tijdens de maaltijd keek je in de verte, zonder iets te zien. En ik vond het best dat je de tweede avond met vader moest praten, maar de derde avond....

- Hou op.

- Ach, je had best een enkel vriendelijk woord tegen me kunnen zeggen!

- Verwachtte je me dan?

- En hoe! Dacht je dat ik mijn broer zo zou haten, als jij die avond niet zo lang met hem had gepraat? Wat hadden jullie elkaar eigenlijk te zeggen? Als je op mij lijkt weet je best, dat je niets met hem gemeen kunt hebben.

- Ik zou hem ernstig tekort hebben gedaan.

- Kan dat?

- In ieder geval onze moeder en vader. Je weet dat ik van huis ben weggelopen.

- Ja, dat weet ik. Dat is al lang geleden, ja toch?

- Toen ik ongeveer zo oud was als jij.

- O! ... En noem je dat je verkeerd? 

- Ja, dat was mijn fout, mijn zonde.

- Toen je wegliep, voelde je toen ook, dat je iets verkeerds deed?

- Nee; ik voelde weggaan als een plicht.

- Wat is er dan sindsdien gebeurd? dat je van je waarheid van toen een vergissing hebt gemaakt.

- Ik heb het zwaar gehad.

- En zeg je daarom: ik heb er verkeerd aan gedaan?

- Nee, niet helemaal: maar daardoor ben ik gaan nadenken.

- Had je dan van te voren niet nagedacht?

- Jawel, maar mijn zwakke verstand liet zich ompraten door alles wat ik wilde.

- Zoals later door je ellende. Zodat je nu weer thuis bent... overwonnen.

- Nee, niet helemaal; ik heb me erbij neergelegd.

- Nou ja, je hebt er van afgezien, te zijn, wat je wilde zijn.

- Wat mijn hoogmoed mij deed geloven dat ik wilde zijn.

Het kind zwijgt even, dan begint het plotseling te snikken en roept uit:

- Broer! Ik ben die jij was toen je wegging. O! vertel: ben je onderweg dan alleen teleurstellingen tegengekomen? Is dan alles wat ik mij hier buiten zo anders voorstel, alleen maar zinsbedrog? Al het nieuwe, dat ik in mij voel alleen maar onzin? Vertel, waardoor ben je onderweg zo wanhopig geworden? O, waarom ben je teruggekomen?

- Ik was op zoek naar vrijheid en die heb ik verloren; als een gevangene heb ik moeten dienen.

- Ik zit hier gevangen.

- Ja, maar ik moest slechte meesters dienen; hier zijn het je ouders. 

-O! de ene dienst is de ander waard; heb je dan niet eens de vrijheid om te kiezen aan wie je onderdanig bent?

- Dat hoopte ik. Zover mijn voeten mij konden dragen, heb ik achter mijn verlangens aan gelopen, zoals Saul achter zijn ezelinnen; maar waar hem een koninkrijk wachtte, heb ik ellende gevonden. En toch...

- Heb je je niet in de weg vergist?

- Ik heb recht voor me uit gelopen.

- Weet je het zeker? En toch zijn er nog andere koninkrijken en landen zonder koning te ontdekken.

- Wie heeft je dat verteld?

- Ik weet het. Ik voel het. Ik heb het gevoel, dat ik er al regeer.

- Hoogmoedige!

- Ho! ho! dat heeft onze broer tegen je gezegd. Waarom zeg je het nu tegen mij? Waarom heb je die hoogmoed niet bewaard? Dan was je niet teruggekomen.

- Dan had ik ook jou niet leren kennen.

- Ja, ja, daarginds, waar ik me bij jou gevoegd zou hebben, had je me wel herkend als je broer; ik heb zelfs nog steeds het gevoel dat ik wegga om jou terug te vinden.

- Wegga?

- Heb je het dan niet begrepen? Moedig jij zelf me niet aan om te vertrekken?

- Ik zou je de terugkeer willen besparen door je het vertrek te besparen.

- Nee, nee, dat moet je niet zeggen; dat wilde je me ook niet zeggen. Jij bent er toch ook als een veroveraar op uit getrokken?

- En daarom leek mijn slavernij des te zwaarder.

- Waarom heb je je dan onderworpen? Was je al zo moe?

- Nee, nog niet; maar ik twijfelde.

- Wat bedoel je?

- Twijfel aan alles, aan mezelf; ik heb willen stoppen, mij eindelijk ergens vestigen; de luxe, die de meester me beloofde heeft me verleid.... ja, nu voel ik het best; ik ben te kort geschoten.

De verloren zoon buigt het hoofd en verbergt het gezicht in zijn handen.

- Maar in het begin?

- Ik was een hele tijd door een groot, woest gebied getrokken.

- De woestijn?

- Het was niet altijd woestijn.

- Wat zocht je daar?

- Ik begrijp het zelf niet meer.

- Ga eens van mijn bed af. Kijk, daar op tafel, aan het hoofdeind van mijn bed, daar, naast dat gescheurde boek.

- Ik zie een opengemaakte granaatappel.

- Die heeft de zwijnenhoeder mij onlangs op een avond gebracht, nadat hij drie dagen niet thuisgekomen was.

- Ja, dat is een wilde granaatappel. Ik weet het; die is afschuwelijk bitter; toch voel ik, dat ik er in zou bijten, als ik genoeg dorst had.

- O! Nu weet ik het weer: het was die dorst, die ik zocht in de woestijn.

- Dorst, die alleen deze ongesuikerde vrucht kan lessen....

- Nee; maar daarom ga je juist van die dorst houden.

- Weet jij waar je die kan plukken?

- Het is een kleine, verlaten boomgaard, waar je vóór de avond aankomt. Geen muur scheidt haar nog van de woestijn. Er stroomde een beekje; een paar half rijpe vruchten hingen aan de takken.

- Wat voor vruchten?

- Dezelfde als uit onze tuin; maar dan wild. Het was die hele dag heel warm geweest.

- Luister; weet je waarom ik vanavond op je heb gewacht? Nog voor het eind van de nacht ga ik weg. Vannacht; vannacht, zodra de hemel bleek wordt.. ..Ik heb mijn lendenen omgord, ik heb deze nacht mijn sandalen aangehouden (Hand.12:8.)

- Wat! Ga jij doen wat mij niet gelukt is?...

- Jij hebt de weg voor mij gebaand, en de gedachte aan jou zal mij steunen.

- Integendeel, ik moet jou bewonderen, jij mij vergeten. Wat neem je mee?

- Je weet best dat ik, als jongste, niet deel in de erfenis. Ik vertrek zonder iets.

- Dat is het beste.

- Wat zie je daar door het raam?

- De tuin, waar onze gestorven voorouders rusten.

- Broer... (en het kind, dat nu opgestaan is uit zijn bed, legt zijn arm om de hals van de verloren zoon, zijn arm die even teder is als zijn stem) - Ga met me mee.

- Laat me met rust! Laat me! Ik blijf om moeder te troosten. Zonder mij zal je dapperder zijn. Het is nu tijd. De hemel verbleekt. Vertrek geluidloos. Laten we gaan! Omhels me, broertje; je draagt al mijn hoop met je mee. Wees sterk; vergeet ons; vergeet mij. Ik hoop dat je niet terugkomt... Loop zachtjes naar beneden. Ik houd de lamp vast... Kom! Geef me de hand tot aan de deur. Pas op de treden van het bordes.

(Uit Le Retour de l' enfant prodigue Andre Gide 1907  Vertaling: verboden geschriften.nl)
Rodin The Prodigal Son

Vertrekken om thuis te komen, deze schijnbare tegenstelling zoals de bittere vrucht die de dorst laaft zet ons telkens weer op weg. Vreemd dat teksten uit het begin van de twintigste eeuw ook nu nog thuiskomen in dit drukke digitale leven. Deze meerkantigheid mag ons hoeden voor cancel-engheid, het zelf be-denken (be– duidt steeds een duur aan) ligt aan de basis van elke zelfstandigheid. Of hoort dit beeld bij de vijftig-zestigerjaren uit de 20ste eeuw en heeft een nieuwe jeugd dat mannelijke overwicht alvast verlaten en kunnen we heden ten dage van een andere emancipatie-spreken waarin haar erkenning minder op een conflictmodel berust terwijl toch ook bij een belangrijke groep het ‘onder moeders- en vadersvleugels-blijven’ tot in hun dertiger jaren zou blijven gelden? Boeiende vragen met een zich net zo boeiend ontwikkelende reeks antwoorden.

Ik citeer graag de naamloze auteur uit ‘de verboden geschriften’.

'Dat de parabel nog steeds een rol speelt in onze moderne cultuur – zelfs The Rolling Stones hebben op hun elpee Beggars Banquet (1968) een song aan dit motief gewijd – kan men verhelderen vanuit het gegeven dat Lucas’ vertelling de schrijver als het ware een sjabloon biedt dat hij vrij kan invullen: het verhaal is gestructureerd rond een fantasierijk motief, maar plaats, tijd, namen en een specifieke invulling van de personages ontbreken. Daarnaast speelt de parabel vanaf de negentiende eeuw nauwelijks meer een rol in religieuze kwesties, maar kunnen eigentijdse existentiële motieven wel een plaats in de literaire verwerkingen van de verloren zoon krijgen.'

Marie Huana: ‘The glacier knocks in the cupboard?’

Gisteren geprobeerd om deze mooie bijdrage van ‘Woordproeverij Marie Huana’ te herbloggen, maar dat mislukte jammerlijk. Dus gebruiken we vandaag ‘handwerk’ om haar inspiratie te eren.

Alwéér iemand waarvan wordt omgeroepen: “She has left the Blue Planet…”
Ik lees er Auden op na, en ik hoor hem inderdaad ook kraken in mijn eigen kast, die gletsjer van koelbloedigheid. Hij smelt en brokkelt steeds verder af. Om nog maar te zwijgen van die gebarsten schone schijn. Of van die zuchtende woestijn.

The glacier knocks in the cupboard,
The desert sighs in the bed,
An the crack in the tea-cup opens
A lane to the land of the dead.

Lang gewacht & stil gezwegen, nooit gedacht & toch gekregen? Daar mag ik alleszins blij om zijn: gehad & geweest is niet per se een lelijk beest. Maar het ‘voorbij-gaan’ houdt mij bezig als een bij die door een wesp wordt gestoken. Al dat -nu reeds!- vergetene in het huis om mij heen, terwijl ik het nog bewoon. In de verdrukking geraakt onder het besef, dat het uiteindelijk voor iedereen op til is, om vroeg of laat niet meer van tel te zijn. Dat nietsontziende niets-blijft-duren, wie zou er geen rusteloze benen van krijgen, en diepe voren ervan onder de bles.

Vroeger, ja vroeger, wie vroeg er mij wat, toen rolschaatste ik mij door de dagen tot het donker werd. Oorverdovend, want op ijzeren wielen, en uiteraard, rond de kerk. Neerkijkend op die nieuwe met rubberen wieltjes, onmachtig als die waren om nog van zich te laten horen. Die van ijzer schraapten de stoepen zuiver, er sloegen soms prachtige gensters uit. Ijzeren rolschaatsen waren & bleven de beste, dat wist (en hoorde!) iedereen. Kortom: er waren toen nog zekerheden.

Op ijzeren wielen? Zo hoorbaar aanwezig wens ik al lang niet meer te zijn. Het kind in mij is haar rolschaatsen kwijtgeraakt. Tussen toen & nu zijn die zogenaamde zekerheden grotendeels weg gemaaid, als kwetsbare nesten tussen stugge gewassen voor de niets ontziende oogst ten behoeve van later.

Altijd geschreven met dubbel krijt, maar ineens raak je één van die krijtjes kwijt? Ondanks ‘horen-zien-en-zwijgen’ is er op de duur geen speld meer tussen te krijgen: je geraakt niet meer op je uitkijkpost, en ook het zomeruur krijgt niet alles opgelost. Het begint je te dagen onder de klamme lappen, dat je niet twee keer in dezelfde rivier kunt stappen. Geen bakerrijm, geen Wolkenkoekoeksheim.

Panta Rhei, alles gaat voorbij!
Staakt-het-vuren, niets blijft duren!
Bij elke wens, gedenk, o mens!
En al waakt hij over huis & haard,
Ouroboros bijt zich in eigen staart!

Maar kent – althans te gelegener tijd – niet elk leven zijn eigen eeuwigheid?

Het sijpelt niet meer, het stroomt inmiddels dwars door mij heen, als een rivier van voortdurende verandering. Elk verhaal raakt uitgelezen: je geeft je kinderen niet alleen het leven, maar ook de dood. Indachtig de hint ‘wees de verandering die je in de wereld wilt zien‘ denk ik aan dat veelzeggende anonieme zinnetje, dat ik noteerde in één van mijn schriftjes: ‘Terwijl ik peins, passeert mij een slak.’

‘Naar wat de dennen fluist’ren, die buigen kruin aan kruin, zit ik zo vaak te luist’ren, in ’t buntgras van het duin, hoe zon en zomer pralen, in ’t purper van de hei, wat toverkleur zij malen, maar alles gaat voorbij.. ‘ Ook al voelde ik mij in het vroeger van toen nog ‘onsterfelijk’ zoals Bert Kijzer dat stelt, ik wist er zelfs als kind al weg mee, met dit soort weemoed van fluisterende dennen, van zangen uit de oude toren, en van dat schrijnende ‘maar-alles-gaat-voorbij.’ Vader! Moeder! Dat jullie er zomaar niet meer zijn! Jaja, het is nu aan mij, ik weet het, Panta Rhei..

Heimwee doet ons hart verlangen? Nog zo’n lied waar door de Hogere Orde graag op neergekeken werd. Maar net zoals van een uitgebloeide pisbloem blaas ik de zaadjes ervan nog eens met veel plezier de vier windstreken in, zoals ik dat vroeger zo vaak heb gedaan. Want na de bloei zijn er gelukkig ook weer de zaden, even mooi & fascinerend als de bloem zelf. Zaadjes met vleugeltjes aan, zaadjes met al het geduld van de wereld, wederom op zoek naar de verloren tijd.

Dag bronzen
klokkenzangen, dag weiden mistomhangen,
dag geur van brem en hei!

En dag pluizige hemelzaadjes
voor nog lang na mij!

Meer mooie bijdrages vind je in het blog van MARIE HUANA WOORDPROEVERIJ

https://mariehuana.blog/

3 kleine gezangen bij het slapengaan

Victor Koulbak. Tulip. 1996. Silverpoint - watercolor. 12 3/4 x 10 in.
Victor Koulbak Tulip Silvepoint -watercolor 13 3/4 x 10 inch.
Maar de zeeëngte
tussen je ogen,
de smalfilm van je glimlach.
Als je bij me loopt,
verenkelt de voering
van je buitenhuid.
Mijn kus is een egelboterbloem.
Achter Duinkeken vinden we jouw hertogdom.
De avonden zijn er zo roze
dat jonge patrijzen
er nooit vermommingen dragen.
félix vallotton | marée montante le soir | 1915
huile sur toile | 61 x 73  | winterthur, stiftung für kunst, kultur und geschichte

Het krassen
van de zilverstift
- de pleisterplaats waar jij ontscheepte -
Blauweregen ontsliep vredig op je huid.
Het krassen
van de zilverstift
- een vlinder, dubbel gevouwen godsvertrouwen -
Lippen scholen samen bij zoveel dagdieverij.
Het krassen
van de zilverstift
- bij de sterrenwacht wordt de tweeling herontdekt -
de honing van je ogen op de slijpsteen van de nacht.

Herleid mij
tot wat de bloemen zijn
als duizenden seizoenen
hen zijn voorbijgegaan.
Herleid mij
tot verharde bloemengeur
die in uitgewoonde harten
overwintert.
Het smeltpunt
van je thuiskomst
overleeft de tijd.

1981 Gmt
Of op deze manier:  'As steals the morn' 
As steals the morn upon the night,
And melts the shades away:
So Truth does Fancy's charm dissolve,
And rising Reason puts to flight
The fumes that did the mind involve,
Restoring intellectual day.
Tja...'Restoring intellectual day'?
From the oratorio "L’Allegro, Il Penseroso, ed Il Moderato" ("The Cheerful, the Thoughtful, and the Moderate Man") HWV 55. It is a pastoral ode by George Frideric Handel based on the poetry of John Milton. However, "As Steals the Morn" (featured here) is adapted from Shakespeare's Tempest, V.i.65–68.
Eugene Jansson – Sunrise over the Rooftops. Motif from Stockholm 1903

Gesprekken met sprookjes: “de kunst van het vallen”

‘In tegenstelling met de vertrouwde geplogenheden willen de meeste mensenlijke wezens vliegen eens de zwaartekracht van de alledaagse gewoonten hen hindert,’ zei Alice. ‘Dat is een oud misverstand. Wil je naar het wonder dan moet je “vallen”. Niet weg van de aarde, maar er net dieper in doordringen. Ook engelen vliegen niet. Ze vallen uit de hemel om een boodschap te brengen. Eens hun opdracht volbracht is laten ze zich weer naar de hemel vallen. Dat is net een eigenschap van engelen die mensen niet gegeven is. Mensen kunnen zonder hulpmiddelen met moeite de lucht in omdat ze maar niet begrijpen wat de kern van ‘vallen’ is.

How long is forever? vroeg ik het Witte Konijn. 'Sometimes, just one second,' antwoordde hij.

De heer Einstein was ervan overtuigd dat alle objecten op dezelfde manier vallen, ongeacht hun massa of samenstelling. Zelfs de aarde en de maan vallen op dezelfde manier naar de zon toe. Ook objecten met geringe of extreem sterke zwaartekracht.

Gierzwaluwen laten zich eerst vallen om te kunnen opstijgen. Vanuit de diepte van de val kun je klimmen. Dat is een mooi filosofisch idee.

Ook in de taal kun je met vallen en opstijgen een zekere ‘onirische’ atmosfeer bereiken, de taal van de ‘dromende verbeelding’, en dan zijn we weer thuis bij de Franse filosoof Gaston Bachelard.

 De verbeeldende krachten van onze geest ontwikkelen zich langs twee zeer verschillende assen.

Sommige vinden hun ontplooiing in het nieuwe; ze vermaken zich met het pittoreske, met de afwisseling, met de onverwachte gebeurtenis. Zij inspireren de verbeelding die altijd een lente heeft te beschrijven. In de natuur, ver van ons, brengen ze als levende krachten al bloemen voort.

Andere verbeeldende krachten graven diep in de dingen. waarin ze zowel het oorspronkelijke als het eeuwige willen vinden. Ze beheersen de jaargetijden en de geschiedenis. In de natuur, in ons en buiten ons, brengen ze kiemen voort; kiemen waarin de vorm besloten ligt in een substantie, waarin de vorm inwendig is.(Verbeelding en materie.  Inleiding bij 'Het water en de dromen' Gaston Bachelard, vertaling Piet Meeuse)
“Alice laughed: “There’s no use trying,” she said; “one can’t believe impossible things.”
“I daresay you haven’t had much practice,” said the Queen. 
“When I was younger, I always did it for half an hour a day. Why, sometimes I’ve believed as many as six impossible things before breakfast.”

"Alice lachte: "Het heeft geen zin het te proberen," zei ze; "je kunt geen onmogelijke dingen geloven."
"Ik durf te zeggen dat je niet veel oefening hebt gehad," zei de Koningin. 
"Toen ik jonger was, deed ik het altijd een half uur per dag. Wel, soms geloofde ik wel zes onmogelijke dingen voor het ontbijt."

De associatie van ‘vallen’ met ‘onderuit-gaan’ in alle betekenissen van het woord mag duidelijk zijn. Er zijn ‘gevallen’ engelen, van hun voetstuk gevallen mensen, gevallen vrouwen, en dan is het duidelijk dat het werkwoord een morele negatieve kwalificatie uitdrukt. Maar de schoonheid uit ‘het zwerk’ kan soms ook op aarde verschijnen zoals in het mooie gedicht ‘Zonnebeeldjes’ van Pierre Kemp (1886-1967)

Zonnebeeldjes

De Melkweg is tussen de bomen gevallen
en iedere ster danst er met een blad.
Op de parkgrond ligt ’t zongeld in grote getallen,
of een kind zijn spaarpot gebroken had.

Soms komen er vogels en op hun veren
vallen guldens der zon, maar zij hupplen voort.
Ook hen kan het uitzicht van ’t geld niet deren,
zij zien het en blijven onbekoord.

Maar nu begin ik ermee te spelen
en mijn handen scheppen volop het licht
uit het lover om het weer uit te delen
aan wie nog wil kijken met kindergezicht.

Pierre Kemp
Uit: Het regent in de trompetten. De mooiste gedichten van Pierre Kemp.
Gekozen door Wiel Kusters en Ingrid Wijk, 2017 
eigen foto

En klonk dat bovenste gedicht iets te zoeterig? Ach dat kijken als een kindergezicht, en… Maar ik wil het graag aanvullen met Lucebert’s tekst: Ik draai een kleine revolutie af. …en ik val en ik ruis en ik zing.

ik draai een kleine revolutie af…

ik draai een kleine revolutie af
ik draai een kleine mooie revolutie af
ik ben niet langer van land
ik ben weer water
ik draag schuimende koppen op mijn hoofd
ik draag schietende schimmen in mijn hoofd
op mijn rug rust een zeemeermin
op mijn rug rust de wind
de wind en de zeemeermin zingen
de schuimende koppen ruisen
de schietende schimmen vallen

ik draai een kleine mooie ritselende revolutie af
en ik val en ik ruis en ik zing

“But I don’t want to go among mad people," Alice remarked.
"Oh, you can’t help that," said the Cat: "we’re all mad here. I’m mad. You’re mad."
"How do you know I’m mad?" said Alice.
"You must be," said the Cat, "or you wouldn’t have come here.”
― Lewis Carroll, Alice in Wonderland 

Het verhaal tussen be- en ont-vallen, tussen af- en vervallen, het roerloos vallen van de sneeuw en het invallen van de duisternis, steeds is ‘verandering’ aan de orde. Het roerloze leven fixeren we in klanken en beelden maar net door het verschuiven van evenwichten krijgt het zijn betekenis. Wij vallen elkaar graag in de rede, vallen voor elkaar, vallen in elkaars handen, vallen op, uit, in, neer. Het is een drukke bedoening, dat vallen. We vallen door de mand, uit de lucht, in zwijm. Zelfs een regering kan vallen. Maar de verzameling is meestal te herleiden tot vallen en opstaan. De manier waarop is in Alice in Wonderland de weg van het absurde. De logica vanuit ‘de valler’ gezien, een mogelijkheid om de harde landingen te overleven en de werkelijkheid dapper met een glimlach tegemoet te treden.

Would you tell me, please, which way I ought to go from here?”
“That depends a good deal on where you want to get to,” said the Cat.
“I don’t much care where–” said Alice.
“Then it doesn’t matter which way you go,” said the Cat.
“–so long as I get SOMEWHERE,” Alice added as an explanation.
“Oh, you’re sure to do that,” said the Cat, “if you only walk long enough.”
Arthur Rackham A mad tea party

‘Des Menschen Seele gleicht dem Wasser’ a rain day collage .

Met Goethe’s woorden uit ‘Gesang der Geister über den Wassern’ open ik graag deze regenachtige collage opgevat als hulpmiddel om deze opstapeling van natte winderige dagen te overleven. De combinatie van Irving Berlin en Johann Wolfgang von Goethe is al dadelijk een aanwijzing dat het niet alleen ons is overkomen. Een vroege troost alvast. Het refrein meezingen mag!

Call me up some rainy afternoon
I'll arrange for a quiet little spoon
Think of all the joy and bliss
We can hug and we can talk about the weather
We can have a quiet little talk
I will see that my mother takes a walk
Mum's the word when we meet
Be a mason, don't repeat
Angel eyes, are you wise?

Goodbye

Een prent uit 1857 waarin de spot werd gedreven met de ‘crinoline’ mode van die dagen getekend door ene Hoops. De tekst van het wondermooie Gesang der Geister über den Wassern wil ik je niet onthouden.

Gesang der Geister über den Wassern

Johann Wolfgang von Goethe (1749 - 1832)

Des Menschen Seele
Gleicht dem Wasser:
Vom Himmel kommt es,
Zum Himmel steigt es,
Und wieder nieder
Zur Erde muss es,
Ewig wechselnd.

Strömt von der hohen,
Steilen Felswand
Der reine Strahl,
Dann stäubt er lieblich
In Wolkenwellen
Zum glatten Fels,
Und leicht empfangen
Wallt er verschleiernd,
Leisrauschend
Zur Tiefe nieder.

Ragen Klippen
Dem Sturz entgegen,
Schäumt er unmutig
Stufenweise
Zum Abgrund.

Im flachen Bette
Schleicht er das Wiesental hin,
Und in dem glatten See
Weiden ihr Antlitz
Alle Gestirne.

Wind ist der Welle
Lieblicher Buhler;
Wind mischt vom Grund aus
Schäumende Wogen.

Seele des Menschen,
Wie gleichst du dem Wasser!
Schicksal des Menschen,
Wie gleichst du dem Wind! 

En als je een prachtige uitvoering van dit lied wilt beluisteren op een stil moment dan is deze uitvoering getoonzet door Schubert met het Noorse Solistenkoor onder leiding van Grete Pedersen een must. Bijna 12 minuten schoonheid.

Hiroshiige Heavy rain on a pine tree

In 1914 verscheen de bundel ‘Verzen’ van J.H. Leopold. Zijn woorden volgen het ritme van de regen in wat hij zo mooi noemt: ‘…het verward beweeg van menschen, die naar buiten komen’. De bui is afgedreven maar het licht blijft schitteren ‘in dit klein trilkristal’.

Regen


De bui is afgedreven;
aan den gezonken horizont
trekt weg het opgestapelde, de rond-
gewelfde wolken; over is gebleven
het blauw, het kille blauw, waaruit gebannen
een elke kreuk, blank en opnieuw gespannen.

En hier nog aan het vensterglas
aan de bedroefde ruiten
beeft in wat nu weer buiten
van winderigs in opstand was
een druppel van den regen,
kleeft aangedrukt er tegen,
rilt in het kille licht...

en al de blinking en het vergezicht,
van hemel en van aarde, akkerzwart,
stralende waters, heggen, het verward
beweeg van menschen, die naar buiten komen,
ploegpaarden langs den weg, de oude boomen
voor huis en hof en over hen de glans
der daggeboort, de diepe hemeltrans
met schitterzon, wereld en ruim heelal:
het is bevat in dit klein trilkristal.
After the rain Gloucester Paul Cornoyer

Herinner je. Het jongetje. Stevig onder de indruk van het bijbelse verhaal waarin ‘de zondvloed’ wordt verteld: Noah die een ark bouwt waarin alle bestaande dieren in tweevoud een onderkomen vinden. Het tafereel kreeg met de grote watersnoodramp van 1953 in Nederland een concrete invulling voor het toenmalig negenjarig kind. Regende het drie dagen na elkaar dan begon hij zich ernstig vragen te stellen of zijn handige vader niet aan de constructie van een ark zou beginnen in de achtertuin. Een buurtproject.

Het laden van de ark, Edward Hicks

In 1675 schetste ene Athanasius Kircher oa. deze prent in zijn boek ‘Arca Noe’. Je kunt ze vergroten door op het onderschrift te klikken.

Huisvesting van de dieren in de ark, Athanasius Kircher, Arca Noe 1675

Dat zag er allemaal heel mooi uit, netjes verdeeld met de nodige voorraad eten en drinken. Je kon naar eigen fantasie deze prent in de diepte uitwerken zodat de hele fauna aan bod zou komen. Wel vroeg hij zich luidop af of de tekst uit het verhaal waarin God zei dat hij spijt had van zijn schepping wel klopte. Hij , de Schepper, had het kunnen weten voor hij aan die schepping begon, gezien zijn alwetendheid.

“Ik zal de mensen die ik geschapen heb van de aarde wegvagen, dacht hij, en met de mensen ook het vee, de kruipende dieren en de vogels, want ik heb er spijt van dat ik ze heb gemaakt." 

Broeder Alexianus fronste bij die uitspraak het voorhoofd. ‘Ja, hoe is dat,’ zei de wijze man. Je kunt iets of iemand zo graag zien dat je dat idee over al die mogelijke slechtheid vergeet. ’t Zal wel meevallen’ had hij gedacht. ‘

Later, als het water weer gezakt is en er een regenboog verschijnt, wordt hij toch een beetje gerustgesteld, maar helemaal zeker kun je dat niet noemen.

“Deze belofte doe ik jullie: nooit weer zal alles wat leeft door het water van een vloed worden uitgeroeid, nooit weer zal er een zondvloed komen om de aarde te vernietigen. En dit,’ zei God, ‘zal voor alle komende generaties het teken zijn van het verbond tussen mij en jullie en alle levende wezens bij jullie: ik plaats mijn boog in de wolken; die zal het teken zijn van het verbond tussen mij en de aarde.”

Met die ogen bekeek hij nu de onophoudende regendagen. De regenboog kreeg later een heel andere betekenis in zijn leven, en of de god die het vatikaan zei te vertegenwoordigen daar gelukkig mee was bleek niet zijn grootste zorg. En ‘water’ bekeek hij liefst op veilige afstand.

Augsburger Wunderzeichenbuch Folio 1 (genesis 7, 11-14)
Regen regen

Regen regen
allerwegen
rechte stralen
water water
langs de muren
langs de palen
vallen vallen
langs de bomen
natte auto’s
gaan en komen
loodrecht op de
druppelzegen
Overal is regen regen

Jan Hanlo (1912-1969)
The bookshelf for boys and girls Little Journeys into Bookland 1912
La pluie

Pierre Louÿs    (1870-1925)

La pluie fine a mouillé toutes choses, très doucement, et en 
silence. Il pleut encore un peu. Je vais sortir sous les arbres. 
Pieds nus, pour ne pas tacher mes chaussures.

La pluie au printemps est délicieuse. Les branches chargées 
de fleurs mouillées ont un parfum qui m'étourdit. On voit briller 
au soleil la peau délicate des écorces.

Hélas ! que de fleurs sur la terre ! Ayez pitié des fleurs 
tombées. Il ne faut pas les balayer et les mêler dans la boue ; 
mais les conserver aux abeilles.

Les scarabées et les limaces traversent le chemin entre les 
flaques d'eau ; je ne veux pas marcher sur eux, ni effrayer ce 
lézard doré qui s'étire et cligne des paupières.
Regendag in de tuin (eigen foto)

En nu tijd voor muziek! Meezingen kan. Lyrics onder deze Youtube.

Someone told me long ago
There's a calm before the storm, I know
It's been coming for some time
When it's over so they say
It'll rain on a sunny day, I know
Shining down like water

I wanna know
Have you ever seen the rain?
I wanna know
Have you ever seen the rain?
Coming down on a sunny day

Yesterday and days before
Sun is cold and rain is hard, I know
It's been that way for all my time
Till forever on it goes
Through the circle fast and slow, I know
it can't stop,I wonder
Someone told me long ago
There's a calm before the storm, I know
It's been coming for some time
When it's over so they say
It'll rain on a sunny day, I know
Shining down like water

I wanna know
Have you ever seen the rain?
I wanna know
Have you ever seen the rain?
Coming down on a sunny day

Yesterday and days before
Sun is cold and rain is hard, I know
It's been that way for all my time
Till forever on it goes
Through the circle fast and slow, I know
it can't stop,I wonder.
Regendag in de tuin 2 Eigen foto
Souls And Rain-Drops

Sidney Lanier (1842 – 1881)

Light rain-drops fall and wrinkle the sea,
Then vanish, and die utterly.
One would not know that rain-drops fell
If the round sea-wrinkles did not tell.

So souls come down and wrinkle life
And vanish in the flesh-sea strife.
One might not know that souls had place
Were't not for the wrinkles in life's face.
Plaça del Nord Festa major de Gracia 2019

En toch nog even naar dat kleine jongetje in de wondermooie tekst ‘When that I was and a little tiny boy’ uit een van Shakespeare’ s meest populaire komedies, gezongen door het Clown- of Fool-personage Feste op het einde van de Twelfth Night. Sommige critici denken dat de tekst niet van Shakespeare is maar dat hij door Robert Armin zou geschreven zijn die meestal de ‘fool characters’ speelde in de origninele producties van de meeste Shakespeare-stukken.

It uses wind and rain as symbols of life’s hardships, and thus concludes the poem on a somewhat bittersweet note. All revels and festivities – such as those enjoyed at Twelfth Night – are short-lived intervals in life’s daily grind (‘the rain it raineth every day’, after all). The song is also the only good poem we know that features the word ‘toss-pots’.

Hier gebracht door Elvis Costello op een onnavolgbare wijze.

When that I was and a little tiny boy

William Shakespeare (1564-1616)

When that I was and a little tiny boy
With hey, ho, the wind and the rain,
A foolish thing was but a toy,
For the rain it raineth every day.

But when I came to man's estate,
With hey, ho, the wind and the rain,
'Gainst knaves and thieves men shut their gate,
For the rain it raineth every day.

But when I came, alas, to wive,
With hey, ho, the wind and the rain,
By swaggering could I never thrive,
For the rain it raineth every day.

But when I came unto my beds,
With hey, ho, the wind and the rain,
With toss-pots still 'had drunken heads,
For the rain it raineth every day.

A great while ago the world began,
With hey, ho, the wind and the rain,
But that's all one, our play is done,
And we'll strive to please you every day.
Heubner Spaziergang im Regen

Volop zon op dit ogenblik, alsof ik met mijn werk de regen heb verdreven. Alvast de regen in mijn hoofd. Robert Louis Stevenson (1850-1894) heeft het laatste woord met dit kleine versje. En voor wie nog meer wil…ga op zoek. Het net barst van rommel, roddel en dies meer, maar je vindt ook resonanties van de mooiste prenten en teksten en…Leg voor de donkere dagen lichtende collecties aan en geniet.

Rain

Robert Louis Stevenson (1850-1894)

The rain is raining all around,
It falls on field and tree,
It rains on the umbrellas here,
And on the ships at sea. 
Rain Imps, Grinding Up the Rain in April. 1863 by UNKNOWN, . Missouri History Museum Photograph and Prints collection. Prints, Genre and General Topics. Image number: 45867

Op weg naar de teruggevonden tijd (2)

De wolken
 
Ik droeg nog kleine kleeren, en ik lag
 Lang-uit met moeder in de warme hei,
 De wolken schoven boven ons voorbij
 En moeder vroeg wat 'k in de wolken zag.
 
 En ik riep: Scandinavië, en: eenden,
 Daar gaat een dame, schapen met een herder -
 De wond'ren werden woord en dreven verder,
 Maar 'k zag dat moeder met een glimlach weende.

Toen kwam de tijd dat 'k niet naar boven keek,
 Ofschoon de hemel vol van wolken hing,
 Ik greep niet naar de vlucht van 't vreemde ding
 Dat met zijn schaduw langs mijn leven streek.
 
 - Nu ligt mijn jongen naast mij in de heide
 En wijst me wat hij in de wolken ziet,
 Nu schrei ik zelf, en zie in het verschiet
 De verre wolken waarom moeder schreide -

Martinus Nijhoff (1894-1953)
in Vormen (1924)

De tijd waarin ik ‘in kleine kleren’ naar de wolken keek, strekt zich al twee generaties uit nu het kleinkind, wel eens aanwezig in dit blog, vandaag 21 wordt en op haar beurt dat kijken kan doorgeven aan de volgende kleine-klerendrager. Kun je in kind en kleinkind het terugvinden van je eigen kindertijd vergemakkelijken, toch zal iedere ‘iets oudere’ lezer(es) ook de vervreemding begrijpen die er met die steeds groter wordende afstand is ontstaan. De tijd terugvinden wordt er niet makkelijker om. De droom opgeven? Marcel Proust denkt daar anders over:

Si un peu de rêve est dangereux, ce qui en guérit, ce n'est pas moins de rêve, mais plus de rêve, mais tout le rêve. Il importe qu'on connaisse entièrement ses rêves pour n'en plus souffrir ; il y a une certaine séparation du rêve et de la vie qu'il est si souvent utile de faire que je me demande si on ne devrait pas à tout hasard la pratiquer préventivement comme certains chirurgiens prétendent qu'il faudrait, pour éviter la possibilité d'une appendicite future, enlever l'appendice chez tous les enfants. » (Marcel Proust A la recherche du temps perdu)
Ekaterina Panikanova

Zijn onze eigen herinneringen beperkt door de werking van ons autobiografisch geheugen dat rond het 3de-4de levensjaar in werking treedt, toch blijven er verhalen van de eerste kinderjaren meespelen, vaak menigmaal verteld door zeer nabije betrokkenen. Hoe hij als eenjarige van een Canadese soldaat (zijn eenheid logeeerde in de school waar zijn moeder les gaf) een reep chocolade cadeu kreeg en die na enige studie met een zekere walg op de grond smeet, totaal onbekend met het luxe-product ‘chocolade’. Die houding veranderde toen die luxe even later bereikbaar werd en in allerlei merken werd aangeprezen. Herinner je!

De klassieke benaming ‘Minerva’ van het merk ‘Martougin’ werd in Antwerpen geproduceerd in verschillende smaken. Hij herinnert zich dat een dergelijke reep bij uitzonderlijke gebeurtenissen hoorde: na een moedig doktersbezoek, de vooravond van een verjaardag, of als geschenk van een tante ‘voor wie het beste niet goed genoeg was’. (de uitspraak was van zijn moeder) Democratischer was een reepje ‘Meurisse-chocolade’ of de meer gekende Jacques-repen.

Bij deze repen hoorde een chromo, netjes op de binnenwikkel van de reep geplooid. Daarmee kon je diverse albums vullen: treinen, koninklijke familie, Congo om er enkele te noemen. Het leven van kinderen uit de vijftiger jaren was gevuld met het verzamelen van punten allerlei. Historia-prenten, Artis-afbeeldingen in prachtige boeken te verzamelen, Liebig-kaarten met fraaie grafiek, Soubry-punten voor mooi verzorgde kunst-reproducties, Historia-punten voor illustraties bij de vaderlandse geschiedenis, Kwatta-soldaatjes, Havermout-lettertjes die je als je de juiste letters bij elkaar kreeg een heuse lederen voetbal opleverden, Fort-bonnen voor speelgoed (dank u sinterklaasje) In elk gezin was er wel een lade waarin die punten en prentjes een onderkomen vonden en nu en dan in dikke omslagen naar diverse adressen werden verzonden om daarna regendagen-lang prentjes te kleven. (Hij heeft met La vache qui rit een heus Congolees dorp verzameld of hoe smeerkaas eten de koloniale ‘verdiensten’ kon verduidelijken.) De opbrengsten van zijn ‘missie-tentoonstelling’ werden tot de laatste centiem aan lepra-bestrijding overgemaakt.

Ekaterina Panikanova
 Quand je m'éveillai, de mon lit par ces matins tôt levés du printemps, j'entendais les tramways cheminer, à travers les parfums, dans l'air auquel la chaleur se mélangeait de plus en plus jusqu'à ce qu'il arrivât à la solidification et à la densité de midi. Plus frais au contraire dans ma chambre, quand l'air onctueux avait achevé d'y vernir et d'y isoler l'odeur du lavabo, l'odeur de l'armoire, l'odeur du canapé, rien qu'à la netteté avec laquelle, verticales et debout, elles se tenaient en tranches juxtaposées et distinctes, dans un clair-obscur nacré qui ajoutait un glacé plus doux au reflet des rideaux et des fauteuils de satin bleu, je me voyais, non par un simple caprice de mon imagination, mais parce que c'était effectivement possible, suivant dans quelque quartier neuf de la banlieue, pareil à celui où à Balbec habitait Bloch, les rues aveuglées de soleil, et voyant non les fades boucheries et la blanche pierre de taille, mais la salle à manger de campagne où je pourrais arriver tout à l'heure, et les odeurs que j'y trouverais en arrivant, l'odeur du compotier de cerises et d'abricots, du cidre, du fromage de gruyère, tenues en suspens dans la lumineuse congélation de l'ombre qu'elles veinent délicatement comme l'intérieur d'une agate, tandis que les porte-couteaux en verre prismatique y irisent des arcs-en-ciel ou piquent çà et là sur la toile cirée des ocellures de paon. (ibidem)
Clara Peeters
Still Life with Cheeses, Artichoke, and Cherries, ca. 1625
Los Angeles County Museum of Art

O, de geuren. Herinner je. Dit oude zo verwaarloosde waarnemen waar je als kind bijna vanzelfsprekend mee omging. Nog voor je de eetkamer binnenkwam kende je het avondmenu, de eenden en kippen die je van ei-rond tot volwassen dieren opvoedde. Van het zachte dons naar de harde pluimen, ieder met hun eigen geur. De geur van groene zeep, Singer-machine-olie, vers gebakken brood, de tuin-bij-avond, de andere mens, eens het dichtbije bij de verlangens ging horen. Maar ook de geuren van bederf en vergaan. Hoe mooi broeder Alexianus kon vertellen over de opwekking van Jezus’ vriend Lazarus. Al enkele dagen dood werd zijn graf geopend en verscheen hij even later nog met de lijkwindels ingepakt. De schilder was niet beschroomd om de reactie op de geur van vergaan op de gezichten van de toeschouwers, rechts in beeld, te tonen. De zeer heiligen en deftige opdrachtgevers toonden iets meer karakter. Maar wie in het verloren land wil binnendringen mag ‘het boeket’ niet ontwijken.

Picardie ou Bourgogne, seconde partie du XVe siècle La Résurrection de Lazare, avec un donateurHuile sur panneau de chêne, trois planches, parqueté(Restaurations et soulèvements) 60,50 x 80 cm
Allerzielen
Soms loopt er door een drukke straat
ineens een oude kameraad
of reisgenoot.
Je weet zodra je hem begroet:
het kan niet dat ik hem ontmoet,
want hij is dood.
Eerst ben je nog een tijd verbaasd
omdat die levende toch haast
die dode was.
Heb je de zaak dan afgedaan,
dan komt er weer zo`n dode aan,
met flinke pas.
Thuis van het dodencarnaval
zie je de spiegel in de hal,
je schrik is groot:
die man daar in het spiegelglas,
met die bekende regenjas,
was die niet dood?
 
Willem Wilmink (1936-2003)
Gepubliceerd in:
Het kind is vader van de man
Bert Bakker (1989)
En moi aussi bien des choses ont été détruites que je croyais devoir durer toujours et de nouvelles se sont édifiées donnant naissance à des peines et à des joies nouvelles que je n’aurais pu prévoir alors, de même que les anciennes me sont devenues difficiles à comprendre. Il y a bien longtemps aussi que mon père a cessé de pouvoir dire à maman : « Va avec le petit. » La possibilité de telles heures ne renaîtra jamais pour moi. Mais depuis peu de temps, je recommence à très bien percevoir si je prête l’oreille, les sanglots que j’eus la force de contenir devant mon père et qui n’éclatèrent que quand je me retrouvai seul avec maman. En réalité ils n’ont jamais cessé ; et c’est seulement parce que la vie se tait maintenant davantage autour de moi que je les entends de nouveau, comme ces cloches de couvents que couvrent si bien les bruits de la ville pendant le jour qu’on les croirait arrêtées mais qui se remettent à sonner dans le silence du soir. (ibidem)
Ekaterina Panikanova
(wordt vervolgd)
Du musst das Leben nicht verstehen

Du musst das Leben nicht verstehen,
dann wird es werden wie ein Fest.
Und lass dir jeden Tag geschehen
so wie ein Kind im Weitergehen von jedem Wehen
sich viele Blüten schenken lässt.

Sie aufzusammeln und zu sparen,
das kommt dem Kind nicht in den Sinn.
Es löst sie leise aus den Haaren,
drin sie so gern gefangen waren,
und hält den lieben jungen Jahren
nach neuen seine Hände hin.


Rainer Maria Rilke, 8.1.1898, Berlin-Wilmersdorf 

Op weg naar de teruggevonden tijd (1)

De goochelaar

De goochelaar zegt:
neem één dag in je gedachten,
het geeft niet welke

en ik neem één dag in mijn gedachten,
een willekeurige dag,
geen wereldschokkende dag,
en ook geen zwaarwichtige of lichtzinnige dag,
zomaar een dag

ik knijp mijn ogen dicht
en herinner me die dag,
de zon schijnt,
ik bel aan

en de goochelaar noemt die dag, 
beschrijft hem, elke minuut er van.

Toon Tellegen uit 'Hemels en vergeefs', 2008

Het hoeft niet altijd een koekje à la madeleine te zijn, een uitstekend middel voor de heer Proust om terug te keren naar de schijnbaar verloren tijd, het kan ook via de onuitputtelijke beeldbanken van het net, een hedendaagse manier om bij het zien van beelden het kind terug te vinden van weleer. Zo maar een dag, of een avond van zo’n dag, een late namiddag in de zomer, een sneeuwmorgen of een slapeloze nacht. ‘Het geeft niet welke.’ Het is even zoeken, dat wel. Maar je zult ze vinden, de beeldende magie die het vergeten verdwijnen laat. Wees geduldig. Verzamel ze, ook als je nog niet dadelijk weet waarom een beeld je aanspreekt. Ook teksten, poëzie, verloren zinnen, zullen je helpen om het analytische denken waarin we zijn opgevoed te ontwijken en het wondere associëren te ervaren zoals het briesje dat de gorijnen doet wijken, de zachte avondwind binnenlaat met de eerste uitlopers van het donker.

'Mais c'est quelquefois au moment où tout nous semble perdu que l'avertissement arrive qui peut nous sauver, on a frappé à toutes les portes qui ne donnent sur rien, et la seule par où on peut entrer et qu'on aurait cherchée en vain pendant cent ans, on y heurte sans le savoir, et elle s'ouvre.' (Marcel Proust A la recherche du temps perdu)
Gus Fine Arts World of Puppets
Rien qu'un moment du passé ? Beaucoup plus, peut-être ; quelque chose qui, commun à la fois au passé et au présent, est beaucoup plus essentiel qu'eux deux. Tant de fois, au cours de ma vie, la réalité m'avait déçu parce qu'au moment où je la percevais mon imagination, qui était mon seul organe pour jouir de la beauté, ne pouvait s'appliquer à elle, en vertu de la loi inévitable qui veut qu'on ne puisse imaginer que ce qui est absent. (ibidem)

‘Ze lagen te netjes op een rij zoals appelen zelf nooit zouden liggen. Anderzijds werd hij aangetrokken door het geordende van een verzameling: een kistje sigaren, een half pak chocolade dat met zo’n twaalf dezelfde reepjes onuitputtelijk leek, de tegels op de speelplaats, het ritme van een bakstenen muur. een doosje lucifers. Wel kon je van deze verboden vruchten winterfruit proeven en ze netjes met de aangebeten kant naar achter schijnbaar ongeschonden achterlaten. De herinnering zou met de vervlogen beelden uit zijn vroege kindertijd verdampt zijn als hij ze niet na zijn namiddagslaapje met een nog ongecontroleerde beweging had aangestoten en de wet van actie en reactie ervoor zorgde dat het netjes gerangschikte fruit naar alle richtingen van zijn slaapkamertje rolde. Deze misdaad was niet meer te camoufleren voor de vadermens verscheen en met een ‘maar-jongen-toch’ als een teleurgesteld opperhoofd het prutswerk van zijn driejarige nakomeling trachtte te verwerken.’

Maar als hij later, hij was negen, tien jaar met diezelfde vader appelen recht uit de boomgaard ging kopen op de boerderij en ze in die prachtige koperen schaal werden gewogen met aan de andere kant de stevige sierlijke gewichten en hij, nog voor hij achter op de fiets kroop, al een avant-première mocht proeven, combineeerde hij de smaak van appelen met het intense genoegen van het boeken-lezen in de grote sofa. Hij betreurde dat in het verhaal van het aards paradijs een appel voor de noodlottige afloop zorgde, maar gezien zijn eigen vroege zwakheid daaromtrent wilde hij Eva onmiddellijk de zondeval vergeven. Bij Judas lag dat anders. Hij verried zijn meester met een kus. Stel dat hij zijn vader met een kus zou overleveren aan het gespuis? Hem die ik zal kussen is de appelen-dief zou hij de soldaten zeggen.

Neen. Het verhaal was te droevig om er lang over te piekeren. Tenslotte moest iemand het doen. Toen Judas een jongetje was, wist god al dat hij Jezus zou verraden. Hij hoorde bij het verhaal. Heel eerlijk was dat niet. Hij bekeek alle afbeeldingen waarin Judas ‘zijn werk deed’. Hij had zijn broertje niet verraden toen ze op de pistolees hadden geplast als wraak omdat ze niet bij de grote mensen aan tafel mochten zitten. ‘Ik heb het gedaan! Helemaal alleen.’ Straf uitzitten in het kippenhok was best te doen. Niemand begreep beter wat onrechtvaardigheid was dan een kip. Het begrip ‘vrije wil’ had toen al een aardige deuk gekregen.

Nord de la France, probablement seconde moitié du XIVe siècle L’ Arrestation du Christ Relief en applique en bois de noyer avec traces de polychromie ; élément probable d’un retable figurant la Passion du Christ 47,50 x 43,50 cm
'Certes nous sommes obligé de revivre notre souffrance particulière avec le courage du médecin qui recommence sur lui-même la dangereuse piqûre. Mais en même temps il nous faut la penser sous une forme générale qui nous fait dans une certaine mesure échapper à son étreinte, qui fait de tous les copartageants de notre peine, et qui n'est même pas exempte d'une certaine joie. Là où la vie emmure, l'intelligence perce une issue, car s'il n'est pas de remède à un amour non partagé, on sort de la constatation d'une souffrance, ne fût-ce qu'en en tirant les conséquences qu'elle comporte. L'intelligence ne connaît pas ces situations fermées de la vie sans issue.'(ibidem)
Foto Alain Nogues
Weet je nog
hoe we allemaal dansten en lachten
op dat grote feest in die tuin
die geurde naar pas gewassen gras
het was een heldere sterrennacht
simpel, zoals je het zegt
we waren jong als de muziek
even bestonden we voor eeuwig

Remco Campert

I’m nobody! Who are you? Emily Dickinson (1830-1886)

Ik ben niemand! Wie ben jij?
ben jij ook - niemand-?
dan zijn er een paar van ons!
Zeg het niet! Ze zouden ons verbannen-weet je!

Hoe saai - om iemand- te zijn!
Hoe openbaar - als een Kikker -
Je naam te vertellen - de levenslange dag -
Aan een bewonderend Moeras!

Als trouwe bezoeker van The Morgan Library & Museum in New York wil ik graag hun tentoonstelling met de bovenstaande titel en aangevuld met ‘The Life and Poetry of Emily Dickinson’ gebruiken om vooral met enkele van de gedichten uit hun tentoongestelde handschrift-collectie belangstelling voor deze wonderbare vrouw te wekken.

One of the most popular and enigmatic American writers of the nineteenth century, Emily Dickinson (1830–1886) wrote almost 1,800 poems. Nevertheless, her work was essentially unknown to contemporary readers since only a handful of poems were published during her lifetime and a vast trove of her manuscripts was not discovered until after her death in 1886. 
Otis Allen Bullard (1816–1853), Emily Elizabeth, Austin, and Lavinia Dickinson, Oil on canvas, ca. 1840. Houghton Library, Harvard University.

Dit zijn de drie kinderen uit een Amerikaans welstellend advocaten-gezin. Emily links laat niet vermoeden dat ze een erg teruggetrokken leven zou leiden dat zich in de laatste jaren zou beperken tot de leefruimte in haar slaapkamer waarvan hierboven het fraaie rozen-behang dat ook in de tentoonstelling als achtergrond dient. Vergis je niet, ook dat teruggetrokken leven betekende niet dat ze geen contacten had met de buitenwereld. Integendeel. Ze correspondeerde met talrijke vrienden en vriendinnen, besprak open en direct wat er in de toenmalige wereld gebeurde maar mengde zich steeds minder in het openbare leven.

She was a deeply sensitive woman who questioned the puritanical background of her Calvinist family and soulfully explored her own spirituality, often in poignant, deeply personal poetry. She admired the works of John Keats and Elizabeth Barrett Browning, but avoided the florid and romantic style of her time, creating poems of pure and concise imagery, at times witty and sardonic, often boldly frank and illuminating the keen insight she had into the human condition. At times characterised as a semi-invalid, a hermit, a heartbroken introvert, or a neurotic agoraphobic, her poetry is sometimes brooding and sometimes joyous and celebratory. Her sophistication and profound intellect has been lauded by laymen and scholars alike and influenced many other authors and poets into the 21st Century.(Online-literature.com/dickinson)
Emily Dickinson, Daguerreotype, ca. 1847. Amherst College Archives & Special Collections. Gift of Millicent Todd Bingham, 1956, 1956.002.
I heard a Fly buzz – when I died –
The Stillness in the Room
Was like the Stillness in the Air –
Between the Heaves of Storm –

The Eyes around – had wrung them dry –
And Breaths were gathering firm
For that last Onset – when the King
Be witnessed – in the Room –

I willed my Keepsakes – Signed away
What portion of me be
Assignable – and then it was
There interposed a Fly –

With Blue – uncertain – stumbling Buzz –
Between the light – and me –
And then the Windows failed – and then
I could not see to see –
This poem—one of Dickinson’s most famous—exists in no other drafts; it is included in a in a fascicle, or hand-sewn manuscript booklet, which she probably began in the summer of 1863 and which was not discovered until after her death.
Blazing in Gold – and
Quenching – in Purple!
Leaping – like Leopards the sky –
Then – at the feet of the old Horizon –
Laying it's spotted face – to die!

Stooping as low as the kitchen window –
Touching the Roof –
And tinting the Barn –
Kissing it's Bonnet to the Meadow –
And the Juggler of Day – is gone!


Vlammend in Goud - en
blakend - in paars!
Springend - als luipaarden de hemel -
Dan - aan de voeten van de oude Horizon -
Legt het zijn gevlekte gezicht - om te sterven!

Bukkend zo laag als het keukenraam -
Raakt het dak -
en de schuur kleurt...
Kust het zijn hoed naar de weide...
En de jongleur van de dag - is weg!
Of our deepest delights there is a solemn shyness
The appetite for silence is seldom an acquired taste

Van onze diepste genoegens is er een plechtige verlegenheid
De honger naar stilte is zelden een aangeleerde smaak

***

Hope is the Thing with Feathers

Hope is the thing with feathers
That perches in the soul,
And sings the tune without the words,
And never stops at all,

And sweetest in the gale is heard;
And sore must be the storm
That could abash the little bird
That kept so many warm.

I've heard it in the chillest land
And on the strangest sea;
Yet, never, in extremity,
It asked a crumb of me.
foto Ivan Sjögren
This is one of 295 poems Dickinson wrote in 1863, her most productive year. She kept this copy, along with a later draft from 1865.
Light is sufficient to itself –
If others want to see
It can be had on Window panes
Some hours of the day –

But not for Compensation –
It holds as large a Glow
To Squirrel in the Himmaleh
Precisely – as to me –

****


Dat haar leven ook de hedendaagse bewoner van deze planeet aanspreekt, bewijst de televisieserie op Apple-TV (Dickinson') die nu haar tweede jaar ingaat. 
 This Is My Letter To The World

    This is my letter to the world,
    That never wrote to me,--
    The simple news that Nature told,
    With tender majesty.
    Her message is committed
    To hands I cannot see;
    For love of her, sweet countrymen,
    Judge tenderly of me!

bezoek: https://www.themorgan.org/exhibitions/emily-dickinson

Some keep the Sabbath going to church,
I keep it staying at home,
With a bobolink for a chorister,
And an orchard for a dome.

Some keep the Sabbath in surplice,
I just wear my wings,
And instead of tolling the bell for church,
Our little sexton sings.

God preachesa noted clergyman,
And the sermon is never long;
So instead of going to heaven at last,
I'm going all along

Schrijven om thuis te komen: Ivana Bodrožić (1982)

Vukovar 1991-1992

In 1982 geboren in het Kroatische Vukovar dan weet je dat ze als kind de Servisch-Kroatische oorlog iheeft meegemaakt. Dat ze, naar eigen zeggen het verhaal van de displaced-persons wil vertellen maar dan vanuit de kinderen zelf. Haar vader is nog steeds ‘vermist’, een mooi woord om te weten dat hij een van de slachtoffers was, weggevoerd uit de stad door de Servische milities, en nooit meer thuisgekomen. Die ervaring blijft aanwezig in haar gedichten, is het onderwerp van haar roman ‘Tito Hotel’.

NOVEMBER 20th, every year, Vukovar)

 I particularly like imagining
the wreaths of flowers on the Danube…

 Sometimes you can even see them on television.

 What you will never see is,
how people throw those flowers;
from the banks, or they come to the middle of the river,
in wooden or motor-powered rowboats.

 For all those who lost their lives on the Danube.

 I don’t try to imagine how, but I nevertheless wonder…
Was it from the banks, or did they bring them to the middle of the river?
20 NOVEMBER, elk jaar, Vukovar)

 Ik hou er vooral van mij 
de bloemenkransen op de Donau
voor te stellen...
 
Soms zie je ze zelfs op de televisie.

 Wat je nooit zult zien is,
hoe mensen die bloemen gooien;
vanaf de oevers, of ze komen naar het midden van de rivier,
in houten of gemotoriseerde roeiboten.

 Voor al diegenen die hun leven verloren op de Donau.

Ik probeer me niet voor te stellen hoe, maar ik vraag me toch af...
Kwamen ze van de oevers, of brachten ze hen naar het midden van de rivier?
Foto Adam Bokor
Ivana Bodrožić (1982) lives in Zagreb, Croatia. In 2005, she published her first poetry collection, Prvi korak u tamu (The First Step Into Darkness) as part of the Goran Award for Young Poets. Her first novel Hotel Zagorje (Hotel Tito) was published in 2010 and went on to be a Croatian best-seller; the French edition won the prestigious Prix Ulysse for best debut novel. She has also published the poetry collection Prijelaz za divlje zivotinje (A Road for Wild Animals) and the short story collection 100% Pamuk (100% Cotton). Her novel The Pit was awarded the Balkan Noir Prize for best crime novel. Bodrozic's work has been translated into English, German, French, Czech, Danish, Slovenian, Hungarian, Spanish, Italian, and Macedonian. 

Her first novel Hotel Zagorje is a coming-of-age-novel. It's a book about the girl's life as a refugee, sharing a few squremetres with her mother and her brother, all of them waiting for a message of the lost father.
“Breath of Brief Syllables” 
(From Her Collection, In a Sentimental Mood)


Do that in language
Betray
Look long into the sky punctured by the tips of poplars

Give up on words
Retreat into self and remain so in silence
vibrate inside

Despise all versions,
stay indifferent to variants
do not decline, do not quarrel,
pack your mouth with sand

You don’t need it
Everything ends, anyway, in silence

The voice is simple, the verb imbalances,
usually it leads to violence,
the subject hopes it matters
and the period at the end seems naive

There is more, there is always more
and there will be more when I’m gone
Say it right, speak distinctly
speak in our language, take a stand

I walk through the cemetery with Mother,
plot no. IV, row III
her words split me in half
they always split me in half
—with me worked two women,
the last name of one was Mijatović, and the other Mijaaaatović
(and she leans on that “a” to the breaking point)
after a pause she adds,
—that’s not the same

Though none of them would know to ascertain
the position of the accent
the length, rising or falling,
or even whether this is a four-accent system
more than 900 of them fit in the pit

A totally minute mark above the letters
stands like that between life and death

Skip it, it’s not dignified
quiet
be quiet

–Translated by Ellen Elias-Bursać
Adem van korte lettergrepen
(Uit haar collectie, In a sentimental Mood.)


Doe dat in taal
Verraad
Kijk lang in de lucht doorboord door de toppen van populieren

Geef woorden op
Trek je terug in jezelf en blijf zo in stilte
trillen van binnen

Veracht alle versies
blijf onverschillig tegenover varianten
weiger niet, maak geen ruzie
pak je mond in met zand

Je hebt het niet nodig
Alles eindigt, hoe dan ook, in stilte

De stem is eenvoudig, het werkwoord uit balans,
meestal leidt het tot geweld,
het onderwerp hoopt dat het ertoe doet
en het punt aan het eind lijkt naïef

Er is meer, er is altijd meer
en er zal meer zijn als ik weg ben
Zeg het goed, spreek duidelijk
spreek in onze taal, neem een standpunt in

Ik loop over het kerkhof met moeder,
perceel nr. IV, rij III
haar woorden splijten me in tweeën
ze splitsen me altijd in tweeën
-met mij werkten twee vrouwen,
de achternaam van de ene was Mijatović, en de andere Mijaaaatović
(en ze leunt op die "a" tot het breekpunt)
na een pauze voegt ze eraan toe,
-dat is niet hetzelfde.

Hoewel geen van hen de plaats van het accent
zou weten te achterhalen
de lengte, stijgend of dalend,
of zelfs of dit een vier-accent systeem is
meer dan 900 van hen passen in de put

Een totaal miniem teken boven de letters
staat zo tussen leven en dood

sla het over, het is niet waardig
rustig
stil nu
REMIND ME

All I can do,
is to write about the night air.

When I take off my jacket in the hallway,
it seeps out of my sleeves and pockets…
So fragrant and Christmas Eve-like,
sticking to my hair and face,
and I quickly run over to you,
to press my cheek against yours,
so you can feel its coldness,
as you smile and duck,
pretending not to like it.

All I can do,
is to write about a snowball.

Or rather, write about one
before it’s formed, in the early morning,
when it suddenly appears and I contemplate
how to bring it to you,
without ruining it,
bring it to you, or you to it…

All I have left to do, is write about
the Danube in the summer
and the time when I thought everything was possible.

Because I was seven,
and had a blue pail,
with a fish on it,
that I would fill up and drag home,
to rinse it out under the faucet and drink.

These are the things worth remembering.

HERINNER MIJ 

 Alles wat ik kan doen,
is schrijven over de nachtlucht.

 Als ik mijn jas uittrek in de gang,
sijpelt het uit mijn mouwen en zakken...
Zo geurig en kerstavond-achtig,
kleeft aan mijn haar en gezicht,
en ik ren snel naar je toe,
om mijn wang tegen de jouwe te drukken,
zodat je de kou kunt  voelen,
terwijl je lacht en bukt,
en doet alsof je het niet leuk vindt.

 Het enige wat ik kan doen,
is schrijven over een sneeuwbal.

 Of liever, schrijven over een
voordat hij gevormd is, in de vroege ochtend,
wanneer hij plotseling verschijnt en ik overweeg
hoe ik hem naar jou kan brengen,
zonder het te verpesten,
hem naar jou te brengen, of jij naar hem...

 Het enige wat ik nog kan doen, is schrijven over
de Donau in de zomer
en de tijd dat ik dacht dat alles mogelijk was.

 Omdat ik zeven was,
en een blauwe emmer had,
met een vis erop,
die ik zou vullen en naar huis zou slepen,
om het onder de kraan uit te spoelen en te drinken.

 Dit zijn de dingen die het waard zijn om te onthouden.
Eigen foto GMT
I was born in 1982 in Vukovar, where I lived until the summer of 1991, when I went on a holiday with my brother, not knowing that we would never return because of the war. I finished elementary school in Kumrovec and high school in Zagreb. The news and the books that I borrowed and sometimes stole, were the constant of my life in exile. I attained a master’s degree in philosophy and Croatian studies at the Faculty of Humanities and Social Sciences in Zagreb. For the first collection of poetry First step into the darkness, published in 2005, I received the Goran Award for young poets and the Kvirin Award of Matica hrvatska for the best poet under 35 years of age. Five years later, I published my first novel, The Hotel Tito, which greatly marked my life and professional path, directing me exclusively towards literature. Shortly after the publication of the novel, I began to work in the status of an independent artist, within which I am still engaged in literary and cultural work.
Foto door Aleksey Kuprikov
I was ten thousand times dead
suffering all that pain that death brings.

 Here, words like “epiphany”, “miracles”, “messages”
have the meaning of all too human
testimonials.

 I don’t want to prejudice the judgment of the Church
to which here I absolutely submit.

 Wrote the author on the cover of the book
that the woman next to me was reading.

 Pope Urban VIII was also mentioned.

 I sat next to her reading a poem
by Charles Bukowski
about his first visit to a brothel.

 He mostly talked about whores
and some of his friends.

 At that time I started publishing poetry,
wanting to write something about life.

Ik was tienduizend keer dood
lijdend aan al die pijn die de dood meebrengt.

 Hier, woorden als "epifanie", "wonderen", "boodschappen"
hebben de betekenis van al te menselijke
getuigenissen.

 Ik wil niet vooruitlopen op het oordeel van de Kerk
waaraan ik me hier absoluut onderwerp.

 Schreef de auteur op de omslag van het boek
dat de vrouw naast mij las.

 Paus Urbanus VIII werd ook genoemd.

 Ik zat naast haar en las een gedicht
van Charles Bukowski
over zijn eerste bezoek aan een bordeel.

 Hij had het vooral over hoeren
en enkele van zijn vrienden.

 In die tijd begon ik poëzie te publiceren,
en wilde iets over het leven schrijven.
Foto door Matthias Groeneveld
Extension is God’s attribute,
or in other words, God is something extendable.

 I’m standing at that particular Zagreb public transport counter
where there’s never a queue.

The one for the children of those killed / imprisoned /
abducted / disappeared /
taken in an unknown direction /

Croatian defenders.

It’s all written on the application form
and I have a discount pass every year.
It’s two thousand and three,
you say that to yourself slowly,
and there are still those who think that
I’ve jumped the queue without reason
and that’s what bothers me the most.

Aside from that
I have no trauma.

 The more the spirit understands things as necessary,
the more power it has over emotions
and suffers less from them.

***
Verlenging is Gods attribuut,
of met andere woorden, God is iets verlengbaar.

 Ik sta bij dat bepaalde loket van het openbaar vervoer in Zagreb
waar nooit een rij staat.

De rij voor de kinderen van degenen die vermoord / gevangen /
ontvoerd / verdwenen /
meegenomen werden naar een onbekende richting /

Kroatische verdedigers.

Het staat allemaal geschreven op het aanvraagformulier
en ik heb elk jaar een kortingspas.
Het is tweeduizend en drie,
dat zeg je langzaam tegen jezelf,
en er zijn er nog steeds die denken dat
ik zonder reden ben voorgestoken
en dat is wat me het meest stoort.

Afgezien daarvan
heb ik geen trauma.

 Hoe meer de geest de dingen als noodzakelijk begrijpt,
hoe meer macht heeft hij over emoties
en daaronder minder lijdt.
The world is happening outside me.

I live in a hotel
and every day, on my way
to school I leave my key
in cubby-hole
number 325,
slightly smaller than
The room in which we live
my mother, my brother, and I,
and the television that will
maybe, one day
reveal where my father is.
Until then, everything in threes;
beds, cups, spoons,
the Father, the Son and the Holy Ghost,
and we cowardly buy
everything in threes
as if we’re not counting on him
anymore.
Even the pillow we sit on
is made out of the fur lining of his jacket
that Auntie saved from Vukovar,
and that's pretty much it,
but no one can save my mother,
no one.
She will spend years in the small
bathroom of room 325
writing letters to my father
who DISAPPEARED.

 That's the official term.


****

De wereld gebeurt buiten mij.

 Ik woon in een hotel
en elke dag, op weg
naar school laat ik mijn sleutel
in het hokje
nummer 325,
iets kleiner dan
de kamer waarin we wonen
mijn moeder, mijn broer en ik,
en de televisie die
misschien, op een dag
zal onthullen waar mijn vader is.
Tot dan, alles in drieën;
bedden, kopjes, lepels,
de Vader, de Zoon en de Heilige Geest,
en wij lafaards kopen
alles in drieën
alsof we niet meer op Hem rekenen
niet meer.
Zelfs het kussen waar we op zitten
is gemaakt van de bontvoering van zijn jas
die tante gered heeft uit Vukovar,
en dat is het zo'n beetje,
maar niemand kan mijn moeder redden,
niemand.
Ze zal jaren doorbrengen in de kleine
badkamer van kamer 325
brieven schrijven naar mijn vader
die VERMIST is.

 Dat is de officiële term.
I knew I wanted to tell the story of the children who grew up in displaced-persons housing, but in such a way that the story would come from them, the story of a family which fell apart and how even though the war ended, nobody won. I had as my overall framework the six years I spent displaced, but many of the episodes surfaced as I went along, while I was writing. I knew I didn’t want to fall back on the wisdom of hindsight, I tried to set aside my adult perspective. I also didn’t want to spare anybody, including myself, in terms of treating with honesty the emotions I’d felt and my memories. What surprised me, and what I hadn’t been planning to write about, was the episode in which the protagonist, when she’s drunk, allows herself to imagine how her father, who disappeared during the siege of the city, was killed. I had to face that the narrative was taking me there. Sometimes there’s a subterranean logic to a novel which the writer should listen to, and there was a moment when I feared I might not be able to do it justice. The ferocity of such terrible events is sometimes difficult to convey on the page, but I’m glad now that I did.

Maar de woorden zwijgen niet: Adam Zagajewski (1945-2021)

Adam Zagajewski. Op 21 maart, dat is eergisteren overleden, deze Poolse dichter met internationale uitstraling. Zijn bio zul je veelvuldig aantreffen, dus dachten wij hem te eren met enkele gedichten waarin zijn moeder, vader en zijn levensdoel aan bod komen. Ook dichters hebben ouders. Dus ook een vader-moederland dat in hun werk uitgroeit tot ons allerland. Hijzelf vertelt zelf kort over elk onderwerp.

nu jij je geheugen kwijt bent

[Voor mijn vader]

Nu jij je geheugen kwijt bent
en enkel nog radeloos kunt glimlachen,
zou ik je willen helpen – ooit heb jij immers
als demiurg mijn verbeelding geopend. 
Ik herinner me onze trektochten, wolken van wol
die laag boven een zompig bos in de bergen voeren
(in dat bos kende je elk paadje), alsook
de zomerdag waarop we aan de Oostzee
de top van een hoge vuurtoren beklommen
en naar het eindeloze golven van de zee bleven kijken,
haar witte steken als rijgdraden aan flarden gereten.
Ik zal dat moment niet vergeten, ik denk dat ook jij toen
ontroerd was – het leek wel of we de hele wereld zagen,
grenzeloos, rustig ademend, blauw, volmaakt,
duidelijk en mistig tegelijk, nabij en ver;
we voelden de rondheid van deze planeet, we hoorden meeuwen
die zich loom zwevend vermaakten
in de warme en koele stromen van de lucht.
Ik kan je niet helpen, ik heb maar één geheugen.

Uit: Niewidzialna ręka (De onzichtbare hand), 2009

Vertaling: Kris van Heuckelom
over mijn moeder

Over mijn moeder zou ik niets kunnen zeggen –
hoe ze steeds weer herhaalde: ooit zal het je spijten
als ik er niet meer zal zijn, en hoe ik niet
geloofde in “niet” of “meer zal zijn”,
hoe ik graag toekeek als ze een hippe roman las
en meteen het laatste hoofdstuk opensloeg,
hoe ze in de keuken, een plek die haar
niet zinde, zondagse koffie maakte
of, erger nog, filet van kabeljauw,
hoe ze wachtend op gasten in de spiegel keek,
met een gezicht dat haar ervoor behoedde
haar ware zelf te zien (wat ik, schijnt het,
van haar geërfd heb, met nog enkele andere zwakheden),
hoe ze nadien vrijuit discussieerde over zaken
die niet haar forte waren en hoe ik haar flauw
bleef plagen, zoals toen ze zich
met de doof wordende Beethoven vergeleek,
en ik kwaadwillig zei: maar weet je, hij had
wel talent, en hoe ze me alles vergaf
en hoe ik me dat herinner, en hoe ik uit Houston naar
haar begrafenis vloog, en hoe ik niets kon zeggen,
en dat nog steeds niet kan.

Uit: Wiersze wybrane (Uitgelezen gedichten), 2010

Vertaling Kris van Heuckelom
On a basic level, like many writers I have my periods of silence. And I notice that music doesn’t speak to me during these periods, or it does but in a very diminished way. When I have my good periods of writing it’s like an opening of everything — also of music. I feel like music is a cousin in the world of imagination, and it’s also for me a proof that I’m alive again. I have this mystical notion that there’s this kind of energy in music and poetry and painting, and while this energy has totally different ramifications and methods of expressions, at bottom there’s something common. 

I’m not a philosopher so I don’t need to have a name for it, but there’s this commonality of art, this common denominator, this energy. You know, painting is very important too, but in my everyday work music is more important because it’s there, it’s in my room.  (hyperallegic)
Soprano: Isabel Bayrakdaraian, Sinfonietta Cracovia, conducted by John Axelrod.
Taken from “HOLOCAUST – A Music Memorial Film from Auschwitz”. For the first time since its liberation, permission was granted for music to be heard in Auschwitz and a number of leading musicians were brought there to perform music for the film.
Probeer de verminkte wereld te prijzen.
Denk aan de lange dagen van juni,
en wilde aardbeien, druppels wijn, de dauw.
De brandnetels die methodisch overwoekeren
de verlaten hofsteden van bannelingen.
Je moet de verminkte wereld prijzen.
Je keek naar de stijlvolle jachten en schepen;
een van hen had een lange reis voor de boeg,
terwijl de zilte vergetelheid op anderen wachtte.
Je hebt de vluchtelingen gezien die nergens heen gingen,
je hebt de beulen vrolijk horen zingen.
Je zou de verminkte wereld moeten prijzen.
Denk aan de momenten dat we samen waren
in een witte kamer en de vitrage bewoog.
Keer in gedachten terug naar het concert waar de muziek losbrak.
Je verzamelde eikels in het park in de herfst
en bladeren wervelden over de littekens van de aarde.
Prijs de verminkte wereld
en de grijze veer die een lijster verloor,
en het zachte licht dat afdwaalt en verdwijnt
en terugkeert.
In het eerste nummer van The New Yorker na 11 september 2001 stond op de achterpagina alleen dit gedicht van de Poolse dichter Zagajewski afgedrukt (Try to praise the mutilated world ), een gedicht dat een jaar eerder in het Pools was verschenen.
Self-Portrait

Between the computer, a pencil, and a typewriter
half my day passes. One day it will be half a century.
I live in strange cities and sometimes talk
with strangers about matters strange to me.
I listen to music a lot: Bach, Mahler, Chopin, Shostakovich.
I see three elements in music: weakness, power, and pain.
The fourth has no name.
I read poets, living and dead, who teach me
tenacity, faith, and pride. I try to understand
the great philosophers--but usually catch just
scraps of their precious thoughts.
I like to take long walks on Paris streets
and watch my fellow creatures, quickened by envy,
anger, desire; to trace a silver coin
passing from hand to hand as it slowly
loses its round shape (the emperor's profile is erased).
Beside me trees expressing nothing
but a green, indifferent perfection.
Black birds pace the fields,
waiting patiently like Spanish widows.
I'm no longer young, but someone else is always older.
I like deep sleep, when I cease to exist,
and fast bike rides on country roads when poplars and houses
dissolve like cumuli on sunny days.
Sometimes in museums the paintings speak to me
and irony suddenly vanishes.
I love gazing at my wife's face.
Every Sunday I call my father.
Every other week I meet with friends,
thus proving my fidelity.
My country freed itself from one evil. I wish
another liberation would follow. 
Could I help in this? I don't know.
I'm truly not a child of the ocean,
as Antonio Machado wrote about himself,
but a child of air, mint and cello
and not all the ways of the high world
cross paths with the life that—so far—
belongs to me.
He published his first poem in 1967. A year later he helped found Teraz, a poetry group inspired by the police suppression of protests against government anti-Semitism. He and Julian Kornhauser, another member of the group, wrote a manifesto for the so-called New Wave of avant garde poets in 1974 urging his generation to avoid allegories, embrace realism and “speak the truth you serve.”

Referring to his departures from Lvov and later Krakow, Mr. Zagajewski said: “I lost two homelands, but I sought a third: a space for the imagination.” (NY Times 25 mrt 2021)
In a 2017 essay titled “Slight Exaggeration,” Mr. Zagajewski recounted that one of his father’s callings was to comfort his mother. On Sept. 1, 1939, he wrote, when the Germans invaded Poland and the bombs began to burst everywhere, Tadeusz Zagajewski went so far as to assure his wife that the attacks were “‘just air force exercises. … Nothing to upset us. … There won’t be a war’ — these were my father’s historic words, by which he granted his wife, my mother, an extra 15 minutes of peace.”

“He prolonged the interwar era by a quarter of an hour especially for her.”

In retrospect, his father called his words a slight exaggeration, “a good definition of poetry,” Adam Zagajewski wrote, “until we make ourselves at home in it.”

“Then it becomes the truth,” he added. “But when we leave it again — since permanent residence is impossible — it becomes once more a slight exaggeration.” (ibidem 25 mrt 2021)
Adam Zagajewski, at his home in Krakow in 2017.LISBETH SALAS

‘Open en dicht’ ma non troppo

(eigen foto’ s 2021)
Te koud voor de tijd van het jaar.
Een zacht trompetstootje in de regen.
Ontvouwt -ma non troppo-
de eerste ronding van de klimhortensia
om fijn getand en zacht generft daarna
de blaadjes uit te strekken.

Hier landen licht en lucht
een zomer lang. 
Tot herfst hen kleur en vleugels geeft
om eens beneden
in traag vergaan
wortels kracht te schenken.

Het nieuwe pronkt steeds 
door wat het oude achterliet.
gmt 2021

Je staat erbij en kijkt er naar. De lens als geheugen. Zelfs regen voel je niet, hij traant op de kleine blaadjes. Het is een bekend gevoel maar het went nooit. Je liefste zegt dat het één van de redenen is waarom je niet wil sterven: dit te missen. Hoe bekender de kringloop van open- en dichtgaan, van ontstaan en verdwijnen en weer verschijnen, elke isolatie ervan is een leugen: de schittering van de jeugd, de verrimpeling van de ouderdom. In hun kringloop krijgen zij hun ware betekenis.

Maartlucht

Maartlucht, die er tegelijk
zo scherp als glas
en zo ontvoerend zijn kan.

O, de bezieling, zijnde in de bezwaren
anders nooit betrokken streken
en schuilgelegen uitzicht

te brengen vondsten fonkelend en schaars:
de moeilijkheden zijn de kans der kunstenaars.

J.H. Leopold (1865-1925)

In het associërende denken is de grens tussen tegenstellingen onbestaande: ze roepen elkaar op zoals ik dezelfde dag van de foto’s in de voorjaarsregen bij het handboek voor slotenmakers uitkwam, geschreven door meester slotenmaker Jousse Mathurin (1575?-1645)

'La fidelle ouverture de l'art de serrurier , où l'on void les principaulx préceptes, desseings et figures touchant les expériences et opérations manuelles dudict art.' 

En zoals je kunt merken zijn de sleutels kostbare kunstwerken geworden die op net zo kunstige sloten passen, fraai maar degelijk. In het handboek vind je ingenieuze vindingen om het de ongewilde openers ten zeerste moeilijk te maken. Maar de meester heeft ook oog voor de welstellenden die niet zo goed te been zijn en ontwierp in datzelfde boek een soort ‘rolstoel-met-zelfbediening en weet ook een oplossing voor de medemens die een ledemaat mist. Of hoe je als meester-sluiter toch de nodige openingen voorziet. (of de ontstane ‘openingen’ opvult!)

Het zijn deze tegenstellingen tussen ‘openen’ en ‘sluiten’ die het menselijke brein alle richtingen kan uitsturen en waarmee bvb. een oorlog een schat aan nieuwe wetenschappelijke inzichten (nadien) kan opleveren, ongepland weliswaar maar alvast niet ‘tot nu van ’t algemeeen’ bedacht. Neem ik je terug mee naar de prachtige jonge blaadjes en knoppen van de klimhortensia dan sta je voor diezelfde mengeling: geen schoonheid kan zonder een idee aan het voorbijgaan, verlies, verval. Ik zeg niet dat daardoor ‘genieten’ onmogelijk wordt, integendeel. Het pijnlijke legt vaak de verbinding met de essenties van ons bestaan op dit eerder klein planeetje. Het maakt het afscheid er niet minder pijnlijk om maar verbindt ons met een grotere kringloop dan die van het eigen ikje, denk ik. Luister naar de prachtige aria ‘As steals the morn upon the night’ van George Fr. Händel (1685-1759) gezongen door Mark Padmore & Lucie Crowe. en dit is de tekst:

Il Moderato (soprano & tenor)

As steals the Morn upon the Night
And melts the Shades away,
So Truth does Fancy's Charm dissolve,
And rising Reason puts to flight
The Fumes that did the Mind involve,
Restoring intellectual Day.

Chorus:Thy Pleasures, Moderation give;
In Them alone we truly live
De zedenles is nog afkomstig uit de late barok al zou het 'moderato' best passen bij mijn 'ma non troppo', maar je kunt het ook weer omkeren en de voorbije dag in de zachte nacht laten oplossen. Maar hier is het een loflied voor 'de rede'  die de dampen van de nachtelijke wanen en angsten oplost , restoring intellectuel day. Het denken dat ons tot gematigdheid aanzet, een mooie aansporing in deze bange dagen waarin we het redelijke makkelijk door begrijpelijke angsten onderdrukken. Maar het komt allemaal goed in het licht van die schitterende morgen. 
Zoals de morgen in de nacht sluipt
En de schaduwen wegsmelten,
Zo lost de waarheid de charme van de fantasie op,
En de rijzende rede laat de dampen
Die de geest betrokken vluchten,
En herstellen het verstand in de dag.

Refrein: Uw genoegens, schenk gematigdheid;
In hen alleen leven we echt.

En om te eindigen met een mooie herinnering wil ik je toch graag het gedicht ‘What are we folding when we are folding laundry in quarantine’ van Sarah Ruhl meegeven. Ze is poëte, theaterschrijfster, essayist. En toen ik haar gedicht las, dacht ik aan mijn jeugd waar ik soms door mijn moeder werd meegetroond naar de linnenkamer om er de net gewassen en gedroogde lakens te helpen opplooien. En waar ik, net zoals meer onhandige soortgenoten, dan te vroeg de dichtgeplooide helft losliet zodat…

What are we folding when we are folding laundry in quarantine

Standing four feet apart,
you take one edge of the sheet,
I take the other.

We walk towards one another,
creating order.

Like solemn campers folding a flag
in the early morning light.
But this is no flag.
This is where we love and sleep.

There was a time we forgot to do this—
to fold with and toward one another,
to make the edges clean together.

My grandmother might have said:

There is always more laundry to do–
and that is a blessing because it means
you did more living
which means you get to do more cleaning.

We forgot for a while
that one large blanket
is too difficult for one chin to hold
and two hands to fold alone—

That there is more beauty
in the walking toward the fold,
and in the shared labor.

Sarah Ruhl
Wat zijn we aan het vouwen als we de was aan 't vouwen zijn in quarantaine

Staand vier voet uit elkaar,
neem jij de ene kant van het laken,
ik neem de andere.

We lopen naar elkaar toe,
scheppen orde.

Als plechtige kampeerders die een vlag vouwen
in het vroege ochtendlicht.
Maar dit is geen vlag.
Dit is waar we liefhebben en slapen.

Er was een tijd dat we vergaten dit te doen-
om met en naar elkaar te vouwen,
om de randen netjes op elkaar te laten aansluiten.

Mijn grootmoeder zou gezegd kunnen hebben:

Er is altijd meer was te doen...
en dat is een zegen want het betekent
dat je meer geleefd hebt
wat betekent dat je meer kunt schoonmaken.

We vergaten een tijdje
dat één grote deken
te moeilijk is voor één kin om vast te houden
en twee handen te weinig om alleen te vouwen-

Dat er meer schoonheid is
in het lopen naar de vouw,
en in gedeelde arbeid.

Sarah Ruhl

Sarah Ruhl is a playwright, essayist and poet. She is a MacArthur “Genius” Award recipient, two-time Pulitzer Prize finalist, and a Tony Award nominee. Her book of essays, 100 Essays I Don’t Have Time to Write, was published by FSG and named a notable book by The New York Times. Her book Letters from Max, co-authored with Max Ritvo and published by Milkweed Editions, was on the The New Yorker’s Best Poetry of the Year list. 

Her plays include For Peter Pan on her 70th Birthday; How to Transcend a Happy Marriage; The Oldest Boy; Stage Kiss; Dear Elizabeth; In the Next Room, or the Vibrator Play; The Clean House; Passion Play; Dead Man’s Cell Phone; Melancholy Play; Eurydice; Orlando; 
Late: A Cowboy Song, and a translation of Chekhov’s Three Sisters. 

Her plays have been produced on and off Broadway, around the country, and internationally, where they’ve been translated into over fifteen languages. She has received the Susan Smith Blackburn Prize, the Whiting Award, the Lilly Award, a PEN award for mid-career playwrights, the National Theater Conference’s Person of the Year Award, and the Steinberg Distinguished Playwright Award. She teaches at the Yale School of Drama, and lives in Brooklyn with her family. 
Maurice Denis De strandkabine

Partisan of energy, rebellion, and desire: Alicia Suskin Ostriker(°1937)

'My grandfather’s pipe tobacco fragrance, moss-green cardigan, his Yiddish lullaby
when I woke crying: three of my earliest memories in America'
Foto door Pixabay

Utopian

My neighbor’s daughter has created a city
you cannot see
ruled by a noble princess and her athletic consort
all the buildings are glass so that lies are impossible
beneath the city they have buried certain words
which can never be spoken again
chiefly the word divorce which is eaten by maggots
when it rains you hear chimes
rabbits race through its suburbs
the name of the city is one you can almost pronounce

Utopisch

De dochter van mijn buurman heeft een stad gemaakt
die je niet kunt zien
geregeerd door een nobele prinses en haar atletische gezel
alle gebouwen zijn van glas, zodat leugens onmogelijk zijn
onder de stad hebben ze bepaalde woorden begraven
die nooit meer opnieuw kunnen uitgesproken worden
vooral het woord echtscheiding dat door maden is opgegeten
als het regent hoor je klokkenspelen
konijnen rennen door de buitenwijken
de naam van de stad is er een die je bijna kunt uitspreken

Utopian” from the book The Volcano and After: Selected and New Poems 2002-2019 by Alicia Ostriker, © 2020. The University of Pittsburgh Press.

Foto door Allan Mas

Na een piepjonge fotograaf mag het tijd zijn voor een dame die met haar bijna 84 jaren aardig wat poëzie heeft geschreven. Laten we dus vooral haar eigen stem horen, zoals ze al die jaren in Amerika en ver daarbuiten is gehoord. Met één voet binnen en één voet buiten de mainstream-cultuur, Joodse maar niet praktiserend, wel verbonden. Of met haar eigen woorden:

Alicia Suskin Ostriker: During the second wave of feminism, from the 1960s through the ’70s, the most important poetry  being written in America was by women. Some of it was published by  newly-founded women’s presses, some by other small literary journals,  some even by mainstream presses. You can think of Plath, Sexton, and  Adrienne Rich, for example. But in fact, hundreds of women were writing  revolutionary work at this time. The position of having one foot inside and one foot outside mainstream culture, any culture, is maximally  productive of creativity, and that’s where women were in post ’60s  America. 

Earlier in the century the strongest writing in America was by  Jews. Jews were becoming assimilated into American culture, but were  still not quite assimilated, which is why you have that generation of  Bellow, Roth, Malamud and many others. One foot in and one foot out of  mainstream culture— it’s not a comfortable position. But the discomfort is a driver of creativity. 

Now, I feel, the most exciting poetry is  being written by people of color. For this I thank Cave Canem, an  organization that’s created a community outside of academe in which  young black poets can read each other, teach each other, and have older  black poets supporting them. Their work goes from hip hop to very formal traditional poetry, and everything in between. One foot in and one foot out of the dominant culture. College degrees, sure, and still facing racism everywhere—out of that contradiction comes torrents of  magnificent poetry. (uit interview met Daniela Gioseffi in Rain Taxi)
Foto door Olanma Etigwe-uwa
Ghazal: America

 My grandfather’s pipe tobacco fragrance, moss-green cardigan, his Yiddish lullaby
 when I woke crying: three of my earliest memories in America

 Arriving on time for the first big war, remaining for the second, sad grandpa
 who walked across Europe to get to America

 When the babies starved, when the village burned, when you were flogged
 log out, ship out, there was a dream, the green breast of America

 One thing that makes me happy about my country
 is that Allen Ginsberg could fearlessly write the comic poem “America”

 My grandfather said no President including Roosevelt would save the Jews in Europe
 I adore superhighways but money is the route of all evil in America

 Curse the mines curse the sweatshops curse the factory curse the boss
 May devils in hell torment the makers of cluster bombs in Corporate America

 When I photograph your flooding rivers and meadows and public sculpture Rockies, 
 when I walk in your filthy cities I love you so much I bless you so much America

 People people look there: Liberty the Shekhina herself
 Welcoming you like a queen, like a mother, to America

 Take the fluteplayer from the mesa, take the raven from his tree
 Now that the buffalo is gone from America

 White man the blacks are snarling the yellows swarming the umber terrorists
 Are tunneling through and breathing your air of fear in America
Tim_Rollins__KOS_Second_Study_for_Amerika_VII_1987_Gold_watercolor_on_book_pages_on_linen_24x42inches_Larry_Qualls
psalm

 I am not lyric any more
 I will not play the harp
 for your pleasure

 I will not make a joyful
 noise to you, neither
 will I lament

 for I know you drink 
 lamentation, too,
 like wine

 so I dully repeat
 you hurt me
 I hate you

 I pull my eyes away from the hills
 I will not kill for you
 I will never love you again

 unless you ask me 
Amerika Divided is a piece of digital artwork by Ricardo Dominguez
psalm

Ik ben nooit lyrisch meer
Ik zal geen harp spelen
voor jouw plezier

 Ik zal geen vrolijk
 geluid voor u maken, noch
 zal ik weeklagen

 want ik weet dat u klaagzang 
 drinkt, ook,
 als wijn

 dus ik herhaal het maar
 dat je me pijn doet
 ik haat je

 Ik trek mijn ogen weg van de heuvels
 ik zal niet voor je doden
 ik zal nooit meer van je houden

 tenzij je het mij vraagt 
Amerika: GRAMMARTRON 1.0 Mark Amzerika
Exile

The downward turning touch
 the cry of time
 fire falling without sound
 plunge my hand in the wound

 children marching and dying
 all that I do is a crime
 because I do not reach
 their mouths silently crying

 my boychild reaches with his mouth
 it is easy, being a mother
 his skin is tender and soft
 kisses stitch us together

 we love as long as we may
 then come years without kisses
 when he will turn away
 not to waste breath

 when I too will fall
 embracing a pillow at night
 touching the stone of exile
 reaching my hand to death
Jade Rivera in Lima Street art in the Barranco

Ballingschap

Het naar beneden draaiend raken
de schreeuw van de tijd
vuur dat zonder geluid valt
dompel mijn hand in de wond

kinderen marcheren en sterven
alles wat ik doe is een misdaad
omdat ik niet tot bij hun monden 
kom die zwijgend huilen

mijn zoontje reikt me zijn mond
het is gemakkelijk, moeder zijn
zijn huid is teder en zacht
kussen naaien ons aan elkaar

we hebben lief zolang het kan
dan komen de jaren zonder kussen
wanneer hij zich zal afwenden
om geen adem te verspillen

wanneer ook ik zal vallen
een kussen omhelzend in de nacht
de steen der ballingschap aanrakend
mijn hand reikend naar de dood

Buscando la verdad: il murale di Jade Rivera a Santiago del Cile
In the beginning, for Alicia Suskin Ostriker, there was the word. She
began writing poetry as a child, and at 83 she is still using her words
to capture and convey life’s truths, its spirituality and sensuality, 
and the urgent calls of social justice. 
She became a literature teacher in 1965, and 52 years later she is still teaching. She also became a revered critic and commentator on Judaism. But Ostriker’s dedication to social action seems just as strong
as her academic pursuits.“In my politics I am with the prophets, feed the hungry, clothe the naked. ‘Justice, justice shalt thou seek.’ And God’s 
repeated command that we must ‘love the stranger.’”
But despite her passion for words, her concern for the downtrodden is not just talk.

Though now a resident of Manhattan’s Upper West Side, which she said is inspiring a new stream of poems, Ostriker was a fixture in New Jerseyfor several decades. She lived in Princeton, and taught in the English 
Department at Rutgers University until her retirement in 2004. She still
has a presence across the river, serving as Distinguished Poet in 
Residence at Drew University in Madison and teaching in its 
Low-Residency Poetry MFA program.

Armed with a doctorate from the University of Wisconsin, at the start
of her career as a teacher at Rutgers, the mother of three became a 
pioneer in the feminist critique of literature. “There was a sound in 
the air that was different from what poetry in English had ever been,” 
Ostriker told an interviewer when she retired. “I wanted to understand 
it, decipher it. It was important to me both as a poet and a critic.”
She wrote a number of barrier-breaking studies, including the 
acclaimed “Stealing the Language: The Emergence of Women’s Poetry in 
America,” published in 1987. The study argued that since the 1960s, 
female poets had created a literary movement as distinct and important 
as Romanticism or Modernism. (Blue flower arts)
Martha Rosler Cleaning the drapes (1967-72)
Insomnia

But it's really fear you want to talk about
 and cannot find the words
 so you jeer at yourself

 you call yourself a coward
 you wake at 2 a.m. thinking failure,
 fool, unable to sleep, unable to sleep

 buzzing away on your mattress with two pillows
 and a quilt, they call them comforters,
 which implies that comfort can be bought

 and paid for, to help with the fear, the failure
 your two walnut chests of drawers snicker, the bookshelves mourn
 the art on the walls pities you, the man himself beside you

 asleep smelling like mushrooms and moss is a comfort
 but never enough, never, the ceiling fixture lightless
 velvet drapes hiding the window

 traffic noise like a vicious animal
 on the loose somewhere out there—
 you brag to friends you won't mind death only dying

 what a liar you are—
 all the other fears, of rejection, of physical pain,
 of losing your mind, of losing your eyes,

 they are all part of this!
 Pawprints of this! Hair snarls in your comb
 this glowing clock the single light in the room

From The Book of Seventy by Alicia Ostriker. Copyright © 2009 by Alicia Ostriker.
The Moon (A Lua) Tarsila do Amaral 1928
Slapeloosheid

Maar het is eigenlijk angst waar je over wilt praten
 en je kunt de woorden niet vinden
 dus beschimp je jezelf

 je noemt jezelf een lafaard
 je wordt wakker om 2 uur 's nachts denkend aan falen,
 dwaas, niet in staat om te slapen, niet in staat om te slapen

 zoemend op je matras met twee kussens
 en een dekbed, ze noemen ze comforters,
 wat impliceert dat comfort kan worden gekocht

 en betaald, om te helpen met de angst, het falen
 uw twee walnotenhouten ladenkastjes gniffelen, de boekenkasten treuren
 de kunst aan de muur heeft medelijden met je, de man zelf naast je

 slapend ruikend naar paddestoelen en mos is een troost
 maar nooit genoeg, nooit, het plafond armatuur lichtloos
 fluwelen gordijnen verbergen het raam

 verkeerslawaai als een gemeen dier
 loopt los ergens daarbuiten…
 je schept op tegen vrienden dat je de dood niet erg vindt, alleen sterven

 Wat een leugenaar ben je.
 alle andere angsten, van afwijzing, van fysieke pijn,
 om je verstand te verliezen, om je ogen te verliezen,

 ze maken allemaal deel uit van dit!
 Pootafdrukken van dit! Haar knarst in je kam
 deze gloeiende klok het enige licht in de kamer

 Uit Het boek van zeventig door Alicia Ostriker. Copyright © 2009 
Hayv Kahraman, Curfew, 2015, oil on linen, 185 x 244 cm, © Hayv Kahraman
I’m an insomniac. So one night I got up and sat in front of my laptop, 
which is an extension of my body, my muse, my friend, my therapist. My 
computer knows me better than I know myself and I sit in front of it 
sometimes when I can’t sleep, and it writes a poem. It wrote: So, this 
was nothing I’d been thinking about but I, or it, wrote the first stanza
of “The Blessing of the Old Woman, the Tulip, and the Dog.” Then I sat 
there, and my computer said, “That’s not enough for a whole poem.” Then I
wrote the tulip. I thought, “There must be something else,” and then I 
wrote the dog. But really, that poem wrote itself as: The Blessing of the Old Woman, the Tulip, and the Dog:
THE BLESSING OF THE OLD WOMEN, THE TULIP, AND THE DOG

To be blessed
 said the old woman
 is to live and work
 so hard
 God’s love
 washes right through you
 like milk through a cow

 To be blessed
 said the dark red tulip
 is to knock their eyes out
 with the slug of lust
 implied by
 your up-ended
 skirt

 To be blessed
 said the dog
 is to have a pinch
 of God
 inside you
 and all the other dogs
 can smell it
DE ZEGENING VAN DE OUDE VROUW, DE TULP EN DE HOND

Om gezegend te worden
 zei de oude vrouw
 is er te leven en te werken
 zo hard
 dat de liefde van God
  dwars door je heen spoelt
 als melk door een koe.

 Om gezegend te zijn
 zei de donkerrode tulp
dat is hun ogen uitslaan
 met een slok lust
 geïmpliceerd door
 je opgetrokken
 rok

 Om gezegend te zijn
 zei de hond
 is er een snuifje
 van God
 in jou
 en alle andere honden
 kunnen het ruiken
Loïs Mailou Jones, “La Baker,” 1977, acrylic and collage on canvas, Courtesy of the Museum of Fine Arts
Years
-for J.P.O.

I have wished you dead and myself dead,
 How could it be otherwise.
 I have broken into you like a burglar
 And you've set your dogs on me.
 You have been a hurricane to me
 And a pile of broken sticks
 A child could kick.
 I have climbed you like a monument, gasping,
 For the exercise and the view,
 And leaned over the railing at the top-
 Strong and warm, that summer wind.


Jaren
-voor J.P.O.

Ik heb jou dood gewenst en mezelf dood,
Hoe kan het ook anders.
Ik heb bij je ingebroken als een inbreker
En je hebt je honden op me losgelaten.
Je bent een orkaan voor me geweest
En een stapel gebroken stokken
Waar een kind tegenaan kan schoppen.
Ik heb je beklommen als een monument, hijgend,
Voor de oefening en het uitzicht,
En leunde over de reling aan de top…
Sterk en warm, die zomerwind.
Jo Baer, Royal Families (Curves, Points and Little Ones), 2013
“My mother was an English major who wrote poetry and read Shakespeare, 
 Browning, and Tennyson to my infant ears, so perhaps I was destined to 
 become a poet. But like many women, I was hesitant to claim such an 
 exalted vocation. When asked, ‘What do you do?’ I’d say, ‘I teach 
 English.’ But now I say, proudly, ‘I’m a poet.’ 
 “And yes, that is the center of my life.”

 Along with her growing contribution to literary commentary and 
 original poetry has come her religious analysis. It is of a piece with 
 those other aspects of her working life, on another plane and yet 
 entirely consistent with them. As she put it, she was writing midrash — 
 or commentary — before she knew there was a word for it.

 "My Judaism is the Judaism of a feminist,” she told NJJN. “At Rutgers
 University I taught a seminar entitled ‘The Bible and Feminist 
 Imagination,’ where we read large portions of the Bible alongside 
 feminist theology and commentary and midrash. And I co-taught a course 
 on the history of Jewish women. In my writing, I wrestle with the Bible,
 and with Jewish tradition, the way Jacob wrestles with the angel in 
 Genesis — to wrestle a blessing out of it.” (NJJN)
Henri Matisse Le Bonheur de Vivre 1905-1906
Matisse, Too

Matisse, Too
 Matisse, too, when the fingers ceased to work,
 Worked larger and bolder, his primary colors celebrating
 The weddings of innocence and glory, innocence and glory

 Monet when the cataracts blanketed his eyes
 Painted swirls of rage, and when his sight recovered
 Painted water lilies, Picasso claimed

 I do not seek, I find, and stuck to that story
 About himself, and made that story stick.
 Damn the fathers. We are talking about defiance.


 Matisse, ook

 Matisse, ook, toen de vingers ophielden met werken,
 Werkte groter en gedurfder, zijn primaire kleuren vierend
 De bruiloften van onschuld en glorie, onschuld en glorie

 Monet, toen de cataract zijn ogen verzegelde
 Schilderde wervelingen van woede, en toen zijn zicht herstelde
 Schilderde hij waterlelies, Picasso beweerde

 Ik zoek niet, ik vind, en bleef bij dat verhaal
 over hemzelf, en liet dat verhaal beklijven.
 Verdomde vaders. We hebben het over opstandigheid.
Three Men Walking, Three Brown Silhouettes

 They remember the dead who died in the resistance.
 It is in sweet tones that they speak of them.
 They shake their heads, still, after the dinner

 Walking back to the car, while an evening snow
 That has started windlessly, white from pearl-gray,
 Falls into streets that are already slushy.

 They shake their heads, as we do when there is something
 Too strange to believe,
 Or as a beast does, stunned by a blow.

 "To die in the resistance," they say, "is to fail
 To turn into slush, to escape this ugliness.
 It is at once to leap, a creamy swan,

 Upward." Three voices: oboe, piano, cello.
 The high one wishes to be pleasing, the middle
 To be practical, the deep to persevere.

 A movie theater lobby in front of them
 Throws its light on the sidewalk, like a woman
 Swiftly emptying a bucket of water:

 The flakes are falling in its yellow light.
 Then they pass a café, its light red neon,
 Then a closed pharmacy.

 —They pull sharp air
 Into their lungs, a pain that is a pleasure.
 "Try to live as if there were no God,"
 They don't say, but they mean.

 A recollection of purity, a clean
 Handkerchief each man feels in his own pocket,
 Perturbs them, slows their pace down. Now they have seen

 A yellow stain on a pile of old snow
 Between two parked cars, where a man has peed:
 The resistance. The falling flakes, falling

 On the men's hats. And now
 The snow grows heavier, falls on their stooping shoulders.
evening snow at Kambara nr 16 Utagawa Hiroshige (1797-1858)
Drie wandelende mannen, drie bruine silhouetten

Ze herdenken de doden die stierven in het verzet.
Het is op zoete toon dat ze over hen spreken.
Ze schudden hun hoofd, nog steeds, na het diner

Teruglopend naar de auto, terwijl een avondsneeuw
Die windstil is begonnen, wit van parelgrijs, 
In straten valt die al modderig zijn.

 Ze schudden hun hoofd, zoals wij doen als er iets
 te vreemd is om te geloven,
 Of zoals een beest doet, bedwelmd door een klap.

 "Te sterven in het verzet," zeggen ze, "is falen om
 in smeltwater te veranderen, om te ontsnappen aan deze lelijkheid.
 Het is in één keer springen, een romige zwaan,

 naar boven." Drie stemmen: hobo, piano, cello.
 De hoge wenst te behagen, de middelste
 om praktisch te zijn, de diepe om vol te houden.

 De lobby van een bioscoop voor hen
 gooit zijn licht op de stoep, zoals een vrouw
 die snel een emmer water leegt:

 De vlokken vallen in haar gele licht.
 Dan passeren ze een café, zijn lichtrode neon,
 Dan een gesloten apotheek.

 -Ze trekken scherpe lucht
 in hun longen, een pijn die een genot is.
 "Probeer te leven alsof er geen God is,"
 Ze zeggen het niet, maar ze menen het.

 Een herinnering aan zuiverheid, een schone
 Zakdoek die elke man in zijn eigen zak voelt,
 brengt hen in verwarring, vertraagt hun tempo. Nu hebben ze

 een gele vlek op een stapel oude sneeuw gezien
 tussen twee geparkeerde auto's, waar een man heeft geplast:
 De weerstand. De vallende vlokken, die vallen

 Op de hoeden van de mannen. En nu
 De sneeuw wordt zwaarder, valt op hun bukkende schouders.
Snow Scene at the Shrine of Benzaiten is a painting by Utagawa Hiroshige
Alicia Suskin Ostriker is a major American poet and critic. She is the author of numerous poetry collections, including, most recently, The Old Woman, the Tulip, and the Dog; The Book of Life: Selected Jewish Poems, 1979–2011; and The Book of Seventy, winner of the National Jewish Book Award. She has received the Paterson Poetry Prize, the San Francisco State Poetry Center Award, the William Carlos Williams Award, and has twice been a finalist for the National Book Award, among other honors. Ostriker teaches in the low-residency MFA program at Drew University and is currently a chancellor of the Academy of American Poets.                     

‘What was that sound that came in on the dark?’

It is here
(for A)

 What sound was that?

 I turn away, into the shaking room.

 What was that sound that came in on the dark?
 What is this maze of light it leaves us in?
 What is this stance we take,
 To turn away and then turn back?
 What did we hear?

 It was the breath we took when we first met.

 Listen. It is here.

(Harold Pinter)
Leighton ‘The painter’s honeymoon 1864

Valentijn-vroegte? Post-verjaardagssyndroom? Met enige verbeelding kan ik nog wel een aantal redenen aanhalen want ja, het is van dattum. Volgens Vandale hoort er een bepaald gebaar bij om de betekenis duidelijk te maken, maar laat ik mij beperken dat donkere dagen met vreemde koud-warm-sprongen een uitstekende gelegenheid zijn om letters en beelden daaromtrent samen te brengen, de liefde ter ere.

Toch mooi dat Harold Pinter een geluid gebruikt, het geluid van ‘the breath we took when we first met’. Zouden we dat ‘een ‘stokkende’ adem kunnen noemen, of het inademen net voor je de klank ‘oh’ hoorbaar maakt? Probeer maar eens terwijl je dit leest. En let op, het gebeurde ‘on the dark’. Niet lang want daar was er de doolhof van licht waarin we achterbleven. Lees nu nog eens de tekst en zucht zoals ik dat deed toen ik hem ontdekte.

Herman de Coninck zou bovenstaande fragment uit Chagall’s verjaardag dadelijk bij ‘de lenige liefde’ kunnen thuisbrengen, maar een commentator uit ‘The Guardian’ schreef:

Love lifts them up so their feet scarcely touch the ground. Sweeping down like a comet, or an angel, he bends over backwards to kiss her. Chagall will soon be married to the teenage Bella, his beloved muse, and so the gravity-defying strength of their partnership begins. This is a vision of wild and sensual love, but also of transcendent adoration. The shawl-draped room is a kind of shrine. Chagall wrote of his future wife: “I had only to open my window and blue air, love and flowers entered in with her.”
Rembrandt ‘Het Joodse bruidje’ cc1666 klik op onderschrift om te vergroten
 Op de schets is rechts het gezicht van een man te zien, die het tweetal  gadeslaat, een detail dat op het schilderij ontbreekt. Het is deze man  die kunsthistorici de indruk geeft dat de schets en het schilderij een  weergave zijn van de Bijbelse Isaak en zijn vrouw Rebekka.[3] Dit echtpaar werd volgens het boek Genesis door een hongersnood gedwongen om naar het land der Filistijnen van koning Abimelech  te vluchten. Aangezien Isaak bang was om vermoord te worden door mannen  die het voorzien hadden op zijn vrouw, deed hij zich daar voor als haar  broer. Abimelech spotte het paar echter in een innige pose, maar ze  werden niet gestraft doch alleen vermaand. De Filistijnse mannen kregen  vervolgens de opdracht om Isaak en Rebekka ongemoeid te laten. (Wikipedia)

Het hele Bijbelse verhaal terzijde gelaten zijn de prachtige handen op dit schilderij tegelijkertijd beschermend, aarzelend, maar vooral liefdevol. De rechterhand van de man is maar gedeeltelijk zichtbaar op de smalle linkerschouder van de geliefde. Ze ‘raken elkaar aan’, zachjes, haar vingers op zijn hand. En kijk naar hun gezichten.

Je bent in je leven als ietsje verder dan de lenige Chagall denk ik. Bij het zoeken naar een mooie tekst kwam ik bij ‘Sonnet XLIII’ van Elizabeth Barrett Browning:

How do I love thee? Let me count the ways.
I love thee to the depth and breadth and height
My soul can reach, when feeling out of sight
For the ends of being and ideal grace.
I love thee to the level of every day’s
Most quiet need, by sun and candle-light.
I love thee freely, as men strive for right;
I love thee purely, as they turn from praise.
I love thee with the passion put to use
In my old griefs, and with my childhood’s faith.
I love thee with a love I seemed to lose
With my lost saints. I love thee with the breath,
Smiles, tears, of all my life; and, if God choose,
 I shall but love thee better after death.
Francesco Podesti ca 1850-1855 Elisabeth Barret Browning with son Robert ca 1850-1855
 Elizabeth Barrett Browning (née Moulton-Barrett, 6  March 1806 – 29 June 1861) was one of the most prominent English poets  of the Victorian era, popular in Britain and the United States during  her lifetime. 
 Born in County Durham,  the eldest of 12 children, Elizabeth Barrett wrote poetry from about  the age of six. Her mother’s collection of her poems forms one of the  largest collections extant of juvenilia by any English writer. At 15 she  became ill, suffering intense head and spinal pain for the rest of her  life. Later in life she also developed lung problems,  possibly tuberculosis. She took laudanum for the pain from an early age,  which is likely to have contributed to her frail health.

Elizabeth’s volume Poems (1844) brought her great success, attracting the admiration of the writer Robert Browning.  Their correspondence, courtship and marriage were carried out in  secret, for fear of her father’s disapproval. Following the wedding she  was indeed disinherited by her father. The couple moved to Italy in  1846, where she would live for the rest of her life. They had one son, Robert Barrett Browning,  whom they called Pen. She died in Florence in 1861. A collection of her  last poems was published by her husband shortly after her death.
(dell’arte Italiana, Wikipedia) Hieronder Mama met zoon 'Pen'.
Elizabeth Barrett Browning & son Robert Wiedemann Barrett Browning by Fratelli D’Alessandri, 19 June 1860

Het verhaal van deze geliefden bracht me zelfs tot in Antwerpen waar zoon Pen op volwassen leeftijd, na mislukte studies in Engeland aan de academie studeerde en als schilder afstudeerde. Het verhaal van de Barret Browings (en zoon) vind je uitvoerig bij:

Zelda Fitzgerald gouache on paper Fifht Avenue

Met dit vrijwel onbekende mooie werk van Zelda Fitzgerald (geboren Sayre) zijn we volop terug in de 20ste eeuw. Een bruisend leven. ‘This side of Paradise’, gepubliceerd in 1920 bracht haar in contact met de high society. Met haar man F. Scott Fitzgerald onderhield ze een drukke en boeiende briefwisseling. Een fragment:

“Darling– I love these velvet nights. I’ve never been able to decide whether the night was a bitter enemie or a “grand patron” –or whether I love you most in the eternal classic half-lights where it blends with day or in the full religious fan-fare of mid-night or perhaps in the lux of noon. Anyway, I love you most and you ‘phoned me just because you phoned me tonight– I walked on those telephone wires for two hours after holding your love like a parasol to balance me. My dear–”

Dat was alvast een eerste reis doorheen het land van verlangen, vaak door de trage tijd gehinderd of door het voorbije verzonken. P.C. Hooft (1581-1647) wist het ook al ‘dat ik de tijd, die ik verkorten wil, verlang.’ (verleng) We zijn met een zacht geluid in het donker begonnen, laten we met een beetje oud ongeduld elkaar uitwuiven.

Gezwinde grijsaard die op wakk’re wieken staag
de dunne lucht doorsnijdt, en zonder zeil te strijken
altijd vaart voor de wind, en ieder na laat kijken,
doodsvijand van de rust, die woelt bij nacht bij daag;

 onachterhaalb’re Tijd, wiens hete honger graag
 verslokt, verslindt, verteert al wat er sterk mag lijken,
 en keert en wendt en stort staten en koninkrijken,
 voor iedereen te snel: hoe valt gij mij zo traag?

 Mijn lief, sinds ik u mis, verdrijf ik met mishagen
 de schoorvoetige tijd, en tob de lange dagen
 met arbeid avondwaards. Uw afzijn valt te bang

 en mijn verlangen kan den Tijdgod niet bewegen,
 maar ’t schijnt verlangen daar zijn naam van heeft gekregen,
 dat ik de tijd, die ik verkorten wil, verlang.
 

Een raam, een venster: ‘…niets weet zij van het levensspel.’ Een collage.

Edvard Munch Buitenkijkend meisje 1893

Bij het venster zitten. Bij het raam naar buiten kijken. Vanuit de veiligheid van het huis met de ogen al buiten zijn terwijl dat hunkerend lichaam nog dadelijk een stapje achteruit kan zetten of achter het gordijn verdwijnen. Niemand thuis. Met de woorden van de dichter, J. Slauerhoff geschreven in 1947:

De Vrouw aan het Venster

 Nooit opent zich de poort. 't Raam is zoo hoog
 Dat zij eerst de aarde ziet in wijde verte:
 De stroom omarmt het bosch in blauwen boog;
 Door 't groen gaan roode vogels, ranke herten.

 Niets weet zij van het levensspel daartusschen;
 Maar het moet schoon zijn, want zij mist het zeer.
 Zij wil omhelzen, vindt niets om te kussen
 Dan de' eigen schouder, rond en koel en teer.

 J. Slauerhoff 1947
Young Woman Looking through a Window Johann Georg Meyer (1813-1886)

Niet alleen het licht opzoeken, maar wensen dat er een andere wereld zou zijn, daarbuiten. Of op iemand wachten die dadelijk kan binnenkomen. Het wordt al donker. De zonen op de zetel wachten mee. Samen iemand opwachten. Of is er een gelatenheid waarin het wachten overbodig is geworden omdat…Kijk naar de houdingen van de drie personages. Bedenk je eigen scenario. Kom thuis of…

A mother and children by a window at dusk Viggo Pedersen (1854-1926)

Toen Marc Chagall in 1910 naar Parijs verhuisde, reflecteerden zijn schilderijen al vlug de laatste avant-garde stijlrichtingen. Kijk naar ‘Parijs, bij het raam’ en denk aan zijn collega Robert Delaunay die hem inspireerde en van wie hij de hevig gekleurde overlappende vlakken in de lucht boven de stad heeft overgenomen. Ook de Eifeltoren was veelvuldig aanwezig in het werk van Delaunay, zij het vaak in erg plastische bijna bewegende gestaltes. Parijs was voor beide schilders het symbool van ‘de moderniteit’. De parachutist in de lucht verwijst naar de eerste sprong in 1912. En natuurlijk is er nog zijn geboortedorp Vitebesk. De kunstenaar heeft duidelijk de toekomst door het raam gezien, en dat ze niet altijd éénduidig is, bewijst de januskop van het personage rechts. Dromers zien altijd meer.

Parijs door het raam Marc Chagall 1913

Een van de twee schilderijen hieronder, beiden van dezelfde schilder, David Bomberg, is gemaakt rond dezelfde tijd als het Parijs van Chagall, ongeveer 1911-1912. Het tweede schilderij, bijna in compostie een identiek beeld, werd in 1919 geschilderd. Rachel Dickinson beschrijft het tweede doek:

“It shows his disillusionment with the world, explaining that the windows, which once offered a glimpse of the city, now resemble prison bars. These two paintings are displayed next to each other in the exhibition, which also includes Bomberg’s well-known work Ghetto Theatre (1920) paired with a preparatory study for the picture that has not been exhibited before.
David Bomberg’s Woman Looking through Window (aka Bedroom Picture) (around 1911-12; left) and At the Window (1919)

De verandering in het verloop van de geschiedenis drukt zich uit in de vormgeving. Het venster in het eerste schilderij veranderde bijna in gevangenistralies..

In Lady Abdy, een schilderij van Balthus Balthazar Klossowski (1908-2001 ) wordt het raam met een bijna liefelijk gebaar benaderd. Toch kijkt het personage niet naar buiten maar links de kamer in. Hoort ze hem in het trappenhuis? Of herinnert ze zich de afwezige? De zachte kleuren van kleed en gordijn verzachten met het gelige licht de ruimte. ‘Als ik nu kijk, zal ik hem zien…’ zou een onderschrift kunnen zijn. Maar of ze nog kijkt?

Lady Abdy, 1935 Balthus Balthazar Klossowski (1908-2001)

De Deense schilder die zichzelf Christian Aigens als naam gaf, (1870-1940) en wiens echte naam Anders Peter Christian Larsen was, schilderde graag heel gewone mensen uit zijn omgeving. Een van zijn betere werken is dit jongensportret bij een raam. De jongen kijkt naar buiten waar de winter weldra in lente zal veranderen, net zoals hij zich op de drempel van zijn kindertijd bevindt. Wat hij denkt mag in het midden blijven.

Christian Aigens. Jongen bij raam

De Amerikaanse schilder Andrew Wyeth schilderde in 1965 ‘Up in de studio’. Een figuur op een afstand van het raam in een lege ruimte, de schildersstudio. Merkwaardig is het standpunt van deze aquarel (en tempera) op papier. Of het personage ‘iets weet van het levensspel’ om het gedicht van Slauerhoff te citeren laat de schilder aan ons oordeel over. Je ziet hem naar buiten kijken, de handen op de knieën. Wat of wie hij zou zijn mogen wij invullen. Het is het kijkend-zitten dat telt. Onze machteloosheid, ons tekort aan geduld en introspectie?

Andrew Wyeth ‘Up in the studio’ 1965

Een minder bekend werk ‘man aan het raam’ van Edward Hopper laat een man vanuit een etage naar de daken en de stad voor hem kijken. Bijna driedimensioneel door de drie kaders waarin het schilderij is opgebouwd. De schuine inkijk, de rechthoek voor de man, het totaal vanuit het standpunt van de kijker. Net zoals hij, kijken wij, slechts door twee of drie ramen van elkaar gescheiden. Het is net de omkadering die ons als kijker beveiligt, -hij kan niet meer zijn hoofd naar ons draaien- en die hem voor altijd naar de onbekende verte heeft gezet. Zo wordt het elkaar bekijken ook een mogelijk onderwerp in het ramenspel.

Working Title/Artist: Edward Hopper: Office in a Small City Department.
"Elegie"  (Maurice Gilliams)

 Zondag op het land.
 Roken en door het venster staren:
 linden voor de gevel,
  trage knapen gaan voorbij.

 Zomeravond op de velden.
 En de verre treinen kan men horen.
 Grachten die naar heimwee smaken,
 vergezichten, klokken die mij plagen
 komen ’t hart zijn honig roven.
 En de dorpen die ik door wil trekken,
 waar de bruiden wonen,
 waar de boten varen op de stromen,
 roepen mij in ’t dalend donker:
 in het koren staat een huis.

 Maar ik toef hier voor het venster
 van een boerenkamer
 waar een stoel de stilte tekent
 en de bloemen bruin verwelken
 in een glas groen water.

 (Uit 'Het werk der leerjaren' Maurice Gilliam' s eerste bundel)
Fenêtres ouvertes simultanément (1912) Robert Delaunay