
Mijn zoon Georg Johann is op 4 janauri 1903 in Hermaringen, district Heidelhem, geboren. Hij is de oudste van mijn kinderen.
Mijn moeder woonde toen nog bij haar ouders; die waren wagenmakers en ze hadden ook een klein boerenhof. Een jaar na mijn geboorte zijn ze getrouwd. Ja, toen werd ik wettelijk.
Een volgzame jongen, zorgde nooit voor problemen. Tamelijk rustig - volgens ons te rustig.
Mijn hele jeugd heb ik in Köningsbronn doorgebracht. Met vijven waren we.
Ook op school heeft mijn broer zelden vrienden gehad. Eén keertje maar: de blinde pianospeler van de dansschool. Waarschijnlijk voor de muziek.
Toen Georg nog naar school ging, heeft hij eens een dorsmachine gebouwd en die dan aan de naaimachine van moeder gekoppeld. We hebben er koren in gedaan en echt gedorst.
Ik ben in april naar de Bodensee getrokken. Ik had in de fabriek waar ik eerst werkte een schrijnwerker leren kennen. Leo. Hij speelde klarinet in zijn vrije tijd. In feite wou hij naar Konstanz; daar kon hij dan lid worden van een muziekvereniging. Zo begonnen we in augustus 1925 beiden in de uurwerkfabriek in Konstanz te werken. Als schrijnwerkers natuurlijk. Ik heb toen ook een cither gekocht. Voor 20 Mark. Ik werd lid van de volksdansgroep ‘Obereinthaler’. Elke zaterdag oefenden we in het stamcafé ‘Zum Kratzer”.
In Konstanz leerde hij nogal wat meisjes kennen. Mathilde. Een dienster. Ja, dat had ook gevolgen. Er kwam een kind van. Een jongen. Manfred. Nu 9 jaar. Ik heb altijd gewild dat hij later bij mij zou komen wonen.
Ik heb altijd voor de KP gestemd. Van in het begin had ik niet veel sympathie voor de Nazi’s. Ik dacht, de KP dat is een arbeiderspartij. Op bijeenkomsten die ik meemaakte werd er alleen over loon gesproken- dat het hoger moest zijn, en over betere woningen en van die dingen.
Als Ortsgruppenleiter heb ik meegemaakt dat Elser bij de 1ste mei-parade zich vlakbij de vlag omdraaide en wegliep. Dat zegt nog niet weel maar ik dacht toen al: dat is geen man voor het Derde Rijk.
Sedert de machtsovername door de Nationaalsocialisten liggen de lonen lager. Zo lang ik in de uurwerkfabriek in Konstanz werkte, kreeg ik gemiddeld 50 Mark per week. Van die 50 werden er 5 afgetrokken voor belastingen, ziekenfonds, werklozensteun en het invalidenfonds. Wie in 1938 25 Mark per week verdiende moest echter evenveel inleveren. In 1929 kreeg een schrijnwerker één Mark per uur. Vandaag verdient hij 68 Pfennig per uur.
Over politiek heeft mijn broer Georg nooit gesproken. Maar Hitler kon hij niet verdragen. Als Hitler in de radio sprak, verliet hij de kamer.
Sinds Hitler aan de macht is gekomen staan de arbeiders onder dwang. Zij mogen niet meer van werk veranderen als zij dat willen. Door de Hitlerjugend zijn zij ook geen baas meer over hun kinderen. En ook op godsdienstig vlak doen zij niet wat zij goeddunken. De arbeiders zijn woedend op de regering. In 1938 waren de arbeiders ervan overtuigd dat er een oorlog zou komen. Met de Sudeten-crisis heb ik dat ook gedacht, dit loopt slecht af. Ik was er zeker van dat het niet bij het verdrag van München zou blijven en Hitler tegenover andere landen ook nog eisen zou stellen. Hij wou meer landen inlijven. Een oorlog was dan niet meer te vermijden. Ik heb altijd met die gedachte geleefd. Ik heb er dus over nagedacht hoe men de situatie van de arbeiders zou kunnen verbeteren en hoe we de oorlog zouden kunnen vermijden. Ik ben tot het besluit gekomen dat er alleen iets kan veranderen als het huidige bewind verdwijnt. Hitler, Göring en Goebbels. Hoe er dan plaats is voor een andere regering. Een regering die aan het buitenland geen onmogelijke eisen zou stellen, die geen vreemd land wil inlijven. Een regering die meer bekommerd zou zijn om de sociale situatie van de arbeiders. Ik kon het niet meer uit mijn hoofd zetten. Uiteindelijk besloot ik zelf het driemanschap te liquideren.
Mijn broer heeft zich altijd met problemen beziggehouden die bij een ander nooit zouden opkomen. En hij loste ze ook op, dat wel.
Ik nam mijn beslissing in de herfst van het jaar ’38.
Als Georg iets in zijn hoofd had, dan moest dat ook gebeuren. Of dat moeilijk was kon hem niet schelen. Hij was een keikop.
Ik las in de krant dat de volgende bijeenkomst waar de Führer bij zou zijn in de Bürgerbräukeller plaats vond. Op 8 en 9 november. Een herdenkingsfeest voor de oud-strijders. Daarom reed ik op de 8ste november naar München. Met de trein. ’s Namiddags was er gelegenheid om de Bürgerbräukeller te bezichtigen. Ik ging er naartoe. Ik bekeek de zaal en kreeg te horen waar het spreekgestoelte stond.
Het vaandel hing altijd aan dezelfde zuil waar Hitler zijn toespraak hield. Het zag er al jaren ongewassen uit. Vaak kwamen er vrouwen om bloemen op de vlag te steken of om de vlag te kussen. Wij, diensters, wij stonden er dikwijls mee te lachen. Er zijn ook wel eens vrouwen die het glas wilden kopen waaruit Hitler had gedronken. Ik had er een fortuin mee kunnen verdienen.
In de loop van de volgende weken bedacht ik dat het goed zou zijn springstof te bevestigen in de zuil die achter het spreekgestoelte stond. Die springstof moest ik dan met de hulp van een of andere installatie op het juiste moment tot ontploffing brengen. Toen het ongeveer duidelijk was hoe de constructie van het apparaat er moest uitzien -ik had al een schets gemaakt- wist ik dat ik ook de juiste maten van de zuil moest hebben. Daarom ben ik in april nog eens naar München gereden. Terwijl ik in het Bürgerbrau-restaurantje iets at kwam ik in gesprek met de knecht van de Bürgerbräukeller. Hij vertelde mij dat hij waarschijnlijk zou opgeroepen worden voor zijn militaire dienst. Ik moest niet lang nadenken om te beseffen dat, indien ik zijn job kon overnemen, het mijn plan zou helpen slagen. Daarom heb ik hem meer dan eens gevraagd met mij een biertje te drinken op mijn kosten. Hij zou mij schrijven, zei hij. Maar ik heb nooit nog iets van hem gehoord. Enkele dagen na mijn terugkeer uit München kreeg ik een job in de steengroeven van Köningsbronn.
Het heeft mij verbaasd dat hij, die toch een degelijke stielman was, als gewone arbeider in de steengroeven is gaan werken. En hij had nog net zo'n prachtig naaikastje voor mij gemaakt.
Het was voor mij de plaats waar ik springstof zou kunnen vinden voor de aanslag. Ik wist dat men daar ging dynamiteren.
Mij persoonlijk is het niet opgevallen, maar mijn ploegbazen is het wel opgevallen dat Elser veel interesse had voor het dynamiteren.
De springstof werd in een betonnen huisje vlakbij de steengroeve bewaard. Met een sleutel uit het huis van mijn ouders in Köningsbronn geraakte ik binnen . Ik ben ’s nachts -ik geloof zes keer- springstofpatronen en capsules gaan halen, ze in een rugzak naar huis gedragen. Daar heb ik ze in een houten koffer met dubbele bodem bewaard. Hij stond naast mijn bed en was altijd op slot. De sleutel droeg ik steeds op zak. De zestiende mei had ik in de steengroeve een arbeidsongeval.
Elser stond aan de band. Ik heb gezien dat hij een zware steen optilde en dat hij die op zijn voet liet vallen.
Mijn voet zat tot boven de enkel in het gips maar ik moest niet opgenomen worden. Tijdens mijn herstelperiode heb ik mij vooral beziggehouden met de constructie van mijn apparaat; ik tekende de hele tijd. Ik heb alle mogelijkheden van zo’n ontploffing bestudeerd. Daarna heb ik in een afgelegen boomgaard in Köningsbronn een experiment gedaan en vastgesteld dat ik met de patronen een capsule kon aansteken. Ik heb het experiment regelmatig herhaald. Pas wanneer het drie-vier maal na elkaar lukte, was ik tevreden. De vijfde augustus kwam ik in München aan. Ik huurde een kleine kamer in de Türkenstrasse 94/11. Bij behanger Lehmann. Ik betaalde er 17,50 Reichsmark voor, zonder ontbijt. Ik vertelde de familie Lehman dat ik aan een uitvinding werkte en dat ik daarom naar München was gekomen.
Hij had een paar zware kisten meegebracht. Mijn man heeft hem nog geholpen om ze in de kelder te dragen. Eén houten kist moest naar boven. Maar ze kon niet in zijn kleine kamer, daarom hebben ze wij ze op de overloop gezet.
Ik zei dat er tekeningen voor mijn uitvinding in zaten en dat ik bezig was met een soort uurwerk dat ’s morgens niet alleen wekt maar ook het licht doet aangaan. De derde of vierde nacht na mijn aankomst in München ben ik in de zaal aan het werk gegaan. Tussen 20 en 22u. ging ik naar gelagzaal van de Bürgerbräukeller. Ik gebruikte er mijn avondmaal.
Ja, meneer Elser was een stamgast. Hij at elke avond maar dronk er nooit iets bij. Hij was nogal armoedig gekleed. De dagschotel kostte bij ons 60 reichspfennig. Daar liet hij altijd nog een portie van over. Meestal van het vlees of van de worst. Dat gaf hij dan aan de waakhond Ajax waarmee hij vriendschap had gesloten.
Rond 22 uur betaalde ik meestal en verliet ik de gelagzaal. Ik ging naar de garderobe in de grote zaal die nog niet afgesloten was. Langs de trap achteraan kwam ik op de galerij en daar verstopte ik me in een bergplaats. Ik bleef er zo lang tot de grote zaal gesloten werd. Meestal tussen 22.30 uur. en 23.30 uur. Voordien had de toiletjuffrouw nog de katten eten gegeven maar op de galerij kwam ze nooit. Daarop draaide ze de sleutel drie keer om.
Ik bleef de hele nacht in de zaal. Tussen 7 en 8 werd ze weer opengemaakt. Tussen twee en drie uur stopte ik meestal met mijn werk. Daarna ging ik naar de bergplaats om er op een stoel wat te knikkebollen. Ik was meestal tamelijk moe omdat ik de hele tijd -verstopt onder een tafel- op mijn knieën moest werken.
Op een morgen kon meneer Elser niet opstaan. Ik vroeg of ik een dokter moest halen. Maar hij zei dat zijn knieën alleen maar een beetje ontstoken waren. Dat zou overgaan. Ik heb te veel gelopen, denk ik, zei hij.
Eerst zaagde ik een deel van een plank van de zuilbekleding zodanig uit dat ik er een deurtje van kon maken. Je kon niet zien waar ik had gezaagd. Daar had ik drie nachten voor nodig. Het had echter het voordeel dat ik altijd direct met mijn werk kon beginnen als ik het deurtje had geopend en dat ik bij het einde van mijn nachtelijk werk de deur maar hoefde te sluiten om mijn bezigheden binnen in de zuil volledig te verbergen. Het overige werk voerde ik met de beitel en de beitelboor uit want binnenin was de zuil uit baksteen. Eerst moest ik de bepleistering verwijderen op de bakstenen. Omdat het minste gerucht in de lege zaal ’s nachts geweldig weergalmde, moest ik zeer voorzichtig zijn. Daarom duurde het werk ook zo lang. Wilde ik er een steen uitnemen dan wachtte ik tot ik in het toilet van de Bürgerbräukeller de automatische spoeling hoorde. Dat was ongeveer om de tien minuten het geval en het duurde maar enkele seconden. Daarna moest ik weer wachten tot het spoelsysteem werkte. Pas op het eind van oktober was ik met het uitbreken klaar. Ik kon trouwens maar werken bij het licht van een afgedekte zaklamp. Puin en stenen heb ik opgevangen in een zak die ikzelf had gemaakt van een handdoek. Was de zak vol dan heb ik de inhoud in een kartonnen doos gekieperd die ik altijd in de bergplaats op de galerij liet staan. Die valies maakte ik leeg op een terrein achter het zwembad aan de Isar. Overdag werkte ik aan de definitieve en precieze constructie van mijn machine. Eind oktober kon ik pas de precieze grootte ervan vaststellen na het beëindigen van het breekwerk.. Het was voor mij duidelijk dat ik een klok nodig had om de ontsteking op een vooraf bepaald tijdstip te kunnen vastzetten. Een paar van dergelijke klokken had ik bij mijn weggaan uit de firma in Konstanz in het voorjaar van 1932 mee gekregen.. Eén klok was niet genoeg, dus om het welslagen van mijn plan niet aan het toeval over te laten heb ik nog een tweede klok aangesloten. De twee klokken hadden elk een looptijd van zeven dagen. Ik kon dus 144 uur op voorhand het moment van de explosie vastleggen op een kwartier na. De eerste november bracht ik het ontstekingsmechanisme en de springstofhouder in de zuil aan. De tweede november vulde ik die met springstof. De derde november had ik de twee klokken ingepakt en wou ik ze naar de zuil brengen, maar op die avond was de ingang die ik altijd gebruikte gesloten. Ik bleef dus maar de hele nacht in de tuin van de Bürgerbräukeller onder een afdak waaronder ook biervaten waren opgestapeld. De volgende nacht, het was een zaterdag, vond ik de Bürgerbräukeller een dansavond plaats. Ik kocht een toegangskaartje, ging de zaal in en trok recht naar de galerij waar ik de klokken in de bergplaats verstopte, vlakbij het muziekpodium en vandaar bekeek ik de dansers. Na afloop trok ik mij weer in mijn schuilplaats terug en wachtte ik een half uur tot er zeker niemand nog in de zaal was. Toen ik echter de klokken in de zuil wilde inbouwen stelde ik vast dat de ruimte daarvoor te smal was. Ik heb mijn klokken maar weer ingepakt en gewacht tot het morgen werd. Thuis heb ik de klokken dan afgerond en geveild. Op zondag 5 november terug naar de Bürgerbräukeller waar weer gedanst werd. ’s Nachts plaatste ik de klokken die deze keer pasten. Tot slot moest ik de klokken die bij het transport waren blijven staan weer op gang brengen en juist afstellen. Op 6 november was ik daarmee klaar, ’s morgens om zes uur.
Mijn man en ik hebben Georg gevraagd wat hij eigenlijk van zin was. Hij zei alleen dat hij vlug weg moest zijn. Waarschijnlijk naar Zwitserland. Toen we het hem vroegen waarom, heeft hij alleen maar gezegd:"Ik moet." Dan heeft hij nog gezegd: er is niets aan te doen.
Van het station ben ik regelrecht naar de Bürgerbräukeller gegaan. Ik heb ’s nachts alleen alles nog eens gecontroleerd. De klok werkte. De volgende morgen kocht ik een reiskaartje derde klas naar Friedrichshafen. Ik kon niet langer in Duitsland blijven. Ik wou in Zwitserland zijn voor mijn klokken het ontstekingsmechanisme in gang zouden zetten. Zwitserland. Ik kende de. grensovergangen naar Zwitserland sinds ik in Konstanz had gewerkt. Ik bereikte Konstanz met de stoomboot. Het was acht uur.
Toen Hitler zijn redevoering begon stond ik met een paar collega's buiten aan het toilet een sigaret te roken. We bleven staan ook toen het Deutschlandlied werd gezongen. Pas toen we hoorden dat er stoelen werden verschoven zijn we weer in de zaal gegaan. Vroeger ging Hitler na zijn redevoering naar boven, naar de kleine zaal waar er veel van zijn oud-strijders zaten -ongeveer vijfhonderd- die hadden zijn redevoering alleen via de luidsprekers gehoord en ze hadden hem dus niet direct kunnen zien. De 8ste november 1939 trok Hitler echter niet meer naar boven. Hij verliet direct na de redevoering die veel korter was dan anders de grote zaal door de hoofdingang. Hij had haast, zeiden ze later. Hij moest zo vlug mogelijk met de trein naar Berlijn en dat hij eigenlijk niet naar München had willen komen deze keer omdat de generaals moeite hadden met de aanvalstermijn in het Westen. Daarom was hij ook vroeger met zijn toespraak begonnen en had hij zo snel gesproken. Toen hij met zijn staf weg was, wilde ik net de tafel afruimen, vlak voor Hitler zijn zuil. Toen ik tien kruiken wilde meenemen was er een luchtverplaatsing die mij naar de uitgang smeet. Stenen vlogen boven mijn hoofd, overal puin en een stofwolk liet mij bijna stikken. Achter mij was het hele plafond ingestort. Acht doden waren er en meer dan zestig gewonden.
Dat heb ik niet gewild- dat heb ik niet gewild!
Het was ongeveer 20.45u. We zaten voor het open raam van het Wassenberghuis toen we de man zagen. Mijn collega sprong recht en riep naar de man. Die deed nog een paar stappen van de perelaar tot aan de appelboom en dan bleef hij staan. Mijn collega vroeg wat hij hier te zoeken had. De man zei dat hij verdwaald was.
Ik werd door een ambtenaar die mij eerst alles afnam wat ik bij had naar een dienstvertrek gebracht. Daar werd ik gearresteerd.
In de zakken van de gearresteerde werd het volgende gevonden: 1 nijptang, 1 harde worst, enkele muntstukken, enkele stukjes metaal, spiraalveertjes, bouten en schroeven en ook een onbeschreven prentkaart van de zaal van Bürgerbräukeller in München.
Wat ik toen heb gedaan weet ik niet meer
Hij zat in het midden van de kamer op een stoel. Ik zou hem nauwelijks herkend hebben. Zijn gezicht was gezwollen en bont en blauw geslagen. Ook zijn voeten waren gezwollen en ik denk dat hij daarom op een stoel zat. Hij kon bijna niet meer staan. Een ambtenaar ging achter hem staan en gaf hem voortdurend een stomp in zijn nek of in zijn rug om hem te doen spreken. Ik ben ervan overtuigd dat hij alleen gesproken heeft omdat hij bang was voor slagen.
Ik wou de leiding raken maar dat is mij niet gelukt.
Reeds drie dagen na de aankomst van Elser in het kamp van Dachau bezorgden wij hem een cel die eigenlijk tot een kleine schrijnwerkerij werd omgetoverd. Dat moest zo van hogerhand. Er werd gezegd dat Elser na de 'Endsieg" als kroongetuige zou moeten optreden in een monsterproces tegen de Engelsen. Men wilde niet geloven dat hij de aanslag alleen had gepleegd; ze wilden hoe dan ook de aanslag in de schoenen van de Britse geheime dienst schuiven. Tot dan moest Elser goed geconserveerd worden. Twee dagen na zijn aankomst kreeg hij de cither die hij reeds in Sachsenhausen had gemaakt. Hij bleef de hele dag in zijn cel, sneed figuren maakte poppenkamers voor de kinderen van de bewakers. 's Avonds speelde hij altijd cither. Huiveringwekkend was het als hij speelde. Liederen uit Wenen. " Irgendwo, auf der Welt, gibt's ein kleines bisschen Glück. Ein bisschen Seligkeit."
Ik moet u toch eens iets vragen, meneer Lechner. U zult het zeker weten. Wat is er nu eigenlijk beter: het vergassen, ophangen of een nekschot?
Op een dag toen ik weer dienst had en mijn rondgang deed kwam er een bode aangelopen. Elser moet verhoord worden, en hij knipoogde. Ik wist het direct. Dat is het einde.
Berlijn 5 april 1945. Een schrijven van de Gestapo aan de commandant van het concentratiekamp Dachau. Betreft onze begunstigde gedetineerde Georg Elser. Bij de volgende terreuracties in de omgeving van Dachau is Elser blijkbaar dodelijk verongelukt. Ik verzoek u Elser op een zeer onopvallende wijze te liquideren.
Ik opende de cel van Elser en ik zei: mijnheer Elser, u moet verhoord worden. Hij draaide zich om en vroeg heel onschuldig: moet ik iets meenemen meneer Lechner? Ik zei hem: U hoeft niets mee te nemen, u bent dadelijk weer terug. Ja, zei hij, dat is goed. Zo ging hij weg. Hij nam geen afscheid van mij en ik ook niet van hem want dat zou hem direct opgevallen zijn.
Elser werd langs de elektrisch geladen omheining weggeleid, voorbij de poort van het kamp; hij stak de kampplaats over. Dan kwam er een stenen muur, daarin een kleine ijzeren deur, daarachter bevond zich een crematorium, een heel onopvallende bouw. Als je de ijzeren deur opende kwam je in een kleine bureau, een soort ontvangstkamer zodat de gevangene het gevoel had dat hij voor een verhoor kwam. Hier zat de onderofficier die tegen de gevangene zei: ‘Komt u mee.” En hij leidde hem dan naar een executieruimte. Iedereen die bij ons geëxecuteerd werd, moest zich uitkleden. ‘U moet eerst een bad nemen want u wordt naar een ander kamp gebracht,’ was de uitleg. Als de gevangene dan naakt was en onder de douche ging staan werd hij -zonder het te vermoeden- neergeschoten. Nekschot. Elser zal op deze manier zijn omgebracht.
Georg Johan Elser stierf op 9 april 1945. Twintig dagen voor de bevrijding van Dachau door de Amerikanen.

Deze tekst is gebaseerd op de Radio-drama productie van Sender Freies Berlin 'Ein Deutsches Schicksal' geschreven door Valerie Stiegele. Marc Colpaert maakte de vertaling van de oorspronkelijke brochure.
Bezoek:
https://www.georg-elser.de/georg-elser/georg-elser-lebensdaten

Befehl zur Ermordung Georg Elsers, Schreiben des Chefs der Geheimen Staatspolizei Heinrich Müller an den Kommandanten des Konzentrationslagers Dachau, Berlin, 5. April 1945.
Georg Elser wird am 9. April 1945 erschossen. Am selben Tag werden im KZ Flossenbürg Dietrich Bonhoeffer, Wilhelm Canaris, Karl Sack und andere Widerstandskämpfer sowie im KZ Sachsenhausen Hans von Dohnanyi ermordet. Die NS-Führung will nicht, dass ihre schärfsten Gegner überleben und die Zukunft mitgestalten können. Georg Elser wird erschossen, weil er als erster dem Ziel, Hitler zu töten, denkbar nahe gekommen ist.
Quelle: Institut für Zeitgeschichte, München, ZS/A-17/5










































































































































































