De stilte als vindplaats (3)

Eigen foto Gmt
Wat is een gedicht?
 Een verstekeling in
 de stilte,
 op woorden betrapt.

(G. van der Graft)

De vindplaats een naam geven. Zeggen we: een gedicht. Het hoort perfect thuis in de stilte, maar…het blijft een ‘verstekeling’. Het ver-breekt de stilte. De woorden ervan verbergen zich in de stilte. Ze horen bij de stilte, zijn wellicht uit haar ontstaan maar verraden haar ook, doorbreken haar.

Toch kunnen ze niet zonder elkaar. Wellicht is het de bedoeling om met die woorden de essentie van de innerlijke stilte te benaderen, haar als water of vruchtbare aarde te beschouwen waaruit de woorden naar hun innigste betekenis zoeken, alle overbodigheid vermijden, om na hun verschijnen opnieuw in de stilte te verdwijnen

Maar…ze blijven ‘verstekelingen’. Blinde passagiers. Eens ontscheept (gelezen dus) bestaat de kans dat ze voor lange tijd bij jou blijven wonen.

Echter…eens het gedicht, of…de muziek in jouw wezen thuis is gekomen, verandert de wereld. De Zweedse dichter Lars Gustavson beschijft dat proces in ‘De stilte van de wereld voor Bach’. De muziek die zelfs het woord overstijgt.

"Er moet een wereld bestaan hebben voor
de Triosonate in D, een wereld voor de partita in A mineur,
maar hoe zag die wereld er uit?"

Hier kun je naar die prachtige triosonate luisteren:

DE STILTE VAN DE WERELD VOOR BACH
 
Er moet een wereld bestaan hebben voor
de Triosonate in D, een wereld voor de partita in A mineur,
maar hoe zag die wereld er uit?
Een Europa van grote lege vertrekken zonder weerklank,
overal onwetende instrumenten
waar Musikalisches Opfer en Das Wohltemperierte Klavier
nooit over een claviatuur waren gegaan.
Eenzaam gelegen kerken
waar de sopraanstem uit de Johannes Passion
zich nimmer in hulpeloze liefde slingerde
rond de mildere windingen van de fluit,
weidse zachtmoedige landschappen
waar alleen oude houthakkers met hun bijlen te horen zijn
het gezonde geluid van sterke honden in de winter
en - als een slingerklok - schaatsen klauwend in glansijs;
zwaluwen schermend in de zomerlucht
schelp waar het kind aan luistert
en nergens Bach, nergens Bach
schaatsstilte van de wereld voor Bach.
 
(uit De stilte van de wereld voor Bach, Lars Gustavson, vertaling en samenstelling  J, Bernlef, 1988)

De aria 'Zerfließe, mein Herze' uit de Johannes-Passion, hier uitgevoerd door de Nederlandse Bachvereniging voor All of Bach. De Johannes-Passion was de eerste passiemuziek die Bach als cantor in Leipzig schreef. Het passieverhaal zoals dat wordt verteld in het evangelie van Johannes, verschilt van dat in de drie andere evangeliën – die van Matteüs, Lucas en Marcus. De nadruk ligt bij Johannes op de goddelijke afkomst van Jezus. Door het lijden heen blijft die goddelijke afkomst steeds een rol spelen, Jezus wordt nergens zo menselijk als in de andere evangeliën. 
Poetry of silence from Jaume Plensa i Suñé

Uit ‘The Aesthetics of Silence’ van Susan Sontag (1933-2004)

“De keuze van de voorbeeldige moderne kunstenaar voor stilte wordt zelden doorgevoerd tot dit punt van uiteindelijke vereenvoudiging, zodat hij letterlijk stil wordt. Typischer is dat hij blijft spreken, maar op een manier die zijn publiek niet kan horen…”

“De chronische gewoonte van de moderne kunst om haar publiek te ontstemmen, provoceren of frustreren kan worden gezien als een beperkte, plaatsvervangende deelname aan het zwijgideaal dat in de hedendaagse esthetiek is verheven tot een belangrijke norm voor “ernst”.

“Maar het is ook een tegenstrijdige vorm van deelname aan het zwijgideaal. Het is niet alleen tegenstrijdig omdat de kunstenaar kunstwerken blijft maken, maar ook omdat de afzondering van het werk van zijn publiek nooit duurt… Goethe beschuldigde Kleist ervan dat hij zijn toneelstukken had geschreven voor een “onzichtbaar theater”. Maar uiteindelijk wordt het onzichtbare theater “zichtbaar”. Het lelijke, disharmonische en zinloze wordt “mooi”. De geschiedenis van de kunst is een aaneenschakeling van succesvolle overtredingen.”

Illustration by John Vernon Lord from a rare edition of Through the Looking-Glass and What Alice Found There.

The exemplary modern artist’s choice of silence is rarely carried to this point of final simplification, so that he becomes literally silent. More typically, he continues speaking, but in a manner that his audience can’t hear…

Modern art’s chronic habit of displeasing, provoking, or frustrating its audience can be regarded as a limited, vicarious participation in the ideal of silence which has been elevated as a major standard of “seriousness” in contemporary aesthetics.

But it is also a contradictory form of participation in the ideal of silence. It is contradictory not only because the artist continues making works of art, but also because the isolation of the work from its audience never lasts… Goethe accused Kleist of having written his plays for an “invisible theatre.” But eventually the invisible theatre becomes “visible.” The ugly and discordant and senseless become “beautiful.” The history of art is a sequence of successful transgressions.

‘The Aesthetics of Silence’ van Susan Sontag (1933-2004)

“Stilte” houdt nooit op haar tegendeel te impliceren en afhankelijk te zijn van haar aanwezigheid: net zoals er geen ‘op’ kan zijn zonder ‘neer’ of ‘links’ zonder ‘rechts’, zo moet men een omringende omgeving van geluid of taal erkennen om stilte te herkennen…

“Een echte leegte, een pure stilte is niet haalbaar – niet conceptueel en niet feitelijk. Alleen al omdat het kunstwerk bestaat in een wereld die is ingericht met vele andere dingen, moet de kunstenaar die stilte of leegte creëert iets dialectisch produceren: een volle leegte, een verrijkende leegte, een resonerende of welsprekende stilte. Stilte blijft, onontkoombaar, een vorm van spreken (in veel gevallen van klagen of aanklagen) en een element in een dialoog.” (ibidem)

A binaural torso for spatial recording inside the anechoic chamber at Orfield Laboratories.Credit…Alec Soth/Magnum, for The New York Times

De ’totale’ stilte maakt je inderdaad gek. De ervaringen in ‘de dode ruimte’ van een studio, een plaats met 0,0 echo-waarden, zijn geen waarborg voor een prettige verblijfplaats.


“You’ll hear your heart beating,” Orfield was quoted as saying. And: “In the anechoic chamber, you become the sound.” The experience was so “disconcerting,” The Daily Mail reported, that no one had ever “survived” a visit of longer than 45 minutes. (NY Times Could I survive the quietest place on earth?)

De geluiden van het dagelijks leven zijn dus niet altijd onmiddellijk storend, al verkies ik graag de stilte van het bos boven de ritmes van voorbijflitsende wagens op een autoweg. En luister naar deze opname:

De ‘drukke’ wereld blijft aanwezig, maar de rust van het kabbelend water zal je zonder veel moeite naar een bucolisch landschap voeren. Stilte is ook je van de drukte en haar geluiden kunnen ontdoen door je te concentreren op je al dan niet scheppend werk, om je innerlijke wereld vanuit de verworven stiltes ook te kunnen wapenen tegen het alledaagse geweld. De stilte van je innerlijk bestaan.

Johan Christian Dahl, Noors landschap met regenboog, 1821, Statens Museum for kunst, Kopenhagen

“Wanneer hij eenmaal is begonnen met praten, is het lastig Zwagerman te onderbreken. Voorbeelden van stilte in de literatuur, in zijn eigen werk of dat van Gerard Reve, en stilte en verdwijning in de kunst, zoals bij perfomance-kunstenaar Marina Abramovic, omschrijft hij kleurrijk.
‘Door zielsverhuizing weet je pas wat stilte is. Luister maar naar Prince, een volbloed romanticus. In een nummer dat If I was your girlfriend heet, eindigt hij met de zin ‘Now I know what silence looks like’. Kortom: de ik-figuur probeert door de stilte en in de stilte zijn geliefde te bereiken. En niet door zijn geliefde te bezitten en haar te willen, maar door de ander te willen zijn.’ Zelf hoopt hij nu een aanstekelijk beeld voor de lezer te hebben beschreven van deze zoektocht naar de stilte.”

(Het Parool: Laatste gesprek met Joost Zwagerman: over stilte en zelfverdwijning. Aimée Plukker en Kim Visbeen 10 sept. 2015)





Kunst en ontroering, een verkenning

Rik Wouters, Portret van Rik [zonder hoed], [1911], olieverf op doek, 30 x 32 cm, Privéverzameling – Foto: Vincent Everarts Fotografie Brussel

Er is vooreerst de stad. Mechelen. Hendrik Wouters is er geboren. Op 21 augustus 1882.

Rik gaat op twaalfjarige leeftijd in de leer bij zijn vader, die meubelmaker is. Enkele jaren later trekt hij naar de academie van Mechelen. Van 1900 tot 1905 volgt hij de hogere artistieke opleiding aan de academie in Brussel. Hélène of Nel Duerinckx vertelt zelf, in haar “Memoires”, hoe zij op zestienjarige leeftijd de jonge academiestudent verleidt. Rik en Nel trouwen en gedurende meer dan 5 jaar leven zij in moeilijke omstandigheden in Bosvoorde aan de rand van het Brusselse Zoniënwoud. (erfgoedinzicht.be)
Rik Wouters, Dame in het blauw voor een spiegel, [1914], olieverf op doek, 121 x 123 cm Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel, legaat mevr. Delporte-Livrauw en dr. Franz Delporte, 1973-76, Foto: J. Geleyns-Ro scan

Er is zijn andere draden dan de naam van een stad: de innerlijkheid waarmee hij je aankijkt. Niet verwonderd, noch boos, eerder nieuwsgierig. Sinds 1911 heeft hij honderdduizenden aangekeken vanuit dat jaar dat in de nabijheid van de Grote Oorlog in 1914 zijn mobilisatie nodig maakte. Zijn wanhopige brieven aan Nel. Schilderen of beeldhouwen had op dat moment nog weinig betekenis. En de hoofdpijn, de steeds terugkerende hoofdpijn. Hij wordt uiteindelijk in Nederland geïnterneerd.

In het najaar van 1915 werd de oorzaak van zijn fatale ziekte duidelijk geworden: kanker in het bovenkaakbeen. Hij kreeg een - naar hij dacht - 'gratis operatie' aangeboden (betaald door kunstverzamelaar Eppe Roelfs Harkema), op 4 oktober uitgevoerd door de toen beroemde chirurg Prof. Rotgans; een maand later schilderde hij met slechts één oog zijn bekende Zelfportret met de zwarte ooglap, waarin de focus lag op de niet-verminkte kant van zijn gezicht (Wikipedia)
Rik Wouters, Rik met de zwarte ooglap, 1915, KMSKA, olieverf op doek, 102 cm x 85 cm – CC0, beeld artinflanders.be, foto Hugo Maertens

Neen, het wordt geen aflevering rond leven en werk van Rik Wouters al kan ik je lectuur en exploratie rond zijn persoon, liefde voor Nel en werk ten zeerste aanraden. Ik wilde graag op zoek gaan naar mogelijke verbindingen met de vraag: welke onzichtbare draden verbinden de kunstenaar met de kijker-lezer-luisteraar? Wat veroorzaakt die verbinding? Waar en waarom kan hij/zij ons beroeren, vervoeren en ontroeren? En laat ons spaarzaam zijn met moeilijke woorden, we hebben onze lesjes intussen wel geleerd (zie vorige aflevering, de tekst van Verschaffel) Er is dus niet één juist antwoord, maar elke aandachtige kijker zal op zijn (haar) manier die mogelijke verbinding, of de afwezigheid ervan, al dan niet kunnen aanvoelen, zonder woorden. En of het nu om schilderkunst, muziek, of literatuur gaat, bekijk-beluister ze onder dezelfde noemer. Daarom geen wegwijzer maar een verzameling mogelijkheden. Een (voorlopige) verkenning.

Rik Wouters, Zittende vrouw bij het venster / Portret van Nel Duerinckx, de vrouw van de kunstenaar, 1915, MSK Gent, olieverf op doek, 96,2 cm x 74,6 cm – CC0, foto Michel Burez
‘Ontroering heeft iets buitengewoon intrigerends. Wat is het toch dat een grap, een vondst, een gebaar, een foto, een schilderij, een paar regels, dat die iets teweeg kunnen brengen, iets onverhoeds kunnen laten gebeuren dat lijkt op het losspringen van een slot. Een op het eerste gezicht onbetekenende sleutel past op een slot waarvan je niet wist dat je dat in je omdroeg. Ik ben al lang nieuwsgierig naar die sleutels en die sloten, dat mechaniek van de klik.’

Rutger Kopland ‘Het mechaniek van de ontroering’


IK BEN JE VRIEND

Mors nog wat wijn op tafel, veeg de kruimels samen,
steek de tandenstoker in het kaarsvet van de kaars
die flakkert tussen ons. We zijn nog eens bijeen,
je bent nog steeds een vriend en ik verraad je niet.

Je hebt gelijk, elk jaar is minder licht en moeizamer
ontwaken, we drinken minder dan voorheen,
we praten zachter als de nacht ons insluit
in het heden. Maar je bent nog steeds
een vriend voor heel het leven en
vergeet je niet - ik niet.

Luister naar het kraken van de klimboom
in de tuin, grijp het rafeltouw
tussen de takken met beide handen vast
en zwaai over de vijver naar de overkant.

Ik ben je vriend. Ik zal je vangen.

Marc Reugebrink uit 'Om honing gaat het niet' (2023)

Après-midi à Amsterdam. (1915)

De literatuur is niet bij machte ons te verlossen uit ons lijden. Ze is niet bij machte van ons iemand anders te maken, om de wereld te veranderen, om datgene te doen wat schrijvers in het verleden allemaal hebben beweerd dat literatuur zou kunnen doen. Maar literatuur is wél bij machte ons te laten zien wie we zijn, zelfs als we dat niet willen zijn. Ze laat ons de paradox ervaren waarbij we ieder voor zich bestaan. Ze geeft vorm aan het menselijk tekort en stelt zo scherp wat we in onze alledaagse beslommeringen gewoonlijk vergeten.

Uit: Marc Reugebrink, Het geluk van de kunst (2012)
Bezoek:

Poëzie & tranen

Foto door Pixabay op Pexels.com

Sprekend over de directheid, de ‘onmiddellijkheid’ van sommige schilderijen zegt Francis Bacon:

‘One of the things I’ve always tried to analyze is why it is that, if the formation of the image that you want is done irrationally, it seems to come onto the nervous system much more strongly than if you know how you could do it. Why it is possible to make the reality of an appearance more violently in this way than by doing it rationally? Perhaps it’s that, if the making is more instinctive, the image is more immediate.’

Nieuwsgierig om het artikel te lezen?

https://www.dbnl.org/tekst/_tir001199001_01/_tir001199001_01_0047.php

Left: Study after Velazquez’s Portrait of Pope Innocent X, by Bacon 1953. Right: Portrait of Pope Innocent X, by Velazquez 1650
 
WAT ZIJ BEDOELEN

Schilders schilderen wanneer zij
't kunnen 
't engelgezicht van wie zij beminnen

maar ik die niet schilder
wat moet ik beginnen

In lied in muziek klinken tonen van liefde

die 't luisterend oor van beminden bekoren

maar ik die niet speel

kan mij niet laten horen

Anderen zijn er die fijn kunnen spreken

en schalks en levendig wat zij bedoelen

kunnen vertellen

ik kan 't alleen voelen

Want mij werd tot nu toe het lot slechts beschoren
om ver van je weg en in somber verlangen

met onzichtbare draden

aan je beeltenis te hangen

Jan Hanlo (1912-1969)
Foto door pedro18 op Pexels.com

Ook dichter en auteur J. Bernlef schreef in Tirade, jaargang 34 1990, over ‘Ontroeringen’. Je kunt het artikel zelf lezen via de wegwijzer hieronder. Het eindigt zoals het begon, helemaal in stijl:

“Zowel aan de kant van de ontvanger als van de zender van ‘ontroeringen’ zijn de processen dus in neurologische nevelen gehuld.
Ik ben daar niet eens zo rouwig om. Want is ontroering wel het hoogste goed in de kunst? Zijn kunstwerken die in hun geheel een grote, gelijkmatig verdeelde gevoeligheid bij de ontvanger veroorzaken, zonder dat hij precies weet waar het hem nu in zit, niet eigenlijk te prefereren?
Ik weet niet goed waar het ontroerende in Vermeers of Saenredams schilderijen nu precies in schuilt. Als ik aan die schilderijen denk, denk ik aan hen als aan een geheel, nooit als aan een deel dat meer spreekt dan een ander deel. Het is juist deze geheimzinnige som der delen die meer is dan die delen afzonderlijk die het hem doet.
Ja, ik weet eigenlijk wel zeker dat die gelijkmatig verdeelde sensibiliteit het kenmerk van het ware, het misschien wel absolute is.
Ik sta op en zet Bach’s Wohltemperierte Klavier, gespeeld door Sjaroslav Richter, op en vergeet alles.”

https://www.dbnl.org/tekst/_tir001199001_01/_tir001199001_01_0047.php




Pieter Jansz Saenredam. Interior of St. Bavo Haarlem
Studie (Stefan Hertmans)
 
Haar horen spelen in het
 afnemend licht, bedenkend
 dat deze rijen en rijen
 dansende noten op het blad
 de meesters van haar vingers zijn,
 
en opgehouden.
 
Ik hield op - herhaling
is een opmaat voor verdwijnen.
 Alleen het luisteren biedt meer.
 
 Ze speelt. Een zich door muren
heen voortplantend hardop denken,
uitbreidende vlek welluidendheid.
 Haar jeugd gebogen boven
 zwart en wit,
 
 Mendelssohn en Ravel, en dan
steeds weer dat onbekende
dat mij kwelt.
Meisje aan de piano. 1879. Jacob Maris

Voor de fijnproevers: Herman Parret, filosoof, emeritus gewoon hoogleraar aan het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte van Universiteit Leuven,, schreef in 2004 een mooie verhandeling: ‘Beroering en ontroering. Over de zinnelijkheid van het gemoed.’ Een fragment:

“Het gewone, alledaagse leven wordt gekenmerkt door redundantie, herhaling en eentonigheid. Tegen die achtergrond wordt de guizzo ervaren als een fractuur. De alledaagse tijdelijkheid wordt beleefd als een ongeritmeerde lijn waarop het nu-moment ononderbroken en als vanzelf naar een toekomst van verwachtingen toegaat. De guizzo onderbreekt deze tijdslijn en voert spanning en onverwachtheid in. De guizzo is breuk, fractuur: het sostenuto van de banale tijd wordt opgeheven, onrust en spanning kleuren het gemoed, een cataclysme dreigt. Het woord guizzo duidt op plotsheid (denk aan het spartelen van het visje dat uit het water wordt gehaald), op een schoksgewijze ritmering van het tijdsverloop, op een fractuur dus waarvan het momentane het hele zielenleven opslorpt. Het plotse van de guizzo schort de lineaire tijd op en doet de ruimte verstijven. Bij deze culminatie van aisthèsis wordt de blik verblind. Inderdaad, bij een intense esthetische ervaring sluit je de ogen. En die esthetische verblinding (éblouissement) activeert onze andere zintuigen: de geurende jasmijn, de vallende regendruppel, de fluwelen wang zijn niet langer figuren van de zichtbare wereld, maar sensibilia die zich richten op onze intieme zintuiglijkheid die ruikt, luistert, voelt.”

Zestien pagina’s voor fijnproevers vind je als pdf:

…met het mooie slot:

“De sleutel tot het geluk ligt in de ontroering en beroering van het zinnelijke gemoed, in het gegrepen worden door de schoonheid van de aisthèta, binnen de affectieve gemeenschap die ons aller deel is.”

“Een filosofie van het zinnelijke gevoel doet twee dingen: zij onttroont het oog om in dezelfde beweging de hand op te waarderen; zij relativeert de machten van het zien, die in de geschiedenis van de Westerse metafysica steeds bovenaan in het vaandel stonden, en herwaardeert het tactiele, het haptische met zijn rijke variëteit aan synesthesieën. ‘We moeten ons eraan gewennen’, zo schrijft Merleau-Ponty, ‘dat al het zichtbare gesneden is in het tastbare (tout visible est taillé dans le tangible)’. In dit perspectief heeft de hand meer verbeelding dan het oog. Aanwezigheid is dan in de eerste plaats tastbare aanwezigheid.” (Herman Paret, Beroering en ontroering. Over de zinnelijkheid van het gemoed.)