EEN MOERAS VAN VERWARRING

dyn003_original_405_548_jpeg_20344_cfbd783bbb51db61a033bb73adc31ced

Om de variatie aan stijlen en voorkeuren te illustreren deze twee afbeeldingen.
Het prachtige jongensportret is inderdaad een portret van een adelijk ventje maar het is intussen ver weg van de wapenrok dragende of in hermelijn gestoken kinderportretten waarin de nazaten de macht van de verwekker beklemtoonden.

Dit is een erg kwetsbaar portret.
Een jongen op de rand van het kind en de puber, heel vrouwelijk en toch met een zeker dedain in zijn houding, draait zijn hoofd naar de schilder.

dyn003_original_314_700_jpeg_20344_72925a63ae5556c377b73249f603516f

Bij de bewonderaars van Rafael wilde men terug naar de idealistische en symbolische verbeelding: de esthetische middeleeuwen vemengd met Grieken en laat 18de eeuwse romantici.

Maar ook zij vulden een leemte die een wereldmacht met haar strikte zin voor de werkelijkheid en niets dan de werkelijkheid ontbeerde: de droom, de vluchtheuvel waarin de zogenaamde decadentie zonder enige schroom het over lijven en liefde kon hebben.

Kunst is vaak een uitvlucht.
De esthetica diende dikwijls als schutkleur voor de drang naar mooie en liefst zo weinig mogelijk geklede mannen en vrouwen, of om de niet aanvaarde codes van het bourgeois bestaan te omzwachtelen met een parallelwereld waarin die mogelijkheden konden getoond worden.

Trek je die dromen verder uit, rek je ze tot aan de goddelijke verbeelding dan beland je inderdaad in een moeras van verwarring.

In 1902 schreef William James zijn The Varieties of Religious Experience en daarin citeer ik hem:

‘Door op mijn bescheiden manier trouw te blijven aan dit al te grote geloof, heb ik het gevoel dat ik gezonder van geest en oprechter blijf.’

Dat was klare taal.
Het grapje ging overigens dat William schreef als een romanschrijver terwijl zijn broer Henry als een typische (lees onbegrijpelijke) filosoof schreef.

dyn003_original_600_578_jpeg_20344_dc7779cfc20b51893bba034b9c8176f5

Het doet oneer aan de verfijnde stijl van Henry, maar het maakte duidelijk dat de menigte die Williams lezingen bijwoonde zijn taal en filosofie begreep en waardeerde.

Kwam de religie ter sprake dan werd hij een vermetele gokker, schrijft Peter Gay in het eerder geciteerde boek.
Zo hevelde hij het argument van Pascal over naar het tijdperk van de wetenschap.

Pascal immers beweerde dat een mens in het debat over het bestaan van God dit bestaan maar beter kan bevestigen, want als hij wel bestaat kan een mens nog hoop op verlossing koesteren, en als hij niet bestaat, is er niets verloren.

Niet voor niets heeft Pascal de rekenmachine uitgevonden!

In The Sentiment of Rationality zegt hij dat het geloof zijn eigen verificatie schept.
Geef mogelijkheden een kans, was zijn stelling.

Dergelijke stellingen dreven hem in de armen van de mystiek.
Vergeet echter niet dat hij in 1884 lid werd van de Society for Psychical Research, twee jaar eerder opgericht door de vermaarde filosoof en feminist Henry Sidgwick.

Zij ontmaskerden dansende tafels en andere wonderlijke taferelen en onderwierpen allerlei contacten met de ‘andere’ wereld aan een kritisch onderzoek.

Maar noch Sidgwick, noch James vervielen in een wetenschappelijk rationalisme, deels omdat die wereld hen bleef intrigeren, deels omdat ze zich door wetenschappers in de steek voelden gelaten.

“…we zijn niet bereid om even gedwee te buigen voor de loutere vooroordelen van mannen van de wetenschap.” was hun stellingname.

Die pretentie siert tot op de dag van vandaag diezelfde wetenschap die net als bepaalde lieden van het vrije woord een eigen religie van vooroordelen hebben geschapen.

Je had spiritisten die lid werden van het genootschap maar die al vlug botsten met hun ruimer denkenden collegae.


10

Sidgwick en gezellen deden voortreffelijk speurwerk en onderwierpen ongeloofwaardige gebeurtenissen aan kritische proeven terwijl de christelijke leden er zeker van waren dat hun onderzoekingen zouden bevestigen wat ze reeds geloofden. (Peter Gray)

Tussen al die spanningen ontmaskerden ze echter allerlei mediums en publiceerden ze een vernietigend rapport over madame Blavatsky.

Toch was de Society eerder een symptoon van een cultuur die op godsdienstig gebied onherstelbaar verscheurd was, dan een belofte van bruikbare kennis, zegt Gray.

De academici en andere geleerden die het genootschap leidden waren niet representatief voor het merendeel van de burgers uit de middenklasse.

En degenen die in een traditionele God bleven geloven en zij aan de andere kant die de secularisatie omarmden konden al dit tumult met enige afstandelijkheid bekijken.

Het middengebied echter was een moeras van verwarring.

Spiritisten kwamen uit alle richtingen: uit het katholicisme, het calvenisme, het lutheranisme, uit het ortodoxe jodendom, het atheïsme en het deïsme.

In 1906, zes jaar na de dood van Sidgwick zei John Maynard Keynes:

‘Alles wat hij ooit gedaan heeft, is zich afvragen of het christendom op waarheid berustte, bewijzen dat niet zo was en hopen dat het wel zo zou zijn.”

Er was dan nog de tegenstelling tussen het geloof van de boeren- en buitenklasse in tegenstelling met het groeiende ongeloof van de emanciperende arbeidersklasse, zodat je in deze melange niet dadelijk van één of een gemeenschappelijk religieus Victoriaans beeld kunt spreken.

Maar er werden duidelijk allelei wegen bewandeld of aangelegd, en die wezen naar een drang om de mens en het hogere op een of andere manier met elkaar te verzoenen.

Over de Victoriaanse angsten hebben we het nog niet gehad, maar als ik denk aan de honderdjarige oorlog tegen de ‘onanie’ dan wordt het duidelijk dat in het fin du siecle toen er allerlei angsten heersten die zich in ons fin de siecle ook nog hebben voorgedaan of zich volop manifesteren.

Toen was er een eerste wereldoorlog die volgens velen ‘zuiverend’ zou werken, en hopen we nu maar dat die waanbeelden niet opnieuw dit fin de siecle laten uitdoven in een mondiaal conflict.

Je kunt de toen heersende religieuze tegenstellingen, of zeg ik beter ‘ideologische confrontaties’ makkelijk vergelijken met wat zich nu afspeelt tussen de politieke machten die religie als wapen gebruiken, iets wat niet dadelijk met vooruitgang heeft te maken.


VAN MODEL NAAR DE ERVARING

dyn002_original_428_462_jpeg_20344_27d112813dabdd06f891c6d033c6f791

De behoefte om te geloven.
Zo noemt Peter Gay in zijn boek ‘De eeuw van Schnitzler’ de voornaamste Victoriaanse kentrek.

Als voorbeeld van die behoefte haalt hij de filosoof WILLIAM JAMES aan (broer van de auteur Henry James), de meest gelezen en gerespecteerde Amerikaanse filosoof en psycholoog uit het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw.

dyn002_original_300_300_jpeg_20344_2e2ad8212c0f90f191532a13a71fc4f5

We kennen hem nog onder de naam van ‘het pragmatisme’ en daarvan vond ik een mooie verklaring in een Engelse cultuurkrant:

Pragmatism is nothing more or less than a method for testing ideas by challenging them to make a difference in our experience of the world. Any concerted intellectual project–be it philosophy or law, architecture or criticism–should not bypass what James called “the rich thicket of reality” by incanting magic “solving names”; he cited “God,” “Matter,” “Reason,” “the Absolute,” and “Energy,” but we might recognize “authorship,” “sign,” “transgression,” “space,” and “the virtual” as well. To James, ideas, however lofty, prove themselves to be true only when they are carried all the way back down to Earth, examined in the clear light of human doubt, and are shown to perform.’

Samengevat, dat rich thicket of reality paste hij dan ook zonder enig compromis toe in zijn eigen leven.

‘Hij was de meest persoonlijke en autobiografische van alle denkers, die zijn filosofie openstelde voor zijn diepste persoonlijke drijfveren – veel openlijker dan onder zijn collega’ s gebruikelijk was.’

Peter Gray De eeuw van Schnitzler, pagina 240

Dat lijkt nu eenvoudig, maar on-Engels was het tot en met.
Engelsen hielden (of houden) van duidelijke modellen: het is wit of zwart, maar alle tinten van grijs zijn ons te moeilijk.

In de schilderkunst zagen we hoe schilders die rollen of symbolen doorbraken toen ze op zoek gingen naar de essentie, naar de synthese die uiteraard bestaat uit variaties en nuances.

dyn002_original_600_457_jpeg_20344_e7503518c673309dfb586b7a42b955a2

De schilder en zijn model van William Orpen was dan ook een shockerend werk, want het naakt zat daar bijna keuvelend in de zetel en was inderdaad een vrouw zonder kleren terwijl het meestal als symbool voor vaderland en hogere ideeën gold (gelden wel, maar natuurlijk was dat ook een dekmanteltje voor de gewone mannelijke nieuwsgierigheid, al is het woord ‘dekmantel’ hier bijzonder grappig als we het over het ‘naakt’ hebben!)

Ik zeg het een beetje simpel want we moeten niet denken dat je die twee klassen, de conserevatieven en de modernisten had waarvan de enen het moeilijk hadden om naar de twintigste eeuw over te stappen en de anderen niet snel genoeg in de twintigste konden zijn .

Dat is een simplistisch denken.
Er waren mensen die gek waren van de landschapsschilders van Barbizon maar geen goed woord voor andere impressionisten over hadden, wegens te slordig of te achteloos.
Anderen bewonderden Van Gogh maar gaven af op doeken van Kandinsky zoals Schnitzler zich door Schönberg voelde opgelicht wat muziek betrof.

De variëteit aan smaken valt op, want die was eindeloos groot, en…zo hoort het ook!

Peter Gay vat dat mooi samen:
‘Kortom, de grenzen tussen de honkvaste bourgeois en de vermetele ontdekkingsreizigers waren vaag.’ (p294)

En vanuit dat standpunt betekende William James (het wemelt van de Williams!) erg veel door de werkelijkheid zoals je die ervaarde als uitgangspunt te nemen voor onderzoek.

Hedendaagse markettinglieden zouden het moeilijk hebben met die Victorianen!

En wat dan als het over ‘God’ ging? Het model bij uitstek, de uiteindelijke projectie?
Terug naar de eerste zin: de behoefte om te geloven.

Dat is weer een ander verhaal.