dyn002_original_428_462_jpeg_20344_27d112813dabdd06f891c6d033c6f791

De behoefte om te geloven.
Zo noemt Peter Gay in zijn boek ‘De eeuw van Schnitzler’ de voornaamste Victoriaanse kentrek.

Als voorbeeld van die behoefte haalt hij de filosoof WILLIAM JAMES aan (broer van de auteur Henry James), de meest gelezen en gerespecteerde Amerikaanse filosoof en psycholoog uit het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw.

dyn002_original_300_300_jpeg_20344_2e2ad8212c0f90f191532a13a71fc4f5

We kennen hem nog onder de naam van ‘het pragmatisme’ en daarvan vond ik een mooie verklaring in een Engelse cultuurkrant:

Pragmatism is nothing more or less than a method for testing ideas by challenging them to make a difference in our experience of the world. Any concerted intellectual project–be it philosophy or law, architecture or criticism–should not bypass what James called “the rich thicket of reality” by incanting magic “solving names”; he cited “God,” “Matter,” “Reason,” “the Absolute,” and “Energy,” but we might recognize “authorship,” “sign,” “transgression,” “space,” and “the virtual” as well. To James, ideas, however lofty, prove themselves to be true only when they are carried all the way back down to Earth, examined in the clear light of human doubt, and are shown to perform.’

Samengevat, dat rich thicket of reality paste hij dan ook zonder enig compromis toe in zijn eigen leven.

‘Hij was de meest persoonlijke en autobiografische van alle denkers, die zijn filosofie openstelde voor zijn diepste persoonlijke drijfveren – veel openlijker dan onder zijn collega’ s gebruikelijk was.’

Peter Gray De eeuw van Schnitzler, pagina 240

Dat lijkt nu eenvoudig, maar on-Engels was het tot en met.
Engelsen hielden (of houden) van duidelijke modellen: het is wit of zwart, maar alle tinten van grijs zijn ons te moeilijk.

In de schilderkunst zagen we hoe schilders die rollen of symbolen doorbraken toen ze op zoek gingen naar de essentie, naar de synthese die uiteraard bestaat uit variaties en nuances.

dyn002_original_600_457_jpeg_20344_e7503518c673309dfb586b7a42b955a2

De schilder en zijn model van William Orpen was dan ook een shockerend werk, want het naakt zat daar bijna keuvelend in de zetel en was inderdaad een vrouw zonder kleren terwijl het meestal als symbool voor vaderland en hogere ideeën gold (gelden wel, maar natuurlijk was dat ook een dekmanteltje voor de gewone mannelijke nieuwsgierigheid, al is het woord ‘dekmantel’ hier bijzonder grappig als we het over het ‘naakt’ hebben!)

Ik zeg het een beetje simpel want we moeten niet denken dat je die twee klassen, de conserevatieven en de modernisten had waarvan de enen het moeilijk hadden om naar de twintigste eeuw over te stappen en de anderen niet snel genoeg in de twintigste konden zijn .

Dat is een simplistisch denken.
Er waren mensen die gek waren van de landschapsschilders van Barbizon maar geen goed woord voor andere impressionisten over hadden, wegens te slordig of te achteloos.
Anderen bewonderden Van Gogh maar gaven af op doeken van Kandinsky zoals Schnitzler zich door Schönberg voelde opgelicht wat muziek betrof.

De variëteit aan smaken valt op, want die was eindeloos groot, en…zo hoort het ook!

Peter Gay vat dat mooi samen:
‘Kortom, de grenzen tussen de honkvaste bourgeois en de vermetele ontdekkingsreizigers waren vaag.’ (p294)

En vanuit dat standpunt betekende William James (het wemelt van de Williams!) erg veel door de werkelijkheid zoals je die ervaarde als uitgangspunt te nemen voor onderzoek.

Hedendaagse markettinglieden zouden het moeilijk hebben met die Victorianen!

En wat dan als het over ‘God’ ging? Het model bij uitstek, de uiteindelijke projectie?
Terug naar de eerste zin: de behoefte om te geloven.

Dat is weer een ander verhaal.