Hemelse hulp verbeeld en beletterd

Врубель_-_зішестя_святого_духа

Als kind al was ik gefascineerd door de vurige tongen boven het hoofd van de apostelen.

Niet door het verschijnsel zoals de heer Lucas het zou uitbeelden in een starwars-film, maar door de mogelijkheden, de transformatie van bange wezens in ontstekers van allerlei andere heilige vuren, niet in het minst door het spreken van allerlei talen zonder avondschool te hebben gevolgd.

Er waren vooreerst de bange wezens die zich hadden opgesloten in het wonderlijke cenakel, een woord dat bij mij telkens ronde vormen opriep, waar je dus in geen hoekje kon wegkruipen, en ondanks dat hij aan hun vrienden in Emmaus had duidelijk gemaakt dat hij bij hen was, ondanks Thomas en zijn anatomisch vingergepeuter in het lichaam van de Heer, zaten ze daar te rillen, want als er in mijn kinderlijke verbeelding angst optrad dan ging die gepaard met klappertanden en takke-tak van knikkende knieën en sidderende ledematen.

die_ausgiessung_des_heiligen_g

Daarbij kende ik mezelf als bang wezentje.
Wellicht is volwassenheid gewoon het genezen van de angsten die wij als klein wezen hebben gekend.
Als je geen voetballer bent, geen vechtjas (tenzij als kruisvaarder tegen de bende van de aangrenzende straat) geen brave hendrik of primus, maar een fantast die bij elke draai van de straat een draak verwacht, bij de schaduwen van de kastanjelaar de knoestige vingers om zijn kinderkeel voelt, een verhalenverteller kortom, dan ben je in het cenakel van de Boudewijn de Grote’s ‘o mijn kindertijd’ gevangen.

Ik kon mijzelf dus de luxe van een vurige tong boven mijn kinderhoofd best veroorloven, en toen de firma For You koude ijstongen op de markt bracht, frisco genoemd, werden in mijn verbeelding de vurige tongen werkelijk brandende frisco’ s waarvan het stokje zich in het hoofd van de apostel vast had gezet.
Ik vraag de heilige Geest vergiffenis, maar ik was nog ver van de Pardes Rimonim* van de Kabalist Moses Cordovero waaruit mijn grootvader vaak vertelde, maar misschien ben ik nooit zo dichtbij heiligheid geweest als toen, want de zuiverheid van beelden laat zich niet door de esthetica of theologie bepalen, maar ontspruit uit de mooie zin dat de geest waait waar hij wil, een geliefde uitspraak van mijn grootmoeder als mijn grootvader dronken was thuis gekomen.

pardes rimomim

*(Pardes Rimomim: Rabbi Simon ben Jochai verbindt Malchut, het mannelijk element in de kosmos met Tifireth, het vrouwelijk element in de echt in de ‘Pardes Rimmmonim, in de granaatappelboomgaard, een verhaal van de Joodse mysticus Ben Jacob Cordovero een oertekst uit de Kabbalah 1548)

Hortus_Deliciarum_Pfingsten_und_die_Aussendung_des_Heiligen_Geistes_auf_die_Apostel

Als ik uit mijn slaapkamer klom, stond ik ook op een plat dak, net zoals de bangeriken met hun brandende tongen op het dak waren geklommen, maar hoe ik ook mijn best deed om in het Frans of Hebreeuws, het Engels of Jiddisch te zeggen dat er mij iets goddelijks was overkomen, de woorden bleven in mijn mond steken toen ik mijn grootvader in zijn blootje in de grote witbuik-kerselaar zag zitten, waaronder mijn grootmoeder stond te roepen dat hij dringend naar beneden moest komen want dat de witbuiken van de kersen al genoeg aan de verbeelding overlieten zonder dat hij dat door zijn naakte transformatie moest benadrukken.

En hij sprak wel alle talen ter wereld (volgens mijn weten toen) al bleef het in werkelijkheid beperkt tot een scheldtirade in slecht Duits, dat ze niet moesten denken dat nu de forten rond Namen gevallen waren ze het zouden opgeven, en dat hij de architect van die forten (terecht) een proces zou aandoen, hoe konden ze jongens van zijn leeftijd zoiets aandoen, enz.

El Greco, Ausgiessung des Hl.Geistes

Later las ik in de schrift dat de mensen zich beneden op de straat hadden afgevraagd of die vurige polyglotten misschien dronken waren, en jawel, ik begreep het dadelijk, de vurige tongen kregen een lucht van Kempisch gebrouwen (De Keersmaeker) bier en Gentse jenever (Hertekamp), inderdaad ontvlambare materies, zeker toen ik aan een broeder van Liefde die mij onderwijs verstrekte, zei dat ze inderdaad dronken waren geweest, die schijtlijsters, want ik hoorde ook mijn opa alle talen spreken toen hij in een gelijkaardige toestand verkeerde.

De brave broeder, die zelf graag een glaasje lustte, antwoordde dat Gods wegen wonderlijk waren maar dat voor ons, zondige mensen, een Assimil-boekje een betere methode waarborgde om een vreemde taal te bemeesteren.

Botticelli, Sandro, 1444/1445-1510; The Descent of the Holy Ghost

Toch bleef Pinksteren zijn aantrekkingskracht behouden en de heilige Geest heb ik levenslang geëerd door alle duiven tegen gemeentebelangen in van graan en brokjes brood te voorzien, een taak door de geliefde nog steeds in praktijk gebracht.

Want de geest waait waar hij wil, en zijn bange kinderen kunnen er van meespreken al zijn ze intussen de tachtig voorbij.

Carl Jung noemde het ‘de geur van de Heilige Geest’, en met mijn dikke neus kan ik dat beamen.

De Heilige Geest mag dan al naar geestrijke drank hebben geroken, naar de witte drank uit de mooie Hertekamp-fles, hij troostte mij ook door mij beetje bij beetje met woorden  te wapenen om het woordeloze voortdurend te belagen en te belegeren.

Hij verlokte mij tot het “hierosgamos”, letterlijk ‘het heilige spel’, mooier dan het mystieke huwelijk, met andere lagen van het denken en het gewaarworden, en al vluchtte ik voortdurend, laf als we zijn, de walvis in, telkens weer was hij daar met zijn vurige For You en dreef hij mij, als verteller,  het schamele dak op om te stamelen in de talen die hij nodig achtte, liet hij me als heel klein zangertje meezingen in het verhalen-koor waarin tremendum et fasciosum, een element van het dagelijks bestaan ging uitmaken. (tremendum et faciosum:  bibberen en bewonderen!)

Hochfest-Pfingsten-Gottesdienste-und-besondere-Wallfahrten

Is het daarom dat er zich houtduiven in de atlasceder hebben genesteld?

Of weten ze gewoon dat de liefste hen van fruit en granen voorziet en op tijd de katten weghoudt als ze het op de Pinkstervleugels hebben gemunt.

Laat het aardse zich voortdurend met het hemelse vermengen en vice versa, al dan niet in homeopatische verhoudingen.

2-3_Pfingsten_1906__780x500_

(De bovenste wandschildering van Mikhail Vrubel komt uit de St. Cyril-kerk (aan de buitenkant in mooie pistachekleuren geschilderd) uit Kiev, Oekraine. Niet alleen de fraaie compositie trof mij maar ook het menselijke: kijk hoe elke heilige figuur zijn voeten op een tapijtje mag warm houden!)

169a3027e254dd6676988c57af13efd2v1_max_755x425_b3535db83dc50e27c1bb1392364c95a2

De Bijbel illustratief verteld: The Holkham Bible (1330)

De Schepping van Adam en Eva The Holkham Bible Picture Book (ca 1330)

Op bovenstaande prent uit de Holkham Bible Picture Book (1330) is de goddelijke Schepper bezig met het ‘scheppen’ van het eerste mensenpaar. Het is in feite een dubbelprent. Bovenaan de schepping van Adam, onderaan, uit een rib van deze Adam wordt Eva, de eerste vrouw in het aards paradijs vorm gegeven. Een illustratie uit een bijbel-prentenboek uit 1330. Een boeiende ontstaansgeschiedenis.

In 1816 schreef William Roscoe – een bankier uit Liverpool met een scherp oog voor kunst – vol bewondering een brief aan Thomas William Coke, de eerste graaf van Leicester. De twee mannen kenden elkaar al lang. Veertig jaar eerder had Coke de bibliotheek van Holkham Hall geërfd, die een eeuw eerder was aangelegd door zijn oudoom Thomas Coke (1697–1759), wiens familie hem op zijn vijftiende naar het buitenland had gestuurd om hem van zijn vervelende gewoonte van hanengevechten af te helpen. Het werkte. Tegen de tijd dat deze oudere Coke eenentwintig was, had hij Padua, Lyon, Berlijn en de meeste plaatsen daartussen geplunderd, waarbij hij “voldoende manuscripten en vroeg gedrukte boeken had gekocht om een van de mooiste privébibliotheken in Engeland samen te stellen”. Nadat hij de bibliotheek in 1776 had geërfd, trof Thomas Coke deze in een erbarmelijke staat aan, met onschatbare boeken die beschimmeld en door wormen aangetast waren. Hij stuurde de bijna 750 delen naar Liverpool waar Roscoe ze liet reinigen en opnieuw inbinden. Nu, in 1816, hielp Roscoe Coke zijn collectie verder uit te breiden door zeldzame stukken uit het buitenland op te sporen. Te koop was “een zeer merkwaardig manuscript, dat zojuist van het vasteland is meegebracht… en dat ik beschouw als een van de grootste rariteiten die ik ooit heb gezien”.

(The Holkham Bible Picture Book (ca. 1330) The Public Domain Review Naar de Engelse tekst van Hunter Dukes)

‘De zondvloed’. The Holkham Bible Picture Book (ca 1330)

Dit ‘curiosum’, dat vermoedelijk rond 1330 in Londen is vervaardigd, staat tegenwoordig bekend als het Holkham Bible Picture Book, omdat het selectief het Oude en Nieuwe Testament illustreert en ons in een reeks van 231 prachtig uitgevoerde miniaturen meeneemt van Genesis tot Openbaring. Onder de vele schitterende afbeeldingen zien we: Adam en Eva aan de rand van het paradijs, terwijl een cherub de poorten van Eden bewaakt met een zwaard in de kleur van een karbonkel; de zondvloed, waarbij Noach een duif en een raaf uitzendt boven een woelige zee — weergegeven in golvende strepen van blauw en wit — terwijl de bleke lichamen van een man, een vrouw en een paard wegzakken in een eindeloze slaap; en het Laatste Avondmaal, waarin de gewaden van Christus en zijn apostelen op de pagina lijken te schitteren. De miniaturen van de Holkham-bijbel maken bewust gebruik van luminantie, een effect met zowel esthetische als theologische betekenis, door middel van de techniek die bekend staat als ‘getinte tekening’. Door praktisch gebruik te maken van de doorschijnende kwaliteit van perkament, werden deze afbeeldingen geproduceerd door verf in dunne lagen aan te brengen, waardoor de ondoorzichtigheid van het materiaal behouden bleef en het, in het juiste licht, deed gloeien als het glas-in-lood van een kathedraal.

Het Laatste Avondmaal The Holkham Bible Picture Book (ca 1330)

Lees en kijk: The Holkham Bible Pictures boek (met talrijke prenten onderaan):

https://publicdomainreview.org/collection/holkham-bible

https://pdimagearchive.org/images/10dc1d05-ef55-481f-8474-455b135bcf3d

De engel met het vlammende zwaard verdrijft de eerste mensen uit het paradijs

De Bijbel is mogelijk in opdracht van een dominicaanse monnik gemaakt, want het manuscript begint, wat ongebruikelijk is, met een monnik die zijn kunstenaar opdraagt “het goed en grondig te doen, want het zal aan belangrijke mensen worden getoond”. Hoewel het een Bijbel wordt genoemd, is de relatie tussen tekst en beeld in het geheel atypisch, aangezien de woorden vaak dienen als bijschrift bij de afgebeelde gebeurtenissen, in plaats van de heilige tekst weer te geven. In dit drietalige manuscript, dat grotendeels in het Anglo-Normandisch is geschreven, speelt het Engels een kleine maar belangrijke rol. De taal komt alleen voor in verband met herders. In een humoristische en cryptische miniatuur gaat de aankondiging verloren in de vertaling: “Gloria in excelsis”, zingt de engel, maar de herders spreken geen Latijn. “Glum glo. . .”, probeert een man, in een slordige en keelklinkende imitatie, voordat hij toegeeft dat hij onzin uitkraamt (“ceo ne est rien”).

Een engel verschijnt aan de herders/Op bezoek bij het kind

Een tweede scène op dezelfde pagina toont de herders die bij de kribbe aankomen (zie hierboven), waar ze Maria, Jozef en het kindje Jezus aanschouwen. Plotseling overstijgt hun spraak de grenzen van de taal: deze herdersfiguren zingen nu in perfect Latijn, vanuit boekrollen die zich van hun tong afrollen. “Dat herders aanvankelijk geen Latijn kunnen zingen, is te verwachten”, schrijft Richard K. Emmerson, “dat ze dat later wel kunnen, is wonderbaarlijk”. Nog wonderbaarlijker is dat het Middelengels afwisselt met Anglo-Normandisch in een stijl die doet denken aan macaronische liederen. “Songen alle wid one steuene / Also the angel song that cam fro heuene: [Middelengels] / ‘Te deum et Gloria.’ [Latijn] / La contenance veyez cha [Anglo-Normandisch]”. Zoals Christopher Baswell uitlegt, zou dit “muzikale, engelachtige Latijn wel eens de taal van de openbaring kunnen zijn” — wat het welgestelde, Anglo-Normandische lezerspubliek van deze bijbel zou verwachten — maar “de unieke en explosieve verschijning” van het Middelengels dient om de scène te authenticeren in een volkstaal die geleidelijk aan literair en kerkelijk prestige verwierf. “They all sang in one voice” (Songen alle wid one steuene) beschrijft het koorlied, maar lijkt ook vooruit te wijzen, naar de toekomst van het schrijven in Engeland. (Hunter Dukes The Public Domain Review)

Holkham Bible De Schepping
Zie je de Almachtige
scheppend tussen schoonheid
van wat wij gewoon gedierte noemen;
voel je dan ook
die aandrang
zachtjes te zeggen:
'Die mens, God, moest dat nu?'
Holkham Bible De Schepping. De Schepper

Rondreizend volkskunstenaar Ammi Phillips (1788-1865)

Ammi Phillips, Girl in Red Dress with Cat and Dog, 1830-1835 American Folkart Museum

Hij, Ammi Phillips maakte er misschien een duizendtal, begin negentiende eeuw, actief midden 1810 tot in de vroege jaren 1860, in Connecticut Massachusetts en New York. Geduid als ‘primitive art’, folk art, ‘provincial art’ en ‘itinerant art’. Zonder opleiding, direct naar het leven. Slechts elf werken zijn gesigneerd.

De herontdekking van Phillips begon in 1924, toen een reeks portretten van vrouwen – die voorovergebogen in driekwart-profiel waren afgebeeld en donkere jurken droegen – te zien waren op een antiekbeurs in Kent, Connecticut. De anonieme schilder van deze kleurrijke werken, die uit de jaren 1830 dateren, werd bekend als de „Kent Limner“, naar de plaats waar ze aan het licht waren gekomen. Het duurde nog tot in 1958 om verschillend geduide kunstenaars tot één naam te herleiden. Rond 1976 waren er ongeveer 400 schilderijen aan Ammi Phillips toegeschreven.

Wilbur Sherman, 1815, Yale University Art Gallery. Ammi Phillips

Phillips werd op 24 april 1788 in Colebrook, Connecticut, geboren als zoon van Samuel Phillips (1760–1842), een boer van beroep en veteraan uit de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog, en zijn vrouw Millea Phillips (1763–1861). Hij was een van elf kinderen en leidde een leven dat zich uitstrekte van het presidentschap van George Washington tot de Amerikaanse Burgeroorlog.

De naam “Ammi” (volledig “Ammiruhamah”) is bijbels. Deze naam werd in de 17e en 18e eeuw veel gebruikt door congregationalisten. Andere dragers van deze naam zijn onder meer Ammi Ruhamah Cutter en Ammi Ruhamah Mitchell.

Phillips verliet zijn ouderlijk huis ergens vóór 1810, en de eerste gesigneerde portretten van Phillips dateren uit 1811, wat betekent dat hij toen zijn carrière als portretschilder begon.

(Wkipedia)

Henrietta Door, 1814, Princeton University Art Museum, an example of Phillips’s earlier work

Phillips verliet het ouderlijk huis ergens vóór 1810 en trouwde op 18 maart 1813 in Nassau, New York, met Laura Brockway. De familie van Laura Brockway had wortels in Sharon, Connecticut. Na de dood van zijn eerste vrouw trouwde Phillips opnieuw, woonde een tijdje in Amenia, New York, en vestigde zich vervolgens in 1836 in Kent en Sharon, Connecticut. Zijn portretten uit de ‘Kent-periode’ worden gekenmerkt door donkerdere composities, vaak met heldere kleurvlakken, en elegante, gracieuze houdingen en gezichtsuitdrukkingen.

Boy in red. (ca. 1832). Amni Phillips.

Aan zelfvertrouwen ontbrak het Phillips niet. Hij profileerde zich als een modieuze portretschilder en richtte zich vooral op middenklas-handelaars, artsen en vooraanstaande figuren uit de gemeenschap. Net als veel andere rondreizende kunstenaars ontwikkelde Phillips een werkwijze die zowel artistiek als winstgevend was.

“We hebben de neiging om het beeld van de volksschilder in de 19e eeuw te romantiseren, terwijl de volksschilder in feite in alle opzichten een rondtrekkende zakenman was,” zei Robert Bishop, voormalig directeur van het Museum of American Folk Art, in 1985 over het werk van Phillips. “Hij kwam in de stad aan, maakte reclame, regelde zijn klanten, schilderde zijn portretten zo snel mogelijk, liet zich zo goed mogelijk betalen en trok verder. Dus bijna al deze mannen ontwikkelden een formule waarmee ze snel en gemakkelijk konden schilderen.” (AuctionDaily)

Ammi Phillips Mrs. Mayer and Daughter. (96.2 x 87 cm) 1835-40. The Met
‘Henry Teller’ ca 1835 Ammi Phillips.

“Hoewel hij een autodidact was, verwierf Phillips bekendheid om zijn briljante composities en werd hij beschouwd als een meester in kleur en vormgeving. Juist dit kleurgebruik verbindt Phillips met de volkskunstbeweging, aangezien felle tinten door de traditionele portretschilders van die tijd doorgaans werden gemeden. Net als bij andere volkskunstenaars waren ook de schilderijen van Phillips zeer gedetailleerd, maar duidelijk naïef en niet fotorealistisch, hoe prachtig ze ook waren uitgevoerd. Je hoeft alleen maar naar de handen van zijn modellen te kijken om te beseffen dat Phillips inderdaad een autodidact was.” (Art Experts)

Maar…was hij misschien zijn tijd vooruit, zijn vormgeving zou in de 20-21ste eeuw ten zeerste ‘modern’ genoemd worden. Lichtinval, concentratie, en met die handen is er niet zoveel aan de hand als je dit prachtige portret bekijkt uit 1848-50. In 2008-2009 was er een expositie waarin Ammi Phillips samen met Mark Rothko (1903-1970) onder de titels ”The seduction of Light’ en ‘Compositions in Pink, Green, and Red’ werden samen gebracht.

mmi Phillips Untitledca. 1848-60oil on canvas33 1/2 x 27 1/2 in.gift of Shari Hubner2015.062

“Ammi Phillips (1788–1865) and Mark Rothko (1903–1970), two American masters disparate in time, place, and presentation, pursued the soul-thirsting creation of inner light through the “realm of the canvas,” as Rothko once termed it. For Rothko, the surface of a canvas presented limitless space to be explored with intrepidity into great distances and with mythic dramas enacted in each succeeding layer. Phillips did not penetrate the “mysterious recesses” of the canvas quite as deeply but worked closer to the surface in shimmering light-filled or velvety dark-filled spaces that seem to exist apart from the known world.” (Folkartmuseum.org.)

“Ammi Phillips (1788–1865) en Mark Rothko (1903–1970), twee Amerikaanse meesters die qua tijd, plaats en stijl mijlenver uit elkaar staan, streefden naar het scheppen van innerlijk licht dat de ziel doet smachten, via het ‘rijk van het doek’, zoals Rothko het ooit noemde. Voor Rothko bood het oppervlak van een doek een grenzeloze ruimte die onverschrokken kon worden verkend tot in de verte, met mythische drama’s die zich in elke opeenvolgende laag afspeelden. Phillips drong niet zo diep door in de ‘mysterieuze krochten’ van het doek, maar werkte dichter bij het oppervlak in glinsterende, met licht gevulde of fluweelzachte, met duisternis gevulde ruimtes die los lijken te staan van de bekende wereld.”

Nog tijdens Ammi Phillips’ leven kwam er een nieuwe vinding die de ver-beelding op een bijzondere manier zou aanspreken. De fotografie. Daguerrotypes en ambrotypes (1839-1869) waren voorlopers van foto’s op papier en karton. Sommige composities in zijn werk bewijzen dat Phillip’s al enige kennis van het nieuwe medium bezat. De Victoriaanse tijd zou de zichtbaarheid van de burger beetje bij beetje vergroten. Ook in de kunst.

Ammi Phillips, Portrait of a Woman (Double-Sided) (Circa 1810).

Kijk ook naar:

Klei en brons als teken van leven : Khaled Dawwa (°1985)

“Une cellule individuelle” (2016), terracotta and wood, 15 x 15 x 5 centimeters

Of ze nu in een doos zijn gevouwen, gebonden door koorden, of gefragmenteerd en gestapeld, deze reeksen naamloze figuren die door de in Parijs gevestigde Syrische kunstenaar Khaled DAWWA (°1985) zijn gemaakt, tonen duidelijk een vorm van opsluiting. Hun lichamen worden verwrongen in kooien of in elkaars armen geperst. Iedereen kijkt weg of naar beneden, een positie waardoor ze de macht missen om zich te bevrijden. Gegoten in dichte blokken, weerspiegelen de introspectieve sculpturen de voorkeur van de kunstenaar voor terracotta en brons. “Alles wat we uit de oude geschiedenis hebben ontvangen, is met deze twee materialen vorm gegeven.” verklaart hij.

Liberté” (2019), terracotta, 35 x 16 x 13 centimeters

Deze serie beelden noemde hij de Compressed serie. Ontstaan uit eigen ervaringen. In het Amerikaanse tijdschrift ‘Colossal vertelt hij: “Dit project werd geïnspireerd door mijn verblijf op verschillende plaatsen tijdens een korte periode: detentie en verplichte militaire dienst in Damascus voor vier maanden, dan naar Libanon voor een jaar en uiteindelijk aankomen in Parijs.

“Bij aankomst in Frankrijk voelde ik me in eerste instantie bevrijd van dit alles. Toen realiseerde ik me dat de Fransen hun leven leiden in een complex systeem dat hen verandert in “gecomprimeerde mensen” en dat we dit gemeen hadden. Dit is de eerste serie waarin ik kijk naar mensen buiten Syrië.” (Colossal)

Vorig jaar, 2025, presenteerde het museum ‘Beelden aan zee’ zijn installatie ‘Voici mon coeur!’ (Ziehier mijn hart.) Dit zes meter lange, hedendaagse oorlogsmonument uit de collectie van het Mucem heeft de vorm van een ruïneuze gevelwand in een door geweld geteisterd Damascus. Khaled Dawwa maakte het werk van ongebakken klei, waardoor het een extra kwetsbare uitstraling krijgt.

Je begint aan de ruïnes te wennen, maar stel je voor dat jouw woonplaats, jouw straat, jouw huis…

In onze bijdrages bespraken we meermaals gedichten van de Poolse dichter Adam Zagajewski. Dit gedicht verscheen in The New Yorker bij de aanslagen op de Twin Towers maar werd een jaar eerder geschreven. Een mooie vertaling van Gerard Rasch in Mystiek voor Beginners Meulenhoff 2003.

Probeer de verminkte wereld te bezingen

Probeer de verminkte wereld te bezingen
Denk weer aan die lange junidagen,
aan de rozijnen, de druppels van de rosé.
Aan de distels die de verlaten erven
van ontheemden stelselmatig overwoekerden.
Je moet de verminkte wereld bezingen.
Je hebt sierlijke zeiljachten en schepen gezien;
een ervan had een lange reis voor de boeg,
een ander wachtte slechts het zoute niets.
Je hebt vluchtelingen gezien die nergens heen gingen,
beulen gehoord die een lied van vreugde zongen.
Je moet de verminkte wereld bezingen.
Denk aan de momenten waarop jullie samen
in de witte kamer waren en de vitrage bewoog.
Keer terug naar dat concert, toen de muziek losbrak.
In de herfst verzamelde je eikels in het park
en de bladeren wervelden boven de littekens
van de aarde. Bezing de verminkte wereld
en het grijze veertje, dat een lijster heeft verloren,
en het zachte licht dat dwaalt en verdwijnt
en steeds terugkomt.

Conservator Dick van Broekhuizen van museum Beelden aan Zee, bezocht de kunstenaar in Parijs toen hij dit project bijna had voltooid. Een mooie documentaire door Studio Gerrit Schreurs, toont je opzet en uitvoering. Gebruik groot scherm.

Geboren in 1985 in Syrië, behaalde Khaled Dawwa in 2007 het diploma van de School voor Schone Kunsten in Damascus, beeldhouwsectie. Sindsdien verwees het werk van Khaled Dawwa naar een universum vol verwachting. Maar waar hij nog in miniatuur zijn gekwetste vaderland liet zien worden we nu dagelijks geconfronteerd met een levensgrote versie op diverse plaatsen; Gaza, Midden Oosten, Libanon, Oekraïne, Myanmar, Soedan, DR Congo, Jemen…Het werk van een kunstenaar verbindt die werelden en vraagt luidop naar het hoe en waarom. Het visualiseert deze wereld in een menselijk bevattelijk formaat en verbindt daardoor de grote wereld met ons dagelijks bestaan.

‘Uwe excellenties’. Khaled. Dawwa (Deborah Rakers)

Friedrich von Amerling, tussen thuis en de wereld

wood carving close up photo

Er zit een glimlach achter het woord ‘Biedermeier’. Maar zoals vrijwel elke periode was de Biedermeier-periode een reactie op de vorige, de overladen empire-stijl, Romeinse ornamenten. Er leefde bij de burgerij een groot verlangen naar huiselijkheid. Zwaarden ingewisseld voor zwanen. Lichte houtsoorten en geen verguldsel. En in de muziek wijkt het classicisme voor de 18de eeuwse romantiek ook. ‘An die Musik.’

Du holde Kunst, in wieviel grauen Stunden,
Wo mich des Lebens wilder Kreis umstrickt,
Hast du mein Herz zu warmer Lieb' entzunden,
Hast mich in eine beßre Welt entrückt!

Oft hat ein Seufzer, deiner Harf' entflossen,
Ein süßer, heiliger Akkord von dir
Den Himmel beßrer Zeiten mir erschlossen,
Du holde Kunst, ich danke dir dafür!

Friedrich von Amerling ‘In Träumen versunken (1835)

Je zou het Congres van Wenen 1815 kunnen nemen als begin, en het revolutiejaar 1848 als overgang waarin weer de neostijlen populair werden zoals de neo-gotiek. Was de Biedermeier typisch Oostenrijks-Duits, de Neo’s bloeiden op in de Engelse gebieden. Bleef Biedermeier beperkt, de Neo-stijlen kenden een langere sympathie tot het overvloeien in de Jugendstil begin twintigste eeuw. De samenloop met de waardering voor het gezinsleven,, de kleine thuis-wereld gaf Biedermeier vaak ten onrechte zijn muffe bijklank in een wereld waar ‘grootse’ daden met talrijke slachtvelden als consequentie ook een technische expansie kende waarin het huis en zijn bewoners een schuilplaats werd, een wereld apart waarin het goede leven voor meer (gegoede) burgers bereikbaar werd.

Biedermeier-Zimmer MitteMosel-Museum Barockvilla Böcking (klik op onderschrift om te vergroten)

“De naam ‘Biedermaier’ werd voor het eerst gebruikt door Ludwig Eichrodt (1827-1892) die in de Münchener Fliegende Blätter gedichten parodieerde van een schoolmeester uit Schwaben die hij Biedermaier noemde en die in 1869 verschenen als Biedermaiers Liederlust. De aard van deze geparodieerde poëzie was vriendelijk en naïef, waarbij onderwerpen gekozen waren uit het alledaagse gezinsleven. De naam ‘Biedermaier’ werd tot de term ‘biedermeier’ om er de typische bourgeoiscultuur mee aan te duiden van de periode 1815-1870. Meestal wordt de term gebruikt ter aanduiding van de meubelstijl die op de empire-stijl volgde, maar ook wordt er de levensopvatting mee aangegeven die in die tijd getuigde van liefde voor orde, aandacht voor het kleine en concrete, en voorliefde voor het vriendelijke en ‘gezonde’ of normale. Dit alles dan vaak overgoten met een sausje romantiek. Het is de wereld van de bourgeoismoraal, de ‘huiselijkheid’, waarin uitersten vooral vermeden dienen te worden. Voor de kunst in het algemeen geldt dat ze moet voldoen aan de eisen van de geldende moraal, het lagere niet mag weergeven en dat ze ‘waarheidsgetrouw’ moet zijn; in de kritiek telkens terug te vinden in de trits ‘goed-schoon-waar’.”

(Algemeen letterkundig lexicon (2012-…)

Friedrich Amerling 1834. Radierung (ets)Franz Xaver Stöber nach Joseph Danhauser

Studies in Wenen daarna naar Praag(1824) naar zijn oom Heinrich om zich verder te bekwamen in Londen, Parijs en Rome om in 1828 terug naar Wenen te keren waar hij – opdrachten van het Oostenrijkse keizerhuis, de adel en de bourgeoisie uitvoerde. Amerling ondernam uitgebreide studiereizen tijdens zijn leven: in 1836 en 1838 naar Italië, 1838 naar Nederland, 1839 naar München, 1840-1843 naar Rome, 1882 naar Spanje, 1883 naar Engeland, 1884 naar Griekenland, 1885 naar Scandinavië naar de Noordkaap en in 1886 naar Egypte en Palestina. Zijn schilderij, tentoongesteld in Wenen in 1838, De jonge oosterse vrouw veroorzaakte opschudding en in de daaropvolgende maanden leidde tot een stortvloed aan gedichten (waaronder van Levitsching) in de Oostenrijkse pers, die het schilderij en zijn onderwerp prees..

Friedrich Amerling ‘De jonge Oosterse Vrouw’. 1838

Hoewel de kunstenaar dit schilderij de provocerende titel ‘Jonge Oosterse vrouw’ heeft gegeven, is het duidelijk dat het model niet Aziatisch is, maar slechts een Turks kostuum draagt. De weelderige stoffen en het stralende licht creëren een exotische sfeer, die de westerse fascinatie voor ‘oosterse’ beelden en thema’s duidelijk maakt. Maar als hij zijn broertje ‘Andreas (1821-1879) schildert in 1829, het jongetje is dan acht jaar, kiest hij een heel gewone houding van een achtjarig kind, dromend, verveeld en een beetje droevig. Een jaartje later schildert hij ook broertje Joseph die hij dan weer laat opkijken en je weet dat hij elk ogenblik kan weglopen, of…?

Portret van Andreas Amerling, broer van de kunstenaar. 1829
Portret van broertje Joseph. 1830

Amerling was vier keer getrouwd: in 1832 tot haar dood in 1843 met Antonie Kaltenthaler, 1844 tot de scheiding in 1845 met Katharina Heißler, in 1857 tot haar dood in 1880 met Emilie Heinrich, en in 1881 met Maria Nemetschke, voorheen getrouwd met Paterno. In 1878 werd Amerling verheven tot de adel en sindsdien werd Friedrich benoemd tot Ridder von Amerling. Als een van de meest gerespecteerde kunstenaars in Wenen ontving hij tal van belangrijke schrijvers en muzikanten (zoals Franz Liszt) bij hem thuis.

Portret van Franz Listz 9 mei 1838

Een lijst met 130 werken kun je vinden

https://www.wikidata.org/wiki/Wikidata:WikiProject_sum_of_all_paintings/Creator/Friedrich_von_Amerling

Zelfportret. 1834 (50,5 x 41,5 cm)

Het zelfportret uit 1834, met een krappe halslijn en het hoofd naar links gedraaid, is de eerste van vijf profielafbeeldingen. Elegantie en een even ernstige als zelfbewuste gelaatsuitdrukking kenmerken het portret van de 31-jarige kunstenaar met geknipte bakkebaarden. Kunstenaarsattributen ontbreken.
De witte opstaande kraag en het rood van de nonchalant geknoopte halsdoek vormen opvallende kleuraccenten die contrasteren met het fluweel van de donkere jas. In tegenstelling tot zijn doorgaans geïdealiseerde vrouwenportretten wordt hier, net als in andere mannelijke portretten van zijn hand, duidelijk het streven naar het vastleggen van de persoonlijkheid zichtbaar. Tot op hoge leeftijd ontstonden er “karakterportretten” van hemzelf, die dienden als studies in schildertechniek. Dat verklaart waarschijnlijk de grotendeels onbewerkte achtergrond, waarin de linnen structuur zichtbaar is, in dit werk dat afkomstig is uit de nalatenschap van het atelier. (DOM Quartier Salzburg. Sammlung Online)

Friedrich von Amerling. Jong slapend meisje

De invloed van Friedrich Ritter von Amerling reikte verder dan zijn eigen oeuvre; hij heeft de artistieke gevoeligheid van volgende generaties gevormd en de positie van de academische traditie binnen de Weense kunst versterkt. Zijn onwankelbare toewijding aan klassieke idealen vormde een tegenwicht voor de opkomende impressionistische tendensen, waardoor realisme en geïdealiseerde schoonheid nog decennia lang de boventoon bleven voeren in de Oostenrijkse schilderkunst. Tegenwoordig bevinden Amerlings werken zich voornamelijk in musea in heel Europa – waaronder het Musée Maurice Denis in Parijs – waar ze nog steeds bewondering oogsten vanwege hun technische briljantheid en expressieve kracht.

(Wahoo Art)

Dat hij ook oog had voor grappige taferelen bewijst dit mooie doek: ‘In de (ver)kleedkamer van het theater. De Theater-garderobe.

der Theater Garderobe

Wist uit ervaring wat het missen van een ’thuis’ was en schilderde in bijzonder zacht licht: vader, Rudolf von Arthaber met kinderen Rudolf, Emilie en Gustav. (1837) De schilder heeft hen geportretteerd terwijl ze naar het portret van de pas overleden vrouw van Rudolf von Arthaber kijken. Kijk naar de blik van de man, naar het dromerige van het zittende jongetje in tegenstelling met de onschuldige zorgeloosheid van de kleinste kinderen. Overal ligt nog het speelgoed van de bende.
Tot in de rechtse uithoek onderaan van het doek.
Op de zetel achteraan ligt achteloos een kledingstuk en open boeken.
Het theestel staat ordeloos op het tafeltje.
De afwezige is duidelijk afwezig.

Maar ook de machteloosheid als zijn zoon met zijn voornaam Friedrich (Fritz) ziek is en sterft (1850); hij zal slechts zeventien worden; net zoals zijn moeder Antonie en tante overleden aan een longziekte.

Bekijk een mooie collectie:

https://artvee.com/artist/friedrich-von-amerling/page/1

Friedrich von Amerling Zelfportret. 1846

Dit mooie zelfportret van 1846, hij is dan 43 jaar. Met bijna evenveel toekomst als verleden. Het is een dromend portret. Ik denk aan de Oostenrijkse vrouwelijke dichter Marie von Ebner-Eschenbach ‘Der Gedanke an die Vergänglichkeit’:

"Der Gedanke an die Vergänglichkeit
aller irdischen Dinge
ist ein Quell unendlichen Leids -
und ein Quell unendlichen Trostes."

"De gedachte aan de vergankelijkheid
van alle aardse dingen
is een bron van oneindig leed -
en een bron van oneindige troost."

Friedrich von Amerling Meisjesportret 1830

Waar de wind waait? Een collectie

“De wind voert ieders lot mee”, luidt de korte samenvatting van de kortfilm getiteld “Jour de Vent”, oftewel “Winderige dag”. Deze indrukwekkende animatiefilm werd in 2024 gemaakt door een team van zes afgestudeerden – Martin Chailloux, Ai Kim Crespin, Élise Golfouse, Chloé Lab, Hugo Taillez en Camille Truding – van de École des Nouvelles Images in Avignon, Frankrijk. En zoals blijkt: eind goed enz. Maar eer het zo ver was, bekijk (op groot scherm) het winderige avontuur ‘boven de wolken!’

Vierhoog in de wolken, ja daar leefden wij
In een stad die niemand beter kende dan wij
Met planten en een kat die 't behangpapier opkroop
En achter vliegen joeg, de muizen waren lang dood

't Was een steile trap die leidde naar vierhoog
'k Beklaag nog de verhuizers, maar het was er zo mooi
Een parasol uit China, een poster van James Dean
Een venster van waaruit je over daken kon zien

Vierhoog in de wolken, ja daar woonden wij
Onder ons de wereld heel ver maar dichtbij
Met een kast vol platen die weemoed binnenhoudt
En een bed dat danste zoveel als je wou

Leven van de liefde, leven van de dauw
Een sprookje dat niet duurt begint met ik hou van jou
Dag parasol uit China, dag poster van James Dean
waarop staat te lezen "Boulevard of Broken Dreams"

Johan Verminnen

Keer ik terug naar ‘de vroegste dagen’ dan hoor ik

‘Hoor de wind waait door de bomen.
Makkers staakt uw wild geraas!’

En meteen was het stil om ‘het heerlijk avondje’ waardig te worden. ‘’t Avondje van Sinterklaas!’
‘Het wild geraas’ is momenteel langs alle kanten waarneembaar. En het prachtige gedicht van Adriaan Roland Holst ‘Zwerversliefde’ een poging tot troost.

fallen maple leaves on the ground
Photo by Brendan Rühli on Pexels.com
Zwerversliefde

.Laten wij zacht zijn voor elkander, kind –
want o, de maatloze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie’ in de oude wind.
.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotse hoge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind –
.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same’ in ’t oude waaien zwijgen
binnen één laatste droom gemeenzaam zijn.
.
Veel liefde ging verloren in de wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom – voor we elkander weer vergeten –
laten wij zacht zijn voor elkander, kind.


Adriaan Roland Holst (Verzamelde Gedichten 1948)
wind sculpted sand dunes on norderney beach
Photo by Dirk Pothen on Pexels.com
‘Als je tegen de storm in moet trappen, als je tent is weggefladderd,
als de vrachtwagen is gekanteld en je baas je uitfoetert aan de
telefoon, als je nu al weet dat je te laat zult komen voor het enige
sollicitatiegesprek waar je dit jaar voor bent uitgenodigd omdat
de bovenleiding geknapt is, als je oogst geknakt is, als je dak is
opgestegen in één enorme vogelvleugelslag, als je naast je motor
ligt op een verlaten landweg terwijl het hard regent, het tot je
doordringt dat je je geliefden nooit mee zult zien, dan ben ik
bij je, ik blijf bij je, ik strijk zacht door je haar, verkoel je bezwete
voorhoofd, wees niet bang, ik ben hier.’

Hanz Mirck (2025. Labberkoeltje. Uitgeverij Magonia, 118 blz. € 22,95. ISBN 9789492241856

“Een labberkoelte is een flauwe wind, waarbij de zeilen van een schip niet gespannen staan, maar zachtjes heen en weer bewegen, of zoals Mirck het zelf noemt: ‘een aarzelaar die eraan twijfelt of hij het waard is om onderwerp van twijfel te zijn’. Hij legt deze woorden in de mond van de wind, want in deze bundel is de wind aan het woord”
(Meander Literair E-magazine voor Nederlandstalige Poëzie)

sailboat against cityscape at dusk
Photo by Bráulio jardim on Pexels.com
De wind om het huis

Waar heeft rondom het huis de wind het over?
Achter geloken oogen gaat het huis teloor
en wandel ik weer langs een oever
van het verleden, en er is geruis
van water en van riet, vooral van water.
Een blij kind roept mijn naam – werd ik ooit oud?
Ver van de kudde staat een schaap te blaten
als vele jaren her, en ik werd oud.
De wind gaat liggen en de lucht betrekken:
sterven brengt ander weer, ik wist het wel.
Weldra kan ook geen blij kind mij meer wekken.
Dan gaat de dood sneeuwen, en het wordt stil.

A. Roland Holst (1888-1976)
serene winter sunrise with snow covered landscape
Photo by Johanna on Pexels.com

Bioloog Andreas Weber: ‘Zelfs de wind heeft een innerlijk’


Volgens filosoof en bioloog Andreas Weber schiet de moderne wetenschap tekort om leven te beschrijven. ‘We begrijpen het leven poëtisch.’
“Ik zie de realiteit als een ervaring, een web van relaties dat steeds op zichzelf reageert. Dat gaat in tegen de gangbare wetenschappelijk opvatting, die de te onderzoeken werkelijkheid tot materie reduceert. Deze wetenschap ziet de wereld, elk organisme, zelfs ons eigen lichaam, als een object, een ding, een soort machine. Maar machines zijn statisch, en leven is dat allerminst. Terwijl ik dit zeg hebben er tienduizenden DNA-defecten in mijn cellen plaatsgevonden, die ook alweer gerepareerd zijn. Levende wezens zijn continu bezig met uit elkaar vallen en zichzelf weer genezen. De wens te blijven bestaan verraadt het bestaan van een zelf, een innerlijk dat zichzelf in zekere zin waarneemt en keuzes maakt. Zo’n zelf heeft een eigen lichaam, met eigen gevoelens, en een eigen perspectief, maar valt niet te herleiden tot pure materie.’


Maar iets levenloos zoals de wind is toch geen individu?
‘Ook de wind, die we als een levenloos element zien, is relationeel en wordt waargenomen. Bijvoorbeeld wanneer een briesje zacht langs onze huid strijkt. De wind neemt zichzelf misschien niet waar zoals een kikker dat doet – die lijkt daarin veel meer op ons – maar zelfs de wind heeft een zekere innerlijke ervaring.’
‘Elke innerlijke ervaring uit zichzelf op een zintuigelijke manier. Denk bijvoorbeeld aan de katjes van de hazelaar: die zijn een uiting van leven. Ze roepen: “We zitten barstensvol leven en de vreugde van de voortplanting!” Ze zeggen dat niet in een talige formulering – ze doen het gewoon. En wij begrijpen dat vanuit onze eigen belichaamde ervaring, als een poëtische gewaarwording. Alles in de werkelijkheid staat in een dergelijke poëtische verhouding tot elkaar: alles praat over zichzelf, maar niet op een rationele, beschrijvende wijze.’

Eén van de lessen die we als maatschappij kunnen leren is dat we niet zo zwaar moeten tillen aan de dood. Ik zie de dood als een transformatie, van een individueel perspectief naar het perspectief van het geheel. Als je denkt dat de dood een definitief einde is, legt dat enorme druk op onze korte levensduur. Met zoveel druk kun je geen tedere relatie met de wereld opbouwen. Je verliest jezelf in de dreiging van het einde.’


(Filosofie Magazine Robin Atia 13 maart 2024)
https://www.filosofie.nl/bioloog-andreas-weber-zelfs-de-wind-heeft-een-innerlijk/

close up of yellow and white pussy willow buds
Photo by Roman Biernacki on Pexels.com

Kleine en grote geschiedenis? Een paasbrief.

bright yellow daffodils under blue sky
daffodil close up
Photo by Mariya Muschard on Pexels.com

Om drie uur begon de sirene op het stadhuis luid te loeien. Dat was dus het uur. Meestal nog op school kon meester of broeder ons wijzen op dat heilig moment waarop Jezus aan het kruis was gestorven. Wij waren enkele minuten werkelijk stil.
Goede Vrijdag 1952. Ik was dat jaar in februari acht geworden. En overmorgen zou het Pasen zijn, de dertiende april. Was dat geen ongeluksgetal, die dertien? Churchill liet op de radio horen dat zij, de Engelsen, ook een atoombom hadden. En de Russen al een tijdje daarvoor hun atoomwapen, ‘Eerste Bliksem’ gedoopt. Pasen 1952 bleef de wereld stil. De gekruisigde was verrezen. Op stille zaterdag waren de klokken terug uit Rome. Mijn broertje en ik vonden kleine en enkele grote chocolade eieren in de tuin. Het was helemaal geen ongeluksdag. Half bewolkt was het en het bleef droog.

bright yellow daffodils under blue sky
Photo by Michael on Pexels.com

Het dagelijks gebeuren heeft -soms weinig zichtbaar- de geschiedenis in of achter de rug. De betekenis van ‘achter de rug’ lijkt op het voorbije te duiden, maar al wordt geschiedenis meestal na afloop zichtbaar, haar aanwezigheid in het heden, al dan niet verdrongen, is, vooral na afloop, zichtbaar te maken door de verhalen van getuigen, documenten en beeld- en klankmateriaal.
De verteller herinnert zich zijn eigen kleine maar ook elementen van de wezenlijke geschiedenis. Geboren in de uitlopers van de tweede wereldoorlog is hij als baby, peuter en kleuter aanwezig in de weinig ordelijke natijd van de tweede wereldoorlog. Het jaar na de beschreven paastijd zal ook de televisie een rol gaan spelen in het dagelijks leven.(1953)

Zo zal het tot 1963 duren, het begin van de Frankfürter-Auschwitz processen, de gruwelmachine van de kampen door getuigenissen zal doordringen tot in de huiskamer al was tijdens het Eichmann proces in Jerusalem 1961 al een beklemmend beeld ontstaan van het mechanisme, de banaliteit van het kwaad, om Hanna Arendt te citeren. Toch moet je die banaliteit niet als excuus beschouwen, de misdaden van Eichmann vloeiden rechtstreeks voort uit de extremistische ideeën van het nationaal-socialisme, waar hij vol overtuiging in geloofde. Arendt heeft van een extreme SS’er een gehoorzame ambtenaar gemaakt.’ (ik citeer Tom Bouwmeester in ‘Het kwaad: banaal of demonisch?’ in Filosofie Magazine 4 december 2012). Een middenweg?

Michelangelo Buonarroti (Caprese 1475-Rome 1564) Archers Shooting at a Herm c.1530
Red chalk (two shades) | 21.9 x 32.3 cm (sheet of paper)
(vergroot door op onderschrift te klikken.)

Steeds gedwongen tot ‘verlaten’ is heimwee niet uit te sluiten.
Wil je leven dan komt er een moment dat je je moeder ‘letterlijk’ verlaat. Je wordt geboren. Je blijft mogelijk levenslang in haar innerlijk, maar het uitstappen hoort bij het wezenlijke. Op stap naar/met de anderen. Het verlaten of verlaten worden door geliefden, denkbeelden of het tekort aan inzichten, elementen die een mens tot mens maken. Begrijp dus de ontroering en de wanhoop bij de woorden van een liefhebbend mens op het slavenkruis: “Mijn God waarom heb je mij verlaten?”

Het is een fragment uit psalm 22:

Mijn God, mijn God
waarom hebt U mij verlaten?
U blijft ver weg en redt mij niet,
ook al schreeuw ik het uit.

In het Hebreeuws klinkt de eerste regel ongeveer als dit: ‘Eli, Eli, lama sabachtani?’ 

Een wondermooie uitvoering Psalm 22 Felix Mendelssohn ‘Mein Gott, warum hast du mich verlassen SWR Vokalensemble



Mendelssohn schreef het werk “Mein Gott, warum hast du mich verlassen” (opus 78 nr 3) in een turbulente fase van zijn leven. Een van de beroemdste musici van die tijd 1843-1844 maar verscheurd tussen verschillende verantwoordelijkheden.

-Conflict met Berlijn: Mendelssohn was door de Pruisische koning Friedrich Wilhelm IV aangesteld als Generalmusikdirektor voor kerkmuziek. Hoewel hij deze psalm specifiek voor het koor van de Berliner Dom schreef, was hij diep gefrustreerd door de bureaucratie en de starre houding van de geestelijkheid in Berlijn.
-In 1843 en 1844 pendelde hij voortdurend tussen Berlijn (voor zijn koninklijke verplichtingen) en Leipzig (waar hij het Gewandhausorchester leidde en het conservatorium had opgericht). Deze periode was fysiek en mentaal uitputtend voor hem.

Hoewel Mendelssohn lutheraan was gedoopt, bleef hij trots op zijn joodse afkomst. Zijn werk met de psalmen was een poging om de protestantse liturgie te vernieuwen door terug te grijpen naar de wortels van de bijbelteksten en de polyfonie van Johann Sebastian Bach.
Een mengeling van succes en tragiek, zo zou je deze periode tot aan zijn dood in 1847 kunnen noemen. Succes in 1846 met zijn oratorium ‘Elijah’ in 1846, (premiere in Birmingham Engeland) maar als het jaar daarop in 1847 zijn geliefde zus Fanny sterft zal hij niet lang daarna een beroerte krijgen en datzelfde jaar overlijden. Zijn laatste grote werk, het Strijkkwartet nr. 6 in f-mineur, schreef hij als een rauw en emotioneel eerbetoon aan zijn zus.

(samengesteld met hulp van AI Google)

Christusdoorn

De Christusdoorn



In mijn toren van vergaan ivoor

Staat een oude Christusdoorn; hij bouwt

Met zijn stekels bars een wenteltrap

Naar de hemel; daaglijks, voet voor voet,

Volg ik hem, soms met het blote oog

Bijna rakend aan zijn pantsertuig:

Zwaarden worden dan zijn stekeldoornen,

Zwaardviszwaarden, lemmeten van wilden,

Messen van nomaden, Moorse dolken;

Maar naarmate, hoger in de hemel,

Klimmend, kleiner wordend, klauterende

Ik hem volg, verschraalt geheel, verschrompelt

't Wapenarsenaal en 'k zie de bloem

Als een spijker in de top geslagen,

Als een rode spijker die hij kleurt

Met zijn bloed: o raadsel der genade.




Bertus Aafjes (1914-1993)
monochrome stairs leading to sky
Photo by Rino Adamo on Pexels.com

Ik ben omdat wij zijn’
Dat is een gezegde van de Zuid Afrikaanse filosoof Mogebe Ramose.(1950)
Denk je vanuit het wij dan komt het ik pas echt tot zijn recht.
Dat klinkt wonderlijk zo:
Umuntu ngmuntu ngabantu: Ik ben omdat wij zijn.

umuntu = een persoon
umuntu ngmuntu = een persoon is een persoon
ngbantu = door mensen

Luidop kun je er makkelijk een vinnig ritme van maken.
Met begeleiding allerhande. Vanuit het hart.
Zalige paasdagen gewenst.

Kijken en bekeken (1)

Lavery, John; Daylight Raid from My Studio Window, 7 July 1917; National Museums Northern Ireland; http://www.artuk.org/artworks/daylight-raid-from-my-studio-window-7-july-1917-122334

Een jonge vrouw, met haar rug naar ons toe, leunt met één knie op een bank die tegen het grote, halfopen raam van een Londens herenhuis staat. Ze staart naar buiten, haar handen gespreid over de rugleuning van de bank, en ze baadt in een zacht, vroeg avondlicht dat de schoorstenen van de gebouwen rechts van het raam een krijtachtig grijze tint geeft, en die aan de linkerkant een lichtroze.

Kijk je naar de datum van het schilderij, 1917 dan begin je te beseffen dat de stipjes hoog in de lucht geen vogels zijn maar zoals de titel zegt, een raid van vliegtuigen net voor het donker wordt. Zij bekijkt vanuit het schildersatelier de avondlucht.

Het licht valt op voorwerpen in de kamer: flessen op de diepe vensterbank en een pot vol met penselen. Deze pot staat tegen een kleine, ronde spiegel die tegen bleke houten luiken leunt, opgevouwen aan één kant van de vensterbank. De spiegel is helderwit waar het licht erop valt. Het licht valt ook op het rode, krullende haar van de vrouw, dat tot aan haar kaak reikt, en op de kanten rok van haar geel-crèmekleurige jurk, die lange, strakke mouwen heeft, een nauwsluitend bovenstuk en een smalle, crèmekleurige sjerp in haar taille. Haar roze satijnen schoenen nemen de dieproze, rode en oranje kleuren over van het dikke tapijt waarop één voet rust. Het roze sluit ook aan bij de kleuren van de bank en een groot fluwelen kussen rechts, waaronder een opgevouwen krant tevoorschijn komt, wat zorgt voor nog een witte accenten.

Bekijk ook:

Banksy de ware

“Verhalen geven het leven niet alleen een mate van bestendigheid, ze zijn ook helend. ‘Al het leed wordt draaglijk als je het inpast in een verhaal, of er een verhaal over vertelt’, aldus het motto dat Hannah Arendt aan een van haar hoofdstukken in The Human Condition meegeeft. De pijn die is ingebed in een verhaal krijgt de kans zich te hechten aan een specifieke levensgang. Dat maakt de pijn niet minder, maar kan er op z’n minst voor zorgen dat zij niet sprakeloos blijft en dus zonder betekenis. Sprakeloos leed zal het individu blijvend verteren als een ‘niets zonder einde’, verhalend leed heeft een begin en een einde.

Zodra we de kindertijd achter ons laten, een tijd waarin we nog op onmiddellijke wijze konden samensmelten met de wereld en nog geen weet hadden van onze sterfelijkheid, worden we melancholische wezens. Het verlies van deze oorspronkelijke eenheid is, tezamen met het besef van vergankelijkheid, een traumatische gebeurtenis. Oftewel: de mens hoeft geen persoonlijk verlies te ervaren of oorlog te ondergaan om pijn te lijden. We zijn van huis uit getraumatiseerde dieren; verhalen verzachten onze existentiële pijn.

Het is aan de kunst om ons hieraan blijvend te herinneren en ons thuis te laten komen in het trauma dat leven heet.”

Hans Schnitzler ‘Melancholische wezens’ verschenen in A Tale of Hidden Histories (De Groene Amsterdammer 12 maart 2019)

Alberto Giacometti, The Walking Man I, 1960. Bronze, 72” high. Guggenheim, Bilbao.

The sculptures of Swiss artist Alberto Giacometti (1901-1966) perhaps best express the existentialist spirit. Although Giacometti never claimed that he pursued existentialist ideas in his art, his works brilliantly capture the spirit of that philosophy. Indeed, Sartre, Giacometti’s friend, saw the artist’s figurative sculptures as the personification of existentialist humanity – alienated, solitary, and lost in the world’s immensity. Giacometti’s sculptures of the 1940s are thin, nearly featureless figures with rough, agitated surfaces. Rather than conveying the solidity and mass of conventional bronze sculpture, these thin and elongated figures seem swallowed up by the space surrounding them, imparting a sense of isolation and fragility. Giacometti’s evocative sculptures spoke to the pervasive despair that emerged in the aftermath of world war.

Fred S. Kleiner, Gardner’s Art Through the Ages: The Western Perspective, vol. 1, 15th ed., (Boston: Cengage Learning, 2010), 831.

Alberto Giacometti, Drei schreitende Männer (kleines Quadrat), 1948, Bronze, 72 x 32,7 x 34,1 cm, Fondation Giacometti, Paris © Succession Alberto Giacometti / ADAGP, Paris, 2025

“De sculpturen van de Zwitserse kunstenaar Alberto Giacometti (1901-1966) geven misschien wel het beste uitdrukking aan de existentialistische geest. Hoewel Giacometti nooit heeft beweerd dat hij in zijn kunst existentialistische ideeën nastreefde, geven zijn werken op briljante wijze de geest van die filosofie weer. Sartre, een vriend van Giacometti, zag de figuratieve sculpturen van de kunstenaar zelfs als de personificatie van de existentialistische mensheid – vervreemd, eenzaam en verloren in de onmetelijkheid van de wereld. Giacometti’s sculpturen uit de jaren 40 zijn dunne, bijna karakterloze figuren met ruwe, onrustige oppervlakken. In plaats van de stevigheid en massa van conventionele bronzen sculpturen uit te stralen, lijken deze dunne en langgerekte figuren opgeslokt te worden door de ruimte om hen heen, wat een gevoel van isolatie en kwetsbaarheid geeft. Giacometti’s suggestieve sculpturen spraken de alomtegenwoordige wanhoop aan die ontstond in de nasleep van de wereldoorlog.”

Fred S. Kleiner, Gardner’s Art Through the Ages: The Western Perspective, vol. 1, 15th ed., (Boston: Cengage Learning, 2010), 831.

The Dog, 1951 © Medium

We begonnen het ‘kijken en bekeken’ met de niet zo bekende schilderij van de Ierse schilder John Lavery, 1917: ‘Daylight raid from my studio window’. Je zou een gelijklopend slotbeeld kunnen vinden tussen de talrijke foto’s van de aan gang zijnde oorlogen, maart 2026. Bekeken vanuit de oorlog zelf. Onze machteloosheid. Of schiet zelfs onze verbeelding tekort bij een ruim overschot aan dagelijkse werkelijkheid?

Alexandr Gera – “Laatste adem #5”, 2024. Acryl op canvas. 80 x 80 cm.

Daylight Raid from my Studio Window records the afternoon of 7 July 1917, when twenty-one German biplanes appeared in the skies above London and were engaged by British aircraft. The ensuing combat could be seen from the large window of Lavery’s studio in Cromwell Place, London. The artist’s wife Hazel, her head outlined against a blackout curtain, is watching the scene, worry evident in the tension of her body. Lavery seems to have originally painted a statuette of the Virgin Mary, in front of which Hazel kneeled. Before he donated the painting to Belfast, he painted it out, possibly to erase the memory of his wife’s worry. (Ulster Museum)

Lavery, John; Daylight Raid from My Studio Window, 7 July 1917; National Museums Northern Ireland; http://www.artuk.org/artworks/daylight-raid-from-my-studio-window-7-july-1917-122334


Lavery On Location (John Lavery), galerietrap in de National Gallery of Ireland

Kunst, een speeltuin? Isamu Noguchi, een intro

Sun at Noon (1969)the noguchi museum, photo by nicholas knight © the isamu noguchi foundation and garden museum, new york / ARS

In 1933 stelde Isamu Noguchi voor om een heel blok in New York City te herontwikkelen tot “Play Mountain”, een enorm topografisch project dat ongestructureerd en open zou zijn. In plaats van schommels en snelle metalen glijbanen wilde Noguchi bijvoorbeeld aarden trappen, een muziektent en een grote heuvel om te sleeën en samen te komen. Het idee was dat het in de winter net zo leuk zou zijn als in de zomer en dat het de verbeelding van kinderen meer zou prikkelen dan de voorgeschreven speeltoestellen die typisch zijn voor stadsparken. De toenmalige commissaris voor parken, Robert Moses, verwierp het plan echter en ondanks pogingen om dit en andere ontwerpen van Noguchi in New York te realiseren, werd geen enkel project in de stad uitgevoerd. Maar wel nu, op film. Als eerbewijs aan Noguchi. Ter gelegenheid van de tentoonstelling ‘Noguchi’s New York’. Hoe het in de loop der jaren zou geweest zijn als..

Bekijk de ultra korte filmpjes die hier na elkaar zijn gemonteerd tot YouTube afrondt.

Een feest van beweging en ontdekkingen kon het geweest zijn.

“Ik beschouw speeltuinen als een basis voor vormen en functies; eenvoudig, mysterieus en suggestief; en dus leerzaam”, zei kunstenaar Isamu Noguchi ( in een pamflet over zijn Playscapes). De Japanse kunstenaar en ontwerper, misschien wel het meest bekend om zijn stenen sculpturen en Akari-lampen, had altijd oog voor de ruimtes die de kindertijd bepalen, met name openbare speeltuinen en hun invloed op de jonge geest. (Grace Ebert)

Een reeks korte animaties brengt deze minder bekende geschiedenis tot leven. Met behulp van handgeschilderd celluloid onder een Rostrum-camera verbeeldt Eastend Western hoe deze nooit gebouwde speeltuinen eruit zouden hebben gezien – en hoe telkens kinderen in de loop van jaren zouden hebben omgegaan met de veranderende onconventionele constructies. Er zijn betonnen heuvels met grotachtige openingen, labyrintische zandtuinen en asymmetrische toestellen die gebruikers zouden kunnen leren dat “de snelheid van de schommel wordt bepaald door de lengte van de slinger”, aldus de film. (ibidem). Tot 13 september 2026 in het Noguchi Museum NY USA.

isamu noguchi, ‘contoured playground’ (1941 – 1963), photo © the isamu noguchi foundation and garden museum, new york / ARS
 

https://www.noguchi.org/artworks/collection

Isamu Noguchi (1904–1988), een van de belangrijkste kunstenaars van de 20e eeuw, was een idealist wiens tijdloze werk oude en moderne ideeën combineerde. Als rondreizend cultureel synthesizer verwierp hij consequent categorisering en de valse opdelingen van zijn tijd, omarmde hij globalisme en liep hij enkele decennia vooruit op de sociale praktijk van kunst. Noguchi was in de eerste plaats beeldhouwer, maar zijn uitgebreide, interdisciplinaire praktijk omvatte ook openbare projecten, tuinen, speeltuinen, meubilair, verlichting en decorontwerp, allemaal gebaseerd op een diepgewortelde overtuiging dat de natuur van fundamenteel belang was voor de menselijke conditie en een vastberadenheid om werk te maken dat deze overtuiging aanmoedigde.

(White Cube)

Noguchi Isamu Akari light sculpture (1960s)

Bekijk deze mooie concentratie van zijn werk en wezen in deze kortfilm (6:31):

“Alles is een sculptuur,” heeft Isamu Noguchi gezegd. “Elk materiaal, elk idee dat zonder grenzen is ontstaan in de ruimte, is voor mij een sculptuur.”

https://www.rijksmuseum.nl/nl/stories/10-dingen/story/tien-dingen-over-isamu-noguchi

Isamo Noguchi Black Slide Mantra 1966

Noguchi geloofde dat de taak van de beeldhouwer was om de ruimte vorm te geven, om het orde en betekenis te geven, en dat kunst zou moeten “verdwijnen”, of als één met haar omgeving moet zijn. Misschien was het zijn dubbele afkomst – zijn vader was een Japanse dichter, zijn moeder een Schots-Amerikaanse schrijver – die resulteerde in zijn manier om naar de wereld te kijken met oog voor ‘oneness’. Oguchi wilde en kon zich niet in een hokje laten plaatsen en creëerde sculpturen die zowel abstract konden zijn als die van Henri Moore, of realistisch als die van Leonardo. Hij gebruikte elk medium dat hij maar kon vinden: steen, metaal, hout, klei, bot, papier, of een combinatie daarvan. Hij sneed, giet, hakte, beitelde of blies stukken weg totdat elke vorm vorm kreeg.

“Als je jezelf beperkt tot een bepaalde stijl, word je misschien een expert in dat specifieke standpunt of die specifieke school, maar ik wil niet tot een bepaalde school behoren”, zei hij. “Ik ben altijd aan het leren, altijd aan het ontdekken.” (Herman Miller)

Isamu Noguchi – Red Cube Sculpture, 1968, 140 Broadway Between Cedar and Liberty Streets, Financial District in Lower Manhattan, New York

Heb je je ooit afgevraagd hoe kunstwerken in galeries terechtkomen? Bekijk de beproevingen, frustraties en unieke voldoening die gepaard gaan met het presenteren van kunst aan het publiek. Deze korte documentaire volgt de installatie van Isamu Noguchi’s geliefde sculptuur Water Stone (1986) in galerie 229, waar het nog steeds te zien is, en biedt een unieke kans om te zien hoe een levende kunstenaar met het personeel communiceert terwijl zijn werk wordt voorbereid voor tentoonstelling.

Tot slot neem ik je nog graag mee naar ‘The Noguchi Museum’ in Queens, New York. Het was er stil die dag, ook in de mooie binnentuin. Alsof je als volwassene nog even terug langs de ideale speeltuinen loopt die hij in de dertiger jaren zo graag had gerealiseerd. Maar het spelen met vormen en materialen, de projectie van het zonnelicht op muren en kunstwerken, de werkelijk spelende geest is er aanwezig gebleven en de wisselwerking tussen natuur en vormgever is zowel zacht als grappig maar de weemoed overheerst. Elk spreken in materiaal blijft nazinderen tot in de letterlijke lichtheid van de lampen, de stilte . Of zijn de kinderen naar de oorlogen getrokken?

Omtrent Verwondering (4) ‘Verkenningen’

pigeons on power lines

Schrikken, of ontroerd zijn, of het loslaten van meningen, bedoel je misschien ‘het stellen van vragen, of moet je de gedachte loslaten dat je iets zou vinden? Het is nog iets anders dan nieuwsgierigheid en verbazing. Even filosoof Cornelis Verhoeven erbij halen: ‘

‘In de verwondering ervaren wij ons zelf op grond van een ontmoeting met een werkelijkheid.’

‘Het is een avontuur waarvan hij [de mens] de afloop niet kan voorzien, een oefening in de vrije val.’

scenic view of neretva river in mostar
Photo by Mario Zovko on Pexels.com
Uit de bundel: 'Gewone wonderen'

Deze drie
wonderen
a) dat ik denk
b) te begrijpen
c) wat ik zie
kan ik niet verklaren.

Waarom is het ware
wonder dan wat
we ervaren
zonder
een van die
drie?

Leo Vroman
Door de eigenzinnige kijk op het menselijk leven waar de dood vanzelfsprekend toe behoort en de heldere en indringende formulering van het wonder van het menselijk bestaan dat niet gereduceerd wordt tot zijn fysieke verschijning en verdwijning, bezit Vromans poëzie een filosofische diepgang die humor en taalplezier echter nooit uitsluit. (Joris Gerits Streven 2015)
photo of tent during evening
Photo by Suleyman Seykan on Pexels.com

‘De verwondering brengt een moment van stilstand in het denken. Trefzeker zegt onze taal dat iemand verwonderd ‘staat’. Dat is veelbetekenend. Het staan als stil-staan is het ophouden met bewegen, ontwerpen, ingrijpen. De uitdrukking ‘verwonderd staan’ veronderstelt dus een actief leven, dat plotseling wordt onderbroken en afgeremd. De verwondering wordt gesitueerd temidden van een beweging. Voor en na de bewondering is er de beweging, die de ‘gewone’ toestand is. Mensen zijn, zo lijkt het dus, op de eerste plaats bewegers en werkers. Het stilstaan is ook ophouden met spreken; in de stilte komt het anders-zijn van de dingen aan. Het moet worden beluisterd om te worden vernomen en er bestaat dus een mogelijkheid om het niet te vernemen door het zelf te overstemmen. Zonder een minimum aan aandacht heeft het gebeuren van de verwondering niet plaats. Zij heeft dat gemeen met elke openbaring.’

Dr. Cornelis Verhoeven. Inleiding tot de verwondering (1967)

https://www.dbnl.org/tekst/verh039inle01_01/verh039inle01_01_0002.php

water drop at the tip of a leaf
Photo by Pixabay on Pexels.com
Omzien in verwondering is de titel van de autobiografie die de historica Annie Romein-Verschoor (1895-1972) schreef na de voltooiing – met haar man Jan Romein – van historische meesterwerken als De lage landen bij de zee, Erflaters van onze beschaving en Op het breukvlak van twee eeuwen. Het boek verscheen in twee delen, in 1970 en 1971. De titel van de autobiografie van Annie Romein-Verschoor sprak kennelijk tot de verbeelding, want omzien in verwondering wortelde zich al snel in onze taal in de betekenis van ‘verbaasd terugblikken’.  (Ton den Boon 31 dec. 2016 in 'Taalbank)
In "Nederduitsche synonymen" (1836), band 1, blz. 126:
verslagenheid, ontzetting, ontsteltenis, ontroering, verbazing, bevreemding, verwondering, verbijstering

Zeg niets, maar kun je een aantal situaties uit je eigen leven oproepen waar de ‘Nederduitsche synonymen’ van toepassing waren.? Een aantal beelden als intro, of het kan ook muziek zijn die herinneringen losmaakt uit het bevroren ’toen’. Je kunt op die manier ’tinten van herinneren’ oproepen en overdenken. Het zal nooit één beeld zijn, maar een dynamiek al dan niet met nawerking.

reflection of silhouette trees in lake against sky at sunset
Evenwicht tussen lucht, aarde en water net voor de dag eindigde of begon. Cirkels.

En dan opeens
Staat alles stil
Terwijl de wereld verder draait
Opeens… staat alles stil
Luister:


Je raapt jezelf weer bij elkaar
Staat op en gaat weer door
Niet bang om te vallen
Ook al dans je op een koord

De bel gaat voor een nieuwe ronde
Je staat nog altijd in de ring
Vechtend met een tegenstander
Die zich meestal niet laat zien

Want opeens
Staat alles stil
Terwijl de wereld verder draait
Opeens… staat alles stil
silhouette of a person watching fish in an aquarium
Photo by Margarita on Pexels.com

Op draden waarmee mensen met elkaar communiceren,
of licht en warmte mogelijk maken
zit het vol duiven,
dat notenschrift van vrede en vriendschap
voor diegenen die van goede wille zijn.

pigeons on power lines
Photo by Thắng-Nhật Trần on Pexels.com

Lees ook:

Omtrent verwondering (2)

close up shot of splashing sea waves
silhouette of person with flare on dark horizon
Photo by Bl∡ke on Pexels.com
Verwondering

Vergeet het wonder niet.
Verwonderen scheurt traagzaam
de duisternis.
De ziel zucht naar wat uit
het eindelijke zichtbaar wordt.

Uiteindelijk
is het laatste woord
net voor de dageraad
close up shot of splashing sea waves
Photo by Mariam Antadze on Pexels.com

‘Uiteindelijk’ heeft een aantal mooie synoniemen:

ultiem (bn) :
uiteindelijk, uiterst, laatste
ten slotte (bw) :
uiteindelijk, eindelijk, tot besluit, tot slot, ter afsluiting, ten langen leste
al met al (bw) :
uiteindelijk, alles bijeengenomen, alles overziend, alles bij elkaar genomen
tenslotte (bw) :
uiteindelijk, immers, welbeschouwd, op de keper beschouwd
eindelijk (bw) :
uiteindelijk, ten slotte, ten langen leste
finaal (bw) :
uiteindelijk, definitief, laatste, ultiem

Je zou kunnen aankomen bij: (dat is) helemaal het einde. Wat zich na dat ‘aangenomen’ einde zou bevinden kan zich van het ‘niets’ tot het wonderlijke (onbekende) alles uitstrekken.

silhouette of tree near body of water during golden hour
Photo by Pixabay on Pexels.com
ZWERVER

Dien avond kwam ik later dan gewoonlijk
naar boven. In de huiskamer was licht
zag ik door de gesloten deur. Een schicht
van vreugde maakte terstond persoonlijk,
al wat zich uit mij had ontsticht
in stad en menigte. Ik stond koninklijk
in het vernieuwde donker van den nacht,
binnen mijzelve opgericht.
‘Ik heb op je gewacht’, zei je aandoenlijk,
en kuste mij de dood van het gezicht.

Gerrit Achterberg (1905-1962)
windows of apartments in evening
Photo by cami on Pexels.com

"Verwondering is het staren in een wereld die tot voor kort een andere wereld was en nu de eigen wereld blijkt te zijn of omgekeerd. Zij ontstaat, zoals men gewoonlijk zegt, uit de tegenstelling tussen het gewone en het ongewone. Zij kan ons overkomen wanneer het ongewone gewoon blijkt te zijn, verklaarbaar en begrijpelijk, maar evenzeer wanneer het gewone zich als iets ongewoons openbaart of zich van een ongewone kant laat zien. Deze schommeling wordt niet alleen veroorzaakt door het ambivalente karakter van de verwondering, maar ook door de twijfelachtige waarde van de noties ‘gewoon’ en ‘ongewoon’."

Hij citeert ook Augustinus:

De verwondering treft het hart zonder het te kwetsen; "Percurit cor meum sine laesione." Het hart hunkert naar het nieuwe dat in de verwondering openbaar wordt.

Dr. Cornelis Verhoeven, Inleiding tot de Verwondering. (1967)


https://www.dbnl.org/tekst/verh039inle01_01/verh039inle01_01_0002.php#:~:text=Verwondering%20is%20het%20staren%20in%20een%20wereld,tegenstelling%20tussen%20het%20gewone%20en%20het%20ongewone.

silhouette of a kid playing with a kite
Photo by Quang Nguyen Vinh on Pexels.com

Lees ook:

De nieuwe kleren, een sprookje?

Dit sprookje (AT 1620, ‘The King’s New Clothes’) dankt zijn bekendheid aan de sprookjesbundel Eventyr fortalde for Børn (1835) van Hans Christian Andersen (1805-1875). Andersen gebruikte als voorbeeld het verhaal uit het veertiende-eeuwse kluchtboek El libro de los exemplos de conde Lucanor et de Patronio van de Spanjaard Juan Manuel. Het motief van het bedrog met de niet bestaande kleding is echter al veel ouder en komt al in een Indiaas verhaal in de Avadânas (Boedda’s wedergeboorten) uit de eerste eeuwen na Christus voor. Hier weeft iemand zo’n fijne draad dat niemand hem kan zien.

Behalve met niet bestaande kleding kan het bedrog ook plaatsvinden met een niet bestaand schilderij. Een verhaal met dit motief komt voor het eerst voor in de veertiende-eeuwse Der Pfaffe Amîs van Der Stricker. Alleen wettig geboren kinderen zouden een schilderij kunnen zien. Het verhaal duikt later op in de Uilenspiegel-cyclus en bij Hans Sachs. Als mondeling verhaal is de ‘Nieuwe kleren van de keizer‘ weinig opgetekend: slechts hier en daar in Europa, Azië en Zuid-Afrika. Wat Nederland betreft is het alleen enkele keren in Friesland door Ype Poortinga in de jaren zeventig opgetekend.

Het verhaal van Andersen is in 1893 gedramatiseerd door Ludwig Fulda in diens Der Talisman.

Pim Marijn Sanders in de Efteling ‘De naakte keizer’

Rembrandt’s tulbanden, Élisabeth Vigée Le brun’s sjaals, Rosa Bonheur’s lange broeken, Balzac’s kamerjas door Rodin, Andy Warhol’s pruik, Niki de Saint Phalle’s slangenjurk… Maken kleren de kunstenaar? Of de ziel van de geportretteerde?

The Artist, the Model and her Lawyer, 1992

In 1992 maakt Marlene Dumas een schilderij getiteld The Artist, the Model and her Lawyer. Midden op het doek staat het naakte model met haar handen afwachtend op haar rug. Aan weerszijden van haar staat een geklede man. Zij zijn druk met elkaar in gesprek. De titel, die boven de hoofden van de drie figuren geschreven staat, geeft aan dat het hier om de kunstenaar en de advocaat van het model gaat. De kunstenaar en het model zijn blijkbaar in een ongelijke strijd verwikkeld, anders had het model geen nood aan een advocaat. Het model is trouwens naakt, terwijl de lichamen van de twee heren verhuld blijven door de kleding die zij dragen. Zo beschouwd is Dumas’ schilderij een uitwerking van Manets Déjeuner sur l’herbe. Ook daar zien we een naakte vrouw temidden van twee zorgvuldig geklede heren. Wordt de ongelijkheid in Dumas’ werk nog enigszins gelegitimeerd door de professionele motieven van de kunstenaar en de context van het atelier, dan neemt ze ronduit groteske vormen aan in Manets Déjeuner. Het groene gazon levert nauwelijks een narratief alibi voor de naakte aanwezigheid van de vrouw. (Ernst van Alphen)

Lees verder:

With regret for the fact that ‘sexy’ also implies something stupid and the fine arts avoid that in favour of the ‘erotic’. I’ve always felt related to those places where the pin-up feels at home. And I thank all those nameless artists who’ve given us the real pin-ups.

Marlene Dumas, in: Sweet Nothings

Manet, Edouard – Le Déjeuner sur l’Herbe (The Picnic)

Er is ook een erg wrede versie van ‘de nieuwe kleren van de keizer’ Auteur, Yeh Shengtao (1894-1988) was leraar, daarnaast schrijver van kinderliteratuur en korte verhalen. Terugkerende onderwerpen daarin zijn het lot van kinderen in het autoritaire onderwijssysteem en de machteloosheid van hervormingsgezinde intellectuelen. Gedurende de jaren twintig en dertig was hij in Shanghai actief als criticus en tijdschriftredacteur. Na de oprichting van de Volksrepubliek China in 1949 was hij een tijd lang vice-minister van onderwijs. Annemie Bonneux maakte een vertaling . (De Tweede Ronde Jrg 27 2006)

Lees:

https://www.dbnl.org/tekst/_twe007200601_01/_twe007200601_01_0074.php

Het verhaal in ‘De Efteling’

Ook Roald Dahl maakte er een moderne berijmde versie van die je terugvindt in zijn verzameling ‘Rijmsoep’ In dit boek figureren heel wat bekende figuren, die hun strepen al lang verdiend hebben in andere verhalen, sprookjes of vertellingen. Wie kent er niet het verhaal van ‘De nieuwe kleren van de keizer’ of ‘Ali Baba en de veertig rovers’? Roald Dahl zou Roald Dahl echter niet zijn als hij niet aan elk verhaal een bijzondere wending gaf. De basiselementen blijven behouden, maar vaak lopen ze net iets anders af of krijg je een heel andere invalshoek voorgeschoteld. In ‘De nieuwe kleren van de keizer’ gaat de keizer in zijn nieuwe pak skiën. Hij is, net zoals in het sprookje, uiteraard helemaal naakt. Al vlug is hij helemaal bevroren en jubelt het hele land blij: “Nu zijn we eindelijk vorstvrij!” Vertaling van Huberte Vriesendorp.

's Keizers kleermaker, mijnheer Grijs,
had zijn zaak naast het paleis.
Zo kon de keizer wel twaalf keer
elke dag naar hem heen en weer.
Want hij was verzot op kleren:
pakken, mantels, hoeden, veren,
gestikte vesten van rode zij,
paarlen knoopjes op een rij...

Het paleis was vol goud en pilaren,
en lakeien en kamerdienaren,
die de hele dag niets anders deden
dan persen, strijken en de keizer kleden.
Maar kleren kunnen gevaarlijk zijn
voor 'n keizer met 'n minibrein…
Bij hem kwamen op de eerste plaats
zijn kleren, en de mensen 't laatst.
Neem nou de lakei die per ongeluk
iets morste op een kledingstuk.
Hij werd dadelijk in het openbaar
opgehangen aan zijn haar.
Een andere lakei, die jammer genoeg
bij het borstelen 'n pluisje oversloeg,
werd levend gekookt, net als een kreeft,
iets wat men maar zelden overleeft.
De dienaar die wat snuif had gemorst
op de gouden mouwrand van de vorst
werd vermalen in een machine
tot eersteklas dieetmargarine.

Verder te lezen via

Een heel andere toonaard in ‘The Emperor’s New Clothes van Sinead O’Connor

You asked for the truth and I told you
Through their own words
They will be exposed
They've got a severe case of
The emperor's new clothes
The emperor's new clothes
The emperor's new clothes
The emperor's new clothes
Keld Moseholm (1936-2023) The Emperors new Clothes

“On learning to dissect fetal pigs”, a poem

‘On learning to dissect fetal pigs, een gedicht van Nicole Maclin Good

Nicole Maclin Good was een alumnus van de Old Dominion University, in Norfolk, Virginia. Zij volgde een cursus creatief schrijven aan de universiteit en studeerde in 2020 af. Good was een productieve dichter en had verschillende bekroonde publicaties op haar naam staan.
In 2020 schreef ze een gedicht met de titel “On Learning to Dissect Fetal Pigs” dat de Academy of American Poets Prize van dat jaar won. Het gedicht is openbaar te lezen op de website van poets.org – de officiële website van de Academy of American Poets.
Het gedicht worstelt met de spanning tussen geloof, verwondering en wetenschappelijke kennis. Met name won het gedicht ook de 2020 ODU undergraduate poëzieprijs. De voorzitter van de wedstrijd vermeldde dat in het gedicht,“…het oog van de dichter beweegt in en buiten het geheugen door associaties die verbindingen maken, laag na laag, of meer toepasselijk, streng na streng.”

Mummified Fetal Pig

“On learning to Dissect Fetal Pigs” by Renée Nicole Macklin Good

i want back my rocking chairs,

solipsist sunsets,

& coastal jungle sounds that are tercets from cicadas and pentameter from the hairy legs of cockroaches.

i’ve donated bibles to thrift stores

(mashed them in plastic trash bags with an acidic himalayan salt lamp—

the post-baptism bibles, the ones plucked from street corners from the meaty hands of zealots, the dumbed-down, easy-to-read, parasitic kind):

remember more the slick rubber smell of high gloss biology textbook pictures; they burned the hairs inside my nostrils,

& salt & ink that rubbed off on my palms.

under clippings of the moon at two forty five AM I study&repeat

               ribosome

               endoplasmic—

               lactic acid

               stamen

at the IHOP on the corner of powers and stetson hills—

i repeated & scribbled until it picked its way & stagnated somewhere i can’t point to anymore, maybe my gut—

maybe there in-between my pancreas & large intestine is the piddly brook of my soul.

it’s the ruler by which i reduce all things now; hard-edged & splintering from knowledge that used to sit, a cloth against fevered forehead.

can i let them both be? this fickle faith and this college science that heckles from the back of the classroom

               now i can’t believe—

               that the bible and qur’an and bhagavad gita are sliding long hairs behind my ear like mom used to & exhaling from their mouths “make room for wonder”

all my understanding dribbles down the chin onto the chest & is summarized as:

life is merely

to ovum and sperm

and where those two meet

and how often and how well

and what dies there.

Over het leren ontleden van foetale varkens
door Renée Nicole Macklin GOOD

Ik wil mijn schommelstoelen terug,

solipsistische zonsondergangen,


& de geluiden van de kustjungle die bestaan uit terzinen van krekels en pentameters van de harige poten van kakkerlakken.

ik heb bijbels gedoneerd aan kringloopwinkels

(ze verpulverd in plastic vuilniszakken met een verzuurde Himalaya-zoutlamp –


de bijbels van na de doop, die van straathoeken geplukt uit de vlezige handen van fanatiekelingen, het versimpelde, gemakkelijk te lezen, parasitaire soort):

herinner me meer de gladde rubbergeur van hoogglanzende biologieboek-foto’s; ze verbrandden de haartjes in mijn neusgaten,
& zout & inkt die het op mijn handpalmen hadden gemunt.
onder knipsels van de maan om twee uur vijfenveertig ’s nachts bestudeer ik & herhaal ik

ribosoom

endoplasmatisch—

melkzuur

meeldraad

bij de IHOP op de hoek van Powers en Stetson Hills—

herhaalde en krabbelde ik totdat het zijn weg vond en ergens vastliep waar ik er niet meer naar kan wijzen, misschien mijn onderbuik –


misschien zit daar tussen mijn alvleesklier en dikke darm het miezerige beekje van mijn ziel.

het is de maatstaf waarmee ik nu alle dingen reduceer; hard en versplinterd door kennis die vroeger rustte, een doek tegen een koortsig voorhoofd.


kan ik ze allebei laten zijn? dit wispelturige geloof en deze universiteitswetenschap die vanuit de achterste bank van het klaslokaal wordt uitgejouwd?


nu kan ik niet geloven-


dat de bijbel en de koran en de bhagavad gita lange haren achter mijn oor schuiven zoals mama dat vroeger deed & via hun monden uitademen “maak plaats voor verwondering


al mijn begrip druppelt langs mijn kin op mijn borst en kan worden samengevat als:


het leven is slechts
eicel en sperma
en waar die twee elkaar ontmoeten
en hoe vaak en hoe goed
en wat daar sterft.

https://poets.org/2020-on-learning-to-dissect-fetal-pigs


The woman shot dead by a federal immigration agent in the US city of Minneapolis has been identified as Renee Nicole Good, a 37-year-old mother of three who had just moved to the city.
She was a prize-winning poet and a hobby guitarist, who city leaders have said was there as a legal observer of Immigration and Customs Enforcement (ICE) activities.
But the Trump administration has called her a "domestic terrorist".
Good's death has sparked protests across the country, with many people holding signs that read "Justice for Renee".
Her mother, Donna Ganger, told the Minnesota Star Tribune that her daughter was "probably terrified" during the confrontation with officers that saw her fatally shot and that she was "one of the kindest people I've ever known".
"She was extremely compassionate," Ganger told the daily newspaper. "She's taken care of people all her life. She was loving, forgiving and affectionate. She was an amazing human being."
Her father, Tim Ganger, told the Washington Post that "she had a good life, but a hard life".
Good studied creative writing at Old Dominion University in Norfolk, Virginia, and in 2020 she won an undergraduate prize from the Academy of American Poets for her piece entitled On Learning to Dissect Fetal Pigs.

(BBC)

Renee Nicole Good

Lees deze bijdrage in Reader of via blog. Wij zoeken naar de oorzaak van een foute email-vorm. Onze excuses.

-een solipsist is iemand die de filosofische overtuiging (solipsisme) aanhangt dat alleen het eigen bewustzijn zeker bestaat. Alles buiten de eigen geest – de buitenwereld en andere mensen – wordt beschouwd als een constructie van de eigen waarneming of is onbewijsbaar. Het is een radicale vorm van scepticisme waarbij de realiteit wordt gereduceerd tot het 'ik'. 
Kernaspecten van het solipsisme:
Definitie: Afgeleid van het Latijnse solus (alleen) en ipse (zelf).

Een heel kleine vogel op de schouder van een engel: Henri Rousseau (1844-1910)

Henri Rousseau, “Carnival Evening,” 1886, at the Barnes Foundation in Philadelphia.Credit…via Philadelphia Art Museum
Un tout petit oiseau
Sur l'épaule d'un ange
Ils chantent la louange.
Du gentil Rousseau.
 
 Guillaume Apollinaire.

His breakout dreamscape for that show, “Carnival Evening,” is here, starring a clown and a distant, half-painted house of real, stumping enigma. Its hundreds of needle-fine tree branches silhouetted black against a winter sky gradient foretell the day-night conjurings of Magritte. (Aside from color behavior, Rousseau knew how the eye adjusted to the absence of light.).   (Walker Mimmss NY Times 16 jan 2026)

Bio’s van schilders hebben de neiging om vanuit het schilderij meteen de werkelijke levensloop te integreren. Mijn verste bron echter, de Nederlandse kunstcriticus en schilder Kasper Niehaus is nog in dezelfde eeuw als Henri Rousseau geboren en zijn artikel in ‘Elseviers Geïllustreerd Maandschrift jaargang 42 verscheen in 1932 waarin hij zijn kennismaking met het werk van deze eenling uit de letterlijke doeken doet.

"IN Juni 1912 schreef een vriend mij uit Parijs, dat hij bij Uhde geweest was, een kunsthandelaar en fijn schilderijenkenner, die ook over kunst schreef en die naast een prachtcollectie Picassos en Braques en ook zeer fijn werk van Marie Laurencin, vooral een mooie verzameling werk van Henri Rousseau had: ‘een schilder wiens naam je waarschijnlijk nog nooit gehoord hebt. Toch is hij al twee jaar dood en niet jong gestorven. " 

De slapende Bohémienne La Bohémienne endormie (klik op beeld om te vergroten)

Met de woorden van Kasper Niehaus (1932):

"In een geel, rood en groen gestreept kleed, slaapt de Bohemienne, met den eenen arm onder het hoofd in een evenwijdig geplooide, amethyst-paarse doek, op een oranje en groen gestreept kussen, in het alles als doorschijnend makende licht van de maan. In de rechterhand houdt zij een stok. En toch is de Bohemienne daar niet gekomen! Zooals Cocteau zeer juist heeft opgemerkt, liet de schilder, die nooit een détail vergat, geen enkel spoor na in het zand om de slapende voeten. De nagels van voeten en vingers liggen als schelpjes aan den oever van dezen stroom der vergetelheid. De mandoline met het donkere, rood-omzoomde klankgat, de snaren als besneeuwde draden van een interasterale telegraaf en de schroefjes als maansteentjes, de roode kruik, loopen volgens Uhde tien jaar vooruit op de heele komende Fransche schilderkunst welke zij doen voorvoelen; (ibidem)

Zelfportret 1890


Daarentegen gaf hij elken Zondag een soirée, waar hij z'n vrienden uit de voorsteden, winkeliers, schoenmakers, kleermakers uitnoodigde en z'n schilderijen aan hun critiek onderwierp. Hij zei eens: ‘Ik heb veel van deze menschen geleerd, veel meer dan van alle critieken, die men tegen mij schreef. Bijvoorbeeld, m'n ‘Leeuw in het oerwoud’ was op de expositie en niemand had bemerkt, dat ik vergeten had den leeuw oogen te schilderen. Daar kwam een oude vriend van mij, een douanier van den Pont de la Tournelle en lachte: ‘Oude vriend, gij hebt immers vergeten den leeuw oogen te geven.’
Rousseau liet zich dus door het volk corrigeeren! (ibidem)

De oevers van de Bièvre nabij Bicêtre 1908-1909

Rousseau identificeerde het onderwerp van dit schilderij in een handgeschreven notitie, bevestigd aan het spanraam, gedateerd 1909, het jaar waarin hij het ter verkoop aanbood aan de kunsthandelaar Ambroise Vollard. De scène toont het landschap rond Bicêtre, een arbeiderswijk aan de zuidelijke rand van Parijs, vlakbij de rivier de Bièvre (die nu ondergronds door de stad stroomt). In de tijd van Rousseau was de waterweg zwaar vervuild, maar op bepaalde plekken was het uitzicht nog steeds schilderachtig, zoals blijkt uit de figuren in boerenkleding op het met bomen omzoomde pad links en het glimpje van het zeventiende-eeuwse aqueduc d’Arcueil op de achtergrond. (The Met)

La Guerre. circa 1894. musée d’ Orsay Klik op titel om te vergroten

Een keuze uit zijn werk vind je onderaan de Franse Wikipedia gegroepeerd per onderwerp:

https://fr.wikipedia.org/wiki/La_Guerre_%28Rousseau%29

Henri Rousseau. Zelfportret van de kunstenaar met een lamp 1903

Henri Julien Rousseau werd geboren in Laval in de Loirevallei in het gezin van een loodgieter. Hij ging naar de middelbare school in Laval, eerst als dagleerling en daarna als kostschoolleerling, nadat zijn vader schulden had gemaakt en zijn ouders de stad moesten verlaten omdat hun huis in beslag was genomen. Op de middelbare school was hij middelmatig in sommige vakken, maar hij won prijzen voor tekenen en muziek. Hij werkte voor een advocaat en studeerde rechten, maar “probeerde een kleine meineed te plegen en zocht zijn toevlucht in het leger”, waar hij vanaf 1863 vier jaar dienst deed. Na de dood van zijn vader verhuisde Rousseau in 1868 naar Parijs om als ambtenaar zijn moeder, die weduwe was geworden, te onderhouden. Met zijn nieuwe baan begon hij in 1869 een relatie met de dochter van een meubelmaker, Clemence Boitard, die zijn eerste vrouw werd en voor wie hij een wals schreef met haar naam. Ze kregen negen kinderen, maar tuberculose was in die tijd wijdverbreid en zeven van hen stierven op jonge leeftijd. In 1871 werd hij gepromoveerd tot belastinginner bij het tolkantoor in Parijs. Hij begon serieus te schilderen toen hij begin veertig was en op 49-jarige leeftijd nam hij ontslag om zich volledig aan zijn kunst te wijden. Zijn vrouw stierf in 1888 en hij hertrouwde later.

Rousseau beweerde dat hij “geen andere leraar had dan de natuur”, hoewel hij toegaf dat hij “enig advies” had gekregen van twee gevestigde academische schilders, Felix Auguste-Clement en Jean-Leon Gerome. In wezen was hij autodidact en wordt hij beschouwd als een naïeve of primitieve schilder.

Henri Rousseau, “Portrait of Madame M.”Credit…via Musée d’Orsay

Het oorspronkelijk artikel door Kasper Niehaus in Elseviers Geïllustreerd Maandschrift. kun je raadplegen:

https://www.dbnl.org/tekst/_els001193201_01/_els001193201_01_0096.php

https://www.dbnl.org/tekst/_els001191301_01/_els001191301_01_0042.php

‘De droom’ (klik op ondertitel om te vergroten)
Gedicht bij Le Rêve (De Droom):

Yadwigha dans un beau rêve
S'étant endormie doucement
Entendait les sons d'une musette
Dont jouait un charmeur bienpensant

Henri Rousseau

Hommage à Eric Satie

Madame Henri Rousseau
monte en ballon captif
Elle tient un arbrisseau
Et le douanier Rousseau
prend son apéritif

L'aloès gonflé de lune
Et l'arbre à fauteuils
Et ce beau costume
Et la belle lune
Sur les belles feuilles

Le lion d'Afrique
Son ventre gros comme un sac
Au pied de la République
Le lion d'Afrique
Dévore le cheval de fiacre

La lune entre dans la flûte
Du charmeur noir
Yadwigha endormie écoute
Et il sort de la douce flûte
Un morceau en forme de poire.

Jean Cocteau (1889-1963)
Muse Inspiring the Poet (Portrait of Guillaume Apollinaire and Marie Laurencin), 1909, Kunstmuseum Basel, Switzerland

Leonora Carrington: geen tijd om iemands muze te zijn (1917-2011)

Leonora Carrington. And Then We Saw the Daughter of the Minotaur. 1953. Oil on canvas, 23 5/8 × 27 9/16″ (60 × 70 cm).

Zie of lees je het woord “surrealisme’ dan is ‘oorlog’ dichtbij of net voorbij. Wellicht verklaart het ook , als oorlogskind, mijn eigen belangstelling, niet alleen voor het absurdistische maar vooral voor de vaak ongerijmde visuele combinaties alsof je droomt terwijl je wakker bent.

“Ik had geen tijd om iemands 
muze te zijn...
Ik had het te druk met rebelleren tegen mijn familie
en met het leren kunstenaar te zijn.”

Leonora Carrington



During World War II, after the imprisonment of her then partner Max Ernst, Carrington fled France and sought asylum in Spain. There, she experienced a series of psychological crises. Her family placed her in a sanatorium against her will, where she was subjected to severe treatments. Carrington eventually moved to New York, where André Breton encouraged her to write about her experiences in the Surrealist journal VVV. Shortly thereafter she made Green Tea, which is possibly a meditation on her confinement. At left there is a figure, often interpreted as the artist, clad in a restrictive cowhide-like straitjacket. A white horse, another one of Carrington’s autobiographical symbols, is chained to a tree nearby. (Moma)
Green Tea, 1942
Oil on canvas
24 x 30 inches (61 x 76.2 cm)
Museum of Modern Art, New York. Gift of the Drue Heinz Trust (by exchange). © 2024 Leonora Carrington/ Artists Rights Society (ARS), New York

Carrington kwam in opstand tegen de maatschappelijke verwachtingen die ze ervaarde als een jonge vrouw uit de hogere klasse geboren in Lancashire, Engeland. Ze baalde van de regels van haar rooms-katholieke kostscholen, verveeld door de schijnbaar eindeloze reeks debutanten-ballen. Haar interesses lagen in plaats daarvan bij Ierse fabels en Engelse schrijvers zoals Lewis Carroll, Jonathan Swift en Beatrix Potter. Zoals kunsthistoricus Susan Aberth zich herinnert: “Carrington, wiens jeugd doordrenkt was van sprookjes en fantasieliteratuur, verloor nooit die jeugdige denkwijze en zou in haar negentiger jaren lange passages van Lewis Carroll reciteren met een levendige glans in haar oog.” 


 In And Then We Saw the Daughter of the Minotaur (1953) (zie bovenaan), she depicts her two small children—Gabriel and Pablo—among mystical creatures and crystal balls, possibly awaiting an act of divination. Over the course of her eight-decade career, Carrington continued to explore the mystery of the world around her, claiming at the end of her life, “The only thing I know, is that I don’t know.”(Moma)


Leonora Carrington
La cuna (The Cradle), c. 1945 (de wieg)
Carved and painted wood, rope, and fabric
54 3/10 x 50 4/5 x 26 inches (137.9 x 129 x 66 cm)
Surrealism’s attitude toward women was ambivalent. André Breton, the founder of the movement and a key impresario, was fascinated by the Freudian idea that the female psyche was unrestrained, mystical, and erotic. And some female artists associated with the movement, such as Carrington, were framed as the femme enfant (woman child) who served as muse to the male artist. But as Carrington once said, “I didn’t have time to be anyone’s muse…I was too busy rebelling against my family and learning to be an artist.”
(Moma)



Equinoxio, 1958
Oil on canvas
28 3/4 x 36 1/2 inches (73 x 93 cm)

De surrealistische beweging worstelde met de politiek door stormachtige allianties aan te gaan met de Communistische Partij en baande zich een kronkelige weg door de nachtmerrie van de wereldgebeurtenissen van het midden van de 20e eeuw, totdat de Duitse bezetting van Parijs in 1940 de meeste dichters en kunstenaars dwong de stad te ontvluchten die het epicentrum was geweest. (Ondanks zijn Parijse oorsprong had het surrealisme, zoals bleek uit een prachtige tentoonstelling in het Metropolitan Museum in 2021, zich tegen die tijd al over de hele wereld verspreid.)

(NY Times Arthur Lubow. 24/12/2025)

Leonora Carrington’s “The Pleasures of Dagobert” (1945), features fantastical creatures and set an auction record for her work last year.Credit…Estate of Leonora Carrington/Artists Rights Society (ARS), New York; via Philadelphia Art Museum

In 1944 schrijft ze in ‘Down Below’ haar memoires, als oproep tot de lezers:

“Exactly three years ago, I was interned in Dr. Morales’s sanatorium in Santander, Spain, Dr. Pardo, of Madrid, and the British Consul having pronounced me incurably insane. Since I fortuitously met you, whom I consider the most clear-sighted of all, I began gathering a week ago the threads which might have led me across the initial border of Knowledge. I must live through that experience all over again, because, by doing so, I believe that I may be of use to you, just as I believe that you will be of help in my journey beyond that frontier by keeping me lucid and by enabling me to put on and to take off at will the mask which will be my shield against the hostility of Conformism.”

Leonora Carrington, „The house opposite“, 1945 (klik op titel voor bio waarin ook vergroting van dit werk)

“Precies drie jaar geleden werd ik opgenomen in het sanatorium van Dr. Morales in Santander, Spanje, nadat Dr. Pardo uit Madrid en de Britse consul mij ongeneeslijk krankzinnig hadden verklaard. Sinds ik u toevallig heb ontmoet, die ik beschouw als de meest scherpzinnige van allen, ben ik een week geleden begonnen met het verzamelen van de draden die mij over de eerste grens van Kennis hadden kunnen leiden. Ik moet die ervaring opnieuw beleven, omdat ik geloof dat ik u daarmee van nut kan zijn, net zoals ik geloof dat u mij kunt helpen bij mijn reis voorbij die grens door mij helder te houden en mij in staat te stellen naar believen het masker op te zetten en af te nemen dat mijn schild zal zijn tegen de vijandigheid van het conformisme.”

Een helder verteld (Engels) bio. Engelse onderschriften mogelijk.

“Vrijdag de dertiende’

Een grote collectie werken kun je bekijken via:

https://archive.org/details/TempleWordABMB/100_001.jpg

Met 63 originele sculpturen, tekeningen, lithografieën, foto’s, wandtapijten en maskers van fantastische wezens die nog nooit eerder te zien waren, opende het Leonora Carrington Museum in Xilitla in 2018 zijn deuren.

Beschouw deze bijdrage als vertrekpunt. Ik probeerde de lezer een keuze aan te bieden van verschillende bronnen die meestal kriskras her en der te vinden zijn en als uitgangspunt of toelichting kunnen dienen ieder naar eigen wil en vermogen. Er zijn ook verwijzingen naar beeldmateriaal die best tot hun recht komen op een groot scherm. De bepalingen uit de kunstgeschiedenis heb ik zoveel mogelijk vermeden omdat ik veronderstel dat een lezer(es) die ofwel kent ofwel weet dat het van kunst genieten nog iets anders is dan een leergang kunstgeschiedenis die als aanvulling echter een synthese maken kan bevoordelen. Vooral ‘de verwondering’ is een eigenschap die we ten zeerste willen behouden, een te koesteren eigenschap uit de kindertijd.

Leonora Carrington. ‘The Gibbet Birds’. 1974. Inkt en aquarel op papier
Leonora Carrington. ‘De Kat’
Tegen het einde van haar leven werd ze bevraagd over haar favoriete moment in de geschiedenis. Haar antwoord was helder: “The one that has not happened yet – the fall of patriarchy that will take place in the 21st century.” Hiermee was Carrington haar tijd ver vooruit -heel ver, gezien de omgekeerde beweging die we in de huidige context lijken te maken. Maar ze geldt nog steeds als lichtend voorbeeld in de manier waarop ze haar eigen patriarchale systeem ten val gebracht. Ze koos haar eigen wegen, ten koste van de mensen die haar na aan het hart lagen.

“I always did my running away alone,” zei ze later. Geen pose, maar een levenshouding. En misschien ook wel haar grootste kunstwerk.
(Art Couch Frederic De Meyer)

Meer dan de moeite waard om te bekijken deze aflevering van Great Art Explained: Lenora Carrington: Self-Portrait (Inn of the Dawn Horse) ondanks de onderbrekingen voor vernederende publiciteit. (Onbedoeld surrealistisch)

Self-Portrait: Inn of the Dawn Horse by Leonora Carrington, 1937-8.

Kwam de mail-aankondiging nogal op vreemd formaat? Wij proberen de oorzaak daarvan te ontdekken. Meld het ons als dat zo was. Dank.

Lees ook: