Het vrij droevige verhaal van een vrolijke vliegeraar: George Robert Fitzgerald

Dit is George. George Robert Fitzgerald. Niet te verwarren met zijn nobele vader met dezelfde eerste voornaam. Vader George was de oudste zoon van Thomas die in 1747 het landgoed Turlough erfde. Hij was kapitein in het Oostenrijkse leger, in dienst van keizerin Maria Theresia. Hij trouwde met Lady Mary Hervey, lid van een belangrijke Suffolkse familie, dochter van Lord Hervey vice kamerheer van George II. Chique volk dus.

Zij trouwden in 1747 tegen de zin van haar familie, die George Fitzgerald ongeschikt achtte omdat hij van een klein landgoed afkomstig was. Ze woonden in Turlough House, waar hun zoon George Robert (1748) en broer Charles Lionel (1750) werden geboren. Ze scheidden in 1754 en Lady Mary keerde met haar twee zonen terug naar Engeland. Kijk maar eens naar het bijna totale plaatje met de vliegeraar, geschilderd door Johann Zoffany, waarschijnlijk rond 1764.

Johann Zoffany: Portrait of George Fitzgerald with his Sons George and Charles (roughly 1764)
National Gallery of Ireland and Crawford Gallery

George junior, bekend als George Robert Fitzgerald, ook wel eens in de kronieken aangeduid als ‘zoon van een beruchte schurk en magistraat die ook George heette, zie je hierboven onder een vrij bewolkte lucht zijn vlieger oplaten terwijl vader George en zoontje Charles samen met de ons onbekende hond minzaam toekijken. Een plaatje waarop toevallig mevrouw ontbreekt?

De moeder van de twee jonge snaken, Lady Mary Hervey had drie broers die elk de titel van Graaf van Bristol hadden. (-de twee eerste stierven zonder zonen-) maar heel gelukkig was ze niet met George Fitzgerald die haar in het openbaar minachtte zoals dat heet. Er volgde een scheiding rond 1750. Lady Mary nam George en zijn jongere broer Charles mee naar Engeland, waar ze als leerling het nog steeds befaamde Eton ‘bezochten’.

George ging op zijn zeventiende in het leger en had het jaar daarvoor zijn eerste duel uitgevochten. Hij maakte deel uit van het 69ste regiment dat in Ierland gelegerd was, en vocht ook daar verschillende duels uit met zowel de lokale bevolking als met zijn collega-officieren. In een van deze duels (naar verluidt om een vrouw) werd hij in het hoofd geschoten en bijna gedood, en alleen een snelle trepanatie (stukje uit de schedel verwijderen) redde zijn leven. Het is mogelijk dat dit hersenletsel zijn agressiviteit op latere leeftijd verklaart. Zijn vader was boos genoeg over het incident om hem uit zijn testament te schrappen.

Wel gehavend, maar zoals blijkt uit bijgaande publicatie uit die tijd, een knappe jonge man. Hoewel hij onder de gemiddelde lengte was voor zijn tijd en vrij lichtgebouwd, maakte hij altijd indruk met zijn gracieuze houding, en “zelfs diegenen die hem haatten verklaarden dat je ‘…een meer gepolijste en elegante heer nergens zou tegenkomen.’

Ilya Repin Eugene Onegin and Vladimir Lensky’s duel.
Duels occupied a strange position in 18th century Britain. They were not legal, nor were they illegal. Killing another person was naturally a crime, but one that carried a lesser penalty than cold-blooded murder. Those who killed their opponent in a duel faced at worst a manslaughter charge, and usually were acquitted outright unless they infringed the rules of duelling through cheating. Over the century pistols displaced swords as the weapon of choice for duelling, leading to a rise in the number of duels, but a surprising reduction in the number of fatalities. 

In the hands of an unskilled marksman, a pistol was far less likely to inflict a serious injury than a sword, and the pistols of the time were both far from accurate and often far from fatal when they struck, with the lead shot moving at a fairly slow velocity. Fighting a few duels became considered a mark of manhood, but the only thing worse for a man’s reputation than refusing to fight a duel was fighting too many duels. And in the ranks of those who went out actively seeking an excuse to put their life (and the life of their opponent) on the line, none stood higher than George Robert, the “Fighting Fitzgerald”.
(Claran Conliffe  Headstuff)

In 1770 trouwde hij met Jane Connolly, dochter van een Ierse politicus. Er was een bruidsschat van 30.000 pond mee gemoeid, een ongelofelijk hoog bedrag in die tijd. Zijn vader die in financiële moeilijkheden verkeerde zou hem, tegen een som van 10.000 pond, elk jaar 1000 pond uitbetalen en de onterving ongedaan maken. Na zijn huwelijk nam George ontslag in het leger en vertrok hij naar Frankrijk, waar hij binnen een jaar de resterende 20.000 pond door gokken verloor. Jane keerde terug naar Engeland, terwijl George nog een tijdje in Parijs bleef. Uiteindelijk kreeg hij echter last van zijn schaamteloze weigering om zijn gokschulden terug te betalen en graaf d’ Artois (de toekomstige koning Karel X van Frankrijk) liet hem uit een gokhal gooien. Het ‘aanzien’ van de Parijse ‘society’ kon hij wel vergeten. Waarom hij Charles niet voor een duel had uitgedaagd? Een gewone burger kon het niet wagen een prins uit te dagen. Hij werd gedwongen het land te verlaten.

Gokschulden zouden hem blijven ruïneren. Met een duel op de renbaan van Ascot als gevolg en daarna zijn terugkeer als paardenhandelaar naar Frankrijk. Een verslag:

De resulterende afkeuring dwong hem de Londense scene te verlaten en een terugkeer naar Frankrijk te proberen als paardenhandelaar, toestand die opnieuw werd beëindigd met een duel. Dit  met ene majoor Baggs genaamd, een voormalige kameraad uit het 69ste. Baggs had een gokhuis, en de twee kregen ruzie over de commissie die George verschuldigd was voor het in de val lokken van een naïeve jonge edelman. De twee vochten hun duel uit buiten de stad, over de grens met Oostenrijk, omdat ze in Frankrijk niet mochten duelleren. Het duel was verre van eervol - Fitzgerald gebruikte zijn favoriete truc om met uitgestrekte arm naar voren te springen en zo een kleiner doelwit te vormen, terwijl Baggs, ondanks het feit dat zijn been was gebroken door George's eerste schot, de andere man aanviel en zijn tweede pistool afvuurde. Geen van beiden werd gedood, maar beiden bleven mank achter.

We vinden hem terug in 1775 in Dublin. Zijn excentrieke gedrag begon hier echt wel op te vallen. Op straat sloeg hij pruiken van vreemden af om hen te dwingen hem uit te dagen, of hij ging midden op het pad staan zodat je door de modder moest stappen om hem te vermijden. Hij adopteerde een beer als huisdier die hij overal mee naar toe nam. Mishandeling of bespotting van het dier was een reden om tot een duel te worden uitgedaagd. Volgens één verhaal uit die tijd vocht Fitzgerald midden op de dag een degen-duel in St Stephen’s Green, tot ontsteltenis van de toeschouwers. Sommigen riepen op om hen uit elkaar te halen, maar de algemene opinie was “laat ze het uitvechten; de een zal waarschijnlijk gedood worden en de ander opgehangen voor de moord, en de maatschappij zal zich ontdoen van twee lastpakken”. Uiteindelijk werd geen van beiden gedood, hoewel één van hen (het is niet bekend wie) een wonde opliep waardoor hij een week lang niet kon zitten. In feite vermeed Fitzgerald zijn tegenstander te doden, hetzij door geluk, hetzij door de wetenschap dat de rechtbank zijn bekende temperament streng zou aanpakken.

An cartoon illustration of a late 18th century British duel. (Image: Library of Congress/LC-DIG-ds-07973 DLC)
In 1770 he married Jane, daughter of William James Conolly and Lady Anne Wentworth, by whom he had a daughter, but the marriage effectively ended as soon as he had spent her dowry. Jane died in 1780. Her widower posed as being inconsolable with grief, which struck most people as absurd, considering how much he had neglected her. He later remarried Sydney Vaughan, only daughter of Matthew Vaughan of Ballina, County Mayo. His daughter was raised by relatives in England; she died in 1794, reputedly from the shock of reading about her father's exploits, of which she had been kept in ignorance, in a magazine. (Wikipedia)

Het uitvoerig verhaal staat bol van herhalingen. En het einde vermoedt de lezer nog voor hij halfweg dit leven van steeds weer uitdagen en uitgedaagd worden heeft doorploegd. George Robert Fitzgerald wordt opgehangen voor samenzwering tot moord op 12 juni 1786.

Bij de eerste poging brak het touw. Hij grapte dat de rechtbanken van Mayo te gemeen waren om zich een touw te veroorloven dat sterk genoeg was om hem op te hangen, maar het vervangende touw bleek meer dan geschikt voor de klus. Zijn lichaam werd naar Turlough House terug gedragen en de woning opnieuw geplunderd door de lokale bevolking. Dat gebeurde zo grondig dat er geen enkele kandelaar was overgebleven, en zijn weduwe gedwongen was kaarsen in flessen te gebruiken om zijn wake te verlichten.

Lees uitvoeriger:

https://nzetc.victoria.ac.nz/tm/scholarly/tei-Stout40-t34-body-d2.html.

Scroll nu even terug naar boven. Naar het jongetje met de vlieger. Het is intussen wetenschappelijk duidelijk geworden dat hersenbeschadiging door val of trauma ernstige veranderingen in het gedrag van de getroffene kan teweegbrengen met persoonlijkheidsveranderingen als gevolg. Talrijke voorbeelden uit de literatuur bevestigen deze stelling. Het is een bedenking. Er is natuurlijk ook de omgeving. Vader George was niet dadelijk een goed voorbeeld. Er is de tijd. De achttiende eeuw waarin de ongelijkheid van bestaansmogelijkheden determinerend kan zijn wat ‘de goede afloop’ betreft. De middenklasse komt pas in de 19de eeuw aan bod.

Hoe sterk is het touw? Hoe geduldig is de lucht? Hoe verwoestend of bevrijdend de wind? Hoe groot het verlangen het touw te lossen? Of zelf de lucht in te gaan? Of aan het touw te bengelen?

a 19th century Tassel carved to represent a boy holding a Kite (Japan) | collection of the Salar Jung Museum, Hyderabad

Wat ons nog rest…

Hoop, een van de theologische deugden Italiaans (Umbrië) schilder ca 1500
"Everyone must dream. We dream to give ourselves hope. To stop dreaming – well, that's like saying you can never change your fate. (Bram Stoker, Dracula)
Chie Fueki ‘Hope’ 2011

Met 2023 al half over de planeet verspreid en hier na middernacht, klinkt het niet gek dat je zwijgend in dat donker kijkt dat nabije toekomst heet. Het is ook niet toevallig dat we met een citaat uit ‘Dracula’ begonnen, en als je daar dan nog een aanzet voor de verwaaide deugd die hoop heet vindt, is waarschijnlijk de deugd met ‘liefde’ als naam niet ver weg. De onbekende schilder uit Umbrië zag ze rond 1500 zo:

Bij de voeten van de Liefde zie je de pelikaan, het symbool van de opofferende liefde, en bij de Hoop de feniks, symbool van de verrijzenis. Waarschijnlijk waren deze figuren een deel van een ‘spalliere’, een bank met hoge rugleuning of een bed voor overdag, of werden ze gebruikt om in een lambrisering te verwerken. Je kon ze dus even in alle rust bekijken en overdenken want de jaren rond 1500 waren ook geen voorbeeld van ‘vredevolle tijden’. De ‘deugden’ staan in vredevolle landschappen en kijk hoe de hoop niets meer te verbergen heeft terwijl het hoog gezeten kindje bij de liefde duidelijk wil drinken en het andere joch moedig mee stapt. Het is in dat jaar 1500 dat Albrecht Dürer zijn zelfportret schildert. Zijn ‘dromen’ werden en worden wereldwijd verspreid. Met enige aarzeling scharen we ons achter hem en Bram Stoker om iets met onze en hun dromen te doen.

Albrecht Dürer Zelfportret 1500 (klik op onderschrift om te vergroten)
De vier ruiters van de Apocalyps Albrecht Dürer

Ook oren willen wel eens vol van kerstmis zijn…





Tussen brol en breekbaar zou je deze keuze kunnen noemen.  Wat bezielt ons om putje winter gevoelige en overgevoelige snaren te betokkelen, en elkander op te zoeken? 'Een diversiteit aan oplossingen om ons weer op het donkere pad naar wat toekomst heet te begeven. En toch ontloop je de oorlog niet.  En de hoop dat wij met zijn allen wijzer willen worden.  Luister, frons en geniet.

Het is nauwelijks het seizoen voor iets onheiligs, dus Sam Smith’s “Night Before Christmas”, een nieuw origineel voor de feestdagen geschreven met de vaste medewerker van de muzikant, Simon Aldred, is smaakvol, traditioneel en lieflijk soulvol.

“Nu alles gesloten is, kun je nergens heen”, zingt Smith over een spaarzaam gitaararrangement, maar de sfeer wordt al snel vrolijker door de toevoeging van piano, percussie en een vloot achtergrondzangeressen. “Baby, this time of year can make you feel old,” zingt Smith in het refrein. Maar gezelligheid is de remedie: “Maar als ik bij jou ben, voel ik de kou niet.” (Zoladz NY Times)Tekst hieronder

 Night Before Christmas
Liedje van Sam Smith

The treetops are leaning
They're covered in snow
The fire's burning
And you're nearly home
The bars are all empty
I can't hear a soul
With everything closed now
There's nowhere to go
Come rest your weary
Head on my chest
The year is behind us
We're still at our best
The magic of Christmas
Is what's coming next
So, lean in, kiss me
And all of the rest
Baby, this time of the year
Can make you feel old
But when I am with you
I don't feel the cold
So, let's dance in the kitchen
And climb up the stairs
I hope when we wake up
There's love everywhere
Mhmm
Mhmm
Hmm
Baby, this time of the year
Can make you feel old
But when I am with you
I don't feel the cold
Hold on to your lovers
Be good to your friends
Remember the people
Who are no longer there
Lean into the moment
The memories you share
And have a Merry Christmas
Everyone, everywhere

“Trim This Tree”, een origineel van de Americana stalwarts Old Crow Medicine Show, is een pittige, af en toe hilarische momentopname van Kerstmis in het moderne, overontwikkelde Nashville: Klotsende rendieren rijden voorbij op een pedaal, de ornamenten zijn uitsluitend van Dollar Tree, en, zoals frontman Ketch Secor het zegt in een Springsteeniaanse keelklank: “Voor deze Airbnb staan een Jozef en een Maria en Jezus, allemaal verlicht als een Walmart.” Maar zelfs in zo’n omgeving weet de groep met zijn opzwepende geluid een oprechte down-home cheer op te roepen. (ZOLADZ)

Well it’s December, it’s not even cold
I wake in a sweat, just counting on when I go home
And I bought a candle, it smells like the pines
But aside from the stands in the city,
There’s none here for miles

My god, it’s been the longest year
Just trying not to disappear
And I don’t know how, but I’m hoping
Christmas will work it out

Nostalgia’s my weakness, my easiest sell
But that movie we watch all season, it just hasn’t held up
I’m sentimental and resentful
Wish I’d just suck it up and turn cynical
But I keep the string lights on and a lookout for miracles

My god, it’s been the longest year
Just trying not to disappear
And I don’t know how, but I’m hoping
Christmas will work it out

And sat at the table, laid pretty,
It feels somehow wrong to complain
So I smile and drink my glass empty
I don’t want to have to explain
I just don’t want to have to explain

My god, it’s been the longest year
Sometimes I wish I wasn’t here
And I don’t know how, but I’m hoping
I'm hoping

My god, it’s been the longest year
Just trying not to disappear
And I don’t know how, but I’m hoping
Christmas will work it out
Christmas will work it out
Christmas will work it out

written & composed by Paola Bennet
produced & recorded by Adam Tilzer
mastered by Oscar Zambrano, Zampol Productions

Norah Jones heeft de tracklist voor de uitgebreide versie van haar album “I Dream of Christmas” uit 2021 bijna verdubbeld, vooral met bluesy, louche studiotracks en live remakes. Haar versie van het oude Tin Pan Alley-nummer “The Christmas Waltz” – geschreven door Sammy Cahn en Jule Styne, ooit opgenomen door Frank Sinatra – verruilt vrolijk een wals voor een shuffle, met een trillende harp en een insinuerende saxofoon, die met meters speelt maar toch fond klinkt. (PARELES NY Times)

Dit is hoe je het doet – een jubelende, surf-achtige rockjam over de kleine details van de vakantiekriebels, inclusief die welke nooit en te nimmer veranderen: “Elk jaar dezelfde afspeellijst/Mariah brengt de vrolijkheid/And pumpkin spice lattes are here.” De Linda Lindas blijven maximaal geluk halen uit elk beschikbaar moment, inclusief het kijken naar de kat die water van de kerstboomkraam oplikt. (CARAMANICA)

Laat je niet afleiden door het overbekende gezicht van de overbekende film, het gaat duidelijk om het prachtige liedje: Carol of the Bells, een liedje uit Oekraïne dat later in de score van ‘Home Alone’ terecht kwam.

Het begon als "Shchedryk", een liedje over een vogeltje dat in 1922 voor het eerst werd uitgevoerd in de Verenigde Staten. De betoverende melodie ervan wordt sindsdien gezongen door Beyoncé en Barenaked Ladies.
Jarenlang maakte componist John Williams van de twinkelende kerstfavoriet "Carol of the Bells" een vast onderdeel van zijn seizoensprogramma. Nu de naam van het Oekraïns kinderkoor 'Shchedryk'. 

As the original “Shchedryk” gained prominence in the late 1910s as a popular a cappella, it wound up providing a soundtrack to tumult. The country was embroiled in the Bolshevik Revolution, which would later pave the way for the Russian Civil War and the subsequent creation of the Soviet Union. Simultaneously, Leontovych’s reputation as a star of Ukrainian culture was on the rise. After fleeing Kyiv upon its capture by the White Army, he founded a music school in the western Ukrainian town of Tul’chyn. But on Jan. 23, 1921, he was targeted during a visit to his parents’ home, and an undercover Russian agent killed Leontovych in his sleep, part of a concerted effort to wipe away Ukrainian culture.

Then as now, Ukraine was under threat from Russia, a shadow of an anxious past that still extends over the country. “We started planning the 100th-anniversary show two years ago,” Filevska said in a phone interview the day after the concert. “Back then, we had something very positive and cheerful in mind. But when the invasion broke out, we at first doubted we’d even be able to complete this. It was really hard to have to organize something while there’s a full-scale invasion happening in your country.”(NY Times)

…die van goede wille zijn?

Adolf Kaufmann (1848-1916) |

Hij was een Oostenrijkse landschapsschilder, Adolf Kaufmann en eens terug uit Parijs settelde hij zich in Wenen en opende daar in 1890 een ‘Kunstschule für Damen’, een gedurfd initiatief in het Wenen van eind negentiende eeuw. Maar het gaat niet over hem, mijn bijdrage gebruikt twee schilderijen uit zijn oeuvre met ongeveer hetzelfde onderwerp: een kudde schapen op weg naar huis in regenweer.

De triestigheid, de ellende van mens en dier is voelbaar. Ik isoleer even de kudde uit het bovenste schilderij. Kijk naar de schapen. Vooral het schaap achteraan helemaal links.

Staan er verschillende schapen per twee, koppen vooruit, deze achterblijver kijkt wellicht naar zichzelf in de plassen. De vraag: wat doe ik hier in dit rotweer ligt voor de hand. De vraag of ik blijf volgen of er stiekem van door ga klinkt geloofwaardig. Kijk je terug naar het totaal dan zie je rechts de bank onder de bomen, wellicht een herderlijke rustplaats in betere tijden, maar nu zonder enige betekenis. De uitdrukking ‘die van goede wille zijn’ is wellicht nodig?

Wat betekent van goede wil zijn?
Mensen van goede wil stellen niet hun eigenbelang voorop, maar vinden de zin van hun leven in het ten dienste staan van anderen. Niet hun Ik is het centrum van hun bestaan, maar de Ander. Hun motto is solidariteit. Als anderen beroep op hen doen, geven ze altijd gehoor.(Google)

Die ‘van goede wil zijn’ kwam uit mijn jeugdherinneringen. Na de boodschap dat er een kind was geboren zongen de engelen: ‘‘Glorie aan God in den hoge en vrede op aarde aan de mensen die van goede wil zijn.’ (Lukas 2:14)
Blijkbaar was dat een vertaling uit het Latijn: ‘Et in terra pax hominibus bonae voluntatis’ Vrede op aarde voor de mensen van goede wil. De evangelies echter zijn in het Grieks geschreven en daar heet die goede wil ‘eudokia’, of als genitief: eudokias, van goede wil.
Even in oude Griekse woordenboek opzoeken en dan lees ik: eudokia 1. welbehagen 2; goede bedoeling. 3. besluit. Met dus ‘welbehagen’ op de eerste plaats.

In een latere vertaling zijn dus de mensen van goede wil verdwenen, maar in plaats van het kale ‘van het welbehagen’ zoals het daar staat, heeft men voor een meer uitleggende verklaring gekozen, wat ook niet zo vriendelijk klonk. Later ging het over ‘…mensen die in Gods gunst staan’, of zoals in het Gloria: de mensen die God liefheeft. In de allernieuwste vertaling lees ik: ‘Eer aan God in de hoogste hemel, en vrede op aarde voor de mensen die hij liefheeft.’
En daarmee. verdween mijn jeugdherinnering: vrede aan de mensen die van goede wille zijn.
Jaap de Rooij, neerlandicus, Nijmegen legt dat allemaal haarfijn uit in Onze taal, Jaargang 73 (2004) toen de nieuwste vertaling nog niet bekend was. Te lezen :

https://www.dbnl.org/tekst/_taa014200401_01/_taa014200401_01_0193.php

Aankondiging aan de herders van Govert Flinck (1639), Louvre

Zo te zien was dat wel even schrikken, die ‘engelenvloed’. Hemels vuurwerk. En de mensen die van goede wille zijn, in wie God zijn welbehagen vindt, hoe moet je die bepalen want tenslotte is het maar behelpen als ik mezelf onder ogen neem. Via een artikel van Ilja Leonard Pfeiffer die het over het nut van de poëzie had kwam ik bij een wonderlijk vers van Nicolaas Beets terecht, niet dadelijk een nieuwlichter, maar onder de titel ‘Reciteren’ geeft hij de dichterlijken goede raad:

 Laat schoone verzen glad van effen lippen vloeien,
 Maar gil, noch galm, noch kwaak, noch bulder woest en luid;
 Weerhoud uw arm en hand van haamren, zwaaien, roeien;
 De molenwiekerij drukt geen verrukking uit.
 Des dichters hartstocht stijge als opgezette baren,
 Hij zij een storm, een stroom, die alles met zich voert:
 Gij, blijf uw kalmte, uw kracht, uw meesterschap bewaren,
 En daar ge een ander schokt, schijn zelf niet eens ontroerd.
 
Joachim Uytewael 1566 Verkondiging aan de herders (klik op deze titel om te vergroten)

Die stroom, die storm die alles met zich voert, drukte alom. Er viel wel wat te bekijken door de vrij sierlijk aangeklede herders. De 19de eeuwse visie van de Amerikaan Thomas Cole (1801-1848) heeft zo’n 2,50m x 4,70m doek nodig om zijn verstilde visie weer te geven. Licht en donker. Maar wel cinemascope.

Thomas Coole Verschijning van de engel aan de herders 1834 Vergroot door op de onderschriften te klikken

Een van de mooiste verbeeldingen is een ets van Rembrandt uit 1634. De reactie van herders en hun omgeving is dodelijke angst. Iedereen en alles vlucht weg. Denk eraan dat telkens een engel aan mensen verschijnt de uitdrukking ‘Wees niet bang, schrik niet!’ moet gehanteerd worden. De meeste kunstenaars blijven in dezelfde menselijke dimensie terwijl engelen als boodschappers van het goddelijke een totaal andere dimensie voorstellen. Geruststellen is dus ten zeerste nodig.

Rembrandt Een engel verschijnt aan de herders 1634

En de Afrikaans-Amerikaanse schilder Henry Ossawa Tanner (1859-1937) schildert in 1910 een bijna abstracte versie van het gebeuren. De wazige boodschapper vervloeit in het landschap. De herders moet je onderaan rechts gaan zoeken. Het nachtelijke landschap vergroot de atmosfeer.

Henry Ossawa Tanner Engelen verschijnen aan de herders circa 1910

Van de vele wonderlijke mensen die ik mocht ontmoeten blijft Willem Wilmink mij heel dichtbij. Met hem sluit ik weer bij de tijd van nu aan: ‘Kerstlied van de supporters’.

Kerstlied van de supporters
We waren van 't voetbal teruggekeerd,
we hadden een treinstel verruïneerd
en we liepen nog wat door de angstige stad
en toen riep er eenje: Hé! Zie je dat!
Daar is verdomme
een ster gekomme!

 Toen riep er een ander: 'Heremejee,
dat is een nieuw geintje van de ME:
nu jagen ze ons weer op de vlucht
met helicopters, hoog in de lucht,
en er zijn honden
aan vastgebonden.'

Maar je hoorde geen motor, het bleef zo stil,
en min of meer tegen onze wil
liepen we mee met die zwervende ster
en Japie zei nog: ik zie al van ver
waar die ster heengaat:
'Tweede Jan Steenstraat.'

 Een dronken kerel zong er een lied:
'Driehoog achter is het geschied.'
En hij had gelijk in zijn dronkenschap,
dus wij liepen over een donkere trap
zachter en zachter
naar driehoog achter.

Willem Wilmink 
uit: 'We zien wel wat het wordt', 1985.
Ik loop met mama in de tuin.
Zozo, zegt ze, eindelijk ben je thuis.
We gaan kersen plukken en paaseieren rapen.
Elke dag komt sinterklaas.
Elke nacht zal het kerstnacht zijn.
Ik loop met mama in de tuin.
Zozo, zegt ze, eindelijk ben je thuis.

(uit 'Triangel, documenten bij een afscheid)

Mooie en innige feestdagen gewenst.

I walk with Mum in the garden.
So she says, finally you're home.
We are going to pick cherries and collect Easter eggs.
Every day St Nicholas will come.
Every night will be Christmas night.
I walk with Mum in the garden.
So, she says, finally you're home.

(from 'Triangle, documents at a farewell)

Op bezoek bij César Franck, fragment uit ‘Spiritus, een familiekroniek’

In 2012-2013 werkte ik aan een familiekroniek ‘Spiritus’ waarin de Belgisch-Franse componist César Franck een belangrijke rol speelt. Ter gelegenheid van zijn tweehonderdste verjaardag een fragment. Onderaan kun je aansluiten voor het vervolg zoals het verscheen in 2012.

In dit fragment bezoekt het hoofdpersonage, Emilie,  familievriend César Franck die met haar vader, nu organist in Lille, gestudeerd heeft aan het conservatorium in Parijs plaats waar Franck nu zelf les geeft.  We zijn in het merkwaardige jaar 1874.

Omdat de constructie van de oranjerie op het landgoed en de herstellingswerken nu ook van start konden gaan en Emile dag en nacht tekende, tussen aannemers, constructeurs en importeurs pendelde, cursussen voorbereidde en scripties begeleidde, was er weinig plaats en tijd voor een ordentelijk gezinsleven. Emilie reisde met Marie en kleine Léon naar Parijs waar ze door toedoen van l’ abbé Pierre-Ambroise Hamelin, deken van de Saint Clotilde, in de rue de Bourgogne een belle étage huurden.

Ze mengde zich anoniem onder het publiek om de opvoering van Franck’ s ‘Rédemption’ bij te wonen, rue de la Victoire, salle Herz, een koude februari-avond, enkele dagen na haar aankomst in Parijs. Het oratorium verraste haar. De kreten van de spreker, Ah! Malheur aux vaincus, de stevige vragen van het koor, ‘Où mènent tes chemins, de symfonische brug tussen de twee delen, de dramatiek, de aandrang tot de Heer om naar beneden te kijken, bien bas, het slotkoor als synthese, seigneur, seigneur! De gevel waarin de deur verborgen blijft, het innerlijke al is prijsgegeven in de ornamenten, maar het geheim, bien loin du port béni, in de teatraliteit onbereikbaar schijnt.

Ze beseft dat ze de taal van het vertoon niet kent, dat haar spraakkunst van de gezongen collectiviteit beperkt blijft tot kerkmuziek. Ze schrijft in haar dagboek: ‘Ik ken een beetje zijn orgel- en pianowerk, maar geconfronteerd met deze symfonische poëzie, ontgaat mij de innerlijkheid, al zal ze best door haar architectuur de nodige indruk maken voor wie het wijde liefheeft. Het zal moeilijk zijn om hem mijn ervaring duidelijk te maken mocht hij daar belang in stellen. Voor een meisje uit het Noorden is het contrastrijke palet vreemd. Ik kom uit de streek waar aardkleuren overheersen onder wolkenkoepels. Dit is een wereldstad. Hier spreken de mensen luider, laten ze vlugger hun afkeuring blijken, zijn ze andere ritmes gewend. Hier is de hemel volgebouwd, de avenues net zo breedsprakerig als de koetsiers die een buitenmeisje bij de eerste oogopslag herkennen.’

De volgende dagen wandelt ze met kind langs de Seine. ‘Ik weet niet of deze stad voor jou iets zal betekenen,’ zegt ze hem. ‘Maar wil je je wel gedragen bij monsieur Franck?’ Het jongetje kijkt haar glimlachend aan, wijst met zijn handjes naar een voorbijvarende aak, en legt zijn hoofdje op haar schouder. Een rustig kind, zeggen de mensen. Maar ogen heeft het, ogen die alles willen zien. Soms denkt zijn moeder dat hij dingen herkent, dat hij in een vorig leven al eens in Parijs heeft rondgelopen. Of gevlogen, dat kan ook. Als musje of merel.
‘Je kijkt als een vogeltje,’ zegt ze. ‘Een vogeltje dat weet dat het kan opvliegen als het beneden te druk wordt. Dat boven op de rand van een dakgoot de ware proporties van onze drukte begrijpt. Kleine mensjes, kleiner nog dan het vogeltje. Maar pas op, kleintje. Ze kunnen niet vliegen, dus gaan ze op hun tenen lopen en met hun armen wieken. Ik denk dat de dakgoot soms vol lachende vogeltjes ligt. Omgevallen van zoveel gekheid daar beneden!’

‘Het was de tijd van de ingesnoerde tailles, de opgeblazen mouwen en de gladde haarlinten, de hoge dotjes, de kleine voetjes, en herinner je Athanasie, Pépina, Elodie, Victorine en het meisje Félicité dat in 1846 ook jouw een lesje mocht leren, cher César.’ Hij knikte, maakte met zijn uitgestoken vinger duidelijk dat zij het toenmalige meisje was waarop de vrouw des huizes terug naar de keuken trok terwijl ze ‘mais oui, mais oui,’ bleef herhalen op een toon waarin ironie en berusting harmonisch samen klonken.

Het zijn de ogen, dacht Emilie, de naïeve ogen in het heldere gezicht dat door de bakkebaarden nog groter leek. Bijbels en tegelijkertijd jongensachtig. Zonder voorbedachte rade keken ze van het blad naar je vingers en vandaar raakten ze even de ogen van de lieftallige leerling. ‘Nauwelijks zes juffrouwen kwamen toen aan huis,’ zei hij. Natuurlijk waren er ook de lessen rue des Martyrs, in het college Rollin waar hij in 1840 Jacques Offenbach als collega had, en de Augustins de l’ Assomption, Faubourg Saint Honoré en later de Jezuieten in Vaugirard. Mademoiselle Félicité Desmousseaux kon hij niet alleen opleiden tot een uitstekende pianiste, ze werd zijn echtgenote. Plus que la musique, l’ amour.

‘Maman en César, chère mademoiselle Emilie, dat was van in het begin innige vriendschap. Joséphine Desmousseaux, ze is nu bijna zeventien jaar dood, een bekende naam van een pure comédienne met een stem als een klok en een hart van goud.’ Ze bleef intens knikken terwijl ze het gebak in plakjes sneed. ‘En nichtje Claire Féréol, een nachtegaal, daar heeft César een bekwame pianiste van gemaakt. Enfin, drie muzikale vrouwen voor de prijs van één.’

Hij gaf toe dat zij zijn tweede familie waren geworden. Papa Féréol, schilder en een van de beste zangers van de Opera Comique animeerde het Institut musical d’ Orléans. Hij wilde dat zijn dochter Claire een goede pianiste zou worden zodat ze zijn zanglessen kon begeleiden. Ze logeerde een jaar lang bij haar nichtjes Desmousseaux, boulevard Montmartre. ‘Ze kreeg zelfs een nieuwe piano van haar vader omdat ik de mijne van ’s morgens tot ’s avonds zelf nodig had, maar voor de rest deelden we onze kamer en zelfs het kleine bed,’ zei Félicité. ‘En in dat maison du Bon Dieu was César-Auguste l’ oracle des dames!’

‘Een vrij streng orakel,’ verbeterde hij. ‘En ongeduldig, chère Emilie! Hij stampte de maat met zijn voet, en liet ons eindeloos opnieuw beginnen. Traantjes! Geen les of een van ons beiden barstte wel eens in snikken uit. ‘Ma fille, “la naïade lacrymale” kreeg ik van maman als bijnaam.’

‘De werkelijkheid gebied mij te zeggen dat ik toen om haar te troosten. “Deux Mélodies pour piano’ heb geschreven, A Félicité, eentje in re bémol majeur en de andere in mi majeur. Maar al die verhalen vervelen wellicht onze gast. Mensen met een verleden staan de jeugd met toekomst wel eens meer in de weg. Geeft je vader nog wel eens een concert, en heb je zelf plannen in die richting?’

Ze haastte zich te zeggen dat hun verhalen voor haar eten en drinken waren, een oprecht bewijs van hun genegenheid. Ze keken naar de slapende baby in het reiswiegje. ‘Hij moet zijn verleden nog verdienen,’ zei ze. ‘Papa is met de Saint Cathérine vergroeid. Hij bezoekt musea zoals wij familie opzoeken. Alsof hij in een andere tijd leeft. Ik herken dat ook bij mezelf. Ik heb niet zo’n hang naar publiek. Misschien is het angst, of schaamte. Maman verovert graag de wereld. Voor papa en mezelf is die wereld vaak te groot, te verwarrend.’

‘Zal ik je dan donderdagavond mogen meenemen naar de salons van de familie Viardot ? Vorig jaar was Pauline Viardot nog de soliste in de Marie Magdalène van Massenet .Ik ben een beetje haar pianist préferré, vooral voor haar Schubert-vertolkingen. Een merkwaardige dame, chère Emilie. Omringd door merkwaardig gezelschap, al heb ik daarover zelf ook niet te klagen.’

Je kunt het vervolg lezen via deze link en daarna onderaan elke aflevering verder gaan naar believe.

Op zoek naar Andrzej Wroblewski (1927-1957)

Andrzej Wroblewski zelfportret 1949

Het is niet de gewoonte van dit blog vanuit persoonlijke ervaringen te vertrekken maar bij het op zoek gaan naar de Poolse artiest Andrzej Wroblewski kwam ik weer terug naar mijn eigen eerste pasjes in de hedendaagse kunst via een maandelijks tijdschrift dat ik in Brussel, in de toenmalige Poolse winkel op het Rogierplein met eigen zakgeld aanschafte. Schitterende affichekunst, moeilijk ontcijferbare Poolse namen, maar in mijn nog zeer jonge ogen ‘hemel-bestormend’. De tijd ook van nieuwe wegen in de cinema: Andrezj Wajda, (1926-2016) cineast maar daarvoor blijkbaar student aan een kunstschool samen met de hier belichte Andrzej Wroblewski. Vrienden zelfs. Het was de tijd van o.a. ‘As en diamant’ film van Wajda naart het boek van Jerzy Andrzejewski. Film uit 1958 -Wroblewski is dan één jaar dood- die begin jaren zestig in de westerse media kon bekeken worden. Wij zagen de prachtige beelden en we besloten zelf een film te maken in die atmosfeer, plan dat bij het horen van de huurprijs van een 16mm-camera en rolletjes dito film zich tot een aantal stillfoto’s beperkte. Kijk naar deze bande annonce reprise uit 2019, de sfeer zul je herkennen bij de beelden van Wroblewski.

“Ook wij hebben ons verleden met de ogen van onze ziel gezien. Als er zoveel mensen stierven die, zoals we destijds dachten, beter waren dan wij, en we het toevallig overleefden, voelden we de verplichting om de stem te zijn van degenen die stierven - legde Wajda uit in de uitzending "Aantekeningen van de huidige tijd" . – We leefden in de romantische traditie van de rol van een Poolse kunstenaar die plichten heeft tegenover de samenleving. We wilden ze op ons nemen, en Andrzej Wróblewski deed het in de grootste mate, en het wekte onze bewondering." (Wajda bij huldiging van Andrzej Wroblewski)

Dissections 1949
Bijzonder indrukwekkend is de 'Surrealistische Schietpartij', die de vier fasen van de dood bij een executie schildert. De eerste die de aandacht trekt is een man op blote voeten in overhemd, jasje en broek, geschilderd in natuurlijke kleuren. Een tweede figuur met hetzelfde gezicht heeft alles behalve zijn handen en voeten in het zwart, terwijl zijn slagschaduw afbreekt op kniehoogte, van waaruit een miniatuur blauw mannetje omhoog lijkt te schieten. De derde man is helemaal zwart op zijn voeten na, en zijn lichaam is ter hoogte van zijn middel afgesneden - in alleen zijn jas, zijn overhemd blijft in zijn broek - en hangt met zijn hoofd naar beneden. Hij werpt zijn schaduw naar voren in plaats van naar achteren en houdt zich vast met de enige hand van zijn voorganger. De laatste figuur is blauw, met zijn torso en benen 180 graden gedraaid, en zijn broek en hemd, achterstevoren ingestopt, zijn in ingewikkelde plooien gerangschikt; er is helemaal geen schaduw. (Katarzyna Szumlewicz)

“De eerste keer dat ik die indruk kreeg was toen Wróblewski, die langs me liep in de studio, zei: “Kom naar mij, ik zal je laten zien hoe ik schilder”. Ik kwam en zag schieten, waar een Duitser met zijn rug gekeerd staat en schiet, en blauwe kleren vliegen in de lucht. Ik keek en besefte dat ik nooit zo’n schilderij zou maken, nooit!!! En als ik er zo geen schilder, en ik vind deze het mooist, wat doe ik dan op de Academie ???? Ik moet een andere plek voor mezelf zoeken. En ik vond mezelf pas na het verlaten van de filmschool, waar ik studeerde en mijn eerste drie films maakte: Generation, Ashes and Diamonds and Canal. Dit is een afscheid van onze doden. Het is hetzelfde thema, alleen is het makkelijker om het op film te zetten dan om het op doek te schilderen. “(Andrzei Wajda)

Executie tegen de muur

“Wat wist Andrzej Wróblewski? Hij wist dat hij weinig tijd had. Hij wist natuurlijk niet dat dertig jaar het einde van zijn leven zou zijn, maar het viel hem op, en ik geloof dat hij mij er zelfs in een brief op wees, dat er in de poëzie van Tadeusz Różewicz een verleden tijd en een tegenwoordige tijd is. Er is geen toekomstige tijd. De toekomst is wat we vullen met onze daden, met onze kunst, en dat is alles wat er van ons zal overblijven. Hij zei ooit: “Eén ding weet ik absoluut zeker: na de dood is er niets. Er is niets na de dood, wat betekent dat je je taak tot dan toe moet vervullen.” Wanneer heeft hij dit ondernomen? Wanneer is hij begonnen? Hij begon net na de oorlog, in 1945, en die tien jaar waren gevuld met energie, met leven, en niet alleen met schilderen, maar ook met het proberen te begrijpen van de situatie waarin we ons bevonden, en met het zoeken naar onze plaats. Het is duidelijk, en dat zie je in deze tentoonstelling, dat zijn wanhoop om onze wereld af te beelden uniek is. Andrzej Wróblewski wilde de stem van de doden zijn. Waarom? Omdat we allemaal vonden dat het onze plicht was. Beter dan wij, moediger en dapperder mensen stierven in de oorlog. We hebben de plicht om hun stem te zijn na hun dood. Daarom zie je op zijn schilderijen geen jongen meer, geen man meer, geen moeder meer, maar een vrouw blijft, een kind blijft. Dit is een constant thema dat Andrew als onderwerp in zijn werk heeft geïntroduceerd.” (Andrzej Wajda)

Hij had hetzelfde doel voor ogen toen hij zijn schilderijen schilderde waarop moeders, vaders en kinderen staan afgebeeld met blauwe figuren van gedode geliefden. De mythologie van het blauw begeleidt Wróblewski tot het einde, waarover ik verderop zal schrijven. Voor nu wil ik het hebben over de ideologische evolutie van de schilder. Zijn artistieke nadruk op universele begrijpelijkheid en ideologisch engagement bracht hem dichter bij het socialistisch realisme. Maar werken met de vereiste propaganda-achtige inslag zijn hem niet gelukt.

Dit is totaal anders dan zijn minder orthodoxe werken, waar hij in plaats van grote collectieve scènes het dagelijks leven van kleine groepen of individuen weergeeft door middel van schilderkunstige afkortingen en metaforen. Naar het voorbeeld van Mexicaanse muurschilderingen toont “De wachtkamer” uit 1949 rijke mensen met kinderen die op een bankje zitten en een paar arme mensen die het met de vloer moeten doen. Terwijl beiden deze situatie als natuurlijk zien, weten de kijkers wat hier faalt en wat er veranderd moet worden. Niet alleen de slechte levensomstandigheden van de armere lagen, maar ook het geloof dat hiërarchische sociale tegenstellingen natuurlijk zijn. (Katarzyna Szumlewicz)

De Wachtkamer (een van de-)
In het jaar van de dooi ontstaat ook een serie schilderijen getiteld. "Chauffeurs". Dit is geen nieuw thema in het werk van Wróblewski. Hij pakte het voor het eerst aan in 1949 in het mysterieuze 'The Blue Chauffeur'. Het donkere, onbeweeglijke silhouet van het titelpersonage is van achteren te zien. Voor haar in het raam strekt zich een witte ruimte uit die met hoge snelheid wordt doorkruist (dit effect werd bereikt door het punt van samenkomst van de perspectieven dynamisch te verschuiven), waarboven we een rode, dreigende lucht zien. Het unheimische effect wordt versterkt door een vreemde spiraal van blauw plaatwerk naast de bestuurdersstoel. In deze excursie naar het onbekende wordt de cultus van de menselijke kennis gecombineerd met de herinnering dat deze, net als het afgebeelde voertuig, vol innerlijke mysteries en gevaren is. 

"Ik ben vastbesloten. Een besluit. Ik heb een onwrikbare beslissing genomen. Ik kan het opgeven en alles vergeten, maar dit - pas op. Ik waarschuwde, ik wilde niet dreigen, ik vroeg. Ik maakte duidelijk dat iedereen die mij niet als mens zag groot ongeluk over zichzelf en iedereen kon brengen, dat ik een verborgen bliksemschicht in me droeg die me zou vernietigen tot groot verlies van de mensheid. Ik zei: hou van me. Ik dacht: beven voor mijn definitieve beslissing. Nu. Nu is het einde. De maatregel is aangenomen. Nu ben ik een man daarbuiten”. (Andrzej Wroblewski)

“Dit is een tekst die volgens mij van die generatie, en ik denk ook in andere, zelden door een schilder kon worden geschreven. Schilders vermijden meestal woorden, juist omdat ze op zoek zijn naar beelden. Andrzej Wróblewski was in dit opzicht een bijzonder iemand, omdat hij ook onder woorden kon brengen wat hij aan anderen wilde duidelijk maken. Maar waarom klinkt er zo’n wanhoop uit deze tekst? Waar komt die vandaan? Met wie praat Andrzej Wróblewski? Wie bedreigt hij? Nou, ik zal eerlijk zijn – iedereen. Met iedereen.”

Andrzej Wróblewski. Mother with Dead Child, 1949. Oil on canvas, 120 x 90 cm. Collection of Grażyna Kulczyk. © Andrzej Wróblewski Foundation.

Je moet de situatie van kunstenaars in deze stad na 1945 kennen. Wie beslist over kunst, over wat er in Krakau gebeurt? Zeker twee hoofdgroepen. Een daarvan is de professoren van de Academie voor Schone Kunsten. De communistische autoriteiten, die zich willen ontdoen van de professoren die de Academie voor de oorlog leidden, besluiten een groep post-impressionisten een kans te geven. Kunstenaars die in Parijs hadden leren schilderen; Józef Czapski had hen daarheen gebracht. Tijdens de oorlog kwamen ze op het platteland terecht. Ze konden over zichzelf praten zoals Cézanne deed. Toen men hem vroeg wat hij in 1870, tijdens de oorlog met Pruisen, deed, antwoordde Cézanne dat hij enkele plein-air studies had geschilderd in het dorp waar hij zich toen bevond. Ook onze professoren schilderden een paar of misschien een dozijn stillevens en een overeenkomstig aantal plein-air studies, alsof ze helemaal niets van de oorlog merkten. Natuurlijk stond hun manier van denken, hun kunst zo ver mogelijk af van wat Andrzej Wróblewski dacht over schilderen.

Ik herinner me dat Andrzej Wróblewski naar onze studio kwam – de studio van Rudzka-Cybisowa, die het meest hield van bloemen en saladeschalen vol kersen. Dus iedereen schilderde zulke stillevens. Alleen Andrzej zag dat er een emmer kolen onder het fornuis stond. Het was er omdat we in de winter kolen moesten verbranden in het fornuis, zodat onze arme modellen, die naakt poseerden, niet zouden doodvriezen. En het was fantastisch, iedereen schilderde stillevens, probeerde zoveel mogelijk kleur te geven, zoveel mogelijk licht, en hij draaide zich om en schilderde wat hij zag: een emmer kolen zwart, vuil, tegen een vuil fornuis. (ibidem)

“De tweede groep waren de modernen. In 1948 was er een tentoonstelling in Krakau onder het beschermheerschap van een groot kunstenaar. Ik had het geluk twee geniale mensen te ontmoeten: Stanisław Lem en Tadeusz Kantor. Tadeusz Kantor was de leider van deze groep en de initiatiefnemer van de tentoonstelling. Andrzej Wróblewski exposeerde er in 1948. Hij stelde niet alleen tentoon, maar nam als het ware met zijn hele persoon deel aan het evenement. Boven de ingang van het Kunstpaleis van Krakau hing zijn grote doek De zon en andere planeten, als ik me de titel goed herinner. Andrzej Wróblewski schreef ook een gids bij de tentoonstelling, want hij was een geleerd man, hij studeerde toen af in kunstgeschiedenis aan de Jagiellonische Universiteit. Deze tweede groep besloot dat als de Poolse kunst zich wilde ontwikkelen, zij afscheid moest nemen van het onderwerp dat ons en de Poolse kunst gedurende de hele 19e eeuw had achtervolgd, afscheid moest nemen van Matejko en moest gaan schilderen zoals de wereld schildert, dat wil zeggen abstracties schilderen, op zoek gaan naar een soort ander uiterlijk, want de wereld is veranderd, zij is niet meer hetzelfde. En dit besluit werd goed begrepen door Andrzej Wróblewski en hij had er zelf iets over te zeggen. “(ibidem)

Ik denk wel dat je zelf bij de ‘bevoegde bronnen’ orde op zaken kunt vinden: de namen van stromingen, vertegenwoordigers, enz. Ik heb vooral zijn vriend Andrzej Wajda aan het woord gelaten die na zijn studie aan de kunstopleiding de weg naar Lodz koos, waar hij zijn beeldentaal via pellicule ontwikkelde. Wroblewski verdween veel te vroeg na een ongeval in het Tatra-gebergte. Hij zou zich in deze tijd herkennen. Zelf werd ik ‘geconcipieerd’ toen de Duitsers het getto in Warchau ‘opruimden’, mei 1943. Wij zijn hoe dan ook met de geschiedenis verbonden. Het werk van kunstenaars vergroot die nabijheid. Wij zijn aan elkander toevertrouwd.

Mythologie en identiteit: Yinka Shonibare CBE

YINKA SHONIBARE, CBE
Fire Kid (Girl), 2020
Fibreglass mannequin, Dutch wax printed cotton textile, globe, brass, steel baseplate, artificial tree, detachable

Yinka Shonibare CBE RA werd in 1962 in Londen geboren en verhuisde op driejarige leeftijd naar Lagos, Nigeria. Hij keerde terug naar het Verenigd Koninkrijk om Beeldende Kunst te studeren aan de Byam Shaw School of Art in Londen en het Goldsmiths College in Londen, waar hij zijn Master in Beeldende Kunst behaalde. In de afgelopen decennia is Shonibare bekend geworden door zijn onderzoek naar kolonialisme en postkolonialisme binnen de hedendaagse context van globalisering.

Yinka Shonibare’s ‘Nelson’s Ship in a Bottle’

Shonibare werkt met schilderkunst, beeldhouwkunst, fotografie, film en installatie. Zijn werk onderzoekt ras, klasse en de constructie van culturele identiteit door middel van een scherp politiek commentaar op de verwarde relatie tussen Afrika en Europa en hun respectieve economische en politieke geschiedenis. Shonibare gebruikt wrange citaten uit de westerse kunstgeschiedenis en literatuur om de geldigheid van hedendaagse culturele en nationale identiteiten in twijfel te trekken. (James Cohan Gallery)

We hebben in 2009 een aantal werken belicht van deze kunstenaar, en willen graag in deze bijdrage kijken naar wat er verder met hem en zijn werk gebeurde.

YINKA SHONIBARE, CBE
Planets in My Head, Physics, 2010
Mannequin, Dutch wax printed cotton, leather and fiberglass
"I have always viewed art as a form of opera, or as being operatic," Shonibare explained in 2004. "And opera is excessive; it is beyond the real, and therefore hyper-real."
"The main preoccupation within my art education was the construction of signs as outlined in Roland Barthes's Mythologies. So the idea of the theatrical for me is actually about art as the construction of a fiction, art as the biggest liar. What I want to suggest is that there is no such thing as a natural signifier, that the signifier is always constructed--in other words, that what you represent things with is a form of mythology."
YINKA SHONIBARE, CBE
La Méduse , 2008

Beter dan welke verklaring is de ze mooie film van een zevental minuutjes rond zijn project ‘Earth Kids’ (2021) Klik op onderstaand adres om te genieten.

https://www.jamescohan.com/features-items/yinka-shonibare-cbe-earth-kids

Yinka Shonibare CBE, End of Empire, 2016; fiberglass mannequins, Dutch wax printed cotton textile, metal, wood, motor, globes, and leather; 116 × 201 × 39 in
The British-Nigerian artist Yinka Shonibare is debuting four new sculptures in this solo exhibition. Each is an example of the artist’s signature style in its prime—all four figures imply a powerful narrative, and each is cloaked in a Victorian-era garment sewn from the colourful Dutch wax-printed fabrics that Shonibare is known for. As their titles imply, the four sculptures—titled Earth Kid (Boy), Fire Kid (Girl), Air Kid (Boy) and Water Kid (Girl) (all works 2020)—stand in for the elements and together weave a tale that links colonialism to man’s disharmonious relationship to nature. 

Each fiberglass sculpture has a globe for a head and engages in its titular element in some fashion; Fire Kid (Girl) shows a young figure perched against a scorched tree, reading a book, while in Air Kid (Boy) a child steadies his umbrella to brace himself against the wind. Cumulatively, the works pose questions not only of humanity’s cruel history of dominion over one another, but also of our naive attempts to dominate the natural world. The works, however, find hope in their dynamism; Fire Kid’s book teaches her how to avoid future disaster, and Air Kid’s only chance of forward movement is to find symbiosis with the wind. Harmony is possible, though it’s not always achieved through passive means. — Wallace Ludel Miami Art Week
YINKA SHONIBARE, CBE
Water Kid (Girl), 2020
YINKA SHONIBARE, CBE
Air Kid (Boy), 2020
Fibreglass mannequin, Dutch wax printed cotton textile, globe, brass, steel baseplate, umbrella

Voor een vollediger beeld van zijn boeiend beeldend werk verwijzen we graag naar James Cohan waar je een mooi overzicht kunt bekijken van zijn vroeger en hedendaags werk.

https://www.jamescohan.com/artists/yinka-shonibare-cbe

INKA SHONIBARE, CBE
The Sleep of Reason Produces Monsters (America), 2008
C-print mounted on aluminum

Ook via bij zijn eigen website is het zalig toeven en kun je zijn veelzijdigheid ervaren;

https://yinkashonibare.com/

Yinka Shonibare, in collaboration with The Fabric Workshop and Museum, Space Walk, 2002. Pigment on cotton sateen and cotton brocade, fiberglass, resin, plastic.
“Scramble for Africa” (2003) by Yinka Shonibare
Throughout history, if you look at Western Art, be it Matisse or Picasso, a lot of artists took their influence from African art very clearly. It’s not a problem, but when an African artist does the same it can be described sometimes – and I’ve heard this term – as derivative. But if a Western artist takes from African art, of course, they’ve got a right to do that. This show is based on the premise that I discovered that Picasso collected over 100 African artefacts and if you look at his paintings, you will see the influence of African art


The other reason for doing the exhibition is that at the moment artists of African origin are the kind of hottest thing, they’ve become really fashionable. But we had that moment in Paris in the 1920s and in 30s America with the Harlem Renaissance. There were Black performers like Josephine Baker in Paris, Black intellectuals like James Baldwin. There was a Black moment that was super fashionable.

The important thing politically is that we’re not fashion. We are here to stay. The work should be respected because, as you know, people take from Black artists, it goes mainstream, and then the artists are not remembered. In the context of the George Floyd moment that we’re in – although this show was actually conceived beforehand – the important thing is to realise that we need to look at those power relations and that’s what this show is about.
Woman shooting Cherry Blossoms

“Ich bin ein Musikus.”

Jean-Baptiste Greuze Mozart als kind
"Ich kann nicht Poetisch schreiben; ich bin kein Dichter. Ich kann
die redensarten nicht so künstlich eintheilen, daB sie schatten und
licht geben; ich bin kein mahler. ich kann sogar durchs deüten un
durch Pantomime meine gesinnungen und gedancken nicht aus-
drücken; ich bin kein tanzer. Ich kann es aber durch töne; ich bin
ein Musikus."  (Brief van de eenentwintigjarige Mozart aan zijn vader)

Voorzichtig probeer ik de zin ‘Ich bin ein Musikus’ te doorgronden. Hoe mooi hij ‘die redensarten’ niet zo ‘künstlich kan eintheilen’ zodat ze schaduwen en licht geven omdat hij geen schilder is. Hoe grappig hij toespraken (redensarten) verbindt met licht en schaduw en daardoor bij de schilderkunst terecht komt. Hoe hij vastbesloten zijn redenering besluit: ‘Ich bin ein Musikus.’

Dat klinkt allemaal heel mooi en overtuigend, maar ik neem je nu mee naar een brief aan Johann Michael von Puchberg een Weense koopman en vriend die optreedt als zijn ‘chief creditor’. Geschreven op 14 augustus van het jaar 1790, ruim één jaar voor zijn dood:

'beste Vriend en br.
Zo redelijk als ik me gisteren voelde, zo slecht gaat het me vandaag:  ik heb de hele nacht niet kunnnen slapen van de pijn; ik moet gisteren door het vele lopen verhit zijn geraakt en toen kou gevat hebben zonder dat ik het wist; stelt u zich mijn toestand voor -ziek en vol kommer en zorgen- een dergelijke toestand bevordert ook zeker de genezing niet. -Over 8 tot 14 dagen zal ik geholpen zijn -zeker- maar op het moment heb ik niets. -Zou u mij niet met een kleinigheid van dienst kunnen zijn?  Ik zou voor het ogenblik met alles geholpen zijn- U zou althans voor dit ogenblik geruststellen uw
                                                               ware vriend, dienaar en br.
                                                               W.A. Mozart

Puchberg stuurde tien gulden, natuurlijk te weinig, schrijft Wolfgang Hildesheimer in zijn biografie. ‘Hij wil dat jaar leerlingen aantrekken en probeert zijn schulden af te lossen; beide tevergeefs. Zijn vrouw Constanze kuurt in Baden. Rond die tijd ontstaan de strijkkwartetten in Bes-majeur (KV 589) en in F-majeur (KV 590)

Een miniatuur portret van de zestienjarige Mozart op ivoor.

Het strijkkwartet in Bes-majeur (KV 589) bekend als het tweede Pruisische, was een van de drie kwartetten besteld door de Pruisische Frederick William II, koning van Pruisen, toen Mozart er op 26 mei 1789 in zijn koninklijk paleis in Berlijn optrad. De koning was zelf een volleerd cellospeler en bestelde zes strijkkwartetten en tegelijkertijd zes piano-sonates voor zijn dochter Frederika. Mozart zou slechts drie van de Pruisische kwartetten componeren ( KV 575, KV 589 en KV 590) en één van de pianosonates. (K576) Of deze composities ooit de koning hebben bereikt is erg onzeker. De rechten ervan werden na Mozarts’ dood door zijn vrouw Constanze voor een appel en een ei verkocht. Denken we dat het voor iemand als Mozart muziek helemaal in de uiteindelijke vormgeving uit zijn brein sprong, toch zorgden de kwartetten voor de nodige zorgen zoals Misha Amory dat bij de uitvoering van het Brentano Quartet beschrijft:

"We are accustomed to thinking of Mozart as the effortless genius, from whose brain great works of music sprang fully formed. In reality, it is evident that his later quartets gave him a fair amount of trouble: the six great quartets that he dedicated to Haydn had their early drafts and their false starts, and the “Prussian” Quartets were a project of several months’ duration, which he at one point referred to as “that exhausting labor.”

Geheel onwetend van de onstaansgeschiedenis werd het kwartet in Bes-Majeur, het tweede Pruisische, een van mijn dierbaarste Mozart-creaties dat je blijft koesteren en waar je dus alles van wil te weten komen. Om je, ook als niet-muzikant, vertrouwd te maken met de fraaie constructie stel ik je hier de tweede beweging uit dat tweede Pruisische kwartet voor, het Larghetto, en als je daar zin in hebt kun je via de digitale illustratie je een beeld vormen van opbouw en klankcombinaties. Ik vermoed dat hij het te gek had gevonden.

The second movement opens with a lovely cantilena for the cello, with a simple accompaniment; it is hard to imagine a more perfect showcase for this instrument’s lyrical upper register. After this melody is echoed by the first violin, swirling sixteenth-note figurations carry the music to a different key and to the other melodic idea of the movement, a grave and elegant statement passed between first violin and cello. The movement as a whole evokes the composer’s finest love arias from Figaro and The Magic Flute. (Misha Amory)

Het tweede deel opent met een mooie cantilena voor de cello, met een eenvoudige begeleiding; een perfectere etalage voor het lyrische bovenregister van dit instrument is nauwelijks denkbaar. Nadat deze melodie is herhaald door de eerste viool, brengen wervelende zestiende-noot-figuraties de muziek naar een andere toonsoort en naar het andere melodische idee van het deel, een ernstig en elegant statement dat wordt doorgegeven tussen eerste viool en cello. Het geheel doet denken aan de mooiste liefdesaria’s van de componist uit Figaro en De Toverfluit. (Misha Amory)

Vanuit dit veel besproken leven en werk kun je alle kanten uit zoals menig boek en film al hebben bewezen. Maar wie was die man die op zijn bijna vijfendertigste een verzameling muziek achterliet die steeds weer opnieuw -in het verloop van zo’n 230 jaar, je blijft verbazen en ontroeren door de vanzelfsprekendheid van het wondere in zijn muzikaal werk. Stel je voor dat hij tachtig was mogen worden? De jaren van zijn aards verblijf waren geen hemel op aarde, integendeel. Ik verbeeld me hem in deze vreemde en onrustige tijd te kunnen ontmoeten en hem te vragen: wie ben je, Wolfgang? En hem met dat Salzburger accent te horen antwoorden: ‘Ich bin ein Musikus.’

Geboren bij het begin van de Zevenjarige Oorlog en gestorven op de rand van de Franse Revolutie overleefde zijn muziek al dit onmenselijk oorlogsgeluid en kun je hieronder zijn tweede Pruisische met alle onderdelen beluisteren (met dank aan het Alban Berg Quartet) hopend dat het de oorlogszuchtigen van deze tijd mag bedaren.

Kunst in koude dagen (2): ‘The Cool and the Cold’

‘Ik sta voor twee portretten ten voeten uit, elk iets langer dan 200 centimeter. Het linker is een zeefdruk in grijstinten; een man in een wijd overhemd met een opstaande kraag, een spijkerbroek en cowboylaarzen komt uit de leegte tevoorschijn om een revolver uit zijn heupholster te trekken, die hij op de kijker richt. Het rechter schilderij is geschilderd in dikke, donkere olieverf; het toont een man in een zwart driedelig pak en met zijn handen in zijn broekzakken, staande in zijn werkkamer, voor kamerbrede boekenkasten en een bureau bedekt met een rood tafelkleed met kwastjes, waarop de kijker twee kandelaars en diverse papieren kan onderscheiden. Het onderwerp van het eerste schilderij is Elvis Presley. Het onderwerp van het tweede: Vladimir Lenin.’ (Ryan Ruby art-agenda review)

Het idee is eenvoudig: door kunstwerken van rivaliserende landen die twee vermeend tegengestelde ideologische systemen aanhangen in “dialoog” (dat wil zeggen in ruimtelijke nabijheid) te plaatsen, kunnen we overeenkomsten tussen en omkeringen van de ontvangen wijsheid over de systemen zelf ontdekken. De juxtaposities zijn georganiseerd volgens subthema’s zoals Oorlog (waar het machinegeweer in Roy Lichtensteins Takka Takka, 1962, in dialoog is met de lijken in Boris Nemenskiy’s On The Nameless Height, 1961)’ (ibidem) enz.

Dat was althans de tentoonstelling 'The Cool and the Cold in ons geliefd Berlijn in de Gropius Bau van 24 september 2021 tot 9 januari 2022, en even later...? Juist 'De zo genoemde 'Cold' viel Oekraïne binnen.  De genaamde groep 'Cool' werd onmiddellijk bij die oorlog betrokken. De tekst van Ryan Ruby geeft ons een interessante overdenking mee enkele maanden voor het conflict werkelijkheid werd..
Robert Indiana, USA 666 (Eat, Die, Err, Hug) II, 1966/67. Acrylic on canvas, 5 panels, each 91.5 x 91.5 cm. © Morgan Art Foundation / ARS, New York / VG Bild-Kunst, Bonn 2020. Image courtesy of Museum Ludwig Köln. Photo by Rheinisches Bildarchiv Köln, Sabrina Walz. 
Toch was het initiatief dermate belangrijk omdat de poging tot onderzoek van elkaars rolverdeling in 'de schone kunsten' ons duidelijk maakte dat de tweedeling vrij westers gekleurd was.  Ik laat je daarom even meelopen in dit mooie filmpje zodat je een idee krijgt van inhoud en atmosfeer.

‘The Cool and the Cold” moet echter rekening houden met een paar simpele feiten: de VS bestaat, terwijl de USSR niet meer bestaat; het bestaan van de tentoonstelling wordt ondersteund door een partnerschap tussen de instellingen van het museum, het kapitaal en de staat; en de veronderstelde toeschouwer is nog steeds iemand, zoals ik, wiens blik is gesocialiseerd door westerse in plaats van sovjet esthetische normen. De bestudeerde neutraliteit die het woord “dialoog” met zich meebrengt, valt een paar keer in het voordeel van de VS uit. Allereerst in de naam van de tentoonstelling zelf: als met Cool alleen de schilderijen uit de VS worden bedoeld, verwijst Cold naar de geopolitieke situatie waarin zowel Amerikaanse als Sovjet-kunstenaars zich bevonden. De tegenstelling is dus slechts schijn, en in deze onevenwichtigheid hoort men sotto voce wat werkelijk bedoeld wordt: het koele en de kitsch. Evenzo lijkt de erkenning dat de Amerikaanse staat kunst ook gebruikte om propaganda te bedrijven haar op gelijke voet te plaatsen met de USSR, maar de identificatie van “vrijheid” als de inhoud van die propaganda in de tentoonstellingscatalogus is misleidend, zoals we straks zullen zien.’ (ibidem)

Natalya Nesterova, Singers, 1969. Oil on canvas, 150 x 120 cm. © VG Bild-Kunst, Bonn 2020. Image courtesy of Ludwig Forum für Internationale Kunst Aachen. Photo by Carl Brunn.

‘Toen ik door de tentoonstelling liep, moest ik denken aan het beroemde essay “De macht van de machtelozen” uit 1978 van de dissidente toneelschrijver Vaclav Havel. Havel beschouwt het leven van een groenteboer onder het communisme in Tsjecho-Slowakije, die in zijn winkel een bord ophangt met de tekst “Arbeiders van de wereld, verenigt u! De groenteboer, schrijft Havel, gelooft de woorden op het bord vrijwel zeker niet letterlijk, en steunt misschien niet eens de partij waarvan het de slogan is, maar een reeks zachte dwangmiddelen – de angst om zijn baan te verliezen, sociale druk, ideologie, persoonlijk gemak – dwingt hem het bord toch op te hangen. Op deze manier disciplineert het “post-totalitaire systeem” zijn onderdanen tot een dubbelleven: ideologie voor werkelijkheid aannemen omdat het onontkoombaar lijkt, een speler worden in een spel dat ze liever niet spelen, en, bovenal, gewend raken het tegenovergestelde te zeggen van wat ze bedoelen. Het is niet de inhoud van de officiële propaganda, die toch niemand gelooft, waardoor het systeem zich verzekert van gehoorzaamheid; het doet dat door mensen te trainen om hun dagelijkse bezigheden te verrichten “levend in een leugen”. Dit dubbele leven was echter niet specifiek voor het Oostblok. De Verenigde Staten ontwikkelden er een versie van tijdens de Koude Oorlog, die nog steeds actueel is. Het heet ironie. En ironie, niet vrijheid, zoals de officiële propaganda wil doen geloven, is de essentie van cool.’ (ibidem)

Ralph Goings, Airstream, 1970. Oil on canvas, 152 x 214 cm. © Ralph Goings. Image courtesy of mumok – Museum moderner Kunst Stiftung Ludwig Wien.  

‘Denk aan Lenin van Nalbandyan. (zie boven) Tweevoudig winnaar van de Stalinprijs, lid van de Kunstacademie van de USSR, Volkskunstenaar van de Sovjet-Unie, Held van de Socialistische Arbeid, Nalbandyan was zo’n systeemkunstenaar als men zich maar kan voorstellen, en het officieel goedgekeurde onderwerp van zijn schilderij uit 1980-82, de agressief verouderde stijl waarin het werd uitgevoerd, en de normatieve, huiselijke, zelfs burgerlijke mise-en-scène weerspiegelen allemaal deze status. Westerse kijkers zullen geen moeite hebben het als kitsch te identificeren. Maar voor zover de “kritische nevenschikking” van de tentoonstelling tot doel heeft aan te tonen dat Warhols Single Elvis ook kitsch is, gaat ze niet ver genoeg. Iedereen weet dat Single Elvis kitsch is. Het genie van Warhol was om twee notioneel antagonistische sectoren van de Amerikaanse cultuurindustrie – massaal geproduceerde populaire cultuur en gesanctioneerde hoge cultuur – tegen elkaar uit te spelen om te laten zien hoe telkens wanneer een beeld van context verandert, er meer waarde aan kan worden ontleend.’

Jury Korolyov, Cosmonauts, 1982. Oil on canvas, 195 x 315 cm. Image courtesy of Ludwig Forum für Internationale Kunst Aachen. Photo by Carl Brunn. 

Wat dit op zijn beurt mogelijk maakt, is de koele, ironische blik die ons in staat stelt ons privé in te zetten voor het idee dat kitsch negatief is, terwijl we ons anders gedragen, omdat ons uiteindelijk niet wordt gevraagd dit of dat beeld te bewonderen, maar het ideologische principe dat werkelijk de kern vormt van het Amerikaanse systeem: geen vrijheid, maar commodificatie. In termen van systeemerkenning was Warhol niet onbelangrijk: hij is de Amerikaanse kunstenaar die het vaakst voorkomt op de lijst van duurst verkochte schilderijen ooit, een veel patriottischer onderscheiding dan bijvoorbeeld de Presidential Medal of Freedom. Wat zegt zijn Elvis met een knipoog tegen Nalbandyans Lenin wanneer de twee in “dialoog” zijn geplaatst in de Gropius Bau? Hetzelfde als Havel’s groentenboer: “Arbeiders van de wereld, verenigt u!”.

Ryan Ruby is the author of The Zero and the One: A Novel (Twelve Books, 2017) and Context Collapse, which was a finalist for the 2020 National Poetry Series Competition. 


Takka Takka by Roy Lichtenstein

En wat als die ironie plotseling de brutaliteit van een Europese oorlog krijgt? Hanna Komornitzyk schreef in Art-in-Berlin begin 2022 nog voor het uitbreken van de oorlog:

De mate waarin culturele fenomenen en kunst wederzijds afhankelijk zijn, wordt op indrukwekkende wijze duidelijk in The Cool and The Cold. Elk afzonderlijk beeld verwijst naar een veelheid van citaten en komt door de receptie in het esthetische begrip van zijn sociale context, die op zijn beurt wordt gebruikt om nieuwe beelden te creëren. Deze loop gaat door en versnelt tot hij uiteindelijk niet meer als zodanig herkenbaar is in de digitale ruimte van de jaren 2020. In zekere zin doet de tentoonstelling een stap terug: via de schilderkunst van voorbije decennia wordt de huidige beeldproductie zodanig vertraagd dat de afzonderlijke stappen van receptie en reproductie weer zichtbaar worden. 

In dit opzicht is het niet verwonderlijk dat de kamers de foto's vrijwel ongerubriceerd laten - iets wat in het digitale begeleidende boekje ruimschoots wordt goedgemaakt. En misschien kunnen de jongere generaties, verslaafd aan beeldconsumptie en communicatie via beelden, alleen via het beeld zelf een spiegel worden voorgehouden. Maar vooral met het oog op een politiek spanningsveld zoals de Koude Oorlog dat biedt - als uitgangspunt voor hedendaagse discoursen over consumentenkritiek, oorlogspropaganda of artistieke vrijheid - zou meer context wenselijk zijn geweest. Wat overblijft is een onderkoeld beeld van een samenleving van individualisten die visuele esthetiek volledig los van hun politieke potentieel kunnen consumeren.
Boris Nemensky ‘It’s Us, Lord’ 1960

Jan Veth (1864-1925): schrijven met penseel en schilderen met het woord

Zelfportret van Jan Pieter Veth (1864-1925)
Als portrettist van de intellectuele elite en redacteur van het kritische tijdschrift De Nieuwe Gids begaf Jan Veth zich in het hart van de Hollandse kunstwereld van het laatste kwart van de 19de eeuw. Precies in een periode waarin die wereld grote ontwikkelingen doormaakte, legde Jan Veth diens hoofdrolspelers vast. Veth schreef met zijn penseel en schilderde met zijn pen. In bevlogen kunstkritieken gaf hij zijn eigen fijnzinnige blik op de veranderingen in de kunst.

(Dordrechts Museum ‘Door het oog van Jan Veth.' Voorjaar 2023)
Portret van schrijver Aletrino (1858-1916) Jan Veth

‘Het zou geheel verkeerd zijn over een bundel proza van Jan Veth te schrijven, en de hoofdzaak buiten rekening te laten.
De hoofdzaak in deze is: Jan Veth is de bekende portret-schilder.
De wereld waarin hij verkeert is de maatschappij van tegenwoordig: en al haar leden, of tenminste van elke soort verscheidene, heeft hij geschilderd of uitgeteekend, aldoor met dezelfde geduldige genegenheid.
Die wereld is zeer wezenlijk, en de man die met haar geleerden en kunstenaars, haar bankiers, dominees, staatslieden, afgevaardigden, mevrouwen en bedrijfslieden dagelijks omgaat, heeft een vaster gang dan de droomer die zich af moet vragen wat ter wereld toch eigenlijk beantwoordt aan zijn voorstelling.
Hollandsch, door zijn aard: meer ontledend dan verbeeldend, – bleef hij het door zijn arbeid die in vaderlandsche schilderkunst zoo overvloedige voorbeelden vond, – werd hij het bij toeneming door die dagelijksche omgang met allerlei groepen van de samenleving, een omgang die te allen tijde de nuchtere nederlandsche geest door vergelijking heeft gescherpt.’

(Albert Verwey Proza 1904)

Portrait of Isaac de Bruijn (1872-1953) Bankier en kunstverzamelaar 1922 Rijksmuseum A’dam
'Als Jan Veth over schilderijen schrijft, schrijft hij niet als docent, maar als schilder. Hij schildert het werk nogmaals, in woorden; en hij doet dit niet met de uitdrukkelijke bedoeling om het kunstwerk te doen begrijpen of de oogen der lezers voor zijn schoonheden te openen maar uit een behoefte en aanleg tot karakteriseeren - evenals zijn eigen portretschilderingen gemaakt zijn als karakteristieken van de personen, die voor hem gezeten hebben. Veel zorg wordt besteed aan de beschrijving der voorstelling, de aanduiding van de kleuren en hunner waarde, de bepaling der figuren op het schilderij voorkomend naar hun houding en zielsgesteldheid, en aan den indruk dien het werk als geheel maakt. V. laat in zijn beschrijving het werk zien.'   

J.D. Bierens de Haan (filosoof en predikant) nav boek Jan Veth: Beelden en Groepen.  A’dam P.N. van Kampen & Zoon 
Portret van Josef Israels, schilder Lithografie Jan Veth 1895

‘In deze jaren raakte Veth bevriend met enige letterkundigen uit de kring van de Tachtigers, zoals Albert Verwey, Willem Kloos, Franc van der Goes en Frederik van Eeden, en werd hij een medewerker van De Nieuwe Gids, waarin hij sonnetten en kleine polemische artikelen onder diverse pseudoniemen (in het bijzonder onder het pseudoniem I.N. Stemming) publiceerde. Vanaf 1887 verschenen er in dit tijdschrift ook grotere kunstkritische bijdragen, onder andere over de Franse kunstenaar O. Redon (1887). In deze jaren werkte Veth ook als kunstcriticus voor De Amsterdammer. Weekblad voor Nederland. Tot zijn invloedrijkste publikaties behoren Derkinderens wandschildering in het Bossche stadhuis (Amsterdam, 1892), een belangrijke bijdrage tot de theorievorming van de Nieuwe Kunst in Nederland, en zijn Nederlandse bewerking van Walter Crane, Claims of decorative art, die verscheen onder de titel Kunst en samenleving (Amsterdam, 1894). Aan de ontwikkeling van de boekverzorging had Veth reeds enkele jaren eerder een belangrijke bijdrage geleverd door zijn bandontwerp van De Kleine Johannes van Frederik van Eeden (1887), dat beschouwd kan worden als de directe voorloper van de Nieuwe-Kunstboekverzorging in ons land.’

Zie verder:

Portrait of Albert Verwey (1865-1937), 1885
Kunst en samenleving
'Kunst en samenleving' uit 1894 was een pleidooi voor samenwerking tussen alle kunstdisciplines om een betere wereld voor de arbeider te creëren. Dit boek over de vorming van de 'nieuwe mensch' werd het handboek voor de art nouveau of nieuwe kunst in Nederland. 'Kunst en samenleving' was een bewerking van 'Claims of decorative art' van Walter Crane, een van de grondleggers van de Arts-and-Craftsbeweging in Engeland. Het boek van Jan Veth werd een handboek niet alleen voor de boekvernieuwing, maar ook voor de Nieuwe kunst, de art nouveau, in Nederland.
Jan Veth: Portret van Cornelia, Clara en Johanna Veth (zussen van Jan) Klik op onderschrift om te vergroten.

Met enige schroom keer je als vroege ‘eenentwintig-eeuwer’ naar de kunde en de bevlogenheid van een man die als beeldend kunstenaar ook het woord hanteerde en op zoek was naar de combinatie van ‘kunst en samenleving’, schrijvend met het penseel en schilderend met het woord. Ook als hij over zichzelf schrijft in dit sonnet:

ZELFGEVOEL

Ik vier alleen mijn ziele-sabbathsrust,
Kalm in mijn kamer binnen blinde muren,
In 't gemelijk genot van ledige uren,
Waarin mijn wrevel langzaam wordt gesust.

Zo zit 'k eerst lijdzaam en maar vaag bewust
een ganse middag voor mij uit te turen,
En proef mijn luiheid, dat zij lang moog duren,
Bij korte teugen met verfijnde lust.

Maar als een trots man onder dwaze mensen,
Zo ben ik dan in 't eind met mijn gedachten,
Ik zie hen aan met koele, hoge blik.

En rondom daag ik mijn verdoolde wensen
Voor mijn gezicht, waar zij het vonnis wachten
Van mijn omhooggestreden, richtend Ik.
Zelfportret Jan Veth Tekening Rijksmuseum A’dam

In het voorjaar van 2023 organiseert het Dordrechts Museum de eerste grote overzichtstentoonstelling over de schilder en kunstcriticus Jan Veth.

 In de tentoonstelling is Jan Veth zelf de gastconservator. Zijn eigen woorden in brieven en kritieken vormen de rode draad. Met zijn kunst en geschriften, aangevuld met het werk van de kunstenaars waar hij over schreef en wie hij bewonderde en verzamelde, neemt Jan Veth ons mee naar een bewogen tijdperk. Een tijdperk waarin ideeën over kunst, het kunstenaarschap en het openbaar kunstbezit zijn gevestigd die tot vandaag de dag gelden. Jan Veth stond aan de oorsprong ervan. Hij is een van de belangrijkste figuren in de Nederlandse kunstgeschiedenis en vormgever van ons hedendaagse kunstbegrip.

Kijk:

https://www.dordrechtsmuseum.nl/nu-te-zien-en-te-doen/door-het-oog-van-jan-veth/

Portret van Pieter Lodewijk Tak, journalist, politicus Jan Veth
Louis Couperus door Jan Veth

Helemaal bovenaan: Uitzicht vanuit het atelier Keizersgracht 327, Amsterdam (View from the Studio at Keizersgracht 327)

Verkoeling/Cooling

August 1930: A water cart man turns the water main on a group of boys to help them cool off in a street in Westminster, London during a heatwave. (Photo by Fox Photos/Getty Images)
July 10, 1934. Three women on Blackpool promenade during a heatwave. One wears a divided skirt and the other a straight skirt, both over swimwear. The middle one has a ‘copy’ of the Letty Lynton dress made popular by Joan Crawford in the film of that name. Adapted for the mass market the triple row of frills at the hem are matched by frills at the shoulder forming cap sleeves. (Photo by E Dean/Getty Images)
August 1919: London schoolboys relax in the park during a heatwave. (Photo by Topical Press Agency/Getty Images)
9th August 1936: St John’s Ambulancemen handing out oatmeal drinks in the heat at the football match between West Ham United and Tottenham Hotspur at Upton Park. (Photo by E. Dean/Topical Press Agency/Getty Images)
27th July 1935: Pupils have a lesson in the open air in the shade of a tree at Winterbourne, Gloucestershire, during a spell of hot weather. (Photo by Fox Photos/Getty Images)

More in:

Het steeds veranderend licht

Max Švabinský (1873-1962) Studie voor een portet in grijs

Vreemd genoeg vond ik deze schets in een Italiaanse studie over het Impressionisme, met als vertaalde titel: Studie voor een portret in grijs. Max Švabinský was een Tjechisch schilder geboren en getogen op een moment dat het impressionisme al flink was uitgewaaierd, maar blijkbaar was de beweging van het steeds veranderende licht ook tot in Moravië doorgedrongen.

"He was born in the south Moravian town of Kromeriz to a very modest family. From a very young age, he showed an exceptional talent for creative art, and at the age of 11 he started earning money for the whole family by selling his pictures. He was raised by three women - his mother, grandmother and aunt, and that fact proved very significant for Svabinsky's work throughout his life. His work was in fact one big tribute to the women he encountered during his life.” 

Deze fraaie tuinscène maakt duidelijk dat Švabinský wel degelijk oog had voor het kortstondige van het ogenblik, de poging om niet het bevroren moment maar de atmosfeer van licht- en schaduwspel te vatten. Het impressionisme was intussen uit zijn marginale status gegroeid en danig over Europa verspreid.

Vanuit een zuiver artistiek standpunt gezien is het impressionisme een van de rijkste periodes en men moet tot de Italiaanse renaissance teruggaan, wil men een dergelijke overvloed van talent tegenkomen. Cezanne en Sisly, beiden in 1839 geboren, waren slechts negen jaar jonger dan Pissarro,met Manet en Degas daar tussenin. Monet, algemeen beschouwd als aanvoerder van het impressionisme, is pas in 1840 geboren, in 1841 door Renoir en in 1848 door Gaugin gevolgd. Maar uiteindelijk overleefde Monet alle anderen, want hij stierf pas in 1926. Men spreekt wel eens van het ‘symbolische strijdgewoel’, maar hetzelfde geldt voor het impressionisme, waarin kunstwerken die speciale etappes kenmerken, elkaar net zo snel opvolgen en daarbij een kettingreactie veroorzaken waarvan de ontwikkelingen nauwelijks uit elkaar te houden zijn. Zoveel schilderijen ontstaan praktisch tegelijkertijd dat een chronologische volgorde nauwelijks mogelijk is. (Horst Keller, De geschiedenis van het Impressionisme)
Camille Pissarro Sneeuw in Louveciennes 1872
Camille Pissarro De rode daken

De kritiek op de eerste tentoonstelling van deze kunstenaars was niet mals. In de Figaro van 1876 kon je dit verslag lezen:

Durand-Ruel in 1876: ‘De rue Le Peletier is een ongeluksstraat. Eerst een brand in de Opera en nu weer die vreselijke tentoonstelling bij Durand-Ruel . . . Vijf of zes van hoogmoedswaanzin bezeten iclioten, waaronder een vrouw, laten daar hun werk zien. Sommige toeschouwers kunnen hun lachen nauwelijks bedwingen, maar persoonlijk vind ik het een trieste zaak. Deze zogenaamde kunstenaars noemen zichzelf impressionist en staan vast op hun stuk. Met hun penseel gooien ze zomaar wat kleuren op een doek en vooruit dan maar . . .Een droevig spektakel van menselijke ijdelheid, die aan waanzin grenst. Probeer maar eens aan Monsieur Pissarro uit te leggen dat bomen niet paars zijn en de hemel niet de kleur van verse boter heeft. Dat men nergens ter wereld vindt wat hij schildert en geen verstandig mens dit soort waanzin accepteert. Dat is net zo vruchteloos als een leerling van Dr. Blanche, die denkt dat hij de paus is, te willen uitleggen dat hij in Parijs en niet in het Vaticaan woont . . . Wel eens geprobeerd om Monsieur Degas ervan te overtuigen dat er op kunstgebied bepaalde maatstaven zijn, zoals: tekening, kleur, uitvoering, doorzetting . . . dan lacht hij u uit en noemt u achterlijk. Net zo min als u er Monsieur Renoir van kunt overtuigen dat het vrouwelijke lichaam niet een lompe vleesmassa is met groene en paarse vlakken, die op een verregaand verrottingsproces wijzen! . . . 
Alfred Sisley De overstromingen bij Port Marly

Een deurtje dat zich opent? Je vindt een heldere goed gedocumenteerd overzicht in ”De kunst van de Impressionisten’ door Horst Keller. Atrium (1985). Zeker nog als tweedehandsboek te verkrijgen. Oorspronkelijk een Duitse uitgave is de Nederlandse Atrium uitgave een heldere vertaling. Een boekbespreking van toen van J.F. Du Bois:

Hij schrijft geen historische mammoet-studie (wij hebben voorlopig genoeg aan de haast exhaustieve chronologische documentaire van H. Read), ook geen Frans-chauvinistisch pleidooi. Zijn degelijke, wetenschappelijke kennis weet K. om te werken tot een keuvelend, weloverwogen commentaar tijdens een geleide wandeling doorheen de zalen van een imaginair museum. Iets nieuws wil K. niet brengen; wel persoonlijke bedenkingen en impressies, vaak zeer indringend. Ook legt hij de accenten anders. Voor hem is Manet ‘het genie’, wellicht wegens zijn klassieke zin voor maat en afgelijnde vorm. Verheugend is dat Sisley en vooral C. Pissarro beter aan hun trekken komen. Een algemene inleiding voor een breed publiek, dat ook van de talloze kleurplaten zal genieten: degelijk, historisch betrouwbaar. Een jubileumuitgave.
Berthe Morisot ‘Jour d’ été 1879
Gustave Caillebotte Vue de toits 1878-1879 Musée d’ Orsay

Maait mei niet? ‘De ongrijpbaarheid van het kwaad’ (Nelleke Noordervliet)

eigen foto

Het mag duidelijk zijn dat deze bijdrage geen vragen wil stellen bij het mooie initiatief de wildgroei in de tuinen te bevorderen maar eerder vanuit data als de net voorbije 4de en de komende 9de en 10de meidag een ander ‘maaien’ zichtbaar te maken dat -dachten wij- nu wel tot de ‘geschiedenis’ is gaan behoren, maar weer volop in de bloedigste betekenis van het woord dagelijks tot in Europa bloesem en bloed verenigt. Wilde ik dit jaar de weelde van de blauwe regen in beeld brengen dan kon dat alleen vanuit de zwarte schaduw van zijn knoestige stammen.

It should be clear that this contribution does not seek to question the fine initiative of promoting sprawl in the gardens but rather to make visible, from dates such as the just-passed 4th and the coming 9th and 10th May, another 'mowing' that we thought belonged to 'history', but which, in the bloodiest sense of the word, unites blossom and blood daily in Europe. If I wanted to picture the opulence of the wisteria this year, I could only do so from the black shadows of its gnarled trunks. 

In de mooie verzameling teksten van Nelleke Noordervliet ‘Schatplicht’ (Uitgeverij Augustus A’dam-Antwerpen 2013) vond ik in de late uren een prachtige tekst ‘De ongrijpbaarheid van het kwaad’ , de neerslag van een toespraak ter gelegenheid van de herdenking van 4 mei in de Nieuwe Kerk te Amsterdam in 2006. Haar woorden zijn actueler dan ooit. Ze verspreiden is dan niet alleen een eerbetoon maar pure noodzakelijkheid.

Russian state media are now highlighting Russia’s capture of almost all of Mariupol as a long-anticipated victory in Mr. Putin’s pledge to “denazify” Ukraine.Credit…Alexander Ermochenko/Reuters NY Times

‘Hoe kon het gebeuren? In Europa. In Duitsland. In Azië. In Japan. Hoe kon de zucht tot veroveren en onderdrukken bezit nemen van zovelen? Hoe kon een misplaatst gevoel van superioriteit leiden tot vervolging en vernietiging van miljoenen medemensen? Waarom is er niet eerder ingegrepen?
Het is allemaal beschreven. Geschiedschrijving helpt een overzicht te krijgen. Optimist als de mens vaak is, meent hij van de geschiedenis te zullen Ieren. De voornaamste les is dat de mens niets leert van de geschiedenis, althans geen consequenties verbindt aan de lessen. Als dat wel zo was, leefden we nu in het paradijs. Nee, nu val ik ons iets te hard. Het is waar: oorlog is helaas gangbaarder dan vrede, maar is er nu ergens ter wereld oorlog of heerst ergens ter wereld een mensonterend regime, dan sluiten we onze ogen niet. Niet altijd. In sommige gevallen heeft de internationale gemeenschap na ampele beraadslagingen een vredesmissie naar een dergelijk gebied gestuurd. En ook daarvan is geleerd. Door schade en schande. Er is geen schone oorlog, er is geen zuivere vrede. Geschiedschrijving maakt ons bewust van onze feilbaarheid.
Ze maakt ons alert op nieuwe verschijningsvormen van onrecht, terreur, misleiding. Niet alleen in anderen maar ook in onszelf.

Olga Podust, 28, surveyed the damage to her apartment in Kramatorsk on Thursday. An early-morning Russian airstrike severely damaged the residential complex where Ms. Podust lived. Credit…Lynsey Addario for The New York Times

De grote totalitaire regimes zijn verdwenen uit Europa. Dat wil niet zeggen dat de voorwaarden waaronder ze konden ontstaan met hen zijn verdwenen. Hannah Arendt heeft dat in haar diepgravende analyse van het totalitarisme afdoende duidelijk gemaakt. Wat me blijft intrigeren is hoe in een mens, die onder normale omstandigheden niet geneigd is tot crimineel gedrag, die niet erfelijk is belast of andere tekortkomingen in zijn systeem vertoont, de besmetting met het kwaad plaatsvindt, hoe het komt dat mensen bereid zijn hun individualiteit en kritisch oordeelsvermogen op te geven, uit eigen vrije wil, en actief een rol te gaan vervullen in een machinerie van haat en vernietiging. Hoezeer ook een totalitaire beweging welhaast een natuurverschijnsel lijkt dat alles en iedereen op zijn verwoestende weg meesleept: elke beweging bestaat uit mensen, individuen, verblind, hongerig, vervuld van eigenbelang, wraakzucht, jaloezie en wat al niet, maar altijd eenlingen, met het vermogen te denken en lief te hebben. Mij intrigeert dat omslagpunt waarop een individu zijn keuze maakt: mee te gaan of weerstand te bieden. Velen buigen, maar sommigen niet. Sommigen niet. Weten we van onszelf of we de moed zullen opbrengen? Ik durf mijn hand niet voor mijzelf in het vuur te steken. Van niemand valt te voorspellen of hij in de beproeving stand kan houden.

Ik stel me voor hoe het gaat. Er zijn problemen in een gemeenschap. Er heerst onrust, verwarring. Er zijn smeulende conflicten.
In het zoeken naar een uitweg wordt een idee voor een oplossing geopperd. Het klinkt plausibel. Verlossend zelfs. De visie wint aan populariteit en wordt krachtiger, radicaler. ]e hele omgeving spreekt zich uit voor die kijk op de kwestie, met wat mitsen en maren, maar toch. ]e discussieert. Stelt vragen. Argumenteert. Geeft toe. Of niet. Of een beetje. ]e twijfelt. Er zit misschien wel wat in. Of niet. De anderen twijfelen steeds minder. Wie is nou gek, zij of jij? De visie wordt steeds meer absoluut. De taal verandert. De betekenis van woorden verandert. Bijna ongemerkt. Al spoedig schaam je je voor je twijfel. ]e spreekt hem niet meer uit.
Tegenstand wordt steeds minder geduld. Mensen die je hoog had zijn de ideologie toegedaan. ]e wordt een buitenstaander. Dat wil je niet zijn. ]e vreest de eenzaamheid, de uitsluiting. En ach, als zovelen de nieuwe politiek aanhangen, wat maakt jouw protest dan nog uit? En als je je aansluit ben je ook maar een onaanzienlijke druppel in de oceaan. Wat doe je ertoe, jij klein mens? Alles om je heen is veranderd, je verandert zelf. Tot je jezelf niet meer herkent.

Men zegt dat juist de geleidelijke, stapsgewijze voortschrijding van het kwaad de betrekkelijke meegaandheid van mensen onder een totalitair regime tekent. Mensen worden heel langzaam ontmenselijkt. Onmerkbaar verliezen ze het beeld van de ander als gelijke. Hun individualiteit wordt hun ontnomen. In ruil daarvoor krijgen ze angst.
‘Wil een totalitaire heerschappij het gedrag van haar onderdanen leiden,’ schrijft Hannah Arendt, ‘dan moet elk van hen erop voorbereid worden dat hij even geschikt is voor de rol van uitvoerder als voor de rol van slachtoffer.’ Je kunt niet meer kiezen. De staat kiest voor jou. De openheid van de toekomst houdt op te bestaan.

Ik blijf zoeken naar het moment van twijfel, het moment van toegeven, het beslissende moment, waarop een mens zich laat gaan in overgave en zelfverlies, het moment waarop het kwaad vat krijgt op een individu. Hoe is het kwaad als kwaad te herkennen? Wie jong is gelooft maar al te graag in de neiging van de mens tot het goede; hij begint zijn leven net en dan is moedeloosheid of cynisme geen vrolijke metgezel. Geleidelijk aan wordt hij wijzer en ontkiemt in zijn hart het zaad van de twijfel. Is de mens wel geneigd tot het goede? De werkelijkheid dwingt hem onder ogen te zien dat het ‘goede’ niet makkelijk herkenbaar is. Zelfs het kwaad dient zich aan in de mantel van het goede. Woorden als vrijheid en waarheid worden maar al te vaak misbruikt.

‘Do not go gentle into that good night, rage, rage against the dying of the light.’

We verzetten ons tegen de duisternis. We verzetten ons tegen het vergeten. Maar hoe kunnen we ons verzetten als de verhalen van de oorlog verstenen tot mythen? Als we het lied zo vaak hebben gehoord dat de betekenis uit de tekst is verdwenen. We moeten ons allereerst verzetten tegen gemakzucht en afstomping in onszelf. Blijf luisteren. Naar alle verhalen van oorlog.Verhalen van kinderen die een geweer in de hand gedrukt krijgen.Verhalen van vluchtelingen. Verhalen van gemartelden en gegijzelden. Verhalen van vermoeide soldaten. Verhalen van verdwenen dorpen. Verzamel verhalen en wordt niet moe. Luister naar verhalen van toen en naar verhalen van nu. Luister naar de stem van je eigen vrijheid. Maar hoor ook je uitvluchten, je excuses, je drogredenen. Volg niet klakkeloos leiders. Durf alleen te staan. Durf je uit te spreken. Wees moedig. Wie goed luistert neemt geen wapens op, behalve om de menselijkheid te verdedigen.

Toen Rotterdam brandde, op 14mei 1940, stonden mijn grootouders van moederszijde, een oom, een tante en mijn moeder in de etagewoning van opa en oma in Crooswijk, niet ver van de Jonker Fransstraat waar het vuur woedde. Ze waren erg bang. Zomaar was vier dagen tevoren de oorlog uitgebroken. Vliegtuigen lieten parachutisten vallen. Geruisloos zweefden ze door een hemelsblauwe lucht naar beneden, herauten van strijd en van dood. Nu kwamen de vliegtuigen met brandbommen aanronken, vlogen over, lieten hun loodzware last vallen. Elk ogenblik kon een voltreffer het dak van opa’s en oma’s huis raken. Ze hadden de armen om elkaar heen geslagen. Ik weet niet of ze gesproken hebben of gebeden, gevloekt of gehuild. Ze hebben gedacht te zullen sterven, zomaar op een dag in mei. Ze stonden als een menselijk schild over mijn nichtje heen, dat toen een paar maanden oud was. Het enige wapen dat ze hadden om de menselijkheid te verdedigen was hun eigen lichaam. Dat ene kleine jongen mensenleven telde. Ze moesten de toekomst redden. Ze moesten de toekomst redden.

Nellke Noordervliet, fragmenten uit 'De Ongrijpbaarheid van het Kwaad' Gebundeld in 'Schatplicht' Uitgeverij Augustus Amsterdam-Antwerpen 2013 

‘Tussen Rusland en Europa’, pogingen tot verstandhouding

Ukraine-army soldier

Als kind uit de tweede wereldoorlog is mij de geschiedenis dierbaar gebleven die ons, meer dan de begrijpelijke vooringenomenheid, wegen tot verstandhouding kan zichtbaar maken. Herinneringen aan een fantastische geschiedenisleraar die voor ons het ontstaan van een verenigd Europa zichtbaar maakte in de vroege jaren zestig en de snelheid waarmee commentatoren allerhande dagelijks hun stellingen (moeten) poneren, vormen een goede combinatie om te proberen waan en werkelijkheid van elkaar te scheiden. Lectuur is daarbij een goede gezel, in dit geval een boek van historica Janine Henriëtte Jager ‘Tussen Rusland en Europa’, ‘Russische debatten over de intelligentsia, de staat en de natie in de jaren 1908-1912’, uitgeverij Jan Mets Amsterdam, 1998. De datum verraadt de toenmalige actualiteit waarin na 1989 een ‘ander’ Rusland vorm zou krijgen na het verdwijnen van de Sovjet-Unie. Het begrip ‘tussen Rusland en Europa’ heeft een duidelijk historisch verloop. Het brengt ons enige klaarheid in de soms ‘vreemde’ uitdrukkingen die de huidige machthebber(s) in allerlei uitspraken debiteert. Wil je de hoofdrolspelers begrijpen dan is enige kennis van het (historisch) decor wellicht nuttig ook al is de aanblik van het echte decor onmenselijk en in onze ogen onbegrijpelijk.

'Het Russische Europabeeld was in veel opzichten het spiegelbeeld van het Europese Ruslandbeeld.  Ook in de Russische denkbeelden van Europa kwamen emoties van minachting, vrees en bewondering voor, maar in een andere rangorde.  In het Russische geval was eerder sprake van een minderwaardigheidscomplex.  Respect en vrees voor Europa voerden meestal de boventoon.  Daarbij was echter tegelijkertijd een soort basso continuo hoorbaar waarin zelfoverschatting, minachting voor het Westen en een messianistisch zendingsbewustzijn naar voren kwamen. 

De verdeeldheid in Europa over Rusland vond haar parallel in vaak nog grotere Russische onenigheid over Europa.  Evenmin als de andere Europeanen waren de Russen het onderling eens of hun vaderland tot Europa gerekend moest worden. Europa was een voorbeeld maar niet zelden van de afschrikwekkende soort. Ook hier vond partijvorming plaats en stonden de aanhangers van het Westen tegenover de slavofiele tegenstanders ervan.  De denkbeelden van Europeanen over Rusland en van Russen over Europa werkten op elkaar in en versterkten het ingewikkelde karakter van hun onderlinge verstandhouding.' (p17-18)
Illumination from 1673 representing a crowd at the Ipatiev Monastery imploring Michael Romanov’s reluctant mother to let him go to Moscow and become their Tsar (public domain).
‘Het Europese Ruslandbeeld en het Russische Europabeeld werden gekenmerkt door een sterke overdrijving van de verschillen tussen Rusland en het Westen. Deze verschillen waren echter aanzienlijk en vonden hun oorsprong in de Middeleeuwen. 
De eerste Russische staat, het Rijk van Kiev, kon zich omstreeks 1100 nog als een gelijkwaardige partner beschouwen van de staten in westelijk Europa. Het onderhield daarmee ook levendige culturele en economische contacten en was door huwelijkse banden gelieerd aan andere Europese vorstenhuizen. Voor de latere verhouding tussen Rusland en het Westen was het van grote betekenis dat Rusland in de 10de eeuw vanuit Byzantium gekerstend was en deel zou blijven uitmaken van het oosterse christendom. Het werd door Byzantium ondergedompeld in een religieus-politieke cultuur, gekenmerkt door autocratisch bestuur en een hooghartige afkeer van het Latijns-katholieke Westen. ‘ (p.18)
Annunciatie. Mozaïek uit de Kiëvse periode in de Sofia-Kathedraal, Kiev; alle opschriften zijn toch nog in het Grieks.(!) Maar… (zie hieronder)
'Rusland bleef echter verstoken van directe deelname aan de Grieks- Byzantijnse beschaving omdat het christendom in de volkstaal aan de Slaven werd verkondigd. Voor 1700 waren er nauwelijks Russen die Grieks, laat staan Latijn kenden. Rusland kwam daardoor gemakkelijk in een cultureel isolement terecht. De invloed van de scholastiek, de renaissance, het humanisme en de reformatie drong er nauwelijks door. Door de Mongoolse verovering in de 13de eeuw was Rusland grotendeels afgesneden geraakt van contacten met het Westen en Byzantium. In de daaropvolgende twee eeuwen ontwikkelde Moskovië zich in een langdurige strijd tegen de Mongolen en de andere Russische vorstendommen tot de machtigste staat in dit gebied. 

Het christelijke Moskovië had in de ogen van westerse waarnemers die het land tussen 1500 en 1700 bezochten, meer weg van een oosterse of Aziatische despotie dan van een Europees land. Deze indruk werd nog versterkt doordat de Russen behagen schiepen in hun culturele apartheid en nationaal—religieuze exclusiviteit. Na de val van Constantinopel in 1453 pretendeerde Moskou de enig overgebleven hoeder van het ware geloof te zijn. De Moskouse grootvorst liet merken dat hij zich als de opvolger van de Byzantijnse keizer beschouwde en noemde zich voortaan tsaar (caesar). De Byzantijnse dubbele adelaar werd als staatkundig embleem overgenomen. De Russen zagen hun Moskou als het ‘Derde en laatste Rome’. Hoewel zulke messianistische en antiwesterse denkbeelden zich niet werkelijk ontwikkelden tot een invloedrijke staatkundige ideologie, bleef een behoudende, in zichzelf gekeerde, xenofobe mentaliteit lang kenmerkend voor het Russische geestesleven.' (p18-19)
Michael I, Tsaar van Rusland (1613-1645) Eerste tsaar van het huis Romanov
'Bij de culturele verschillen hadden zich rond 1600 vele andere gevoegd. Het oostelijke deel van Europa, en Rusland in het bijzonder, was in de late Middeleeuwen in sociaal, economisch en technisch opzicht sterk achter geraakt bij het Westen, dat op het gebied van handel, nijverheid en urbanisatie een grote bloei doormaakte. De Oost-Europese steden boeten aan belang in, de boeren raakten in lijfeigenschap. Alle westerse reizigers naar Rusland berichtten over de bekrompen achterlijkheid, de smerige armoede en de barbaarse hardheid van het Russische leven, maar ook over de overvloed aan natuurlijke rijkdommen van dit onmetelijke land. Deze verschillen zorgden ervoor dat het Westen en Rusland een steeds intensiever contact met elkaar zochten. De Russische heersers beseften dat hun land zich niet tegenover Europese mogendheden als Polen of Zweden kon handhaven zonder westerse wapens en techniek. Voor het Westen zou Rusland een belangrijke leverancier van grondstoffen zijn. Het vormde ook een potentiële bondgenoot tegen Europa’s voornaamste vijand, de Turken.'(p.19)
Oorlog van Rusland tegen de Turken (klik hier om te vergroten)
'De dubbele identiteit van Rusland als Europees en als Aziatisch land vond haar neerslag in de imperiale ideologie die onder de opvolgers van Peter de Grote verder werd uitgewerkt. In de 18de eeuw ontstond naast het Woord roesski (‘Russisch' in engere zin) ook de term rossiski, ter aanduiding van alles wat tot het Russische imperium behoorde. Het contrast tussen Aziatisch Rusland als een ver en vreemd wingewest en het Europese Russische moederland werd versterkt door de verschillen in geografische,etnografische en culturele gesteldheid zoveel mogelijk te accentueren. In de I8de-eeuwse Russische atlassen en geografische literatuur werd het uitgestrekte gebied ten oosten van de Oeral meestal ook niet met zijn oorspronkelijk Russische naam Sibir (Siberië) aangeduid, maar bij voorkeur met de veel exotischer klinkende en uit de westerse geografische terminologie afkomstige naam Groot Tatarije. Hoever deze Russische imitatie van het Europese kolonialisme ging, bleek bijvoorbeeld uit de wijze waarop in Rusland tot ver in de 19de eeuw over Siberië werd geschreven als ‘ons Mexico’, het ‘Russische Brazilië’ of ‘ons Oost-Indië’.'(P.20)
De onverwachte terugkomst van de revolutionair uit ballingschap in Siberië. Ilja Repin
'Als gevolg van Peter (de Grote)'s hervormingen in de 18de eeuw ontstonden er grote tegenstellingen binnen de Russische samenleving. Een kleine aristocratische bovenlaag had kunnen profiteren van de hervormingen en verwesterde. Daardoor vervreemdde zij steeds meer van de rest van de bevolking,die voornamelijk bestond uit ongeletterde en arme boeren-lijfeigenen. De hervormingen hadden hen alleen meer ellende gebracht en zij bleven vasthouden aan de oude Russische tradities en levenswijze. Niet alleen tussen elite en volk, ook tussen elite en staat ontstond een diepe kloof. Peter (de Grote) had de adel tot levenslange dienst aan de staat gedwongen. Toen deze verplichting in 1762 verviel, ontstonden er politieke meningsverschillen tussen de aristocratische leisure class en de eveneens aristocratische kaste van professionele bureaucraten. De verwesterlijking veroorzaakte een groeiende behoefte aan meer vrijheid en sommige edellieden begonnen de almacht van de autocratische staat en de schrijnende sociale en politieke misstanden te bekritiseren.'(p.22)
Catharina de Grote (1762-1796 aan de macht)

‘Catharina de Grote heeft tijdens haar heerschappij (1762-1796) geprobeerd dit ‘denkend deel van de natie’ voor zich te winnen door Rusland open te stellen voor de ideeën van de Franse Verlichting. De massale boerenopstand in 1772-1774 onder leiding van de Donkozak Jemeljan Poegatsjov , die vooral tegen haar bewind was gericht, deed haar echter weer terugkrabbelen tot een veel behoudener politiek. Van haar pogingen om Rusland een moderne staatkundige en maatschappelijke structuur te geven kwam weinig terecht. Catherina verloor haar enthousiasme voor verlichte idealen volledig toen bleek dat zij in Frankrijk tot een grote revolutie hadden geleid waarbij de koning werd onthoofd. Aan het einde van haar regeerperiode gedroeg zij zich als een fervent bestrijdster van westerse politieke en maatschappelijke denkbeelden en was Rusland het meest conservatieve bolwerk op het vasteland in Europa.’

'Ideeën laten zich echter moeilijk uitroeien.  De Verlichting was de eerste westerse geestelijke beweging die Rusland diepgaand heeft beïnvloed.  Dit was mogelijk omdat er tegen het eind van de 18de eeuw een aristocratische intelligentsia was ontstaan die zich, naar Europees voorbeeld, verlicht en kosmopolitisch opstelde, zich ook niet noodzakelijk met de belangen van de Russische staat identificeerde en eigen gedachten ontwikkelde over Ruslands toekomst en plaats in de wereld. De hervormingen van de 18de eeuw legden zo de kiemen voor het ontstaan van een fundamentele controverse over Ruslands nationale identiteit en de noodzaak tot een modernisering naar Europees model.'  (p 23)
A serio-comic map of Europe 1900 (klik hier om te vergroten)

Enkele belangrijke ideeën uit het boek van Janine Henriëtte Jager, ‘Tussen Rusland en Europa ‘ om het conflict tussen twee buurlanden, met Europa op de achtergrond, te benaderen. Hopen we maar dat in onze scholen en universiteiten weer dezelfde bevlogen leraars de kans krijgen om met het vak geschiedenis de toekomenden te helpen bij het begrijpen van elkaars verleden om een vredevolle toekomst te bevorderen. Niet op het slagveld wordt de toekomst beslist maar in scholen en universiteiten is het te doen met alle gevolgen vandien als het ‘gelaten’ wordt.

Dichtbij een donker Paasfeest, een kleine kruisweg

Zie je deze foto's
dan is de moeder onder de vernederde gekruisigde dichtbij.
Goede-Vrijdag.
Mannen in Moskou en waar ook ter aarde,
de donkere hemel
als triomf?
In de nacht van dit bestaan
zie onze zielen:
bevende lichtjes .
Pasen
is door Vladimir opgeëist
Welke zaak ter wereld
kan dit ontelbare sterven
verdragen?
Nooit meer thuiskomen
terwijl een man met zijn gevolg
de passie preekt.

En de hemel werd donker
Na zijn dood
was er zelfs geen graf voor hem.
Kom vanavond met verhalen 
hoe de oorlog is verdwenen 
en herhaal ze honderd malen 
alle malen zal ik wenen..  

( uit Vrede van Leo Vroman)

'Kijk, zei Merkel,
ik begrijp waarom hij dit doen moest:
Om te bewijzen dat hij een man was.'

"I understand why he has to do this", Merkel said.  "To prove he's a man."

Bij een bezoek van Merkel bracht Putin zijn hond mee 
omdat hij wist dat zij het niet voor honden had.
During one of Merkel's visits, Putin brought his dog along 
because he knew she did not like dogs.
Elkanders jeugd dragen wij ten grave.
Nooit zal het voor ons nog Pasen zijn.

Only one thing remained reachable, close and secure amid all losses: language. Yes, language. In spite of everything, it remained secure against loss. But it had to go through its own lack of answers, through terrifying silence, through the thousand darknesses of murderous speech. It went through. It gave me no words for what was happening, but went through it. Went through and could resurface, “enriched” by it all.’
(Paul Celan)

Slechts één ding bleef bereikbaar, dichtbij en veilig te midden van alle verliezen: taal. Ja, taal. En ondanks alles, bleef het veilig tegen verlies. Maar het moest door zijn eigen gebrek aan antwoorden, door angstaanjagend zwijgen, door de duizend duisternissen van moorddadige spraak. Het ging… door. Het gaf me geen woorden voor wat er gebeurde, maar ging er doorheen. Ging er doorheen en kon weer opduiken, “verrijkt” door dit alles. (Paul Celan)

Dit citaat is een onderdeel van de speech die Paul Celan gaf bij het ontvangen van de Literature Prize of the Free Hanseatic City of Bremen, in 1958.