Zwervend tussen Leonardo en Giorgione: Giovanni Agostino da Lodi

Giovanni Agostino de Lodi ‘Engel van de Boodschap’ (uit Johannes de evangelist, schrijvend)

John Augustine uit Lodi als je het hedendaagser wil laten klinken. Of zoals hij gekend was: Giovanni Agostino da Lodi. Begin maar in de kring van Bramante en Bramantino in Milaan; verhuisde daarna naar Venetië, waar hij meer dan een decennium werkte aan het absorberen van de beeldende talen eigen aan de grote meesters. In 1510 is hij terug in Milaan waar hij bijdrages schilderde voor toonaangevende bouwplaatsen zoals Sante Maria della Pace en de Certosa di Pavia.

Het eerste schilderij waarin ‘Leonardeske’ elementen de overhand krijgen, is De voetwassing, in de Galleria dell’Accademia in Venetië. Hieruit blijkt een diepgaande kennis van de stijl van de Toscaanse meester, die hij tijdens een verblijf in Milaan in 1499 had leren kennen; bij zijn terugkeer in Venetië (na de val van Ludovico Sforza in datzelfde jaar) liet hij zich door hem inspireren en met ‘De voetwassing’ maakte Leonardo zijn intrede in Venetië.

Jezus was de voeten van de apostelen, hier is Petrus aan de beurt 1500 Giovanni Agostino da Lodi, Lavanda dei piedi, 1500, Venezia, Gallerie dell’Accademia

“Hij stond van de tafel op, legde zijn mantel af en deed een linnendoek om zijn middel. Daarna goot Hij water in een kom en begon de voeten van zijn leerlingen te wassen. Hij droogde ze af met de doek die Hij om zijn middel had.”
(Johannes 13: 4-5, HTB) 

Kijk hoe de schilder de jongste apostel, Johannes, laat oplichten : Johannes vindt het maar niets dat Petrus eerst aan de beurt is, en of dat nu echt nodig was, een activiteit die meestal aan het dienstpersoneel was toevertrouwd? Of kijk naar de kleuren van hun kledij, hoe de verschillende tinten personages en atmosfeer duiden. Ze staan nog netjes op twee rijen, maar de sfeer van de bewonderde meester is zichtbaar. De enige ontspannen figuur is de naamloze schenker met krullend haar, die al de handdoek klaar legt om de voeten van Petrus af te drogen.

De Milanese opleiding van Giovanni Agostino komt tot uiting in de bijzondere aandacht voor de weergave van de gelaatstrekken en de gemoedstoestanden van de personages, die doen denken aan de stijl van Leonardo da Vinci in Het Laatste Avondmaal in het klooster van Santa Maria delle Grazie, met name in de combinatie, aan de rechterkant, van de gezichten van een peinzende jongen met krullend haar (de schenker) en een bejaarde man getekend door rimpels en melancholie. Het werk is het enige gedateerde uit het oeuvre van de kunstenaar uit Lodi – op de marmeren bank is namelijk het jaar 1500 gegraveerd – en behoort tot zijn vroege werk, dat nog beïnvloed is door de weergave van lichamen en stereometrische elementen die kenmerkend zijn voor Bramantino, maar tegelijkertijd oog heeft voor de Venetiaanse vernieuwingen, die Giovanni Agostino omarmt door de warme, vloeiende tinten van Giorgione over te nemen.

In dit kleine schilderij ’Sint-Petrus en Sint-Johannes de Evangelist’, dat wordt bewaard in de Pinacoteca di Brera (zijn enige gesigneerde werk), zijn Lombardische elementen te herkennen, afkomstig van Bramantino en Leonardo da Vinci, maar ook Duitse invloeden in de details (men veronderstelt dat hij Jacques de Barbary zou hebben ontmoet en dat deze hem kennis zou hebben laten maken met de kunst van Dürer, die in 1494 en 1506 in Venetië verbleef). Kunsthistoricus Giulio Bora betwijfelde of het onderwerp van het schilderij deze twee heiligen was, maar na een restauratie in 2007 is men er nu van overtuigd dat dit werk een andere titel zou moeten hebben. De volgende inscriptie in het Latijn en het Italiaans werd ontdekt: „Il maestro non vietava minimamente che il giovane pittore lo superasse.” oftewel „De meester verbood de jonge schilder geenszins om hem te overtreffen”. Het gaat dus om een eerbetoon van Giovanni Agostino aan de meester Leonardo da Vinci.

De heilige Maagd en Kind omgeven door heiligen (1492) (Kerk van de heilge Kristoffel Murano, San Michele eiland Venetiaanse omgeving

Zijn kunst kenmerkt zich door een unieke vormentaal en een bijzondere aandacht voor de natuur en het landschap, die hij weergeeft met penseelvoeringen vol harde effecten en spanning. Zijn stijl is onmiddellijk extravagant en anti-klassiek en komt duidelijk tot uiting in werken zoals de Pala dei Barcaioli in de kerk van San Pietro Martire in Murano, die kan worden gedateerd in het midden van het laatste decennium van de 15e eeuw: naar het voorbeeld van andere Venetiaanse kunstenaars, sacrale voorstellingen met een bewuste durf in het gebruik van het perspectief. (zie hierboven)

Kijk naar het schilderij hierboven. Het blauw van Maria’s mantel is een aloude traditie. In de tijd van Lodi was het ook al gebruikelijk geworden om het kind naakt af te beelden en Sint-Joris in een harnas te tonen. De draak is echter ongebruikelijk: een gedrongen wezen met een uiterst berouwvolle blik op zijn gezicht. (aan de voeten van de geharnaste Sint- Joris)

Ook het portret van Johannes de Doper wijkt enigszins af van het gebruikelijke. Het onderkleed is met de harige kant naar binnen gedraaid. Het rood van zijn mantel is een veelvoorkomend kenmerk in zijn portretten, maar het is wellicht veelzeggend dat het zo levendig is en dat het terugkomt in de linten van Sint-Joris, de mantel van de Madonna, het hemd van de putto op de sokkel en sommige delen van het gewaad van de bisschop links. Zelfs de putti boven de Madonna hebben rode vleugels. Het wijzende gebaar van Johannes leidt de aandacht gewoonlijk naar Christus, maar hier lijkt hij naar Sint-Joris te wijzen, met zijn rode kruis. Het rondel op de kleine sokkel tussen de bisschoppen toont Sint-Christoffel die het Christuskind draagt. Christoffel was de naamgever van de kerk waarvoor dit schilderij werd gemaakt.

Accademia – Madonna con il Bambino e SS.Simeone e Girolamo Cat.605

Giovanni Agostino onderscheidt zich door de eigenheid van zijn stijl en zijn bewegingen tussen Lombardije en Veneto, en wordt zo een van de belangrijkste bronnen voor de verspreiding van de Milanese vernieuwingen in Venetië. Zo ontstond zijn persoonlijkheid onder de naam Pseudo-Boccaccino, een anonieme schilder uit de Lombardische cultuur die in het laatste decennium van de 15e eeuw actief was.

Madonna met kind met de heilige Catherina en een andere heilige

Met de donkerende dagen en de net zo donkere wereld is het verlangen naar zacht licht bijna vanzelfsprekend. Ook in de rumoerige eeuw van Giovanni Agostino da Lodi was dat heimwee voelbaar en kreeg het gestalte in dit mooie doek. Twee herders (-je vindt de schapen en andere herders op de achterliggende heuvel-), een engel met instrument, een vrouw en een man en waar aller ogen op gericht zijn, bijna op de kille grond liggend, een kind. Het is nog vroeg in de morgen, of zou het een zachte avond zijn?

De Aanbidding van de Herders (na 1510)

Giovanni Agostino da Lodi. ‘Johannes de evangelist; schrijvend. 1550

Nog even
en je voelt
hun adem
terwijl je kijkt.
Ook muziek
komt los van blad en beeld
vijfhonderd jaar is een zuchtje ver

Alles verhaalt: werk en wereld van Daniela Danz (°1976)

sunlight on frescoes in church
close up shot of a butterfly on a lavender
Photo by David Fantin on Pexels.com

Mythos

Die Erzählungen der Ameisen auf ihren Pheromon Gleisen,
die Erzählungen der Bienen in ihren Schwänzeltänzen,
die Erzählungen der abgeknickten Zweige eines Wildwechsels,
die Erzählung der Entwurzelten, der morschen, der von Kerfe durchfurchten Buchenstämme,
die Erzählung der Wolken und des Lichts,
die Erzählung der wandernden Schatten im Sand,
die Erzählung des Nieselregens im Wasser,
die Erzählung der Falten, meiner Hand, der Tonlage meiner Stimme,
die Erzählung des Blicks, mit dem du die Welt betrachtet,
die Erzählung der Welt, ohne dass du sie anschaust.
Weiter und weiter erzählt sich die Welt noch lange, nachdem du und ich und keiner, den wir kannten, mehr zuhört.

Daniela Danz. “Wildnis”

Mythe

De verhalen van de mieren op hun feromoonpaden,
de verhalen van de bijen in hun kwispeldansen,
de verhalen van de afgebroken takken langs een wildpad,
het verhaal van de ontwortelde, de verrotte, de met inkepingen doorboorde beukenstammen,
het verhaal van de wolken en van het licht,
het verhaal van de ronddwalende schaduwen in het zand,
het verhaal van de motregen in het water,
het verhaal van de rimpels, van mijn hand, de toon van mijn stem,
het verhaal van de blik waarmee je naar de wereld kijkt,
het verhaal van de wereld, zonder dat je ernaar kijkt.
De wereld blijft zich maar doorvertellen, lang nadat jij en ik en niemand die we kenden- er nog naar luistert.

shards of a broken mirror held by a young woman
Photo by Kağan Karatay on Pexels.com

Uur Nul: Loop
 
De lindeboom heeft al zijn bladeren verloren
en van de zomer is niets meer over dan
de wens om het hoofd van het Oude Duitsland
nog één keer de kop te kroelen
en te beloven dat zijn kleinkinderen
het beter zullen onthouden – wat heb je aan een gedicht
wanneer de steeds hoger wordende berg van dingen
ons dwingt om een signaal te geven door te jodelen.

Zero Hour: Loop
The linden tree has lost all its leaves
and nothing is left of the summer but
the wish to stroke Old Germany’s 
head one more time 
and to promise that its grandchildren
will remember better—what is the use of a poem 
when the increasing mountain of things
compels us to signal by yodeling.

vertaling naar het Engels: Monika Cassel

traditional bavarian musicians performing at oktoberfest
Photo by Bastian Riccardi on Pexels.com

Wir leben-Wir sind für alles

Wie geht anfangen wie geht
erinnern ohne zu vergessen
vor mir im Schnee ein Mann
sein Rücken einsam düster
wie geht anfangen nicht erinnern
Lichtblitze die ihm als Junge Bilder
zeigten kurz und grell sieh im Licht
die Schatten wie geht nicht erinnern
horch das Zischen sieh das Licht
und Deutschlands Leichtigkeit
wie hell ist Deutschland wie Ruß
wie Bilder kurz und grell wie geht
Anfangen riech den Schnee
er ist neu gefallen in der Nacht
im Dunkeln geht vergessen
in Bildern kurz horch den Schnee
ganz leicht liegt er wie Leinen
etwas brennt ein Zischen düster
wie Bilder nachts an Wänden horch
das Zischen riech den Brandgeruch
sieh das Ruß auf weißem Grund

© Wallstein Verlag
Aus: V. Gedichte. Göttingen: Wallstein Verlag, 2014

Wij leven – Wij zijn voor alles

Hoe is beginnen, hoe is
herinneren zonder te vergeten
voor mij in de sneeuw een man
zijn rug eenzaam donker
hoe is beginnen niet herinneren
Lichtflitsen die hem als jongen beelden
toonden kort en fel zie in ’t licht
de schaduwen hoe is dat niet herinneren
hoor het gesis zie het licht
en Duitslands lichtheid
hoe licht is Duitsland als roet
als beelden kort en fel hoe is
beginnen riek de sneeuw
hij is ’s nachts vers gevallen
in het donker gaat vergeten
in beelden vlug luister naar de sneeuw
heel licht ligt hij als linnen
iets brandt een duister sissen
als beelden ’s nachts op muren hoor
het sissen riek de brandlucht
zie het roet op witte achtergrond.

crumbling brick wall ruin in lush greenery
Photo by Mariia Stepanova on Pexels.com

Masada

Als je dan staat waar het stil is, zodat je
het merkt wanneer het denken ophoudt en
het horen begint, wanneer het horen ophoudt
en het zien begint, wanneer een vogel
vliegt, wanneer je als een zwarte vogel zweeft
en schreeuwt, wanneer je begint te spreken
in de heldere lucht en over niets anders
kunt spreken dan over het licht, alsof dit het eerste
licht was, wanneer je een schaduw op de rots
werpt en zegt: mijn schaduw blijft
en de rots verdwijnt, wanneer het voor nu waar is
dat het goed is om alles op het spel te zetten,
dan kun je de woestijn bij naam noemen.

Masada

Wenn du dann stehst wo es still ist dass du

es merkst, wenn das Denken aufhört und

das Hören anfängt wenn das Hören aufhört

und das Sehen anfängt wenn ein Vogel

fliegt wenn du als schwarzer Vogel gleitest

und schreist wenn du zu sprechen ansetzt

in der klaren Luft und von nichts sprechen

kannst als dem Licht so als wäre es das erste

Licht wenn du einen Schatten auf den Fels

wirfst und sagst mein Schatten bleibt

und der Fels vergeht wenn für jetzt wahr ist

dass es gut ist den ganzen Einsatz zu wagen

kannst du die Wüste mit Namen nennen
``

Masada komt van het Hebreeuwse woord metsada en betekent "vesting" of "burcht". Het verwijst naar een historische rotsfort in Israël bij de Dode Zee, dat bekend staat als symbool van moed en de laatste Joodse opstand tegen de Romeinen. 
photo of man on the dessert during daylight
Photo by FAICAL Zaramod on Pexels.com

Bio:

Zij werd in 1976 in Eisenach geboren en woont in Kranichfeld. Ze studeerde kunstgeschiedenis en Duitse taal- en letterkunde in Tübingen, Praag, Berlijn, Leipzig en Halle en promoveerde op een proefschrift over de bouw van ziekenhuiskerken tijdens de Weimarrepubliek. Sinds 2002 is ze freelance schrijfster en kunsthistorica. Ze werkte meerdere jaren als inventarisatrice van kunstcollecties voor de Evangelische Kerk in Midden-Duitsland. Van 2013 tot 2020 stond zij aan het hoofd van het Schillerhaus in Rudolstadt. Sinds 2021 is zij directeur van de nationale wedstrijd „Demokratisch Handeln“, vicevoorzitter van de Academie voor Wetenschappen en Literatuur in Mainz en sinds 2022 lid van de Beierse Academie voor Schone Kunsten.

Bezoek haar website:

“Mijn inspiratiebron is nog steeds de fundamentele vraag die ik als tiener had: in welke samenleving wil ik leven en in welke samenleving leef ik? Daaruit vloeien alle vragen voort die mij echt bezighouden. Dat is voor mij ook het meest persoonlijke. Niet zozeer liefdesgedichten, waarvan ik er nauwelijks heb geschreven, maar echt deze vraag over de samenleving en hoe die zou moeten zijn; daaruit komen alle thema’s voort. In mijn eerste bundel (= Serimunt, 2004) ging het over Oost- en West-Duitsland, in de tweede bundel (= Pontus, 2009) ging het over Europa, waar de grenzen van Europa eigenlijk liggen en wat dit Europa nu is. In de derde (= V., 2014) ging het om wat thuis, vaderland en grenzen überhaupt betekenen en in de vierde (= Wildniß, 2020) om hoe een samenleving zowel met haar natuur omgaat – met wat ze daar aan natuurlijke omgeving heeft – als met zichzelf. In Wildniß rijst ook de vraag hoe de samenleving omgaat met de wildernis tussen de mensen, met de spanning tussen beschaving en wildernis. In het proza heeft het meer te maken met politieke zaken.” (Rezensöhnchen 2024)

“Alexius” is een gedicht van Daniela Danz uit haar dichtbundel Portolan. Het is gewijd aan de legendarische figuur van de heilige Alexius (Alexius van Edessa) uit het oude Turkije en belicht zijn radicale vervreemding van de wereld en zijn pijnlijke terugkeer naar huis.

Hier staat de ‘drift’ symbool voor de drukte van het leven binnen de conventies, in overvloed en in blindheid. De rondrennende ‘bewoners’ – dat zijn de familie van Alexius en zijn vrouw – lopen dwars door hem heen.

Daarna gaat de zin zonder komma en als het ware ademloos verder. Alexius wil snel verder. Want op dit punt loert een pijn die zelfs de heilige niet zomaar wegstopt. Zijn vroegere dierbaren herkennen hem niet meer. En dat niet alleen vanwege zijn baard of de bedelaarskleren. Ze kunnen hem niet herkennen, de heilige die uit hun wereld is verdwenen.

En zo raakt de heilige Alexius, die 17 jaar in eenzaamheid heeft doorgebracht, in een onrustige overpeinzing. Hij is terug en toch niet echt aanwezig. Was hij er dan überhaupt ooit? Heeft hij er misschien nog nooit echt bij gehoord? Of is hij vandaag de dag iemand anders dan degene die hier ooit opgroeide? Hoe dan ook, de thuisgekomen man is hier niet thuis, want de heilige is niet de zoon, erfgenaam en bruidegom, en hij kan dat ook niet ‘nog eens worden’. Of dit toch de stille hoop was die Alexius terugbracht, blijft in het gedicht even open als in de verschillende versies van zijn legende.

Alexius

op de muur nog een restje zon van gisteren
en vandaag al sneeuw
ik was zo lang niet thuis
en toen ik eindelijk terugkwam kraakte de deur
alsof zij het mij niet vergeven kon

de vork viel op de grond
de wind bladerde de boeken alleen door
het kussen droomde zich de wereld uit

in de stroom van de dag lopen de bewoners
door mij heen, ik moet verder
misschien was ik nooit daar
misschien moet er tijd verstrijken
voordat ik weer word wie ik was

Daniela Danz

cozy interior with sunlit window curtains
Photo by Anna Danilina on Pexels.com

De zonnewagen, verteld door Ovidius Naso (slot)

close up of wheat at sunset
Photo by Viktoria Emilia on Pexels.com

Maar Moeder Aarde-ingesloten door de Oceaan,
terwijl veel zeeën en rondom geslonken waterstromen
reeds waren terug gekropen in haar donkere moederschoot-
hief dorstig haar tot aan de hals geschroeid gelaat ten hemel,
beschermde met een hand haar blik en deed haar lichaam met
een zware trilling schudden, toen bedarend, lag ze dieper
dan ze normaal lag, en haar stem klonk plechtig, toen ze sprak:

Als dit dan moet, als ik dit heb verdiend, waarom dan niet door
uw bliksems, Jupiter? Als ik moet sterven door het vuur,
laat mij dan sterven in uw vuur dat zou mijn dood verzachten.
Maar ik… ik krijg nauwelijks deze klanken uit mijn keel…!”
-haar stem werd door de rook verstikt- ‘zie mijn verschroeide haren,
zie in mijn ogen al die as, as tot in mijn mond!
Is dit de prijs die gij mij gunt, het loon voor al mijn zwoegen
en vruchtbaarheid? Voor ’t feit dat ik voortdurend wonden voel
van en en kromme ploeg, en dat ik ieder jaar bewerkt word,
groenvoer laat groeien voor het vee en voor het mensenras
het milde graan? En dat ik u, de goden wierook lever?
En stel dat ik zo’n ondergang verdiend heb -wat dan nog,
wat heeft de zee, uw broer, misdreven? Waarom wijkt het water
dat hem door’t lot werd toegedacht, steeds verder van de hemel?
Maar als u zich niet om uw broer bekommert noch om mij,
denk dan toch aan uw eigen hemel, kijk toch om u heen!
De beide polen branden al! Als zij door ’t vuur verzwakt zijn,
stort ook uw hemelwoning in! Zie Atlas, hoe hij zwoegt!
Als alles wordt vernietigd, aarde, zee en hemelrijk,
zijn wij weer terug bij Chaos, in de oertijd. Red wat nu nog
uit ’t vuur te redden valt, en denk toch om uw koninkrijk!’

Hier zweeg de Aarde want zij kon de hete lucht niet langer
verdragen en niet verder spreken. Ze verborg haar hoofd
binnen zichzelf, in diepe grotten, dichtbij de doden.

Gustave Moreau (1826-1898), De val van Phaëthon (1878), aquarel, hoogtepunt en potlood op papier, 99 x 65 cm, Musée du Louvre, Parijs. Wikimedia Commons.

In Gustave Moreau’s schitterende aquarel The Fall of Phaëthon (1878) is alles oranje aan het schroeien. De zonnewagen staat net op het punt neer te storten, Phaëthon is in nood in de strijdwagen, en de paarden trappelen in totale wanorde. Phoebus Apollo, getoond in een van zijn voorstellingen als een leeuw, achtervolgt de strijdwagen in paniek, en een enorme slangachtige basilisk of draak stijgt op van de aarde. Links wordt de maan getoond die net over de horizon gluurt, en de bliksemschicht van Jupiter vliegt naar beneden om Phaëthon te treffen. (Het Eclectische Lichtbedrijf geen AI)

Terwijl ik deze slotaflevering samenstel woeden in eigen land moeilijk blusbare branden in de Hoge Venen. Dichterbij de werkelijkheid kan ik je niet brengen.

Je voelt het bij elke zin. De ‘grote Baas’, Jupiter moet ingrijpen. En zeg nooit meer dat Latijn een ‘dode taal’ zou zijn!

-hij klom naar ’t punt
vanwaar hij altijd wolken uitzendt over wijde landen
vanwaar hij donder dreunen laat en bliksemschichten richt.
Maar nu ontbraken wolken om de aarde te bedekken,
nu kon hij ook geen regen sturen uit de lucht, maar wel
gaf hij een donderslag en met één goedgerichte bliksem,
dicht langs zijn rechteroor, schoot hij de wagenmenner van
zijn wagen af, het leven uit, en deed met felle vuurschicht
het andere vuur vergaan…

Phaëton zelf stort neer, terwijl het vuur nog rondraast in
zijn rosse haardos; in een grote boog , dwars door de lucht,
schiet hij omlaag, zoals een ster uit onbewolkte hemel
niet echt omlaag valt, maar de schijn kan wekken dat zij valt;
en ver van huis vangt de Erdanus, hoofdstroom in’t westen
hem in zijn water op en wast het roet van zijn gezicht.
De waternimfen van het Avondland leggen zijn lichaam,
nog smeulend van de bliksem, in een graf. Het grafschrift luidt:
‘Dit is het graf van Phaëton, de Zonnewagenmenner,
hij was te klein en stortte neer, zijn waagstuk was te groot.

Jacopo Tintoretto (c 1518-1594), Fall of Phaëthon (1541-42) (E&I 18), olieverf op paneel, afmetingen niet bekend, Galleria Estense, Modena, Italië. Afbeelding door Sailko, via Wikimedia Commons.

De vader, fel gepijnigd door verdriet, had met een sluier
zijn hoofd bedekt, en als het waar is wat men zegt, dan is
er één dag zonder zon geweest. Die dag hebben de branden
voor licht gezorgd. Zo had de hele ramp nog enig nut.
Nadat zijn moeder Clymene alles wat men bij zulke
rampen kan zeggen had gezegd, ging zij bedroefd, verdwaasd
haar kleed gescheurd in rouwbeklag, de hele wereld door,
eerst zoekend naar het dode lichaam, toen naar beenderen
en vond de beenderen, maar wel op een verre kust begraven.
Zij knielde bij die plek, plengde haar tranen op de steen,
waar zij zijn naam in las en die zij aan haar boezem drukte.

Wood Engraving, 19Th Century, After The Painting By Cornelisz Van Haarlem.

En verder? Vertellen we nog dat de zussen van Phaëton in barnsteen-bomen werden veranderd, een vrij pijnlijk gebeuren. De boomschors overdekte hun laatste woorden en sindsdien vloeien hun tranen als een vocht dat tot barnsteen stolt en als sieraad voor Latijnse meisjes wordt meegenomen.
Zijn vriend Cycnus verandert al rouwend in een soort vogel die zich ver van Jupiters hemel houdt, denkend aan zijn snelle vuur, zijn hals rekt uit en hij kiest zijn nest bij stromen die vuur-vijandig zijn. Een zwaan dus.
Daarna wil de zon niet meer schijnen.
’t Is genoeg, zegt hij van in het begin heb ik geen rust gekend.
Hij biedt de hemel zijn ontslag aan.
En als niemand nog met de zonnewagen wil of durft moet Jupiter het maar zelf doen.
(en je hoeft daarom nog niet te sterven als je de wagen slecht ment!)

Aldus zijn woorden. Alle goden vormen om de zon
een kring en smeken hem om asjeblief niet alles duister
te maken. Jupiter biedt zelf excuus aan voor het werpen
van bliksems, maar als opperheerser weet hij ook te dreigen.
Dan spant de Zon zijn dolle en nog steeds spichtige
paarden weer in en zweept er fel op los, bedroefd en razend
want in zijn razernij verwijt hij hen Phaëtons dood.

Een bekende redenering. Jupiter inspecteert de wereld en als hij ziet dat alles nog stevig en hecht is onderzoekt hij ook de aarde en de bouwsels van de mensen.

…Maar zijn grootste zorg geldt toch zijn eigen landstreek, Arcadië: bronnen, rivieren, zelf nog angstig om te stromen brengt hij weer op gang. En hij geeft het land weer grassen, bomen, loof, het aangetaste bos weer nieuwe kracht. Er komt nog een avontuurtje van Jupiter met Callisto maar zij wordt na het gedoe met ‘de grote dondergod’ door zijn ega in een beer veranderd.
Bijna wordt ze door haar eigen zoon Arcas gedood, maar zo ver laat Jupiter het niet komen. Hij laat hen beiden ‘vervoeren’ door de wind en geeft ze voor altijd een plaats aan de sterrenhemel. De Grote en de Kleine Beer. (Zij kan zich wel nooit meer baden want de Grote Beer gaat nooit onder in de zee!)

Vertaling van Ovidius Metamorphosen, M/ d’Hane-Scheltema. Atheneum Polak A’dam. 27-28ste druk. 2026

Muzikaal ook vertaald door Camille Saint-Saëns Opus 39 Phaéton 8’24”

De zonnewagen, verteld door Ovidius Naso (2)

golden sunset with silhouetted grass blades
Photo by Alban Mehmeti on Pexels.com

Ver moet je haar niet zoeken, de zon. Zij is deze dagen duidelijk aanwezig. (geweest)

In het Nederlands is zij vrouwelijk: De zomerzon is in het Nederlands een vrouwelijk zelfstandig naamwoord. Het is een de-woord, en hoewel het in het dagelijks spraakgebruik vaak wordt verward of onzijdig lijkt, wordt het traditioneel en in woordenboeken aangeduid als vrouwelijk. ANW (Algemeen Nederlands Woordenboek)

In Ovidius’ verhaal is de zon mannelijk. Hij is een God. Helios. En zijn zoon Phaëton wil hoe dan ook met de zonnewagen rijden die dagelijks gemend zijn pa Helios van de morgen naar de avond brengt. De gevleugelde paarden wachten ongeduldig onwetend dat Phaëton de zonnewagen zal besturen.

Intussen blazen Pyroïs en Eoüs en Aethon,
de vleugelpaarden van de Zon met Phlegon, nummer vier,
vlammend gehinnik uit, hun hoeven beuken aan het hek.
Als Thetys dat geopend heeft -niets wetend van het lot
van Phaëthon, haar kleinzoon -, als het wijde luchtruim lokt
kiezen zij snel hun pad; hun benen trappend door de lucht
en dwars door ’t hangend wolkendek, omhoog gevoerd op vleugels
jagen ze langs de wind die uit hetzelfde oosten blaast.
Maar het gewicht was licht. Het Zonnespan kon niet herkennen
wat het gewoonlijk voelde en het juk kreeg minder druk.
Zoals gewelfde schepen zonder juist gestuwde ballast
onzeker over zee gaan bij gebrek aan stevigheid,
zo mist de wagen zijn gewoon gewicht en gaat met sprongen
de lucht door, schokte omhoog, omlaag en lijkt wel onbemand.
Het vierspan voelt het, maar stuift voort, het laat de karrensporen
voor wat zij zijn, en loopt niet met de oude regelmaat.
De jongen schrikt, niet wetend wat hij met de teugels aan moet
noch waar de weg loopt, en dan nog…hoe stuwt hij hen daarheen?
Dit was nog nooit gebeurd
.

Phaeton
Agostino Veneziano (Agostino dei Musi) Italian
Designed(?) by Raphael (Raffaello Sanzio or Santi) Italian
ca. 1514–36

Ovidius heeft niet dadelijk een extra breed filmscherm nodig om ongeziene rampen in beeld te brengen. Het is ons allen bekend: ach was ik maar…En had ik maar nooit…Ook tweeduizend jaar geleden beseften stervelingen dat tussen willen en kunnen vaak onoverbrugbare afstanden liggen. Dat wat ons moet gidsen spookgestalten blijken en wat wij vreesden gebeurt: ‘Ook de aarde brandt, grasvlakten worden as, geboomte vlamt met loof en al, het droge veldgewas zorgt brandend voor zijn eigen brandstof.’

Ja toen…had hij maar nooit de Zonnepaarden aangeraakt,
nooit naar zijn afkomst willen vragen, nooit zijn zin gekregen!
Hij wil weer Menops zoon zijn, maar nu wordt hij meegesleurd
gelijk bij snelle noorderstorm een schip waarvan de stuurman
het roer laat gaan; goden en bidden zijn zijn laatste hoop…
Wat moet hij doen? Een groot stuk lucht ligt achter hem, maar voor hem ligt nog veel meer.

Hij schat de afstand van elk werelddeel,
kijkt naar het westen voor zich uit- hij zal het door het noodlot
niet meer bereiken-, kijkt ook naar het oosten achter zich.
Verlamd , niet wetend wat te doen, kan hij geen teugels vieren
noch strakker houden en de paardennamen kent hij niet.
Ook ziet hij rondom in de sterrennacht vreemde gestalten,
angstig ontwaart hij diergedaanten van enorm formaat.

Hij komt vlak langs de Schorpioen die daar zijn beide scharen
in holle bochten uitzet om met kromme armen én
zijn staart een breedte van twee sterrenbeelden in te nemen.
De jongen ziet hoe hij een sap met donker gif uitzweet
en zich gereedmaakt met zijn kromme angel toe te steken,
en laat, verstijfd van angst, geheel van streek, de teugels gaan.
Als die de paardenruggen raken en daar blijven liggen,
schieten de dieren opzij; nu zonder mensenhand,
gaan ze door onbekende luchtstreek, stuiven zonder richtlijn
waarlangs hun vaart hen meeneemt, botsend tegen de sterren aan,
hoog aan het hemeldak, sleuren de wagen waar geen weg is,
rennen nu eens omhoog, storten zich dan weer steil omlaag,
afgronden in die steeds meer dichter bij de aarde liggen,
zodat de Maan verbaasd is dat de paarden van haar broer
onder de hare langsgaan, en de wolken zwart geschroeid
gaan roken. Ook de aarde brandt, althans haar hoogste toppen,
de grond splijt scheurend open, door dat het vocht verdampt,
grasvlakten worden as, geboomte vlamt met loof en al,
het droge veldgewas zorgt brandend voor zijn eigen brandstof.

John Gibson Reliëf van Phaëton die de zonnewagen bestuurt. (marmer)

En, schrijft Ovidius, dit zijn dan nog de kleine klachten.
‘Grote steden gaan met muur en al teloor.
Het vuur doet landen met hun volken geheel tot as vergaan.
Bergen met bossen branden kaal.’

Hij noemt ze dan met naam, zelfs de berg der Muzen, de wieg van Orpheus.

Zo ziet Phaëton een aarde die langs alle kanten in brand staat. Tegen zoveel hitte is hij niet bestand. En zelfs de rivieren waren niet veilig, want de rook steeg uit de Don omhoog, en ook zij worden met naam en/of toenaam genoemd.
‘De Nijl was in paniek en is naar ’t eind der wereld weggevlucht, waar hij zijn hoofd tot heden toe verborgen houdt;’ (de bronnen van de Nijl bleven tot in de 19de eeuw onvindbaar)
Ook de zeeën trekken zich terug, een vlakte van droog zand vervangt wat water was.

‘Het hele aardvlak splijt uiteen, het licht dringt door de spleten
de Hades binnen en verschrikt het koningspaar der doden.’

Tijd voor moeder Aarde! Lees haar tussenkomst in een volgende aflevering om deze metamorfose af te ronden.

De zonnewagen van Trundholm (CC BY-SA 3.0 – Nationalmuseet – wiki)

De zonnewagen, verteld door Ovidius Naso (1)

silhouette of grass against the sunset
Photo by San Photography on Pexels.com

In de luwte, dat wel, de tweede metamorfose van Publius Ovidius Naso (43 voor Chr.-17 na Chr.) gelezen, “Het huis van de Zon”.

“De heerserswoning van de Zon stond op gestrekte zuilen,
hoog, schitterend door goud en vuuruitstralend koperwerk.
glanzend ivoor bedekte tot de top de gevelvelden
en dubbele zilveren deurpanelen straalden in het licht..”


…volgt dan de beschrijving van wat de goden-smid Vulcanus in zijn vurige smidse had gehamerd tot na al dat moois de zoon van de Zon (Helios) thuiskomt, Phaëton. Niet te dichtbij want daar was de lichtgloed niet te verdragen.

“…Daar, gehuld in purperrode mantel
en op een zetel stralend van smaragden zat de Zon.
En links en rechts stonden de Dag, de Maand, het Jaar, de Eeuwen,
de Uren met gelijke tussenruimten opgesteld.’

Ja, Phaëton was een beetje bang, schrijft Ovidius, een vader met allesziende ogen en op de vraag wat hij kwam doen brengt de sluwe jongen dadelijk zijn afkomst in het midden. Hij wil een bewijs van Helios’ vaderschap., Verlos mij asjeblief van elke twijfel. Dus mag hij vragen wat hij wil, en inderdaad, het kind vraagt een ritje met vaders Zonnewagen te mogen rijden.

Helios en zijn zonnewagen (CC BY-SA 4.0 – British Museum – wiki)

Helios kan niet weigeren, maar wel waarschuwen.

‘Je bent een mens maar wat jij wenst in niet meer menselijk.
Je reikt in je onnozelheid naar meer dan wat zelfs goden
ooit kunnen krijgen. Iedereen mag doen naar eigen dunk,
maar niemand heeft de kracht de Zonnewagen te besturen
behalve ik! Zelfs onze heerser op de Olympus berg,
die zo vervaarlijk woest met bliksems slingert, kan mijn w
agen
niet mennen, en wie is nu machtiger dan Jupiter?”

De bezorgde vader beschrijft zelfs het traject, het eerste stuk, dan het midden en tenslotte het laatste dat snel daalt.

Bedenk ook dat hemel in constante wenteling
rondjaagt en hoge sterren meevoert naar een snelle draaiing.
Ik zwoeg daarentegen , die maalstroom overheerst mij niet
gelijk de rest, ik rijd mijn baan dwars door hun snelle omgang.
Nu stel, jij krijgt mijn wagen. Wat te doen ? Kun jij de draai
der polen langsgaan zonder dat de snelle as je meesleurt?
Dacht je dat daar het lustoord van de goden is
en heilig bosgebied met tempels rijk aan offeranden?
Het is een weg vol hinderlagen tussen monsters door
en zelfs al blijf je in de baan en hou je goede richting
toch zul je een gehoornd tegenstander als de Stier
ontmoeten, en de Schutter, en de Leeuw met felle kaken;
en ook de Schorpioen die wijd zijn scherpe scharen kromt;
daarna de Kreeft, heel anders maar met even scherpe scharen…
En dan mijn snelle dravers, vurig door die vlammengloed
die ze vanbinnen kweken en uit mond en neusgat blazen,
kun jij nooit teugelen: wanneer hun fel gemoed echt kookt,
dulden ze mij al niet en rukken koppig aan de teugels.

Helios op zijn zonnewagen – Hans Adam Weissenkircher

En ja, Phaëton krijgt de zonnewagen. Elk uitstel is tevergeefs, elke vaderlijke raad nutteloos. De wagen door Vulcanus zelf gemaakt, met gouden as en gouden distel, en rondom de wielen velgen van goud waarin een rij van zilveren spaken blinkt, topazen langs het juk en lange rijen edelstenen. Mooi hoe dan de noodlottige morgen wordt beschreven.

Als Phaëton heel zelf verzekerd, vol bewondering
dit pronkstuk aanziet, heeft Aurora -altijd vroeg ontwaakt-
de purperen poorten van de rozenzaal in’t lichtend oosten
opengezet. De sterren vluchten heen, met Lucifer
als achterhoededrijver, als ook hij, de laatste ster,
naar de aarde afdaalt en de zon hem ziet , en ziet hoe rood
de wereld kleurt en hoe de bleke Maan haar sikkel kwijtraakt
-zo lijkt het- , geeft hij aan de snelle Horae opdracht om
de paarden in te spannen. De godinnen halen schielijk
de vuurspuwende dieren, die zich bij de hoge ruif
voeden met ambrozijn, en doen het rinkelende tuig om.
De vader heeft zijn zoons gelaat met goddelijke zalf
bestreken om het te beschermen tegen felle hitte,
heeft hem de stralenkrans op’t hoofd gezet en diep bezorgd
met zuchten die verdriet voorspellen, eenmaal nog gesproken.
‘Misschien dat je nu toch luistert naar dit wederwoord…

Wees zuinig met de zweep, gebruik je krachten voor de teugels

Weldra deel 2 en slot

Bust of the sun-god Helios, second century AD; the holes were used for the attachment of a sun ray crown, Ancient Agora Museum, Athens, Greece.
George E. Koronaios – Own workhttps://en.wikipedia.org/wiki/Helios#/media/File:Bust_of_the_sun-god_Helios._2nd_cent._A.D.jpg

De vertaling van deze ‘metamorfose’ is van M’ d’Hane-Scheltema ‘Ovidius Metamorphosen’ Atheneum Amsterdam 27-28ste druk 2026

Lees over dit onderwerp onze aflevering:

Reisgezel (5) Carl Wilhelmson 1866-1928

Kerkgangers in een boot (1909) Stockholm National Museum Klik op onderschrift om e vergroten

Leek het even dat hij de weg van de lithografie zou opgaan toen hij in 1881 als leerling-lithograaf begon bij Meyer & Köster in Göteborg waar hij als tekenaar werkte, maar het was met dat salaris dat hij ook nog eens vier semesters lang avond- en weekendlessen kon volgen bij de school voor Design en Ambacht. Later werd Wilhelmson fulltime student aan de Valand Academie onder de vooraanstaande schilder Carl Larsson. Op aanbeveling van Larsson en het bedrijf Meyer & Köster ontving Wilhelmson in 1888 een reisbeurs van de Handels- academie om zijn blik te verruimen. Hij gebruikte deze voor een uitgebreide studiereis naar Leipzig.

Met zijn eigen spaargeld reisde hij vlak voor het Nieuwjaar van 1890 vervolgens naar Parijs, waar hij een aantal jaren woonde en atelier volgde bij Paul Sérusier en Maurice Denis in de Julian Académie. met uitzondering van de zomermaanden, dan keerde hij steevast terug naar zijn ouderlijk dorp, het vissersdorpje Fiskebäckskil.

In de dorpswinkel. 1896

Dat Wilhelmson al op jonge leeftijd artistieke aanleg toonde, was niet zo vreemd, want zijn vader tekende graag boten en kustlandschappen. Hij overleed echter bij een schipbreuk toen Wilhelmson slechts negen was. Zijn moeder opende een winkeltje om in het dagelijks onderhoud te voorzien.

In Parijs werkte hij als reclame-illustrator, zoals blijkt uit enkele bewaard gebleven schetsboeken. Maar er is weinig bekend over zijn jaren tot 1896, toen hij definitief naar Zweden terugkeerde. Nadat hij in 1896 naar Göteborg was verhuisd, werd hij door Pontus Fürstenberg, de financier van de Valand Schilderschool, uitgenodigd om directeur van de school te worden. Hij hield die functie tot 1910, daarna richtte Wilhelmson zijn eigen kunstacademie op in Stockholm en gaf daar zeventien jaar les, van 1911 tot aan zijn dood.
De route die Carl Wilhelmson aflegde, is vergelijkbaar met die van andere artistieke landgenoten. Veel kunstenaars kozen ervoor om Zweden in hun jonge jaren te verlaten om op het continent te studeren, te werken en inspiratie op te doen. Geleidelijk aan nam heimwee de overhand, net als de fascinatie voor alles wat het Zweedse thuisland te bieden had.

”Vermoeid’. 1898. 1898; Oil on canvas; Nationalmuseum, Stockholm; 115 x 90 cm.
In de Studio. 1912. Private Collection. 118 x 128cm

Op de kunstacademie van Carl Wilhelmson werd Mollie Faustman de „massière” van de school, degene die de orde handhaafde, en zij werkte jarenlang nauw samen met Wilhelmson. In de monografie van Axel Romdahl over Carl Wilhelmson beschrijft Mollie Faustman hem als volgt: „ Het meest kenmerkende aan Carl Wilhelmson als docent was misschien wel zijn voorzichtigheid, zijn angst om de leerling in diepere zin te beïnvloeden. Hij was er vast van overtuigd dat ieder mens iets unieks heeft dat hem of haar van alle anderen onderscheidt en dat hij of zij daarom, als hij of zij als kunstenaar in staat is om deze eigenheid tot uitdrukking te brengen, ook iets te bieden heeft dat niemand anders kan bieden.”

Het Paar (1910). 1910;
Oil on canvas; Finnish National Gallery, Helsinki; 80.5 x 54.5 cm.
Herfstdag Fiskebäckskill (1915)

In 1901 huwde hij met kunsrenares-schilder Albertina Kerfstedt. Een van hun kinderen, Ana Wilhelmson-Lagerlan werd ook schilder.

De nationale romantiek was een beweging die tot uiting kwam in de kunsten. Op dat moment maakte Zweden een periode van snelle veranderingen door, die gepaard gingen met industriële en sociale onrust. Tussen 1879 en 1893 zorgden een economische recessie in Zweden en een economische bloei in de VS ervoor dat jaarlijks ongeveer 34 000 Zweden naar Noord-Amerika emigreerden. Rond de eeuwwisseling transformeerde Zweden van een agrarische economie tot een industriële natie. Het aantal arbeidskrachten in de landbouw bereikte rond 1880 een hoogtepunt en werd begin jaren 1930 overtroffen door het aantal arbeidskrachten in de industrie. Landbouw en industrie werden onderling afhankelijk: de landbouw vertrouwde in toenemende mate op machines en kunstmest, terwijl de industrie profiteerde van een instroom van arbeidskrachten . Tegen de achtergrond van deze sociaal-politieke factoren bloeide het nationaal-romantisme in de kunsten op. Tegen het begin van de 20e eeuw werd het de dominante ideologie. In heel Europa wilden nationaal-romantici dat verandering in overeenstemming zou zijn met cultuur, geschiedenis, tradities en waarden; de Zweden promootten echter ook het modernisme. “Het Zweedse’’ werd geassocieerd met een verbondenheid met de natuur, een geloof in gelijkheid en een bereidheid tot compromissen (Oxfard Academic)

Carl Wilhelmson: Portret van Carl Eldh, kunstenaar 1873-1954. P. 1924

Vertrek (1895). Oil on canvas; Private Collection; 90 x 90 cm.

De nationale romantiek was een stroming die in verschillende delen van Europa, zoals Bohemen en Rusland, tot uiting kwam in de kunst en de architectuur. In de muziek van de Noordse landen kwam het nationalisme sterk tot uiting. Grieg, die twee decennia eerder was geboren dan andere Scandinavische nationalistische componisten, was de eerste die volksmuziek en traditionele liederen in zijn composities verwerkte. Andere Scandinavische componisten werden binnen enkele jaren na Wilhelmson geboren. Zo werden Nielsen en Sibelius een jaar vóór Wilhelmson geboren en de Zweedse componisten Stenhammar en Alfvén respectievelijk vijf en zes jaar daarna. Hun muziek is onmiskenbaar Noord-Europees – denk maar aan Griegs Peer Gynt, gebaseerd op het toneelstuk van Ibsen, en Finlandia van Sibelius. Ook kunstenaars brachten hulde aan de cultuur, het land en de bevolking van hun land. De periode tussen ongeveer 1905 en 1920 wordt beschouwd als het ‘zilveren tijdperk van de nationale romantiek’ in Zweden. (Oxfard Academic)

September Evening (1928)
1928; Oil on panel; Private Collection; 41 x 32.5 cm.

Reisgezel(2): ‘Les Jardins publiques’ Edouard Vuillard

Les Jardins Publiques. (klik op onderschrift om te vergroten)

De reeks „Jardins publics“ bestaat uit negen panelen die in 1894 door Alexandre Natanson werden besteld voor zijn herenhuis aan de Avenue du Bois in Parijs, tegenwoordig de Avenue Foch. Natanson was directeur van La revue blanche, een kunst- en literair tijdschrift dat onder meer de groep van de Nabis onder zijn vleugels had, waarvan Vuillard deel uitmaakte. De reeks was opgehangen in een grote ruimte, die zowel als salon en als eetkamer diende. Deze voorstelling van spelende kinderen, vergezeld door hun kindermeisjes, paste bijzonder goed bij de familiale sfeer van de opdrachtgevers, die ouders waren van drie kleine meisjes.

La Promenade

Deze panelen zijn in 1929 verspreid geraakt, maar vijf ervan worden bewaard in het Musée d’Orsay. Ze worden in een rechte hoek tentoongesteld, net als in hun oorspronkelijke opstelling. Elke compositie staat op zichzelf en heeft een ondertitel, maar ze zijn allemaal met elkaar verbonden door de continuïteit van de ruimte – aarde en hemel –, het licht en de kleuren: harmonieën van beige, groen en blauw, verlevendigd door enkele rode accenten. Zonder oog voor topografische nauwkeurigheid doen sommige panelen denken aan de Tuilerietuin, andere aan het Bois de Boulogne, dat grenst aan het Hôtel des Natanson.

Sous les arbres

Het plein-air-thema, de natuur in de stad, getuigt van de impressionistische erfenis, met name die van Monet. Het decoratieve aspect doet denken aan de middeleeuwse wandtapijten die Vuillard in het Musée de Cluny bewonderde. De schilder experimenteert hier voor het eerst op deze schaal met de effecten van lijmschilderkunst waardoor dit matte uiterlijk ontstaat, vergelijkbaar met dat van de fresco’s van Piero della Francesca, en dat hij later in al zijn decoratieve werken toepast. Tenslotte is de invloed van de Japanse prentkunst en kamerschermen merkbaar in de opstelling van vormen en leegtes, de decentreringen en de symmetriebreuken.

Jeunes filles jouants

De techniek van lijmschilderen mengt een lijm (in plaats van olie) op basis van konijnenhuid met pigmenten, terwijl ze wordt verwarmd, daarna aangepast op het canvas. 
Het is een techniek dicht bij tempera, gemaakt van eigeel, en verspreid in Europa in de 13de en 14de eeuw, veel gebruikt door Italiaanse renaissanceschilders. 


In de 19de eeuw is het een techniek die vaak wordt gebruikt voor de realisatie van theatersets. Vuillard heeft talloze sets voor Parijse theaters uitgevoerd. Hij gebruikt deze techniek van lijmschilderen om deze panelen hun matte uitstraling te geven, die aan de muurschilderingen van de Renaissance herinnert.

Lijmverf, ook wel lijmtempera genoemd, is een verfsoort die gemaakt wordt uit dierlijke lijm, bijvoorbeeld uit beenderlijm of huidenlijm. De gelatineachtige lijm wordt lang geweekt, vervolgens opgelost in warm water, waarna er pigment doorheen gewreven wordt.(La detrempe) De verf is mat van kleur, en niet watervast. Lijmverf schilderijen op doek werden Tüchlein genoemd. (Wikipedia)

Les deux écoliers Musées royaux des Beaux-Arts de Belgique, Bruxelles

Vuillard se montrera toujours sensible à la perception que les enfants ont de l’espace. Les Petits Écoliers, guetteurs éphémères, témoins d’un ballet fantomatique d’ombres qui peuplent, au loin, les frondaisons de ces Tuileries recomposées en sous-bois symboliste, sont un des panneaux les plus saisissants. (en meer via hieronder aangeduide bronnen)

Bezoek:

Vuillard et le regard intmiste

Het was vooral die ‘regard intime’ die mij aansprak. Helaas is het een beetje behelpen met de digitale reproducties. Is je bibliotheek geabonneerd op ‘Connaissance des Arts’ dan vind je een degelijke bijdrage van Frank Claustrat in de jaargang 2003, oktober nr 609. De stilte in Vuillards werk en de plaats voor het (Japanse) lege maakten deze kunstenaar een boeiende reisgezel. Het wonderlijke zoekt altijd de leegte op. Net zoals de stilte. Daar is veel mogelijk.

(mooie gedetailleerde film (28:56). over deze schilderijen; altijd via youtube terug te vinden: ‘Les allées du souvenir”

Reisgezel (1): Robert Graves (1895-1985)

teenager looking through camera lens
Photo by Gizem Gökce on Pexels.com

1915

I’ve watched the Seasons passing slow, so slow,
In the fields between La Bassée and Bethune;
Primroses and the first warm day of Spring,
Red poppy floods of June,
August, and yellowing Autumn, so
To Winter nights knee-deep in mud or snow,
And you’ve been everything.

Dear, you’ve been everything that I most lack
In these soul-deadening trenches—pictures, books,
Music, the quiet of an English wood,
Beautiful comrade-looks,
The narrow, bouldered mountain-track,
The broad, full-bosomed ocean, green and black,
And Peace, and all that’s good.

Robert Graves (1895-1985)

vibrant red poppies in a sunny field
Photo by Yakup Tuğ on Pexels.com

1915

Ik heb de seizoenen langzaam voorbij zien gaan, zo langzaam,
In de velden tussen La Bassée en Bethune;
Sleutelbloemen en de eerste warme lentedag,
Rode papavers in juni,
Augustus en de vergelende herfst, tot
De winternachten, kniediep in modder of sneeuw,
En jij was alles.

Liefste, je was alles wat ik het meest mis
In deze zielsdodende loopgraven – foto’s, boeken,
Muziek, de stilte van een Engels bos,
Vriendelijke blikken van kameraden,
Het smalle, met rotsblokken bezaaide bergpad,
De brede, weelderige oceaan, groen en zwart,
En vrede, en al het goede.

Robert Graves

sunlight between trees in forest
Photo by Bart Ros on Pexels.com

Het gedicht „1915“, dat door wetenschappers wordt beschouwd als gericht aan Robert Graves’ jeugdliefde, G. H. „Peter“ Johnstone, verscheen in de bundel Fairies and Fusiliers (William Heinemann, 1917), die Graves schreef tijdens zijn diensttijd in de Eerste Wereldoorlog. Over de dichter schrijft Dustan Ward, een gepensioneerd hoogleraar Engels aan het University of London Institute in Parijs, in zijn essay ‘Poetic Correspondence: The Verse Letters of Robert Graves’, gepubliceerd in The Robert Graves Review, nummer 3: ‘Graves’ romantische visie op Johnstone had hem door alle verschrikkingen van de oorlog heen geholpen: ‘Lieve schat, je bent alles geweest wat ik het meest mis / in deze zielsdodende loopgraven,’ schreef hij. In oktober 1915 had hij [Johnstone] in idealistische bewoordingen beschreven als ‘mijn beste vriend, een dichter lang voordat ik er ooit een zal zijn, een stralend en ongewoon wezen.’”

Nog te koop bij veschillende boeken-antiquariaten

“De problemen van Graves’ problematische leven begonnen, zoals zo vaak, op kostschool waar hij gepest werd omdat hij anders was, een dichter en een Duitse naam had (Robert von Ranke Graves). Vijftig jaar later had hij er nog nachtmerries van. De Eerste Wereldoorlog komt aanvankelijk als een welkome onderbreking, maar de andere officieren aan het front blijken al net zulke xenofobische, lompe barbaren te zijn als de jongens die hij op school had meegemaakt. Bovendien was de oorlog niet, zoals verwacht was, voor Kerstmis afgelopen. Graves werd gewond en bleef vierentwintig uur op het slagveld liggen omdat men dacht dat hij dood was (op zijn eenentwintigste verjaardag). Het verslag dat hij in Goodbye to All That (Dat hebben we gehad) van deze ervaring en de rest van zijn jonge jaren geeft, is nog steeds het beste dat er over de Graves van toen verschenen is, vooral als men het leest met de door Paul O’Prey uitgezochte brieven bij de hand. Martin Seymour-Smith vertelt ons over deze periode nauwelijks meer dan we uit Graves’ autobiografie al wisten, maar over de jaren na 1918 is hij uitvoeriger. Graves, die zijn autobiografie in 1929 schreef, was nogal terughoudend over zijn kort daarvoor mislukte huwelijk, een leemte die met dit nieuwe boek is opgevuld.”

Vrij Nederland Boekenbijlage 1982. ‘Afgrijselijk boeiend Het leven en werk van Robert Graves. Antony Paul’ (1982 ) Lees dit bio helemaal via Vrij Nederland 1982:

https://www.dbnl.org/tekst/_vri013boek02_01/_vri013boek02_01_0227.php

Robert Graves, boeiende website:

https://robertgraves.org/galleries

In “Reisgezel” stellen we u graag boeiende persoonlijkheden voor, zoals Robert Graves. Zijn levensloop en werk als reisgids. ‘Careers’ maakt de bedoelingen (of pogingen) duidelijk:

Graves’ carrière besloeg het grootste deel van de 20e eeuw. Hij was als jongeman getuige van de ontwikkeling van het zelfbewuste begrip dat deze eeuw van haar eigen moderniteit had. Hij kwam bijna om het leven terwijl hij vocht voor zijn geloof in de natie en Engeland, in een tijd waarin moderne idealen het motto ‘voor koning en vaderland’ verdrongen door soms tegenstrijdige sociaal-politieke idealen. Hij was getuige van dezelfde omwentelingen en onderging veel van dezelfde beproevingen als zijn avant-gardistische tijdgenoten (zoals Breton, Soupault en Apollinaire in Frankrijk en T.E. Hulme, David Jones en Wyndham Lewis in Groot-Brittannië) tijdens de Eerste Wereldoorlog, maar schreef er, samen met andere dichters zoals Edward Thomas, Wilfred Owen en Siegfried Sassoon, heel anders over. Hij zag dat het weer de verkeerde kant op ging en besloot toen „Goodbye to All That“ te zeggen en het leven op zijn eigen voorwaarden te proberen.

Careers

Father is quite the greatest poet
    That ever lived anywhere.
You say you’re going to write great music—
    I chose that first: it’s unfair.
Besides, now I can’t be the greatest painter and
        do Christ and angels, or lovely pears
        and apples and grapes on a green dish,
        or storms at sea, or anything lovely,
Because that’s been taken by Claire.

It’s stupid to be an engine-driver,
    And soldiers are horrible men.
I won’t be a tailor, I won’t be a sailor,
    And gardener’s taken by Ben.
It’s unfair if you say that you’ll write great
        music, you horrid, you unkind (I sim-
        ply loathe you, though you are my
        sister), you beast, cad, coward, cheat,
        bully, liar!
Well? Say what’s left for me then!

But we won’t go to your ugly music.
    (Listen!) Ben will garden and dig,
And Claire will finish her wondrous pictures
    All flaming and splendid and big.
And I’ll be a perfectly marvellous carpenter,
        and I’ll make cupboards and benches
        and tables and … and baths, and
        nice wooden boxes for studs and
        money,
And you’ll be jealous, you pig!

Robert Graves

Geboren in 1895; Anglo-Ierse vader, Duitse moeder. Soldaat-dichter in WOI met zijn vrienden Sassoon en Owen. Na een mislukt eerste huwelijk en vier kinderen schreef hij afscheid van All That en trok zich terug in Mallorca met dichter Laura Riding (1929). Daar schreef hij zijn best verkopende I, Claudius (1934). Zelden behandelend hetzelfde onderwerp twee keer, leidde zijn roman Het Gouden Vlies hem naar zijn baanbrekende stelling over oude religies De Witte Godin (1948) en naar zijn Griekse Mythen. Hij was een bijbelgeleerde, biograaf, vertaler, maar vooral een dichter. Hij publiceerde meer dan 1200 gedichten. Hij werd verkozen tot hoogleraar poëzie aan Oxford (1961) en kreeg de Queen’s Medal for Poetry (1968). Hij ligt begraven in Deià, Mallorca.

Aspecten van de ‘metamorfose’(3) ‘Ovidius Naso’

De val van Phaëthon naar de Metamorfosen van Ovidius. 1590 (klik op de ondertitel en daarna op prent voor vergroting)

De rit van Phaëthon in de zonnewagen van zijn vader Apollo kent een rampzalige afloop. De paarden hebben de aarde in brand gezet. Rivierbeddingen komen droog te liggen en riviernimfen beklagen hun lot. Neptunus met drietand komt uit de zee omhoog en strekt zijn arm ten hemel. Moeder aarde, met stedenkroon verbeeld als Cybele, steekt haar hoofd uit de aarde en beschermt met een hand haar blik. Atlas zwoegt om het hemelgewelf te torsen. Jupiter gooit bliksemschichten en Phaëthon valt met wagen en al uit de hemel. Een gravure bij het verhaal uit ‘Metamorfosen’ van de Romeinse auteur Publius Ovidius Naso .

“Het jaar 762 ab urbe condita (8 v.C). Publius Ovidius Naso staat op het punt zijn omvangrijke “Metamorfosen” af te sluiten. Hij heeft zes jaar gewerkt aan de vijftien boeken die samen meer dan twaalfduizend versregels bevatten. In het lange gedicht verhaalt hij over 231 gedaanteveranderingen van goden en halfgoden, beginnend bij de schepping van de wereld en eindigend bij Caesar, de goddelijke Julius die in een ster veranderde.” (Marc Holthof ‘De Witte Raaf 1995)

De ontvoering van Europa

“Nog maar net klaar met de “Metamorfosen” of hij wordt verbannen door keizer Augustus. Reden onbekend. Paste hij met zijn frivole Grieks georiënteerde poëzie niet in de hervormingspolitiek van Augustus, of was hij betrokken bij een of andere politieke intrige? Ovidius verbrandde het manuscript van zijn “Metamorfosen”. Maar afschriften ervan waren gelukkig al bij zijn vrienden beland, zodat het werk bewaard bleef. Ovidius werd verbannen naar Tomis (het huidige Constanza in Roemenië) aan de Zwarte Zee. Hij schreef er treurzangen en zijn “Epistulae ex Ponto”, Brieven van aan de Zwarte zee – echte exilliteratuur. Hij stierf er in 17 na Christus, 60 jaar oud. Ook Augustus’ opvolger Tiberius heeft de verbanning van Romes beroemdste dichter nooit ongedaan gemaakt.” (ibidem)

Giambattista Tiepolo, Apollo en Daphne,1 74 3­1 74 5 . Het Louvre, Parijs © Fine Art Images/Heritage Images via Getty Images

“U kent allemaal de verhalen over Daphne die achtervolgd wordt door Apollo en veranderd wordt in een laurierboom, Echo’s ongelukkige liefde voor Narcissus, die zijn eigen spiegelbeeld prefereert en in een bloem veranderd wordt. De twee ouderlingen Philemon en Baucis, die als enigen in hun streek gastvrij zijn voor Zeus en door hem bij hun dood veranderd worden in in mekaar groeiende bomen. Er is het verhaal van Acteon de jager die per toeval de godin Diana naakt ziet baden en door haar in een hert wordt veranderd, dat dan prompt door zijn eigen honden verslonden wordt. Geniaal is de manier waarop Ovidius het moment beschrijft waarop de jager plots beseft dat hij de prooi geworden is. Er zijn Pygmalion, Midas, Ariadne, Jason en de Argonauten, Orpheus, de Centauren en vele, vele anderen. ” (ibidem)

Franz von Stuck Orpheus

Tegenover de proteïsche metamorfose plaatste auteur Canetti het masker. Hij meende dat het masker het definitieve einde was van de metamorfose tussen mens en dier, mens en plant: “Een eindtoestand van de metamorfose is het masker (de ‘figuur’). Eén van de eigenschappen ervan is dat het geen verdere metamorfose toelaat. Het masker (de figuur) is in al haar trekken omgrensd en duidelijk. Het is geen product van de natuur, maar een schepping van de mens. Het is een redmiddel uit het eeuwige fluïdum van de metamorfose. (…) Het masker onderscheidt zich door zijn starheid van alle andere eindtoestanden van de metamorfose (…) De betekenis van het masker is (…) juist eindtoestand te zijn. Het in mekaar vloeien van onduidelijke, half uitgeklaarde metamorfosen die eigen zijn aan de wonderlijke uitdrukkingsmogelijkheden die ieder natuurlijk menselijk gezicht bezit, mondt uit in het masker, het eindigt erin.”
Het masker, het vastleggen, vastroesten van de metamorfose is iets zeer negatiefs en gevaarlijks voor Canetti. Het heeft met macht en geweld te maken. “Masse und Macht”, zelf een zeer veelvormig metamorfisch boek, is in de eerste plaats een reflectie over het fascisme. En precies in het verstarren van een bepaald soort rationaliteit ziet Canetti (een beetje zoals Adorno en Horkheimer in hun “Dialectiek der Verlichting”) het ontstaan van het fascisme. Het fascisme, elke vorm van fundamentalisme, is niet metamorfisch, het is één, verstard en onveranderlijk. Het is, kortom, het duizendjarige rijk waar Augustus al van droomde.(ibidem)

Lees de bijdrage:

Andere bronnen:

Publius Ovidius Naso: Teksten in andere boeken/tijdschriften in DBNL

https://www.dbnl.org/auteurs/auteur.php?id=ovid001

https://www.groene.nl/artikel/ontembare-lusten – (vrouwonvriendelijk?)

https://www.rijksmuseum.nl/nl/zien-en-doen/tentoonstellingen/afgelopen/metamorfosen

https://www.koxkollum.nl/ovidius/ovidius.htm: leven en werk van Publius Ovidius Naso (met tekstvoorbeelden)

Wie ik geweest ben, ik, de speelse dichter van de liefde -
luister, dan weet u wie u leest, ook na mijn dood:
Sulmo was mijn geboorteplaats, omringd door koele stromen,
zo'n tienmaal negen mijl verwijderd van de Stad.
Daar zag ik dus het levenslicht en vraagt u naar een jaartal:
dat jaar stierven twee consuls in eenzelfde strijd.
Van ouds behoorde mijn familie tot de ridderklasse,
wat dat ook zegt ... Ik was bepaald geen parvenu,
ook niet de oudste zoon: toen ik verscheen was er een broertje
dat vier kwartalen voor mijn komst geboren was;
onze verjaardag mocht dezelfde Morgenster begroeten
en één dag werd met tweemaal offerkoek gevierd
tijdens de feestweek van de wapendragende Minerva,
en wel de eerste dag met gladiatorenbloed.

Tristia IV, 10; vert. M. d’Hane-Scheltema

Michele Tosini, Leda, ca. 1560–70. Galleria Borghese, Rome.
Daarom, omdat ik leef en zware moeilijkheden aan kan
en dit mistroostig daglicht mij nog niet benauwt,
ben ik mijn Muze dankbaar: zij komt steeds weer met vertroosting,
zij geeft mijn onrust rust, zij is mijn trouwe arts,
mijn leidsvrouw, mijn vriendin; zij voert mij mee, weg van de Donau
en biedt mij 'n zetel midden op de Helicon.
Zij gaf mij zelfs al bij mijn leven - en dat is vrij zeldzaam! -
verheven roem, zoals vaak opklinkt ná de dood;
en nooit heeft Afgunst, die de werkelijkheid kleineert, haar scherpe
jaloerse tanden in mijn poëzie gezet,
want al mijn levensdagen - toch een tijd van grote dichters -
is geen kwaadaardig woord gezegd over mijn werk.
Ik mag dan opzien tegen velen, maar word zelf niet lager
geschat dan zij: de hele wereld leest mij graag.

Welaan dan, als voorspellingen van zangers waarheid zingen,
zal ik, al sterf ik wel, niet echt begraven zijn
en of ik deze roem nu dank aan dichttalent of goodwill,
de meest verdiende dank geldt, lieve lezer, u!

Licht en lommerte (2)

‘Een rustige middag’ Frans Oerder (Rotterdam 1867-1944 Pretoria)

Le jardin et la maison

Voici l'heure où le pré, les arbres et les fleurs 

Dans l'air dolent et doux soupirent leurs odeurs.

Les baies du lierre obscur où l'ombre se recueille 

Sentant venir le soir se couchent dans leurs feuilles,

Le jet d'eau du jardin, qui monte et redescend, 

Fait dans le bassin clair son bruit rafraîchissant ;

La paisible maison respire au jour qui baisse 

Les petits orangers fleurissant dans leurs caisses.

Le feuillage qui boit les vapeurs de l'étang 

Lassé des feux du jour s'apaise et se détend.

- Peu à peu la maison entr'ouvre ses fenêtres 

Où tout le soir vivant et parfumé pénètre,

Et comme elle, penché sur l'horizon, mon coeur 

S'emplit d'ombre, de paix, de rêve et de fraîcheur…

Anna de Noailles (1876-1933)


Elin Danielson Gambogi Finland 1915 40 x 51 cm, De jonge naaldwerkers (1915)

Oud(er) en jong. In de lommerte, dat mooie antieke woord voor het gefilterd zonlicht. (mon coeur s’emplit d’ombre, de paix, de rêve et de fraîcheur.) Herinner je. Het was dat soort licht dat even na het midden van de 19de eeuw voor het verbeelden van ‘des impressions’ de statige verbeelding ondermijnde en het ogen-blik zichtbaar maakte, de beweging van licht en landschap. Het voortdurend veranderen van het bestaande. En met Hans Lodeizen kunnen zeggen: “Er is niets zo zoet als ’s avonds onder de bloemen te zijn’, probeer het eens…

Er is niets zo zoet als ‘s avonds
onder de bloemen te zijn,

probeer het eens
licht het dak op en
alle sterren komen los te zitten

als de tuinman met
zijn wilde spuit vele bloemen
van hun stelen rukt en
vrolijk een deuntje fluit
denkend aan de avond

ruik de
verlichting juist boven
de aarde, glimlachend
drinkend van het water

natuurlijk zijn wij
onder het dak vandaan
de tuin ingelopen.

Hans Lodeizen
Uit: Verzamelde gedichten
G.A. van Oorschot Amsterdam 1996

garden sprinkler watering lush green lawn
Photo by Sóc Năng Động on Pexels.com

‘Altijd als ik langs de A44 van Amsterdam naar Den Haag reed en ik naderde Oegstgeest keek ik eerst naar links naar de Willebrordkerk met het door geboomte omsingelde kerkhof waar zo langzamerhand een heel cluster van mijn familieleden vredig ligt te wachten tot op de dag der opstanding, hoewel de aanvliegroute voor engelen bemoeilijkt wordt door de oprukkende nieuwbouw. Daarna, als ik het viaduct over het Oegstgeesterkanaal passeerde, ging mijn blik naar rechts. Niet om het landschap dat Monet daar schilderde in ogenschouw te nemen, daar wist ik nog niets van. Maar dwangmatig moest ik het pad langs het kanaal zien en even die zondagse voettochten herbeleven in het vreugdeloze teken van Calvijn.’

Jan Wolkers, De schuimspaan van de tijd. Verzamelde essays (Amsterdam 2001), p. 455.

Maar als Wolkers in zijn werk een bij honderdduizenden lezers bekend monument voor Oegstgeest heeft opgericht, dan heeft Klaas Heeroma (1909-1972) dat in het verborgene op zijn manier gedaan. Deze neerlandicus, geboren op Terschelling en gestorven in zijn woonplaats Groningen, is bij het Groene Kerkje begraven in het graf van zijn zoon die kort na de oorlog op jonge leeftijd in Oegstgeest was overleden.
Als Muus Jacobse schreef Heeroma meer dan eens over het Groene Kerkje. Het gedicht ‘De kinderen’, met als motto ‘Groene Kerkje, Oegstgeest’, gaat indirect in op zijn eigen verlies:

De kinderen liggen zo klein
 Onder hun sprei van gras.
 Zij slapen zo lang en vast
 Achter het dicht gordijn.
 
 De tuinman schoffelt het pad
 En drenkt soms een dorstige plant
 Of strijkt met een zorgzame hand
 Van de bedjes het dorre blad.

Muus Jacobse, Het huisgezin. Gedichten (Kampen 1959), p. 27.
Bron: Jan Paul Hinrichs


Jan Paul Hinrichs (1956) publiceerde onder meer Vader van de slavistiek. Leven en werk van Nicolaas van Wijk (1880-1941) (2005; Engelse vertaling 2006) en C.C. Uhlenbeck (1866-1951): a linguist revisited (2009; bundelredactie met Inge Genee). Dit artikel over Oegstgeest is het tweede deel in een reeks van drie. (Digitale bibliotheek voor Nederlandse letteren. De Parelduiker jrg 18. (2013)

https://www.dbnl.org/tekst/_par009201301_01/_par009201301_01_0008.php

Het Groene Kerkje met begraafplaats in Oegstgeest

Hemelse hulp verbeeld en beletterd

Врубель_-_зішестя_святого_духа

Als kind al was ik gefascineerd door de vurige tongen boven het hoofd van de apostelen.

Niet door het verschijnsel zoals de heer Lucas het zou uitbeelden in een starwars-film, maar door de mogelijkheden, de transformatie van bange wezens in ontstekers van allerlei andere heilige vuren, niet in het minst door het spreken van allerlei talen zonder avondschool te hebben gevolgd.

Er waren vooreerst de bange wezens die zich hadden opgesloten in het wonderlijke cenakel, een woord dat bij mij telkens ronde vormen opriep, waar je dus in geen hoekje kon wegkruipen, en ondanks dat hij aan hun vrienden in Emmaus had duidelijk gemaakt dat hij bij hen was, ondanks Thomas en zijn anatomisch vingergepeuter in het lichaam van de Heer, zaten ze daar te rillen, want als er in mijn kinderlijke verbeelding angst optrad dan ging die gepaard met klappertanden en takke-tak van knikkende knieën en sidderende ledematen.

die_ausgiessung_des_heiligen_g

Daarbij kende ik mezelf als bang wezentje.
Wellicht is volwassenheid gewoon het genezen van de angsten die wij als klein wezen hebben gekend.
Als je geen voetballer bent, geen vechtjas (tenzij als kruisvaarder tegen de bende van de aangrenzende straat) geen brave hendrik of primus, maar een fantast die bij elke draai van de straat een draak verwacht, bij de schaduwen van de kastanjelaar de knoestige vingers om zijn kinderkeel voelt, een verhalenverteller kortom, dan ben je in het cenakel van de Boudewijn de Grote’s ‘o mijn kindertijd’ gevangen.

Ik kon mijzelf dus de luxe van een vurige tong boven mijn kinderhoofd best veroorloven, en toen de firma For You koude ijstongen op de markt bracht, frisco genoemd, werden in mijn verbeelding de vurige tongen werkelijk brandende frisco’ s waarvan het stokje zich in het hoofd van de apostel vast had gezet.
Ik vraag de heilige Geest vergiffenis, maar ik was nog ver van de Pardes Rimonim* van de Kabalist Moses Cordovero waaruit mijn grootvader vaak vertelde, maar misschien ben ik nooit zo dichtbij heiligheid geweest als toen, want de zuiverheid van beelden laat zich niet door de esthetica of theologie bepalen, maar ontspruit uit de mooie zin dat de geest waait waar hij wil, een geliefde uitspraak van mijn grootmoeder als mijn grootvader dronken was thuis gekomen.

pardes rimomim

*(Pardes Rimomim: Rabbi Simon ben Jochai verbindt Malchut, het mannelijk element in de kosmos met Tifireth, het vrouwelijk element in de echt in de ‘Pardes Rimmmonim, in de granaatappelboomgaard, een verhaal van de Joodse mysticus Ben Jacob Cordovero een oertekst uit de Kabbalah 1548)

Hortus_Deliciarum_Pfingsten_und_die_Aussendung_des_Heiligen_Geistes_auf_die_Apostel

Als ik uit mijn slaapkamer klom, stond ik ook op een plat dak, net zoals de bangeriken met hun brandende tongen op het dak waren geklommen, maar hoe ik ook mijn best deed om in het Frans of Hebreeuws, het Engels of Jiddisch te zeggen dat er mij iets goddelijks was overkomen, de woorden bleven in mijn mond steken toen ik mijn grootvader in zijn blootje in de grote witbuik-kerselaar zag zitten, waaronder mijn grootmoeder stond te roepen dat hij dringend naar beneden moest komen want dat de witbuiken van de kersen al genoeg aan de verbeelding overlieten zonder dat hij dat door zijn naakte transformatie moest benadrukken.

En hij sprak wel alle talen ter wereld (volgens mijn weten toen) al bleef het in werkelijkheid beperkt tot een scheldtirade in slecht Duits, dat ze niet moesten denken dat nu de forten rond Namen gevallen waren ze het zouden opgeven, en dat hij de architect van die forten (terecht) een proces zou aandoen, hoe konden ze jongens van zijn leeftijd zoiets aandoen, enz.

El Greco, Ausgiessung des Hl.Geistes

Later las ik in de schrift dat de mensen zich beneden op de straat hadden afgevraagd of die vurige polyglotten misschien dronken waren, en jawel, ik begreep het dadelijk, de vurige tongen kregen een lucht van Kempisch gebrouwen (De Keersmaeker) bier en Gentse jenever (Hertekamp), inderdaad ontvlambare materies, zeker toen ik aan een broeder van Liefde die mij onderwijs verstrekte, zei dat ze inderdaad dronken waren geweest, die schijtlijsters, want ik hoorde ook mijn opa alle talen spreken toen hij in een gelijkaardige toestand verkeerde.

De brave broeder, die zelf graag een glaasje lustte, antwoordde dat Gods wegen wonderlijk waren maar dat voor ons, zondige mensen, een Assimil-boekje een betere methode waarborgde om een vreemde taal te bemeesteren.

Botticelli, Sandro, 1444/1445-1510; The Descent of the Holy Ghost

Toch bleef Pinksteren zijn aantrekkingskracht behouden en de heilige Geest heb ik levenslang geëerd door alle duiven tegen gemeentebelangen in van graan en brokjes brood te voorzien, een taak door de geliefde nog steeds in praktijk gebracht.

Want de geest waait waar hij wil, en zijn bange kinderen kunnen er van meespreken al zijn ze intussen de tachtig voorbij.

Carl Jung noemde het ‘de geur van de Heilige Geest’, en met mijn dikke neus kan ik dat beamen.

De Heilige Geest mag dan al naar geestrijke drank hebben geroken, naar de witte drank uit de mooie Hertekamp-fles, hij troostte mij ook door mij beetje bij beetje met woorden  te wapenen om het woordeloze voortdurend te belagen en te belegeren.

Hij verlokte mij tot het “hierosgamos”, letterlijk ‘het heilige spel’, mooier dan het mystieke huwelijk, met andere lagen van het denken en het gewaarworden, en al vluchtte ik voortdurend, laf als we zijn, de walvis in, telkens weer was hij daar met zijn vurige For You en dreef hij mij, als verteller,  het schamele dak op om te stamelen in de talen die hij nodig achtte, liet hij me als heel klein zangertje meezingen in het verhalen-koor waarin tremendum et fasciosum, een element van het dagelijks bestaan ging uitmaken. (tremendum et faciosum:  bibberen en bewonderen!)

Hochfest-Pfingsten-Gottesdienste-und-besondere-Wallfahrten

Is het daarom dat er zich houtduiven in de atlasceder hebben genesteld?

Of weten ze gewoon dat de liefste hen van fruit en granen voorziet en op tijd de katten weghoudt als ze het op de Pinkstervleugels hebben gemunt.

Laat het aardse zich voortdurend met het hemelse vermengen en vice versa, al dan niet in homeopatische verhoudingen.

2-3_Pfingsten_1906__780x500_

(De bovenste wandschildering van Mikhail Vrubel komt uit de St. Cyril-kerk (aan de buitenkant in mooie pistachekleuren geschilderd) uit Kiev, Oekraine. Niet alleen de fraaie compositie trof mij maar ook het menselijke: kijk hoe elke heilige figuur zijn voeten op een tapijtje mag warm houden!)

169a3027e254dd6676988c57af13efd2v1_max_755x425_b3535db83dc50e27c1bb1392364c95a2

De Bijbel illustratief verteld: The Holkham Bible (1330)

De Schepping van Adam en Eva The Holkham Bible Picture Book (ca 1330)

Op bovenstaande prent uit de Holkham Bible Picture Book (1330) is de goddelijke Schepper bezig met het ‘scheppen’ van het eerste mensenpaar. Het is in feite een dubbelprent. Bovenaan de schepping van Adam, onderaan, uit een rib van deze Adam wordt Eva, de eerste vrouw in het aards paradijs vorm gegeven. Een illustratie uit een bijbel-prentenboek uit 1330. Een boeiende ontstaansgeschiedenis.

In 1816 schreef William Roscoe – een bankier uit Liverpool met een scherp oog voor kunst – vol bewondering een brief aan Thomas William Coke, de eerste graaf van Leicester. De twee mannen kenden elkaar al lang. Veertig jaar eerder had Coke de bibliotheek van Holkham Hall geërfd, die een eeuw eerder was aangelegd door zijn oudoom Thomas Coke (1697–1759), wiens familie hem op zijn vijftiende naar het buitenland had gestuurd om hem van zijn vervelende gewoonte van hanengevechten af te helpen. Het werkte. Tegen de tijd dat deze oudere Coke eenentwintig was, had hij Padua, Lyon, Berlijn en de meeste plaatsen daartussen geplunderd, waarbij hij “voldoende manuscripten en vroeg gedrukte boeken had gekocht om een van de mooiste privébibliotheken in Engeland samen te stellen”. Nadat hij de bibliotheek in 1776 had geërfd, trof Thomas Coke deze in een erbarmelijke staat aan, met onschatbare boeken die beschimmeld en door wormen aangetast waren. Hij stuurde de bijna 750 delen naar Liverpool waar Roscoe ze liet reinigen en opnieuw inbinden. Nu, in 1816, hielp Roscoe Coke zijn collectie verder uit te breiden door zeldzame stukken uit het buitenland op te sporen. Te koop was “een zeer merkwaardig manuscript, dat zojuist van het vasteland is meegebracht… en dat ik beschouw als een van de grootste rariteiten die ik ooit heb gezien”.

(The Holkham Bible Picture Book (ca. 1330) The Public Domain Review Naar de Engelse tekst van Hunter Dukes)

‘De zondvloed’. The Holkham Bible Picture Book (ca 1330)

Dit ‘curiosum’, dat vermoedelijk rond 1330 in Londen is vervaardigd, staat tegenwoordig bekend als het Holkham Bible Picture Book, omdat het selectief het Oude en Nieuwe Testament illustreert en ons in een reeks van 231 prachtig uitgevoerde miniaturen meeneemt van Genesis tot Openbaring. Onder de vele schitterende afbeeldingen zien we: Adam en Eva aan de rand van het paradijs, terwijl een cherub de poorten van Eden bewaakt met een zwaard in de kleur van een karbonkel; de zondvloed, waarbij Noach een duif en een raaf uitzendt boven een woelige zee — weergegeven in golvende strepen van blauw en wit — terwijl de bleke lichamen van een man, een vrouw en een paard wegzakken in een eindeloze slaap; en het Laatste Avondmaal, waarin de gewaden van Christus en zijn apostelen op de pagina lijken te schitteren. De miniaturen van de Holkham-bijbel maken bewust gebruik van luminantie, een effect met zowel esthetische als theologische betekenis, door middel van de techniek die bekend staat als ‘getinte tekening’. Door praktisch gebruik te maken van de doorschijnende kwaliteit van perkament, werden deze afbeeldingen geproduceerd door verf in dunne lagen aan te brengen, waardoor de ondoorzichtigheid van het materiaal behouden bleef en het, in het juiste licht, deed gloeien als het glas-in-lood van een kathedraal.

Het Laatste Avondmaal The Holkham Bible Picture Book (ca 1330)

Lees en kijk: The Holkham Bible Pictures boek (met talrijke prenten onderaan):

https://publicdomainreview.org/collection/holkham-bible

https://pdimagearchive.org/images/10dc1d05-ef55-481f-8474-455b135bcf3d

De engel met het vlammende zwaard verdrijft de eerste mensen uit het paradijs

De Bijbel is mogelijk in opdracht van een dominicaanse monnik gemaakt, want het manuscript begint, wat ongebruikelijk is, met een monnik die zijn kunstenaar opdraagt “het goed en grondig te doen, want het zal aan belangrijke mensen worden getoond”. Hoewel het een Bijbel wordt genoemd, is de relatie tussen tekst en beeld in het geheel atypisch, aangezien de woorden vaak dienen als bijschrift bij de afgebeelde gebeurtenissen, in plaats van de heilige tekst weer te geven. In dit drietalige manuscript, dat grotendeels in het Anglo-Normandisch is geschreven, speelt het Engels een kleine maar belangrijke rol. De taal komt alleen voor in verband met herders. In een humoristische en cryptische miniatuur gaat de aankondiging verloren in de vertaling: “Gloria in excelsis”, zingt de engel, maar de herders spreken geen Latijn. “Glum glo. . .”, probeert een man, in een slordige en keelklinkende imitatie, voordat hij toegeeft dat hij onzin uitkraamt (“ceo ne est rien”).

Een engel verschijnt aan de herders/Op bezoek bij het kind

Een tweede scène op dezelfde pagina toont de herders die bij de kribbe aankomen (zie hierboven), waar ze Maria, Jozef en het kindje Jezus aanschouwen. Plotseling overstijgt hun spraak de grenzen van de taal: deze herdersfiguren zingen nu in perfect Latijn, vanuit boekrollen die zich van hun tong afrollen. “Dat herders aanvankelijk geen Latijn kunnen zingen, is te verwachten”, schrijft Richard K. Emmerson, “dat ze dat later wel kunnen, is wonderbaarlijk”. Nog wonderbaarlijker is dat het Middelengels afwisselt met Anglo-Normandisch in een stijl die doet denken aan macaronische liederen. “Songen alle wid one steuene / Also the angel song that cam fro heuene: [Middelengels] / ‘Te deum et Gloria.’ [Latijn] / La contenance veyez cha [Anglo-Normandisch]”. Zoals Christopher Baswell uitlegt, zou dit “muzikale, engelachtige Latijn wel eens de taal van de openbaring kunnen zijn” — wat het welgestelde, Anglo-Normandische lezerspubliek van deze bijbel zou verwachten — maar “de unieke en explosieve verschijning” van het Middelengels dient om de scène te authenticeren in een volkstaal die geleidelijk aan literair en kerkelijk prestige verwierf. “They all sang in one voice” (Songen alle wid one steuene) beschrijft het koorlied, maar lijkt ook vooruit te wijzen, naar de toekomst van het schrijven in Engeland. (Hunter Dukes The Public Domain Review)

Holkham Bible De Schepping
Zie je de Almachtige
scheppend tussen schoonheid
van wat wij gewoon gedierte noemen;
voel je dan ook
die aandrang
zachtjes te zeggen:
'Die mens, God, moest dat nu?'
Holkham Bible De Schepping. De Schepper

Rondreizend volkskunstenaar Ammi Phillips (1788-1865)

Ammi Phillips, Girl in Red Dress with Cat and Dog, 1830-1835 American Folkart Museum

Hij, Ammi Phillips maakte er misschien een duizendtal, begin negentiende eeuw, actief midden 1810 tot in de vroege jaren 1860, in Connecticut Massachusetts en New York. Geduid als ‘primitive art’, folk art, ‘provincial art’ en ‘itinerant art’. Zonder opleiding, direct naar het leven. Slechts elf werken zijn gesigneerd.

De herontdekking van Phillips begon in 1924, toen een reeks portretten van vrouwen – die voorovergebogen in driekwart-profiel waren afgebeeld en donkere jurken droegen – te zien waren op een antiekbeurs in Kent, Connecticut. De anonieme schilder van deze kleurrijke werken, die uit de jaren 1830 dateren, werd bekend als de „Kent Limner“, naar de plaats waar ze aan het licht waren gekomen. Het duurde nog tot in 1958 om verschillend geduide kunstenaars tot één naam te herleiden. Rond 1976 waren er ongeveer 400 schilderijen aan Ammi Phillips toegeschreven.

Wilbur Sherman, 1815, Yale University Art Gallery. Ammi Phillips

Phillips werd op 24 april 1788 in Colebrook, Connecticut, geboren als zoon van Samuel Phillips (1760–1842), een boer van beroep en veteraan uit de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog, en zijn vrouw Millea Phillips (1763–1861). Hij was een van elf kinderen en leidde een leven dat zich uitstrekte van het presidentschap van George Washington tot de Amerikaanse Burgeroorlog.

De naam “Ammi” (volledig “Ammiruhamah”) is bijbels. Deze naam werd in de 17e en 18e eeuw veel gebruikt door congregationalisten. Andere dragers van deze naam zijn onder meer Ammi Ruhamah Cutter en Ammi Ruhamah Mitchell.

Phillips verliet zijn ouderlijk huis ergens vóór 1810, en de eerste gesigneerde portretten van Phillips dateren uit 1811, wat betekent dat hij toen zijn carrière als portretschilder begon.

(Wkipedia)

Henrietta Door, 1814, Princeton University Art Museum, an example of Phillips’s earlier work

Phillips verliet het ouderlijk huis ergens vóór 1810 en trouwde op 18 maart 1813 in Nassau, New York, met Laura Brockway. De familie van Laura Brockway had wortels in Sharon, Connecticut. Na de dood van zijn eerste vrouw trouwde Phillips opnieuw, woonde een tijdje in Amenia, New York, en vestigde zich vervolgens in 1836 in Kent en Sharon, Connecticut. Zijn portretten uit de ‘Kent-periode’ worden gekenmerkt door donkerdere composities, vaak met heldere kleurvlakken, en elegante, gracieuze houdingen en gezichtsuitdrukkingen.

Boy in red. (ca. 1832). Amni Phillips.

Aan zelfvertrouwen ontbrak het Phillips niet. Hij profileerde zich als een modieuze portretschilder en richtte zich vooral op middenklas-handelaars, artsen en vooraanstaande figuren uit de gemeenschap. Net als veel andere rondreizende kunstenaars ontwikkelde Phillips een werkwijze die zowel artistiek als winstgevend was.

“We hebben de neiging om het beeld van de volksschilder in de 19e eeuw te romantiseren, terwijl de volksschilder in feite in alle opzichten een rondtrekkende zakenman was,” zei Robert Bishop, voormalig directeur van het Museum of American Folk Art, in 1985 over het werk van Phillips. “Hij kwam in de stad aan, maakte reclame, regelde zijn klanten, schilderde zijn portretten zo snel mogelijk, liet zich zo goed mogelijk betalen en trok verder. Dus bijna al deze mannen ontwikkelden een formule waarmee ze snel en gemakkelijk konden schilderen.” (AuctionDaily)

Ammi Phillips Mrs. Mayer and Daughter. (96.2 x 87 cm) 1835-40. The Met
‘Henry Teller’ ca 1835 Ammi Phillips.

“Hoewel hij een autodidact was, verwierf Phillips bekendheid om zijn briljante composities en werd hij beschouwd als een meester in kleur en vormgeving. Juist dit kleurgebruik verbindt Phillips met de volkskunstbeweging, aangezien felle tinten door de traditionele portretschilders van die tijd doorgaans werden gemeden. Net als bij andere volkskunstenaars waren ook de schilderijen van Phillips zeer gedetailleerd, maar duidelijk naïef en niet fotorealistisch, hoe prachtig ze ook waren uitgevoerd. Je hoeft alleen maar naar de handen van zijn modellen te kijken om te beseffen dat Phillips inderdaad een autodidact was.” (Art Experts)

Maar…was hij misschien zijn tijd vooruit, zijn vormgeving zou in de 20-21ste eeuw ten zeerste ‘modern’ genoemd worden. Lichtinval, concentratie, en met die handen is er niet zoveel aan de hand als je dit prachtige portret bekijkt uit 1848-50. In 2008-2009 was er een expositie waarin Ammi Phillips samen met Mark Rothko (1903-1970) onder de titels ”The seduction of Light’ en ‘Compositions in Pink, Green, and Red’ werden samen gebracht.

mmi Phillips Untitledca. 1848-60oil on canvas33 1/2 x 27 1/2 in.gift of Shari Hubner2015.062

“Ammi Phillips (1788–1865) and Mark Rothko (1903–1970), two American masters disparate in time, place, and presentation, pursued the soul-thirsting creation of inner light through the “realm of the canvas,” as Rothko once termed it. For Rothko, the surface of a canvas presented limitless space to be explored with intrepidity into great distances and with mythic dramas enacted in each succeeding layer. Phillips did not penetrate the “mysterious recesses” of the canvas quite as deeply but worked closer to the surface in shimmering light-filled or velvety dark-filled spaces that seem to exist apart from the known world.” (Folkartmuseum.org.)

“Ammi Phillips (1788–1865) en Mark Rothko (1903–1970), twee Amerikaanse meesters die qua tijd, plaats en stijl mijlenver uit elkaar staan, streefden naar het scheppen van innerlijk licht dat de ziel doet smachten, via het ‘rijk van het doek’, zoals Rothko het ooit noemde. Voor Rothko bood het oppervlak van een doek een grenzeloze ruimte die onverschrokken kon worden verkend tot in de verte, met mythische drama’s die zich in elke opeenvolgende laag afspeelden. Phillips drong niet zo diep door in de ‘mysterieuze krochten’ van het doek, maar werkte dichter bij het oppervlak in glinsterende, met licht gevulde of fluweelzachte, met duisternis gevulde ruimtes die los lijken te staan van de bekende wereld.”

Nog tijdens Ammi Phillips’ leven kwam er een nieuwe vinding die de ver-beelding op een bijzondere manier zou aanspreken. De fotografie. Daguerrotypes en ambrotypes (1839-1869) waren voorlopers van foto’s op papier en karton. Sommige composities in zijn werk bewijzen dat Phillip’s al enige kennis van het nieuwe medium bezat. De Victoriaanse tijd zou de zichtbaarheid van de burger beetje bij beetje vergroten. Ook in de kunst.

Ammi Phillips, Portrait of a Woman (Double-Sided) (Circa 1810).

Kijk ook naar:

Klei en brons als teken van leven : Khaled Dawwa (°1985)

“Une cellule individuelle” (2016), terracotta and wood, 15 x 15 x 5 centimeters

Of ze nu in een doos zijn gevouwen, gebonden door koorden, of gefragmenteerd en gestapeld, deze reeksen naamloze figuren die door de in Parijs gevestigde Syrische kunstenaar Khaled DAWWA (°1985) zijn gemaakt, tonen duidelijk een vorm van opsluiting. Hun lichamen worden verwrongen in kooien of in elkaars armen geperst. Iedereen kijkt weg of naar beneden, een positie waardoor ze de macht missen om zich te bevrijden. Gegoten in dichte blokken, weerspiegelen de introspectieve sculpturen de voorkeur van de kunstenaar voor terracotta en brons. “Alles wat we uit de oude geschiedenis hebben ontvangen, is met deze twee materialen vorm gegeven.” verklaart hij.

Liberté” (2019), terracotta, 35 x 16 x 13 centimeters

Deze serie beelden noemde hij de Compressed serie. Ontstaan uit eigen ervaringen. In het Amerikaanse tijdschrift ‘Colossal vertelt hij: “Dit project werd geïnspireerd door mijn verblijf op verschillende plaatsen tijdens een korte periode: detentie en verplichte militaire dienst in Damascus voor vier maanden, dan naar Libanon voor een jaar en uiteindelijk aankomen in Parijs.

“Bij aankomst in Frankrijk voelde ik me in eerste instantie bevrijd van dit alles. Toen realiseerde ik me dat de Fransen hun leven leiden in een complex systeem dat hen verandert in “gecomprimeerde mensen” en dat we dit gemeen hadden. Dit is de eerste serie waarin ik kijk naar mensen buiten Syrië.” (Colossal)

Vorig jaar, 2025, presenteerde het museum ‘Beelden aan zee’ zijn installatie ‘Voici mon coeur!’ (Ziehier mijn hart.) Dit zes meter lange, hedendaagse oorlogsmonument uit de collectie van het Mucem heeft de vorm van een ruïneuze gevelwand in een door geweld geteisterd Damascus. Khaled Dawwa maakte het werk van ongebakken klei, waardoor het een extra kwetsbare uitstraling krijgt.

Je begint aan de ruïnes te wennen, maar stel je voor dat jouw woonplaats, jouw straat, jouw huis…

In onze bijdrages bespraken we meermaals gedichten van de Poolse dichter Adam Zagajewski. Dit gedicht verscheen in The New Yorker bij de aanslagen op de Twin Towers maar werd een jaar eerder geschreven. Een mooie vertaling van Gerard Rasch in Mystiek voor Beginners Meulenhoff 2003.

Probeer de verminkte wereld te bezingen

Probeer de verminkte wereld te bezingen
Denk weer aan die lange junidagen,
aan de rozijnen, de druppels van de rosé.
Aan de distels die de verlaten erven
van ontheemden stelselmatig overwoekerden.
Je moet de verminkte wereld bezingen.
Je hebt sierlijke zeiljachten en schepen gezien;
een ervan had een lange reis voor de boeg,
een ander wachtte slechts het zoute niets.
Je hebt vluchtelingen gezien die nergens heen gingen,
beulen gehoord die een lied van vreugde zongen.
Je moet de verminkte wereld bezingen.
Denk aan de momenten waarop jullie samen
in de witte kamer waren en de vitrage bewoog.
Keer terug naar dat concert, toen de muziek losbrak.
In de herfst verzamelde je eikels in het park
en de bladeren wervelden boven de littekens
van de aarde. Bezing de verminkte wereld
en het grijze veertje, dat een lijster heeft verloren,
en het zachte licht dat dwaalt en verdwijnt
en steeds terugkomt.

Conservator Dick van Broekhuizen van museum Beelden aan Zee, bezocht de kunstenaar in Parijs toen hij dit project bijna had voltooid. Een mooie documentaire door Studio Gerrit Schreurs, toont je opzet en uitvoering. Gebruik groot scherm.

Geboren in 1985 in Syrië, behaalde Khaled Dawwa in 2007 het diploma van de School voor Schone Kunsten in Damascus, beeldhouwsectie. Sindsdien verwees het werk van Khaled Dawwa naar een universum vol verwachting. Maar waar hij nog in miniatuur zijn gekwetste vaderland liet zien worden we nu dagelijks geconfronteerd met een levensgrote versie op diverse plaatsen; Gaza, Midden Oosten, Libanon, Oekraïne, Myanmar, Soedan, DR Congo, Jemen…Het werk van een kunstenaar verbindt die werelden en vraagt luidop naar het hoe en waarom. Het visualiseert deze wereld in een menselijk bevattelijk formaat en verbindt daardoor de grote wereld met ons dagelijks bestaan.

‘Uwe excellenties’. Khaled. Dawwa (Deborah Rakers)

Friedrich von Amerling, tussen thuis en de wereld

wood carving close up photo

Er zit een glimlach achter het woord ‘Biedermeier’. Maar zoals vrijwel elke periode was de Biedermeier-periode een reactie op de vorige, de overladen empire-stijl, Romeinse ornamenten. Er leefde bij de burgerij een groot verlangen naar huiselijkheid. Zwaarden ingewisseld voor zwanen. Lichte houtsoorten en geen verguldsel. En in de muziek wijkt het classicisme voor de 18de eeuwse romantiek ook. ‘An die Musik.’

Du holde Kunst, in wieviel grauen Stunden,
Wo mich des Lebens wilder Kreis umstrickt,
Hast du mein Herz zu warmer Lieb' entzunden,
Hast mich in eine beßre Welt entrückt!

Oft hat ein Seufzer, deiner Harf' entflossen,
Ein süßer, heiliger Akkord von dir
Den Himmel beßrer Zeiten mir erschlossen,
Du holde Kunst, ich danke dir dafür!

Friedrich von Amerling ‘In Träumen versunken (1835)

Je zou het Congres van Wenen 1815 kunnen nemen als begin, en het revolutiejaar 1848 als overgang waarin weer de neostijlen populair werden zoals de neo-gotiek. Was de Biedermeier typisch Oostenrijks-Duits, de Neo’s bloeiden op in de Engelse gebieden. Bleef Biedermeier beperkt, de Neo-stijlen kenden een langere sympathie tot het overvloeien in de Jugendstil begin twintigste eeuw. De samenloop met de waardering voor het gezinsleven,, de kleine thuis-wereld gaf Biedermeier vaak ten onrechte zijn muffe bijklank in een wereld waar ‘grootse’ daden met talrijke slachtvelden als consequentie ook een technische expansie kende waarin het huis en zijn bewoners een schuilplaats werd, een wereld apart waarin het goede leven voor meer (gegoede) burgers bereikbaar werd.

Biedermeier-Zimmer MitteMosel-Museum Barockvilla Böcking (klik op onderschrift om te vergroten)

“De naam ‘Biedermaier’ werd voor het eerst gebruikt door Ludwig Eichrodt (1827-1892) die in de Münchener Fliegende Blätter gedichten parodieerde van een schoolmeester uit Schwaben die hij Biedermaier noemde en die in 1869 verschenen als Biedermaiers Liederlust. De aard van deze geparodieerde poëzie was vriendelijk en naïef, waarbij onderwerpen gekozen waren uit het alledaagse gezinsleven. De naam ‘Biedermaier’ werd tot de term ‘biedermeier’ om er de typische bourgeoiscultuur mee aan te duiden van de periode 1815-1870. Meestal wordt de term gebruikt ter aanduiding van de meubelstijl die op de empire-stijl volgde, maar ook wordt er de levensopvatting mee aangegeven die in die tijd getuigde van liefde voor orde, aandacht voor het kleine en concrete, en voorliefde voor het vriendelijke en ‘gezonde’ of normale. Dit alles dan vaak overgoten met een sausje romantiek. Het is de wereld van de bourgeoismoraal, de ‘huiselijkheid’, waarin uitersten vooral vermeden dienen te worden. Voor de kunst in het algemeen geldt dat ze moet voldoen aan de eisen van de geldende moraal, het lagere niet mag weergeven en dat ze ‘waarheidsgetrouw’ moet zijn; in de kritiek telkens terug te vinden in de trits ‘goed-schoon-waar’.”

(Algemeen letterkundig lexicon (2012-…)

Friedrich Amerling 1834. Radierung (ets)Franz Xaver Stöber nach Joseph Danhauser

Studies in Wenen daarna naar Praag(1824) naar zijn oom Heinrich om zich verder te bekwamen in Londen, Parijs en Rome om in 1828 terug naar Wenen te keren waar hij – opdrachten van het Oostenrijkse keizerhuis, de adel en de bourgeoisie uitvoerde. Amerling ondernam uitgebreide studiereizen tijdens zijn leven: in 1836 en 1838 naar Italië, 1838 naar Nederland, 1839 naar München, 1840-1843 naar Rome, 1882 naar Spanje, 1883 naar Engeland, 1884 naar Griekenland, 1885 naar Scandinavië naar de Noordkaap en in 1886 naar Egypte en Palestina. Zijn schilderij, tentoongesteld in Wenen in 1838, De jonge oosterse vrouw veroorzaakte opschudding en in de daaropvolgende maanden leidde tot een stortvloed aan gedichten (waaronder van Levitsching) in de Oostenrijkse pers, die het schilderij en zijn onderwerp prees..

Friedrich Amerling ‘De jonge Oosterse Vrouw’. 1838

Hoewel de kunstenaar dit schilderij de provocerende titel ‘Jonge Oosterse vrouw’ heeft gegeven, is het duidelijk dat het model niet Aziatisch is, maar slechts een Turks kostuum draagt. De weelderige stoffen en het stralende licht creëren een exotische sfeer, die de westerse fascinatie voor ‘oosterse’ beelden en thema’s duidelijk maakt. Maar als hij zijn broertje ‘Andreas (1821-1879) schildert in 1829, het jongetje is dan acht jaar, kiest hij een heel gewone houding van een achtjarig kind, dromend, verveeld en een beetje droevig. Een jaartje later schildert hij ook broertje Joseph die hij dan weer laat opkijken en je weet dat hij elk ogenblik kan weglopen, of…?

Portret van Andreas Amerling, broer van de kunstenaar. 1829
Portret van broertje Joseph. 1830

Amerling was vier keer getrouwd: in 1832 tot haar dood in 1843 met Antonie Kaltenthaler, 1844 tot de scheiding in 1845 met Katharina Heißler, in 1857 tot haar dood in 1880 met Emilie Heinrich, en in 1881 met Maria Nemetschke, voorheen getrouwd met Paterno. In 1878 werd Amerling verheven tot de adel en sindsdien werd Friedrich benoemd tot Ridder von Amerling. Als een van de meest gerespecteerde kunstenaars in Wenen ontving hij tal van belangrijke schrijvers en muzikanten (zoals Franz Liszt) bij hem thuis.

Portret van Franz Listz 9 mei 1838

Een lijst met 130 werken kun je vinden

https://www.wikidata.org/wiki/Wikidata:WikiProject_sum_of_all_paintings/Creator/Friedrich_von_Amerling

Zelfportret. 1834 (50,5 x 41,5 cm)

Het zelfportret uit 1834, met een krappe halslijn en het hoofd naar links gedraaid, is de eerste van vijf profielafbeeldingen. Elegantie en een even ernstige als zelfbewuste gelaatsuitdrukking kenmerken het portret van de 31-jarige kunstenaar met geknipte bakkebaarden. Kunstenaarsattributen ontbreken.
De witte opstaande kraag en het rood van de nonchalant geknoopte halsdoek vormen opvallende kleuraccenten die contrasteren met het fluweel van de donkere jas. In tegenstelling tot zijn doorgaans geïdealiseerde vrouwenportretten wordt hier, net als in andere mannelijke portretten van zijn hand, duidelijk het streven naar het vastleggen van de persoonlijkheid zichtbaar. Tot op hoge leeftijd ontstonden er “karakterportretten” van hemzelf, die dienden als studies in schildertechniek. Dat verklaart waarschijnlijk de grotendeels onbewerkte achtergrond, waarin de linnen structuur zichtbaar is, in dit werk dat afkomstig is uit de nalatenschap van het atelier. (DOM Quartier Salzburg. Sammlung Online)

Friedrich von Amerling. Jong slapend meisje

De invloed van Friedrich Ritter von Amerling reikte verder dan zijn eigen oeuvre; hij heeft de artistieke gevoeligheid van volgende generaties gevormd en de positie van de academische traditie binnen de Weense kunst versterkt. Zijn onwankelbare toewijding aan klassieke idealen vormde een tegenwicht voor de opkomende impressionistische tendensen, waardoor realisme en geïdealiseerde schoonheid nog decennia lang de boventoon bleven voeren in de Oostenrijkse schilderkunst. Tegenwoordig bevinden Amerlings werken zich voornamelijk in musea in heel Europa – waaronder het Musée Maurice Denis in Parijs – waar ze nog steeds bewondering oogsten vanwege hun technische briljantheid en expressieve kracht.

(Wahoo Art)

Dat hij ook oog had voor grappige taferelen bewijst dit mooie doek: ‘In de (ver)kleedkamer van het theater. De Theater-garderobe.

der Theater Garderobe

Wist uit ervaring wat het missen van een ’thuis’ was en schilderde in bijzonder zacht licht: vader, Rudolf von Arthaber met kinderen Rudolf, Emilie en Gustav. (1837) De schilder heeft hen geportretteerd terwijl ze naar het portret van de pas overleden vrouw van Rudolf von Arthaber kijken. Kijk naar de blik van de man, naar het dromerige van het zittende jongetje in tegenstelling met de onschuldige zorgeloosheid van de kleinste kinderen. Overal ligt nog het speelgoed van de bende.
Tot in de rechtse uithoek onderaan van het doek.
Op de zetel achteraan ligt achteloos een kledingstuk en open boeken.
Het theestel staat ordeloos op het tafeltje.
De afwezige is duidelijk afwezig.

Maar ook de machteloosheid als zijn zoon met zijn voornaam Friedrich (Fritz) ziek is en sterft (1850); hij zal slechts zeventien worden; net zoals zijn moeder Antonie en tante overleden aan een longziekte.

Bekijk een mooie collectie:

https://artvee.com/artist/friedrich-von-amerling/page/1

Friedrich von Amerling Zelfportret. 1846

Dit mooie zelfportret van 1846, hij is dan 43 jaar. Met bijna evenveel toekomst als verleden. Het is een dromend portret. Ik denk aan de Oostenrijkse vrouwelijke dichter Marie von Ebner-Eschenbach ‘Der Gedanke an die Vergänglichkeit’:

"Der Gedanke an die Vergänglichkeit
aller irdischen Dinge
ist ein Quell unendlichen Leids -
und ein Quell unendlichen Trostes."

"De gedachte aan de vergankelijkheid
van alle aardse dingen
is een bron van oneindig leed -
en een bron van oneindige troost."

Friedrich von Amerling Meisjesportret 1830