Reisgezel (5) Carl Wilhelmson 1866-1928

Kerkgangers in een boot (1909) Stockholm National Museum Klik op onderschrift om e vergroten

Leek het even dat hij de weg van de lithografie zou opgaan toen hij in 1881 als leerling-lithograaf begon bij Meyer & Köster in Göteborg waar hij als tekenaar werkte, maar het was met dat salaris dat hij ook nog eens vier semesters lang avond- en weekendlessen kon volgen bij de school voor Design en Ambacht. Later werd Wilhelmson fulltime student aan de Valand Academie onder de vooraanstaande schilder Carl Larsson. Op aanbeveling van Larsson en het bedrijf Meyer & Köster ontving Wilhelmson in 1888 een reisbeurs van de Handels- academie om zijn blik te verruimen. Hij gebruikte deze voor een uitgebreide studiereis naar Leipzig.

Met zijn eigen spaargeld reisde hij vlak voor het Nieuwjaar van 1890 vervolgens naar Parijs, waar hij een aantal jaren woonde en atelier volgde bij Paul Sérusier en Maurice Denis in de Julian Académie. met uitzondering van de zomermaanden, dan keerde hij steevast terug naar zijn ouderlijk dorp, het vissersdorpje Fiskebäckskil.

In de dorpswinkel. 1896

Dat Wilhelmson al op jonge leeftijd artistieke aanleg toonde, was niet zo vreemd, want zijn vader tekende graag boten en kustlandschappen. Hij overleed echter bij een schipbreuk toen Wilhelmson slechts negen was. Zijn moeder opende een winkeltje om in het dagelijks onderhoud te voorzien.

In Parijs werkte hij als reclame-illustrator, zoals blijkt uit enkele bewaard gebleven schetsboeken. Maar er is weinig bekend over zijn jaren tot 1896, toen hij definitief naar Zweden terugkeerde. Nadat hij in 1896 naar Göteborg was verhuisd, werd hij door Pontus Fürstenberg, de financier van de Valand Schilderschool, uitgenodigd om directeur van de school te worden. Hij hield die functie tot 1910, daarna richtte Wilhelmson zijn eigen kunstacademie op in Stockholm en gaf daar zeventien jaar les, van 1911 tot aan zijn dood.
De route die Carl Wilhelmson aflegde, is vergelijkbaar met die van andere artistieke landgenoten. Veel kunstenaars kozen ervoor om Zweden in hun jonge jaren te verlaten om op het continent te studeren, te werken en inspiratie op te doen. Geleidelijk aan nam heimwee de overhand, net als de fascinatie voor alles wat het Zweedse thuisland te bieden had.

”Vermoeid’. 1898. 1898; Oil on canvas; Nationalmuseum, Stockholm; 115 x 90 cm.
In de Studio. 1912. Private Collection. 118 x 128cm

Op de kunstacademie van Carl Wilhelmson werd Mollie Faustman de „massière” van de school, degene die de orde handhaafde, en zij werkte jarenlang nauw samen met Wilhelmson. In de monografie van Axel Romdahl over Carl Wilhelmson beschrijft Mollie Faustman hem als volgt: „ Het meest kenmerkende aan Carl Wilhelmson als docent was misschien wel zijn voorzichtigheid, zijn angst om de leerling in diepere zin te beïnvloeden. Hij was er vast van overtuigd dat ieder mens iets unieks heeft dat hem of haar van alle anderen onderscheidt en dat hij of zij daarom, als hij of zij als kunstenaar in staat is om deze eigenheid tot uitdrukking te brengen, ook iets te bieden heeft dat niemand anders kan bieden.”

Het Paar (1910). 1910;
Oil on canvas; Finnish National Gallery, Helsinki; 80.5 x 54.5 cm.
Herfstdag Fiskebäckskill (1915)

In 1901 huwde hij met kunsrenares-schilder Albertina Kerfstedt. Een van hun kinderen, Ana Wilhelmson-Lagerlan werd ook schilder.

De nationale romantiek was een beweging die tot uiting kwam in de kunsten. Op dat moment maakte Zweden een periode van snelle veranderingen door, die gepaard gingen met industriële en sociale onrust. Tussen 1879 en 1893 zorgden een economische recessie in Zweden en een economische bloei in de VS ervoor dat jaarlijks ongeveer 34 000 Zweden naar Noord-Amerika emigreerden. Rond de eeuwwisseling transformeerde Zweden van een agrarische economie tot een industriële natie. Het aantal arbeidskrachten in de landbouw bereikte rond 1880 een hoogtepunt en werd begin jaren 1930 overtroffen door het aantal arbeidskrachten in de industrie. Landbouw en industrie werden onderling afhankelijk: de landbouw vertrouwde in toenemende mate op machines en kunstmest, terwijl de industrie profiteerde van een instroom van arbeidskrachten . Tegen de achtergrond van deze sociaal-politieke factoren bloeide het nationaal-romantisme in de kunsten op. Tegen het begin van de 20e eeuw werd het de dominante ideologie. In heel Europa wilden nationaal-romantici dat verandering in overeenstemming zou zijn met cultuur, geschiedenis, tradities en waarden; de Zweden promootten echter ook het modernisme. “Het Zweedse’’ werd geassocieerd met een verbondenheid met de natuur, een geloof in gelijkheid en een bereidheid tot compromissen (Oxfard Academic)

Carl Wilhelmson: Portret van Carl Eldh, kunstenaar 1873-1954. P. 1924

Vertrek (1895). Oil on canvas; Private Collection; 90 x 90 cm.

De nationale romantiek was een stroming die in verschillende delen van Europa, zoals Bohemen en Rusland, tot uiting kwam in de kunst en de architectuur. In de muziek van de Noordse landen kwam het nationalisme sterk tot uiting. Grieg, die twee decennia eerder was geboren dan andere Scandinavische nationalistische componisten, was de eerste die volksmuziek en traditionele liederen in zijn composities verwerkte. Andere Scandinavische componisten werden binnen enkele jaren na Wilhelmson geboren. Zo werden Nielsen en Sibelius een jaar vóór Wilhelmson geboren en de Zweedse componisten Stenhammar en Alfvén respectievelijk vijf en zes jaar daarna. Hun muziek is onmiskenbaar Noord-Europees – denk maar aan Griegs Peer Gynt, gebaseerd op het toneelstuk van Ibsen, en Finlandia van Sibelius. Ook kunstenaars brachten hulde aan de cultuur, het land en de bevolking van hun land. De periode tussen ongeveer 1905 en 1920 wordt beschouwd als het ‘zilveren tijdperk van de nationale romantiek’ in Zweden. (Oxfard Academic)

September Evening (1928)
1928; Oil on panel; Private Collection; 41 x 32.5 cm.

Reisgezel(2): ‘Les Jardins publiques’ Edouard Vuillard

Les Jardins Publiques. (klik op onderschrift om te vergroten)

De reeks „Jardins publics“ bestaat uit negen panelen die in 1894 door Alexandre Natanson werden besteld voor zijn herenhuis aan de Avenue du Bois in Parijs, tegenwoordig de Avenue Foch. Natanson was directeur van La revue blanche, een kunst- en literair tijdschrift dat onder meer de groep van de Nabis onder zijn vleugels had, waarvan Vuillard deel uitmaakte. De reeks was opgehangen in een grote ruimte, die zowel als salon en als eetkamer diende. Deze voorstelling van spelende kinderen, vergezeld door hun kindermeisjes, paste bijzonder goed bij de familiale sfeer van de opdrachtgevers, die ouders waren van drie kleine meisjes.

La Promenade

Deze panelen zijn in 1929 verspreid geraakt, maar vijf ervan worden bewaard in het Musée d’Orsay. Ze worden in een rechte hoek tentoongesteld, net als in hun oorspronkelijke opstelling. Elke compositie staat op zichzelf en heeft een ondertitel, maar ze zijn allemaal met elkaar verbonden door de continuïteit van de ruimte – aarde en hemel –, het licht en de kleuren: harmonieën van beige, groen en blauw, verlevendigd door enkele rode accenten. Zonder oog voor topografische nauwkeurigheid doen sommige panelen denken aan de Tuilerietuin, andere aan het Bois de Boulogne, dat grenst aan het Hôtel des Natanson.

Sous les arbres

Het plein-air-thema, de natuur in de stad, getuigt van de impressionistische erfenis, met name die van Monet. Het decoratieve aspect doet denken aan de middeleeuwse wandtapijten die Vuillard in het Musée de Cluny bewonderde. De schilder experimenteert hier voor het eerst op deze schaal met de effecten van lijmschilderkunst waardoor dit matte uiterlijk ontstaat, vergelijkbaar met dat van de fresco’s van Piero della Francesca, en dat hij later in al zijn decoratieve werken toepast. Tenslotte is de invloed van de Japanse prentkunst en kamerschermen merkbaar in de opstelling van vormen en leegtes, de decentreringen en de symmetriebreuken.

Jeunes filles jouants

De techniek van lijmschilderen mengt een lijm (in plaats van olie) op basis van konijnenhuid met pigmenten, terwijl ze wordt verwarmd, daarna aangepast op het canvas. 
Het is een techniek dicht bij tempera, gemaakt van eigeel, en verspreid in Europa in de 13de en 14de eeuw, veel gebruikt door Italiaanse renaissanceschilders. 


In de 19de eeuw is het een techniek die vaak wordt gebruikt voor de realisatie van theatersets. Vuillard heeft talloze sets voor Parijse theaters uitgevoerd. Hij gebruikt deze techniek van lijmschilderen om deze panelen hun matte uitstraling te geven, die aan de muurschilderingen van de Renaissance herinnert.

Lijmverf, ook wel lijmtempera genoemd, is een verfsoort die gemaakt wordt uit dierlijke lijm, bijvoorbeeld uit beenderlijm of huidenlijm. De gelatineachtige lijm wordt lang geweekt, vervolgens opgelost in warm water, waarna er pigment doorheen gewreven wordt.(La detrempe) De verf is mat van kleur, en niet watervast. Lijmverf schilderijen op doek werden Tüchlein genoemd. (Wikipedia)

Les deux écoliers Musées royaux des Beaux-Arts de Belgique, Bruxelles

Vuillard se montrera toujours sensible à la perception que les enfants ont de l’espace. Les Petits Écoliers, guetteurs éphémères, témoins d’un ballet fantomatique d’ombres qui peuplent, au loin, les frondaisons de ces Tuileries recomposées en sous-bois symboliste, sont un des panneaux les plus saisissants. (en meer via hieronder aangeduide bronnen)

Bezoek:

Vuillard et le regard intmiste

Het was vooral die ‘regard intime’ die mij aansprak. Helaas is het een beetje behelpen met de digitale reproducties. Is je bibliotheek geabonneerd op ‘Connaissance des Arts’ dan vind je een degelijke bijdrage van Frank Claustrat in de jaargang 2003, oktober nr 609. De stilte in Vuillards werk en de plaats voor het (Japanse) lege maakten deze kunstenaar een boeiende reisgezel. Het wonderlijke zoekt altijd de leegte op. Net zoals de stilte. Daar is veel mogelijk.

(mooie gedetailleerde film (28:56). over deze schilderijen; altijd via youtube terug te vinden: ‘Les allées du souvenir”

Reisgezel (1): Robert Graves (1895-1985)

teenager looking through camera lens
Photo by Gizem Gökce on Pexels.com

1915

I’ve watched the Seasons passing slow, so slow,
In the fields between La Bassée and Bethune;
Primroses and the first warm day of Spring,
Red poppy floods of June,
August, and yellowing Autumn, so
To Winter nights knee-deep in mud or snow,
And you’ve been everything.

Dear, you’ve been everything that I most lack
In these soul-deadening trenches—pictures, books,
Music, the quiet of an English wood,
Beautiful comrade-looks,
The narrow, bouldered mountain-track,
The broad, full-bosomed ocean, green and black,
And Peace, and all that’s good.

Robert Graves (1895-1985)

vibrant red poppies in a sunny field
Photo by Yakup Tuğ on Pexels.com

1915

Ik heb de seizoenen langzaam voorbij zien gaan, zo langzaam,
In de velden tussen La Bassée en Bethune;
Sleutelbloemen en de eerste warme lentedag,
Rode papavers in juni,
Augustus en de vergelende herfst, tot
De winternachten, kniediep in modder of sneeuw,
En jij was alles.

Liefste, je was alles wat ik het meest mis
In deze zielsdodende loopgraven – foto’s, boeken,
Muziek, de stilte van een Engels bos,
Vriendelijke blikken van kameraden,
Het smalle, met rotsblokken bezaaide bergpad,
De brede, weelderige oceaan, groen en zwart,
En vrede, en al het goede.

Robert Graves

sunlight between trees in forest
Photo by Bart Ros on Pexels.com

Het gedicht „1915“, dat door wetenschappers wordt beschouwd als gericht aan Robert Graves’ jeugdliefde, G. H. „Peter“ Johnstone, verscheen in de bundel Fairies and Fusiliers (William Heinemann, 1917), die Graves schreef tijdens zijn diensttijd in de Eerste Wereldoorlog. Over de dichter schrijft Dustan Ward, een gepensioneerd hoogleraar Engels aan het University of London Institute in Parijs, in zijn essay ‘Poetic Correspondence: The Verse Letters of Robert Graves’, gepubliceerd in The Robert Graves Review, nummer 3: ‘Graves’ romantische visie op Johnstone had hem door alle verschrikkingen van de oorlog heen geholpen: ‘Lieve schat, je bent alles geweest wat ik het meest mis / in deze zielsdodende loopgraven,’ schreef hij. In oktober 1915 had hij [Johnstone] in idealistische bewoordingen beschreven als ‘mijn beste vriend, een dichter lang voordat ik er ooit een zal zijn, een stralend en ongewoon wezen.’”

Nog te koop bij veschillende boeken-antiquariaten

“De problemen van Graves’ problematische leven begonnen, zoals zo vaak, op kostschool waar hij gepest werd omdat hij anders was, een dichter en een Duitse naam had (Robert von Ranke Graves). Vijftig jaar later had hij er nog nachtmerries van. De Eerste Wereldoorlog komt aanvankelijk als een welkome onderbreking, maar de andere officieren aan het front blijken al net zulke xenofobische, lompe barbaren te zijn als de jongens die hij op school had meegemaakt. Bovendien was de oorlog niet, zoals verwacht was, voor Kerstmis afgelopen. Graves werd gewond en bleef vierentwintig uur op het slagveld liggen omdat men dacht dat hij dood was (op zijn eenentwintigste verjaardag). Het verslag dat hij in Goodbye to All That (Dat hebben we gehad) van deze ervaring en de rest van zijn jonge jaren geeft, is nog steeds het beste dat er over de Graves van toen verschenen is, vooral als men het leest met de door Paul O’Prey uitgezochte brieven bij de hand. Martin Seymour-Smith vertelt ons over deze periode nauwelijks meer dan we uit Graves’ autobiografie al wisten, maar over de jaren na 1918 is hij uitvoeriger. Graves, die zijn autobiografie in 1929 schreef, was nogal terughoudend over zijn kort daarvoor mislukte huwelijk, een leemte die met dit nieuwe boek is opgevuld.”

Vrij Nederland Boekenbijlage 1982. ‘Afgrijselijk boeiend Het leven en werk van Robert Graves. Antony Paul’ (1982 ) Lees dit bio helemaal via Vrij Nederland 1982:

https://www.dbnl.org/tekst/_vri013boek02_01/_vri013boek02_01_0227.php

Robert Graves, boeiende website:

https://robertgraves.org/galleries

In “Reisgezel” stellen we u graag boeiende persoonlijkheden voor, zoals Robert Graves. Zijn levensloop en werk als reisgids. ‘Careers’ maakt de bedoelingen (of pogingen) duidelijk:

Graves’ carrière besloeg het grootste deel van de 20e eeuw. Hij was als jongeman getuige van de ontwikkeling van het zelfbewuste begrip dat deze eeuw van haar eigen moderniteit had. Hij kwam bijna om het leven terwijl hij vocht voor zijn geloof in de natie en Engeland, in een tijd waarin moderne idealen het motto ‘voor koning en vaderland’ verdrongen door soms tegenstrijdige sociaal-politieke idealen. Hij was getuige van dezelfde omwentelingen en onderging veel van dezelfde beproevingen als zijn avant-gardistische tijdgenoten (zoals Breton, Soupault en Apollinaire in Frankrijk en T.E. Hulme, David Jones en Wyndham Lewis in Groot-Brittannië) tijdens de Eerste Wereldoorlog, maar schreef er, samen met andere dichters zoals Edward Thomas, Wilfred Owen en Siegfried Sassoon, heel anders over. Hij zag dat het weer de verkeerde kant op ging en besloot toen „Goodbye to All That“ te zeggen en het leven op zijn eigen voorwaarden te proberen.

Careers

Father is quite the greatest poet
    That ever lived anywhere.
You say you’re going to write great music—
    I chose that first: it’s unfair.
Besides, now I can’t be the greatest painter and
        do Christ and angels, or lovely pears
        and apples and grapes on a green dish,
        or storms at sea, or anything lovely,
Because that’s been taken by Claire.

It’s stupid to be an engine-driver,
    And soldiers are horrible men.
I won’t be a tailor, I won’t be a sailor,
    And gardener’s taken by Ben.
It’s unfair if you say that you’ll write great
        music, you horrid, you unkind (I sim-
        ply loathe you, though you are my
        sister), you beast, cad, coward, cheat,
        bully, liar!
Well? Say what’s left for me then!

But we won’t go to your ugly music.
    (Listen!) Ben will garden and dig,
And Claire will finish her wondrous pictures
    All flaming and splendid and big.
And I’ll be a perfectly marvellous carpenter,
        and I’ll make cupboards and benches
        and tables and … and baths, and
        nice wooden boxes for studs and
        money,
And you’ll be jealous, you pig!

Robert Graves

Geboren in 1895; Anglo-Ierse vader, Duitse moeder. Soldaat-dichter in WOI met zijn vrienden Sassoon en Owen. Na een mislukt eerste huwelijk en vier kinderen schreef hij afscheid van All That en trok zich terug in Mallorca met dichter Laura Riding (1929). Daar schreef hij zijn best verkopende I, Claudius (1934). Zelden behandelend hetzelfde onderwerp twee keer, leidde zijn roman Het Gouden Vlies hem naar zijn baanbrekende stelling over oude religies De Witte Godin (1948) en naar zijn Griekse Mythen. Hij was een bijbelgeleerde, biograaf, vertaler, maar vooral een dichter. Hij publiceerde meer dan 1200 gedichten. Hij werd verkozen tot hoogleraar poëzie aan Oxford (1961) en kreeg de Queen’s Medal for Poetry (1968). Hij ligt begraven in Deià, Mallorca.

Aspecten van de ‘metamorfose’(3) ‘Ovidius Naso’

De val van Phaëthon naar de Metamorfosen van Ovidius. 1590 (klik op de ondertitel en daarna op prent voor vergroting)

De rit van Phaëthon in de zonnewagen van zijn vader Apollo kent een rampzalige afloop. De paarden hebben de aarde in brand gezet. Rivierbeddingen komen droog te liggen en riviernimfen beklagen hun lot. Neptunus met drietand komt uit de zee omhoog en strekt zijn arm ten hemel. Moeder aarde, met stedenkroon verbeeld als Cybele, steekt haar hoofd uit de aarde en beschermt met een hand haar blik. Atlas zwoegt om het hemelgewelf te torsen. Jupiter gooit bliksemschichten en Phaëthon valt met wagen en al uit de hemel. Een gravure bij het verhaal uit ‘Metamorfosen’ van de Romeinse auteur Publius Ovidius Naso .

“Het jaar 762 ab urbe condita (8 v.C). Publius Ovidius Naso staat op het punt zijn omvangrijke “Metamorfosen” af te sluiten. Hij heeft zes jaar gewerkt aan de vijftien boeken die samen meer dan twaalfduizend versregels bevatten. In het lange gedicht verhaalt hij over 231 gedaanteveranderingen van goden en halfgoden, beginnend bij de schepping van de wereld en eindigend bij Caesar, de goddelijke Julius die in een ster veranderde.” (Marc Holthof ‘De Witte Raaf 1995)

De ontvoering van Europa

“Nog maar net klaar met de “Metamorfosen” of hij wordt verbannen door keizer Augustus. Reden onbekend. Paste hij met zijn frivole Grieks georiënteerde poëzie niet in de hervormingspolitiek van Augustus, of was hij betrokken bij een of andere politieke intrige? Ovidius verbrandde het manuscript van zijn “Metamorfosen”. Maar afschriften ervan waren gelukkig al bij zijn vrienden beland, zodat het werk bewaard bleef. Ovidius werd verbannen naar Tomis (het huidige Constanza in Roemenië) aan de Zwarte Zee. Hij schreef er treurzangen en zijn “Epistulae ex Ponto”, Brieven van aan de Zwarte zee – echte exilliteratuur. Hij stierf er in 17 na Christus, 60 jaar oud. Ook Augustus’ opvolger Tiberius heeft de verbanning van Romes beroemdste dichter nooit ongedaan gemaakt.” (ibidem)

Giambattista Tiepolo, Apollo en Daphne,1 74 3­1 74 5 . Het Louvre, Parijs © Fine Art Images/Heritage Images via Getty Images

“U kent allemaal de verhalen over Daphne die achtervolgd wordt door Apollo en veranderd wordt in een laurierboom, Echo’s ongelukkige liefde voor Narcissus, die zijn eigen spiegelbeeld prefereert en in een bloem veranderd wordt. De twee ouderlingen Philemon en Baucis, die als enigen in hun streek gastvrij zijn voor Zeus en door hem bij hun dood veranderd worden in in mekaar groeiende bomen. Er is het verhaal van Acteon de jager die per toeval de godin Diana naakt ziet baden en door haar in een hert wordt veranderd, dat dan prompt door zijn eigen honden verslonden wordt. Geniaal is de manier waarop Ovidius het moment beschrijft waarop de jager plots beseft dat hij de prooi geworden is. Er zijn Pygmalion, Midas, Ariadne, Jason en de Argonauten, Orpheus, de Centauren en vele, vele anderen. ” (ibidem)

Franz von Stuck Orpheus

Tegenover de proteïsche metamorfose plaatste auteur Canetti het masker. Hij meende dat het masker het definitieve einde was van de metamorfose tussen mens en dier, mens en plant: “Een eindtoestand van de metamorfose is het masker (de ‘figuur’). Eén van de eigenschappen ervan is dat het geen verdere metamorfose toelaat. Het masker (de figuur) is in al haar trekken omgrensd en duidelijk. Het is geen product van de natuur, maar een schepping van de mens. Het is een redmiddel uit het eeuwige fluïdum van de metamorfose. (…) Het masker onderscheidt zich door zijn starheid van alle andere eindtoestanden van de metamorfose (…) De betekenis van het masker is (…) juist eindtoestand te zijn. Het in mekaar vloeien van onduidelijke, half uitgeklaarde metamorfosen die eigen zijn aan de wonderlijke uitdrukkingsmogelijkheden die ieder natuurlijk menselijk gezicht bezit, mondt uit in het masker, het eindigt erin.”
Het masker, het vastleggen, vastroesten van de metamorfose is iets zeer negatiefs en gevaarlijks voor Canetti. Het heeft met macht en geweld te maken. “Masse und Macht”, zelf een zeer veelvormig metamorfisch boek, is in de eerste plaats een reflectie over het fascisme. En precies in het verstarren van een bepaald soort rationaliteit ziet Canetti (een beetje zoals Adorno en Horkheimer in hun “Dialectiek der Verlichting”) het ontstaan van het fascisme. Het fascisme, elke vorm van fundamentalisme, is niet metamorfisch, het is één, verstard en onveranderlijk. Het is, kortom, het duizendjarige rijk waar Augustus al van droomde.(ibidem)

Lees de bijdrage:

Andere bronnen:

Publius Ovidius Naso: Teksten in andere boeken/tijdschriften in DBNL

https://www.dbnl.org/auteurs/auteur.php?id=ovid001

https://www.groene.nl/artikel/ontembare-lusten – (vrouwonvriendelijk?)

https://www.rijksmuseum.nl/nl/zien-en-doen/tentoonstellingen/afgelopen/metamorfosen

https://www.koxkollum.nl/ovidius/ovidius.htm: leven en werk van Publius Ovidius Naso (met tekstvoorbeelden)

Wie ik geweest ben, ik, de speelse dichter van de liefde -
luister, dan weet u wie u leest, ook na mijn dood:
Sulmo was mijn geboorteplaats, omringd door koele stromen,
zo'n tienmaal negen mijl verwijderd van de Stad.
Daar zag ik dus het levenslicht en vraagt u naar een jaartal:
dat jaar stierven twee consuls in eenzelfde strijd.
Van ouds behoorde mijn familie tot de ridderklasse,
wat dat ook zegt ... Ik was bepaald geen parvenu,
ook niet de oudste zoon: toen ik verscheen was er een broertje
dat vier kwartalen voor mijn komst geboren was;
onze verjaardag mocht dezelfde Morgenster begroeten
en één dag werd met tweemaal offerkoek gevierd
tijdens de feestweek van de wapendragende Minerva,
en wel de eerste dag met gladiatorenbloed.

Tristia IV, 10; vert. M. d’Hane-Scheltema

Michele Tosini, Leda, ca. 1560–70. Galleria Borghese, Rome.
Daarom, omdat ik leef en zware moeilijkheden aan kan
en dit mistroostig daglicht mij nog niet benauwt,
ben ik mijn Muze dankbaar: zij komt steeds weer met vertroosting,
zij geeft mijn onrust rust, zij is mijn trouwe arts,
mijn leidsvrouw, mijn vriendin; zij voert mij mee, weg van de Donau
en biedt mij 'n zetel midden op de Helicon.
Zij gaf mij zelfs al bij mijn leven - en dat is vrij zeldzaam! -
verheven roem, zoals vaak opklinkt ná de dood;
en nooit heeft Afgunst, die de werkelijkheid kleineert, haar scherpe
jaloerse tanden in mijn poëzie gezet,
want al mijn levensdagen - toch een tijd van grote dichters -
is geen kwaadaardig woord gezegd over mijn werk.
Ik mag dan opzien tegen velen, maar word zelf niet lager
geschat dan zij: de hele wereld leest mij graag.

Welaan dan, als voorspellingen van zangers waarheid zingen,
zal ik, al sterf ik wel, niet echt begraven zijn
en of ik deze roem nu dank aan dichttalent of goodwill,
de meest verdiende dank geldt, lieve lezer, u!

Licht en lommerte (2)

‘Een rustige middag’ Frans Oerder (Rotterdam 1867-1944 Pretoria)

Le jardin et la maison

Voici l'heure où le pré, les arbres et les fleurs 

Dans l'air dolent et doux soupirent leurs odeurs.

Les baies du lierre obscur où l'ombre se recueille 

Sentant venir le soir se couchent dans leurs feuilles,

Le jet d'eau du jardin, qui monte et redescend, 

Fait dans le bassin clair son bruit rafraîchissant ;

La paisible maison respire au jour qui baisse 

Les petits orangers fleurissant dans leurs caisses.

Le feuillage qui boit les vapeurs de l'étang 

Lassé des feux du jour s'apaise et se détend.

- Peu à peu la maison entr'ouvre ses fenêtres 

Où tout le soir vivant et parfumé pénètre,

Et comme elle, penché sur l'horizon, mon coeur 

S'emplit d'ombre, de paix, de rêve et de fraîcheur…

Anna de Noailles (1876-1933)


Elin Danielson Gambogi Finland 1915 40 x 51 cm, De jonge naaldwerkers (1915)

Oud(er) en jong. In de lommerte, dat mooie antieke woord voor het gefilterd zonlicht. (mon coeur s’emplit d’ombre, de paix, de rêve et de fraîcheur.) Herinner je. Het was dat soort licht dat even na het midden van de 19de eeuw voor het verbeelden van ‘des impressions’ de statige verbeelding ondermijnde en het ogen-blik zichtbaar maakte, de beweging van licht en landschap. Het voortdurend veranderen van het bestaande. En met Hans Lodeizen kunnen zeggen: “Er is niets zo zoet als ’s avonds onder de bloemen te zijn’, probeer het eens…

Er is niets zo zoet als ‘s avonds
onder de bloemen te zijn,

probeer het eens
licht het dak op en
alle sterren komen los te zitten

als de tuinman met
zijn wilde spuit vele bloemen
van hun stelen rukt en
vrolijk een deuntje fluit
denkend aan de avond

ruik de
verlichting juist boven
de aarde, glimlachend
drinkend van het water

natuurlijk zijn wij
onder het dak vandaan
de tuin ingelopen.

Hans Lodeizen
Uit: Verzamelde gedichten
G.A. van Oorschot Amsterdam 1996

garden sprinkler watering lush green lawn
Photo by Sóc Năng Động on Pexels.com

‘Altijd als ik langs de A44 van Amsterdam naar Den Haag reed en ik naderde Oegstgeest keek ik eerst naar links naar de Willebrordkerk met het door geboomte omsingelde kerkhof waar zo langzamerhand een heel cluster van mijn familieleden vredig ligt te wachten tot op de dag der opstanding, hoewel de aanvliegroute voor engelen bemoeilijkt wordt door de oprukkende nieuwbouw. Daarna, als ik het viaduct over het Oegstgeesterkanaal passeerde, ging mijn blik naar rechts. Niet om het landschap dat Monet daar schilderde in ogenschouw te nemen, daar wist ik nog niets van. Maar dwangmatig moest ik het pad langs het kanaal zien en even die zondagse voettochten herbeleven in het vreugdeloze teken van Calvijn.’

Jan Wolkers, De schuimspaan van de tijd. Verzamelde essays (Amsterdam 2001), p. 455.

Maar als Wolkers in zijn werk een bij honderdduizenden lezers bekend monument voor Oegstgeest heeft opgericht, dan heeft Klaas Heeroma (1909-1972) dat in het verborgene op zijn manier gedaan. Deze neerlandicus, geboren op Terschelling en gestorven in zijn woonplaats Groningen, is bij het Groene Kerkje begraven in het graf van zijn zoon die kort na de oorlog op jonge leeftijd in Oegstgeest was overleden.
Als Muus Jacobse schreef Heeroma meer dan eens over het Groene Kerkje. Het gedicht ‘De kinderen’, met als motto ‘Groene Kerkje, Oegstgeest’, gaat indirect in op zijn eigen verlies:

De kinderen liggen zo klein
 Onder hun sprei van gras.
 Zij slapen zo lang en vast
 Achter het dicht gordijn.
 
 De tuinman schoffelt het pad
 En drenkt soms een dorstige plant
 Of strijkt met een zorgzame hand
 Van de bedjes het dorre blad.

Muus Jacobse, Het huisgezin. Gedichten (Kampen 1959), p. 27.
Bron: Jan Paul Hinrichs


Jan Paul Hinrichs (1956) publiceerde onder meer Vader van de slavistiek. Leven en werk van Nicolaas van Wijk (1880-1941) (2005; Engelse vertaling 2006) en C.C. Uhlenbeck (1866-1951): a linguist revisited (2009; bundelredactie met Inge Genee). Dit artikel over Oegstgeest is het tweede deel in een reeks van drie. (Digitale bibliotheek voor Nederlandse letteren. De Parelduiker jrg 18. (2013)

https://www.dbnl.org/tekst/_par009201301_01/_par009201301_01_0008.php

Het Groene Kerkje met begraafplaats in Oegstgeest

Hemelse hulp verbeeld en beletterd

Врубель_-_зішестя_святого_духа

Als kind al was ik gefascineerd door de vurige tongen boven het hoofd van de apostelen.

Niet door het verschijnsel zoals de heer Lucas het zou uitbeelden in een starwars-film, maar door de mogelijkheden, de transformatie van bange wezens in ontstekers van allerlei andere heilige vuren, niet in het minst door het spreken van allerlei talen zonder avondschool te hebben gevolgd.

Er waren vooreerst de bange wezens die zich hadden opgesloten in het wonderlijke cenakel, een woord dat bij mij telkens ronde vormen opriep, waar je dus in geen hoekje kon wegkruipen, en ondanks dat hij aan hun vrienden in Emmaus had duidelijk gemaakt dat hij bij hen was, ondanks Thomas en zijn anatomisch vingergepeuter in het lichaam van de Heer, zaten ze daar te rillen, want als er in mijn kinderlijke verbeelding angst optrad dan ging die gepaard met klappertanden en takke-tak van knikkende knieën en sidderende ledematen.

die_ausgiessung_des_heiligen_g

Daarbij kende ik mezelf als bang wezentje.
Wellicht is volwassenheid gewoon het genezen van de angsten die wij als klein wezen hebben gekend.
Als je geen voetballer bent, geen vechtjas (tenzij als kruisvaarder tegen de bende van de aangrenzende straat) geen brave hendrik of primus, maar een fantast die bij elke draai van de straat een draak verwacht, bij de schaduwen van de kastanjelaar de knoestige vingers om zijn kinderkeel voelt, een verhalenverteller kortom, dan ben je in het cenakel van de Boudewijn de Grote’s ‘o mijn kindertijd’ gevangen.

Ik kon mijzelf dus de luxe van een vurige tong boven mijn kinderhoofd best veroorloven, en toen de firma For You koude ijstongen op de markt bracht, frisco genoemd, werden in mijn verbeelding de vurige tongen werkelijk brandende frisco’ s waarvan het stokje zich in het hoofd van de apostel vast had gezet.
Ik vraag de heilige Geest vergiffenis, maar ik was nog ver van de Pardes Rimonim* van de Kabalist Moses Cordovero waaruit mijn grootvader vaak vertelde, maar misschien ben ik nooit zo dichtbij heiligheid geweest als toen, want de zuiverheid van beelden laat zich niet door de esthetica of theologie bepalen, maar ontspruit uit de mooie zin dat de geest waait waar hij wil, een geliefde uitspraak van mijn grootmoeder als mijn grootvader dronken was thuis gekomen.

pardes rimomim

*(Pardes Rimomim: Rabbi Simon ben Jochai verbindt Malchut, het mannelijk element in de kosmos met Tifireth, het vrouwelijk element in de echt in de ‘Pardes Rimmmonim, in de granaatappelboomgaard, een verhaal van de Joodse mysticus Ben Jacob Cordovero een oertekst uit de Kabbalah 1548)

Hortus_Deliciarum_Pfingsten_und_die_Aussendung_des_Heiligen_Geistes_auf_die_Apostel

Als ik uit mijn slaapkamer klom, stond ik ook op een plat dak, net zoals de bangeriken met hun brandende tongen op het dak waren geklommen, maar hoe ik ook mijn best deed om in het Frans of Hebreeuws, het Engels of Jiddisch te zeggen dat er mij iets goddelijks was overkomen, de woorden bleven in mijn mond steken toen ik mijn grootvader in zijn blootje in de grote witbuik-kerselaar zag zitten, waaronder mijn grootmoeder stond te roepen dat hij dringend naar beneden moest komen want dat de witbuiken van de kersen al genoeg aan de verbeelding overlieten zonder dat hij dat door zijn naakte transformatie moest benadrukken.

En hij sprak wel alle talen ter wereld (volgens mijn weten toen) al bleef het in werkelijkheid beperkt tot een scheldtirade in slecht Duits, dat ze niet moesten denken dat nu de forten rond Namen gevallen waren ze het zouden opgeven, en dat hij de architect van die forten (terecht) een proces zou aandoen, hoe konden ze jongens van zijn leeftijd zoiets aandoen, enz.

El Greco, Ausgiessung des Hl.Geistes

Later las ik in de schrift dat de mensen zich beneden op de straat hadden afgevraagd of die vurige polyglotten misschien dronken waren, en jawel, ik begreep het dadelijk, de vurige tongen kregen een lucht van Kempisch gebrouwen (De Keersmaeker) bier en Gentse jenever (Hertekamp), inderdaad ontvlambare materies, zeker toen ik aan een broeder van Liefde die mij onderwijs verstrekte, zei dat ze inderdaad dronken waren geweest, die schijtlijsters, want ik hoorde ook mijn opa alle talen spreken toen hij in een gelijkaardige toestand verkeerde.

De brave broeder, die zelf graag een glaasje lustte, antwoordde dat Gods wegen wonderlijk waren maar dat voor ons, zondige mensen, een Assimil-boekje een betere methode waarborgde om een vreemde taal te bemeesteren.

Botticelli, Sandro, 1444/1445-1510; The Descent of the Holy Ghost

Toch bleef Pinksteren zijn aantrekkingskracht behouden en de heilige Geest heb ik levenslang geëerd door alle duiven tegen gemeentebelangen in van graan en brokjes brood te voorzien, een taak door de geliefde nog steeds in praktijk gebracht.

Want de geest waait waar hij wil, en zijn bange kinderen kunnen er van meespreken al zijn ze intussen de tachtig voorbij.

Carl Jung noemde het ‘de geur van de Heilige Geest’, en met mijn dikke neus kan ik dat beamen.

De Heilige Geest mag dan al naar geestrijke drank hebben geroken, naar de witte drank uit de mooie Hertekamp-fles, hij troostte mij ook door mij beetje bij beetje met woorden  te wapenen om het woordeloze voortdurend te belagen en te belegeren.

Hij verlokte mij tot het “hierosgamos”, letterlijk ‘het heilige spel’, mooier dan het mystieke huwelijk, met andere lagen van het denken en het gewaarworden, en al vluchtte ik voortdurend, laf als we zijn, de walvis in, telkens weer was hij daar met zijn vurige For You en dreef hij mij, als verteller,  het schamele dak op om te stamelen in de talen die hij nodig achtte, liet hij me als heel klein zangertje meezingen in het verhalen-koor waarin tremendum et fasciosum, een element van het dagelijks bestaan ging uitmaken. (tremendum et faciosum:  bibberen en bewonderen!)

Hochfest-Pfingsten-Gottesdienste-und-besondere-Wallfahrten

Is het daarom dat er zich houtduiven in de atlasceder hebben genesteld?

Of weten ze gewoon dat de liefste hen van fruit en granen voorziet en op tijd de katten weghoudt als ze het op de Pinkstervleugels hebben gemunt.

Laat het aardse zich voortdurend met het hemelse vermengen en vice versa, al dan niet in homeopatische verhoudingen.

2-3_Pfingsten_1906__780x500_

(De bovenste wandschildering van Mikhail Vrubel komt uit de St. Cyril-kerk (aan de buitenkant in mooie pistachekleuren geschilderd) uit Kiev, Oekraine. Niet alleen de fraaie compositie trof mij maar ook het menselijke: kijk hoe elke heilige figuur zijn voeten op een tapijtje mag warm houden!)

169a3027e254dd6676988c57af13efd2v1_max_755x425_b3535db83dc50e27c1bb1392364c95a2

De Bijbel illustratief verteld: The Holkham Bible (1330)

De Schepping van Adam en Eva The Holkham Bible Picture Book (ca 1330)

Op bovenstaande prent uit de Holkham Bible Picture Book (1330) is de goddelijke Schepper bezig met het ‘scheppen’ van het eerste mensenpaar. Het is in feite een dubbelprent. Bovenaan de schepping van Adam, onderaan, uit een rib van deze Adam wordt Eva, de eerste vrouw in het aards paradijs vorm gegeven. Een illustratie uit een bijbel-prentenboek uit 1330. Een boeiende ontstaansgeschiedenis.

In 1816 schreef William Roscoe – een bankier uit Liverpool met een scherp oog voor kunst – vol bewondering een brief aan Thomas William Coke, de eerste graaf van Leicester. De twee mannen kenden elkaar al lang. Veertig jaar eerder had Coke de bibliotheek van Holkham Hall geërfd, die een eeuw eerder was aangelegd door zijn oudoom Thomas Coke (1697–1759), wiens familie hem op zijn vijftiende naar het buitenland had gestuurd om hem van zijn vervelende gewoonte van hanengevechten af te helpen. Het werkte. Tegen de tijd dat deze oudere Coke eenentwintig was, had hij Padua, Lyon, Berlijn en de meeste plaatsen daartussen geplunderd, waarbij hij “voldoende manuscripten en vroeg gedrukte boeken had gekocht om een van de mooiste privébibliotheken in Engeland samen te stellen”. Nadat hij de bibliotheek in 1776 had geërfd, trof Thomas Coke deze in een erbarmelijke staat aan, met onschatbare boeken die beschimmeld en door wormen aangetast waren. Hij stuurde de bijna 750 delen naar Liverpool waar Roscoe ze liet reinigen en opnieuw inbinden. Nu, in 1816, hielp Roscoe Coke zijn collectie verder uit te breiden door zeldzame stukken uit het buitenland op te sporen. Te koop was “een zeer merkwaardig manuscript, dat zojuist van het vasteland is meegebracht… en dat ik beschouw als een van de grootste rariteiten die ik ooit heb gezien”.

(The Holkham Bible Picture Book (ca. 1330) The Public Domain Review Naar de Engelse tekst van Hunter Dukes)

‘De zondvloed’. The Holkham Bible Picture Book (ca 1330)

Dit ‘curiosum’, dat vermoedelijk rond 1330 in Londen is vervaardigd, staat tegenwoordig bekend als het Holkham Bible Picture Book, omdat het selectief het Oude en Nieuwe Testament illustreert en ons in een reeks van 231 prachtig uitgevoerde miniaturen meeneemt van Genesis tot Openbaring. Onder de vele schitterende afbeeldingen zien we: Adam en Eva aan de rand van het paradijs, terwijl een cherub de poorten van Eden bewaakt met een zwaard in de kleur van een karbonkel; de zondvloed, waarbij Noach een duif en een raaf uitzendt boven een woelige zee — weergegeven in golvende strepen van blauw en wit — terwijl de bleke lichamen van een man, een vrouw en een paard wegzakken in een eindeloze slaap; en het Laatste Avondmaal, waarin de gewaden van Christus en zijn apostelen op de pagina lijken te schitteren. De miniaturen van de Holkham-bijbel maken bewust gebruik van luminantie, een effect met zowel esthetische als theologische betekenis, door middel van de techniek die bekend staat als ‘getinte tekening’. Door praktisch gebruik te maken van de doorschijnende kwaliteit van perkament, werden deze afbeeldingen geproduceerd door verf in dunne lagen aan te brengen, waardoor de ondoorzichtigheid van het materiaal behouden bleef en het, in het juiste licht, deed gloeien als het glas-in-lood van een kathedraal.

Het Laatste Avondmaal The Holkham Bible Picture Book (ca 1330)

Lees en kijk: The Holkham Bible Pictures boek (met talrijke prenten onderaan):

https://publicdomainreview.org/collection/holkham-bible

https://pdimagearchive.org/images/10dc1d05-ef55-481f-8474-455b135bcf3d

De engel met het vlammende zwaard verdrijft de eerste mensen uit het paradijs

De Bijbel is mogelijk in opdracht van een dominicaanse monnik gemaakt, want het manuscript begint, wat ongebruikelijk is, met een monnik die zijn kunstenaar opdraagt “het goed en grondig te doen, want het zal aan belangrijke mensen worden getoond”. Hoewel het een Bijbel wordt genoemd, is de relatie tussen tekst en beeld in het geheel atypisch, aangezien de woorden vaak dienen als bijschrift bij de afgebeelde gebeurtenissen, in plaats van de heilige tekst weer te geven. In dit drietalige manuscript, dat grotendeels in het Anglo-Normandisch is geschreven, speelt het Engels een kleine maar belangrijke rol. De taal komt alleen voor in verband met herders. In een humoristische en cryptische miniatuur gaat de aankondiging verloren in de vertaling: “Gloria in excelsis”, zingt de engel, maar de herders spreken geen Latijn. “Glum glo. . .”, probeert een man, in een slordige en keelklinkende imitatie, voordat hij toegeeft dat hij onzin uitkraamt (“ceo ne est rien”).

Een engel verschijnt aan de herders/Op bezoek bij het kind

Een tweede scène op dezelfde pagina toont de herders die bij de kribbe aankomen (zie hierboven), waar ze Maria, Jozef en het kindje Jezus aanschouwen. Plotseling overstijgt hun spraak de grenzen van de taal: deze herdersfiguren zingen nu in perfect Latijn, vanuit boekrollen die zich van hun tong afrollen. “Dat herders aanvankelijk geen Latijn kunnen zingen, is te verwachten”, schrijft Richard K. Emmerson, “dat ze dat later wel kunnen, is wonderbaarlijk”. Nog wonderbaarlijker is dat het Middelengels afwisselt met Anglo-Normandisch in een stijl die doet denken aan macaronische liederen. “Songen alle wid one steuene / Also the angel song that cam fro heuene: [Middelengels] / ‘Te deum et Gloria.’ [Latijn] / La contenance veyez cha [Anglo-Normandisch]”. Zoals Christopher Baswell uitlegt, zou dit “muzikale, engelachtige Latijn wel eens de taal van de openbaring kunnen zijn” — wat het welgestelde, Anglo-Normandische lezerspubliek van deze bijbel zou verwachten — maar “de unieke en explosieve verschijning” van het Middelengels dient om de scène te authenticeren in een volkstaal die geleidelijk aan literair en kerkelijk prestige verwierf. “They all sang in one voice” (Songen alle wid one steuene) beschrijft het koorlied, maar lijkt ook vooruit te wijzen, naar de toekomst van het schrijven in Engeland. (Hunter Dukes The Public Domain Review)

Holkham Bible De Schepping
Zie je de Almachtige
scheppend tussen schoonheid
van wat wij gewoon gedierte noemen;
voel je dan ook
die aandrang
zachtjes te zeggen:
'Die mens, God, moest dat nu?'
Holkham Bible De Schepping. De Schepper

Rondreizend volkskunstenaar Ammi Phillips (1788-1865)

Ammi Phillips, Girl in Red Dress with Cat and Dog, 1830-1835 American Folkart Museum

Hij, Ammi Phillips maakte er misschien een duizendtal, begin negentiende eeuw, actief midden 1810 tot in de vroege jaren 1860, in Connecticut Massachusetts en New York. Geduid als ‘primitive art’, folk art, ‘provincial art’ en ‘itinerant art’. Zonder opleiding, direct naar het leven. Slechts elf werken zijn gesigneerd.

De herontdekking van Phillips begon in 1924, toen een reeks portretten van vrouwen – die voorovergebogen in driekwart-profiel waren afgebeeld en donkere jurken droegen – te zien waren op een antiekbeurs in Kent, Connecticut. De anonieme schilder van deze kleurrijke werken, die uit de jaren 1830 dateren, werd bekend als de „Kent Limner“, naar de plaats waar ze aan het licht waren gekomen. Het duurde nog tot in 1958 om verschillend geduide kunstenaars tot één naam te herleiden. Rond 1976 waren er ongeveer 400 schilderijen aan Ammi Phillips toegeschreven.

Wilbur Sherman, 1815, Yale University Art Gallery. Ammi Phillips

Phillips werd op 24 april 1788 in Colebrook, Connecticut, geboren als zoon van Samuel Phillips (1760–1842), een boer van beroep en veteraan uit de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog, en zijn vrouw Millea Phillips (1763–1861). Hij was een van elf kinderen en leidde een leven dat zich uitstrekte van het presidentschap van George Washington tot de Amerikaanse Burgeroorlog.

De naam “Ammi” (volledig “Ammiruhamah”) is bijbels. Deze naam werd in de 17e en 18e eeuw veel gebruikt door congregationalisten. Andere dragers van deze naam zijn onder meer Ammi Ruhamah Cutter en Ammi Ruhamah Mitchell.

Phillips verliet zijn ouderlijk huis ergens vóór 1810, en de eerste gesigneerde portretten van Phillips dateren uit 1811, wat betekent dat hij toen zijn carrière als portretschilder begon.

(Wkipedia)

Henrietta Door, 1814, Princeton University Art Museum, an example of Phillips’s earlier work

Phillips verliet het ouderlijk huis ergens vóór 1810 en trouwde op 18 maart 1813 in Nassau, New York, met Laura Brockway. De familie van Laura Brockway had wortels in Sharon, Connecticut. Na de dood van zijn eerste vrouw trouwde Phillips opnieuw, woonde een tijdje in Amenia, New York, en vestigde zich vervolgens in 1836 in Kent en Sharon, Connecticut. Zijn portretten uit de ‘Kent-periode’ worden gekenmerkt door donkerdere composities, vaak met heldere kleurvlakken, en elegante, gracieuze houdingen en gezichtsuitdrukkingen.

Boy in red. (ca. 1832). Amni Phillips.

Aan zelfvertrouwen ontbrak het Phillips niet. Hij profileerde zich als een modieuze portretschilder en richtte zich vooral op middenklas-handelaars, artsen en vooraanstaande figuren uit de gemeenschap. Net als veel andere rondreizende kunstenaars ontwikkelde Phillips een werkwijze die zowel artistiek als winstgevend was.

“We hebben de neiging om het beeld van de volksschilder in de 19e eeuw te romantiseren, terwijl de volksschilder in feite in alle opzichten een rondtrekkende zakenman was,” zei Robert Bishop, voormalig directeur van het Museum of American Folk Art, in 1985 over het werk van Phillips. “Hij kwam in de stad aan, maakte reclame, regelde zijn klanten, schilderde zijn portretten zo snel mogelijk, liet zich zo goed mogelijk betalen en trok verder. Dus bijna al deze mannen ontwikkelden een formule waarmee ze snel en gemakkelijk konden schilderen.” (AuctionDaily)

Ammi Phillips Mrs. Mayer and Daughter. (96.2 x 87 cm) 1835-40. The Met
‘Henry Teller’ ca 1835 Ammi Phillips.

“Hoewel hij een autodidact was, verwierf Phillips bekendheid om zijn briljante composities en werd hij beschouwd als een meester in kleur en vormgeving. Juist dit kleurgebruik verbindt Phillips met de volkskunstbeweging, aangezien felle tinten door de traditionele portretschilders van die tijd doorgaans werden gemeden. Net als bij andere volkskunstenaars waren ook de schilderijen van Phillips zeer gedetailleerd, maar duidelijk naïef en niet fotorealistisch, hoe prachtig ze ook waren uitgevoerd. Je hoeft alleen maar naar de handen van zijn modellen te kijken om te beseffen dat Phillips inderdaad een autodidact was.” (Art Experts)

Maar…was hij misschien zijn tijd vooruit, zijn vormgeving zou in de 20-21ste eeuw ten zeerste ‘modern’ genoemd worden. Lichtinval, concentratie, en met die handen is er niet zoveel aan de hand als je dit prachtige portret bekijkt uit 1848-50. In 2008-2009 was er een expositie waarin Ammi Phillips samen met Mark Rothko (1903-1970) onder de titels ”The seduction of Light’ en ‘Compositions in Pink, Green, and Red’ werden samen gebracht.

mmi Phillips Untitledca. 1848-60oil on canvas33 1/2 x 27 1/2 in.gift of Shari Hubner2015.062

“Ammi Phillips (1788–1865) and Mark Rothko (1903–1970), two American masters disparate in time, place, and presentation, pursued the soul-thirsting creation of inner light through the “realm of the canvas,” as Rothko once termed it. For Rothko, the surface of a canvas presented limitless space to be explored with intrepidity into great distances and with mythic dramas enacted in each succeeding layer. Phillips did not penetrate the “mysterious recesses” of the canvas quite as deeply but worked closer to the surface in shimmering light-filled or velvety dark-filled spaces that seem to exist apart from the known world.” (Folkartmuseum.org.)

“Ammi Phillips (1788–1865) en Mark Rothko (1903–1970), twee Amerikaanse meesters die qua tijd, plaats en stijl mijlenver uit elkaar staan, streefden naar het scheppen van innerlijk licht dat de ziel doet smachten, via het ‘rijk van het doek’, zoals Rothko het ooit noemde. Voor Rothko bood het oppervlak van een doek een grenzeloze ruimte die onverschrokken kon worden verkend tot in de verte, met mythische drama’s die zich in elke opeenvolgende laag afspeelden. Phillips drong niet zo diep door in de ‘mysterieuze krochten’ van het doek, maar werkte dichter bij het oppervlak in glinsterende, met licht gevulde of fluweelzachte, met duisternis gevulde ruimtes die los lijken te staan van de bekende wereld.”

Nog tijdens Ammi Phillips’ leven kwam er een nieuwe vinding die de ver-beelding op een bijzondere manier zou aanspreken. De fotografie. Daguerrotypes en ambrotypes (1839-1869) waren voorlopers van foto’s op papier en karton. Sommige composities in zijn werk bewijzen dat Phillip’s al enige kennis van het nieuwe medium bezat. De Victoriaanse tijd zou de zichtbaarheid van de burger beetje bij beetje vergroten. Ook in de kunst.

Ammi Phillips, Portrait of a Woman (Double-Sided) (Circa 1810).

Kijk ook naar:

Klei en brons als teken van leven : Khaled Dawwa (°1985)

“Une cellule individuelle” (2016), terracotta and wood, 15 x 15 x 5 centimeters

Of ze nu in een doos zijn gevouwen, gebonden door koorden, of gefragmenteerd en gestapeld, deze reeksen naamloze figuren die door de in Parijs gevestigde Syrische kunstenaar Khaled DAWWA (°1985) zijn gemaakt, tonen duidelijk een vorm van opsluiting. Hun lichamen worden verwrongen in kooien of in elkaars armen geperst. Iedereen kijkt weg of naar beneden, een positie waardoor ze de macht missen om zich te bevrijden. Gegoten in dichte blokken, weerspiegelen de introspectieve sculpturen de voorkeur van de kunstenaar voor terracotta en brons. “Alles wat we uit de oude geschiedenis hebben ontvangen, is met deze twee materialen vorm gegeven.” verklaart hij.

Liberté” (2019), terracotta, 35 x 16 x 13 centimeters

Deze serie beelden noemde hij de Compressed serie. Ontstaan uit eigen ervaringen. In het Amerikaanse tijdschrift ‘Colossal vertelt hij: “Dit project werd geïnspireerd door mijn verblijf op verschillende plaatsen tijdens een korte periode: detentie en verplichte militaire dienst in Damascus voor vier maanden, dan naar Libanon voor een jaar en uiteindelijk aankomen in Parijs.

“Bij aankomst in Frankrijk voelde ik me in eerste instantie bevrijd van dit alles. Toen realiseerde ik me dat de Fransen hun leven leiden in een complex systeem dat hen verandert in “gecomprimeerde mensen” en dat we dit gemeen hadden. Dit is de eerste serie waarin ik kijk naar mensen buiten Syrië.” (Colossal)

Vorig jaar, 2025, presenteerde het museum ‘Beelden aan zee’ zijn installatie ‘Voici mon coeur!’ (Ziehier mijn hart.) Dit zes meter lange, hedendaagse oorlogsmonument uit de collectie van het Mucem heeft de vorm van een ruïneuze gevelwand in een door geweld geteisterd Damascus. Khaled Dawwa maakte het werk van ongebakken klei, waardoor het een extra kwetsbare uitstraling krijgt.

Je begint aan de ruïnes te wennen, maar stel je voor dat jouw woonplaats, jouw straat, jouw huis…

In onze bijdrages bespraken we meermaals gedichten van de Poolse dichter Adam Zagajewski. Dit gedicht verscheen in The New Yorker bij de aanslagen op de Twin Towers maar werd een jaar eerder geschreven. Een mooie vertaling van Gerard Rasch in Mystiek voor Beginners Meulenhoff 2003.

Probeer de verminkte wereld te bezingen

Probeer de verminkte wereld te bezingen
Denk weer aan die lange junidagen,
aan de rozijnen, de druppels van de rosé.
Aan de distels die de verlaten erven
van ontheemden stelselmatig overwoekerden.
Je moet de verminkte wereld bezingen.
Je hebt sierlijke zeiljachten en schepen gezien;
een ervan had een lange reis voor de boeg,
een ander wachtte slechts het zoute niets.
Je hebt vluchtelingen gezien die nergens heen gingen,
beulen gehoord die een lied van vreugde zongen.
Je moet de verminkte wereld bezingen.
Denk aan de momenten waarop jullie samen
in de witte kamer waren en de vitrage bewoog.
Keer terug naar dat concert, toen de muziek losbrak.
In de herfst verzamelde je eikels in het park
en de bladeren wervelden boven de littekens
van de aarde. Bezing de verminkte wereld
en het grijze veertje, dat een lijster heeft verloren,
en het zachte licht dat dwaalt en verdwijnt
en steeds terugkomt.

Conservator Dick van Broekhuizen van museum Beelden aan Zee, bezocht de kunstenaar in Parijs toen hij dit project bijna had voltooid. Een mooie documentaire door Studio Gerrit Schreurs, toont je opzet en uitvoering. Gebruik groot scherm.

Geboren in 1985 in Syrië, behaalde Khaled Dawwa in 2007 het diploma van de School voor Schone Kunsten in Damascus, beeldhouwsectie. Sindsdien verwees het werk van Khaled Dawwa naar een universum vol verwachting. Maar waar hij nog in miniatuur zijn gekwetste vaderland liet zien worden we nu dagelijks geconfronteerd met een levensgrote versie op diverse plaatsen; Gaza, Midden Oosten, Libanon, Oekraïne, Myanmar, Soedan, DR Congo, Jemen…Het werk van een kunstenaar verbindt die werelden en vraagt luidop naar het hoe en waarom. Het visualiseert deze wereld in een menselijk bevattelijk formaat en verbindt daardoor de grote wereld met ons dagelijks bestaan.

‘Uwe excellenties’. Khaled. Dawwa (Deborah Rakers)

Friedrich von Amerling, tussen thuis en de wereld

wood carving close up photo

Er zit een glimlach achter het woord ‘Biedermeier’. Maar zoals vrijwel elke periode was de Biedermeier-periode een reactie op de vorige, de overladen empire-stijl, Romeinse ornamenten. Er leefde bij de burgerij een groot verlangen naar huiselijkheid. Zwaarden ingewisseld voor zwanen. Lichte houtsoorten en geen verguldsel. En in de muziek wijkt het classicisme voor de 18de eeuwse romantiek ook. ‘An die Musik.’

Du holde Kunst, in wieviel grauen Stunden,
Wo mich des Lebens wilder Kreis umstrickt,
Hast du mein Herz zu warmer Lieb' entzunden,
Hast mich in eine beßre Welt entrückt!

Oft hat ein Seufzer, deiner Harf' entflossen,
Ein süßer, heiliger Akkord von dir
Den Himmel beßrer Zeiten mir erschlossen,
Du holde Kunst, ich danke dir dafür!

Friedrich von Amerling ‘In Träumen versunken (1835)

Je zou het Congres van Wenen 1815 kunnen nemen als begin, en het revolutiejaar 1848 als overgang waarin weer de neostijlen populair werden zoals de neo-gotiek. Was de Biedermeier typisch Oostenrijks-Duits, de Neo’s bloeiden op in de Engelse gebieden. Bleef Biedermeier beperkt, de Neo-stijlen kenden een langere sympathie tot het overvloeien in de Jugendstil begin twintigste eeuw. De samenloop met de waardering voor het gezinsleven,, de kleine thuis-wereld gaf Biedermeier vaak ten onrechte zijn muffe bijklank in een wereld waar ‘grootse’ daden met talrijke slachtvelden als consequentie ook een technische expansie kende waarin het huis en zijn bewoners een schuilplaats werd, een wereld apart waarin het goede leven voor meer (gegoede) burgers bereikbaar werd.

Biedermeier-Zimmer MitteMosel-Museum Barockvilla Böcking (klik op onderschrift om te vergroten)

“De naam ‘Biedermaier’ werd voor het eerst gebruikt door Ludwig Eichrodt (1827-1892) die in de Münchener Fliegende Blätter gedichten parodieerde van een schoolmeester uit Schwaben die hij Biedermaier noemde en die in 1869 verschenen als Biedermaiers Liederlust. De aard van deze geparodieerde poëzie was vriendelijk en naïef, waarbij onderwerpen gekozen waren uit het alledaagse gezinsleven. De naam ‘Biedermaier’ werd tot de term ‘biedermeier’ om er de typische bourgeoiscultuur mee aan te duiden van de periode 1815-1870. Meestal wordt de term gebruikt ter aanduiding van de meubelstijl die op de empire-stijl volgde, maar ook wordt er de levensopvatting mee aangegeven die in die tijd getuigde van liefde voor orde, aandacht voor het kleine en concrete, en voorliefde voor het vriendelijke en ‘gezonde’ of normale. Dit alles dan vaak overgoten met een sausje romantiek. Het is de wereld van de bourgeoismoraal, de ‘huiselijkheid’, waarin uitersten vooral vermeden dienen te worden. Voor de kunst in het algemeen geldt dat ze moet voldoen aan de eisen van de geldende moraal, het lagere niet mag weergeven en dat ze ‘waarheidsgetrouw’ moet zijn; in de kritiek telkens terug te vinden in de trits ‘goed-schoon-waar’.”

(Algemeen letterkundig lexicon (2012-…)

Friedrich Amerling 1834. Radierung (ets)Franz Xaver Stöber nach Joseph Danhauser

Studies in Wenen daarna naar Praag(1824) naar zijn oom Heinrich om zich verder te bekwamen in Londen, Parijs en Rome om in 1828 terug naar Wenen te keren waar hij – opdrachten van het Oostenrijkse keizerhuis, de adel en de bourgeoisie uitvoerde. Amerling ondernam uitgebreide studiereizen tijdens zijn leven: in 1836 en 1838 naar Italië, 1838 naar Nederland, 1839 naar München, 1840-1843 naar Rome, 1882 naar Spanje, 1883 naar Engeland, 1884 naar Griekenland, 1885 naar Scandinavië naar de Noordkaap en in 1886 naar Egypte en Palestina. Zijn schilderij, tentoongesteld in Wenen in 1838, De jonge oosterse vrouw veroorzaakte opschudding en in de daaropvolgende maanden leidde tot een stortvloed aan gedichten (waaronder van Levitsching) in de Oostenrijkse pers, die het schilderij en zijn onderwerp prees..

Friedrich Amerling ‘De jonge Oosterse Vrouw’. 1838

Hoewel de kunstenaar dit schilderij de provocerende titel ‘Jonge Oosterse vrouw’ heeft gegeven, is het duidelijk dat het model niet Aziatisch is, maar slechts een Turks kostuum draagt. De weelderige stoffen en het stralende licht creëren een exotische sfeer, die de westerse fascinatie voor ‘oosterse’ beelden en thema’s duidelijk maakt. Maar als hij zijn broertje ‘Andreas (1821-1879) schildert in 1829, het jongetje is dan acht jaar, kiest hij een heel gewone houding van een achtjarig kind, dromend, verveeld en een beetje droevig. Een jaartje later schildert hij ook broertje Joseph die hij dan weer laat opkijken en je weet dat hij elk ogenblik kan weglopen, of…?

Portret van Andreas Amerling, broer van de kunstenaar. 1829
Portret van broertje Joseph. 1830

Amerling was vier keer getrouwd: in 1832 tot haar dood in 1843 met Antonie Kaltenthaler, 1844 tot de scheiding in 1845 met Katharina Heißler, in 1857 tot haar dood in 1880 met Emilie Heinrich, en in 1881 met Maria Nemetschke, voorheen getrouwd met Paterno. In 1878 werd Amerling verheven tot de adel en sindsdien werd Friedrich benoemd tot Ridder von Amerling. Als een van de meest gerespecteerde kunstenaars in Wenen ontving hij tal van belangrijke schrijvers en muzikanten (zoals Franz Liszt) bij hem thuis.

Portret van Franz Listz 9 mei 1838

Een lijst met 130 werken kun je vinden

https://www.wikidata.org/wiki/Wikidata:WikiProject_sum_of_all_paintings/Creator/Friedrich_von_Amerling

Zelfportret. 1834 (50,5 x 41,5 cm)

Het zelfportret uit 1834, met een krappe halslijn en het hoofd naar links gedraaid, is de eerste van vijf profielafbeeldingen. Elegantie en een even ernstige als zelfbewuste gelaatsuitdrukking kenmerken het portret van de 31-jarige kunstenaar met geknipte bakkebaarden. Kunstenaarsattributen ontbreken.
De witte opstaande kraag en het rood van de nonchalant geknoopte halsdoek vormen opvallende kleuraccenten die contrasteren met het fluweel van de donkere jas. In tegenstelling tot zijn doorgaans geïdealiseerde vrouwenportretten wordt hier, net als in andere mannelijke portretten van zijn hand, duidelijk het streven naar het vastleggen van de persoonlijkheid zichtbaar. Tot op hoge leeftijd ontstonden er “karakterportretten” van hemzelf, die dienden als studies in schildertechniek. Dat verklaart waarschijnlijk de grotendeels onbewerkte achtergrond, waarin de linnen structuur zichtbaar is, in dit werk dat afkomstig is uit de nalatenschap van het atelier. (DOM Quartier Salzburg. Sammlung Online)

Friedrich von Amerling. Jong slapend meisje

De invloed van Friedrich Ritter von Amerling reikte verder dan zijn eigen oeuvre; hij heeft de artistieke gevoeligheid van volgende generaties gevormd en de positie van de academische traditie binnen de Weense kunst versterkt. Zijn onwankelbare toewijding aan klassieke idealen vormde een tegenwicht voor de opkomende impressionistische tendensen, waardoor realisme en geïdealiseerde schoonheid nog decennia lang de boventoon bleven voeren in de Oostenrijkse schilderkunst. Tegenwoordig bevinden Amerlings werken zich voornamelijk in musea in heel Europa – waaronder het Musée Maurice Denis in Parijs – waar ze nog steeds bewondering oogsten vanwege hun technische briljantheid en expressieve kracht.

(Wahoo Art)

Dat hij ook oog had voor grappige taferelen bewijst dit mooie doek: ‘In de (ver)kleedkamer van het theater. De Theater-garderobe.

der Theater Garderobe

Wist uit ervaring wat het missen van een ’thuis’ was en schilderde in bijzonder zacht licht: vader, Rudolf von Arthaber met kinderen Rudolf, Emilie en Gustav. (1837) De schilder heeft hen geportretteerd terwijl ze naar het portret van de pas overleden vrouw van Rudolf von Arthaber kijken. Kijk naar de blik van de man, naar het dromerige van het zittende jongetje in tegenstelling met de onschuldige zorgeloosheid van de kleinste kinderen. Overal ligt nog het speelgoed van de bende.
Tot in de rechtse uithoek onderaan van het doek.
Op de zetel achteraan ligt achteloos een kledingstuk en open boeken.
Het theestel staat ordeloos op het tafeltje.
De afwezige is duidelijk afwezig.

Maar ook de machteloosheid als zijn zoon met zijn voornaam Friedrich (Fritz) ziek is en sterft (1850); hij zal slechts zeventien worden; net zoals zijn moeder Antonie en tante overleden aan een longziekte.

Bekijk een mooie collectie:

https://artvee.com/artist/friedrich-von-amerling/page/1

Friedrich von Amerling Zelfportret. 1846

Dit mooie zelfportret van 1846, hij is dan 43 jaar. Met bijna evenveel toekomst als verleden. Het is een dromend portret. Ik denk aan de Oostenrijkse vrouwelijke dichter Marie von Ebner-Eschenbach ‘Der Gedanke an die Vergänglichkeit’:

"Der Gedanke an die Vergänglichkeit
aller irdischen Dinge
ist ein Quell unendlichen Leids -
und ein Quell unendlichen Trostes."

"De gedachte aan de vergankelijkheid
van alle aardse dingen
is een bron van oneindig leed -
en een bron van oneindige troost."

Friedrich von Amerling Meisjesportret 1830

Waar de wind waait? Een collectie

“De wind voert ieders lot mee”, luidt de korte samenvatting van de kortfilm getiteld “Jour de Vent”, oftewel “Winderige dag”. Deze indrukwekkende animatiefilm werd in 2024 gemaakt door een team van zes afgestudeerden – Martin Chailloux, Ai Kim Crespin, Élise Golfouse, Chloé Lab, Hugo Taillez en Camille Truding – van de École des Nouvelles Images in Avignon, Frankrijk. En zoals blijkt: eind goed enz. Maar eer het zo ver was, bekijk (op groot scherm) het winderige avontuur ‘boven de wolken!’

Vierhoog in de wolken, ja daar leefden wij
In een stad die niemand beter kende dan wij
Met planten en een kat die 't behangpapier opkroop
En achter vliegen joeg, de muizen waren lang dood

't Was een steile trap die leidde naar vierhoog
'k Beklaag nog de verhuizers, maar het was er zo mooi
Een parasol uit China, een poster van James Dean
Een venster van waaruit je over daken kon zien

Vierhoog in de wolken, ja daar woonden wij
Onder ons de wereld heel ver maar dichtbij
Met een kast vol platen die weemoed binnenhoudt
En een bed dat danste zoveel als je wou

Leven van de liefde, leven van de dauw
Een sprookje dat niet duurt begint met ik hou van jou
Dag parasol uit China, dag poster van James Dean
waarop staat te lezen "Boulevard of Broken Dreams"

Johan Verminnen

Keer ik terug naar ‘de vroegste dagen’ dan hoor ik

‘Hoor de wind waait door de bomen.
Makkers staakt uw wild geraas!’

En meteen was het stil om ‘het heerlijk avondje’ waardig te worden. ‘’t Avondje van Sinterklaas!’
‘Het wild geraas’ is momenteel langs alle kanten waarneembaar. En het prachtige gedicht van Adriaan Roland Holst ‘Zwerversliefde’ een poging tot troost.

fallen maple leaves on the ground
Photo by Brendan Rühli on Pexels.com
Zwerversliefde

.Laten wij zacht zijn voor elkander, kind –
want o, de maatloze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie’ in de oude wind.
.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotse hoge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind –
.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same’ in ’t oude waaien zwijgen
binnen één laatste droom gemeenzaam zijn.
.
Veel liefde ging verloren in de wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom – voor we elkander weer vergeten –
laten wij zacht zijn voor elkander, kind.


Adriaan Roland Holst (Verzamelde Gedichten 1948)
wind sculpted sand dunes on norderney beach
Photo by Dirk Pothen on Pexels.com
‘Als je tegen de storm in moet trappen, als je tent is weggefladderd,
als de vrachtwagen is gekanteld en je baas je uitfoetert aan de
telefoon, als je nu al weet dat je te laat zult komen voor het enige
sollicitatiegesprek waar je dit jaar voor bent uitgenodigd omdat
de bovenleiding geknapt is, als je oogst geknakt is, als je dak is
opgestegen in één enorme vogelvleugelslag, als je naast je motor
ligt op een verlaten landweg terwijl het hard regent, het tot je
doordringt dat je je geliefden nooit mee zult zien, dan ben ik
bij je, ik blijf bij je, ik strijk zacht door je haar, verkoel je bezwete
voorhoofd, wees niet bang, ik ben hier.’

Hanz Mirck (2025. Labberkoeltje. Uitgeverij Magonia, 118 blz. € 22,95. ISBN 9789492241856

“Een labberkoelte is een flauwe wind, waarbij de zeilen van een schip niet gespannen staan, maar zachtjes heen en weer bewegen, of zoals Mirck het zelf noemt: ‘een aarzelaar die eraan twijfelt of hij het waard is om onderwerp van twijfel te zijn’. Hij legt deze woorden in de mond van de wind, want in deze bundel is de wind aan het woord”
(Meander Literair E-magazine voor Nederlandstalige Poëzie)

sailboat against cityscape at dusk
Photo by Bráulio jardim on Pexels.com
De wind om het huis

Waar heeft rondom het huis de wind het over?
Achter geloken oogen gaat het huis teloor
en wandel ik weer langs een oever
van het verleden, en er is geruis
van water en van riet, vooral van water.
Een blij kind roept mijn naam – werd ik ooit oud?
Ver van de kudde staat een schaap te blaten
als vele jaren her, en ik werd oud.
De wind gaat liggen en de lucht betrekken:
sterven brengt ander weer, ik wist het wel.
Weldra kan ook geen blij kind mij meer wekken.
Dan gaat de dood sneeuwen, en het wordt stil.

A. Roland Holst (1888-1976)
serene winter sunrise with snow covered landscape
Photo by Johanna on Pexels.com

Bioloog Andreas Weber: ‘Zelfs de wind heeft een innerlijk’


Volgens filosoof en bioloog Andreas Weber schiet de moderne wetenschap tekort om leven te beschrijven. ‘We begrijpen het leven poëtisch.’
“Ik zie de realiteit als een ervaring, een web van relaties dat steeds op zichzelf reageert. Dat gaat in tegen de gangbare wetenschappelijk opvatting, die de te onderzoeken werkelijkheid tot materie reduceert. Deze wetenschap ziet de wereld, elk organisme, zelfs ons eigen lichaam, als een object, een ding, een soort machine. Maar machines zijn statisch, en leven is dat allerminst. Terwijl ik dit zeg hebben er tienduizenden DNA-defecten in mijn cellen plaatsgevonden, die ook alweer gerepareerd zijn. Levende wezens zijn continu bezig met uit elkaar vallen en zichzelf weer genezen. De wens te blijven bestaan verraadt het bestaan van een zelf, een innerlijk dat zichzelf in zekere zin waarneemt en keuzes maakt. Zo’n zelf heeft een eigen lichaam, met eigen gevoelens, en een eigen perspectief, maar valt niet te herleiden tot pure materie.’


Maar iets levenloos zoals de wind is toch geen individu?
‘Ook de wind, die we als een levenloos element zien, is relationeel en wordt waargenomen. Bijvoorbeeld wanneer een briesje zacht langs onze huid strijkt. De wind neemt zichzelf misschien niet waar zoals een kikker dat doet – die lijkt daarin veel meer op ons – maar zelfs de wind heeft een zekere innerlijke ervaring.’
‘Elke innerlijke ervaring uit zichzelf op een zintuigelijke manier. Denk bijvoorbeeld aan de katjes van de hazelaar: die zijn een uiting van leven. Ze roepen: “We zitten barstensvol leven en de vreugde van de voortplanting!” Ze zeggen dat niet in een talige formulering – ze doen het gewoon. En wij begrijpen dat vanuit onze eigen belichaamde ervaring, als een poëtische gewaarwording. Alles in de werkelijkheid staat in een dergelijke poëtische verhouding tot elkaar: alles praat over zichzelf, maar niet op een rationele, beschrijvende wijze.’

Eén van de lessen die we als maatschappij kunnen leren is dat we niet zo zwaar moeten tillen aan de dood. Ik zie de dood als een transformatie, van een individueel perspectief naar het perspectief van het geheel. Als je denkt dat de dood een definitief einde is, legt dat enorme druk op onze korte levensduur. Met zoveel druk kun je geen tedere relatie met de wereld opbouwen. Je verliest jezelf in de dreiging van het einde.’


(Filosofie Magazine Robin Atia 13 maart 2024)
https://www.filosofie.nl/bioloog-andreas-weber-zelfs-de-wind-heeft-een-innerlijk/

close up of yellow and white pussy willow buds
Photo by Roman Biernacki on Pexels.com

Kleine en grote geschiedenis? Een paasbrief.

bright yellow daffodils under blue sky
daffodil close up
Photo by Mariya Muschard on Pexels.com

Om drie uur begon de sirene op het stadhuis luid te loeien. Dat was dus het uur. Meestal nog op school kon meester of broeder ons wijzen op dat heilig moment waarop Jezus aan het kruis was gestorven. Wij waren enkele minuten werkelijk stil.
Goede Vrijdag 1952. Ik was dat jaar in februari acht geworden. En overmorgen zou het Pasen zijn, de dertiende april. Was dat geen ongeluksgetal, die dertien? Churchill liet op de radio horen dat zij, de Engelsen, ook een atoombom hadden. En de Russen al een tijdje daarvoor hun atoomwapen, ‘Eerste Bliksem’ gedoopt. Pasen 1952 bleef de wereld stil. De gekruisigde was verrezen. Op stille zaterdag waren de klokken terug uit Rome. Mijn broertje en ik vonden kleine en enkele grote chocolade eieren in de tuin. Het was helemaal geen ongeluksdag. Half bewolkt was het en het bleef droog.

bright yellow daffodils under blue sky
Photo by Michael on Pexels.com

Het dagelijks gebeuren heeft -soms weinig zichtbaar- de geschiedenis in of achter de rug. De betekenis van ‘achter de rug’ lijkt op het voorbije te duiden, maar al wordt geschiedenis meestal na afloop zichtbaar, haar aanwezigheid in het heden, al dan niet verdrongen, is, vooral na afloop, zichtbaar te maken door de verhalen van getuigen, documenten en beeld- en klankmateriaal.
De verteller herinnert zich zijn eigen kleine maar ook elementen van de wezenlijke geschiedenis. Geboren in de uitlopers van de tweede wereldoorlog is hij als baby, peuter en kleuter aanwezig in de weinig ordelijke natijd van de tweede wereldoorlog. Het jaar na de beschreven paastijd zal ook de televisie een rol gaan spelen in het dagelijks leven.(1953)

Zo zal het tot 1963 duren, het begin van de Frankfürter-Auschwitz processen, de gruwelmachine van de kampen door getuigenissen zal doordringen tot in de huiskamer al was tijdens het Eichmann proces in Jerusalem 1961 al een beklemmend beeld ontstaan van het mechanisme, de banaliteit van het kwaad, om Hanna Arendt te citeren. Toch moet je die banaliteit niet als excuus beschouwen, de misdaden van Eichmann vloeiden rechtstreeks voort uit de extremistische ideeën van het nationaal-socialisme, waar hij vol overtuiging in geloofde. Arendt heeft van een extreme SS’er een gehoorzame ambtenaar gemaakt.’ (ik citeer Tom Bouwmeester in ‘Het kwaad: banaal of demonisch?’ in Filosofie Magazine 4 december 2012). Een middenweg?

Michelangelo Buonarroti (Caprese 1475-Rome 1564) Archers Shooting at a Herm c.1530
Red chalk (two shades) | 21.9 x 32.3 cm (sheet of paper)
(vergroot door op onderschrift te klikken.)

Steeds gedwongen tot ‘verlaten’ is heimwee niet uit te sluiten.
Wil je leven dan komt er een moment dat je je moeder ‘letterlijk’ verlaat. Je wordt geboren. Je blijft mogelijk levenslang in haar innerlijk, maar het uitstappen hoort bij het wezenlijke. Op stap naar/met de anderen. Het verlaten of verlaten worden door geliefden, denkbeelden of het tekort aan inzichten, elementen die een mens tot mens maken. Begrijp dus de ontroering en de wanhoop bij de woorden van een liefhebbend mens op het slavenkruis: “Mijn God waarom heb je mij verlaten?”

Het is een fragment uit psalm 22:

Mijn God, mijn God
waarom hebt U mij verlaten?
U blijft ver weg en redt mij niet,
ook al schreeuw ik het uit.

In het Hebreeuws klinkt de eerste regel ongeveer als dit: ‘Eli, Eli, lama sabachtani?’ 

Een wondermooie uitvoering Psalm 22 Felix Mendelssohn ‘Mein Gott, warum hast du mich verlassen SWR Vokalensemble



Mendelssohn schreef het werk “Mein Gott, warum hast du mich verlassen” (opus 78 nr 3) in een turbulente fase van zijn leven. Een van de beroemdste musici van die tijd 1843-1844 maar verscheurd tussen verschillende verantwoordelijkheden.

-Conflict met Berlijn: Mendelssohn was door de Pruisische koning Friedrich Wilhelm IV aangesteld als Generalmusikdirektor voor kerkmuziek. Hoewel hij deze psalm specifiek voor het koor van de Berliner Dom schreef, was hij diep gefrustreerd door de bureaucratie en de starre houding van de geestelijkheid in Berlijn.
-In 1843 en 1844 pendelde hij voortdurend tussen Berlijn (voor zijn koninklijke verplichtingen) en Leipzig (waar hij het Gewandhausorchester leidde en het conservatorium had opgericht). Deze periode was fysiek en mentaal uitputtend voor hem.

Hoewel Mendelssohn lutheraan was gedoopt, bleef hij trots op zijn joodse afkomst. Zijn werk met de psalmen was een poging om de protestantse liturgie te vernieuwen door terug te grijpen naar de wortels van de bijbelteksten en de polyfonie van Johann Sebastian Bach.
Een mengeling van succes en tragiek, zo zou je deze periode tot aan zijn dood in 1847 kunnen noemen. Succes in 1846 met zijn oratorium ‘Elijah’ in 1846, (premiere in Birmingham Engeland) maar als het jaar daarop in 1847 zijn geliefde zus Fanny sterft zal hij niet lang daarna een beroerte krijgen en datzelfde jaar overlijden. Zijn laatste grote werk, het Strijkkwartet nr. 6 in f-mineur, schreef hij als een rauw en emotioneel eerbetoon aan zijn zus.

(samengesteld met hulp van AI Google)

Christusdoorn

De Christusdoorn



In mijn toren van vergaan ivoor

Staat een oude Christusdoorn; hij bouwt

Met zijn stekels bars een wenteltrap

Naar de hemel; daaglijks, voet voor voet,

Volg ik hem, soms met het blote oog

Bijna rakend aan zijn pantsertuig:

Zwaarden worden dan zijn stekeldoornen,

Zwaardviszwaarden, lemmeten van wilden,

Messen van nomaden, Moorse dolken;

Maar naarmate, hoger in de hemel,

Klimmend, kleiner wordend, klauterende

Ik hem volg, verschraalt geheel, verschrompelt

't Wapenarsenaal en 'k zie de bloem

Als een spijker in de top geslagen,

Als een rode spijker die hij kleurt

Met zijn bloed: o raadsel der genade.




Bertus Aafjes (1914-1993)
monochrome stairs leading to sky
Photo by Rino Adamo on Pexels.com

Ik ben omdat wij zijn’
Dat is een gezegde van de Zuid Afrikaanse filosoof Mogebe Ramose.(1950)
Denk je vanuit het wij dan komt het ik pas echt tot zijn recht.
Dat klinkt wonderlijk zo:
Umuntu ngmuntu ngabantu: Ik ben omdat wij zijn.

umuntu = een persoon
umuntu ngmuntu = een persoon is een persoon
ngbantu = door mensen

Luidop kun je er makkelijk een vinnig ritme van maken.
Met begeleiding allerhande. Vanuit het hart.
Zalige paasdagen gewenst.

Kijken en bekeken (1)

Lavery, John; Daylight Raid from My Studio Window, 7 July 1917; National Museums Northern Ireland; http://www.artuk.org/artworks/daylight-raid-from-my-studio-window-7-july-1917-122334

Een jonge vrouw, met haar rug naar ons toe, leunt met één knie op een bank die tegen het grote, halfopen raam van een Londens herenhuis staat. Ze staart naar buiten, haar handen gespreid over de rugleuning van de bank, en ze baadt in een zacht, vroeg avondlicht dat de schoorstenen van de gebouwen rechts van het raam een krijtachtig grijze tint geeft, en die aan de linkerkant een lichtroze.

Kijk je naar de datum van het schilderij, 1917 dan begin je te beseffen dat de stipjes hoog in de lucht geen vogels zijn maar zoals de titel zegt, een raid van vliegtuigen net voor het donker wordt. Zij bekijkt vanuit het schildersatelier de avondlucht.

Het licht valt op voorwerpen in de kamer: flessen op de diepe vensterbank en een pot vol met penselen. Deze pot staat tegen een kleine, ronde spiegel die tegen bleke houten luiken leunt, opgevouwen aan één kant van de vensterbank. De spiegel is helderwit waar het licht erop valt. Het licht valt ook op het rode, krullende haar van de vrouw, dat tot aan haar kaak reikt, en op de kanten rok van haar geel-crèmekleurige jurk, die lange, strakke mouwen heeft, een nauwsluitend bovenstuk en een smalle, crèmekleurige sjerp in haar taille. Haar roze satijnen schoenen nemen de dieproze, rode en oranje kleuren over van het dikke tapijt waarop één voet rust. Het roze sluit ook aan bij de kleuren van de bank en een groot fluwelen kussen rechts, waaronder een opgevouwen krant tevoorschijn komt, wat zorgt voor nog een witte accenten.

Bekijk ook:

Banksy de ware

“Verhalen geven het leven niet alleen een mate van bestendigheid, ze zijn ook helend. ‘Al het leed wordt draaglijk als je het inpast in een verhaal, of er een verhaal over vertelt’, aldus het motto dat Hannah Arendt aan een van haar hoofdstukken in The Human Condition meegeeft. De pijn die is ingebed in een verhaal krijgt de kans zich te hechten aan een specifieke levensgang. Dat maakt de pijn niet minder, maar kan er op z’n minst voor zorgen dat zij niet sprakeloos blijft en dus zonder betekenis. Sprakeloos leed zal het individu blijvend verteren als een ‘niets zonder einde’, verhalend leed heeft een begin en een einde.

Zodra we de kindertijd achter ons laten, een tijd waarin we nog op onmiddellijke wijze konden samensmelten met de wereld en nog geen weet hadden van onze sterfelijkheid, worden we melancholische wezens. Het verlies van deze oorspronkelijke eenheid is, tezamen met het besef van vergankelijkheid, een traumatische gebeurtenis. Oftewel: de mens hoeft geen persoonlijk verlies te ervaren of oorlog te ondergaan om pijn te lijden. We zijn van huis uit getraumatiseerde dieren; verhalen verzachten onze existentiële pijn.

Het is aan de kunst om ons hieraan blijvend te herinneren en ons thuis te laten komen in het trauma dat leven heet.”

Hans Schnitzler ‘Melancholische wezens’ verschenen in A Tale of Hidden Histories (De Groene Amsterdammer 12 maart 2019)

Alberto Giacometti, The Walking Man I, 1960. Bronze, 72” high. Guggenheim, Bilbao.

The sculptures of Swiss artist Alberto Giacometti (1901-1966) perhaps best express the existentialist spirit. Although Giacometti never claimed that he pursued existentialist ideas in his art, his works brilliantly capture the spirit of that philosophy. Indeed, Sartre, Giacometti’s friend, saw the artist’s figurative sculptures as the personification of existentialist humanity – alienated, solitary, and lost in the world’s immensity. Giacometti’s sculptures of the 1940s are thin, nearly featureless figures with rough, agitated surfaces. Rather than conveying the solidity and mass of conventional bronze sculpture, these thin and elongated figures seem swallowed up by the space surrounding them, imparting a sense of isolation and fragility. Giacometti’s evocative sculptures spoke to the pervasive despair that emerged in the aftermath of world war.

Fred S. Kleiner, Gardner’s Art Through the Ages: The Western Perspective, vol. 1, 15th ed., (Boston: Cengage Learning, 2010), 831.

Alberto Giacometti, Drei schreitende Männer (kleines Quadrat), 1948, Bronze, 72 x 32,7 x 34,1 cm, Fondation Giacometti, Paris © Succession Alberto Giacometti / ADAGP, Paris, 2025

“De sculpturen van de Zwitserse kunstenaar Alberto Giacometti (1901-1966) geven misschien wel het beste uitdrukking aan de existentialistische geest. Hoewel Giacometti nooit heeft beweerd dat hij in zijn kunst existentialistische ideeën nastreefde, geven zijn werken op briljante wijze de geest van die filosofie weer. Sartre, een vriend van Giacometti, zag de figuratieve sculpturen van de kunstenaar zelfs als de personificatie van de existentialistische mensheid – vervreemd, eenzaam en verloren in de onmetelijkheid van de wereld. Giacometti’s sculpturen uit de jaren 40 zijn dunne, bijna karakterloze figuren met ruwe, onrustige oppervlakken. In plaats van de stevigheid en massa van conventionele bronzen sculpturen uit te stralen, lijken deze dunne en langgerekte figuren opgeslokt te worden door de ruimte om hen heen, wat een gevoel van isolatie en kwetsbaarheid geeft. Giacometti’s suggestieve sculpturen spraken de alomtegenwoordige wanhoop aan die ontstond in de nasleep van de wereldoorlog.”

Fred S. Kleiner, Gardner’s Art Through the Ages: The Western Perspective, vol. 1, 15th ed., (Boston: Cengage Learning, 2010), 831.

The Dog, 1951 © Medium

We begonnen het ‘kijken en bekeken’ met de niet zo bekende schilderij van de Ierse schilder John Lavery, 1917: ‘Daylight raid from my studio window’. Je zou een gelijklopend slotbeeld kunnen vinden tussen de talrijke foto’s van de aan gang zijnde oorlogen, maart 2026. Bekeken vanuit de oorlog zelf. Onze machteloosheid. Of schiet zelfs onze verbeelding tekort bij een ruim overschot aan dagelijkse werkelijkheid?

Alexandr Gera – “Laatste adem #5”, 2024. Acryl op canvas. 80 x 80 cm.

Daylight Raid from my Studio Window records the afternoon of 7 July 1917, when twenty-one German biplanes appeared in the skies above London and were engaged by British aircraft. The ensuing combat could be seen from the large window of Lavery’s studio in Cromwell Place, London. The artist’s wife Hazel, her head outlined against a blackout curtain, is watching the scene, worry evident in the tension of her body. Lavery seems to have originally painted a statuette of the Virgin Mary, in front of which Hazel kneeled. Before he donated the painting to Belfast, he painted it out, possibly to erase the memory of his wife’s worry. (Ulster Museum)

Lavery, John; Daylight Raid from My Studio Window, 7 July 1917; National Museums Northern Ireland; http://www.artuk.org/artworks/daylight-raid-from-my-studio-window-7-july-1917-122334


Lavery On Location (John Lavery), galerietrap in de National Gallery of Ireland

Kunst, een speeltuin? Isamu Noguchi, een intro

Sun at Noon (1969)the noguchi museum, photo by nicholas knight © the isamu noguchi foundation and garden museum, new york / ARS

In 1933 stelde Isamu Noguchi voor om een heel blok in New York City te herontwikkelen tot “Play Mountain”, een enorm topografisch project dat ongestructureerd en open zou zijn. In plaats van schommels en snelle metalen glijbanen wilde Noguchi bijvoorbeeld aarden trappen, een muziektent en een grote heuvel om te sleeën en samen te komen. Het idee was dat het in de winter net zo leuk zou zijn als in de zomer en dat het de verbeelding van kinderen meer zou prikkelen dan de voorgeschreven speeltoestellen die typisch zijn voor stadsparken. De toenmalige commissaris voor parken, Robert Moses, verwierp het plan echter en ondanks pogingen om dit en andere ontwerpen van Noguchi in New York te realiseren, werd geen enkel project in de stad uitgevoerd. Maar wel nu, op film. Als eerbewijs aan Noguchi. Ter gelegenheid van de tentoonstelling ‘Noguchi’s New York’. Hoe het in de loop der jaren zou geweest zijn als..

Bekijk de ultra korte filmpjes die hier na elkaar zijn gemonteerd tot YouTube afrondt.

Een feest van beweging en ontdekkingen kon het geweest zijn.

“Ik beschouw speeltuinen als een basis voor vormen en functies; eenvoudig, mysterieus en suggestief; en dus leerzaam”, zei kunstenaar Isamu Noguchi ( in een pamflet over zijn Playscapes). De Japanse kunstenaar en ontwerper, misschien wel het meest bekend om zijn stenen sculpturen en Akari-lampen, had altijd oog voor de ruimtes die de kindertijd bepalen, met name openbare speeltuinen en hun invloed op de jonge geest. (Grace Ebert)

Een reeks korte animaties brengt deze minder bekende geschiedenis tot leven. Met behulp van handgeschilderd celluloid onder een Rostrum-camera verbeeldt Eastend Western hoe deze nooit gebouwde speeltuinen eruit zouden hebben gezien – en hoe telkens kinderen in de loop van jaren zouden hebben omgegaan met de veranderende onconventionele constructies. Er zijn betonnen heuvels met grotachtige openingen, labyrintische zandtuinen en asymmetrische toestellen die gebruikers zouden kunnen leren dat “de snelheid van de schommel wordt bepaald door de lengte van de slinger”, aldus de film. (ibidem). Tot 13 september 2026 in het Noguchi Museum NY USA.

isamu noguchi, ‘contoured playground’ (1941 – 1963), photo © the isamu noguchi foundation and garden museum, new york / ARS
 

https://www.noguchi.org/artworks/collection

Isamu Noguchi (1904–1988), een van de belangrijkste kunstenaars van de 20e eeuw, was een idealist wiens tijdloze werk oude en moderne ideeën combineerde. Als rondreizend cultureel synthesizer verwierp hij consequent categorisering en de valse opdelingen van zijn tijd, omarmde hij globalisme en liep hij enkele decennia vooruit op de sociale praktijk van kunst. Noguchi was in de eerste plaats beeldhouwer, maar zijn uitgebreide, interdisciplinaire praktijk omvatte ook openbare projecten, tuinen, speeltuinen, meubilair, verlichting en decorontwerp, allemaal gebaseerd op een diepgewortelde overtuiging dat de natuur van fundamenteel belang was voor de menselijke conditie en een vastberadenheid om werk te maken dat deze overtuiging aanmoedigde.

(White Cube)

Noguchi Isamu Akari light sculpture (1960s)

Bekijk deze mooie concentratie van zijn werk en wezen in deze kortfilm (6:31):

“Alles is een sculptuur,” heeft Isamu Noguchi gezegd. “Elk materiaal, elk idee dat zonder grenzen is ontstaan in de ruimte, is voor mij een sculptuur.”

https://www.rijksmuseum.nl/nl/stories/10-dingen/story/tien-dingen-over-isamu-noguchi

Isamo Noguchi Black Slide Mantra 1966

Noguchi geloofde dat de taak van de beeldhouwer was om de ruimte vorm te geven, om het orde en betekenis te geven, en dat kunst zou moeten “verdwijnen”, of als één met haar omgeving moet zijn. Misschien was het zijn dubbele afkomst – zijn vader was een Japanse dichter, zijn moeder een Schots-Amerikaanse schrijver – die resulteerde in zijn manier om naar de wereld te kijken met oog voor ‘oneness’. Oguchi wilde en kon zich niet in een hokje laten plaatsen en creëerde sculpturen die zowel abstract konden zijn als die van Henri Moore, of realistisch als die van Leonardo. Hij gebruikte elk medium dat hij maar kon vinden: steen, metaal, hout, klei, bot, papier, of een combinatie daarvan. Hij sneed, giet, hakte, beitelde of blies stukken weg totdat elke vorm vorm kreeg.

“Als je jezelf beperkt tot een bepaalde stijl, word je misschien een expert in dat specifieke standpunt of die specifieke school, maar ik wil niet tot een bepaalde school behoren”, zei hij. “Ik ben altijd aan het leren, altijd aan het ontdekken.” (Herman Miller)

Isamu Noguchi – Red Cube Sculpture, 1968, 140 Broadway Between Cedar and Liberty Streets, Financial District in Lower Manhattan, New York

Heb je je ooit afgevraagd hoe kunstwerken in galeries terechtkomen? Bekijk de beproevingen, frustraties en unieke voldoening die gepaard gaan met het presenteren van kunst aan het publiek. Deze korte documentaire volgt de installatie van Isamu Noguchi’s geliefde sculptuur Water Stone (1986) in galerie 229, waar het nog steeds te zien is, en biedt een unieke kans om te zien hoe een levende kunstenaar met het personeel communiceert terwijl zijn werk wordt voorbereid voor tentoonstelling.

Tot slot neem ik je nog graag mee naar ‘The Noguchi Museum’ in Queens, New York. Het was er stil die dag, ook in de mooie binnentuin. Alsof je als volwassene nog even terug langs de ideale speeltuinen loopt die hij in de dertiger jaren zo graag had gerealiseerd. Maar het spelen met vormen en materialen, de projectie van het zonnelicht op muren en kunstwerken, de werkelijk spelende geest is er aanwezig gebleven en de wisselwerking tussen natuur en vormgever is zowel zacht als grappig maar de weemoed overheerst. Elk spreken in materiaal blijft nazinderen tot in de letterlijke lichtheid van de lampen, de stilte . Of zijn de kinderen naar de oorlogen getrokken?

Omtrent Verwondering (4) ‘Verkenningen’

pigeons on power lines

Schrikken, of ontroerd zijn, of het loslaten van meningen, bedoel je misschien ‘het stellen van vragen, of moet je de gedachte loslaten dat je iets zou vinden? Het is nog iets anders dan nieuwsgierigheid en verbazing. Even filosoof Cornelis Verhoeven erbij halen: ‘

‘In de verwondering ervaren wij ons zelf op grond van een ontmoeting met een werkelijkheid.’

‘Het is een avontuur waarvan hij [de mens] de afloop niet kan voorzien, een oefening in de vrije val.’

scenic view of neretva river in mostar
Photo by Mario Zovko on Pexels.com
Uit de bundel: 'Gewone wonderen'

Deze drie
wonderen
a) dat ik denk
b) te begrijpen
c) wat ik zie
kan ik niet verklaren.

Waarom is het ware
wonder dan wat
we ervaren
zonder
een van die
drie?

Leo Vroman
Door de eigenzinnige kijk op het menselijk leven waar de dood vanzelfsprekend toe behoort en de heldere en indringende formulering van het wonder van het menselijk bestaan dat niet gereduceerd wordt tot zijn fysieke verschijning en verdwijning, bezit Vromans poëzie een filosofische diepgang die humor en taalplezier echter nooit uitsluit. (Joris Gerits Streven 2015)
photo of tent during evening
Photo by Suleyman Seykan on Pexels.com

‘De verwondering brengt een moment van stilstand in het denken. Trefzeker zegt onze taal dat iemand verwonderd ‘staat’. Dat is veelbetekenend. Het staan als stil-staan is het ophouden met bewegen, ontwerpen, ingrijpen. De uitdrukking ‘verwonderd staan’ veronderstelt dus een actief leven, dat plotseling wordt onderbroken en afgeremd. De verwondering wordt gesitueerd temidden van een beweging. Voor en na de bewondering is er de beweging, die de ‘gewone’ toestand is. Mensen zijn, zo lijkt het dus, op de eerste plaats bewegers en werkers. Het stilstaan is ook ophouden met spreken; in de stilte komt het anders-zijn van de dingen aan. Het moet worden beluisterd om te worden vernomen en er bestaat dus een mogelijkheid om het niet te vernemen door het zelf te overstemmen. Zonder een minimum aan aandacht heeft het gebeuren van de verwondering niet plaats. Zij heeft dat gemeen met elke openbaring.’

Dr. Cornelis Verhoeven. Inleiding tot de verwondering (1967)

https://www.dbnl.org/tekst/verh039inle01_01/verh039inle01_01_0002.php

water drop at the tip of a leaf
Photo by Pixabay on Pexels.com
Omzien in verwondering is de titel van de autobiografie die de historica Annie Romein-Verschoor (1895-1972) schreef na de voltooiing – met haar man Jan Romein – van historische meesterwerken als De lage landen bij de zee, Erflaters van onze beschaving en Op het breukvlak van twee eeuwen. Het boek verscheen in twee delen, in 1970 en 1971. De titel van de autobiografie van Annie Romein-Verschoor sprak kennelijk tot de verbeelding, want omzien in verwondering wortelde zich al snel in onze taal in de betekenis van ‘verbaasd terugblikken’.  (Ton den Boon 31 dec. 2016 in 'Taalbank)
In "Nederduitsche synonymen" (1836), band 1, blz. 126:
verslagenheid, ontzetting, ontsteltenis, ontroering, verbazing, bevreemding, verwondering, verbijstering

Zeg niets, maar kun je een aantal situaties uit je eigen leven oproepen waar de ‘Nederduitsche synonymen’ van toepassing waren.? Een aantal beelden als intro, of het kan ook muziek zijn die herinneringen losmaakt uit het bevroren ’toen’. Je kunt op die manier ’tinten van herinneren’ oproepen en overdenken. Het zal nooit één beeld zijn, maar een dynamiek al dan niet met nawerking.

reflection of silhouette trees in lake against sky at sunset
Evenwicht tussen lucht, aarde en water net voor de dag eindigde of begon. Cirkels.

En dan opeens
Staat alles stil
Terwijl de wereld verder draait
Opeens… staat alles stil
Luister:


Je raapt jezelf weer bij elkaar
Staat op en gaat weer door
Niet bang om te vallen
Ook al dans je op een koord

De bel gaat voor een nieuwe ronde
Je staat nog altijd in de ring
Vechtend met een tegenstander
Die zich meestal niet laat zien

Want opeens
Staat alles stil
Terwijl de wereld verder draait
Opeens… staat alles stil
silhouette of a person watching fish in an aquarium
Photo by Margarita on Pexels.com

Op draden waarmee mensen met elkaar communiceren,
of licht en warmte mogelijk maken
zit het vol duiven,
dat notenschrift van vrede en vriendschap
voor diegenen die van goede wille zijn.

pigeons on power lines
Photo by Thắng-Nhật Trần on Pexels.com

Lees ook: