ultiem (bn) : uiteindelijk, uiterst, laatste ten slotte (bw) : uiteindelijk, eindelijk, tot besluit, tot slot, ter afsluiting, ten langen leste al met al (bw) : uiteindelijk, alles bijeengenomen, alles overziend, alles bij elkaar genomen tenslotte (bw) : uiteindelijk, immers, welbeschouwd, op de keper beschouwd eindelijk (bw) : uiteindelijk, ten slotte, ten langen leste finaal (bw) : uiteindelijk, definitief, laatste, ultiem
Je zou kunnen aankomen bij: (dat is) helemaal het einde. Wat zich na dat ‘aangenomen’ einde zou bevinden kan zich van het ‘niets’ tot het wonderlijke (onbekende) alles uitstrekken.
Dien avond kwam ik later dan gewoonlijk naar boven. In de huiskamer was licht zag ik door de gesloten deur. Een schicht van vreugde maakte terstond persoonlijk, al wat zich uit mij had ontsticht in stad en menigte. Ik stond koninklijk in het vernieuwde donker van den nacht, binnen mijzelve opgericht. ‘Ik heb op je gewacht’, zei je aandoenlijk, en kuste mij de dood van het gezicht.
"Verwondering is het staren in een wereld die tot voor kort een andere wereld was en nu de eigen wereld blijkt te zijn of omgekeerd. Zij ontstaat, zoals men gewoonlijk zegt, uit de tegenstelling tussen het gewone en het ongewone. Zij kan ons overkomen wanneer het ongewone gewoon blijkt te zijn, verklaarbaar en begrijpelijk, maar evenzeer wanneer het gewone zich als iets ongewoons openbaart of zich van een ongewone kant laat zien. Deze schommeling wordt niet alleen veroorzaakt door het ambivalente karakter van de verwondering, maar ook door de twijfelachtige waarde van de noties ‘gewoon’ en ‘ongewoon’."
Hij citeert ook Augustinus:
De verwondering treft het hart zonder het te kwetsen; "Percurit cor meum sine laesione." Het hart hunkert naar het nieuwe dat in de verwondering openbaar wordt.
Dr. Cornelis Verhoeven, Inleiding tot de Verwondering. (1967)
Dit sprookje (AT 1620, ‘The King’s New Clothes’) dankt zijn bekendheid aan de sprookjesbundel Eventyr fortalde for Børn (1835) van Hans Christian Andersen (1805-1875). Andersen gebruikte als voorbeeld het verhaal uit het veertiende-eeuwse kluchtboek El libro de los exemplos de conde Lucanor et de Patronio van de Spanjaard Juan Manuel. Het motief van het bedrog met de niet bestaande kleding is echter al veel ouder en komt al in een Indiaas verhaal in de Avadânas (Boedda’s wedergeboorten) uit de eerste eeuwen na Christus voor. Hier weeft iemand zo’n fijne draad dat niemand hem kan zien.
Behalve met niet bestaande kleding kan het bedrog ook plaatsvinden met een niet bestaand schilderij. Een verhaal met dit motief komt voor het eerst voor in de veertiende-eeuwse Der Pfaffe Amîs van Der Stricker. Alleen wettig geboren kinderen zouden een schilderij kunnen zien. Het verhaal duikt later op in de Uilenspiegel-cyclus en bij Hans Sachs. Als mondeling verhaal is de ‘Nieuwe kleren van de keizer‘ weinig opgetekend: slechts hier en daar in Europa, Azië en Zuid-Afrika. Wat Nederland betreft is het alleen enkele keren in Friesland door Ype Poortinga in de jaren zeventig opgetekend.
Het verhaal van Andersen is in 1893 gedramatiseerd door Ludwig Fulda in diens Der Talisman.
Pim Marijn Sanders in de Efteling ‘De naakte keizer’
Rembrandt’s tulbanden, Élisabeth Vigée Le brun’s sjaals, Rosa Bonheur’s lange broeken, Balzac’s kamerjas door Rodin, Andy Warhol’s pruik, Niki de Saint Phalle’s slangenjurk… Maken kleren de kunstenaar? Of de ziel van de geportretteerde?
The Artist, the Model and her Lawyer, 1992
In 1992 maakt Marlene Dumas een schilderij getiteld The Artist, the Model and her Lawyer. Midden op het doek staat het naakte model met haar handen afwachtend op haar rug. Aan weerszijden van haar staat een geklede man. Zij zijn druk met elkaar in gesprek. De titel, die boven de hoofden van de drie figuren geschreven staat, geeft aan dat het hier om de kunstenaar en de advocaat van het model gaat. De kunstenaar en het model zijn blijkbaar in een ongelijke strijd verwikkeld, anders had het model geen nood aan een advocaat. Het model is trouwens naakt, terwijl de lichamen van de twee heren verhuld blijven door de kleding die zij dragen. Zo beschouwd is Dumas’ schilderij een uitwerking van Manets Déjeuner sur l’herbe. Ook daar zien we een naakte vrouw temidden van twee zorgvuldig geklede heren. Wordt de ongelijkheid in Dumas’ werk nog enigszins gelegitimeerd door de professionele motieven van de kunstenaar en de context van het atelier, dan neemt ze ronduit groteske vormen aan in Manets Déjeuner. Het groene gazon levert nauwelijks een narratief alibi voor de naakte aanwezigheid van de vrouw. (Ernst van Alphen)
With regret for the fact that ‘sexy’ also implies something stupid and the fine arts avoid that in favour of the ‘erotic’. I’ve always felt related to those places where the pin-up feels at home. And I thank all those nameless artists who’ve given us the real pin-ups.
Marlene Dumas, in: Sweet Nothings
Manet, Edouard – Le Déjeuner sur l’Herbe (The Picnic)
Er is ook een erg wrede versie van ‘de nieuwe kleren van de keizer’ Auteur, Yeh Shengtao (1894-1988) was leraar, daarnaast schrijver van kinderliteratuur en korte verhalen. Terugkerende onderwerpen daarin zijn het lot van kinderen in het autoritaire onderwijssysteem en de machteloosheid van hervormingsgezinde intellectuelen. Gedurende de jaren twintig en dertig was hij in Shanghai actief als criticus en tijdschriftredacteur. Na de oprichting van de Volksrepubliek China in 1949 was hij een tijd lang vice-minister van onderwijs. Annemie Bonneux maakte een vertaling . (De Tweede Ronde Jrg 27 2006)
Ook Roald Dahl maakte er een moderne berijmde versie van die je terugvindt in zijn verzameling ‘Rijmsoep’ In dit boek figureren heel wat bekende figuren, die hun strepen al lang verdiend hebben in andere verhalen, sprookjes of vertellingen. Wie kent er niet het verhaal van ‘De nieuwe kleren van de keizer’ of ‘Ali Baba en de veertig rovers’? Roald Dahl zou Roald Dahl echter niet zijn als hij niet aan elk verhaal een bijzondere wending gaf. De basiselementen blijven behouden, maar vaak lopen ze net iets anders af of krijg je een heel andere invalshoek voorgeschoteld. In ‘De nieuwe kleren van de keizer’ gaat de keizer in zijn nieuwe pak skiën. Hij is, net zoals in het sprookje, uiteraard helemaal naakt. Al vlug is hij helemaal bevroren en jubelt het hele land blij: “Nu zijn we eindelijk vorstvrij!” Vertaling van Huberte Vriesendorp.
's Keizers kleermaker, mijnheer Grijs, had zijn zaak naast het paleis. Zo kon de keizer wel twaalf keer elke dag naar hem heen en weer. Want hij was verzot op kleren: pakken, mantels, hoeden, veren, gestikte vesten van rode zij, paarlen knoopjes op een rij...
Het paleis was vol goud en pilaren, en lakeien en kamerdienaren, die de hele dag niets anders deden dan persen, strijken en de keizer kleden. Maar kleren kunnen gevaarlijk zijn voor 'n keizer met 'n minibrein… Bij hem kwamen op de eerste plaats zijn kleren, en de mensen 't laatst. Neem nou de lakei die per ongeluk iets morste op een kledingstuk. Hij werd dadelijk in het openbaar opgehangen aan zijn haar. Een andere lakei, die jammer genoeg bij het borstelen 'n pluisje oversloeg, werd levend gekookt, net als een kreeft, iets wat men maar zelden overleeft. De dienaar die wat snuif had gemorst op de gouden mouwrand van de vorst werd vermalen in een machine tot eersteklas dieetmargarine.
Een heel andere toonaard in ‘The Emperor’s New Clothes van Sinead O’Connor
You asked for the truth and I told you Through their own words They will be exposed They've got a severe case of The emperor's new clothes The emperor's new clothes The emperor's new clothes The emperor's new clothes
Keld Moseholm (1936-2023) The Emperors new Clothes
‘On learning to dissect fetal pigs, een gedicht van Nicole Maclin Good
Nicole Maclin Good was een alumnus van de Old Dominion University, in Norfolk, Virginia. Zij volgde een cursus creatief schrijven aan de universiteit en studeerde in 2020 af. Good was een productieve dichter en had verschillende bekroonde publicaties op haar naam staan. In 2020 schreef ze een gedicht met de titel “On Learning to Dissect Fetal Pigs” dat de Academy of American Poets Prize van dat jaar won. Het gedicht is openbaar te lezen op de website van poets.org – de officiële website van de Academy of American Poets. Het gedicht worstelt met de spanning tussen geloof, verwondering en wetenschappelijke kennis. Met name won het gedicht ook de 2020 ODU undergraduate poëzieprijs. De voorzitter van de wedstrijd vermeldde dat in het gedicht,“…het oog van de dichter beweegt in en buiten het geheugen door associaties die verbindingen maken, laag na laag, of meer toepasselijk, streng na streng.”
Mummified Fetal Pig
“On learning to Dissect Fetal Pigs” by Renée Nicole MacklinGood
i want back my rocking chairs,
solipsist sunsets,
& coastal jungle sounds that are tercets from cicadas and pentameter from the hairy legs of cockroaches.
i’ve donated bibles to thrift stores
(mashed them in plastic trash bags with an acidic himalayan salt lamp—
the post-baptism bibles, the ones plucked from street corners from the meaty hands of zealots, the dumbed-down, easy-to-read, parasitic kind):
remember more the slick rubber smell of high gloss biology textbook pictures; they burned the hairs inside my nostrils,
& salt & ink that rubbed off on my palms.
under clippings of the moon at two forty five AM I study&repeat
ribosome
endoplasmic—
lactic acid
stamen
at the IHOP on the corner of powers and stetson hills—
i repeated & scribbled until it picked its way & stagnated somewhere i can’t point to anymore, maybe my gut—
maybe there in-between my pancreas & large intestine is the piddly brook of my soul.
it’s the ruler by which i reduce all things now; hard-edged & splintering from knowledge that used to sit, a cloth against fevered forehead.
can i let them both be? this fickle faith and this college science that heckles from the back of the classroom
now i can’t believe—
that the bible and qur’an and bhagavad gita are sliding long hairs behind my ear like mom used to & exhaling from their mouths “make room for wonder”—
all my understanding dribbles down the chin onto the chest & is summarized as:
life is merely
to ovum and sperm
and where those two meet
and how often and how well
and what dies there.
Over het leren ontleden van foetale varkens door Renée Nicole Macklin GOOD
Ik wil mijn schommelstoelen terug,
solipsistische zonsondergangen,
& de geluiden van de kustjungle die bestaan uit terzinen van krekels en pentameters van de harige poten van kakkerlakken.
ik heb bijbels gedoneerd aan kringloopwinkels
(ze verpulverd in plastic vuilniszakken met een verzuurde Himalaya-zoutlamp –
de bijbels van na de doop, die van straathoeken geplukt uit de vlezige handen van fanatiekelingen, het versimpelde, gemakkelijk te lezen, parasitaire soort):
herinner me meer de gladde rubbergeur van hoogglanzende biologieboek-foto’s; ze verbrandden de haartjes in mijn neusgaten, & zout & inkt die het op mijn handpalmen hadden gemunt. onder knipsels van de maan om twee uur vijfenveertig ’s nachts bestudeer ik & herhaal ik
ribosoom
endoplasmatisch—
melkzuur
meeldraad
bij de IHOP op de hoek van Powers en Stetson Hills—
herhaalde en krabbelde ik totdat het zijn weg vond en ergens vastliep waar ik er niet meer naar kan wijzen, misschien mijn onderbuik –
misschien zit daar tussen mijn alvleesklier en dikke darm het miezerige beekje van mijn ziel.
het is de maatstaf waarmee ik nu alle dingen reduceer; hard en versplinterd door kennis die vroeger rustte, een doek tegen een koortsig voorhoofd.
kan ik ze allebei laten zijn? dit wispelturige geloof en deze universiteitswetenschap die vanuit de achterste bank van het klaslokaal wordt uitgejouwd?
nu kan ik niet geloven-
dat de bijbel en de koran en de bhagavad gita lange haren achter mijn oor schuiven zoals mama dat vroeger deed & via hun monden uitademen “maak plaats voor verwondering”
al mijn begrip druppelt langs mijn kin op mijn borst en kan worden samengevat als:
het leven is slechts eicel en sperma en waar die twee elkaar ontmoeten en hoe vaak en hoe goed en wat daar sterft.
The woman shot dead by a federal immigration agent in the US city of Minneapolis has been identified as Renee Nicole Good, a 37-year-old mother of three who had just moved to the city. She was a prize-winning poet and a hobby guitarist, who city leaders have said was there as a legal observer of Immigration and Customs Enforcement (ICE) activities. But the Trump administration has called her a "domestic terrorist". Good's death has sparked protests across the country, with many people holding signs that read "Justice for Renee". Her mother, Donna Ganger, told the Minnesota Star Tribune that her daughter was "probably terrified" during the confrontation with officers that saw her fatally shot and that she was "one of the kindest people I've ever known". "She was extremely compassionate," Ganger told the daily newspaper. "She's taken care of people all her life. She was loving, forgiving and affectionate. She was an amazing human being." Her father, Tim Ganger, told the Washington Post that "she had a good life, but a hard life". Good studied creative writing at Old Dominion University in Norfolk, Virginia, and in 2020 she won an undergraduate prize from the Academy of American Poets for her piece entitled On Learning to Dissect Fetal Pigs.
(BBC)
Renee Nicole Good
Lees deze bijdrage in Reader of via blog. Wij zoeken naar de oorzaak van een foute email-vorm. Onze excuses.
-een solipsist is iemand die de filosofische overtuiging (solipsisme) aanhangt dat alleen het eigen bewustzijn zeker bestaat. Alles buiten de eigen geest – de buitenwereld en andere mensen – wordt beschouwd als een constructie van de eigen waarneming of is onbewijsbaar. Het is een radicale vorm van scepticisme waarbij de realiteit wordt gereduceerd tot het 'ik'. Kernaspecten van het solipsisme: Definitie: Afgeleid van het Latijnse solus (alleen) en ipse (zelf).
Henri Rousseau, “Carnival Evening,” 1886, at the Barnes Foundation in Philadelphia.Credit…via Philadelphia Art Museum
Un tout petit oiseau Sur l'épaule d'un ange Ils chantent la louange. Du gentil Rousseau.
Guillaume Apollinaire.
His breakout dreamscape for that show, “Carnival Evening,” is here, starring a clown and a distant, half-painted house of real, stumping enigma. Its hundreds of needle-fine tree branches silhouetted black against a winter sky gradient foretell the day-night conjurings of Magritte. (Aside from color behavior, Rousseau knew how the eye adjusted to the absence of light.). (Walker Mimmss NY Times 16 jan 2026)
Bio’s van schilders hebben de neiging om vanuit het schilderij meteen de werkelijke levensloop te integreren. Mijn verste bron echter, de Nederlandse kunstcriticus en schilder Kasper Niehaus is nog in dezelfde eeuw als Henri Rousseau geboren en zijn artikel in ‘Elseviers Geïllustreerd Maandschrift jaargang 42 verscheen in 1932 waarin hij zijn kennismaking met het werk van deze eenling uit de letterlijke doeken doet.
"IN Juni 1912 schreef een vriend mij uit Parijs, dat hij bij Uhde geweest was, een kunsthandelaar en fijn schilderijenkenner, die ook over kunst schreef en die naast een prachtcollectie Picassos en Braques en ook zeer fijn werk van Marie Laurencin, vooral een mooie verzameling werk van Henri Rousseau had: ‘een schilder wiens naam je waarschijnlijk nog nooit gehoord hebt. Toch is hij al twee jaar dood en niet jong gestorven. "
De slapende Bohémienne La Bohémienne endormie (klik op beeld om te vergroten)
Met de woorden van Kasper Niehaus (1932):
"In een geel, rood en groen gestreept kleed, slaapt de Bohemienne, met den eenen arm onder het hoofd in een evenwijdig geplooide, amethyst-paarse doek, op een oranje en groen gestreept kussen, in het alles als doorschijnend makende licht van de maan. In de rechterhand houdt zij een stok. En toch is de Bohemienne daar niet gekomen! Zooals Cocteau zeer juist heeft opgemerkt, liet de schilder, die nooit een détail vergat, geen enkel spoor na in het zand om de slapende voeten. De nagels van voeten en vingers liggen als schelpjes aan den oever van dezen stroom der vergetelheid. De mandoline met het donkere, rood-omzoomde klankgat, de snaren als besneeuwde draden van een interasterale telegraaf en de schroefjes als maansteentjes, de roode kruik, loopen volgens Uhde tien jaar vooruit op de heele komende Fransche schilderkunst welke zij doen voorvoelen; (ibidem)
Zelfportret 1890
Daarentegen gaf hij elken Zondag een soirée, waar hij z'n vrienden uit de voorsteden, winkeliers, schoenmakers, kleermakers uitnoodigde en z'n schilderijen aan hun critiek onderwierp. Hij zei eens: ‘Ik heb veel van deze menschen geleerd, veel meer dan van alle critieken, die men tegen mij schreef. Bijvoorbeeld, m'n ‘Leeuw in het oerwoud’ was op de expositie en niemand had bemerkt, dat ik vergeten had den leeuw oogen te schilderen. Daar kwam een oude vriend van mij, een douanier van den Pont de la Tournelle en lachte: ‘Oude vriend, gij hebt immers vergeten den leeuw oogen te geven.’ Rousseau liet zich dus door het volk corrigeeren! (ibidem)
De oevers van de Bièvre nabij Bicêtre 1908-1909
Rousseau identificeerde het onderwerp van dit schilderij in een handgeschreven notitie, bevestigd aan het spanraam, gedateerd 1909, het jaar waarin hij het ter verkoop aanbood aan de kunsthandelaar Ambroise Vollard. De scène toont het landschap rond Bicêtre, een arbeiderswijk aan de zuidelijke rand van Parijs, vlakbij de rivier de Bièvre (die nu ondergronds door de stad stroomt). In de tijd van Rousseau was de waterweg zwaar vervuild, maar op bepaalde plekken was het uitzicht nog steeds schilderachtig, zoals blijkt uit de figuren in boerenkleding op het met bomen omzoomde pad links en het glimpje van het zeventiende-eeuwse aqueduc d’Arcueil op de achtergrond. (The Met)
Henri Rousseau. Zelfportret van de kunstenaar met een lamp 1903
Henri Julien Rousseau werd geboren in Laval in de Loirevallei in het gezin van een loodgieter. Hij ging naar de middelbare school in Laval, eerst als dagleerling en daarna als kostschoolleerling, nadat zijn vader schulden had gemaakt en zijn ouders de stad moesten verlaten omdat hun huis in beslag was genomen. Op de middelbare school was hij middelmatig in sommige vakken, maar hij won prijzen voor tekenen en muziek. Hij werkte voor een advocaat en studeerde rechten, maar “probeerde een kleine meineed te plegen en zocht zijn toevlucht in het leger”, waar hij vanaf 1863 vier jaar dienst deed. Na de dood van zijn vader verhuisde Rousseau in 1868 naar Parijs om als ambtenaar zijn moeder, die weduwe was geworden, te onderhouden. Met zijn nieuwe baan begon hij in 1869 een relatie met de dochter van een meubelmaker, Clemence Boitard, die zijn eerste vrouw werd en voor wie hij een wals schreef met haar naam. Ze kregen negen kinderen, maar tuberculose was in die tijd wijdverbreid en zeven van hen stierven op jonge leeftijd. In 1871 werd hij gepromoveerd tot belastinginner bij het tolkantoor in Parijs. Hij begon serieus te schilderen toen hij begin veertig was en op 49-jarige leeftijd nam hij ontslag om zich volledig aan zijn kunst te wijden. Zijn vrouw stierf in 1888 en hij hertrouwde later.
Rousseau beweerde dat hij “geen andere leraar had dan de natuur”, hoewel hij toegaf dat hij “enig advies” had gekregen van twee gevestigde academische schilders, Felix Auguste-Clement en Jean-Leon Gerome. In wezen was hij autodidact en wordt hij beschouwd als een naïeve of primitieve schilder.
Henri Rousseau, “Portrait of Madame M.”Credit…via Musée d’Orsay
Het oorspronkelijk artikel door Kasper Niehaus in Elseviers Geïllustreerd Maandschrift. kun je raadplegen:
Leonora Carrington. And Then We Saw the Daughter of the Minotaur. 1953. Oil on canvas, 23 5/8 × 27 9/16″ (60 × 70 cm).
Zie of lees je het woord “surrealisme’ dan is ‘oorlog’ dichtbij of net voorbij. Wellicht verklaart het ook , als oorlogskind, mijn eigen belangstelling, niet alleen voor het absurdistische maar vooral voor de vaak ongerijmde visuele combinaties alsof je droomt terwijl je wakker bent.
“Ik had geen tijd om iemands muze te zijn... Ik had het te druk met rebelleren tegen mijn familie en met het leren kunstenaar te zijn.”
Leonora Carrington
During World War II, after the imprisonment of her then partner Max Ernst, Carrington fled France and sought asylum in Spain. There, she experienced a series of psychological crises. Her family placed her in a sanatorium against her will, where she was subjected to severe treatments. Carrington eventually moved to New York, where André Breton encouraged her to write about her experiences in the Surrealist journal VVV. Shortly thereafter she made Green Tea, which is possibly a meditation on her confinement. At left there is a figure, often interpreted as the artist, clad in a restrictive cowhide-like straitjacket. A white horse, another one of Carrington’s autobiographical symbols, is chained to a tree nearby. (Moma)
Carrington kwam in opstand tegen de maatschappelijke verwachtingen die ze ervaarde als een jonge vrouw uit de hogere klasse geboren in Lancashire, Engeland. Ze baalde van de regels van haar rooms-katholieke kostscholen, verveeld door de schijnbaar eindeloze reeks debutanten-ballen. Haar interesses lagen in plaats daarvan bij Ierse fabels en Engelse schrijvers zoals Lewis Carroll, Jonathan Swift en Beatrix Potter. Zoals kunsthistoricus Susan Aberth zich herinnert: “Carrington, wiens jeugd doordrenkt was van sprookjes en fantasieliteratuur, verloor nooit die jeugdige denkwijze en zou in haar negentiger jaren lange passages van Lewis Carroll reciteren met een levendige glans in haar oog.”
In And Then We Saw the Daughter of the Minotaur (1953) (zie bovenaan), she depicts her two small children—Gabriel and Pablo—among mystical creatures and crystal balls, possibly awaiting an act of divination. Over the course of her eight-decade career, Carrington continued to explore the mystery of the world around her, claiming at the end of her life, “The only thing I know, is that I don’t know.”(Moma)
Leonora Carrington La cuna (The Cradle), c. 1945 (de wieg) Carved and painted wood, rope, and fabric 54 3/10 x 50 4/5 x 26 inches (137.9 x 129 x 66 cm)
Surrealism’s attitude toward women was ambivalent. André Breton, the founder of the movement and a key impresario, was fascinated by the Freudian idea that the female psyche was unrestrained, mystical, and erotic. And some female artists associated with the movement, such as Carrington, were framed as the femme enfant (woman child) who served as muse to the male artist. But as Carrington once said, “I didn’t have time to be anyone’s muse…I was too busy rebelling against my family and learning to be an artist.” (Moma)
Equinoxio, 1958 Oil on canvas 28 3/4 x 36 1/2 inches (73 x 93 cm)
De surrealistische beweging worstelde met de politiek door stormachtige allianties aan te gaan met de Communistische Partij en baande zich een kronkelige weg door de nachtmerrie van de wereldgebeurtenissen van het midden van de 20e eeuw, totdat de Duitse bezetting van Parijs in 1940 de meeste dichters en kunstenaars dwong de stad te ontvluchten die het epicentrum was geweest. (Ondanks zijn Parijse oorsprong had het surrealisme, zoals bleek uit een prachtige tentoonstelling in het Metropolitan Museum in 2021, zich tegen die tijd al over de hele wereld verspreid.)
(NY Times Arthur Lubow. 24/12/2025)
Leonora Carrington’s “The Pleasures of Dagobert” (1945), features fantastical creatures and set an auction record for her work last year.Credit…Estate of Leonora Carrington/Artists Rights Society (ARS), New York; via Philadelphia Art Museum
In 1944 schrijft ze in ‘Down Below’ haar memoires, als oproep tot de lezers:
“Exactly three years ago, I was interned in Dr. Morales’s sanatorium in Santander, Spain, Dr. Pardo, of Madrid, and the British Consul having pronounced me incurably insane. Since I fortuitously met you, whom I consider the most clear-sighted of all, I began gathering a week ago the threads which might have led me across the initial border of Knowledge. I must live through that experience all over again, because, by doing so, I believe that I may be of use to you, just as I believe that you will be of help in my journey beyond that frontier by keeping me lucid and by enabling me to put on and to take off at will the mask which will be my shield against the hostility of Conformism.”
“Precies drie jaar geleden werd ik opgenomen in het sanatorium van Dr. Morales in Santander, Spanje, nadat Dr. Pardo uit Madrid en de Britse consul mij ongeneeslijk krankzinnig hadden verklaard. Sinds ik u toevallig heb ontmoet, die ik beschouw als de meest scherpzinnige van allen, ben ik een week geleden begonnen met het verzamelen van de draden die mij over de eerste grens van Kennis hadden kunnen leiden. Ik moet die ervaring opnieuw beleven, omdat ik geloof dat ik u daarmee van nut kan zijn, net zoals ik geloof dat u mij kunt helpen bij mijn reis voorbij die grens door mij helder te houden en mij in staat te stellen naar believen het masker op te zetten en af te nemen dat mijn schild zal zijn tegen de vijandigheid van het conformisme.”
Een helder verteld (Engels) bio. Engelse onderschriften mogelijk.
Met 63 originele sculpturen, tekeningen, lithografieën, foto’s, wandtapijten en maskers van fantastische wezens die nog nooit eerder te zien waren, opende het Leonora Carrington Museum in Xilitla in 2018 zijn deuren.
Beschouw deze bijdrage als vertrekpunt. Ik probeerde de lezer een keuze aan te bieden van verschillende bronnen die meestal kriskras her en der te vinden zijn en als uitgangspunt of toelichting kunnen dienen ieder naar eigen wil en vermogen. Er zijn ook verwijzingen naar beeldmateriaal die best tot hun recht komen op een groot scherm. De bepalingen uit de kunstgeschiedenis heb ik zoveel mogelijk vermeden omdat ik veronderstel dat een lezer(es) die ofwel kent ofwel weet dat het van kunst genieten nog iets anders is dan een leergang kunstgeschiedenis die als aanvulling echter een synthese maken kan bevoordelen. Vooral ‘de verwondering’ is een eigenschap die we ten zeerste willen behouden, een te koesteren eigenschap uit de kindertijd.
Leonora Carrington. ‘The Gibbet Birds’. 1974. Inkt en aquarel op papierLeonora Carrington. ‘De Kat’
Tegen het einde van haar leven werd ze bevraagd over haar favoriete moment in de geschiedenis. Haar antwoord was helder: “The one that has not happened yet – the fall of patriarchy that will take place in the 21st century.” Hiermee was Carrington haar tijd ver vooruit -heel ver, gezien de omgekeerde beweging die we in de huidige context lijken te maken. Maar ze geldt nog steeds als lichtend voorbeeld in de manier waarop ze haar eigen patriarchale systeem ten val gebracht. Ze koos haar eigen wegen, ten koste van de mensen die haar na aan het hart lagen.
“I always did my running away alone,” zei ze later. Geen pose, maar een levenshouding. En misschien ook wel haar grootste kunstwerk. (Art Couch Frederic De Meyer)
Meer dan de moeite waard om te bekijken deze aflevering van Great Art Explained: Lenora Carrington: Self-Portrait (Inn of the Dawn Horse) ondanks de onderbrekingen voor vernederende publiciteit. (Onbedoeld surrealistisch)
Self-Portrait: Inn of the Dawn Horse by Leonora Carrington, 1937-8.
Kwam de mail-aankondiging nogal op vreemd formaat? Wij proberen de oorzaak daarvan te ontdekken. Meld het ons als dat zo was. Dank.
Helene Schjerfbeck, “Self-Portrait,” 1884-1885, at the Metropolitan Museum of Art.Credit…Artists Rights Society (ARS), New York; Finnish National Gallery, via the Metropolitan Museum of Art; Photo by Henri Tuomi
If you dislike the shortened daylight of winter, please know that you are luckier than Helene Schjerfbeck. A Finnish painter of copious gifts, she spent most of her life in or around Helsinki, contemplating cold skies and winters that lasted for more than half the year. On the other hand, she found an alternate light source through her paintings, many of which are portraits and self-portraits whose warm internal glow rescues their forms from surrounding darkness. (NY Times 30-31 december 2025)
De korte dagen in de winter zijn mij lief, dat deel ik alvast met de Finse Helene Schjerfbeck, al heb ik mijn winterdagen meestal in de lage landen, een eindje van de zee, doorgebracht; nu en dan, o mooie herinnering, in de Waalse winters die best met de Finse mogen vergeleken worden. De alternatieve lichtbronnen kwamen dan als een hedendaagse foto het geheugen helpen, de weemoed vergroten, de herinnering sterken.
Met het prachtige zelfportret hierboven kijkt ze vanuit 140 jaar geleden tot op de drempel van deze woelige jaren waarvan er net eentje in al zijn prilheid al met sneeuw is gedecoreerd.
Achtentwintig jaar later dan het bovenste zelfportret blijft Helene ons aankijken in dit zoekende, bijna vragende zelfportret uit 1917.
Helene Schjerfbeck, Self-portrait, 1912, oil on canvas, 43.5 x 42 cm
Schjerfbeck’s The Convalescent,” 1888.Credit…Artists Rights Society (ARS), New York; Finnish National Gallery, via the Metropolitan Museum of Art; Photo by Jenni Nurminen
Another early work she sent to the Salon, “The Convalescent” (1888) is reportedly the single most famous painting in Finland. Sometimes referred to as a “hidden self-portrait,” it shows a young girl with feverish cheeks perched at the edge of a battered rattan chair. She’s transfixed by the sight of a budding branch, with its promise of growth and recovery. (NY Times ibidem)
De NY Times benoemt haar tinten, ook in portretten, met de term ‘Her Nordic Noir’, de tint(en) van haar niets ontziende eerlijkheid , zoals in ‘de zijden sjaal’ gemaakt in 1920. Het is een klein vrij verticaal doek waarin ze haar huisbazin toont.
‘Het is een goed voorbeeld van Schjerfbecks voorliefde voor het aanbrengen van verf met een paletmes en het vervolgens afschrapen ervan om de structuur van het doek te onthullen, een techniek waarmee ze een scala aan stemmingen en effecten wist te creëren. In dit geval versterkt de geschuurde, schrale textuur van het schilderij het gevoel van het ruige leven van de hospita. Ze kijkt zijdelings naar niemand in het bijzonder. Schjerfbeck beschreef het schilderij als een uitdrukking van zowel schoonheid als “innerlijk verdriet en leegte”. De stijl van de kunstenaar leverde haar een reputatie op als een van de belangrijkste modernistische schilders van Finland. Dit is haar eerste werk dat door een museum in de Verenigde Staten is aangekocht.(NY Times)
Helene Schjerfbeck, “The Lace Shawl,” 1920, acquired by the Metropolitan Museum of Art.Credit…Artists Rights Society (ARS), New York; via the Metropolitan Museum of Art
Maar net zo goed kan haar onderwerp het drogend wasgoed zijn; kledij en huislinnen gespreid over het gras , oplichtend, bloemen op de achtergrond. en de fijnmazigheid van een net aan de zijkant. Vergroot het beeld door op de voettekst te klikken en geniet.
Stel je het leven van Frida Kahlo verbonden met de blik van Edvard Munch voor en je begint de omvang van dit oeuvre te begrijpen’ (The Independent, Londen, ‘03)
Helene Schjerfbeck, Zelfportret, Licht en Schaduw (1945). Collectie van Villa Gyllenberg, Signe en Ane Gyllenberg Foundation, Helsinki.
Maar zij versiert het leven niet, gaat de uiteindelijke aftakeling niet uit de weg. Dit ‘zelfportret’, een jaar voor haar dood, doet geen beroep meer op het uiterlijk, maar de synthese is duidelijk: Licht en Schaduw. Hier is ‘de stilte’ ook ‘de machteloosheid’, het verbeelden van wat rest. Kijk naar ‘de deur’ onder deze tekst, een veel vroeger werk uit 1884. Het licht achter de deur zal langs kieren en gaten binnen dringen. Maar wanneer? Of toch niet?
‘De deur’. 1884
Er is ook het detail, bijna een snapshot: een meisje maakt zich klaar om te dansen. Zij zit op een vouwstoeltje achter de scene. Ze concentreert zich op het vastmaken van haar dansschoentje, het tweede wacht in de hoek van het doek. Ze beperkt de kleuren, de omtrekken van een theaterdoek, enkele planten. het tapijt. Haar witte kleedje en schoenen zijn de oplichtende elementen.
Helene Schjerfbeck, Dancing Shoes, oil on canvas, 1882 (klik op beeld om grotere versie te bekijken)
"Als Rembrandt was gebleven zoals hij was, met Saskia op zijn knie, zou hij een doorsnee schilder zijn geweest, maar verdriet kwam op hem af en daardoor werd hij Rembrandt’, schreef Helene Schjerfbeck - naar aanleiding van het befaamde doek van de Hollandse meester uit 1635 te Dresden - een jaar vóór haar dood aan Einar Reuter, een kunstenaar en schrijver met wie zij sinds 1915 bevriend was. Het was niet de eerste keer dat zij verwees naar het verdriet van anderen, om daarmee haar eigen smart uit te zeggen. Enkele jaren tevoren had zij naar aanleiding van de roman Der Zauberberg van Thomas Mann haar leven als volgt gekarakteriseerd: ‘De Toverberg is een leven van vrijheid via ziekte... Mijn leven zou armer zijn zonder het verdriet, ik zou nooit bereikt hebben wat ik gedaan heb; ik zou dan alleen maar routine gekend hebben’. (P.J. Begheyn in Streven Jrg 50. 1991)
Self Portrait 1942, oil on board by Helene Schjerfbeck (1862–1946), private collection
Helene Schjerfbeck, Zelfportret, zwarte achtergrond, 1915, Finnish National Gallery, Ateneum Art Museum, Helsinki, The Hallonblad Collection. Photo: Finnish National Gallery / Hannu Aaltonen
“Schjerfbeck kende Whistler persoonlijk en bewonderde zijn werk enorm, met zijn grijze mist die bruggen en solide gebouwen deed oplossen in een veld van onbestemde vlekken. Whistler, een apostel van kunst omwille van de kunst, was tegen het idee dat schilderijen een verhaal moesten vertellen. Schjerfbeck daarentegen lijkt haar kunst te hebben gezien als een middel om spiritualiteit uit te drukken. In ‘Silence’ (1907), een schilderij dat zo zacht en wazig is dat het voor een pastel zou kunnen worden aangezien, is een bleke vrouw in een lavendelkleurige jurk met hoge hals afgetekend tegen een zwarte achtergrond. In plaats van een kaars of een andere externe lichtbron lijkt het licht op haar gezicht ergens onder haar huid vandaan te komen.”
(NY Times Deborah Solomon. 30-31 december 2025 Her Nordic Noir is belatedly capturing New York )
“Silence,” 1907. Tempera and oil on canvas.Credit…Artists Rights Society (ARS), New York; Nordea Art Foundation Finland Collection Helsinki, via the Metropolitan Museum of Art; Photo by Seppo Hilpo
Seeing Silence: The Paintings of Helene Schjerfbeck
Through April 5, 2026, the Metropolitan Museum of Art, 1000 Fifth Avenue, 212-535-7710, metmuseum.org.
Bekijk op groot scherm deze uitzonderlijk mooi samengestelde ‘exhibition tour’ van Seeing Silence. Alsof je zelf door de verschillende expositie-gangen loopt met de samenstelster als gids, en dat kan nog in het echt tot en met Pasen 2026. (5 april)
De stilte de ogen gesloten de weg geschraapte kleuren openen het onzegbare woord op het doek waarin verkleden overbodig is. Het licht hijst zich over de rand en weet bij wie het thuis mag zijn.
The Tapestry,” 1914-1916, oil on canvas.Credit…Artists Rights Society (ARS), New York; via the Metropolitan Museum of Art; Photo by Per Myrehed
125 years ago, did Jean-Marc Côté predict cell phones?
Het wilde wel eens lukken, voorspellen. De bekende prenten van Jean-Marie Côté hoe de wereld er in het jaar 2000 zou uitzien, gemaakt tussen 1899-1910, werden in dat bewuste jaar 2000 graag herbekeken. Het opstellen van een begroting berust ook op die meerduidige activiteit maar ook daar zorgt het wenskarakter (wat je graag zou zien gebeuren) enerzijds en de werkelijke afloop anderzijds (wat er werkelijk gebeurde) zelden voor een symmetrie tussen wens en werkelijkheid. Er wordt met de glazen bol ook wel eens geknikkerd, met de bekende gevolgen die je als ‘scherven rapen’ kunt definiëren.
De toekomst voorspellen door koffiedik te lezen. Charles William Sharpe (1818-1899)
AI laat mij weten dat volgens Pablo Picasso en René Magritte kunst een ‘leugen’ is die ons helpt de waarheid te begrijpen. “Ceci n ‘est pas une pipe” tekst op schilderij van Magritte maakt duidelijk dat een representatie niet het object zelf is. Nu kun je zeggen met Nietzsche ‘We hebben de kunst om niet te sterven aan de waarheid’, maar misschien leren we door de kunst de waarheid begrijpen en kunnen we toch onze illusies behouden? Hoor je het vraagteken?
Kunst. (1) Belangeloos. (2) Houdt de wereld een spiegel voor. “Kunst biedt een andere kijk op de schijnbaar bekende wereld.” – “Ware kunst is agressief.” (3) “Kunst is wat we niet weten, waarover we vragen stellen en waarin we geheimen laten bestaan.” (4) Helend. “Kunst transformeert het schrikwekkende van het bestaan.” (Het woordenboek van pasklare ideeën. Over kunst en maatschappij). Eddy Bettens. 1999. De Witte Raaf)
Als abstract kunstenaar werden de tijden voor hem echter niet gemakkelijker. Nadat het Bauhaus, waar Kandinsky doceerde, in 1933 de deuren moest sluiten, verhuisde hij naar Frankrijk. In 1938 nodigde Willem Sandberg hem uit voor de tentoonstelling Abstracte Kunst in het Stedelijk. Kandinsky stond Sandberg bij met advies, in de overtuiging dat er op dat moment internationaal een afkeer tegen abstracte kunst bestond. De tentoonstelling bevatte werk van veel emigranten, van wie het werk in Duitsland inmiddels als ‘ontaard’ was verklaard. (Gregor Langfeld 2024. De Witte Raaf)
Het draaien van de aarde, het draaien van de tijd, de om-wentelingen in het voelen en denken. Beweging. Niet alleen in de ruimte maar het verbinden van diverse kunsten en kunstenaars vaak tegen de heersende politieke en esthetische opvattingen. Ook dat is een voorspellende eigenschap: ver-beelden van gevolgen, commentaren vanuit verzet door het bundelen van krachten en ondersteunen van diversiteit. Het innerlijk van toekomstdromen.
Carel Kneulman. ‘Moniment voor het kunstenaarsverzet 1973. Amsterdam
Het beeld van Carel Kneulman bestaat uit een abstracte ‘aan flarden gescheurde’, liggende figuur, waarbij de gebalde vuist de strijdbaarheid tot op het laatste moment lijkt uit te drukken. Op het voetstuk aan de lange kant staat links de tekst: ‘Kunstenaars verzet 1940-1945’ En rechts de tekst: ‘Wat doe jij, nu je land wordt getrapt en geknecht… Gerrit van der Veen’
De beeldhouwer Gerrit-Jan van der Veen (1902-1944) was een zeer actief verzetsstrijder. Hij was organisator van de aanslag die werd gepleegd op het bevolkingsregister dat zich naast Artis bevond. Een belangrijk doelwit omdat aan de hand van het register Joden werden opgeroepen zich te melden voor hun vertrek uit Amsterdam. Na een poging vrienden uit het huis van bewaring te bevrijden is hij opgepakt op zijn onderduikadres aan de Prinsengracht en door de Duitse bezetter in 1944 gefusilleerd in de duinen van Overveen. (kunstwacht nl)
Na een bijna fatale val door een glazen dak in 1912, besluit Marthe Donas dat niets haar nog zal weerhouden van haar droom om kunstenares te worden. Niet haar burgerlijke gezin, niet het aanbreken van de Eerste Wereldoorlog en al zeker niet de vooroordelen die er bestaan tegen vrouwelijke kunstenaars. Ze reist op eigen houtje van Dublin tot Parijs en schildert onder het mysterieuze, genderloze pseudoniem Tour Donas. Met succes: haar kleurrijke kubistische en abstracte schilderijen slaan internationaal aan. Ze zijn te zien op tal van tentoonstellingen doorheen Europa, tot in de Verenigde Staten en Japan toe. (KMSKA ) Te bekijken in het KMSKA te Antwerpen tot en met 11 januari 2026.
Je kunt uit de tijd vallen, even vergeten worden, opduiken en beter dan ooit begrepen. Je bent immers niet tijdelijk, maar in de tijd. Je hoeft de tijd niet te volgen, zichtbaarheid kan tijdelijk zijn maar terugkeer omdat de tijd ‘rijper’ is voor je werk en wat je verbeeld hebt aan de tijdelijkheid ontsnapt. Je verbindt telkens weer nieuwe kijkers of inspireert jonge kunstenaars (essen) zonder je op te dringen.
Gelukkig nieuwjaar, Zoet, en dank voor het oude. Mijn jaren duren lang en die van ons zijn kort. Je kerstboom staat zijn groen nog in het rond te neuriën Van de bossen ginder, allemaal zijn zij gekomen Naar de Daenenstraat om ons hier toe te geuren. Gelukkig nieuwjaar, Zoet, en dank je voor het oude.
Die dag in maart dat jij mij langzaam overkwam Is ook vandaag mijn zon. Hij sneeuwt de kamer onder Met herinneringen die wij worden, warm en koud Zijn wij voortaan elkaars geheugen en vergetelheid. Ook straks gaan wij gearmd en stil dit wit in daar. Gelukkig nieuwjaar, Zoet, en dank voor het oude.
(uit: En verdwijn met mate, 1996) Leonard Nolens (1947-2025)
Foto Letterenhuis
Een creatief jaar 2026 gewenst waarin de wankele vrede op aarde het aantal mensen die van goede wille zijn kan vergroten en de luidruchtigheid van enkele heersers verzachten terwijl ook ‘in de stilte’ het oude zich met het nieuwe mag vermengen tot een helderheid waarin wij graag elkaar ontmoeten.
Zoek je naar een naam om Hugo van der Goes onder te brengen dan kan hij schuilen onder de luifel van de Vlaamse Primitieven of net zo goed bij de eerste pogingen van de noordelijke renaissance een plaats vinden. Een kwestie van naam, geschiedenis en pogingen om het ongrijpbare in de kunstgeschiedenis te ankeren. Er is dan ook nog de labiliteit van zijn innerlijk om zijn vermeende depressieve aard te belichten en daarrond allerlei verhalen te fingeren iets waar bijvoorbeeld de negentiende eeuw graag aan meedeed, maar kijken we ook naar de verwondering die hij al bijna vijf eeuwen zichtbaar maakt? De engel hierboven, uit ‘de aanbidding van de herders‘ die je nu in de Gemäldegalerie in Berlijn kunt bekijken, oppervlakte bijna twee meter en half op één meter breedte, zweeft teder boven de ezel en vier van zijn reikhalzende knielende engel-soortgenoten. Kijk:
centrumfragment
Mooi en grappig die hoofdjes bij elkaar, os en ezel inbegrepen. De gouden engel is de enige hoog zwevende, hij houdt zijn handjes niet vroom samen maar maakt een gebaartje van: moet je dit nu zien! De knielende soortgenoten bekijken met een beetje ongeloof het wurmpje op het linnen boven op de voederbak. Links, bij het gekroonde even-boven-de-grond-zwevend paar, zie je twee blikrichtingen: eentje naar beneden, de achterste naar boven. Achter Jozef’s rug knielt er nog een groen geklede engel, de handen uit elkaar. Boven de knielende engelen kijken os en ezel net zo aandachtig naar het kind, al zou je kunnen opmerken dat de os stiekem naar de kijker loert. Maria en Jozef zijn jonge mensen, de combinatie van blauwe en rode tinten van hun kledij mag rijkelijk ogen, de eenvoud van de drapage blijft de aandacht voor het naakte kindje in het centrum van het gebeuren beklemtonen. Alle prachtige kleuren benadrukken de tegenstelling: het Jezuskind is naakt en hulpeloos.
Maar er is ook aards bezoek! Twee herders komen bijna letterlijk binnen gevallen. De staande schuift nog vlug de kap van zijn hoofd terwijl de al bijna knielende een en al oog is voor het kindje. Op de achtergrond speelt een herder op de fluit terwijl zijn maatje een liedje zingt en met zijn handen het ritme klapt.. Kijk naar hun gezichtsuitdrukkingen. Mensen zijn het, geen figuranten. Niet dadelijk moeders mooisten brengen ze op hun manier het alledaagse in dit heilige tafereel. Vroeg expressionisme? Was Hugo Van der Goes een tijdreiziger?
Dit innig levende tafereel wordt aan de linker- en de rechter zijkant gepresenteerd door twee personages, links een edelman, rechts een bebaarde wijze ouderling. Zij schuiven aan iedere kant van het gebeuren een groen fluwelen doek opzij alsof het gebeuren een theatervoorstelling is. Ook dat is heel nieuw: de epifanie vanuit het menselijke.
En tenslotte: ‘De aanbidding van de herders’, minder bekend dan het Portinari-drieluik, met hetzelfde onderwerp, te bewonderen in Florence (Uffizi) maar kom je in Berlijn dan is er in de Gemäldegalerie naast de diptiek van de kleine kruisafneming, en het Monforteretabel, ook deze aanbidding van de herders te zien en te bewonderen. Het werk van een kunstenaar die gepijnigd door het bestaan visioenen voor ons aller genezing creëerde. Klik op de tekst onderaan om te vergroten.
Meer achtergrond? Een diepgaand artikel:Hugo van der Goes's Adoration of the shepperds: Between Ascetic Idealism and Urban Networks in Late Medieval Flanders, Jessica Buskirk.
Toch nog iets vergeten? Kijk maar eens helemaal rechtsboven. De zwartblauwe vleugels van de engel aldaar wijzen naar een buitenruimte waar je een gebeurtenis ziet die de oorzaak was van dit bezoek: het bezoek van de engelen aan de herders. Zij riepen de herders op om het kind te gaan bezoeken.
In Lucas 2:8-15 wordt verteld dat in de omgeving van Bethlehem een groep herders hun kudde schapen aan het hoeden was, toen plots een engel verscheen, met het goede nieuws voor "het hele volk": "Vandaag in de stad van David, is jullie redder geboren, hij is de Messias, de Heer."
"En plotseling voegde zich bij de engel een groot hemels leger dat God prees met de woorden: 'Eer aan God in de hoogste hemel en vrede op aarde voor alle mensen die hij liefheeft'." De herders gingen hierna op weg en vonden Maria, Jozef en het kind aan zoals het was voorspeld. Wat volgde wordt de aanbidding der herders genoemd.
Detail, Aanbidding van de herders
Wij publiceerden dit artikel op 16 december 2021 en herhalen het op deze kerstavond 24 december 2025.
De lege kasteelruimte bepaalt in hoge mate de atmosfeer van het tafereel.Je kijkt tot aan de opgehoogde horizon waar het dagelijkse leven gewoon zijn gangen gaat. Helemaal links op de linkse toren komt nog een engelenhoofdje piepen en zit er een duifje in het open raam terwijl een beetje verder een ander duifje net naar binnen is gegaan en je alleen nog de staart en uithangend nestgroen ziet.
Dit maar om aan te duiden dat het werk ook aandacht heeft voor details en niet alleen voor de mooi uitgedoste koningen. Kijk naar de twee binnen hangende herders door de ovale vensteropening, waar de ene zijn hand warmt en de andere nieuwsgierig de toestand bekijkt en een houlette bij heeft, een werktuig dat herders gebruiken om kleine kluiten aarde uit te graven en naar afdwalende schapen te gooien zodat ze zich weer bij de kudde aansluiten. Kijk je naar het heuvelend landschap dan is er een dansend koppel op de muziek van de gezeten doedelzakspeler onder een boom, een feestelijke stoet ruiters verschijnt, en aan de rechterkant pikken kraaien de laatste restjes van een reuze vis-geraamte om maar enkele dingen te noemen.
Je kunt de bovenste prent vergroten door op het onderschrift te klikken en daarna alle mogelijke details uit te vergroten. De koning met tulband en wierookschrijn kijkt je aan terwijl het kindje meer oog heeft voor de donkere koning. Ook één van de de engelen die een beschermend doek over de ruïne spannen kijkt naar iets dat buiten beeld gebeurt.
De wijzen of magiërs (mogelijk betreft het hier Perzisch-Babylonische astronomen, astrologen en natuurwetenschappers) zijn in de volksverhalen en bij Tertullianus koningen geworden omdat de tekst van Matteüs doet denken aan Jesaja 60,3.6: "Volkeren komen naar uw licht, koningen naar de glans van uw dageraad. … Een vloed van kamelen zal u overdekken, dromedarissen van Midjan en Efa; alle bewoners komen uit Seba, met goud en wierook beladen." Onder invloed van deze tekst (en van Psalm 72:10, "(Mogen) de koningen van Tarsis en de kustlanden hem geschenken brengen, / de koningen van Scheba en Seba hem schatting offeren."; ‘hem’ = de koningszoon) zijn de wijzen koningen geworden, die reisden per kameel. (Wikipediaorg.)
‘Ze gingen het huis binnen en vonden het kind met Maria, zijn moeder. Ze wierpen zich neer om het eer te bewijzen. Daarna openden ze hun kistjes met kostbaarheden en boden het kind geschenken aan: goud, wierook en mirre.’
De Amerikaanse priester-schrijver Henry van Dyke schreef “The Other Wise Man” over een vierde koning, die nooit aankomt in Betlehem, en al zijn geschenken onderweg aan de armen cadeau doet. In “Gaspard, Melchior et Balthasar” van de Franse schrijver Michel Tournier arriveert die vierde koning pas 33 jaar later in Jeruzalem … net op tijd voor de kruisiging van Jezus.
Felix Timmermans schreef in 1924 “En waar de sterre bleef stille staan”. Cineast Gust Van den Berghe verfilmde dat toneelstuk in 2010 tot “Little Baby Jesus of Flandr”.
Van T. S. Eliot is het beroemde gedicht “De reis van de Drie Koningen”.
Het was een koude tocht, en de slechtste tijd van het jaar voor een reis, voor zulk een verre reis.
En, het verhaal van Dario Fo ‘Het eerste mirakel van het kindeke Jezus‘ mag hier in levende lijve vermeld worden. Jan Decleir vertelt het verhaal in een opname van Retro Vlaamse TV, 1987. Het begint bij de drie koningen. De beeldkwaliteit is ook nog van een tijdje terug maar door het prachtige spel van Jan Decleir let je daar niet op.
Het verhaal is ook vandaag te vertellen. Hierbij drie mogelijke koningen van vandaag. Of het verhaal vredevol eindigt blijft een open vraag ondanks hun Yalta-kledij.
New Yalta Mark Harris
‘Yalta’ herinnert aan de beroemde foto van Churchill, Roosevelt en Stalin, tijdens de conferentie van Jalta (1945). Twee maanden voor de dood van de Amerikaanse president.
Op de rand van 2025 kijkt schilder Franz von Lenbach met tweede vrouw Lolo (Charlotte) von Hornstein en dochters Marion en Gabriele ons aan. Zijn huwelijk met Magdalena gravin Moltke en zijn tweede huwelijk met Lolo von Hornstein waren belangrijke tekenen van zijn sociale vooruitgang. Zijn familie, en vooral zijn dochters Marion en Gabriele, die hij vastlegde in verfijnde portretten die in grote aantallen werden gereproduceerd, zouden later publieke figuren zijn. Tot Lenbachs grote vriendenkring behoorden de schilders Hans Makart en Friedrich August von Kaulbach, Richard Wagner en zijn vrouw Cosima, zijn leraar Carl Theodor von Piloty, de schrijver en Nobelprijswinnaar Paul Heyse en de beeldhouwers Lorenz Gedon en Reinhold Begas. Met zijn zorgvuldig verzorgde levensstijl werd Lenbach zelf het toonbeeld van de prins der schilders, een positie waar veel van zijn collega’s in München eveneens naar streefden. Het nieuwe medium, de fotografie, was hem niet onbekend. Kijk maar naar de foto die het schilderij voorafging en hij voor de compositie zou gebruiken.
We zijn dan in het jaar 1903. Er is volop sprake van een nieuwe schilderkunst. Groepen als ‘Die Brücke’ ( 1905) en daarna ‘Die Blaue Reiter’ (1911) beginnen zich te roeren. Het Duitse expressionisme dat later naar stromingen als ‘De Nieuwe Zakelijkheid’ zal leiden, komt langzaam op de voorgrond. Enkele maanden na het familieportret zal Franz von Lenbach op 6 mei 1904 overlijden. Kijk met dit besef opnieuw naar het schilderij en het prachtige doek hieronder waarop Hanz von Marées zichzelf (links) met Lenbach (rechts) heeft verbeeld. (Ze maakten samen een reis naar Rome.)
Hans von Marées, Dubbelportret: Hans von Marées (links) tijdens zijn jeugd in München met Lenbach (rechts), tableau de 1863 Neue Pinakothek
Dat Hans van Marées een dromer was mag je wellicht al afleiden uit zijn geboortedatum, kerstavond 1837. Er is een mooi kijkboek over hem dat ‘Hans von Marées, ‘Sehnsucht nach gemeinsschaft’‘ is getiteld. (Heimwee naar gezelschap) En dat moet je ook als heimwee naar de antieke leefwereld beschouwen. Hij is dan ook begraven op het protestants kerkhof in Rome, nauwelijks negenenveertig jaar geworden. (1837-1887) Er is duidelijk ook een ‘innerlijk blik’ als je het ‘kijken’ voor bekeken moet houden.
Margaret Bernadine Hall was een Engelse schilderes, geboren in 1863 in Wavertree, Liverpool. Haar vader was Bernard Hall, een koopman, lokaal politicus en filantroop, die in 1879 tot burgemeester van Liverpool werd gekozen. Haar moeder was Margaret Calrow uit Preston, de tweede vrouw van Bernard Hall. Margaret was hun tweede kind en hun oudste dochter. In 1882 verhuisde het gezin naar Londen, maar aan het eind van dat jaar ging de negentienjarige Margaret in Parijs wonen en studeren. Tussen 1888 en 1894 reisde ze veel naar landen als Japan, China, Australië, Noord-Amerika en Noord-Afrika, waarna ze in 1894 terugkeerde naar de Franse hoofdstad. In 1907 verhuisde ze terug naar Engeland, waar ze drie jaar later overleed.
Zij is vooral bekend door dat ene schilderij ‘Fantine’. Margaret Bernadine Hall voltooide haar schilderij getiteld Fantine in 1886. Het stelt het personage Fantine voor uit de roman Les Misérables van Victor Hugo. Fantine werd ontslagen vanwege haar buitenechtelijke kind en moest zich prostitueren om zichzelf en haar dochter te kunnen onderhouden. Op het schilderij zien we hoe Fantine beschermend over haar slapende dochter waakt. Ze kijkt ons aan. Vraag ze: ‘waarom?’ of vindt zij de woorden niet en spreken haar ogen wat met woorden niet te zeggen is?
Ja, ze noemden hem, Anton Raphael Mengs, ‘de Duitse Raphael’. Begon enkele trapjes lager als zoon van Deense schilder, Ismael Mengs die zich in Dresden vestigde. Neemt je vader je dan mee naar Rome…Zelfs als hofschilder in Saksen tref je hem vaak in Rome aan. Huwde met zijn model, bekeerde zich tot het katholicisme en werd tot directeur van de Vaticaanse schilderschool benoemd. Vermelden wij nog dat hij in Madrid het plafond van de gala- en eetzaal prachtig decoreerde waarna hij terugkeerde naar Rome en daar in wat ’triestige omstandigheden’ heet overleed. Wel liet hij twintig kinderen na waarvan zeven steun kregen van de Spaanse koning. Vermeld ik nog de innige band met Joachim Winckelman wiens belangstelling voor de klassieke oudheid hij deelde. Je vindt hem in de geschiedenis als tijdgenoot van schilder Batoni en als vriend van Giacamo Casanova die hem en zijn reputatie in zijn ‘Histoire de Ma Vie’ beschreef. Een bezig, kundig en gevoelig mens dus.
Mengs' afbeeldingen van prominente modellen vallen op door hun verfijning, maar zijn afbeeldingen van zichzelf zijn compromisloos en direct. Hij schilderde dit zelfportret, een van de drie bekende versies, in Madrid in 1776, toen zijn gezondheid al achteruit begon te gaan. Een symptoom van zijn ziekte is te zien aan de verkleurde zwelling op zijn voorhoofd
Anton Raphael Mengs Self Portrait 1774
zie uitvoerige beschrijving en voorbeelden in het Museo del Prado
En heel vroeg, een zelfportret toen hij 12-13 was.
Self-Portrait at Twelve Years Old, 1740 Black and red chalk Kupferstich-Kabinett, Staatliche Kunstsammlungen Dresden, INV. NO. C 2464
Wat betekende het in 1740 om een twaalfjarige tekenaar te zijn die met gekleurde krijtjes zijn eigen gelijkenis kon vastleggen? Dit zelfportret is een ongewoon volwassen jeugdwerk, en zelden hebben we dateerbare werken uit deze vroege fase van een kunstenaarscarrière. De Duitse traditie is echter opvallend sterk in dergelijke werken: een van de meest memorabele is een opvallend zelfportret dat in 1484 werd gemaakt door de 13-jarige Albrecht Dürer. Toen Mengs dit blad maakte, stond hij onder begeleiding van zijn vader en maakte hij de overstap van het maken van kopieën naar het tekenen naar het leven. We zien een van zijn eerste pogingen tot tekenen met behulp van een spiegel, waarbij hij zichzelf als model gebruikt. Op een oud stukje papier dat ooit aan de achterkant van de tekening was bevestigd, staat vermeld dat Mengs het blad aan een klasgenoot gaf voordat de kunstenaar en zijn familie naar Italië vertrokken. Deze gewoonte om tekeningen te geven en uit te wisselen zou in de negentiende eeuw onder jonge Duitse kunstenaars hoogtij vieren.
Jennifer Tonkovich, Eugene and Clare Thaw Curator of Drawings and Prints The Morgan Library & Museum
Waar raken wij elkaar? Jaren gestapeld met namen. Een mens bekeken, uitgeknipt met scherpe schaar: kunnen we elkander spreken? Of is het met een ver, teder gebaar, wuivend achter ontelbare ramen? Voorzichtig uit het voorbije breken en zeggen wat wij toen ontweken?
Gmt
Black chalk on tan wove paper, circa 1750. 200×190 mm; 7 7/8×7 1/2 inches. Signed in chalk, lower left recto. Circa 1750
Provenance: Elizabeth Hamilton-Jeffrey Wortman, Inc., New York; sold to private collection, New York, October 1989.
De Volkskrant schreef: “Coba Ritsema’s schilderijen komen op je af als een oase.” Dat is een vrij dreigende gewaarwording; schilderijen doordringen je; het ‘op-je-afkomen’ kun je door het begrip ‘doordringen je’ vervangen; daarin zit de geleidelijkheid. Het oase-gevoel vraagt geleidelijkheid. Door-dringen. Dat doen ze vooral als je dus tijd en vaak ook afstand neemt. Het impressionisme en zijn uitlopers choqueerde niet door zijn onderwerpen, maar omdat kijkers gewend waren een doek in één oogopslag waar te nemen en het tegelijkertijd te taxeren lazen zij het als een opeenstapeling van vlekken. Met even achteruit te gaan staan, de ruimte toe te laten, word je deelgenoot. De vlekken zijn licht-accenten of schaduwtinten geworden.
Coba Ritsema ‘Liggende vrouw op een bank. 58 x 77cm olieverf op doek.
Het Frans Hals Museum zet de Haarlemse kunstenares Coba Ritsema (Haarlem 1876 - Amsterdam 1961) in de schijnwerpers. In een tijd waarin gemiddeld maar één op de vijf kunstenaars vrouw is, heeft Coba Ritsema met haar schilderijen en pasteltekeningen groot succes in binnen- en buitenland. Rond 1900 werd ze geprezen om haar portretten en stillevens, in het bijzonder vanwege de mooie en harmonieuze kleuren. Vooral haar verstilde voorstellingen van meisjes die je op de rug ziet vielen in de smaak. Ze ontving lovende kunstkritieken en won belangrijke prijzen in binnen- en buitenland, zoals een stimuleringsprijs in 1900 bij kunstenaarsvereniging Arti et Amicitiae in Amsterdam. Ook haar stillevens schilderde ze met opvallend vrije penseelstreken die schetsmatig leken maar zorgvuldig waren uitgedacht. (Frans Hals Museum Haarlem)
Coba Ritsema. Atelier. Zittend meisje Olieverf op doek. 74cm X 50. Kunstmuseum Den Haag
“Het is hoog tijd om het werk van Ritsema weer onder de aandacht te brengen,” aldus Maaike Rikhof, conservator moderne kunst van het Frans Hals Museum, die eerder de tentoonstellingen De Nieuwe Vrouw (Singer Laren, 2022-2023) en The Art of Drag (Frans Hals Museum, 2024) samenstelde. Ze noemde zichzelf weliswaar geen feminist, maar voer wel haar eigen koers, en maakte op die manier de weg vrij voor vele vrouwelijke kunstenaars na haar. Ze brak niet met de heersende conventies, maar zette die naar haar eigen hand. Binnen de vastomlijnde kaders van wat voor vrouwen in haar tijd in Nederland mogelijk was, blonk ze uit en behaalde ze het hoogst haalbare. Omdat ze in haar werk altijd trouw bleef aan de zichtbare werkelijkheid, werd ze na haar dood als een vrij traditionele schilder gezien, terwijl ze juist liet zien hoe je modern kunt zijn zonder abstracte kunst te maken.” (Frans Halsmuseum Haarlem)
Van Ritsema zijn weinig uitspraken bekend, maar in 1940 zei zij (in dit blad) dat zij als studente werk van Renoir, Degas, Delacroix, Sisley en Manet zag, en dat vooral die laatste diepe indruk maakte; ook noemde ze Velázquez. Die referenties zijn hier goed te herkennen. De tentoonstelling wil per se memoreren dat ze níet bij Breitner in de leer ging, maar het is onmiddellijk duidelijk dat zij diens eigengereide, half-abstracte manier van schilderen van nabij heeft gezien en ook eigen heeft gemaakt. De witte jurk van het Meisje met kat is puur breitneriaans, wild en virtuoos geschilderd, net als het fantastische Stilleven met parasol.
(Koen Kleijn. 'Vrouw Alleen. De Groene Amsterdammer. 1 oktober 2025)
Het boek ‘Coba Ritsema, Oog voor kleur‘ biedt je een inkijk in de toenmalige opleiding van jonge vrouwen die schilderen als beroep kozen. Ook na hun opleiding bleven zij elkaar opzoeken zoals in de groep die ‘ de Amsterdamse Joffers’ werd genoemd.
Vrouwelijke kunstenaars van eind 19e, begin 20e eeuw, hadden het niet makkelijk. Vrouwen uit de betere standen werden in die tijd niet geacht buitenshuis te werken of geld te verdienen. Eropuit trekken om landschappen te schilderen gold als ongepast. De leden van de Amsterdamse Joffers waren zodoende aangewezen op het atelier en zij muntten dan ook uit in onderwerpen die binnenshuis te vinden zijn: stillevens, portretten, interieurs en genrevoorstellingen. Charley Toorop (geboren in 1891) was in Nederland een van de eerste vrouwelijke kunstenaars die hiermee brak en zich waagde aan “mannelijke” onderwerpen. (Wikipedia)
Kijk naar het fraaie portret van Lizzy Ansingh door haar tante Thérèse Schwartze gemaakt.
Lizzy (Maria Elisabeth Georgina) Ansingh (1875-1959) .*oil on canvas .*78 × 62 cm .*signed t.r.: Th. Schwartze 1902Coba Ritsema (1876 – 1961) – De blauwe boeken – Collectie Stichting de Kunsttunnel
Coba Ritsema, oog voor kleur tentoonstelling in het Frans Hals Museum in Haarlem tot 1 maart 2026
‘Heliotroop’. Neen, niet de steen, maar -ik mag dat oude Grieks toch nog eens citeren: ‘helios’ dat is zon en ’tropein’ dat betekent ‘draaien’, een bloem dus die met de zon zou meedraaien. ‘Heliotroop’. Zacht uitspreken, de aangeblazen ‘h’ niet vergeten, en geloof niet te vlug in sprookjes, want een heliotroop-bloem (Heliotropium) staat zo vast als buntgras en alleen de wind kan er zijn verhaal kwijt wat meestal enkel met licht buigen en wiegen wordt beantwoord, maar draaien? Een sprookje. Al riekt ze naar kersen en vanille, haar diepblauwe bloemen zijn giftig voor honden, katten en mensen, zegt AI, netjes gespiekt uit wat vroeger een encyclopedie heette. Maar, het is mij om de kleur te doen. Heliotroop is (ook) een kleur. Zoals de meeste kleuren, met een verhaal.
Heliotropium
Hoe beschrijf je een kleur? Digitaal met een code. De hex-code (#DF73FF) die de lichte paars-magenta tint vertegenwoordigt. Heliotroop. Hier is het lijstje van de purperen familie:
Image palette Shades of Heliotrope color #DF73FF hex png
Dit zijn de verschillende palette shades, ongeveer middenin benadert deze balk de ‘heliotroop-kleur’
In het unieke gekartonneerde boek: ‘Het geheime leven van kleuren’ een Nederlandse vertaling van ‘The secret Life of Colour’ geschreven door Kassia St Clair, achttiende druk november 2022 en prachtig uitgegeven door Meuelenhoff A’dam. vind je voor elke kleur (elke pagina heeft een eigen kleurenbalk ) heel wat mooie wetenswaardigheden over geschiedenis, samenstelling en gebruik. Een graag gekregen geschenk!
Al deze verrassende verhalen lopen als een helderrode draad door de geschiedenis heen en Kassia St Clair heeft haar levenslange obsessie met kleuren en waar ze vandaan komen in een unieke studie van de menselijke beschaving gegoten. Het geheime leven van kleuren gaat over mode en politiek, kunst en oorlog, over Picasso’s blauwe periode, over het rood van Mondriaan en dat van Leicester-kaas. Dit kleurrijke verhaal geeft een ander zicht op onze geschiedenis en cultuur. (Standaard Boekhandel)
De zoete kersengeur van de heliotropium had een voorouder die als ingrediënt voor een Egyptisch parfum diende, geëxporteerd naar Griekenland en Rome.
"Deze kleur beleefde zijn hoogtepunt tegen het eind van de negentiende eeuw, tijdens de snelle opkomst van veel tinten paars. Voor een deel dankte hij zijn aantrekkingskracht aan het feit dat hij nieuw was. Voor het mauve van William Perkin was paars moeilijk geweest om te maken en had het nog de keizerlijke glans van zijn vroegere status, dus misschien moeten we het de victorianen maar vergeven dat er in het decennium daarna steeds meer combinaties met heliotroop opkwamen die pijn deden aan de ogen. In 1880 droeg men de kleur met lichtgroen of abrikoos; later met kanariegeel, eucalyptusgroen, bronsgroen of pauwblauw. ‘Geen kleur is blijkbaar te fel,’ schreef een recensent. ‘De combina ties zijn soms nogal onthutsend.”
(Het geheime leven van kleuren p. 172)
Maar heliotroop duidde ook op ’toewijding. Het was dus een van de weinige kleuren die een vrouw na de dood van de geliefde mocht dragen. In een periode van halfrouw, schrijft Kassia St. Clair, moest je heliotroop en andere zachte tinten dragen. Maar ook personages die zich ‘onfatsoenlijk’ gedragen zijn vaak in deze kleur gekleed. (met voorbeelden uit de literatuur van toen en nu.)
Dichter bij huis, in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen, vond ik een schilderij waarin heliotroop naast de andere paarsen uit de familie mee de atmosfeer bepaalt.
‘Maria Sèthe aan het harmonium’. Theo Van Rysselberghe. 1891
“De schilder plaatste op het doek min of meer zuivere kleuren in kleine stippen naast elkaar om ze, volgens destijds recente wetenschappelijke inzichten, in het oog van de toeschouwer te laten versmelten tot de gewenste tint. Dat intensiveert de luminositeit van het beeld. Hij gebruikte de techniek meesterlijk, maar was geen orthodoxe neo-impressionist. Om zijn modellen natuurgetrouw te portretteren gebruikte hij kleinere stippen voor het gelaat. Haarlokken en de contouren van de gelaatstrekken werden in dunne penseelstreken geaccentueerd. In dit werk maakte hij ook gebruik van een dynamisch patroon van kronkelende bewegingen van links onder tot in de rechter bovenhoek, die als het ware tot rust worden gebracht door de nagenoeg horizontale lijnen van het muziekinstrument. De paarse of violette kleur van Maria’s jurk en van het gordijn domineert het beeld. De kleurstof werd sedert midden 19de eeuw industrieel vervaardigd in vele varianten: mauve, magenta, heliotroop enz. De kleur was op een bepaald moment zozeer in de mode dat polemisten als Oscar Wilde het een kleur voor onbetrouwbare dames vonden. De voorkeur van de Franse impressionisten voor blauwe en violette schaduwen, indigomanie, werd van meet af aan bespot. Maar in weinig schilderijen krijgt paars zo demonstratief de hoofdrol als hier. Het portret kreeg in de huizen die Van de Velde voor zijn gezin liet bouwen in Ukkel, Weimar, Scheveningen en Tervuren steeds een ereplaats.”
Legt zij haar koude witte mantel over rommel en rattenholen, het geblaas en gemekker, zwijgend als een kind dat zijn geheimen deelt voor het als een ster de verglaasde hemel siert, ook over zoveel ogen-blikken spreidt zij haar vlokkendeken, verbergt zij wat te lang het licht zag en verbleekte bij gereutel en geratel van de persen, vernevelt zij vergeten in de zware traagheid waarmee zij op de daken ligt, de herinnering, mijn witte fee.
De laatste maand van het jaar. Met nu en dan, door de donkere gaten, een bericht, een prent, een verhaal, gedicht. 'Gaten in de donkere dagen'. Met inkijk in de lichtere wereld. Bij leven en welzijn. .
Albrecht Dürer ‘De kop van een Walrus’, 1521 Bron The Trustees of the British Museum
Heel nauwkeurig is hij, Albrecht Dürer wanneer hij in 1520 een reis door de Nederlanden maakt en verslag bijhoudt in zijn ‘dagboek’ dat sommigen eerder als ‘kasboek’ hebben bestempeld.
“Ik heb 2 Philipsgulden gewisseld voor eten en drinken. Ik heb de vrouw van de apotheker 10 stuivers gegeven voor een klysma. De monnik, bij wie mijn vrouw biecht, heb ik 8 stuivers gegeven.”
Maar het verschijnsel ‘dagboek’ vond bij de Victorianen wel zijn meest intense voedingsbodem. Koningin Victoria begon met het bijhouden van haar dagboek in 1832 op 13-jarige leeftijd en bleef dit doen tot aan haar dood in 1901. Ze schreef in totaal 141 dagboeken vol, met ongeveer 43.000 pagina’s.
Haar dagboeken zijn door haar jongste dochter Beatrice uitgeschreven, op verzoek van koningin Victoria zelf. Daarbij zijn gevoelige of onbelangrijke passages weggelaten. Nadat een dagboek was getranscribeerd (uitgeschreven), werd het origineel vernietigd. Later zijn ze uitgetypt en voorzien van bijschriften.
“Het Victoriaanse tijdperk was een tijdperk dat vooral werd gedefinieerd door een ‘obsessie’ met vooruitgang. De Victorianen waren grote vernieuwers en utopisten die een eeuwigdurend proces van verbetering voor ogen hadden: niet alleen van het zelf, maar van de samenleving, van de hele mensheid. Koninklijke commissarissen en filantropen daalden in drommen af naar de sloppenwijken van Londen om armoede en sanitaire omstandigheden te onderzoeken. Rijke industriëlen financierden bibliotheken, gemeentehuizen, openbare werken en riolen. Prins Albert schreef berichten over huisvesting. De middenklassen consulteerden enthousiast wetenschappelijke kennis die in tijdschriften en verhandelingen in het streven naar ‘rationeel vermaak’ werd behandeld. De meer totale weergave – de tekst of het beeld dat alles en iedereen zou onthullen – was een impliciet doel van de Victoriaanse cultuur, van Wordsworth en Charles Dickens tot het panorama en de camera. Er was een razernij van meten en in kaart brengen. Gegevens zouden tot begrip leiden, en begrip zou meesterschap mogelijk maken. (Aeon ‘Elena Mary ‘I woke at 1/2 past 7″)
Early diaries sold by John Letts in London.
The world is too much with us,’ complained William Wordsworth in 1807. Almost 30 years later, Alfred, Lord Tennyson struck a more triumphant note:
"Not in vain the distance beacons. Forward, forward let us range, Let the great world spin for ever down the ringing grooves of change. "(ibidem)
Taken, afspraken, memoranda – kunnen allemaal worden genoteerd in een netjes gestructureerd zak-dagboek dat u zou helpen uw tijd zo productief mogelijk te gebruiken.
‘Technologiebedrijven hebben met succes geld verdiend met deze diepgewortelde drang om onszelf te verbeteren, nieuwe manieren te bieden om ons dagelijks leven te documenteren en te vergelijken, wat een eeuwigdurend gevoel van falen kan creëren. De daad van het delen van verhalen over onszelf is niet langer beperkt tot een vertrouwde kring van intieme vrienden en familieleden. In plaats daarvan functioneren sociale mediaplatforms als multimediadagboeken met een onmiddellijk, wereldwijd publiek dat constante feedback geeft over onze keuzes en activiteiten.”(ibidem)
"We leven in een tijdperk van zelfkwantificering en de verheerlijking van productiviteit. Bullet journals, habit trackers, slimme horloges – al deze tools stellen ons in staat om gegevens over onszelf te verzamelen in een razernij van zelfverbetering. Mijn Instagram-feed wordt overspoeld met video's van dunne vrouwen met gladde glanzende voorhoofden en glanzende witte tanden, die de deugden van 5 uur durende trainingen, langdurige huidverzorgingsrituelen en dankbaarheidsdagboeken ophemelen. We zoeken ‘hacks’ op die ons in staat zullen stellen steeds efficiënter te zijn, en om de meest mogelijke waarde uit onze tijd en bezittingen te halen." ( (Aeon 'Elena Mary 'I woke at 1/2 past 7")
Frederick Cayley Robinson. Evening in London 1920 Tempera, Watercolour, Pencil on paper
“De 19e-eeuwse obsessie met zelfverbetering en zelfdiscipline wordt misschien het best geïllustreerd door het boek Self-Help van Samuel Smiles; (1859) with Illustrations of Character and Conduct , dat hard werken, goede gewoonten en doorzettingsvermogen verdedigde. Verkoop: 20.000 exemplaren in het eerste jaar van publicatie. Bovenal bleek de sleutel om actief te zijn het nastreven van vooruitgang. De grootste Victoriaanse zonde was nietsdoen.
As the 15-year-old Victoria, heir presumptive to the throne, virtuously wrote in her diary on the 27 January 1835: ‘I love to be employed; I hate to be idle.’ Just as they sought to measure and quantify the progress of Western civilisation, so the Victorians sought to measure progress and improve the self through the simple practice of keeping a diary. (idem)
In 1812 begon de boekhandel van John Letts met de verkoop van een jaarlijks gedrukt dagboek in zijn winkel, plaats: Royal Exchange Londen. Het dagboek was een groot succes, en in 1862 bood Letts 55 verschillende versies gericht op specifieke sociale groepen, met prijzen variërend van sixpence tot 14 shilling (of 1,7€ tot 47,70€ in het geld van vandaag). Tegen 1900 verkocht Letts bijna een kwart miljoen dagboeken per jaar en het gedrukte dagboek werd als een essentieel kenmerk van het commerciële leven beschouwd. Niet langer alleen een ruimte om na te denken over wat er was bereikt, het dagboek was ook een plek om te plannen wat nog bereikt moest worden.
Letts of London was en is nog steeds een Britse maker van notitieboekjes, agenda’s en planners. Letts werd opgericht in 1812 door John Letts, die het briljante idee had om een standaard notitieboekje te voorzien van een kalender. De notitieboekjes van Letts vallen op door hun stijl, die duidelijk beïnvloed werd door het verleden.
“Dagboek bijhouden was een conventie bij de opvoeding van kinderen uit de middenklasse, met ouders zoals Charles Darwin en zijn vrouw Emma die dagboeken gebruiken om angstvallig de fysieke, intellectuele en religieuze ontwikkeling van hun kinderen vast te leggen in overeenstemming met het romantische idee dat ‘het kind de vader van de man is’. Blanco of voorgedrukte dagboeken waren ook een gemeenschappelijk huiselijk geschenk, omdat ouders dagboeken aan hun kinderen gaven en kinderen dagboeken gaven aan hun bedienden. In ‘Between Women’ (2007) schrijft de literatuurwetenschapper Sharon Marcus dat prinses Victoria werd geïnstrueerd in het bijhouden van een dagelijks dagboek van haar geliefde gouvernante, Lehzen, en totdat Victoria koningin werd, inspecteerde haar moeder dagelijks haar dagboeken.” (Elena Mary)
‘The world is too much with us,’ complained William Wordsworth in 1807. Almost 30 years later, Alfred, Lord Tennyson struck a more triumphant note:
Not in vain the distance beacons. Forward, forward let us range, Let the great world spin for ever down the ringing grooves of change.
Binnen het dagboek konden Verlichtingsidealen van wetenschappelijk empirisme worden benut ter ondersteuning van het evangelisch geïnspireerde project van zelfverbetering. Toenemende alfabetiseringspercentages, goedkopere materialen en nieuwe druktechnologieën moedigden de productie en consumptie van dagboeken op een ongekende schaal aan. De broers George en Weedon Grossmith’s satire The Diary of a Nobody, voor het eerst geserialiseerd in Punch in 1888 en gepubliceerd als een striproman in 1892, beschrijft het dagelijks leven van de ‘niemand’ Charles Pooter, een klerk die woont in de Londense buitenwijk Holloway met zijn vrouw Carrie. In de inleiding vraagt Pooter:
"Waarom zou ik mijn dagboek niet publiceren? Ik heb vaak herinneringen gezien aan mensen waar ik nog nooit van gehoord heb, en ik zie niet – omdat ik toevallig geen ‘Iemand’ ben – waarom mijn dagboek niet interessant zou moeten zijn. Mijn enige spijt is dat ik er niet mee begon toen ik nog jeugdig was."
En laten we eerlijk zijn: er is ook heel wat gebeurd ten goede van iedereen in die Victoriaanse 19de eeuw! De vergelijking met de hedendaagse sociale media is nogal losjes. Was het dagboeken schrijven nog steeds voorbehouden aan de groeiende middenklasse dan spreekt de toon en inhoud van het dagelijks berichten in de sociale media een nog bredere bevolkingslaag aan, of beter een bredere mélange die makkelijk ten dienste van of in verweer tegen kan gebruikt worden. Ik kan je hier de lectuur aanraden van een thesiswerk van Sam van Esch (2022): ‘De typische Victoriaan.‘
Het historiografisch discours over Londen onderzocht aan de hand van dagboeken uit de negentiende eeuw.
‘Het artikel ‘I woke at 1/2 past 7′. Our coursed age of self-monitoring and optimisation did’n start with big tech as so often, The Victorians are to blame.”werd geschreven door Elena Mary. (Aeon 17 november 2025)
Elena Mary is a postdoctoral associate member in the Faculty of History at the University of Oxford in the UK. She is a historian of culture, class and the female body in modern Britain.
‘Very cold winter. The Round Pond in Kensington Gardens frozen solid, and, outside Kensington Palace, icicles hang from the guardsman’s busbies. Buttoned up, with muffs and gloves, we boldly set off to skate on the Serpentine. Trixie hired some skates, and was a danger to all on the ice, as her laces trailed about her heels. Lily and I had our own skates. We both enjoy the sport tremendously, and the odd assortment of people on the ice makes for a most diverting time. Sometimes skaters’ enthusiasm outweighs their abilities. Several times we landed flat on the ice. All in a good day’s sport, however. We forgot our aches and pains in the evening, roasting chestnuts in the grate.”
Maud was 29 toen ze in 1888 begon met haar dagboek. De eerste vier jaar daarvan beschreven haar leven in Sandown. Mijn werk richt zich op de periode nadien, van 1892 tot 1900, toen Maud in Londen woonde. In de uitgegeven versie van het dagboek zijn de notities per maand, seizoen en jaar gegroepeerd. (Uit thesis Sam van Esch ‘De typische Victoriaan.‘ Het historiografisch discours over Londen onderzocht aan de hand van dagboeken uit de negentiende eeuw.)
Manuscript journals of Henry David Thoreau (1817–1862), 1837–61. Purchased by Pierpont Morgan, 1909. Courtesy of The Morgan Library.Diary with transcript of Alfred Whiters in the JAMES BAINES, 1857
Elena Mary noemt de Victorianen grote vernieuwers, maar de vooruitgang was een Janus-gezicht. Voor elke sprong voorwaarts, een hernieuwde druk om verder te gaan, en sneller, om beter te doen, beter zijn. Ook het tijdperk van de vooruitgang was een tijdperk van angst. Ik denk persoonlijk dat wij iets te nadrukkelijk de Victoriaanse tijden willen laten samenvallen met onze boeiende maar ook dwaze tijden. De angst van de Victorianen hebben we uitvoerig belicht in een reeks over deze tijden die je kunt teruglezen en waarin er via een bredere invalshoeken de eigenheid van die angsten wordt belicht. Basis was het boeiende boek ‘The Victorian Frame of Mind, 1830-1870. van Walter E. Houghton, Yale University Press, New Haven and London, 1975-1985.
Hij stond er. In het water. Gespiegeld. In het water van het meer. Duidelijk uitnodigend. Ga zitten en kijk. Kijk over het meer. Vanzelfsprekend. Geen engelen of de verdwaalde ziel van zijn oma. Het opluchtend ontwaken na koortsige kinderdromen.
Liep hij over de onzichtbare grens tussen leven en dood? Zou zijn voorbije leven hem voorbijtrekken? Schoenen en kousen uit; het voorbije leven bleef waar het was. Voorbij. Een man op een stoel in het water. Zeven spijlen in zijn rug. Zijn hoofd bevrijdend leeg. Het moment waarop je, na lang zoeken, een sleutel terugvindt.
Of kunst oog heeft voor ‘het gelukzalige” van alle formaten? Een van de grondleggers van het pointillisme (de andere is Georges Seurat) vindt dat geluk ook bij het water. Signac beschrijft het werk in een brief uit 1893 aan zijn collega neo-impressionist Henri-Edmond Cross:
“Goed nieuws! Op jouw advies ga ik een groot doek proberen! ... Op de voorgrond een groepje mensen die uitrusten ... man, vrouw, kind ... onder een grote dennenboom vertelt een oude man verhalen aan de jonge kinderen ... op een heuvel ... de oogst: de machines roken, werken, verlichten het zware werk: en rond de hooibergen ... een farandole van oogsters ... in het midden een jong stel: vrije liefde!”
Dit immense doek, waarvan de personages geïnspireerd zijn op Les Baigneuses van Cézanne, wordt slecht ontvangen door de critici. Felix Feneon vindt dat “Matisse de plank misslaat … nutteloos, niet te volgen” en bekritiseert hem om zijn kleuren die niets met de werkelijkheid te maken hebben, en zijn witte, lege figuren. Het schilderij wordt gekocht door Léo Stein, maar vanaf 1913 is het niet meer te zien. Het komt terecht in privécollecties, totdat de Barnes Foundation het verbiedt te reproduceren (alleen in zwart-wit tot voor kort, voor dat financiële problemen hen liberaler maakten). Maar dit schilderij, dat bij de familie Stein tentoongesteld werd, werd vaak door Picasso bekeken. Hij zag het als een uitdaging, aangezien hij zich niet op zijn gemak voelde met grote formaten. La famille de saltimbanques (1905, National Gallery of Art, Washington) is een ontroerend schilderij waar Rilke en Apollinaire dol op waren. La Joie de vivre van Matisse is de eerste van twee mijlpalen die aanleiding waren voor de uitdaging van Les Demoiselles d’Avignon. Paul Delvaux zag het intiemer in 1937.
La Joie de Vivre, Paul Delvaux, 1937.
In het kunstwerk toont Delvaux een vrouw die een man omhelst. Het paar, dat dicht bij elkaar staat in een slecht verlichte kamer, roept een gevoel van intimiteit en surrealisme op. De intense blik van de vrouw contrasteert met de verder alledaagse omgeving. Een open raam op de achtergrond onthult een weelderige tuin met hoge planten, waardoor een intrigerende tegenstelling ontstaat tussen het interieur en de levendige buitenwereld. Dit bijzondere landschap draagt bij aan de surrealistische sfeer die kenmerkend is voor het werk van Delvaux. Bovendien is er een eenzame figuur te zien in de tuin, zittend te midden van de vegetatie, wat verder bijdraagt aan het raadselachtige en dromerige karakter van het werk. De doordachte compositie en de nauwgezette aandacht voor detail tonen Delvaux’s meesterschap in het samenbrengen van het gewone met het buitengewone. (Artchive)
Pierre Bonnard. De eetkamer op het platteland 1913
In 1912 kocht Pierre Bonnard een landhuis genaamd Ma Roulotte (‘Mijn Caravan’) in Vernonnet, een klein stadje aan de Seine. Dit schilderij toont de eetkamer van het huis, met katten die op de stoelen zitten en Marthe de Méligny, de vrouw van de kunstenaar, die op de vensterbank leunt. Bonnard, die zichzelf beschouwde als ‘de laatste impressionist’, benadrukte in dit schilderij de expressieve kwaliteiten van heldere kleuren en losse penseelstreken. Hij verbond het interieur met het exterieur door de open ramen en deuren, en bracht de vormen met elkaar in verband door ze in verwante tinten te baden. In tegenstelling tot de impressionisten schilderde Bonnard echter volledig uit zijn geheugen. En net als de symbolisten wilde hij dat zijn werken zijn subjectieve reactie op het onderwerp weerspiegelden.”
Van Gogh Opengeslagen Bijbel 1884
Stilleven met open bijbel, voltooid in 1885, enkele maanden na de dood van zijn vader, met wie hij een stormachtige relatie had. Op een gedekte tafel ligt een grote familiebijbel open bij Jesaja 53, hoewel de tekst onleesbaar is. Rechts van de bijbel staat een kandelaar waarvan de vlam is gedoofd, terwijl op de voorgrond een exemplaar ligt van Emile Zola’s roman ‘Joie de Vivre’ (“Vreugde van het leven”) uit 1884. De opgebrande kaars werpt geen licht op de bladzijden van de bijbel, maar vanuit een andere bron schijnt een gloed op en vanuit de hedendaagse roman. (ArtWay 8.8.21)
Pablo Picasso, Visage de femme (Woman’s Face) (A.R. 220), 1953.
Naarmate Picasso meer vertrouwd raakte met het medium, begon hij een esthetiek te ontwikkelen die het midden hield tussen schilderkunst en beeldhouwkunst. Hij creëerde originele beelden in droge kleimallen, waarna hij het ontwerp overbracht naar verse klei. Deze werken dragen het merkteken ‘Empriente Originale de Picasso’ of ‘Edition Picasso’, dat keramiek identificeert dat is gemaakt met een geheel nieuwe techniek die uniek is voor Picasso. Deze uitvinding getuigt van de open houding van de kunstenaar ten opzichte van experimenteren, waarbij hij traditionele methoden volledig onderuit haalde en een persoonlijke dimensie aan zijn keramische werken toevoegde. (Philips Auctions LLC)
Ernst Josephson (1851-1906) Zweden, Livsglaeden, 1887 (Levensvreugde)
In het laatste deel van zijn leven leed Ernst Josephson aan een psychische aandoening, zijn artistieke stijl beïnvloedde en bijdroeg aan wat later zou worden aangeduid als “sjukdomskonst” (of “ziektekunst”). In deze periode vond een verschuiving plaats naar een meer spontane, minder beperkte vorm van expressie, wat leidde tot werken die rauw, krachtig en zeer persoonlijk waren. Deze kunstwerken geven inzicht in de innerlijke worstelingen van de kunstenaar en worden beschouwd als belangrijk in de context van de moderne Zweedse kunst. Josephsons nalatenschap ligt niet alleen in zijn thematische en stilistische bijdragen, maar ook in de manier waarop zijn persoonlijke uitdagingen zijn artistieke visie hebben beïnvloed en hervormd. (seum.se)
Photo by Ismaeel Zakariya
De deur op een kier? Elkaar binnen laten in de geschiedenis waar het onderwerp ‘joie de vivre’ zijn weg zocht tussen dromen en kwellingen. Wij zijn niet alleen, dat ervaar je wel in de dromen van de kunstenaars die met hun werk ons troosten, sterken en met de tijd blijven verbinden.
Van 31 oktober 2025 tot 6 april 2026 kun je in het Belvedère Museum te Wenen naar een merkwaardige tentoonstelling gaan kijken ‘Franz Xaver Messerschmidt “More Than Character Heads”. (Mehr als Charakterköpfe”)
Franz Xaver Messerschmidt (1736 –1783) is presented as an artist at a cultural and political turning point in history. His portraits of members of the court and the aristocracy, scholars, scientists, and writers offer an insight into the social structures o f his day. Furthermore, his now iconic “Character Heads,” which he started working on in 1770, are also interpreted as a phenomenon of their time.
Franz Xaver Messerschmidt_Sogenanntes Selbstbildnis lachend_um 1777–83.jpg
Franz Xaver Messerschmidt werd geboren in 1736 in Wiesensteig, Zuid-Duitsland. Hij volgde een opleiding tot beeldhouwer bij zijn ooms, Johann Baptist Straub in München en Philipp Jakob Straub in Graz. Daarna studeerde hij aan de academie in Wenen. Messerschmidt begon te werken als een onafhankelijke beeldhouwer in 1760; kreeg opdrachten van de aristocratie, de keizerlijke familie evenals van middenklasse klanten. Rond 1770 begon hij aan zijn inmiddels beroemdste stukken: de zogenaamde ‘Karakterkoppen’. Nadat hij was gepasseerd voor de functie van professor aan de academie, verliet hij Wenen in 1775 en vestigde zich, na een verblijf in Wiesensteig en München, in Bratislava, waar hij in 1783 stierf, nauwelijks 47 geworden.
Exhibition view “Franz Xaver Messerschmidt. More Than Character Heads”, Lower Belvedere Photo: Johannes Stoll / Belvedere, Vienna
In München opgegroeid waar hij leerling was van zijn oom Johann Baptist Straub en Ignaz Grüber, studeerde aan de academie van de beeldende kunsten, en werd daarna ‘ciseleur’ bij het Keizerlijk Arsenaal en door Maria Theresia van Oostenrijk benoemd tot hof-beeldhouwer. Was in Rome op studiereis en daarna hoogleraar aan de academie in Wenen. Daar werd hij ‘gepasseerd’ voor de functie ‘hoofd van de beeldhouw-afdeling’ en begon in 1769-70 wat hij later zijn karakter-koppen zou noemen. (klik op foto om te vergroten)
A Hypocrite and a SlanderA Hypocrite and a Slander
De titel van dit voorbeeld hierboven van één van deze ‘karakterkoppen’: ‘Een schijnheilige en een lasteraar’.(1770-1783) (37 x 24.4 x 29.5 cm, 11.3399kg)Tinlegering.
Messerschmidt Franz Xaver, de belangrijkste beeldhouwer aan het hof van Wenen in de jaren 1760, werd om persoonlijke en professionele redenen gedwongen naar de provincie te vertrekken en vestigde zich in 1777 in Pressburg (het huidige Bratislava). Daar concentreerde hij zich op een privécollectie van hoofden, waarvan hij er meer dan zestig voltooide in zijn favoriete materiaal, een tin-legering of albast.
Hoewel hij de artistieke traditie van het onderzoeken van gezichtsuitdrukkingen en emoties erkende, waren deze Kopfstücke, of hoofd-stukken, zoals hij ze noemde, zeer origineel door hun combinatie van realisme en abstractie. Bezoekers van zijn atelier zagen hoe de kunstenaar zichzelf in een spiegel bestudeerde. Sommige hoofden zijn rechttoe rechtaan zelfportretten, glimlachend of fronsend; andere zijn satirisch of komisch, waarbij de geportretteerde reageert op een sterke geur of breed gaapt. Een paar, zoals deze, door een vroege criticus ‘weigeraars’ genoemd vanwege de manier waarop ze contact met hun omgeving ontkennen, zijn diep introspectief.
De betekenis van de serie is lang onderwerp van discussie geweest. De titels werden toegekend na de dood van de beeldhouwer, toen in 1793 negenenveertig werken werden tentoongesteld. Messerschmidt was op de hoogte van hedendaagse medische theorieën, zoals Johann Caspar Lavaters studie uit 1775 over de relatie tussen fysionomie en het menselijk karakter, en hij kende zeker zijn Weense buurman, de arts Franz Anton Mesmer, die geloofde dat uiterlijke zintuigen verbonden zijn met innerlijke emoties en die gerelateerde therapieën ontwikkelde om zijn patiënten te behandelen. Hoe men ze ook beoordeelt, de serie is uitzonderlijk in de achttiende-eeuwse beeldhouwkunst, stilistisch verdergaand dan het neoclassicisme naar een reductieve eenvoud, vooruitlopend op het moderne minimalisme, en psychologisch weergevend van seriële gemoedstoestanden in een project dat nieuw was voor de pre-Freudiaanse wereld. (The Met)
Simplicity of the highest degree”. N°9 of the “caracter heads”. Franz Xaver Messerschmidt, after 1770. Alabaster in Wien Museum Karlsplaz
Toen de schrijver Friedrich Nicolai hem in 1781 kwam bezoeken, presenteerde Messerschmidt het perfecte beeld van de artistieke balling. Hij had zijn bezittingen verkocht en woonde nu alleen in een ‘eenzaam huisje’ dat alleen was ingericht met ‘een bed, een fluit, een tabakspijp, een waterkan en een oud Italiaans boek over de verhoudingen van het lichaam’. Als decoratie hing in een raam ‘een tekening van een Egyptisch beeld zonder armen, waar hij altijd met bewondering en ontzag naar keek’. Messerschmidts enige andere gezelschap, zo noteerde Nicolai, waren 60 van zijn eigen creaties: bustes van albast of dof grijs metaal. Vier daarvan waren volgens Nicolai ‘werkelijk bewonderenswaardige meesterwerken, zelfportretten in overeenstemming met de natuur’. Van zijn twee favorieten toonde de ene de kunstenaar zo hartelijk lachend dat zijn tanden, gehemelte en tong ‘tot aan de wortel’ zichtbaar waren; de andere toonde hem ‘zeer ernstig in de oude stijl’. Deze onthulden volgens Nicolai het genie van Messerschmidt. Alle andere vond hij gewoonweg verontrustend. ‘Men zag er echt in’, schreef hij, ‘welke ellende de menselijke kunst voortbrengt wanneer zij iets bovennatuurlijks tracht te creëren’. (Tim Smith-Laing. 2018)
Franz Xaver Messerschmidt. ”Een ondeugende grappenmaker’ (1777-83)
De Character Heads, zoals ze bekend zijn geworden, vormen nu de kern van wat latere generaties als het genie van Messerschmidt hebben gezien. De 49 bewaard gebleven bustes met wild vervormde gezichten, gemaakt tussen circa 1770 en Messerschmidts dood, zijn anders dan alle andere beeldengroepen die ooit zijn gemaakt. Sommige hebben hun kin en nek diep naar beneden gedrukt, alsof ze zich tussen hun sleutelbeenderen willen terugtrekken; andere strekken zich uit totdat de pezen zich spannen in krachtlijnen die zich lijken uit te strekken tot voorbij het slanke deel van het lichaam dat wordt weergegeven. Ze hebben allemaal even extreme als ondoorgrondelijke uitdrukkingen: elke rimpel is met onnatuurlijke precisie en diepte gegraveerd om een effect te creëren dat tegelijkertijd hyperrealistisch en volkomen onwerkelijk is.
(Tim Smith-Laing 2018)
From left: Childish Weeping, 1771–83, tin-lead cast; The Ill-Humored Man, 1771–83, lead-tin cast.
Bij het bezoek van Nicolai waren er 56 hoofden. Het plan was er 66 te maken. Daarvan zouden er 54 deel uitmaken van een onvoltooid project om de ‘vierenzestig variaties op de grimassen’ van het menselijk gezicht’ te verbeelden. Messerschmidt liet ook doorschemeren dat ze ‘de bovennatuurlijke zintuigen van dieren voorstellen’. Eens voltooid zou het een soort afweermiddel (een apotropaeon) tegen kwade krachten voorstellen (Oudgrieks: ἀποτρόπαιον / apotrópaion; “(onheil) afwerend”) die hem zouden stalken. Hierbij Second Beaked Head of ook het snavelhoofd.
Among the more extreme examples of this paradox is the Second Beaked Head, briefly described by Nicolai. This alabaster bust makes uncomfortably fleshy use of the stone’s veining and staining, and uncomfortably stony use of human features – in such a way that it almost flickers between the two as you look at it. Focus on the lower half, and it could be an anatomical model: as the neck cranes up, its sinews are drawn into tight lines that gradually blend into the iron oranges of the upper chest, exaggerated but recognisable. Stretch your own chin up and forward, and the same sinews appear, along with that smooth, fat wrinkle running round the back of the neck. The same realism appears in the tightly clenched eyes. But then the rest of the face, with its incised parallel lines on the cheeks, and the inhuman protrusion of the ‘beak’, belongs to impossibility. (Apollo 2018)
Een van de meer extreme voorbeelden van deze paradox is de Second Beaked Head, kort beschreven door Nicolai. Deze albasten buste maakt op een ongemakkelijke manier gebruik van de aders en vlekken in de steen en op een ongemakkelijke manier gebruik van menselijke trekken – op zo’n manier dat het bijna heen en weer flikkert tussen de twee als je ernaar kijkt. Als je je concentreert op de onderste helft, zou het een anatomisch model kunnen zijn: terwijl de nek omhoog steekt, worden de pezen in strakke lijnen getrokken die geleidelijk overgaan in de ijzeren oranje tinten van de bovenborst, overdreven maar herkenbaar. Strek je eigen kin omhoog en naar voren, en dezelfde pezen verschijnen, samen met die gladde, dikke rimpel die rond de achterkant van de nek loopt. Hetzelfde realisme komt terug in de strak samengeknepen ogen. Maar de rest van het gezicht, met zijn ingekerfde parallelle lijnen op de wangen en de onmenselijke uitstulping van de ‘snavel’, behoort tot het onmogelijke.
Al lijkt het in profiel een karikaturale sarcastische grijs te hebben, schrijft Tim Smith-Laing, van voren lijkt het alsof het zijn lippen vooruitsteekt voor een kus. En dan die spanning van de nek? Is die spanning invasief of ontwijkend? Of beide? ‘Bekijk de buste goed en Messerschmidt’s beschrijving van geknepen door de geest begint logisch te worden, aldus de auteur van deze studie.
“Het is dan ook niet verwonderlijk dat veel interpretatoren van Messerschmidts hoofden door de jaren heen hun toevlucht hebben genomen tot waanzin als verklaring. Sinds het begin van de 20ste eeuw hebben kunsthistorici, artsen en psychologen Messerschmidt achteraf gediagnosticeerd met aandoeningen variërend van de ziekte van Crohn tot loodvergiftiging, narcisme en paranoïde schizofrenie. Het is echter onduidelijk wat het nut is van dergelijke diagnoses, behalve dat ze de sculpturen tot pathologie reduceren: een manier vinden om de karakterhoofden weg te redeneren door ze te beperken tot een wereld die buiten het rationele of interpreteerbare valt. (ibidem)”
Franz Xaver Messerschmidt, Character Head No. 21 (The Vexed Man), 1771–1783, The J. Paul Getty Museum, Los Angeles, CA, USA. (de gekwelde man)
Een van de meest boeiende bronnen van deze bijdrage kwam uit het apollo-magazine: The many faces of Franz Xaver Messerschmidt geschreven door Tim Smith-Laing 28 july 2018.
Messerschmidt’s Character Heads, in a lithograph of 1839 by Matthias Rudolph Toma. Österreichische Nationalbibliothek, Vienna
Voor de donkere dagen rond 11 november, het gedenken van een oorlog, het steeds ontstaan van nodeloze leegte