KERSTSFEER ANNO 1897 (THE TURN OF THE SCREW 4)

 

dyn008_original_317_600_jpeg_20344_023477fe3c0bdc6225aa3b7ee16040f8

Als je de proloog hebt gelezen, voel je je opgenomen in de kring rond het haardvuur.
In die sfeer opent Douglas het oude rode album, goud op snee.

We horen de gouvernante uitroepen:

‘But as my little conductress, with her hair of gold and her frock of blue, danced before me round corners and patterned down passages, I had a view of a castle of romance inhabited by a rosy sprite, such a place as would somehow for diversion of the young idea, take all colour out of story-books and fairy-tales.
Was n’t it just a story-book over which I had fallen adoze and a-dream?’

En vanuit die sfeer leidt Ernst Braches in ‘Engel en Afgrond’ naar het Victoriaanse kerstfeest, ook weer zo’n fraai prentenboek waarin de twee engelachtige hoofdpersonen van de ‘Turn of the Screw’ thuis blijken te zijn.

Als je die prentjes nu bekijkt, verbaas je je erover dat generaties deze afbeeldingen aan het hart hebben gedrukt, hoe onecht ze ook leken.

Kleine Flora is ‘the most beautiful child I had ever seen”.
Ze heeft een “angelic beauty”, “heavenly eyes”, en zij en de kleine Miles hebben “the great glow of freshness, the same positive fragrance of purity”.

Een kleine prins en prinses, ze hebben een “rose-flush of innocence”.

Flora is een kind “with the deep sweet serenity indeed of one of Raphael’s holy infants”.

dyn008_original_276_332_jpeg_20344_8a660d246c25534c40fe773e37dd4f38

Als je dit suikerzoete portretje leest moet je onwillekeurig denken aan sucessen op de toenmalige Parijse salon en op de Royal Academy, en namen als die van L. Perrault en W.A. Bouguereau doemen op.

En die Raphael kan net zo goed Raphael Tuck zijn door Braches beschreven als:

“Het gaat om de Londense kerstkaartenuitgever Raphael Tuck, en in tegenstelling tot zijn naamgenoot (die nooit kleine meisjes portreteerde overigens) is Raphael Tuck maar al te zeer thuis in de verontrustende vertederende wereld van goudgelokte kleine meisjes die rozig uit onschuldige hemelsblauwe ogen stralen, en die gehuld gaan in blauwe jurkjes of waar nodig, op blote voetjes in een vleugje nachtpon staan opgesteld in of bij witte ledikantjes.”

Dat uitgeven en ontvangen van kerstwensen was op het einde van de 19de eeuw een zeer belangrijke gebeurtenis, en de kaarten werden zorgvuldig bijgehouden in albums en steeds weer opnieuw bekeken.
Tuck riep zelfs de hulp in van de Royal Academie om de Kunst in zijn kaarten te doen schitteren, zegt Braches.

Zo noemen we Rebecca Coleman en zelfs James Sant (Royal Academy) wiens meesterwerk “The awakening of the Soul” heet.

Dat Henry James aan deze wezentjes dacht toen hij de kinderen vorm gaf, lijkt vanzelfsprekend.
Maar zegt Braches, het brengt ook een zekere onrust over de lezer.
Want was het niet William Stephen Coleman, broer van Rebecca, die kaarten tekende in vertederende pastelkleuren met meisjes in de aanvang van vrouwelijke rijping en nauwelijks verhuld in hun luchtige bekleding, en die in onze ogen een opmerkelijke boodschap lieten overbrengen aan de ontvanger “May thy Christmas be happy”.

De uitgever De la Rue, staakte de publicatie in 1885, maar ze waren in 1897 zeker niet vergeten.

Maar wie eenmaal in de juiste sprookjessfeer is gebracht kan het verhaal van de gouvernante inderdaad als een kleurig prentenboek zien opengaan.
We treden binnen met een lichte huivering voor de komende verschrikkingen.


THE TURN OF THE SCREW: HET SCENARIO (3)

rohturnscrew3

In Kindlers Literaturlexikon’ staat een heldere samenvatting van het verhaal.
Ernst Braches citeert het in zijn boek.

‘Een paar dagen nadat gastheer Griffin een spookgeschiedenis verteld heeft aan de haard van een Engels landhuis, leest gast Douglas zijn vrienden een echte spookgeschiedenis voor, die hij veertig jaar geleden heeft vernomen van de inmiddels gestorven gouvernante van zijn zusje:

Door een galant vrijgezel (de oom en voogd zonder verantwoordelijkheidsgevoel van een tweetal kort geleden wees geworden kinderen) wordt de jongste dochter van een dorpspredikant als opvoedster, als gouvernante aangesteld.

Op het buiten Bly moet zij zorgen voor de kleine Flora en de iets oudere Miles.
De gevoelige, makkelijk geëxalteerde gouvernante is onmiddellijk verliefd geworden op haar werkgever.
De engelachtige schoonheid en liefelijkheid van de kinderen wekken in haar een gedrevenheid, haast missionair, om de kinderen te beschermen en zich voor hen op te offeren.
Twee mysterieuze verschijningen -een mannelijke op de toren van het huis en een vrouwelijke aan het meer- identificeert zij al spoedig met de knecht Peter Quint en haar voorganger Miss Jessel, beiden in Bly gestorven.

Die twee onderhielden samen een liefdesrelatie en hadden een nauw contact met de kinderen.
Overtuigd van de verderfelijke invloed en de kwade bedoelingen van de twee met de kleine Flora en Miles, en ervan uitgaande dat ook de kinderen de verschijningen kunnen waarnemen, maar er niet over durven spreken, drijft de gouvernante het kleine meisje tenslotte tot een zenuwcrisis waarvoor zij geneeskundige behandeling moet ondergaan in Londen.
De bij de gouvernante achter gebleven jongen bezorgt zij in een laatste confrontatie met de geest van Quint een shock die, op het moment van de naar haar overtuiging reddende omhelzing, zijn hart doet stilstaan.

jongen alleendvd

Wat nu waan is en wat werkelijkheid, zeker als het de geesteverschijningen betreft, is een van de meest omstreden problemen geworden in de vakliteratuur, citeer ik Ernst Braches.

Vragen dringen zich op:

Komt de vernietigende kracht van het ‘Kwaad’ voort uit de van haar vader overgeërfde labiliteit van de hallucinerende gouvernante?

Komt die kracht voort uit een Freudiaanse neurose als gevolg van onderdrukte seksuele verlangens bij de gouvernante?

Of reageert haar angstwekkende onschuld op werkelijk bij de kinderen aanwezige neigingen en voorstellingen, die zich voor de gevoelige en gefixeerde gouvernante manifesteren als verschijningen?

Is de geschiedenis een allegorie van het Christelijke dualisme van goed en kwaad, waarbij de kinderen de gevallen engelen zijn en de opofferende gouvernante als redster van de zielen figureert?

Moeten wij denken aan een ironische verwerking van religieuze associaties op dieptepsychologische grondslag?

Moeten we de verhouding tussen Miles en de gouvernante en Douglas met de zijne lezen als een liefdesmetafoor?

Vragen genoeg dus, en die oplossingen ervan liggen niet in felle verhitte discussies vanuit de hedendaagse ethiek maar vanuit onderzoek naar die complexe Victoriaanse cultuur einde negentiende eeuw.
Wie de zee wil begrijpen, zal zich naar de bronnen van de rivier moeten keren.


Een filmische samenvatting via You Tube is mooi meegenomen


THE TURN OF THE SCREW (2) HET BEGIN

dyn008_original_550_366_jpeg_20344_3cef244d229213a42850837a46026434

 

The story had held us, round the fire, sufficiently breathless, but except the obvious remark that it was gruesome, as, on Christmas Eve in an old house, a strange tale should essentially be, I remember no comment uttered till somebody happened to say that it was the only case he had met in which such a visitation had fallen on a child. The case, I may mention, was that of an apparition in just such an old house as had gathered us for the occasion– an appearance, of a dreadful kind, to a little boy sleeping in the room with his mother and waking her up in the terror of it; waking her not to dissipate his dread and soothe him to sleep again, but to encounter also, herself, before she had succeeded in doing so, the same sight that had shaken him. It was this observation that drew from Douglas–not immediately, but later in the evening– a reply that had the interesting consequence to which I call attention. Someone else told a story not particularly effective, which I saw he was not following. This I took for a sign that he had himself something to produce and that we should only have to wait. We waited in fact till two nights later; but that same evening, before we scattered, he brought out what was in his mind.

“I quite agree–in regard to Griffin’s ghost, or whatever it was– that its appearing first to the little boy, at so tender an age, adds a particular touch. But it’s not the first occurrence of its charming kind that I know to have involved a child. If the child gives the effect another turn of the screw, what do you say to TWO children–?”

“We say, of course,” somebody exclaimed, “that they give two turns! Also that we want to hear about them.”

I can see Douglas there before the fire, to which he had got up to present his back, looking down at his interlocutor with his hands in his pockets. “Nobody but me, till now, has ever heard. It’s quite too horrible.” This, naturally, was declared by several voices to give the thing the utmost price, and our friend, with quiet art, prepared his triumph by turning his eyes over the rest of us and going on: “It’s beyond everything. Nothing at all that I know touches it.”

“For sheer terror?” I remember asking.

He seemed to say it was not so simple as that; to be really at a loss how to qualify it. He passed his hand over his eyes, made a little wincing grimace. “For dreadful–dreadfulness!”

“Oh, how delicious!” cried one of the women.

He took no notice of her; he looked at me, but as if, instead of me, he saw what he spoke of. “For general uncanny ugliness and horror and pain.”

“Well then,” I said, “just sit right down and begin.”

dyn008_original_319_478_jpeg_20344_882f78afe961ae4c582ce0e17e45eff0

Op 30 november 1897 dankt Henry James zijn vriend Frank Boott voor de toezending van de foto van diens zoon, de moederloze kleinzoon van Duveneck.
Het zijn vrienden uit de Florentijnse tijd, waarmee James zich bijzonder verbonden weet.
Het jongetje, geboren in de laatste dagen van 1886, is dan tien jaar oud.

“…thank you for the valued photograph of the Boy.”

James nodigt vader en zoon uit om straks, na mei 1898, in zijn nieuwe huis in Rye te komen logeren:

“…the Boy at half price (in handschrift bijgevoegd: “or at less”)
“I should have him constantly in my arms!”

De volgende morgen, op die zonnige 1 december 1897, schrijft James aan zijn schoonzuster Alice dat hij zijn “kleine boekje” voltooid heeft.

Ernst Braches, Engel en afgrond, Over the turn of the screw van Henry James, Meulenhoff, A’dam 1983

 

Kortom, als U nieuwsgierig genoeg bent geworden, wordt het tijd om de screw zachtjes verder te draaien.


Het portret van het meisje gisteren werd geschilderd door Kath LOWE, the return of the screw, waarin ze de actrice die de rol vertolkte als uitgangspunt nam.


THE TURN OF THE SCREW (1)

 

We komen nu echt op het terrein van de 19de eeuwse geesten en spoken, al wil ik niet dadelijk Edgar Allen Poe citeren maar wel het wonderlijke verhaal ‘THE TURN OF THE SCREW’ van Williams James’ broer Henry.

In 1961 was er een verfilming gebaseerd op dit verhaal met in de hoofdrol Deborah Kerr.
Het kreeg de partijdige naam ‘The Innocents’ mee, en ik ben er zeker van dat Henry James deze titel ten zeerste had afgekeurd.

turn01

Maar al is het scherm klein, de mooie zwart-wit fotografie van Freddy Francis blijft bekoren.
Deborah speelt een gouvernante die op het afgelegen landgoed Bly de hoede over een meisje (Flora) en een jongen (Miles) krijgt.

Maar zijn ‘the innocents’ wel zo onschuldig als ze zich voordoen, en wat gebeurde er met de vorige gouvernante en de knecht?

turn02

Het lijkt een typisch 19de eeuws spookverhaal, maar het feit dat er een bibliotheek boeken met commentaar over is verschenen, laat toch iets anders vermoeden.

Nu is het gewoon even kijken naar het korte filmfragment, want de tocht naar de ware betekenis ligt zoals altijd verborgen.

En lectuur van het verhaal dat in 1898 verscheen kan zeker helpen.
Het is een dunne novelle, in de unieke stijl van Henri James.

Benjamin Britten maakte er een opera van, en zowel de opera als de film The Innocents zijn op DVD terug te vinden.


HET GEVECHT MET DE DUIVEL: RICHARD DADD

tumblr_nl023t4gxh1qced37o1_1280

‘ On my return from travel, I was roused to a consideration of subjects which I had previously never dreamed of, or thought about, connected with self; and I had such ideas that, had I spoken of them openly, I must, if answered in the world’s fashion, have been told I was unreasonable. I concealed, of course, these secret admonitions. I knew not whence they came, although I could not question their propriety, nor could I separate myself from what appeared my fate. My religious opinions varied and do vary from the vulgar; I was inclined to fall in with the views of the ancients, and to regard the substitution of modern ideas thereon as not for the better. These and the like, coupled with an idea of a descent from the Egyptian god Osiris…”

Mijn waarde vriend psychiater zou dit een voorbode van een ‘bipolair disorder ‘noemen.
Een manisch depressief mens, en we hebben nog wel zo’n vijftig termen om iemands niet zo conventionele geest aan te duiden.

Richard Dadd, schilder en kunstenaar bracht een groot deel van zijn leven in een gekken-asiel door.
Hij voelde zich geroepen om met de duivel te vechten, iets wat nog wel eens voorkomt, en het feit dat je de paus naar het leven wilt staan, is ook al te begrijpen, maar dat je daarna die duivel in je vader denkt te herkennen en hem bewerkt met een mes tot de dood erop volgt, is al duidelijk een voorbeeld van de daad bij het woord te voegen.

Als vierde van zeven werd hij in Chatham, Kent geboren in 1817.
Zijn vader was bronsbewerker en we kennen schets van zijn vriend Alderigdge waarop de dertienjarige Dadd ernstig bezig is met tekenen.

Als de familie naar Londen verhuist, komt de jongen via zijn vader in kontakt met verschillende belangrijke artiesten.

in24002843contradiction-obe

‘ At the Academy, Dadd became friends with John Phillip, who was subsequently to marry Richard’s sister Mary Elizabeth, and William Powell Frith (1819-1909), who was subsequently to play a significant role in Victorian genre painting and sontemporary social documentation. Later, this circle was expanded to include Augustus Egg, Harry Nelson O’Neill, Alfred Elmore, Edward Matthew Ward, Thomas Joy and William Bell Scott. This group was, in one form or another, known as the Clique in contemporary artistic circles, and frequently met in Dadd’s rooms in Great Queen Street.’

children_5_30

In het kringetje zie je zijn ‘Puck’, een van zijn fairy-werken, een onderwerp dat erg in was tijdens de Victoriaanse moeilijke tijden. (1840-1860)

Helemaal boven zijn meest beroemde werk dat Queen inspireerde: ‘The Fairy-feller ’s Master stroke’ waaraan hij negen jaar werkte, toen al opgenomen in het Bethlem hospital (waaruit later het woordje Bedlam zijn betekenis kreeg)

He’s a fairy feller
Ah ah the fairy folk have gathered
Round the new moon’s shine
To see the feller crack a nut
At night’s noon time
To swing his axe he swears
As he climbs he dares
To deliver the master stroke

De eerste strofe uit Mercury’s song op het schilderij van Dadd geïnspireerd.

It is the grass that holds everything together optically, lending the picture its gently magical drive, while the petalled radiance of the daisies produces large bright highlights.

The idea of covering a surface with figures goes way back to Hieronymus Bosch (1450–1516) and Pieter Bruegel (1525–1569). But in Dadd’s case, there is always this special lighting, a luminosity that comes from within, a kind of fluorescent effect. White dots appear on every single tiny pebble, on the buttons of the minuscule costumes, on every little leaf – until we realise, at some point, that this is dew. Almost physically, we can follow the path of a parallel reality slowly emerging in the process of looking hard and wanting to be precise. What a difference from, say, Hercules Seghers (1589–1638) or the Impressionists, who break down what they see into generously airy, abstract patches and structures’

(Sigmar Polke)

We zullen niet verder lurken over het verband tussen mental illness en kunst, er zijn gebieden zoals de politiek waarop deze geestesgesteldheid grotere schade aanbrengt dan op het terrein van de verbeelding.

Feeën zien kan de gezondheid schaden. Er niet in geloven echter ook.

d8dfc3d72cebe331442e2406a7eb25a0


EEN VRIENDSCHAP TUSSEN PORSELEIN EN GLAS

2a7635f6c1b07074bb5135be4f529864--vanessa-bell-photo-window

Wie ‘Theuriet’ is weet ik niet, en zijn boek ‘Paternité’ komt uit mijn collectie mooie boeken uit de negentiende eeuw, vooral omdat het geïllustreerd is door diezelfde Georges Picard waarover ik gisteren sprak naar aanleiding van zijn feeënschilderij en onze tochten door de Ardeense wouden.

Je zult Picard niet vinden bij de schilders van het elfenvolk, een collectie Victorianen die het voorzien had op die kleine wezentjes en waarover ik je later zeker nog iets meer zal vertellen.

Ik weet dat hij heeft meegewerkt aan het verfraaien van het Parijse gemeentehuis, maar zeker weet ik dat hij een intense vriendschap koesterde voor Paul Burty Haviland (1880-1950) en dat deze Haviland de zoon was van de stichter het Limoges-atelier met die naam.

Paul huwde met Suzanne Lalique, de dochter van René, de vader van al het mooie Lalique-glas dat tot op de dag van vandaag naam en faam geniet, zoals ook nog het porcelein van Haviland een waarborg voor kwaliteit en schoonheid is gebleven.

Georges Picard en zijn vrouw Camille bezochten het echtpaar geregeld op hun buitenverblijf dat ze sinds 1925 hadden verworven te Yzeures sur Creuse.

In 1940, weduwnaar geworden, wordt Georges brutaal uit zijn huis verjaagd samen met al de Joodse inwoners van Obernai (Alsace).

We vinden hem alleen en gedesorienteerd terug in Lyon en hij schrijft er brieven aan Paul met de vraag hem op te zoeken.

Ze zullen elkaar pas in 1941 weer ontmoeten.
Georges en Paul zullen de volgende twee jaar in hetzelfde huis verblijven.

In 1943 sterft Georges aan een hartaanval en zijn vriend Paul zorgt voor een eeuwige vergunning zoals dat zo mooi heet op het kerkhof van Yzeures sur Creuse.

Hij is er begraven, niet ver van de familiegraven van de Haviland’s.

451ef0f5a19b7cb955ac96309cdf9d7d

Paul was een begaafd fotograaf (foto’s hierboven zijn van zijn hand) en het is Serge Aboukrat die het verhaal van hun vriendschap hoort uit de mond van Pauls dochter.
In 2003 kwam er een intieme expositie over die vriendschap.

Paternité, in de mooiste zin van het woord.
Zij die de feeën kennen, hebben niet altijd een gemakkelijk leven gehad, dat wil ik je morgen aantonen als ik het over de vreemde schilder Richard Dadd zal hebben wiens werk tot bij Freddy Mercury van Queen invloed heeft uitgeoefend.


Claude-Adhémar-André Theuriet, né à Marly-le-Roi le 8 octobre 1833 et mort à Bourg-la-Reine le 23 avril 1907, est un poète, romancier et auteur dramatique français.Après avoir fait ses études à Bar-le-Duc, il est enseignant à Tours de 1859 à 1863. Il fait ensuite des études de droit à Paris et devient chef de bureau au ministère des finances. Il est élu l’Académie française en 1896.André Theuriet est un écrivain qui chante les terroirs, les forêts, les petites villes bourgoises avec une étonnante facilité à communier avec tous les pays où le mêne sa profession. Ainsi, en Lorraine, en Argonne, en Haute-Marne et dans le Poitou, on le considère comme un pays.

Il publie de nombreux romans sur Bar-le-Duc, le Pays d’Auberive (13), la Touraine et le Poitou, la Savoie et l’Argonne. L’intrigue de ses romans est souvent conventionnelle et les personnages incarnent tous les grands sentiments de l’époque, parfois d’une façon stéréotypée. Mais son œuvre laisse un témoignage précis et fidèle de la vie quotidienne dans les villes et villages de province où les passions semblent magnifiées par les paysages où elles naissent et le lyrisme de l’auteur. (bron: Wikipedia)

b0401862ff1b614e19a541792fb040cb--photos-vintage-amazing-photography


MAAR WIE GELOOFT ONS, VROEG HET KIND

georges picard, the fairies

Deze gekke man kwam uit de Vogezen, en hij heeft ze gezien, de feeën.

Jaja, hoor ik je zeggen, ik ken dat soort feeën.
En pardon, er is nu televisie en internet.

Ik ga dus geen pleidooi houden.
Ik kom net uit de bossen.

En het zou mooi zijn u te laten geloven dat ik ze gezien heb.

Al heb ik ze wel vermoed, het was het kleinkind dat hun bestaan bevestigde.
Het kleinkind heeft ze ook niet gezien, maar het weet dat je ze niet hoeft te zien want ze zijn er, ‘so wie so’.

Ik heb ze al lang geleden een naam gegeven, een contaminatie van engelen en krengen, krengels dus.

Wezens in de tussentijd.
Voor de geboorte.
Na de dood.

Projectie!
Uiteraard, ook de liefde valt onder deze noemer, en de angst voor wie of wat dan ook.

Ze houden van de schemering.
Wij ook.
Wij liepen door de bossen.
Het was windstil.

Het is maar goed dat niemand in hen gelooft, zei het kleinkind.
Stel je voor dat ze hier alles zouden platlopen om toch maar een glimpje op te vangen van hun wonderlijk leven.

Ik knikte.
Ze konden het maar beter bij de sensatie van zelfmoordende vaders, allergische kinderen en verslindende priesters houden.

Voor ons lag het dal.
Met zijn lichtjes.
En het kermisgedreun in het naburige dorp.

Alles is een wonder, zei het kleinkind.
We zagen hoe eenzaam en helder Venus aan de nacht begon.


Het schilderij is van Georges Picard, hij heeft voorwaar iets met het mooie porselein van haviland te maken en met het kunstig glaswerk van Lalique.

Goed geplaatst dus om de feeën te verbeelden.


DE AF-BEELDING EN DE STILTE VAN DE VOLGENDE DAGEN

BISCUIT

Kijk, hiernaast staat ze.
Een mooie silverplated biscuitdoos uit Engeland,19de eeuw.

Ze bestaat dus wel echt in de first world, en als ik ze toon in deze other world (second, third, 344th, 1987354, enz. dan is ze duidelijk een af-beelding.

Heb ik ze zelf al in die eerste wereld gezien?
Neen.
Bij mijn tochten langs Engelse veilingen kwam ik haar tegen als af-beelding.

Doordat ik wel het een en ander weet over Engels zilver kon ik haar in mijn gedachten (de mooiste wereld die er is, onze gedachten-wereld) vergelijken met andere bekende en afgebeelde exemplaren.

Er was ook nog een ander motief: ik vond haar erg mooi, een criterium dat me wel een mooie collectie heeft opgebracht, maar daarom voor niet net zoveel klanten zorgde.

Met zijn allen kijken we naar een afbeelding die op zichzelf dan ook nog eens een afbeelding is die via een electronisch medium tot in onze hersenen komt.
Een derde graads-afbeelding.

Ik deed dus een bod en kreeg enkele dagen later een rekening in ponden om die doos te betalen, met opgeld voor de veiling, met BTW op dat opgeld, met onkostenvergoedingen, met shippingonkosten, kortom, er komt heel wat extra bij de geschatte veilingprijs.

De betaling van al die onkosten gebeurt al net zo virtueel.
Via een nummer van een kredietkaart.
Er komt geen centje echt geld bij kijken.
De tijd dat ze ongeveer een schaap waard zou zijn, of vier kippen is nu vervangen door reeksen cijfers die borg staan voor een virtueel bedrag.

Als ze de volgende dagen of weken hier in een doos aankomt, wordt het zoiets als de geboorte van een kind.
Daar had je in je gedachten ook al een afbeelding van, en je zag op echo (met veel goede wil) al een soort voorbode (gek, dat zoiets dan een echo heet die toch pas nadien wordt gehoord) maar het is wachten op het moment dat je het bedoelde kleine mensje echt in je armen kan houden.

Ik excuseer me bij al de jonge en oudere ouders met nog heel kleine kinderen om hun baby met een koekjesdoos te vergelijken, maar het gaat om het moment van eerste werkelijke waarneming, het aha moment, of oho als je daardoor een teleurstelling wilt uitdrukken.

En pas daarna begint weer de geschiedenis.


En om even uit te rusten van de teksten, tochten in het donker te kunnen maken, stilte te beluisteren, de horizon te zien, zal de volgende week uit internetstilte bestaan.

Tot volgende maandag dus.


WANTROUW HET WOORD (2)

dyn004_original_500_362_jpeg_20344_23d1620ea63ea9b2a24336699145d4ef

Omdat het nu gezond is het woord te wantrouwen, hou ik even de adem in, lieve vriendin.
Een woord is een woord.

DE DICHTER ZELF DAN

Ik schiet mijn pijlen naar de maan, de hele nacht,
en ’s morgens roep ik blij: geraakt!

Ze zinkt!
Kijk het licht spat uit elkaar achter de horizon.

Zo is een dichter jager op het denkbaar wild,
en onder woorden gevangen, verminkt de buit zichzelf
en blijkt het bloedend woord reeds eerder uitgesproken
in het ademen van de zee bijvoorbeeld of door het zingen van een kind.

Ik noem maar wat onzegbaar, want er is zoveel
te vangen met de wurglasso van de taal.

Ik hoed de woorden als een herder, soms
stuur ik de honden achter een weerbarstig dier.
Luid blaffend snauwen zij de letters weer bijeen.

Zo is een dichter, een kudde woorden zeult hij mee.
Plotseling vergeet hij ze, trekt hij de woestijnen in,
en dagen later komt hij moedeloos terug,
de schouders on-ingevuld met het verloren schaap.
Zijn oren zingend van leegte en zijn ogen brandend
zoals dat heet. Hij roept de dieren samen. Zet
en verzet ze, geeft ze namen en vergeet ze, scheert
hun wol en spint er draden van voor koude nachten.

Soms, sommigen beweren zelden of nooit, hoort hij
het woord, het lang verloren woord, zachtjes blaten.

Zijn leven lang roept hij zijn oren vol met
andere woorden, het mag niet baten, want de stilte
van dit woord verlamt voor goed het esthetisch praten.

Wakker geschrokken telt hij zijn schapen, zet en verzet ze
en hoort de wolven zwijgen,
doof gegeten aan het verscheurde woord.

dyn004_original_425_305_jpeg_20344_9aa3c613ddbf720678d66eb0985b13a5


BRIEF VAN DE WANHOOP-COLLECTIONEUR (1)

 

dyn004_original_317_409_jpeg_20344_fa59e03d6a1271bb1304bf27f845aca2

Elke liefde voor de poëzie heeft de vernieling
van het eigen goeddunken tot gevolg.

De donkere gaten in onszelf laat zij schaamteloos zien.
Zij schrijft alles op.
Geen komma uit dit pietluttig maar overvolle leven vergeet zij.

Wie haar ooit proefde,
de geduldige, de wachter op de morgen,
de pijnverdrager, de wanhoopcollectioneur,
hij heeft lichte ogen die aan woestijnen doen denken.

Een beetje losser is hij gemaakt van de ketting
waaraan hij lag te blaffen, denkend het huis
tegen de donkerte en gevaren te beschermen.

Hij is de hond
met de wat langere ketting aan zijn nek.

Zijn blaffen is geduldiger, en op een dag zingt
hij een stukje uit de Zauberflöte, net
als er niemand thuis is.

Eens de bewoners weer vereend en hij opnieuw
zijn kunst wil laten horen, klinkt slechts: woef-woef,
waarvoor de duiven zelfs niet meer opvliegen.

dyn004_original_595_889_jpeg_20344_be482d2d7f05b3c72f373c6e79fa600f

Het werd dus tijd om de citaten te staken en zelf een aantal vragen op te roepen die me de laatste weken en dagen hebben bezig gehouden, vaak tot in de donkerte van de veel te koude nachten.

Ons geschonden gezicht is een abstractie, maar de pijn van de moeder die net een kind bij een aanslag heeft verloren, des te duidelijker en concreet.

Het gevaar is groot om in prentjes en woorden de wanhoop te herleiden tot iets wat ‘zij’ hebben gedaan en wijzelf het bekende “ik stond erbij en ik keek ernaar” als slaappil mogen inslikken.

Het andere gevaar is net zo groot, het gevaar van de machteloze steeds maar schuldbewustere mens die de honger en rampen in de wereld elke avond ziet voorbijtrekken en in de supermarkt de ogen niet meer durft opslaan naar de 72 soorten charcuterie en tenslotte in een genadeloze apathie verzinkt.

Ook de eenzame mens kent zijn geluk.
En het oude mopje van de grijsaard die aan het zebrapad naar de andere kant wordt geloodst ook al wilde hij maar even ter plekke blijven staan, mag ons niet ontgaan.

De actus tragicus is immers geen beeld, nog minder een abstractie.
We hoeven maar in ons eigen leven rond te kijken en we kunnen er al dadelijk een bosje bij elkaar harken, die goed bedoelde maar o zo slechts uitgedraaide daden van ons.

Ook de negentiende eeuw, de wieg van de tragiek zoals wij die opvatten, zat in dat dubbele beeld gevangen:

Ze vond geen ideologische noch politieke antwoorden voor de ontstane kloof, ze kon geen taal van verzoening proclameren tussen geloof en wetenschap, daarvoor was het ene te oud en het andere te nieuw.

Maar ook voor de persoonlijke antwoorden, voor de tragiek van alledag vond buiten de literatuur en de beeldende kunsten, niemand een sleutel.

Het groeiende socialisme bewees een onschatbare dienst aan de emancipatie van de arbeiders, maar het kon de rampzalige gevolgen die naar de eerste wereldoorlog leidden alleen maar net zo machteloos onder de ogen zien.
En de religie gooide zich dapper op de restauratie.

Het beeld van een zandloper.
Bovenaan de abstracties, de ideologieën, onderaan de samenleving en in het brandpunt tussen de twee staat de mens-zonder-naam.
Met zijn hoofd in de ideologische hemel en zijn benen in het zand van elke dag.

Op het drijfzand van het vechten voor het bestaan, met het voortdurende bombardement van politieke en morele boodschappen die over hem neerdalen en die het drijfzand onder zijn voeten groter en dieper maken.

Dat is een goed beeld voor de wanhoop waar ik het over heb.
Er zit immers ook het tragische gevecht tegen de tijd in.
Zowel de haast als de ren naar een beter leven, de ratrace, als het besef dat het einde de dood is en wij in het beste geval de tocht voor de nakomelingen hier en daar kunnen verlichten met onze ervaringen.

Noch de religie, noch de politiek of de wetenschap konden in de negentiende (en de 20-21ste?) eeuw zich naar die alledaagse mens plooien, zijn taal spreken, zijn lot dragelijker maken omdat de finaliteit van deze machten en krachten niet naar de mens gericht zijn, maar naar het behoud van DE waarheid, HET grote gelijk.

Dat is tragisch.

Hert religieuze jargon, het wetenschappelijke apparaat, de morele code,
ze zijn door hun abstractie en algemeenheid nog nooit in staat geweest om mensentaal te spreken, en dan bedoel ik niet het jargon van nonkel Jef of tante Betsy, maar het doordringen in onze doordagelijkese hoofden.

Dat is tragisch.

Langs de onderkant van de zandloper zijn de instellingen, het leerwezen, de religie en de wetscodes met hun bedienaren net zo machteloos in hun pogingen om die wereldvreemde begrippen tot gewone confectiepakken, en beter nog tot maatkostuums aan te passen.

Dat is tragisch.

En voor je jezelf nu van de trappen gooit, het is juist deze tragiek die ons kan samenbrengen.


TOEN VROEGER NOG VREDE WAS (14)

 

dyn008_original_400_400_jpeg_20344_5374ca24310572bb5345fdc8665781e2

Isolatie, eenzaamheid, zo karakterestiek voor de moderne mens, zijn in hun vroege vorm verschenen in de 19de eeuw.

Voorzien van heimwee naar een ‘vroegere’ wereld.
Een utopie in het verleden?

They felt isolated by dividing barriers; lonely for a lost companionship, human and divine; nostalgic for an earlier world of country peace and unifying belief.’

(Walter, E. Hougthon, The Victorian frame of mind, p77)

dyn008_original_538_507_jpeg_20344_b517ece934a69e985a248640f263d88f

In een zekere zin was de democratische-industriële maatschappij helemaal geen maatschappij.

Mensen en klassen waren niet langer een onderdeel van een kristelijk-feodaal organisme waar iedereen zijn plaats en functie kende, en met kerk en staat verenigd was en plichten en opdrachten kende.

In de nieuwe liberale theorie was iedereen vrij, politiek en economisch had je geen enkele verplichting tegenover de vervulling van legale contracten.

De maatschappij was gewoon een verzameling van individuen, geïnspireerd door…eigenbelang.

In de enie roman die Carlyle schreef met ‘Teufelsdröckh’ als figuur, citeren we hem:

Call ye that a Society,’ cries he again, ‘where there is no longer any Social Idea extant; not so much as the Idea of a common home but only of a common over-crowded Lodging-house?
Where each, isolated, regardless of his neighbour, turned agaist his neighbour, clutches what he can get, and cries: “Mine!” ‘.

(Sartor Resartus, BkIII, chap 5, p 232)

dyn008_original_370_275_jpeg_20344_63d029686e3a3a88c4b38b5f65300ac7

John Lucas brengt op dit schilderij ‘De conferentie van de burgerlijke ingenieurs rond de Britannia-brug’ alle grote namen van die tijd (1851) bij elkaar:

George Parker Bidder (1806-1878), Engineer.
Isambard Kingdom Brunel (1806-1859), Civil engineer.
Edwin Clark (1814-1894), Engineer.
Latimer Clark (1822-1898), Engineer.
Frank Forster (1800-1852), Civil engineer.
Joseph Locke (1805-1860), Civil engineer.
Robert Stephenson (1803-1859), Civil engineer; son of George Stephenson.

Zij zullen Engeland en Europa een ander gezicht geven, en zij geloven in hun zaak.
Je weet wel: in dienst van de mensen, we kennen het intussentijd.

Maar de snelheid waarmee de wereld veranderde hield geen gelijke tred met de verandering van emoties en gedachten die met een soort vertragingseffect achteraan kwamen (en komen) gehinkeld.

En graag eindig ik mijn verhaal met een vers van Arnold, In Kenington Gardens.

In the huge world, which roars hard by,
Be others happy if they can!
But in my helpless cradle I
Was breathed on by the rural Pan…

Calm soul of all things! make it mine
To feel, amid the city’s jar,
That there abides a peace of thine,
Man did not make, and cannot mar.

The will to neither strive nor cry,
The power to feel with others give!
Calm, calm me more! nor let me die
before I have begun to live.

Tijd om vragen te stellen en vergelijkingen te maken.


ARE GOD AND NATURE THEN AT STRIFE? (13)

 

dyn009_original_490_350_jpeg_20344_890757b38b5a738267cb1295f7764ee6

Dat die mooie edele naakte schoonheid, dat onstoffelijke van de ziel niet dadelijk te verzoenen was met Darwins theorie van de natuurlijke selectie, maakt de bijhorende spotprent uit die tijd duidelijk.

dyn009_original_400_507_jpeg_20344_53e95fe0b1fa167760a9810ba481d972

Jaja, Hobbes liet het al vermoeden, en ‘de natuurlijke theologie’ van Paley zorgde voor het beeld van een creatieve liefdevolle intelligentie.

Maar de romantische gevoeligheid zag de goddelijke geest door alle dingen rollen en de natuur was de nurse and guide of life zoals Houghton dat zo mooi uitdrukt in zijn Victorian mind-frame.

Maar dan kwamen de publikaties die een brutaal einde maakten aan deze droom.

Lyell’s Principles of Geology (1830-33) gevolgd door Chamber’ s Vestiges of Creation (1844) en afgerond met ‘Origin of Species’ van Darwin in 1859.

Ze schiepen een nieuwe battleground waarop soorten en individuen voor hun leven vochten en elke stukje land was de scène van nog nooit verhaald geweld en lijden.

En in ‘deze’ natuur noemde Tennyson God een ‘disease, murder and rapine’.

Of er was geen God en geen onsterfelijkheid, maar alleen Natuur, onverschillig aan alle morele waarden, een Natuur die ervoor zorgde dat de instinctieve wreedheid eindigde in de dood.

Of God en de natuur waren in een ongelofelijk en niet te verklaren gevecht gewikkeld zoals duidelijk wordt in Tennysons ‘In Memoriam’.

dyn009_original_240_387_jpeg_20344_d195bed44712472eac05f37aa9f2fbce

Are God and Nature then at strife,
That Nature lends such evil dreams?
So careful of the type she seems,
So careless of the single life;

That I, considering everywhere
Her secret meaning in her deeds,
And finding that of fifty seeds
She often brings but one to bear,

I falter where I firmly trod,
And falling with my weight of cares
upon the great worl’s altar-stairs
That slope thro’ darkness up to God,

I stretch lame hands of faith, and grope,,
And gather dust and chaff, and call
To what I feel is Lord of all,
And faintly trust the larger hope.

dyn009_original_226_300_jpeg_20344_a060b2372cb18ea415cfd8b9ab727db7

 

En al keerde Carlyle zich tegen Darwin, als hij de redenering afmaakte, kwam hij tot vreemde conclusies:

‘Als een mens niet meer is dan een ontwikkeld dier dan zijn geweten en intellect ook functies en ontwikkelingen die bij het dier zijn oorsprong vinden.’

En zo vond de mens zich niet alleen herleid tot die ongewilde afstamming van het dier, maar hij voelde zich daardoor ook gereduceerd tot de materiële wereld.

En al kon Darwin beweren dat Gods adem best mogelijk te vinden was in het eerste sperma, Huxley en andere wetenschappers geloofden niet dat in de evolutie van alle wezens er ergens een moment van ‘supernaturel ‘interventie zou geweest zijn.

‘Man is simply a human automaton’


OP DRIFT (12)

 

dyn006_original_346_500_jpeg_20344_063b531c4baa6da5dddaa06715ec5d22

‘Al round us, the intellectual lightships had broken from their moorings, and it was then a new an trying experience.
The present generation which has grown up in an open spiritual ocean, which has got used to it and has learned to swim for itself, will never know what it was to find the lights all drifting, the compasses al away, and nothing left to steer by except the stars.’

Froude, geciteerd door Carlyle in Life in London

Het is een duidelijke omschrijving wat geesten als Carlyle, Kingsley, Froude en Arnold voelden toen er een ware geestelijke crisis over Engeland was losgebarsten in de twintiger en dertiger jaren van de negentiende eeuw.

De tegenstelling tussen de ouderen en de nieuwe lichting die in die tijd opgroeide was nooit zo groot.
De naweeën van de Franse revolutie, het groeiende rationalisme, de opkomst van de industriële revolutie, het ging allemaal met zo’n vaart dat de ontreddering werkelijk groot was.

Ook Symonds drukte het uit in een metafoor:

‘The whole fabric of humanity, within and without, rocking and surging in eartquake throes.’

En Kingsley vroeg zich af waar dit proces zou stoppen, en het leek wel, zei hij alsof we op een rots stonden, een rots die afbrak en in stukjes in de diepe zwarte zee met ons verdween.

dyn006_original_474_600_jpeg_20344_8dbdfd23e1c4ea43834572a6fa7a5670

‘What makes this figure so appropriate is the suggestion of a series of shocks, keeping the mind in a state of frightened anticipation.’

En dat is de commentaar van Houghton in zijn Frames of the Victorian Minbd (p66)

Carlyle noemt het ‘The Hebrew old clothes’, een verhaal dat ten einde is, roept Henry Sidgwick in de zestiger jaren, die net als in de 20ste eeuw, erg stormachtig en libertijns waren.

Matthew Arnold beschrijft het in ‘The Scholar-Gipsy’ op deze treffende manier:

For what wears out the life of mortal men?
Tis that from change to change their beings rolls;;
Tis that repeated shocks, again, again,
Exhaust the energy of strongest souls
And numb the elastic powers.

En later in ‘Stanzas in Memory of the author of “Oberman”:

But we brought forth and rear’d in hours
of change, alarm, suprise-
What shelter to grow ripe is ours?
What leisure to grow wise?

Like children bathing on the shore
Buried a wave beneath,
The second wave succeeds, before
We have had time to breathe.’

Om dat ‘pijnlijke’ te begrijpen moet je vooral de richting zien waar de twijfel zich naar richtte.
In plaats van de kristelijke kijk op het leven kwam een mechanische visie, een wetenschappelijk beeld dat de schepping aan fysische wetten gehoorzaamde, en dat zelfs de mens daardoor werd bestuurd.

Rationalisten mochten dit beeld van harte verwelkomen, maar de meeste Victorianen voelden dezelfde vreselijke shock die Charlotte Brontë verwoordde bij het lezen van Atkinsons-Martineau’s ‘Letters on the Laws of Man’s Nature and Developpement’:

It is the first exposition of avowed ateism and materialism I have ever read: the first unequivocal declaration of disbelief in the existence of God or a future life I have ever seen.
In judging of such exposition and declaration, one would wish entirely to put aside the sort of instinctive horror they awaken and to consider them in a impartial spirit and collected mood.
This I find it difficult to do…If this be Truthn man or woman who beholds her can bur curse the day he or she was born.’

Gaskell, Life of Charlotte Brontë, ch 23, p329

Wie dus na bijna 170 jaar aan dit idee gewend is geraakt, mag niet vergeten dat het ooit een gruwelijke serie ‘shocks’ heeft teweeg gebracht, en ik denk dat sommigen nog steeds niet bekomen zijn van die geestesbevingen als ik het zogenaamde creationisme voor ogen hou.

dyn006_original_401_299_jpeg_20344_f7c4706e374010d88d2d586bebbc1f6b


ENNUI AND DOUBT: VERVELING(?) EN TWIJFEL (11)

ennui-793865

Laten we dus met een grapje beginnen.
Een leuke grap, helemaal in de stijl van het Victoriaanse ennui dat je verkeerdelijk met ‘verveling’ zou vertalen.

De grote denker Matthew Arnold, prof literatuur in Oxford, schreef daarover:

‘Depression and ennui as characteristics stamped on how many of the representative works of modern times!

They were symptoms of the disease of the most modern societies, the most advanced civilizations.”

“On the modern element in literature, essays by Matthew Arnold, London, 1914, p.468

En Pater schreef in ‘Coleridge”, Appreciations:

Ennui and doubt were that inexhaustible discontent, languor and home-sickness, that endless regret, the chords of wich ring all through our modern literature.’

Je zou het de ‘mood’ kunnen noemen van Werther en René, van Obermann en Lélia, van Childe Harold en al de Byronese helden, zelfs van Carlyles figuur ‘Teugelsdröckh’.
Je ziet die mood verschijnen in Browning’s Pauline en in heel wat van de vroege gedichten van Tennyson.

dyn008_original_450_323_jpeg_20344_9fd2762621bca9bba4451eec6add678c

IN MEMORIAM A. H. H

Strong Son of God, immortal Love,
Whom we, that have not seen thy face,
By faith, and faith alone, embrace,
Believing where we cannot prove;

Thine are these orbs of light and shade;
Thou madest Life in man and brute;
Thou madest Death; and lo, thy foot
Is on the skull which thou hast made.

Thou wilt not leave us in the dust:
Thou madest man, he knows not why,
He thinks he was not made to die;
And thou hast made him: thou art just.

Thou seemest human and divine,
The highest, holiest manhood, thou.
Our wills are ours, we know not how;
Our wills are ours, to make them thine.

Our little systems have their day;
They have their day and cease to be:
They are but broken lights of thee,
And thou, O Lord, art more than they.

We have but faith: we cannot know;
For knowledge is of things we see;
And yet we trust it comes from thee,
A beam in darkness: let it grow.

Let knowledge grow from more to more,
But more of reverence in us dwell;
That mind and soul, according well,
May make one music as before,

But vaster. We are fools and slight;
We mock thee when we do not fear:
But help thy foolish ones to bear;
Help thy vain worlds to bear thy light.

Forgive what seem’d my sin in me;
What seem’d my worth since I began;
For merit lives from man to man,
And not from man, O Lord, to thee.

Forgive my grief for one removed,
Thy creature, whom I found so fair.
I trust he lives in thee, and there
I find him worthier to be loved.

Forgive these wild and wandering cries,
Confusions of a wasted youth;
Forgive them where they fail in truth,
And in thy wisdom make me wise.
1849

dyn008_original_300_400_jpeg_20344_4406eff246c3a04b1129ae1c7386753f

En deze stemming sloeg over op Arnold en Clough, en voor kortere of langere tijd op Sterling, Maurice, Robertson, Kingsley en Mill.

Die ziekte werd heel scherp geannalyseerd door Arnold’s nichtje, Mrs. Humphry Ward, in een passage in Robert Elsmere

Mr. Langham geeft een schets van zijn leven in de hij-persoon:

It was at college that he first became aware “of something cold”, impotent, and baffling in himself, which was to stand for ever between him and action, between him and human affection; the growth of the critical pessimist sense which laid the axe to the root of enthusiasme after enthusiasme, friendship after friendship – which made other men feel inhuman, intangible, a skeleton at the feast; and the persistence through it all of a kind of hunger for life and its satisfactions, which the will was more and more powerless to satisfy.”

Het was dat gevoel dat J.A. Symonds ‘the maladie du siècle’ zou gaan noemen, en ik wil u zijn bepaling niet onthouden al zal het even goed opletten zijn:

“The nondescript cachery in which aspiration mingles with disenchantement, satire and scepticism with a childlike desire for the tranquility of reverence and belief- in which self-analysis has been pushed to the verge of monomania and all springs of action are clogged and impeded by the cobwebs of speculation.”

Novels of the Eighteen-Forties pp 131-4

Zeg dit zachtjes en daarna luidop, en je zult merken dat het Engels toch nog een zeer muzikale taal is!

En Carlyle (volgende week meer over hem) sprak vaak over ‘the fatal misery of languor and paralysis’.

Ja, zei Bulwer Lytton, we leven in een tijd van zichtbare overgang, een tijd van onrust en twijfel.

En daar kunnen we een paar dagen over nadenken, en je zult de lijnen zien die als rails (evenwijdigen) die onrustige verre tijd met de onze verbinden.

Maar vanwaar dan die angst en twijfel, dat ennui, dat mal du siècle?
En wat heeft de ronde van Frankrijk met Carlyle te maken?

Goede vrienden van de negentiende eeuw, ik laat u met vele vragen achter.
Laat de hersenen vonken.

dyn008_original_594_335_jpeg_20344_805ccdd52e956c6661d6206deab105cf


QUERENS QUEM DEVORET: ZOEKEND WIE TE VERSLINDEN(10)

blue_devils-big

Wilde je als overtuigd believer in de puriteinse theologie je leven in ‘zuiverheid’ en nederigheid doorbrengen, dan kon dat inderdaad tot grote daden leiden, maar meestal ging je geweten gebukt onder een beeld van het duivelse kwaad dat je zou overkomen als je in die overtuiging faalde.

Ik denk dat we daar nu meestal lacherig over kunnen doen, maar ik herinner me tot in mijn eigen jeugdjaren (1948-1955) daar erg concrete sporen van.

Kijk ook maar naar deze prachtige prent uit de 19de eeuw waarin de blauwe duivels de geplaagde man aanzetten om er toch maar een einde aan te maken.

Aan de muur hangen drie schilderijen: een zinkend schip, een brandend huis en een ‘liefhebbende vrouw’, die geven een sprekende synthese van het geluk op aarde.

En om er nog een schepje bovenop te doen kwam de religie met deze bijbelse tekst je even bijstaan:

‘The Lord our God is a consuming fire, even a jealous God.’

En dit is er nog maar eentje uit de rijke wereld van het Oude Testament.

Ikzelf herinner me de eerste avond op de kostschool waar een lange priesterfiguur het avondgebed voorlas in een schemerige kapel:

‘Want de duivel loopt rond als een briesende leeuw, zoekend wie te verslinden.’

Als avondgebed kan dat tellen, zeker voor een kind van bijna twaalf dat voor de eerste keer voor een maand van huis weg is.

Met een beetje verbeelding zag je die duivel dan ook echt, en ik sluit me aan bij een ervaring uit die 19de eeuw waarin J.A. Symonds, na zo’n hellepreek, het ’s nachts uitschreeuwde van angst omdat hij niet zonder zonden was geweest tijdens de voorbije dag.

‘I was persuaded that the devil lived near the doormat, in a dark corner of the passage by my fathers bedroom. I thougt that he appeared to me there under the shape of a black shadow, scurrying about upon the ground, with the faintest indication of a swifty whirling tail.’

Horatio Brown, Life of Sysmonds, pp7-8

dyn009_original_448_373_jpeg_20344_7c5803d3e8b16a6ef16021ba956870a3

Alton Locke beschrijft dezelfde ervaring in Those Earnest Victorians:

‘Believing in obedience to my mother’s assurances, and the solemm prayers of the ministers about me, that I was a child of hell, and a lost and miserable sinner, I used to have accesses of terror and fancy that I should surely wake next morning in everlasting flames.’

Daarbij kwam dat angstige ouders die angsten makkelijk op hun kinderen overdroegen.

Je moest je immers bewust zijn van elke kleine misstap, je geweten voortdurend onderzoeken (uitvlooien) en zelfs dan was er nog maar een kleine kans dat je bij de geredden zou horen.

dyn009_original_300_395_gif_20344_adcf6e302830e86da8121933629b3c86

Wilhelmina Galbraith in Mrs. Todd’s Windyhaugh wordt op een nacht wakker door een storm en ziet de zwiepende takken voor haar raam.

‘”The harvest is past; the summer is ended,’ they wailed in their fearsome flight,- and you are not saved!”
Suddenly she thinks that the end of the world has come and Christ will appear to judge the quick and the dead.
With terrified eyes she peers into the blackness: “Suddenly-suddenly-while she stood, such a light as the child had never seen flashed out over the sky and sea, and distants hills.
It was too much. Poor tortured self-control gave way, and the little bare feet went pattering -flying- into the nurse’ s room.
“jane! cried a choking voice. Jane! Wake up! Wake up! Christ is coming, and I am not saved!”

U is gewaarschuwd!