georges picard, the fairies

Deze gekke man kwam uit de Vogezen, en hij heeft ze gezien, de feeën.

Jaja, hoor ik je zeggen, ik ken dat soort feeën.
En pardon, er is nu televisie en internet.

Ik ga dus geen pleidooi houden.
Ik kom net uit de bossen.

En het zou mooi zijn u te laten geloven dat ik ze gezien heb.

Al heb ik ze wel vermoed, het was het kleinkind dat hun bestaan bevestigde.
Het kleinkind heeft ze ook niet gezien, maar het weet dat je ze niet hoeft te zien want ze zijn er, ‘so wie so’.

Ik heb ze al lang geleden een naam gegeven, een contaminatie van engelen en krengen, krengels dus.

Wezens in de tussentijd.
Voor de geboorte.
Na de dood.

Projectie!
Uiteraard, ook de liefde valt onder deze noemer, en de angst voor wie of wat dan ook.

Ze houden van de schemering.
Wij ook.
Wij liepen door de bossen.
Het was windstil.

Het is maar goed dat niemand in hen gelooft, zei het kleinkind.
Stel je voor dat ze hier alles zouden platlopen om toch maar een glimpje op te vangen van hun wonderlijk leven.

Ik knikte.
Ze konden het maar beter bij de sensatie van zelfmoordende vaders, allergische kinderen en verslindende priesters houden.

Voor ons lag het dal.
Met zijn lichtjes.
En het kermisgedreun in het naburige dorp.

Alles is een wonder, zei het kleinkind.
We zagen hoe eenzaam en helder Venus aan de nacht begon.


Het schilderij is van Georges Picard, hij heeft voorwaar iets met het mooie porselein van haviland te maken en met het kunstig glaswerk van Lalique.

Goed geplaatst dus om de feeën te verbeelden.