BRIEF VAN DE WANHOOP-COLLECTIONEUR (1)

 

dyn004_original_317_409_jpeg_20344_fa59e03d6a1271bb1304bf27f845aca2

Elke liefde voor de poëzie heeft de vernieling
van het eigen goeddunken tot gevolg.

De donkere gaten in onszelf laat zij schaamteloos zien.
Zij schrijft alles op.
Geen komma uit dit pietluttig maar overvolle leven vergeet zij.

Wie haar ooit proefde,
de geduldige, de wachter op de morgen,
de pijnverdrager, de wanhoopcollectioneur,
hij heeft lichte ogen die aan woestijnen doen denken.

Een beetje losser is hij gemaakt van de ketting
waaraan hij lag te blaffen, denkend het huis
tegen de donkerte en gevaren te beschermen.

Hij is de hond
met de wat langere ketting aan zijn nek.

Zijn blaffen is geduldiger, en op een dag zingt
hij een stukje uit de Zauberflöte, net
als er niemand thuis is.

Eens de bewoners weer vereend en hij opnieuw
zijn kunst wil laten horen, klinkt slechts: woef-woef,
waarvoor de duiven zelfs niet meer opvliegen.

dyn004_original_595_889_jpeg_20344_be482d2d7f05b3c72f373c6e79fa600f

Het werd dus tijd om de citaten te staken en zelf een aantal vragen op te roepen die me de laatste weken en dagen hebben bezig gehouden, vaak tot in de donkerte van de veel te koude nachten.

Ons geschonden gezicht is een abstractie, maar de pijn van de moeder die net een kind bij een aanslag heeft verloren, des te duidelijker en concreet.

Het gevaar is groot om in prentjes en woorden de wanhoop te herleiden tot iets wat ‘zij’ hebben gedaan en wijzelf het bekende “ik stond erbij en ik keek ernaar” als slaappil mogen inslikken.

Het andere gevaar is net zo groot, het gevaar van de machteloze steeds maar schuldbewustere mens die de honger en rampen in de wereld elke avond ziet voorbijtrekken en in de supermarkt de ogen niet meer durft opslaan naar de 72 soorten charcuterie en tenslotte in een genadeloze apathie verzinkt.

Ook de eenzame mens kent zijn geluk.
En het oude mopje van de grijsaard die aan het zebrapad naar de andere kant wordt geloodst ook al wilde hij maar even ter plekke blijven staan, mag ons niet ontgaan.

De actus tragicus is immers geen beeld, nog minder een abstractie.
We hoeven maar in ons eigen leven rond te kijken en we kunnen er al dadelijk een bosje bij elkaar harken, die goed bedoelde maar o zo slechts uitgedraaide daden van ons.

Ook de negentiende eeuw, de wieg van de tragiek zoals wij die opvatten, zat in dat dubbele beeld gevangen:

Ze vond geen ideologische noch politieke antwoorden voor de ontstane kloof, ze kon geen taal van verzoening proclameren tussen geloof en wetenschap, daarvoor was het ene te oud en het andere te nieuw.

Maar ook voor de persoonlijke antwoorden, voor de tragiek van alledag vond buiten de literatuur en de beeldende kunsten, niemand een sleutel.

Het groeiende socialisme bewees een onschatbare dienst aan de emancipatie van de arbeiders, maar het kon de rampzalige gevolgen die naar de eerste wereldoorlog leidden alleen maar net zo machteloos onder de ogen zien.
En de religie gooide zich dapper op de restauratie.

Het beeld van een zandloper.
Bovenaan de abstracties, de ideologieën, onderaan de samenleving en in het brandpunt tussen de twee staat de mens-zonder-naam.
Met zijn hoofd in de ideologische hemel en zijn benen in het zand van elke dag.

Op het drijfzand van het vechten voor het bestaan, met het voortdurende bombardement van politieke en morele boodschappen die over hem neerdalen en die het drijfzand onder zijn voeten groter en dieper maken.

Dat is een goed beeld voor de wanhoop waar ik het over heb.
Er zit immers ook het tragische gevecht tegen de tijd in.
Zowel de haast als de ren naar een beter leven, de ratrace, als het besef dat het einde de dood is en wij in het beste geval de tocht voor de nakomelingen hier en daar kunnen verlichten met onze ervaringen.

Noch de religie, noch de politiek of de wetenschap konden in de negentiende (en de 20-21ste?) eeuw zich naar die alledaagse mens plooien, zijn taal spreken, zijn lot dragelijker maken omdat de finaliteit van deze machten en krachten niet naar de mens gericht zijn, maar naar het behoud van DE waarheid, HET grote gelijk.

Dat is tragisch.

Hert religieuze jargon, het wetenschappelijke apparaat, de morele code,
ze zijn door hun abstractie en algemeenheid nog nooit in staat geweest om mensentaal te spreken, en dan bedoel ik niet het jargon van nonkel Jef of tante Betsy, maar het doordringen in onze doordagelijkese hoofden.

Dat is tragisch.

Langs de onderkant van de zandloper zijn de instellingen, het leerwezen, de religie en de wetscodes met hun bedienaren net zo machteloos in hun pogingen om die wereldvreemde begrippen tot gewone confectiepakken, en beter nog tot maatkostuums aan te passen.

Dat is tragisch.

En voor je jezelf nu van de trappen gooit, het is juist deze tragiek die ons kan samenbrengen.