Gesprekken met sprookjes: “de kunst van het vallen”

‘In tegenstelling met de vertrouwde geplogenheden willen de meeste mensenlijke wezens vliegen eens de zwaartekracht van de alledaagse gewoonten hen hindert,’ zei Alice. ‘Dat is een oud misverstand. Wil je naar het wonder dan moet je “vallen”. Niet weg van de aarde, maar er net dieper in doordringen. Ook engelen vliegen niet. Ze vallen uit de hemel om een boodschap te brengen. Eens hun opdracht volbracht is laten ze zich weer naar de hemel vallen. Dat is net een eigenschap van engelen die mensen niet gegeven is. Mensen kunnen zonder hulpmiddelen met moeite de lucht in omdat ze maar niet begrijpen wat de kern van ‘vallen’ is.

How long is forever? vroeg ik het Witte Konijn. 'Sometimes, just one second,' antwoordde hij.

De heer Einstein was ervan overtuigd dat alle objecten op dezelfde manier vallen, ongeacht hun massa of samenstelling. Zelfs de aarde en de maan vallen op dezelfde manier naar de zon toe. Ook objecten met geringe of extreem sterke zwaartekracht.

Gierzwaluwen laten zich eerst vallen om te kunnen opstijgen. Vanuit de diepte van de val kun je klimmen. Dat is een mooi filosofisch idee.

Ook in de taal kun je met vallen en opstijgen een zekere ‘onirische’ atmosfeer bereiken, de taal van de ‘dromende verbeelding’, en dan zijn we weer thuis bij de Franse filosoof Gaston Bachelard.

 De verbeeldende krachten van onze geest ontwikkelen zich langs twee zeer verschillende assen.

Sommige vinden hun ontplooiing in het nieuwe; ze vermaken zich met het pittoreske, met de afwisseling, met de onverwachte gebeurtenis. Zij inspireren de verbeelding die altijd een lente heeft te beschrijven. In de natuur, ver van ons, brengen ze als levende krachten al bloemen voort.

Andere verbeeldende krachten graven diep in de dingen. waarin ze zowel het oorspronkelijke als het eeuwige willen vinden. Ze beheersen de jaargetijden en de geschiedenis. In de natuur, in ons en buiten ons, brengen ze kiemen voort; kiemen waarin de vorm besloten ligt in een substantie, waarin de vorm inwendig is.(Verbeelding en materie.  Inleiding bij 'Het water en de dromen' Gaston Bachelard, vertaling Piet Meeuse)
“Alice laughed: “There’s no use trying,” she said; “one can’t believe impossible things.”
“I daresay you haven’t had much practice,” said the Queen. 
“When I was younger, I always did it for half an hour a day. Why, sometimes I’ve believed as many as six impossible things before breakfast.”

"Alice lachte: "Het heeft geen zin het te proberen," zei ze; "je kunt geen onmogelijke dingen geloven."
"Ik durf te zeggen dat je niet veel oefening hebt gehad," zei de Koningin. 
"Toen ik jonger was, deed ik het altijd een half uur per dag. Wel, soms geloofde ik wel zes onmogelijke dingen voor het ontbijt."

De associatie van ‘vallen’ met ‘onderuit-gaan’ in alle betekenissen van het woord mag duidelijk zijn. Er zijn ‘gevallen’ engelen, van hun voetstuk gevallen mensen, gevallen vrouwen, en dan is het duidelijk dat het werkwoord een morele negatieve kwalificatie uitdrukt. Maar de schoonheid uit ‘het zwerk’ kan soms ook op aarde verschijnen zoals in het mooie gedicht ‘Zonnebeeldjes’ van Pierre Kemp (1886-1967)

Zonnebeeldjes

De Melkweg is tussen de bomen gevallen
en iedere ster danst er met een blad.
Op de parkgrond ligt ’t zongeld in grote getallen,
of een kind zijn spaarpot gebroken had.

Soms komen er vogels en op hun veren
vallen guldens der zon, maar zij hupplen voort.
Ook hen kan het uitzicht van ’t geld niet deren,
zij zien het en blijven onbekoord.

Maar nu begin ik ermee te spelen
en mijn handen scheppen volop het licht
uit het lover om het weer uit te delen
aan wie nog wil kijken met kindergezicht.

Pierre Kemp
Uit: Het regent in de trompetten. De mooiste gedichten van Pierre Kemp.
Gekozen door Wiel Kusters en Ingrid Wijk, 2017 
eigen foto

En klonk dat bovenste gedicht iets te zoeterig? Ach dat kijken als een kindergezicht, en… Maar ik wil het graag aanvullen met Lucebert’s tekst: Ik draai een kleine revolutie af. …en ik val en ik ruis en ik zing.

ik draai een kleine revolutie af…

ik draai een kleine revolutie af
ik draai een kleine mooie revolutie af
ik ben niet langer van land
ik ben weer water
ik draag schuimende koppen op mijn hoofd
ik draag schietende schimmen in mijn hoofd
op mijn rug rust een zeemeermin
op mijn rug rust de wind
de wind en de zeemeermin zingen
de schuimende koppen ruisen
de schietende schimmen vallen

ik draai een kleine mooie ritselende revolutie af
en ik val en ik ruis en ik zing

“But I don’t want to go among mad people," Alice remarked.
"Oh, you can’t help that," said the Cat: "we’re all mad here. I’m mad. You’re mad."
"How do you know I’m mad?" said Alice.
"You must be," said the Cat, "or you wouldn’t have come here.”
― Lewis Carroll, Alice in Wonderland 

Het verhaal tussen be- en ont-vallen, tussen af- en vervallen, het roerloos vallen van de sneeuw en het invallen van de duisternis, steeds is ‘verandering’ aan de orde. Het roerloze leven fixeren we in klanken en beelden maar net door het verschuiven van evenwichten krijgt het zijn betekenis. Wij vallen elkaar graag in de rede, vallen voor elkaar, vallen in elkaars handen, vallen op, uit, in, neer. Het is een drukke bedoening, dat vallen. We vallen door de mand, uit de lucht, in zwijm. Zelfs een regering kan vallen. Maar de verzameling is meestal te herleiden tot vallen en opstaan. De manier waarop is in Alice in Wonderland de weg van het absurde. De logica vanuit ‘de valler’ gezien, een mogelijkheid om de harde landingen te overleven en de werkelijkheid dapper met een glimlach tegemoet te treden.

Would you tell me, please, which way I ought to go from here?”
“That depends a good deal on where you want to get to,” said the Cat.
“I don’t much care where–” said Alice.
“Then it doesn’t matter which way you go,” said the Cat.
“–so long as I get SOMEWHERE,” Alice added as an explanation.
“Oh, you’re sure to do that,” said the Cat, “if you only walk long enough.”
Arthur Rackham A mad tea party

De geschiedenis en de ‘onschuldige’ slaper

Tamara Lempicka Sleeper

Onschuldiger dan een slaper kan de mens zich niet voordoen, zou je denken. Dat was ook mijn mening tot ik las dat in de Franse senaat deze week de kwestie van ‘de onverantwoordelijkheid’ wordt behandeld met als doel ‘ervoor te zorgen dat een schuldige niet kan worden vrijgepleit wanneer hij of zij drugs gebruikt, wanneer hij of zij dronken wordt […] dat hij of zij op de een of andere manier zijn of haar onderscheidingsvermogen afschaft”.

Zo erkende de Kerk, na veel gehakketak en uitstel, in de middeleeuwen eindelijk de onverantwoordelijkheid van de slaper. Duik je dus even dieper in de geschiedenis dan kun je de vraag stellen hoe deze oude doctrinaire beschouwingen het recht inspireren tijdens dit parlementaire debat over strafrechterlijke onverantwoordelijkheid. Toch even aanleunen bij de oud-collegae van France Culture.

Jacob’s droom Jusepe de Ribera (1639) Prado museum Madrid.
Dans un article de la Revue de science criminelle et de droit pénal comparé, Nicolas Laurent-Bonne retraçait en 2013, les origines de ce débat sur l’irresponsabilité pénale, une enquête qui l’a mené au VIe siècle lorsque théologiens et canonistes s’emparaient de la responsabilité du dormeur, en oubliant largement la dormeuse, et sur la possibilité d’incriminer le rêve sexuel et la pollution nocturne, voir le crime de sang du somnambule. À quel point celui qui dort est-il comptable du voyage qu’il entreprend au cours de son sommeil ? (France Culture Irresponsabilité pénale:  coupables dormeurs du Moyen Âge)
Seurat Le dormeur

Lange tijd voor de theorievorming over het Freudiaanse onbewuste trachtte de christelijke kerk de ruimten die aan haar controle ontsnapten te beheren, te beginnen met de dromen van de monniken die hun veelvuldige betrachtingen van ‘concupiscentie’ (begeerten, vleselijke lusten) en het idee zelf van vleselijke relaties zo veel mogelijk moesten beperken. Ik herinner mij in de uitstekende biografie van Erasmus gelezen te hebben dat tijdens zijn kloostertijd zelfs het slapen niet geriefelijk mocht zijn uit vrees te snel in bekoring te komen:

Daar (in zijn cel) diende hij na een stil gebed en een korte meditatie om zeven uur meteen tussen zijn wollen onderlaken -want niets mocht geriefelijk zijn- en wollen deken te kruipen, languit op zijn rug, armen gekruist over de borst, in zijn witte onderhabijt en met een witlinnen doek om het getonsureerde hoofd gewikkeld. (Erasmus dwarsdenker, een biografie, Sandra Langereis 2021 De Bezige Bij A'dam p.188)
Catherine Duch

Reeds in de 6de eeuw trachtte Gregorius de Grote, de eerste paus, dit risicogebied van nachtelijke verontreiniging af te bakenen en benoemde hij de drie hoofdoorzaken: de schuldige gedachten die aan het inslapen voorafgaan, overdaad aan voedsel en dronkenschap, alsmede de natuurlijke zwakheid van de dromer. Hij schrijft voor welk gedrag moet worden aangenomen om dit te voorkomen, zoals u wellicht al hebt geraden: soberheid in alle dingen wordt sterk aangeraden. Maar “de natuurlijke zwakheid van het vlees” is niet te vrezen en verplicht de slaper niet zich bij het ontwaken te zuiveren. Als men zijn onbeheerste en oncontroleerbare nachtelijke omzwervingen met klem moet belijden, dan neemt men het degene die ze in de schoot van Morpheus heeft laten gebeuren, niet kwalijk. De dromer of erger nog, de slaapwandelaar, die in beginsel onverantwoordelijk is, wordt echter verantwoordelijk voor een fout van nalatigheid indien hij, zich bewust van dit risico omdat hij het reeds in het verleden heeft opgemerkt, niet alle nodige voorzorgsmaatregelen neemt alvorens zich in de slaap te wagen. (France Culture)

Geleidelijk wordt de slaper gelijkgesteld met de dementerende of met het kind: Bernardus van Clairvaux aan het begin van de 12de eeuw was van mening dat hun goede of slechte daden werden begaan terwijl zij verstoken waren van het gebruik van hun (vrije) wil. Zij kunnen dus niet veroordeeld worden voor daden of gedachten die opkomen wanneer zij zichzelf niet meer in de hand hebben. Niet in staat het verbodene waar te nemen, is men dan van oordeel dat de vrijheid van oordeel pas wordt herwonnen wanneer de slaper, of hij nu statisch of somnambulist is, wakker wordt. Deze opmerking geldt ook voor de slaapwandelaar, degene die praat in zijn slaap en bij die gelegenheid uiting kan geven aan de frustratie of de woede die hij overdag soms heel goed verbergt. (ibidem)

Śpiący Staś or Sleeping Staś by Stanisław Wyspiański, 1904
Na veel omzwervingen werd de leer in het begin van de veertiende eeuw vastgesteld en vormde zij grotendeels de inspiratiebron voor het burgerlijk recht op dit gebied. Ondanks alles blijft de kwestie van voorbedachte rade bestaan, aangezien het bewuste leven en zijn kwellingen reeds worden beschouwd als de drijvende kracht achter het leven dat nog niet bewusteloos wordt genoemd. De slaapwandelaar die als onverantwoordelijk wordt beschouwd, kan dat weer worden als hij, zijn zwakheid kennende, nalatigheid aan de dag legt om de schadelijke gevolgen te beperken: alleen en nuchter slapen, zonder wapens bij de hand en opgesloten in zijn kamer. Een beperkte hypothese die de rechter en de jury de opdracht geeft "elke simulatie te verijdelen".

Nicolas, Laurent-Bonne. « Les origines de l'irresponsabilité pénale du somnambule », Revue de science criminelle et de droit pénal comparé, vol.  3, no. 3, 2013, pp. 547-557.
Picasso Le Dormeur

Zelfs in de verkwikkende slaap werd dus het menselijk schepsel geplaagd door allerlei gewetensvragen. Met het oog op het uitlezen van onze herseninhoud zou je dus in de toekomst niet verbaasd moeten zijn dat je ’s morgens vriendelijk verzocht wordt even langs de gezaghebbenden langs te lopen gezien je dromen een ‘gevaarlijke’ kant uitgingen zoals bleek. In afwachting van dit vreslijk toekomstbeeld kun je best nu nog genieten van je dromen, soms de enige plaats waar nog niet iemand duidelijk maakt wat gepast en ongepast zou zijn. In die zin zijn ze nog even gevrijwaard van la ‘pureté dangereuse’ om het boek van Bernard-Henri Lévy te citeren.

Pieter Brueghel de Oudere

‘Des Menschen Seele gleicht dem Wasser’ a rain day collage .

Met Goethe’s woorden uit ‘Gesang der Geister über den Wassern’ open ik graag deze regenachtige collage opgevat als hulpmiddel om deze opstapeling van natte winderige dagen te overleven. De combinatie van Irving Berlin en Johann Wolfgang von Goethe is al dadelijk een aanwijzing dat het niet alleen ons is overkomen. Een vroege troost alvast. Het refrein meezingen mag!

Call me up some rainy afternoon
I'll arrange for a quiet little spoon
Think of all the joy and bliss
We can hug and we can talk about the weather
We can have a quiet little talk
I will see that my mother takes a walk
Mum's the word when we meet
Be a mason, don't repeat
Angel eyes, are you wise?

Goodbye

Een prent uit 1857 waarin de spot werd gedreven met de ‘crinoline’ mode van die dagen getekend door ene Hoops. De tekst van het wondermooie Gesang der Geister über den Wassern wil ik je niet onthouden.

Gesang der Geister über den Wassern

Johann Wolfgang von Goethe (1749 - 1832)

Des Menschen Seele
Gleicht dem Wasser:
Vom Himmel kommt es,
Zum Himmel steigt es,
Und wieder nieder
Zur Erde muss es,
Ewig wechselnd.

Strömt von der hohen,
Steilen Felswand
Der reine Strahl,
Dann stäubt er lieblich
In Wolkenwellen
Zum glatten Fels,
Und leicht empfangen
Wallt er verschleiernd,
Leisrauschend
Zur Tiefe nieder.

Ragen Klippen
Dem Sturz entgegen,
Schäumt er unmutig
Stufenweise
Zum Abgrund.

Im flachen Bette
Schleicht er das Wiesental hin,
Und in dem glatten See
Weiden ihr Antlitz
Alle Gestirne.

Wind ist der Welle
Lieblicher Buhler;
Wind mischt vom Grund aus
Schäumende Wogen.

Seele des Menschen,
Wie gleichst du dem Wasser!
Schicksal des Menschen,
Wie gleichst du dem Wind! 

En als je een prachtige uitvoering van dit lied wilt beluisteren op een stil moment dan is deze uitvoering getoonzet door Schubert met het Noorse Solistenkoor onder leiding van Grete Pedersen een must. Bijna 12 minuten schoonheid.

Hiroshiige Heavy rain on a pine tree

In 1914 verscheen de bundel ‘Verzen’ van J.H. Leopold. Zijn woorden volgen het ritme van de regen in wat hij zo mooi noemt: ‘…het verward beweeg van menschen, die naar buiten komen’. De bui is afgedreven maar het licht blijft schitteren ‘in dit klein trilkristal’.

Regen


De bui is afgedreven;
aan den gezonken horizont
trekt weg het opgestapelde, de rond-
gewelfde wolken; over is gebleven
het blauw, het kille blauw, waaruit gebannen
een elke kreuk, blank en opnieuw gespannen.

En hier nog aan het vensterglas
aan de bedroefde ruiten
beeft in wat nu weer buiten
van winderigs in opstand was
een druppel van den regen,
kleeft aangedrukt er tegen,
rilt in het kille licht...

en al de blinking en het vergezicht,
van hemel en van aarde, akkerzwart,
stralende waters, heggen, het verward
beweeg van menschen, die naar buiten komen,
ploegpaarden langs den weg, de oude boomen
voor huis en hof en over hen de glans
der daggeboort, de diepe hemeltrans
met schitterzon, wereld en ruim heelal:
het is bevat in dit klein trilkristal.
After the rain Gloucester Paul Cornoyer

Herinner je. Het jongetje. Stevig onder de indruk van het bijbelse verhaal waarin ‘de zondvloed’ wordt verteld: Noah die een ark bouwt waarin alle bestaande dieren in tweevoud een onderkomen vinden. Het tafereel kreeg met de grote watersnoodramp van 1953 in Nederland een concrete invulling voor het toenmalig negenjarig kind. Regende het drie dagen na elkaar dan begon hij zich ernstig vragen te stellen of zijn handige vader niet aan de constructie van een ark zou beginnen in de achtertuin. Een buurtproject.

Het laden van de ark, Edward Hicks

In 1675 schetste ene Athanasius Kircher oa. deze prent in zijn boek ‘Arca Noe’. Je kunt ze vergroten door op het onderschrift te klikken.

Huisvesting van de dieren in de ark, Athanasius Kircher, Arca Noe 1675

Dat zag er allemaal heel mooi uit, netjes verdeeld met de nodige voorraad eten en drinken. Je kon naar eigen fantasie deze prent in de diepte uitwerken zodat de hele fauna aan bod zou komen. Wel vroeg hij zich luidop af of de tekst uit het verhaal waarin God zei dat hij spijt had van zijn schepping wel klopte. Hij , de Schepper, had het kunnen weten voor hij aan die schepping begon, gezien zijn alwetendheid.

“Ik zal de mensen die ik geschapen heb van de aarde wegvagen, dacht hij, en met de mensen ook het vee, de kruipende dieren en de vogels, want ik heb er spijt van dat ik ze heb gemaakt." 

Broeder Alexianus fronste bij die uitspraak het voorhoofd. ‘Ja, hoe is dat,’ zei de wijze man. Je kunt iets of iemand zo graag zien dat je dat idee over al die mogelijke slechtheid vergeet. ’t Zal wel meevallen’ had hij gedacht. ‘

Later, als het water weer gezakt is en er een regenboog verschijnt, wordt hij toch een beetje gerustgesteld, maar helemaal zeker kun je dat niet noemen.

“Deze belofte doe ik jullie: nooit weer zal alles wat leeft door het water van een vloed worden uitgeroeid, nooit weer zal er een zondvloed komen om de aarde te vernietigen. En dit,’ zei God, ‘zal voor alle komende generaties het teken zijn van het verbond tussen mij en jullie en alle levende wezens bij jullie: ik plaats mijn boog in de wolken; die zal het teken zijn van het verbond tussen mij en de aarde.”

Met die ogen bekeek hij nu de onophoudende regendagen. De regenboog kreeg later een heel andere betekenis in zijn leven, en of de god die het vatikaan zei te vertegenwoordigen daar gelukkig mee was bleek niet zijn grootste zorg. En ‘water’ bekeek hij liefst op veilige afstand.

Augsburger Wunderzeichenbuch Folio 1 (genesis 7, 11-14)
Regen regen

Regen regen
allerwegen
rechte stralen
water water
langs de muren
langs de palen
vallen vallen
langs de bomen
natte auto’s
gaan en komen
loodrecht op de
druppelzegen
Overal is regen regen

Jan Hanlo (1912-1969)
The bookshelf for boys and girls Little Journeys into Bookland 1912
La pluie

Pierre Louÿs    (1870-1925)

La pluie fine a mouillé toutes choses, très doucement, et en 
silence. Il pleut encore un peu. Je vais sortir sous les arbres. 
Pieds nus, pour ne pas tacher mes chaussures.

La pluie au printemps est délicieuse. Les branches chargées 
de fleurs mouillées ont un parfum qui m'étourdit. On voit briller 
au soleil la peau délicate des écorces.

Hélas ! que de fleurs sur la terre ! Ayez pitié des fleurs 
tombées. Il ne faut pas les balayer et les mêler dans la boue ; 
mais les conserver aux abeilles.

Les scarabées et les limaces traversent le chemin entre les 
flaques d'eau ; je ne veux pas marcher sur eux, ni effrayer ce 
lézard doré qui s'étire et cligne des paupières.
Regendag in de tuin (eigen foto)

En nu tijd voor muziek! Meezingen kan. Lyrics onder deze Youtube.

Someone told me long ago
There's a calm before the storm, I know
It's been coming for some time
When it's over so they say
It'll rain on a sunny day, I know
Shining down like water

I wanna know
Have you ever seen the rain?
I wanna know
Have you ever seen the rain?
Coming down on a sunny day

Yesterday and days before
Sun is cold and rain is hard, I know
It's been that way for all my time
Till forever on it goes
Through the circle fast and slow, I know
it can't stop,I wonder
Someone told me long ago
There's a calm before the storm, I know
It's been coming for some time
When it's over so they say
It'll rain on a sunny day, I know
Shining down like water

I wanna know
Have you ever seen the rain?
I wanna know
Have you ever seen the rain?
Coming down on a sunny day

Yesterday and days before
Sun is cold and rain is hard, I know
It's been that way for all my time
Till forever on it goes
Through the circle fast and slow, I know
it can't stop,I wonder.
Regendag in de tuin 2 Eigen foto
Souls And Rain-Drops

Sidney Lanier (1842 – 1881)

Light rain-drops fall and wrinkle the sea,
Then vanish, and die utterly.
One would not know that rain-drops fell
If the round sea-wrinkles did not tell.

So souls come down and wrinkle life
And vanish in the flesh-sea strife.
One might not know that souls had place
Were't not for the wrinkles in life's face.
Plaça del Nord Festa major de Gracia 2019

En toch nog even naar dat kleine jongetje in de wondermooie tekst ‘When that I was and a little tiny boy’ uit een van Shakespeare’ s meest populaire komedies, gezongen door het Clown- of Fool-personage Feste op het einde van de Twelfth Night. Sommige critici denken dat de tekst niet van Shakespeare is maar dat hij door Robert Armin zou geschreven zijn die meestal de ‘fool characters’ speelde in de origninele producties van de meeste Shakespeare-stukken.

It uses wind and rain as symbols of life’s hardships, and thus concludes the poem on a somewhat bittersweet note. All revels and festivities – such as those enjoyed at Twelfth Night – are short-lived intervals in life’s daily grind (‘the rain it raineth every day’, after all). The song is also the only good poem we know that features the word ‘toss-pots’.

Hier gebracht door Elvis Costello op een onnavolgbare wijze.

When that I was and a little tiny boy

William Shakespeare (1564-1616)

When that I was and a little tiny boy
With hey, ho, the wind and the rain,
A foolish thing was but a toy,
For the rain it raineth every day.

But when I came to man's estate,
With hey, ho, the wind and the rain,
'Gainst knaves and thieves men shut their gate,
For the rain it raineth every day.

But when I came, alas, to wive,
With hey, ho, the wind and the rain,
By swaggering could I never thrive,
For the rain it raineth every day.

But when I came unto my beds,
With hey, ho, the wind and the rain,
With toss-pots still 'had drunken heads,
For the rain it raineth every day.

A great while ago the world began,
With hey, ho, the wind and the rain,
But that's all one, our play is done,
And we'll strive to please you every day.
Heubner Spaziergang im Regen

Volop zon op dit ogenblik, alsof ik met mijn werk de regen heb verdreven. Alvast de regen in mijn hoofd. Robert Louis Stevenson (1850-1894) heeft het laatste woord met dit kleine versje. En voor wie nog meer wil…ga op zoek. Het net barst van rommel, roddel en dies meer, maar je vindt ook resonanties van de mooiste prenten en teksten en…Leg voor de donkere dagen lichtende collecties aan en geniet.

Rain

Robert Louis Stevenson (1850-1894)

The rain is raining all around,
It falls on field and tree,
It rains on the umbrellas here,
And on the ships at sea. 
Rain Imps, Grinding Up the Rain in April. 1863 by UNKNOWN, . Missouri History Museum Photograph and Prints collection. Prints, Genre and General Topics. Image number: 45867

Bruggen bekijken, een wandeling.

Zo ver zal Bommel niet zijn om er met Martinus Nijhoff naar de brug te gaan kijken, en twee overzijden te zien die elkaar schenen te vermijden maar buren werden, maar waar ik woon kun je ‘onder’ de bruggen lopen, op vaste grond voor degenen die aan wonderen dachten. Onder drie bruggen, eentje voor het autoverkeer, twee voor treinen. Je hebt dus duidelijk andere bedoelingen: je wilt niet dadelijk naar de overkant, maar onderduiken. De drukte speelt zich boven je hoofd af.

De weglopende lijnen naar een onzichtbaar verdwijnpunt worden door eens-witte palen gestut. Je ziet de dichtsbije rij als een soort hekken waarachter de volgenden steeds kleiner worden. De brug als dak boven je hoofd. De nabijheid van het water doorbreekt de strengheid van de constructie. Het stroomt de andere kant uit, draagt de binnenschepen, is dichtbij nu en dan hoorbaar. Onverstoorbaar ook.

Lege vlakken nodigen uit tot schriftuur. De mededeling dat van een met naam genoemde een onderdeel des mensen schijnt gezien te zijn wat in de wandeling niet zichtbaar is maar in dat zogenaamde ‘onbewaakte ogenblik’ toch aan een blik werd prijsgegeven. Een vaststelling die nog in ongeschoold taalgebruik is achtergelaten. Het water stroomt ongestoord verder. Boven razen de auto’s voorbij.

Als kind was ik bang van bruggen. Onze buren waren door de reling van de Wijnegemse voorlopige naoorlogse brug gereden en verdronken. Bij de koopdag waar hun nagelaten goederen openbaar verkocht werden kreeg het droevige verhaal een extra dimensie. Een vijfjarige begint de eindigheid van het bestaan gewaar te worden. In de donkere auto, op weg naar huis, was elke brug een marteling. Maar dat heb ik nooit iemand verteld toen.

Zie je de drie duiven op de verkeersplaat zitten? Het is er rustig. De fietsen vinder er ook onderdak. De oude treinbrug als gebuur. Daar dondert metaal op metaal voobij op vaste tijdstippen. Het licht als brug tussen twee donkere werelden.

Schuil je onder de spliksplinternieuwe treinbrug dat heb je een mooi uitzicht op de andere bruggen. Een wandelaar is bij het water gaan zitten. De zon trekt strepen langs de oever en in het water.

Een landschap met geschiedenis. De sjieke nieuwe brug als een soort uitgerokken damesschoen, daarboven de boog van de oude en de pijlers van de verkeersbrug. Zie je, het was een eerste lentedag. Veegjes wolk in de lucht en tinten groenblauw in het water. Foto genomen van op de kantelbare brug die zich geduldig kan opheffen om schepen vrije doorvaart te geven.

Een brug bedenken. De ongenaakbaarheid van het water verzoenen met de sierlijkheid van een verbinding. De oude angsten oplossen in het gedragen worden over de donkerte van het water.

Letterlichtjes voor donkere maanden (2): ‘Home sweet home’

In het door mij zeer geliefde boek ‘The Victorian frame of mind, 1830-1870, beschrijft Walter E. Hougthon diverse terreinen van deze merkwaardige periode waarin de wereld in een vijftigtal jaren werkelijk ‘in transitie’ was: van feodale-landelijke wereld naar een democratische-industriële. Vanuit deze boeiende en zeer leesbare studie belicht ik vandaag de functie van het huis, het ‘home sweet home’ en welke consequenties dat had voor de bewoners en de maatschappij waarin ze functioneerden.

De familie was het centrum van het Victoriaanse leven. Hun rituelen zijn bekend: de verzameling van het hele huishouden voor de familiegebeden, met zijn allen aanwezig in de kerk zondag-morgen, het luidop voorlezen ’s avonds, de jaarlijkse familievakanties.
In de woonkamer vind je de familie-magazines en het familiaal foto-album. Omdat vrouwen steeds bij het huis betrokken waren was een reoriëntering van de mannelijke houding nodig. In de 18de eeuw was het ‘koffiehuis’ het centrum van ’s mans sociale bestaan. Daar rookte, dineerde hij, schreef hij brieven, discussieerde hij er over politiek en literatuur en werd er dronken.

A manual for gentlemen, written in 1778, urged them to beware “of thinking domestic pleasures, cares, and duties, beneath their notice.” ' The radical change which occurred in the next century was recorded and partly explained by Mill in 1869:

 "The association of men with women in daily life is much closer and more complete than it ever was before. Men’s life is more domestic. Formerly, their pleasures and chosen occupations were among men, and in men's company: their wives had but a fragment of their lives. At the present time, the progress of civilization, and the tum of opinion against the rough amusements and convivial excesses which formerly occupied most men in their hours of relaxation-together with (it must be said) the improved tone of modern feeling as to the reciprocity of duty which bindsthe husband towards the wife—have thrown the man very much more upon home and its inmates, for his personal and social pleasures: while the kind and degree of improvement which has been made in women’s education, has made them in some degree capable of being his companions in ideas and mental tastes."(The Victorian Frame of mind)

Voor de jaren vijftig was een vooruitzicht op een betere opvoeding vrijwel onbestaand. Er kwam een zekere evangelisch revival als reactie tegen wat de auteur zo mooi ‘convivial excesses’ noemt. Maar de man werd alvast meer ‘domestic’ dan in vroegere tijden, alleen al maar door het ontstaan van grotere families. Die kwamen er door een betere medische kennis en een betere gezondheidszorg die kindersterfte terugdrong, maar ook door een gebrekkige kennis van contraceptiva, en ik lees tussen haakjes: (because information lay under the severest social and legal restraints)

Men were required to give far more time and attention to the business of the family; and in the middle class that necessity was reinforced by ambition. Now that work had become the means not simply of maintaining a family but of raising it on the social ladder, fathers were pre-occupied with getting their sons into the “best” colleges at Oxford and Cambridge or setting them up in a good profession, and marrying their daughters to gentlemen of birth.(p342)
Opa op kerstbezoek

Maar deze beschrijvingen gaan niet naar ‘the root of the matter’ schrijft Houghton: or the greater amount of family life and thought would not in itself have created “that peculiar sense of solemnity” with which, in the eyes of a typical Victorian like Thomas Arnold, “the very idea of family life was invested.”

Dat idee was het concept het huis als een bron van ‘virtues and emotions’ te beschouwen die je nergens anders kon vinden, allerminst zelfs in ‘business and society’ En net dat maakte het huis als plaats radikaal verschillend met de wereld daarrond. Het was meer dan een huis waar iemand ’s avonds temidden van een drukke carrière een stopplaats vond voor tijdelijke rust en recreatie of procreatie . Het was een aparte plaats en de auteur noemt het ‘a walled garden’ waarin morele standaarden die makkelijk onder de voet werden gelopen in het moderne leven toch werden gehandhaafd en ‘certain desires of the heart too much thwarted be fulfilled.’ Ruskin’s definitie in Sesame and Lillies vind je hieronder.

'This is the true nature of home-it is the place of Peace; the shelter, not only from all injury, but from all terror, doubt, and division. In so far as it is not this, it is not home; so far as the anxieties of the outer life penetrate into it, and the inconsistently-minded, unknown, unloved, or hostile society of the outer world is allowed by either husband or wife to cross the threshold, it ceases to be home; it is then only a part of that outer world which you have roofed over, and lighted fire in. But so far as it is a sacred place, a vestal temple, a temple of the hearth watched over by Household Gods . . . so far as it is this, and roof and fire are types only of a nobler shade and light,—shade as of the rock in a weary land, and light as of the Pharos in the stormy sea;—so far it vindicates the name, and fulfils the praise, of Home.’

(in notitie onderaan: This lecture of Ruskin's is the most important single document I know for the characteristic idealization of love, woman,and the home in Victorian thoughts.)

De rots temidden van de branding om te variëren op Ruskin’s metafoor, wordt door de auteur ‘largely unconscious’ genoemd.

‘The conscious association of family life with security took an other form. The home became the place where one had been at peace and childhood a blessed time when truth was certain and doubt with its divisive effects unknown. In the “strange ways of feeling and thought” that in later life enveloped Pater’s child in the house and left him isolated and alone, he felt “the wistful yearning towardshome.” So did the skeptic in Froude’s essay on homesickness, who looked back to what was literally a paradise:

'God has given us each our own Paradise, our own old childhood, over which the old glories linger—to which our own hearts cling, as all we have ever known of Heaven upon earth. And there, as all earth's weary wayfarers tum back their toil-jaded eyes, so do the poor speculators, one of whom is this writer, whose thoughts have gone astray, who has been sent out like the raven from the window of the ark, and flown to and fro over the ocean of speculation, finding no place for his soul to rest, no pause for his aching wings, turn back in thought, at least, to that old time of peace—that village church—that child-faith—which, once lost, is never gainedagain—-strange mystery—is never gained again--with sad and weary longing!'
 

Natuurlijk was er ook de impact ‘of modern business’. Al speelde zich alles af in de stad, het huis werd door licht van een pastorale verbeelding voorgesteld. It could seem a country of peace and innocence where life was kind and duty natural.

In a sermon of Baldwin Brown’s, women are told to remember the need of “world-weary men” and therefore to “pray, think, strive to make a home something like a bright, serene, restful, joyful nook of heaven in an unheavenly world.” In the home so conceived, man could recover the humanity he seemed to be losing. Under the intense pressure of competitive life, he felt more and more like a money-making machine, or a cog in the vast mechanism of modem business. He was haunted, as Routh has said, by a specter staring back at him in the mirror, a hard-faced, dwarfish caricature of himself, unpleasantly like the economic man.“ His emotions of pity and love seemed to be drying up; he was losing the sense of relatedness as superiors, inferiors, and equals were becoming actual or potential enemies. But in the home he might escape from this inhuman world, at least for part of every day (which was all he wanted).He might feel his heart beating again in the atmosphere of domestic affection and the binding companionship of a family. It is significant that when Carlyle described the world of big business, he called it “a world alien, not your world . . . not a home at all, of hearts and faces who are yours, whose you are” and said that to live in it was to be “without father, without child, without brother.” But the hour strikes and all that is lost may be found again: “When we come home, we lay aside our mask and drop our tools, and are no longer lawyers, sailors, soldiers, statesmen, clergymen, but only men. We fall again into our most human relations, which, after all, are the whole of what belongs to us as we are ourselves, and alone have the key-note of our hearts.(p345)
For something that abode endued
With temple-like repose, an air
Of life’s kind purposes pursued
With order’d freedom sweet and fair
A tent pitch’d in a world not right
It seem’d, whose inmates, every one,
On tranquil faces bore the light
Of duties beautifully done."

(Patmore 'The angel in the House')
Or at a lower social and economic level, one escapes from a cold, domineering Scrooge to the freedom and warmth of the family hearth. Mark Rutherford was simply a more intellectual Mr. Wemmick when he cultivated a deliberate dissociation of his personality so that his “true self” should not be stained by contact with the self that was subjected to the petty spite and brutal tyranny of an ofice. Then on the stroke of seven he could become himself again: “I was on equal terms with my friends; I was Ellen’s husband; I was, in short, a man.” And he goes on to speak of happy evenings reading aloud with his wife."Small wonder the Victorian home was sentimentalized. In the reaction from a heartless world, the domestic emotions were released too strongly and indulged too eagerly. Indeed, it may be only by the unabashed display of feeling that one can prove unmistakably to all the world, himself included, that he has a heart. Bames Newcome knew his audience when he lectured at the Athenaeurn on Mrs. Hemans and the poetry of the affections:

 'A public man, a commercial man as we well know, yet his heart is in his home, and his joy in his affections: the presence of this immense assembly here this evening; of the industrious capitalists; of the intelligent middle class; of the pride and mainstay of England, the operatives of Newcome; these surrounded by their wives and their children (a graceful bow to the bonnets to the right of the platform), show that they, too, have hearts to feel, and homes to cherish; that they, too, feel the love of women, the innocence of children, the love of song!'
(Thaceray, The Newcomes, chp 66 pp. 687-8)

The Victorian home was not only a peaceful, it was a sacred, place. When the Christian tradition as it was formally embodied in ecclesiastical rites and theological dogmas was losing its hold on contemporary society, and the influence of the pastorate was declining, the living church more and more became the “temple of the hearth.” This was not entirely a metaphor. By the use of Christian Platonism, the home was sanctified. As it was a sacred place for Ruskin because its roof and fire were types of a nobler shade and light, so for Baldwin Brown itwas made by God, like the first man, “after a divine original.” To Kingsley all domestic relations were “given us to teach us their divine antitypes [God the Father, Christ the husband of the one corporate person the Church, and all men children of the same Heavenly Father]: and therefore . . . it is only in proportion as we appreciate and understand the types that we can understand the antitypes.” He was even ready to imply that a bachelor was at some disadvantage: “Fully to understand the meaning of ‘a Father in Heaven’ we must be fathers ourselves; to know how Christ loved the Church, we must have wives to love, and love them.” And to be religious, especially for a woman, we must do good in those simple everyday relations and duties of the family “which are most divine because they are most human.” In this way the moral authority and inspiration of the church was being transferred to the home without any apparent break with the Christian tradition.

For the agnostics, also, the home became a temple-a secular temple. For them the family was the basic source of those altruistic emotions they relied upon to take the place of the Christian ethic. It was there, they thought, that all who had thrown off the trammels of superstition might leam the “sentiment of attachment, comradeship, fellowship, of reverence for those who can teach us, guide, andelevate us, of love which urges us to protect, help, and cherish those to whom we owe our lives and better natures.” No doubt one might, in fact, leam quite different things, as Mill pointed out, but in its best forms he too recognized the family as “a school of sympathy, tendemess, and loving forgetfulness of self.” As such, it was the foundation for the Religion of Humanity. These generous sentiments, once learned in the home, might be extended later to the human race and the future of civilization.”

But whether a sacred temple or a secular temple, the home as a storehouse of moral and spiritual values was as much an answer to increasing commercialism as to declining religion. Indeed, it might be said that mainly on the shoulders of its priestess, the wife and mother, fell the burden of stemming the amoral and irreligious drift of modem industrial society. (p.346-7)

Walter E. Houghton, The Victorian Frame of Mind (1830-1870) Yale University Press, New Haven and London 1985

En twee fragmenten uit De Groene Amsterdammer 2012 die een 21st-eeuw-kijk geven op het beeld van de Victoriaan.

Het beeld van de Victoriaan als preutse, puriteinse en azijnpissende onderdaan van een eeuwig rouwende koningin is aan het verdwijnen. In de boekenplanken die momenteel worden volgeschreven over het Victoriaanse tijdperk - met titels als The Good Old Days: Crime, Murder and Mayhem in Victorian London en Consuming Passions: Leisure and Pleasures in Victorian Britain - komt de Victoriaan naar voren als een energieke, trotse, sociaal bewogen, seksbeluste en voor vrijheid vechtende burger. Uit pas ontdekte dagboeken van een Amerikaanse student bleek bijvoorbeeld dat het nachtleven in het Cambridge van de jaren veertig in de negentiende eeuw een Sodom en Gomorra was. Ook Victoria zelf wordt niet langer gezien als de treurwilg die na de ontijdige dood van haar Albert celibatair leefde.
De Victoriaanse maatschappij, waar bureaucratie minimaal was, functioneerde. Docenten waren de baas in scholen, medici in ziekenhuizen en premier William Gladstone verrichtte met het redden van 'gevallen vrouwen’ een nuttige buitenschoolse activiteit. 'Liever de Victorianen dan de New Labour-knoeiers’, zo luidde een paar jaar terug de kop boven een stuk van cultuurbeschouwer A.N. Wilson. Zijn collega Christopher Howse schreef, in dezelfde trant: 'We renoveren hun bibliotheken maar halen de boeken weg, we bewonderen hun schilderijen maar kunnen zelf niet schilderen en we genieten van hun architectuur, maar bouwen niets dat lang meegaat.’
(auteur: Patrick van IJzendoorn De Nieuwe Victorianen  De Groene Amsterdammer 4 januari 2012)
Bertha Wegmann Visit in the Studio

Kiezen of delen, of…?

Jean Brusselmans, La Tempête (De Storm), 1936, olieverf op doek, 147 x 147 cm, privé collectie
Het oude gezegde, kiezen of delen wordt een Germaanse beslissingsvorm genoemd.
Kern is: wanneer twee partijen iets moeten verdelen (erfenis, landgoed of buit), dan mag de ene partij het goed verdelen in twee delen, waarna de andere partij haar deel mag kiezen. Hierdoor is de verdelende partij genoodzaakt zich in te leven in de kiezende partij.

Dit is een van de vele ontsnappingsmogelijkheden voor de hebberigheid die ons allen bezielt waarin het delen meestal vanuit het minst gegeerde bestaat.
Een door de wol geverfde politicus wil graag die posten voor de tegenpartij ter beschikking stellen waar hij/zij geen voordeel mee weet te behalen. Kunst is dan het ‘geschenk’ danig te vergulden zodat het zelfs op een edelmoedig gebaar gaat lijken. Zoals een kind het grootste deel van de appel wegschenkt omdat het weet dat net dat deel door een ijverige worm wordt bewoond die in het binnenste van de vrucht danig heeft huis gehouden. Het komt neer de ‘of’ door ‘en’ te vervangen, kiezen en delen, een bekende drang op velerlei gebied. De machtige kiest en als er moet gedeeld worden dan weet hij zich handig van het minst voordelige te ontdoen.

Claviorganum van Lorenz Hauslaib (ca. 1590), Neurenberg, in het Museu de la Música de Barcelona

De vervelende keus ontlopen is dan ook begrijpelijk, nog beter: kun je de tegenstelling niet opheffen door beide mogelijkheden te combineren?
Daar hebben we een mooi voorbeeld van: ‘Het claviorganum’. Het claviorganum is een zeldzaam klavierinstrument, waarin orgel (een instrument bestaande uit pijpen en windvoorziening) en klavecimbel worden gecombineerd. Beide componenten zijn op elkaar geplaatst en kunnen samen bespeeld worden door één klavierspeler vanaf één of meerdere klavieren. Beide instrumenten kunnen samen klinken of afzonderlijk bespeeld worden. (Wikipedia)

Een fraai meubel en kijk en luister hoe het klinkt, hier bespeeld door Jean-Marie Tricoteaux. (Orgelbau Felsberg, 2014)

Natuurlijk hoor ik de ware orgelliefhebbers en de ware clavicinisten roepen dat het aparte instrument stukken beter klinkt, nog gezwegen van de nadelen die…enz.enz.
Ik ben een liefhebber, geen deskundige en leg me graag bij al die oor-en veroordelingen neer, maar ik vond het een mooie vinding en naar mijn ondeskundige mening in staat om allerlei klankleuren in ruime mate en variatie te produceren.
Het gaat me meer om een voorbeeld van kiezen EN delen, een oude drang die probeert ons in het verlies tegemoet te komen als we onze keuze hebben gemaakt en dus ons noodzakelijk beperken tot een gedeelte van de mogelijkheden maar daardoor die beperking zo klein mogelijk proberen te maken.

Bij het fraaie spel van Henk van Zonneveld hieronder vind je ook degelijk geschreven commentaar van de bouwer Hugo van Emmerik op achtergrond. (rond 3’20”)

En dan gooi ik er graag het licht van deze fraaie novemberdagen bij!
Alleen al de naam november mag je doen rillen zoals de vroege morgenden deze week, om maar van de bijna-vriesnachten te zwijgen.

Novemberlicht in de tuin (Eigen foto)

Bij die rillingen hoort ook het herdenken van die ons zijn voorgegaan, een verlies dat we ook op allerlei manieren proberen een beetje te compenseren door bloemen, lichtjes, verhalen, foto’s, herinneringen, tranen.

Govert van Slinelandt met vrouw en kind op een schilderij van Jan Mijtens uit 1657. Foto: Rijksmuseum (bruikleen Dordrechts Museum)
Als Jan Mijtens opdracht krijgt om deze familie te vereeuwigen, is moeder Christina van Beveren al een jaar overleden. Zoals zoveel vrouwen in de Gouden Eeuw sterft ze in het kraambed. Ze werd slechts 25 jaar oud. Hun dochtertje overleefde moeder slechts een paar weken.  Govert van Slingelandt bleef dus alleen achter met zijn kleine zoon Barthout en besloot ter nagedachtenis een portret te laten schilderen. Dat hij met zo'n droeve blik staat afgebeeld heeft dus een goede reden. (Thuis in Twente 2018) 
Novemberlicht in de tuin 2 (Eigen foto)

En dan deze week met ongelofelijk mooi licht!
Niet om gevraagd, gewoon zo maar gekregen.
Ogen te kort hadden we hier om te kijken, om zelfs binnen nog overspoeld te worden in de vroege namiddag.
Dus nu en dan overtreft de werkelijkheid de droom of het verlangen. Het symbool komt de wekelijkheid binnen. Of wat het symbool voor de werkelijkheid moest zijn, blijkt in het echt gebeurd. Het afgebeelde, bezongen, beschreven licht verschijnt.

Ja en dan deze week met ongelofelijk mooi licht!
Niet gevraagd, gewoon zo maar gekregen.

Novemberlicht, hand van de fotograaf in deurglas gespiegeld. Eigen foto

Het is dus niet kiezen of delen, maar toch al een beetje kiezen ‘en’ delen, en dat in voortdurend ongelijke delen of in de lijdende vorm, maar de dualiteit vergroot de enge ruimte waarin je alleen als ‘ondergaander’ van het lot denkt te moeten leven. De harde tonen van het clavecimbel versterken de zachtheid van het orgel en de wind door de pijpen vormt een mooi landschap voor het naklinken van het clavecimbel. Hun combinatie als poging om hard en zacht te verzoenen, al zijn ze ook als solo-instrument best te genieten.

Dichter Thomas Hood (1789-1845/ London England) zag november niet op zo’n meervoudige wijze. Integendeel.

No

 No sun - no moon!
 No morn - no noon -
 No dawn - no dusk - no proper time of day -
 No sky - no earthly view -
 No distance looking blue -
 No road - no street - no 't'other side the way' -
 No end to any Row -
 No indications where the Crescents go -
 No top to any steeple -
 No recognitions of familiar people -
 No courtesies for showing 'em -
 No knowing 'em -
 No travelling at all - no locomotion,
 No inkling of the way - no notion -
 'No go' - by land or ocean -
 No mail - no post -
 No news from any foreign coast -
 No Park - no Ring - no afternoon gentility -
 No company - no nobility -
 No warmth, no cheerfulness, no healthful ease,
 No comfortable feel in any member -
 No shade, no shine, no butterflies, no bees,
 No fruits, no flowers, no leaves, no birds, -
 November!
Léon Spilliart Silhouet van de schilder (1907) MSK te Gent

Uit dat ‘no’ verbeeldt dichter Han G. Hoekstra (1906-1988) zich ‘een ceder’ in zijn tuin. Hij schrijft er een prachtig rondeel over. (Uit: Panopticum (1946, Uitgever: Meulenhoff)

De ceder

 Ik heb een ceder in mijn tuin geplant,
 Gij kunt hem zien, gij schijnt het niet te willen.
 Een binnenplaats meesmuilt ge, sintels, schillen,
 En schimmel die een blinde muur aanrandt,
 Er is geen boom, alleen een grauwe wand.
 Hij is er, zeg ik, en mijn stem gaat trillen,
 Ik heb een ceder in mijn tuin geplant,
 Gij kunt hem zien, gij schijnt het niet te willen.
 –
 Ik wijs naar buiten, waar zijn ranke, prille
 Stam in het herfstlicht staat, onaangerand,
 Niet te benaderen voor noodlots grillen,
 Geen macht ter wereld kan het droombeeld drillen.
 Ik heb een ceder in mijn tuin geplant.
Atlasceder in de tuin eigen foto

Voor mij een leuke verrassing want er staat inderdaad een heuse ceder in onze tuin, een Atlas-ceder die wij ten zeerste beminnen. Groot is hij, maar breekbaar want zijn takken scheuren makkelijk. Maar toen we hier kwamen wonen was de ceder een van de bijzondere argumenten om deze verblijfplaats te kiezen. Hij en onze taxusbomen zijn schuilplaats voor vogels en dromen. Maar niet iedereen is bomen goed gezind. Ze verliezen naalden, takken. Ze leven dus. Daarom mijn versie van Han’s gedicht.

Ja, Han, er is een ceder in mijn tuin geplant.
 Ze zagen hem, en en helaas het was meer dan willen.
 Een binnentuin meesmuilden zij, ge zoudt hem beter villen;
 Die naalden die ons asbesten daken hebben aangerand,
 Dat is geen boom voor hier, stel dat het hier brandt!
 Hij is er, zeg ik, en mijn stem gaat trillen,
 Ik heb een ceder in mijn tuin geplant.
 Ge kunt hem zien, ook al zoudt gij anders willen.

 Ik wijs naar buiten, waar zijn stevig uitgeroeide
 Stam in winterlicht staat, vaak met zagen aangerand,
 Wel te benaderen voor groenhaters' grillen,
 Geen macht ter wereld kan de werkelijkheid stillen.
 Ik heb een ceder in mijn tuin geplant.

 Met dank aan Han G. Hoekstra
 De ceder laat hem van harte groeten
Atlasceder eigen foto

Het is kiezen, soms gekozen worden. Delen vooral. Ontdekken dat de veelkantigheid van dit korte bestaan perspectieven heeft die niet onmiddellijk zichtbaar of voelbaar zijn. Combinaties ook. Zelfs opgehokt wacht de wereld op ontdekkers. In en om het huis en de tuin. Met de dualiteit van het claviorganum, het onverwachte novemberlicht, de boom al dan niet in levende lijve aanwezig.

De verbeelding heeft nooit plaats tekort. Ook bij stormweer zijn er zonverlichte plaatsen, zelfs met de ogen gesloten ontvouwen zich prachtige landschappen, geluiden en muziek ontsluiten geheime tuinen. De ceder groeit in elke kamer, hoe klein ook. Je bent niet alleen.

Ceder met plaats voor de wolken. Eigen foto

Luister-landschappen

Foto door Jonathan Petersson

Je oor te luisteren leggen.
Als kind dacht ik dat er een mensensoort bestond die de oorschelp van het hoofd kon verwijderen en die dan ergens ‘te luisteren legde’.
Hoe de verbinding van het losse oor met het nog immer vaste hoofd moest gelegd worden deed niets ter zake. Digitaal zou dat vandaag overigens geen enkel probleem zijn.

Ietsje wijzer, toen ik vernam dat het horen in dat hoofd plaatsvond en de schelp blijkbaar zich tot het afschermen en opvangen van de ruimte beperkte, droomde ik ervan die schelpen te kunnen richten en ontdekte ik de verbreding ervan door mijn hand achter die schelp te houden en daardoor een ruimer of gerichter klankveld te ontdekken.
Meestal dienen de handen, of de wijsvingers, om je oren toe te stoppen en je af te schermen van ongewenste geluiden ook wel eens ‘lawaai’ genoemd.

Met het ruiken is luisteren naar de omgeving een van onze minst ontwikkelde eigenschappen.
Er is een voorgrond, een middenveld en een achtergrond. Er is dus diepte, maar ook afstand van links naar rechts en omgekeerd. En de mix. Ruimte dus.

Laten wij je meenemen naar een ongemonteerd geluidslandschap uit toch al vervlogen tijden. Op de achtergrond hoor je de golvende ondertoon van van een briesje en dichtbij heerst nog wat dit blog zachtjes propageert: stilte.
Stilte is dus niet het ontbreken van geluid, maar een omgeving waarin de natuurlijke geluiden van het landschap je omgeven. Met koptelefoon of goede boxen te genieten. Sluit je ogen en je bent in een lang voorbije zomer in een hoeve-tuin met huiszwaluwen, zwaluwen, duiven, roeken, bijen en sprinkhanen. Een klanklandschap van vierhonderd en tien seconden, 6 minuten 48″.

Foto door Jonathan Petersson op Pexels.com

Nog een beetje vroeger, bij het zomerse ochtengloren is het nog stiller. Bijna geen wind meer. Alleen een ver beekje denk ik. Einde van de nacht.
Dit landschap kon je vroeger ook nog horen bij zonsopgang aan de rand van de stad en is nu helaas vrijwel geheel verdwenen. De vogels zwijgen. Ze zijn er niet meer.
Hier hoor je een grote diversiteit omdat dichtbij en de verte maar ook de breedte het waarnemen vervolledigen.
Een verloren landschap?
De kinderen en kleinkinderen van onze kinderen hebben misschien alleen nog deze opname als herinnering. Ongemonteerd. Zoals het toen was.

Foto door Johannes Plenio op Pexels.com

Kijken met de oren moet beloond worden. Daarom deze wondermooie opname van twee nachtegalen. Allerlei informatie over deze wondere vogel vind je zeker bij Natuurpunt.
Wie hem hoorde zingen, vergeet het nooit. Luscinia megarhyncos heet hij in het latijn. Deze twee zangers zijn bijzonder dichtbij opgenomen, een prachtig document uit het BBC-geluids-archief.

Beatrice Harrison was een bekende Britse cellist. In haar tuin in Oxted zat een nachtegaal die bleef zingen terwijl Beatrice zat te repeteren. Dat bracht haar op de idee om een duet live uit te zenden op de BBC. Meer dan 1.000.000 luisteraars konden op de radio luisteren naar een cello-uitvoering van Songs my mother taught me (Dvořák), Chant Hindu (Rimsky-Korsakov) and the Londonderry Air (the tune of Danny Boy) met nachtegalengezang ertussendoor. De respons was overweldigend. In de weken die volgden op de uitzending ontving Beatrice Harrison meer dan 50.000 brieven van verrukte luisteraars. Zondermeer het meest succesvolle nachtegalenconcert ooit.(bron:  Natuurpunt)
Vroeger hadden volgens de volksmythologie zowel de nachtegaal als de hazelworm elk één oog. Beide konden goed met elkaar opschieten. Toen de nachtegaal op een bruiloft was uitgenodigd, stal hij het oog van de hazelworm zodat hij met twee ogen op het feest kon verschijnen. De hazelworm was woest en vastbesloten om zijn oog terug te pakken wanneer de nachtegaal sliep. De nachtegaal wou het oog echter kost wat kost houden en besloot daarom nooit meer te slapen. En sedertdien zingt hij dag en nacht, om niet in slaap te vallen.(bron: Natuurpunt)
Een Europese studie uit 2008 onderzocht de voorbije 26 jaar de status van 124 algemene vogelsoorten. De conclusie was alarmerend: 56 soorten (45%) gaan er in 20 Europese landen op achteruit. Wie kreeg op Europese schaal de zwaarste klappen? Kuifleeuwerik (- 95%), kleine bonte specht (- 81%), patrijs (- 79%), draaihals (- 74%), tapuit (- 70%), nachtegaal (- 63%), zomertortel (- 62%), matkop,(- 58%), kievit (- 51%) en Europese kanarie (- 41%).(bron: Natuurpunt)

Richt je tuin in als lustoord voor het gevogelte. Nu de winter voor de deur staat kunnen ze menselijke hulp goed gebruiken. Hou je geliefde katten ’s nachts binnen. Laat de luister-landschappen weer live leven in je nabijheid.

Vogels

De taal behoort aan de vogels
ik ben te mens om te vliegen
ik sta als een huis op de wereld
gebouwd en dik uit aarde

ik ben ongeveer degene
die schuilgaat binnen de muren
en uitvloeit achter de ramen
van de blauwe achterkamer

het geurt er naar mest en naar liefde
er staat een plant in een kooi
de taal behoort aan de vogels
de mens schuilt weg in het woord –

Gerrit Kouwenaar (1923-2014)
uit: Hand o.a. (1956)
Foto door Irina Iriser op Pexels.com

De luisterlandschappen zijn eigendom van de BBC-soundeffects en mogen alleen voor persoonlijk gebruik of onderzoek gecopieerd worden. Voor commerciële doeleinden neemt u best contact op met de BBC.

https://blog.prosoundeffects.com/how-to-license-bbc-sound-effects-to-use-in-your-commercial-productions

Muziek met vogels in het hoofd geschreven.

WAYNE NGAN (1937-2020): The clay body, like a soul in a person.

White Vase
Stoneware
19x17x13 cm
Photo © Goya Ngan
'I am looking for life…Like ashes are very good materials for glazes. But the glaze on a pot is only a coat; the beauty that’s behind is the clay body, like a soul in a person. Sometimes the person who makes the pot is also a contributing factor. And the fire too. If you have an electric kiln it only radiates fire; it is not live fire. It doesn’t matter how hard you try, what comes out..is artificial. The kiln is like a womb, like a mother.' (Quoted in Judy Thompson Ross, Down to Earth. Canadian Potters at Work, 12-15).
Yellow Vase
Stoneware
13x16x9 cm (Photo © Goya Ngan)

In juni 2020 overleed de 83-jarige Chinees-Canadese kunstenaar Wayne Ngan. De schoonheid van zijn werk zal hem lang overleven. Woorden zijn vluchtiger dan klei, maar in de oven van de verbeelding raken ze elkaar.

When Wayne Ngan arrived in Vancouver from his native China at the age of thirteen, he was encouraged to go on to the Vancouver School of Art. Although Ngan was especially interested in painting, he enrolled in the least expensive studio course, pottery. Graduating with honours, Ngan set up his own pottery and sculpture studio, began to teach, and gave pottery workshops. Later, he settled on Hornby Island, off the west coast of British Columbia. This move signalled a turning point in Ngan’s development as a craftsman, since it established his dedicated commitment to ceramics and initiated the process of integrating his craft with his environment. Within this stimulating island environment, Ngan renewed his interest in his Oriental heritage, and began experimenting with raku pottery, salt glazes and Chinese brush techniques.

Sung dynasty inspired wood-fired kiln

Preferring the spontaneity and directness of ancient Oriental pottery, Ngan studied in China and Japan and was particularly impressed by the pure forms and etched decorative surfaces of China’s Song dynasty and Korea’s El dynasty. On his return to Hornby Island, he adapted these pottery styles and techniques to his own ceramic vessels.

Five Sculptures Painted Plate
Stoneware; slip painting
8x37x37 cm

Pottery is at once the simplest and the most difficult of all the arts. It is the simplest because it is the most abstract.

[T]he art is so fundamental, so bound up with the elementary needs of civilization, that a national ethos must find its expression in this medium.

Pottery is pure art; it is art freed from any imitative intention … pottery is plastic art in its most abstract essence.

-Herbert Read, The Meaning of Art (1931)

Sculptural Vase with Black Decoration and Orange Circle
Stoneware
34x36x14 cm
Photo © Goya Ngan

Many potters state that one of their first memories of working with clay was as a youngster. Wayne Ngan is no exception. The celebrated artist remembers that as a child he dug clay with his own hands creating objects to amuse him while his mother worked in the rice paddies. At the age of fourteen, he immigrated to Vancouver with his grandfather. Some years later he briefly studied at the Vancouver College of Art before leaving the city to build a home and studio on Hornby Island in 1967. Over the years he traveled to China and Japan studying ancient ceramics and the secrets of wood firing kilns. Back in his studio he repeatedly threw the shapes he admired until he had perfected them. His goal then, as now, is to create pure shapes with minimal decoration based on those from the Sung Dynasty and the Yi of Korea that are alive.

Sculptural Bottle
Stoneware; Yukon black glaze
33x27x9 cm
Photo © Goya Ngan

‘Working with clay is, I think, part of my nature. It is easy, the most flexible medium I can imagine. Through clay I can touch all four basic elements: earth, water, fire and all, and bring those four elements back to life.’

Hakeme Bottle
Stoneware; white glaze on dark slip
27x18x16 cm
Photo © Goya Ngan

Het staartje van de academie, o ja, pottenbakken, weggezet als naarstige bezigheid van de dames die ook iets artistiek willen. Inderdaad een vrouwelijke kentrek: aarde en vuur verenigen maar vaak tot het utilitaire herleid omdat het resultaat eerder de keuken en het huiselijke zou oproepen dan het artistieke. Te weinig vertrouwd met het direkte contact van handen en aarde spreekt voor het mannelijke element in de expressie deze kunstvorm een vrouwelijke taal en net daardoor ontstaat het onverdiende wantrouwen.

Bottle
Stoneware; wood-fired
13x9x9 cm
Photo © Goya Ngan
Ook de tijd
vang je
in de met vuur
gestolde klei.
Het ogenblik
duurt duizend jaar
en langer.
Clam
Stoneware; cast iron, metallic, orange and blue glaze
10x30x15 cm
Photo © Goya Ngan
Rond de leegte
de ronding
zonder begin of einde,
een vuren vorm
van tederheid.
Two-tone Grey Vase
Stoneware
16x13x13 cm
Photo © Goya Ngan
Jar with Bronze Glaze 2, 2017, Jar thrown and altered, bronze glaze, sculpted lid, 9.7″H x 18″W, 2017

Ga naar: https://www.waynengan.com/ en https://www.nathaliekarg.com/artists/wayne-ngan

Een stille feestdag in juli 2020

Een stille feestdag om door huis en tuin te dwalen, het oog in de hand.
Op de televisie geen vrolijk voorbijstappende ‘zorgende’ machten, maar nog een lesbord van de eerste Italiaanse les, en op het salontafeltje de schriften en het cursusboek van kleinkind en vriend die, uit puur heimwee naar Italië, vandaag met hun cursus zijn begonnen. ‘Primi contatti’. Het lijkt wel een betoog over het virus maar de ‘Colomba Classica’ van Pasticceria Flamigni staat er nog mooi ingepakt bij. In feite een paascake in duiven-vorm, Colomba di Pasqua, de tegenhanger van twee Italiaanse kerstdesserts, panettono en pandoro, hier gedecoreerd met geconfijte sinaas.
Of voor de liefhebbers in slecht Google-Nederlands vertaald:
‘Met gist, verse eieren, boter en gekonfijte sinaasappelschil onder een korst van hazelnoot-massa met amandelen en ruwe suiker. ‘
Een vredesduif naar Italiaanse smaak uit liefde ingevoerd vanuit een bijna verlaten Rome. Città aperta. Primi Contatti’!

Beetje verder in de nog stille keuken enkele lege bokaaltjes waar het licht in speelt. Orange marmalade met whisky en appelen-mousseline ter zaliger nagedachtenis. Hun leegte en doorzichtigheid met de bijna vrolijke doelloze etiketten veroordeelt ze tot de glasbak waarna vermalen en smelten hen zal omtoveren tot een of twee glanzende nieuwe nog te vullen wedergeboren bokaaltjes of als vorm in die richting ten dienste van hongerigen of dorstigen. Een vreemd gevoel van ‘eeuwig leven’ als je dat met het eigen bestaan en lijf begint te vergelijken. Of hoe de tijd of vuur het ons-restende tot grondstof zal versmelten en het ‘ik’ weer in de kolkende scheppingsdrang en anonieme groeikracht zal opgaan. Stilleven voor enkele bokaaltjes als aanleiding.

Loop je de tuin in dan zie je de net gearriveerde ‘Sinningia speciosa’ kelkjes blauw-paars te wezen, oorspronkelijk uit de tropische Braziliaanse wouden en in Europa als kamerplant gehouden. Je mag ze ook met de familienaam Gloxinia speciosa aanspreken. Anderen beweren dat het Kaapse primula zijn, maar ongeacht hun identiteit is hun blauw-violet van een bijzondere schoonheid, net zoals het smetteloze wit van de hortensia’s die daarna in crème-kleurig pistache uitdoven.

Op het rustbed kom je onder het gebladerte van een fluweelboompje terecht.
Zie je misschien voor de eerste keer de structuur van hun gekartelde bladeren, voel je de beving van het boompje bij een briesje. Komt de zon door een opening in een seconde-schittering je verblinden maar ben je ook dadelijk weer onder het groene scherm, beschut voor de buitenwereld.

Fluweelboompjes wandelen door de tuin, komen op de meest onverwachte plaatsen weer boven en vullen het hevig groen van de varens aan met hun zachte lange vingers.

Kijk je vanuit de pergola dan tekenen de tachtigjarige stammen van de blauwe regen fraaie lijnen en lussen voor het landschap. Ze schrijven mysterieuze letters die je slechts langzaam leert lezen.
Het kunnen best tekeningen zijn, of de wegen op een landkaart waarlangs je in Anderland terecht komt. Maar uitgekeken ben je nooit.

Net voor je weer het huis opzoekt, schuiven de wolken weg en veegt de zon over de metalen buitentafel. Met al die prenten in je hoofd en gelukkig ook enkele op het kaartje van je fototoestel blijf je je verwonderen hoe weinig wij werkelijk zien in het dagelijks verschuiven van de tijd.
Uitgekeken ben je nooit.

Voeg daarbij de prachtige geluiden van duiven die vanuit het niets een onbeschrijfbare muziek maken, eerst met die onnavolgbare vleugelslag dan met hun repetitieve kort-lang-kort keelgeluid en daarna met hoge snel repeterende vleugelbewegingen weer de lucht ingaan. Opstuivende vogels. Nooit kan een componist dit verlangen naar de hemel ook maar benaderen.
Om maar te zwijgen van het stillere maar teder snel aanvliegen van mezen, mussen en vinken, soms aangevuld met een zeldzame merel die in een scheervlucht uit het niets verschijnt. Van de Colomba Classica naar de ware luchtgedaanten waarin de Geest zich al eeuwen verschuilt.

Een gewone namiddag was het, zonder parades, maar met een overschot aan schoonheid.
Een mooie aanvulling met Resphigi’s ‘Gli Ucelli’, de vogels dus. Bijna twintig minuten in de tuin van het hoofd en de aandachtige ziel.

Van 2004 tot 2009 hebben we enkele onderwerpen samengezet die zich over meer dan één bijdrage uitstrekken.
Later zullen we deze lijst aanvullen.
Zo kun je makkelijker uitgewerkte thema’s lezen.
Je vindt deze collectie bovenaan bij ‘UITGEWERKTE ONDERWERPEN of via de link hieronder

https://indestilte.blog/uitgewerkte-onderwerpen/

Een merkwaardige zondag in mei 2020

Springtime by Claude Monet, 1886

De ‘schermers’ en de ‘telefoonstemmen’ bleken nog steeds over hun door ons herinnerd lichaam te beschikken. Een menselijk wezen te zijn.
‘Wezen’ is een ander, beter woord dan ‘lichaam’ maar doet dan weer aan Oliver Twist denken. Toch is het Nederlandse begrip ‘wezen’ een woord met verschillende kleuren. In Oost-Vlaanderen en in Brabant: ‘Je moet elke dag je ‘wezen’ wassen.’ Beter: ‘Op zijn ‘wezen’ lag vriendelijkheid uitgedrukt.’ Naar de meer heilige kant wordt het een ‘aanschijn’, en in spreektaal: Piet zal weer te laat wezen, zeker? Toch deden we met zijn zessen ook een beetje aan het meervoud van kinderen zonder ouders denken: ‘wezen’, en leken we even voor elkaar ‘buitenaardse wezens’. Het besef dat wij als mens een ‘nietig wezen’ zijn, was ons allen intussen ook wel duidelijk geworden.

Hanna Pauli – Frukostdags 1887 Nationalmuseum, Stockholm

Kind met vriend, kleinkind, vriend des huizes wiens vrouw en kind een aantal duizend kilometers van hier verblijven in afwachting van, en wij, de grootouders. Zes wezens. In wezen (nog één keer!) kennen we elkaar al lange tijd. Het kind is ons in september zevenveertig jaar vertrouwd, het kleinkind twintig, en de bijhorenden kun je door hun vriendschap met het jochie ook al bij ‘de familie’ rekenen, een gebeurtenis die zich meestal zonder al te veel tralala als vanzelfsprekend voltrekt.
En al schreef dichter Adama van Scheltma (1877-1924)
‘Min de stilte in uw wezen,
Zoek de stilte die bezielt,
Zij die alle stilte vreezen
Hebben nooit hun hart gelezen,
Hebben nooit geknield.’

Dan mag het hem echter ook duidelijk wezen dat knielen in deze groep vooral gebruikt wordt om iets op te rapen dat een ander iemand heeft laten vallen, en met het ‘hart’ lezen viel het best mee want onder de bijna uitgebloeide seringenboom zaten we bij de zelf gebakken wafels en cake om het over die vreemde tijd te hebben waarin we tot schermers en telefoonstemmen werden gereduceerd.

Vincent van Gogh, Daubigny’s Garden, June 1890. Oil on canvas, 50.7 x 50.7 cm. Van Gogh Museum, Amsterdam.

Er was, bij de wafels, koffie, thee, prosecco en de schermpjes waarmee we de beelden van die merkwaardige zondag opsloegen en die in weinig verschilden van de feestelijke en minder feestelijke samenkomsten.
Het kleinkind vertelde over haar gastvrije ophok-thuis in het Hageland waar het naast vriendje ook nog twee broers, vader, moeder en twee poezen tot alledaagse gezellen mocht rekenen, een ideaal nest om kunst-wetenschappen te blokken en in praktijk te brengen. Het kind besprak de aanmaak van een serie mondmaskers, het huis- en thuiswerk en het plezier van een ‘zwembad’ in de tuin. (bij de laatste zelfstandige naamwoorden moet een -tje bij, het een opblaasbaar, het andere verwant met het begrip ‘voorschoot-groot’) en de vriend-met-verre vrouw en kind had het over zijn nachtwerk voor het Belgisch Postwezen (!) en het dagelijks contact met de geliefden in het verre India.

Edouard Manet, The Monet Family in Their Garden at Argenteuil, 1874. Oil on canvas. 61 x 99.7 cm. The Metropolitan Museum of Art, New York.

Het donkerde, er kwam de voorspelde regen opzetten, maar geen nood, de veranda-tafel was ook al gedekt met zicht op de tuin die elk spatje regen dronk zoals wij genoten van de bekende tafelvochten. Het kleinkind bezocht nog even haar kamer, en reisde terug naar haar Hageland, met dat vreemde gevoel thuis te zijn geweest en tegelijkertijd weer naar haar nieuwe thuis te vertrekken. Ook de Post riep haar nachtelijke medewerker op, en kind met vriend wilden nog voor het donker de electrische fiets thuis stallen.
Het huis had zijn bekende avondmantel aangetrokken, met hier en daar lichtknoopjes en gezellige donkere hoekjes. Het miste al de vertrouwden nog voor ze weer in hun respectievelijke nesten waren teruggekeerd.
De grootouders? Dat waren ze echt niet geweest die bijzondere zondag, zoals ze dat in feite alleen voor de administratie en de verhalen van derden waren. Nu hoorden ze bij de zes van twintig tot ergens iets in de zeventig. Met de onzekerheid als gemeenschappelijk perspectief, maar ook met de verbondenheid van de zes die op hun beurt met hun verbindingen zelfs tot aan het andere eind van de wereld reikten.
Er waren geen filosofische traktaten noch politieke commentaren gedebiteerd. Woorden over het dagelijkse. Met de bijhorende grappen om de onzekerheid te maskeren. Met de innigheid die helaas geen aanrakingen mocht toestaan, maar des te meer met de zekerheid dat er die zondag nog duizenden andere schermers en telefoonstemmen een wezen van vlees en bloed bleken te zijn, uiterst kwetsbaar maar niet te onderschatten moedig.

The Garden Party. Sir James Guthrie

En later, zouden ze tot vervelens toe vertellen aan hun nakomelingen hoe het leven was ten tijde van Corona? Of gewoon glimlachen en met Thomas van Aquino zeggen: ‘De mens is een spiritueel wezen, dat om werkelijk spiritueel te kunnen zijn, een lichaam nodig heeft.’ En voor het kleinkind van haar geliefde Sartre: ‘Het zijn gaat vooraf aan het wezen.’
Voilà. Afstand houden en flink wezen. Zijn dus.

Alexi Zaitsev (1959)

Dansende partikels, een wondere wandeling

Hydrozoa R.S. Connet 2018

Een wandeling langs tekst en beeld, geheel uit toevallige momenten en ontmoetingen ontstaan. Je kunt ze onderbreken en later weer aansluiten maar ze met mij helemaal uitwandelen maakt de knooppunten en associaties net zo verrassend als ze voor mij waren.
Oorspronkelijk wilde ik je een aanvulling bieden van vertaalde teksten uit het werk van Rumi (1207-1273) waarover ik vorig jaar een bijdrage maakte: ‘Nooit vult de wereld de zadeltassen’.
Ze is terug te bekijken via deze link:

https://indestilte.blog/2019/10/21/rumi-1207-1273-uit-dit-alles-van-liefde/

Ja, ik begrijp dat velen de sfeer eerder wazig, ver-van-het-westerse-bed ervaren, maar de wonderlijke dichter Rumi blijft allerlei mensen van allerlei tijden en van allerlei gezindheden aanspreken.
Bij de her-organisatie van de verschillende boekenplanken in dit huis, met de bedoeling ze in één centrale bibliotheek onder te brengen, vond ik een verloren gewaand boek terug: ‘The essential Rumi‘, translations by Coleman Barks with John Moyne’, een Amerikaanse uitgave uit 1995-1997 die je nog moest opensnijden wilde je bij de fraaie teksten komen.
Eén van de eerste pogingen werd deze korte tekst:’

'Daglicht, vol kleine dansende partikels
en dat ene grote draaien, onze zielen
dansen met jou, zonder voeten dansen ze.
Kun je ze zien als ik in je oor fluister?'

Herlees het traag, herlees het vlug, laat het enkele dagen liggen en herlees het, en verwacht niet dat ik het nog ga uitleggen ook, want dat is nu net het raadsel van zijn poëzie: bewegende teksten die niet alleen in elkaar haken maar zoals een fuga door elkaar heen beelden vormen die bijna onmiddellijk weer verdwijnen en in andere beelden overgaan.
Ik probeer ze te illustreren door een beeld van een zekere Robert Steven Connet die iemand ‘ a ‘Nightmare in Beauty’ noemde en die je in het tijdschrift ‘Colossal’ van 19 januari 2016 terugvindt als ‘The Dense Microcosmic Worlds of Painter Robert S. Connett’, hier te bezoeken:

The Dense Microcosmic Worlds of Painter Robert S. Connett

Ik geef toe dat het hier niet dadelijk om effecten van het daglicht gaat, eerder een illustratie bij begrippen als ‘partikel’ en ‘microscopische structuren’. Een ‘microscopische tuin’ zoals hij een van zijn creaties beschrijft, door zijn innerlijke uitvergroting -ook een manier van belichten- zichtbaar geworden..
Blijf je zoals ik een beetje op je honger zitten dan kwam er- ook geheel toevallig- het mooie werk van de Amerikaanse kunstenaar Lary Bell (1939) ter sprake die vroeg met glas begon te werken en ik hier graag introduceer. Van het vergrootglas naar het glas dat licht denkt zichtbaar te maken, de werkelijkheid die wij ervaren losweekt en een dialoog met de ruimte aangaat.
Het artikel van Marie de Brugerolle uit Mousse Magazine geeft een mooi overzicht onder de titel:
‘A world without Angles: Larry Bell’.

A World without Angles: Larry Bell

Larry Bell, Larry Bell. Still Standing installation view at Hauser & Wirth, New York, 2020

En in twee fraaie youtube filmen zie je bewegende beelden rond zijn persoonlijkheid. Het eerste als kennismaking, het tweede : ‘Seeing through glass’ brengt je dichterbij zijn werk.

‘I shall have to controvert one or two ideas that are almost universally accepted. The geometry, for instance, they taught you at school is founded on a misconception… I do not mean to ask you to accept anything without reasonable ground for it. You will soon admit as much as I need from you. You know of course that a mathematical line, a line of thickness nil, has no real existence. They taught you that? Neither has a mathematical plane. These things are mere abstractions.
“That is all right,” said the Psychologist.
“Nor, having only length, breadth, and thickness, can a cube have a real existence.’

Larry Bell, 6 x 6 An Improvisation installation view at the Chinati Foundation, Marfa, 2014

In my opinion all artwork is stored energy.
The art releases its power whenever a viewer becomes a dreamer.’

Het kunstwerk als ‘stored energy’ en dan zijn we weer terug bij Rumi.

Nu maak ik een kleine sprong van glas naar raam, en die ramen zijn in de Oscarwinnende kortfilm van Marshall Curry ‘The neighbours’ window’ de uit- en inkijk op het ‘intieme’ bestaan in al zijn betekenissen, een uitspraak die je na afloop zal duidelijk geworden zijn.
Zorg dat je niet gestoord wordt als je dit mooie werk bekijkt, met of zonder geliefde, in de sfeer van het opgehokt zijn, uitkijkend naar elkaars beslotenheid.
En lees daarna nog één keer die enkele Rumi-lijnen.

''Daglicht, vol kleine dansende partikels
en dat ene grote draaien, onze zielen
dansen met jou, zonder voeten dansen ze.
Kun je ze zien als ik in je oor fluister?'

Al zijn er dan geen rechte hoeken meer volgens Marie de Bougerolle in haar artikel over Larry Bell, het doorschijnende van elkaars energie verbindt onze kwetsbaarheid.
Je bent niet alleen.

Larry Bell with The Iceberg and Its Shadow, taken at Washington University in St. Louis in 1976

Manège de petit Pierre: l’ art brut in zijn puurste vorm

In France Culture van 1 mei schreef Céline du Chéné:

‘Ça couine, ça grince, ça racle et c’est une véritable merveille visuelle et sonore que le Manège de Pierre Avezard, dit « Petit Pierre ». Fabriqué pendant un demi-siècle, à partir de bouts de tôles, de morceaux de fer blanc récupérés, de boulons, de débris de métaux, ce Manège – ainsi nommé par son créateur- tient plus du spectacle total que de la mécanique foraine. On y pénètre par une sorte de petit sas qui fait aussitôt basculer le visiteur dans un univers parallèle, entièrement animé. Entourés de machines mouvantes et bruyantes qui reconstituent le quotidien de Petit Pierre, on découvre alors un univers campagnard et onirique, réel et rêvé, authentique et farceur, rempli de personnages rigolards et d’animaux facétieux – comme cette vache électrique qui prend un malin plaisir à asperger d’eau le visiteur imprudent- sans oublier des véhicules en tout genre : des voitures, des chars, des tracteurs, mais aussi des tramways qui passent en brinquebalant au-dessus de nos têtes, des bombardiers qui lâchent des billes sur une tôle dans un son d’enfer, peinant à couvrir le bruit du moteur qui fait mouvoir l’ensemble des machines ; le tout étant dominé par une immense tour Eiffel de 23 mètres de haut.’

En nu bekijk je best gewoon dit ouder filmpje waarin je wat hierboven verteld wordt kunt horen en bekijken:

Le manège de Petit Pierre in werking op zijn oorspronelijke plaats

Pierre Avezard. Geboren in 1909 met het syndroom van Treacher-Collins, een zeer zeldzame erfelijke gelaatsziekte waardoor vaak de oorschelpen ontbreken en andere misvormingen van het gezicht kunnen voorkomen. Dat hij met een dergelijk uiterlijk het voorwerp van spot en plagerijen zou worden lag voor de hand. Maar ‘Petit Pierre ‘était né sous ne bonne étoile’. Een warme beschermende familie en zijn zus Thérèse die hem leerde lezen en schrijven.

Geboren en getogen en pleine campagne in Le Loiret werd hij koeherder. Hij kon met de dieren praten, hield van hen en zorgde voor hen. Zo werkte hij in verschillende boerdrijen en zag ’s zondags zijn ouders en Thérèse en Léon, zijn kleine broertje. Hij bracht voor hen allerlei kleine voorweren mee die hij gemaakt had met vindmaterialen: speelgoedjes, windmolentjes, bloemenboeketjes met metalen bloemetjes.
In 1935 werkt hij bij een boerderij op een vijftiental kilometer van thuis. Hij wordt er zonder ophouden met zijn handicap geplaagd terwijl zijn beetje bezit stuk wordt gemaakt. Als oplossing zet Petit Pierre zijn bed op een door hem gemaakt platform dat hij met een zelf gemaakt opplooibaar laddertje kan bereiken zodat hij voor de andere koewachters onbereikbaar wordt.
Enkele jaren later ontwerpt hij zijn eerste machine: ‘ “un système mécanique de distribution de betteraves aux vaches méritantes”, tapis roulant actionné à partir d’un pédalier de vélo.’
Zijn patron, meneer Hareng schenkt hem een lapje grond om er in vrede te kunnen leven en aan zijn uitvindigen te werken.
Zo ontstaat ‘le Manège’ de Petit Pierre waar hij in de loop van zeven jaar ook bij zijn broer Léon, intussen luchtvaart-ingenieur geworden en de wereld rondreizend, inspiratie vindt en er zijn creaties verder uitbouwt.

‘Le bouche à oreille fonctionne. Désormais, les visiteurs viennent de toute la région pour découvrir ce lieu unique. Petit Pierre, sans le vouloir, est devenu une célébrité, et son Manège un endroit festif qui enchante les dimanches campagnards. On y boit et on y danse au son d’un vieux tourne-disque, ou accompagné des notes endiablées de la guimbarde de Petit Pierre. Hélas, en 1974, les belles heures du Manège se grippent. Victime d’une crise d’hémiplégie, Petit Pierre doit se retirer en maison de repos. Cependant, tous les dimanches, un taxi le dépose à La Coinche où il continue d’accueillir les visiteurs dans son Manège. C’est en 1980 que le grand public le découvre grâce au film d’Emmanuel Clot, Petit Pierre, qui reçoit le César du meilleur court-métrage documentaire : “La première fois que j’ai vu ce petit homme de 70 ans avec son visage torturé devant ce Manège qui est l’œuvre de sa vie, j’ai eu un choc… il fallait que j’en fasse un film. C’est maintenant l’être au monde que j’aime le plus, car il a su communiquer avec une société qui le rejetait.”, explique-t-il dans une interview accordée au Matin de Paris, en février 1980. (Céline du Chéné)

Ouder geworden wordt zijn ‘manège gered door Alain Bourbonnais, architect en collectioneur d’ art brut en hergemonteerd waar ze in ‘La Fabuloserie’ nog altijd te zien en te bewonderen is. De mooie film hieronder laat je de opening en de nieuwe werking zien aldaar!
Il meurt en 1992, sans l’avoir revu. Mais trente ans plus tard, le Manège fonctionne toujours. En 2019, Agnès et Sophie Bourbonnais, les filles d’Alain et Caroline organisent une exposition pour raconter l’incroyable destin de Petit Pierre. Le jour du vernissage, tous les enfants de Léon Avezard sont présents, dont une certaine Nicole Avezard, docteure en mécanique des fluides, plus connue sous le nom de Lucienne Beaujon du duo des « Vamps ». (ibidem)

Met bewondering en ontroering , emoties eigen aan het beschouwen van kunst in zijn zuiverste vorm, bekeek ik het werk van deze man met net zo’n grote bewondering voor al degenen die het opnieuw zichtbaar hebben gemaakt in La Fabuloserie, musée art-hors-les-normes, art brut Ontsnappen is dus mogelijk, ook al ben je in je eigen lichaam opgehokt.

‘Dans la panoplie des termes du monde de l’art brut les appellations sont nombreuses. « Art marginal » ou « art hors-les-normes » font partie de celles qui peuvent fonctionner comme des termes génériques. Pourtant l’expression « art hors-les-normes » reste indissociable de la collection réunie par Alain Bourbonnais. Suggéré par Jean Dubuffet à ce dernier parmi d’autres appellations en 1972, l’art hors-les-normes désigne l’art réalisé avec d’autres normes que celles de l’art officiel. Réalisées le plus souvent par nécessité, ces créations sont fabriquées par des autodidactes pour lesquels l’acte créateur peut être pensé comme un travail passionné ou une sorte de « re-création ». Ces créations brouillent les catégories artistiques, dissolvent les frontières en s’inscrivant à la croisée de l’art populaire, l’art naïf, l’art brut, l’art outsider….Hors-les-normes est au-delà des normes.’

Verder: http://www.fabuloserie.com en http://www.avezard.com

JAIME PITARCH(°1963): our eternal condition of displacement.”

Jaime Pitarch, Subject, Object, Abject 2006 Chair, wooden, shaving from chair legs, 48 x 14 x 14

Jaime Pitarch (Barcelona 1963) creates sculptures, drawings, videos and installations often using humble everyday objects such as a guitar, chair, or household and consumer products. He employs inventive strategies of displacement, re-contextualization and visual punning to peel away at their routine uses and meanings to alter our relationship with such utilitarian items. Pitarch describes his work as mainly having “… to do with the human being’s inability to identify with the structures he himself has created.” Having been stripped of their functionality, we are free to view them in the alternative narratives the artist provides.

Cyclops 2002, Modified eye glasses

Opgehokt leven wij, vaak zonder het te beseffen, tussen allerlei dagelijks materiaal dat zich volgens de Catalaanse kunstenaar Jaime Pitarch uitstekend laat gebruiken om, na een ingreep van destructie, zich als nieuwe constructie laat gebruiken om ons duidelijk te maken dat we het moeilijk hebben om ons te identificeren met de wereld die we zelf hebben gecreëerd.

In the widest sense, Pitarch’s work addresses humanity’s inability to identify with the structures we ourselves have created. The sense of loss or inadequacy we feel when faced with these structures (whether we call them culture, setting, society, ..) moves humanity to interpret the world, and ourselves, constantly and intuitively in order to try to insert ourselves into it. Through the use of elements fabricated by man, inhabited by man, or elements that have helped man to construct an idea of himself and of what the world is, Jaime Pitarch addresses notions of time, value and productivity. (I Lobo you blog)

Monumentum, 2017 Broken ladder inbalance 190 x 190 x 60 cm

This futile action modifies peoples’ destinies. I see this act as something of great beauty. In my work, I use elements fabricated by man, inhabited by man, or elements that have helped man to construct an idea of himself, and of what the world is.

I tend to dismember and reconstruct these elements. The distance between the original object and the new object, often dysfunctional, acts as a reflection of the space between the original being and the person, between collective structures and our limited adaptation to or identification with them. The new object tends to express the loss of the person, and as a result, his need to keep standing even though it might only be to prove that, in essence, he is still holding onto what was given to him, and what indicates that he still is.

Monumentum 14 2006 Deconstructed and reassembled chair, teacup

This explains a certain obsession with the theme of order (ordering is the prerequisite for interpreting) and the fact that most of the actions carried out in my work are sometimes futile, or present their elements in a situation of equilibrium or precariousness. A futility or precariousness, however, in which I try to produce echoes of the beauty that encompasses the reiterated act of loss and self-affirmation.

From Nowhere to Nowhere Deconstructed and rebuilt door 2006

Van ‘Nergens naar Nergens’, het klinkt in deze tijden bekend in de oren. Ligt zijn werk nog in de filosofische structuren van het deconstrueren van onze verhalen, zijn heropbouw, zijn ‘rebuilt’, is duidelijk een teken van een ‘ander’ of een ‘nieuw’ verhaal. Zijn spelen met andere evenwichten of minieme veranderingen wijzen op mogelijkheden als we het over ‘anders’ zien en nieuwe betekenissen hebben.

“My work takes as its starting point the contradiction between our mistrust of social structures and our desire to fit into them. I address this contradiction by looking at the order that underpins any form of production, trying to find the common aspects between the design, for example, of a chair, and the design of a political or economic strategy.
I do so because I believe the motivations behind all these forms of production are not so distant. Men and women live in a perpetual state of social adaptation, however the pace of change is not determined by individuals but by the inertia of the group. This social adaptation is often unsuccessful, generating a sense of inadequacy or dissatisfaction. I express the tragicomic condition of this unsuccessful adaptation, and the absurdity of the signs offered to us for social guidance (political mottos, emblems, nationalistic imagery, etc.) by deconstructing familiar objects and reassembling them into new kinds of resonance. The disparity between the first state and the last speaks of our eternal condition of displacement.”

Jaime Pitarch, Untitled, 2015
Ax, eslastic strap and pillar
40 x 60 cm

Zo maakte hij een video ‘Jabon de Alepo’ waar hij met een stuk zeep afkomstig uit Alepo Syrië (oorspronkelijk leverancier van kostbare reukwaren en zepen) zijn handen bleef wassen tot de zeep was opgebruikt, een video van 4 uur 30 maar met de duidelijke betekenis dat wij in de Syrische kwestie onze handen in ‘onschuld’ blijven wassen, of… in deze tijd om met dat wassen ons eigen leven veilig te stellen. Een reeks Russische popjes illustreerde de bekommernis om de gebeurtenissen met hun verstrekkende gevolgen in Chernobyl.

Chernobyl, 2008 Lime wood, aniline, oil and varnish. 35 x 22 x 22 cm.

Je vindt een uitstekend overzicht ook van recenter werk bij:

http://angelsbarcelona.com/en/artists/jaime-pitarch

Hung, Modified coat hanger 1997

Terwijl we in onze hokken zijn opgeborgen is het misschien leuk om zelf een eigen kleine tentoonstelling op te zetten vertrekkende vanuit Pitarch’s werkwijze, waarschijnlijk met als voorwaarde dat je met het materiaal ‘deconstructies’ uitvoert die nog wel naar de vroegere constructie kunnen terugkeren, tenzij je de lente schoonmaak erg letterlijk wil opvatten.

Dan Hall: different beauties but similar feelings, ‘Eternal Youth’.

Hij kiest voor ‘nabijheid’, de intimiteit die met allerlei nuances ook het kwetsbare toont. Hij kent zijn modellen, en zij kennen hem. Er is al een verbinding tussen beiden.
Merkwaardig is dat de twee polen van het bestaan, ‘op de rand’ zou je kunnen zeggen, onder de term ‘Eternal Youth’ zijn samengebracht. Zij die de eerste ervaringen van wat gemeenzaam ‘het volle leven’ heet, ervaren, en zij die aan de andere kant de laatste periode meemaken. Dat eeuwig jeugdige wil je duidelijk maken dat niet alleen de uiterlijke schijn hem interesseert maar hij de nabijheid van beiden gebruikt om de kijker zelf te laten ontdekken wat ons verbindt.


Er is natuurlijk ook de spiegeling: je beseft dat het jeugdige de weg opgaat naar uiteindelijk die laatste fase, maar omgekeerd vind je bij de ouderen dezelfde glans die je aantrof bij diegenen die er net mee begonnen zijn. ‘Eternal Youth’ is dus een prachtige titel van zijn eerste solo-tentoonstelling in West-Londen, net voor Corona ons allen het hok in dreef.
En hij is de 17-18 jarige Dan Hall die met de opbrengsten van deze collectie zowel een project voor de geestelijke gezondheid van jongeren als eentje voor ouderen wil helpen financieren.

In many ways, the series explores forms of intimacy and vulnerability, from the delicacy of two young lovers bathing to the poignancy of an older woman looking at herself in the mirror. Joy and beauty radiate alongside a sense of sadness, caught in the full-hearted smile of an older woman gazing out her window or the complicit stare of two teens smoking a cigarette. Younger and older subjects alike share hints of youthful rebelliousness and changing self-awareness.
Dan Hall comments, “I discovered that they have different beauties but share similar feelings of isolation and loneliness.”


Each frame tells a life story. Photographs of everyday domestic life are rich in detail and colour, from modish chequered tiles to vintage china patterns. Cropped frames and original angles show a particular focus on hands, suggestive of a desire for human connection.
Often, windows and mirrored reflections create a multiplicity of frames within each shot, enacting a shared sense of disconnect. Inviting viewers to look beyond the readily available, the series expresses the desire to search for common ground even in seemingly unlikely places.

The images are all shot on an analogue camera. As someone who’s grown up in a predominantly digital age, why do you think so many young photographers today are drawn to film?
For me, the more tactile experience of shooting film took me away from digital. I can slow down and focus more on the composition of an image, connect with the subject more fully. The outcome isn’t instantaneous and each frame counts.

My favourite is ‘Grandma’s Hands’, because it shows the evidence of a long and varied life — the lines and details in her delicate hands show her age and there’s beauty in that.

“I discovered that they have different beauties but share similar feelings of isolation and loneliness.”

How do you define eternal youth?
It suggests that, whatever age a person is, they always have a sense of youthfulness. The young want to be old and the old want to be young. Even though the people in the series are at opposite ends of adulthood, they all share youthful spirits.

Natuurlijk wordt ‘de spiegeling’ ook letterlijk gebruikt in verschillende werken: de werkelijkheid bevragen is haar aan zichzelf spiegelen, net zoals de benadering via een kader van raam of aanwezigheid van een tweede onderwerp: je bepaalt makkelijker je onderwerp door het in zijn/haar omgeving te tonen en die omgeving tegelijkertijd als beeld-opbouw te gebruiken.

Dan’s foto’s willen niet opvallen door een bijzonder perspectief of een modische uitdrukkelijkheid: deze jonge fotograaf bezit nu al de gave om het vanzelfsprekende van de innigheid te tonen: de personages durven je aankijken en verbinden daardoor onderwerp en beschouwer zonder in te breken in het intieme van het moment. Je hoort erbij. Je wordt een lotgenoot.

Website:
https://danhallphotography.com/

I’m 18 and I like taking photos.
Born in 2002, British photographer Dan Hall is a student currently living in London. He kickstarted his career with a solo exhibition and photobook aged 17 titled ‘Eternal Youth’ which depicted the contrasts and similarities between his teenage friends and grandparents. Eternal Youth was on display at JM Gallery, London in March 2020.

Bewegende beelden: het verleden dichterbij

Cinema Paradiso

Toen ik tien, elf jaar was, kreeg ik van de heilige man een heus film-projectie-apparaat cadeau waarmee ik 35mm-filmpellicule kon afdraaien -letterlijk te nemen- waardoor een fragment van een oude oorlogsfilm in technicolor met behulp van een grote 100 Watt-lamp op een witte muur of laken verscheen: in de cockpit van een Amerikaanse bommenwerper volgde ik even een kort (geluidloos) gesprekje dat plotseling afbrak en overging in een zwart-wit fragment van een cyclo-cross ergens te lande waar hijgende mannen, fiets op de schouder, een slijkerige heuvel oprenden en toeschouwers lachend in de lens keken.
Het beeld vastzetten om het dashboard van de bommenwerper te bekijken lukte niet want dan kon de pellicule in brand vliegen. Je kon wel even de wielrenner van dienst bevriezen net voor hij onderuit zou gaan maar dan mochten er geen ouders in de buurt zijn om ‘verder draaien of hij schiet in brand’ te roepen.

Via via kregen mijn ouders fragmenten van een weekjournaal en stukken uit de toenmalige trailers om mijn collectie aan te vullen zodat ik met eigen ogen het ontstaan van een beweging kon nagaan, een ervaring die we zelf wel eens toepasten door een ventje onderaan een schriftpagina te tekenen en op de volgende pagina-hoek een armpje steeds hoger de lucht instak. Tussen duim en wijsvinger-cinema.
Beweging in beeld brengen vroeg tijd, zeker voor een ongeduldig kind. Vierentwintig tot dertig prentjes om één seconde beweging te zien.

“We live in an environment where there are moving images constantly around us. But in 1897, this was startling and new and completely revolutionary. It was a different way of looking at the world.”
“The IMAX of the 1890s HOW TO SEE the first movies.”
In 1939, MoMA acquired a treasure of thirty-six reels of 68mm nitrate prints and negatives made in cinema’s first years. Everything that survived of the Biograph film company lives on those reels, including a rare bit of moving image footage of Queen Victoria.

MOMA, The museum of modern art in NY heeft altijd veel belangstelling in film als te bewaren kunstvorm gehad. Zij begonnen al in de jaren dertig met hun archivering en behandeling van oud materiaal.
Daarom enkele van de mooie filmen uit hun collectie waarin de beweging en het zelf film-maken centraal staan. Zalig om te zien! Je moet bij enkelen het nummer (index) van de playlist instellen. We geven het duidelijk weer onder de video. Hier kun je dadelijk mee beginnen: (je kunt ondertiteling instellen indien nodig)

Zoals je kon zien werd door kundige restauratie het verleden op een heel andere manier zichtbaar, dichter bij het heden gebracht. We hebben een verkeerd beeld van dat verleden gekregen. Het verleden is zwart-wit, de personen lopen houterig voorbij, hun gezichten zijn nauwelijks te herkennen. Ik begrijp de verbazing van ingekleurde pellicule waarmee getuigenissen uit bv. de tweede WO een heel actueel karakter krijgen. Dank zij allerlei technieken kan snelheid, beeld en montage voor een verloop zorgen dat gisteren en eergisteren wel heel erg met vandaag verwant maakt! Kijk naar dit prachtige portret van het New York van 1911. Honderd en negen jaar geleden en toch dichtbij. Stel in op index 15. (15/57)

Stel in op nr 15 van de afspeellijst

This documentary travelogue of New York City in 1911 was made by a team of cameramen with the Swedish company Svenska Biografteatern, who were sent around the world to make pictures of well-known places.

Opening and closing with shots of the Statue of Liberty, the film also includes New York Harbor; Battery Park and the John Ericsson statue; the elevated railways at Bowery and Worth Streets; Broadway sights like Grace Church and Mark Cross; the Flatiron Building on Fifth Avenue; and Madison Avenue. Produced only three years before the outbreak of World War I, the everyday life of the city recorded here—street traffic, people going about their business—has a casual, almost pastoral quality that differs from the modernist perspective of later city-symphony films like Paul Strand and Charles Sheeler’s “Manhatta” (1921). Take note of the surprising and remarkably timeless expression of boredom exhibited by a young girl filmed as she was chauffeured along Broadway in the front seat of a convertible limousine.

Het duurde niet lang of de bewegende beelden kwamen in het bereik van een breed publiek. Een mooie collectie van die zelf gemaakte beweging vind je in het leuke filmpje van de Moma Collectie hieronder: je kunt dadelijk starten.

Je kunt nu zelf filmpjes kijken van 1-57 te kiezen in de afspeellijst, een dag of nacht intense kennismaking met verschillende aspecten van het bewegende beeld op een aangename manier door het Moma geserveerd. Onze voorouders hadden van een dergelijke mogelijkheid alleen maar kunnen dromen. Om af te sluiten een filmpje over ‘selfies’, want onze nakomelingen zullen ons niet vergeten als ze ons op elke fotootje naar de camera zien kijken. De vraag blijft: waar zullen ze de beelden die wij dagelijks maken terugvinden? Schilder Tai Schierenberg: