Ontwapenend (5) Je eigen mythe ontvouwen

Human ornithopter, 1800-30
UNFOLD YOUR OWN MYTH

Who gets up early to discover the moment light begins?

Who finds us here circling, bewildered, like atoms?

Who comes to a spring thirsty

and sees the moon reflected in it?
Who, like ]acob blind with grief and age,

smells the shirt of his lost son

and can see again?

Who lets a bucket down and brings up

a flowing prophet? Or like Moses goes for fire

and finds what burns inside the sunrise?
Jesus slips into a house to escape enemies,

and opens a door to the other world.

Solomon cuts open a fish, and there’s a gold ring.

Omar storms in to kill the prophet

and leaves with blessings.

Chase a deer and end up everywhere!

An oyster opens his mouth to swallow one drop.

Now there’s a pearl.

A vagrant wanders empty ruins.

Suddenly he’s wealthy.

Bur don’t be satisfied with stories, how things

have gone with others. Unfold

your own myth, without complicated explanation

so everyone will understand the passage ’
We have opened you.

Start walking toward Shams. The teacher, the sun..
Your legs will get heavy

and tired. Then comes a moment 

of feeling the wings you’ve grown,

lifting.

(Rumi 1207-1273)
ONTVOUW JE EIGEN MYTHE


Wie staat er vroeg op om het moment te ontdekken waarop het licht begint?
Wie ziet ons hier rondcirkelen, verbijsterd, als atomen?

Wie komt er dorstig bij een bron 
en ziet de maan erin weerspiegeld?
Wie, zoals Jacob, blind van verdriet en ouderdom, 
ruikt het hemd van zijn verloren zoon 
en kan weer zien?

Wie laat een emmer zakken en haalt 
een flierefluitende profeet naar boven? Of zoals Mozes 
op zoek gaat naar vuur en vindt wat brandt in de zonsopgang?
Jezus glipt een huis binnen om aan vijanden te ontsnappen 
en opent een deur naar de andere wereld.

Salomo snijdt een vis open en daar ligt een gouden ring.

Omar stormt binnen om de profeet te doden 
en vertrekt met zegeningen.

Achtervolg een hert en kom overal terecht!

Een oester opent zijn mond om een druppel in te slikken.

Nu is er een parel.


Een zwerver zwerft door lege ruïnes.

Plotseling is hij rijk.

Maar wees niet tevreden met verhalen 
over hoe het bij anderen is gegaan. Ontvouw 
je eigen mythe, zonder ingewikkelde uitleg 
zodat iedereen de passage zal begrijpen.
We hebben je geopend.

Begin in de richting van Shams te lopen, 
de leraar, de zon.
Je benen worden zwaar en moe. 
Dan komt er een moment 
dat je de vleugels voelt die je hebt gekregen.

(Rumi 1207-1273)


Ja, het klinkt mooi, ‘je eigen mythe ontvouwen’, en ja hij is veelvuldig gebruikt deze letterlijk eeuwenoude tekst van Rumi.  Wie deze ‘Rumi’ werkelijk geweest is hebben we al eens met allerlei voorbeelden beschreven in een bijdrage.  Graag uitgenodigd om langs te lopen bij ‘Nooit vult de wereld de zadeltassen’.

In het Standaard Weekblad van vandaag schrijft Ludo Abicht: “Wij weten nog steeds niet helemaal hoeveel onze westerse culturele bloei tijdens het humanisme en de renaissance aan de Arabisch-Joodse vroegrenaissance te danken heeft.” Het is dus duidelijk dat het ontwikkelen van je eigen mythe de bronnen erkent en de nood ervaart elkaars culturele en wetenschappelijke rijkdom niet alleen te erkennen maar samen te leggen.

‘Misschien kan Israël economisch en militair overleven zonder niet-Joden. Al vrees ik dat het niet lang zal duren voor het land in de greep zal komen van een etnisch verkrampte, zogeheten religieus gedreven minderheid.” (ibidem)

Met die droom begint hij zijn bijdrage:

“In 1779 schreef de Duitse cultuurfilosoof Gotthold Ephraim Lessing Nathan de wijze, een filosofisch toneelstuk over religieuze en levensbeschouwelijke verdraagzaamheid als kern van de verlichting. Na meer dan duizend jaar ideologische hegemonie van de rooms-katholieke kerk, gevolgd door eeuwen van haat, vervolging en oorlog tussen katholieken en protestanten, was het meer dan tijd voor een nieuw pleidooi. Lessing beschreef een ontmoeting in een imaginair Jeruzalem tussen drie mannen: de islamitische heerser Saladin, een christelijke ridder en de wijze oude Jood Nathan.
Nathan vertelt zijn gesprekspartners het verhaal van de ring, een erfstuk van een vader die zijn drie zonen even graag ziet en daarom twee identieke ringen laat bijmaken. Na zijn dood denken de zonen alle drie dat ze de ware erfgenaam zijn, wat leidt tot een nauwelijks op te lossen conflict. De oplossing van Lessing is even geniaal als eenvoudig: omdat we onmogelijk kunnen weten wie de echte ring bezit —lees: wie de waarheid in pacht heeft — volstaat het dat ze alle drie zo eerlijk mogelijk volgens hun waarheid proberen te leven. Tot ze, samen met het verlichte 18de-eeuwse publiek, tot de conclusie komen dat het er niet op aankomt Wie nu de ‘echte’ waarheid bezit, zolang ze maar beseffen dat ook de anderen oprecht van hun gelijk overtuigd zijn.” (Ludo Abicht Standaard Weekblad 4 november 2023)

De titel van zijn bijdrage: ‘Een Israel zonder Palestijnen is fataal voor de Joodse ziel.’

The photo attached is by Mahmoud Al Tamimi, 11. ‘’Art for Peace” project for Jerusalem children in Jerusalem.

	

Kleine recepten omtrent de leegte, een aanloop.

Fran Angelico Annunciatie
Fra Angelico (1395 – 1455) werd door Vasari in zijn Vite beschreven als zijnde “een zeldzaam en perfect talent”. Dit talent is zeker zichtbaar in de Annunciatie die hij schilderde in het Convento di San Marco in het noorden van Florence. In de Christelijke iconografie verbeeldt de annunciatie het moment waarop de aartsengel Gabriël aan Maria verschijnt en haar de geboorte van Jezus verkondigt, zoals beschreven in het Evangelie van Sint-Lucas 1:26-35. Het fresco is nog steeds daar te vinden waar Fra Angelico het oorspronkelijk schilderde; het is het eerste fresco dat je ziet wanneer je in het Convento di San Marco de trappen oploopt naar de eerste verdieping van het klooster, naar de cellen van de monniken waar de kunstenaar zijn beroemde fresco’s schilderde. (Aniek Rooderkerken)

Waarom ik vaak terugkeer naar dit prachtige werk van dit ‘zeldzaam’ en ‘perfect’ talent, Fra Angelico, heeft alles met leegte te maken. Geen decoratie noch symbolen. Links is er de tuin. Centraal de overkoepelde ruimte waarin twee wezens, de handen eerbiedig gekruist, elkaar aankijken. De confrontatie van het hemelse met het aardse verdraagt alleen stilte en leegte.

Mensen hebben het niet voor de leegte. Het Horror Vacui, de schrik voor de leegte, is net daarom zo spreekwoordelijk. (Je zou beter van een terreur van de leegte spreken.) Kijk je naar een schilderij van de Zwitserse schilder Adolf Wölfli (1864-1930) dan wordt die leegte met een soort doodshoofden en notatie van muziekschrift gevuld. Er is geen doorkomen aan. Zou je zoiets hoorbaar kunnen maken?

Horror Vacui

Uit de geluidscollectie van de BBC koos ik een geluid, beschreven als Electronically Generated Sounds – Pulsating pink noise. (Futuristic Spot Effect.) van 1’13” Het geeft een geluidsbeeld van dat overvolle. Niet de sterkte telt maar de pulsatie zoals die ook grafisch werkt op het schilderij hierboven.

Je kunt vanuit deze soundscape vertrekken om zelf een wit blad te vullen al dan niet door gebruik te maken van het pulserende ritme. Het dwingende. En als tegenstelling hieronder in de leegte van een landschap een beekje : Gently running stream with birdsong, season unknown.

Ze zijn beiden ongeveer net zo sterk maar laat je de leegte, het wijdse meespelen dan roepen de geluiden heel andere beelden op: rust, traagheid.

Wandel daarna even mee in de sneeuw. (Beluister geluiden met gesloten ogen) Walking In Snow Atmosphere – sound of walking thru snow as man walks his dog thru open woodland.

Je kunt dat wandelen in de sneeuw ook zichtbaar maken. Mooi idee. Maar het mag ook speelser blijven.

Natuurlijk voelde je dadelijk herinneringen bij dat lopen door de sneeuw: je kindertijd, een uitstap naar de sneeuw, de verwondering, de dagen van het alles-wit. Ook een grote mooie leegte.

Net zoals dat kan gebeuren als je de tijd neemt om naar het beekje te luisteren. Hier bevindt zich het wijdse, het lege, in je herinneringen zelf: best mogelijk dat het mooie kabbelen bijna of helemaal vergeten beekjes en omstandigheden wakker maakt. Net zoals Schubert het zich herinnerde toen hij de liederencyclus ‘Die schöne Müllerin’ schreef en daarin een beekje wakker maakte dat het molenrad in beweging bracht. Het lied: Ich hört ein Bächlein rauschen. Ik maak het hoorbaar en misschien zie je het ook:




Ich hört' ein Bächlein rauschen wohl aus dem Felsenquell,
hinab zum Tale rauschen, so frisch und wunderhell.
Ich weiß nicht, wie mir wurde, nicht, wer den Rat mir gab:
ich mußte auch hinunter mit meinem Wanderstab.

Hinunter und immer weiter, und immer dem Bache nach.
Und immer frischer rauschte, und immer heller der Bach.

Ist das denn meine Straße? O Bächlein sprich, wohin?
Du hast mit deinem Rauschen mir ganz berauscht den Sinn.

Was sag' ich denn vom Rauschen? Das kann kein Rauschen sein:
Es singen wohl die Nixen dort unten ihren Reig'n:

"Laß singen, Gesell', laß rauschen, und wand're fröhlich nach!

Es geh'n ja Mühlenräder in jedem klaren Bach."

Dat magische woord ‘Wohin’, ‘Waarheen’? En of dat ruisen echt wel ruisen was of waren het de stemmen van de Nixen, een soort rivier-meerminnen die zich toen in romantische Duitse en Oostenrijkse wateren ophielden? Of was het toch de tocht naar die schöne Müllerin? Die oude vraag ‘Wohin’ die zelfs tot in het ruisen van het beekje hoorbaar werd. (De tekst van het lied was van Wilhelm Müller die ook de prachtige tekst van ‘Der Lindenbaum’ maakte, ‘Am Brunnen vor dem Tore.’ (1794-1827) Net als de toondichter Schubert (1797-1828) als jonge dertiger gestorven.)

Vincent Van Gogh Het beekje 1890 Auvers-sur-Oise

Voor mezelf opende het lied van Schubert de poorten naar de muziek toen ik het als dertienjarige hoorde zingen door een iets oudere schoolgenoot met de prachtige pianobegeleiding van een begaafd muziekleraar. Van het paard geworpen. Het jaar voor de wereldtentoonstelling, de wereld op een kier. Ja, wohin? Een vraag die ook deze dagen hoorbaar blijft.

Vanuit het begrip ‘leegte’ probeerden we een tocht te maken naar sluimerende bronnen die ons dichter bij essenties kunnen brengen. Voor westerlingen is ‘leegte’ een vrij moeilijk begrip gezien de dynamische opvattingen die wij koesteren omtrent vooruitgang en wij elke leegte onmiddellijk met die vermeende vooruitgang willen vullen. Laten we dus nog even langslopen bij Rumi, (1207-1273)

Een mooie vertaling van een gedicht van Rumi, in dit blog al eens uitvoerig besproken.

VOLTOOIING

Ik was altijd verlegen;
jij bracht me aan het zingen.

Ik beheerste me altijd aan tafel,
nu roep ik om meer wijn.

In sombere waardigheid zat ik altijd
op mijn mat en zei mijn gebeden.

Nu rennen er overal kinderen rond
en steken de draak met me.

Barks, C: The essential Rumi. Edison 1997, p. 238

een brief aan Gustav (452)

405_e2fe0f221b6e33de6be9ad3f96ef6d57

Zeer geliefde Gustav,
Ich bins, der Friedrich.
Mijn pa wilde dat ik zoals hem jurist werd, en wat doe je met vaders?
Je volgt hun raad op om diezelfde raad daarna met alle heftigheid in de wind te slagen.
De enig juiste plaats voor goede raad.

Ik zag het levenslicht zoals dat zo mooi heet op 16 mei in 1788, in een dorp bij Coburg.(Schweinfurt!)
En je kunt die pastoors verketteren en al dan niet vals beschuldigen maar het was dank zij de pastoor van Oberlauringen dat ik de liefde voor de taal meekreeg.

Net zeventien was ik, Friedrich Rückert, toen ik in Würzburg aan de jura studie begon, maar al vlug meer interesse kreeg voor filologie en mooie mythologische verhalen.

Ik moet jou niets vertellen over sterven want toen mijn jongste zus Marie geboren werd hadden mijn ouders al drie kleine meisjes aan diezelfde dood afgegeven.
Ik schreef voor Marie in 1813 “Fünf Märlein zum Einschlafen” nadat ik intussen naar Heidelberg was verhuisd om er bij Creuzer me in de filologie te verdiepen.

Vergeet mijn thesis (de ideae philologiae) waarin ik het Duits als taal voor vertalingen uit de wereldliteratuur en eigen literaire scheppingen voorstelde.
Tenslotte waren dat ideeën die ik voorbeeldig van de heren Goethe en Herder heb ontvreemd.

We waren volop bezig met het verzet tegen Napoleon, en ik met mijn arme gezondheid had als enige wapen de pen die ik in mijn “Geharnischte Sonette” in het vreemde jaar 1812 publiceerde.
Jeugdzonden!

Net zo goed schreef ik dat jaar voor mijn gestorven zestienjarige vriendin Agnes Müller “Agnes’ Totenfeier” om de 75 sonnetten niet te vergeten die ik aan Marie Elisabeth opdroeg, de dochter van de herbergier.
Jeugdzonden! Maar stukken sterker dan het wapengekletter hierboven!

(ik heb ook nog een aantal woorden aan de vermoorde Abe Lincoln gewidmet!)

Dank zij belangrijke lieden kwam ik bij de Cotta uitgeverij in Stuttgart terecht, en toen mijn vriendschap met Ludwig Ühland was afgekoeld trok ik in oud Duitse klederdracht door Zwitserland, en Italië.
Jeugdzonden!

In Rome sloot ik vriendschap met de graveur Carl Barth (hij zou zich later in 1853 van het kostbare leven benemen) en naast deze innemende mens waren er ook de “Oktaven” en “Ritornelle”, de zingende vormen waarin de Italianen hun taal dichten.

Wie langs Wenen terugreist, weet dat hem iets vreemds zal overkomen.
Ik leerde er de Oriëntalist Hammer kennen (in feite Joseph von Hammer-Purgstall!) en die maakte ook bij mij de liefde voor de Oosterse literatuur los.
Ik bestudeerde Hafis, de grote Perzische dichter waaruit Goethe al had geput in zijn West-östlichter Divan”, en ikzelf schreef “Östliche Rosen”.

En waarde Gustav, met mijn liefde voor de Oosterse talen was het in één klap gedaan met mijn succes als Duitse nationalist.
Jaja, ze roemden mijn vertalingen, maar waarom zou een Duitser zich met die verre talen bemoeien?

Tegelijkertijd vertaalde ik “der Ghaselen” naar Dschelaladdin Rumi.
Deze in 1273 overleden Islamitische mystieker werd als de geestelijke vader van de dansende derwisjen aanzien.

Terug naar Coburg waar ik in de winter van 1820 de tien jaar jongere dochter van mijn huisbaas, Luise Wiethaus-Fischer ontmoette en…met haar trouwde, Kerstmis 1821.
Zij zal de moeder van mijn tien kinderen worden, de liefde van mijn leven.

De gedichten die ik voor haar schreef zal ik tot 1844 bijhouden en ze dan publiceren in “Liebesfrühling”.

Daarna heb ik verder in het Arabisch bekwaamd en grote stukken van de Koran vertaald.
Het allermoeilijkste werd “Makamen des Hariri”, een van de mooiste werken in het Arabisch.
Men verbaasde zich over mijn getrouwheid aan de tekst en aan de Islamitische cultuur die ik ten zeerste ben blijven bewonderen.

Met al dat volk in huis moest ik echter wel prof worden om hen te onderhouden.
In Erlangen werd ik dus hoogleraar voor Orientalische Sprachen.
Ik leerde mezelf Sanskriet, en zag mezelf als “abgedankte Poet und notgedrungene Orientalist”.

In 1838 (in dat kleine land België is intussen een Coburger koning geworden) verzamelde ik mijn jongste werk in “Haus-und Jahreslieder”.

Maar het was ook een droevige tijd.
Mijn twee jongste kinderen stierven, Ernst vijf jaar, Luise drie.
In mijn verdriet schreef ik voor hen meer dan 400 Kindertotenlieder.
Ook Marie voor wie ik ooit “Fünf Märlein” schreef, sterft in 1835.

In 1836 verschijnt mijn didactisch hoofdwerk: “Weisheit des Brahmanen” weg van alle dogmatiek van het Würtembergische protestantisme.
De roep naar Berlijn werd steeds maar groter.

Een eenzame tijd.
Ik besloot geen gedichten meer te publiceren en me toe te leggen op de Oosterse talen.

Ik bespaar je de rest.
Ik ben je dankbaar Gustav dat jij na je crisisjaar 1900 enkele van mijn teksten met muziek hebt vertaald. Je Rückert-liederen, je Kindertotenlieder zullen mijn werk lang overleven.

Ich bin der Welt abhanden gekommen,
mir der ich sonst viele Zeit verdorben,
sie hat so lange nichts von mir vernommen,
sie mag wohl glauben, ich sei gestorben !

Es ist mir auch gar nichts daran gelegen,
ob sie mich für gestorben hält,
ich kann auch gar nichts sagen dagegen,
denn wirklich bin ich gestorben der Welt.

Ich bin gestorben dem Weltgetümmel,
und ruh in einem stillen Gebiet.
Ich leb allein in meinem Himmel
in meinem Lieben, in meinem Lied.

De tekst van het prachtigste lied dat ik ooit heb gehoord, staat hierboven afgedrukt.
Als alles zwart is, de winter te lang duurt, de ziel verdrinkt in Weltgetümmel, beluister dan dit lied telkens weer.

Wij zullen dicht bij elkaar zijn.